Is er plaats voor kmo`s in het Europa van Morgen?

Commentaren

Transcriptie

Is er plaats voor kmo`s in het Europa van Morgen?
ISSN 1830-6357
November 2012/8 Speciale uitgave NL
EESC info
Bouwen aan een sterker Europa
Beste lezers,
De Europa 2020-strategie is het belangrijkste wapen van de EU bij de bestrijding van de crisis.
Ze biedt een omvattend en dynamisch Europees groeimodel waarop investeerders, producenten, werknemers en consumenten hun vertrouwen kunnen stellen. De conferentie die wij
in september onder de titel „Samen werken aan een sterker Europa” hebben georganiseerd,
was een uitstekende gelegenheid om 30 praktische aanbevelingen te formuleren, bedoeld om
Europa de weg naar herstel en naar een „new deal” voor de burgers te wijzen.
Tijdens de conferentie werden de politieke leiders opgeroepen om daadkrachtig op te treden
en een samenhangend kader voor een geïntegreerde groeistrategie tot stand te brengen. Een
alomvattende aanpak is geboden, waarbij een economische unie (met bancaire, financiële en
fiscale harmonisatie), een sociale unie (met meer respect voor de grondrechten) en een politieke
unie (met vergroting van de democratische verantwoordelijkheid en verantwoordingsplicht)
hand in hand gaan.
Een en ander zal des te meer effect sorteren als de hand wordt gehouden aan begrotingsdiscipline, incl. risico- en winstdeling. „Meer Europa” is goed voor de economie en wij
zullen de EU-begroting moeten gaan zien als een ingenieuze manier om schaalvoordelen te
verwezenlijken. Ook is er behoefte aan toezicht en regulering op Europees niveau, zodat we
controle kunnen uitoefenen op de activiteiten van banken en financiële instellingen, waarvan
mag worden verwacht dat ze een redelijke bijdrage leveren aan de groei. Sociale vooruitgang
moet bij de formulering van het beleid worden erkend als een prioriteit die evenveel aandacht
verdient als de andere.
De interne markt moet een nieuwe impuls krijgen en worden versterkt, zodat de mogelijkheden die er zijn op gebieden als elektronisch zakendoen en toegang tot financiering, waarbij
ook de consument bescherming geniet, ten volle worden benut. Obstakels als uiteenlopende
belastingwetgevingen en bureaucratische rompslomp moeten uit de weg worden geruimd,
teneinde de grensoverschrijdende handel voor m.n. kleine en middelgrote ondernemingen te
vergemakkelijken. Meer aandacht zal moeten worden besteed aan de rol van zelfstandigen en
sociale ondernemingen, terwijl er ook meer werk zal moeten worden gemaakt van de grensoverschrijdende erkenning van beroepskwalificaties.
Een van de belangrijkste thema’s op de conferentie was jongeren en het scheppen van
werkgelegenheid. Jeugdwerkloosheid – die in de EU gemiddeld 23% bedraagt en in sommige
lidstaten zelfs boven de 50% ligt – betekent een tragische verspilling, die potentiële gevaren
voor de toekomst in zich bergt. De EU en haar lidstaten zullen het financiële en politieke
draagvlak moeten vinden voor het ontwikkelen van vaardigheden en het creëren van nieuwe
banen. Jongeren hebben recht op werk en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. Jonge vrouwen
moeten worden ondersteund bij het vinden en behouden van een plaats op de arbeidsmarkt.
Ook de ondernemerszin moet worden aangemoedigd. De EU zal er voor moeten zorgen dat
ze door de mensen niet langer wordt geassocieerd met bezuinigingen en banenverlies en zal
zich moeten inspannen voor een actieve integratiestrategie.
Er is een nieuwe industriële revolutie nodig, waarbij maatregelen ter bevordering van duurzame groene groei voorop staan en innovaties, investeringen en modernisering van de economie
hand in hand gaan met een beperking van het gebruik van schaarse natuurlijke hulpbronnen.
De landbouw heeft behoefte aan duurzame en innovatieve methoden om voedingsmiddelen
van hoge kwaliteit te leveren en bij te dragen tot de ontwikkeling van het platteland. Innovatie
is de sleutel tot ontwikkeling, wat betekent dat Europa het zich niet kan veroorloven om te
besparen op onderzoek en ervoor zal moeten zorgen dat het zijn doelstelling m.b.t. investeringen
in onderzoek en innovatie – 3% van het bbp – haalt.
Europees Economisch
en Sociaal Comité
Een brug tussen Europa en het maatschappelijk middenveld
Is er plaats voor kmo’s in het Europa
van Morgen?
Met meer dan 87 miljoen medewerkers in
dienst zijn kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) de ruggengraat van
de Europese economie. De 21 miljoen
kmo’s in de EU genereren meer dan de
helft van de totale toegevoegde waarde
in de niet-financiële economische sectoren en waren de afgelopen vijf jaar
goed voor 80 % van alle nieuwe banen
in Europa.
Hebben kmo’s in Europa last
van de economische crisis?
Helaas wel. Kmo’s hebben zwaar te lijden
onder de crisis en zijn er wat de bruto toegevoegde meerwaarde en werkgelegenheid betreft, nog niet in geslaagd om weer
op het niveau te komen van voor de crisis. Alleen al in Spanje is het aantal kmo’s
in 2011 met circa 30 000 gedaald en de
verwachting is dat daar in 2012 nog eens
20 000 bijkomen. In verscheidene andere
landen is de situatie hetzelfde.
externe financiering tussen oktober
2011 en maart 2012 toegenomen. Tegelijkertijd werd het echter steeds moeilijker
om bij banken een lening te verkrijgen.
Bedrijven melden dat er over de hele
linie minder bankleningen beschikbaar
zijn (20 %, tegenover 14 % tijdens het
laatste onderzoek). Bovendien blijkt uit
het onderzoek dat er meer aanvragen voor
leningen zijn afgewezen (13 %, tegenover
10 % daarvoor).
Hoe kunnen kmo’s toegang
krijgen tot financiering?
Wil Europa dit belangrijke deel van haar
economie behouden, dan moet uitgebreid worden onderzocht welke andere
financieringsmogelijkheden er kunnen
worden aangeboord. Naast durfkapitaalfondsen en EIB-leningen – die reeds
succesvol worden gebruikt – zou de EU
ook alternatieve modellen, zoals rentevrij
en ethisch bankieren (waarbij speculatie
21-22 november 2012
EESC, Brussel:
rondetafel EU/Brazilië
26-27 november 2012
Zagreb, Kroatië: 4e forum van het
maatschappelijk middenveld
van de Westelijke Balkan
30 november 2012
EESC, Brussel: Seminar op hoog
niveau over de „Versterking
van Europa: meer innovatieve
praktijken op de werkvloer!”
IN DIT NUMMER
2
3
4
5
6
7
8
Bezuinigen is niet genoeg: het is
tijd om banen te scheppen!
De impact van de Arabische
Lente op de media
De media helpen om zichzelf
te helpen, interview met
Jan Keulen
Moslim Broederschap neemt
de Egyptische pers in de
houdgreep
Cyberactivisten tegen
autoritarisme, interview met
mevrouw Sihem Najar
Euromediterrane top van
sociaaleconomische raden en
soortgelijke instellingen 2012
Interview met Brenda King,
EESC-lid
Het probleem is echter de grote verscheidenheid aan Europese kmo’s en de
onderlinge verschillen, waardoor er geen
pasklare oplossing bestaat voor het financieringsprobleem. „We hebben een heel
pakket aan diverse en innovatieve maatregelen nodig om deze groep van actoren te
bereiken en rekening te houden met hun
specifieke kenmerken. Sociale ondernemingen en vrije beroepen houden er bijvoorbeeld andere werkwijzen op na dan
„traditionele” ondernemingen”, voegt
Ronny Lannoo van de Belgische Unie van
Zelfstandige Ondernemers (UNIZO) en
corapporteur van het EESC-advies over
de toegang tot financiering voor kmo’s
eraan toe.
“
Uit onderzoek blijkt dat
er meer aanvragen voor
leningen zijn afgewezen.
Is er plaats voor kmo’s in
het Europa van morgen?
”
Onderzoeksresultaten wijzen in dezelfde
richting als het huidige EU-beleid en de
in dat kader genomen maatregelen. Aangezien kmo’s voor meer werkgelegenheid
zorgen, verdienen zij speciale aandacht.
Innovatieve kmo’s en lidstaten zijn beter
in staat om de crisis het hoofd te bieden.
Bovendien zijn internationaal actieve
kmo’s innovatiever en laten zij een hogere
werkgelegenheidsgroei zien. Toch zijn
veel kleine bedrijven van oudsher vooral
lokaal actief. Willen ze het hoofd boven
water kunnen houden, dan hebben ze
vanwege de geringe binnenlandse vraag
begeleiding en expertise nodig om de stap
naar de wereldmarkt te zetten.
Staffan Nilsson
Voorzitter
VOOR IN UW AGENDA
te participeren in investeringen die vaak
specifiek voor kmo’s zijn bedoeld. We
hebben instrumenten nodig waarmee
aan de ontwikkelingsbehoeften van kmo’s
tegemoet kan worden gekomen.”
“
Bedrijven melden dat er
over de hele linie minder
bankleningen beschikbaar
zijn (20 %, tegenover 14 %
tijdens het laatste onderzoek).
”
Een van de belangrijkste obstakels
voor kmo’s in het huidige klimaat is de
toegang tot financiering. Zonder waterdichte garanties schrikken de banken
er namelijk voor terug om leningen te
verstrekken. Blijkens de resultaten van
het laatste ECB-onderzoek naar kleine
en middelgrote ondernemingen is de
behoefte van kmo’s in de eurozone aan
wordt voorkomen en een maatschappelijk
verantwoorde benadering van investeringen wordt gehanteerd) of crowdfunding
(waarbij mensen via online oproepen in
kleine start-ups investeren), moeten aanmoedigen.
Als eerste stap heeft de Europese
Commissie een actieplan gepresenteerd
om de toegang van kmo’s tot financiering te verbeteren. „Het voorstel voor
een nieuwe verordening om durfkapitaal
aan te trekken moet worden toegejuicht”,
aldus Anna Maria Darmanin, vicevoorzitter van het EESC en rapporteur van
het EESC-advies over de toegang tot
financiering voor kmo’s. „Er zijn allerlei wetgevingsinstrumenten die banken,
verzekeringsmaatschappijen en vermogensbeheerders ervan weerhouden om
De EU zou ook iets moeten doen aan
de gebrekkige informatievoorziening aan
kmo’s over financiering. In juni publiceerde de Commissie een praktische gids
voor kmo’s met informatie over de toegang tot ruim 50 miljard euro overheidsfinanciering in de 27 lidstaten. Dat neemt
niet weg dat er meer informatiecampagnes moeten worden gevoerd.
Er brandt nog altijd licht aan het
einde van de tunnel, maar er moet wel
snel actie worden ondernomen om daar
O
te komen. (ail)
www.eesc.europa.eu
1
Waarvoor hebben we een macroregionale strategie voor het Atlantisch gebied nodig?
“
Het belangrijkste streven
is om de Atlantische regio
tot speerpunt te maken in de
op handen zijnde revolutie op
het gebied van vervoer, communicatie, duurzaamheid en
technologie.
”
Een paar maanden geleden stond
voorop een bekend internationaal tijdschrift een wereldkaart zonder Europa.
