Diverse artikelen-vrouwengeschiedenis in

Commentaren

Transcriptie

Diverse artikelen-vrouwengeschiedenis in
3e-diverse-artikelen -vrouwengeschiedenis -in-tijdschriften-door-sieth-delhaas
Portret Rosa Manus, 1881–1943, vrouwengeschiedenis (2015) ........................................ 2
Henriette Roland Holst-Van der Schalk, 1869-1952, vrouwengeschiedenis (2002) ................ 4
Olympe de Gouges, 1748-1793, vrouwengeschiedenis (2002) ........................................ 7
Virginia Woolf, 1882–1941, vrouwengeschiedenis (2002) ............................................. 11
Ting Ling, revolutionair schrijfster in China, 1904-1986, vrouwengeschiedenis (2002) .......... 14
Eleonora van Aquitanië, 1122–1204, vrouwengeschiedenis (2002) .................................. 17
Vrouwen op kruistocht, vrouwengeschiedenis (2001) ................................................. 21
Mary Seacole. Heldin van de Krimoorlog, vrouwengeschiedenis (2001) ............................ 25
Rigoberta Menchu, *1959, vrouwengeschiedenis (2001) .............................................. 29
Aletta Jacobs, vredesactiviste, 1854-1929, vrouwengeschiedenis (2001).......................... 33
Hoeda Sjaarawi, 1879-1947, vrouwengeschiedenis (2000) ........................................... 37
Annie Romein-Verschoor, 1895–1978, vrouwengeschiedenis (2000) ................................ 40
Käthe Kollwitz, 1867-1945, vrouwengeschiedenis (2000) ............................................ 43
Begijnenbeweging, vrouwengeschiedenis (1999) ...................................................... 46
Camille Claudel, 1864–1943, vrouwengeschiedenis (1999) ........................................... 49
Emmeline Pankhurst, 1858–1928, vrouwengeschiedenis (1999) ..................................... 52
Edith Stein, 1891–1942, vrouwengeschiedenis (1999) ................................................. 55
Katharina von Bora: een Reuzin in Rok, vrouwengeschiedenis (1998) .............................. 58
Raden Ayu Kartini, 1879–1904, vrouwengeschiedenis (1998) ........................................ 61
Catharina De Grote, keizerin aller Russen, 1729-1796, vrouwengeschiedenis (1998) ............ 65
Heloïse, de ene helft van een klassiek liefdespaar, vrouwengeschiedenis (1998) ................ 68
Simone De Beauvoir, 1908–1986, vrouwengeschiedenis (1998) ...................................... 71
1
Portret Rosa Manus, 1881–1943,
vrouwengeschiedenis (2015)
Van stemrecht tot ‘Women’s Power’
Sieth Delhaas
WILPF 100 jaar: verhalen van de Nederlandse afdeling (2015)
Rosa was de tweede dochter in een welgesteld, liberaaljoods gezin met zeven kinderen.
Na de lagere school volgde ze de Middelbare School voor
Meisjes in Amsterdam en voor de afronding van haar
opvoeding bezocht zij een Meisjespensionaat in Zwitserland.
Daar leerde zij de talen spreken waar zij haar verdere leven
profijt van had. Ze wilde een modezaak beginnen. Haar
vader, zelf tabaksmakelaar, vond dat geen goed idee. Ze
deed liefdadigheidswerk tot ze gevraagd werd zich in te
zetten voor het internationale vrouwenkiesrecht.
Men ontdekte haar bijzondere organisatietalent toen in 1910
in Amsterdam een congres van de Internationale Wereldbond
voor Vrouwenkiesrecht werd voorbereid.
Daarna kwam haar internationale werk tot bloei. Ze werd
gevraagd als ‘special organizer’ van de congressen van deze
bond en in 1926 werd ze vicepresidente.
Met dr. Aletta Jacobs organiseerde ze in 1915 in Den Haag het Internationaal Congres van
Vrouwen tegen den Oorlog. De daar aanwezige vrouwen uit zowel oorlogvoerende als neutrale
landen werden opgeroepen zich te beraden op middelen om de in 1914 begonnen oorlog te
stoppen. Dit vrouwenvredescongres mondde uit in de oprichting van het International
Committee of Women for Permanent Peace (ICWPP).
Bewust van dreiging
Aletta en Rosa zaten beiden in het bestuur totdat het ICWPP werd omgezet in het Women’s
International League for Peace and Freedom (WILPF) en het secretariaat in 1919 naar Genève
verhuisde.
Rosa werd gevraagd voor andere belangrijke vrouwenorganisaties. Zowel nationaal als
internationaal. Vooral richtte ze zich in de jaren twintig op comités die zich sterk maakten
voor vrede door middel van arbitrage en ontwapening, zoals het International Committee for
Peace and the League of Nations. Vanaf september 1931 was ze secretaresse van het
Disarmament Committee of the Women’s International Organisations.
In 1933 werd ze voorzitter van het Neutraal Vrouwen Comité voor Vluchtelingen dat vooral
vrouwen uit Duitsland hielp weg te komen. Zij werd zich steeds meer bewust van de dreiging
die het nazisme voor joden betekende. In 1934 maakte ze contact met de Nederlandse
2
afdeling van het in dat jaar in Parijs opgerichte Wereld Vrouwen Comité tegen Oorlog en
Fascisme.
In 1936 werd ze gevraagd als ‘organizing secretary’ ter voorbereiding van het congres van het
Rassemblement Universel pour la Paix (RUP) dat in september van dat jaar in Brussel was
gepland. Het werd een grootse bundeling van vijfduizend vredesactivisten vanuit de meest
uiteenlopende achtergronden.
Voorjaar 1941 werd Rosa Manus door de Sicherheitsdienst verhoord en in augustus
aangehouden wegens ‘pacifistische en internationale neigingen’. Kort daarna werd zij
gedeporteerd naar Duitsland en belandde via diverse gevangenissen in het Judenblock van het
vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück. In april 1943 kwam er een eind aan haar leven.
Het omvangrijke vermogen dat haar grootouders aan Rosa nalieten, heeft haar de
mogelijkheden gegeven zich fulltime in te zetten voor de vrouwen- en
vrouwenvredesbeweging.
In 1936 werd zij voor al haar activiteiten geëerd met de onderscheiding van officier in de Orde
van Oranje Nassau.
Daarnaast werd haar naam door de Nederlandse Geheime Dienst bijgeschreven op een lijst van
links-extremistische personen.
3
Henriette Roland Holst-Van der Schalk, 18691952, vrouwengeschiedenis (2002)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, dec. 2002
Aan haar neef, de dichter Roland Holst legt Henriette Roland Holst in 1909 uit:
‘… hoe de menschen die niets anders wilden en zagen dan de kunst om de kunst,
grotendeels uitdroogden of verflensten, terwijl zij die zich in de golven van de
maatschappelijken stortten, grootendeels als kunstenaars versterkt daaruit weer
opdoken.’ Tot die ‘maatschappelijken’ rekent de dichteres zich zelf. Haar poëzie is
juist vanuit die invalshoek te duiden.
Dichterschap en Socialisme
Aan het eind van de negentiende eeuw brokkelt de liberale
gedachte, die die eeuw overheerste, af. Binnen de liberale
richting komen radicale jongeren op die aandacht vragen
voor minderheden. Zij krijgen oog voor onhoudbare
toestanden, veroorzaakt door de industrialisatie. De
gedachten van de filosofen Marx en Engels slaan aan bij
mensen in Nederland die de maatschappelijke
veranderingen niet als vanzelfsprekend opvatten.
Roland Holst is afkomstig uit een gezin waarvan de
inkomstenbron van de vader, zijn notariskantoor, haar
sociale status bepaalt. Haar moeder stamt uit een zeer
welgesteld officiersgeslacht. Henriëtte krijgt de bij haar
stand behorende opvoeding: een internaat, erg ongezellig,
ze leed er veel kou en de stadsjuffers, haar medescholieren,
vonden haar te studieus en niet modieus gekleed. Als kind
begint ze gedichten te schrijven en heeft als jeugdige al
‘een besef van de hoogheid en heiligheid van bepaalde
dingen en van de gave die God haar had geschonken’.
Haar leven na de kostschool tot haar 21e vindt ze gevuld met beuzelarijen. ‘Een meisje moest
thuis blijven hangen tot ze trouwde en mocht af en toe een ‘toetje’ maken.’
Ze komt dan in contact met de schilder Jan Toorop, die haar aanbiedt enkele van haar
gedichten aan Albert Verwey te laten lezen. In 1891 komt ze, nadat ze zijn eerste sonnetten
heeft gelezen, in gesprek met Gorter. Haar dichtkunst, zegt ze zelf, komt vanaf die tijd tot
bloei. Het gebrek aan kennis van klassieke dichters en schrijvers breekt haar op en ze leest
alles wat ze voor het dichterschap nodig denkt te hebben. Via haar echtgenoot, Rik Roland
Holst, komt ze tegen haar dertigste met politiek in aanraking waarvan ze ‘absoluut niets wist
en waarin ze weinig belang stelde’. Ze krijgt oog voor de ‘vernederden en verdrukten’ en hoe
zij moeten leven. De haar omringende wereld gaat ze zien ‘in een helder licht. Het
kapitalisme had de massa veroordeeld tot een leven van vreugdeloos gezwoeg en het had de
4
wereld lelijk gemaakt.’ Vanuit die blik ontstaan haar gedichten. De strijd voor het socialisme
wordt haar ideaal. Op advies van Gorter leest ze ‘Het kapitaal’ van Marx. De kern van het
boek is dat de arbeidersklasse zich moet verzetten tegen uitbuiting en onderdrukking en dan
zal het kapitalisme vanzelf ten onder gaan. De dichteres gaat in de aanloop van de
verkiezingen van 1897 voor de SDAP met de arbeiders de straat op. Ze beleeft de
gemeenschap met deze mensen. Het socialisme is realiteit geworden.
