Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica belicht

Commentaren

Transcriptie

Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica belicht
Unificatie en Broederschap
vanuit de moderne fysica belicht
M.Takkenberg
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
”Dan zie je de krachten spelen...”
Fay van Ierlant
1
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Inhoudsopgave
Hoofdstuk
blz.
1. Inleiding
2. De wortels van de moderne wetenschap
3. De geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte
3.1 De Miletische school
3.2 De Pythagoreërs
3.3 Herakleitos
3.4 De Eleaten
3.5 Leukippos en Democritos
3.6 Theorie en experiment
3.7 Socrates, Plato en Aristoteles
4. Korte bespreking
5. Hoe nu verder?
6. De Renaissance
7. Na de Renaissance
8. De wereld van Blavatsky
9. De vorderingen van de natuurwetenschappen
10. De ‘moderne fysica’
10.1 Unificatie van de Newtoniaanse mechanica en
de elektrodynamica van Maxwell
11. De subatomaire wereld
12. Unificatie van de Relativiteitstheorie en de Quantumfysica
13. De laatste decennia van de twintigste eeuw
14. Unificatie en Broederschap
3
4
6
7
8
9
10
11
13
13
17
18
20
22
25
27
30
30
Literatuurlijst
36
40
42
43
45
2
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
1. Inleiding
Als je de Geheime Leer bestudeert lijkt het soms alsof er een aanklacht tegen de wetenschap
wordt ingediend. In ongewoon felle bewoordingen trekt HPB regelmatig van leer tegen de in
haar tijd gevestigde wetenschap.
Zijn de wetenschap en de perennial wisdom dan zo in conflict met elkaar? Sluiten ze elkaar
uit? Is de mensheid de verkeerde weg ingeslagen? Is de oosterse benadering, van waaruit
HPB redeneert, beter dan de westerse benadering? Vragen die je toch wel worden
opgedrongen als je de redenatietrant van HPB volgt.
Ik denk dat dit niet het geval is. In mijn lezing zal ik proberen aan te tonen dat zowel occulte
kennis als de zogenaamde wetenschappelijke kennis uiteindelijk tot eenzelfde resultaat leiden,
elkaar kunnen aanvullen en elkaar overlappen.
Hiervoor ga ik eerst terug in de tijd. Om de ontwikkelingen in en de benaderingswijze van de
moderne wetenschap te kunnen begrijpen is het noodzakelijk een beeld te hebben van haar
ontstaansgeschiedenis.
Ik zal deze geschiedenis naast de oosterse benadering leggen en trachten aan te tonen hoe
deze, op het oog zo verschillende benaderingen, lijken te leiden naar een gemeenschappelijk
eindpunt.
Deze lezing moet niet gezien worden als een sluitende redenering, maar eerder als een
redenering die tot denken kan aansporen. Mijn conclusies hoeven niet uw conclusies te zijn,
mijn lezing kan wel aanzetten tot vergelijking en bespiegeling. Als ik deze aanzet aan u kan
overdragen is het doel van deze lezing bereikt. Maar laten we bij de bespiegeling altijd
openstaan voor verschillende benaderingen, zonder ons te laten beinvloeden door de mening
van de guru’s uit het oosten of de guru’s van de moderne wetenschap. Is niet één van de
basisgedachten van HPB dat je nooit iets van een ander aan moet nemen, maar altijd je eigen
conclusies moet trekken?
3
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
2. De wortels van de moderne wetenschap
Hoe heeft de westerse wetenschap zich kunnen ontwikkelen tot wat zij nu is? Hoe heeft zij
zich kunnen ontwikkelen uit de mystieke benadering van de oude Grieken tot een benadering
die zich volledig los heeft gemaakt van het mystieke. Een benadering die het mystieke zelfs
afwijst?
Een nadere beschouwing van de ontwikkeling van de Griekse filosofie is hier op zijn plaats.
De Griekse filosofie heeft haar wortels zo rond 550 BC1. Dit moment kan ongeveer worden
aangemerkt als het tijdstip waarop de scherpe Griekse geest zich ertoe zet om te trachten door
middel van zelfstandig, redelijk denken de wereld uit natuurlijke oorzaken te verklaren. Deze
ontwikkeling is juist zo van belang omdat de grondleggers van de Griekse filosofie ook als de
grondleggers van onze filosofie zijn te beschouwen. In tegenstelling tot het denken van de
oude Indiers en Chinezen zette de geestelijke beinvloeding van de Grieken zich voort tot in
ons gebied. De beschavingswerelden van het oosten stonden zowel ruimtelijk als in de tijd ver
van ons af en hebben zich afgezonderd van ons ontwikkeld.
In de tijd van Perikles (495-429) bereikte de Griekse
beschaving haar Gouden Eeuw. Handel en scheepvaart
van de Grieken verspreidde zich over het hele
middellandse zeegebied: van de straat van Gibraltar in
het westen tot de Zwarte zee in het oosten. De kusten
van Spanje, Zuid Frankrijk, Noord Afrika, Beneden
Italie en Sicilie werden het thuisoord van Griekse
kolonisten. De zeevaart speelde hierbij een belangrijke
rol: door het bergachtige van hun omgeving werden de
Grieken als het ware gedwongen om de zee voor het
transport te gebruiken.
De Grieken kwamen hierdoor echter ook in aanraking met andere culturen en godsdienstige
gewoonten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het filosofisch denken zich het eerst uitte in
de kuststreken van de bezette gebieden en later de kusten van het moederland, en dan in het
bijzonder Athene. De neiging tot filosofische benaderingen werd versterkt door de
democratische staatsinrichting en de daarbij behorende kunst van het spreken in openbaar.
Weliswaar hadden de Grieken een aktief cultureel verkeer met de oudere beschavingen van
het oosten, maar op dit beslissende ogenblik in de geschiedenis werden zij door geen enkel
macht uit het oosten bezet. Hierdoor konden ze zonder vreemde overheersing of druk hun
eigen volksaard ontwikkelen. Uit de gedichten van Homeros (8e eeuw BC?), de werken van
Hesiodos (8e eeuw BC) en in het bijzonder de Theogonia2 krijgen we een goed idee omtrent
1
Als interessant zijpad kan worden opgemerkt dat rond het begin van de filosofie in de Griekse wereld ook omwentelingen zijn waar te
nemen in China (Lao Tse [609-517 BC], Confucius [direkt volgend op Lao Tse]), Indie (Mahavira, de stichter van het Jainisme [599-527])
en Boeddha [563-483], bij de Joden Jeremia [600 BC, Jeruzalem], Ezechiel [580 BC, Babylon], Perzie met Zaratoestra.
2
Theogonia (“Ontstaan van de Goden”): Systematische beschrijving van afkomst en samenstelling der godenwereld. [Dr. J.H. Croon: ,
Encyclopedie van de antieke wereld, 2e druk, blz. 125]
4
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
het Griekse godsdienstige idee over het ontstaan van de wereld. We moeten ons echter goed
realiseren dat deze godsdienstige begrippen een heel andere betekenis hadden bij de Grieken
dan bij vele andere volkeren. We moeten niet direkt denken aan de Olympos met haar
stralende goden en godinnen. Een godenschare die zeer menselijke trekken vertoonde. Vrijwel
zeker zijn de meeste van deze goden uit de pen van Homeros voortgekomen.3 Er bevond zich
een veel dieper en anders geaarde religieuze wereld. Een wereld die diep in het Griekse
volksbewustzijn was geworteld. Een wereld die ongetwijfeld voor een groot deel van niet
Griekse oorsprong was en afkomstig was van de oerbevolking waarmee de Grieken zich
hadden vermengd.2 De religieuze richtingen die hierop waren gebaseerd waren de mysterien
en droegen het karakter van geheime genootschappen. In de wijsbegeerte vinden we hier
elementen van terug bij de Pythagoreeers, bij Plato en in het latere neoplatonisme.
We kunnen stellen dat de 6e eeuw voor Christus een keerpunt in de geschiedenis is geweest
die de ontwikkeling van de westerse beschavingen sterk heeft beinvloed.4 Het was het begin
van de periode waarin de mythologie moest gaan wijken voor de kosmologie.
3
H.J. Storig: Geschiedenis van de filosofie, dl 1, 19e druk, blz. 112.
4
Karl Jaspers, hedendaags Duits filosoof, “Vom Ursprung und Ziel der Geschichte”.
5
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
3. De geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte
De geschiedenis van de Griekse wijsbegeerte kan grofweg in drie hoofdperiodes worden
onderscheiden:
•
De oudste of pre-sokratische periode: Een reeks denkers maakt zich los van
theologische voorstellingen en gaat uit van een oerbeginsel (Arché). In het
algemeen wordt dit de periode van de oudere natuurfilosofie genoemd. Hierop
volgen aan de ene kant Pythagoras, die een mystieke, zich op het getal
orienterende weg inslaat en aan de andere kant de jongere natuurfilosofische
scholen. Als overeenkomst kan worden aangemerkt dat zij allen uit zijn op een
verklaring van de natuurlijke wereld en een nog sterk dogmatisch en speculatief
karakter hebben.5
•
De tweede hoofdperiode of het Attische tijdvak: Het tijdperk van de Griekse
sofisten, met Athene als geestelijke focus. De sofisten bereidden de weg voor voor
de drie grote denkers: Sokrates, Plato en Aristoteles (in deze volgorde elkanders
leerling). De sofisten hebben gemeen dat zij de vinger leggen op de contradicties
in de door het denken ontstane beeldvormingen. Zij concluderen dan ook dat het
denken op zich onvoldoende is om de natuur te verklaren.
Met de komst van de drie eerdergenoemde, grote denkers wordt de wortel gelegd
voor alle latere takken van wijsgerig onderzoek: logica, metafysica, ethiek,
natuurfilosofie, staatsfilosofie, esthetica en pedagogie. De tweede hoofdperiode
bereikt haar hoogtepunt met Aristoteles die als eerste een systematische vereniging
van het geheel voorstelt. De tweede hoofdperiode strekt zich uit van het midden
van de 5e eeuw tot aan de dood van Aristoteles in 322 BC.
Opvallend is dat, evenals andere volkeren, de Grieken hun grootste geestelijke
rijpheid bereiken na de gouden periode en tijdens politieke achteruitgang. Om met
Hegel te spreken: “Pas in de schemering ontplooien de uilen van Minerva hun
vlucht.”
•
De derde hoofdperiode: Deze lange periode omvat de tijdspanne vanaf de dood
van Aristoteles tot de 6e eeuw na Christus. De Griekse culturele stempel wordt
geleidelijk vervangen door de invloed van de christelijke culturen. De algemene
interesse in natuuronderzoek neemt sterk af.
Het eerste deel van dit tijdvak werd gekenmerkt door de Stoa en de Epicurus die
zich minder op de kennis van de natuur richtten en vooral in de mens en de ethiek
waren geinteresseerd. Vermenging van deze stromingen met het Scepticisme
leidde tot het eclecticisme en de platonische gedachten smolten samen met
elementen uit de oosterse mystiek tot het neo-platonisme. Dit is de naaristotelische filosofie.
5
Eduard Zeller: “Grundriss der Geschichte der Griechischen Philosophie, 12e druk, bewerkt door W. Nestle,
Leipzig 1920, blz 22.
6
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
De Griekse filosofie verdween na de 6e eeuw na Christus van het wereldtoneel om pas
eeuwen later weer terug te keren. Toch vormt haar gedachtegoed, samen met andere
elementen van de Griekse beschaving en het Christendom het fundament van de westerse
geestelijke ontwikkeling.6
3.1 De Miletische school
In het voor-filosofische tijdperk was de religie van de Grieken nog nauw verweven met hun
theorie over het ontstaan van de wereld. Religie was nog niet afgescheiden van de
bespiegelingen over de natuur. Het doel van de eerste filosofen was om de wezenlijke aard,
de ware natuur, te ontdekken van datgene wat ze physis noemden. Er werd getracht om
middels aanschouwelijke modellen een verklaring van waargenomen verschijnselen te geven.
De mechanismen die hiervoor verantwoordelijk zijn worden voorgesteld als zijnde door de
natuur (physis) zélf bezield. De term fysica is afgeleid van dit Griekse woord en betekende
dus oorspronkelijk “het streven om achter de wezenlijke aard van alle dingen te komen”.
Door Ionië liepen de grote karavaanroutes die een stroom van koopwaar uit het binnenland
van Azië verwerkten. Maar met de handelslieden kwam ook culturele kennis uit de Aziatische
gebieden naar de Grieken. Astronomie en kalender, munten en gewichten en misschien zelfs
de taal kwamen uit het oosten. Milete kende in de periode tussen de 8e en 6e eeuw voor
Christus een ongeëvenaarde bloeitijd. Milete was de zuidelijkste van de twaalf Ionische
steden en in de 6e eeuw BC was deze rijkste stad van de toenmalige Griekse wereld een
belangrijke handelshaven. Het is niet verwonderlijk dat juist hier, in déze stad met haar
mengelmoes aan rassen, talen en godsdiensten, de Griekse wijsbegeerte werd geboren.
Thales werd ongeveer in 640 BC geboren en was de eerste natuurfilosoof
van de Miletische school. Hij was koopman, staatsman en
natuuronderzoeker tegelijk. Hij verwierf faam door een zonsverduistering
te voorspellen (28 mei 585 BC), hield zich bezig met magnetisme,
berekende de hoogte van de Egyptische pyramiden en ontdekte een aantal
belangrijke meetkundige stellingen. Hij staat bekend als een van de grote
wijzen van de oude wereld.
Beroemde uitspraken die aan hem worden toegeschreven:
Wat is het moeilijkste van alles?
Wat is het gemakkelijkst van alles?
Wat is God?
“Zichzelf kennen.”
“Anderen raad geven.”
“Dat wat noch aanvang, noch einde
heeft.”
Hoe kan men volkomen deugdzaam leven? “Door nooit te doen wat wij in anderen
veroordelen.”
Hoewel deze uitspraken aan Thales worden toegeschreven is er nooit enig wijsgerig geschrift
van zijn hand gevonden. Het opmerken waard is dat Thales verklaarde dat zich in alle dingen
goden bevinden.
Zijn opvolger Anaximandros (611-549 BC) legde zijn inzichten
vast in een geschrift (“Over de natuur”). Dit geschrift is helaas
6
H.J. Storig: Geschiedenis van de filosofie, dl 1, 19e druk, blz.113-115
7
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
verloren gegaan. Oerbeginsel van de wereld en oorzaak van alle Zijn is voor Anaximander
een in zichzelf onbepaald en onbegrensd Iets. Uit dit Iets hebben alle tegenstellingen zich
afgezonderd.
