eindrapport pilot gedragswetenschappers in de jeugdzorg

Commentaren

Transcriptie

eindrapport pilot gedragswetenschappers in de jeugdzorg
EINDRAPPORT PILOT GEDRAGSWETENSCHAPPERS IN
DE JEUGDZORG
Colofon
1
Els Fuhring
Jeugdzorg Nederland
December 2012
1
Dit document is geschreven in het kader van het Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg
en is te downloaden via www.professionaliseringjeugdzorg.nl © Stichting Nederlands Jeugdinstituut
(NJi), Utrecht
Inhoudsopgave
1 Inleiding ........................................................................................................... 4
2 Opzet pilot........................................................................................................ 7
3 Resultaten…………………………………………………………………………8
3.1 Taken en verantwoordelijkheden gedragswetenschappers………………..11
3.1.1Raad voor de Kinderbescherming…………………………………………….. 11
3.1.2Trajectum……………………………………………………………………………13
3.1.3Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam…………………………………….14
3.2 Opleidingsbeleid per organisatie………………………………………………..18
3.2.1Trajectum……………………………………………………………………………18
3.2.2 Raad voor de Kinderbescherming……………………………………………..18
3.2.3 Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam……………………………………20
3.3 De vormgeving van registratietrajecten………………………………………21
3.4 Slim organiseren van registratietrajecten…………………………………….24
3.5 Aanvragen studieadvies voor individueel registratietraject bij NIP/NVO.24
4
Conclusie……………………………………………………………………………27
4.1 Aanbevelingen aan landelijke stuurgroep STIPJ…………………………….29
Bijlagen……………………………………………………………………………………..32
~3~
1
Inleiding
Jeugdzorg Nederland en NIP/NVO hebben gezamenlijk een plan van aanpak opgesteld om de
problematiek rondom de registratie van de gedragswetenschappers in de brede jeugdzorg nader in
kaart te brengen. Werkgevers en de beroepsverenigingen NIP en NVO zijn al geruime tijd met elkaar
in overleg over de eisen van die registratie, zoals die door hen zijn vastgesteld, en de fasering van
2
het registratietraject van de gedragswetenschappers .
De discussie heeft zich tot nu toe altijd toegespitst op het gewenste registerniveau van de
gedragswetenschappers in de jeugdzorg. Aan de ene kant is duidelijk dat het streven van werkgevers
in de jeugdzorg gericht is op het hanteren van vergelijkbare registratie-eisen die andere op jeugd
gerichte branches voor gedragswetenschappers hanteren. Aan de andere kant hanteren de
werkgevers op dit moment het masterdiploma en relevante werkervaring als enige aanname-eisen
voor functies waarvoor gedragswetenschappers worden geworven in de sector. Tegelijkertijd kunnen
we constateren dat de financiële mogelijkheden van jeugdzorgorganisaties en het aantal beschikbare
opleidingsplaatsen bescheiden is, zodat het niet reëel is om binnen enkele jaren alle
gedragswetenschappers op het registerniveau te brengen. De norm voor registratie van de kinder- en
jeugdpsycholoog NIP en orthopedagoog-generalist NVO ligt bijvoorbeeld op masterdiploma,
aangevuld met een tweejarige postmasteropleiding. Dit is een vergelijkbaar niveau als de
Gezondheidszorg(GZ)-psycholoog BIG.
Om deze discussie over de registratie-eisen en de fasering ervan van actuele input te voorzien, heeft
STIPJ besloten een project te starten waarin actuele gegevens uit de huidige jeugdzorgpraktijk
worden opgehaald. Voor de deelnemende pilotorganisaties is hun bijdrage een investering in de
vormgeving van de verdere professionalisering van hun gedragswetenschappers. Voor andere
organisaties in de jeugdzorg vervullen zij een voorbeeldfunctie. De resultaten uit deze pilot geven
duidelijkheid over aantallen en over de kloof tussen de praktijk en de registratienorm die door NIP en
NVO worden gehanteerd. Een belangrijke onderliggende reden daarvoor is het verschil in perspectief
op registratie tussen werkgevers en de beroepsverenigingen. Werkgevers stellen professionals
functiespecifiek aan en hebben in het verlengde daarvan de wens om hen functiegerichte
scholing/opleiding te laten volgen om zo de kwaliteit van zorg te bevorderen en te borgen. NVO en
NIP zien beroepsregistratie echter als een integraal onderdeel van de generieke beroepsvorming.
Postmasteropleidingen leveren vakvolwassen pedagogen en psychologen af op de arbeidsmarkt.
2
In deze rapportage wordt de term gedragswetenschapper gebruikt om alle wetenschappelijk
opgeleide psychologen en orthopedagogen aan te duiden die werkzaam zijn in verschillende functies
binnen de brede jeugdzorg.
~4~
Voor het bereiken van dit niveau van beroepsbekwaamheid is een breder georiënteerd curriculum
nodig dan uitsluitend de taken die gedragswetenschappers vervullen binnen hun reguliere functie
evenals in de sector waarin zij werkzaam zijn. De beroepsverenigingen zijn van mening dat specifiek
werken op basis van professionele autonomie pas mogelijk is na generieke beroepsvorming. Dit
spanningsveld is ook duidelijk herkenbaar in de eerste twee ervaren belemmeringen door
pilotinstellingen onder paragraaf 3.3.
In de pilot zijn drie organisaties (Jeugd & Opvoedhulp, Bureau Jeugdzorg en een justitiële werkgever)
gevraagd om in kaart te brengen op welke taken en in wat voor functies gedragswetenschappers
worden ingezet. Ook hebben ze in beeld gebracht hoeveel gedragswetenschappers al geregistreerd
zijn of bezig zijn met een registratietraject. Zowel het opleidingsbeleid in de pilotorganisaties ten
aanzien van gedragswetenschappers, als de begrenzing in middelen en mogelijkheden rondom dit
beleid zijn in kaart gebracht. De pilot laat ook het draagvlak zien bij de pilotorganisaties voor het
ambitieniveau van de beroepsverenigingen (masterdiploma + tweejarige postmasteropleiding, oftewel
4 + 2 model). Tegelijkertijd zijn de belemmeringen in kaart gebracht om het registerniveau te
bereiken. De resultaten van deze pilot worden als handreiking opgenomen in de toolkit van het
professionaliseringsproject.
De pilot moet antwoord geven op de vraagstellingen:
• In welke functies zijn de gedragswetenschappers werkzaam? Welke taken en
verantwoordelijkheden hebben zij? Om hoeveel personen gaat het? Hoeveel jaren werkervaring
hebben zij, ook per functiecategorie? Wat is het percentage direct en indirect cliëntcontact in hun
werk?
• Hoeveel gedragswetenschappers zijn er per pilotorganisatie geregistreerd of bezig met een
registratietraject?
• Hoe wordt het bereiken van het registerniveau gefaciliteerd door de pilotorganisatie
(opleidingsplan en opleidingsbudget)?
• Wat zijn slimme wegen of strategieën om dit doel te bereiken?
• Wat zijn belemmeringen voor organisaties bij de vormgeving van registratietrajecten?
• Zijn er gedragswetenschappers die voor een studieadvies in het kader van een individueel
registratietraject in aanmerking willen komen? Kunnen we hieruit informatie halen om helder te
krijgen welke belemmeringen er spelen bij het starten van een registratietraject?
De pilot is begeleid door een breed samengestelde begeleidingscommissie die de opbrengsten van
het project zal beoordelen op bruikbaarheid voor de professional, de organisatie en natuurlijk voor de
cliënt.
~5~
In de begeleidingscommissie hebben zitting genomen:
• Cees Wierda, bestuurder Bureau Jeugdzorg Drenthe, namens Jeugdzorg Nederland.
• Wim Spierings, bestuurder FlexusJeugdplein, namens Jeugdzorg Nederland.
• Marie-Jeanne van Hagen, lid commissie “Kwaliteit en opleidingen”, adviesorgaan bestuur NVO.
• Roland Koning, bestuurslid sectie Jeugdzorg NIP.
• Yvonne van Veldhoven, adjunct-directeur regio Haaglanden/Zuid-Holland Noord, namens de Raad
voor de Kinderbescherming.
• Nathalie Boudrie, onafhankelijk voorzitter.
• Els Fuhring, projectleider Jeugdzorg Nederland.
~6~
2
Opzet pilot
Wervings- en startfase:
De projectleider heeft drie organisaties bereid gevonden deel te nemen aan de pilot: Bureau
Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, Trajectum en de Raad voor de Kinderbescherming. De
pilotorganisaties hebben een presentatie gehad over het doel en de opzet van de pilot en zijn
voorzien van informatie over wat de registratie van een kinder- en jeugdpsycholoog NIP en
orthopedagoog-generalist NVO inhoudt. Bij deze presentaties waren zowel een lid van de Raad van
Bestuur/lid managementteam, de HR-manager, teamleiders als gedragswetenschappers aanwezig.
Onderzoeksfase:
De projectleider heeft in overleg met NIP/NVO een vragenlijst opgesteld en deze digitaal verstuurd
aan de HR-managers van de pilotorganisaties.
Bij Trajectum en BJZ Stadsregio Rotterdam zijn deze lijsten ingevuld door de HR-manager. De Raad
voor de Kinderbescherming koos voor het landelijk aanleveren van informatie door de afdeling P&O,
met een aanvulling vanuit de teamleiders van drie regio’s (Rotterdam, Overijssel en Gelderland). Bij
alle drie de organisaties zijn de gedragswetenschappers betrokken geweest bij het aanleveren van
verrijkingsmateriaal. Ook heeft elke organisatie aangegeven welke gedragswetenschappers in
aanmerking willen komen voor een individueel studieadvies. De individuele portfolio’s van
gedragswetenschappers zijn voorgelegd aan NIP of NVO met als doel helder te krijgen welke
belemmeringen er zijn om een registratietraject te starten, maar ook om in beeld te brengen hoe
individuele postmastertrajecten ingericht kunnen worden.
Op basis van de ingevulde vragenlijsten en aanlevering van aanvullende informatie, zoals
beleidsdocumenten en scholingsoverzichten, heeft de projectleider de conceptrapportage opgesteld.
De begeleidingscommissie heeft deze rapportage van commentaar en suggesties voorzien en
aanbevelingen geformuleerd om het registratietraject van gedragswetenschappers in de brede
jeugdzorg vorm te geven.
Uitvoeringsfase:
In deze fase wordt het adviesrapport opgesteld voor de landelijke stuurgroep STIPJ en gaan NIP en
NVO aan de slag met de beoordeling van de individuele dossiers die door gedragswetenschappers
van de pilotorganisaties zijn aangeleverd.
~7~
3
Resultaten
Na de wervingsfase is het pilotproject van start gegaan. De organisaties die meededen, hebben actief
informatie verzameld en openheid van zaken gegeven over het projectonderwerp. Ook de
presentaties die door de projectleider van Jeugdzorg Nederland en een bestuurder namens NIP en
NVO gegeven zijn, konden rekenen op draagvlak. Bij deze presentaties waren per organisatie
aanwezig: een bestuurder/lid managementteam, een HR-manager, teamleiders en een afvaardiging
van gedragswetenschappers en OR-leden. Kenmerkend voor deze bijeenkomsten was de openheid
van de discussie over de registratie-eisen en de rol en taak van de gedragswetenschapper binnen de
organisatie. De gedragswetenschapper werd bij alle drie de organisaties daarin neergezet als
deskundige en kwaliteitsbewaker in het primaire proces. In alle drie de organisaties waren
werkgroepen actief met opdrachten als: “de rol en taak van de gedragsdeskundige in de transitie” of
“de professionalisering van gedragswetenschappers”.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming heeft het landelijk managementoverleg door een interne
werkgroep twee notities laten opstellen over het onderwerp “gedragsdeskundigen, werving en