De boodschap was dat Europa door de
opkomst van nieuwe supermachten en
Amerika’s hegemonie tot ondergang is
gedoemd. Maar zoals Tony Judt al zei,
heeft Europa een onbeperkt vermogen
om zichzelf opnieuw uit te vinden. De
eerste keer dat Europa de mondiale
handels- en machtsverhoudingen op
hun kop zette was in de vijftiende eeuw,
toen het van de Atlantische kust vertrok,
dankzij een technologische revolutie die
de vervaardiging van de eerste mappa
mundi mogelijk maakte. Nu werken
Europese instellingen, regio’s en lidstaten samen aan een uniek interregionaal
model voor economische en politieke
samenwerking dat voor herstel moet
zorgen en verwezenlijking van de
Europa 2020-doelstellingen dichterbij
moet brengen. Dit praktische initiatief
komt erop neer dat de crisis met een
macroregionale strategie wordt aangepakt, waarvan miljoenen mensen uit
5 landen en 35 regio’s de vruchten zullen plukken.
Binnen het Europees Economisch en
Sociaal Comité hebben vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een advies aangenomen met
concrete voorstellen voor de uitvoering
van een macroregionale strategie voor
het Atlantisch gebied. Het doel is om
ons waardevolste bezit – de Europese
welvaartstaat – overeind te houden. De
middelen waarin het groeipact voorziet
maken 1% uit van het bbp van de EU.
Daarbij komen de 347 miljard van het
regionaal beleid. Een macroregio is een
geografisch gebied dat bestaat uit minstens twee Europese regio’s uit verschillende lidstaten die gemeenschappelijke
kenmerken hebben. Uit het oogpunt van
investeringen en concurrentievermogen
verdient het aanbeveling om economische, sociale en milieuproblemen als één
geheel aan te pakken. Als regio’s en overheden hun doelen duidelijk omschrijven
en een gecoördineerde strategie opstellen, maken zij meer kans om in aanmerking te komen voor cohesiefondsen en
andere investeringsbronnen. Helemaal
als de nieuwe aanpak van het cohesiebeleid wordt toegepast, die bedoeld is om
versnippering tegen te gaan. Het belangrijkste streven is om de Atlantische regio
tot speerpunt te maken in de op handen
zijnde revolutie op het gebied van vervoer, communicatie, duurzaamheid en
technologie. Concrete voorbeelden zijn
de snelwegen op zee, de windmolenparken op zee en getijdenenergie.
Al bestaande macroregionale strategieën (voor de Oostzeeregio en de
Donauregio, gestart in respectievelijk
2009 en 2010) zijn al uiterst succesvol.
De gemeenschappelijke aanpak door
overheden, regio’s, sociale actoren en
steden heeft zijn waarde bewezen op
belangrijke gebieden als vervoer, innovatie, infrastructuur, landbouw, visserij
en energie. De Atlantische maritieme
strategie van nu wordt een macroregionale strategie waarin het EESC en
de sociaaleconomische raden van de
lidstaten de belangen van het maatschappelijk middenveld behartigen.
Tijdens het Atlantische Forum zullen
alle betrokkenen daarom van gedachten wisselen over maatregelen die,
eenmaal goedgekeurd, van de regio een
toonbeeld van integratie en inclusieve
groei kunnen maken. In de 16e eeuw
vond Europa via het Atlantisch gebied
de weg naar economische groei. Misschien kan dit gebied nu laten zien hoe
een geïntegreerd Europa, met al zijn
schepen varend in dezelfde richting,
op elke denkbare wereldkaart zal prijO
ken. (asp)
Achtste bijeenkomst van
het Europees Integratieforum
Bezuinigen is niet genoeg:
het is tijd om banen te scheppen!
© Andy Dean Photography
„De bijdrage van migranten aan
de economische groei in de EU”
In het kader van de samenwerking tussen het Europees Economisch en Sociaal
Comité (EESC) en het Cypriotische voorzitterschap van de Raad van de Europese
Unie hield de groep Werknemers van het
EESC op 28 september 2012 in Nicosia
(Cyprus) een bijzondere vergadering.
jongeren, vrouwen en immigranten. De
vakbonden schetsten de initiatieven die
zij nemen om de crisis te bestrijden en
presenteerden hun voorstellen om groei
en werkgelegenheid te bevorderen.
De vergadering, met als thema „Een
Europese begroting voor werkgelegenheid”, was gebaseerd op de voorstellen
van de groep Werknemers voor het economisch en sociaal herstel in de EU. Ook
de sociaal-economische situatie op Cyprus
stond op het programma.
Hierna heette de Cypriotische adjunctminister voor Europese aangelegenheden,
Andreas Mavroyiannis, de aanwezigen
namens het voorzitterschap welkom. Hij
nam deel aan een levendige discussie met
leden van het Comité over de huidige situatie
in Europa en over werkgelegenheidsbevorderende maatregelen die het voorzitterschap
aan de lidstaten wil voorleggen.
De vergadering begon met een debat
met de secretarissen-generaal van de
grootste vakbonden op Cyprus. Tijdens
de discussie stonden de problemen centraal waarmee werknemers en hun afgevaardigden ter plaatse geconfronteerd
worden. De aandacht ging vooral uit naar
de kwetsbare groepen in de samenleving:
Na de lunchpauze volgde een debat met
de Cypriotische minister voor Werkgelegenheid en Sociale Zaken, Sotiroula Charalambous, alsook een reeks presentaties
door leden van het Comité van EESCvoorstellen met betrekking tot werkgelegenheid, groei en budgettaire en financiële
beleidskwesties.
2
De voorzitter van de groep Werknemers, Georges Dassis, sprak namens
Groep II zijn tevredenheid uit over de
zeer vruchtbare bijeenkomst en de boeiende uitwisseling van standpunten met
de Cypriotische collega’s, alsook met de
vertegenwoordigers van het Cypriotische voorzitterschap en de Cypriotische
regering. Aan het slot van de vergadering
herhaalde hij: „De crisis kan niet alleen
bestreden worden met bezuinigingsmaatregelen. Het is geboden de reële economie
te stimuleren, het Europese industriebeleid tegen het licht te houden en de groene
economie te steunen”. Volgens hem „leidt
dit tot stabiele en duurzame banen”. „In
ieder geval”, voegde hij eraan toe, „kan
geen enkele crisis rechtvaardigen dat het
sociaal beleid wordt uitgekleed en dat het
Europese sociale model wordt ontmanO
teld”. (rdr)
Meer dan honderd vertegenwoordigers
van Europese en nationale organisaties die
voor de integratie van migranten ijveren,
zijn op 16 en 17 oktober bijeengekomen
om van gedachten te wisselen over „De bijdrage van migranten aan de economische
groei in de EU”. Zeker niet het eenvoudigste discussieonderwerp gezien de huidige
politieke omstandigheden, waarin migratie,
door de hoge werkloosheid in de EU, heel
gevoelig is komen te liggen en door politieke retoriek de indruk wordt gewekt dat
migranten banen afpakken van EU-burgers
en de sociale-zekerheidsstelsels onder druk
zetten.
Rapporteur Brenda King presenteerde
het EESC-advies over „De bijdrage van
allochtone ondernemers aan de economie
van de EU”, waarop verschillende allochtone ondernemers in de zaal inspirerende
getuigenissen aflegden.
Vooraanstaande sprekers, waaronder
eurocommissaris Cecilia Malmström, directeur-generaal van DG EMPL Koos Richelle
en Europarlementariër Michael Cashman,
en vertegenwoordigers van de sociale partners voerden aan dat schadelijke stereotiepen moeten worden ontzenuwd met feiten
en bewijzen. Zowel voor als tijdens de crisis hebben migranten gaten op de arbeidsmarkt opgevuld, waarbij het ging om werk
dat Europese burgers niet kunnen of willen
doen. Migranten lopen ook de grootste kans
op werkloosheid.
over de rol van de sociale partners, omgaan
met diversiteit en de verschillende struikelblokken voor migranten (bv. de erkenning
van buiten de EU verworven kwalificaties).
In het daarop aansluitende rondetafelgesprek gaven deelnemers voorbeelden van
projecten waarmee met succes is ingespeeld
op de vraag op de arbeidsmarkt (bv. door
adequate beroepsopleidingen of taalcursussen) of waarmee steun is gegeven aan
migranten die een eigen bedrijf wilden
beginnen. Er volgde een levendige discussie
Ook vertegenwoordigers van de relevante nationale ministeries en 21 leden
van de vaste studiegroep van het EESC
voor immigratie en integratie leverden
nog bijdragen aan deze bijeenkomst, die
de Commissie en het EESC samen hadden
O
georganiseerd. (bw)
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
e
v
a
g
t
i eid en
u
e ijh nd
l
a
i avr la
c
e di he
p
S e isc
m ab
r
A
in
ISSN 1830-6357
November 2012/8 Speciale uitgave NL
EESC info
HOOFDARTIKEL
Beste lezers,
In het Midden-Oosten is een historisch overgangsproces aan de gang. Omdat het transformatieproces in de regio geen lineair proces is, kan er weinig
worden gezegd over de uitkomst ervan. De krachten voor verandering die voortkwamen uit het
verlangen naar vrijheid en waardigheid hebben te
maken gekregen met verdeeldheid en onverwacht
grote tegenslagen.
De Europese Unie heeft een strategische, politieke en morele verplichting om de overgang in de goede richting te begeleiden en te ondersteunen, door bij te dragen aan de ontwikkeling van open en pluralistische samenlevingen.
Vrijheid van meningsuiting is alvast een goed uitgangspunt. Deze versterkt andere
vrijheden. Er bestaat geen menselijke waardigheid of menselijke ontplooiing zonder vrijheid van meningsuiting. Een vrij, pluralistisch en levendig medialandschap is essentieel
voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting.
Talrijke studies hebben aangetoond dat er een duidelijk en nauw verband bestaat tussen het niveau van persvrijheid en het algemene ontwikkelingsniveau. Daarom is mediavrijheid een goede meetlat om een idee te krijgen van de vooruitgang van een samenleving.
Dit indachtig zijn we afgelopen maand in Cyprus bijeen geweest voor een seminar
over mediavrijheid in Arabische landen waar een revolte heeft plaatsgevonden. We hebben een aantal terreinen aangeduid waar actie nodig is.
Onze gedachtewisseling kwam ter sprake tijdens de Euromediterrane top van SER’s
en soortgelijke instellingen, die in oktober in Jordanië werd gehouden. Onze bijdrage
kwam een paar weken nadat er een nieuwe mediawet was aangenomen in Jordanië, die
helaas een beperking van de online-mediavrijheid inhoudt.
De media in de landen die direct of indirect met de Arabische revolte te maken hebben
gehad, bevinden zich nog in een kwetsbare positie. In landen als Tunesië en Egypte zijn een
aantal destijds aangekondigde maatregelen voor meer mediavrijheid weer teruggedraaid
door de nieuwe regeringen.
Om mediavrijheid te kunnen garanderen, dienen er op sleutelterreinen als mediaregelgeving, capaciteitsopbouw, mediabeheer en -veiligheid gelijktijdig maatregelen te
worden genomen.
Mediavrijheid dient te worden vastgelegd in nationale grondwetten, zodat er een
levensvatbaar en afdwingbaar wetskader bestaat dat kan rekenen op de steun van regeringen, wetgevers, media-eigenaren, journalisten en vakbonden. Nieuwe mediawetten,
die middels een raadplegingsprocedure met verschillende stakeholders moeten worden
opgesteld, dienen in lijn te zijn met internationale overeenkomsten en normen.
Strafwetgeving, nationale veiligheidswetten of religieuze wetten mogen niet tegen
journalisten gebruikt worden. Alleen al de dreiging van vervolging heeft een beklemmend effect op mediavrijheid en beperkt de ruimte om verslag te doen over zaken van
algemeen belang.