Interessant is zijn volgende uitspraak uit zijn astronomische bespiegelingen:
“Uit het onbepaald-onbegrensde komen steeds nieuwe werelden voort en keren daarin
weer terug, ‘terwijl zij elkander boete betalen voor hun ongerechtigheid, naar de orde
van de tijd”7
In het kort zag hij het heelal als een organisme dat in stand werd gehouden door de kosmische
adem, de pneuma.
Anaximenes, de derde van de Miletische natuurfilosofen, zag de lucht als de oerstof, waarin
alle tegenstellingen in beginsel verenigd waren, inclusief de ziel (‘de levende adem’). Ook hij
onderwees een periodieke wisseling van ontstaan en vernietiging van werelden.
3.2 De Pythagoreërs
Een ander groot denker uit deze tijd is Pythagoras (580-500 BC).
Wiskundige, astronoom en filosoof. Pythagoras werd geboren in Samos.
Zoals vele van zijn tijdgenoten reisde Pythagoras veel en zijn reizen
brachten hem onder andere naar Egypte en het Oosten. Na vele
omzwervingen stichtte hij een religieuze orde in het huidige Crotone, in
Beneden-Italië.
Pythagoras plaatste de getallenleer in het middelpunt van zijn filosofie.
Hij was de eerste denker die zich bescheiden met de naam filosoof
tooide. Hij vond het aanmatigend zichzelf Sophos (Wijze) te noemen en
noemde zich daarom philosophos (vriend of minnaar van de wijsheid).
Volgens de Pythagoreese leer zijn getallen de bouwstenen van de wereld
en in deze getallen ligt het geheim van het universum besloten.
Pythagoras strekte de getalsmatige regelmaat die hij vond in de muziek uit naar een muzikale,
harmonische bouw van het heelal. Alle hemellichamen doorlopen een ‘harmonie der sferen’,
een naar de verhouding van de intervallen geordende samenklank.
Deze mooie opvatting vinden we later niet alleen terug in dichterlijke beelden, maar ook in
de natuurwetenschappelijke benadering. Kepler wijdde er bijvoorbeeld een boek aan en ook
tegenwoordig komen aanverwante gedachten op.
Pythagoras zoekt niet zoals de Miletische school naar een stoffelijk oerbeginsel, maar naar
een oerwet. De onveranderlijke getalsmatige verhoudingen tussen de bestanddelen van de
wereld die hij voorspelde moeten de moderne wetenschap, met bijvoorbeeld het periodiek
systeem der elementen, niet vreemd in de oren klinken. Zijn, met de getallenleer verbonden,
diep mystieke en religieuze inslag en geloof aan zielsverhuizing, zijn waarschijnlijk van
oosterse (in het bijzonder van Indische) oorsprong. Strenge regels voor zelftucht,
ingetogenheid en onthouding maakten van de Pythagoreërs een besloten gemeenschap. De
bond kan worden gezien als een poging om religieuze en filosofische gedachten in een
7
H.J. Storig: Geschiedenis van de filosofie, deel I, pag. 118
8
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
gesloten en onder strenge tucht staande gemeenschap onder te brengen. Van de meester zelf is
geen regel bewaard gebleven. Het meeste van wat wij weten is overgeleverd via de werken
van Philolaos.
3.3 Herakleitos
In Ephesos werd omstreeks 540 BC Herakleitos
geboren. Ephesos, de stad van één van de zeven
wereldwonderen, de machtige tempel van Artemis.
Herakleitos, bijgenaamd ‘de duistere’had zeer weinig
op met ‘geleerdheid’, die volgens hem niet vormend is
voor de geest. Volgens Herakleitos komt het er op aan
die ene gedachte te vinden die het raadsel ontsluit.
Ook Herakleitos ziet de eenheid in de veelheid, maar niet in een onveranderlijk zijn (zoals
Parmenides) of in een eindeloos komen en gaan van zaken, zoals de filosofen van de
Miletische school. Het bekende “Alles stroomt en niets blijft” wordt aan Herakleitos
toegeschreven, hoewel het nooit in één van zijn werken is teruggevonden Met deze uitspraak
laat hij zijn betrokkenheid met het begrip ‘tijd’ zien. Hij ziet áchter het begrip ‘tijd’een
‘Eenheid in Veelheid en een Veelheid in Eenheid’. Hij neemt ‘oervuur’ als oersubstantie aan.
Hij bedoelt hiermee een wetmatig ontstoken en gedoofde oerenergie. Ontwikkeling is dan een
spel van polariserende krachten dat zich uit in een grote grondwet van de eenheid der
tegenstellingen. Met het ophouden van de scheppende spanningen, de eeuwige strijd, treedt
volstrekte stilstand en dood in.
Deze leer van samengaan en samenwerken van tegenstellingen vinden we later onder andere
terug bij Hegel.
Voor deze grondwet gebruikte Herakleitos als eerste het woord Logos, Grieks voor ‘woord’ of
‘redenering’ maar ook voor ‘rede in absolute zin’. De taak van de mens is om de logos te
onderkennen, de redelijkheid en de rede die aan het geheel van het wereldgebeuren ten
grondslag ligt. Onze ziel is een deel van deze almachtige logos en na onze dood zinken wij in
deze logos terug.
‘Voor God zijn alle dingen schoon en goed en rechtvaardig; de mensen houden het ene voor
goed en het andere voor slecht.’ De mens dient zich te onderwerpen aan de hoogste rede en
kan alleen op die wijze de rust van de ziel terugwinnen. Het is deze rust die het ware geluk
van de mens is.
Herakleitos rangschikt de mens met zijn streven en zijn in een geordend metafysisch gebied.
Het door hem geschapen begrip van de logos is het goddelijk ‘Woord’ van de theologie
geworden. Hiermee is Herakleitos de eerste die ook in de diepten van de menselijke ziel
schouwt en niet alleen een stoffelijke wereld beziet.
In het kort was de wereld volgens hem een Zijn van voortdurende verandering. Het
onveranderlijke Zijn kon niet anders worden opgevat dan als een zinsbegoocheling. De
eenheid die alle tegengestelde krachten omvat en er boven uit stijgt is de Logos.
9
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
3.4 De Eleaten
Het opsplijten van de eenheid tussen religie,
wetenschap en filosofie begon bij de Eleaten, genoemd
naar het aan de westkust van Italië liggende Elea (ten
zuiden van het tegenwoordige Salerno).
Gelijktijdig aan de Pythagoreërs ontwikkelde zich in
Elea een nieuwe school van wijsgeren met als
voornaamste vertegenwoordigers Xenophanes,
Parmenides en Zeno van Elea.
Volgens Xenophanes kan er geen veelheid aan goden zijn: Het hoogste en beste
wezen kan slechts één zijn. En dit Ene is alomtegenwoordig en identiek met de
eenheid van het wereldgeheel. Xenophanes strijdt tegen de overgeleverde
godsdienstige voorstellingen en zielsverhuizing. Hij is de grondvester van de
leer van een eeuwig onveranderlijk Zijn achter de menigvuldigheid van
verschijnselen.
Zijn leerling Parmenides stelt waarheid en weten tegenover schijn en
voorstelling. Werkelijk weten verkrijgt men langs de weg van de rede. Via
een logische redenatie laat hij zien dat onze zintuigen ons een bedrieglijke
wereld van gestadig worden en verworden voortoveren.
In zijn redenaties vinden we het rationalisme terug, een opvallende trek van
de Griekse filosofie: verandering kán niet echt waar zijn, want zij is
irrationeel en onbegrijpelijk.
De Eleaten namen een Goddelijk Principe aan dat boven alle goden en mensen stond. In
eerste instantie werd dit met de eenheid van het Heelal geidentificeerd, maar later verwerd dit
tot een intelligente en persoonlijke God. Een God die boven de wereld staat en deze wereld
van bovenaf bestuurt.
De door de Eleaten gegeven oplossing van het probleem der verandering zou het einde van
alle natuurwetenschap betekend hebben, want deze neemt juist die zintuiglijk waarneembare
wereld als studieobject. 8
Het was deze splitsing in de zintuigelijke, bedriegelijke waarneming die ons een illusoire
stoffelijke werkelijkheid voortovert en een onveranderlijk Zijn dat de aanzet gaf tot een
scheiding tussen geest en materie. Een aanzet tot een dualisme dat karakteristiek werd voor de
westerse filosofie.
Een van de gevolgen van de filosofie van de Eleaten was dat verandering onmogelijk was
omdat zij zinsbegoochelingen zijn. Hieruit volgt het begrip van een onveranderlijke en niet te
vernietigen substantie die aan alle veranderende eigenschappen ten gronslag ligt. Ook hier
vinden we een belangrijke bron voor de latere westerse gedachtengang.
8
Dr. R. Hooykaas: Geschiedenis der natuurwetenschappen, tweede druk, pag. 20.
10
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
De redenaties van de Eleaten waren soms nogal gekunsteld. Dit uit zich bijvoorbeeld in de
beroemde voorbeelden van Zeno:
“Indien Achilles en een schildpad een wedloop houden, waarbij de schildpad een nog zo’n kleine
voorsprong krijgt, kan Achilles de schildpad nooit inhalen. Want op het ogenblik dat Achilles een
bepaald punt A bereikt, waarop de schildpad zich even daarvoor bevond, is de schildpad weer op een
punt B aangekomen. Bereikt Achilles B, dan is de schildpad weer op C aangekomen, enz. De
voorsprong wordt weliswaar steeds kleiner, maar kan nooit worden ingehaald!”
Of
“Een voortvliegende pijl bevindt zich, wanneer men hem op een ondeelbaar ogenblik gedurende zijn
vlucht beschouwt, op een bepaalde plaats in de ruimte, ten opzichte waarvan hij derhalve in rust is.
Indien hij echter op elk afzonderlijk moment in rust van zijn vlucht in rust is, rust hij ook over het geheel
van zijn baan; dat wil zeggen dat de vliegende pijl niet beweegt: beweging is derhalve ondenkbaar.” 9
Deze Aporiai (‘verlegenheden’), zoals Zeno ze noemde vormden een basis voor
de redenatie van de Eleaten.10
Toch is de invloed van deze Eleatische filosofie van bijzonder groot belang.
Ondanks haar overduidelijke strijdigheid met de ervaring leidde ze er toch toe
dat er naar een compromis gezocht moest worden tussen de wereld van een
continue samenwerking van tegengestelde krachten, dus van continue beweging (Herakleitos)
en de wereld van de onmogelijkheid van beweging van de Eleaten. De oplossing die de latere
Griekse wijsgeren hiervoor poneerden stelde dat het Zijn zich manifesteert in verschillende,
onveranderlijke substanties. Door vermenging en scheiding hiervan ontstaan dan de
veranderingen in de wereld.
Zo stelde Empedocles (400-435 BC) dat er vier ‘wortels’ bestaan: Aarde, water, lucht en
vuur. Ze zijn in kleine fragmenten verdeeld, eeuwig, onveranderlijk, niet in elkaar om te
zetten. Alle verandering is herschikking van combinaties. 11
3.5 Leukippos en Democritos
Deze ontwikkeling was daarom zo belangrijk omdat zij als het ware vanzelf leidde tot het
begrip van kleinste, ondeelbare eenheden van materie, en dus tot het begrip atoom. De
grondlegger van deze theorie was Leukippos. Over Leukippos zelf is weinig bekend. Hij
kwam uit Milete of uit Abdera, in Thracië aan de noordkust van de Egeische zee. Hij moet
omstreeks het midden van de vijfde eeuw hebben geleefd. Slechts één fragment van
Leukippos is bewaard gebleven: “Geen ding ontstaat doelloos, maar alles uit zin en
noodzakelijkheid. Naar alle waarschijnlijkheid de eerste formulering van de causale wet, de
wet van oorzaak en gevolg. Het meeste van het gedachtegoed van Leukippos is tot ons
gekomen via zijn leerling Demokritos. (470-360 BC). Evenals Leukippos was ook
Demokritos een bereisd man en had Egypte, Perzië en India bezocht.
9
H.J. Storig: Geschiedenis van de filosofie, deel 1, pag. 123-124.
De oplossing van deze schijnbare paradoxen ligt natuurlijk in het feit dat de veronderstelde discrete
deelbaarheid van de tijd niet bestaat, maar een produkt van ons menselijk denken is.
11
Dr. R. Hooykaas: Geschiedenis der natuurwetenschappen, tweede druk, pag. 21
10
11
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Hoe kwamen Leukippos en Demokritos nu tot een compromis tussen de ontstane, schijnbaar
zo tegenstrijdige wijsgerige stromingen?
Volgens de Eleaten kon een volstrekt ledige ruimte niet bestaan. Immers: ledigheid impliceert
beweging als men een Zijn aanneemt. Als dat Zijn eerst niet ergens is, dan is het er later want
alles is onderdeel van het Zijn. Maar als het er later is, is er beweging. Beweging is niet
denkbaar, dus is er geen Niet-Zijn.
Demokritos kon, met de Eleaten, een Niet-Zijn niet aannemen omdat
dat in strijd is met de causale wet die door Leukippos was geponeerd.
Ontstaan uit het niets is in strijd met de wet van de noodzakelijkheid.
Aan de andere kant kon hij niet meegaan in het volledig verloochenen
van beweging, zoals de Eleaten deden. Daarom moest de wereld bestaan
uit een ruimtevullend, vol iets, het Zijnde, en een Niet-Zijnde leegte, de
ruimte. Datgene wat de ruimte vult bestaat uit talloze deeltjes. Deze
deeltjes zijn zo klein dat ze onzichtbaar zijn en hebben geen ledigheid binnen zich. Met
andere woorden, zij vullen de ruimte die zij innemen geheel. Zij
zijn ook niet deelbaar en werden daarom ‘atomen’ genoemd. Het
Griekse woord atomos betekent letterlijk : zonder tome
(scheiding, deling, snede). Deze atomen vertegenwoordigen het
Niet-deelbare. Atomen moeten dan ook onvergankelijk en niet
vernietigbaar zijn. Zij vertegenwoordigen de volheid, het Zijn
van de Eleaten. Zij bestaan allen uit dezelfde ‘stof’ maar zijn van
verschillende grootte en gewicht. Alle lichamen zijn
opeenhopingen van atomen. Vernietiging is niets anders dan de
oplossing van tot dat moment verbonden atomen.
