document - vanin

Commentaren

Transcriptie

document - vanin
1
De mogelijke overstap van Bien sûr! 5 naar En action 6
Dit document geeft informatie voor wie leerlingen bij de aanvang van het 6e leerjaar wil laten overstappen
van Éventail-junior Bien sûr! 5 naar Éventail-junior En action 6. Dit betekent dat we unité 20 van Bien sûr! 5
als eindpunt voor het 5e leerjaar beschouwen.
1
Vergelijking van de woordenschatopbouw
We vergelijken eerst de woorden en structuren die leerlingen op het einde van het 5e leerjaar actief kunnen
gebruiken. In welke mate verschilt de woordenschat tussen Bien sûr! 5 en En action 5?
De woordenschat in Bien sûr! 5 is niet dezelfde als in En action 5. De woordenschat van En action wordt
immers volledig bepaald door de Gemeenschappelijke Actieve Woordenlijst (GAW) van de drie
onderwijsnetten (leerplannen 2010). GAW telt 819 items die over het 5e en 6e leerjaar aangebracht moeten
worden. En action verdeelt die gelijkmatig over de beide leerjaren.
De onderstaande vergelijking tussen de woordenlijsten van Bien sûr! 5 en En action 5 dient om leerkrachten
te helpen bij het inschatten van de overstapmogelijkheid.
De lijsten geven de items als "lexicale items", d.i. uitgebreider dan het aantal "woorden". Bv. un bus en en
bus worden als twee items gerekend. Onder s'appeler worden de verschillende vervoegde vormen als aparte
uitdrukkingen gerekend. Ook alle vormen van de lidwoorden, van persoonlijke, bezittelijke en aanwijzende
voornaamwoorden worden als aparte items gerekend. Woorden met verschillende betekenissen (bv. une fille
als meisje en als dochter) worden eveneens als afzonderlijke items geteld.
Het kan voorkomen dat een item niet verschijnt in de lijst van één methode (bv. en français), maar dat de
leerlingen wel le français geleerd hebben. Dergelijke "nabije" items relativeren soms de vergelijking.
De cijfers in de kolom "BS" verwijzen naar de unités van Éventail-Junior Bien sûr! 5 (20 unités). De cijfers in
de kolom "EA" verwijzen naar de unités van Éventail-junior En action 5 (20 unités).
Samengevat: er is een behoorlijk verschil tussen beide woordenschatlijsten, wat de overstap van Bien sûr! 5
naar En action 6 niet evident maakt.
1.1 Lexicale items die zowel in Bien sûr! 5 als En action 5 voorkomen
Het gaat om 284 gemeenschappelijke items (op 411 items in Bien sûr! 5 en 428 items in En action 5).
BS
7
16
16
16
11
11
7
12
12
16
16
11
11
4
EA
16
17
16
16
13
13
3
14
14
17
17
13
13
6
une
un
un
un
Frans
à (Paris)
à: (aller) à (Namur)
adresse
adresse: Quelle est ton adresse?
âge
âge: Tu as quel âge?
ah
aimer (chanter)
aimer (les livres)
aller
aller (chanter)
an
an: J'ai 14 ans.
anniversaire
een
een
een
een
Nederlands
in (Parijs)
naar (Namen gaan)
adres
adres: Wat is jouw adres?
leeftijd
leeftijd: Hoe oud ben jij?
ha, o, och, zo
graag (zingen)
houden van (boeken)
gaan
gaan (zingen)
jaar
jaar: Ik ben 14 jaar (oud).
verjaardag
2
BS
4
16
14
14
14
14
14
14
EA
7
16
11
20
20
20
20
20
6
20
4
8
9
3
7
10
13
13
10
19
19
5
18
15
12
6
13
1
13
2
2
4
6
4
17
6
5
2
12
11
19
12
13
11
16
5
3
3
6
15
6
14
14
3
2
2
13
6
10
6
14
13
15
15
7
11
9
14
10
2
14
8
15
1
14
2
2
7
8
7
13
8
18
14
14
13
9
14
15
11
17
13
4
2
1
12
8
20
15
5
4
4
15
3
18
8
un
une
un
la
un
un
un
une
une
une
un
une
un
un
une
un
une
un
une
Frans
anniversaire: Bon anniversaire!
