oud-gorcum varia

Commentaren

Transcriptie

oud-gorcum varia
oud-gorcum varia tijdschrift van de historischevereniging "oud-gorcum"
2000 - 3
jg.17
nummer 48
HISTORISCHE VERENIGING OUD-GORCUM
opgericht 20 augustus 1909
erelid
C. de Ruiter (1989)
W. Kreukniet-den Hertog (2000)
secretariaat
(lidmaatschapladreswijzigingen)
Kon. Emmastraat 12
4205 BM Gorinchem
tel. 0183-622331
bestuur
G. Vroegh, voorzitter
A.J. Busch, secretaris
D.C. Pleyte, penningmeester
G. de Groot
W.A. van der Hoff
drs. A. van Loon
A.J. Schulte
L.C.M.J. Stultiens-van der Velden
M.W.Ph. van Tussenbroek
redactie
Oud-Gorcum Varia
B. Freriks
drs. A. van Loon
drs. H.M. den Uyl
redactiesecretariaat
(Oud-Gorcum Varia,
Historische Reeks)
drs. H.M. den Uyl
Schotdeuren 16
4205 PD Gorinchem
tel. 0183 624951
De contributie bedraagt minimaal fl. 30 per jaar, over te maken op rekeningnummer 47 22 64 761 van de ABN-Amrobank te Gorinchem (postbankrek. van
de bank 3050) of op Postbanknr. 5593243 t.n.v. penningmeester van OudGorcum, Athene 4 te Gorinchem.
Losse nummers van Oud-Gorcum Varia a fl. 7,50 zijn verkrijgbaar in het Cultuur-Historisch Informatiecentrum Dit is in Bethlehem, Tinnegietersteeg l te
Gorinchem (geopend elke zaterdag van 13.00-16.00 uur). Verder zijn daar verkrijgbaar losse nummers van de Historische Reeks Oud-Gorcum a fl. 10 en
andere uitgaven van de Vereniging.
ISSN 1384-721X
Omslag: Afbraak van de Grote Kerk, naar een litho door P.J.B. (1845). Stadsarchief Gorinchem. ALLES VAN WAARDE IS WEERLOOS
R.F. van Dijk
Bovenstaand citaat van de dichter en schilder Lucebert geldt zeker voor het
werk van het kunstenaarsechtpaarJacob (Jaap) Bouhuijs en Petronella Helene (Nel) Klaassen, althans voor zover dat in Gorinchem aanwezig was. Was,
want bijna niets ervan is meer te bewonderen. Toch hadden zij een zekere
faam. Hun naam is verbonden aan werken in het ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Wetenschappen, in de Europahal van Schiphol en in schepen van
de Holland-Amerikalijn en de Oranjelijn.' Bouhuijs (1902-1983) en Klaassen
(1906-1989) volgden de Middelbare Kunstnijverheidsschoolin hun geboorteplaats Arnhem en de Rijksakademievoor Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Bovendien behaalde Bouhuijs de akten L.O. en M.O. tekenen. Zij verruimden
hun blik verder in Rome, Parijs en Londen. Hij behaalde de zilveren medaille in
de Prix de Rome voor monumentale schilderkunst en zij de gouden plak voor
monumentale beeldhouwkunst. Klaassen maakte gedurende twintig jaar samen met prof. F.A. Eschauzier veel beeldhouwwerk voor architectuur. Ook
haar man was daarin bekwaam en beiden schilderden en tekenden. Verder
maakten zij mozaïeken.2
Dat laatste was blijkbaar bekend bij ir. R.D. Bleeker, de Haagse architect van
de Poortersschool in de Schepenenstraatte Gorinchem. Op verzoek van het
gemeentebestuur noemde hij een aantal namen van kunstenaarsdie voor die
lagere school een mozaïek zouden kunnen vervaardigen. Een van hen was de
inmiddels in Zandvoort bij Haarlem woonachtige Klaassen en zij kreeg op 8
maart 1958 de opdracht. Het kunstwerk stelde voor een poorter met in de
rechterhand de stadssleutel en onder de linkerarm het wapen van Gorinchem,
met daarnaast een poort met het wapen van de heren van Arkel. Bij de opening
van de school sprak burgemeester mr. L.R.J. ridder Van Rappard de hoop uit,
dat deze uitbeelding van het poortersschap de jeugd zou inspireren tot het
worden van actieve burgers.3
Afgezien van het feit dat er schoolboeken voor staan, is het mozaïek nog
steeds te bewonderen.
Het collegevan burgemeester en wethouders gaf op 24 januari 1960opdracht
aan het echtpaar tot het maken van een dertiendelig mozaïek met de stadsplattegrond en historische figuren en objecten voor de eet- en conversatiezaal van het in aanbouw zijnde bejaardentehuis De Torenflat aan de Koningin
eind 1961 geplaatste mozaïeken kostten in totaal ruim
~ilhelminalaan.4~e
f 20.000.
Sinds de verbouwing van het bejaardentehuistot appartementen in 1986 zijn
de kunstwerkenopgeslagen in de kelder.
Mozaïek met historische
voorstelling, door J.
Bouhuijs en N. Klaassen,
in 1961 geplaatst in de
conversatiezaal van het
bejaardentehuis De
Torenflat, sinds de
verbouwing in 1986
opgeslagen in de kelder.
Het dagelijks bestuur van het streekziekenhuis, onder voorzitterschapvan Van
Rappard, besloot in zijn vergadering met de bouwcommissie van 4 februari
1960 de Rotterdamse architect ir. B.J.K. Cramer te laten uitzoeken hoe in de
hal van het ziekenhuis een mozaïek kon worden aangebracht. Dit mozaïek
zou de wapens moeten bevatten van de gemeenten die deelnamen aan de
gemeenschappelijke regeling van het ziekenhuis. Op voorstel van Cramer kregen zowel Klaassen als dr. Th.A.H.M. Dobbelmann opdracht om een ontwerp
te maken. Uit de notulen van de vergadering van 28 april is op te maken, dat
het ontwerp van Dobbelmannde voorkeur kreeg.5
Op 27 februari 1962 besloot het college het echtpaar opnieuw uit te nodigen
voor het ontwerpen van een kunstwerk, dit keer ter gelegenheid van het 75-jarig
bestaan van de Lagere Technische School aan de W. de Vries Robbéweg. De
gemeenteraad ging in maart akkoord met een krediet van f 1000. Helaas konden de drie gemaakte ontwerpen de gemeentelijke schoonheidscommissie
nauwelijks bekoren. Het lid drs. P.B. Renes, in het dagelijks leven leraar in o.a.
tekenen aan de kweekschool, was heel stellig. Volgens hem kon geen van de
ontwerpen de toets van zelfs een milde kritiek doorstaan. Alles was bijzonder
slordig, onbeholpen, zwak en onbetekenend. Hij schreef: Ik begrijp eigenlijk
niet hoe men zulke nonchalante stukjes werk durft in te dienen. Het lijkt me
toe, dat zij met plakkaatverf nauwelijks kunnen omgaan. A l met al: treurig
werk. Het tweede lid, de vormgever H.G. Pellikaan, was over een van de ontwerpen wel positief. Dat was breed van opzet, het heeft dimensie en het is
constructief i.v.m. het technisch onderwijs.0ok het derde lid J.G. de WringerVinju (gehuwd met een kunstenaar) kon hiervoor enige waardering opbrengen.
Het vierde lid, de kunstschilder H.A. Ravenswaay, bracht geen schriftelijk oordeel uit.
De voltallige commissie werd door het college uitgenodigdvoor een vergadering op 2 januari 1963. Nu krabbelde Renes terug. Hij had inmiddels reeds
gemaakt werkvan het echtpaar gezien en vond dat toch wel mooi. De commissie sprak nu haar voorkeur uit voor het ontwerp geel kabeltouw. Het college
verleende echter geen opdracht aan het echtpaar. Dit voelde zich gegriefd.
Voor het gevoel van Bouhuijs en Klaassen hadden personen die er geen verstand van hadden de doorslag gegeven. Zij dienden voor de ontwerpen een
declaratie in van f 320.
Eind 1964 schreef Van Rappard, dat hierdoor de relatie met de gemeente grondig kon worden bedorven. Bouhuijs reageerde op 3 januari 1965 met de allerbeste wensen voor het echtpaar Van Rappard en voor de mooie stad Gorinchem.
Tegelijk herinnerde hij aan een arrest van de Hoge Raad (voor het gebouw waarvan hij ooit een opdracht had gekregen),6 welk arrest bepaalde dat ook voor
niet uitgevoerde ontwerpen betaald diende te worden. Mocht de gemeente het
geld niet hebben, dan verlangde hij graag een schriftelijke verklaring van onmacht. Van Rappard antwoordde, dat zijn vasthoudend karakter hem dwong
het echtpaar nogmaals te adviseren de relatie niet op het spel te zetten. Bouhuijs
hield voet bij stuk en uiteindelijk, in september 1965, betaalde de gemeente.'
De onverkwikkelijke afloop van deze kwestie was uiteraard nog niet bekend
toen men in 1962 een kunstwerk voor schouwburg De Nieuwe Doelen aan de
Haarstraat wenste. Nu wilde het geval dat de Koninklijke Paketvaart Maatschappij bij de tewaterlating van een in Gorcum gebouwd schip aan mevrouw
Van Rappard f 10.000 ter beschikking stelde voor een door haar te bepalen
cultureel doel. Haar keus viel op een door het inmiddels bekende echtpaar te
maken mozaïek voor de nieuwe stadsgehoorzaal. Wellicht was haar keus beïnvloed door de voorkeur van haar man, die zitting had in het college van regenten van het theater. Van bepaalde zijde was nog f 2800 beschikbaar gekomen, waarna nog f 1600 ontbrak. De gemeenteraad voteerde hiervoor een
krediet, waarna Bouhuijs een draak ontwierp die bestreden wordt door SintJoris, voor de gelegenheid voorzien van het wapen van de heren van Arkel. Hij
gaf hiermee blijk van historisch besef. De Nieuwe Doelen was immers de voortzetting van de Oude Doelen, die oorspronkelijk huisvesting had geboden aan
de schutterijen, waaronder de Oude of Sint-Jorisschutterij.Verder was hij geïnspireerd door de toneelregisseur Willem Rooyaards, die eens had gezegd dat
acteurs drakendoders zijn.
Het mozaïek in het trappenhuis had een oppervlakte van 1i1/2 m* en bevatte
bijna 120.000 steentjes, o.a. van Afrikaans marmer en halfedelsteen. Bij de
onthulling op 17 oktober 1962 beloofde het college van regenten, dat het kunstwerk tot in lengte vanjaren zal worden bewaard.8 Strikt genomen is die belofte
niet gebroken, maar bij de renovatie van het gebouw in 1989 is het verdwenen
achter een muur. De weduwe van Bouhuijs kan dat net niet meer gezien hebben. Zij overleed in september 1989, een maand voor de heropening van het
theater.
In april 1962 opperde J.G. Pot, directeur van gemeentewerken, dat in de nieuwe
trouwzaal van het stadhuis een gobelin passend zou zijn. Dat gaf een warmere
uitstraling dan een muurschildering of mozaïek en kon gemakkelijk mee worden genomen naar een eventuele nieuwe lokatie. Op aanwijzing van Van Rappard
nam hij contact op met Bouhuijs en Klaassen. Het benodigde geld vond de
burgemeester gerechtvaardigd ter verhoging van de stemmigheidvan de trouwzaal.
De gemeente vroeg ondertussen de Stichting Kunst en Bedrijf te Amsterdam
om advies. Deze stichting, die bemiddelde bij het geven van kunstopdrachten,
noemde nog veel meer namen van gobelinmakers en merkte over het echtpaar
op, dat hun werk nogaldecoratiefwas en vlakvan kleur met een hoekig lijnenspel.
Desgevraagdmeldde de Dienst van 's Rijks verspreide kunstvoorwerpen, dat
de gemeente niet hoefde te rekenen op uitlening van een groot gobelin. Die
gingen namelijk naar ambassades en voor schilderijen bestond een wachtlijst
van een jaar. Daar wilde de gemeente niet op wachten. Het college besloot in
april 1963 de opdracht aan het echtpaar te geven.
Pot meende dat het karaktervollestadhuis geen moderne inrichtingverdroeg.
Voor de trouwzaal had je iets onalledaags nodig, gezien de voor velen toch
bijzonderegebeurtenis van het huwelijk. Een speels, figuratief ontwerp op min
of meer klassieke basis met een warme kleurverdeling was volgens hem het
beste.
De raad stelde vervolgens f 13.000 ter beschikking voor het gobelin. Vier raadsleden vonden dat wel wat duur, maar toen Van Rappard in het vuur van zijn
betoog termen in de mond nam als een onvervangbaar kunstwerk voor geslachten verstemden de overige vijftien leden vóór.
Blijkbaar hadden de wethouders zich te snel akkoord verklaard met de totale
inrichting van de trouwzaal. In juni, tijdens twee opeenvolgende vergaderingen
van het college, kwamen zij daarop terug. Het gobelin en de Lodewijk-XVI-stijl
van de rest pasten volgens hen niet bij elkaar. Eind augustus toonde Klaassen
zeven ontwerpen voor het gobelin aan het college, de schoonheidscommissie
en Pot. Allen, behalve Pot, kozen voor het ontwerp van een bruidspaar in een
rijtuig. Enkele dagen later mochten de raadsleden dit ontwerp bewonderen.
zaal van het voormalig stadhuis.
Waaraan het lag, is niet bekend, maar er is toch een ander ontwerp uitgevoerd. Dit werd gedaan door de Larense handweverij De Knipscheer.9
De geslachten ver gingen niet zó ver. Sinds de verhuizing naar het nieuwe
stadhuis in 1994 is het gobelin spoorloos.
Noten:
Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken 15-8-1962
Lexicon beeldend Nederland 1880-1992. Arnhem: Gysbers & Van Loon,
1993. - p. 145 en 600.
Archief gemeentebestuur, dossier 2802; Nieuwsblad voor Gorinchem en
omstreken 30-5-1958
H.F. van Peer, Historie in mozaïek, in: Oud Gorcum Varia 1962, p. 56-62.
Archief gemeentewerken, doos 224
Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken 15-8-1962
dossier 2893
Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken, 15-8 en 19-10-1962
Archief Nieuwe Doelen, inv.nr. 1, 5-4-1961, 11-7-1961, 13-2-1963
Notulen gemeenteraad 1962, p. 235 en 252
dossier 1178
Het Lindenlaantje. Foto J. den Uyl-Gassenaar, 20-3-1997
144
HET GORKUMSE LINDENLAANTJE
G.Lutke Meijer
De gemeente Gorinchem heefi een lindenlaantje, bestaande uit een kleine honderd in leivorm gesnoeide bomen, dat bijzondere aandacht verdient. Het laantje
is in 1880 aangelegd, tegelijk met de spoorbaan, waarlangs het loopt. De grond
is eigendom van de staat. Maar bij Koninklijk Besluit van 31 mei 1887 is aan de
gemeente Gorinchem toestemming verleend om het te beplanten met leilinden;
daarvoor werd op de begrotingvoor het jaar 1888 f 550 uitgetrokken, toentertijd
voldoende voor honderd lindenbomen. Daarvanzijn er thans nog 95 over.
Het is een prachtig laantje geworden. De ruim tachtigjarige bomen vormen in de
zomer een dicht aaneengesloten bladerdak, de langs draden geleide zijtakken
reiken elkaar links en rechts de hand. In de winter leveren de kale ingeknotte
takken een boeiend lijnenspel; als er sneeuw ligt komen die grillige lijnen nog
duidelijker uit. In totaal is het laantje misschien een vijfhonderd meter lang. Het
eindigt enerzijds op een drukke autoweg, anderzijds in het zogenaamde Plantsoen, waar een aantal prachtige eeuwenoude bomen staan, harmonieus aansluitend op een moderne villawijk.
Via dit laantje kregen wij contact met het voormalige hoofd van de Gorkumse
plantsoenendienst, de heer C.J.M. van Leeuwen, die enkele maanden geleden
met pensioen is gegaan en een en ander vertelde over het onderwerp Stadsgroen op de rivierklei,waaraan hij een groot stuk van zijn leven heeft gewijd.
Het Lindenlaantje is veertig jaar geleden mede aanleiding geweest tot zijn
aanstelling. Het Gorkumse snoeiwerk werd toen uitbesteed aan de Heidemaatschappij, samen met het onderhoud van de begraafplaats etcetera. Toen
de kosten in 1932 opliepen van f 2600 tot f 5500 per jaar besloot de gemeente
het in eigen hand te nemen: een speciale kracht voor f 2500 af en toe bijgestaan door iemand van gemeentewerken, zou naar men meende goedkoper
uitkomen. Er liepen toen in Gorkum 1200 werklozen rond en voor de vacature
meldden zich 146 gegadigden. De heer Van Leeuwen startte met voor f 25
gereedschap: schoffel, spade, rozenschaar en een grote snoeischaar; gras
maaide hij nog met de zeis.
Ik ben niet lang alleen gebleven, aldus de heer Van Leeuwen. Na een half jaar
had ik een vaste medewerker en drie losse krachten, die in maart begonnen en
in september naar huis gingen; maart daarop kwamen ze weer terug... Het
Lindenlaantje heeft veel onderhoud gevraagd. Tussen elke twee bomen staat
een paal, waaraan de zijtakken zijn vastgebonden; tussen die palen zijn draden
gespannen voor het leiden van de takken; voor de stevigheid zitten er dwarslatten tussen de draden. De koppen in de kruin worden om de drie jaar gesnoeid; de zijkanten eisen ieder jaar een beurt; bewerkelijk is het aanbinden
van de lange zijscheuten. Maar al te gemakkelijk breekt er bij wat wind een
zijtak uit. Dan moet je uit een uitloper van de oude stam weer een nieuwe zijarm
''opbouwen" en dat is een heel karwei. U kunt zelf wel uitrekenen hoeveel tijd er
in het laantje is gaan zitten. We zaten om het jaar met drie man op de koppen te
zagen en hadden dan nog ettelijke weken nodig om de zijkanten bij te houden.
We hadden met die drie man elk jaar twee maanden nodig om de zaak in orde te
houden.
Volgens deze berekeningheeft het lindenlaantjedus een kleine 75.000 manuren
gevraagd en volgens het huidige loon- en prijspeil in de 83 jaren van z'n bestaan
wel anderhalf miljoen gulden gekost. Gorkum is, aldus de heer Van Leeuwen,
gek op het Lindenlaantje, waaraan vooral de ouderen vele romantische herinneringen hebben. De intimiteit van het stille afgelegen laantje dreigt nu verloren te
gaan; de Spoorwegen hebben er, vlak achter het station, een verbindingstunnel
op laten uitkomen en nu stort zich bij elke aankomende trein een stroom reizigers over het laantje uit, niet langer met romantische bedoelingen, maar met
het zakelijke verlangen zo snel mogelijk naar huis te komen, ergens in de
nieuwere wijken aan de overkant van de spoorlijn. De gemeenteraad heeft ernstig overwogen een doorbraak te forceren via het aangrenzende plantsoen en
een daarachter liggende verwaarloosde oude boomgaard waar een stuk of wat
villa's zouden moeten verrijzen, maar toen daarbij ook het lindenlaantje werd
genoemd ontstond er een ware "revolutie" in Gorkum, want men mag niet aan
Gorkums oude liefdelaantje komen.
Deze sentimentele binding is o.i. echter niet het enige motief om voorzichtig met
het laantje om te gaan. Het is ook uit tuinarchitectonisch en vakhistorisch oogpunt waard behouden te blijven. Want waar in Nederland vindt men zo'n fraai
voorbeeld vankan-beplantingskunstals hier? Het Gorkumse lindenlaantje is
uniek en dient als stadsgezicht onder monumentenzorgte komen, zodat ook
het nageslacht er wat aan heeft.
Opmerkelijk is, dat Gorkum een groot deel van zijn huidige frisse aankleding te
danken heeft aan de crisisjaren van 1930tot 1939. De boomkwekers beleefden
in die jaren een moeilijke tijd en de Sierteeltcentrale zat met een geweldig overschot aan boomkwekerijartikelen. Die werden gewoon over de Nederlandse gemeenten verdeeld. Wij als gemeente met 15.000 zielen kregen 1400 bomen op
ons dak. Ze kostten ons geen cent; we moesten alleen de vracht betalen.
In principe kon je zeggen wat je hebben wou, maar je kreeg nooit wat je verlangde. Ik vroeg essen, maar ze zonden me acers en kastanjes. En ook taxus
baccata, dingen die nu eenvoudig niet meer te betalen zijn. We hebben er de
wallen van Gorkum mee vol gezet en ook de polderwegen, waar kastanjes toch
eigenlijk niet op hun plaats waren. Dat gebeurde dan in het kader van de werkverschaffing. Soms moesten de bomen er late< weer worden uitgehaald, omdat
een molenaar zich beriep op zijn windrecht. Op de dag dat de oorlog uitbrak
hadden wij een overschot van bollen in bloei; die waren ons ook toegewezen en
we hadden ze overal in de plantsoenen uitgezet....
Gorkum heeft niet minder dan tien of twaalf hectare stadswallen. Ik heb zelf
nog tegen de wallen aangehangen om er de krokus en de narcissen uit te poten
Het Lindenlaantje nog
temidden van onbebouwd
terrein, omstreeks 1960.
Stadsarchief Gorinchem.
en kreeg daarbij een standje van onze Ridder, omdat ik het niet goed deed. Ik
antwoordde de burgemeester: Zeg me dan maar hoe ik het moet doen. Maar of
ik me op kantoor moest verantwoorden wegens dat "onbeleefde antwoord"! Naderhand hebben schippers, voorbijgangers en jeugd er die aardige "wilde"
blommetjes weer uitgehaald. Jammer, want het was een mooi gezicht.