Alle eigenschappen van dingen berusten op de samenstelling van het lichaam door deze
atomen. De atomen geven de primaire eigenschappen aan de dingen. Eigenschappen als
gewicht, dichtheid en hardheid. De zogenaamde secundaire eigenschappen als kleur, reuk of
smaak worden veroorzaakt door eigenaardigheden van onze zintuigen en hebben dan ook
slechts een subjectieve waarde.
Dus het Zijn veroorzaakt Schijn: volgens onze zintuigen is er kleur, zoet, bitter. In
werkelijkheid zijn er slechts atomen en leegheid.
Door de eeuwige wet van noodzakelijkheid en causaliteit bewegen atomen in alle eeuwigheid
en binden door aantrekking van gelijken of laten elkaar los door afstoting. Atoomcomplexen
worden gevormd en vernietigd, net zoals de lichamen die zij vorm geven. In deze
beschouwing is geen sturende en voorzienende geest nodig. De wereld is geen door toeval
ontstaan geheel, maar gebonden aan zeer strikte wetten van noodzakelijkheid.
Ook de ziel bestaat uit atomen. Deze zijn heel fijn gevormd, optimaal bewegelijk en zuiver
rond. Een gevolg van deze aanname is dat zielsverhuizing en reincarnatie moeten worden
verworpen, want na de dood worden de zieleatomen verstrooid.
Hiermee ontstond het eerste zuiver materialistische systeem. We moeten echter nog niet
uitgaan van een materialistische wereldbeschouwing zoals die tegenwoordig opgeld doet. De
atomisten redeneerden nog steeds meer uit religieuze dan uit wetenschappelijke oogpunten.
12
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
De atomen namen als het ware de plaats van de goden in. Zij hebben immers dezelfde
eigenschappen als die aan goden worden toegeschreven: onveranderlijkheid en eeuwigheid.
Er bestonden wel persoonlijke goden, maar die waren ook uit atomen opgebouwd. Er was nog
geen sprake van een puur wetenschappelijke benadering. De redenatie werd opgebouwd uit
vage veronderstellingen en bewijskracht was ten enemale nog niet aanwezig. Bovendien
verklaart het atomisme te veel: door een oneindig aantal ondeelbare atomen te veronderstellen
kun je alles verklaren door de juiste atomen te verzinnen.
Hoewel het lijkt alsof hier niet zozeer een scheiding is bewerkstelligd als wel een volledige
verwerping van de geest als zodanig ligt hier toch een eerste, echte deling tussen geest en
materie. |Immers: de oorzaak van de beweging werd in de wet van noodzakelijkheid gelegd.
Deze wet gebruikte krachten als haar werktuig. Maar de werking van deze krachten was van
buitenaf opgelegd, zij waren krachten van geestelijke oorsprong en fundamenteel verschillend
van de materie.
Het beeld van dualisme van geest en materie, van lichaam en ziel, was geschapen!
3.6 Theorie en experiment
De Pythagoreërs gingen uit van een opbouw naar getal. Een punt was 1, een lijn 2, een
driehoek 3 en een vierkant 4. Uit deze volmaakte vormen werd alles opgebouwd en daarom
was het getal 10 het meest volmaakte (1+2+3+4). Zonder in detail op de Pythagorese leer in te
gaan kunnen we wel zeggen dat hier een eerste aanzet werd gegeven tot een mathematische
beschrijving van de zichtbare wereld. Hoewel we hierbij niet moeten vergeten dat de
Pythagoreërs meer vanuit metafysische overwegingen redeneerden dan vanuit
wetenschappelijke.
Experimenten speelden tot de Pythagoreërs geen enkele rol. Zij gaven een
eerste aanzet tot het experiment door hun ontdekking van de harmonische
verhoudingen bij snaren en tonen. Het waren echter de eerste medici als
Hippocrates (460-380 BC) waar het opzettelijk experiment ter lering en
bewijsvoering een rol ging spelen. In de Hippocratische geschriften treffen we
een empirisme aan dat bij de eerdere filosofen ontbrak. Het bijgeloof wordt
bestreden, de invloed van het klimaat op de lichamelijke gesteldheid
onderzocht.
Artsen hebben tot in de 18e eeuw een belangrijke rol gespeeld in de natuurwetenschap. De
naam fysici voor geneeskundigen duidde er op dat zij zich bij uitstek richtten op het
onderzoek naar de natuur.
3.7 Socrates, Plato en Aristoteles
De hieropvolgende grote Atheense filosofen (Socrates,Plato en Aristoteles)
verzetten zich hevig tegen het theoretisch en praktisch materialisme van hun
tijdgenoten. Het zou in het kader van deze lezing te ver voeren om een
uitgebreide verhandeling te geven. Dit kan een idee zijn voor een lezing op
zichzelf.
Socrates meende dat men niet tot een betrouwbare kennis van de natuur kán
komen. Deze kennis vond hij overigens ook volstrekt ondergeschikt aan
13
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
zedelijke problemen en hij richtte zijn aandacht hier voornamelijk op.
Zijn leerling Plato zette de traditie van zijn leermeester Socrates voort, maar richtte zich
vooral op de kritiek op de menselijke kennis. Ook hij wilde betere staatsburgers vormen en
kennis van het volmaakte was daartoe volgens hem de juiste weg. En het enige dat ook maar
in de buurt kwam van kennis van het volmaakte was de wiskunde. Zoals we zullen zien is de
invloed van het onveranderlijke Zijn van de Eleaten bij
hem terug te
vinden en vinden we Chaldeese invloeden in zijn
denkbeelden
over de micro- en macrokosmos terug. Plato bestreed de
opvatting van
veel van zijn tijdgenoten dat alles uit een natuur bestaat die
zonder doel
werkt. Hij stelde een hogere wet van de Natuur, die eeuwig
en
onveranderlijk is. Zij is Doel, Begrip en Wet. Zij bestaat
niet uit de
willekeurige en grove beweging der elementen. Zij is de
wereld van de
eeuwige essenties, de Ideëen, de onveranderlijke oertypen
waarvan de
veranderlijke en zichtbare dingen van de wereld der verschijnselen slechts afbeeldingen zijn.
De wiskunde heeft het niet over de driehoek zoals wij die kunnen tekenen, maar over De
Driehoek, het oertype en beschrijft de eigenschappen van de Idee Driehoek. Zo hebben alle
lichamen in de schijnwereld een Oertype. Dit oertype bestaat ongeacht of de schijnwereld er
nu wel of niet zou zijn. In de Ideëenwereld is er volmaakte Rechtvaardigheid, zijn er de
volmaakte oervormen. En dat geldt voor de oervormen van de geometrische figuren maar ook
voor de oervorm van bijvoorbeeld de mens. Volgens Plato’s redenatie kan men slechts in
zoverre kennis verkrijgen van de zichtbare onderdelen van de natuur voor zover deze
onderdelen nog deel hebben aan de oerideeen. 12 De wiskunde is daarom een ware
wetenschap: zij houdt zich bezig met onveranderlijke zaken.
Boven de door Plato gestichtte poort van de Academie stond dan ook:”Gij kunt hier niet
binnentreden, tenzij gij kennis heeft van de wiskunde”. (Deze Academie heeft overigens een
respectabel aantal jaren bestaan: van 388 BC tot 529).
Voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen is het platonisme, net als het
pythagorisme, verbonden met een mathematische opvatting van de wereld. Uit het platonisme
volgt als het ware vanzelf dat de aarde een bolvorm moet hebben: immers, in de
ervaringswereld uit die tijd waren hemellichamen onveranderlijk en dus van ideale vorm. Zij
moesten daarom een bolvorm hebben, dus ook de aarde moest deze vorm hebben.
In de Timaeos stelt Plato de schepping van de wereld als volgt voor:
De demiurg richtte zich naar de ideeenwereld en schiep naar deze wereld de vormen van de
wereld. Door het continue streven naar chaos, een van de basiswetten in de natuur, werden
12
Vergelijk dit met de Oosterse filosofie:
Hij die in alle dingen woont,
En toch van alle dingen verschilt,
Terwijl geen van alle dingen Hem kent,
Wiens lichaam door alle dingen gevormd wordt,
Die alle dingen van binnenuit beheerst –
Hij is uw Ziel, de Heerser van binnen,
De Onsterfelijke.12
Brihad-aranyaka Upanishad, 3.7.15
14
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
deze scheppingen echter nooit ideaal. Van deze afgeleide wereld kan men dus ook alleen
afgeleide kennis krijgen, nooit ware kennis. Men kan zich hooguit een mening vormen (doxa).
Belangrijk is echter dat de demiurg zich richtte naar de oervormen.
Hiermee rekent Plato af met een doelloos ontstaan en vergaan van dingen. Zijn kosmologie
berust op speculaties over het Schone, het Goede en het Doelmatige. Hij richt zich niet in de
eerste plaats op waarnemingen. Ook hij gaat uit van vier basiselementen (aarde, water, lucht
en vuur) waarvan de deeltjes de vorm hebben van de regelmatige veelvlakken. (Tetraëder =
vuur, oktaëder = lucht, ikosaëder = water en hexaëder = aarde). Hun oppervlakken bestaan uit
driehoeken, rechthoekige met een hoek van 60 graden of rechthoekige gelijkbenige. Hierdoor
kunnen de eerste drie elementen in elkaar worden omgezet. Wiskundige deductie bepaalde
dus welke elementen in elkaar kunnen overgaan.
Zoals ook blijkt uit zijn theorie van de sferen, ter verklaring van de planeetbewegingen, is de
benadering van Plato deductief. Hij wil via dialektiek tot de waarheid opklimmen. Als het dan
voorkomt dat niet alle deducties volledig overeenkomen met het waargenomene is dat niet
van belang. Het doel van elke wetenschap was volgens hem om de in de geest aanwezige Idee
van de uitwendige wereld te ontdekken.
Hij spot dan ook met de experimenten van zijn tijdgenoten: De ware harmoniëen worden niet
door het experiment ontdekt, maar door de geest. Hij had een absolute geringschatting voor de
experimentele wetenschap en de toegepaste wetenschap. Hij voerde als het ware het
godsbegrip weer terug naar het punt waar de natuurfilosofen er van af waren gegaan. Alles is
bezield door het ware Idee dat er in huist. Zo zijn planeten geen klompen steen, opgebouwd
uit doelloze atomen, maar bezielde wezens die zich bewegen met een goddelijk opgebouwde
regelmaat.
Aristoteles neemt de zichtbare wereld ernstiger ,maar ziet zich dan meteen geplaatst voor het
probleem van de in de zichtbare wereld waargenomen veranderingen. Hij accepteert deze
veranderingen. Hij moet hiervoor wel een soort tussenwereld creëeren: het potentieel Zijn, dat
tussen het Zijn en het niet-Zijn instaat. Elke wording is overgang van potentie naar
actualisering, en dus verandering. Hij gaat uit van waarnemingen en dit blijkt vooral uit zijn
biologische werken, waaronder een zoologische classificatie van ongeveer vijfhonderd dieren.
Het heelal van Aristoteles bestond uit
een reeks concentrische sferen, met de
aarde in het middelpunt. Hij verheft de
hemellichamen nog meer dan Plato tot
een goddelijke status vanwege hun
onveranderlijkheid. In deze
kosmologie neemt hij ondermaanse en
bovenmaanse regionen aan. In de
bovenmaanse regionen is geen verandering, in de
ondermaanse regionen wel. Het ondermaanse bestaat uit
vier veranderlijke en vergankelijke elementen. Voor de
hemelen wordt een vijfde element, de ether ingevoerd.
Deze kan noch ontstaan noch vergaan en is eeuwig
hetzelfde.
15
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Het wereldbeeld van Aristoteles is teleologisch: Het universum is een groot organisme dat
zichzelf in stand houdt. De delen staan in sympathisch verband met elkaar. Hemelbewegingen
zijn noodzakelijk om aardse bewegingen te doen plaatsvinden. De macrokosmos weerspiegelt
zich in de microkosmos.
16
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
4. Korte bespreking
Zonder nu verder in te gaan op de fascinerende ontwikkeling van mythologie naar
natuurwetenschap kunnen we in een korte bespreking het volgende vaststellen.
We zien dus een lange strijd waarbij langzaam maar zeker de mythologische benadering uit
de oudheid wordt vervangen door een beeld waarbij wordt uitgegaan van een Zijn dat zich
weerspiegelt in een onvolmaakte schijnwereld. In de wereld van het Zijn is onveranderlijheid
en eeuwigheid. In de schijnwereld is veranderlijkheid en beweging. De wiskunde beschrijft
het best de wereld van de onveranderlijkheid, maar kan gebruikt worden om de wereld van de
veranderlijkheid te begrijpen. De cosmos kan opgebouwd gedacht worden uit een aantal
elementen. Of we nu uitgaan van een oneindig aantal atomen die doelloos combinaties
kunnen vormen of van vier of vijf basiselementen, al dan niet met een wiskundige ideale
oervorm, is niet wezenlijk van belang. Evenmin is het van wezenlijk belang of de redenaties
nu dialectisch van vorm zijn of gegrondvest zijn op waarnemingen en experimenten.
Belangrijk is dat de filosofie zoals die ontstond in de zesde eeuw voor Christus zich langzaam
maar zeker ontwikkelde in stromingen die zich ten doel stelden de werkelijkheid te verklaren.
Of deze werkelijkheid nu in een ideale en niet met de zintuigen waarneembare Ideeenwereld
ligt of in de wereld zoals wij die waarnemen is in dit kader ook niet van essentieel belang.
Experiment of ‘zich in de geest keren’, beiden leiden tot ontwikkeling van bewustzijn.
Interessant en belangwekkend is wel dat de menselijke geest zich af kan keren van een
goddelijke ‘inziel’ van de dingen, maar dat dit toch niet bevredigend werkt. Er ontstaan altijd
weer stromingen die het goddelijke van de dingen weer terugvoert in de redenaties en ideeen
die in die periode worden onderwezen. Omgekeerd is een puur en zuiver goddelijk
wereldbeeld ook niet bevredigend, of zij nu uitgaat van een onpersoonlijk Zijn of van
persoonlijke goden. Als een pendel slingeren de overheersende theorieen zich tussen deze
twee uitersten. Kennelijk kan het ene Pad niet zonder het andere Pad. Kennelijk vullen zij
elkaar op een yin-yang achtige manier aan. Zij zijn beide methoden die valide zijn, maar
vullen elkaar aan en zijn in elkaar begrepen.
17
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
5. Hoe nu verder?
Als we een stap in de tijd maken, zien we dat na de dood van Alexander de Grote het centrum
van de Griekse beschaving zich naar Alexandrië verplaatst. Een opvallende trek van de
Alexandrijnse wetenschap was dat niet alle wetenschappen meer door één persoon konden
worden beheerst: er ontstond specialisatie. Speculatie maakte bovendien plaats voor
experiment en waarneming. Het feit dat Alexandrië een belangrijke handelsstad was met een
bijzonder praktische instelling heeft zeker invloed gehad op deze kentering in de benadering.