appartement
appeler: Il s'appelle Cédric.
appeler: Il s'appelle comment?
appeler: Je m'appelle Félix.
appeler: Tu t'appelles comment?
appeler: Tu t'appelles Gisèle?
appeler: Vous vous appelez
Durieux?
armoire
Attention!
aussi: Je cherche aussi une
gomme.
avec (un copain)
avoir
avoir les cheveux (noirs)
avoir les yeux (bleus)
avoir: j'ai, tu as, il / elle a
beau, belle (m. mv. beaux)
beau: Il fait beau.
bébé
Belgique
bien: (Ça va) bien!
blanc, blanche
bleu, bleue
blond, blonde
bonjour
brun, brune
Ça va bien.
Ça va?
cadeau, des cadeaux
cahier
CD
cent
chaise
chambre
chanson
chanter
chat
chaud: Il fait chaud.
chemise
cheveu, des cheveux
chez (Ria)
chez: aller chez (Ria)
chien
chouette, chouette
chouette: C'est chouette.
cinq
cinquante
classe
Comment ça va?
comment?
content, contente
copain
copine
court, courte
crayon
cuisine
dans (ma classe)
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
Nederlands
verjaardag: Gelukkige verjaardag!
appartement, flat
heten: Hij heet Cédric.
Hoe heet hij?
Ik heet Felix.
Hoe heet jij?
Heet jij Gisèle?
Heet u Durieux?
kast
Opgelet! Let op! Voorzichtig!
ook: Ik zoek ook een gom.
met (een vriend)
hebben
(zwart) haar hebben
(blauwe) ogen hebben
hebben: ik heb, jij hebt, hij / zij heeft
mooi
mooi: Het is mooi weer.
baby
België
goed: (Het gaat) goed!
wit
blauw
blond
dag, goedendag
bruin
Het gaat goed. Alles goed.
Gaat het? Alles goed?
geschenk
schrift
cd
honderd
stoel
kamer
lied, liedje
zingen
kat, poes
warm: Het is warm.
hemd
haar, haren
bij (Ria) thuis
naar (Ria) thuis gaan
hond
tof
Dat is tof.
vijf
vijftig
klas, klaslokaal
Hoe gaat het? Hoe maak je het?
hoe? hoezo?
tevreden, blij
vriend, kameraad
vriendin
kort
potlood
keuken
in (mijn klas)
3
BS
1
3
EA
2
5
11
16
10
6
6
17
10
6
11
11
11
1
1
6
18
13
6
6
2
7
18
8
2
16
16
7
1
2
2
18
18
19
19
9
19
9
6
10
9
5
9
4
3
8
18
2
19
19
10
5
5
3
9
9
13
16
13
9
15
8
1
15
18
1
3
3
3
2
2
3
12
19
8
8
4
10
10
10
3
16
16
10
2
4
4
19
19
9
9
4
18
11
8
3
10
4
10
5
5
12
10
4
9
9
18
4
11
5
11
11
14
16
une
un
une
un
un
un
une
un
une
une
une
une
une
un
le
la
un
un
un
une
un
Frans
de (Liège) / d'(Arlon)
de: (un copain) de (Fanny),
d'(Isabelle)
déjà: Il a déjà 16 ans.
demain
derrière (toi)
des (livres)
deux
deuxième, deuxième
devant (la maison)
dix
dix-huit
dix-neuf
dix-sept
d'où
d'où: Tu es d'où?
douze
école
écouter (la radio)
élève
élève
elle: Elle est chouette.
elles: Elles sont grandes.
en (France)
enfant
et: Lucas et Ria
étage
étage: au (premier) étage
être: Ce sont des livres.
être: C'est (chouette)!
être: C'est mon père.