Ja, die jeugd geeft heel wat last. Ze hebben ook veel vernield in het lindenlaantje, net als trouwens de Duitsers, die er in de oorlogsjaren hun tanks opstelden, onzichtbaar vanuit de lucht. Een van de 95 bomen is zo zwaar beschadigd, dat er boomchirurgie op moet worden toegepast. In het algemeen moet je
het sortiment van je plantsoen wel bij het publiek aanpassen: de jeugd moet
erdoor kunnen lopen. We hebben geëxperimenteerd met allerlei soorten heesters, maar kwamen tenslotte terug op stevig gedoornde struiken. Deutzia, vlier,
jasmijn en Ericaceeën maken ze allemaal kapot. Beuken en eiken willen hier
niet, evenmin als ailanthus, kogelstruiken, magnolia, kobus, rhodo's en azalea
mollis.
De grote moeilijkheid op de rivierklei vormt de hoge waterstand. Des winters zit
het grondwater 40 tot 50 cm onder de oppervlakte, hetgeen schadelijk is voor
plantsoen en hoger geboomte. De takken sterven af; ze gaan kapot. Bij het
nieuwe stadspark hadden we een partijtje iepen. De Grontmij had het terrein
opgehoogd en toen de bomen gepoot. Maar het water kon niet weg uit de opgespoten grond. We hebben de harde laag doorbroken en er tenslotte een kraan
bijgehaald om de harde korst te breken; toen is er nieuwe aarde opgebracht en
zijn er andere bomen geplant en nu zijn we er wel door.
De linden van het laantje hadden eigenlijk te weinig grond om goed te gedijen,
we hebben dat opgevangen door de berm te verbreden en toen ging het weer.
De bomen hebben er nooit kunstmest of andere voeding gehad. Aan de andere
kant hebben we op de rivierdijk kastanjes staan, die tot machtige knapen zijn
uitgegroeid; de stadswallen stonden vroeger vol iepen, maar na de iepenziekte
hebben we er kastanjes en platanen neergezet. Het is een mooi gezicht en ze
aarden er best.
Uit: Vakblad voor de Bloemisterij, 27e jaargang, nr. 9 (3 maart 1972), nr. 10 (10 maart 1972).
Publiek op het sluishoofd bij de Hogebrug bij het passeren van het motorjacht Piet Hein op
weg naar Buiten de Waterpoort om prinses Juliana, prins Bernhard en prinses Beatrix aan
boord te nemen, 19 juni 1939. Op de achtergrond het pompgebouw. Stadsarchief Gorinchem.
Het pompgebouw bij de Grote Merwedesluis met de Hogebrug, 1948. Stadsarchief Gorinchem.
148
DE LOCOMOBIELENLOODS BIJ DE GROTE MERWEDESLUIS
A.J. Busch
In 1993, honderd jaar na de openstelling van het Merwedekanaal,verscheen
als eerste deeltje van de Gorcumse Monumentenreeks Honderdjaar schutten
door T. de Nijs. Bij de behandeling van de Grote Merwedesluis staat op blz. 24
de volgende passage: Door het schutten van deze sluis wordt in geval van
hoog water op de Merwede, het water uit de schutkolk op het Kanaal van
Steenenhoek afgelaten. Dit water moet door het gemaal in Hardinxveld, waar
het Kanaal van Steenenhoek uitmondt op de Merwede, weer worden uitgeslagen. Het waterschap van de Linge was zo bang voor wateroverlast, dat het
bedong dat het water uit de schutkolk weer in de Voorhaven kon worden gepompt. Dit moest gebeuren zodra het toenmalige stoomgemaal in Hardinxveld
onverhoopt niet mocht werken en zolang het water in het Kanaal van Steenenhoek hoger was dan 1,40 m boven Ai?
Het aangehaalde gedeelte komt op het volgende neer. Als bij een hoge waterstand van de Merwede de zuidelijke sluisdeuren van de Grote Merwedesluis
voor de scheepvaart geopend worden komt een extra hoeveelheid water in het
Merwedekanaal. Dit kanaal en het Kanaal van Steenenhoekstaan met elkaar
in verbinding doordat zij elkaar tussen de Kortebrug en de Concordiabrug kruisen. Om het binnengekomen water weer op de Merwede te brengen zou het
gemaal bij Steenenhoek in Hardinxveld extra moeten malen. De stoombemaling
aldaar was eigenlijk al onvoldoende, zodat het afvoeren van extra schutwater
op bezwaren van het waterschap stuitte.
Het Rijk en het waterschap van de Linge-uitwatering kwamen in 1886 overeen,
dat ter voorkoming van waterbezwaar door het schutten met de Grote
Merwedesluis het schutwater uit de schutkolk door Rijkswaterstaat moest worden teruggevoerd naar de Vluchthaven. Dat afvoeren geschiedde met behulpvan
twee centrifugaalpompen,die werden aangedrevendoor gehuurde stoommachines op wielen, zgn. locomobielen. De pompen stonden opgesteld in een loods
bij de schutsluis. De loods werd gebouwd in 1893 en in dat zelfde jaar leverde De
Vries Robbé de twee pompen met het buizenstelsel voor f 14.199,67.
Verbetering van de hoofdrivieren had een verlaging van de waterstanden bij
Steenenhoek tot gevolg. Daardoor kwamen de pompen nog zelden in bedrijf. In
de periode 1903-1914 werkten de pompen alles bij elkaar nog geen elf etmalen. Gedurende zes jaren werden de pompen zelfs helemaal niet gebruikt.
Het wegmalen van het schutwater met behulp van de twee pompen was een
kostbare zaak, te duur voor het geringe gebruik. Vandaar dat gezocht werd
naar een voordeligere oplossing. In 1916117 kwamen Rijkswaterstaat en het
waterschap van de Linge-uitwatering overeen, dat het artikel over het lozen
De sluismeesterwoning waaronder het blindeerbaar magazijn, ca. 1970. Stadsarchief
Gorinchem.
van het surplus aan schutwater uit de overeenkomst van 1886 werd vervangen
door een bepaling waarbij het Rijk de feitelijke kosten voor het afvoeren van het
schutwater met het gemaal te Steenenhoek zou vergoeden. Deze kosten werden vastgesteld op een bedrag van f 150,OO per jaar. De centrifugaalpompinstallatie bij de Grote Merwedesluiswerd vervolgens afgevoerd. Later werd de
afkoopsom bepaald door het aantal draaiuren per jaar van het gemaal in
Hardinxveld.
Het pompgebouw bleef nog geruime tijd bij de sluis staan. Pas in 1951 werd
het afgebroken. Op tekeningen van de kanaalwerkenstaat het aangeduid als
locomobielen loods. Het was een merkwaardig gebouw met een gebogen dak.
Ernaast stond een steenkolen loods en dat is logisch, want de pompen werkten met stoomkracht. Ook de steenkolenloods was voorzien van een gebogen
dak. Deze loodsen stonden aan de westzijde van de Grote Merwedesluis tussen de Hogebrug en het huidige bedieningsgebouw met het gebogen dak.
Het pompgebouw is te zien op enkele onlangs verkregen foto's die Arie
Bronkhorst (1913-1977), zoon van schoenmaker F. Bronkhorst, Westwagenstraat 35, in de jaren 1939-1941 maakte. Na zijn overlijden in Australië belandden de foto's bij familieleden in Dalem en die gaven de foto's aan de Historische Vereniging Oud-Gorcum. Informatieverschaften de heren T. de Nijs van
Rijkswaterstaat en J.B. Eikelenboom,wiens vader jarenlang de Grote Merwedesluis bediende en woonachtig was in de in 1977 afgebroken sluismeesterswoning boven het blindeerbaar magazijn naast de sluis met uitzicht op de
loods die sedert 1916 nog slechts dienst deed als opslagplaats.
DE BIERBROUWERIJ "DE DRIE SNOEKEN" 1785-1837 (1857)
DE ONDERNEMER CORNELIS VAN BORCHAREN(111)
R.H.C. van Maanen
Inleiding
In 1785 begon Van Borcharen industriële activiteiten te ontp1ooien.l Dat jaar
kocht hij een bierbrouwerijaan die tot aan zijn dood in 1837 in zijn bezit bleef.
Productieproces
We spreken in het geval van Van Borcharens bierbrouwerijover een bedrijf dat
bovengistendbier maakte. Vanaf circa 1850 werd in Nederland het zogenaamde
ondergistend Beiers bier (pils) gemaakt. Bierbrouwen oude stijl was (gedeeltelijk) seizoengebonden. 's Winters wanneer het brouwen voornamelijk plaatsvond, werd een beroep gedaan op tijdelijke krachten. Het waren dan lange
dagen, oplopend tot zo'n 14 uur. In de maanden april-oktober was het over het
algemeen te warm om bier te brouwen dat langer dan enkele weken goed bleef
of om de gerst (bestemd voor de mout) te laten ontkiemen. De vergisting van
de wort (het beslag) vond plaats bij kamertemperatuuren was nauwelijks controleerbaar, met als gevolg een niet constante kwaliteit. Het beslag bestond uit
water, gerst, kruiden als hop en munt en werd gekookt. Nadat het was afgekoeld werd gist toegevoegd voor het gisten. Door verontreiniging of te hoge
temperaturen gingen geregeld brouwsels verloren. Het zuur worden van het
brouwsel was het grootste probleem voor de brouwer. Verzuurd bier kon dikwijls nog gebruikt worden bij de azijnproductie en Van Borcharen bezat naast
de bierbrouwerij dan ook jarenlang een azijnmakerij.
Gorinchemse brouwerijen
De stad Gorinchem kent een rijke biergeschiedenis waaraan op den duur een
einde is gekomen. In de achttiende eeuw sloten diverse Gorinchemse brouwerijen de bedrijfspoorten, iets wat in 1808 ook ter sprake kwam. De achterblijvende brouwerijenwerden geconfronteerd met het overnemen van verschuldigde verplichtingen, zonder wezenlijke vooruitzichten te hebben dat het hun
beter zou vergaan. Als voorbeelden kunnen we het dichtgaan van De Gekroonde
Haan en de De Geklaverde Haan aanhalen. Zo bespraken de drossaard en
burgemeesters op 29 december 1770 het verzoek van Martinus Adrianus van
Meerten zijn op de Havendijk achter zijn woonhuis staande brouwerijte mogen
uitbreken en vernietigen. Van Meerten wilde daarnaast verschoond worden van
het moeten betalen van het rosmolengeld en de impost van bierboom en een
gedeelte van de verponding verschuldigd voor de brouwerij. Met de eigenaren
van de overige binnen de stad bestaande brouwerijen was overeengekomen
dat dezen het jaarlijks verschuldigde rosmolen- en bierboomgeld voor hun re-
kening zouden nemen en voor de jaarlijks verschuldigde verponding het bedrag
van f l0 ineens.
Dat in 1787 de bierbrouwers in Gorinchem,
maar ook in de rest van
Holland, in moeilijke tijden verkeerden, blijkt
uit een verzoek dat bieren azijnbrouwers bij de
Staten hadden gedaan
om import van vreemd
gist en het gebruik van
brandersgistte verbieden. De Gorinchemse
jeneverbrander Meijer,
bijgestaan door de
grutters- en bakkersgilden, protesteerde
hiertegen bij het stadsbestuur onder het tonen
van een memorie van de
I
I branders uit Delft, DelfsUitslagbiljet van bier voor te betalen impost. Administratief Arhaven, Leiden, Rotterchief Stad Asperen. Streekarchivariaat West-Betuwe.
dam, Schiedam, Heusden en Oudewater. De bakkers en grutters meenden fors benadeeld te worden
als het verzoek werd ingewilligd. Voordat brandersgist beschikbaar was gekomen, hadden zij brouwersgist moeten gebruiken. Dit was veelal verontreinigd
en dus nauwelijks bruikbaar, in tegenstelling tot de zuivere brandersgist. Was
brouwersgist wel geschikt voor het broodbakken, de bittere smaak maakte deze
niet geschikt voor kleingoed (lekkernijen). Brouwersgist was bovendien vele
malen duurder in aankoop; dit had ook gevolgen voor de prijzen van het meel
door de grutters geleverd. Kortom hogere gistprijzen hadden voor alle ingezetenen negatieve gevolgen. Het toestaanvan een monopolie voor wat betreft brouwersgist was strijdig met de vrije handelsgeest en tegen de natuurlijke en burgerlijke vrijheidwaarbij geen ruimte bestond om de ene bedrijfstak boven de andere te laten prevaleren. De bierbrouwersvroegen in maart in Gorinchem om
vrijstelling van de brouwersaccijns. De vier brouwers kampten met een dusdanig verminderde vraag naar brouwersgist - binnen de stad was nu ook brandersgist verkrijgbaar - dat zij dikwijls het grootste déel van de gist moesten weggooien. Daarnaast was er nu ook concurrentie van brouwerijen die nu werkzaam waren in het afzetgebied van de Gorinchemse brouwerijen. Zo had de
sinds twee jaar in Woudrichem bestaande brouwerij nagenoeg al het debiet in
het Land van Altena weggetrokken, evenals de vanaf 1786 in Beesd aanwezige
brouwerij. In beide gevallen was het om een aanzienlijke afzet gegaan.
In afwachting van een beschikking betaalden de brouwers geen accijns sinds
januari 1787. Drossaard en burgemeesters meldden in juni 1788 verontwaardigd aan de vroedschap, dat het leek alsof de tijden van het patriottisme waren
weergekeerd, waarin burgers pretendeerden zich rechten te mogen aanmeten.
De vroedschap besloot hierop het rekest van de brouwers niet in overweging te
nemen eer alle achterstallige accijns was betaald. Hoewel de brouwersvervolgens weer tot betaling overgingen, wees de vroedschap in augustus het verzoek van de hand.
Aan koop
Op 13 mei 1785werd door regerendschepen Jacob van Dam een huis en erf met
een brouwerij daar annex aan de westzijde aan het Eind, belend ten noorden dr.
Nicolaas de Fremerij en ten zuiden Melchior Speelmans, vanouds genaamd De
Drie Snoeken, strekkende voor van de straat af en achter met een uitgang tot in
de Bornsteeg met ketels, pompen, bakken enzovoort samen met een pakhuis
en erf aan de zuidzijde van de Bornsteeg voor f 16.000,- verkocht aan Cornelis
van Borcharen. Op het eerstgenoemde pand drukte een onderhoudsplicht voor
een houten goot langs een achterkamer en achtergevel van het huis staande in
de Bornsteeg,voorheen eigendom van Lambert Lansman.
Brandgevaar
Januari 1804 kwam een schrijven van Van Borcharen en D. van der Mey van
Oosterhout bij het stadsbestuur binnen, waarin zij hun vrees uitspraken voor
brandgevaar voor hun bedrijven en de stad. In de Bornsteeg werden namelijk
door de weduwe van D. de Zwart zwavelstokjes gemaakt. Zij vroegen het stadsbestuur dan ook de nodige voorzieningen te treffen om een ramp te voorkomen.
De Kamer van Politie bracht in maart rapport uit. De stadsbrandmeester was
opgedragen van tijd tot tijd de situatie in ogenschouw te nemen. De vrouw was
expliciet duidelijk gemaakt dat wanneer zij zich niet hield aan de wettelijke
bepalingen het haar verboden werd door te gaan met de fabricage. Overigens
bleek de vrouw ook een borrel te lusten: haar werd uitdrukkelijk op het hart
gedrukt zich niet meer aan sterke drank te buiten te gaan. Aan het pand waarin
de bierbrouwerij was gevestigd, vonden in de loop der tijd verbouwingen plaats.
Zo kreeg Van Borcharen datzelfde jaar (achteraf) toestemming om een kozijn
met twee naar buiten opengaande halve deuren te mogen aanbrengen. Voorwaarde was wel dat het passerend verkeer in de Bornsteeg niet gehinderd werd
door de deuren en dat deze met haken tegen de muur vastgezet of opgehangen
werden.
Anno 1808
In 1808 moest het Gorinchemse stadsbestuur aan het Departementaal Bestuur van het Maasland een opgave verstrekken van de aanwezige fabrieks-
nijverheid. In het antwoord op 13 augustus werd enigszins teruggeblikt naar
het verleden. Gorinchem telde zo'n dertig jaar eerder nog zes tamelijk bloeiende
brouwerijen, nu teruggelopen tot een schamele twee. Dit verval weet men vooral
aan de toegenomen grote consumptie van koffie en thee en niet te vergeten het
gegeven dat het nu toegestaan was om van elders bier te mogen aanvoeren.
Dit betekende voor Gorinchem, op de grens gelegen met Gelderland, dat het
voor brouwerijen uit deze provincie veel gemakkelijker was bier binnen de stad
Gorinchem in te voeren dan het verder Holland in te zenden. Deze vrijheid
berokkende de Gorinchemse brouwerijen grote schade. Omdat blijkbaar het
vrije invoeren niet kon worden veranderd, pleitte men voor een teruggave van de
impost op de steenkolen zoals eerder de voormalige Staten van Holland al
hadden besloten.
Anno 1816
In 1816 gaf men op dat in de brouwerij drie knechten werkten tegen een weekloon van f 5. Ging het vroeger florissanter met de De Drie Snoeken, nu was
deze kwijnend. Het bier was bestemd voor binnen deze kwartieren. Van
Borcharen weet het slechter gaan aan de hoge graanprijzen en de armoedige
staat waarin de meeste ingezetenen van Gorinchem verkeerden door de watersnood. Hij vreesde dat het nieuwe belastingstelsel de brouwer weinig tot
aanmoediging strekte.
Anno 1819
Voor de enquête van 1819 gaf men in 1820 op dat er bruin bier werd gemaakt.
De vier werknemers werkten tegen een dagloon van f 0,80. In de brouwerij
werden paardenmolens gebruikt. Het bier was voor de binnenlandse markt
bestemd. Voor 1816 ging het goed met de brouwerij dankzij het gunstige
belastingstelsel. Dit was echter gewijzigd en dientengevolge kwijnde het bedrijf tussen 1817-1819 weg. Van Borcharen pleitte dan ook voor wijziging van
het stelsel.
Boedelscheiding
Cornelis van Borcharen overleed op 19 februari 1837, zijn vrouw Johanna
Petronella Coel was al op 13 juni 1830 overleden. De nalatenschapwerd verdeeld onder zijn drie dochters Petronella of ook wel Pieternella genoemd,
Cornelia Johanna Maria (weduwe van Frans Godard Ajso Boelens baron van
Lijnden),wonende te Beetsterzwaagen Antoinetta (weduwe van Jan Jannette),
wonende te 's-Hertogenbosch. De boedelinventarisgeeft enige achtergrondinformatie over het reilen en zeilen van de brouwerij en welke werktuigen aanwezig waren. Na het overlijden was nog het bedrag van f 4.964,31 bij de brouwerij binnenge- komen. De aanwezigevoorraden bier, hop, gerst en mout werden ook getaxeerd. Zo lag er 9.085 pond mout met een waarde van f 772,22% en 819 pond hop e
Een middennegentiendeeeuwse bierbrouwerij.
Op de voorgrond is men
bezig het beslag aan te
maken. Uit: H. Schippers, Het nieuwe bier,
Zutphen, 1992, p. 19
met een waarde van f 307,98. Er werden toen drie soorten bier geproduceerd, te weten prinsessenbier (7.160 liter, f 358,-), gerstebier (4.480 liter, f 112,-) en bruin bier (11.200 liter, f 280,-). We komen ook een afnemer te weten, name- lijk de firma Munk en Kompagnie te 's-Gravenhage, die nog een openstaande schuld had voor geleverd bier van f 2.51 6,45, jaarlijks in f 200 af te lossen. De gerst werd onder meer bij Noordwijns in Rotterdam en bij Bouman gekocht, de tarwe bij Jozua Janssen. De brouwerij blijkt in 1816 of in 1822 verbouwd en hersteld te zijn gelet op de openstaande schulden aan timmerman Adrianus Hakkers a f 129,- en de erf- genamen van de metselaar Brut Quakernaat voor metselwerk ook f 129,-.* In de boedelrekeningwerd de inventaris van brouwerij en mouterij met bier, gerst, hop, handwagens, sleden, bierwagens en gistvloten voor f 3.843,21'/2 inge- bracht. Firma Van Borcharen & Co. Na Van Borcharens dood in 1837 werd de bierbrouwerij voortgezet onder de firma Van Borcharen & Co. Hiertoe werd een akte van compagnonschap geslo- ten tussen de bierbrouwer Klaas van der Koog en Cornelis' dochter Petronella, Afgesproken werd dat vanaf 1 mei 1837 de
aangeduid als bierbrou~eresse.~ brouwerij onder de genoemde firmanaam werd voortgezet, waarbij Van der Koog
' 3 deelgenoten waren. Van der Koog was verantvoor 2/3 en Petronella voor 1
woordelijk voor de administratie en de leiding, de in- en verkoop, het boekhouden en met name een kasrekening, zonder voor deze werkzaamheden een
vergoeding te krijgen. Jaarlijks moest een fatsoenlijke balans worden opgemaakt die uiterlijk eind februari van het nieuwe boekjaar moest worden overgelegd. De bedrijfsinkomstenwerden jaarlijks uitgekeerd, tenzij de compagnons
besloten hadden tot een maandelijkse uitkering waarvan de hoogte in onder-
ling overleg werd vastgesteld en de presumptieve winst niet te boven werd
gegaan. Deze uitkering werd met de jaarwinst vereffend. Kwam Van der Koog
te overlijden en wilde men de firma niet beëindigen dan werd in overleg een
bekwaam persoon als administrateur benoemd. Beide compagnons konden
uit de firma stappen, maar moesten dit wel zes maanden van te voren aangeven. De overblijvende compagnon had dan het recht het aandeel aan te kopen.
Verder werden er afspraken gemaakt over de waarde van de nog aanwezige
voorraad bier en granen. Namelijk, voor bier de prijs die gerekend werd bij de
vervaardiging en voor het graan de gemiddelde marktprijs. Van der Koog betrok
met zijn gezin het huis aan het Eind waarin echter ook Petronella bleef wonen,
namelijk in de bovenvoorkameren het zogenaamde middelkamertje.
Petronella's zusters besloten hun aandeel in het pand aan het Eind en de
brouwerij en verder nog een pand aan de Molenstraat en verder in de mouterij
en erf aan de westzijde van de Boerenstraat (kad. Sec. D nr. 571) niet in geld
uit te laten keren, maar in de vorm van een hypotheek op deze panden te
vestigen tegen een jaarlijkse rente van 4%%. Elk aandeel bedroeg f 4.667,-.