selectie, opleiding en registratie” (d.d. 8 april 2008 en 10 maart 2009). Deze acties zijn ondernomen
omdat het voor de Raad voor de Kinderbescherming en hun ketenpartners een structureel probleem
is geworden om voldoende (kwalitatief en kwantitatief) gekwalificeerde gedragsdeskundigen te laten
instromen.
We kunnen vaststellen dat het onderwerp bij de drie bezochte organisaties leeft en draagvlak heeft op
zowel bestuurlijk niveau als bij de professionals zelf.
~8~
Tabel 1. Presentatie van de kwantitatieve gegevens
Functiebenaming
gedragswetenschapper
Raad voor de
Kinderbescherming
Trajectum
Bureau Jeugdzorg Stadsregio
Rotterdam
Gedragsdeskundige
Behandelcoördinator (BC)
Gedragswetenschapper
(GW)
Staffunctionaris KIO
Gedragsdeskundige JB
Gedragsdeskundige JR
Gedragsdeskundige Toegang
Gedragswetenschapper
GZ-psycholoog
Aantal functionarissen
147 (landelijk)
Verdeeld over functies
25
45
Behandelcoördinator 23
Gedragswetenschapper 1
Staffunctionaris KIO 1
Gedragsdeskundige JB 15
Gedragsdeskundige JR 15
Gedragsdeskundige Toegang 10
Gedragswetenschapper 10
GZ-psycholoog 5
Aantal geregistreerden
± 77 (landelijk) 52%
Registraties verdeeld
14 (56%)
8 (onbekend 4) (18%)
NVO-OG 5
GZ psycholoog 9
Gedragsdeskundige JB 2
Gedragsdeskundige JR 0
Gedragsdeskundige Toegang 1
Gedragswetenschapper 0
GZ-psycholoog 5
Aantal geregistreerden
Overijssel (RvdK)
Aantal geregistreerden
Gelderland (RvdK)
7 van de 13, 1 i.o.
(BIG/NVO/NIP)
6 van de 16, 2 i.o.
(BIG/NVO/NIP)
Aantal geregistreerden
4 van de 18, 2 i.o.
Rotterdam (RvdK)
(BIG/NVO/NIP)
Lidmaatschap
beroepsvereniging
Overijssel:
NVO
6 (50%)
NIP
2 (20%)
Onbekend 5 (30%)
Gelderland:
NVO/NIP 16 (100%)
Rotterdam:
NVO
14 (56%)
NIP
3 (12%)
Onbekend 8 (32 %)
NIP 11 (24%)
NVO 14 (31%)
BFP* 1 (2%)
VVKP* 1 (2%)
Onbekend 4
NVO/NIP 18 (100%)
Percentage direct
cliëntcontact
10-20 %
14%
Gd JB/Gd JR/Gd Toegang 5%
GW/GZ-psych. 25%
Percentage indirect
cliëntcontact
60-70%
61%
*
Gd JB/Gd JR/Gd Toegang 95%
VVKP=Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen, en maakt onderdeel uit van de BFP=
Belgische Federatie van Psychologen.
~9~
In bovenstaande tabel wordt een beeld geschetst van de stand van zaken met betrekking tot de
registratiegraad van gedragswetenschappers.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming is ruim 50% van de gedragswetenschappers geregistreerd.
Per regio zijn afwijkingen naar boven en beneden waar te nemen. Bij Trajectum is 56% van de
gedragswetenschappers geregistreerd. Bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam is dat 18%. Van
alle gedragswetenschappers bij de pilotorganisaties is ruim 60% lid van een beroepsvereniging.
Bij alle gedragswetenschappers is sprake van 10 tot 20% direct cliëntcontact. Daarbij gaat het om
face-to-face of telefonisch contact met kind en/of ouders ten behoeve van diagnostiek en observatie
en/of behandeling. Ook is er sprake van 60 tot 70% indirect cliëntcontact. Dit houdt in het leiden van
casusbesprekingen, het toekennen van verlof aan cliënten, ontslagbeleid van cliënten, vaststelling
behandelplan, diagnostiek aanvragen en beoordelen, ontwikkeling en introductie van nieuwe
methodieken en effectmeting.
De taken en werkzaamheden die gedragswetenschappers uit hoofde van hun aanstelling verrichten
vormen een aandachtspunt in relatie tot de beroepsgerichte postmasteropleidingstrajecten voor
registraties. Voor zowel het register Kinder- en Jeugdpsycholoog als Orthopedagoog-Generalist is het
nodig om ten minste tweederde cliëntgebonden (direct en indirect) werkzaamheden te verrichten,
welke evenwichtig worden verdeeld over diagnostiek en interventie. Indien het gaat om uren uit
indirect cliëntcontact dienen deze in alle gevallen te herleiden te zijn tot een individueel cliëntdossier.
Voor bijvoorbeeld het taakgebied interventie geldt dat de werkzaamheden gericht zijn op
systematische behandelingsplanning: actief ontwerpen, volgen en bijstellen van een plan.
Bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam laat de verhouding direct-indirect cliënt- contact een iets
ander beeld zien, afhankelijk van de functie. De gedragswetenschapper en de GZ-psycholoog hebben
25% direct cliëntcontact en 75% indirect cliëntcontact. Voor de andere drie functiecategorieën is dit
5% direct cliëntcontact en 95% indirect cliëntcontact. Bij de gedragsdeskundigen JB/JR en Toegang
ligt het direct cliëntcontact lager dan bij de behandelcoördinator van Trajectum en de
gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming.
Tabel 2. Werkervaring in jeugdzorg bij Trajectum
jaren
werkervaring
0 t/m 5
5 t/m 10
10 t/m 15
15 t/m 20
> 20
aantal
medewerkers
5 (20%)
6 (24%)
6 (24%)
0
8 (32%)
NB. De ervaring in de jeugdzorg heeft niet alleen betrekking op de ervaring in de functie. Het kan zijn dat
iemand al in de jeugdzorg werkt en later doorgroeit naar een academische functie.
~ 10 ~
Tabel 3. Werkervaring bij Raad voor de Kinderbescherming
jaren werkervaring
0 t/m 5
5 t/m 10
>10
onbekend
aantal medewerkers
landelijk
46 (33%)
25 (14%)
29 (20%)
47 (33%)
aantal medewerkers
Overijssel
10 (80%)
3 (20%)
0
aantal medewerkers
Gelderland
7 (44%)
5 (31%)
4 (25%)
aantal medewerkers
Rotterdam
16 (90%)
2 (10%)
0
Tabel 4. Werkervaring bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
jaren werkervaring
0 t/m 5
5 t/m 10
>10
aantal
medewerkers
Gd
JB/JR/Toegang
20 (66%)
6 (20%)
4 (13%)
Aantal
medewerkers
GW/GZ-psych.
6 (40%)
5 (33%)
2 (13%)
Onbekend (14%)
De werkervaring van gedragswetenschappers laat een divers beeld zien. Zo valt op dat bij Trajectum
de spreiding van werkervaring evenwichtig is verdeeld. Een derde van de gedragswetenschappers
heeft ruim 20 jaar ervaring. Bij de Raad voor de Kinderbescherming is dat beeld heel anders. Hier
heeft het merendeel van de gedragswetenschappers tussen de 0 en 10 jaar ervaring, met een
zwaartepunt bij 0 tot 5 jaar. Bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam valt op dat het merendeel
van de gedragswetenschappers 0 tot 5 jaar werkervaring heeft.
3.1.
Taken en verantwoordelijkheden gedragswetenschappers
Gedragswetenschappers zijn in verschillende functies werkzaam binnen de pilotorganisaties.
3.1.1.
De Raad voor de Kinderbescherming
De gedragswetenschappers bij de Raad voor de Kinderbescherming zijn werkzaam in de functie van
gedragsdeskundige.
~ 11 ~
Algemene kenmerken:
De werkzaamheden van de gedragsdeskundige worden uitgevoerd binnen de Raad voor de
Kinderbescherming. De Raad bestaat naast de landelijke directie en het Landelijk Bureau uit 13
regio's, die meestal bestaat uit meerdere locaties. Met ingang van 1 januari 2013 zal het aantal regio’s
worden teruggebracht van 13 naar 10.
Doel van de functie:
De gedragsdeskundige geeft consult(atie)s aan de medewerkers van de uitvoeringseenheid en draagt
zorg voor het diagnostisch onderzoek bij kinderen en/of ouders. Daarnaast neemt hij of zij
beslissingen over de inhoud van de consultaties en adviezen, over de te leveren bijdrage aan de
deskundigheidsbevordering en over de opzet en conclusies van het diagnostisch onderzoek.
Organisatorische positie:
De gedragsdeskundige legt verantwoording af aan de teamleider voor wat betreft het geven van
consult(atie)s aan de medewerkers en het uitvoeren van diagnostisch onderzoek.
Hoofdactiviteiten:
1. De diagnostische rol:
•
Het formuleren en vaststellen van diagnostische onderzoeksvragen en het uitvoeren van
diagnostische onderzoeken bij kinderen en/of ouders, waaronder ook onderzoek ten bate van
de Gedrag Beïnvloedende Maatregel (GBM) en gesloten jeugdzorg.
•
Het voorbereiden en uitvoeren van onderzoeken en daarover rapporteren.
•
Het opstellen van advies en dit bespreken met multidisciplinair team en cliënten.
•
Het deelnemen aan de besluitvorming over de casus in multidisciplinaire overleggen (MDO’s).
2. De consultatie- en adviesrol:
•
Als inhoudelijk deskundige adviseren in MDO's en participeren in casus gerelateerde
besluitvorming.
•
Het adviseren over inschakelen externe deskundigen.
•
Het uitvoeren van professionele toetsing op extern uitgevoerd gedragswetenschappelijk
onderzoek.
3. De deskundigheidsbevorderende rol:
•
Het leveren van vakinhoudelijke bijdragen in projecten, werkgroepen en
themabijeenkomsten, desgewenst ook buiten de organisatie van de Raad.
•
Het verzorgen van deskundigheidsbevordering on the job, met name tijdens MDO's.
•
Het zorgen voor kennisborging op gedragsdeskundig gebied in de organisatie.
~ 12 ~
Binnen de Raad vormen de gedragsdeskundigen verder voornamelijk de functiegroep die scherp
toeziet op de kwaliteit van de bestaande methodieken en werkwijzen. Bij implementaties en borging
van nieuwe werkwijzen en methodieken spelen zij een centrale rol in de organisatie.
Er vindt over elk raadsonderzoek overleg en afstemming plaats in het multidisciplinair overleg
(minimaal een start en een eind MDO). Zo’n overleg bestaat uit de raadsonderzoeker, die de
betreffende casus onderzoekt, de gedragsdeskundige en een jurist. In het MDO vindt uiteindelijk de
besluitvorming plaats over te nemen maatregelen onder verantwoordelijkheid van de teamleider van
de raadsonderzoeker.
Beleidsafspraken, professionele standaarden en beroepsethiek zijn van belang bij het uitvoeren van
de werkzaamheden.
Een registratie als gezondheidszorgpsycholoog en/of kinder- en jeugdpsycholoog NIP en/of
orthopedagoog-generalist van het NVO verdient binnen de Raad de aanbeveling, omdat dit een
duidelijke meerwaarde geeft. Het is echter geen aanstellingsvereiste voor een gedragskundige. De
keuze voor aanstelling van niet-geregistreerde gedragsdeskundigen wordt vooral ingegeven door de
ervaren krapte op de arbeidsmarkt ten aanzien van geregistreerde gedragsdeskundigen. In het
voorgesprek met de afdeling P&O en in de discussie tijdens de presentatiebijeenkomst kwam naar
voren dat het inzetten van gedragsdeskundigen bij beleidsontwikkeling het niveau en de kwaliteit van
het werk verhoogt. Ook speelt de gedragsdeskundige een prominente rol in de besluitvorming in het
MDO. Werkervaring, maar ook het op peil houden van het kennisniveau van de gedragsdeskundige,
bepaalt of gedragsdeskundigen kwaliteit toevoegen aan het primaire proces.
3.1.2.
Trajectum
De gedragswetenschappers bij Trajectum, een organisatie voor Jeugd & Opvoedhulp , zijn
voornamelijk werkzaam in de functie van behandelcoördinator.
Algemene kenmerken:
Gedragswetenschappers zijn voornamelijk verantwoordelijk voor het cyclisch proces van
hulpverlening aan kind en gezin, het afstemmen van hulpvraag en –aanbod, het opstellen en
evalueren van individuele hulpverleningsplannen, het aansturen van multi(inter)disciplinaire teams en
het bewaken van de voortgang van het hulpverleningsproces. Ook dragen ze bij aan inhoudelijke
beleids- en methodiekontwikkeling en geven ze -voor zover relevant– sturing aan onderzoek.
Doel van de functie:
Het zorgdragen voor de totstandkoming van het individuele hulpverleningsplan en het geven van
functionele leiding aan de behandelaars/uitvoerend medewerkers bij de totstandkoming, uitvoering en
voortgang van de individuele hulpverleningsplannen.
~ 13 ~
Organisatorische positie:
De gedragswetenschapper bij Trajectum ontvangt hiërarchisch en operationeel leiding van de
locatiemanager, geeft zelf operationeel leiding aan het multidisciplinair behandelteam en functioneel
leiding aan de pedagogisch medewerkers, gezinsbegeleiders en ambulant werkers. Daarnaast geeft
hij of zij samen met de teamcoördinator vorm aan duaal leiderschap.
Hoofdactiviteiten:
1. Het afstemmen van hulpvraag en hulpaanbod aan kind en gezin, opstellen van een
hulpverleningsplan en evaluatie.
2. Het aansturen van multi(inter)disclipinaire behandelteam(s) en het bewaken van het
hulpverleningsproces.
3. Het bijdragen aan inhoudelijke beleids- en methodiekontwikkeling en deze vorm geven in een
optimaal behandelklimaat.
4. Het (laten) verrichten van onderzoek bij kinderen van het eigen cluster (voor zover relevant).
3.1.3.
Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam heeft gedragswetenschappers in dienst in verschillende
functies. Ten behoeve van de uitvoering van de wettelijke taak ten aanzien van de indicatiestelling,
het verrichten van de interne psychodiagnostiek, het verzorgen van instemmingsverklaringen, het
geven van consultatie én het verzorgen van interne scholingen, is het Kennis- en Servicecentrum voor
Diagnostiek (KSCD) ingericht. Hierin zijn de volgende gedragswetenschappers werkzaam:
• Gezondheidszorg (GZ)-psychologen
• Gedragswetenschappers;
• Psychologisch assistenten;
• Gedragsdeskundigen.
GZ-psycholoog
Algemene kenmerken:
Vanuit het KSCD verrichten GZ-psychologen werkzaamheden ten behoeve van psychodiagnostiek
voor indicatiestellingen voor de verschillende vormen van geïndiceerde jeugdzorg en in het kader van
beslissingsdiagnostiek.
~ 14 ~
Doel van de functie:
Het verrichten van (psycho)diagnostisch onderzoek en stellen van diagnoses conform de DSM-IV
systematiek, het functioneel leidinggeven aan gedragswetenschappers en psychologisch assistenten,
het adviseren inzake de (psycho)diagnostische aspecten van indicatiestellingen en het vanuit het
gedragswetenschappelijk kader leveren van bijdragen aan de ontwikkeling van het
hulpverleningsbeleid, methodiekontwikkeling, innovatie en evaluatie.
Organisatorische positie:
De GZ-psycholoog krijgt leiding van de teammanager van het KSCD, maar werkt met een eigen
professionele verantwoordelijkheid. De GZ-psycholoog geeft functioneel leiding aan
gedragswetenschappers, psychologisch assistenten en stagiaires .
Hoofdactiviteiten:
• Het uitvoeren van (psycho)diagnostisch onderzoek.
• Het functioneel leidinggeven aan gedragswetenschappers en stagiaires bij de uitvoering van
(psycho)diagnostisch onderzoek.
• Het stellen van diagnoses conform de DSM-IV systematiek.
• Het voeren van adviesgesprekken met cliënten over de resultaten van verricht onderzoek.
• Het afgeven van instemmingsverklaringen inzake gesloten plaatsingen in de Jeugdzorg.
• Het leveren van consultatie en advies ten aanzien van zorg, indicatie en hulpverlening.
• Het leveren van bijdragen aan de ontwikkeling van het hulpverleningsbeleid, aan beleidsrelevant
wetenschappelijk onderzoek en aan methodiekontwikkeling, innovatie en evaluatie.
• Het signaleren van hiaten in het hulpverleningsaanbod en het doen van verbetervoorstellen daarin.
• Het verzorgen van referaten in het kader van de Bureau Jeugdzorg Academie.
• Het desgevraagd vertegenwoordigen van de organisatie in verband met de werkuitvoering of de
werkontwikkeling en deskundigheidsbevordering.
• Het deelnemen aan werkoverleg.
Gedragswetenschapper
Algemene kenmerken:
Net als de GZ-psychologen verrichten de gedragswetenschappers vanuit het KSCD werkzaamheden
ten behoeve van psychodiagnostiek voor indicatiestellingen voor de verschillende vormen van
geïndiceerde jeugdzorg en in het kader van beslissingsdiagnostiek.
~ 15 ~
Doel van de functie:
Het verrichten van (psycho)diagnostisch onderzoek, adviseren inzake de (psycho)diagnostische
aspecten van indicatiestellingen en het vanuit het gedragswetenschappelijk kader leveren van
bijdragen aan de ontwikkeling van het hulpverleningsbeleid, methodiekontwikkeling, innovatie en
evaluatie.
Organisatorische positie:
De gedragswetenschapper krijgt leiding van de teammanager van het KSCD en werkt onder
supervisie van een GZ-psycholoog, maar met een eigen professionele verantwoordelijkheid.
Hoofdactiviteiten:
• Het uitvoeren van (psycho)diagnostisch onderzoek onder supervisie van een GZ-psycholoog.
• Het voeren van adviesgesprekken met cliënten over de resultaten van verricht onderzoek.
• Het leveren van consultatie en advies ten aanzien van zorg, indicatie en hulpverlening.
• Het leveren van bijdragen aan beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek en aan
methodiekontwikkeling, innovatie en evaluatie.
• Het verzorgen van referaten in het kader van de Bureau Jeugdzorg Academie.
• Het desgevraagd vertegenwoordigen van de organisatie in verband met de werkuitvoering of de
werkontwikkeling en deskundigheidsbevordering.
• Het deelnemen aan werkoverleg.
Voor de uitvoering van de wettelijke taken ten aanzien van Jeugdbescherming, Jeugdreclassering en
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) zijn er bij Bureau Jeugdzorg zowel jeugdzorgwerkers
(HBO) als gedragsdeskundigen (WO) werkzaam. Het gaat hier bij de WO-functies om:
• de gedragsdeskundige Jeugdbescherming
• de gedragsdeskundige Jeugdreclassering
• de gedragsdeskundige Toegang
Gedragsdeskundige
Algemene kenmerken:
De gedragsdeskundige heeft als taak de inhoudelijke leiding aan de uitvoerend medewerkers en
advisering in deze aan betrokken leidinggevenden.
Doel van de functie:
Het inhoudelijk leidinggeven aan en ondersteunen van jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders bij het
uitvoeren van de werkzaamheden.
~ 16 ~
Het adviseren met betrekking tot het hulpverleningsbeleid, het signaleren van maatschappelijke
ontwikkelingen en aansluitend hierop het leveren van een inhoudelijke bijdrage aan de ontwikkeling
van de jeugdbescherming.
Organisatorische positie:
De gedragsdeskundige krijgt leiding van de teammanager van de teams waarbinnen de functie is
gepositioneerd. De gedragsdeskundige geeft functionele aanwijzingen aan
jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders ten aanzien van de uitvoering van hun taken. In voorkomende
gevallen zal de gedragsdeskundige stagiaires functioneel begeleiden.
Hoofdactiviteiten:
• Het leveren van een vakmatige bijdrage in het op- en bijstellen van de hulpverleningsplannen, het
ondersteunen van medewerkers bij het uitvoeren van basisdiagnostisch onderzoek.
• Het beoordelen en interpreteren van specialistische rapporten op hun consequenties voor de
hulpverlening.
• Het adviseren en ondersteunen van de leidinggevenden en de
jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders bij de uitvoering van de maatregel.
• Het plegen van interventies wanneer hulpverleningsprocessen stagneren of dreigen te stagneren.
• Het geven van functionele aanwijzingen aan de jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders met
betrekking tot de uitvoering van hun taken.
• Het geven van leiding aan basisteambijeenkomsten. Het dragen van door de teammanager
gedelegeerde inhoudelijke verantwoordelijkheid voor daarbij behorende beslissingen met
betrekking tot de casuïstiek.
• Het beoordelen van en adviseren over rapportages, onderzoeksvragen, indicatiestellingen,
vroeghulp, strafzittingen, omgangs- en bezoekregelingen en uithuisplaatsingen en
thuisplaatsingen.
• Het bevorderen van de deskundigheid van interne medewerkers door het bespreken van
casuïstiek en het geven van vakinhoudelijke ondersteuning en training.
• Het stimuleren van de kwaliteiten van medewerkers in het team en deze productief maken door
coaching op houding en attitude.
• Het leveren van bijdragen aan de ontwikkeling van het hulpverleningsbeleid en aan
methodiekontwikkeling, innovatie en evaluatie.
• Het signaleren van hiaten in het hulpverleningsaanbod dat wordt aangeboden en het formuleren
van verbetervoorstellen daarin.
• De verslaglegging rondom het eigen handelen.
• Het desgevraagd vertegenwoordigen van de organisatie in verband met de werkuitvoering of de
werkontwikkeling en deskundigheidsbevordering.
• Het gebruikelijk deelnemen aan werkoverleg.
~ 17 ~
3.2.
Opleidingsbeleid per organisatie ten aanzien van
gedragswetenschappers
3.2.1.
Trajectum
Trajectum hanteert één opleidingsbeleid voor al haar medewerkers. Iedere locatie beschikt over een
opleidingsplan dat zowel bestaat uit organisatiegerichte als functiegerichte opleidingsvragen, supervisie,
coaching, symposia en studiedagen.
Het opleidingsbudget van Trajectum ligt over de afgelopen jaren gemiddeld tussen 0,85% en 1,2% van
de loonsom. Voor sommige inhoudelijke opleidingen is aparte financiering/subsidie verstrekt door de
provincie. Deze uitgaven vallen dan ook buiten genoemd percentage. Dergelijke subsidieverstrekkingen
worden gedaan wanneer een inhoudelijk programma of een methodiek geïmplementeerd moet worden.
Een zeer groot deel van het budget gaat naar organisatiegerichte opleidingsvragen en een relatief klein
deel naar functiegerichte opleidingsvragen, waaronder registratietrajecten.
Trajectum heeft nog geen duidelijk beleid voor de financiering van uitgebreide registratietrajecten, zoals
voor bijvoorbeeld de NVO-Orthopedagoog-Generalist. Wel zijn er afgelopen jaren voor enkele
medewerkers de afrondende fasen van een registratietraject of trajecten voor een
diagnostiekaantekening betaald.
3.2.2
Raad voor de Kinderbescherming
Bij de Raad voor de Kinderbescherming is staand beleid dat er in elke regio minimaal 40% van de
totale formatie van gedragsdeskundigen een registratie heeft. De norm van 40% is voorlopig en
gebaseerd op een inschatting van het huidige takenpakket van de gedragsdeskundige. Hierbij is een
inschatting gemaakt van de taken die per se door de geregistreerde en mogelijk door een nietgeregistreerde gedragsdeskundige gedaan worden.
Als nog geen 40% van de gedragsdeskundigen in de regio is geregistreerd, is er bij een verzoek van
een gedragsdeskundige om opleiding tot registratie sprake van scholing in dienstbelang. Dan worden
alle kosten betaald door de werkgever. Wordt de norm van 40% geregistreerde gedragsdeskundigen
overstegen, dan is er sprake van scholing op eigen initiatief.
~ 18 ~
Tot 2012 stelde de Raad voor de Kinderbescherming een landelijk budget beschikbaar voor
deskundigheidsbevordering. Voor 2012 is dit € 70.000,- voor de kosten van herregistratie, in
afwachting van meer zicht op de werkelijke kosten van herregistratie.
Sinds begin van dit jaar is in één van de pilotregio’s in het regionale opleidingsbudget een bedrag van
€ 300,- voor elke niet-geregistreerde gedragsdeskundige gereserveerd en € 500,- voor elke
geregistreerde gedragsdeskundige om te besteden aan deskundigheidsbevordering. Het verschil in
bedrag is gemaakt omdat de geregistreerde gedragsdeskundige jaarlijks een aantal
accreditatiepunten dient te behalen voor zijn/haar herregistratie.
De keuze voor een te volgen congres, training of cursus wordt getoetst aan het organisatiebelang
en/of aan de ontwikkelbehoefte van de individuele gedragsdeskundige. In het regionaal plan