être: je suis, tu es, il / elle est
exercice
faire
faire: Il fait (chaud).
faire: Il fait (froid).
famille
fauteuil
femme
fenêtre
feuille
fille
fille
fils, des fils
formidable, formidable
fort, forte
français
France
frère
froid: Il fait froid.
froid: Il va faire froid.
garage
garçon
gentil, gentille
grand, grande
grand-mère
grand-père
gris, grise
habiter (j'habite)
Nederlands
van, uit (Luik / Aarlen)
(een vriend) van (Fanny), van (Isabelle)
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
(het)
een
een
een
een
een
al: Hij is al 16. / Hij is reeds 16.
morgen
achter (jou)
--- (boeken)
twee
tweede
voor (het huis)
tien
achttien
negentien
zeventien
vanwaar? waarvandaan?
Vanwaar ben je?
twaalf
school
luisteren naar (de radio)
leerling
leerlinge
Zij / ze is tof.
zij, ze (v. mv.): Ze zijn groot.
in (Frankrijk)
kind (jongen of meisje)
en: Lucas en Ria
verdieping
op de (eerste) verdieping
zijn: Het zijn boeken. Dat zijn boeken.
zijn: Dat is (tof)!
Dat is mijn vader. Het is mijn vader.
zijn: ik ben, jij bent, hij / zij is
oefening
maken, doen
warm: Het is (warm).
koud: Het is (koud).
gezin, familie
fauteuil, zetel
echtgenote, vrouw
raam
blad (papier)
dochter
meisje
zoon
formidabel, geweldig
sterk
Frans
Frankrijk
broer
koud: Het is koud.
koud: Het gaat koud (weer) zijn.
garage
jongen
lief, aardig
groot
grootmoeder
grootvader
grijs
wonen, bewonen
4
BS
15
15
15
15
15
15
6
5
6
6
2
7
12
10
6
1
12
4
8
5
19
12
7
9
9
EA
12
12
12
12
12
12
1
10
8
8
4
10
14
18
14
1
14
7
5
10
14
14
15
11
11
9
10
4
16
16
13
2
7
9
11
5
10
2
9
19
2
2
7
16
16
15
7
1
2
7
8
19
19
6
12
18
3
17
11
18
7
16
16
15
4
10
11
9
9
16
4
11
9
2
4
13
17
17
12
7
1
4
10
12
9
9
1
8
10
1
13
une
un
un
un
une
un
un
une
une
un
une
un
une
le
un
Frans
heure [h] (l'heure)
heure: À 8 heures.
heure: À quelle heure?
heure: Il est 11 heures.
heure: Il est 7 h 10.
heure: Il est quelle heure?
huit
ici
Il y a (des chaises).
Il y a (une table).
il: Il est d'Arlon.
ils: Ils sont forts.
jamais: ne...jamais
jardin
jaune, jaune
je: Je suis Alain.
jeans
jeu, des jeux
jeune, jeune
joli, jolie
jouer
jupe
là
la (porte), l'(armoire), la (fille)
le (garçon), l'(anniversaire), le
(tableau)
les (garçons), les (filles)
lit
livre
loin de (l'école)
loin: (habiter) loin
long, longue
ma (mère)
madame [Mme]
mademoiselle [Mlle]
maintenant
mais
maison
maman
mari
mauvais: Il fait mauvais.
merci
mère
mes (parents)
métro
métro: en métro
minute [mn]
moi: (pour) moi
moi: Moi, je suis Ahmed.
mon (père)
monsieur [M.]
néerlandais
neiger: Il neige.
neiger: Il va neiger.
neuf
noir, noire
nom
non
nonante (en Belgique)
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
(het)
een
Nederlands
uur
Om 8 uur.
Hoe laat?
Het is 11 uur.
Het is 7.10 u.
Hoe laat is het?
acht
hier
Er zijn / staan (stoelen).
Er is / staat (een tafel).
