Nexus` genesis - Nexus Instituut

Commentaren

Transcriptie

Nexus` genesis - Nexus Instituut
rob riemen
Nexus’ genesis
Voor Kirsten
Alles, worin der Mensch sich ernstlich einläßt, ist ein Unendliches...
Goethe
i
Ik was in New York en stond op Lincoln Plaza te wachten op een taxi toen plotseling te midden van het verkeerslawaai een zachte, vriendelijke stem klonk en
het een paar seconden duurde voordat ik me realiseerde de aangesprokene te zijn
aan wie de vraag werd gesteld: ‘But what can we do?’ Met mijn ogen gericht
op Broadway, turend naar een lege taxi, had ik de twee jonge mannen niet zien
aankomen die ik, toen ik omkeek, herkende als twee studenten van de Juilliard
School of Music. Ik was te verrast om onmiddellijk iets te kunnen zeggen en zo
viel er even een wat pijnlijke stilte. De verwarring die op mijn gezicht af te lezen
viel, werd door de vraagsteller waarschijnlijk geïnterpreteerd als zou ik zijn vraag
niet goed hebben begrepen en ter nadere verklaring merkte hij op: ‘Wij hebben
uw drie colleges bijgewoond en u heeft ons wel overtuigd. Maar we vroegen
ons af: wat kunnen we nu doen?’ Dat ik nog steeds niet wist wat ik moest zeggen, kwam echter niet doordat ik zijn vraag niet begreep, maar juist doordat ik
de vraag maar al te goed begreep.
Die avond had ik in het gebouw achter ons, de Juilliard School of Music, mijn
derde en afsluitende college gegeven. Drie opeenvolgende avonden sprak ik over
kitsch en de crisis in de westerse cultuur. Ik begon met het simpele feit dat alle discussies in Amerika en Europa over de nationale identiteit; het wel of niet bestaan
van Amerikaanse, Europese of universele waarden; de functie van het onderwijs;
de rol van religie; of kunst nu wel of niet belangrijk is, even zovele expressies zijn
van één fundamenteel gegeven: onze cultuurcrisis. Tweede feit: die crisis van de
moderne tijd is alweer meer dan honderd jaar oud en tot op de dag van vandaag
is Nietzsche de beste analyticus van dit fenomeen. Omdat mijn publiek bestond
uit jonge mensen die hun leven wilden wijden aan het vertolken van de muzikale
meesterwerken, vertelde ik hun de anekdote hoe Nietzsche, zesentwintig jaren
jong met nog steeds de ambitie om zelf ook een toonkunstenaar te zijn, vol vertwijfeling reageert op het verschrikkelijke nieuws dat in de zomer van 1871 zich
razendsnel door Europa verspreidt: het gepeupel heeft moedwillig het Louvre in
brand gestoken en honderden meesterwerken zijn voor altijd verloren gegaan. Als
dit kan gebeuren, zo had Nietzsche in die dagen een vriend geschreven, als de
hoogste kunst, de verzinnebeelding van de waarheid over de mens en zijn bestaan,
v
door mensen wordt vernietigd, waartoe dan nog kunstenaar of filosoof zijn? En
het is te gemakkelijk, aldus Nietzsche, om het gepeupel iets te verwijten. Volgens hem zijn wij allen verantwoordelijk voor het feit dat de Europese cultuur
aan het sterven is. Niet lang na het verschijnen van deze brief bleek het nieuws
een gerucht te zijn. Maar het gevoel dat Nietzsche die dagen bevangt en dat hij
omschrijft als ‘Kultur-Herbst-Gefühl’, zal hem niet meer verlaten. Instinctief weet
hij dat het fundament van onze cultuur, de maat voor wat waar, goed of schoon
zou zijn; wat het beste is en wat van waarde is, niet langer bestaat.
Vervolgens stel ik de studenten voor om de Hudson News, een tijdschriftenkiosk die je op tal van Amerikaanse vliegvelden treft, aan een nader onderzoek te
onderwerpen, onder andere om op deze wijze meer inzicht te krijgen in waar het
overgrote deel van de mensen belangstelling voor heeft en dus om een of andere
reden belangrijk vindt.
Standaard heeft elke Hudson News een plank gereserveerd voor tijdschriften
over computers en andere technologische vindingen, wat mag duiden op de betekenis die we toekennen aan techniek en technologische vooruitgang. Standaard is
eveneens de plank met bladen over snelle auto’s, nog snellere motoren en races,
typerend voor onze obsessie met tijd en snelheid: hoe sneller hoe beter. Onvermijdelijk is alle informatie over financiën en economie. En niemand zal ontkennen dat geld een van onze belangrijkste waarden is: hoe rijker hoe belangrijker.
Een stap opzij en de foto’s van de celebrities en idols stralen ons tegemoet. Ook zij
zijn een fenomeen, niet meer weg te denken uit onze samenleving. En voordat
we de kiosk verlaten, passeren we nog de bladen die ons tot in de kleinste details
informeren over life style, beauty, sex, onmiskenbaar zaken waar we eindeloos veel
tijd en energie in steken. De vraag is, waarom zijn we techniek, snelheid, geld,
beroemdheden, alle uiterlijke schijn en opwinding in onze maatschappij zoveel
waarde gaan toekennen?
Het antwoord, meende ik, was vijfentwintig eeuwen geleden gegeven door
Socrates, die in een debat met Gorgia en Polus een levensstijl kritiseert ‘uitsluitend
gericht op het aangename en het hoogste goed negeert’. Het is de definitie van
een fenomeen dat pas in de twintigste eeuw een begrip zal worden en vervolgens
aan een onstuitbare opmars begint: kitsch. Waar cultuur vervangen wordt door
kitsch, staat alles in het teken van nut, effect, geld, vermaak. Alles moet mooi,
fijn en leuk zijn. Niets mag moeilijk zijn of iets waar je echt moeite voor moet
doen. Mooi is wat de meerderheid mooi vindt, goed is wat de publieke opinie
goed vindt; belangrijk is wat iedereen wil weten. Het is in deze kitsch-wereld
dat je identiteit niet langer wordt bepaald door wie je bent, maar door wat je
hebt: je auto, je horloge, je life style. En de liefde zal romantisch zijn of zij zal niet
zijn. Religie en spiritualiteit dienen onze behoefte gelukkig met ons zelf te zijn.
Kitsch, zo vertelde ik de studenten, is een vorm van schoonheid zonder waarheid. Niets heeft nog intrinsieke waarde en daarom kan ook niets blijven, want
alleen het blijvende is waar — zie de meesterwerken. Nietzsche wist dat wat wij
nu kitsch noemen, slechts een schone maskerade is voor nihilisme. Niets is waar,
dus alles is even betekenisloos. Kitsch is de leugen die pretendeert dat iets toch
vi
waarde heeft en belangrijk is, terwijl het in feite de voortdurende vlucht is voor
onze eigen ziel.
En de kunst? De muzikale traditie van Monteverdi tot Mahler? Kan zij meer
zijn dan de bevrediging van het verlangen van een kleine snobistische elite naar
esthetisch genot? En wat te doen met de grote vragen die Thomas Mann ons voorhoudt in zijn Doktor Faustus? Hoe nauw is niet de band tussen cultuur en barbarij? Muziek en demonie? Moet in het aangezicht van een hel op aarde de kunst
niet zwijgen? Welk recht van bestaan heeft schoonheid als de waarheid zwart is?
Wordt niet alle kunst dan een leugen, kitsch?
Dat waren een aantal thema’s die ik in mijn lezingen voor de studenten van
de Juilliard School of Music aan de orde had gesteld en pas toen twee van hen mij
stonden aan te staren op Lincoln Plaza in afwachting van mijn antwoord op hun
volstrekt legitieme en logische vraag ‘maar wat kunnen we nu doen?’, realiseerde
ik me dat ik al mijn tijd had besteed aan analyse en het stellen van vragen. Impliciet, ofschoon onbedoeld, was de suggestie gewekt dat alle moeite die zij wilden
doen om zich het werk van de muzikale grootheden meester te maken, of zinloos is, of gedoemd gereduceerd te worden tot een vorm van kitsch. Plotseling
drong het tot me door dat ik iets belangrijks niet heb verteld. Maar er was al een
taxi gestopt en ik was ook al laat voor mijn dinerafspraak met vrienden downtown.
Bovendien, hoe kun je met elkaar een gesprek voeren te midden van een gehaaste
mensenmassa en gebrul van een onophoudelijke stroom auto’s? Ik moest gaan en
snel zei ik: ‘Just follow your passion! Ignore all lies and remain true to yourself.’ De
taxichauffeur vertelde ik waar ik heen moest. Op de kale achterbank, golvend van
groen naar rood over de mijlenlange avenue, bedacht ik dat mijn advies in ieder
geval was ingegeven door mijn eigen ervaring. En mocht ik ooit deze twee onbekende studenten weer tegenkomen, dan zal ik ze vertellen over Thomas Mann als
opvoeder. Ik zal ze vertellen waarom ik ooit met het tijdschrift Nexus begonnen
ben. Ik zal ze die prachtige passage voorlezen uit Marguerite Yourcenars Herinneringen van Hadrianus: ‘Ik voelde steeds meer de behoefte om oude boekwerken
te verzamelen en te conserveren en toegewijde kopiisten op te dragen er nieuwe
kopieën van te vervaardigen. Die mooie taak leek me niet minder dringend dan
de hulp aan de veteranen of de toelage aan arme en kinderrijke gezinnen; ik zei
tegen mezelf dat een of twee oorlogen en de daaruit voortvloeiende ellende of
een periode van grove onachtzaamheid of verwildering onder een paar slechte
vorsten genoeg zouden zijn om de door tussenkomst van die broze voorwerpen
van vezels en inkt tot ons gekomen gedachten voorgoed verloren te laten gaan.