deskundigheidsbevordering is opgenomen dat kennis opgedaan bij elk gevolgd congres, training of
cursus teruggekoppeld wordt aan alle andere medewerkers. Bovendien wordt minimaal twee maal per
jaar een thematische deskundigheidsbevorderingsdag georganiseerd door het team
gedragswetenschappers. De Raad voor de Kinderbescherming vergoedt (deels) het lidmaatschap van
een beroepsvereniging.
Onderstaande tabel is overgenomen uit de memo van 8 april 2008 van interne overleggroep aan
landelijk managementoverleg Raad voor de Kinderbescherming.
~ 19 ~
Tabel 5. Lijst van werkzaamheden en vereiste registratie of werkervaring
Lijst van nieuwe, andere bijkomende
Registratie en/of werkervaring vereist
taken/werkzaamheden
Beleidsontwikkeling
Werkervaring
Meer overleg met ketenpartners, waaronder inhoudelijke Werkervaring
en procesmatige afstemming van een dossier)
Goedkeuren advies Gedrag Beïnvloedende Maatregel; de Registratie
gedragsdeskundige wordt inhoudelijk
eindverantwoordelijk
Regisserende rol in proces Gedrag Beïnvloedende
Registratie
Maatregel (inhoudelijk en procesmatig)
Bepalen van de Gedrag Beïnvloedende Maatregel (vraagt Registratie
inhoudelijke expertise)
(Voorgenomen) kwaliteitstoetsing gericht op het MDO
TL bepaalt of gedragsdeskundige deze rol vervult.
Werkervaring
(Voorgenomen) deelname aan casusoverleg
Gedragsdeskundige moet goed weten wat de functie van
de Raad is, bijvoorbeeld wanneer je iets in onderzoek
neemt. Werkervaring vereist
Casusoverleg met NIFP
Besproken wordt of er wel of geen
persoonlijkheidsonderzoek moet worden gedaan. Overige
overlegpartners zijn allen geregistreerd.
Geloofwaardigheid en inhoudelijke kennis van
persoonlijkheidsonderzoeken zijn van belang. Registratie
vereist.
Machtiging gesloten plaatsing
Registratie
Veranderde werkwijze Scheiding & Omgang (S&O).
Grotere rol voor de gedragsdeskundige:
1. kind centraal> meer advies en consultatie
2. verwachte aanzuigende werking deelonderzoeken
3.2.3
1.
2.
werkervaring
registratie
Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam heeft geen apart opleidingsplan, maar een algemene
opleidingsplanning. Daarin wordt de scholing voor gedragswetenschappers meegenomen. Een
algemeen uitgangspunt ten aanzien van scholing en opleiding van alle medewerkers is dat Bureau
Jeugdzorg moet voldoen aan wettelijke eisen en kwaliteitseisen. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor
gedragswetenschappers. Om deze reden is bijvoorbeeld in de afgelopen jaren sprake geweest van
facilitering van het opleiden van GZ-psychologen. Nu betekent de verplichte registratie van
gedragswetenschappers dat Bureau Jeugdzorg beleid zal ontwikkelen om te voldoen aan de
certificeringseisen.
~ 20 ~
Huidig opleidingsbeleid:
• Gedragsdeskundigen Jeugdbescherming, Jeugdreclassering en Toegang moeten zelf ook
geschoold zijn in de methodieken van de HBO-professionals plus scholing volgen, toegespitst op
hun coachende rol bij de implementatie van de methodieken (bijvoorbeeld Delta in de
Jeugdbescherming).
• Gedragsdeskundigen nemen deel aan teamscholing, zowel inhoudelijk als bijvoorbeeld
agressietraining.
• Gedragsdeskundigen nemen deel aan intervisie voor gedragsdeskundigen.
• Bureau Jeugdzorg heeft zelf gedragsdeskundigen geschoold ten behoeve van het intern verzorgen
van modules ontwikkelingspsychologie en maakt zo veel mogelijk gebruik van eigen expertise;
gedragsdeskundigen kunnen bij het Kennis– en Service Centrum voor Diagnostiek (KSCD) de
diagnostiekaantekening behalen en/of supervisie krijgen van een GZ-psycholoog.
• Per kalenderjaar is er één opleidingsplaats voor een GZ-psycholoog.
• Jaarlijks wordt een scholingsplanning opgesteld voor scholing op initiatief van de werkgever.
• Er is een klein budget per team voor symposia en studiedagen.
• Er is een regeling voor het verkrijgen van een financiële bijdrage voor individuele
opleidingsactiviteiten (maximaal € 2.000). In de regeling zit geen voorziening voor studieverlof.
• In het kader van een Meerkeuzesysteem Arbeidsvoorwaarden kunnen studiekosten een fiscaal
voordeel krijgen via de loonstrook.
• Het lidmaatschap van een beroepsvereniging wordt voor 50% vergoed. Voor registratiekosten
(administratief) geldt 100% vergoeding.
3.3
De vormgeving van registratietrajecten
Bij de vormgeving van registratietrajecten van gedragswetenschappers lopen jeugdzorgorganisaties
aan tegen de volgende problemen.
De beroepsregistratie-eisen versus de functie-eisen die aan gedragswetenschappers worden
gesteld in de sector
Trajectum geeft aan dat zij vinden dat indien dit soort dure registratietrajecten verplicht gesteld worden,
er opnieuw gekeken moet worden voor welke handelingen deze registratie noodzakelijk is en voor welke
handelingen niet. Ook kan dit er toe leiden dat functies anders gaan worden ingericht of bepaalde
handelingen extern zullen worden ingekocht. Dat betekent een herstructurering van functies, met daarbij
het risico dat je minder functies hebt voor orthopedagogen. Er moet goed gekeken worden naar welke
handelingen er in de Jeugdzorg worden verricht en hierbij moet onderscheid worden gemaakt in de
zwaarte van de registratievoorwaarden.
~ 21 ~
Te zware registratietrajecten kunnen er toe leiden dat de studierichting/vak van een orthopedagoog
minder bereikbaar wordt voor een aantal professionals. Trajectum gaat er nog steeds vanuit dat het
niveau van een academische opleiding een goed en volwaardig niveau is. Ook bij de Raad voor de
Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam is men zich ervan bewust dat de
professionalisering en kwaliteitskaders aanleiding geven om de rol van de gedragsdeskundige
opnieuw te bezien.
Bij alle pilotorganisaties vraagt het opleidingsbeleid om aanpassing van de eisen die vanuit de
wettelijke registratie gesteld gaan worden.
De vormgeving van een opleidingsplaats waarin zowel diagnostiek, advisering,
indicatiestelling, behandeling en overige taken voorkomen.
Bij zowel de Raad voor de Kinderbescherming als Bureau Jeugdzorg speelt het probleem dat zij bij de
vormgeving van registratietrajecten met andere organisaties samen moeten werken, omdat zij geen
behandeling aanbieden. De Raad voor de Kinderbescherming geeft hierbij aan dat er een
samenwerking moet worden aangegaan met behandelinstellingen of zorgaanbieders, zoals een GGZinstelling, om aan voldoende uren behandeling te komen. Dat is een ingewikkeld en langdurig traject
en eigenlijk niet lonend voor één persoon. Vandaar dat er nu per regio geprobeerd wordt om een
behandelplek langdurig met meerdere locaties te continueren. Ook dat is echter complex en vraagt
veel inzet en energie. Hierbij blijft de Raad voor de Kinderbescherming afhankelijk van welwillende
ketenpartners. Er wordt voor de gedragswetenschappers een detacheringsovereenkomst gesloten
met een ketenpartner in de regio.
Ten aanzien van diagnostiek geven zij aan dat in de loop van de tijd met de bekorting van
doorlooptijden minder ruimte gekomen is voor diagnostiek in de reguliere opvoedingszaken in
vergelijking met het verleden. In strafzaken is er de Gedrag Beïnvloedende Maatregel (GBM)
gekomen, waarbij de gedragsdeskundige van de Raad voor de Kinderbescherming de eerst
aangewezene is om de diagnostiek uit te voeren. In de regio Rotterdam heeft men echter te maken
met een Openbaar Ministerie (OM) die de voorkeur geeft aan het NIFP voor de uitvoering van de
diagnostiek om reden van toerekeningsvatbaarheid. In deze regio moet men zich inspannen om
voldoende diagnostiek te genereren om de deskundigheid op peil te houden en gedragsdeskundigen
hierin verder op te leiden en ervaring op te laten doen.
~ 22 ~
De financiering van registratietrajecten
Alle drie de pilotorganisaties hebben te maken met beperking van het opleidingsbudget maar ook met
de consequenties die dit kan gaan hebben voor de kostprijzen. In de bijlage wordt het kostenplaatje
van een tweejarig postmastertraject nader onderbouwd.
Zo geeft Trajectum aan dat zij een middelgrote zorgaanbieder is met zo’n 360 medewerkers (232 fte).
De gemiddelde jaarlijkse opleidingskosten per fte (dus niet per medewerker) liggen tussen de € 400,- en
€ 550,-. Registratietrajecten, zoals de NVO-Orthopedagoog-Generalist kosten tussen de € 15.000,- en €
17.000,- exclusief tijdsinvestering. Indien dit een voorwaarde zou zijn voor de beroepsregistratie, zou dit
leiden tot zeer hoge opleidingskosten. Dit is dan financieel niet uitvoerbaar voor Trajectum. Hoge
opleidingskosten zullen tot hogere kostprijzen van behandeltrajecten leiden. Dit is niet wenselijk in de
transitie naar gemeenten, waarbij de kostprijzen onder druk staan.
De Raad voor de Kinderbescherming geeft aan dat de investering in tijd en geld een knelpunt is, dat
mede samenhangt met de door de werkgever vastgestelde verdeling van 40% geregistreerde en 60%
niet-geregistreerde gedragsdeskundigen. Als die norm niet gehaald wordt, vergoedt de organisatie tijd
en geld voor de opleiding. Als aan die norm wel is voldaan, dan is het een hele opgave om als
werknemer de helft van alle kosten te betalen. Voor de regio geldt dat ook, want het moet betaald
worden uit eigen opleidingsbudget dat voor alle werknemers bedoeld is. De kosten van een registratie
leggen daarop een onevenredig beslag. De opleiding zelf kost veel inzet en tijd. De tijd wordt niet
gecompenseerd als aan de 40/60 norm is voldaan en de afwezigheid moet opgebracht worden door
collega gedragsdeskundigen, die werkzaamheden moeten overnemen.
De tijd die de gedragsdeskundigen aan opleidingstrajecten kwijt zijn, wordt voornamelijk besteed aan
scholingsdagen en behandelstages. In de praktijk is een scholingstraject K&J NIP qua uren
makkelijker op te brengen voor de organisatie dan een GZ-traject met zwaardere eisen qua
behandeluren. De gedragsdeskundigen zelf staan positief tegenover een opleidingsbeleid waarin
verdere opleiding (registratietrajecten) en het op peil houden van de wetenschappelijke kennis en
ervaring door de organisatie gefaciliteerd wordt. Deze investering zal echter (zonder extra budget) tot
gevolg hebben dat er minder inzet op het primair proces is.
Voor Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam is het benodigde opleidingsbudget de grootste
belemmering bij de vormgeving van registratietrajecten van gedragswetenschappers. Het gaat hier
zowel om de investering in tijd als in geld. Het vraagt landelijk en in de organisatie om beleid waarin
de kostenverdeling tussen werkgever en werknemer wordt vastgelegd. Het vergt ook
onderhandelingen met subsidiegevers voor het doorberekenen van de kosten in de kostprijs.
Aangezien de kostprijs van de Bureaus Jeugdzorg al geruime tijd onderwerp van discussie is, zal de
~ 23 ~
kostenverhoging door het inzetten van wettelijke registratie op de onderhandelingen een extra
belastend effect hebben.
Alle pilotorganisaties geven aan dat er door subsidieverstrekkers geen aanvullende
vakbekwaamheidseisen worden gesteld aan gedragswetenschappers die afwijken van het huidige
kwalificatieniveau en de eisen die gehanteerd worden bij werving en selectie van
gedragswetenschappers.
3.4
Slim organiseren van registratietrajecten