Hij is van Aarlen.
zij, ze (m. mv.): Ze zijn sterk.
nooit
tuin
geel
Ik ben Alain.
jeans, spijkerbroek
spel
jong
mooi
spelen
rok
daar
de (deur, kast), het (meisje)
de (jongen, verjaardag), het (bord)
de (jongens, meisjes)
bed
boek
ver van (de school)
ver, veraf (wonen)
lang
mijn (moeder)
mevrouw
juffrouw
nu
maar
huis
mama
echtgenoot, man
slecht: Het is slecht weer.
dank je, dank u
moeder
mijn (ouders)
metro
met de metro
minuut
mij: (voor) mij
Ik, ik ben Ahmed.
mijn (vader)
meneer, mijnheer
Nederlands
sneeuwen: Het sneeuwt.
sneeuwen: Het gaat sneeuwen.
negen
zwart
naam
nee
negentig
5
BS
7
5
EA
10
11
16
13
4
6
6
5
7
2
12
2
7
12
5
2
3
10
17
7
19
6
12
7
12
17
12
15
11
6
17
18
10
4
6
3
3
11
5
15
4
19
6
13
16
4
11
6
17
6
2
17
11
12
6
2
16
3
16
15
7
3
8
10
15
1
14
4
11
17
5
4
5
13
17
18
9
8
14
7
20
15
14
12
3
1
13
16
3
7
8
4
4
3
8
15
7
14
8
15
16
7
3
1
13
1
4
12
18
17
3
7
8
7
un
un
un
un
un
des
un
une
une
un
une
une
une
une
un
Frans
nous: Nous sommes contents.
nouveau, nouvelle (m. mv.
nouveaux)
numéro [n°]
œil, des yeux
oh
onze
ordinateur
ou: grand ou petit
où?
oui
pantalon
papa
parents (m.)
parfois
pas: neUpas
père
petit, petite
photo
pied: à pied
plaît: s'il vous plaît [s.v.p.]
pleuvoir: Il pleut.
porte
porter (un short)
pour (Élisabeth)
pour: (être ici) pour (chanter)
premier, première
pull
quarante
quatorze
quatre
quatre-vingts
quel (garçon)? quelle (fille)?
Qu'est-ce que (tu cherches)?
Qu'est-ce que c'est?
Qu'est-ce qu'il y a?
qui: C'est qui?
qui?
quinze
radio
regarder (une photo)
rien: de rien
robe
rouge, rouge
roux, rousse
rue
salut
seize
sept
septante (en Belgique)
six
sœur
soixante
sous (l'armoire)
souvent
stylo
super
sur (la table)
sympa, sympa
Nederlands
wij, we: We zijn tevreden.
nieuw
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
nummer
oog
o, nou, och
elf
computer
of: groot of klein
waar?
ja
(lange) broek
papa
ouders
soms
niet, geen
vader
klein
foto
te voet
alstublieft (bij het vragen)
regenen: Het regent.
deur
(een short) dragen, aanhebben
voor (Elisabeth)
(hier zijn) om te (zingen)
eerste
trui
veertig
veertien
vier
tachtig
welke (jongen)? welk (meisje)?
Wat (zoek je)?
Wat is het? Wat is dit?
Wat is er? Wat staat er?
Wie is het? Wie is dit?
wie?
vijftien
radio
kijken naar (een foto)
geen dank, graag gedaan
jurk, kleedje
rood
ros, rossig, roodharig
straat
dag, hallo
zestien
zeven
zeventig
zes
zus, zuster
zestig
onder (de kast)
dikwijls, vaak
(bal)pen
geweldig, schitterend
op (de tafel)
sympathiek, aardig
6
BS
5
6
6
20
19
19
7
7
7
5
12
20
15
16
11
15
4
3
6
17
12
1
2
6
2
6
13
12
12
5
11
15
2
9
10
16
14
7
13
EA
4
8
8
16
9
9
13
7
1
4
11
9
17
17
3
6
7
5
1
15
7
1
3
1
3
8
14
14
14
11
3
15
3
11
17
17
10
10
15
une
un
le
un
un
une
un
des
une
des
Frans
ta (mère)
table
tableau, des tableaux
téléphoner (à Lucie)
temps
temps: Quel temps fait-il?
tes (parents)
toi: (pour) toi
toi: et toi?