Er volgen zware jaren. Ze is naast Cornelie Huygen de enige vrouw die spreekt op
vergaderingen van haar partij. Haar ster schiet omhoog binnen de SDAP. Ze schrijft voor het
partijblad ‘De nieuwe Tijd’. Binnen haar partij zijn weinig intellectuelen en zij is een van die
weinigen. Het is de tijd dat arbeiders nog geen kiesrecht hebben, dat stakingen strafbaar zijn.
Binnen het internationale socialisme ontmoet ze Lenin, Liebknecht, Kautsky. Al haar
gedichten ademen het socialisme.
Teleurstelling
De Russische Revolutie brengt ontnuchtering en grenzeloze teleurstelling. Tijdens de
voorafgaande jaren heeft ze geleerd: het kapitalisme gaat niet zo snel aan zichzelf ten onder;
de massa’s zijn niet zo gemakkelijk te overtuigen. En nu, vanaf 1918 ontwikkelt de revolutie
in Rusland zich als een dictatuur. Deze revolutie die zich socialistisch noemt, het socialisme
dat zich in Europa ontwikkelt is in flagrante tegenstelling tot wat de dichteres zelf als
socialisme ziet. Haar ideeën heeft ze tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog
opgeschreven in het boekje ‘Een overgang tot het socialisme’. Na die oorlog hoopt zij op een
nieuwe kans voor het socialisme en beschrijft haar visioen:
‘De groei naar het socialisme voltrekt zich niet noodzakelijk als de groei van een dier of een
plant. Groei vereist helder inzicht in de taken en middelen tot verwezenlijking. Vaste wil en
wijsheid, zelfbeheersing en zelfverloochening. (…) Wij zeggen niet als de Russische
Bolsjewieken: wij zijn mest op de velden der toekomt. Mensen zijn nooit mest. Wij willen de
dragers der toekomst zijn, de stenen aandragers tot bouw. Wij zijn akkers, ook in ons
ontkiemt het zaad. (…) Doodt in U zelf d’oude vormen en gedachten. Aan ‘t socialisme
voortaan al uw krachten en gaven gewijd.’
Henriëtte Roland Holst heeft dit zelf gedaan, met hart en hoofd.
Ze verwacht ook van anderen dat ze zich bij
de beweging aansluiten. De arbeiders kunnen
het niet alleen. want een socialisme ‘dat op
de schoonste en verhevenste trekken in de
mens wil steunen, moet zichzelf beschouwen
als een maatschappelijk bouwwerk van God’.
Ze roept onder andere geestelijken,
kunstenaars en psychologen op om aan de
opbouw van het socialisme mee te doen
waarvoor een geschikt milieu moet worden
geschapen. En is die prachtige tijd na de
Tweede Wereldoorlog niet de grote kans die
aangegrepen moet worden? Ze beseft het dan
al: we kunnen niet rekenen op de inzet van de massa’s die in een kapitalistische wereld zijn
5
opgegroeid. Eerst moeten de kinderen van de nieuwe generaties worden opgevoed tot
gemeenschapszin. Het socialisme moet doordrongen zijn van een religieuze geest. De mensen
moet zelfvertrouwen en fierheid worden geleerd. Haar boek bevat een minutieus beschreven
programma hoe de maatschappij zou moeten worden.
Ze bleef het socialisme trouw hoewel zijn aanhangers verre bleven van haar idealisme:
In alle pijn, die door mij heeft gewoeld,
heb ik toch altijd uw geluk gevoeld.
In allen strijd, die verwrong mijn gelaat,
heb ik nooit verloochend, nooit gesmaad.
Nimmer heb ik geklaagd in dezen trant:
‘o, was ik maar gebleve’ in ‘t oude land,
o, had ik socialisme nooit gekend,
dan lag ik nu niet laag, omver-gerend.
Ik ben altijd gebleven trotsch en blij
dat ik leed omdat ge waart ‘t liefste mij.
In een tijd waarin nog weinig vrouwen aan het woord kwamen, in de eerste helft van de 20e
eeuw, voelden veel mannen zich door Henriette Roland Holst aangesproken om haar ‘bijna
mannelijk intellect’. Als dichteres telde ze mee. Huub Oosterhuis zei in 1977 over haar werk:
‘Mijn eerste echte literatuur (…). Dat visioen, dat sentiment, die bewogenheid heb ik herkend
en daar heb ik het ook vandaan.’
Een keuze uit de literatuur





Henriette Roland Holst, ‘Het vuur brandde voort’, autobiografie Garmt Stuiveling, ‘Henr.
Roland Holst – schrijversprentenboek’, Amsterdam 1970
Elsbeth Etty, ‘Liefde is heel het leven niet’
Thea den Hartog, ‘Vrouwenportretten’
Lien Heyting, ‘De wereld in een dorp: schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren
en Blaricum, 1880-1920
L.P. van Praag, ‘Henriette Roland Holst: wezen en werk
6
Olympe de Gouges, 1748-1793,
vrouwengeschiedenis (2002)
schrijfster van de Verklaring van de Rechten van de Vrouw en Burgeres
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, oktober 2002
Artikel 1
De Vrouw is vrij geboren en behoudt dezelfde rechten als
de Man. De sociale verschillen kunnen slechts gebaseerd
zijn op het gemeenschappelijk nut.’
Artikel 10
Niemand mag vervolgd worden wegens zijn/haar mening,
al is die nog zo radikaal. De vrouw heeft het recht het
schavot op te gaan; ze moet eveneens het recht hebben
het spreekgestoelte te beklimmen, mits door haar
optreden de openbare orde, zoals die door de wet is
vastgelegd, niet verstoord wordt.
Olympe de Gouges stond niet alleen in de traditie van
radicale Franse vrouwen en mannen die de maatschappij
aan het eind van de achttiende eeuw wilden vernieuwen,
zij mengde zich ook internationaal in de discussie over mensenrechten. Een zichtbaar bewijs
was het toneelstuk De zwarte slaven (1785). Ze heeft dan al een roerige carrière achter zich.
Ze wordt geboren en groeit op in een slagersgezin. In werkelijkheid is ze de vrucht van een
buitenechtelijke verhouding van de Marquis Le Franc de Pompignan met haar moeder. Na haar
uithuwelijking op haar zestiende aan een slager en kroegbaas is Olympe op haar achttiende al
weduwe. Ze vertrekt vrijwel onmiddellijk met haar eenjarige zoon vanuit haar geboortestreek
de Languedoc in het Zuiden, naar Parijs. Olympe heeft als voordeel dat ze op school bij de
Zusters Ursulinen lezen en schrijven heeft geleerd. Waarschijnlijk krijgt ze via een hoge
bestuursambtenaar, met wie ze een jarenlange relatie heeft, toegang tot de Parijse Salons en
later tot de hoogste kringen van adel, schrijvers en filosofen. Ze staat bekend om haar
geestigheid, haar ironie en haar beheersing van de kunst van het converseren.
Ze heeft een opstandige geest. Deze ontwikkelt zich al vroeg. Ze ziet hoe haar moeder zich
door het leven moet slaan als gevolg van een relatie die de markies als niet meer dan een
jeugdzonde af doet. Bedrogen door de markies, na enkele jaren verlaten door de slager, staat
haar moeder alleen voor eigen onderhoud en dat van haar kinderen. “Het is niet mijn eigen
lot dat mij zo bedroeft, maar de vreselijke situatie waarin mijn moeder verkeert. (…) Wat
kan ik doen om haar de noodzakelijke hulp te geven in haar ouderdom…?, schrijft Olympe
haar rijke biologische vader als het onrecht haar te erg wordt.
Schrijfster
7
Olympe heeft, als ze aankomt in Parijs, een ernstig
taalprobleem. Ze beheerst het Occitaans dat in de
Languedoc wordt gesproken goed, maar dit is elders in
Frankrijk praktisch onverstaanbaar. Met een ijzeren wil
overwint ze deze barrière voor spreken en schrijven en
op haar dertigste durft ze zichzelf schrijfster te noemen.
Buiten de kringen waarin ze verkeert, worden vrouwen
die de Parijse Salons bezoeken door pers en publiek niet
gewaardeerd. Haar vader, zelf letterkundige, die ze
omwille van haar moeder blijft attaqueren, reageert op
haar succes: ‘Zolang ze (vrouwen, s.d.) het gezonde
verstand niet bezitten, zijn ze aanbiddelijk. Onze
geleerde vrouwen van Molière zijn toonbeelden van
belachelijkheid. (…) vrouwen kunnen schrijven maar voor
het geluk van de wereld is het hun verboden pretenties
te hebben.’ In haar tijd is De Gouges een bekende
auteur. In Franse bibliotheken zijn 315 titels van haar
hand bewaard gebleven, maar ook in steden als Leipzig, Londen, New York en Chicago zijn ze
te vinden. Desondanks raakte haar werk na haar dood snel in vergetelheid. Vrouwen werd
immers het recht van spreken in de openbaarheid, ondanks de voorrechten die de Revolutie
zou brengen, ontzegd. Tijdens de ‘Eerste’ feministische golf aan het eind van de 19e eeuw,
gebruikten sommige vrouwen De Gouges’ werk. Dankzij de inspanningen van de rechtsfilosofe
Hannelore Schröder rond de herdenking van 200 jaar Franse Revolutie in 1989 is het
belangrijkste geschrift van De Gouges in feministische kringen in ons land bekend geworden.