Bij de vormgeving van een opleidingsplaats is het wenselijk om meerjarige overeenkomsten
af te sluiten voor een behandelplek met een GGZ-instelling of zorgaanbieder in de regio voor
instellingen van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureaus Jeugdzorg.

Richt een supervisorspool op binnen de eigen organisatie of in de regio. In de regio
Rotterdam-Rijnmond van de Raad voor de Kinderbescherming heeft men voor de vormgeving
van supervisie de volgende oplossing gekozen: “Supervisie is een kostbare investering die we
nu met de twee nieuwe registratietrajecten vormgeven door een gedragsdeskundige van een
andere locatie de supervisie te laten bieden aan de gedragsdeskundige in het traject K&J NIP
en de gedragsdeskundige in het nog te starten GZ-traject supervisie te laten bieden door de
organisatie waar de behandelstage zal plaatsvinden. Daarnaast wordt in de regio Rotterdam
geïnvesteerd in een geregistreerde gedragsdeskundige die de supervisor-opleiding gaat
volgen en op haar beurt een gedragsdeskundige van een andere locatie supervisie gaat
bieden. Wanneer we nog meer gedragsdeskundigen gaan opleiden zou het kostenbesparend
kunnen zijn wanneer we een beroep kunnen doen op een interne supervisors-pool”.