ton (frère)
toujours
tout de suite
train
train: en train
treize
trente
très (content)
triste, triste
trois
troisième, troisième
T-shirt
tu: Tu es Ellen!
un (stylo)
un, une
une (feuille)
vert, verte
veste
vêtement
vêtements (m.)
vieux, vieille
vingt
vite: (Ça va) vite.
voici (un stylo)
voilà (Julie)
voiture
voiture: en voiture
vous: Vous êtes d'où?
vous: Vous êtes jeunes!
yeux (un œil)
een
een
het
een
een
een
een
een
Nederlands
jouw (moeder), je (moeder)
tafel
bord, schoolbord
telefoneren (naar Lucie), (Lucie) opbellen
weer
weer: Welk weer is het?
jouw (ouders), je (ouders)
jou: (voor) jou
en jij?
jouw (broer), je (broer)
altijd, steeds
onmiddellijk, meteen
trein
met de trein
dertien
dertig
zeer, heel, erg (tevreden)
droevig, triestig
drie
derde
T-shirt
jij: Jij bent Ellen!
een (pen)
één
een (blad)
groen
jasje, vest
kledingstuk
kleding, kleren
oud
twintig
snel: (Dat gaat) snel, vlug.
hier is (een pen), ziehier, hier heb je
daar is (Julie), daar heb je
auto
met de auto
u [beleefdheidsvorm]: Vanwaar bent u?
jullie: Jullie zijn jong!
ogen
1.2 Lexicale items die enkel in Bien sûr! 5 voorkomen en niet in En action 5
Het gaat om 37 items. Deze maken ook geen onderdeel uit van GAW.
BS
15
17
17
11
16
13
12
12
7
15
5
13
15
17
une
un
une
un
une
un
une
un
un
Frans
arrivée
ascenseur
ascenseur: par l'ascenseur
assez: (c'est) assez
avenue [av.]
bandit
blouse
blouson
ça alors
changer (1 manger)
console
costume
départ
escalier: par l'escalier
een
een
een
een
een
een
een
een
een
Nederlands
aankomst
lift
met de lift
(het is) genoeg
laan
bandiet, gangster
blouse
jekker, windjack
nee maar, verdorie
overstappen (trein)
spelcomputer, gameboy
kostuum, pak
vertrek (weggaan)
met de trap, langs de trap
7
BS
20
10
2
15
12
18
5
11
18
5
13
12
13
14
11
11
16
16
12
15
17
17
15
Frans
euh
feuille (de papier)
génial, géniale (8 man. mv.
géniaux)
horaire (l'horaire)
jogging
là-bas
lecteur de CD
moi aussi
nom: quel est ton nom?
oh là là!
police
polo
poser une question (à Luc)
riche, riche
seul, seule
seul: (j'ai) un seul (frère)
station (de métro)
sur (l'avenue Foch)
sweat-shirt
TGV (train à grande vitesse)
ticket
Tour Eiffel
voie
une
un
un
un
la
un
une
un
un
un
la
une
een
een
een
een
de
een
een
een
een
een
de
een
Nederlands
hm, och, oh
blad (papier)
keigoed, reuze, geniaal
(uur)rooster, dienstregeling
joggingpak
ginder, ginds, daar
cd-speler
ik ook
wat is je naam? hoe heet je?
ach jee!, o jee!
politie
polohemd
een vraag stellen (aan Luc)
rijk
enig (alleen)
(ik heb) maar één (broer)
(metro)station
op (de Fochlaan)
sweatshirt, sweater
HST (hogesnelheidstrein)
(toegangs)kaartje
Eiffeltoren
(trein)spoor
1.3 Lexicale items die enkel in En action 5 voorkomen en niet in Bien sûr! 5
Het gaat om 144 van de 428 items in En action 5. Dit zijn de items waar de leerlingen bij het begin van het
schooljaar best receptief mee vertrouwd worden gemaakt als de school ervoor kiest om de overgang van
Bien sûr! 5 naar En action 6 te maken.