Revolutie
De Franse Revolutie begon in 1789 en duurde tot 1799. Vanaf het begin stort Olympe de
Gouges zich in de strijd en schrijft voortdurend over politiek. In die revolutie moet een geheel
nieuwe visie op de inrichting van de samenleving worden gevormd. Olympe zorgt er voor dat
de mening van hen die in de Parijse Salons al met de toekomst van Frankrijk bezig waren,
bekend worden. Ze bestookt de Nationale Vergadering, het nieuwe machtsorgaan, waar
burgers het voor het eerst ook voor het zeggen hebben met brieven, ideeën en voorbeelden
van misstanden. Ze zorgt dat de Parijzenaars haar werk kunnen lezen door haar geschriften
aan te (laten) plakken in de stad. Maar al snel ontdekt ze: burgers zijn mannen en burgeressen
moeten, evenals voor de Revolutie, vooral hun mond houden. Het optreden van vrouwen
wordt gewaardeerd zolang het de belangen van de heren dient.
Een voorbeeld daarvan is het broodoproer, drie maanden na het uitbreken van de Revolutie.
Op 6 oktober stormen zesduizend vrouwen de tuinen van het paleis in Versailles binnen.
Marktvrouwen, handwerksters en winkeliersters. Van politieke rechten hebben ze geen
verstand. Ze eisen brood. Deze vrouwenopstand speelden de revolutionairen in de kaart. Maar
politieke ideeën van vrouwen werden als een bedreiging van de Revolutie beschouwd. Hoewel
de mening van De Gouges en haar medestandsters door de filosoof Condorcet in de
wetgevende vergadering werd ondersteund, bezorgde de zo beroemd geworden Franse
Revolutie vrouwen niet meer rechten. De reacties op de publicaties van De Gouges laten, zien
hoe ernstig het verzet in Frankrijk tegen vrouwenrechten was.
8
De guillotine
Het is nog steeds onbegrijpelijk dat in onze tijd wordt
gesproken over de Tweede Feministische Golf. Daarmee
wordt onrecht gedaan aan de voorvechtsters tijdens de
Franse Revolutie in o.a. Frankrijk, Engeland
(Wollstonecraft) en Nederland (Etta Palm d’Aelders).
Toen, tijdens de Franse Revolutie, ontstond de Eerste
Feministische Golf. In onze tijd zou, om deze vrouwen
recht te doen, gesproken moeten worden van de Derde
Feministische Golf.
In 1786 begint De Gouges te hameren op de ongelijke
rechten tussen mannen en vrouwen. Zelfs de meest
domme en platvloerse mannen, vindt ze, kunnen eerder
fortuin maken dan de meest deugdzame vrouw. De Franse
Revolutie ziet alle burgers wel als gelijken, maar, zegt De
Gouges, zolang vrouwen geen burgerlijke en politieke
rechten hebben is gelijkheid een farce.
In het derde jaar van de Revolutie wordt het haar
duidelijk dat er in de nieuwe grondwet geen sprake is van gelijkheid tussen mannen en
vrouwen. Dan schrijft ze haar eigen ‘Verklaring’ waarin zeventien artikelen zijn opgenomen
die spreken over wat zij ziet als een rechtvaardige plaats voor de vrouw en burgeres in de
samenleving; met haar rechten èn plichten. In 1792 is ze betrokken bij een optocht door de
Parijse straten met het doel ‘de openbare mening te doen wennen aan de idee vrouwen te
beschouwen als sociaal lichaam’.
Intussen gaat de Revolutie, die Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap op het oog had, over in
een dictatuur. Ze weet dat de terreur die daarmee gepaard gaat haar niet zal ontzien. Ze
schrijft haar Testament politique, dat eindigt met de dramatische woorden: ‘Mijn hart laat ik
na aan het vaderland, mijn rechtschapenheid aan de mannen, mijn ziel aan de vrouwen, mijn
creativiteit aan de toneelschrijvers, mijn belangeloosheid aan de eerzuchtigen, mijn filosofie
aan de achtervolgden, mijn geest aan de fanatici, mijn geloof aan de ongelovigen…’.
In de zomer van 1793 wordt ze gearresteerd
naar aanleiding van haar affiche Les trois Urnes.
Daarin kritiseert ze het republikeinse bewind en
ze stelt een volksstemming voor. Dat is haar
idee over democratie. In de gevangenis gaat ze
door met brieven en affiches schrijven. Er komt
geen enkele reactie. Hulp komt er evenmin.
Door de slechte omstandigheden in de
gevangenis wordt ze ziek. Ze verzwakt snel. Als
in september de ‘wet op de verdachten’ in
werking treedt, komen er steeds meer vrouwen
in de gevangenis. Op 28 oktober wordt ze overgeplaatst naar de ‘antichambre de la mort’.
Tijdens haar proces op 2 november wordt ze beschuldigd van een ‘aanslag op de
soevereiniteit’ en veroordeeld tot de guillotine. Het vonnis wordt voltrokken nadat ze die
nacht een uitvoerige brief heeft geschreven aan haar zoon die in het Rijnleger vecht.
9
Vrouwen van nu
Het uitgebreide commentaar dat dr. Hannelore Schröder bij
de ‘Verklaring’ heeft geschreven is het waard om
bestudeerd te worden door vrouwen en vrouwenorganisaties
van nu. Veel van wat De Gouges voor vrouwen verlangde is
nog steeds niet tot stand gebracht. Vrouwen zijn zich
daarvan maar weinig bewust. Haar boekje over Olympe de
Gouges en haar werk is nog maar in een kleine kring bekend.
Literatuur



Olympe de Gouges, ‘Verklaring van de Rechten van de
Vrouw en Burgeres’, ingeleid en van commentaar
voorzien door Hannelore Schröder (Kampen 1989)
Hannelore Schröder (red), ‘Intellect kent geen sexe,
grote vrouwen van de twintigste eeuw’, Kok/Agora 1988
Duby & Peraud, red. Thébaud, Geschiedenis van de
Vrouw in de 20e eeuw (Amsterdam 1993)
Een greep uit het werk van Olympe de Gouges uit geselecteerde geschriften volgens de
Catalogue général des livres imprimés de la Bibliothèque Nationale:
Toneelstukken



Le Couvent, ou les Voeux forcés, drame en 3 actes, Paris 1790
L’Esclaves des noirs, ou l’Heureux naufrage, drame en 3 actes en prose, Paris 1789
Le Philosophe corrigé, ou le Cocu supposé, comédie en 5 actes (zonder jaar)
Politieke Geschriften



Action héroique d’un Francoise, ou la France sauvée par les femmes, Paris (z.j.)
Adresse au Don Quichotte du Nord, Paris 1792
Adresse aux réprésentants de la nation, Mémoire pour Mme de Gouges contre la Comédiefrancaise, Paris (1792)
zie: www.fembio.org/biographie.php/frau/biographie/hannelore-schroeder/
10
Virginia Woolf, 1882–1941,
vrouwengeschiedenis (2002)
Schrijfster van een ‘heilige tekst’ voor de feministische vrouwenbeweging
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, juli 2002
De term ‘heilige tekst’ is afkomstig van Woolf’s
biograaf John Lehman, tijdgenoot, dichter en
medewerker in de uitgeverij van het echtpaar Woolf.
Hij kenschetst haar als een van de ‘meest briljante
persoonlijkheden in de kunstenaarswereld’ van de
twintigste eeuw. Virginia zou zich in deze woorden niet
thuis gevoeld hebben. In haar Schrijversdagboek,
samengesteld door haar echtgenoot Leonard Woolf,
laat zij zichzelf zien als een schrijfster die elke dag
opnieuw worstelt met haar woorden, haar personages
en haar twijfels over zichzelf als schrijfster. Haar
echtgenoot waarschuwt in het voorwoord van het
dagboek, een uittreksel uit 26 banden: ‘Een dagboek
geeft een eenzijdig beeld van de schrijver, omdat men
geneigd is één bepaalde stemming vast te leggen –
bijvoorbeeld ergernis of neerslachtigheid – en het
dagboek niet te voorschijn te halen als men zich
tegenovergesteld voelt.’ Inderdaad herkent men de schrijfster van de ‘heilige tekst’,
waarmee Een kamer voor jezelf wordt bedoeld, nauwelijks in haar dagboeken.
zaterdag 18 februari 1922
Ik begin in te zien dat ik als schrijfster alleen nog belang heb bij een soort
buitenissige eigenzinnigheid; niet bij kracht of hartstocht of bij iets baanbrekends,
maar dan bedenk ik dat buitenissige eigenzinnigheid’ in wezen een eigenschap is die ik
hoog aansla. (…) Mensen die met die eigenschap begiftigd zijn blijven doorklinken lang
nadat de klankrijke, vurige muziek aftands is geworden.’
Twistgeschrift
Woolf begon in 1915 te schrijven. In Engeland werd ze als een feministisch schrijver herkend.
Haar feminisme was verbonden met de eerste feministische golf aan het eind van de 19e
eeuw. Ze shockeerde de wereld met haar onafhankelijk optreden als lid van de ‘Bloomsbury
Group’ in de ‘roaring twenties’. Dat gold ook voor haar literaire werk. Later was het in
Engeland gedurende de jaren vijftig en zestig moeilijk om haar boeken te pakken te krijgen,
evenmin was ze gemakkelijk te vinden in syllabussen over literatuur. In Nederland kreeg Woolf
pas in het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw bekendheid. De
vrouwenbeweging herkende haar werk en langzamerhand werd het voor een breder publiek
toegankelijk. De feministische literatuurwetenschap heeft daaraan een belangrijke bijdrage
geleverd.