Ieder die het geluk heeft in zekere mate voordeel te trekken uit dat culturele erfgoed, was volgens mij verplicht het aan de mensheid door te geven.’ En vervolgens zou ik uitleggen waarom ik de laatste regel van het citaat had verkozen tot
motto voor de eerste uitgave van Nexus, in 1991. Ik zal niet meer spreken over
kitsch, maar over cultuur; over het verschil tussen dood en leven; over het geheim
van de kunst en hoe het identiek is aan het geheim van het leven. Ik zal, zo nam
ik me voor, spreken over een idee en een ideaal dat weliswaar alleen nog maar
aanwezig is in werken van — vaak nauwelijks nog gekende — schrijvers, denkers
vii
en kunstenaars, maar daarom niet minder waar. Ik zal vertellen over een levende
maar niet langer gesproken taal: het Europees humanisme.
ii
Volwassen worden begint met vragen stellen als: wie ben ik? Hoe word je wie je
bent? Wat maakt het leven de moeite waard? Wat doe je als het lot je slaat?
Het is opvallend hoezeer onze maatschappij erop gericht is deze vragen zo
gewoon en onschuldig te laten zijn dat er geen wezenlijk verschil meer kan bestaan
tussen de levensvragen en de vraag waar je dit jaar met vakantie heen zult gaan.
Dat is geen onbelangrijke vraag en door te onderzoeken wat je wilt en wat je
mogelijkheden zijn, komt er altijd wel een resultaat waar je min of meer tevreden
mee kunt zijn en ieder die er naar vraagt, zal de beslissing kunnen begrijpen. Op
dezelfde toon wordt jongeren met een minzame glimlach uitgelegd dat het met
het leven niet echt anders is. Doe iets wat nuttig is maar toch ook leuk; wees verstandig, doe geen gekke dingen en denk aan je toekomst; kijk eens wat anderen
doen; stel je ouders niet teleur.
Hoe anders klinkt dan wat Nietzsche diezelfde jongeren welhaast toeschreeuwt
in zijn betoog over Schopenhauer als opvoeder: luister vooral niet naar deze adviezen!
Levenskeuzen zijn niet hetzelfde als een vakantie kiezen. Pas je niet aan! Durf je
eigen leven te leiden: ‘Niemand kan de brug voor je bouwen waarover juist jij
de rivier van het leven moet overschrijden, niemand behalve jij alleen. Weliswaar
zijn er talloze paden en bruggen en halfgoden die je naar de andere oever willen
dragen, maar alleen voor de prijs van je eigen ik: je zou je zelf verpanden en verliezen. Er is in de wereld één weg die niemand kan gaan behalve jij: waarheen
hij leidt? Vraag niet, ga hem.’ Wie niet vrij en zichzelf durft te zijn, wie uit angst,
luiheid of misplaatst schuldgevoel zich toch maar liever aanpast aan wat ‘men’ verwacht, diens leven, aldus Nietzsche, is gedoemd tot saaiheid en troosteloosheid.
Want wat begint met ‘wij doen niet moeilijk en houden het gemakkelijk’, wordt
al gauw nonchalance ten opzichte van alles doordat voor niets met hart en ziel is
gekozen en dus ook niets echt betekenis heeft: het werk niet, relatie niet, vrienden
niet. En dit alles zal altijd zo blijven, aangezien de prijs voor het niet-aanpassen
te groot is: onzekerheid. Nonchalance wordt onverschilligheid en onverschilligheid baart het gevoel van leegte. Dat is de toekomst voor de aangepasten, zij die
niet zelf leven maar zich laten leven; zich liever aan de schijn koesteren dan zich
blootstellen aan pijnlijke onzekerheid. Uiteindelijk rest troosteloosheid en ontgoocheling wanneer het besef doorbreekt voor niets te hebben geleefd, dat wil
zeggen: niet te hebben geleefd.
Nietzsche leert dat opvoeden, de kunst een mens tot mens op te voeden, primair een vorm van bevrijding is, en alleen zij die zelf vrij zijn, kunnen ons opvoeden, dat wil zeggen, ons voorbeeld zijn: de ware filosoof en ware kunstenaar. Zij
zijn de onaangepasten die ons kunnen verheffen uit de stroom van angst voor eenzaamheid en onzekerheid. Zij zijn het die ons aanmoedigen zelf te ontdekken wat
het bestaan eigenlijk waard is, wat de diepste betekenis van je leven is en wat jij
met de jou gegeven tijd en talenten moet doen. Zij zijn het die het leven in zijn
viii
totaliteit tonen en zeggen: ga je eigen weg — dat heb ik ook gedaan. Nietzsche
waarschuwt dat we deze opvoeding — de enige echte vorming — bij uitstek niet
zullen vinden bij de instituties die bestaan bij de gratie van de pretentie wel die
vorming te bieden: de universiteiten. Daar heerst de geesteloosheid van door de
staat betaalde geleerde slaven gepreoccupeerd met ‘het moment, de meningen en
de modes’. Alles mag je van hen verwachten, behalve moed, drang tot waarheid,
eigenzinnigheid en een werkelijk inzicht in het bestaan. Eén boek van de ware
filosoof of kunstenaar is van oneindig meer waarde dan alle kennis van een wetenschappelijke opleiding. Voor Nietzsche is dat boek Schopenhauers Die Welt als
Wille und Vorstellung. Voor mij bleek dat boek De Toverberg van Thomas Mann.
iii
Ik was nog geen vier toen mijn moeder mij leerde lezen. Dat ging vrij snel en op
een krukje in de kleine keuken las ik haar hardop mijn eerste boekje voor: De
Matroos van Dick Bruna. De overweging van mijn moeder om mij, ruim voordat ik naar school moest, de kunst van het lezen eigen te maken, was praktisch
van aard. In een gezin met zes kleine kinderen ten minste één die niet steeds haar
aandacht vereiste. Lezen was bij mij de kiem voor een passie: boeken. Elke passie
begint met de gewaarwording iets te kunnen wat anderen niet of nauwelijks kunnen en dat gevoel van onderscheid, beter te zijn dan de rest, kwam het scherpst
tot uiting toen in de eerste klas van de lagere school alle anderen iets moesten
leren wat ik al kon. Ik had daarnaast het geluk dat mijn ouders ten aanzien van
hun kinderen het grote verlangen koesterden dat hun zelf door oorlog en armoede
niet was gegund: een universitaire opleiding te volgen. In hun beleving was universiteit gelijk aan boeken en zo mocht ik, ofschoon er nooit veel geld was, altijd
wel het boek kopen dat ik graag wilde hebben en vervolgens koesterde als mijn
kostbaarste bezit.
De keuze om theologie te gaan studeren, had alles te maken met mijn passie voor de wereld van de literatuur. Ik had uiteraard ook geschiedenis, filosofie
of Nederlands kunnen kiezen, maar meerdere overwegingen gaven de doorslag
om de jaren die zouden komen, toch te wijden aan de godgeleerdheid. De eerste
overweging was dat ik onder de mantel van de voormalige koningin der wetenschappen ook filosofie, geschiedenis, literatuur, ja zelfs psychologie en antropologie
zou treffen. De klassieke theologiestudie is door haar veelzijdigheid cultuurfilosofie par excellence: een uitstekende oefening in de kunst van het lezen, de kunst
van het interpreteren, het zoeken van betekenis in de samenhang der dingen in
het besef dat alle betekenis evenveel facetten kent als een bergkristal. De tweede
overweging was dat in die tijd alle academische studies beperkt waren tot vier
jaar studietijd terwijl theologie nog zes tot zeven jaar zou duren. Dat leek mij
een uitzonderlijk groot voordeel, mede in verband met mijn derde overweging.
De andere studies zouden mij tot een vak opleiden: historicus, filosoof, neerlandicus. Van de theologie wist ik zeker dat ik werkelijk nooit enige interesse zou
hebben voor het vak waarvoor het opleidt: priester of pastoraat. En zo zou ik in
ieder geval zeven jaren voor mij hebben waarin ik geheel vrij zal zijn, juist omdat
ix
ik geen doel heb. Ongestoord zal ik de komende jaren kunnen wijden aan literatuur, kunsten, geschiedenis, filosofie van de Europese cultuur. Daarna? Dat is
letterlijk van later zorg.
Mijn geliefde had een studie gekozen die alleen door de Universiteit van Tilburg werd aangeboden en aangezien ik ook daar zou kunnen studeren, verhuisden
wij aan het einde van de zomer naar de wel niet mooie maar ook niet ongezellige
stad. Een paar maanden later ben ik jarig en zij geeft mij een boek dat ze weliswaar
zelf ook niet heeft gelezen, maar waarvan ze intuïtief vermoedt dat het mij zal aanspreken. Het is een vuistdikke roman, meer dan negenhonderd pagina’s, over een
jongeman die in het Zwitserse hooggebergte komt en er, tegen zijn bedoeling in,
zeven jaren zal blijven. Een tijd waarin hij zich met steeds grotere belangstelling
inlaat met de grote vragen des levens. Jaren later las ik een voordracht van Thomas
Mann voor studenten in Princeton waarin hij vertelt over zijn eigen leven, hoe
hij in zijn jonge jaren het werk van Schopenhauer en Nietzsche las en het voor
hem ‘Bildungserlebnisse’ zijn. Niet naar de letter maar naar de geest vertaald, is
dit woord de exacte expressie van wat het lezen van De Toverberg voor mij is: een
levenservaring. Nietzsche schrijft in Schopenhauer als Erzieher dat je de ware filosoof
en kunstenaar onder andere herkent aan het feit dat zij je het leven in zijn geheel
tonen. Thomas Mann deed voor mij echter meer dan dat. De Toverberg toonde
niet het leven maar wat zeven jaren lang mijn leven zou zijn.
iv
Uiteindelijk zou ik geen zeven maar tien jaren op mijn toverberg verblijven. Weliswaar niet in een luxueus sanatorium in Davos met uitzicht over de besneeuwde
Alpentoppen, maar gezeten achter mijn bureau in ons tweekamerappartement met
uitzicht over de grauwe flatgebouwen van Tilburg-Noord. Verliefd op de wereld
van mijn boek, kan ik mij moeiteloos voorstellen hoe ook ik, net als Hans Castorp
van wie het verhaal door Thomas Mann werd verteld, op een koude maar zonnige
winterdag in een deken gewikkeld op een ligstoel op mijn balkon uitkijk over het
met sneeuw beladen dennenwoud, het eeuwige gebergte en zijn onveranderlijke
sneeuwvlakten, om me vervolgens verder te verdiepen in mijn lectuur.