Hoewel er nog geen wetenschappelijke harmonisatie in ideëen optrad in deze tijd zien we toch
een ontstaan van praktische toepassingen van de ‘wetenschap’. Naast fundamentele proeven
werden bijvoorbeeld toepassingen als van de automatische tempeldeur gerealiseerd. Optica,
mechanica, astronomie bereikten hoogtepunten.
Vanaf ongeveer 150 BC begon de Griekse invloed zich ook tot Rome uit
te breiden. De Romeinen waren echter weinig gecharmeerd van
theoretische benaderingen. Zij waren praktisch ingesteld en in de volgende
eeuwen leidde de theorie een kwijnend bestaan. Ook bij de Grieken was de
bloei er uit. Magische en alchemistische praktijken bloeiden op en een
mengeling van filosofie, oude mysteriegodsdiensten en praktisch
ingestelde toepassingen waren kenmerkend voor deze voor de
natuurwetenschappen weinig bloeiende periode.
De periode vanaf de val van het Romeinse Rijk was tot ongeveer de 11e eeuw een weinig
vruchtbare periode voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen. Tegen het einde van
de elfde eeuw was de Arabische cultuur overheersend over de westerse. Maar daar begon
langzaam maar zeker verandering in te komen. De vroege middeleeuwen waren nog sterk
onder invloed van (neo)platoische denkbeelden. De kosmogenie van Plato’s Timaeus werd
als een scheppingsverhaal beschouwd dat met dat van Genesis viel te rijmen. In de 13e eeuw
waren vrijwel alle geschriften van Aristoteles herontdekt en zij veroorzaakten veel weerstand.
Zijn leer van de eeuwigheid van de wereld en een zich niet om de wereld bekommerende
Eerste Beweger wekte vanzelfsprekend veel aanstoot in het door het Christendom beheerste
wereldbeeld van die tijd. Hoewel het op diverse plaatsen verboden werd om
de Aristoteliaanse filosofie te onderwijzen had zij ook een aantal bekwame
verdedigers. De dominicanen Albertus Magnus (1206-1280) en Thomas van
Aquino (1227-1274) wisten haar te harmoniseren met de christelijke
theologie. God schiep de wereld door zijn soevereine wil, maar hield zich
daarbij aan de absolute Rede, die samenviel met de Rede van Aristoteles.
Verschijnselen die afweken van dit systeem werden als bovennatuurlijk en als een bijzonder
ingrijpen van God gezien. Enkele vrije kunsten (astronomie, theoretische mechanica en
optica) vonden enige beoefenaars van betekenis. We treffen exacte beschrijvingen en een
wiskundige handelswijze aan. Maar in het algemeen hield men zich vooral bezig met een
beschrijving van natuurlijke dingen en niet met abstracties. Sommigen, als Francis Bacon,
Frederik van Hohenstaufen en Albert Magnus hielden zich bezig met veldwerk. Maar
techniek en wetenschap konden niet te ver buiten het kader van het vaststaand wereldbeeld
treden zonder de verdenking van tovenarij op zich te laden.
18
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Roger Bacon begaf zich op het scherp van de snede met voorspellingen van
wagens die uit zichzelf bewegen en vliegende voertuigen. Dergelijke
fantastische ideëen werden door de grote massa echter slechts mogelijk geacht
door een bondgenootschap met duistere machten.
De houding van de kerkvaders tegenover natuuronderzoek was niet afwijzender dan die van
bijvoorbeeld Socrates. Afwijzing van de atomistische benadering was niet zozeer op fysische
gronden maar eerder op religieus-ethische gestoeld. Het was geen afwijzing van de
natuurwetenschap, maar een afwijzing van het ontstane materialisme. De pendel bleef heen en
weer zwaaien tussen de uitersten.
Een extra moeilijkheid was dat het Griekse wereldbeeld niet overeenstemde met dat van de
bijbelse auteurs. Dit leidde tot herinterpretatie van een aantal zaken door de kerkvaders, een
algehele erkenning van het gezag van het Heilig Schrift, maar ook het overnemen van een
aantal ‘wetenschappelijke’ aspecten uit de oudheid. Een voorbeeld van het laatste was de
acceptatie van het geocentrisch wereldbeeld van Aristoteles.
De volledige verwerping van de astrologie door de kerkvaders was een stevige nekslag voor
de ideeen over de spiegeling van micro- en macrokosmos.
Alchemie ontstond in de Middeleeuwen buiten de wetenschap: zij was onorthodox, onwettig
in haar doelstellingen en onwaardig in haar methoden (alchemisten maakten hun handen vuil
aan onwaardig handwerk). De alchemie maakte er aanspraak op een filosofie te zijn naast de
schoolfilosofie.
19
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
6. De Renaissance
Diverse ontwikkelingen overslaand vinden we de overgang van de middeleeuwse naar de
moderne wetenschap in de Renaissance.
Er werden nieuwe grondslagen gelegd voor een nieuwe wereldbeschouwing, gevoed door de
opkomst van de burgerij, de ontwikkeling van de geldeconomie, de ontdekkingstochten en de
in de 15e en 16e eeuw alom heersende religieuze onrust.
Renaissance betekent wedergeboorte. Dit is op twee manieren op te vatten:
Wedergeboorte van de ware menselijkheid en het zich bevrijden van de knellende banden op
het maatschappelijk, kerkelijk, wetenschappelijk en wijsgerig gebied: het streven naar een
zelfoordeel. Maar men kan ook spreken over een wedergeboorte van de cultuur der Ouden,
een opnieuw volgen van de klassieken.
Het Rationalisme (alles door rede te kunnen vaststellen) maakte plaats voor rationeel
empirisme. Dit werd gevoed door de ontdekking van harde, nieuwe feiten. Het Organistische
wereldbeeld (organismen zijn gegevens en onveranderlijk, hoogstens na te bootsen)
veranderde in een Mechanistisch wereldbeeld. De natuur wordt niet langer gezien als een
groot organisme maar als een deelbaar mechanisme en levende wezens worden vergeleken
met machines.
Maatschappelijke veranderingen hadden geleid tot emancipatie van de burgerij en
handwerkslieden. De ingenieurs van de Renaissance wonnen aan belangrijkheid en toegepaste
mechanica en wiskunde werden belangrijker. Een goed voorbeeld hiervan is Leonardo Da
Vinci (1492-1519). Een samenwerking van geleerden en handwerkslieden ontstond, maar
ook een herleving van de magische kunsten. Met behulp van experimenten werd getracht een
beheersing van de natuur te verkrijgen. Een vertegenwoordiger van deze richting was de arts
en alchemist Paracelsus (Theophrastus von Hohenheim, 1493-1541). Hij
stelde als doel niet het maken van goud, maar het maken van krachtige
geneesmiddelen. Hij stelde drie basis principes: wat brandt is de zwavel,
wat rookt is de mercuur en wat tot as wordt is de sal. Drie basisprincipes,
niet gebaseerd op ervaring, maar op het feit dat voor hem drie het
volmaakte getal was: God is drie-enig, er ontstond door Zijn Woord een
kosmos die uit drie dingen bestaat, de mens is naar het beeld van de
wereld geschapen (in navolging van Plato), de aarde bestaat uit drie delen
(Europa, Azie en Afrika. Amerika wordt nog als West Indie beschouwd)
en Hermes had gezegd dat de mens uit lichaam, ziel en geest bestaat.
Copernicus (1473-1543) vereenvoudigde het
wereldsysteem, door de aarde haar centrale
plaats te ontnemen. In navolging berekende
Kepler planeetbanen en wordt hierbij nog
heen en weer geslingerd tussen een puur
mechanistische beschouwing en een
beschouwing waarbij een soort harmonie
der sferen wordt aangenomen. Het moge
duidelijk zijn dat in de landen waar het gezag der Inquisitie
aanvaard werd het Copernicianisme niet kon worden
20
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
doorgevoerd, zoals Galilei in zijn conflict met de Inquisitie en de beschuldiging van Ketterij
merkte.
Toch ontwikkelt de nieuwe wetenschap zich en zij ontwikkelt zich in de vorm van een
ontluikende experimentele wetenschap. Er heeft bovendien een verandering plaats in het
wereldbeeld: van een levend, groot organisme (waarin het onderscheid tussen levende en niet
levende natuur wordt gezien as het niet levende gelijk aan het levende min iets) naar een
onvermijdelijk mechanisme waarin het levende organisme als een uiterst verfijnd mechanisme
wordt opgevat. Dit leidde automatisch tot eenvoudige deeltjes theorieën. Er werden
wijsgerige systemen opgesteld die alles wilden verklaren met vorm, grootte, beweging,
vereniging, scheiding en rangschikking van materiedeeltjes.
Rene Descartes (1596-1650) handelde in zijn Discours de la methode
(1638) over kennistheoretische en methodologische grondslagen en zijn
Principia philosophia (1644) bevatte een kosmologisch systeem. Het
wezen der materie is de
uitgebreidheid: alles wat uitgebreid is
is materie. Lege ruimte wordt dan ook
afgewezen. De eigenschappen van de
materie zijn geometrische
eigenschappen: grootte,vorm en rangschikking der deeltjes.
De andere eigenschappen zijn secundair. Alle werking
geschiedt door beweging, druk en botsing. Er zijn drie
soorten deeltjes: kleine bolletjes van het tweede element (de
hemelmaterie), zeer kleine deeltjes van het eerste element (de
subtiele materie) en grovere deeltjes van het derde element
(de zichtbare materie). Zijn theorie was uiterst flexibel en
ging slechts ‘scheef’ bij de beschrijving van de geest. Het is
hierom dat hij vaak wordt gezien als de grondlegger van de
scheiding tussen geest en materie. Van de oorsprong van het
dualisme. Dat dit enigszins te veel eer is moge duidelijk zijn.
21
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
7. Na de Renaissance
Zoals we zagen was het pas toen de Kerk in de Renaissance haar greep enigszins begon te
verliezen dat er een hernieuwde belangstelling kwam voor het onderzoek naar de natuur.
De ontwikkeling van het wetenschappelijke denken werd begeleid door een ontwikkeling van
het filosofische denken, die tenslotte tot een extreme formulering van het geest-materie
dualisme leidde. Die formulering verscheen in de zeventiende eeuw in de filosofie van René
Descartes. Zoals we zagen baseerde hij zijn visie op de wereld op een fundamentele
scheiding in twee totaal onafhankelijke gebieden: dat van de geest (res cogitans) en dat van de
materie (res extensa).
Een gevolg van deze splitsing gaf wetenschappers echter de mogelijkheid om de materie te
behandelen alsof die dood was en volkomen gescheiden van henzelf, en konden ze de
materiële wereld als een veelheid van verschillende objecten opvatten,
verenigd in één groot mechanisme. Door het Cogito Ergo Sum van
Descartes is de westerse mens zich met zijn denken gaan identificeren in
plaats van met zijn hele organisme.13
Deze fragmentatie weerspiegelt zich in de houding naar buiten: ook de
buitenwereld wordt als fragmentarisch opgebouwd gezien.
Het goddelijke was nog niet uit het wereldbeeld verdwenen. Het beeld van een monarchale
God, die de wereld van bovenaf regeert door haar Zijn wetten op te leggen was algemeen
goed. De fundamentele natuurwetten waarnaar de wetenschappers zochten beschouwde men
als goddelijke wetten, onveranderlijk en eeuwig, waaraan de wereld was onderworpen.
Maar de pendelslingering in benadering was duidelijk zichtbaar.
Het westen richtte zich nu op een individualiserende en fragmenterende benadering. De
wereldbeschouwing werd mechanisch. Hier zien we een duidelijke splitsing met bijvoorbeeld
de oosterse benadering. Deze is veel meer organisch en gaat uit van een achterliggende
werkelijkheid die alles verbindt. In de boedhistische filosofie wordt de neiging tot
onderverdelen en categoriseren Avidya (Onwetendheid) genoemd:
Als de geest onrustig is ontstaat de veelheid der dingen, maar als de geest tot rust gebracht
wordt verdwijnt de veelheid der dingen
De pendelbeweging tussen uitersten die zo duidelijk zichtbaar is in de ontwikkeling van de
Westerse wetenschap is veel minder aanwezig in de Oosterse benadering. Hoewel het buiten
het bestek van deze lezing gaat is het interessant op te merken dat juist deze grotere stabiliteit
in de Oosterse benadering tot het diepe intrinsieke besef van een innerlijke eenheid binnen de
oosterse wijsheid heeft geleid. Een besef dat juist door de instabielere westerse ontwikkeling
langzaam maar zeker verloren is gegaan in het Westen. Heeft het Westen langzaam maar
zeker haar intuitieve kennis verloren? Een kennis die wel degelijk aanwezig was in de voormiletische en miletische periode. Ik denk het niet: Ook wetenschappelijke vooruitgang wordt
gekenmerkt door intuitieve invallen. Wie kent niet het Eureka van Archimedes? De appel van
13
Fritjof Capra:
22
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Newton? De flitsen waardoor moderne natuurwetenschappers plotseling
een nieuwe invalshoek herkennen?
Er is wel een verschil in benadering en dat wordt goed weergegeven in
de volgende twee uitspraken
Sokrates : Ik weet dat ik niets weet.
Lao Tzu : Het is het beste om niet te weten dat je weet.
De Upanishaden spreken over een hogere en een lagere kennis. Zij verbinden de lagere kennis
aan de verschillende wetenschappen en de hogere kennis met het religieuze bewustzijn.
Boeddhisten spreken van relatieve en absolute kennis, of van voorwaardelijke en
transcendentale waarheid. De Chinese filosofie benadrukt dat het intuïtieve en rationele elkaar
volkomen aanvullen: Yin en Yang.
Rationele kennis heeft te maken met de ervaring die we van voorwerpen en gebeurtenissen in
onze dagelijkse omgeving hebben. Hij ontstaat door de werkzaamheid van het intellect, dat
als functie het onderscheiden, verdelen, vergelijken, meten en in categorieën onderbrengen
heeft. Hierdoor ontstaat een wereld van intellectuele onderscheidingen van tegenstellingen die
alleen in relatie tot elkaar kunnen bestaan; vandaar dat de Boeddhisten dit soort kennis relatief
noemen. Abstraheren, modelvorming en gebruik van symbolen kenmerken dit soort kennis.