11
Met A room for one’s own is in ons land Woolf’s faam begonnen. Het is de samenvatting van
twee lezingen die ze in 1928 hield op onder andere de universiteit van Cambridge. Het is
uitgegeven als een ‘twistgeschrift’ over de lage status van de vrouw in de Europese beschaving
vanaf het allereerste begin. Ze geeft erin toe dat vooroordelen tegen de vrouw in haar tijd
wat verminderen. Een bewijs daarvan ziet ze in haar eigen optreden in Cambridge. Woolf
voorspelt dat vrouwen nog een lange weg te gaan hebben. Dit wordt veroorzaakt doordat
mannen de vrouw nog steeds als inferieur zien. De kern van dit boek is dat een vrouw eigen
geld en een eigen kamer nodig heeft om te kunnen schrijven. Vooral deze visie sloot aan bij
één van de belangrijkste thema’s van de tweede feministische golf in Nederland: economische
zelfstandigheid. Geleidelijk aan zijn er ook Nederlandse vertalingen gekomen van Woolf’s
romans. Haar biografie is eveneens in het Nederlands vertaald. Om Woolf’s intenties met haar
romans te kunnen begrijpen, is het belangrijk om het Schrijversdagboek te lezen. De
tegenstelling tussen het amusante en heldere van het twistgeschrift en de worstelingen en
twijfels in haar dagboeken is soms verbijsterend.
Wezenlijke momenten
Ik kan er niet onderuit om, als ik over haar schrijf, mijn eigen
smaak zichtbaar te laten worden. Deze kan volkomen in
tegenstelling zijn met die van andere lezeressen. Woolf is
voor mij een fascinatie. Ik herken veel in de dagboeken, kan
er ook veel van leren voor mijn eigen vakkundigheid. Maar
nog meer heeft mijn fascinatie te maken met Woolf’s gave
om de niet zichtbare werkelijkheid weer te geven. Een
werkelijkheid die ieder voor zich beleeft in haar denken en
gevoel, maar die niet in woorden is weer te geven. Voor mij
kan Virginia dit wel. Ze maakt in haar schrijven de
werkelijkheid onder de werkelijkheid zichtbaar.
In haar romans probeert ze haar visie op het leven weer te
geven. Niet door een filosofie op te bouwen. Ze doet het
intuïtief, zoekend naar de wortels van veronderstellingen.
Dat heeft niet alleen haar memoires Wezenlijke momenten,
maar ook haar romans steeds meer structuur gegeven. Een
van die veronderstellingen is dat het individu in haar
dagelijks leven afgesloten is van de werkelijkheid, maar op zeldzame momenten een schok
ervaart. Die schokken, of, zoals zij ze noemt, wezenlijke momenten, zijn niet zoals ze zich als
kind had voorgesteld, willekeurige manifestaties van een kwaadaardige kracht. Zo’n moment
is ‘een teken van iets wezenlijks achter de uiterlijke verschijningsvormen’. Het is een idee
van een verheven moment waarop een geestelijk allesoverheersende waarheid, van
persoonlijke of kosmische dimensie, in een flits van intuïtie wordt waargenomen. Wat Woolf
hier vertelt is niet nieuw. Het is iets wat herkenbaar is uit verhalen van religieuze of mystieke
ervaringen. Woolf echter plaatst haar ervaring in een unieke persoonlijke context. Ze laat zien
hoe het als vanzelf voortvloeit uit haar eigen intense en hoogst individuele gevoeligheid en
ontvankelijkheid.
12
Gevoelige antenne
Hoewel Virginia Woolf in mijn tijd niet voor kwam op de boekenlijst van mijn protestantse
middelbare school, ervaar ik haar teksten als uitermate
religieus. Juist door die eigen intense en individuele
ontvankelijkheid en gevoeligheid. Waarvoor was ze
ontvankelijk? Voor alle misstanden die ze om zich heen ziet?
De eerste wereldoorlog en de gaten die deze sloeg in families
en samenleving door het sneuvelen van zo vele jonge
mannen? De kleinzieligheid van mensen? De Spaanse
burgeroorlog? De naderende en uitgebroken Tweede
Wereldoorlog? De bombardementen op Londen? Het in
vlammen opgaan van hun gebombardeerde huis op
Mecklenburgh Square? Woolf heeft haar gevoelige antenne uit
gehad. Ik kan niet zeggen: ze heeft haar antenne uit gezét.
Ze leefde gevoelig. Daarom moest ze zich herhaaldelijk
terugtrekken, zich beveiligen tegen het leven. Leven was
voor haar alleen op deze manier mogelijk.
Totdat ze het moest opgeven. Begin 1941 kon ze aan de
stemmen in haar hoofd niet langer weerstand bieden. Ze schreef afscheidsbrieven aan
Leonard en haar zusje Vanessa. Ze vulde haar zakken met stenen en verdronk zich in de rivier.
Virginia Woolf heeft vijftien romans geschreven, vele essays en verhalen. Naast haar dagboek
zijn haar memoires uitgegeven en een groot aantal van haar brieven. Een opsomming daarvan
is te vinden in het Schrijversdagboek.
Literatuur




John Lehmann, ‘Virginia Woolf’, kwadraat monografie (Utrecht 1991) (achter in dit boek is
een uitvoerige tijdtafel over haar leven opgenomen)
Winifred Holtby ‘Virginia Woolf. A critical memoir’ (Chicago 1978)
Hannelore Schröder, ‘Intellect kent geen sekse. Virginia Woolf’ (Kampen 1988)
Virginia Woolf, ‘Schrijversdagboek’ (Amsterdam 1999)
Uit haar leven
Geboren 1982, als derde kind van Leslie Stephen en Julia Duckworth op Hyde Park Gate,
Londen; moeder overlijdt 1895, eerste inzinking van V.; 1904 vader overlijdt, tweede
inzinking V., publicatie eerste anonieme recensie in de Guardian; 1904 begin ontmoetingen
van Bloomsbury Group; 1912 huwelijk met Leonard Woolf; 1913-1915 diverse geestelijke
inzinkingen; vanaf 1915 verschijning van haar boeken en enkele toneelstukken; 1917 Leonard
en Virginia beginnen eigen uitgeverij; maart 1941 overlijden Virginia.
13
Ting Ling, revolutionair schrijfster in China,
1904-1986, vrouwengeschiedenis (2002)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, juli/aug. 2002
Halverwege de jaren negentig ontstond in Nederland
grote belangstelling voor Chinese schrijfsters. Dit was
onder andere te danken aan het boek Wilde Zwanen
van Jung Chang en de voorbereidingen die vele
Nederlandse vrouwen maakten om naar de Vierde
Wereldvrouwenconferentie in Peking te gaan. Chinese
schrijfsters konden bogen op een eeuwenlange
traditie. De bekendste onder hen was Ting Ling. Tot
haar vijfentwintigste is deze Chinese te typeren als
een rijkelui’s kind van lage adel wat betreft haar
studiemogelijkheden en vrijheden die ze zich
permitteert. Daarna is ze een eigenzinnige draagster
van de revolutie in China. Op haar achtste verandert
China van een 3.912 jaar durend Keizerrijk in een
Republiek en nog eens zesendertig jaar daarna in een
Volksrepubliek. Haar hele leven en schrijven staan in
het teken van die grote veranderingen. Ze was
favoriet bij de Chinese jeugd, werd gelezen in Japan, werd vertaald in het Engels, Russisch en
Frans. In de jaren vijftig krijgt ze de Stalinprijs voor haar boek De zon schijnt op de Sang Kan
rivier. Ting Ling was haar pseudoniem. Haar ware naam was Chiang Wei-wên. Ze volgde de
Hunan Provinciale Meisjes Normaal School en studeerde aan de Universiteit van Shanghai.
In tegenstelling tot de Rode Revolutie in Rusland in 1917 kwam de Chinese Revolutie in China
in 1912 niet voort uit armoede. De productie en distributie van het land functioneerde
uitstekend.. De oudste wereldgodsdienst, het Confucianisme en de keizers van China hielden
samen millennia-oude gebruiken in stand. De veranderingen die inzetten aan het eind van de
19e eeuw werden veroorzaakt door onderwijsactiviteiten van allerlei katholieke missies en de
zelfstandigheidsbewegingen vanuit China zelf. Japan veranderde wel. Dat zagen Chinese
intellectuelen als een dreiging. Dan komt er een tijd van krijgsheren, die een rijk en goed
georganiseerd land in chaos en armoe brengen. In 1948 is er dan de armoede die de
Volksrepubliek van Mao baart.
Kinderjaren
Hoe zag Ting er uit? Tijdgenoten zeggen over haar: ‘Ze had grote ogen en keek wat droevig,
als iemand van grote nobelheid. Een klein, plomp meisje uit Hunan. Meer aardig om te zien
dan mooi, maar haar levendigheid maakte dat tekort aan lichamelijke schoonheid meer dan
goed.’ Over haar persoonlijke leven is veel bekend omdat Shên Ts’ung-wên veel over haar
schreef. Deze man vormde samen met Ling en haar echtgenoot Hu Yeh-p’in een trio. Ling’s
vader studeerde in Japan economie en diplomatie. Hij overleed toen Ling 10 was. Haar
14
moeder, toen 31 jaar, verhuisde met Ling en een jonger broertje naar Chang-te in Hunan. Het
eerste jaar zorgde ze voor haar kinderen, het jaar daarop haalde ze twee diploma’s en begon
een basisschool voor meisjes in de stad en een voor jongens op het platteland. Het geld
verwierf ze bij rijke handelaren. Ling karakteriseert haar in een van haar verhalen als moedig,
onvermoeibaar, spiritueel en heldhaftig.