EA
11
6
13
6
6
12
18
6
17
17
6
7
18
14
19
19
10
10
18
14
18
8
17
17
6
14
14
un
l'
un
un
un
un
une
le
une
un
une
un
un
un
le
Frans
amoureux, amoureuse
an: le nouvel an
animal, des animaux
année: Bonne année!
août (m.)
après-midi (m.)
arbre
aujourd'hui
autobus
autobus: en autobus
avril (m.)
ballon (de foot)
banc
basket
basket
basket: jouer au basket
Belge
Belge
bon, bonne
botte
bureau, des bureaux
bureau, des bureaux
bus
bus: en bus
carnaval
ce (garçon)
ces (enfants)
een
een
een
een
een
een
het
een
een
een
een
een
een
Nederlands
verliefd
Nieuwjaar
dier
Gelukkig nieuwjaar!
augustus
's (na)middags
boom
vandaag
autobus
met de autobus
april
bal (groot), voetbal
bank (zitplaats)
basketbalschoen, sportschoen
basketbal
basketten, basketbal spelen
Belgische
Belg
goed, lekker
laars
bureau, kantoor
bureau (meubel)
bus (voertuig)
met de bus
carnaval
deze, die (jongen)
deze, die (kinderen)
8
EA
14
19
14
14
14
3
16
18
12
12
7
9
19
6
6
6
6
19
18
7
17
18
18
20
6
6
12
14
19
10
10
3
13
19
6
14
6
6
6
16
18
13
12
12
18
6
17
16
15
6
12
14
7
7
16
16
12
12
une
une
un
une
un
une
un
une
le
un
une
une
des
l'
un
une
un
une
une
un
le
un
Frans
cette (femme)
chatter
chaussure
chaussure de foot
chercher
chercher: Je cherche (un stylo).
cinquième, cinquième
coin
commencer
commencer: La leçon commence.
cool
dans (une heure)
danser
date
date: Aujourd'hui, nous sommes le 3
mars.
date: Quelle est la date?
décembre (m.)
devoir
douche
DVD
école: (aller) à l'école
entre (30 et 35 ans)
entrer
excusez-moi
fête
février (m.)
finir: La leçon finit.
foot: jouer au foot
football, le foot
Français
Française
gomme
grands-parents (m.)
Internet (m.)
janvier (m.)
jouer au foot
Joyeux Noël!
juillet (m.)
juin (m.)
kilomètre [km]
lampe
lapin
leçon
leçon de (français)
living
mai (m.)
maison: (aller) à la maison
maison: (être) à la maison
mal: (Ça va) mal.
mars (m.)
matin
mauve, mauve
méga cool
merci beaucoup
mètre [m]
mètre: à cent mètres
midi (m.)
midi: à midi
een
een
een
een
een
een
een
een
het
een
een
een
het
een
een
een
een
een
een
een
Nederlands
deze, die (vrouw)
chatten
schoen, schoeisel
voetbalschoen
zoeken
zoeken: Ik zoek (een pen).
vijfde
hoek
beginnen
beginnen: De les begint.
tof, cool, reuze
binnen (een uur)
dansen
datum
datum: Vandaag is het de 3de maart.
Wat is de datum?
december
huiswerk
douche
dvd
naar school (gaan)
tussen (30 en 35 jaar)
binnenkomen, naar binnen gaan
excuseer me, pardon, sorry
feest, feestdag
februari
eindigen: De les eindigt.
voetbal spelen, voetballen
voetbal (sport)
Fransman
Franse
gom
grootouders
internet
januari
voetbal spelen, voetballen
Vrolijk kerstfeest!
juli
juni
kilometer
lamp
konijn
les
les (Frans)
living, woonkamer
mei
naar huis (gaan)
thuis (zijn)
slecht: (Het gaat) slecht.
maart
's morgens, 's ochtends
mauve, paars
keitof, cool, reuze
hartelijk bedankt
meter
op honderd meter
middag
op de middag, om 12 uur, 's middags
9
EA
12
16
20
17
17
12
19
15
6
6
16
6
13
14
15
6
9
15
15
17
9
13
13
16
10
8
8
14
6
6
6
16
17
15
14
11
18
9
6
13
14
11
12
19
19
18
16
19
18
17
17
9
6
17
17
10
12
16
une
la
un
un
un
une
un
un
un
un
un
un
une
un
un
une
une
un
le
une
un
le
des
un
les
un
un
Frans
midi: Il est midi.