Smaad zou uit het strafrecht moeten worden gehaald. Er zijn geen aanwijzingen dat
decriminalisering tot meer smaad leidt! Wij denken dat zelfregulering de oplossing biedt.
De professionele kwalificaties van journalisten en andere mediamakers zou middels
capaciteitsopbouw moeten worden verbeterd. Degenen die gewend waren aan „zoetsappige” journalistiek moeten zich een nieuwe houding van kritische onafhankelijkheid
aanmeten, en moeten leren om alle partijen lastige vragen te stellen, hoe onderzoeksjournalistiek in zijn werk gaat en hoe ‘t beste kan worden bijgedragen aan een democratische
cultuur.
Dit betekent dat journalisten, editors en media-eigenaren hun vaardigheden moeten
aanscherpen.
Om de capaciteitsopbouw te bevorderen, dienen buitenlandse ngo’s en maatschappelijke organisaties voor alle niveaus – de journalistiek, het management en de politiek
– voorstellen te formuleren bij de ontwikkeling van hun projecten en programma’s.
Externe actoren die steun aan de regio bieden, mogen het belang van lokaal ownership
nooit uit het oog verliezen. In elk land spelen er andere zaken. Ze dienen rekening te
houden met de lokale cultuur, sociale en economische omstandigheden en dienen volop
samen te werken en uit te wisselen met de lokale partners.
Om persvrijheid te kunnen uitoefenen, hebben journalisten wettelijke en vaak fysieke
bescherming nodig. Elk geval van geweld tegen journalisten of andere mensen werkzaam
in de media dient absoluut grondig te worden onderzocht. Straffeloosheid zal de vicieuze
cirkel van geweld alleen maar aanwakkeren. Het maatschappelijk middenveld kan helpen
via monitoring, onderzoek en het bieden van follow-up in geval van aanvallen op en
bedreigingen van journalisten.
Het uit de weg werken van dictatoren was nog maar het begin; de opbouw van een
democratie en de totstandbrenging van mediavrijheid vormen de echte uitdaging en
zullen tijd vergen. Een mislukking is moeilijk voor te stellen, maar toch is er geen enkele
garantie op succes.
Europees Economisch
en Sociaal Comité
Een brug tussen Europa en het maatschappelijk middenveld
De impact van de Arabische Lente
op de media
landen niet per se meer pluralisme of persvrijheid met zich mee.
De verdreven regimes van Hosni Mubarak (Egypte), Moammar Kaddafi (Libië)
en Zine El Abidine Ben Ali (Tunesië)
waren samen goed voor bijna honderd
jaar mediacensuur. Onder deze dictators
werden journalisten afgeluisterd en gecontroleerd. Toen de dagen van hun regimes
geteld waren, probeerden ze met de macht
der wanhoop zichzelf te redden.
“
Achter deze cijfers gaan
verhalen schuil over ontvoeringen, censurering,
intimidatie en inbeslagneming van kranten door de
machthebbers.
”
Vlak voordat Ben Ali het veld moest
ruimen, trachtte hij zijn woedende bevolking tevreden te stellen door alle internetcensuur af te schaffen en persvrijheid in te
voeren. Egypte sloot zoals alom bekend het
internet helemaal af en Libië hield alleen
nog een paar regeringswebsites online.
De ineenstorting van de regimes in
deze landen luidde het begin in van een
nieuw tijdperk van vrije media en pers,
dat werd gekenmerkt door een explosieve
Nieuwe beperkingen
Maar het afgelopen jaar zijn de nieuwe
mediavrijheden in alle drie de landen
opnieuw aan banden gelegd. Zied El-Heni,
bestuurslid van de Tunesische journalistenvakbond, vreest dat de geloofwaardigheid van de media op het spel staat nu de
huidige machthebbers terugvallen op oude
tactieken om van de pers een propagandainstrument te maken.
Zijn angst weerspiegelt de veelgehoorde opvatting dat de zwaar bevochten mediavrijheden in Egypte, Libië en
Tunesië op dit moment worden teruggedraaid. „Mijn regering is dezelfde mensen
die onder het oude regime verantwoordelijk waren voor propaganda, weer aan
het benoemen op invloedrijke posities in
de staatsmedia”, zo verklaarde El-Heni
aan EESC-Info.
In de persvrijheidindex 2011-2012 van
Verslaggevers zonder Grenzen bungelen
Egypte, Libië en Tunesië nog altijd bijna
onderaan. Volgens deze organisatie brengt
de overgang naar democratie in die drie
Journalisten bedreigd
„Achter deze cijfers gaan verhalen schuil
over ontvoeringen, censurering, intimidatie en inbeslagneming van kranten door de
machthebbers.” In Libië wordt geprobeerd
een functionerende overheid op poten te
zetten. Onzeker is echter hoeveel ruimte
de media zullen krijgen. Na de bevrijding
werden in Benghazi zo’n 120 nieuwe,
vrije media-initiatieven gelanceerd, maar
de politieke instabiliteit heeft inmiddels
geleid tot een klimaat waarin journalisten
stelselmatig worden bedreigd.
Egypte doet het niet beter. De regering
van president Mohammed Morsi heeft
bloggers en journalisten gedreigd met militaire processen omdat ze het imago van het
leger zouden beschadigen – een terugkeer
naar de repressie uit het tijdperk Mubarak.
„Hoe de politieke toekomst van deze
landen eruit zal zien, hangt voor een groot
deel af van de vraag of de media de nieuw
verworven vrijheden optimaal zullen kunnen benutten”, aldus EESC-lid en voormalig BBC-correspondente Jane Morrice. O
Mediavrijheid in de Euro-mediterrane regio
De afgelopen weken heeft het thema mediavrijheid weer volop in de schijnwerpers
gestaan.
“
”
Zowel over de vrijheid van
meningsuiting als over de
vrijheid van religie kan er niet
worden onderhandeld, en dat
de vrijheid om te spreken een
centrale plaats inneemt in de
Europese waarden en tradities.
Anna Maria Darmanin
Vicevoorzitter
Catherine Ashton, hoge
vertegenwoordiger van de Unie voor
Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
stijging van aantallen en soorten media in
vrijwel het hele zuidelijke Middellandse
Zeegebied. De overgang naar democratie
leek eindelijk te zijn ingezet.
Tunesië staat in deze index op plaats
134. Vóór de val van Ben Ali was dat 164.
Toch kan de score van dit land weer verslechteren wanneer de nieuw gekozen
regering doorgaat met het benoemen van
politieke bondgenoten op belangrijke posities in de staatsmedia (radio, tv en geschreven pers). „Dat kan ons land een nieuwe
dictatuur intrekken”, waarschuwt El-Heni.
In de persvrijheidindex is Libië van plaats
160 naar 154 gestegen, maar daalt Egypte
39 plaatsen van 127 naar 166.
In Europa moesten wij opnieuw een
oplossing zien te vinden voor de botsing
tussen de vrijheid van meningsuiting en
de vrijheid van religie. Dit laatste vraagt
om tolerantie en respect voor onze moslimvrienden in het buitenland. De regeringen in de moslimwereld – vooral die
welke pas onlangs hun mandaat hebben
opgenomen – hebben een evenwicht moeten vinden tussen de verontwaardiging van
de bevolking en de verantwoordelijkheden
die voortvloeien uit het bestuursmandaat.
Dit is voor niemand gemakkelijk
geweest. Emoties als woede en verontwaardiging gaan slecht samen met de beginselen van de diplomatie.
Maar we mogen onszelf – of onze internationale betrekkingen – niet laten beheersen door kwaadwilligen, door personen
die ieder voorwendsel aangrijpen en alle
middelen gebruiken om verdeeldheid te
zaaien en conflicten te creëren. We mogen
ons niet laten leiden door gevoelens van
woede, maar moeten onze krachten bundelen om een cultuur van tolerantie en
wederzijds respect te bevorderen.
>>> B l a d z i j d e 4
3
(ve r vo l g v a n b l z . 3)
Mediavrijheid in de Euro-mediterrane regio
Dat is de reden waarom ik eerder al heb
besloten in zee te gaan met de Organisatie van de Islamitische Samenwerking, de
Arabische Liga en de Afrikaanse Unie, om
te laten zien dat wat ons bindt groter is dan
wat ons scheidt, en om een verklaring af te
geven als reactie op de gebeurtenissen in
de VS en het Midden Oosten.
Onze verklaring was zeer duidelijk
Wij veroordeelden elk pleidooi voor haat en
iedere boodschap van haat en intolerantie.
Maar we hebben ook duidelijk gemaakt
dat de instandhouding van de vrijheid van
meningsuiting vraagt om een verantwoordelijk gedrag van individuen.
Dit unieke partnerschap tussen de EU,
de Afrikaanse Unie, de OIS en de Arabische Liga – voor tolerantie en mediavrijheid – is zowel voor Europa als voor de
moslimwereld van belang, en ik weet zeker
dat de discussie van vandaag hieraan een
belangrijke bijdrage zal leveren.
Ik zal u uitleggen waarom ik denk dat
we dit partnerschap moeten voortzetten
willen wij de vrijheid van meningsuiting
beschermen.
Je kunt feiten niet neerschieten
Burgers hebben de moed bijeen geraapt
om op te komen voor hun rechten, hun
waardigheid en hun vrijheden.
Zij deden dat omdat zij wisten dat de
sociale media hun boodschap zouden
overdragen en hen in staat zouden stellen
hun isolement te doorbreken, hun ideeën
te verspreiden en de onderdrukking te veroordelen. De vrijheid om te spreken – en
om te worden gehoord – was van cruciaal
belang.
Maar de rol van de meer „traditionele”
media – satellietzenders, kranten en tijdschriften – is al even belangrijk geweest.
Zij hebben de boodschap van de verandering verspreid en hebben ervoor gezorgd
dat de stem van enkele individuen door
miljoenen mensen overal ter wereld werd
gehoord.
Vandaar dat we de mediavrijheid
moeten beschermen, om professionals te
helpen hun werk op onpartijdige, objectieve en nauwgezette wijze voort te zetten,
zonder inmenging of gunsten.
Regeringen van over de hele wereld
spelen een belangrijke rol om dit te verO
wezenlijken.
Rana Sabbagh, uitvoerend directeur, “Arabische
Reporters voor Onderzoeksjournalistiek”
„Onderzoeksjournalistiek is het neusje
van de zalm in de journalistiek omdat
het feiten blootlegt”, zegt Rana Sabbagh,
voormalig hoofdredacteur van de Jordan
Times. „Hoe afschuwelijk ze ook zijn, je
kunt feiten niet neerschieten als ze goed
onderbouwd zijn. Dat is heel erg belangrijk in ons deel van de wereld, omdat het
overgrote deel van de Arabische pers op
meningen is gebaseerd.”
Maar volgens de ngo Arab Reporters
for Investigative Journalism (ARIJ) blijft
onderzoeksjournalistiek nog „een vreemde
eend in de bijt” in de meeste Arabische
redactiekamers. Zonder onderzoek wordt
De professionele betrokkenheid van
journalisten, columnisten, tv-reporters
en bloggers is van cruciaal belang geweest
voor het succes van de Arabische lente.
corruptie niet aan de kaak gesteld en loopt
de democratie vast.
lende vrouwen kandidaat waren voor de
verkiezingen.
De ARJJ maakt gebruik van Deense
fondsen en technische ondersteuning
om onderzoeksjournalistiek in de regio
te bevorderen en was de eerste non-profitorganisatie die professionele normen en
training voor journalisten overal in het
Midden-Oosten is gaan promoten.