Ling leert veel van de verhalen van haar moeder, maar later zonderde ze zich af en wilde
alleen zijn, wandelen en lezen. Op haar veertiende had ze bijna alle verhalen uit de
bibliotheek van haar oom gelezen; de meeste beroemd zoals de Collection of Stories en
buitenlandse klassiekers. In die tijd verspreidde de Vierde Mei-Studentenbeweging zich over
het hele land. Over de periode tussen haar tiende en veertiende schrijft ze: ‘Ik ging slechts
eenmaal met mijn familie op wintervakantie. Op school was ik de jongste en leefde op het
achtererf van mijn oom. Ik had alleen mijn amah en meid die mij gezelschap hielden. ‘s
Avonds keek ik naar de kraaien of telde de sterren. Voor het donker bracht ik de tijd door
met lezen. Mijn moeder vond dat toen niet leuk omdat ik bijna niets anders deed.’
Rebellie
Ze werd lid van één van de radicaalste studentenbewegingen. Slogans waren: zelfbewustzijn,
zelfbeslissingsrecht, onafhankelijkheid, samenwerking, vrijheid en gelijkheid. Ling vertrok
met drie meisjes naar de Middelbare Jongensschool in Changsha, waar co-educatie werd
ingevoerd. De families van de meisjes verzetten zich, maar de meiden trokken zich er niets
van aan. Ling werd geboeid door opwindende propaganda uit Shanghai en met een derdeklastussendeks kaartje zeilde ze met haar vrienden naar Shanghai. Ze wilde naar de universiteit
maar werd te jong bevonden. Twee jaar volgde ze onderwijs aan de door liberale leiders
gestichte People’s Gouvernment School. Met vriendin Wang vertrok ze naar Nanking en
verkeerde in kringen waar moderne literatuur centraal stond. De vriendinnen knipten hun haar
kort als de Engelse suffragettes, droegen eenvoudige kleding en namen de ongecompliceerde
leefwijze van mannen over. De families van de meisjes trokken hun uitkeringen in. Terug naar
Shanghai en de familietoelage. Wang overlijdt aan tuberculose en in Sophie’s dagboek
beschrijft ze enerzijds haar vriendin als rebel tegen de heersende conventies van de feodale
tijd, anderzijds toont Ling haar eigen radicaliteit zoals ze er op uit is om tot het uiterste te
leven. Dit boek wordt gezien als een uiting dat Ling zich tot elke prijs wil losmaken uit het
oude systeem van China.
Doelloosheid
Twintig jaar oud vertrekt ze voor studie naar Peking. Ze ontmoet er de zeevaartstudent Hu
Yeh p’in met wie ze snel trouwt. Dan is ze voor een korte tijd een gewoon meisje, zoals Shên
schrijft. ‘Nu, met een man aan je zij, ben je een gewoon meisje’. Ze leven in armoede, maar
zijn gelukkig. Uit haar boek In the Dark dat ze in die jaren schrijft, blijkt duidelijk dat ze het
leven smakeloos vindt en dat woorden dood en betekenisloos zijn geworden. De hoofdpersoon
tekent ze als iemand die niet de moed heeft de ware toestand van de samenleving onder ogen
te zien. Hu is jaloers om het succes van Ling. Ze trekken van de ene stad naar de ander in de
hoop daarmee hun huwelijk te redden. En Shên is er bijna altijd bij. Als haar man een aanbod
krijgt redacteur te worden van The Central Daily, beginnen ze een uitgeverij. In 1930 wordt
er een zoon geboren, waarover nauwelijks iets bekend is.
15
In haar artikel The Life of my Writings vertelt ze over haar teleurstellingen. ‘Ik was een jong
mens die altijd een mooie droom met zich droeg; ik liep op een weg zonder eind. Ik kan niet
zeggen dat ik wanhopig was, maar ik was moedeloos.’ In 1931 wordt haar man met andere
linkse schrijvers door de Kwomintang geëxecuteerd. Deze gebeurtenis verandert haar leven.
Ze wordt redacteur van een tijdschrift van linkse schrijvers. Ze belandt ruim drie jaar in de
gevangenis. Weer thuis pakt ze de revolutionaire arbeid van haar echtgenoot op. Haar
moedeloosheid is voorbij, ze gaat zelf werken aan de verwezenlijking van haar droom. In 1936
voegt ze zich bij de Communistische Partij in Pao-an. Mao-Zedong komt zelf naar buiten om
haar als bekend schrijfster te begroeten. Vanaf die tijd werkt ze voor de Revolutie om de
massa te doen ontwaken en deze te doordringen van de noodzaak van onmiddellijke
mobilisatie om China te bevrijden van de Japanse bezetters. Ze vormt een Front Linie
Theatergroep en probeert het volk met ballades, liederen en spel in beweging te krijgen. Een
schrijver heeft volgens haar in die tijd als enige taak het land te redden. Ze spaart de
communistische leiders echter haar kritiek niet en
beïnvloedt Mao zodanig dat hij in zijn beruchte toespraak
van 1942 verordent dat literatuur vanaf dat moment in
dienst behoort te staan van de Partij en haar
doelstellingen. In 1949, als de Volksrepubliek een feit is,
spreekt ze haar eerste grote rede uit waarin haar
toewijding aan het volk te herkennen is: ‘Als je voor het
volk wilt werken, moet je zorgvuldig hun problemen
onder ogen zien. (…) Ons schrijven behoort niet onszelf
toe, maar het behoort aan het volk…’ Ting Ling wordt
gezien als de auteur van de eerste socialistischrealistische roman in China. Die gaat over de
landhervormingen in een bergdorp en dient als voorbeeld
voor vele schrijvers. Schrijvers, vindt ze, moeten onder
het volk gaan leven om hun problemen te leren kennen.
Ze blijft kritisch. Daardoor wordt ze een van de
opvallendste slachtoffers van de campagnes van Mao. Pas
in 1979 wordt Ting Ling gerehabiliteerd.
Literatuur



‘Chinese schrijfsters’, China Nu, uitgave Vriendschapskring Nederland China, 19e jaarg. nr.
2/94
Arthur Cotterell, ‘China, de cultuurgeschiedenis, voor, tijdens en na het keizerrijk’ (Baarn
1991)
Ding Ling, ‘Het dagboek van Sophie’, uitgever onbekend.
(De naam van Ting Ling wordt ook weergegeven als Ding Ling o.a. in het proefschrift van
Colena Michael Anderson van de Claremont Graduate School (1954), in fotokopie aanwezig
in de Universiteitsbibliotheek in Leiden waaraan een groot deel van haar levensverhaal is
ontleend.
16
Eleonora van Aquitanië, 1122–1204,
vrouwengeschiedenis (2002)
Koningin van de troubadours: een wereldvrouw
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, december 2001
Het leven van Eleonora van Aquitanië heeft veel raakvlakken met stukjes geschiedenis die zich
op heel verschillende plaatsen afspelen. Geografisch gezien van Land’s End aan de Engelse
kust tot Jeruzalem in Palestina. Zij leeft in de breedte van haar tijd; ze leeft voort door de
eeuwen. Ze zal voortleven omdat haar naam onverbrekelijk verbonden is met de literatuur,
met de dichtkunst, de muziek van de troubadours en de troubaritz en met ridderromans.
Eleonora fungeert als schaakstuk in een politiek krachtenveld. Zij is vijftien jaar vorstin van
Frankrijk en tweeënvijftig jaar van Engeland. Achtereenvolgens. Hoe kan dat?
In 1137, op haar vijftiende trouwt ze met Lodewijk de VII van
Frankrijk. Koning zijn betekent in die tijd het voortdurend
bezig zijn met het verknopen van een netwerk van leenheren
en leengoederen met behulp van het uithuwelijken van
erfdochters. Door middel van die dochters verwisselde het
land van eigenaar. Elke leenheer moet toestemming aan de
koning vragen of hij een bepaalde vrouw mag trouwen. De
verbinding moet overeenstemmen met de plannen van de
koning. Het is een macht van verdeel en heers. Achter die
koning staan de prelaten van de kerk, die bepalen wat de
koning heeft te doen. Danst hij niet naar hun pijpen dan kost
het hem zijn koningschap, zijn leven, de vrede, de economie.
Het volk is er voor de belasting en als voetvolk voor de
strijdkrachten.
De koning is waanzinnig verliefd op zijn schatrijke vrouw die
in haar huwelijk het grote gebied Aquitanië meebrengt.
Bovendien is ze gravin van Poitiers en hertogin van Gascogne. Haar macht rijkt tot aan de
Pyreneeën. Andere machtige baronnen zijn haar vazallen. Ze stamt dus uit een familie die in
status en aanzien niet onderdoet voor het Franse koningshuis. Bovendien was Eleonora’s
grootvader de beroemde Willem de IX van Aquitanië, de eerste in de literatuurgeschiedenis
genoemde troubadour. In deze liedkunst, waarin het vooral gaat over de liefde tussen de
vazal en de vorstin, een platonische liefde, is Eleonora zeer goed thuis. Ze heeft aan het hof
van haar vader een goede opleiding gehad.
De koning, Lodewijk de VII, heeft een klassieke opleiding gehad in St. Denis. Hij leeft als een
monnik tot hij met Eleonora trouwt. Hij groeit uit tot een zelfbewuste en vastbesloten
jongeman aan de zijde van zijn vrouw. Door haar totaal andere achtergrond en haar
zelfbewustheid als machtige erfprinses, komt de koning in conflict met de kerkelijke
autoriteiten. Zijn land wordt zelfs door de paus in de ban gedaan. Lodewijk raakt in de
problemen door zijn strijd om de stad Poitiers. Door bemiddeling van abt Suger, met wie
Lodewijk vroeger een sterke band had, worden de gevolgen van zijn gedrag hersteld. Eleonora
17
is woedend over het ingrijpen van de abt. Meer en meer gaat de koningin haar eigen gang. Zij
houdt zich bezig met kunst en feesten rondom de troubadours en troubaritz1 die zij aan het
Parijse hof heeft geïntroduceerd. Lodewijk voelt zich in deze sfeer niet thuis.