Met Castorp zocht ik een antwoord op de vragen: wat is de mens en wat is
leven? Wat heeft waarde? Wat is tijd? Met hem hoorde ik de uiteenzettingen
aan van de sympathieke maar ook breedsprakige Italiaan Settembrini, verklaard
humanist en met een heilig geloof in de macht van het woord als het wezen van
de mens. Want, zo meende hij, het humanisme, alle menselijke waardigheid, alle
respect voor de mens en alle menselijke zelfrespect waren onlosmakelijk met het
woord, de literatuur en de rede verbonden. Alle beschaving en zedelijke vervolmaking ontsproot aan de geest der literatuur, tevens geest van humaniteit en
politiek. En met evenveel belangstelling luisteren wij naar de heer Naphta. Minder sympathiek, nors en gesloten, maar zeker zo erudiet en intelligent, een man
die geen enkel vertrouwen in de menselijke rede heeft en ervan overtuigd is dat
de mens van nature liever gehoorzaam is aan de autoriteit van het geloof dan de
last van de vrijheid draagt. Onze Italiaanse vriend protesteert heftig en maant ons
x
niet te luisteren. Maar ofschoon zowel persoon als opvattingen van de humanist ons meer dierbaar zijn, begrijpen wij dat er toch een pijnlijke waarheid kan
schuilen in wat de opponent van de humanist beweert. We wandelen terug naar
onze kamer en gelegen op ons balkon bepeinzen wij in de ijle buitenlucht of er
niet meer is dan de keuze tussen rede en geloof; seculier humanisme of religie;
het vrije individu of gemeenschap; het optimistische geloof in vooruitgang of
het pessimisme over de demonie van de menselijke natuur en de onvermijdelijke
ondergang van de vrijheid. Ondertussen zijn we weer verliefd en ervaren dat de
liefde een onredelijke macht is ver verheven boven alle politieke strijd en intellectuele vragen. Op een dag laat Castorp zich met een kabelbaan naar de hoogvlakte brengen en omringd door de oerstilte die alleen daar heerst, skiet hij door
de eenzame witte leegte. Het begint zachtjes te sneeuwen, maar in zijn jeugdige
overmoed kan hij daar alleen maar meer van genieten. De sneeuw wordt echter
een storm en met veel geluk treft hij een houten keet, die echter gesloten blijkt.
Een flacon met port moet tegen de ijzige kou van de stormwind helpen en uitgeput overvalt hem een dronkemansslaap waarin hij zijn droom droomt. Pas in
deze droom begrijpt hij dat de mens zijn waardigheid ontleent aan het feit hoger
te zijn dan alle tegenstellingen. De dood valt niet weg te denken uit het leven,
maar de liefde staat tegenover de dood, niet de rede, want de liefde is sterker. In
zijn droom bedenkt hij dat hij de dood niet zal negeren, maar dat de dood nooit
ons denken en handelen mag bepalen, omdat trouw aan de dood en het verleden niets anders is dan boosaardigheid, duistere wellust en vijandschap jegens de
mens. De mens mag omwille van de goedheid en de liefde de dood geen heerschappij toestaan over zijn gedachten. Dat is de droom, de beroemde droom van
Hans Castorp. De storm waait over, hij komt veilig terug in het sanatorium, zijn
droom verglijdt uit zijn gedachten, maar onbewust, ergens in zijn ziel, zal hij niet
vergeten wat hij als mens zou moeten zijn.
v
Nog jaren zou Castorp op zijn toverberg blijven, maar het besef van tijd zou hij
verliezen. Want wat blijft er van de tijd als je omringd bent door het tijdloze; als
je vragen en bezigheden zelf iets tijdloos hebben; als het gevoel van haast niet
bestaat omdat je alle tijd hebt, alsof een eeuwigheid je wacht.
Ik herkende deze toverbergervaring. Het grote raam waarachter mijn bureau
stond, was op het westen gericht en kijkend naar de horizon ver voorbij de daken
van de tegenoverliggende flatgebouwen kon ik, als het niet te zwaar bewolkt was,
elke dag de zon een paar centimeter verder zien ondergaan. Letterlijk zag ik de
tijd verglijden, maar juist het onverstoorbare jaarlijkse ritme, de langzame gang
naar rechts (zomer), dan naar links (winter) en van links weer naar rechts, gaf een
gevoel van tijdloosheid. Elke ochtend arriveerde de krant, maar hoe oneindig
fascinerender was de wereld die Thomas Mann voor mij opende. Ik wilde alles
lezen wat hij had geschreven en zo gauw ik weer wat geld had gespaard, gingen
mijn geliefde en ik naar Aken of Münster om in een van die ouderwetse prachtige
boekhandels één, soms wel twee of drie deeltjes te kopen van de in groen linnen
xi
gebonden Gesammelte Werke Frankfurter Ausgabe van Thomas Mann. In de tachtiger jaren werd er ook een begin gemaakt met de publicatie van de dagboeken
en vol ongeduld wachtte ik op het verschijnen van weer een nieuw deel dat mij
deelgenoot zou maken van zijn leven en geesteswereld. Om die wereld beter te
kunnen begrijpen, ging ik teruglezen: Nietzsche, Schopenhauer, Goethe, Dante,
Augustinus, Plato. Wagner, Schubert en Mahler werden belangrijk, en zijn geliefde
Russen: Tolstoj en Dostojevski, Tsjechov en Toergenjev. Ik leerde de vrienden
van Mann kennen: Bruno Walter, Sigmund Freud, Hermann Hesse, Bruno Frank,
Erich Kahler en Hermann Broch.
Later — veel later, doordat de Franse literatuur nauwelijks een rol speelt in
de wereld van Mann — las ik in Prousts meesterwerk een zin die ik met potlood
onderstreepte en met een uitroepteken markeerde: ‘Het echte leven, het eindelijk
blootgelegde en verhelderde leven, het enige bijgevolg volledig geleefde leven,
is de literatuur.’ In één zin geeft Proust op een briljante wijze uitdrukking aan de
overtuiging van het klassiek humanistische ideaal dat de literatuur en de kunsten
van elementair belang zijn voor de opvoeding. Alleen zij weten door te dringen
in de diepste lagen van onze ziel en geven deze kennis op zo een wijze vorm dat
de grote menselijke ervaringen en diepste emoties, die altijd zowel universeel als
uniek zijn, voor ons herkenbaar worden en wij ze, dankzij het werk van de kunstenaars, eigen kunnen maken. Zoals Proust verder schrijft: ‘Door de kunst alleen
kunnen wij uit onszelf treden, weten wat een ander ziet van dit universum dat
niet hetzelfde is als het onze... Dankzij de kunst zien wij, in plaats van één te zien,
de onze, een veelvoud aan werelden, en zoveel oorspronkelijke kunstenaars als er
zijn, zoveel werelden hebben wij tot onze beschikking.’
Nog steeds kwam de krant en soms zag ik ook ’s avonds het Journaal, maar
al te scherp was ik mij bewust geworden van de kloof tussen enerzijds wat en
wie volgens de media belangrijk zijn, en anderzijds de kennis die de literatuur,
de muziek, de wereld van De Toverberg en de gesprekken van Socrates (in wie ik
ondertussen mijn ware filosoof had ontdekt) mij boden.
In Oorlog en vrede beschrijft Tolstoj hoe op het slagveld van Austerlitz de
zwaargewonde vorst Andrej Bolkonski keizer Napoleon ontmoet. En terwijl de
oppermachtige wereldveroveraar zich over de bloedende man buigt en hem voor
dood aanziet, weet de gewonde dat hij zal gaan sterven. Hij ziet boven hem de
hoge hemel en de voorbij ijlende wolken zoals hij die nog nooit heeft bekeken
en in zijn ziel sijpelt het bewustzijn dat alles wat hij in zijn leven als heel belangrijk heeft beschouwd, ijdel en bedrog is in vergelijking met de oneindige hemel,
en dat niet wat hij begreep maar alles wat onbegrijpelijk is, groots is. En de man
die nu letterlijk boven hem staat en die ooit zijn held en idool was, is nu een
geheel onbeduidend mannetje met zijn kleinzielige ijdelheid en zijn vreugde om
de overwinning.
In het aangezicht van de dood, in het aangezicht van al wat het leven onbegrijpelijk maakt omdat op die vragen nimmer een definitief antwoord kan komen, is
al wat slechts tijdelijk, feitelijk, werelds is, van weinig waarde. Wat is een krant in
vergelijking met een literair meesterwerk? Wat is politiek vergeleken bij de wereld
xii
van de geest? Wat is een vergadering in vergelijking met een opera? In Tolstojs
epos las ik de bevestiging van het gelijk van Proust: het ware leven is de literatuur. En dat gelijk zag ik ook als een rechtvaardiging van mijn eigen bestaan, het
leven op een toverberg; apolitiek en maatschappelijk volstrekt onnuttig; gewijd
aan de tijdloze vragen en zorgen. Tegelijk begon door deze lectuur iets duidelijk
te worden over de betekenis van een begrip dat centraal staat in het oeuvre van
Mann en in mijn eigen leven steeds belangrijker werd: cultuur.