Wat hierbij vaak wordt vergeten is dat “de kaart het grondgebied niet is”. 14 Bij oosterse
mystici gaat het om een directe ervaring van de werkelijkheid, die niet alleen boven het
intellectuele denken, maar ook boven de zintuiglijke waarneming uitstijgt.
Wat zonder geluid, zonder aanraking, zonder vorm,
Onvergankelijk is,
Evenzo zonder smaak, gelijkblijvend, zonder geur,
Zonder begin, zonder einde, hoger dan de groten, evenwichtig –
Door Dat te kennen wordt men bevrijd uit de muil van de dood.15
De Boeddhisten noemen kennis die uit zulk een ervaring voortkomt absoluut, zij is niet
afhankelijk van de onderscheidingen, abstracties en classificaties van het intellect. Het
volledig bevatten van die Zo-heid is de kern van de oosterse mystiek en het belangrijkste
kenmerk van alle mystieke ervaring.
Over die uiteindelijke werkelijkheid kun je niet redeneren en de kennis ervan is niet
overdraagbaar:
Tot daar reikt het oog niet,
Reikt de spraak niet, noch het denken,
We weten niet, we begrijpen niet
Hoe men het zou kunnen onderwijzen. 16
In de moderne fysica maakt men gebruik van het proces van wetenschappelijk onderzoek. Dit
houdt in dat er moet worden uitgegaan van een bepaalde werkmethode:
1. Identificeren van een te onderzoeken probleem
2. Verzamelen van data door middel van reproduceerbare methoden:
a. Theoretisch onderzoek
14
Alfred Korzybski, semanticus
Katha Upanishad, 3.15
16
Kena Upanishad, 3.
15
23
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
b. Experimenteel onderzoek
3. Via logisch sluitende en met bestaande reeds geaccepteerde modellen redenatie komen
tot een modelvorming
4. Testen van het model op de te onderzoeken werkelijkheid. Hierbij zijn van essentieel
belang:
a. Reproduceerbaarheid van de conclusies/resultaten
b. Voorspellend vermogen
5. Acceptatie van het model als een goede beschrijving van het probleem.
Hierbij speelt de wiskunde als taal een bijzonder belangrijke rol.
De tweede fase van het wetenschappelijk onderzoek kan worden vergeleken met de fase
waarin de oosterse mysticus zijn directe inzicht door een niet-zintuiglijke ervaring verkrijgt.
Ook een spirituele ervaring is reproduceerbaar en het vereist jaren van training en
ontwikkeling om op deze wijze tot kennis te komen. De modelvorming in de westerse
wetenschap is niets anders dan een interpretatie van het onderzoek. Zo zal ook een mysticus
zijn direkte ervaringen in de hem omringende wereld via interpretatie moeten toepassen.
24
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
8. De wereld van Blavatsky
Stappen we weer terug in de ontwikkeling van de westerse natuurwetenschap dan is het kader
waarin HPB haar verhandelingen schreef geschetst in het voorgaande. Van de pre-miletische
gedachtengang, waarbij alles nog bezield was had de kennis der natuur zich getransformeerd
tot een dualistische beschrijving waarbij er een duidelijke scheiding tussen materie en geest
was ontstaan. De mens beschouwde zichzelf als waarnemer die door middel van experiment
en toetsing de natuur kon beschrijven. De verwevenheid van de mens met het experiment was
gereduceerd tot de rol van waarnemer. De rol van een Hogere Macht die in alle dingen
aanwezig is werd langzaam maar zeker strikt gescheiden van het wetenschappelijk denken.
Het is niet zo verwonderlijk dat HPB, mede dankzij de sterk Oosterse invloeden, zich afzette
tegen dit wereldbeeld.
“Science is daily and rapidly moving toward the great discoveries in chemistry and physics, organology,
and anthropology. Learned men ought to be free from preconceptions and prejudices of every kind: yet,
although thought and opinion are now free, scientists are still the same men as of old. An Utopian
dreamer is he who thinks that man ever changes with the evolution and development of new ideas. The
soil may be well fertilized and made to yield with every year a greater and better variety of fruit; but, dig
a little deeper than the stratum required for the crop, and the same earth will be found in the subsoil as
was there before the first furrow was turned.
Not many years ago, the person who questioned the infallibility of some theological dogma was branded
at once an iconoclast and an infidel. Væ victis! . . . Science has conquered. But in its turn the victor
claims the same infallibility, though it equally fails to prove its right. “Tempora mutantur et nos mutamur
in illis,” the saying of the good old Lotharius, applies to the case. Nevertheless, we feel as if we had some
right to question the high-priests of science”.17
Al lezende komen we tot de ontdekking dat zij zich vooral verzet tegen de afkeer van de, in
haar tijd moderne, wetenschap tegen de leer van de Ouden. Het tot mythe en bijgeloof
verklaren van de Occulte kennis. Zij laat tekortkomingen zien van de westerse wetenschap
en toont aan hoe de Occulte wetenschap deze tekortkomingen overkomt. Zij laat zien dat
zogenaamde ontdekkingen van de westerse wetenschap bij de Ouden bekend waren en voert
hiervoor een veelheid aan ‘bewijzen’ aan.
“From the standpoint of Materialism, which reduces the beginnings of all to matter, the Universe
consists, in its fullness, of atoms and vacuity. Even leaving aside the axiom—now absolutely
demonstrated by telescope and microscope—taught by the ancients, that nature abhors
vacuum, what is an atom? “It is, we are answered by Science,” writes Professor Butlerof, “the limited
division of substance, the indivisible particle of matter. To admit the divisibility of the atom, amounts to
an admission of an infinite divisibility of substance, which is equivalent to reducing substance to nihil, a
nothingness. Owing to a feeling of self-preservation alone, materialism cannot admit infinite
divisibility; otherwise, it would have to bid farewell for ever to its basic principle and thus sign its own
death-warrant.” Büchner, for instance, like a true dogmatist in materialism, declares that “to accept
infinite divisibility is absurd, and amounts to doubting the very existence of matter.” The Atom is
indivisible then, saith Materialism? Very well.
See now what a curious contradiction this fundamental principle of the materialists is leading them
into,” writes Butlerof. “The atom is indivisible, and at the same time we know it to be elastic. An
attempt to deprive it of elasticity is unthinkable; it would amount to an absurdity. Absolutely non-elastic
atoms could never exhibit a single one of those numerous phenomena that are attributed to their
correlations. Without any elasticity, the atoms could not manifest their energy, and the substance of the
materialists would remain weeded of every force. Therefore, if the Universe is composed of atoms, then
those atoms must be elastic. It is here that we meet with an insuperable obstacle. For, what are the
conditions requisite for the manifestation of elasticity? An elastic ball, when striking against an
obstacle, is flattened and contracts, which it would be impossible for it to do, were not that ball to
17
Isis Unveiled, Ch. II [40]
25
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
consist of particles, the relative position of which experiences at the time of the blow a temporary
change. This may be said of elasticity in general; no elasticity is possible without change with respect
to the position of the compound particles of an elastic body. This means that the elastic body is
changeful and consists of particles, or, in other words, that elasticity can pertain only to those bodies
that are divisible. And the atom is elastic.”
This is sufficient to show how absurd are the simultaneous admissions of the non-divisibility and
elasticity of the atom. The atom is elastic, ergo, the atom is divisible, and must consist of particles, or of
sub-atoms. And these sub-atoms? They are either non-elastic, and in such case they represent no
dynamic importance, or, they are elastic also; and in that case, they, too, are subject to divisibility. And
thus ad infinitum, But infinite divisibility of atoms resolves matter into simple centres of force, i.e.,
precludes the possibility of conceiving matter as an objective substance.
This vicious circle is fatal to materialism. It finds itself caught in its own nets, and no issue is possible
for it out of the dilemma. If it says that the atom is indivisible, then it will have mechanics asking it the
awkward question: “How does the Universe move in this case, and how do its forces correlate? A
world built on absolutely non-elastic atoms, is like an engine without steam, it is doomed to eternal
inertia.”
Accept the explanations and teachings of Occultism, and, the blind inertia of physical Science being
replaced by the intelligent active Powers behind the veil of matter, motion and inertia become
subservient to those Powers. It is on the doctrine of the illusive nature of matter, and the infinite
divisibility of the atom, that the whole science of Occultism is built. It opens limitless horizons to
substance informed by the divine breath of its soul in every possible state of tenuity, states still
undreamt of by the most spiritually disposed chemists and physicists”.18
Hoe juist de uitgangspunten van HPB ook moge zijn en hoe moedig het ook van haar was om
tegen de gangbare opvattingen te ageren in een tijdperk waarin het moderne westers
wetenschappelijk denken hoogtij vierde: impliceert de kortzichtigheid van de moderne
wetenschap automatisch dat deze wetenschap een verkeerde weg is om tot de ware kennis te
komen?
Als we HPB moeten geloven is de weg die de westerse wetenschap heeft ingeslagen
doodlopend. Het is een weg die automatisch tegen haar grenzen aan moet lopen en niet in
staat zal zijn om tot de Perennial Wisdom te leiden.
Aan de andere kant leefde HPB ook in een periode dat er grote vorderingen werden gemaakt
op het gebied van de fysica.
18
Secret Doctrine I, [518-520]
26
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
9. De vorderingen van de natuurwetenschappen
Dat HPB veelvuldig het magnetisme en de elektriciteit aanhaalt in haar verhandelingen is niet
zo verwonderlijk. Onderzoekingen naar magnetisme werden vanaf de 16e eeuw sterk
gestimuleerd door economische motieven. Het kompas was van levensbelang voor de
zeevaart. Bij de elektriciteit lagen deze motieven lange tijd slechts in de zucht naar kennis.
Tot in de 18e eeuw was het praktisch nut van elektriciteit zeer discutabel. Behalve Franklins
bliksemafleider waren er weinig praktische toepassingen. Langzaam maar zeker veranderde
de rol van de elektriciteit met de komst van de elektrolyse, de telegraaf en de telefoon.
In de kring van de Naturphilosophie waar de gedachte van eenheid van alle natuurkrachten
sterk leefde, werd de verwantschap tussen elektriciteit en magnetisme al in 1820 door de
deense fysicus H.C. Oersted naar voren gebracht. Een elektrische stroom oefende een kracht
uit op een magneet bij de stroomdraad. Vrijwel tegelijkertijd vonden Ampere en anderen dat
deze kracht een wisselwerking was. Een stroom oefent een kracht op een magneet uit, maar
een magneet kan ook een stroomdraad bewegen. Bovendien veroorzaakt een spiraalvormige
stroom een magnetische werking. Het idee van een uitgebreidheid van krachten buiten het
onderzochte voorwerp zelf was hiermee geboren.
Dit idee was niet helemaal nieuw.
Newton had al aangetoond dat de
gravitatiekracht op afstand werkte.
De elektromagnetische krachten
werden er nu aan toegevoegd. De
‘actio in distans’, de werking op
afstand werd slechts met moeite
geaccepteerd. Men beschouwde de
beschrijvingen, de opgestelde
modellen, meer als een mathematische formulering van de werking, zonder verklaring voor de
27
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
krachten. Door de aanname van krachtvelden rondom een stroomdraad en een magneet
konden werkbare modellen met voorspellende kracht worden opgesteld. Het waren ook niet
meer dan dat: werkbare modellen.
De wetenschap betrad nu voor het eerst een wereld waar men niet door direkte zintuigelijke
waarneming mee vertrouwd was. Geluid, warmte, licht had men redelijk kunnen terugbrengen
naar een mechanistische beschrijving. Hoewel vooral het licht hierbij nogal voor wat
problemen zorgde. Maar ook elektriciteit kon warmte, licht en beweging teweeg brengen. Dus
moest zij in verband staan met deze verschijnselen en er moest een mechanische verklaring
voor elektriciteit kunnen worden opgesteld. Hier stuitte men op het
probleem dat men elektriciteit niet met zintuiglijke waarnemingen kon
beschrijven. Er ontstond als het ware een probleem van visualisatie van
het te onderzoeken fenomeen. Door analogieen, illustraties en metaforen
probeerde men dit probleem te omzeilen. Zo nam Lord Kelvin (William
Thomson) een ether aan die de gehele ruimte vult, zonder dat hij
beweerde dat deze ether ook realiteit was. Cl. Maxwell (1831-1871)
probeerde Construirbare Vorstellungen te maken door begrippen uit
bekende gebieden van de fysica te vertalen naar het te onderzoeken
probleem. Deze analogieen waren niet realistisch bedoeld. Zij dienden slechts om
mathematische wetmatigheden af te leiden uitgaande van een concrete voorstelling. Bij deze
beschouwingswijze wordt wel de vorm van de mechanica overgenomen, maar de
grondbegrippen van elektriciteit kunnen niet tot de grondbegrippen van de mechanica worden
herleid.
Zij leidde tot zuiver mathematische beschrijvingen van verschijnselen,
zonder enige concrete voorstellingen. Maar deze modelvorming leidde wel
tot de vergelijkingen van Maxwell. Het waren deze vier vergelijkingen die
het verband tussen de elektromagnetische krachten en velden beschrijven
die een belangrijke stap vooruit waren naar een model waarin basisnatuurkrachten werden verenigd. De gravitatiekracht paste helaas nog niet
in dit model.
Gelijktijdig met de ontwikkelingen op het gebied van de beschrijving van het
elektromagnetisme werden er vorderingen gemaakt bij de beschrijving van de basiselementen
waaruit alle materie zou moeten zijn opgesteld. Er waren al
een aantal basiselementen gevonden, zogenaamde oeratomen
zoals bijvoorbeeld waterstof (H), zuurstof (O), Stikstof (N)
en elementen als calcium (Ca), broom (Br), chloor (Cl) en
andere. Er werden overeenkomsten ontdekt in de
periodiciteit van gelijkwaardige elementen en hun
atoomgewicht en dit leidde er in 1869 toe dat Mendelejeff en
Lothar Meyer onafhankelijk van elkaar het Periodiek
Systeem opstelden. De periodieke herhaling werd daarbij
gered door lege plaatsen voor nog onontdekte elementen
open te houden. Dit bleek een geweldig succes te zijn:
eigenschappen van elementen konden op grond van analogie
worden voorspeld, en nog niet ontdekte elementen konden gericht worden gezocht en
gevonden.
28
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Rond 1890 viel voor het eerst het woord elektron, voor elektrische deeltjes die met een
chemische binding van het atoom corresponderen.