Daarnaast leende Van der Koog van Cornelia nog eens f 1.653 en van Antoinetta
f 2.500 waarbij de genoemde panden als onderpand dienst deden, evenals
een windpelmolen op de Zuiderwal nabij de zogenaamde Tol op het Bolwerk.
De genoemde mouterij was op 15 april 1791 voor schepenen verkregen. Het
woon- en winkelhuis en erf aan de oostzijde van de Molenstraat B nr. 84 werd
aan Markus Sizoo voor f 1.610,- verkocht.
Statistische gegevens uit 1843 tonen aan dat de bierbrouwerijmet vier volwassen personen in dienst een jaarproductie van 83.000 liter bier had. De mouterij
was toen ook nog steeds in bedrijf.
In 1847 kregen de vennoten toestemming van de minister van financiën voor
een jaar verlenging van de eerder verkregen toestemming - bij ministeriële resolutie d.d. 5 november 1844 nr. 162 - een roerkuip van 14 vaten (1.400 liter)
inhoud te gebruiken. Het verzoek was gedaan onder het motto vinden voortdurend nut van deze kuip.
Overname in 1856
De bierbrouwerij werd in 1850 door Van der Koog en zijn compagnon verkocht
aan W.A. Viruly Verbrugge, die de brouwerij op zijn beurt in 1856 verkocht aan
de firma Eijckmans & Van Renesse. Op 10 april 1857 vroegen de nieuwe vennoten toestemming om uit De Drie Snoeken de roer- of werkkuip naar een
andere, hun toebehorende, brouwerij over te mogen brengen. In 1854 was het
toegestaan de oorspronkelijke inhoud van 2.100 liter van deze kuip door het
aanbrengen van roosters en sloten terug te brengen tot 1.480 liter. Ter vervanging kregen zij toestemming een kuip van 3.057 liter te plaatsen. Maar ook
deze kuip was te groot om alle seizoenen door te kunnen werken zonder grote
schade en nadeel op te lopen; hetzelfde gold ook voor enkele door hen geleverde biersoorten (blijkbaar was de vraag hiernaar niet echt groot). De remedie
was dan ook het terugbrengen van de inhoud met minimaal 20% door het
plaatsen van roosters en sloten. De fiscus ging hiermee akkoord op voorwaarde
dat de gaten waardoor het spil van de roosters werd gestoken minimaal vier
duim in doorsnede waren en de roosters op drie gelijke afstanden van elkaar
werden geplaatst zodat zij aan de binnen- en buitenzijde(?)van de kuip twee
duimen van de rand verwijderdwaren.
Noten
1. Zie R.H.C. van Maanen, De jeneverbranderij "De Drie Snoeken"1804-1820. De
ondernemer Cornelis van Borcharen. I in: Oud-Gorcum Varia, 1999-3, jrg 16,
nummer 45, p. 235-240 en De azijnmakerij De Rode Molen 1787-1827. De
ondernemer Cornelis van Borcharen I1 in: Oud-Gorcum Varia, 2000-1, jrg 17, nr.
46, p. 30-36.
2. Rond 1816 zijn vele huizen in Gorinchem hersteld, vermoedelijk als gevolg van
de oorlogsschade. In de notulen van de burgemeesters over de jaren 18161819 en 1822 heb ik echter geen toestemming aangetroffen. Volgens de boedelbeschrijving (akte nr. 146) vonden de werkzaamheden in 1816 plaats, de afrekening van de boedel (aktenr. 211) spreekt over 1822.
3. Aktenr. 206.
Bronnen
Stadsarchief Gorinchem
- Archief stad Gorinchem inv.nrs. 27, f. 166 en 182; 27a, f. 32 en 44; 82, f. 16", 17,
23 en 48; 124, f. 190'.
- Archief gemeente Gorinchem. Statistische gegevens (rubriek 34 nrs. 1 en 2).
- Archief notaris L.G. van Aken, 1856, akte nr. 32.
- Archief notaris C.G. Boonzajer inv. nrs. 4467A, akten nrs. 146, 151-154, 169,179,
205-206 en 211; idem, 1850, akte nrs. 33-34.
- Rechterlijke archieven, inv. nr. 592, f. 21 v en 598, f. 18.
-
-
Algemeen Rijksarchief te %-Gravenhage
Archief Ministerie van financiën dienst directe belastingen 1813-1823 inv. nr. 214.
Archief Ministerie van financiën dienst accijnzen na 1823 inv. nrs. 18 en 62.
Archief Departementaal Bestuur van Maasland 1807-1810 inv. nr. 311.
Dr. I.J. Brugmans, Statistieken van de Nederlandse Nijverheid uit de Nederlandse
Nijverheid uit de eerste helft der 19e eeuw. 's-Gravenhage, 1956, p.259
H. Buiter, Bierbrouwerijen. Stichting Historie der Techniek. PIE, Zeist, 1994.
A.J. Busch, Gorinchem in bedrijf. Midden-Holland in Bedrijf-reeks deel 5. ReproHolland BV, Alphen aan den Rijn, 1992.
J.M. Verhoeff, De oude Nederlandse maten en gewichten. P.J. Meertens-Instituut,
Amsterdam, 1983.
Gezicht vanaf de Lingsesdijk (Lengseldijk) op het nog onbebouwde Wijdschild en de stadswallen van Gorinchem.
Foto H.M. den Uyl, 14 maart 1966
WIJDSCHILD
H. van Hoogdalem Hzn
t
De hierna volgende verhandeling is geschreven door wijlen Hendrik van
Hoogdalem Hzn. en gepubliceerd in het Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken van 21 oktober 1964. Sindsdien is het gehele Wijdschild vol gebouwd.
Redactie
Nu door uitbreidings- en annexatieplannen het Wijdschild, het gebiedsdeel van
de stad aan de oostzijde tussen de wallen en de Lengseldijk' - tegenwoordig
Lingsesdijk - meer en meer in de aandacht van de Gorcumers komt, verdient
het wellicht ook in historisch opzicht meer aandacht dan het tot dusver bij ons
had.
Ik juich het dan ook toe, dat de heer Van der Donk2met zijn wijde Gorcumse
hart het Wijdschild maar vast bij het stadsgebied trekt, maar geheel daarin
volgen kan ik hem echter niet. De heer Van der Donk is de man van de oude
documenten, waarin hij naarstig speurt naar de juridische fundatie van ons
bestaan als stad.
Nu geloof ik niet, dat het Wijdschild van oudsher heeft behoord tot wat hij de
landelijke stadsvrijheid noemt. Integendeel, het heeft naar mijn oordeel deel
uitgemaakt van de heerlijkheid Dalem, die weliswaar als leen (hetzij Hollands
of Gelders) behoorde tot het Arkelse gebied.
Ik word in deze mening gesterkt door een document, dat is opgenomen in het
Register op de leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en graafschap
Zutphen en wel in dat van 't Kwartier van Nijmegen op blz. 449 nr. 187.
Vooraf verdient te worden vermeld, dat het stuk voorkomt onder de akten van
het Kwartier van Nijmegen en niet onder de zg. Uitheemse lenen. In dit laatste
register komt Dalem wel voor, namelijk op blz. 63 en 64, maar daarover later
nog eens. Dan moet nog worden gezegd, dat in deze registers als regel wordt
weggelaten het wijdlopige begin en slot, dat voor vrijwel alle lenen onveranderd
de eeuwen door gebezigd werd.
De tekst, die hieronder volgt, omvat dan ook alleen maar de omschrijving van
het leen, maar ik geloof, dat het voor ons doel voldoende is.
'Den TwijscheltJ',in Dalem gelegen, tusschen de Wilde- en de Doeve Lingen,
streckende van den wege, die deur den Twijscheltgeet ter Merweyden toe;
item een thiende in Dalem, onderdeylt met mijn genadige heeren van Gelre ende
met heer Willem van Ysendoorn,streckende van den Dalemschen wege tot de
Spijxschen lande toe, tot Zutphenschen leenregten ontfangen bij:
Johan K Gellinchemanno 1433. idem tuchtigt sijn vrou anno 1436.
Goert van Gellickem beleent om sijn recht te ven/olgen,ende na voort op Joost
van Sweten (van Swieten?) getransporteert om te leenrecht gequalificeert te
sijn, 21 aprilis 1550.
Idem, eedt vernijt, 31 octobris 1557
Aldus de notaties van de klerken, die belast waren met het bijhouden van de
Zutphense lenen.
Ik betreed nu als leek met schroom een terrein, waarop de heer v.d. Donk een
meester is, namelijk de interpretatie van oude akten, maar ik waag het er op.
Hij pakt mij maar bij mijn oren als ik er naast mocht zijn.
Het gaat in deze omschrijving om twee verschillende leenrechten, namelijk
Den Twijschelten eene thiende in Dalem, die als één recht worden uitgegeven
naar Zutphense leenrechten.
Den Twijschelt is zonder twijfel ons Wijdschild, waarvan de begrenzingen worden aangegeven als te liggen tussen de Wilde- en de Doeve-Linge en wel van
de weg, die door het Wijdschild gaat tot aan de Merwede toe. Met de weg hier
genoemd wordt bedoeld de weg, die nu nog in Laag-Dalem aan de Gorcumse
zijde uit het veld opkomt en die vroeger leidde via de Burchtpoort naar de stad.
Met de Merwede als grens hebben we geen moeite, al zal in de tijd van 1433
die grens wel iets meer landinwaarts hebben gelegen dan thans het geval is.
De naam Twijschilt of Twyschelt heeft niets te maken met de verbastering
ervan tot Wijdschild.
Het is ons telwoord twee, dat wij dan terugvinden in b.v. Twijzel, Tweelo en
vermoedelijk ookTwente (dubbele gouw). Ook in Westfalen komt het in deze
vorm en betekenis voor. Het betekent in het algemeen een gaffelvormig zich
delende weg of stuk land dat gevorkt is (Nederlandse plaatsnamen, H.J. Moerman, Leiden, 1956). Ook een riviersplitsing die aldus gevormd is, valt onder
deze benaming.
Het schilt of schelt is dan de schildvormige verheffing, die tussen zulk een zich
in takken verdelende rivier vormt, als die takken zich een bedding uitslijpen in
het land.
Een blik op een oude kaart zegt ons, dat aan deze voorwaarden ons Wijdschild geheel voldoet.
Bovendien zegt ons de leenakte duidelijk, dat het zo is als ze er over spreekt,
dat het Twyscheltgelegen is tusschen de Wilde- en de Doeve Lingen.
Allereerst iets over de Doeve Lingen. Die vinden we nu nog terug in de grenssloot tussen de gemeenten Gorinchem en Vuren, parallel aan de Lengseldijk
(d.i. Lingedijk).Wij zeggen tegenwoordig Laagdalemseweg.
De betekenis van het Doeve kan zijn d'over Linge en doove Linge. Naar het
spraakgebruik in de streek noemen we wat stroomopwaarts zich bevindt van
iets anders Over, denk maar aan Over-Betuwe om er maar één te noemen.
Ik kies echter voor de betekenis van Doeve voor doof, d.w.z. dus de uitgedoofde of afgesnedenof verlande Linge. Dit afsnijden kan al hebben plaatsge-
Fragment van Vogelvluchtkaart van Gorinchem en omstreken door Pieter Sluyter uit 1553
vonden door het leggen van die weg, maar is ook door natuurlijke oorzaken te
verklaren. We gaan daarop thans niet dieper in.
De Wilde Linge blijkt dus in 1433 een levende benaming te zijn. We zijn dan in
de na-Arkelsetijd, maken al deel uit van het Graafschap Holland en het machtige slot der Arkels aan die zijde is al ruim 20 jaar verdwenen. De ruïnes zullen
echter nog wel zichtbaar zijn geweest.
Die Wilde Linge liep dus tussen de heerlijkheid Dalem, waarvan het leen in
kwestie deel uitmaakt, en de stad Gorinchem.
Bekijken we de kaart, die Pieter Sluijter, landmeter van Zuid-Holland in 1553,
voor de Keizerlijke Majesteit maakte, dan blijkt daaruit, dat er voor die Wilde
Linge geen ander gebied overblijft dan het gedeelte van het tegenwoordige
Wijdschild, dat gelegen is ten noorden van de oude weg door het Twyschelt
hierboven genoemd en de tegenwoordige Lingedijk en dat gebied loopt met
een boog regelrecht naar het deel van onze stad, toen nog buiten de omwalling,
waarin Keizerstraat, Vissersdijk, Dalernstraat, Laantje en Kalkhaven gelegen
zijn.
Die wilde kan, daar was ze tenminste een wilde voor, wel wat ruimte nodig
hebben gehad en wee de man, die de euvele moed had deze wildebras af te
dammen en door de Haven van Gorinchem te leiden. Onze Haven was er al in
1365 en de wilde was er nog in 1433. Nog een stap verder en we mogen
zeggen, dat volgens de notaties uit de leenakteboeken op 31 oktober 1557 het
gebied als zodanig nog bekend was. Vermoedelijk hield men deze uitlaat om
redenen van veiligheid voor de stad zo lang mogelijk in stand. Deze Wilde
Linge moet dan tussen stad en slot hebben doorgelopen. Het zouden slechte
slotenbouwers zijn geweest, als ze dit water ook niet hadden benut voor de
verdediging van het slot door grachten.
We zijn er niet ver naast als we in de Kalkhaven, Laantjeen Vissersdijk, die
vroeger water waren, rudimenten zien van de Wilde Linge. Nog altijd loopt er
door dit stadsdeel een overkluisde watergang, die Linge en Merwede verbindt,
maar naar ik meen niet meer functioneert.
Nog eenmaal een blik op de kaart van 1553. Het deel van ons tegenwoordige
Wijdschild ten noorden van de weg door het Wijdschild is op deze kaart verdeeld in twee hoofddelen, gemerkt B en C. De delen A en D zijn z.g. aanwassen.
Zijn dit de beide delen van eene thiende in Dalem, onderdeylt met mijn gen.
Heren van Gelre ende met Willem van Ysendoorn,streckende van de Dalemsche
wege tot de Spijxschen lande toe?
Ik houd het er voor en meen te mogen zeggen, dat we dus het gehele gebied
moeten zien, als niet behorende tot "de stadsvrijheid", maar tot de heerlijkheid
Dalem. Over de Wilde Linge naar het westen begon het Gorinchemse gebied.
Er is nog wel eens een mogelijkheid in te gaan op het een en ander over deze
heerlijkheid Dalem en zijn bezitters, waaronder ook de Arkels, maar dat komt
later.
Noten:
1. A.A. Beekman, Het dijk- en waterschapsrecht in Nederland vóór 1795, dl. II,
('s Gravenhage 1907), p. 1084. Lengsel: lengte waarmede een nieuwe dijk
(inlaagdijk, dijk tot dichting van een waal of doorbraak) die van den ouden dijk
overtreft. Een lengseldijk is dus een dijk die door het dichten van één of meer
doorbraken langer is geworden.
Door onbegrip werd lengsel ten onrechte in verband gebracht met Linge en
verbasterd tot het zonderlinge woord Lingsesdijk. Helaas heeft het stadsbestuur deze wartaal overgenomen (Red.)
2. W.A. van der Donk, Gorcumse Oudheden X. Van Dorp tot Stad, Gorinchem,
1964.
HAD DALEM EEN KASTEEL?
B.J. de Groot
smonderzoek
Het is nu al meer dan tien jaren geleden, namelijk op 10 juli 1989, dat door T.
Koorevaar een vluchtige verkenning werd uitgevoerd op enige percelen aan de
Laagdalemseweg in de gemeente Gorkum. Het noordelijk deel van het WijdschikiI was toen al prijs gegeven aan de Gorkumse uitbreiding in oostelijke
richting. De straten daar dragen de namen van verdedigingswerken. Ten tijde
van tiet genoemde onderzoek was men op het terrein al aan het graven waardoor een grondiger verkenning niet meer mogelijk was. De gevonden bakstenen
zouden dateren uit de 13" tot 14" eeuw. De eigenaar van de grond, H. van
Mourik, had ter plaatse behalve stenen ook leien en stukken daarvan aangetroffan Volgens de onderzoeker zou de naam van het nabij gelegen huis 't Haagje
en h(?thoefijzervormig verkavelingspatroon rond de vindplaats duiden op een
oude bebouwing.
\/-l-.
vulyens de eigenaar van het oude huis sloeg de naam op een perceelsnaam,
waarop of waarbij het lag. Koorevaar veronderstelt dan ook, dat hij hier te doen
heeft met het huis (kasteel) van Dalem. Van der Aa schrijft in 1841 over het
huis te Dalem, een voormalig adellijk huis in de Tielerwaard, 14 minuten gaans
noordelijkvan het dorp, dat hij zoek op de huidige plaats aan de Merwededijk.
Via de Lingsesdijk komt men dan in de buurt van het vroegere huis De Bonte
Koe, waar de Laagdalemseweg begon. Volgens de schrijver zou het huis te
Dalem sedert een aantal jaren gesloopt zijn. En dat zou wel eens een groot
aantal jaren kunnen zijn!
Voor zover mij bekend, is
aan het onderzoek in het
tijdschrift Oud-Gorcum
Varia geen aandacht geschonken, hoewel dit toch
voor de plaatselijke historie wt?Ivan belang was. Het
iendien opvallend, dat
;orcumse historiejvers zo weinig van het
aangrenzende dorp Dalem
weten te vermelden. Ook
van gemeentelijke zijde 't Haagje aan de Laagdalemseweg waar in juli 1989 bij
trok de vondst van Koore- ontgravingswerkzaamheden op diepte van ca. 150 cm muurvaar niet veel aandacht. werk is waargenomen. Uit: Grondig bekeken 1989, nr. 3, p.17
15ill.
!
Het bodemonderzoek in en om de stad had vermoedelijk voorrang. Zo heeíi
men bij de straatnaamgevingter plaatsegeen rekening gehouden met de veldnamen 't Haagje, Korte Akkers en het Dalemse polderdeel Slijkoord, waarin
deze voorkomen. Wel is de naam van 't Haagje gekozen voor een wijkpark en
de naam Korte Akkers is ook vernoemd. De nieuwbouw van het huis 't Haagje
van W. Versteeg voert ook die naam.
Met enige fantasie is het tracé van de Laagdalemsewegvanaf de Lingsesdijk
nog ongeveer wel te herkennen, namelijkvia de Albertine Kehrerstraat en het
oostelijk deel van de Van Andel-Spruytlaan tot de grens van de bebouwing,
over de Spijksesteeg, waar men het oude tracé volgt tot het huis Den Burggraaf bij de Dalemse Zijving. Mogelijk werd het land ten zuiden van 't Haagje
Het Rondeelgenoemdnaar de hoefijzervorm. Deze vorm aan de zijde van de
verdwenen Hoogdalemsewegwijst op een grachtenstelsel aldaar.
Verwarring van wegen
Hiervoor gaan we even terug naar de tijd voor de Gorcumse uitbreiding.
Volgen we het tracé van de weg vanaf De Bonte Koe aan de Lingsesdijk, dan
gaan we eerst over de Laagdalemsewegen nemen wij wellicht bij de westelijke
Damsteeg of Damweg de Hoogdalemseweg, eindigend bij het huis Den Burggraaf De Laagdalemseweg, ook wel Krommeweg en Tiendweg genoemd, kwam
iets noordelijker van het laatste huis op de Dalemse Zijving uit.
Er loopt daar ongeveer een vliet. Er waren zeker twee Damstegen tussen de
Hoog- en Laagdalemsewegen Slijkoord lag tussen de laatste in. In feite is de
naam Laagdalemseweg aan het oostelijk eind dus niet juist. In het kort komt
het erop neer, dat de Hoogdalemsewegaan het westelijk eind niet meer aanwezig was en dat geldt ook voor de Laagdalemsewegaan het oostelijk eind.
Dat deze situatie tot misverstanden aanleiding heeft gegeven, zal duidelijk
zijn. De ruilverkaveling van de zestiger jaren zal de laatste specifieke resten
van dit typische stroomgebied Slijkoord hebben opgeruimd. Oude kaarten tonen ons dikwijls bijzonderheden in het landschap zoals inmiddels verdwenen
heuvels, wegen en watergangen. De Gorkumse uitbreiding in oostelijke richting zal dit merkwaardigegebied op den duur onherkenbaar maken.
Verkaveling van Slijkoord
Is de veronderstelling van Koorevaar juist? Ik meen deze vraag met ja te moeten beantwoorden. In het rechterlijk archief van de hoge heerlijkheid Dalem
bevindt zich een akte van 20 september 1632waarin de familie De Burchgraeff
haar eigendommen op Dalem scheidt. Maeyke van Broeckhuysen, weduwe
van Cornelis Jansz de Burchgraeff, krijgt dan zeven hond met een griendje,
oostelijk van Den Haegh, aan de inmiddels verdwenen Hoogdalemseweg.Claes
Joosten Hooykees verwerft dan vijf hond aan de Laagdalemseweg. Het polderdeel Slijkoord lag tussen die wegen en werd tot het Hoog van Dalem gerekend.
De namen van de wegen worden en werden door elkaar gebruikt, wat de duide-
Fragment van Lingekaart met de polders Laag- en Hoogdalem door Melchior Bolstra, 1753
lijkheid niet ten goede komt, zoals we hiervoor zagen.
Op 18 november 1638 heeft een scheiding plaats van de eigendommen van de
familie Hooykees met als gevolg, dat zij aan Tielman van Wevelinchoven overdraagt 7 hond hoogland met daarin een werfje en een griendje in Slijkoord, Het
Rendeel, zuidelijk o.a. begrensd door De Haechvan Willem van Grootveld. Op
een met perceelsnamen voorziene kadastrale kaart van de Dalemse polder uit
ongeveer 1900 staat de naam Den Haagvermeldaan de Laagdalemseweg met
oostelijk de afgebroken Vurense watermolen en oostelijk daarvan een rond stuk
grond De Heuvel. De molen stond langs het Vurense kanaal nadat de Vurense
afwatering in 1825 op de Linge was gebracht ter hoogte van het latere gemaal
Constantia Adriana aan de Spijksedijk. De vraag is of De Heuvel hetzelfde is
als Het Hoflandter grootte van een hond of 1419 m2,dat in 1822 bij de koopakte
van de heerlijkheid Dalem verhuurd werd aan Jurrien van de Giessen. In die akte
stond ook griendlandvan dezelfde grootte, namelijk 1 hond of 1419 m2!Of slaat
de naam Het Rendeelop het hofland (de
heuvel), een griend van dezelfde grootte
en nog 5 hond land? Het slot moet dan
35 a 40 meter lang en breed zijn geweest
en oostelijk van de buitenhof hebben gelegen.