Intussen is de positie van de koningin verzwakt.
Na zeven jaar huwelijk heeft Eleonora nog geen kind.
Na een gesprek met Bernard van Clairvaux die haar
maant haar gedrag te veranderen, is er na een jaar
een dochter, niet lang daarna volgt een tweede. Maar
een zoon, de gewenste troonopvolger, komt niet.
Tijdens de pelgrimage van het vorstenpaar naar het
Heilige Land loopt de verhouding spaak. Lodewijk ziet
de pelgrimstocht als boetedoening voor zijn gedrag
tegenover Poitier. Hij wil Edessa terugveroveren voor
de Christenheid. Eleonora vindt de ontvangst aan het
weelderige hof in Constantinopel belangrijker.
Maanden later zijn er de feesten aan het hof van haar
jeugdige neef, de koning van Antiochië. De jaloezie
van Lodewijk groeit en tenslotte zeilen de echtgenoten
op verschillende schepen terug naar hun land.
De audiëntie onderweg bij de paus lijkt succes te
hebben. De koning maakt zijn gade wel duidelijk dat hij voortaan alleen zal regeren. Zij wordt
uit de kroonraad gezet. Tijdens een lange tocht door het voormalige gebied van Eleonora lijkt
het beter te gaan. Dan sterft abt Suger en daarmee de laatste verbinding tussen de koning en
zijn vrouw. Het huwelijk wordt tijdens een speciaal daarvoor bijeengeroepen concilie
ontbonden. Eleonora reist terug naar het gebied dat na de scheiding haar weer toebebehoort.
Twee maanden na haar scheiding
In 1152, twee maanden na haar scheiding, trouwt Eleonora de dertien jaar jongere Henry van
Normandië, zoon van de erfdochter van de koning van Engeland. Een van de fouten van
Eleonora is dat zij Lodewijk, de koning die de huwelijken van zijn vazallen regelt, geen
toestemming vraagt. Hij ontbiedt het paar naar zijn hof, maar zij blijven thuis. Henry, haar
nieuwe echtgenoot, ook rijk, 19 jaar, is verliefd op zijn vrouw. En wie de verhalen leest, weet
dat zij met haar 34 jaar nog steeds een stralende schoonheid is en geïnspireerd blijft door de
kunst. Zij zijn aan elkaar gewaagd. Hij voert zijn strijd om het grondgebied voor beiden te
behouden. Zij zet haar leven voort dat in het teken staat van haar kinderen, haar bezittingen
en haar kunst.
We horen Eleonora aan het woord in de hernieuwing van de privileges van het klooster van
Saint Maixent, dat tot haar gebied behoort:
1
troubaritz is een vrouwelijke troubadour. Onder vrouwen ontwikkelde zich een heel eigen traditie van liederen.
Een voorbeeld daarvan is het werk van Marie de France. Op dit moment zijn er verschillende CD’s te koop met
werk van troubaritz. b.v.: The sweet look and the loving manner’, Troibaritz love lyrics and chansons de femme
from mediëval France, Hyperion records limited, Synfony, London 1992
18
‘Ik, Eleonora, door Gods genade hertogin van Aquitanië en van Normandië, verenigd
met hertog Henry, Hertog van Normandië, graaf van Anjou (…). Toen ik naast de
koning van Frankrijk koningin was, heeft de koning de abdij, het woud van La Sèvre
geschonken, en ook ik heb dat woud geschonken; toen ben ik door het oordeel van de
kerk van de koning gescheiden en heb van mij uit de schenking ongedaan gemaakt.
Maar naar de raad van wijze mannen en op verzoek van abt Pierre heb ik de schenking,
die ik vroeger niet zo graag heb gedaan, nu uit vrije wil, vernieuwd, nadat ik met
Henry, graaf van Anjou etc. verbonden ben.’
Haar biografe Régine Pernoud zegt over dit citaat dat daarin voor het eerst iets van ontroering
is te zien bij de hertogin; zij vermoedt dat in haar relatie met Henry voor het eerst haar
gevoelens zijn gewekt. Zij heeft moeten overleven in een keiharde ridderwereld die feitelijk
in flagrante tegenstelling staat tot de lieflijke taal van de troubadoursliederen en de
romantiek van de ridderromans.
Hier volgt de tekst van een troubadourslied dat op de liefde van de koningin is geschreven:
‘Bij het begin van de lichte voorjaarstijd – heeia/om weer vreugde te vinden/ en de
jaloersen te ergeren,/wil de koningin ons laten zien/dat ze zo verliefd is./Weg met
jullie, jaloersen./Laat ons dansen, en helemaal onder ons zijn.’
Enkele jaren daarna worden Henry en Eleonora gekroond tot koning en koningin van Engeland.
In dat huwelijk baart Eleonora nog zeven kinderen, van wie drie jongens. Een van haar zoons
is Richard Leeuwenhart, een ‘Jan zonder Land’.
Tragiek
Het tragische voor Lodewijk VII is dat hij geen
zoons krijgt, wel dochters. Jammer is ook dat
het Engelse paar probeert de Franse troon in
handen te krijgen. Er volgt veel familie gekonkel
met meisjes die al in de wieg worden
uitgehuwelijkt om een troon te bemachtigen.
Eleonora onderhoudt veel contacten,
inspectietochten langs haar bezittingen en
spreekt recht onderweg in de conflicten van
haar vazallen. Ze steekt dus regelmatig het
Kanaal over.
Door de komst van Eleonora naar Engeland
ontstaan er en heel andere gebruiken. De
waskaarsen, die stinken en walmen, laat ze
vervangen door lampen, gevuld met olie. Ze laat
het tafelbestek vergulden, verfijnt de keuken
met kruiden en specerijen zoals ze geleerd
heeft in Constantinopel, haar hofdames leren amandelolie te gebruiken om hun schoonheid te
verlengen. Wierook voert ze in voor de godsdienstoefeningen, een specerij dat ook goed is om
de alles doordringende nevel in Engeland, die alles doet stinken, te lijf te gaan.
19
Tenslotte gaat ook Engeland door de knieën voor haar hofcultuur en troubadourskunst onder
leiding van haar hofdichter Bernard de Ventadour.
Koningin Eleonora is dan de hoogste vrouwe in Europa. In 1166 echter verschijnt Rosamunde
op het toneel. Zij wordt de geliefde van Henry. Eleonora verlaat haar man, boos en verdrietig,
na dertien jaar huwelijk, met al haar kinderen. Ze keert terug naar haar geliefde Aquitanië.
De rest van het leven van de echtgenoten bestaat uit strijd. Henry is er op uit zijn gebied te
vergroten; Eleonora om haar kinderen huwelijksverbintenissen aan te laten gaan met Europese
vorsten. Zij weigert zich te laten scheiden van Henry en daarom blijven haar kinderen
belangrijke ruilobjecten. De met macht beklede kinderen staan op tegen hun vader. Eleonora
sterft, 84 jaar oud, in haar geliefde klooster Fontrevault.
Trobairitz
De heuvels hielden stil
wat zij al eeuwen zagen
zij durfden niet gewagen
van wat de zede wil;
in Gallisch Occitanië
beroemd door luit en zang
heerst een verworden drang
eigen aan ridder braniën.
dan lijkt de tijd gekomen
zomaar uit het niets
van zang en luit en trobairitz
waarvan de meisjes dromen.
De heuvels zijn nu getuigen
vormen hun eigen rei
met bloemen in de mei
willen niet langer buigen.
de meisjes in de velden
vormen hun eigen rei
door dromen en gedichten
spreken zij minne vrij
de meisjes in de velden
vormden hun eigen rei
minne en gedichten
maakten hen vorstelijk vrij
het is geen grootspraak te beweren
dat adellijke jonge meiden
- ik zeg het nog bescheiden –
aan door drank verslaafde heren
als bruiden werden toegeschoven
in ruil voor forse stukken grond
dit was de bella’s een affront
zij wilden eigen droom geloven
de meisjes in de velden
vormen hun eigen rei
door dromen en gedichten
zingen zij minne vrij
Literatuur: Régine Pernoud

‘Königing der Troubadoure’, München 199
20
Vrouwen op kruistocht, vrouwengeschiedenis
(2001)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, oktober 2001
Pelgrimeren komt aan het eind van de twintigste eeuw weer
in de mode. Oude pelgrimspaden worden opnieuw gelopen,
hun geschiedenissen in ere hersteld. Daarmee wordt de
geschiedenis van zo’n tien eeuwen geleden opgeroepen en
opnieuw verteld.
Het moeten gevaarlijke tochten zijn geweest met veel
‘gespuis’ onderweg. Gemakkelijk trekken we dan de
conclusie, dat pelgrimeren destijds een mannenzaak moet
zijn geweest.
De Franse historica Régine Pernoud helpt ons uit de droom
met haar boek De vrouw ten tijde van de kruistochten. Ze
haalt vrouwen uit allerlei rangen en standen naar voren die
vanaf het einde van de elfde eeuw te voet, te paard of met
een koets door Europa trokken om heilige plaatsen te
bezoeken. Ze heeft, om deze geschiedenis van vrouwen te
kunnen schrijven, heel oude teksten gelezen die doorgaans
voor velen ontoegankelijk zijn. Zij kon dit tijdrovende werk doen omdat ze als conservator
werkzaam is in het Nationaal Archief in Parijs waar veel van haar materiaal wordt bewaard.