mille
montrer
moto
moto: à moto
musique
musique: faire de la musique
nez
Noël
novembre (m.)
numéro de téléphone
octobre (m.)
oiseau, des oiseaux
orange, orange
oreille
Pâques
parapluie
pardon
penser
pied
pleuvoir: Il va pleuvoir.
poisson
poisson
portable: (téléphone) portable
prénom
prof
prof
pyjama
quand (ça va bien)
quand: C'est quand, ton
anniversaire?
quand?
quatrième, quatrième
rentrer
rester
rose, rose
sa (mère)
salle de bain(s)
seconde [s]
septembre (m.)
ses (livres)
short
son (père)
sport
sport: faire du sport
surfer sur Internet
télé
téléphone
tennis
toilettes (v.)
tram
tram: en tram
va: Il va pleuvoir.
vacances (v.)
vélo
vélo: à vélo
vos (enfants)
votre (livre)
zéro
een
de
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
een
(de)
een
een
het
een
een
de
een
een
Nederlands
Het is middag. Het is 12 uur
duizend
tonen
motor (voertuig)
met de motor
muziek
muziek maken
neus
Kerstmis
november
telefoonnummer
oktober
vogel
oranje
oor
Pasen
paraplu
excuseer me, pardon, sorry
denken
voet
regenen: Het gaat regenen.
vis
vis
draagbare telefoon, gsm
voornaam
lerares, leerkracht
leraar, leerkracht
pyjama
wanneer (het goed gaat)
wanneer: Wanneer is je verjaardag?
wanneer?
vierde
(terug) naar huis gaan, thuiskomen
blijven
roze
zijn (moeder), haar (moeder)
badkamer
seconde
september
zijn (boeken), haar (boeken)
short
zijn (vader), haar (vader)
sport
sporten, aan sport doen
surfen op het internet
tv, televisietoestel
telefoon
tennis
toilet, wc
tram
met de tram
Het gaat regenen.
vakantie
fiets
met de fiets
uw (kinderen), jullie (kinderen)
jullie (boek), uw (boek)
nul
10
2
Vergelijking van de grammaticale opbouw
Samengevat: hier zijn beide methodes heel sterk gelijklopend. In Bien sûr! 5 werd een onregelmatig
werkwoord meer geleerd dan in En action 5.
2.1 Grammatica die wel in Bien sûr! 5 voorkomt, maar niet in En action 5
In Bien sûr! 5 komen de volgende grammaticale elementen voor die niet in En action 5 behandeld werden.
Deze elementen komen wel aan bod in En action 6 maar zijn dus al gekend door de leerlingen. Ze vormen
bijgevolg geen probleem.
-
het werkwoord pouvoir
2.2 Grammatica die wel in En action 5 voorkomt, maar niet in Bien sûr! 5
In En action 5 komen de volgende grammaticale elementen voor die niet in Bien sûr! 5 behandeld werden.
Ze worden wel tijdens de eerste vier unités van En action 6 opgefrist en herhaald (unité 21-24). Ze kunnen
daarnaast ook vlot overlopen worden via de Petite grammaire achteraan in het Livre.
-
3
een bevel geven
de telwoorden tot 1000 (tot 100 in Bien sur! 5)
Didactische tips
We geven hierbij enkele algemene wenken. Welke aanpak het best is, hangt onder meer af van:
- de taalvaardigheid van de klasgroep en de individuele leerlingen,
- de motivatie van de leerlingen,
- de grondigheid waarmee de inhouden van Bien sûr! 5 geïntegreerd werden (als daar nog behoorlijke
lacunes zijn, zal de overstap des te moeilijker zijn).
De hieronder gegeven mogelijkheden kunnen vanzelfsprekend ook gecombineerd worden.