De unificatie van de fysica leek dichterbij gekomen. Materie was niets anders dan een
verzameling van elektronen en positieve deeltjes. Haar eigenschappen vloeien voort uit
elektrische lading. De ruimte tussen de deeltjes was gevuld met de ether van de
elektromagnetische theorie, die elektrische, magnetische en lichtverschijnselen verklaarde
(maar niet de gravitatie). Deze triomf was echter duur betaald: de elektriciteit was niet tot
materie, maar de materie was tot elektriciteit teruggebracht. Het voor het zintuigelijke
waarnemingen minder vertrouwelijke moet het vertrouwelijke verklaren. In de mathematische
modelvorming werd bijna niets van het vertrouwde overgelaten. Maar de bijna bereikte
eenheid was de prijs wel waard.
Het is tegen deze achtergrond dat we de uitlatingen van HPB moeten bezien. Enerzijds boekte
de werkwijze van de wetenschap grote vooruitgang in het beschrijven van de zichtbare natuur.
Anderzijds liep men op tegen grote problemen bij de beschrijving van de niet waarneembare
natuur en was men gedwongen over te gaan tot mathematische modelvorming. Modelvorming
die weliswaar een goed voorspellend karakter had, maar waarbij het ten ene male onmogelijk
was om zich een goede voorstelling te vormen. Er was eenheid maar ook onenigheid in de
wetenschappelijke wereld. Het mechanistische wereldbeeld bleek goed te voldoen maar een
meer modelvormige en abstracte benadering was aan de horizon verschenen. HPB gebruikt
deze onenigheid in de wetenschappelijke wereld meerdere malen als argument voor haar
stellingname tegen de wetenschap. Hoewel begrijpelijk is dit mijns inziens niet juist en doet
zij hiermee tekort aan de vorderingen die de wetenschap maakte. Het elektromagnetisme
leidde tot een velden theorie en een krachtenspel buiten de onderzochte voorwerpen. HPB
heeft zich duidelijk goed op de hoogte gesteld van de discussies die dit ‘werken op afstand’
opwierp en zij gebruikt de termen magnetisme en elektriciteit dan ook zeer regelmatig bij
beschrijvingen van metafysische verschijnselen.
De vorderingen van de wetenschap werden ook buiten de wetenschap duidelijk zichtbaar.
Machines werden ontworpen om op grotere schaal te kunnen produceren, handvaardigheid
werd vervangen door machinale massaproduktie. De industriële revolutie was geboren. In het
ontstane klimaat van grotere efficiency, grotere produktie en het succes van mechanisatie was
HPB als een roepende in de woestijn. Slechts door zeer duidelijke stellingname tegen de
wetenschappelijke ontwikkelingen kon zij nog worden gehoord. En dat heeft ze dan ook met
buitengewone felheid gedaan. Dat zij hierbij meerdere malen de wetenschap onrecht aandeed
mag als secundair worden beschouwd.
Het zou interessant zijn om te weten wat Madame Blavatsky zou hebben gezegd als zij op de
hoogte zou zijn geweest van de latere ontwikkelingen binnen vooral de fysica. Laten wij ons
hier eens verder op richten.
29
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
10. De ‘moderne fysica’
Het Newtoniaanse heelal was een driedimensionale Euklidische ruimte, absoluut, voortdurend
in rust en onveranderlijk. Dit model leek veel op dat van de atomisten. Beide waren gebaseerd
op het onderscheid tussen de volte en de leegte, tussen materie en
ruimte, en in beide modellen bleven massa en vorm van de deeltjes
altijd onveranderd. De massa bleef behouden en was in wezen
passief. Het verschil lag hem in de krachten. Het Newtonianisme
bevat een nauwkeurige beschrijving van de kracht tussen twee
materiële deeltjes. De bewegingsvergelijkingen geven een
deterministische kijk op de natuur. Oorzaak en gevolg konden
worden beschreven. De filosofische basis voor dit determinisme
werd gevormd door de fundamentele splitsing tussen het Ik en de
wereld van Descartes. Als gevolg van deze splitsing ontstond de
overtuiging dat de wereld op een objectieve manier – dat wil
zeggen, zonder de menselijke waarnemer te noemen – kon worden
omschreven.
Het besef van de beperkingen van dit model ontstond met de ontdekking van de
elektromagnetische verschijnselen. (Michael Faraday en James Clerk Maxwell). Het begrip
kracht werd vervangen door krachtveld en dat was een fundamentele ontwikkeling die hen
boven de mechanica van Newton uitvoerde. Elke lading veroorzaakt een verstoring of
toestand in de ruimte om zich heen, zodat een andere lading, als die in de buurt is een kracht
ondergaat. Deze toestand van de ruimte, die de mogelijkheid geeft een kracht voort te brengen
wordt veld genoemd. Het veld ontstaat door één enkele lading, en bestaat ook als er geen
enkele andere lading in de buurt is om het effect te ondergaan.
In de visie van Newton waren de krachten onlosmakelijk verbonden met de lichamen waarop
ze werken. Maar nu werd het begrip kracht vervangen door een krachtveld, dat een eigen
werkelijkheid heeft.
In het begin van de twintigste eeuw hadden fysici twee succesvolle theorieën die op
verschillende verschijnselen van toepassing waren:
•
De mechanica van Newton
•
De elektrodynamica van Maxwell.
10.1 Unificatie van de Newtoniaanse mechanica en de elektrodynamica van Maxwell
Einstein was er van overtuigd dat er in de natuur harmonie heerst. Zijn voornaamste zorg was
het om één alomvattend fundament voor de fysica te vinden. Hiertoe wilde hij een
gemeenschappelijk kader voor bovengenoemde twee modellen opstellen. Dit werd de
relativiteitstheorie.
30
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
We kunnen stellen dat
relativiteitstheorie het
voor een volledig nieuw
relativiteitstheorie was in
Newton en het
te unificeren.
met het opstellen van de
eerste fundament werd gelegd
gezichtspunt op de realiteit. De
staat om de mechanica van
krachtveldenmodel van Maxwell
Maar de keerzijde van het unificeren van beide modellen was een wijziging in de opvattingen
over tijd en ruimte.
Daarmee werden fundamenten van de Newtoniaanse wereldbeschouwing ondermijnd.
Aristoteles en Newton namen tijd als absoluut gegeven aan. Dat wil zeggen: ze geloofden dat
we het tijdsverloop tussen twee gebeurtenissen ondubbelzinnig kunnen meten, ongeacht wie
de meting verricht.
Tijd stond los van de ruimte en was daarvan niet afhankelijk. Dit was een algemeen
aanvaardde waarheid in de klassieke fysica. Zij was gebaseerd op twee begrippen: absolute
driedimensionale ruimte en absolute tijd. Twee onderling onafhankelijke grootheden.
Dit was een van de gevolgen van de sterk meetkundig gerichte Griekse filosofie. Denk maar
aan de woorden boven Plato’s school: “Zonder kennis van de wiskunde mag hier niemand
binnentreden.” Of zijn woorden: “God is een meetkundige”. Er was een Einstein voor nodig
om de wetenschappers en filosofen te laten beseffen, dat meetkunde niet iets is dat eigen is
aan de natuur, maar iets dat door ons denken wordt opgelegd aan de natuur.
Er ontstonden moeilijkheden. Metingen en de theorie van Maxwell toonden aan dat de
snelheid waarmee licht zich voortbeweegt constant is en onafhankelijk van de toestand van
de waarnemer. Begrippen als ether werden ingevoerd maar de theorievorming rammelde aan
alle kanten. Einstein liet in 1905 zien dat het hele begrip ether overbodig was als je het begrip
van absolute tijd verliet. 19 Een dieptebehandeling van de relativiteitstheorie zou hier veel te
ver voeren en valt ook buiten het bestek van deze lezing. Belangrijk is het volgende:
Einstein zag in dat ook tijdsbepalingen relatief zijn en van de waarnemer afhangen.
Normaal gesproken nemen we dit niet waar. Dit komt omdat de gebeurtenissen die zich om
ons heen afspelen zich op ons netvlies projecteren. Deze projectie gaat zo snel (de snelheid
van het licht is 300.000 km/sec) dat we kunnen aannemen
dat we iets waarnemen op het moment dat het gebeurt.
Dat dit niet helemaal juist is omdat ook licht een zekere
tijd nodig heeft om een bepaalde afstand af te leggen is in
het dagelijks leven niet van belang. Maar als de
waarnemer zich met een erg hoge snelheid gaat bewegen
ten opzichte van de gebeurtenis kan dit wel degelijk een
rol gaan spelen bij de tijdsduur die verloopt tussen het
plaatsvinden van de gebeurtenis en de waarneming. Twee
19
Einstein was een tot dan toe onbekend ambtenaar van het Zwitsers patentbureau. Een paar weken na de
fysische benadering van Einstein bracht de Franse wiskundige Henri Poincare hetzelfde idee naar voren, maar
dan vanuit de wiskunde benaderd.
31
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
waarnemers die zich beiden met hoge snelheden ten opzichte van een gebeurtenis bewegen
kunnen daarom deze gebeurtenis op verschillende tijdstippen waarnemen. Het kan zijn dat
twee gebeurtenissen die zich voor de ene waarnemer gelijktijdig afspelen, voor een andere
waarnemer gescheiden in de tijd zijn.
Het is niet mogelijk om op een absolute manier over het heelal op een bepaald moment te
spreken. Er bestaat geen absolute ruimte onafhankelijk van de waarnemer.
Volgens de relativiteitstheorie is de ruimte niet driedimensionaal en is tijd geen afzonderlijke
entiteit. Zij vormen samen een 4D continuüm: de ruimte-tijd. Ruimte en tijd zijn onderling
van elkaar afhankelijk. Slechts door deze 4 dimensionale ruimte tijd aan te nemen kunnen we
komen tot een verenigbaarheid van schijnbaar tegengestelde gebeurtenissen.
Een vierdimensionale wereld is onmogelijk voorstelbaar
voor de mens. We kunnen hier hooguit in analogieen
redeneren. Mij helpt het altijd als ik me een wereld
voorstel die uit slechts twee dimensies bestaat: Platland.
Platlanders kunnen zich absoluut geen derde dimensie
voorstellen. Hun ruimte bestaat uit een plat vlak. Wij
weten uit onze ervaring dat er een derde dimensie bestaat
en dat deze dimensie, samen met de aan de Platlanders
bekende twee dimensies, samen de ruimte vormt. Wij
weten dat bewegingen in willekeurig welke dimensie
gevolgen heeft voor de beweging van een lichaam in een andere dimensie. Zo volgt uit de
relativiteitstheorie dat er een vierde dimensie is die samen met de ons bekende drie dimensies
van de ruimte een ruimte-tijd vormt. Bewegingen in elk van deze vier dimensies hebben
invloed op bewegingen in elk van de andere dimensies. Afhankelijk van het
coordinatenstelsel waarin een waarnemer zich bevindt kan wat voor de ene waarnemer slechts
ruimte is voor een andere waarnemer een mengeling van ruimte en tijd zijn.
Om de woorden van D.T. Suzuki te gebruiken:
“De betekenis van de Avatamsaka en zijn filosofie is niet te doorzien, tenzij we een
keer de ervaring doormaken….van een toestand van volkomen oplossing, waarin geen
onderscheid meer bestaat tussen geest en lichaam, subject en object…We zien om ons
heen en nemen waar….dat elk voorwerp in verband staat met ieder ander
voorwerp…niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd… Het wordt een zuiver
ervaringsfeit, dat er geen ruimte is zonder tijd, geen tijd zonder ruimte; ze
doordringen elkaar wederzijds.20”
Is er een betere manier om het relativistische ruimte-tijd begrip te
beschrijven?
Ruimte en tijd zijn gereduceerd tot elementen van een taal die een
bepaalde waarnemer gebruikt om een beschrijving van
20
D.T. Suzuki: voorwoord bij B.L. Suzuki, Mahayana Buddhism, pp. 148-9
32
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
natuurverschijnselen te geven. Elke waarnemer zal de verschijnselen op een verschillende
manier beschrijven. Om uit deze verschillende beschrijvingen de universele natuurwetten te
kunnen afleiden moeten de wetten zo worden geformuleerd dat ze dezelfde vorm hebben voor
alle waarnemers. Dit is het zogenaamde relativiteitsprincipe, dat het uitgangspunt vormt van
de relativiteitstheorie.
Oosterse mystici brengen de begrippen ruimte en tijd in verband met bepaalde
bewustzijnstoestanden. Omdat zij in staat zijn door middel van meditatie boven de gewone
bewustzijnstoestand uit te stijgen, zijn ze tot het besef gekomen dat de conventionele
begrippen ruimte en tijd niet de uiteindelijke waarheid uitmaken.
Veel oosterse meesters zeggen dat het denken in de tijd
moet plaatsvinden, maar dat schouwen daarbovenuit
stijgt. In een vierdimensionale tijd-ruimte bestaat tijd niet
als een verstrijkende grootheid. Net als in een
driedimensionale ruimte elk punt in de driedimensionale
ruimte aanwezig is, zo is in een vierdimensionale tijdruimte elk tijd-ruimte punt aanwezig. Het is dus in deze
vierdimensionale wereld onzinnig om over het verstrijken
van tijd te spreken. Tijd IS, net zoals ruimte IS. Er bestaat
geen heden, verleden of toekomst. Dat bestaat alleen in
een projectie van de tijdruimte in een driedimensionale
ruimte. En dan is de vorm van deze projectie, het verloop
van tijd in deze projectie afhankelijk van de richting
waarin de projectie plaatsvindt.
Als we de woorden van Lama Govinda over boedhistische meditatie volgen:
“ Als we het hebben over de ruimte ervaring tijdens de meditatie, dan hebben we met
een volkomen andere dimensie te maken… In deze ruimte ervaring is de tijdsvolgorde
veranderd in een gelijktijdig samen bestaan, een naast elkaar bestaan van de
dingen…. En dit blijft ook niet statisch, maar wordt een levend continuüm, waarin tijd
en ruimte 1 geworden zijn.”21
De ruimte tijd van de relativistische fysica is een zelfde soort tijdloze ruimte. Alle
gebeurtenissen zijn onderling verbonden, maar niet causaal. De wisselwerkingen tussen
objecten zijn alleen causaal verbonden in een bepaalde projectie. Als vierdimensionaale
patroon is er geen voor of na, er is geen oorzaak en geen gevolg.22
Een belangrijk gevolg van deze zienswijze vinden we terug in de uitwisselbaarheid van massa
en energie. De bekende formule E=mc2. Een eenvoudige formule met verstrekkende
gevolgen. In gewone bewoordingen zegt deze uitwisselbaarheidsformule:
Energie en Massa zijn in feite hetzelfde.