In zijn Tusculanae Disputationes introduceert Cicero het woord in een vergelijking tussen de akker die gecultiveerd moet worden, wil zij vrucht dragen en de
menselijke ziel die evenzeer gecultiveerd moet worden, wil zij tot bloei komen:
cultura animi philosophia est — filosofie is de cultivering van de ziel. In het uur van
zijn dood, tijdens het laatste gesprek dat Socrates met zijn vriend Phaedrus voert
voordat hij de gifbeker moet drinken, vertelt hij zijn vriend dat de echte filosofie, dat wat hij een leven lang heeft willen betrachten, niets anders is dan een
oefening in sterven. Het is de ontwikkeling van het vermogen om onderscheid
te maken tussen wat waar is en wat waarde heeft, en al wat dat niet is. De dood is
de maat, in de confrontatie met deze macht vindt het oordeel plaats. Al wat blijft
doordat het sterker is dan de dood, is waar. Alles wat tegenover de dood geen
blijvende waarde heeft, is betekenisloos. Dit inzicht helpt ons te oefenen in het
eigen maken van wat werkelijk belangrijk en betekenisvol is: waarheid, wijsheid,
rechtvaardigheid, zelfbeheersing en de dapperheid die we nodig hebben om ons
deze kwaliteiten te verwerven. Dit is de ware cultivering van de ziel, zo zal zij
onsterfelijk zijn.
Alle cultuurgeschiedenis is een echo. Het verhaal van Castorp — de geschiedenis van de cultivering van zijn ziel; zijn oefening in het leren maken van onderscheid, en de droom waarin hij ziet dat de liefde tegenover de dood staat, en niet
de rede omdat alleen de liefde sterker is is zo een echo van Socrates’ levensles.
Dezelfde echo klinkt ook door in de ontmoeting van Dante met zijn leermeester
Brunetto Latini die hij in zijn Inferno prijst met de woorden:
Want in mijn herinnering is gegrift, en nu doorvlijmt het mijn hart
Dat dierbare, goede vaderlijke beeld
Van U, toen in de wereld van uur tot uur
Gij mij leerdet hoe de mens zichzelven vereeuwigt.
Ook deze woorden geven uitdrukking aan een klassiek humanistisch ideaal dat het
wezen van alle opvoeding identiek is met het wezen van de cultuur: gericht zijn
op, bijdrage aan, scheppen van dat wat blijft — opdat de mens zichzelf vereeuwige. Zelfs in Nietzsche, toen hij nog in Schopenhauer zijn opvoeder zag, klinkt
deze nagalm als hij schrijft dat de mens tot mens moet worden opgevoed.
vi
Onvermijdelijk werd Thomas Mann mijn opvoeder, zijn werk mijn ‘Pädagogische Provinz’. Hij is mijn intellectuele, morele en esthetische maatstaf geworden.
xiii
Dankzij zijn werk maakte ik kennis met de Europese geest en als men in die tijd
mij had gevraagd wat Europa is, dan had ik geantwoord: De Toverberg van Thomas Mann. Dat acht ik overigens nog steeds een valide antwoord, ofschoon ik
mij ervan bewust ben dat nu nog minder mensen dit antwoord zullen begrijpen,
net zo min als dat ze kunnen begrijpen wat de Tsjechische filosoof Jan Patocka
ˆ
bedoelde toen hij schreef, onder andere verwijzend naar Manns roman, dat ‘Europa
geboren is uit zorg om de ziel’.
Thomas Mann leerde mij dat het wezen van religie weinig met kerken en
dogmatische leerstellingen te maken heeft, maar alles met het besef dat de mens
zichzelf een geheim is en altijd zo zal blijven. Dat de mens een religieus wezen is,
omdat ondanks zijn vergankelijke natuur hem de geest, het absolute gegeven is:
wij weten van waarheid, gerechtigheid, goedheid, vrijheid, eeuwigheid. Dankzij Mann ging ik de kunst bevragen op haar mogelijkheden en de kunstenaar en
intellectueel op zijn verantwoordelijkheden. Zo ging ik mij verdiepen in wat met
het schrijven van De Toverberg het grote thema in het oeuvre van Thomas Mann
is geworden: ‘das Problem der Humanität’ — wat is de mens en
^ hoe bewaart hij
zijn menswaardigheid? Het antwoord dat Mann op deze vraag uiteindelijk formuleerde, vond ik des te geloofwaardiger omdat hij niet zonder innerlijke strijd
en het herzien van oorspronkelijke overtuigingen tot het inzicht was gekomen
dat alleen een humanisme waarin de mens de maat is en niet een systeem, waarin
geen bovennatuurlijke antwoorden worden verwacht maar de mens zichzelf verantwoordelijk weet, dat alleen deze levensvisie de mens zou kunnen beschermen
tegen de macht van de veelkoppige draak die de mens zijn waardigheid, waarheid
en vrijheid steeds weer wil ontnemen. Het Europees humanisme waar Mann zijn
leven aan zou wijden, is geen filologie en heeft evenmin met wetenschappelijke
geleerdheid te maken. Het is primair de tegenhanger van elke vorm van fanatisme. Het is een levenshouding, een levensstemming verlangend naar gerechtigheid en vrijheid, het kent de hoffelijkheid van het hart en twijfel uit zorg om
de waarheid. In plaats van tegenstellingen zoekt het het midden tussen wereld
en geest, gemeenschap en individu, democratie en aristocratie, rede en geloof.
Dit humanisme weet van de tragiek en de dood, maar ook van de noodzaak tot
levenslange oefening in het verwerven van waarden die sterker zijn en blijven. Het
negeert de grote levensvragen niet, maar is zich ook bewust dat cultuur en politiek niet mogen worden gescheiden; want esthetiek, moraal en politiek horen alle
drie tot het domein van de humaniteit, en vormen gezamenlijk de totaliteit van
het menszijn. Dat je de krant wél moet lezen en de politiek niet mag negeren, is
een belangrijke les die Hans Castorp op het allerlaatst ook nog leert. Geestelijke
en morele vorming, de Europese cultuur en haar meesterwerken, blijven in het
humanisme van Mann van het allergrootste belang, juist omdat zij, tegen de tijd
en de machtshonger van de veelkoppige draak in, de mensen kan helpen mens te
worden. Dat wil zeggen: vrij en in waarheid te leven.
vii
Zes jaren van mijn toverbergtijd waren verstreken, mijn geliefde was afgestu-
xiv
deerd en het werd hoog tijd dat ik een besluit zou nemen wat te doen als ik mijn
studie had voltooid en mijn toverberg moest verlaten. Ik dacht minder extreem
over de academische wereld dan Nietzsche, al was het maar omdat ik ook van
mijn theologiestudie veel had geleerd. Wel werd mij echter vrij snel duidelijk dat
academie en wetenschap niet mijn leven konden zijn. Bij het woord specialisme
krijg ik het al benauwd en te dierbaar is mij mijn vrijheid en het eindeloze vergezicht van ‘de wereld van Thomas Mann’. Nooit meer mijn vrijheid en intellectuele onafhankelijkheid opgeven en de intellectuele en morele traditie waarin
ik door Mann was opgevoed, het Europees humanisme, voortzetten. Zo wilde
ik verder leven. Hoe? Het enige wat ik kon verzinnen dat aan mijn wensen zou
voldoen, was het uitgeven van een tijdschrift. Ik was niet naïef, dat wil zeggen dat
ook ik voldoende de krant had gelezen om te begrijpen dat conform de algemene
mening dit Europees humanisme verdwenen is, verloren is en volgens velen zelfs
geen recht van bestaan meer heeft. Ik wist echter dat het niet verdwenen is, om
de doodeenvoudige reden dat het op mijn boekenplank staat, en zelfs dat is niet
meer dan de fractie van een fractie van het cultuurgoed waarin de idee en het
Europees humanisme hun neerslag hebben gevonden. En al is het verloren in die
zin dat het nu geen maatschappelijke rol meer speelt, daarmee is niet uitgesloten
dat het ooit weer present zal zijn, een taal die weer wordt gesproken, een renaissance. Waarom niet? De stelling dat het Europees humanisme na Auschwitz geen
recht van bestaan zou hebben, leek mij de ultieme vorm van intellectueel bedrog.
De veelkoppige draak die de mens zijn vrijheid en waardigheid ontnemen wil,
vaak met geweld en altijd met vernietiging, is werkelijk van alle tijden, en het
Europees humanisme is altijd een beschavingsideaal geweest dat door een kleine
minderheid werd gekoesterd en beoefend. Maar Socrates gaf nimmer op en was
bereid ervoor te sterven. Petrarca, Montaigne en Erasmus streden op hun manier
hun strijd. Goethe en Beethoven leefden voor dit ideaal. Thomas Mann wijdde
er tot aan zijn dood al zijn intellectuele krachten aan en zo ook Albert Camus,
Achmatova, Nadezjda Mandelstam en Joseph Brodsky — om slechts een paar
prominente namen te noemen. En zij waren het die mij hadden overtuigd dat de
enige mogelijkheid om allesvernietigend geweld niet opnieuw de kans te geven
zich als een uitgezaaide kanker in onze maatschappij te nestelen; de enige mogelijkheid om een beschavingsideaal te laten voortbestaan dienstbaar aan de vrijheid
en waardigheid van elke mens, werd geboden door de adel van de geest, de cultivering van de ziel; een wedergeboorte van het Europees humanisme.