Stond op deze heuvel het Dalemse slot?
Van betekenis in de akten uit de 17" eeuw
zijn de namen Het Rendeel of Het Rondeel en Den Haegh of De Haech in dit
opzicht. Het eerste begrip herinnert ons
aan de hoefiizervorm van het perceel en
In Waardenburg is de ronde burchtgracht hettweedea& de latere naa
Den Haag
(rondeel) nog goed te zien.
165
of 't Haagje. Was het Rondeel misschien het restant van een oude waterloop?
Opvallend is het verschil in de verkaveling van Slijkoord met die van Hoog- en
1 3sgdalem. Slijkoordviel uiteen in drie delen, die door Damwegen of Damstegen
waren gescheiden. Het gebied is wel enigszins te vergelijken met Leuven in de
Heukelumse polder, waar tussen Kweldijk en Gaweg zeker drie Damstegen
laa.ien (OGV 37, p. 41 e.v.). De naam Den Haeghslaat op de omgeving van een
buircht. Haag, afgeleid van heg of heining, ging als naam over op land, begroeid
me!t laag houtgewas.
De naam, op verschillende manieren geschreven, vindt men op talrijke plaatsen
. .
in net land terug. In de eerste plaats in de naam 's-Gravenhage, vroeger (in die)
Haghe, een door een haag omsloten gebied, gegroeid om een kasteel, dat door
de graaf van Holland in de 13" eeuw werd gesticht. Verder in de naam Haagoe)
var7 Ter Leede, halverwege Leerdam en Leerbroek. Op deze plaats, oostelijkvan
de hoeve Bouwlust, stond vroeger het kasteel van de heren van Ter Leede. De
is nog zeer goed te zien.
grc
. . tmdslag
perceel heeft een ovale vorm en is onlangs in het kader van de landinrichting
!t bomen beplant. Ook hier zijn oude bouwmaterialen gevonden. De Oranjes
Jden het in bezit als heren en graven van Leerdam. Te denken valt verder aan
riayr
-sstein als naam van een slot, dat als dorp daarvoor Gasperden werd genoer;nd. Mariënhagewas de naam van een klooster op Rietveld onder Arkel. Ik
heririner verder nog aan het polderdeel Achter den Haag bij Buren, gelegen bij
het
..-.k..asteel van dat stadje. De naam Haag is vroeger vermoedelijk een geslachtsnaam geworden. Veel variaties zijn hieruit voortgekomen zoals Haag, Hagen,
Van der Haag, van der Hagen, Verhagen om enige te noemen. Iets dergelijks
kan op verschillende plaatsenvoorgekomen zijn. Aan het eind van de 17" eeuw
legdcr Jan Claessen Hagen te Dalem een verklaring af. Ook is er in die tijd
spral<evan ene Jan Hendricks Hagen als inwoner aldaar.
n-.. Burggraaf
LU<
Hier!/oor kwam het huis Den Burggraaf aan het oostelijke eind van de
Laag~dalemsewegal aan de orde. Volgens een vroegere bewoner, H. de Bruyn,
LU1J de naam van het land, waarop het huis is gebouwd, afkomstig zijn van de
Gorkumse familie De Burggraaf, die het destijds in eigendom had en inderdaad
ha(1deze familie, zoals wij reeds zagen, land op Dalem. Onder de vele Gorkumse
Ian
.-. .deigenaren aldaar was Cornelis Jansz de Burggraef waardsman van Dalem
in 1629. Zijn broer Adriaen was daar toen ingeland. Of in het bewuste land nog
een watergang liep, die de Burggraaf heette omdat deze op een burcht betrekking had, is niet zeker. Bij het transport van de heerlijkheid in 1822 werd ook
verkocht het weiland De Burggraaf op het Hoog ter grootte van 13 hond of 1.84.50
bunder (ha). Volgens de aangehaalde kaart van ca. 1900 lag het perceel met
die naam inderdaadop die plaats, westelijk begrensd door de Kuipersgriend en
deze op haar beurt door een perceel De Rondeelen, waarna de eerste Damweg
volgt.
n. - . , -
0
.
Hoewel de naam afkomstig schijnt te zijn van de hiervoor genoemde familie, afkomstig uit het Land van Altena, is niet gebleken, dat deze een plaatselijke achtergrond heeft, zoals wij zagen. Dit is echter niet geheel uit te sluiten. Als hier vroeger een sterkte was gelegen, dan kan de naam Prinkhoven in combinatie met burggraaf hieraan nog herinne- r a l ! En dan zou Dalem zelfs meer kastelen hebben gehad. Is het toevallig aan familienaam De Burggraafte danken, dat zowel in Dalem als in Meerkerk en
sterwijk die naam voorkomt als watergang en zelfs als weg? En daardoor
lgelijk aanleiding gaf tot de familienaam Van de(n) Burggraaf?
t geslacht van Dalem
dus ongeveer de plaats is bepaald van het Dalemse kasteel, rijst de vraag
wanneer en waardoor dit ten onder is gegaan. Het slot moet bewoond geweest
zijn door een tak van de familie Van Arkel. Zelfs een naam van het kasteel is ons
niet overgeleverd. In 1254was de ridder Nicolaasvan Vuren getuige bij de belening
"
Floris
I van Dalem met het gerecht van dat dorp. Dr. A.W.E. Dek laat de
valArk~elsefamilie Van Dalem, later Van Dongen, niet eerder aanvangen dan 1330 als Jan van Dalem beleend wordt met 5 112 morgen voor Rumpt bij de Linge. Na,
. .-ar ene Florisvan Dalem werd de Floorkens Zijving genoemd op de grens van het Heukelumse Broek. Tijdens de Arkelse oorlog (1401-1412) is de houding van de Van Dalem's niet geheel duidelijk. Enerzijdswas daar Jan van Dalem, die aan de zijde stond van graaf Willem van Beiieren. Vanwege de grote schade die hij geleden had door de heer Van Arkel tijdlens het beleg van Gorkum, kreeg hij daarvoor 25 Engelse nobelen uit de verbeurd verklaarde goederen van een familielid. Anderzijds waren deze goede- renI afkomstig van Jan van Dalem van Wilnesse, die kennelijk voor Willem van Ark:el had gekozen. Het voor het beleg van Gorkum nieuw gebouwde bolwerk Sliktenborch heeft vermoedelijk niets met het Dalemse kasteel te maken. Of uit het bovenstaande blijkt dat het slot toen al geheel of deels verwoest was, is niet bek(end. De eerstgenoemdeJan van Dalem werd in 1402 en 1405 tegen Willem vari Arkel opgeroepen. Tot Willem van Arkel's goede vrienden behoorde ook n
nuelof van Dalem en zijn zoon. Wie van de twee Jan van Dalem's bewoner was
van het slot, is uit het vorenstaande niet geheel op te maken. In de 15" eeuw
gaan de Van Dalem's hun stamgebied verlaten. Een tak vestigt zich in Dongen
en een andere in Rijswijk in het Land van Altena. Walraven Roelofsz van Dalem
wordt in 1519 beleend met het Nedereind van Spijk.
Tot 1423 was ene Floris van Dalem leenman van de heerlijkheid vanwege Holland. Hij verkocht deze toen aan hertog Arnoud van Gelre, waardoor Dalem definitief aan Gelre kwam. Het bleef echter wel een zelfstandige hoge heerlijkheid.
Maximiliaan van Oostenrijk gaf in 1478 de heerlijkheid in erfpacht aan Medaert
van Maerle, tollenaar van Gorkum.
Zijn er ook leden van de adellijke Dalemse familie in Gorkum terechtgekomen?
Jan van Dalem Roelofsz was in 1418, 1434 en 1436 schepen van die stad.
Roelof van Dalem Jansz had ca. 1425 land onder Heukelum. Mogelijk is een
zoon van deze, Walraven, heer van het Nedereindvan Spijk geworden in 1519 en
is hij gaan wonen op het slot De Klootaldaar.
Kortom lijkt het er op, dat Dalem steeds meer in het bezit kwam van vreemde
heren, die slechts een losse band met het dorp hadden.
Dorpskern verplaatst
Een dorpskern wordt over het algemeen niet zo gemakkelijk verplaatst. Het lijkt
er echter op, dat de dorpskern van Dalem verplaatst is naar het zuiden op de
hoek van Merwede- en Lingsesdijk. De Dalemse kerk kwam uiteindelijk op die
plaats terecht. De oude kapel, want Dalem had geen kerk, moet dan ook meer
naar het noorden worden gezocht. Althans op een kaart van Pieter Sluyter uit
1553 is deze daar mogelijk te vinden, niet ver van het kasteel, halverwege de
Lingsesdijk. Bij de uitwateringvan Slijkoord staat hier Dalemaangetekend. Helaas komt het slot hierop niet voor, als het er toen nog was. In 1517 ging Dalem
volgens een belening door de hertog van Gelre over naar graaf Christoffel van
Meurs. Dalem had toen een kapel en 13 tot 18 huizen, die zo armelijk waren, dat
er geen huur van geheven kon worden. Misschien bedoelde men wel, dat er geen
huurwaarde bepaald kon worden! De kapel had zelfs geen begraafplaats en de
Dalemse doden zouden te Spijk ter aarde zijn besteld.
Ook de bekende cartograaf uit het midden van de 16" eeuw Jacob van Deventer
vermeldt de plaatsnaam Dalem ter hoogte van Slijkoord aan de Lingsesdijk op
zijn plattegrond van Gorkum. Hoewel het Wijdschild overwegend Gorkums bezit
was, werd een strook westelijk van de Lingsesdijk tot Dalem gerekend. Lang
vond de Hoogdalemse waterlozing hier plaats. De beide tekenaars laten een
galg zien aldaar op Dalems grondgebied als symbool van de hoge- of halsheerlijkheid, oostelijk van de Arkelse burcht. Ver van de toenmalige dorpskern
en tegen de Gorkumse grens! Van Deventer toont ons mogelijk een kapel of
kerkje met toren bij de uitwatering van Slijkoord.
Heren-, signatenhuis en pastorie?
We zijn al weer 200 jaar verder in de tijd. In 1742 had Dalem een oud herenhuis.
Verder is nog sprake van een fraai, modern herenhuis, doch dit heeft waarschijnlijk betrekking op het huis te Mariënwaardbij Beesd of te Vuren, dat sinds 1734
van dezelfde eigenaar, de graaf van Bijland, was, die vermoedelijk daar of elders
woonde. Daar de schrijver een slot ook een herenhuis noemt, is het de vraag, of
het oude slot toen nog bestond. Of bedoelde hij een huis op de hoek van de
Merwede- en de Lingsesdijk Het Signatenhuisdaarmee? Dit huis moet in 1652
gebouwd zijn en hierin moesten de archieven van de heerlijkheido.m. bewaard
worden. Het lijkt er op, dat dit huis tevens dienst deed als het gerechtshuis van
het dorp, waar behalve de Heer een aantal Gorkumers het voor het zeggen hadden. De zeggenschap over het dorp was al in 1629 in handen gekomen van de
laatsten; zowel rentmeester, schout en schepenen en heemraden kwamen daar
vandaan. Bij het genoemde huis is in
1801 de nieuwe Dalemse kerk gebouwd. Wellicht diende dit huis al in
1712 als pastorie en fungeerde een
deel daarvan als Signatenhuis.
Als de nieuwe heer van Dalem Severijn
Paludaan zijn huis aldaar in 1698 verhuurt aan de schout Peter Wiaert,
weten we niet welk huis hiermee bedoeld wordt. Evenmin is bekend,waar
de verkoop van zijn boedel op het Herenhuis van Dalem enige jaren daarna
plaatsvindt, doch mogelijk bedoelt men
hiermee het Signatenhuis. De familie
Wiaert had een brouwerij op de Kortendijk te Gorkum. Bij de verkoop van de
heerlijkheid in 1822 komt het Dalemse
herenhuis niet meer voor. Dan weten
Deventer (ca. 1560) met Daelhem, de molens We in ieder geval definitief, dat er een
van de polder Laag Dalem en de kapel.
einde is gekomen aan het oude Dalemse slot! Dat er geen afbeelding van werd gevonden is mogelijk het gevolg van het
feit, dat het reeds lang verdwenen is.
Bronnen
Archief van de heren van Ammerzoden, Rijksarchief Gelderland. Gegevens van Dalemers. Notariële archieven. Rechterlijk archief van Dalem, Rijksarchief Gelderland. A.J. van der Aa, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden (1839-1851) derde
deel, p. 178.
G.M. van Aalst, Inventaris van het archief van de heerlijkheid Spijk 1408-1861,
1992.
G. van Berkel en K. Samplonius, Het Plaatsnamenboek, 1989.
H. Burggraaf, Burggraaf'en, 1981. Dr. A.W.E. Dek, Bijdrage tot de genealogie van het geslacht Van Arkel, in: De Nederlandsche Leeuw, november 1966. Ds. J.Th. Groot, 175 en meer jaren Hervormde kerk Dalem, 1976. Abraham Kemp, Leven der doorluchtige heeren van Arke1,1656. M . Schonfeld, Veldnamen in Nederland, 1980. Isaak Tirion, Holland in vroeger tijd. Heruitgave door de Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1964. M.J. Waale, De Arkelse Oorlog 1401-1412, 1990. Grondig bekeken, Orgaan van de archaeologische werkgemeenschap voor Ne- derland, afdeling Lek- en Merwestreek, september 1989, Vurense kroniek in Mededelingenblad van de historische vereniging Vuren, 1990. 171 Hoogdalemse molens ca. 1830. Uit: Twee sluizen in Gorinchem-Oost
172
TWEE SLUIZEN IN GORINCHEM-OOST
Arie van Loon / G.H. Keunen
Overblijfselen van de vroegere uitwatering van de polder Hoog-Dalem
Arie van Loon
In het polderland rondom Gorinchem hebben in het verleden veel molens gestaan. Een groot aantal is in de loop van de tijd gesloopt. De Oost- en de
Westmolen, die tot in de jaren zeventig de polder de Banne van Gorinchem en
Kwakernaat bemaalden, zijn in de directe omgeving van Gorinchem de enige
nog overgebleven molens. In de polders Dalem en Vuren werden al een eeuw
eerder, na 1870, de eerste windwatermolens vervangen. In Gorinchem-Oost
zijn nog overblijfselenvan de vroegere uitwatering van de polder Hoog-Dalemte
vinden. Deze werden in 1995 ontdekt, toen de gemeente bezig was met het
verbeteren van de waterstaatkundige structuur van Gorinchem-Oost. Bij de
Grote Wiel werd een gedeeltelijk gesloopt sluisje ontdekt en in de Lingsesdijk
bleek een vrij grote en tamelijk oude duikersluis aanwezig.
De functie en historische achtergrond van de aangetroffen overblijfselen waren
niet direct duidelijk. De verantwoordelijke projectleider S. Bouwkamp zocht
daarom hierover contact met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.Op vrijdag 15 juni 1995 werd door projectleider Bouwkamp en G.H. Keunen de situa-
De wachtsluis van de verdwenen Schommelmolen nabij de Beatrixboom aan de Lingsesdijk,
voor de restauratie (juni 1995) en daarna (voorjaar 1998). Foto I. G.H. Keunen, r. A. van Loon.
173 tie ter plekke bekeken. Het bleek hier te gaan om de vroegere uitwateringvan
de polder Hoog-Dalem. S. Bouwkamp: Het was aanvankelijkde bedoeling om
een nieuwe duiker te plaatsen in de bestaande duiker in de Lingsesdijk. Maar
toen we aan het graven waren ontdekten we een oude duiker die nog in redelijk
goede toestand was. De oude duiker had een gewelf van 2,6 meter en op de
vloer van de duiker vonden we een eikenhouten vloer. Verderop, waar ook een
nieuwe duiker moest komen, troffen we tijdens het graven de restantenaan van
een klein sluisje. Na onderzoek bleek dit het kleine wachtsluisje te zijn van een
molen (de Schommelmolen) die daargestaan heeft. Na overleg met de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en de Rijksdienstvoor de Monumentenzorg werden de wachtsluis en de sluis in de Lingsesdijkgerestaureerd.
De restauratie werd in maart 1996 afgerond. Over de restauratieverscheen het
rapport Twee sluizen in Gorinchem-Oost,waarin onder andere een beschrijving werd gegeven van de vroegere uitwateringvan de polder Dalem.
De uitwatering van de polder Hoogdalem is in grote lijnen nog zichtbaar. De
locatie van de ondermolen (de Hoog-Dalemse molen), de tussenboezem die
de ondermolen met de bovenmolen (de Schommelmolen) verbond, de uitwateringssluis in de Lingsesdijk, het kleine wachtsluisje bij de bovenmolen en de
locatie van de bovenmolen zijn nog vrij gemakkelijk te herkennen. In 1995 is
een aantal onderdelen van het voormalige afwateringssysteemgerestaureerd,
waaronder het buitenfront van de wachtsluis die achter de Beatrixboomgoed
zichtbaar is. Vlak naast het sluisje stond de Schommelmolen. Ook de gerestaureerde sluis in de Lingsesdijk is duidelijk herkenbaar.
Landschappen en gebouwen vormen het einde van een zekere historische lijn.
Ons land is uniek, grotendeels gemaakt door mensenhand en voor de helft
gelegen beneden de zeespiegel. Ons land bestaat uit ongeveer 1 miljoen kilometer met de hand gegraven kanalen en sloten en uit tienduizenden kilome-
ters aangelegde kaden en dijken. Een wereldwonder, dat als zodanig niet herkend wordt; het minst nog door zijn bewoners die er zo mee vertrouwd zijn. De
waterstaatkundige infrastructuur is op vele plaatsen, ondanks de vaak grootschalige ingrepen in het landschap, nog grotendeels aanwezig en herkenbaar.
Maar bewoners en bezoekers staan daar nauwelijks bij stil. Dat is jammer,
meent G.H. Keunen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. In Twee
sluizen in Gorinchem-Oostadviseerthij de gemeente Gorinchem om door middel
van het aanbrengenvan informatiepanelende kennis over de directe leefomgeving
te vergroten: Informatiepanelen op historisch interessante lokaties zijn waardevol voor de lokale bevolking alswel de toerist. Ze kunnen een zekere aantrekkingskracht uitoefenen en vergroten het maatschappelijk draagvlak voor het
behoud van cultuurhistorische waarden... Informatiepanelenin het historische
landschap zijn echter nog maar schaars aanwezig, terwijl daar zoveel over te
verhalen valt. Dat geldt zeker ook voor de vroegere groepen poldermolens aan
de oostkant van Gorinchem.
Vroegere uitwatering van de polders Hoog-Dalem en Laag-Dalem
G.H. Keunen
Min of meer direct ten oosten van de stad Gorinchem lagen, op Gelders gebied, vanouds de polders Hoog-Dalem en Laag-Dalem. Aan het westelijk uiteinde van deze polders betrekkelijk kort bij de stad stonden de windmolens die
het overtollig water uitmaalden. Hoog-Dalemvanouds via een sluis in de rivierdijk op de Merwede, Laag-Dalemvanouds op de Linge.
Op de bekende kaart van Jacob van Deventer van omstreeks 1560 staan de
molens al aangegeven op de plaatsen waar ze tot eind vorige eeuw stonden.
De oostelijke molen van Hoog-Dalem is niet te zien, omdat hij buiten het kaartbeeld valt, maar gevoeglijk mag worden aangenomen dat hij er toen al wel
stond.
De polders moesten uitwateren op twee rivieren die qua waterstand nogal sterk
konden rijzen. Echter, de molens, die met een scheprad als wateropvoerwerktuig
waren uitgerust, konden niet veel hoger opmalen dan ca. 1,5 (a 2) meter. Bij
hogere rivierstand zouden ze tot stilstand worden gedwongen met als gevolg
wateroverlast en oogstverlies in het achterliggende gebied. Om die reden is
men er al spoedig toe overgegaan om de bemaling zo in te richten dat bij hoog
water twee-hoog kon worden gemalen. Er werden om die reden bovenmolens
gebouwd, die wat hoger stonden dan de "echte" poldermolens die zodoende
tot ondermolen werden. Bovenmolens werden in de regio Tielerwaard ook wel
aangeduid als Voormolenof Buitenmolen.
De ondermolen(s) maalden het polderwater ca. 1,5 m op in een daartoe aangelegde tussenboezem waaruit de bovenmolen het weer uitmaalde op de rivier.
Ook weer maximaal ca. 1,5m. Zo kon dus trapsgewijs tegen een rivierstand
worden uitgemalendie 2 x 1,5 m = 3 m hoger lag dan het niveau van het polder-
De molens van Dalem gezien vanaf de Merwededijk, met links de Schommelmolen, rechts de
Dalemse ondermolen en in de verte de Vurense buitenmolen, ca. 1890.
water. Als regel was dit afdoende, voorop gesteld dat er wind was om te malen.
Nog hogere rivierstandenzullen verhoudingsgewijsniet veel zijn voorgekomen.
Waren althans in de regio voor geen enkele polder aanleiding om de bemaling
in te richten tot 3-hoog.
Te zien aan bovengenoemde kaart was er toen al een tweetrapsbemaling aanwezig. Nagenoeg alle poldermolens in het gebied tussen Lek en Merwede
waren van het type wipmolen, het type waarvan er aan de westkant van de stad
nog twee aan de Schelluinse Vliet staan. De kadastrale kaart van ca. 1830
laat zien dat de molens van beide polders toen ook wipmolens waren.