Abeer Saady is senior-journalist bij de
Al Akhbar-krant en vicevoorzitster van de
Egyptische vakbond van journalisten – de
eerste vrouw in 8 jaar die verkozen is. Ze
heeft het gebrek aan ethische normen in
de media aan de kaak gesteld, evenals de
verdraaiing van de feiten omwille van politieke agenda’s. Ze maakt deel uit van een
groep journalisten die binnen de UNESCO
werken aan een ethische gedragscode.
„Het is inderdaad lastig om regels op te
stellen voor ons beroep, met name wat de
online-journalistiek betreft. Maar het is
hoog tijd dat journalisten zelfregulering
gaan toepassen”, benadrukt ze. Ze zet
zich in om via trainingprogramma’s haar
ervaring over te dragen aan een nieuwe
generatie journalisten, om zodoende de
kwaliteit van de verslaggeving te helpen
verbeteren.
De Arabische wereld heeft nog een
lange weg te gaan alvorens diepgaande
verslaggeving integraal deel zal uitmaken
van de dagelijkse nieuwsgaring, aldus
mevrouw Sabbagh, inmiddels uitvoerend
directeur van ARJJ. „Maar”, zo benadrukt
ze, „een nieuwe generatie van Arabische
journalisten legt zich erop toe om de rol
van de „vierde stand”op zich te nemen”.
Een mannenwereld
Als vooraanstaande vrouwelijke journalist
neemt Rana Sabbagh een uitzonderlijke
positie in in de Arabische mediawereld,
waar de macht grotendeels in de handen
van mannen is. Gedurende de campagne
voor de Tunesische verkiezingen van afgelopen jaar kwam een door International
Media Support (IMS) ondersteund waarnemersteam tot de conclusie dat de media
maar 3% van hun zendtijd en kolommen
aan vrouwen hadden gewijd, ondanks het
feit dat er een nieuwe wet inzake gendergelijkheid was aangenomen en er verschil-
Afgelopen mei werden er door de
militaire politie 18 journalisten gearresteerd en geslagen, omdat ze verslag deden
van de straatprotesten in Caïro. Volgens
mevrouw Saady werd hiermee „een kritische grens” overschreden in de richting
van een escalatie van stelselmatige aanvallen op journalisten. „Voorheen streden we
tegen Moebarak”, zegt ze. „Nu strijden we
voor principes en proberen we de samenO
leving wakker te schudden”.
De media helpen om zichzelf te helpen
Interview met Jan Keulen, directeur van het Doha-centrum voor mediavrijheid (DCMF)
Jan Keulen, directeur van het Doha-centrum voor mediavrijheid (DCMF)
EESC-info: Wat is volgens u de
voornaamste uitdaging voor de
media in Arabische landen waar
een opstand heeft gewoed?
JK: Volgens mij zijn vooral drie uitdagingen belangrijk: het opzetten van een
rechtskader, de opbouw van instellingen
en capaciteitsopbouw. Het rechtskader
heeft de grootste urgentie. Als de nog
maar net veroverde mediavrijheid, die
nu alweer wordt bedreigd door de overheid, alsmede door tal van uiteenlopende
politieke, sociale en religieuze bewegingen, niet grondwettelijk wordt vastgelegd,
dan wordt de opbouw van instellingen en
capaciteit een zware klus. Waar het vooral
op aankomt is dat dit rechtskader aansluit
bij internationale wetten, verdragen en
best practices.
“ ”
Er bestaan in de Arabische
landen veel misverstanden
over zelfregulering.
De opbouw van instellingen
en capaciteitsopbouw zijn
kennelijk erg nauw met elkaar
4
verweven. Klopt het dat de één
niet zonder de ander kan?
Dat klopt, ja. De opbouw van instellingen wordt vaak gezien als onderdeel van
capaciteitsopbouw. Programma’s voor de
opbouw van instellingen omvatten tal van
maatregelen, gaande van mediabeheer op
alle niveaus tot de oprichting van vakbonden voor verslaggevers en hervormingen
van het onderwijsstelsel. Het draait niet
alleen om de vaardigheden van journalisten, maar ook om de vraag wie de media in
handen heeft. Kortom, er moet een uiterst
complex proces op gang worden gebracht
om mediadiversiteit en -pluralisme te
garanderen.
Op het door het EESC op Cyprus
georganiseerde seminar is
gepleit voor zelfregulering
van de media in alle Arabische
landen waar een opstand
heeft plaatsgevonden. Daar
leek u niet veel voor te voelen.
Waarom?
Ik ben over het algemeen geen groot
voorstander van zelfregulering. Dat voorbehoud heb ik niet alleen t.o.v. de Arabische landen. Je hoeft maar te kijken naar
het VK en de Murdoch-affaire en je ziet
wat er schort aan zelfregulering. Ik ben
overtuigd van het nut van een gedrag- of
beroepscode voor journalisten, maar dan
wel intern, d.w.z. bij een televisieomroep,
een krant of een radiozender. Zelfregulering op het niveau van een land of zelfs
van een sector (bv. de gedrukte pers) vind
ik geen goed idee. Volgens mij bestaan er
in de Arabische landen veel misverstanden
over zelfregulering. Sommige journalisten
vinden het zorgwekkend dat een vrijheid
waar zo hard voor is geknokt, nu alweer
aan nieuwe regels wordt gebonden, terwijl
anderen, waaronder ik zelf, zich afvragen
wie erop gaat toezien dat zelfregulering in
praktijk wordt gebracht. De regering? Het
maatschappelijk middenveld?
In een discussie die onlangs in
Egypte over de oprichting van een zelfreguleringsorganisatie is gevoerd, werd
geopperd dat journalisten die regels zelf
zouden kunnen uitwerken en handhaven.
Maar welke sancties kunnen journalisten opleggen aan iemand die zich niet
aan de regels houdt? Hem of haar het
recht ontnemen om als verslaggever te
werken? Ik heb de grootste twijfels over
de haalbaarheid van zo’n regeling in de
huidige Egyptische samenleving. De vrij-
heidsindex van Egypte is de laatste tijd
omlaaggegaan doordat er tot fanatisme
wordt aangezet en er een laag-bij-degrondse sensatiepers aan het opkomen is.
Ik denk niet dat een nieuwe organisatie,
of dit nu een persraad is of een zelfregulerende mediaorganisatie, hier iets tegen
doen kan. Ethische en beroepskwesties
moeten worden behandeld in het kader
van het proces voor capaciteitsopbouw.
Zij moeten een integrerend deel uitmaken
van de opleiding van een journalist. Om
regels hecht te verankeren en naleving
ervan af te dwingen, moet er eerst voor
worden gezorgd dat mensen zich die
regels eigen maken en begrijpen waarom
zij zich op een bepaalde manier dienen
te gedragen. Er zou moeten worden
begonnen met interne regulering om de
beroepsnormen en gedragscodes op een
hoger niveau te tillen. Daarna kan altijd
nog worden overgegaan tot zelfregulering
op een ander niveau dan dat van individuele mediamaatschappijen.
“
Amper 5% van alle personen die in het MiddenOosten en Noord-Afrika
werkzaam zijn bij de media,
heeft een veiligheidstraining gehad: we zijn er dus
nog lang niet.
de regio veiliger kan worden
gemaakt?
Mediabedrijven en de samenleving in het
algemeen kennen geen veiligheidscultuur.
Mediabedrijven kunnen concreet iets
doen door bewustmakingsprogramma’s
te organiseren: alomvattende veiligheidstrainingen, publicaties met veiligheidstips
en campagnes. Amper 5% van alle personen die in het Midden-Oosten en NoordAfrika werkzaam zijn bij de media, heeft
een veiligheidstraining gehad: we zijn er
dus nog lang niet. Van mediabedrijven
die hun verslaggevers in oorlogs- of conflictsituaties laten werken, mag een extra
inspanning worden verwacht. Het DCMF
is er heel erg vóór dat mediabedrijven hun
eigen veiligheidsprotocollen vastleggen,
met bijvoorbeeld ook een levensverzekering. Wij kunnen die bedrijven hiermee
helpen. BBC, AFP en Reuters hebben al
zo’n regeling. Het gaat om belangrijke
doelstellingen die tegelijkertijd op politiek niveau moeten worden nagestreefd.
Ngo’s, de UNESCO en andere VN-agentschappen werken keihard om journalisten
overal ter wereld meer veiligheid te bieden.
Alleen is dit doel niet van de ene dag op de
andere te verwezenlijken: het gaat hier om
O
een proces van lange adem. (mb)
”
De World Organisation
of Newspapers and News
Publishers (WAN-INFRA) heeft
de Arabische regio uitgeroepen
tot het gevaarlijkste gebied
ter wereld voor mensen die
werkzaam bij de media. Heeft
u aanbevelingen waardoor
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
de „wettelijke intimidatie” die de vrije
meningsuiting verhindert.
© Aleksandar Mijatovic
“
Algerije heeft een lange weg afgelegd
sinds de jaren negentig toen honderd
journalisten zijn omgekomen. Het
blijft evenwel een land met een autoritair regime en een zwakke en verdeelde oppositie. Het maatschappelijk
middenveld is slecht georganiseerd en
een gebrek aan solidariteit maakt volgens waarnemers dat journalisten als
beroepscategorie niet met één stem
spreken en dat er geen structuren zijn
voor het afleggen van verantwoording.
„In Algerije probeert de regering
te voorkomen dat de gebeurtenissen
in de regio ook naar dat land overslaan”, legt Milica Pesic, uitvoerend
directeur van het Media Diversity
Institute (MDI), uit. „Het regime is
niet bang voor het middenveld, maar
wel voor de moslimfundamentalisten.
De Arabische Lente is in alle landen
van de regio voelbaar, maar nu zien
we een geleidelijke overgang naar een
soort van islamistische oplossing. Ik
ben dan ook somber gestemd over de
toekomst.”
Een daarmee verband houdend
fenomeen – en een mogelijk obstakel
voor de internationale ondersteuning
van de verhoging van de beroepsnormen – is de recente wet die media en
maatschappelijke organisaties verbiedt
financiële ondersteuning te krijgen van
buitenlandse organisaties, tenzij ze een
contract met de regering sluiten. Deze
wet zou activiteiten van organisaties
als het MDI, dat beroepsopleiding aanbiedt, kunnen verhinderen. Volgens
mevrouw Pesic wordt de wet evenwel
niet erg strikt ten uitvoer gelegd. „We
zijn actief in landen waar regimes ons
niet gunstig gezind zijn, maar dit risico
nemen we graag op de koop toe. Wel
moeten we bewust zijn van de gevaren voor onze collega’s als zij met ons
samenwerken”, voegt ze eraan toe.
Wettelijke intimidatie
De strenge wetgeving inzake smaad
geeft aanleiding tot zelfcensuur onder
journalisten. Bladen die zich openlijk
uitspreken voor democratie en tegen
corruptie, zoals El Watan, worden
regelmatig aangevallen. Een onafhankelijke VN-deskundige inzake
mensenrechten die vorig jaar het land
bezocht, kon niettemin een aantal
verbeteringen in het mediaklimaat
waarnemen; journalisten hoeven bij de
uitoefening van hun beroepsactiviteit
niet langer voor hun leven te vrezen.
Frank La Rue riep evenwel op tot hervormingen om een eind te maken aan
De strenge wetgeving
inzake smaad geeft aanleiding tot zelfcensuur onder
journalisten. Bladen die zich
openlijk uitspreken voor
democratie en tegen corruptie, zoals El Watan, worden
regelmatig aangevallen.