Zonder geld en ervaring, maar met een plan en een overtuiging toog ik aan
het begin van het jaar 1988 naar de Keizersgracht te Amsterdam om aldaar Johan
Polak, oud-uitgever zoals hij zichzelf noemde, te ontmoeten. Polak zou ik niets
hoeven uit te leggen, hij wás het Europees humanisme. Hij had naast poëzie en
een imposante collectie werken uit de klassieke oudheid het werk uitgegeven van
onder anderen Broch, Musil, Kafka, Döblin, Nabokov, Gombrowicz. Hij was de
uitgever van en bevriend met George Steiner, Marguerite Yourcenar, Max Brod,
Elias Canetti. Hij was befaamd om zijn homoseksualiteit, jood-zijn en tegen deze
tijd zijn. Zijn Athenaeum Boekhandel op het Spui in Amsterdam en zijn biblio-
xv
theek moesten net als de uitgeverij dát laten voortbestaan wat Hitler had willen
vernietigen: de Europese cultuur. Aan Polak mijn vraag: als ik nu een tijdschrift
begin, niet specialistisch maar cultuurfilosofisch, niet met artikelen maar met essays,
in de Nederlandse taal maar internationaal, niet met antwoorden maar met vragen, wil jij mij dan helpen?
Het werd het begin van vele middagen in dat grote stille huis waarin wij gezeten voor de ingetogen pracht van zijn boekenwand bespraken wat Nexus zou
moeten zijn. Een tijdschrift met het oog op deze tijd, maar niet van deze tijd;
maatschappelijk relevant maar niet politiek; ruimte voor de religieuze en filosofische vragen, maar geen tijdschrift voor religie of filosofie; intellectuele kwaliteit
maar toegankelijk. We spraken ook over het waarom, de rechtvaardiging van het
bestaan van Nexus. Waarom was het Europees humanisme verloren gegaan? Wat
zijn de premissen van onze tijd? Welke waarden worden gekoesterd en waarom?
Wat is nu ‘das Problem der Humanität’? Wat zou de toekomst van Europa zijn
zonder de Europese geest? Was er een geloofwaardig antwoord op Nietzsches
‘Kultur-Herbst-Gefühl’? Op een of andere wijze zouden ook deze onderwerpen
aan de orde moeten komen, naast de bij wijze van spreken duizend vragen die ik in
mijn hoofd had: waarom is de liefde sterker dan de dood, zoals Castorp gedroomd
had? Wat is nu nog de relevantie van het ouderwetse woord kosmopolitisme? Wat
is de relatie tussen cultuur en democratie? Waarom wordt er zo weinig in kunst
en cultuur geïnvesteerd? Wat wordt er geleerd en wat zouden we moeten leren?
Waarom is de sociaal-democratie voor de grote maatschappelijke problemen niet
langer een baken van hoop en is zoveel politiek conservatisme een veredelde vorm
van obscurantisme geworden? Hoe aan te tonen dat met alle problemen die mijn
tijd rijk is, er wellicht toch meer wijsheid in het verloren Europees humanisme
schuilt dan in wat politieke ideologieën, nieuwe technologieën, pseudo-filosofie
en religieuze charlatanerie te bieden hebben?
We maakten de klassieke fout. We hadden uitgerekend hoeveel een en ander
zou gaan kosten, plus een bescheiden toelage voor mij, en we gingen op zoek naar
geld. Hoe hadden we kunnen verwachten dat al wat rijk en machtig is, geïnteresseerd zou kunnen zijn in iets wat Europees, intellectueel en cultureel zou zijn?
Hoe hadden we kunnen verwachten dat een tijdschrift dat niet links of rechts,
niet religieus of anti-religieus; dat essayistisch en niet-wetenschappelijk zou zijn,
dat intellectueel onafhankelijk moet zijn, steun zou kunnen krijgen van een verzuilde, gepolitiseerde en verbureaucratiseerde wereld? Drie jaar lang was ons zoeken, schrijven en praten vruchteloos. Uiteindelijk realiseerde ik me dat als een
probleem te groot is om het in een keer in zijn totaliteit op te lossen, je het stap
voor stap moet doen. (College moraaltheologie van Joop Dijkman: ‘Dames en
Heren, geloof kan bergen verzetten, maar altijd schep voor schep.’ ) Belangrijker
dan het geld was eerst de uitgave van het tijdschrift zelf.
Mijn geliefde had een briljant idee en bracht mij in contact met een ex-priester die op de Universiteit van Tilburg een klein fonds beheerde voor culturele
en levensbeschouwelijke activiteiten. Frans Teunissen, zijn naam mag met ere
worden genoemd, nam het dappere besluit om met tweemaal vijfentwintigdui-
xvi
zend gulden (iets meer dan elfduizend euro) de eerste twee uitgaven van Nexus
te ondersteunen. Het zou met wat geluk net voldoende moeten zijn voor honoraria, vertaalkosten, druk- en verzendkosten, mailing etcetera. Hij wilde iets de
kans geven te bestaan; hij hoefde het niet te bezitten. Het was ware generositeit.
Een zeldzame eigenschap.
In november 1991 verscheen de eerste uitgave. De respons was welwillend,
bemoedigend, maar ook afwachtend. Het jaar daarop, 1992, zou ik na tien jaar
toverbergtijd eindelijk afstuderen. Ondertussen wilde ik proberen met de abonnementsgelden nog twee nieuwe uitgaven van Nexus uit te brengen, in de hoop
dat na beëindiging van mijn studie er iets zou gebeuren, er ergens toch geld vandaan zou komen en Nexus levensvatbaar zou blijken.
Het jaar 1992 was nog geen drie weken oud of mijn oudere broer, die als eerste een abonnement had genomen, stierf geheel onverwachts. En nog maar net
was in het voorjaar het tweede nummer van Nexus gepubliceerd of Johan Polak
stierf, eveneens geheel onverwachts. Het derde nummer verscheen in het najaar.
Ik mocht mijn cum laude in ontvangst nemen. Drie weken later viel mijn geliefde,
mijn echtgenote geworden, ook al geheel onverwachts in de armen van de engel
des doods. Het was november en de dagen waren te bewolkt om de zon te zien
ondergaan. Ik zorgde voor de verzending van de zojuist verschenen vierde uitgave en pakte mijn boeken in verhuisdozen. Mijn leerjaren waren voorbij. Net
als Hans Castorp was ik dertig toen ik de toverberg achter mij liet.
viii
Kunst, zo wist Proust, laat ons andere werelden zien; maar de dood, zo ervoer op
het slagveld de gewonde Andrej Bolkonski, laat ons de wereld anders zien. Wat
belangrijk leek, is dat opeens niet meer, en wat je eerst niet kon zien, zie je nu wel.
Niet alleen je werkelijkheid verandert, ook woorden nemen een andere gedaante
aan. Ontdaan van alle franje tonen zij hun naaktheid, dat wat zij zijn. Opeens zie
je wat ‘vriendschap’ werkelijk betekent, wat het is en wat het niet is; wat ‘troost’
is en wat dat niet is; wat ‘geluk’ is en wat dat niet is. Tal van woorden — eenzaamheid, verlangen, geloof, dood, tijd, hoop, leven — onthullen hun betekenis
en raken je op een wijze die je niet eerder zo hebt ervaren.
En met de woorden komen de vragen. De al te menselijke en meest universele
vragen omdat ieder mens die zich ooit moet stellen, maar waarop ieder een eigen
antwoord moet geven. De vragen waren voor mij niet nieuw. Op mijn toverberg,
geschoold in het Europees humanisme van Socrates tot Thomas Mann, was ik met
weinig anders bezig geweest dan met de grote vragen van het menselijk bestaan.
Wonderlijk was echter de gewaarwording dat vragen die hoorden bij de studie
van een beschavingsideaal — en als zodanig toch een zekere intellectuele abstractie hebbend — nu mijn vragen waren geworden waarvan het antwoord concrete
gevolgen zou hebben voor mijn leven en de keuzen die ik moest maken. Het
onderwerp waar Mann een leven en een oeuvre aan had gewijd, ‘das Problem der
Humanität’, bleek letterlijk identiek met de vraag van Socrates die onvermijdelijk
mijn grootste vraag was geworden: wat is eigenlijk de mens? — dat wil zeggen:
xvii
wie ben ik en wat maakt het bestaan alle pijn en moeite waard?
Het begon mij te dagen dat deze identiteit uiteraard altijd heeft bestaan en dat al
mijn intellectuele helden — Socrates, Petrarca, Goethe, Nietzsche, Mann — niets
anders hebben gedaan, moesten doen, dan de ideeën, waarden en idealen waarin
zij geloofden, aan de hand van hun eigen bestaan op geloofwaardigheid en waarheid toetsen: wat heeft waarde? Wat blijft? Wat is waar? Wat heeft betekenis? Ik
begon ook te begrijpen dat het Europees humanisme als traditie alleen maar zou
kunnen blijven bestaan als het fundamenteel iets anders zou zijn dan wat Nietzsche en Tolstoj kwalificeerden als ‘grammatica van dode talen’.
Obsolete universiteitsgeleerdheid, rationalisme, irrelevant classicisme, dat was
het humanisme dat Mann aantrof, en hij moest via Goethe opnieuw ontdekken
hoe het humanisme als een geestelijk en moreel ideaal een antwoord kan bieden
op de grote vragen: wat is de juiste wijze van leven? Wat is een goede maatschappij? In zijn indrukwekkende essay uit 1921 over Goethe und Tolstoj. Fragmente zum
Problem der Humanität — een tekst die zich als niets anders laat lezen dan hoe en
waarom Mann zich bekent tot het Europees humanisme — schrijft hij aan het slot:
‘Die Frage ist heute gestellt, ob die mediterran-klassisch-humanistische Überlieferung eine Menschheitssache und darum menschlich-ewig oder ob es nur Geistesform und Zubehör einer Epoche, nämlich der bürgerlich-liberale, war und
mit ihr sterben kann.’ Hij moest deze vraag stellen — en ook zelf beantwoorden.