Zorg ervoor dat de herregistratie-eisen van NIP en NVO bekend zijn voordat je aan
registratietrajecten begint. Zorg ervoor dat alle intern en extern gevolgde scholing
accreditatiepunten oplevert in het kader van (her)registratie.
In de ‘Handreiking Slim organiseren beroepsregistratie gedragswetenschappers in de jeugdzorg’ van
NIP en NVO (2012) worden deze aandachtspunten nader uitgewerkt.
3.5
Aanvragen studieadvies voor individueel registratietraject bij NIP/NVO
Alle pilotorganisaties hebben scholingsoverzichten opgesteld van het cursusaanbod waar hun
gedragswetenschappers binnen de organisatie, de afgelopen zes jaar, aan hebben deelgenomen.
NIP en NVO zijn bereid deze overzichten langs hun eigen scholingsagenda te leggen en daarmee
een uitspraak te doen over het aantal accreditatiepunten wat kan worden toegekend aan dit aanbod.
~ 24 ~
Ook zijn er vanuit de pilotorganisaties 12 gedragswetenschappers aangeleverd die een individueel
studieadvies gaan aanvragen.
Uitkomst beoordeling proefdossiers
Ter voorbereiding op de vrijwillige aanmelding voor registratie in de actiefase van de landelijke
draagvlakcampagne (deelproject ‘verbinden en registreren’) hebben Jeugdzorg Nederland, NVO en
NIP zich gezamenlijk ingespannen om globaal zicht te krijgen op de mate waarin
gedragswetenschappers die nu werkzaam zijn in de jeugdzorg al voldoen aan de eisen die gelden
voor registratie. Ingezoomd is op werkervaring, scholing en supervisie (de hoofdbestanddelen van de
registratie-eisen).
Deze informatie kan inzicht geven in eerder opgedane kennis en ervaring en hoe die zich verhouden
tot de registratie-eisen van NVO en NIP. Op basis van het verkregen beeld kan een inschatting
gemaakt worden van de aard en inhoud van studieadviezen die verstrekt gaan worden aan
gedragswetenschappers die al werkzaam zijn in de jeugdzorg en gedurende de overgangsfase van
de nieuwe wet moeten gaan registreren op postmasterniveau.
In het kader van deze pilot zijn 12 ‘proefdossiers’ van gedragswetenschappers die werkzaam zijn bij
Trajectum, de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam
gewogen aan de hand van de bestaande registratie-eisen van de Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP en
de Orthopedagoog-Generalist NVO. De proefdossiers zijn in oriënterende zin bestudeerd, en er is een
globaal beeld gegeven van de punten waarop de dossiers nog niet aan de eisen voldoen. Het
resultaat moet nadrukkelijk niet worden gezien als formeel studieadvies*.
De beroepsverenigingen leggen momenteel de laatste hand aan een aantal wegingsvoorstellen die
tijdens de overgangsfase in de jeugdzorg gehanteerd zullen worden.
Deze wegingsvoorstellen zijn er onder meer op gericht bij al opgedane werkervaring niet te toetsen op
werkbegeleiding, bij scholing met terugwerkende kracht ook een deel niet geaccrediteerde scholing
mee te laten tellen en de supervisie eis bij ervaren psychologen en orthopedagogen (meer dan 5 jaar
werkervaring) te verlagen.
Het gaat uiteraard te ver om op basis van 12 dossiers een representatief beeld te schetsen, maar er is
wel aantal hoofdlijnen af te leiden voor deze groep:
1.
De verdeling van de werkervaring kent dikwijls een sterk scheve verdeling tussen de
taakgebieden diagnostiek en behandeling (werkervaring bij de deelnemers aan de pilot ligt
overwegend op het gebied van diagnostiek). Een evenwichtige verdeling van de
werkervaring naar beide taakgebieden is voor de registraties van NVO en NIP van belang.
Dat betekent dat voor de groep psychologen en pedagogen die zich nog moeten laten
~ 25 ~
registreren het aanvullend opdoen van werkervaring op een van beide taakgebieden aan de
orde zal zijn en dat ook organisatorisch mogelijk gemaakt moet worden.
2.
De aangeleverde informatie over de werkzaamheden die worden verricht zijn veelal niet door
de ‘aanmelder’ zelf verdeeld naar de voor registratie relevante taakgebieden. Het is om die
reden niet altijd mogelijk om de werkervaring goed te kunnen beoordelen conform de
registratie-eisen die daarvoor gelden. Dit is een aandachtspunt voor de informatie voor en
instructie aan gedragswetenschappers die zich in de actiefase in 2013 gaan aanmelden
voor een studieadvies voor registratie. De genoemde onevenwichtigheid die globaal al wel
te constateren is, zal ook een aandachtspunt moeten zijn bij het afgeven van de
studieadviezen te zijner tijd.
3.
Het lijkt erop dat gedragswetenschappers relatief weinig aan (aantoonbare) bij- en
nascholing doen, en voor zover er wel onderdelen worden opgevoerd zijn die summier
gedocumenteerd zodat beoordeling lastig is. Voor de actiefase zal in ieder geval verhelderd
moeten worden welke informatie over bij- en nascholing aangeleverd moet worden en in
welke vorm. Daarnaast komt het beeld van de in de proefdossiers opgevoerde scholing niet
goed overeen met het overzicht van scholingen die vanuit de jeugdzorginstellingen zelf is
opgesteld. Het laatste toont meer activiteit op dit vlak en het is dus mogelijk dat betrokkenen
minder scholing hebben opgevoerd dan zij gevolgd hebben. Dit is een aandachtspunt bij de
formele weging te zijner tijd, zowel in de informatievoorziening vanuit de
beroepsverenigingen als binnen de organisaties zelf.
(NB: in de genoemde wegingsvoorstellen voor de overgangsfase zal voor een deel van de al
gevolgde scholing gelden dat ook niet geaccrediteerd aanbod mee kan tellen).
4.
Er wordt niet of nauwelijks supervisie gevolgd door gedragswetenschappers. Er moet dus
rekening mee worden gehouden dat een substantieel deel van de in de sector werkzame
gedragswetenschappers nog aan de registratie-eisen op dat onderdeel moet voldoen. (NB:
in de wegingsvoorstellen voor de overgangsfase wordt voorzien in een bijstelling van de
supervisie-eis voor gedragswetenschappers die beschikken over meer dan vijf jaar
werkervaring).
5.
Bij één van de proefdossiers was sprake van een andere wo-opleiding dan psychologie of
pedagogiek, namelijk criminologie. In dit soort uitzonderingsgevallen zal op individuele basis
moeten worden bepaald in hoeverre de aanvrager ofwel nog moet voldoen aan de instroomeis van een master-opleiding psychologie/pedagogiek, ofwel de focus moet leggen op het
compenseren van hiaten in de vooropleiding binnen het postmaster registratietraject.
*
wanneer deelnemers aan de pilot zich in 2013 formeel aanmelden zal rekening worden gehouden
met de gegevens die nu al zijn aangeleverd, zodat zij geen dubbel werk hoeven doen.
~ 26 ~
Uitkomst beoordeling scholingsoverzichten
De pilotorganisaties hebben aan Jeugdzorg Nederland overzichten toegezonden van
scholingsactiviteiten waaraan gedragswetenschappers deelnemen. Die overzichten zijn in
verkennende zin bekeken door NVO en NIP. Ook hier geldt dat de overzichten niet als representatief
voor de sector beschouwd kunnen worden, maar een indicatie geven voor de bruikbaarheid van het
betreffende scholingsaanbod in het kader van te verstrekken studieadviezen.
De volgende punten komen uit de verkenning naar voren:
1.
Een flink deel van het cursorisch aanbod bij opleidingsinstellingen is al geaccrediteerd en
kan worden opgenomen in dossiers t.b.v. het aanvragen van studieadviezen.
2.
Het incompany aanbod dat veelal vanuit opleidingsinstellingen wordt georganiseerd, lijkt
voor accreditatie bij NVO/NIP in aanmerking te komen. Met nadruk wordt hier gesproken
over lijkt omdat de exacte gegevens ontbreken. Op basis van ervaring met de betreffende
opleidingsinstellingen is het waarschijnlijk dat het aanbod de toets van de
accreditatiecommissie kan doorstaan.
3.
Er worden intervisie-activiteiten ondernomen. Echter, intervisie kan niet gelden voor
registratie. Bij NIP en NVO kan intervisie wel worden opgevoerd voor de herregistratie. NVO
en NIP bekijken nog of binnen de kaders van de wegingsvoorstellen in de overgangsfase
intervisie (bij ervaren gedragswetenschappers) voor een deel kan compenseren voor
supervisie.
4.
Het aanbod van cursussen en trainingen is soms voor een heel brede doelgroep bestemd.
Dit roept vragen op over het postmasterniveau van deze onderdelen zoals dat voor
registratie bij psychologen en pedagogen geldt. Vanwege het ontbreken van nadere
informatie kan die vraag nu niet beantwoord worden maar dit aspect is een aandachtspunt
voor de nabije toekomst.
5.
Voor zover er supervisie wordt gefaciliteerd is het onduidelijk op welke wijze dat gebeurt. Het
is van belang daar zicht op te krijgen zodat eerder gevolgde supervisie mogelijk kan
meetellen in de ‘tijdelijk wegingsregeling’.
4
Conclusies
De conclusies zijn gebaseerd op de resultaten die zijn opgehaald bij de drie organisaties. Het
onderzoek is niet representatief en het beeld wat geschetst wordt in deze rapportage kan dus niet één
op één worden overgenomen als representatief voor de gehele sector. Het geeft een impressie van
de stand van zaken met betrekking tot de registratie van gedragswetenschappers.
~ 27 ~
Het algemene beeld wat deze impressie geeft, is positief over de stand van zaken op het onderwerp
“beroepsvereisten” versus “functievereisten”. Niet alleen de werkgevers, maar ook de professionals
zelf, geven aan dat de functies die gedragswetenschappers in de organisatie bekleden de kwaliteit
van de door hen uitgevoerde wettelijke taken en hulpverleningsaanbod verhogen. Daarbij wordt
aangegeven dat kwaliteit niet alleen afhangt van het al dan niet geregistreerd zijn, maar wel vraagt om
het up-to-date houden van het kennisniveau en het stimuleren van kennisontwikkeling in de
organisatie. De organisaties geven ook aan dat zij de mogelijkheid willen behouden om op basis van
de rol- en taakanalyse van hun gedragswetenschappers te bepalen en voor welke
gedragswetenschappers een beroepsregistratie vereist is.
Wat prominent naar voren komt in de discussie over beroepsregistratie is de betaalbaarheid van
registratietrajecten en de angst dat hoge opleidingskosten zullen leiden tot hogere kostprijzen. In het
licht van de transitie komt de prijs/kwaliteitverhouding bij het leveren van zorg namelijk nog meer
onder druk te staan.
Als we de resultaten doorlopen komt het volgende beeld naar voren;

In alle pilotorganisaties is 18% tot 56% van de gedragswetenschappers geregistreerd en is
ruim 60% lid van een beroepsvereniging. De gedragswetenschappers hebben vanuit de eigen
professionele invulling van hun functie behoefte aan het op peil houden van hun kennis en het
bijhouden van de ontwikkelingen in de wetenschap op hun vakgebied.

Bij bijna alle gedragswetenschappers is sprake van 10 tot 20% direct cliëntcontact (face to
face of telefonisch contact met kind en/of ouders ten behoeve van diagnostiek en observatie
en/of behandeling). Ook is er sprake van 60 tot 70% indirect cliëntcontact (het leiden van
casusbesprekingen, het toekennen van verlof aan cliënten, ontslagbeleid van cliënten,
vaststelling behandelplan, diagnostiek aanvragen en beoordelen, ontwikkeling en introductie
van nieuwe methodieken en effectmeting).

De werkervaring van gedragswetenschappers laat een divers beeld zien. Zo valt op dat bij
Trajectum de spreiding van werkervaring evenwichtig verdeeld is en een derde van de
gedragswetenschappers meer dan 20 jaar ervaring heeft.
Bij de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam wordt
zichtbaar dat het merendeel van de gedragswetenschappers juist tussen de 0 en 10 jaar
ervaring heeft, met een zwaartepunt bij 0 tot 5 jaar. Hier wordt de eerder beschreven
arbeidsmarktproblematiek bij het werven van voldoende gekwalificeerd personeel voor deze
functies zichtbaar. Bij Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam zien we eenzelfde beeld.

Gedragswetenschappers zijn per organisatie in verschillende functies werkzaam en hebben
tussen de 10 en 20% direct cliëntcontact. Hun bijdrage aan de kwaliteit van de zorg leveren
zij, zowel binnen de diagnostische- als behandelfase, vooral in de complementaire
~ 28 ~
samenwerking met de jeugdzorgwerker. Dat vereist andere kennis en vaardigheden dan het
zelf uitvoeren van diagnostisch onderzoek of het uitvoeren van interventies. Het gaat hier dan
vooral om het toepasbaar maken van wetenschappelijke kennis, en het geven van
systematische begeleiding op de juiste uitvoering van de gehanteerde methodiek in de
uitvoering van een besluit of behandelplan.