”
Naast de door de staat gecontroleerde openbare omroep kunnen
Algerijnse televisiekijkers afstemmen
op vijf private kanalen: vier ervan zijn
in Jordanië geregistreerd, één in Londen. Volgens de regering zal de aangekondigde nieuwe wetgeving voor de
audiovisuele sector meer persvrijheid
garanderen, maar mevrouw Pesic heeft
daar haar twijfels bij. „Ik geloof niet
dat de wet het pad zal effenen voor
enig pluralisme. Het gaat veeleer om
een regulerende maatregel”, legt ze uit.
„Ik vrees dat de meeste onafhankelijke
media in handen zijn van mensen die
dicht bij het regime staan. Wanneer
de verkiezingen eraan komen, zullen
zij de kiezers zeggen voor de regering
te stemmen. Zij zorgen voor de ruimte
die de regering zal opvullen.”
© calvindexter
Volgens sommige bronnen in Tunesië wordt
geen rekening gehouden met internationale
financieringsvoorwaarden die tot doel hebben het land te verplichten zijn wetgeving
inzake vrije meningsuiting ten uitvoer te
leggen. Een regeringsambtenaar, die voor het
overige anoniem wou blijven, heeft verklaard
dat een Europese delegatie in overleg met de
Wereldbank en de Afrikaanse Ontwikkelingsbank in juni voorstellen heeft voorgelegd
om internationale financiering te koppelen
aan de tenuitvoerlegging van de Tunesische
perswetgeving.
De wetgeving, en met name de decreten
115 en 116 ter verzekering van de persvrijheid, zijn in november 2011 formeel door
het parlement goedgekeurd, maar werden
nooit ten uitvoer gelegd. Sindsdien zijn wel
pogingen ondernomen om controversiële
Deskundigen toonden zich voorzichtig
opgelucht over dit nieuws. Alexandre Delvaux, een mediaconsulent bij de Zwitserse
ambassade in Tunis, vertelde EESC info dat
„er in de regering mensen zitten die eenvoudig niet weten wat vrijheid van meningsuiting
betekent”.
Sinds januari werden minstens 130 gevallen van schending van de vrije meningsuiting
opgetekend. Daarvan hadden 84 gevallen
betrekking op rechtstreeks fysiek geweld
tegen journalisten.
Politieke berichtgeving
Volgens Delvaux is er door een lacune in de
mediawetgeving sprake van een wildgroei van
niet-erkende radio- en televisiestations. Sommige ervan zijn verbonden aan en worden
gefinancierd door politieke partijen en vormen een aanfluiting van een onafhankelijke
pers. „Ze verspreiden meestal een niet erg
democratische boodschap en steunen openlijk partijen als Ennahda (de thans regerende
gematigde moslimpartij)”, aldus Delvaux.
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
In Egypte is de politieke arm van het Moslim Broederschap, de partij voor Vrijheid
en Rechtvaardigheid, bezig om persvrijheid en kritische verslaggeving de kop in
te drukken.
„Mensen die voorheen zelf onderdrukt
werden, zijn nu journalisten aan het onderdrukken”, zegt Soazig Dollet, desk-officer
voor Oost- en Noord-Afrika van de in Parijs
gevestigde organisatie Verslaggevers zonder
grenzen.
Journalisten worden geconfronteerd met
het feit dat het Broederschap hetzelfde soort
mediabeperkingen oplegt als die welke onder
het dertigjarige bewind van Hosni Moebarak
van kracht waren. Moebarak gebruikte zijn
macht om volgzame media te creëren die
werden gedwongen tot alleen maar positieve
berichtgeving over het leger en de Hoge Raad
van de Strijdkrachten.
„De rol van het Egyptische leger in de
samenleving en het bedrijfsleven was werkelijk een taboe [voor de media]”, merkt
Dollet op. Door de staat gerunde dagbladen
toonden met de regelmaat van de klok een
gesoigneerd portret van Moebarak op de
voorpagina. Door de val van de president in
februari 2011 kwamen kortstondig nieuwe
onafhankelijke en kritische media aan het
woord, die Moebarak afschilderden als een
kwetsbare, zieke en van zijn eer ontdane
oude man.
In augustus werd de hoofdredacteur van
de particuliere Al-Dustour-krant door het
strafrechtelijk hof van Giza beschuldigd van
„belediging van de president”. Ditzelfde hof
verdaagde het proces van Tawfik Okasha, een
tv-presentator die ook van belediging van de
president is beschuldigd, naar 7 november.
De televisiezender is uit de lucht gehaald.
In september hebben veiligheidstroepen
van de overheid twee journalisten afgeranseld die verslag uitbrachten van protestacties tegen de Amerikaanse anti-Islamfilm.
De regering van president Mohamed Morsi
heeft tot op heden nog geen verklaring afgelegd over dit incident, noch haar excuses
aangeboden.
Het besluit van Morsi op 23 augustus
om een einde te maken aan de voorlopige
inhechtenisneming van journalisten die van
persgerelateerde overtredingen zijn beschuldigd, is in sommige kringen goed ontvangen.
Ngo’s die voor mediarechten strijden, zien
hierin echter niet meer dan „schone schijn”.
Nog geen dag eerder hadden staatsautoriteiten beslag gelegd op meerdere edities van het
weekblad Al-Shaab, dat zogezegd artikels had
gepubliceerd waarin kritiek werd geuit op het
nieuwe hoofd van de Egyptische veiligheidsO
diensten.
De oppositie het zwijgen opleggen
Gelet op het voorgaande is het
begrijpelijk dat veel mensen geen vertrouwen hebben in de lokale media.
„Zij kijken liever naar buitenlandse
zenders als de BBC in het Arabisch, Al
Jazeera of Alassema”, aldus de direcO
teur van het MDI.
Onafhankelijke media in Tunesië in vrije val
wijzigingen aan te brengen die de originele
tekst afzwakken. Een wijzigingsvoorstel m.b.t.
decreet 115 zou van godslastering en „aanvallen tegen het sacrale” misdrijven hebben
gemaakt, maar werd op 12 oktober door Mustapha Ben Jaafar, voorzitter van de Nationale
Grondwetgevende Vergadering, ingetrokken.
Moslim Broederschap neemt de
Egyptische pers in de houdgreep
© Baloncici
De prijs van zelfcensuur in Algerije
Hoewel de financiering van radio- en televisieomroepen of kranten door politieke partijen verboden is, winnen politiek gesteunde
omroepkanalen toch steeds meer terrein. De
zoon van een vooraanstaand Tunesisch minister staat thans aan het hoofd van het recent
gelanceerde televisiekanaal Zitouna TV.
Sinds de overname van de macht door het
Moslim Broederschap op 30 juni 2012 zijn
dreigementen en dwang weer tot middel
verheven om niet-volgzame commentatoren in het gareel te dwingen. „Veel journalisten kunnen niet langer kritiek uitoefenen
op het Moslim Broederschap”, aldus Dollet.
Aanvallen op journalisten, de inbeslagneming van kranten en strafrechtelijke vervolging van verslaggevers beginnen al weer de
gewone gang van zaken te worden.
Onafhankelijke media:
de strijd gaat voort
Interview met Mustapha Ben Letaief, hoogleraar recht
aan de Universiteit van Tunis
van de mediasector in Tunesië,
„met inachtneming van de
internationale regels inzake
vrijheid van meningsuiting”,
is in april 2012 collectief
opgestapt. Weet u waarom?
“
Sinds januari werden minstens 130 gevallen van schending van de vrije meningsuiting
opgetekend. Daarvan hadden 84 gevallen betrekking
op rechtstreeks fysiek geweld
tegen journalisten.
”
Naar verluidt heeft de Ennahda-leider
Rashid Al-Ghannushi ultraconservatieve
moslims die als salafisten bekend stonden,
in oktober opgeroepen om hun eigen media
in het leven te roepen. De beweging wil de
sharia weer invoeren in Tunesië. Aanhangers
van salafisten zijn in september een hotel in
Tunis binnengevallen omdat er alcohol geserveerd werd.
Delvaux waarschuwt: „Rashid raadde hun
aan hun eigen radio- en televisieomroep op
te richten. Dit is niet alleen gevaarlijk, maar
O
ook illegaal.”
Mustapha Ben Letaief, hoogleraar rechten
aan de Universiteit van Tunis
De heer Ben Letaief was als lid van de
Hoge Raad ter verwezenlijking van de
doelen van de revolutie betrokken bij de
werkzaamheden van de Commissie voor
de hervorming van de audiovisuele media
in Tunesië.
EESC-Info: De Nationale
Commissie voor de
hervorming van informatie
en communicatie (INRIC), die
ermee was belast voorstellen te
formuleren voor de hervorming
Mustapha Ben Letaief: Eerst een kleine
correctie: de leden van de INRIC zijn niet
opgestapt maar hebben hun activiteiten
opgeschort vanwege onenigheid met de
regering, die zich allerminst coöperatief
opstelt en de voorstellen en aanbevelingen
die de INRIC sinds december 2011 heeft
geformuleerd gewoon naast zich neerlegt.
Ook het verslag dat is ingediend bij de
regering, de president van de Republiek
en de voorzitter van het parlement is doodgezwegen. De commissie wilde vooral aan
de kaak stellen dat de regering overduidelijk niet van plan is de mediasector te
hervormen en de vrijheid van informatie te
beschermen, maar integendeel alle macht
in handen wil houden en unilateraal beslissingen wil nemen.
>>> B l a d z i j d e 6
5
(ve r vo l g v a n b l z . 5)
O n a f h a n ke l i j ke m e d i a: d e s t r i j d g a a t voo r t
Ja, tot op zekere hoogte. Er is een aantal
maanden lang sprake geweest van een
bepaalde mate van onafhankelijkheid.
Vervolgens is er echter enorme druk uitgeoefend op de publieke media en zijn de
belangrijkste verantwoordelijken uit de
sector – met inbegrip van de nationale tele-
visie en de verschillende nationale en regionale openbare radiozenders – allemaal
bedankt en vervangen door regeringsaanhangers of mensen uit de omgeving van de
machthebbers.
Is daarop een algemene
koerswijziging gevolgd?
king worden langzaam maar zeker
afgestemd op de wil, de keuzes en de visie
van de machthebbers, die de publieke
media trachten om te vormen tot regeringsmedia. Toch zijn er nog mensen die
zich daartegen verzetten en geven we de
strijd om onafhankelijke publieke media
O
zeker niet op. (mb)
Interview met mevrouw Sihem Najar, onderzoekster aan het
instituut voor onderzoek rond de hedendaagse Maghreb
Een aantal kritische journalisten uit de
publieke media is weggewerkt of monddood gemaakt. Toon en algemene strek© corepics
Kunnen we stellen dat de
publieke media in Tunesië
geleidelijk aan onafhankelijker
worden?
Cyberactivisten tegen
autoritarisme
Zelfcensuur viert hoogtij in Jordanië
Interview met Fateh Mansour, programmacoördinator bij het Centrum ter verdediging
van de vrijheid van journalisten, Jordanië
Fateh Mansour, programmacoördinator
bij het Centrum ter verdediging
van de vrijheid van journalisten, Jordanië
EESC Info: Jordanië heeft
onlangs een nieuwe mediawet
uitgevaardigd die volgens critici
de vrijheid van meningsuiting op
internet zal inperken. Wat zijn de
belangrijkste bepalingen uit die
wet?
Fateh Mansour: De nieuwe pers- en publicatiewet zal het strafrecht uitbreiden tot cyberspace, om zo de online activiteiten van de
media in Jordanië te kunnen controleren.