Juist die hedendaagse belangstelling voor pelgrimeren en het toenemend belang van
vrouwengeschiedenis hebben er haar doen besluiten dit boek te schrijven. Uit haar tekst blijkt
weer eens, hoe anders het leven van vrouwen er uitzag dan mannelijke geschiedschrijvers hun
lezers willen doen geloven. Zij onderzochten het leven van vrouwen niet omdat ze het als saai
en oninteressant beschouwden. Het speelde zich immers slechts af in keuken en kinderkamer.
Talrijker dan de korrels zand
De titel van het boek kan verwarring wekken, omdat die verwijst omdat ie verwijst naar
kruistochten in plaats van naar pelgrimages. In tegenstelling tot wat we vroeger in de
geschiedenislessen leerden, waren
kruistochten in de eerste plaats bedevaarten:
westerse christenen op weg naar het Heilige
Land om te bidden op de plaats van het
Heilige Graf.
Anna Comnena, dochter van keizer Alexius in
Constantinopel, de huidige Turkse hoofdstad
Istanbul, ziet ze aan zich voorbij trekken: ‘…
een grote beweging van mannen en vrouwen,
zoals men zich niet herinnert die ooit gezien
21
te hebben: de eenvoudigste mensen werden werkelijk voortgedreven door de wens het Graf
van Christus te aanbidden en de Heilige Plaatsen te bezoeken. (…) Zij waren zo geestdriftig,
zo vol vuur, dat alle wegen volstroomden; de Keltische soldaten waren vergezeld door een
menigte ongewapenden, talrijker dan de korrels zand en de sterren, met palmtakken en
kruisen op de schouders: mannen, vrouwen en kinderen die hun land achterlieten.’
Vrouw gelooft vrouw
Anna is dertien jaar als in 1095 deze menigte haar stad passeert op weg naar de Bosporus die
ze moeten oversteken. Veertig jaar later schrijft ze deze geschiedenis op. Dat wat ze als
jonge vrouw heeft gezien, vult ze aan met politieke achtergronden. Haar vader verleende de
edelen onder de pelgrims privileges om op die manier zelf de macht over het Graf te
herkrijgen.
Wat in het boek van Pernoud gebeurt, is
bijzonder en opent nieuwe perspectieven in
de historische traditie: een vrouw laat een
vrouw aan het woord en neemt de
geschiedenis die zij vertelt serieus. En hoe.
Régine Pernoud schrijft: hier is een vrouw
aan het woord die voor het eerst de ware
toedracht van die beweging beschrijft. Zelf
levert ze de voorgeschiedenis bij het verhaal
van Anna Comnena. Op het Concilie van
Clermont in 1095 spoort de Franse Paus
Urbanus II zijn landgenoten aan, hun
broeders in het Nabije Oosten te helpen om
de Heilige Stad Jeruzalem te heroveren. Zij die aan de oproep gehoor gaven namen het kruis
aan en naaiden een kruis op de rechterschouder. Dat kruis herinnerde de pelgrims onderweg
aan hun plechtige gelofte. Zij mochten niet opgeven. Vandaar het woord kruistocht. De
onderneming slaagde en in 1099 werd Jeruzalem heroverd.
De Franse ridders namen hun ‘dame’ mee. En de dame haar kinderen, haar kindermeisjes,
verzorgsters en al die andere vrouwen die aan het hof van een ridder nodig waren. De
echtgenoten vertrokken dus samen. Dat was gebruikelijk. Bekend is dat Lodewijk IX, ‘de
Heilige’, koning van Frankrijk, in 1248 met zijn vrouw Margaretha vertrekt. Hun drie kinderen
blijven achter onder de hoede van grootmoeder Blanche. Deze neemt ook de regering van
haar zoon waar. Als het koninklijk paar na zes jaar terugkeert, na vreselijke avonturen, een
verblijf in het Heilige land en Egypte, zijn er nog drie kinderen geboren. Het leven ging al
reizend en trekkend door. Het is een uitzondering als de dame thuisblijft. Een mannelijk
geschiedschrijver heeft het vergezellen van haar echtgenoot uitgelegd als een bewijs dat
Margaretha niet met haar schoonmoeder kon opschieten. Over vooroordelen gesproken.
Dank en boete
Er zijn meer koninginnen die de tocht maken. Eleonora van Aquitanië, de vrouw die als Franse
en Engelse koningin de troubadourskunst aanvoerde en stimuleerde, ging in 1160 met haar
eerste echtgenoot, de koning van Frankrijk, op bedevaart naar Jeruzalem. De koningin ging uit
22
dankbaarheid omdat ze na zeven jaren wachten een kind had gekregen. Voor de koning was
het meer een zelf opgelegde boetetocht omdat hij tijdens een oorlog een stad in brand had
gestoken. Dit echtpaar ging slechts af en toe een stukje lopend en werd vergezeld, schrijft
Pernoud door ‘een eindeloze reeks wagens. Een keten die zich vele mijlen uitstrekte. Zware
vierwielige door sterke paarden getrokken karren waren het, met reiskoffers, die afgesloten
konden worden, beladen en de opgerolde tenten die onderweg werden gebruikt. Dekkleden
van leer of sterk linnen beschutten de lading.
‘Natuurlijk waren de ridders en hun knechten gewapend tegen gespuis onderweg. Maar toch:
een pelgrimstocht. Dit mag niet worden vergeten, want deze kruistochten waren een
‘omvangrijke beweging die heel Europa op zijn grondvesten deed schudden.’
Rollenpatroon
In 1097 schrijft een westerse verslaggever over de
strijd die in Nicea moet worden gevoerd om de
doortocht veilig te stellen: ‘Onze vrouwen waren
ons die dag tot grote steun door drinkwater te
brengen naar onze soldaten en ook door hen
voortdurend aan te moedigen tot het gevecht en de
verdediging.’ Hij vindt ze onverschrokken. Andere
vrouwen verzorgen de voedselvoorraden.
Dit lijkt op de welbekende rolverdeling. Maar er
zijn ook andere verhalen. Er is een Floredine,
dochter van hertog Eudes I van Bourgondië die
strijdt aan de zijde van Suenon, zoon van de
Deense koning. Zij wensten in Jeruzalem te
trouwen. In plaats daarvan vinden ze beiden de
dood door Turkse pijlen in de bergengten van
Cappadocië.
Een aantal ridders blijft met hun gades wonen in het Heilige Land. Tot in de vijftiende eeuw
blijven deze ridders en hun vrouwen een rol spelen in het Koninkrijk Jeruzalem. Ze stichten
vorstendommen in Bijbelse plaatsen zoals Antiochië en Tripoli. Soms sturen ze een boodschap
om hulp naar de Christenen in het verre vaderland. Dan trekken er legers richting het Oosten
om hen te helpen. ‘Maar’, schrijft Pernoud, ‘ ondanks deze legers, de eigenlijke bedevaarten
naar het Heilige Graf gaan altijd door.’ Vier tot vijf eeuwen duren kruistochten. Dan is er een
omslag in de westerse cultuur met in de vijftiende eeuw het begin van de heksenvervolgingen.
Een dieptepunt. Het begin van de kerkelijke onderdrukking van de vrouw.
Voordat het zo ver komt, hebben de koninginnen, de hertoginnen en de vrouwen uit het
voetvolk haar rol kunnen spelen in de kruistochten, die sinds het boek van Pernoud voor altijd
een ander gezicht hebben gekregen.
Literatuur

Régine Pernoud, ‘De vrouw ten tijde van de Kruistochten’, Schoorl 1994
23



Régine Pernoud, ‘Königin der Troubadoure. Eleonore von Aquitanien’, Düsseldorf/Köln
1979
George Duby, ‘Ridder, vrouw en priester. De middeleeuwse oorsprong van het moderne
huwelijk’, Amsterdam 1985
R.I. Moore, ‘Ketters, heksen en andere zondebokken. Vervolging als middel tot macht 9501250’, Schoten 1988
24
Mary Seacole. Heldin van de Krimoorlog,
vrouwengeschiedenis (2001)
Vergeten tijd- en vakgenote van Florence Nightingale
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, 2001
’Ergens in deze eeuw’, schrijft ze in haar autobiografie.
Omdat ze zowel vrouw als weduwe is, geeft ze haar
geboortejaar niet prijs, maar ‘ik en de eeuw zijn beiden even
jong.’
Ze noemt zichzelf een Creoolse met goed Schots bloed in de
aderen. Haar vader is een Schotse soldaat die een tijd op
Jamaica gelegerd was. ‘Van hem heb ik de liefde voor wat
mijn vrienden noemen de pracht en de trots rondom een
glorieuze oorlog’. Tijdgenoten schrijven haar energie en
activiteit toe aan haar Schotse bloed. Mary: ‘Vaak heb ik de
uitdrukking luie Creool gehoord, maar ik weet niet wat
indolent zijn is.’
Haar moeder dreef een pension. Ook was ze, zoals zoveel
Creoolse vrouwen, een gewaardeerde dokteres met een goede
reputatie bij officieren en hun vrouwen. Mary vond het
vanzelfsprekend dat zij de taken van haar moeder overnam.
Van jongs af aan vergaarde zij medische kennis; ze kon in de praktijk oefenen door met haar
moeder op ziekenbezoek te gaan.
Jong al verlangde ze op reis te gaan. Op haar achttiende is ze in de gelegenheid op reis te
gaan naar Engeland. Ze herinnert zich de reacties van Londense straatjongens die haar
naroepen. Merkwaardig, want ze vindt zichzelf toch niet bruiner dan ‘de brunettes die blanke
zo bewonderen’. Ze blijft er een jaar. De volgende reis neemt ze een flinke voorraad WestIndische ingemaakte vruchten en zuur mee om te verkopen. Twee jaar later keert ze terug
naar Jamaica. Daarna maakt ze korte reizen in het Cairibisch gebied en verzamelt schelpen en
schelpproducten voor de verkoop. Intussen zet ze haar medische werk voort.