21
Lama Anagarika Govinda, Foundations of Tibetan mysticism, p. 116
Vergelijk dit met de uitspraak van Swami Vivekananda: “ Tijd en ruimte, oorzaak en gevolg zijn als het glas
waarin zich het absolute weerspiegelt…. In het Absolute zijn geen tijd en ruimte, geen oorzaak en gevolg. (S.
Vivekananda, Jnana Yoga, p. 109)
22
33
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Energie en massa zijn niet alleen equivalent, ze kunnen ook nog eens in elkaar worden
omgezet23
Een ander gevolg van de relativiteitstheorie
is de manier waarop we tegen krachten en
velden aankijken.24 Krachten en velden
zijn gevolgen van een vervorming van de
tijd-ruimte.
Ook dit is niet met ons beperkte voorstellingsvermogen te bevatten en ook hier moeten we de
hulp inroepen van analogieeen. Een auto zal, indien mogelijk, via de kortste afstand van
Amsterdam naar Athene rijden. Op een platte kaart getekend is de kortste afstand tussen
Amsterdam en Athene een rechte lijn. Voor een Platlander die op deze platte,
tweedimensionale kaart zijn leven doorbrengt gaat de auto waar hij in zit volgens een rechte
lijn van Amsterdam naar Athene. Wij weten dat dit niet het geval is. Hoewel de Platlander
zijn levensvlak als plat beschouwd, weten wij dat dit vlak onderdeel is
van het oppervlak van de aarde en gekromd is. In de driedimensionale ruimte beweegt de auto
zich dus volgens een gekromde lijn van Amsterdam
naar Athene. Het omgekeerde is ook waar: Vanuit
onze driedimensionale wereld vliegt een vliegtuig in
een rechte lijn over een landschap heen. Door
heuvels in het landschap volgt de schaduw van het
vliegtuig op de grond een grillige baan. De
Platlander, die die heuvels niet kan waarnemen, ziet
de schaduw zich via een willekeurige baan bewegen.
De algemene relativiteitstheorie zegt nu dat in de
vierdimensionale Ruimte-Tijd alle massa’s zich in
een rechte baan bewegen. Door krommingen in de
Ruimte-tijd projecteert zich dat in onze driedimensionale wereld als een niet-rechte baan.
Ruimte-tijd wordt gekromd doordat zich hierin massa’s bevinden. Zo kromt de massa van de
zon de ruimte tijd zodanig dat, ofschoon de aarde een rechte baan aflegt in de
vierdimensionale Ruimte-tijd, het voor ons lijkt dat zij via een cirkelvormige baan door de
driedimensionale ruimte beweegt.
. Als je energie aan een voorwerp toevoert gaat dat voorwerp steeds sneller bewegen. De relativiteitstheorie
zegt nu dat niet alle toegevoerde energie wordt omgezet in bewegingsenergie, maar een gedeelte wordt omgezet
in massa. Dus naarmate het voorwerp sneller gaat wordt het zwaarder. Dit effect is niet merkbaar bij lage
snelheden, maar gaat een grote rol spelen bij snelheden die in de buurt van de lichtsnelheid komen te liggen. Aan
te tonen is dat lichamen die zich met een snelheid bewegen die in de buurt van de lichtsnelheid liggen oneindig
zwaar gaan worden. Maar we weten dat hoe zwaarder een voorwerp is, hoe moeilijker het wordt om dat
voorwerp te versnellen. Als een lichaam dat zich beweegt met de lichtsnelheid oneindig zwaar is zal ze niet meer
kunnen versnellen. Hiermee verklaart de relativiteitstheorie dat er geen snelheid hoger dan de lichtsnelheid
mogelijk is.
23
De speciale relativiteitstheorie omvat niet de zwaartekracht. Die komt in de algemene theorie om de hoek
kijken. Hierin komt dan een beschrijving van tijd-ruimte-kromming.
24
34
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
In de vierdimensionale Ruimte-tijd worden kracht en materie, energie en massa verenigd tot
verschillende uitingsvormen van hetzelfde. Materie kan zich voordoen als een continu
energieveld of een discontinue entiteit.
35
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
11. De subatomaire wereld
Parallel aan de vergaande veranderingen in ons wereldbeeld ten gevolge van de
relativiteitstheorie verdiepten we ons ook meer en meer in de bouw van de materie. Helaas
bleek ook de subatomaire wereld één grote paradox te zijn.
Het bleek dat de subatomaire eenheden van de materie zeer abstracte entiteiten zijn met een
dubbele natuur: afhankelijk van de manier waarop we naar ze kijken lijken het soms deeltjes
en soms golven te zijn. Ook het licht vertoont deze dubbele natuur. Het lijkt onmogelijk te
aanvaarden dat iets tegelijkertijd een deeltje kan zijn en een golf.
Het duurde lang voordat men kon aanvaarden dat paradoxen tot de structuur van de
atoomfysica behoren en dat ze altijd optreden als je probeert gebeurtenissen op atomair niveau
in de termen van de klassieke fysica te beschrijven.25
De hele ontwikkeling was begonnen toen Max Planck ontdekte dat de energie van
warmtestraling niet ononderbroken, continu wordt uitgezonden, maar in de vorm van
energiepakketjes, die door Einstein quanta werden genoemd. Hij generaliseerde dit voor alle
electromagnetische straling, waarbij straling niet alleen als golf maar ook als quantum kan
verschijnen. Deze quanta (oftewel fotonen) zijn bonafide deeltjes, maar wel zonder massa en
altijd bewegend met de snelheid van het licht.
25
Ook oosterse mystici zijn zich ervan bewust dat de directe ervaring van de werkelijkheid uitstijgt boven het
rijk van het denken en de taal. Een tegenstelling tussen fysici en mystici is dat de laatsten vooral geïnteresseerd
zijn in de ervaring en niet in de beschrijving. De taal van de mythen wordt daarom veel minder door de logica
ingeperkt. Ze kan paradoxaal zijn, maar is suggestief. Alle goden zijn in deze dan slechts scheppingen van de
geest, mythische beelden die de vele gezichten van de werkelijkheid symboliseren. Een andere manier van
overbrengen van ervaring is bijvoorbeeld met haiku’s:
Bladeren vallen,
Het ene ligt op het andere;
De regen kletst op de regen. 25
Een andere mogelijkheid is om opzettelijk paradoxale aspecten te benadrukken (Taoïsme). Dit vind je terug in de
koans van de Zen-boeddhisten. Dit zijn nonsensicale raadsels die de bedoeling hebben de zen-leerling de
beperkingen van de logica en het redeneren te laten ervaren. De school doet zelf geen uitspraken, maar laat het
aan de student over om de waarheid dmv koans te vatten.
Het taalprobleem van de oosterse mysticus is precies hetzelfde als het probleem waar de moderne fysicus voor
staat. De kwantumfysica laat dit wel heel duidelijk zien en heeft laten zien dat de taal van de fysica niet gevat
kan worden in omgangstaal, zoals de ervaring boven taal uitstijgt.
36
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
De oplossing lag in het zien van golven als waarschijnlijkheidsvelden. Op subatomair niveau
bestaat materie helemaal niet met zekerheid op een welbepaalde plaats, maar vertoont
‘tendensen’ om te bestaan, net zoals gebeurtenissen niet met zekerheid op een welbepaalde
tijd plaats vinden, maar tendensen om te gebeuren vertonen.
Op subatomair niveau lossen de massieve materiële voorwerpen van de klassieke fysica op en
gaan over in op golven lijkende waarschijnlijkheidspatronen. En die
patronen staan niet voor de waarschijnlijkheid van dingen, maar
voor onderlinge relaties. Maar hiermee is een einde gekomen aan
het klassieke idee dat deeltjes of voorwerpen op zichzelf staan.
Deeltjes zijn waarschijnlijkheidspatronen geworden en deze
waarschijnlijkheid slaat niet op de deeltjes zelf,maar op de
wisselwerking die zij onderling hebben.
Als we in de materie doordringen toont de natuur ons geen fundamentele bouwstenen, maar
verschijnt ze voor ons als een gecompliceerd web van relaties tussen de verschillende delen
van het geheel. In die relaties is de waarnemer altijd wezenlijk betrokken. Het klassieke ideaal
van een objectieve beschrijving van de natuur verliest hiermee zijn geldigheid. In de
atoomfysica kunnen we nooit over de natuur spreken zonder tegelijkertijd ook over onszelf te
spreken.
Je zou kunnen zeggen dat de quantumfysica ons laat zien dat de wereld niet bestaat uit
onderling onafhankelijke elementen maar eerder een web van gecompliceerde relaties is
waarin alles bestaat in afhankelijkheid van andere elementen, in afhankelijkheid van het
geheel. We raken hier nauw aan het boeddhistische beeld van het kosmische web. Kijken we
naar de kern van het Mahayana-boeddhisme, de Avatamsaka-sutra, dan zien we als centraal
thema de eenheid en onderlinge verbondenheid van alle dingen en gebeurtenissen. Een
volmaakt netwerk van onderlinge relaties, waarbij alle dingen en gebeurtenissen in onderlinge
wisselwerking bestaan. Ook in de belangrijkste school van het Tibetaans boeddhisme, het
tantrisch boeddhisme, vinden we dit terug in de geschriften die Tantra’s worden genoemd.
Tantra is Sanskriet voor weven en verwijst naar de onderlinge verwevenheid en
afhankelijkheid van alle dingen en gebeurtenissen. En hier is ook de mens en haar bewustzijn
in betrokken. Een waarheid die we nu ook uit de atoomfysica naar voren zien komen.
Een fundamentele wetmatigheid die aan de quantumfysica ten grondslag ligt wordt gevormd
door het onzekerheidsprincipe van Heisenberg. Kort gezegd komt dit principe er op neer dat
37
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
van een deeltje nooit tegelijkertijd plaats en snelheid (eigenlijk: impuls) nauwkeurig kunnen
worden gemeten. Dit kan worden voorgesteld door te kijken naar de implicaties van de
beschrijving van deeltjes als waarschijnlijkheidspatroon. Als je precies de plaats van een
deeltje bepaalt is het dus zeker dat dat deeltje zich op dat moment op die plek bevindt. Maar
volgens het waarschijnlijkheidspatroon kan het deeltje zich ook elders bevinden. Deze
paradox kan alleen worden opgelost door te stellen dat het deeltje een onbekende snelheid in
een willekeurige richting moet hebben. Het is aan de waarnemer of hij snelheid of plaats van
een deeltje wil bepalen: zijn keuze beinvloedt dus het waargenomene. De waarnemer is
onderdeel van het experiment en zou dus beter deelnemer kunnen worden genoemd.26
Ook hier raken we aan een fundamenteel begrip van de mystieke kennis: Kennis kan niet
worden verkregen door waarneming maar alleen door volledige deelname van je hele wezen.
Maar als deeltjes geen deeltjes zijn, hoe verklaar je dan
bijvoorbeeld de ondoordringbaarheid van materie?
Dit is het gevolg van een typisch quantumeffect: als een deeltje
in een klein ruimtegebied wordt ‘opgesloten’ reageert het door
sneller te bewegen. Hoe kleiner het gebiedje, hoe sneller het
deeltje zich erin beweegt. Wanneer elektronen in een atoom
opgesloten zijn hebben ze een snelheid van zo’n duizend
km/sec! Daardoor lijkt het atoom uit een massieve bol te
bestaan. Het is heel moeilijk om die razendsnel bewegende
elektronenwolk van het atoom verder samen te persen.
Elektronengolven kunnen alleen bestaan als ze passen. Hieruit volgt ook het ‘aanslaan’ van
atomen.
Tendensen om te bestaan, deeltjes die op opsluiting reageren met beweging, atomen die
plotseling van de ene quantumtoestand in de andere overgaan, een wezenlijke onderlinge
verbondenheid van alle verschijnselen – dat zijn enkele van de ongewone eigenschappen van
de wereld van het atoom.
Om het wezen van de materie te kennen, moesten we de atoomkernen gaan bestuderen.
Hieruit volgde een opdeling van de atoomkern in kleinere onderdelen, protonen en neutronen.
En daaruit volgde de vierde basis natuurkracht. Omdat de nucleonen zich gedragen volgens
het golf/deeltje dualisme en in een bijzonder kleine ruimte zitten, bewegen ze zich met
snelheden van zo’n 60,000 km/sec. Hier is een sterke wisselwerking over hele korte afstand
aan het werk.
26
Om met de beroemde fysicus Robert Oppenheimer te spreken:
“Als we vragen of de positie van een elektron dezelfde blijft, moeten we nee zeggen. Als we vragen of de positie
van een elektron in de tijd verandert, moeten we nee zeggen. Als we vragen of een elektron in rust is, moeten we
nee zeggen. Als we vragen of het in beweging is, moeten we nee zeggen.
Vergelijk dit met de Upanishaden:
Het beweegt. Het beweegt niet.
Het is ver, het is dichtbij
Het is binnenin dit alles
Het is buiten dit alles
(Isa-Upanishad, 5)
38
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
In de jaren na 1930 hadden we nu elektronen, protonen en neutronen en
die werden als elementaire deeltjes beschouwd. Atomen in de zin van
Demokreitos: kleinste, onvernietigbare eenheden van de natuur.
Door steeds betere technieken moesten er steeds meer elementaire
deeltjes bijkomen om de waargenomen verschijnselen te verklaren. In
1930 hadden we er drie, in 1935 zes, in 1955 hadden we er 18 en nu
meer dan 200!
39
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
12. Unificatie van de Relativiteitstheorie en de Quantumfysica
Het volgende probleem was dat een theorie die alle nucleaire verschijnselen moest verklaren,
niet alleen een quantumtheorie zou kunnen zijn, maar ook de relativiteitstheorie zou moeten
omvatten. De snelheden binnen de kern zijn namelijk zo hoog dat de lichtsnelheid wordt
benaderd.
Een theorie die zowel de quantum- als de relativiteitstheorie omvat bestond indertijd nog niet.
Men was zich wel bewust van de volgende, paradoxaal klinkende feiten. En niet alleen was
men zich bewust van deze feiten, de wetenschappelijke wereld had tevens geaccepteerd dat de
realiteit vreemder was dan men zich ook maar enigszins kon voorstellen.
Massa is dus een vorm van energie. Energie is een dynamische grootheid die met aktiviteiten
en processen te maken heeft. Een deeltje is dus een dynamisch patroon, een proces waarbij
energie is betrokken, die zich als de massa van het deeltje manifesteert. Een logische
gevolgtrekking was dat materie en energie in elkaar omzetbaar moesten zijn. Het moest
mogelijk zijn om processen waar te nemen waarbij uit energie materie zou ontstaan en
omgekeerd.