Indien het Europees humanisme niets anders was dan een cultuur gebonden aan
de wereld van gisteren — met decoratieve bibliotheken en kamermuziek, maar
ook seksuele repressie, klasseonderscheid, structurele armoede, antisemitisme en
andere vormen van racisme — dan werd het tijd om vooruit te denken. Was daarentegen het Europees humanisme een uitdrukking van tijdloze, universele waarden, een beschavingsideaal met eeuwigheidswaarde omdat het de mens zijn ware
vrijheid en waardigheid schenkt, dan mocht het niet verdwijnen en verloren gaan
op straffe van nog meer tomeloos geweld dan de zojuist voorbije wereldoorlog
reeds had laten zien. Het is oktober 1921 en Thomas Mann hervat het schrijven
van zijn De Toverberg waarin hij als zesenveertigjarige verteller van het verhaal
moet kiezen wat Hans Castorp, trouwhartig zorgenkind des levens, zal leren. En
in de mate dat zijn manuscript groeit, groeit ook zijn overtuiging dat het Europees humanisme het wezen van onze beschaving is en moet blijven.
‘En hier, mijn beste Glauco, staan we dan blijkbaar ook op hét kritische punt
van ons leven. Daarom ook komt het ervoor ieder van ons op aan, bovenal hiervoor te zorgen: dat wij ons, met terzijdestelling van alle andere studievakken, uitsluitend toeleggen op het nastreven en aanleren van deze kennis: “Hoe slaag ik
erin om ergens te weten te komen en te ontdekken, wie me het vermogen en de
kennis meedeelt om goed leven van een slecht leven te onderscheiden en, naar
vermogen, altijd en overal, het beste te kiezen?”’
Nietzsche ontkende, Thomas Mann bevestigde dat het Europees humanisme
mij de kennis zou bieden die ik, op een kritiek punt in mijn leven, volgens Socrates
moest zoeken. Hoe? Door niets anders te doen dan wat al mijn leermeesters in
navolging van mijn ware filosoof hadden gedaan: zelfonderzoek. Alleen door
xviii
opnieuw te beginnen en vanaf nu de waarden en ideeën van een verloren, maar
in de boeken uit mijn toverbergtijd hervonden beschavingsideaal te toetsen aan
mijn eigen wereld en bestaan — en Socrates zou hier precisie eisen en het woord
‘ziel’ toevoegen — alleen zo zou ik te weten kunnen komen of het Europees
humanisme voor mij eeuwigheidswaarde heeft en dus levensvatbaar is ten aanzien
van al mijn vragen over menselijk bestaan en wereld. Socrates, zo ervoer ik, had
wederom gelijk: ‘Er bestaat voor een mens geen groter goed dan elke dag opnieuw
van gedachten te wisselen over rechtschapenheid en al die andere onderwerpen
waar u mij over hoort spreken en waarom ik mijzelf en anderen vragen stel. Een
leven zonder zelfonderzoek is geen leven voor een mens.’
In de oudste sporen van de menselijke geest, in mythen als die van Orfeus,
Odysseus, Parsifal, wordt al verhaald over het leven als een queeste. De lotgevallen
van Goethes Wilhelm Meister, de zoektocht van Proust en de geschiedenis van
Hans Castorp zijn opnieuw niets anders dan echo’s. Wat zij zoeken, is evident.
Euridyce, Ithaca, de graal, de verloren paradijzen, de droom in de sneeuw van
Hans Castorp, het zijn evenzovele symbolen voor niets anders dan: leven. Op de
meest simpele en ontroerende wijze beschrijft Goethe in een scène van Wilhelm
Meister het doel van het menselijk bestaan: Nathalie, de vriendin van Wilhelm,
plukt bloemen om die met Wilhelm te leggen bij het grafmonument van haar
geliefde oom, en in het marmer staat gebeiteld: Gedenke zu leben. Welbeschouwd
is ook Socrates’ idee over filosofie als een oefening in het leren sterven in feite
een oefening in leren leven. Leven — dat is de maat waarmee ik zowel het Europees humanisme als mijn eigen tijd, al wat ik zou tegenkomen aan ideeën, idealen,
waarden, waarheid, werken en inzichten zou meten. Want alleen dat kan waar
zijn als het betekenis heeft, iets te zeggen heeft, en dus leefde. Alleen wat levend
is spreekt, alles wat dood is zwijgt. Dat verschil was mij ondertussen wel bekend.
En alles wat achterhaald, verouderd of niets anders is dan loze pretentie, schone
schijn, nietszeggend en onwaar, daarvoor geldt Goethes dictum:
Entzieht euch dem verstorbenen Zeug
Lebend’ges laßt uns lieben!
Zag ik de rechtvaardiging voor Nexus aanvankelijk uitsluitend in ‘cultuuroverdracht’, nu transformeerde die rechtvaardiging naar de noodzaak en zoektocht
naar de relevantie en levensvatbaarheid van het Europees humanisme als beschavingsideaal. Zowel om de intellectuele onafhankelijkheid te garanderen als ook
indachtig de wijze raad van John Stuart Mill in On Liberty dat een idee alleen dan
betrouwbaar is als geluisterd is naar mensen van allerlei opvatting, moest het tijdschrift ruimte gaan bieden aan een diversiteit van internationale intellectuele geluiden, die antwoord moeten geven op de enige vraag die ik in eindeloze variaties
op een oneindig aantal grote vragen en onderwerpen zou gaan stellen: wat is nu
de betekenis van...? Cultuurfilosofie is niets anders dan deze vraag stellen.
ix
Ik heb veel geluk gehad. Vrienden lieten mij niet alleen. Als een regenboog na
xix
onweer is de vriendschap, die mij de lichtheid schenkt die voorkomt dat de zwaarte
mij verlamt en ik de energie niet meer kan opbrengen voor wat ik nu, naar mijn
diepste overtuiging, voor alles moet doen: Nexus, zo verbonden met hen die er
niet meer zijn, laten voortbestaan. Op een zomerse dag geeft zij mij een bos zonnebloemen en zegt: ‘Zo vergeet je niet om ook van het leven te genieten.’ Glimlachend bedacht ik dat je gelukkig geen intellectueel hoeft te zijn en Goethes
Wilhelm Meister moet hebben gelezen om iets van het leven te begrijpen. Een liefdevol hart volstaat.
Intuïtief wist ik al na de tweede uitgave medio 1992 dat een cultuurfilosofisch tijdschrift van internationale allure dat én onafhankelijk is én mij iets van een
bestaanszekerheid moet geven, te weinig kans van slagen heeft. Ik bedacht dat
wanneer ik het tijdschrift niet langer als een doel maar meer als een middel zag,
een vorm waarnaast andere vormen kunnen bestaan die hetzelfde idee dienen, als
ik kortom een internationaal cultuurfilosofisch instituut zou oprichten dat ook
publiekslezingen en -conferenties ging organiseren, dan, zo wist ik zeker, zouden
de kansen om Nexus te laten voortbestaan aanzienlijk groter zijn.
Ik kreeg hulp. Invloedrijke hoogleraren als Marc Groenhuijsen, Hugo Verdaasdonk, Arie Kapteyn, Rick van der Ploeg en Jaap Goedegebuure beginnen een
lobby om de Universiteit van Tilburg te overtuigen dat een onafhankelijk intellectueel instituut, dat weliswaar nooit van de universiteit zou zijn maar waar zij
wel mee geassocieerd zou worden, goed voor Tilburg is. Zij krijgen weer steun
van prominente leden van de universiteitsraad, zoals oud-vakbondsman Herman
Bode, Hugo Backx, Christa Thoolen en oud-collegevoorzitter Piet Verheyen.
De afspraak wordt dat als de eerste Nexus-lezing, die Edward Said zou verzorgen, een succes zou zijn, de universiteit voor een periode van maximaal vijf jaar
het instituut financieel zou steunen. Het bedrag was weliswaar substantieel, maar
verregaand onvoldoende voor de volledige financiering. In het kader van mijn
stap-voor-stap-strategie zou het echter opnieuw een belangrijke stap vooruit zijn.
Er moest een bestuur worden geformeerd en ik mocht me gelukkig prijzen dat
een briljant bestuurder als Marc Groenhuijsen met mij het ongewisse tegemoet
durfde te treden. Truze Lodder, de econoom Arie Kapteyn en Job van Dooren
treden toe tot het bestuur om actiever te kunnen helpen. De nieuwe bewoner van
Keizersgracht 608, het monumentale pand van wijlen Johan Polak, is Klaas Meertens, firmant van McKinsey, en hij komt met het idee om een Raad van Advies
te formeren en weet daarvoor Tom de Swaan, Victor Halberstadt en Philip van
Tijn te interesseren. Bert Meerstadt, toen nog werkzaam in de reclamewereld,
helpt mij met het helder formuleren van doel en missie van het instituut, belangrijk mede in verband met marketing en fondsenwerving. Maar drie maal per jaar
een tijdschrift in boekvorm publiceren, een publieke lezing organiseren (zonder
geld, zonder ervaring), een instituut oprichten dat internationale conferenties moet
gaan organiseren — het begon allemaal wat veel te worden, ofschoon alles even
noodzakelijk is om te slagen in mijn voornemen Nexus een toekomst te geven.
Hugo Verdaasdonk en een vriendin aan wie ik raad had gevraagd, geven beiden
hoog op van een intelligente jonge vrouw die naar de stellige overtuiging van
xx
Verdaasdonk — en Hugo kon erg stellig zijn, temeer nu zij bij hem was afgestudeerd — ‘alles kan’. Haar naam: Kirsten Walgreen. Omdat het iets over mensen
zegt of ze lezen en wat ze lezen, vraag ik bij onze kennismaking wat het mooiste
boek is dat ze tot nu toe heeft gelezen. Haar antwoord: ‘Thomas Mann, De Toverberg.’ Soms klopt alles in het leven. Zij wordt het Instituut, ik blijf Nexus en onze
levens vloeien samen in het Nexus Instituut. Ik mag weer wij zijn.