De wet zal niet alleen de mediavrijheid,
maar ook de vrijheid van meningsuiting
in het algemeen en de vrijheid op internet
in het bijzonder beperken. Op grond van
die wet moeten elektronische media een
vergunning krijgen van de regering. Het
voor de pers en publicaties verantwoordelijke departement is nu gerechtigd om
elke website te blokkeren die niet geregistreerd staat en waarvoor geen vergunning
is afgegeven. Ook kan het elk verzoek voor
de lancering van nieuwe sites van de hand
wijzen. Bovendien kan een website die normaal staat geregistreerd en waarvoor een
vergunning is afgegeven, worden geblok-
keerd als men vindt dat die in strijd is met de
wet. Volgens de nieuwe wet zal dat ook voor
buitenlandse websites gelden. Daar komt
bij dat door lezers en bezoekers geplaatste
opmerkingen op grond van de nieuwe wet
als integraal onderdeel van het betreffende
nieuwsbericht zullen worden aangemerkt
en dat de website daarvoor aansprakelijk
wordt gehouden. Als zulke opmerkingen
in strijd met de wet worden geacht, zullen
sancties worden opgelegd aan de website.
Dit is onaanvaardbaar en onprofessioneel,
want opmerkingen van lezers vallen buiten
het journalistieke werk. De bepaling druist
in tegen een bestaand rechtsprincipe, nl. dat
straffen individueel zijn. Tot slot vereist de
nieuwe wet dat de rechterlijke macht zaken
waarbij de media zijn betrokken, zeer dringend behandelt. Dit is in strijd met het recht
op een eerlijk proces.
EESC Info: Op grond van de
bestaande wetgeving in
Jordanië kunnen journalisten
strafrechtelijk worden vervolgd
voor het belasteren van
overheidsinstellingen, symbolen
en het geloof. Heeft dit geleid tot
zelfcensuur?
FM: Uiteraard. Journalisten in Jordanië zijn
vanwege de juridische gevolgen vaak bang
om kritiek te uiten op overheidsinstellingen. „Elk jaar houden we een enquête onder
journalisten en daaruit blijkt dat 94 à 95 %
van hen in de periode 2008-2010 zelfcensuur heeft toegepast.” In 2011 daalde dit
percentage als indirect gevolg van de Arabische Lente in de regio tot 86 %. Deze
daling is wellicht een van de redenen voor
de nieuwe wet: journalisten zijn begonnen
hun angst opzij te zetten.
EESC Info: Wat is volgens u de
beste manier om zelfcensuur te
bestrijden?
FM: Aan zelfcensuur ligt een aantal factoren
ten grondslag: een restrictief rechtskader,
een conservatieve samenleving die accepteert dat de mediavrijheid aan banden
wordt gelegd, gebrek aan professionaliteit,
en overheidsbemoeienis. Om zelfcensuur
te bestrijden moeten al deze punten tegelijkertijd worden aangepakt. Dat betekent
dat wetten moeten worden hervormd, dat
er steun moet worden gegeven aan degenen die zich in de samenleving inzetten
voor mediavrijheid en dat er moet worden
gestreefd naar bewustmaking. Ook moet
er worden gewerkt aan capaciteitsopbouw
en moet er een einde worden gemaakt aan
overheidsbemoeienis door dit strafbaar te
stellen. Bovendien moeten we proberen om
de veiligheid van journalisten te verbeteren.
Ons centrum biedt gratis juridische ondersteuning en legt alle pogingen om de media
de mond te snoeren vast.
EESC Info: In Jordanië is het
aantal nieuwsportaals op internet
onlangs drastisch gestegen. Houdt
de kwaliteit gelijke tred met deze
enorme toename?
FM: We kunnen gerust stellen dat de kwaliteit minder snel toeneemt dan de kwantiteit.
We beseffen dat we meer moeten doen om
het professionele karakter van de Jordaanse
media te verbeteren en verder te ontwikkelen. Er moeten nieuwe scholen voor journalistiek worden gebouwd en ontwikkeld,
omdat de bestaande scholen de studenten
niet de noodzakelijke normen, vaardigheO
den en kennis bijbrengen. (mb)
Marokko is een van de landen die de Arabische Lente hebben doorstaan zonder dat
daarmee een wissel van het regime gepaard
ging, deels omdat koning Mohamed VI in
2011 heeft beloofd hervormingen door te
voeren. De media hebben echter nooit over
dergelijke hervormingen kunnen berichten, wel integendeel: journalisten werden
aangevallen en kwamen in de gevangenis
terecht.
6
Sihem Najar: Het cyberactivisme dat heeft
bijgedragen tot de omverwerping van dictatoriale regimes in verschillende Arabische landen, kan alleen worden begrepen
als dit fenomeen wordt beschouwd binnen het kader van het cybermilitantisme
dat tegen het eind van de jaren negentig
vorm heeft gekregen. Een van de acties
die enorme weerklank op internet heeft
gevonden, is de online-betoging «Yezzi,
Fock» tegen het regime van Ben Ali, hetgeen letterlijk „Het is genoeg” betekent.
Deze betoging werd in 2005 door Neila
Charchour Hachicha gelanceerd. De
cyberactivisten hebben eveneens verschillende online-betogingen georganiseerd
tegen de censuur van de „cyberpolitie”. Die
censuur wordt voornamelijk uitgeoefend
door het Tunesische Internetagentschap
(ATI), dat door de internetgebruikers
„Ammar” wordt genoemd. Internet heeft
met zijn uiteenlopende expressievormen
dan ook een periode gekend waarin de
bevolking langzamerhand toegroeide
naar een activisme dat vergelijkbaar is
met de acties die zich op straat begonnen af te spelen. Deze periode, die loopt
van januari 2008 tot januari 2011, wordt
gekenmerkt door verschillende vormen
van maatschappelijke onrust, met name
de opstanden in het mijnbekken die met
geweld werden neergeslagen en waaraan
de „politiek correcte” media geen aandacht
hebben geschonken.
De maatschappelijke online-bewegingen die de gebeurtenissen tussen 17 december 2010 (dag waarop Mohamed Bouazizi
zichzelf in brand stak) en 14 januari 2011
(dag van het vertrek van de gevallen pre-
Het prille vrijheidsdenken
in Marokko koesteren
Karim Boukhari, uitgever TelQuel
EESC Info: De neiging bestaat
om het „virtu-reële” activisme
te laten beginnen met de
uitbarsting van de Arabische
revoluties. U heeft tijdens
ons seminar in Cyprus gezegd
dat internet al jaren voor de
Arabische lente druk gebruikt
werd door cyberdissidenten
en andere geëngageerde
internetgebruikers.
TelQuel is een weekblad dat een duidelijk standpunt tegen islamisme en vóór vrije
meningsuiting inneemt. Vorig jaar heeft de
oprichter en vroegere uitgever ervan, Ahmed
Benchemsi, onder politieke druk het land
moeten verlaten. Thans wordt het blad uitgegeven door Karim Boukhari.
een onafhankelijk dagblad kunnen beperkingen op reclamegebied worden opgelegd. In
een land waar voornamelijk reclame wordt
gemaakt door instellingen als banken, telefonieaanbieders enz. die nauwe banden hebben
met de machthebbers, kunnen onafhankelijke dagbladen zo hun inkomsten verliezen.”
schriften geen gevangenisstraffen voor
journalisten meer zouden bevatten. „Zal
deze belofte evenwel worden gehouden? Ik
betwijfel het.”
„In Marokko is de vrijheid in gevaar”,
vertelde hij aan EESC Info. „De overheid
verbiedt over sommige onderwerpen te
spreken, via tal van wetten op basis waarvan journalisten in de gevangenis kunnen
worden gegooid. De monarchie, religie, de
Sahara … zijn enkele van de onderwerpen
die taboe zijn.”
Thans is er een andere vorm van censuur
die de kop opsteekt en vanuit het publiek
zelf is ontstaan. „De bevolking heeft zelf een
onderwerp onbespreekbaar gemaakt: religie. De islam, de profeet, God zijn allemaal
onderwerpen die bijzonder gevoelig liggen.
Zij blijven misschien wel gespaard van de
woede van de overheid, maar niet van die
van het publiek.”
Hij is evenwel niet volledig pessimistisch.
„Ondanks alles is er nog steeds een kleine
speelruimte voor vrijheid in Marokko. Vergeleken met de rest van de Arabische wereld
is deze speelruimte reëel en interessant. Ze
loopt als een stroompje onder onze voeten.
Sommigen – zoals TelQuel – maken gebruik
van dit stroompje. Anderen niet, door zelfcensuur of uit conservatisme. En zo ontstaat
in Marokko de tegenstrijdige indruk dat er
op het gebied van vrijheid zowel vooruit als
achteruit wordt gegaan.”
Repressie gebeurt niet alleen via de wetgeving. „Ze wordt ook gehanteerd op economisch niveau”, aldus de heer Boukhari. „Aan
Volgens de heer Boukhari heeft de
regering beloofd dat de nieuwe persvoor-
Een stap voorwaarts en een stap
achterwaarts
sident) hebben opgevolgd, vormden een
historisch keerpunt in het verzetstraject
van de cyberactivisten. Sindsdien zijn ze op
de voorgrond getreden en hebben ze zich
gericht op „virtu-reëel” activisme. Zij doen
dit door deel te nemen aan betogingen en
sit-ins, door politieke activisten te steunen,
door bijeenkomsten van politieke partijen
bij te wonen en door op te treden in debatten op radio en tv. Ondertussen zetten ze
hun „virtuele” strijd op internet ook voort.
Hoe zijn de maatschappelijke
online-bewegingen na
14 januari 2011, dag waarop
de president vertrokken is,
veranderd?
Het politieke en maatschappelijke engagement heeft sinds 14 januari 2011 verschillende vormen aangenomen. Komend
van de strijd tegen het autoritarisme, is de
hoofddoelstelling voor deze beweging nu
om bij te dragen aan de algemene politieke en democratische ontwikkeling van
de burgers en aan de overgang naar de
democratie. Zo hebben ze het verkiezingsproces ondersteund door burgers mee te
helpen doordringen van het belang van
stemmen. Overigens zijn ze steeds vaker
aanwezig op de politieke scène: zeven
bloggers hebben zich verkiesbaar gesteld.
Een andere concrete vorm is de strijd voor
transparantie in de berichtgeving en voor
een transparante democratie in Tunesië. In
dat verband hebben verschillende bloggers
de campagne ≠7ell (Open) gesteund, die
opriep tot transparantie binnen de grondwetgevende nationale assemblee (ANC).
Deze actie is ondersteund door een groep
afgevaardigden binnen het ANC die erop
hebben toegezien dat deze campagne officiële erkenning kreeg.
Denkt u dat het cyberactivisme
zich verder zal blijven
ontwikkelen in Tunesië?
Het cyberactivisme is nu nog belangrijker geworden omdat het zijn kracht
heeft aangetoond in de strijd tegen het
autoritarisme. Dit betekent dat het een
doorslaggevende rol kan spelen in een
volop in beweging zijnde sociopolitieke
context. In ieder geval dienen de cyberactivisten, zowel in de cyberruimte als in
het veld waar actie wordt gevoerd voor de
overgang naar de democratie, hun acties
nog meer te beheersen. Ze moeten zich
klaar maken voor de uitdagingen die het
democratiseringsproces van de Tunesische
samenleving met zich meebrengt. (mb)
O
In de hele Arabische wereld hebben de
westerse aanvallen op de islam de stemmen die vragen de vrije meningsuiting te
beperken, luider doen klinken. Leiders van
moslimlanden zetten de VN onder druk
om een algemene wet tegen godslastering
te ondersteunen. Aidan White, directeur
van het netwerk voor ethische journalistiek,
vreest dat dit de tegenstelling tussen islam en
christendom alleen nog zal aanscherpen en
een bedreiging zal vormen voor de democratische instellingen.