De belangrijkste struikelblokken voor werkgevers en werknemers bij de invulling van
registratietrajecten voor gedragswetenschappers zijn het gebrek aan beschikbare middelen,
de tijdsinvestering en de inrichting van een opleidingsplaats.
4.1
Aanbevelingen aan de landelijke stuurgroep STIPJ
Op basis van de uitkomsten van de pilot bij de drie organisaties kunnen wij de volgende
aanbevelingen doen:

Breng een fasering aan bij de invoering van de wettelijke registratie van
gedragswetenschappers en bepaal de einddatum van de overgangsfase,
waardoor kosten en tijdsinvesteringen gespreid kunnen worden per instelling.
Per organisatie is er een grens aan de draagkracht die
postmasteropleidingstrajecten vergen. Dit pleit voor een spreiding van de
tijdsinvestering over meerdere jaren, waardoor de inzetbaarheid van de
gedragswetenschapper voor de organisatie op peil gehouden kan worden.
Aan deze aanbeveling kan de facto al uitwerking worden gegeven. De registratietrajecten van NIP en
NVO voorzien al in de mogelijkheid de registratieperiode uit te spreiden over zes jaar. Bovendien kan
voor, veelal startende, gedragswetenschappers gelden dat ze nog gedeeltelijk moeten voldoen aan
de instroomeisen voor de postmaster registratietrajecten. Verder zal voor de eerste lichting bij
invoering van het wettelijke kader een aangepaste registratieroute openstaan, waarbij eerder gedane
inspanningen op het terrein van onderwijs, supervisie en werkervaring ‘ruimer’ gewogen worden voor
een studieplan dan bij de reguliere registratietrajecten. De fasering kan hier worden toegepast maar in
de praktijk zou dat wel eens in een versnelling kunnen resulteren.
De begeleidingscommissie denkt dat een ruime periode meer soelaas biedt voor werkgevers en
werknemers om de beroepsregistratie van gedragswetenschappers vorm te geven.
Bij de inrichting van de overgangsfase en de gefaseerde invoering van de wettelijke beroepsregistratie moet rekening worden gehouden met drie belangrijke condities:
• Kwaliteit van de dienstverlening;
• Continuïteit van de organisatie (geld, tijd en kostprijs);
• Persoonlijke omstandigheden van professionals (levensfase waarin de verdeling van tijd tussen
zorg- en werktaken geregeld moeten worden).
~ 29 ~

Richt een sectoraal Opleidingsfonds in voor de brede Jeugdzorg naar het model
van het Opleidingsfonds Zorg. Dit fonds moet ervoor zorgen dat er per opleiding
voldoende jeugdprofessionals (jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers)
worden opgeleid van goede kwaliteit voor een redelijke prijs. Het fonds moet de
financiële middelen beschikbaar stellen voor de inrichting van opleidingsplaatsen
voor het postmasteropleidingstraject van gedragswetenschappers, om doelmatig en
doelgericht te kunnen opleiden.
De begeleidingscommissie neemt deze suggestie over uit de ‘Handreiking Slim organiseren
beroepsregistratie gedragswetenschappers’ van NIP en NVO. Wij willen hieraan toevoegen dat de
vormgeving van supervisie en het inrichten van opleidingsplaatsen waarin de klinische kant van het
beroep voldoende geborgd is, ook een taak van het opleidingsfonds kan zijn. Hier wordt met name
gedacht aan het maken van intersectorale afspraken op het gebied van detachering en het inrichten
van vaste opleidingsplaatsen en pools van supervisors. Hiertoe moeten afspraken op regionaal
niveau gemaakt worden, waarbij de werkgevers het initiatief kunnen nemen.

Geef organisaties de mogelijkheid om een eigen afweging te maken welke
beroepsvereisten moeten gelden op basis van functies die gedragswetenschappers
bekleden. Uitgangspunt hierbij is dat er geen afbreuk mag worden gedaan aan de
kwaliteit en de afspraken die voortvloeien uit de beroepscode. Daarin is vastgelegd
dat een gedragswetenschapper altijd zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.
Werkgevers geven aan dat er momenteel verschillende functies worden uitgevoerd door werknemers
met een gedragswetenschappelijke opleiding. Overeenstemming bestaat dat de verplichting tot
beroepsregistratie geldt voor die gedragswetenschappers die direct betrokken zijn bij het primaire
proces. NIP en NVO bepalen wat de registratie-eisen voor hun beroepsregisters zijn. Het betreft hier
vakbekwaamheidseisen, geen functie-eisen.
Het uitgangspunt van NIP en NVO is dat, daar waar sprake is van cliënt- of cliëntsysteemcontacten,
het postmaster registratieniveau noodzakelijk is na een universitaire BAMA-opleiding. Voor sommige
gedragswetenschappers in de sector zal dit betekenen dat ze nog een heel traject moeten volgen.
Anderen zullen daarvan nog een deel moeten doen of hun opgedane ervaring moeten laten
verzilveren. Snijden in de registratie-eisen heeft als bijkomend effect dat er gedragswetenschappers
van ongelijk niveau gaan ontstaan.
Voor zowel het register Kinder- en Jeugdpsycholoog als Orthopedagoog-Generalist is het nodig om
ten minste twee derde cliëntgebonden (direct en indirect) werkzaamheden te verrichten, welke
~ 30 ~
evenwichtig worden verdeeld over diagnostiek en interventie. Indien het gaat om uren uit indirect
cliëntcontact dienen deze in alle gevallen te herleiden te zijn tot een individueel cliëntdossier. Voor
bijvoorbeeld het taakgebied interventie geldt dat de werkzaamheden gericht zijn op systematische
behandelingsplanning: actief ontwerpen, volgen en bijstellen van een plan.

Vraag aan NIP en NVO om mee te denken bij de inrichting van maatwerkopleidingstrajecten, waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van de werkplek,
werkervaring en opgebouwde deskundigheid (d.m.v. scholing) tijdens de functieuitoefening in de branche. Denk hierbij ook aan de inrichting van een
reflectiepraktijk met betaalbare supervisie, het organiseren van opleidingsplekken
waarin behandeling voorkomt, het accepteren / inzetten van door instellingen zelf
ontwikkeld scholingsaanbod en het gebruik maken van geaccrediteerd
opleidingsaanbod.
NIP en NVO bieden de mogelijkheid om binnen de kaders van de registratiecriteria individuele
opleidingstrajecten op te stellen. Voor de eerste groep gedragswetenschappers, in de overgangsfase
van de invoering van het wettelijk kader, is een aangepaste regeling ontwikkeld (zie ook vorige
aanbeveling). De leden van de begeleidingscommissie dringen aan op het aanbieden van scholing op
‘methodische werkbegeleiding’ in het kader van het registratietraject voor gedragswetenschappers.
Ook adviseert de begeleidingscommissie om bij de inrichting van maatwerk opleidingstrajecten tot
regionale arrangementen te komen, waarbij werkgevers het voortouw kunnen nemen.