De genoemde kadastrale kaart laat vrij nauwkeurig de situatie rond de molens
zien. Hieruit is goed af te leiden hoe bijvoorbeeld de werking van de HoogDalemse molens plaatsvond.
Op de kaart is de oude situatie nog aangegeven met de uitwateringssluis in de
rivierdijk, waardoor op de Waal geloosd werd. Tot in 1822 was dit het geval. In
dat jaar is de afwatering verlegd naar de Oostgracht van de vesting Gorinchem,
die op zijn beurt weer door een sluis bij bastion nr. 11 op de Linge afwaterde.
De molens van Hoog-Dalem functioneerden tot ongeveer 1890. Na 1890 werd
de bemaling van de polders Hoog-Dalem en Vuren overgenomendoor het stoomgemaal Constantia Adriana. De Schommelmolen werd vrijwel direct gesloopt.
Van de ondermolen, de Hoog-Dalemse molen, is de piramidevormige ondertoren nog lange tijd als woonhuis gebruikt. Rond 1943 werd de ondertoren
gekocht door timmerman Bos uit Dalem. Op deze locatie is later op de funderingen van de molen een timmerwerkplaats gebouwd, die er nog steeds is.
Ook de ondertorens van de Hoogdalemse molen en van de Vurense buitenmolen werden door Bos rond 1943 aangekocht en gesloopt1,vanwege de goede
kwaliteit eikenhout.
De vroegere watergangen van het scheprad zijn nog aanwezig en worden als
waterinlaat nog wel gebruikt.
Laag-Dalem heeft altijd op de Linge afgewaterd. Tot 1870171 werd de polder
bemalen door twee ondermolens die bij hoge Lingestand geholpen konden
worden door een buitendijksstaande bovenmolen. In 1871 werd de windbemaling
van Laag-Dalem opgeheven en vervangen door het stoomgemaal Constantia
Adriana, waarvoor mevr. Constance Adriana Viruly, de dochter van de heer Jan
Viruly van Vuren, op 2 oktober 1871 de eerste steen legde. Het stoomgemaal
werd op 26 juni 1872 officieel in gebruik gesteld, werd later geëlectrificeerden
deed dienst tot 1937. In 1995 werd het gebouw gesloopt in verband met de
verbreding van de Spijksedijk.
Inmiddels is in die omgeving nieuwbouw gerealiseerd, maar de locatie van
molens en boezems is opengehouden en bewaard gebleven als natuurgebied.
Huidige toestand
De Hoogdalemse uitwatering is in grote lijnen, zij het zonder de molens, nog
aanwezig en herkenbaar. De locatie van de ondermolen, de tussenboezem die
de ondermolen met de bovenmolen verbond, de uitwateringssluis in de
Lingsedijk, het kleine wachtsluisje bij de bovenmolen en de locatie van de
bovenmolen. Fundamenten en watergang zijn waarschijnlijk betrekkelijk eenvoudig op te graven. Ook is nog aanwezig de in zuidelijke richting naar de
rivierdijk lopende sloot die het door de bovenmolen uitgemalen water afvoerde.
Behoud van deze eeuwenoude uitwatering is uit oogpunt van cultuurhistorie
van groot belang.
Wachtsluis
De kleine wachtsluis zou weer wat hersteld kunnen worden zonder daarbij
direct aan volledige reconstructie in de vroegere vorm te denken.
Het is nog bekend dat het oorspronkelijk een overwelfd sluisje was. Door vernielzucht is dit gewelf echter verloren gegaan. Er zou eventueel aan gedacht
kunnen worden om op een verantwoorde en begrijpbare wijze de vroegere gewelfvorm weer zichtbaar te maken.
Uitwateringssluis
Deze sluis is nogal groot van afmetingen, zowel qua breedte als diepte. In feite
is hij veel groter dan nodig was in het kader van de molenbemaling. Dit doet
vermoeden dat er nog andere overwegingen bij de bouw hebben meegespeeld.
Zekerheid hieromtrent is er niet, maar mogelijk hield e.e.a. verband met een
regionale problematiek, nl. inundatie als gevolg van het inwerkingtreden van
overlaten.
Doorbraken van de rivierdijkenvan Rijn, Lek of Waal konden overstromingvan
het gebied ten oosten van Gorinchem tot gevolg hebben. Dat water moest zich
deels langs de Linge een weg zoeken om uiteindelijk bij Gorinchem en Dalem
weer op de Waal afgevoerd te kunnen worden.
Om in deze hoek water te kunnen lozen waren er bijv. de vijf Dalemse overlaten, delen rivierdijk die in noodgeval afgegraven konden worden om het water te
laten weglopen. Om die reden was ook de sluis in de Waaldijk bij Dalem (nog
bestaand) gebouwd, evenals de Sprokkelenburgsesluis (ca. 181O), in de oostelijke Lingedijk, ongeveer ter plaatse van de aansluiting op de huidige Newtonweg-Spijksedijk.
Deze moest overstromingswaterde gelegenheid geven uit de Tielerwaard in de
Linge te stromen. Hij werd overigens al in 1845 weer opgeruimd. Het is echter
niet uit te sluiten dat de zojuist genoemde sluis van de polder Hoog-Dalem in
die omstandigheden eenzelfde functie moest vervullen, nl. overstromingswater
lozen. Dat zou kunnen verklaren waarom hij zo ruim van afmetingen is.
De technische staat is vrij goed. Wezenlijke problemen zijn niet aanwijsbaar.
Alleen moeten de beide frontmuren en een stukje gewelf hersteld worden. Het
verdient aanbeveling om de buiten het wegdek gelegen delen gewelf te voorzien van een betonnen schaal. Daaraan kunnen dan als keermuur ook de
frontmuren worden bevestigd.
29 juni 1995
Noot:
1. Omstreeks 1900 is het bovenhuis van de Schommelmolen verwijderd. De ondertoren werd in 1916 afgebroken. Zie: A.L. van Tiel, De zogenaamde "Schommelmolen" van de polder Dalem, in Oud-Gorcum Varia 34, 1996, p. 75
JEUGDHERINNERINGEN
R. Eykenaar-Stegeman
Een stuurman aan "Wal"?
Aan de ervaringen die ik beschreven heb in de vorige afleveringen van OudGorcum Varia waren al bijna 19 jaar voorafgegaan van ons verblijf in Gorkum.
Officieel werden wij dus in 1925 inwoner. Van die tijd (ik was toen 7 weken oud)
kan ik me natuurlijk niets meer herinneren. De tijd die daarop volgde was een
heel prettige en daarbuiten heel afwisselend. Op de lagere school beschouwden de kinderen mij als een schipperskind met een steenrijke vader, die in het
bezit was van heel grote passagiersboten. Schone schijn! Vriendinnetjes wilden wat graag op de legger blijven slapen. Spannend! Dat ding schommelde
zo lekker en als het stormde kon je zelfs zeeziek worden! Maar hoe zijn we
daar eigenlijk verzeild geraakt.
De voorgaandejaren was mijn vader werkzaam als kapitein op de binnenvaart.
Tot 1918 was hij in militaire dienst geweest en had aan de grens met België
een douanefunctie gehad. Toen de tijd daar was, is mijn moeder noodgedwongen toch maar bij hem aan boord gestapt, hoewel zij een onverbeterlijke landrot was, die ook nog geen slag zwemmen kon. Dat getrek van de ene plaats
naar de andere en steeds dat lossen en laden was haar een gruwel. Ze was
dan ook dolblij dat mijn vader van de rederij een positie als stoombootagent
aangeboden kreeg en accepteerde.
Gorkum leek haar wel een mooi stadje. Het feit, dat ze toch nog op een wiebelende schuit moest wonen nam ze er voor lief bij, en ze vond het een redelijk
alternatief. In Koog a/d Zaan was het namelijk een paar weken tevoren voor haar
goed misgelopen.
Tijdens het lossen en laden van
de lading van de
vrachtboot was
ze van boord gegaan om haar
boodschappen
voor het weekend
te doen. Ze had
het nog wel gezegd, maar door
de drukte en orndat er weinig tijd
Hoog water Buiten de Waterpoort, 1935. Foto R. Eykenaar-Stegeman.
Gezellige drukte bij het veer Buiten de Waterpoort. Rechts de aanlegsteiger van de boten van Fop Smit. Foto omstreeks 1910.
over was, had men toen dat werk klaar was, de vrouw van de kapitein finaal
vergeten en de trossen losgegooid en was men gaan varen. Daar stond ze dan
met twee boordevolle boodschappentassenen een kwaad hoofd. Als ze maar
vaste grond onder haar voeten had, kon ze zich goed redden. Dus een taxi
gepakt naar Amsterdam, waar mijn vader juist tot zijn grote schrik ontdekt
had, dat er een hongerige baby in de kajuit lag, waarvan de moeder in geen
velden of wegen te bekennen was. Alles is dus op zijn pootjes terecht gekomen. Het werk in Gorkum beviel mijn vader wel. M'n ouders konden doorgaans
met iedereen goed opschieten. Zo nu en dan stond mijn vader nog wel eens
aan het stuurwiel van een stoom- of motorboot. In zijn schaarse vrije tijd (vakantie was er toen nog niet bij, daar er moeilijk vervanging te krijgen was)
zeilde hij veel op de rivier in zijn 12-voetsjol. Jarenlang is hij lid geweest van de
watersportvereniging De Mewede. Als herinnering bewaar ik nog de medailles
en de bekers die hij tijdens wedstrijden heeft gewonnen. De oudere leden van
die vereniging, voor zover ze nog op deze aardbodem vertoeven, moeten zich
hem nog kunnen herinneren.
In 1949 werd hij overgeplaatst naar Tiel. Door concurrentie van vervoer over de
weg, werd het watertransport minder druk. Er verschenen duwboten. Enkele
fabrieken o.a. De Betuwe in Tiel wensten perse dat hun producten per boot
over water vervoerd werden. Helaas is mijn vader niet lang daarna heel ernstig
ziek geworden en na een half jaar overleden. Mijn moeder is in haar geboortestad Deventer gaan wonen. Zij is in 1981 overleden.
De "Lieverdjes" van de jaren dertig.
De jaren op de O.L.S. waarvan dhr. J. Zaanen hoofd was, is voor de meesten
van ons toch wel een heel prettige tijd geweest. Men kan wel zeggen dat het er
heel anders toeging als tegenwoordig. Voor zover mij bekend, wordt er op geen
enkele lagere school door de meisjes meer een wit schortje gedragen. Die
dingen werden elke week door de moeders gewassen, gesteven en gestreken,
zodat de kleine dametjes er weer net en proper uitzagen. Het was een meisjesschool. De jongensschool was van hout en stond vroeger midden op de Kalkhaven. Die speciale schortjes met mooie kantjes en biesjes werden gekocht in
een speciale winkel in de Kelenstraat. De knoopjes zaten van achteren en ze
werden als een omgekeerd jasje aangetrokken. Voor het gemak deden we
alleen het bovenste knoopje maar dicht. Je kreeg een haakje in de gang toebedeeld en daar moest je dan na de les je schort weer ophangen. Als je per
ongeluk een vlek in je schort maakte kreeg je dat terstond mee naar huis. Als
het mooi weer was gingen we met de juf wandelen, keurig in het gelid en
kregen we goedkeurende blikken van degenen die ons zagen. Kwebbelenwas
er niet bij. Buiten de Waterpoort kregen we toestemming om te praten. We
vonden dit allemaal heel gewoon en hebben dit alles nooit als een belemmering ervaren.
Ook in de klas ging het allemaal ordelijk en netjes. De jonge dametjes probeerden allen zo goed mogelijk hun best te doen en zelfs een wit voetje bij de
juf te halen. Toch kan ik me niet herinneren dat er ooit een kind is voorgetrokken.
De onderwijzeressen die ik heb meegemaakt hadden een goed hart en hadden
veel geduld met leerlingetjes die moeite hadden met de leerstof. Als we ons
werkje klaar hadden, moesten we met de armen over elkaar gaan zitten, doodstil. Zelfs dat probeerden we zo mooi mogelijk te doen. We wilden braaf zijn
voor de juf en waren daar trots op. Daar hoorde bij zo nu en dan je vinger
opsteken (één of twee) en niet babbelen.
Toch gingen we graag naar school. Als de grote vakantie teneinde liep, verlangden we er weer naar te beginnen, zo nieuwsgierig waren we hoe de nieuwe
klas er uit zou zien edhoe de nieuwe juf zou zijn. Als er een meisje in de
lagere klassen in haar broek had geplast, geen nood. De werkster werd opgetrommeld. Die kwam met een dweil en een grote emmer water. De hele bank
en de vloer werden grondig gereinigd, vijf minuten opdrogen en het meisje kon
weer gaan zitten. Het kind naast haar was wel met een opgetrokken neusje
een stukje opgeschoven, maar dat hoorde erbij.
Uit bezuinigingcoverwegingenwerden de twee scholen voor jongens en meisjes op de Kalkhaven en de Zusterstraat samengevoegd. Dat was in 1934 of in
1935. Alles ging naar de Zusterstraat. Klas 4 kreeg een onderwijzer, meneer
Verkerk, geassisteerd door een kwekeling. Dat was het begin van de metamorfose. De witte schortjes van de meisjes hadden zo langzamerhand afgedaan. Ze werden ermee gepest en wilden ze niet meer aan. Er werd inkt in
gesmeerd en er werd met de kapstokken gerommeld. De lol was eraf en aanvankelijk wisten we niet wat we met die blagen van jongens aanmoesten. Wij,
als 9-jarigen moesten eraan wennen. 's Zaterdags het laatste uur werden we
niet meer voorgelezen uit het boek van Goud-Elsje, maar het werd een stoer
jongensboek: Het Slot op de Hoef. Het "zoete" was er af en maakte plaats voor
ridders en kastelen. Naar mijn mening heeft die fusie veel positieve kanten
gehad. Zo langzamerhandmoesten de meesten van ons zich gaan voorbereiden op een tentamen en daarna een toelatingsexamen. Het "brave" waren we
kwijt geraakt en we hebben ons wat mondiger op moeten stellen. Al met al kan
ik op m'n lagere schooltijd met genoegen terugzien.
UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE NED. HERVORMDE GEMEENTE VAN
GORINCHEM
Aflevering 9
ds. L. Hoving
Over het kerkgebouw
Ofschoon het niet de bedoeling is van deze reeks artikelen om ook de historie
van het kerkgebouw daarin te betrekken, ontkom ik er toch niet aan daarover
iets te zeggen, omdat ook in de notulen van de kerkeraad het kerkgebouw een
enkele keer ter sprake komt. De historie zelf komt min of meer uitgebreid aan
de orde in het boekje Grote Kerk en Toren, geschreven door A.J. Busch en
uitgegeven als deel 2 van de Gorcumse Monumentenreeks door de Stichting
Merewade.
Maar het ligt voor de hand dat ook bij het lezen van de notulen van de kerkeraad de vraag opkomt: Hoe ging het met de kerk, toen na het bombardement
van 1813/14, wanneer de Fransen de vesting Gorkum nog bezet hielden en op
20 februari 1814 pas tot overgave gedwongen werden, dat indrukwekkende
oudste monument zwaar beschadigd achterbleef?
Men heeft natuurlijk geprobeerd te redden wat er nog te redden viel om toch
maar enigszins weer de kerkdiensten te kunnen laten doorgaan. Maar dat
lukte blijkbaar alleen wanneer de omstandigheden gunstig waren. Meermalen
zal men op het laatste ogenblik nog zijn uitgeweken naar de Kapel in de
Arkelstraat. Er wordt in de notulen soms wel de vraag besproken of men niet in
het lutherse kerkgebouw tijdelijk onderdak zou kunnen krijgen, maar dit werd
meteen afgewezen als geen oplossing. Men krijgt de indruk dat men toch
zoveel mogelijk naar de bouwvallige St. Maartenskerk is blijven gaan.
In mei 1835 kwam een verzoek om medewerking bij de kerkeraad van de kant
der kerkvoogdijvoor het oprichten van een fonds tot herbouw of verbetering van
het bestaande kerkgebouw, waarbij verzocht werd om lidmaten der gemeente
uit te nodigen tot deelname aan dit fonds. Ook werd de kerkeraad gevraagd dit
plan bijzonder, vertrouwelijk en eerbiedig onder de aandacht te brengenvan de
veel vermogenden met het verzoek aan de predikanten om zich daarvoor in te
zetten, o.a. vanaf de kansel.
In september 1844 ontving men een schrijven van burgemeester en wethouders van de stad, waarin verzocht werd de godsdienstoefeningen in de Grote
Kerk wegens de bouwvallige toestand van het kerkgebouw te staken. De preses
werd toen gemachtigd om met de kerkvoogden alle schikkingen te maken om
zo spoedig mogelijk een lokaal voor de bijeenkomsten der Gemeente te verkrijgen. Men kon toen ook geen doop bedienen, ofschoon ouders daar zeer op
gesteld waren. Ook de lutherse kerk werd daarvoor niet geschikt gevonden,
evenmin voor het Avondmaal.
183
Afbraak van de Grote Kerk te Gorinchem in 1844. Gewassen tekening door P.J. Goevaere,
ca. 1844. Collectie Historisch Museum, Rotterdam.
In oktober deelden de kerkvoogden mee dat de gewone Kapel tot een noodkerk zou worden ingericht. Ruim een week later zouden daar de kerkdiensten
volgens de gewone beurten plaatsvinden. Willem Nieuwenhuis, vader en meester
in het Diaconiehuis, zou daar als assistent-voorgangerde dienst waarnemen
voor garnizoen, wees- en armenkinderen. B & W gelastten toen de volledige
afbraak tot 3 meter boven de grond, opdat de fundamenten mogelijk nog te
gebruiken zouden zijn voor de bouw van de nieuwe kerk.
Al vóór het nieuwe kerkgebouw officieel in gebruik genomen was, kon de kerkeraad gebruik maken van de nieuwe consistorie. De eerste vergadering werd
er gehouden op 19 december 1850. De preses wenste de vergadering bij de
opening daarmee geluk.
De inwijding van het nieuwe kerkgebouw, dat voortaan de GroteKerkzou heten, vond plaats op zondag 4 mei 1851. Tevoren had de kerkeraad al het een
en ander geregeld. Ouderling Schotsman had voorgesteld om bij die gelegenheid de predikant gezamenlijk naar de predikstoelte begeleiden. Om alle ver-
-
warring en ontevredenheid te voorkomen besloot men, dat bij de inwijding door
een bijzonder zangkoor alleen na het uitspreken van de zegen zou gezongen
worden. De godsdienst zou bij die gelegenheid des morgens op de gewone tijd
een aanvang nemen en de namiddagdienst ten 3 ure beginnen.
Daarna besloot men nog op voorstel van br. Schotsman, dat de heer K. van
Houweningenvan Sprang, de enige kerkvoogddie tevens ouderling was, mede
deel zou nemen onder de leden des kerkeraads om de predikant op de dag der
inwijding naar de predikstoel te begeleiden.
Wellicht is het een goede gelegenheid om aansluitend op hetgeen hier over de
inwijding van het nieuwe kerkgebouw werd meegedeeld te vertellen dat op 4
maart 1855 de predikanten het door de Synode aanbevolen ambtsgewaad aannamen in de kerkdienst, waarin ze zouden voorgaan en dat de kerkvoogden
hun dit met de meeste welwillendheid hadden aangeboden (2213).
De predikanten van de Hervormde Gemeente van Gorkum uit de eerste
helft van de negentiende eeuw
Wanneer ik in dit hoofdstuk bijzondere aandacht wil schenken aan de Gorkumse
predikanten uit bovengenoemde periode, gaat het mij vooral om hun geestelijke ligging, die met name gekenmerkt wordt doordat de ideeën der Verlichting
bij hen verder gaan doorwerken. Daarvoor zal ik dan toch allereerst een aantal
namen moeten noemen van mannen, die in dat tijdsbestek in Gorkum op de
kansel stonden.
In 1794 was ds. 't Hooft uit Gameren al naar hier gekomen en hij bleef tot zijn
dood in 1824. Zijn collega ds. Ernst kwam in 1802 van Beemster en ging met
emeritaat in januari 1837, maar overleed al twee maanden later.
Beide predikanten behoorden tot de voorgangers die nog het meest aansloten
bij de in Gorkum bestaande traditionele verkondiging van het evangelie. In het
artikel van Bert Stamkot De briefwisseling van en met Isaac Anne Nijhoff
(Oud-Gorcum Varia jrg. 14 (1997), p. 94) worden deze beide predikanten nog
orthodox genoemd, in tegenstelling tot ds. Lobrij, die in het Biografisch Lexicon voor de geschiedenis van het Protestantisme theologisch als oud-liberaal
wordt aangeduid. Ook in de aansluitende artikelen in vorige en latere nummers
van dit tijdschrift van de hand van Stamkot, krijg je de indruk dat in het gezin
van ds. Lobrij een ruimdenkender geest heerste en dat diens prediking heel
wat begrijpelijker overkwam dan die van zijn orthodoxe collega's, met wie hij
overigens in goede verstandhouding verkeerde. Maar dat is ook al tekenend
voor die periode, waarin verdraagzaamheid steeds meer als deugd werd gewaardeerd.
De predikanten, die dan daarna de opengevallen plaatsen bezetten, waren
allen van een andere ligging. Ik beperk mij tot degenen, die geruime tijd de drie
plaatsen bezetten, nl. tot de predikanten Wor (1823-1832), opgevolgd door ds.
Hofstede (1832-1871), Holwerda (1837-1872) en Kok (1825-1859). Van dr.
Holwerda wordt in bovengenoemd Biografisch Lexicon gezegd dat hij als ge-
Afbraak van de Grote Kerk door P.J.B. (1845). Stadsarchief Gorinchem.
matigd liberaal uit Assen naar Gorkum kwam, ofschoon hij zich later meer
verwant voelde met de Modernen. Op hem kom ik nog terug; maar ik heb reden
te veronderstellen dat ook zijn collega's bij de beroeping het beste als (Oud)
liberaal getypeerd kunnen worden. Het is namelijk opvallend dat alle hier genoemde predikanten een belangrijke rol speelden in het intussen al in 1794
opgerichte departement Gorinchem van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Tijdens de perikelen rond de eeuwwisseling functioneerde de afdeling
blijkbaar niet zo geregeld, maar in de periode van bovengenoemde predikanten
kwam men regelmatig bijeen.