Het is de zomer van 1994 en we gaan samen aan de slag voor de eerste lezing
die eind september zal plaatsvinden. Joop van Tijn van Vrij Nederland biedt publicitaire en financiële hulp. Said komt op televisie met een vermelding van het
Nexus Instituut dankzij Michel Krielaars (Nova) en Michaël Zeeman (voor de
v p r o). Eind september zijn er tal van hele goede redenen om te spreken van een
beloftevol succes. We staan echter pas aan het begin en met name het structurele
financiële probleem is een bron van constante zorg en spanning. Er komt meer
hulp. Eind december belt onverwachts Ruud Lubbers. Via via heeft hij gehoord
van het Nexus Instituut en nu hij niet langer minister-president is, heeft hij iets
meer tijd en hij biedt zijn steun aan. We zullen hem leren kennen als een ware
vriend. Jan Riezenkamp (o c & w), Gerhard Hauser (gemeente Tilburg) en Philip van Tijn (k p n) maken het financieel mogelijk dat we in mei 1996 de eerste
Nexus-conferentie kunnen organiseren. Sprekers zijn onder andere Michael Ignatieff, György Konrád, Avishai Margalit, Ian Buruma, Peter Sellars, Allan Janik, Eva
Hoffman. Ondanks deze successen blijft de relatie met de Universiteit van Tilburg erg moeizaam en ons publiek komt weliswaar in groten getale, maar slechts
een fractie daarvan — in feite niet meer dan de mensen die ons vol enthousiasme
steunen — is van de Tilburgse universiteit. Leden van de redactieadviesraad, zoals
de altijd dappere en felle joodse historica Rena Fuks; de bedaarde, erudiete en te
vroeg overleden Wim Bronzwaer; de altijd betrokken germaniste Jattie Enklaar
met wie ik mijn liefde voor de Duitse cultuur deel, bieden aan om te helpen het
Nexus Instituut onder te brengen bij respectievelijk de universiteit van Amsterdam, Nijmegen of Utrecht. Vooralsnog lijkt me de tijd niet rijp voor drastische
veranderingen. Tegelijkertijd begint in bredere kring in Nederland duidelijk te
worden dat het Nexus Instituut Nederland als het gaat om intellectuele reflectie, iets bijzonders kan bieden. Cees Nooteboom neemt eeen abonnement en
stuurt bemoedigende kaartjes met tips voor goede auteurs. Martijn Sanders, Pierre
Audi, Dragan Klaic, Otto von der Gablentz, Ronald de Leeuw, Hermann von
der Dunk versterken de Raad van Advies. Wim van den Goorbergh zorgt ervoor
dat de Rabobank onze conferenties financieel gaat ondersteunen. Andere kleine
fondsen en een enkele particulier helpen ons ook van ijsschots naar ijsschots te
springen. Maar lang kun je dit niet volhouden. Ruud Lubbers zag het met toenemende zorg aan en neemt het initiatief voor een beraad op zijn oude ministerie
van Algemene Zaken. Dankzij Ad Geelhoed, toen secretaris-generaal a z, kunnen we terecht in de Portrettenzaal, naast de Trèveszaal. Daar zijn we met leden
van de Raad van Advies en nemen Ad Geelhoed, Herman Tjeenk Willink en
Yvonne van Rooy het initiatief om de Tweede Kamer in april 1998 een motie te
laten aannemen waarin de staatssecretaris wordt opgeroepen het Nexus Instituut
xxi
te steunen. Met een overgrote meerderheid wordt de motie aangenomen, maar
de financiële steun die wordt geboden blijkt van zeer tijdelijke aard. Als in het
jaar 2000 wederom het allemaal heel moeizaam is om subsidie te verwerven, en
ik ondertussen meer bekend ben met de machinaties inzake geldverdeling in de
culturele sector, ventileer ik in kleine kring mijn vermoeden dat het in 2004 wel
eens afgelopen kan zijn met de subsidie. Mede anticiperend op dat feit bedenk
ik het plan om het Nederlandse e u-voorzitterschap in de tweede helft van 2004
onder andere te benutten voor een politiek-filosofische discussie over het Europese beschavingsideaal en de betekenis daarvan voor de Europese identiteit en de
Europese politiek. Het zou een belangrijk politiek signaal van het Nederlandse
voorzitterschap kunnen zijn. In mijn achterhoofd de gedachte dat in 2004 het
Nexus Instituut tien jaar bestaat en dat met de organisatie van zo een project duidelijk zou moeten zijn dat het Nexus Instituut structurele financiële ondersteuning waard is. Zou dat uitblijven, zo hadden Kirsten en ik besloten, dan zou het
tijd worden om iets anders met ons leven te gaan doen. Nog tien jaar doorgaan
op de wijze waarop we nu voortdurend met kunst- en vliegwerk het instituut
overeind moesten houden, was voor ons geen optie.
Mijn plan is om een internationale reeks conferenties te organiseren en met
de titel die ik aan het project geef, wordt het onderwerp samengevat: Europe.
A Beautiful Idea? Werkconferenties zouden plaatsvinden in Warschau, Berlijn,
Washington en de afsluitende publieke slotconferentie in Rotterdam. Stap één is
de regering, in het bijzonder het ministerie van Buitenlandse Zaken te overtuigen van het politieke belang van ons project opdat het politiek wordt gesteund en
de nodige middelen worden vrijgemaakt. Rob Visser, Frits Bolkestein, Peter van
Walsum en Yvonne van Rooy — allen lid van de Raad van Advies — overtuigen
de toenmalige minister Jaap de Hoop Scheffer en diens staatssecretaris Atzo Nicolaï.
De directeur-generaal Europese Samenwerking, Tom de Bruijn, is ook geïnteresseerd. Maar het kabinet valt in januari 2003 en De Bruijn wordt ambassadeur bij
de Europese Commissie in Brussel. Het lot was ons echter opnieuw goedgezind.
Marnix Krop, een gepassioneerd sociaal-democratisch intellectueel met een grote
kennis van de Europese cultuur, wordt de nieuwe directeur-generaal Europese
Samenwerking. Zonder Krop, die als hoogst verantwoordelijke ambtenaar wel
het risico aandurft om als een formeel onderdeel van het e u-voorzitterschap het
Nexus Instituut een internationaal politiek-intellectueel debat over het geestelijk
fundament van de Europese Unie te laten organiseren, zou de conferentiereeks
nooit hebben plaatsgevonden. Beslissend is ook de onverwachte steun van Rob
Swartbol, een raadsadviseur van de minister-president met een zesde zintuig voor
kwaliteit en nooit bang om ongebaande paden te betreden. De minister-president
overwint op voorspraak van Swartbol een aanvankelijke aarzeling en ontpopt zich
vervolgens tot een van de beste ambassadeurs voor dit internationale project, waarin
hij zich zowel als politicus als intellectueel thuis voelt. Hetzelfde enthousiasme
tonen Frits Bolkestein, Atzo Nicolaï, Piet Hein Donner en Laurens Jan Brinkhorst.
De Europese Commissie ondersteunt het project en zorgt voor verdere dekking
van de begroting. Maar de e u is de e u en dat geld kan weer niet worden besteed
xxii
aan de geplande conferentie in Washington d c op de Library of Congress. Joost
Kuiper van de a b n a m r o is zo genereus om die conferentie te sponsoren. Maar
al met al is het juni 2004 voordat Kirsten en ik pas echt kunnen beginnen met de
organisatie van vijf conferenties (er kwam ook nog een openingsconferentie in
de Ridderzaal bij) op twee continenten, in vier landen, vijf steden en met bijna
tweehonderd deelnemers uit alle delen van de wereld.
Het onmogelijke werd niet alleen mogelijk maar ook een indrukwekkend
succes. Hoe? Essentieel was het feit dat Kirsten en ik geen keuze hadden en dus
ook geen twijfels. Wat hielp was de betrokkenheid en het enthousiasme van de
velen die deelnamen. Maar cruciaal was dat binnen het hele kleine organisatieteam — naast Kirsten en mijzelf waren dat Marnix Krop, Willem van Hasselt,
Daan Huisinga en Delphine Pronk van het ministerie van Buitenlandse Zaken,
Rob Swartbol en Ellen van Doorne van het Kabinet van de minister-president
— ondanks soms begrijpelijke verschillen van inzichten de onderlinge solidariteit
en het gevoel van een gezamenlijke verantwoordelijkheid groot waren en er een
groeiende vriendschap overheerste.
Onvergetelijk wordt de slotconferentie in Rotterdam. Meer dan duizend
man publiek komt in alle vroegte op zaterdag 4 december 2004 naar de Van
Nelle Fabriek in Rotterdam. De dichter Adam Zagajewski verwijst in zijn openingslezing naar het beroemde essay van Milan Kundera, De tragedie van Midden
Europa, met daarin de vraag: ‘Waarop is de Europese eenheid eigenlijk gebaseerd?