Hij vat de drie belangrijkste problemen
als volgt samen: „De Arabische Lente heeft
niet de verwachte resultaten opgeleverd in
Tunesië en Egypte. De oorlog in Syrië destabiliseert de regio, en de schaduw van het conflict in het Midden-Oosten blijft dreigend
O
aanwezig op de achtergrond.”
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
Stabiliteit en vertrouwen terugbrengen in Europa: het maatschappelijk
middenveld pleit voor een nieuwe vorm van governance
Het is een goede gewoonte geworden
voor het Europees Economisch en Sociaal
Comité (EESC) om de buitengewone vergadering van het bureau te organiseren in
het land dat het voorzitterschap van de
Raad van de EU bekleedt. Dit keer is er
van de gelegenheid gebruik gemaakt om
samen met de regering van de republiek
Cyprus een conferentie te houden over de
bijdrage die het maatschappelijk middenveld kan leveren aan nieuwe vormen van
politieke governance om het vertrouwen
en de stabiliteit in de Europese Unie terug
te brengen. Zowel de vicesecretaris van
de president van Cyprus als de Cypriotische minister voor Werkgelegenheid
en Sociale Zaken benadrukten dat ook
via groeimaatregelen een uitweg moet
worden gezocht uit de crisis, en niet
alleen via bezuinigingen. Dat standpunt
hebben ze ook verdedigd in de Raad in
hun hoedanigheid van voorzitter, en
daarmee zit Cyprus op dezelfde lijn als
het Comité. Het advies SOC/462 over de
„Versterking van de deelname en rol van
territoriale overheden, ngo’s en sociale
partners in de tenuitvoerlegging van de
Europa 2020-strategie” geeft een beeld
van de samenwerking tussen het EESC
en de regering van Cyprus. Dit advies
was door het Comité op verzoek van het
Cypriotische voorzitterschap opgesteld.
Eén van de belangrijkste punten uit het
advies is inderdaad de noodzaak om
het maatschappelijk middenveld bij de
besluitvorming te betrekken.
Zoals ook door de voorzitters van de
drie groepen van het EESC is aangegeven, is het van groot belang om over een
governance-model te beschikken waardoor burgers zich kunnen identificeren
met het Europese sociaaleconomische
model. De vertegenwoordigers van de
groep Werkgevers (gr. I) en Werknemers
(gr. II), evenals van de groep Diverse
werkzaamheden (gr. III) wezen erop dat
de successen van het Europese sociale
model niet mogen worden vergeten en
dat deze moeten worden aangepast aan
de huidige tijd. Zo buigt groep I zich bijvoorbeeld over een gedragscode voor de
werkgevers, met het oog op de instandhouding van het Europese sociale model.
De vertegenwoordigers van het Cyprio-
tische maatschappelijke middenveld en
de regering van Cyprus waren het erover
eens dat de crisis alleen kan worden
opgelost als er „meer Europa” komt. Een
van de meest overtuigende argumenten
om dit standpunt te onderbouwen is om
een – denkbeeldig – scenario te schet-
sen waarin de EU en hetgeen zij bereikt
heeft, niet bestaat; met het advies SC/35
over De kosten van een niet-verenigd
Europa is daartoe een poging ondernoO
men. (asp)
Euromediterrane top van sociaaleconomische raden en soortgelijke
instellingen 2012 kijkt terug op bewogen jaar in Middellandse Zeegebied
onder meer zorgen over het feit dat sommige
regeringen de fundamentele mensenrechten
en vrijheden niet naleven, over de verslechterende maatschappelijke en economische
positie van vooral vrouwen en over beleidsmakers die vakbondsrechten aan hun laars
lappen, waardoor er in sommige landen geen
sociale dialoog tot stand komt. Dit zijn vraagstukken die op deze topontmoeting aan bod
moeten komen.”
Euromediterrane top, Amman, Jordanië
De Euromediterrane top van sociaaleconomische raden en soortgelijke instellingen vond
dit jaar van 17 t/m 19 oktober in Amman
(Jordanië) plaats. Het evenement werd gezamenlijk door het EESC en de Jordaanse SER
georganiseerd. Behalve de twintigkoppige
delegatie van EESC-leden kwamen diverse
vertegenwoordigers van het maatschappelijk
middenveld uit vijftien landen in het Middellandse Zeegebied en een groot aantal EUlidstaten op deze top – de tweede sinds het
begin van de Arabische Lente – af.
Ondanks de stralende zon in wat als een
van de droogste landen ter wereld geldt,
begon de top in een sombere en bedrukte
stemming vanwege de recente gebeurtenissen in de regio, met name het geweld in het
naburige Syrië, maar ook de verslechterende
mensenrechtensituatie en de aantasting van
de sociale rechten in talrijke andere landen.
In reactie hierop uitte EESC-voorzitter
Staffan Nilsson zijn bezorgdheid over de
gebeurtenissen in de regio: „Ik maak me
Niemand kan voorspellen waartoe de
omwentelingen in de regio, die tot dusver
tamelijk grillig waren, zullen leiden. Toch
leeft nog altijd heel sterk het gevoel dat in
ieder geval een aantal van de fundamentele
verbeteringen van de Arabische Lente onomkeerbaar zijn.
Uiteraard konden de donkere wolken
boven de regio niet worden weggetoverd. Het
besef dat er snel iets moet worden gedaan,
spoorde de tweehonderd deelnemers echter
aan tot een stevig en geanimeerd debat, dat
uitmondde in de formulering van een aantal belangrijke aanbevelingen voor de regio
over cruciale kwesties, zoals verbetering van
het bestuur door een grotere betrokkenheid
van het maatsschappelijk middenveld bij
de besluitvorming, een krachtiger sociale
dialoog, het stimuleren van scholing, mediavrijheid, de economische en maatschappelijke positie van vrouwen, de rol van het
maatschappelijk middenveld bij corruptiebestrijding en het energie- en industriebeleid.
Het feit dat de nieuwe Jordaanse premier en
andere hoogwaardigheidsbekleders, onder
wie parlementsleden en ambassadeurs, deze
top bijwoonden, is een bewijs dat het maatschappelijk middenveld in de regio inmiddels
veel aanzien geniet. Het is dus niet allemaal
somberheid wat de klok slaat.
in ieder geval een aantal van de fundamentele
verbeteringen van de Arabische Lente onomkeerbaar zijn.
Tijdens de discussies werd duidelijk dat er
op talrijke terreinen, ondanks de vele terugslagen, vooruitgang is geboekt, bijvoorbeeld
op het punt van mediavrijheid, corruptiebestrijding en de rol van het maatschappelijk middenveld. Niemand kan voorspellen
waartoe de omwentelingen in de regio, die tot
dusver tamelijk grillig waren, zullen leiden.
Toch leeft nog altijd heel sterk het gevoel dat
Aan de top werd voor het eerst ook deelgenomen door één ngo-netwerk per Euromed-land en door vertegenwoordigers uit
Libië. Een lichtpuntje in de regio is dat als
deze vorderingen in het veld kunnen worden
vertaald in bredere beleidsverbeteringen, er
hoop is dat het op de lange termijn de goede
O
kant op zal gaan. (gh)
Er is ook vooruitgang geboekt met de
oprichting en verdere ontwikkeling van een
SER in Marokko, de mogelijke oprichting van
een Palestijnse SER en de heropleving van
de Jordaanse SER. De deelnemers keurden
een „Handvest voor SER’s” goed, waarin de
fundamentele benchmarks inzake de representativiteit en onafhankelijkheid van sociaaleconomische raden zijn vastgelegd en dat
als leidraad moet fungeren voor de regio en
wellicht het eerste in zijn soort is voor SER’s
in de hele wereld.
DE ZITTING IN EEN NOTEDOP
Bescherm gedetacheerde werknemers zonder voorbij
te gaan aan de behoeften van ondernemingen
EESC pleit voor betere balans tussen elektronische handel
en de veiligheid van kinderen
Tijdens zijn septemberzitting heeft het EESC een advies goedgekeurd over het
voorstel van de Commissie inzake de handhaving van de richtlijn m.b.t. de
detachering van werknemers. Het advies was opgesteld door Thomas Janson
(groep Werknemers, Zweden). Het Comité is verheugd dat de Commissie zich
wil gaan richten op een betere tenuitvoerlegging van de richtlijn en op een doeltreffende
bestuurlijke samenwerking tussen de lidstaten. Daarbij geeft het EESC wel aan dat het
belangrijk is voor een goede bescherming van
gedetacheerde werknemers te zorgen, om
Thomas Janson, EESC-lid,
sociale dumping en oneerlijke concurrentie
groep Werknemers
te ontmoedigen.
In een poging kinderen te beschermen tegen schadelijke reclame en onlineinhoud, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens zijn septemberzitting twee adviezen uitgebracht waarin het aandringt op de vaststelling
van specifieke regelgeving op dit gebied.
Essentieel voor een eerlijke concurrentie is volgens het EESC dat er minimale arbeidsvoorwaarden worden vastgelegd, die in overeenstemming zijn
met de nationale wetgeving en collectieve arbeidsovereenkomsten. Daarnaast
dient voorkomen te worden dat ondernemingen met onnodige administratieve
kosten worden opgezadeld.
De kwestie rond de aansprakelijkheid bij onderaanneming is voor het
EESC een van de belangrijkste onderdelen van de voorgestelde richtlijn. Het
EESC vindt dat de bestaande regelingen voor hoofdelijke aansprakelijkheid
in de lidstaten gerespecteerd moeten worden. Lidstaten die dergelijke regelingen niet kennen, zouden ze moeten invoeren, na overleg met de sociale
O
partners. (ač)
Hoewel het EESC zich kan vinden in het streven van de EU om een digitale
eengemaakte markt tot stand te brengen die de concurrentie aankan, waarschuwt het dat de elektronische handel niet mag prevaleren boven de bescherming van kinderen. „In de mededeling van de Commissie wordt economische
groei tot hoofddoelstelling verheven en komt de bescherming van kinderen
bijna op de tweede plaats”, zo zei Antonio Longo (Italië, groep Diverse werkzaamheden), rapporteur van een van de adviezen.
Ofschoon bij de ontwikkeling daarvan geen rekening is gehouden met
kinderen, gebruikt 75 % van de kinderen momenteel internet. „Wij moeten
deze nieuwe realiteit goed monitoren”, aldus Jorge Pegado Liz, rapporteur van
het EESC-advies over reclame die gericht is op jongeren en kinderen.
Volgens het EESC is de Europese strategie voor een beter internet voor kinderen een „gemiste kans” om een samenhangend kader voor de bescherming
van minderjarigen vast te leggen. De mededeling geeft geen duidelijke regels
voor reclame en zwijgt over reclame voor voedingsproducten, wat volgens het
Comité om een aparte regelgeving vraagt.
Zelfregulering van het bedrijfsleven volstaat niet om kinderen online te
beschermen, zo waarschuwt het EESC. Het voegt daaraan toe dat er strenge
regels moeten komen en dat websites moeten worden gesloten en vergunningen ingetrokken als de bescherming van persoonsgegevens in gevaar komt of
O
kinderporno wordt aangeboden. (mb)
De kosten van het vastgelopen Europese integratieproces
berekenen
George Dassis, voorzitter van
de EESC-groep Werknemers
In een poging om het groeiende anti-Europese
sentiment, populisme en extremisme onder
burgers tegen te gaan, heeft het Comité tijdens
zijn septemberzitting een advies goedgekeurd
over de kosten van een niet-verenigd Europa.