3.1 Meteen starten met En action 6
Dit is mogelijk omdat En action 6 in de eerste vier unités (unité 21-24) de leerinhouden van En action 5
volledig opfrist en herhaalt. Dit gebeurt onder meer door specifieke oefeningen in het Cahier en de rubriek
Des conversations bij elk van de eerste vier unités.
Je kunt hier wat trager doorgaan en elk "onbekend" element verduidelijken, eventueel visueel ondersteund
door de flitskaarten en/of wandplaten uit het 5e leerjaar. Stel leerlingen zeker gerust: alles wat "nieuw" is in
die herhaling komt immers nog regelmatig terug in de loop van het 6e leerjaar. Ze hoeven dus niet meteen
alles actief te kunnen gebruiken. Als ze de nog ongekende woorden en zinnen al kunnen begrijpen is dat
prima in deze fase.
3.2 De taalportfolio's van En action 5 overlopen
Na vier unités volgt in En action steeds een révision. In het Livre gebeurt dit onder de vorm van een
taalportfolio Frans. Het toont leerlingen hoe ze stap voor stap vooruitgaan in het Frans. Het vertelt
leerkrachten en ouders ook wat de leerlingen al (moeten) kunnen in het Frans. Het taalportfolio ondersteunt
op die manier ook het "leren leren".
Elk taalportfolio bevat 3 rubrieken:
- Het gedeelte "Ik kan U" legt het accent op de vaardigheden.
- Het gedeelte "Ik kan daartoe U" verwijst naar de ondersteunende kenniselementen (woordenschat en
grammatica) die nodig zijn om taalvaardig te zijn.
- Het gedeelte "Ik kan ook U" focust op ondersteunende taalleerstrategieën.
Het kan interessant zijn om met de leerlingen een of meerdere taalportfolio's door te nemen om de inhouden
uit En action 5 "aan te raken" en zoveel mogelijk de link te leggen met wat leerlingen al kunnen en kennen.
11
Je vindt de taalportfolio's niet alleen in het Livre 5. Op www.enaction.be vind je onder de rubriek "Leerling"
per révision:
- het taalportfolio als download → Leerlingen kunnen op dit taalportfolio zaken markeren, iets bijschrijven
U
- een cumulatieve alfabetische woordenlijst met daarin alle woorden en structuren die de leerlingen in
voorgaande unités geleerd hebben.
3.3 Starten met révision 17-20 van En action 5
Dit kan handig zijn als je enkele leerinhouden uit En action 5 afzonderlijk wil opfrissen vooraleer te starten
met unité 21. Afhankelijk van het niveau van de leerling(en) kun je eventueel ook putten uit oefeningen uit
voorgaande révisions. Een kopie op leerlingenaantal maken van Cahier 5, p. 77-80 (of indien nodig van
voorgaande révisions) is toegestaan voor dit beperkte doel.
3.4 De spel- en differentiatiekoffer bij En action 5 inschakelen
De spel- en differentiatiekoffer van En action 5 bevat een keuze-aanbod van speelse kant-en-klare
differentiatie-opdrachten. De klemtoon ligt op het op een motiverende manier inoefenen van mondelinge
vaardigheden. Je kunt het materiaal op verschillende manieren inzetten: binnen hoeken- of contractwerk, als
differentiatie-opdracht, als een aparte herhaling ... Op die manier kun je - na een korte klassikale toelichting
of instructie - de leerlingen gericht laten oefenen.
In de spel- en differentiatiekoffer bij En action 5 vind je onder meer:
- een dominospel bij verschillende unités;
- een bordspel bij elke révision;
- punttekeningen bij verschillende unités;
- een spel met aanpasbare dobbelstenen bij verschillende unités;
- een bordspel in verband met het weer beschrijven;
- een woordenschatspel bij verschillende unités;
- een werkwoordspel bij verschillende unités;
- kopieerbladen met individuele woord-, werkwoord- en getalkaarten.
De concrete mogelijkheden lees je in de begeleidende pagina's die je in de spel- en differentiatiekoffer vindt.