Het bewijs hiervoor werd geleverd door experimenten met een zogenaamd bellenvat. De
werking hiervan voert te ver in het kader van dit stuk, maar het komt er op neer dat de banen
van elementaire deeltjes zichtbaar worden gemaakt. Hieronder staat een opname van een
aantal banen in een bellenvat:
Op de plaats van de rode pijlpunt zien we materie schijnbaar uit het niets ontstaan. Hier heeft
een proces plaatsgevonden waarbij materie uit energie wordt ‘geschapen’.
Op de plaats van de groene pijlpunt zien we materie ‘verdwijnen’.
40
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Bovendien kwam bij deze experimenten een niet alledaags verschijnsel om de hoek kijken: de
enige manier om twee deeltjes op te splitsen was om ze met hoge snelheid tegen elkaar aan te
laten botsen. Maar de opsplitsingen waren niet kleiner dan de originelen! Hier wordt energie
in massa omgezet en is de vraag van de onvernietigbaarheid van elementaire deeltjes wel op
een heel originele manier opgelost: materie kan oneindig worden opgesplitst omdat uit de bij
het proces betrokken energie weer deeltjes worden geschapen. De subatomaire deeltjes zijn
dus vernietigbaar en onvernietigbaar.
Dit blijft paradoxaal zolang we vasthouden aan de statische visie van samengestelde
voorwerpen. Alleen als we deeltjes als dynamische patronen of processen zien, waarbij een
gedeelte van de betrokken energieën voor ons als massa verschijnt lost de paradox zich op.
Overigens doet dit zich dit verschijnsel ook kennen bij voorwerpen van macrokosmische
grootte. De relativiteitstheorie leert ons dat de lichtsnelheid de maximaal haalbare snelheid is.
Bovendien leert zij ons dat de massa van een voorwerp toeneemt als de snelheid van dat
voorwerp toeneemt. Bij de ‘dagelijkse’ snelheden is dit effect verwaarloosbaar omdat deze
‘dagelijkse’ snelheden verwaarloosbaar zijn ten opzichte van de lichtsnelheid (ca. 300.000
km/sec, oftewel zo’n 7 ½ maal per seconde om de aarde heen!).
Maar stel nu dat wij ons in een raket bevinden die zich met hoge snelheid beweegt. We
beschikken over een energiebron die in staat is om continu energie aan die raket te leveren,
waardoor deze raket steeds harder gaat. Dan zouden we op een gegeven moment harder
moeten gaan dan de lichtsnelheid. Maar dat gebeurt niet! Dit komt omdat steeds meer van de
toegevoerde energie niet meer wordt omgezet in extra beweging, maar in extra massa. Om te
beseffen wat dit betekent hoeven we maar aan een goederentrein te denken: hoe zwaarder
deze trein beladen is hoe langer het duurt voor deze trein om op gang te komen of om af te
remmen. De grote massa van de trein vormt een ‘belemmering’ voor een verandering in de
snelheid van de trein.27 Met andere woorden: hoe groter de massa, hoe moeilijker een
vertraging of een versnelling plaats vindt.
Hoe harder wij nu in onze raket voortrazen, hoe groter onze massa wordt. Ten eerste wordt
steeds meer toegevoerde energie omgezet in massa, ten tweede blijft er steeds minder energie
over om in extra beweging te worden omgezet en ten derde wordt een verandering van die
toenemende massa steeds moeilijker. Als we de lichtsnelheid benaderen wordt onze massa
oneindig groot en wordt het dus onmogelijk om nog van snelheid te veranderen. We naderen
de lichtsnelheid asymptotisch, maar kunnen er nooit overheen.
Het verband tussen massa en energie wordt (vereenvoudigd) voorgesteld door de bekende
formule E=mc2 (Energie is proportioneel aan massa met een factor gelijk in grootte aan de
lichtsnelheid in het kwadraat (een getal met 16 nullen!)).
27
Het fysische verschil tussen massa en gewicht wordt hier ter vereenvoudiging opzettelijk buiten gelaten.
41
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
13. De laatste decennia van de twintigste eeuw
De ontwikkelingen hebben de laatste decennia niet stilgestaan. Natuurwetenschappers blijven
zoeken naar een model waarin alle verschijnselen kunnen worden ondergebracht. Deze
zogenaamde Grote Unificatie Theorie vordert gestaag, maar hand in hand met deze
vorderingen groeit ons besef dat de natuur nog veel vreemder in elkaar zit dan de
relativistische quantummechanica ons doet vermoeden. Waren slechts een halve eeuw geleden
zaken als ‘zwarte gaten’, neutronensterren, parallele heelallen en wormgaten nog slechts
produkten van de science fiction literatuur, tegenwoordig zijn een aantal van deze zaken niet
alleen geen fictie meer, maar zelfs empirisch aangetoond. Zwarte gaten en neutronensterren
bestaan, de baan van een lichtstraal wordt afgebogen door een zwaar voorwerp, deeltjes
kunnen worden gecreëerd uit energie. Wormgaten zijn theoretisch mogelijk en het begrip van
een tiendimensionaal heelal heeft zijn intrede al een tijd geleden gemaakt. Een
tiendimensionaal heelal waarbij het ons bekende universum wordt gevormd door de vier
eerder genoemde dimensies van ruimte en tijd en onderdeel is van dit tiendimensionale heelal.
Een ‘parallel’ heelal met zes dimensies zou samen met het ons bekende universum het
tiendimensionale heelal vormen.28 Wetenschappers hebben aangetoond dat slechts binnen tien
dimensies een theorie kan worden gevormd die alle verschijnselen omvat. Uiteraard kunnen
we dit nu niet experimenteel aantonen, maar we kunnen wel naar afgeleide verschijnselen van
deze theorie zoeken binnen de ons bekende wereld. Theoretisch kan worden afgeleid dat een
unificatie van alle natuurkrachten slechts kan plaatsvinden bij een energie waar we ons geen
voorstelling van kunnen maken. Een energie die misschien haalbaar is geweest in de eerste
picoseconden van de oerknal, ten tijde van de creatie van het universum.
De moderne ‘snaartheorie’ toont aan dat alle elementaire deeltjes in feite gelijk zijn, maar
slechts uitingsvormen van verschillende combinaties van energetische trillingen. Het hele
scala aan elementaire deeltjes en haar verschijnselen kan worden afgeleid uit een samenspel
van energie, een oneindige meervoudigheid aan combinaties van trillingen.
Een volgende lezing zou verder kunnen ingaan op deze nieuwste ontwikkelingen, maar zijn
op dit moment niet van belang.
28
De splitsing in een vier- en een zesdimensionaal heelal heeft plaatsgevonden vlak na de ‘oerknal’ waarbij het
ons bekende universum gevormd werd. Het ‘parallele’ zesdimensionale heelal is volgens de theorie ‘in zichzelf
opgerold’.
42
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
14. Unificatie en Broederschap
Klassieke begrippen als elementair deeltje, materiële substantie of geïsoleerd voorwerp
hebben hun betekenis in de moderne fysica volledig verloren. Het hele heelal is een
dynamisch web van niet van elkaar te scheiden energiepatronen gebleken. Alles kan slechts in
onderlinge relatie worden beschreven en bestaat in feite slechts dankzij deze onderlinge
wisselwerkingen. Onze zintuigen tonen ons een wereld die wij als realiteit ervaren, maar ook
de moderne fysica is er nu van overtuigd dat de werkelijke wereld in alle opzichten volledig
anders is dan wij ons op grond van onze ervaringen kunnen voorstellen. Onze zintuigen
‘toveren’ ons een wereld voor die slechts bestaat in verschillende uitingen van hetzelfde! Het
pad van de wetenschap zoals door de westerse wereld wordt begaan convergeert steeds
duidelijker naar de conclusies en waarheden die reeds lang in de occulte kennis bekend zijn.
In de moderne fysica wordt het heelal als een dynamisch, ondeelbaar geheel opgevat, waarin
de waarnemer altijd op een wezenlijke manier is betrokken. Bij deze opvatting verliezen de
traditionele begrippen van ruimte en tijd, van oorzaak en gevolg hun betekenis.29
Altijd als het intellect het wezen van de dingen wil analyseren zal de uitkomst daarvan
ongerijmd of paradoxaal blijken te zijn. De mystici hebben dat altijd al beseft, maar in de
wetenschap is het pas vrij recent een probleem geworden. Zolang als we de macroscopische
omgeving bestudeerden was de taal, die gebaseerd is op wat we kunnen zien, toereikend.
Daarna niet meer.
Het is met behulp van modern instrumentarium dat we op een indirecte manier de
eigenschappen van atomen en hun onderdelen kunnen waarnemen en zo de subatomaire
wereld kunnen ervaren. Door de atoomfysica vingen wetenschappers een eerste glimp van het
wezen der dingen op. Net als de mystici hadden de fysici nu met een niet-zintuiglijke ervaring
van de werkelijkheid te maken en moesten ze de paradoxale aspecten van dit soort ervaring
onder de ogen zien.
Hier daagt wederom een vergelijk met de oosterse mystiek: Het Yin-Yang principe laat
duidelijk zien dat de schijnbare tegenstellingen tezamen een perfect geheel vormen. In onze
dagelijkse waarneming worden we steeds geconfronteerd met polarisatie:
mannelijk/vrouwelijk, positief/negatief, goed/slecht. Schijnbaar onverenigbare tegenstellingen
die wij ook in de subatomaire wereld ontdekken: deeltjes zijn vernietigbaar en tegelijkertijd
onvernietigbaar, materie is continu en discontinu, krachten en materie zijn verschillende
aspecten van hetzelfde.
Net zoals de mystici moeten de moderne fysici overstappen op een denkraam waarbij de geest
voortdurend in beweging is en van standpunt verandert. Zo bestaat de oosterse denkwijze uit
een rondcirkelen om het voorwerp van contemplatie. Er wordt een veelzijdig,
multidimensionaal beeld gevormd door het samenvoegen van losse beelden die op
29 Een opvallende overeenkomst met de paradoxale situaties waarmee de fysici in de begintijd van de
atoomfysica te maken hadden ligt hier: net als bij het zen-boeddhisme lag de waarheid verborgen in paradoxen,
die niet met logisch redeneren konden worden opgelost, maar in termen van een nieuw bewustzijn moesten
worden begrepen. Een bewustzijn dat bij de atomaire werkelijkheid paste.
De meester hier was de natuur, die net als de zen-meester, geen uitspraken doet.
43
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
verschillende standpunten zijn ontstaan.30 Of, zoals de fysicus Niels Bohr het formuleerde:
‘Deeltjes en golven zijn twee complementaire beschrijvingen van dezelfde werkelijkheid. Elk
apart is juist maar onvolledig. Beide beelden zijn nodig voor een volledige beschrijving’.31
Het was een lange omweg via de corpusculaire theorieën van Demokritos naar de paradoxale
wereld van de moderne fysica. Zoals de occulte leer ons leert dat alle wezens, alle rijken, één
zijn, zo kan ook de moderne fysica slechts concluderen dat alle verschijnselen uitingsvormen
van één en hetzelfde zijn. Zoals de occulte leer ons onderwijst dat wij ons één dienen te
voelen met alles om ons heen, dat wij één zijn met alles om ons heen, of dit nu een medemens
of een steen is, zo ontdekt de moderne fysica dat wij niet los staan van de ons omringende
werkelijkheid maar onderdeel zijn van het geheel en bestaan bij gratie van de onderlinge
relaties tussen al wat is.
En is niet de ultieme broederschap het diepe besef dat er geen individuen bestaan, maar dat
wij allen onderdeel zijn van eenzelfde geheel. Is het niet de ultieme broederschap als wij gaan
beseffen dat er niet zoiets is als een ego en de anderen, maar dat dat ego en de anderen in feite
één zijn? Het lijkt er op dat het wetenschappelijke zoeken naar unificatie van de
natuurkrachten uiteindelijk met betrekking tot dit basis-besef van Eenheid zal convergeren
met het oosterse pad en terug zal voeren naar de perennial wisdom. Er blijven nog vele, vele
verschillen open op het gebied van benadering en nog meer geschilpunten tussen de
wetenschap en de eeuwige wijsheid. Maar deze eerste aanzet tot convergentie van
denkbeelden geven hoop en zullen ook in wetenschappelijke kringen het besef van de
wijsheid en waarheid in de perennial wisdom uiteindelijk doen herleven.
Max Takkenberg, 7 februari 2004
30
Lama Anagarika Govinda, ‘logic and symbol in the multi-dimensional conception of the universe’, Main
Currents, vol 25, p.60.
31
Interessant detail: Niels Bohr was zich goed bewust van de overeenkomst van complementariteit en de
oosterse gedachtenwereld, uitgedrukt in Yin en Yang. Hij bezocht China en toen hij werd geridderd als blijk van
erkenning voor zijn buitengewone bijdrage aan de wetenschap koos hij als motief voor zijn wapenschild het
chinese T’ai-chi symbool, dat een uitdrukking is voor de complementaire relatie van de twee tegengestelde
archetypen Yin en Yang. Hij voltooide dit met de spreuk:” Contraria sunt complementa” (tegengestelden zijn
complementair).
44
Unificatie en Broederschap vanuit de moderne fysica bezien
Bron voor de lezing 16 maart 2004
Literatuur lijst
Blavatsky, H.P.
Blavatsky, H.P.
Blavatsky, H.P.
Burger, Dionys
Capra, Fritjof
Croon, Dr. J.H.
Escher, M.C.
Hawking, Stephen
Hawking, Stephen
Hinton, C.H.
Hooykaas, Dr. R.
Lama Anagarika Govinda
Lama Anagarika Govinda
Maharishi Mahesh Yogi
Sri Srimad
Storig, H.J.
Suzuki, B.L.
Vledder, van
Weinberg, Steven
Zeller, Eduard
De Geheime Leer I en II
Isis Unveiled I en II
Theosophical Glossary
Sphereland
De Tao van Fysica
Encyclopedie van de Antieke wereld, 2e druk
Grafiek en tekeningen
Het Heelal
Het Universum
Speculations on the fourth dimension
Geschiedenis der natuurwetenschappen, 2e druk
Foundations of Tibetan mysticism
Logic and symbol in the multi-dimensional conception
of the universe
Bhagavad Gita
De Bhagavad-Gita zoals ze is
Geschiedenis van de filosofie 1 en 2, 19e druk
Mahayana Buddhism
Het mysterie van het Zelf - Upanishaden
Bouwstenen van het atoom
Grundriss der Geschichte der Griechischen Philosophie
Diverse Internet-sites
45

Vergelijkbare documenten