„In tegenstelling tot wat doorklinkt in
populistische ideeën uit bepaalde politieke hoeken in een aantal EU-landen,
zijn de huidige economische problemen niet te wijten aan het feit dat Brussel
zijn boekje te buiten is gegaan, alswel aan het feit dat de Europese integratie
absoluut niet voltooid is”, aldus George Dassis, rapporteur voor het advies en
voorzitter van de groep Werknemers van het EESC.
Het idee is voor de eerste keer onder de loep genomen door Paolo Cecchini
in 1988, toen hij voor de Europese Commissie een studie verrichtte naar de
kosten van een niet-verenigd Europa met betrekking tot de interne markt.
De huidige aanpak van het EESC is echter breder van opzet. Het Comité
heeft nu een pleidooi gehouden om de kosten van een niet-verenigd Europa
en de impact ervan op werkgelegenheid en groei volledig in kaart te brengen;
ook heeft het in het kader van de Europa 2020-strategie ertoe opgeroepen om
doelstellingen op te nemen om deze kosten terug te dringen, en dat gepaard
te doen gaan van een duidelijk actieplan en een systematische beoordeling
van de voortgang ervan.
„De resultaten van een alomvattende studie zullen de Eurosceptici ongetwijfeld de wind uit de zeilen nemen en de twijfels over de EU wegnemen”,
zo meent Luca Jahier, voorzitter van de groep Diverse werkzaamheden en
O
co-rapporteur voor het advies. (mb)
Voor meer informatie: http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.opinions
p
EESC info — November 2012/8 Speciale uitgave
7
BINNENKORT BIJ HET EESC
Brenda King: dol op cricket
Kunt u zich uw eerste dag op
het Comité herinneren?
Wat voelt u als u op Barbados
bent?
Jazeker. Het is deze maand precies tien
jaar geleden dat ik lid werd van het
Comité.
Het is geweldig om weer eens bij te praten met familie en vrienden, vooral ook
met mijn grootvader van vaderszijde, die
is zo onweerstaanbaar geestig. Ik ga ook
graag ‘s ochtends vroeg een strandwandeling maken om me één te voelen met
de natuur.
Brenda King, EESC-lid, groep Werkgevers
Hoe voelde u zich die dag?
In een nieuwe reeks interviews praat
Tomasz Jasiński, Pools lid van de groep
Werknemers van het EESC en vertegenwoordiger van de leden in de redactie van
EESC Info, met andere leden om erachter
te komen wat hun drijfveren zijn. Onlangs
had hij een gesprek met Brenda King, Brits
lid van de groep Werkgevers, die als algemeen directeur verbonden is aan „African
& Caribbean Diversity” en deel uitmaakt
van het hoofdbestuur van de „Women’s
National Commission” in het VK. Hier volgens een paar fragmenten uit dat gesprek:
Ik was verbijsterd dat er helemaal geen
introductie was. We werden van vergadering naar vergadering gestuurd om te
stemmen op mensen die we nooit hadden
ontmoet en over wie we helemaal geen
informatie hadden gekregen.
Tomasz Jasiński: Wat is uw
professionele achtergrond?
Brenda King: Mijn eerste universitaire
diploma heb ik behaald op het gebied
van statistiek en economie, maar ik ben
afgestudeerd in operationeel onderzoek. Ik
ben dus professioneel opgeleid om gebruik
te maken van geavanceerde analytische
methoden bij het nemen van besluiten.
“
Mijn grote wens is om ooit
nog eens een interland in India
bij te wonen – tussen India en
Pakistan
”
Is de situatie na al die jaren
veel veranderd?
Ja. Tegenwoordig zijn er op het Comité
introductiedagen voor nieuwe leden.
Ook heb ik zelf, op grond van mijn
eigen ervaringen, een paar keer een
gezellig samenzijn voor leden van de
groep Werkgevers georganiseerd, waar
de mensen elkaar beter konden leren
kennen in een ontspannen sfeer, ver van
de vergaderzaal.
Een paar jaar geleden heb ik
op Barbados kennis mogen
maken met uw fantastische
familie. Hoe vaak gaat u
erheen om ze te zien?
Normaal één keer per jaar, maar dit jaar
was een uitzondering: we hebben elkaar
vier keer gezien.
Wat zijn uw hobbies?
Met de jaren zijn familie en vrienden
steeds belangrijker voor mij geworden,
dus hou ik ervan om bijeen te komen in
huiselijke kring. Zowel mijn man als ik
hebben het geluk dat er van vaderskant
regelmatig familiebijeenkomsten worden georganiseerd. Allebei doen we er
veel moeite voor om ook met de familie
aan moederskant het contact warm te
houden.
Als u één dag helemaal voor
uzelf alleen had, wat zou u dan
doen?
Ik ben een enorme cricketfan en mijn
grote wens is om ooit nog eens een interland in India bij te wonen – tussen India
en Pakistan. Maar tot nu toe ben ik niet
verder gekomen dan tickets bemachtigen
voor de finale van het wereldkampioenschap Twenty20 in Londen tussen Pakistan en Sri Lanka. Dat kwam al een beetje
in de buurt, maar volgens mij kan Londen
qua sfeer toch niet tippen aan Mumbai.O
IN HET KORT
Op de bres voor de sociale ondernemingen in Europa: een sociaal model en miljoenen banen op het spel
Betrekkingen EU-Westelijke
Balkan onder de loep
Het 4e tweejaarlijkse forum van het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan zal
op 26 en 27 november 2012 in Zagreb (Kroatië)
worden gehouden. Delegaties van Westelijke
Balkanlanden, EESC-leden, vertegenwoordigers van nationale sociaaleconomische raden,
vertegenwoordigers van EU-instellingen en
diplomaten zullen er bijeenkomen om te discussiëren over de vooruitgang die is geboekt
met de betrekkingen tussen de EU en de Westelijke Balkan.
Andere onderwerpen zijn mediavrijheid,
de betrokkenheid van het maatschappelijk
middenveld bij het toetredingsproces, plattelandsontwikkeling en de werkgelegenheid in
de Westelijke Balkanlanden.
Het forum van het maatschappelijk middenveld van de Westelijke Balkan maakt
deel uit van de activiteiten van het EESC in
die regio. Het vormt een aanvulling op de
bestaande bilaterale werkzaamheden met
kandidaat-lidstaten in de gemengde raadgevende comités, die krachtens de stabilisatie- en
associatieovereenkomsten zijn opgericht. Het
forum van het maatschappelijk middenveld, dat sinds 2006 om de twee jaar wordt georganiseerd, biedt de gelegenheid om van gedachten te wisselen over de huidige toestand,
de behoeften en de toekomstige ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld in
O
de regio. (nk)
Kijk voor meer informatie op www.eesc.europa.eu
u
„Versterking van Europa”:
meer innovatieve praktijken
op de werkvloer!
onder de titel Sociale ondernemingen en de
Europa 2020-strategie: innovatieve oplossingen voor een duurzaam Europa. Bij deze
gelegenheid hebben de voorzitter van de
groep, Luca Jahier, en de leden samen met
commissaris Andor en vertegenwoordigers
van sociale ondernemingen en coöperaties
van gedachten gewisseld over nieuwe manieren om de sociale economie te beschermen
en te stimuleren.
v.l.n.r.: Luigino Bruni, universiteit van Milaan, en Luca Jahier, EESC-lid,
groep Diverse Werkzaamheden
De term „sociale economie” zal de doorsnee
burger misschien niet zo veel zeggen. Niettemin biedt deze sector inmiddels werk aan
meer dan 14 miljoen mensen in de EU, wat
neerkomt op een aandeel van ruim 6% op de
arbeidsmarkt. Als we ook nog eens bedenken
dat sociale ondernemingen tijdens de huidige
crisis hebben bewezen over meer veerkracht
te beschikken, dan lijkt de vaststelling van
de groep Diverse Werkzaamheden van het
EESC dat het hier om een sleutelsector van
onze economie gaat, alleszins gerechtvaardigd.
Op 3 oktober heeft de groep Diverse
werkzaamheden een conferentie gehouden
EESC info
Hoofdredacteur:
Karin Füssl
Tomasz Jasiński – vertegenwoordiger van de
EESC-leden binnen het redactieteam (groep
Werknemers, Polen)
Adjunct-redacteuren:
Maciej Bury (mb)
Coralia Catana (cc)
Adela Čujko (ač)
Raffaele De Rose (rdr)
Guy Harrison (gh)
Alejandro Izquierdo Lopez (ail)
Antonio Santamaria Pargada (asp)
Barbara Walentynowicz (bw)
Algemene coördinatie:
Nadja Kačičnik (nk)
Adres:
Europees Economisch en Sociaal Comité
Jacques Delorsgebouw,
Belliardstraat 99,
B-1040 Brussel (BE)
Tel.: (32-2)546.87.22 of 546.82.98
Fax (+32 2) 546.97.64
Email: [email protected]
Internet: http://www.eesc.europa.eu/
De deelnemers kwamen tot de conclusie
dat sociale ondernemingen te kampen hebben met een aantal administratieve obstakels,
dat ze recht hebben op gelijke concurrentievoorwaarden t.o.v. de traditionele economische actoren en dat ze een betere toegang
tot financieringsbronnen moeten krijgen.
Verder werden de lidstaten opgeroepen
om betere voorwaarden voor deelname
aan openbare aanbestedingen te creëren,
snel een statuut van de Europese vereniging
goed te keuren en een nieuw keurmerk voor
Europese sociale ondernemingen in te voeO
ren. (ail)
QE-AA-12-008-NL-N
COLLEGA’S ONDER ELKAAR
In het kader van het streven om innovatieve praktijken op de werkvloer te
bevorderen, organiseert het EESC op
30 november 2012 een seminar op hoog
niveau over dit thema. Met dit seminar
wordt beoogd om met de gastsprekers
een inspirerend debat te organiseren, en
om de resultaten van een Eurofoundstudie over organisatie en innovatie op
de werkvloer te presenteren.
Het seminar is het moment voor de
publicatie van het eindrapport van de
Eurofound-studie, met inbegrip van
een uitgebreide desk research en een
vergelijkende analyse van 13 bedrijfscasestudies. Er zullen een aantal sociale
partners, EP-leden, deskundigen en vertegenwoordigers van de regering worden
samengebracht.
l
Meer informatie kunt u vinden op: http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.eventsO
and-activities-boosting-europe
Daarnaast staat EESC Info in pdf-formaat in 22 talen op dee websit
website van het EESC: http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.eesc-info
EESC Info verschijnt negen keer per jaar — telkens ter gelegenheid van een EESC-zitting.
Gedrukte versies van EESC Info in het Duits, Engels of Frans kunnen gratis worden verkregen
bij de persdienst van het EESC.
EESC Info staat in pdf-formaat in 22 talen op de website van het EESC:
http://www.eesc.europa.eu/?i=portal.en.eesc-info
EESC-Info is niet het officiële verslag van de werkzaamheden van het EESC. Voor die werkzaamheden
wordt verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Unie en andere publicaties van het EESC.
Reproductie — onder vermelding van EESC Info — is toegestaan, op voorwaarde dat de redactie
een kopie wordt toegestuurd.
Oplage: 12 310 exemplaren.
Volgende uitgave: december 2012
November 2012/8 Speciale uitgave