Vraag aan de cao-tafel of het mogelijk is om afspraken te maken over de
verdeling van opleidingskosten die gemoeid zijn met (her)registratie, waarbij de
gedeelde verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers tot uiting komt.
NIP en NVO zullen in hun Handreiking ‘Slim organiseren van registratietrajecten in de Jeugdzorg’
uitgaan van een gedeelde verantwoordelijkheid van partijen.
Neem bij deze aanbeveling naast de kosten voor (her)registratie van de kinder- en jeugdpsycholoog
NIP en de orthopedagoog-generalist NVO ook de kosten voor de herregistratie van de GZ-psycholoog
BIG mee.
~ 31 ~
Bijlagen
Bijlage 1
Vragenlijst gedragswetenschappers
Vragenlijst voor P&O functionarissen in drie pilotorganisaties
1. Geef aan welke functiebenamingen u hanteert in uw organisatie voor
gedragswetenschappers (er zijn meerdere antwoorden mogelijk)
0
behandelcoördinator
0
gedragswetenschapper
0
kinderarts
0
kinder- en jeugdpsychiater
0
vertrouwensarts AMK
0
GZ-psycholoog
0
klinisch psycholoog
0
ontwikkelingspsycholoog
0
orthopedagoog
0
psychotherapeut
0
anders, namelijk:
Voeg van de door u aangekruiste functies de functiebeschrijvingen of – profielen toe die
daarvoor in uw organisatie worden gebruikt.
2. Geef aan voor elk van de categorieën gedragswetenschappers aan hoeveel er werkzaam zijn
in uw organisatie.
3. Geef per type gedragswetenschapper aan hoeveel jaar werkervaring zij hebben in deze
functie binnen uw organisatie.
4. Geef per functiecategorie aan hoeveel direct en indirect cliëntcontact deze medewerkers
hebben in percentages van 0 tot 100%.
Onder direct cliëntcontact wordt verstaan:
Face to face of telefonisch contact met kind en/of ouders t.b.v. diagnostiek en observatie,
en/of behandeling.
~ 32 ~
Onder indirect cliëntcontact wordt verstaan:
Het leiden van casusbesprekingen, het toekennen van verlof aan cliënten, ontslagbeleid van
cliënten, vaststelling behandelplan, diagnostiek aanvragen en beoordelen, ontwikkeling en
introductie van nieuwe methodieken en effectmeting.
5. Geef in onderstaande tabel per functietype voor de gedragswetenschappers aan hoeveel er
geregistreerd zijn, in welk register en of zij bezig zijn met een registratietraject .
Functiebenaming
Aantal
geregistreerd
Registratie
in register:
Aantal niet
geregistreerd
Aantal bezig met
registratietraject
6. Hoeveel gedragswetenschappers zijn er lid van een beroepsvereniging, geef aan welke.
7. Heeft uw organisatie een opleidingsbeleid voor gedragswetenschappers en is dit
uitgeschreven in een opleidingsplan?
Zo ja, stuur het opleidingsplan mee met de ingevulde vragenlijst.
Zo nee, welke uitgangspunten hanteert uw organisatie dan ten aanzien van scholing en
opleiding van gedragswetenschappers?
8. Welke bij- en nascholing is er de laatste zes jaar door uw gedragswetenschappers gevolgd en
wat waren hier de kosten van? Het kan gaan om interne en externe scholing. Geef dit aan per
functiecategorie.
9. Kunt u aangeven wie het initiatief voor de gevolgde scholing genomen heeft?
10. Welke faciliteiten biedt uw organisatie voor het volgen van scholing?
11. Kunt u aangeven of subsidieverstrekkers eisen stellen aan het vakbekwaamheidsniveau van
de gedragswetenschappers?
12. Kunt u aangeven welke belemmeringen u als organisatie ervaart bij de vormgeving van
registratietrajecten?
~ 33 ~
U kunt denken aan:
•
Vormgeving opleidingsplaats waarin zowel diagnostiek, advisering en indicatiestelling,
behandeling en overige taken voorkomen;
•
Investering in tijd en geld vanuit werknemer en werkgever;
•
Bereidheid om scholing te volgen;
•
Beschikbaar opleidingsbudget van de organisatie;
•
Opleidingsvisie op taken en verantwoordelijkheden gedragswetenschappers;
•
Supervisie vormgeven;
•
Evenwichtige verdeling diagnostiek en behandeling in takenpakket.
•
Bekendheid van gedragswetenschappers en de organisatie met de registratie-eisen
van NIP en NVO
•
Overige…
~ 34 ~
Bijlage 2
Achtergrond en opleiding registratie gedragswetenschappers
Gedragswetenschappers in de jeugdzorg
Vakbekwaamheid en beroepsregistratie
t.b.v. “pilot gedragswetenschappers in de jeugdzorg”
20-03-2012
Minimaal niveau van vakbekwaamheid
NIP en NVO zijn van mening dat psychologen en orthopedagogen die zelfstandig werken met cliënten
en cliëntsystemen dienen te beschikken over een minimale vakbekwaamheid, die wordt verworven
tijdens een opleiding van zes jaar: een vierjarige universitaire opleiding, gevolgd door een tweejarig
postmastertraject (bestaande uit een combinatie van werkervaring, supervisie, scholing en
praktijkopdrachten).
Dit niveau van vakbekwaamheid wordt geborgd met een beroepsregistratie.
Het ministerie van VWS heeft een aanvulling op de Wet op de Jeugdzorg in voorbereiding, waarin alle
beroepsbeoefenaren in de jeugdzorg die betrokken zijn bij het primaire proces,
gedragswetenschappers en jeugdzorgwerkers, gefaseerd verplicht worden tot beroepsregistratie. De
overheid wil daarmee het volgende bereiken:
1.
Garanderen van een minimaal niveau van vakbekwaamheid;
2.
Permanente educatie;
3.
Werken onder beroepscode en
4.
Toepassing van tuchtrecht.
Het is de bedoeling dat dit nog in 2012 in de Tweede Kamer behandeld zal worden. Hoe de wettelijke
regeling er precies uit komt te zien is nu nog niet duidelijk. NIP en NVO maken zich sterk om er voor
te zorgen dat de registratie van gedragswetenschappers in de jeugdzorg geharmoniseerd wordt met
de bestaande registers van NIP en NVO. De vereisten voor registratie zullen dan niet anders zijn dan
die nu gehanteerd worden voor de bestaande registers van NIP en NVO. Er wordt gestudeerd op een
overgangsregeling voor gedragswetenschappers die al in de jeugdzorg werkzaam zijn.
~ 35 ~
Voor gedragswetenschappers op het gebied van kinderen (en hun ouders) bestaan er op het
genoemde vakbekwaamheidsniveau op dit moment drie relevante beroepsregistraties:
•
De NIP-registratie Kinder- en jeugdpsychologen
•
De NVO-registratie orthopedagoog-generalist
•
De BIG-registratie gezondheidszorgpsycholoog
(psychologen & orthopedagogen)
De gezondheidszorgpsycholoog is een generalistisch opgeleid professional die werkzaam kan zijn in
de brede individuele gezondheidszorg. De Registerpsycholoog NIP/ Kinder & Jeugd en de NVOOrthopedagoog-generalist beschikken over een gelijkwaardig niveau van vakbekwaamheid, maar
hebben zich specifiek toegelegd op het werken met kinderen en hun systeem (ouders, omgeving).
3
Met andere woorden: het niveau vakbekwaamheid is gelijk - de deskundigheidsgebieden overlappen
elkaar. Niet alle GZ-psychologen zijn bekwaam op het terrein van jeugdigen en niet alle kinder- en
jeugdpsychologen / orthopedagogen zijn inzetbaar op alle terreinen van de individuele
gezondheidszorg.
In de bestaande uitvoeringsbesluiten van de Wet op de Jeugdzorg en onderwijswetgeving worden de
drie beroepsregistraties naast elkaar genoemd als verwezen wordt naar gekwalificeerde psychologen
en orthopedagogen die erkende vakbekwaamheid hebben op het gebied van kinderen en jongeren. In
het schema onderaan dit document zijn de verschillende beroepsregistraties schematisch
weergegeven.
Richting beroepsregistratie: verschillende wegen
Het tweejarige postmastertraject dat leidt tot één van deze beroepsregistraties bestaat uit een
combinatie van werkervaring onder begeleiding, cursorisch onderwijs, supervisie (reflectie),
literatuurstudie en verslaglegging over casuïstiek. In het postmastertraject wordt aandacht besteed
aan zowel diagnostiek als behandeling/begeleiding.
Het traject wordt na de universitaire opleiding gevolgd en kan op verschillende manieren worden
verworven/ingevuld:
3 Dit is 1 op 1 op te maken uit de registratie-eisen van de verenigingsregistraties: 2790 uur werkervaring, 90 uur supervisie, 480
uur theoretisch onderwijs, 1200 pagina’s literatuurstudie, 6 casus
~ 36 ~
1. het doorlopen van een gestructureerde postmasteropleiding
o
Postmasteropleiding gezondheidszorgpsycholoog (K&J-variant)
o
Postmasterberoepsopleiding orthopedagoog generalist
o
Postmasteropleiding gedragswetenschapper in de jeugdzorg
(in ontwikkeling)
Door NIP en NVO word gewerkt aan de ontwikkeling van een postmasteropleiding, die met
name gericht zal zijn op de jeugdzorg, maar die voldoet aan de (generalistische) eisen van de
NIP- en NVO-beroepsregistraties.
2. het volgen van een individueel registratietraject
Binnen de kaders van een NIP of NVO-registratieregeling toont de psycholoog/orthopedagoog aan
dat hij op basis van zijn werkervaring (met werkbegeleiding), supervisie (bij een NIP of NVOerkende supervisor), het volgen van (door NIP/NVO-geaccrediteerde) scholing, literatuurstudie en het
maken van (door de supervisor goedgekeurde) casusverslagen, voldoet aan de registratie-eisen van
NIP of NVO.
Zo’n registratieregeling biedt de mogelijkheid het opleidingstraject flexibel in te vullen, aangepast aan
de eigen (werk)situatie. Tevens biedt het de mogelijkheid voor gedragswetenschappers die al langer
werkzaam zijn om hun reeds opgedane werkervaring en scholing gedeeltelijk mee te laten tellen voor
registratie. Individuele dossiers worden door de registratiecommissie gewogen op inhoud en
samenhang en (eventueel) voorzien van een studieadvies.
Registratie en accreditatie
Hierboven is aangegeven dat er drie relevante beroepsregistraties bestaan die de vakbekwaamheid
borgen van psychologen en orthopedagogen die met kinderen werken.
De BIG-registratie Gezondheidszorgpsycholoog is een wettelijke registratie.
Het ministerie van VWS is registerhouder en stelt de opleidingseisen en het deskundigheidsgebied
vast. Alleen een diploma van één van de (6) wettelijk erkende postmasteropleidingen geeft toegang
tot inschrijving in het BIG-register van GZ-psychologen.
De NIP-registratie Kinder- en Jeugdpsycholoog en de NVO-registratie OrthopedagoogGeneralist vallen onder verantwoordelijkheid van de beroepsverenigingen.
Het NIP (sector Jeugd) respectievelijk de NVO zijn registerhouders.
De registratiecommissies van NIP en NVO geven uitvoering aan de beoordeling van individuele
dossiers en het registreren van kinder- en jeugdpsychologen en orthopedagogen-generalist.
De beroepsverenigingen stellen de opleidingseisen en deskundigheids-omschrijving vast, erkennen
gestructureerde postmasteropleidingen en accrediteren bij- en nascholing die mee kan tellen voor
(her)registratie.
~ 37 ~
Dat laatste doen zij voor de beide registers overigens binnen een gezamenlijke
accreditatiecommissie.
Behoud van vakbekwaamheid en opbouw specifieke deskundigheid
Vakbekwaamheid vereist onderhoud. Psychologen en orthopedagogen die beschikken over een
beroepsregistratie dienen elke vijf jaar aan te tonen dat ze voldoen aan de eisen voor herregistratie.
Onderscheid kan worden gemaakt tussen (generieke) vakbekwaamheid en (specifieke)
deskundigheid.
Vakbekwaamheid wordt verworven door opleiding (universitaire opleiding + tweejarig
postmastertraject) en is voor wat betreft basisvakbekwaamheid generiek van aard. Psychologen en
orthopedagogen die zelfstandig willen werken met kinderen en hun ouders dienen te beschikken over
een basisvakbekwaamheid in de taakgebieden diagnostiek en behandeling/begeleiding. Dat geldt
voor alle werkvelden waarin ze werkzaam zijn.
Na het behaalde basis-vakbekwaamheidsniveau bouwen gedragswetenschappers specifieke
deskundigheid op binnen een bepaald werkveld. De werkervaring, bij- en nascholing en intervisie die
ze volgen om hun vakbekwaamheid op peil te houden (en die wordt getoetst via herregistratie) wordt
immers opgedaan in een specifiek werkveld.
Professionals zijn er via hun beroepscode aan gehouden hun deskundigheid die nodig is in een
bepaald werkveld of op een bepaald domein op peil te houden (state of the art) en de grenzen ervan
in acht te nemen.
~ 38 ~
Bijlage: Schema beroepsregistraties en opleidingstrajecten
Niveau
Vooropleiding
Verenigingstraject (NIP/NVO)
Overheidstraject
Vergelijkbaar
(Wet BIG)
medisch niveau
Universitaire opleiding
Universitaire opleiding
Doctoraal
Psychologie/orthopedagogiek
psychologie, pedagogiek of
geneeskunde
(Bachelor + Master)
diploma geestelijke
gezondheidskunde binnen
doctoraal gezondheidswetenschappen
Basisvakbekwaam-
NIP-Registratie Kinder- en
Gezondheidszorg(Gz)-
Basisarts
heidsniveau voor
Jeugdpsychologen
psycholoog
(artikel 3
zelfstandig werken
NVO-Registratie
met cliënten en
Generalist
Orhopedagoog- (artikel 3 Wet BIG)
Wet BIG)
cliëntsystemen
Postdoctorale opleiding of
registratietraject: 2 jaar
Postdoctorale opleiding:
2 jaar






2790 uur werkervaring
90 uur supervisie
480 uur theoretisch onderwijs
1200 pagina’s resp. 240 uur
literatuurstudie/
praktijkopdrachten
6 casus resp.
2 geïntegreerde casus en 2
integrale reflectie-verslagen





2790 uur werkervaring
90 uur supervisie
480 uur theoretisch
onderwijs
1200 pagina’s
literatuurstudie
6 casus
Specialistisch
NIP-Registratie Kinder- en
Klinisch Psycholoog
Medisch specialist
Vakbekwaamheids-
Jeugdspecialist
Klinisch Neuropsycholoog
(artikel 14 wet BIG)
niveau
NVO-Registratie Orthopedagoog
(artikel 14 wet BIG)
Specialist (i.o.)
~ 39 ~
~ 40 ~

Vergelijkbare documenten

Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg

Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg Dit document is geschreven in het kader van het Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg en is te downloaden via www.professionaliseringjeugdzorg.nl © Stichting Nederlands Jeugdinstituut (NJ...

Nadere informatie

Beroepscompetentieprofiel orthopedagoog generalist

Beroepscompetentieprofiel orthopedagoog generalist NVO worden gehanteerd. Een belangrijke onderliggende reden daarvoor is het verschil in perspectief op registratie tussen werkgevers en de beroepsverenigingen. Werkgevers stellen professionals funct...

Nadere informatie