In de middeleeuwen was dat gemeenschappelijk geloof, maar religie heeft het
toneel verlaten. Cultuur als expressie van de hoogste waarden kwam er voor in
de plaats, maar ondertussen heeft ook de cultuur het veld moeten ruimen. Maar
waartoe en voor wie? Welk rijk van hoogste waarden zal in staat zijn Europa te
verenigen? Technische prestaties? De markt? De massamedia? Zal de grote dichter worden vervangen door de grote journalist? Of door de politiek? Maar welke
politiek dan, die van links of van rechts? Bestaat er nog steeds een waarneembaar
gemeenschappelijk ideaal dat uitstijgt boven het manicheïsme van links en rechts
dat even stompzinnig als onoverkomelijk is? Zal dit het principe van de tolerantie
zijn, respect voor de overtuigingen en ideeën van anderen? Maar zal deze tolerantie niet hol en zinloos blijken als ze niet langer een rijke creativiteit of sterke
verzameling ideeën beschermt? Ik weet het niet...’ In de daaropvolgende paneldiscussie blijkt het nota bene de moslim en Syrische intellectueel Bassam Tibi te
zijn die met oprechte hartstocht nog gelooft in de idee Europa en de betekenis
van de Europese cultuur. Vervolgens het woord aan een vrouw die Kirsten en
ik hadden uitgenodigd omdat zij voor ons een incarnatie van de Europese geest
is: Jacqueline de Romilly. Daar zit ze, alleen achter de grote tafel. Muisstil is de
zaal als de hoogbejaarde vrouw begint te spreken over Latijn en Grieks als levende
talen, de tijdloze kennis van de klassieken, de Grieken die zich bewust zijn van
de menselijke tragedie maar ook van de menselijke waardigheid.
Tussen de sessies door de korte maar zo veelzeggende filmpjes van Jos de Putter. Filmpje één: acht blanke meisjes van een vwo in Wassenaar over Europa. Acht
minuten pijnlijke illustratie van zoveel onwetendheid, zelfs onbenul. In gemoede
xxiii
vraag je je af of die kinderen, volgend jaar studenten, überhaupt wel iets leren op
school. Filmpje twee: acht allochtone meisjes. v m b o, maar wat een gevoel voor
voornaamheid, wat een bewustzijn, nu al, van wat echt belangrijk zal zijn in het
leven. Wat zouden deze kinderen wel niet kunnen bereiken als zij de kansen kregen die zo schaamteloos door de Wassenaarse meisjes worden vergooid.
Debat over de universiteit en culturele kennis met onder andere de Poolse
historicus Adam Zamoyski en de Hongaarse dirigent Ivan Fischer. Lunch. Optreden Schönberg Ensemble. Daarna filosofisch gesprek onder leiding van Marjolijn
Februari tussen Tzvetan Todorov, Michael Sandel, Tom Pangle en Peter Pulzer
over waar nu nog wel en niet de Europese eenheid uit kan bestaan. Koffiepauze.
De hectiek van het slotdebat briljant geleid door Michael Ignatieff met de oude,
wijze Fritz Stern, Mario Vargas Llosa, Prins Hassan van Jordanië, José Manuel
Barroso, de Bundeskanzler van Oostenrijk Wolfgang Schüssel en Jan Peter Balkenende. Barroso onderstreept dat de e u ook een culturele identiteit moet hebben (‘culture comes first.... We still remember Mozart but have no idea about the
politicians of his time...’), Schüssel vindt ‘een beetje meer populisme een goed
idee om de kloof tussen burger en politieke klasse te dichten’. Vargas Llosa waarschuwt: ‘Ik kom uit Zuid-Amerika, ik weet wat populisme is, ik heb moeten
ervaren hoe het de economie vernietigt, hoe het de democratie vernietigt, hoe
het de maatschappij ontwricht. Ik kan u vertellen: een beetje populisme is evenzeer onmogelijk als een beetje zwanger zijn.’
Als dit slotdebat is afgelopen, is het aan mij om als afsluiting Realising the Idea of
Europe. Ten Conclusions for the Political Leaders of the European Union voor te lezen.
Twee weken later zullen in een Engelstalig rapport deze conclusies van onze
werkconferenties, plus de door Willem van Hasselt en Daan Huisinga geschreven samenvattingen van de bijeenkomsten, door de minister-president aan zijn
collega’s in de Europese Raad worden aangeboden. Een belangrijk document,
een wegwijzer naar het hervinden van de Europese identiteit, dat voor uitvoering geduldig zal moeten wachten op de politieke moed en het staatsmanschap
die daartoe vereist zijn.
’s Avonds zendt het n o s Journaal een item uit over ‘Europese conferentie
in Rotterdam over normen en waarden.’ Massamedia: is men daar doof, blind, of
gewoon ontstellend dom?
Evident is dat we meer dan ooit ons bestaansrecht hebben bewezen en niemand minder dan de minister-president en Hein van Oorschot, de nieuwe voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Tilburg, garanderen
onze bestaanszekerheid.
Voor mij is belangrijk dat we die bestaanszekerheid konden verwerven dankzij de steun van een almaar groter wordende groep mensen, in Nederland en
daarbuiten, waarin letterlijk de meest diverse overtuigingen en gezindten vertegenwoordigd zijn. Eindelijk is het Nexus Instituut geworden wat het moet zijn:
onafhankelijk, verheven boven tegenstellingen, Europese geest. Eindelijk kunnen we de personele basis van het instituut verbreden en zo ook minder kwetsbaar zijn. Eindelijk niet langer die voortdurende spanning over het voortbestaan.
xxiv
Maar bovenal, na twaalf jaren is mijn belofte aan drie dierbaren eindelijk ingelost:
ons tijdschrift Nexus blijft.
Ik kan terug gaan naar de plek die ik een half jaar lang het meest heb gemist,
mijn bibliotheek. Het wordt tijd om weer te gaan lezen, tijd om te gaan schrijven.
x
Elke lezer kent een ingeboren vrees voor vergetelheid. Je leest altijd met een potlood om die ene zin niet te vergeten. En je wilt schrijven om gedachten, ideeën
en ervaringen vast te houden, vorm te geven.
Voor de vragen die ik verzamelde en de kennis die ik zocht, waren boeken,
potlood, vulpen, schrijfpapier, stilte en tijd alles wat ik nodig had. Al aan het begin
van mijn studie, mijn toverbergtijd, was ik begonnen met het noteren van citaten, invallen, vragen, reflecties in zwartgebonden aantekenschriften. Aanvankelijk
zonder enig doel, later met het oog op nieuwe uitgaven van Nexus, ideeën voor
de conferenties, materiaal voor mijn lezingen of colleges. Ik begon te merken dat
het schrijven van fragmenten een vorm en een stijl was die ik met steeds meer
plezier cultiveerde, net zo als ik met liefde alles lees wat kort is: de brief, de dagboekaantekening, notities. De liefde voor de werken van Nietzsche heeft ook alles
met zijn schrijfstijl te maken. Ook mijn langere teksten blijven binnen de orbit van
alles wat ik schrijf: een essay, een proeve, kortom: een fragment.
Nu beschikt de kunst — en alleen de kunst — over de wonderlijke gave om
in woorden, beelden of klanken een spiegel te tonen die je doet uitroepen: dit ben
ik! Niet in de zin van Harry Potter, Superman, Hollywood-romantiek en games,
waarin een fantasie wordt geboden om iets te zijn wat je niet bent, maar juist als
een bevestiging van wie je in wezen bent en wat je werkelijk voelt. Het is het
verschil tussen amusement en de gave van de muzen. Wie depressies kent, herkent
zich in Brahms’ Altrhapsodie, een lezer ziet zichzelf terug in Van Goghs La Liseuse,
en wie ziek wordt en vergeten heeft te leven, is Tolstojs Ivan Iljitsj.
Met de stille verbazing die je overvalt wanneer deze herkenning zich voordoet,
las ik in Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften hoe de hoofdpersoon, Ulrich,
‘op welk moment men hem ook bij het schrijven van wiskundige en wiskundiglogische verhandelingen of bij zijn bemoeienissen met de natuurwetenschap zou
hebben gevraagd welk doel hem voor ogen stond, hij zou hebben geantwoord
dat er maar één kwestie de moeite van het denken werkelijk loonde, en dat was
die van het juiste leven’. En de wijze waarop Ulrich leeft, hoe hij een antwoord
op zijn vraag tracht te vinden, zichzelf en zijn wereld tracht te begrijpen ‘verbond
hij met het eigenaardige begrip essay. Ongeveer zoals een essay in de opeenvolging van zijn paragrafen een ding van vele kanten aanvat zonder het helemaal te
omvatten — want een helemaal omvat ding verliest meteen zijn omvang en versmelt tot een begrip — zo geloofde hij de wereld en zijn eigen leven het beste te
kunnen beschouwen en tegemoet te treden’.
Toen ik dit las, het essay als een levenshouding, een stijl — en letterlijk gebruikt
Ulrich de term ‘essayisme’ — realiseerde ik me opeens dat alles wat ik schrijf,
xxv
publiceer, elke uitgave van Nexus, maar ook de lezingen, conferenties en masterclasses die we als Nexus Instituut organiseren, steeds niet meer zijn dan een fragment, een proeve van, een variatie op hetzelfde thema: Europese cultuur, Europees
humanisme, Europese geest. En zoals alle cultuur een taal is omdat het betekenis
tot expressie brengt, zo is mijn leven niets anders geworden dan het voortdurend
pogen om bij te dragen aan het verzamelen van fragmenten als de grammatica
van een nog niet verdwenen, maar wel ongesproken taal. Het is een nimmer te
voltooien grammatica omdat deze taal even grenzeloos is als de nooit volledig
te omvatten waarheid van ons bestaan. Maar de betekenis van wat de Europese
geest te zeggen heeft, zal alleen weer worden begrepen, en zijn taal weer door
ons gesproken, indien zijn grammatica weer wordt gekend.
Aan Marguerite Yourcenars Herinneringen van Hadrianus ontleende ik het motto
voor de allereerste uitgave van Nexus in 1991: ‘Ieder die het geluk heeft in zekere
mate voordeel te trekken uit dat culturele erfgoed, was volgens mij verplicht het
aan de mensheid door te geven.’
Die plicht is voor mij dit geworden: trouw aan De Toverberg van Thomas Mann
en dat wat het mij gegeven heeft.
Januari — februari 2008
Toverbergland
xxvi