Wat valt er van deze Maatschappij te zeggen, die in de volksmond al spoedig
kortweg het Nut werd genoemd. Ze werd opgericht door een aantal vooruitstrevenden in Edam en door de doopsgezinde predikant Nieuwenhuyzen uit
Monnickendam met de bedoeling zich in te zetten voor volksontwikkeling,zoals die werd bepleit in de geschriften van de Franse filosoof Rousseau (17121778), een figuur die zoowel elementen van Romantiek als van Verlichting in
zich verenigde1.
Het is wellicht niet toevallig dat juist uit doopsgezinde kring het initiatief opkwam tot oprichting van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. De doopsgezinden hadden immers in de loop van de tijd het leven al steeds belangrijker
gevonden dan de leer. Door een levensstijl, gekenmerkt door eenvoud en vlijt,
kwamen veel doopsgezinden tot zekere welstand, waarmee ze niet te koop
liepen, maar zich wel bereid toonden zich in te zetten voor zaken, die ze
waardevol en belangrijkvonden. Het woord doopsgezind speelde verder in de
uitbouw van de Maatschappij geen rol. Des te meer het woord Nuf. Ik bepaal
mij nu tot wat er over het Nutsdepartement in Gorkum bekend is.
Vanaf 1825 kwam men regelmatig bijeen, vermoedelijk in een van de vertrekken van de Doelen, op z'n minst 4 keer per jaar op de 2e of 3e donderdag, die
het naast bij de volle maan kwam, 's avonds om 7 uur. Vaak werd door een van
de leden een redevoeringgehouden.
Er moest dan stilte zijn, geen tabaksrook en geen bedienden in de kamer,
aldus is vastgesteld 20 januari 1825. Ds. Wor was toen voorzitter, maar ook
ds. Kok was lid. Onder de leden treffen we niet alleen burgemeester Van Hoey
van Gorkum aan, ook die van Spijk, de heer J. de Graaff, mr. J.W. van der
Cruijsse van Hoey, president bij de rechtbank, mr. W. Mekern, notaris, mr. H.
van Aken, notaris, rector G.W. Boot van de Latijnse School, J. van Rijsoort,
kerkvoogd, mr. J.J. van der Colff en de heer C. van Droogen, ouderlingen, in elk
geval blijkbaar een aantal plaatselijke notabele personen. Behalvede kort daarna
gekomen predikanten Hofstede en Holwerda, traden ook verschillende predikanten uit de omgeving toe als leden (o.a. uit Arkel en Leerdam).
Geregeld werd door een der leden een bepaald onderwerp ingeleid, waarna
een bespreking volgde. Ik laat maar enkele onderwerpen volgen: De invloed
onzer zinnelijkheid op de zedelijke volmaking; de bronnen van de waardij van
het huwelijksgeluk; het karakter van
het Nederlandsche volk; de invloed
van de muziek op het gevoel van de
mensch; het Nut en voordelen van
een werkzaam leven; Jeanne d' Arc;
beschouwing over het dansen; de
waarheid wil niet altijd gezegd; Cicero de grootste Romein. Soms
werden ook de dames uitgenodigd,
en dan zal er ook wel eens gedanst
zijn, want een der redevoeringen had
tot onderwerp: de regte wijze om de
genoegens des gezelligen levens te
genieten.
Maar de klemtoon lag toch meer op
praktische zaken. Zo besloot men
in 1826 tot oprichting van een bibliotheek, die haar nut ook zeker in
Gorkum heeft bewezen. Wekelijks
werd men in de gelegenheid gesteld
Henricus Jacobus Hofstede, predikant te
Gorinchem 1837-1872
voor een klein bedrag of contributie
boeken te lenen, die men graag zou willen lezen en die te kostbaar waren om
zelf te kopen. Ook de gewone man kreeg daardoor de gelegenheid zich op de
hoogte te stellen van het litteraire leven. In Gorkum is deze Nutsbibliotheek
tenslotte opgegaan in de huidige Openbare Bibliotheek aan de Groenmarkt
(1922).
Eveneens werd in 1826 al het plan geopperd om een spaarbank op te richten.
Er werd meteen vaart achter gezet: op een volgende bijeenkomst werd er al
een directeur benoemd. Dat was dan een bijbaan. Men begintin 'tklein, maar
de groei gaat steeds door. Je kunt beter wat kleine bedragen verzamelen op je
spaarbankboekjedan die verteren in de kroeg. Bovendien werd een deel van de
winst gebruikt voor subsidies voor goede doelen. De Nutsspaarbank is tenslotte uitgegroeidtot de latere bekende Bondsspaarbank in de Arkelstraat en
momenteel is die ook weer in een groter verband opgenomen. In hoeverre de
duidelijk sociale functie daarbij bewaard gebleven is kan ik niet beoordelen.
Er werd in 1855 een herhalingsschool georganiseerd. In 1858 werd de vraag
besproken of men niet een bad- en zweminrichting zou kunnen oprichten of
liever misschien een wasinrichting. En die kwam er met een subsidie van het
Nut. In 1868 kwam op tafel het voorstel om een bewaarschool op te richten.
Landelijk zijn tal van door het Nut opgerichte scholen bekend geworden.
De Gorkumse afdeling beloonde mensen die een edelmoedige daad hadden
verricht door met levensgevaar een drenkeling te redden, door hun een geld-
bedrag en een getuigenis te geven (1855). Een afgevaardigde bezocht, namens
het departement Gorkum, de jaarvergadering van de landelijke Maatschappij.
Ook daar kom ik nog op terug. Hier laat ik het nu bij, maar het is wel duidelijk
dat van het Nut een stukvolksopvoeding is uitgegaan en dat de destijds levende
hervormde predikanten daar met genoegen aan hebben meegewerkt.
Maar nu is het belangwekkend wat deze predikanten des zondags op de kansel en in de week in hun catechese te vertellen hadden. Daarvoor kunnen wij
het beste terecht bij het eerste hoofdstuk van de dissertatie van Dr. K.H.
Roessingh over De moderne theologie in Nederland, hare voorbereiding en eerste periode *.
Exegese werd niet minder ijverig dan vroegerbeoefend, Maar het strenge dogma
van de ingeving der Heilige Schrift was niet meer te vinden; dat heet 'ken overdreven stelling.. . een bekrompen denkbeeld van "dwaling, om zich de heilige
schrijvers als loutere werktuigen voor te stellen, maar meteen horen we hen
dan ook weer zeggen: Wij hebben allen grond, om een hoogere Goddelijke
leiding en verlichtingder apostelen aan te nemen. Het Oud-Liberalisme heeft dit
punt gaarne en breed uitgewerkt en veel gesproken over de opregte rondborstigheid hunner verhalen, waardoor zij, zonder eenige achterdocht, niet
schroomen ookzulke bijzonderheden mede te deelen, die bij de lezers ligtelijk
bedenkingen konden baren omtrent de waarheid en Goddelijkheid der zaken
die vermeld worden.... Bijbelsch wilde ieder zijn; dit begrip had echter niet voor
allen dezelfden inhoud. Alles hing hier af van de houding, die men innam tegenover de accommodatietheorie, volgens welke Jezus en de Apostelen zich in
vele opzichten hadden geschikt naar de dwalingen hunner tijdgenoten.
Daardoor werd het Biblicisme der oude rationalistische-supranaturalistischetheologie een zeer rekbaar begrip. Wat is accommodatie, beeldspraak, inkleding,
wat behoort tot de leer, zoals zij voor alle tijden geldend en tot aller zaligheid
door Jezus en zijne Apostelen is geleerd...... wie zal beslissen?
Zeer naïeve voorstellingliet men bijna algemeen als beeldspraak varen, bijv. de
sprekendeslang in het Paradijsverhaal.Anderen gaan verder; de N. Testamentische voorstellingvan het laatste oordeel, veel van hetgeen van de booze geesten wordt meegedeeld, de erfiondeleer in Romeinen 5, alles inkleding.
Jezus werd genoemd een gansch buitengewoon persoon, zijn wijsheid en
zondeloosheidwaren de twee dingen, waarop men gaarne wees. Wij vinden
veel gesproken over zijne braafheid en plichtsbetrachtingen bestendig karakter.
Wij moeten ons volgens mij niet voorstellen dat dit soort beschouwingen en
uitdrukkingen 's zondags in de prediking voorkwamen,maar ze speelden zeker wel een rol in de studeerkamer bij de voorbereiding van de kerkdiensten en
in de catechese.
Wat dat betreft is het zeker de moeite waard om nog eens terug te komen op
de man, wiens naam wij al onder de predikanten van deze periode tegenkwamen, nl. dr. Hendrik Jan Holwerda, die volgens het Biografisch Lexicon boven-
genoemd, als kenner van het Grieks naam had gemaakt en zich bijzonder
interesseerdevoor het Johannes-evangelie,waaraan hij het onderwerp van zijn
theologisch proefschrift had ontleend onder de titel: De colloquio cum Nicodemo
(Johannes 3: 1-21).
De meer beeldende wijze waarop de schrijver van het vierde evangelie de boodschap van Jezus gestalte geeft (de bruiloft te Kana, Joh. 2: 1-11; brood des
levens, Joh. 6: 22-59; blindgeborene, Joh. 9: 1-41; opwekking van Lazarus,
Joh. 11: 1-44; de ware wijnstok, Joh. 15: 1-8) heeft hem er mogelijk toe gebracht zich meer verwant te voelen in latere tijd met de Modernen. In dat opzicht heeft hij zich kennelijk gedistantieerdvan de geforceerde pogingen der
oud-liberalen de letter van de teksten met elkaar in overeenstemmingte brengen.
Toch werd dr. Holwerda in de hervormde gemeente in brede kring zeer gewaardeerd. Dat blijkt duidelijk uit het feit dat hij na zijn emeritaat (2813 1872) meteen door het daartoe bevoegde kiescollege zonder tegenkandidaten als ouderling werd benoemd (1915 1872) en nog geen maand later namens de kerkeraad
als afgevaardigde naar de classis werd gekozen.
Ook in het maatschappelijk leven stond hij hoog aangeschreven. Hij was al
sedert 1854 curator van de Latijnse School in de Krijtstraat. Toen er een nieuwe
rector moest komen en zijn naam werd genoemd, liet de oud-rector Romeijn,
om advies gevraagd, over zijn opvolger weten, het ongepast te vinden een
oordeel uit te spreken over zo'n bekend persoon als de reeds 30 jaar in
Gorinchem werkzaam zijnde predikant Holwerda 3.
Zonder twijfel is dr. Holwerda een van de Gorkumse predikanten geweest, die,
wat theologisch niveau betreft, te vergelijken is met dr. Johannes Kneppelhout,
alleen van een geheel nieuwe generatie, waarin het Modernisme de wind in de
zeilen kreeg.
Het is belangwekkend dat we daarvan ook in de notulen van het departement
van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen van Gorkum de bewijzen vinden. Eind 1868 ging er nl. een afvaardiging uit het departement, zoals gebruikelijk was, de landelijke jaarvergadering van het Nut bijwonen. Daar was als
spreker uitgenodigd prof. Cornelis Willem Opzoomer (1821-1892), wijsgeer
aan de Universiteit te Utrecht, en als zodanig later als een der voortrekkers
bekend van de in de hervormde kerk opkomende stroming van het Modernisme.
In de notulen van het departement Gorkum van het Nut wordt een vrij uitvoerig
verslag uitgebracht over diens redevoering gehouden op die jaarvergadering.
Wat daarin bijzonder opvalt is dat Opzoomer in zijn referaat heeft gezegd dat
de krachten der natuur vaak niet af te wenden zijn, want waar is de hand die
onze lachende velden beschermenzal tegen hagelslag?Maar anders is het met
de vernielende krachten in de mensenwereld. Hier kunnen wij kracht tegenover
kracht stellen, want het geldt hier menselijke handelingen.
M.a.w. je zou zo'n, de oogst vernietigende hagelbui, misschien wel kunnen
zien aankomen, maar die zul je met nog zo'n vurig gebed niet van richting
kunnen doen veranderen. Want zo werkt dat niet in de natuur en ook niet in het
geloof. Dat is zeker wel even een ingrijpende verandering geweest in het geloofsleven, waarin het tot dusver min of meer vanzelf sprak dat bij dreigende
hoge waterstanden men bidstonden uitschreef om de almachtige God te smeken de gevaren van overstroming en vernietigende ijsgang af te wenden, zoals
dat heel gebruikelijk was. Ik citeer uit de notulen van 1112 1799: Men besloot
om in deezen tegenwoordigennood van het hooge water, waaringroote rampen
voor deze stad en het omliggend land te duchten zijn, op aanstaande dag des
Heeren des avonds ten 6 uur een plegtige bedestond te houden ten einde
eene genadige uitredding om des heilands wille af te smeken.
Men komt dat vaker tegen, zelfs in 't begin van de 19e eeuw, bijv. in de notulen
van 312 1809, waarin werd beslist om op woensdag 8 februari de Allerhoogste
hartelijk te danken voor de verlossing uit den verschrikkelijken watersnood op
30 januari onze stad bewezen. Hem ootmoedig de verdere bewaring derzelve
biddende aan te bevelen en voor alle die ongelukkigen, die door den watervloed
in de treurigste omstandighedengebragt zijn, Hem te smeken dat zij spoedig
mogen verlost uit den nood gered en vele milddadige handen ontmoeten om hen
in hunnen bedrukten toestand tegemoet te komen.
Dat God met deze natuurrampenen de opheffing daarvan zo min of meer direct
in verband werd gebracht, maakt op ons wel een wat merkwaardige indruk.
Maar het was hier in Holland nog niet zo erg als in het hoge noorden van ons
land, waar het aan de wadden grenzende gebied nog niet door dijken werd
beschermd, zodat de Kerstvloed van 1717 de hele waddenkust teisterde en
men in deze vloed, mede door het wonderbaarlijke tijdstip van deze vloed (de
kerstnacht) weinig anders kon zien dan een straf van God. Onderde Groningers bestond daarom weinig vertrouwenin het nut van dijkverzwaring, waarvoor
een zekere voormaligezeekapitein van Duitse afkomst, Seeratt, die als hoofd
van de provinciale waterstaat was aangesteld,zich inzette, maar ernstige tegenstand ontmoette van de bevolking, die hem voor de rechtersleepte, die besliste
dat sulcken persoon als de commys Seeratt, die de Heeren aenraedede om
sulck swaere dijken te maeken, moeste men doot slaegen of wegjaegen 4.
M.a.w. tegen God is geen dijkverzwaring bestand!
Vermoedelijk zal dit soort vroomheid in onze tijd niet door velen nog gedeeld
worden. Hoewel, ook de bij velen van ons nog in de herinnering levende stormvloed in de nacht van 3111-112 1953 heeft reacties uitgelokt, die mij niet alleen
theologisch, maar ook als uitleg niet ter zake lijken, toen we naderhand uit
betrouwbarebron vernamen dat in Zeeland nog een predikant die zondagmorgen
als uitgangspunt voor zijn preek koos Lucas 13: 5: ... maar als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen.
In de provincie Groningen reageerde men intussen wel heel anders. Tijdens de
kerkdienst wisten we nog van niets. De volgende dag begon meteen de actie
om wat men kon missen ter beschikkingte stellen van de vele getroffen gezin-
nen. Maar daar waren ze er intussen ook wel van overtuigd dat de zware dijken
hen voor een grote ramp beschermd hadden.
Alvorens dit gedeelte van mijn geschiedverhaal af te sluiten wil ik nog even
terugkomen op de vergelijking die ik gemaakt heb, wat het theologisch niveau
betreft, tussen dr. Kneppelhout aan 't eind van de 18e eeuw en dr. Holwerda in
't midden van de 19e eeuw.
/
Ik heb toen al gewezen op het verschil tussen beiden, wat hun opvattingen
betreft, de één meer royaal behoudend, de ander meer openstaandvoor nieuwe
inzichten. We kunnen dat ook goed illustreren door de ontwikkelingen na te
gaan van het mee door dr. Kneppelhout opgerichte Haagsch Genootschap.
Daarvoor komen we dan weer terecht bij het ook destijds al door mij genoemde
geschrift uitgegeventer gelegenheid van het 200-jarig bestaan van dit Genootschap onder de titel Op de Bres5.Op pagina 56 en volgende wordt beschreven
hoe er na het tiende lustrum (1835) veranderingen plaatsvonden. Hoe meer
beweging en ontwikkeling er in de theologie kwam, met de daarmee gepaard
gaande stn~d,des te groter werd de verscheidenheidonder de bestuurders van het
Haagsch Genootschap. En dit was al merkbaar aan de strekking der vragen na
1850.Bijv.in 1860 werd een verhandeling venvacht over de opstanding van Jezus
uit de doden. De toelichting op de vraag is dan zo gesteld, dat geen enkele
theoloog verhinderd wordt om te reageren. Men stelt zich zo onzijdig mogelijk
op. En even verder: Wie het voorgaande aandachtig gevolgd heeft, zal een
langzame ontwikkeling en groei in het Genootschap opgemerkt hebben, van
zeer behoudend naar ondogmatisch, van leerstellig naar vrijheidslievend in
geloofszaken.
In 1868 werd de Haagse predikant C.E. van Koetsveldtot bestuurder gekozen,
bekend geworden door zijn boek Depastorie te Mastland. Hij werd door koning
Willem IIItot hofprediker benoemd. Toen Van Koetsveld eens gevraagd werd bij
welke richting hij eigenlijk behoorde, gaf hij als antwoord: Ikbehoorbijmezelf.
Er is wel heel wat aan de hand in de loop van de 19e eeuw op godsdienstig en
kerkelijk gebied. Wij zullen met aandacht de ontwikkelingen in de hervormde
gemeente van Gorinchem volgen, juist ook omdat ze tot op de huidige dag
daarop, tot zekere hoogte, een stempel hebben gedrukt.
Noten
1. Bakhuizen v.d. BrinkILindeboom, Handboek Kerkgeschiedenis, p. 255.
2. Dr. K.H.Roessingh, Verzamelde werken, deel I , p. 18-23.
3. A.J.Busch en H.C.Landheer, Latijnse School en Gymnasium, Merewadereeks,
Gorinchem 1983, p. 39.
4. Waddenbulletin, uitgave Waddenvereniging, mei 1999, nr. 2, p. 12, 13, door M.
in 't Veld.
5. Op de Bres, uitgave Boekencentrum, 200 jaar Haagsch Genootschap tot verdediging van de christelijke godsdienst, 1785-1985.
-
MILITAIRE BRUGGENBOUWERSIN GORINCHEM
A.J. Busch
In 1986 hield de 6" Genie-Veldcompagnieeen reünie in Vught, de legerplaats
van de Genie. Aanleiding was het feit, dat 40 jaar geleden de bij deze compagnie ingedeelde militairen naar Indonesiëvertrokken. Een jaar later, op 24 oMober 1987, kwamen deze oud-lndiëgangers bijeen in Gorinchem, de thuisbasis
van de compagnie.
De jongemannen waren in juni 1946 in Gorinchem opgekomen in het sindsdien
allang afgebrokenfiltergebouw van het waterleidingbedrijf aan de Visserslaan.
De compagnie, die bekendstond als de 4" Pioniers-Veldcompagnie,was voor
de helft samengesteld uit dienstplichtigenen voor de helft uit beroepsmilitairen
en oorlogsvrijwilligers. De bij de compagnie ingedeelde militairen waren gelegerd in de Willemskazerne.
De compagnie kreeg in Gorinchem een militaire training en leerde er o.a.
exerceren. Een belangrijke rol daarbij speelde het Gorinchems jongetje Simon
de Wit, beter bekend als Siempie, die door de compagnie min of meer was
geadopteerd. Meer dan een halve eeuw geleden is het verhaal van dit knaapje
gepubliceerd onder de titel: Siempie, dejongste vrijwilliger van het Nederlandsche legeren dat hier in z'n geheel volgt:
In den vorigen winter kwam op een kouden dag een
scharminkelig joch van een jaar of zeven een boterham vragen bij de soldaten van de genie, die te
Gorinchem in garnizoen liggen. Het jongetje zag er
deerniswekkend uit en de soldaten, van wie de meesten nog uit eigen ervaring wisten wat het beteekent
honger te lijden, gaven gul. Neen, zij stopten hem
vol. Met een rond buikje, meer dan verzadigd, ging
het kind heen; zelden had het zich zoo gelukkig gevoeld.
Den volgenden dag stapte hij weer de kazerne binnen en den dag daarop ook.. .. Toen bemerkten de soldaten pas goed hoe goed
hun hulp aan dit ventje besteed was. Hij kwam uit een arbeidersgezin van vijftien kinderen waar de inkomsten niet voldoende waren om allen behoorlijk te
voeden en te kleeden. De kleine Simon, of Siempie, zoals hij genoemd werd,
leed honger en hij had vodden in plaats van kleeren aan het magere lijfje.
Toen de soldaten dit wisten, zetten zij hun hart open en wie deze jongens kent
weet wat dit beteekent. Zij adopteerden hem om zoo te zeggen als kind van de
troep. Allereerst lieten zij hem een geweldige eetkuur ondergaan en toen zorgden zij, dat hij ondergoed kreeg met daar overheen .... een miniatuur-uniform!
Na enkele maanden was Siempie een volslagen militair met den rang van kapi-
Plechtige overdracht op het Kazerneplein van de Willemskazerne van het jeugdportret van H.K.H. Prinses Wilhelmina Op 30 april 1949.
Stadsarchief Gorinchem.
t e i n f ~ e k e reen heele prestatie
voor den 'longsten vrijwilliger van
het Nederlandsche leger". Hij
leerde exerceeren, hij kreeg een
surrogaat-geweer en ook leerde hij
hoe een militair van zijn rang bevelen moet geven !
Kapitein Siempie wordt door dejongens natuurlijk flink vertroeteld en
hij laat zich dit met waardigheidaanleunen. Hij voelt zich precies wat
hij is: de levende mascotte van de
troep. Bij dit alles worden echter
de burgerlijke plichten van
Siempie niet verwaarloosd. In tegenstelling met een jaar geleden
gaat hij nu regelmatig naar school,
maar het liefst is hij toch in de kazerne, waar hij zich op allerlei manieren verdienstelijk tracht te maken. "Hij is een ware dienstklopper", vertelde ons een sergeant: "hij ontbreekt
op geen enkel appel en wil zelfs geen verlofpasje hebben .... en je moet hem
hooren commandeeren ....de mannen volgen zijn bevelen nauwgezet op, want
zij weten dat er wat zwaait als zij iets verkeerd doen ...."
Heel Gorinchem kent nu Siempie als den onafscheidelijken makker van de
pioniers en misschien zijn de inwoners zelfs een beetje trotsch op hem, als zij
hem fier als een pauw met de soldaten zien meemarcheeren ....
De compagnie was voorbestemd om bruggen te slaan over de kali's en ravijnen
in Indonesië.Tijdens de militaire training van een halfjaar kregen de militairen
ook les in Maleis, mijnen opruimen en een specialistische opleiding in het
slaan van bruggen, samen te stellen uit vooraf geconstrueerde onderdelen.
Deze systeembouw was in 1940 ontwikkeld door Donald Coleman Bailey en
naar hem heette zo'n brug baileybrug. Dergelijke bruggen konden in korte tijd
twee oevers verbinden, of als pontonbrug met vaste overspanningen van oever
tot ponton en van ponton tot ponton: meccano-constructiesin het groot! De
onderdelen waren eenvoudig te vervoeren met 3-tons vrachtauto's. Als oefening moesten de manschappen Buiten de Dalempoortbaileybruggen in elkaar
zetten en over de Oostgracht is ooit een hangbrug gemaakt.
Met achterlating van Siempie verliet dit legeronderdeel op 4 december 1946
Gorinchem als de 6"Genie-Veldcompagnie.Met het schip Sloterdijk, dat tijdelijk dienst deed voor het vervoer van troepen, ging de compagnie via Engeland
naar Tandjung Priok, de havenplaats van Batavia. Hoe zo'n reis verliep, valt
buiten dit bestek, maar staat beschreven in Oud-GorcumVaria nr. 45.
Op Oost-Java heeft de compagnie een groot aantal bruggen geslagen, niet
alleen bestemd voor militairen, want ook de bevolking maakte er dankbaar
gebruik van.
Met het troepentransportschipZuiderkruis keerde de '6"Genie Veld' in 1950
huiswaarts. De gelederen waren gedund: zeven van de uit Gorinchemvertrokken militairen hadden het leven gelaten onder de tropenzon als gevolg van een
ongeval bij de bouw van een brug op Madoera, een motorongeluk nabij Madioen
en als slachtoffers van vijandelijke trekbommen en beschietingen. Zij kregen
een laatste rustplaats op het ereveld Kembang Koening.
Kort na de terugkeer stelde de compagniescommandantJ.C. Waterreus, met
medewerking van enige strijdmakkers, een gedenkboek samen als herinnering aan de acties van de compagnie in de Indonesischearchipel en als eerbetoon aan de gevallenen. Een groot aandeel leverde de sergeant J. Manche. Het
boek kreeg voor insiders de veelzeggende titel AWAS 515 mee. De wetenschap dat Awas het Maleise woord is voor Pas op en 515 het tactische nummer op de voertuigen van de compagnie, verklaart de titel.
Het boek was een particuliere uitgave en dus niet in de handel verkrijgbaar. Bij
de ontvangst van de reünisten kreeg burgemeester Vleggeert twee exemplaren aangeboden, maar die zijn spoorloos verdwenen; ten Stadhuize zijn ze
althans niet boven water gekomen en ook het Stadsarchief beschikt niet over
een exemplaar. De voorzitter van de Stichting Menno van Coehoorn was zo
vriendelijk een fotokopie van de eerste bladzijden met het gedeelte dat in
Gorinchem speelt te leveren. Via via kwam een contact tot stand met de oudstadgenoot H.W. Kreukniet, die als luitenant een der pelotonscommandanten
van de compagnie was. Hij gaf het bewuste boek ter inzage. Het begin herinnert aan het militaire leven in Gorinchem, dat vroeger zo'n belangrijke rol vervulde in deze garnizoensstad.Ten tijde van het verblijf van de compagnie was
de Grote Toren in restauratie en omgeven door een houten stelling, zoals in de
eerste regels wordt medegedeeld.
Met toestemming volgt hier een gedeelte uit Awas 515; herinneringen aan de
zwerftochten der 6e Genie-Veldcompagnie,verteld door verschillende leden van
dit onderdeel, samengesteld door J.C. Waterreus.
De toren van Gorcum moet gerestaureerd worden.
Hoog rijzen de stellingen en wikkelen zich als een machtig vakwerk om het
plompe torenlichaam.
Helwit tekent zich de schijf der klok af tegen de grauwe wand en het zwart van
de diepliggende vensters.
Vijf uur wijct de klok en de gonzende zware klokken melden het aan de omgeving. Triest en zwaar volgt slag na slag, die verder dreunen over de lage daken
rond de hoge kerk.
De vroege schemering trekt als een grijze sluier, waarin alles onzeker wordt,
over de toren en de kerk, over de huizen en over de kazerne. Hier heerst op de
binnenplaats een bedrijvigheid van aanrijdende vrachtauto's, waarvan het geluid
der motoren zich vermengt met de slagen van de torenklok.
Maar de vallende schemering laat zich niet ophouden, de sluier daalt verder en
vangt allen, die op de binnenplaats staan aangetreden, in zijn ban van onzekerheid.
De bedrijvigheid groeit aan. Het is de hoogsfe tijd.
De vierde divisie-pionier-compagnie gaat vertrekken naar Indonesië.
De toren moet gerestaureerd worden en de klok zegt, dat het de hoogste tijd is.
Het is een vreemde mengeling, die compagnie. Men heefî op een of andere staf
of hoofdkwartier een smeltkroes genomen; een lepel oorlogsvrijwilligers, een
lepel dienstplichtigen, 'n scheutje 4" schoolcie., 'n scheutje 5" schoolcie., een
heel klein snuifje opleiding en toen maar sudderen. En het resultaat was, waar
duizenden geleerden reeds duizendenjaren vergeefs naar gezocht hadden, Goud,
puur goud. Er werd een naam voor dit nieuwe product gezocht; hoe langer die
was hoe beter. Enfin, de vierde divisie-pionier-compagnie was geboren en we
schreven toen 20 November 1946. Op die dag werd dit wonderlijk stel kerels
samengevoegd na kort, doch zorgvuldig te zijn opgeleid. Voor de meesten begon de opleiding in Gilze-Rijen, waar midden in de bossen een kampement als
een paradijs was gebouwd. Een van de weinige goede erfenissen van onze
oosterburen.
Daar kwamen ze aangedrenteld, onwennig om zich heenziend en hun burgercostuum nog liefderijk strelend. Dat burgercostuum was al vlug verdwenen; opgeborgen in de koffers, naar huis gezonden of naar de fourier.
Wanneer zou het weer uit de motballen gehaald kunnen worden?
Veel tijd om te denken is er in die opleidingstijd niet. Voor dag en dauw staan de
semi-soldaten al aangetreden in hun naar kamfer riekende uniformen. En dan
gaat het lieve leventje beginnen.
Exerceren! Theorie! En dan weer exerceren enz. en niemand weet precies te
zeggen waarom.
Spoed is het stempel, wat op deze opleiding drukt en dan vallen de "waaroms"
weg.
Hoe verder de opleiding vordert des te meer veranderen de gezichten, de houding. Ook de innerlijke gesteldheid van de recruten wordt anders. Vrijer, onbezorgder, krachtiger.
Door het uniform vallen de verschillen zoals afkomst, schoolopleiding e.d. weg.
Een bakker maakt linksom op bevel van een loodgieter, een student presenteert het geweer op commando van een machinebankwerker. Een kantoorbediende schrikt zich een beroerte door het knallen van de plastiek, die achter
hem gegooid wordt door een metselaar op de stormbaan.
Ja, op die hindernisbanen, daar zijn de greppels gevuld met het angstzweet (en
tranen?) van de recruten. We hebben prachtig geleerd over muren te klimmen,
ons door prikkeldraad te wurmen en door buizen te wringen. Muren, prikkeldraad en buizen zijn we in Indonesië echter nooit tegengekomen, maar dat is
minder.
En dan waren er die prachtige lessen in de Bahassa. Weken, maanden hebben
we gezwoegd op het: sartoe, doea, tiga, en toen we één dag in Indonesië waren
Oefenen met het construeren van een baileybrug Buiten de Dalempoort, najaar 1946
wisten we dat het één twee en drie betekende.
Geweerpoetsen wordt afgewisseld met koppelpoetsen; koppelpoetsen met
geweerpoetsen en we worden snelheidsmonsters op het nummer omkleden en
nachtoefeningen in de bossen. En zoveel heeft de compagnie al geleerd, dat
het veel weg heeft van een stel ervaren junglevechters. Geen geluid, geen gekraak van takken verstoort de nachtelijke stilte. De officieren verwonderen zich
er over, hoe goed deze pioniers zich geluidloos weten te bewegen. Van dat
bewegen was echter geen sprake!
De meest schranderen hadden zich van dode bladeren een kostelijk bedje
opgeschud en hier en daar klonk het krassen van een uil vermengd met het
gesnork van een peloton doodmoede soldaten.
In Bergen op Zoom een week op de mijnenschool.
Urenlang in snikhete leslokalen. Saaie verhalen over primers, 808 en potmijnen.
Slapen in naar lysol riekende zalen, waar de kalk van de muren bladert en geen
ruit meer in het venster zit.
Tot besluit van die cursus een demonstratie mijnenleggen en -opruimen, waarbij
de mijnen, die springen moeten, het natuurlijk niet doen; dat hoort nu eenmaal
zo!
Dan volgt de kennismaking met de Bailey Een kennismaking, die zo hartelijk
was, dat de naam van de compagnie eigenlijk ondenkbaar was zonder die van
Bailey; zoiets als: Van Gend & Loos.
Aan die Bailey hebben we dan ook veel van onze triomfen te danken. Maar
ondanks die hartelijke kennismaking bleek het, dat de vlotte omgang met dit
materiaal wel degelijk krachten vereist. Vandaar, dat het in die opleidingstijd
niet altijd even vlot ging.
Dat we de zaak uiteindelijk onder de knie hadden, daarvan zijn de bewijzen
geleverd.
Alleen vroegen we ons nog wel eens af, waarom we nu persé moesten leren
roeien met een muzikale omlijsting van een tiental niet te begrijpen commando's.
Hebben we in Indonesië ooit geroeid? Nou, ja, ik bedoel hier in een boot,
natuurlijk.
En zo kwam de dag van het inschepingsverlof hoe langer hoe dichter bij. Een
week, die niemand meer vergeet, vol van lieve woorden, beloften en afscheidstranen, bezoekjes brengen en kopjes thee slurpen. Een week van een zenuwslopende spanning, van een zich angstig afvragen: zou onze verhouding goed
blijven; zou mijn vrouw de opvoeding van de kinderen alleen aankunnen? En
dan de grote vraag: zal ik zelf trouw kunnen zijn?
Op de dag van het afscheid zijn we ons er van bewust: wij moeten, wij zullen
bewijzen te zijn en te blijven wat onze geliefden, onze familie, ons volk van ons
denkt en verwacht.
Natuurlijk, de mogelijkheid blijft bestaan, dat wij zullen falen. Maar laten we
bovenal eerlijk zijn en hopen en wachten op de dag, die ons terug zal vinden in
onze eigen warme vertrouwde omgeving van sfeer en hatelijkheid.
En er is genoeg tijd tot bezinning. De twee weken, die volgen op het inschepings-
verlof, gelijken een religieuze retraite; een tijd van afzondering bedoeld als quarantaine, maar die ons door zijn eentonigheid en verveling doet verlangen naar
het vertrek.
In die dagen vervult de R.A.O., met het organiseren van cabaret-, toneel- en
filmavonden, een dankbare taak. Deze avonden vallen geweldig in de smaak en
doen je enkele ogenblikken de ware toestand van gevangenschap vergeten.
Na een klinkende afscheidsparade door Gorkum is de dag van vertrek daar: 4
december 1946.
Daar staan ze aangetreden, de pioniers. De gezichten weerspiegelen de gemengde gevoelens van "de-pest-er-in-hebben" en ook iets vragends van "wat
zou het worden"?
Het is vochtig en kil; het wachten, tot ieder zijn plaats in een der vrachtauto's
heeft gevonden, duurt lang.
Eindelijk verlaat de eerste wagen de grote poort van de kazerne. Een tweede en
een derde volgt spoedig en dan de hele sliert er achter aan. Gorkums compagnie vertrekt. De geliefde compagnie! Wekenlang hebben de inwoners de jongens zien marcheren.
Zij zagen hen komen uit Breda, zagen hen bijna iedere morgen, middag en
avond uittrekken en terugkeren in hun werkkleding.
Zingend en opgewekt of stil en vermoeid van het harde werk aan pontons en
bruggen.
Zij zagen hen in hun beste uniformen - met gepoetst koper en glanzende helmen - paraderen, voorafgegaan door een lustig blazend muziekkorps.
Zij zagen hen als gevangenen of als apen-in-artis achter de gesloten poort en
langs de hekken van de kazerne drentelen, toen de compagnie in quarantaine
lag.
Zij zagen hen ook 's avonds ná de dienst, soms aangeschoten, op een holletje
naar de kazerne rennen om het avondappel niet te missen.
Alleen als de kloeke pioniers bezig waren de harten van de Gorkumse dochters
te veroveren, dan, ja dan zag niemand hen.
Nu ziet Gorkum de compagnie vertrekken en de bevolking zwaait met zakdoeken: Goeie reis!
De mannen brullen; het doet je goed te brullen. Het overstemt de stem in je, die
zegt, dat dit het begin is van iets, waarvan we niet weten, waar en wanneer het
einde zal komen.
We rijden. Hard gaat het in de richting Rotterdam.
Eenmaal op de grote weg is iedereen stil en zit in gedachten verzonken op zijn
plaatsje in de wagen zonder een ander aan te durven zien.
Rotterdam!
Weer brullen we. Alle liederen, die we kennen of half kennen.
De Rotterdammers wuiven voor de helverlichte vensters, waaruit de gezelligheid
van de kamers straalt; en zij, die van hun werk op weg naar huis zijn, wuiven
ook. En als zij straks de huiskamer binnengaan en de familie aan tafel vinden,
zullen zij zeggen: "Er gingen er weer heel wat !"
Schiedam - Vlaardingen - Maassluis!
Steeds enthousiaster wordt de colonne van veertien wagens; het rijden sneller,
het zingen luider.
Neerland wuift zijn soldaten ten afscheid en de soldaten wuiven terug. We gaan
bananen plukken ! Breng een apie voor me mee! Zet 'm op, jongens!! Tot over
twee jaar! Zoek vast een baantje voor me!
Hoek van Holland. En het is half negen.
Het is gaan regenen en we zijn blij, dat het regent.
Nu pas voelen we goed, dat het Holland is, waarvan we afscheid zullen nemen.
Want alleen in Holland valt zo'n regen, die ondanks zijn troosteloosheid toch
iets gezelligs brengt.
Iets gezelligs, vooral nu in deze donkere dagen voor Kerstmis, de dagen van
feest en gezelligheid in de familie, de dagen van hartelijkheid, cadeautjes, verrassingen, haardvuur, kerstboom, kransjes, oliebollen en chocolademelk, jenever en vrede.
De wagens stoppen en we stappen uit.
We zien de "Oranje-Nassau" liggen als een machtig, verlicht eiland, tussen de
glimmende vlakken van de natte asfaltkaden en het wijde water.
We gaan de loodsen in voor de douane, koffie, camel en sprits.
Jawel, de Nederlandse soldaat wordt verwend!
'Hls laatste groet uit het moederland leest er een van het rood-wit-blauwe bandje,
dat op de sigaretten zit. Hij herhaalt het met een nadruk op het woord 'Yaátste"
en mompelt cynisch: 'Zij willen ons niet meer terug zien!"
De inscheping gaat vlotter dan we eigenlijk van het leger verwachten mochten
en ook gewend zijn. Een uurtje na aankomst in den Hoek liggen de plunjezakken en ransels al in de kooien.
Het is er eng en benauwd. Dicht aaneen hangen de zeil-matrassen drie hoog
boven elkaar, met een zwemvest aan het hoofd - en een deken aan elk voeteneinde.
Traag sluipt de tijd voorbij. Eerst om elf uur zal de boot vertrekken. Jil Pinske
heeft zijn guitaar uit de hoes gehaald, een groepje vormt zich om hem heen en
zingt. Op twee aan elkaar grenzende kooien liggen Hans Levy en een pelotonsgenoot te schaken. Hier en daar komen de speelkaarten te voorschijn, wordt
klaverjassen geblazen en knetteren de eerste krachttermen door het ruim.
Kapt. Zuiderhoek en nog enkele officieren komen de boel eens bekijken en
zijn kennelijk opgelucht deze stemming aan te treffen. Ja, met die soldaten
durven ze wel in zee. En de soldaten wel met die officieren en onderofficieren,
zij kennen elkaar al zo'n beetje. En als er dan een nogal stevig-gebouwde sergeant-majoor de trap afkomt en het ruim binnenstapt, wordt het schone lied
aangeheven van het roodborstje, dat alsmaar tegen de ruit zit te tikken. Het
hoofd van de majoor - van zichzelf al rood en groot - wordt roder en groter en
zijn gezicht vertrekt in een grijnzende glimlach, waarbij de mond - van oor tot
oor - de grote massa, die op een stierennek steunt, in twee helften splijt.
Enkelen liggen stil op hun zeiltje, wachtend op het geluid van de machines. Zij
willen varen en het wachten duurt hun te lang.
In 's Hemelsnaam weg! Dan is de spanning geweken. Niet meer vastliggen aan
die wal, Een strook water tussen de boot en Holland, zó, dat je niet meer terug
kunt.
Nu kun je nog afstappen. De loopbrug ligt daar als een sadistisch monster,
nodend en spottend,
De rust keert langzaam terug in het ruim. De meesten denken aan huiselijke
dingen. Zou de kleine jongen z'n bordje wel hebben leeg gegeten? Nu ligt ie in
bed; zou hij slapen?
Wat zou Miep nu doen; mij al schrijven?
Zou vader z'n gewone ronde al begonnen zijn; buitendeur op slot, gaskraan
afsluiten, wekker opwinden, licht uit doen?
Als Ans nu maar geregeld de kostwinnersvergoeding krijgt?
Zo heeft ieder zijn eigen gedachten. De herinnering aan vreugdevolle, prettige
uren komt het meest naar boven en dan moet je je even omdraaien op je zeiltje
of je hoofd in de plunjezak stoppen, alsof je iets zoekt. De loopbrug wordt eindelijk - weggehaald. Fluitsignalen en bevelen klinken aan dek.
Het grote spel gaat beginnen.
We springen van de bedden op en sukkelen nog wat onwennig het ijzeren trapje
op. De trossen worden losgesmeten; de machines daveren en dreunen; het
schip trilt en draait en laat een spoor van wit kokend schuim achter. We varen
maar realiseren het ons nog niet ten volle. Lichtbakens en golven leggen beslag
op ons.
Pas als de laatste lichten van de kust vervagen, wordt het ons duidelijk. Holland
is weg, diep verzonken in de nacht, die nu om ons heen ligt. Op volle zee krijgt
de deining het schip te pakken. Dat geeft plezier aan dek. We proberen normaal te lopen, maar het lukt ons niet. We voelen ons als dronkelappen op
Zaterdagavond.
Geleidelijk aan wordt het stiller aan dek. Sommigen voelen zich niet lekker door
de schommeling van het schip, anderen willen slapen.
Een enkeling hangt nog over de reling en tuurt naar achteren.
Maar er is niets meer te zien dan de grauwe golven met hun vuilwitte koppen en
de lucht, waarlangs wolkenflarden trekken.
De eerste nacht buiten het Vaderland gaat in.
Welterusten, ouders, vrouwen, kinderen, meisjes.
Dijken van Nederland, behoedt ons land tegen de bruisende golven. Regering
van Nederland, zorg voor onze dierbaren, die achterblijven.
God, sta ons bij!
Het boek eindigt met de Pioniersmarsch, een compositie van Jos. Manche die
ook de tekst schreef en waarvan hier het eerste couplet volgt:
Wij marcheerden door Gorcum en Breda, Toen door Englafid en ook door Batavia Wij zijn het juweel aan de helm der Genie: Wij zijn van de vierde pionierscompagnie ! Met dank aan de heren J. van Doorn, H. Golverdingen, H.W. Kreukniet en A. van Sluiters.
202 DE GORCUMSE POSTWAGEN
Van de bekende Utrecht-kennerdr. A. van Hulzen stond in het Utrechts Nieuwsblad het volgende artikel over de diligence die aan het eind van de negentiende
eeuw nog van Utrecht naar Gorinchem reed. Het is een aardige toelichting bij
de waterverftekening van Anthony Grolman die we in het vorige nummer van
OGV toonden.
Redactie
De diligence staat klaar voor de herberg "Het wapen van Noord-Holland aan het
Vredenburg op de hoek van de Zakkendragersstraat om op 13 november 1883,
af te rijden naar de Sint Maartens-paardenmarkt te Gorinchem. De bagage ligt,
door een zeil beschermd, bovenop de wagen. De heren dragen een hoed, de
mannen en jongens een pet. Niemand is blootshoofd, want dat zou niet gekleed
zijn.
In de rubriek Kijkes van den Dom werd op 10 november 1900 het volgende
over deze Gorcumse wagen geschreven:
10 november. Beroemde Sint Maartens paardenmarkt te Gorcum. 't Is al lang
geleden, dat de Gorcumse wagen, die in 't hartje van de nacht van het Vreeburg
afreed, zijn passagiers naar die beroemde markt heenvoerde. Dat was het vervoermiddel bij preferentie van den ouderwetschen Stichtenaar. Klokke vier reed
de dubbele glazen wagen uit den pruikentijd, door een edel driespan getrokken,
bij Niekerk aan 't Vreeburg af (later het café Willems), in welk koffiehuis men
nog een photografie van het oude stelletje bewonderen kanJ'.
"De koetsier met zijn laklederen hoed en de postiljon, die de eigenschappen
van directie, aandeelhouders enz. in zich vereenigde, altijd toeterend op zijn
koperen posthoorntje; het waren steeds dezelfde figuren. Dat stel behoort onafscheidelijk bij elkaar. Ja zelfs de passagiers, die bij het schijnsel van twee
walmende vetkaarslantaarns hunne slaperige gezichten voor de beslagen ruitjes lieten zien (zoover het nachtelijk duister ze onderscheiden liet, omdat ze
allemaal nog even droomerig waren vanwege het vroege uur); zij waren onveranderlijk dezelfde oude bekenden, die ieder jaar met deze voorwereldlijke sneldienst "van zessen klaar" de Gorcumse reis meedemaakten.
Uit: Nieuwsblad voor Gorinchem en omstreken, 25 juli 1975
NIEUWE LEDEN
M. Burmania-Conroy
M. ten Cate
J. den Dekker
R.F.M. Dullaart
A.H.M. Killian
C.R. van Kooij
B. Kragten
M. de Munck
J.H. Vos
Gorinchem
Gorinchem
Gorinchem
Gorinchem
Gorinchem
Gorinchem
Lisse
Gorinchem
Gorinchem
RECTIFICATIE OGV 47, blz. 80
Bij het drukken is een gedeelte van de tekst in het kader onderaan bladzijde 80
weggevallen.
LOUISE CHRISTINE GEBOREN GRAVINNE
VAN SOLMS BRAUNFELS GRAVINNE
DOUAGIERE VAN HOLLAND BREDERODE
ETC REGENTES IN HARER SOONS
WOLPHARD MINDERIA RICHEYT
HEEFT DESE VAERT DOEN
MAECKEN INT IAER 1658
UIT DE COLLECTIE VAN HET GORCUMS MUSEUM
De Romeinse Krijger van beeldhouwer Christiaan Camerer
Edu Schultz
In de historische presentatie op de
tweede verdieping van het Gorcums
Museum staat het eikenhouten beeld
van een Romeins krijger. Het is een
opvallend beeld, geen groots kunstwerk, maar groot genoeg om het niet
voorbij te lopen.
In 1985 is het beeld gemeten (1,35 m
hoog) en gedateerd (1850), maar aan
het maken van een uitgebreide beschrijving was men niet toegekomen.
In juni vorig jaar hebben René van
Dijk, de stadsarchivaris, en ik de krijger nog eens bekeken en al snel
wees hij mij op het schild waarop het
Arkelse wapen en het jaartal 1805
stonden.
Dat 1805 gaf te denken. Dat jaartal
zou een hint kunnen zijn dat het
beeld lelijk fout was gedateerd door
onze voorgangers. René gaf mij toen
de raad eens in het Stadsarchief te zoeken naar verdere gegevens en vanaf dat
tijdstip heb ik informatie verzameld over de maker en zijn familie.
Mijn eerste bron was het Stadsrekeningenboek uit 1805 van Gorinchem. Daarin
vond ik de betaling voor de levering van een Staand Beeld (inv. nr. 1406, folionr.
123). Deze rekening is in het register van afschriften van declaraties inz. leveringen en arbeidslonen als volgt gespecificeerd:
De stad Gorinchem debet aan Christiaan Camerer. Voor een houten standbeeld boven de puye van het raadhuis, volgens declaratie door den stadsfabryk (= de directeur gemeentewerken) geverifieerd fl. 65. De conclusie, dat het beeld door Christiaan Camerer in 1805 was gemaakt, leek me gerechtvaardigd. Met behulp van de DTB-boeken (Doop Trouw Begrafenis) kon ik dit familie- plaatje maken: Christiaan Camerer gedoopt op 13 oktober 1756 en overleden op 15 juni 1831 te Gorinchem. Op 16 mei 1799 ging hij in ondertrouw met Maria van Gessel, eveneens in Gorinchem geboren, waarna ze huwden in Dalem. Zijn ouders waren Simon Camerer en Ida Maria
Hitters en verder had hij een broer en twee zusters:
Johannes Nicolaus, Agatha Maria en Elisabeth.
Enige tijd later ben ik gaan zoeken in het rekeningenboek van het timmermansgilde over 1773 - 1790
om licht te werpen op zijn economische toestand.
Hij wordt verschillende malen vermeld, o.a. op blz.
58 - 1779: De inkomsten van de beeldhouwers
Kristiaan Kaamer betaalt f 1-0-0.
Veelzeggender is het gegeven dat hij in 1800 twee
huizen in de Arkelstraat had gekocht voor fl. 300
(Rechterlijke Archieven, inv.nr. 607), een fiks bedrag dat in schril contrast stond met de welstand
van zijn vader veertig jaar daarvoor, toen die volgens de Diaconieboekenvan de Hervormde Kerk (inv.nr. 69 over 1763 en inv.nr.
70 over 1763-1769) bij wijze van onderstand meer dan eens een wambuis,
hemd, borstrok en andere kleren voor zijn kinderen had ontvangen.
Kijkend naar de pas verworven maquette van Gorinchem, staat de Romeinse
krijger nu in volle glorie in zaal 2.2. Zijn schepper is gelukkig gevonden. En die
mag als verdienstelijk ambachtsman en als mens niet meer worden vergeten.
Uit: Gorcums Museum Info, januari 1999, jaargang 5 , nummer 1
MINIATUURKERMIS VAN DE GORKUMSE HOBBYIST THEO DEN UYL
ONDERGEBRACHT IN HELMOND
Arie van Loon
Op 7 juli 2000 werd in de Gaviolizaal te Helmond een permanentetentoonstelling met een unieke miniatuurkermis van de vorig jaar overleden Gorkumse
hobbyist Theo den Uyl geopend.
Theo den Uyl(1916-1999) was zijn leven lang een groot liefhebber van kermissen en alles wat ermee te maken had. Vanaf begin jaren vijftig bouwde hij zijn
eigen kermisattracties. De eerste kermis die hij bouwde werd verkocht in 1953.
Daarna begon hij direct aan zijn tweede, die nog grootser van opzet was.
De miniatuurkermis die staat opgesteld in de Gaviolizaal in het Helmondse
museumtheater, is gebouwd op een schaal van 1:25. In de materiaalkeuze was
hij bijzonder creatief. Orgelpijpen maakte hij van breinaalden en de vliegtuigjes
in de zweefmolen sneed hij uit het hout van een bezemsteel. Hij werkte het
liefst met eenvoudige materialen, zoals nietjes, paperclips, fietslampjes, spijkers en elektriciteitsdraadjes.
Zijn ouders waren Simon Camerer en Ida Maria
Hitters en verder had hij een broer en twee zusters:
Johannes Nicolaus, Agatha Maria en Elisabeth.
Enige tijd later ben ik gaan zoeken in het rekeningenboek van het timmermansgilde over 1773 - 1790
om licht te werpen op zijn economische toestand.
Hij wordt verschillende malen vermeld, o.a. op blz.
58 - 1779: De inkomsten van de beeldhouwers
Kristiaan Kaamer betaalt f 1-0-0.
Veelzeggender is het gegeven dat hij in 1800 twee
huizen in de Arkelstraat had gekocht voor fl. 300
(Rechterlijke Archieven, inv.nr. 607), een fiks bedrag dat in schril contrast stond met de welstand
van zijn vader veertig jaar daarvoor, toen die volgens de Diaconieboekenvan de Hervormde Kerk (inv.nr. 69 over 1763 en inv.nr.
70 over 1763-1769) bij wijze van onderstand meer dan eens een wambuis,
hemd, borstrok en andere kleren voor zijn kinderen had ontvangen.
Kijkend naar de pas verworven maquette van Gorinchem, staat de Romeinse
krijger nu in volle glorie in zaal 2.2. Zijn schepper is gelukkig gevonden. En die
mag als verdienstelijk ambachtsman en als mens niet meer worden vergeten.
Uit: Gorcums Museum Info, januari 1999, jaargang 5 , nummer 1
MINIATUURKERMIS VAN DE GORKUMSE HOBBYIST THEO DEN UYL
ONDERGEBRACHT IN HELMOND
Arie van Loon
Op 7 juli 2000 werd in de Gaviolizaal te Helmond een permanentetentoonstelling met een unieke miniatuurkermis van de vorig jaar overleden Gorkumse
hobbyist Theo den Uyl geopend.
Theo den Uyl(1916-1999) was zijn leven lang een groot liefhebber van kermissen en alles wat ermee te maken had. Vanaf begin jaren vijftig bouwde hij zijn
eigen kermisattracties. De eerste kermis die hij bouwde werd verkocht in 1953.
Daarna begon hij direct aan zijn tweede, die nog grootser van opzet was.
De miniatuurkermis die staat opgesteld in de Gaviolizaal in het Helmondse
museumtheater, is gebouwd op een schaal van 1:25.In de materiaalkeuze was
hij bijzonder creatief. Orgelpijpen maakte hij van breinaalden en de vliegtuigjes
in de zweefmolen sneed hij uit het hout van een bezemsteel. Hij werkte het
liefst met eenvoudige materialen, zoals nietjes, paperclips, fietslampjes, spijkers en elektriciteitsdraadjes.
De miniatuurkermisgeeft een getrouw beeld van de Nederlandse kermis uit de
eerste helft van de vorige eeuw. De bouw ervan heeft ruim 26 jaar in beslag
genomen. Het pronkstukvormt de klassieke cakewalk, die zowel van binnen als
van buiten een levensechte indruk geeft. Andere attractieszijn een luchtschommel,
een carrousel, reuzenrad, zweefmolen, 'emotiebaan' en stoom-carrousel.
De kermis vormt een onderdeel van de museumcollectiedie verder bestaat uit
een verzameling dans- en draaiorgels, historische grammofoons en accordeons.
Het was de wens van Theo den Uyl dat zijn miniatuurkermis in Helmond werd
ondergebracht. Loek Muijsenbergvan het Helmonds museumtheater vertelt in
de speciale Helmondse kermiskrant: De miniatuurkermisheeff op vele tentoonstellingen en beursen gestaan, maar de Gaviolizaalhad voor Theo een speciale
betekenis. "Wat zou het mooi zijn als ik de kermis hier later onder zou kunnen
brengen", liet hij zich wel eens ontvallen. Die wens is nu gelukkig uitgekomenJ'.
Op 7 juli werd de permanente tentoonstelling in aanwezigheid van familie en
'
vrienden geopend door de Helmondse wethouder C. Bethlehem.
Theo den Uyl in zijn atelier
tijdens de restauratie van
de stoomcarrousel van
Anton Benner. Foto
Gorcums Museum
Stoomcarrousel van Anton Benner
De Historische Vereniging Oud-Gorcum is in het bezit van de stoomcarrousel
van Anton Benner, gemaakt tussen 1925 en 1930 door de Gorcumse meubelstoffeerder A. de Koning. Deze werd jarenlang tentoongesteld in het Museum
Dit is in Bethlehem, maar raakte in de jaren zeventig sterk in verval. Met de
heropeningvan het Gorcums Museum kon deze onmogelijktentoongesteldworden en daarom zocht het museum contact met Theo den Uyl om het levenswerk
van De Koning in de oorspronkelijke staat terug te brengen. De restauratie nam
tien weken in beslag en in april 1983 kon het kunststuk, veilig opgeborgen in een
grote vitrine, weer tentoongesteldworden. De stoomcarrouselvan Anton Benner
is een onderdeel van de historische collectie van het Gorcums Museum en is,
van achter het glas, nog steeds te bewonderen.
NIEUWE LITERATUUR OVER STAD EN STREEK
HUIZE GROENMARKT, 1606-1999. De geschiedenis van Huize GroenmarktA.J. Busch
Als vervolg op het in 1979 uitgegeven boekje onder de titel Het verzorgingstehuis voorbejaarden "Groenmarkt"verscheen nu, naar aanleiding van de sluiting van het verzorgingshuis Groenmarkt, dit door A.J. Busch geschreven boekje.
Het eerste gedeelte ervan -verreweg het grootste - bevat een verhandeling
over de interessante geschiedenis van deze instelling, voortgekomen uit het
Oude Vrouwenhuis, van 1606 tot 1999. Tot slot besteedt K. Hazelaar in enkele
bladzijden enige aandacht aan De laatstejaren als verzorgingshuis. Een lijst
van medewerkers besluit het geheel.
Het boekje is niet in de handel verkrijgbaar.
DE STEDE NIEUPOORT, ZESDE VERZAMELING BIJDRAGEN, 1999. ISBN
90-802405-3-2. Uitgave van de Historische Kring Nieuwpoort. Prijs f 29,90.
Deze bundel bevat een verzameling bijdragen van verschillende auteurs, o.a.
van mevr. E.M.J. Boeré-Schols die over haar jeugdherinneringen uit het begin
van de vorige eeuw vertelt. Ook is er een bijdrage over de walvisvaart, waarin
enkele dorpen in de Waard een rol hebben gespeeld.
JAARVERSLAG 1999 STICHTING STADSHERSTEL GORINCHEM.
Dit jaarverslag geeft evenals de voorgaandejaarverslagen een overzicht van de
activiteiten van de Stichting in het afgelopen jaar. De Keizerburgtwerdals een
van de mooiste projecten begin 1999 opgeleverd. Opgeleverd werden ook twee
andere projecten, nl. de Schone Schutteren het plan Spaarpotsteeg. In voorbereiding zijn het project Gorkumse Eierveiling in de Keizerstraat en het Van
Andelpakhuis. Van beide geeft het jaarverslag een historische beschrijving.
Zoals uit het jaarverslag blijkt, werkte de SSG het afgelopen jaar zeer actief
aan verbetering en herstel van Gorinchems historische stadsbeeld.
Het jaarverslag is niet in de boekhandel verkrijgbaar.
DE PEULENSTRAAT IN 1950- Flok de Ruiter & Kees de Ruiter. Publikatie
36 van de HistorischeVereniging Hardinxveld-Giessendam. ISBN 90-7096045-1. Prijs: f 20.
In deze voortreffelijke uitgave hebben de auteurs de Peulenstraat in Hardinxveld,
zoals deze was in het jaar 1950, uitvoerig beschreven, zowel wat betreft de
bewoners als de bebouwing. Een prachtig voorbeeld van samenwerking tussen deze twee broers, allebei geboren en getogen in deze straat, die elk een
taak op zich hebben genomen om gezamenlijk een beeld te geven van het
verleden. Het is een soort eerbetoon van deze auteurs aan hun geboorteplaats
waarmee zij een sterke band hebben, gezien hun vele publicaties die zij in de
loop der jaren aan hun dorp gewijd hebben. Het boek bevat een omvangrijke
feitelijke en illustratieve documentatie,waarvoor wel bijzonder veel werk verzet
moet zijn. Al die vraaggesprekken met bewoners, het archiefonderzoek enz.,
wat een tijd en wat een geduld moet dat gekost hebben!
Het idee om een sociologische geschiedenis van een straat of buurt te schrijven is op zichzelf niet oorspronkelijk. Maar het bijzondere van dit boek is dat
de auteurs gekozen hebben voor één bepaaldjaar. Het is dus niet de geschiedenis van een straat, maar als het ware de momentopname van die straat met
de belichting van een jaar.
Dat de schrijvers voor het jaar 1950 gekozen hebben is verklaarbaar. Dat jaar
lag nog vrij kort na de bevrijding; men was nog volop bezig met de 'opbouw'. Er
waren nog maar weinig grote veranderingen; die kwamen pas daarna. Toen
moest alles anders. Er was in het jaar 1950 nog vrij grote rust; de bevolking
was nog maar weinig mobiel. De broers hebben dus de juiste keus gedaan
door dat jaar te kiezen.
Het is een boek geworden waar een dorp als Hardinxveldtrots op mag zijn. Het
is trouwens ook voor niet-Hardinxvelderseen genoegen om het te lezen. Het is
vlot en boeiend geschreven, een goed verzorgde uitgave met uitstekende,
goed afgedrukte illustraties.Achterin voorzien van een kadastrale plattegrond
van de Peulenstraat in 1950, met alle huisnummers.
WAAR BLEEF HET VUIL VAN GORINCHEM -A.J. Busch, oud-archivarisvan
Gorinchem.
Een uitgave van de gemeentelijke reinigingsdienst Gorinchem, mei 2000. Het
is niet in de boekhandelverkrijgbaar.
Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan 1 juli 1998 zou op verzoek van de
gemeente Gorinchem een jubileumuitgave, geschreven door de oud-stadsarchivaris A.J. Busch het licht zien. Deze verscheen echter pas later, namelijk
toen de Reinigingsdienst een nieuwe, belangrijke mijlpaal bereikte: de officiële
opening van een nieuw complex op het bedrijventerrein Papland, mei 2000.
In een viertal hoofdstukken beschrijft Busch de geschiedenis van de vuilopruiming in Gorinchem.
1. Reiniging een particuliere aangelegenheid; de tijd van de karlieden en
de aanbestedingen.
2. Moeizame overgang naar een gemeentelijke dienst.
3. Begin van de gemeentelijke Reinigingsdienst.
4. Slechte huisvesting op de Bullekeslaan. Overgang naar een modern
bedrijf op Papland.
Het boekje wordt besloten met zes bijlagen met reglementen, verordeningen,
keuren e.d.
GIN GEZEUR, WIJ VAREN DEUR - De geschiedenis van het veer in Gorinchem.
Een uitgave van de gemeente Gorinchem - Bas van Beuzekom en René van
Dijk.
Deze uitgave over de geschiedenis van het veer te Gorinchem verscheen in
opdracht van de gemeente Gorinchem naar aanleiding van de ingebruikneming
van de nieuwe veerboot de Gorinchem VIII op 6 juli van dit jaar. Het bestaat uit
artikelen van twee auteurs, nl. Bas van Beuzekom en René van Dijk, onder de
redactie van Rien Robijns, die zelf het laatste ge hoofdstuk schreef over de
Gorinchem VIII. Het grootste deel van het boekje is van Bas van Beuzekom, de
hoofdstukken 1 en 3-7, ontleend aan zijn artikelenreeks in Oud-Gorcum Varia
(10,11, 12 en 14). De hoofdstukken 2 en 8 zijn van stadsarchivaris René van
Dijk en van recente datum.
Gin gezeur, wij varen deur is mooi uitgevoerd en goed geïllustreerd met een
behoorlijk aantal historische foto's.
Het boekje is niet in de boekhandelte koop, maar wel voor f 15 verkrijgbaar in
het stadhuis van Gorinchem en op de veerboot Gorinchem VIII.
TUSSEN DE DIEFDIJK EN DE ZOUWENDIJK - Een waterstaatkundige en
sociaal-economischegeschiedenis van de Vijfheerenlanden (1566-1984) - Dr.
Aart Bijl. ISBN 90-800831-3-5
Dit boek is het resultaat van een driejarig vervolgonderzoek dat dr. Aart Bijl
verrichtte na het verschijnen van zijn proefschrift Het Gelders Waterin 1997.
Het boek geeft een beschrijving van de bevolkingsontwikkeling,de voornamelijk agrarische samenleving, de strijd tegen de rivieroverstromingenen de problemen rond de uitwatering en de bemalingvan de vele polders in de Vijfheerenlanden over een periode van ruim 400 jaar.
Het verhaal begint in 1566 met de bouw van zes grote windwatermolens in de
uiterwaarden bij Sluis, ten oosten van Ameide, en eindigt in 1984 met de (voorlopig) laatste reorganisatie van het waterschapsbestuur waarbij het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden tot stand kwam.
Het goed leesbare en fraai uitgegeven boek telt ruim 300 bladzijden en is
voorzien van vele illustraties en verhelderende tabellen.
De prijs van het boek bedraagt f 59,95 en is verkrijgbaar bij de boekhandels.
Leden van Oud-Gorcum kunnen het boekvoor f 49,95 telefonisch bestellen bij
de auteur (tel. 636471).
INHOUDSOPGAVE -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Alles van waarde is weerloos
R.F. van Dijk Het Gorkumse Lindenlaantje
G. Lutke Meijer De locomobielenloods bij de Grote Mewedesluis
A.J. Busch De bierbrouwerij "De Drie Snoeken" 1785-1837 (1857) De ondernemer Cornelis van Borcharen, aflevering 3 R.H.C. van Maanen Het Wijdschild
H. van Hoogdalem Hzn t Had Dalem een kasteel?
B.J. de Groot Twee sluizen in Gorinchem-Oost
A. van Loon / G.H. Keunen Jeugdherinneringen
R. Eykenaar-Stegeman Uit de geschiedenis van de Ned. Hervormde Gem. van Gorinchem,
aflevering 9
L. Hoving Militaire bruggenbouwers in Gorinchem
A.J. Busch De Gorcumse postwagen
Nieuwe leden
Rectificatie OGV 47
Uit de collectie van het Gorcums Museum
De Romeinse Krijger van beeldhouwer Christiaan Camerer
Edu Schultz
Miniatuurkermisvan de Gorkumse hobbyist Theo den Uyl
ondergebracht in Helmond
Nieuwe literatuur over stad en streek
Redactie/Vormgeving B. Freriks
drs. A. van Loon
drs. H.M. den Uyl
Tekstverwerking
drs. A. van Loon
Advies
R.F. van Dijk
Druk
Drukkerij-Uitgeverij Loevestein,
Almkerk
september 2000
139
144
148
151
158
163
172
179
183
193
203
204
204
205
206
208

Vergelijkbare documenten

Spread Gorinchem beweegt.indd

Spread Gorinchem beweegt.indd de bank 3050) of op Postbanknr. 5593243 t.n.v. penningmeester van OudGorcum, Athene 4 te Gorinchem. Losse nummers van Oud-Gorcum Varia a fl. 7,50 zijn verkrijgbaar in het Cultuur-Historisch Informa...

Nadere informatie