Ze trouwt met Mr. Seacole en opent een winkel in Black River. Haar man heeft een zwakke
gezondheid. ‘Ik hield hem zo lang mogelijk in leven.’ Weer terug in Kingston overlijdt hij. Kort
daarna sterft haar moeder en moet Mary ‘de strijd met de wereld alleen aangaan’.
Slechte ervaringen
Haar financiële positie wisselde regelmatig van rijk naar arm en omgekeerd. In 1843 teisterde
een grote brand de stad en ook haar huis gaat in vlammen op. Ze herbouwt het beetje bij
beetje op. Hoe moeilijk het leven ook is, ze wil, zoals ze het ze het zelf noemt een
‘‘onbeschermde vrouw blijven’. De hardste strijd moet ze voeren om huwelijkskandidaten
buiten de deur te houden.
25
In 1850 maakt de cholera veel slachtoffers op het eiland. Niet lang daarna bezoekt ze haar
broer in Panama die daar een winkel en hotel bezit. Onderweg op de boot doet ze ‘slechte
ervaringen op met mensen uit de Verenigde Staten, die zich ongemakkelijk voelen in het
gezelschap van gekleurde mensen’.
In haar levensverhaal doet ze op indrukwekkend wijze verslag over de levenswijze van de
gouddelvers in Californië.
Kolonialisme
Columbus ontdekte Jamaica vier jaar eerder dan Amerika. Wat voor de Europeanen ontdekken
heet, betekent voor de Jamaicanen een regelrechte inbreuk op de eigen cultuur. De Indianen
worden uitgeroeid en vervangen door negerslaven uit Afrika
De landbouwproducten van de Jamaicaanse Indianen zijn interessant voor de Europeanen.
Naast de verwerking van goud en edelstenen vervaardigden sommige stammen kleding, textiel
en wollen dekens. De Spanjaarden waren vooral uit op het goud van de Indianen. De eerste
vrouw van Columbus, die uit een grote suikerplantersfamilie op Madeira stamde, nam stekken
van het suikerriet mee toen haar man op ontdekkingstocht ging. Zij liet die op Haïti planten;
vandaaruit kon het riet zich verspreiden over de eilanden tussen Noord en Zuid-Amerika. Tot
vandaag nog echte suikerrieteilanden.
Het Cairibisch gebied trok ook andere kolonisten aan die langzamerhand de Spanjaarden
verdreven. Jamaica kwam in handen van Groot Brittannië. Europeanen domineerden het
gebied, en handel werd de belangrijkste winstgevende bron. Naast suikerriet waren dit indigo,
een blauwe kleurstof, en katoen.
Voordat slaven uit Afrika werden gehaald, moesten arbeidskrachten uit Engeland die iets op
hun kerfstok hadden, dwangarbeid verrichten op de plantages. Overigens met weinig succes.
Al in de achttiende eeuw raakt de grond uitgeput. Groot-Brittannië laat dan de suiker vooral
uit een andere kolonie komen: India.
Het Cairibisch gebied werd langzamerhand onbelangrijker, maar niet voordat in de zestiende
eeuw massaal bewoners van het Afrikaanse continent als slaven worden verkocht en naar
Jamaica verscheept. In de zeventiende eeuw is Nederland met de West-Indische Compagnie er
volop bij betrokken om het hele gebied van
zwarte slaven te voorzien. Curaçao fungeerde als
tussenstation waar de slavenmarkten
plaatsvonden. Deze handel is in 1807 afgeschaft;
de totale slavernij pas in 1833.
Dokteres
Ook in Panama breekt cholera uit. Tot Mary’s
ontsteltenis is er geen dokter in de stad. Zij gaat
zelf aan de slag en redt haar eerste patiënt.
Daarna stromen de mensen toe en is ze dag en
nacht in de weer. De armen helpt ze gratis, maar
de Amerikaanse winkeliers en hoteliers laat ze
26
goed betalen Ze is verbijsterd als ze ziet hoe achteloos de mensen na de epidemie het leven
hervatten. ‘Onfatsoenlijk’ in haar ogen.
In 1853 keert ze terug naar huis omdat in Engeland de gele koorts uitbreekt. Haar huis ligt vol
patiënten: officieren, hun vrouwen en kinderen. De meesten sterven een vreselijke dood. Hun
leven was volgens Mary ‘in strijd met het klimaat dat hen niet wilde accepteren. Zeker, het
moederland betaalt een dure prijs voor het bezit van haar kolonies.’
Naar de Krim
Intussen heeft Engeland aan Rusland de oorlog
verklaard. De regimenten vertrekken van
Jamaica naar Rusland. En Mary wil met hen
mee. Uren zit ze over haar atlas gebogen. In
de winter van 1854 komen er slechte
berichten uit de Krim. Mary: ‘Ik besloot te
gaan.’
Ze beschrijft drie jaar later in de Wonderful
Adventures of mrs. Seacole in Many Lands
haar hele verhaal. Het verschijnt in 1857. De
moeite waard om te lezen.
Het verschil
Hoewel Mary Seacole van Jamaica komt, is zij geen zwarte, maar een gekleurde vrouw.
Niemand weet iets van haar, zelfs niet in de eigen regio. Pas rond 1970 kwam daar
verandering in.
Mary Seacole heeft op het eerste oog veel gemeen met Florence Nightingale. Zij was ook
getuige van de Krimoorlog, maar Mary woonde op veel grotere afstand van dat gebied dan de
Engelse lady. Mensen die haar toen hebben gekend en die over haar hebben geschreven, onder
meer een Engelse journalist, spraken over haar als ‘de heldin van de Krimoorlog’. Nightingale
werd gesponsord door de Britse autoriteiten. Seacole betaalde zelf de reis van Jamaica naar
Engeland. Toen ze haar diensten aanbood om in de Krim soldaten te verzorgen, kreeg ze nul
op het rekest. Van haar voor haar oudedag gespaarde $ 4.000 kocht ze instrumenten,
medicijnen en leeftocht. Nightingale vertrok met een staf verpleegsters en werkte in een
ziekenhuis achter het front; Seacole vestigde haar hoofdkwartier dicht bij de frontlinie tussen
Balaclava en Sebastopol. Florence Nightingale gaat voor het einde van de oorlog ziek terug
naar Engeland. Mary Seacole blijft tot het eind van de oorlog; ze is de eerste vrouw die
Sebastopol bezoekt nadat de stad gevallen is.
Nightingale kreeg bij terugkeer alle eer, werd beloond door verpleging van zieken tot
professioneel beroep te verklaren; Seacole kwam terug in Groot-Brittannië zonder geld en in
slechte gezondheid
Literatuur

George Cadogan ed. Mary Seacole. Jamaican Nightingale, Ontario 1989 ISBN 0-88795-076-0
27
Het was Doreen Hazel (Aruba 1955 – Nieuwegein 2014) womanistisch theologe en christelijk
rituologe, die de auteur wees op de geschiedenis van en het boek over Mary Seacole
.
28
Rigoberta Menchu, *1959, vrouwengeschiedenis
(2001)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, juni 2001
Ze is van 1959. Al tijdens haar jeugd in
Guatemala schrijft ze geschiedenis door de
strijd voor haar volk en andere volken in ZuidAmerika en doordat ze in 1992, pas 33 jaar
oud, de Nobelprijs voor de vrede kreeg. In het
jaar dat de wereld 500 jaar Columbus viert.
Columbus die in 1502 de kust van Guatemala
ontdekt.
De vrouwenbeweging wereldwijd heeft zich
sterk gemaakt voor de toekenning van die
Nobelprijs aan Rigoberta Menchu.
Om het verhaal van Rigoberta te kunnen begrijpen is het nodig iets over de geschiedenis van
Guatemala te weten.
Uitbuiting en onderdrukking
In de 16e eeuw verovert Spanje de smalle door Indiaanse volken bewoonde strook land in het
Oosten van Zuidelijk Amerika. Sindsdien zijn de bewoners van Guatemala tot slavernij
veroordeeld. De koloniale overheersers zijn alleen geïnteresseerd in producten die goed geld
opleveren. Daardoor veranderde de gevarieerde landbouw van de Indianen in monocultuur.
Grootgrondbezitters en later ook multinationale ondernemingen overheersen het land. In 1954
besloot een hervormingsgezinde regering braakliggend land van een bananenmultinational te
onteigenen en onder arme boeren te verdelen. Het bedrijf accepteerde de onteigening niet en
bracht in buurland Honduras een huurleger op de been. De legeraanvoerder werd, nadat hij de
regering had verjaagd, president en handlanger van de bananenonderneming. Toen verkocht
de United Fruit Company haar grondbezit aan een andere gigant: Delmonte. Deze praktijken
tekenen het verleden van Guatemala.
Grootgrondbezitters zijn niet meer alleen Spanjaarden. Er vond vermenging plaats, die
meestal op verkrachting berustte. Maar de machthebbers bleven wel het gedragspatroon van
de 16e eeuwse goudzoekers vertonen. De eigen cultuur van de Indianen werd niet alleen
veracht door die machthebbers, maar was ook bedreigend voor hen, en daarom verboden door
zowel de rooms-katholieke kerk als de staat. De Indianen probeerden tegen de verdrukking in
hun identiteit te bewaren. Als ze onderwijs kregen, moesten zij de taal, de cultuur en de
geschiedenis van de onderdrukker leren. Dat gaf hen een diep minderwaardigheidsgevoel. In
het andere geval werden zij met opzet ongeletterd gehouden en politiek buitengesloten. Dat
veroorzaakte miljoenen psychologische slachtoffers door angst, passiviteit en fatalisme.
29
In de jaren zestig van de 20e eeuw, de tijd waarin veel door West Europa gekoloniseerde
volken zich proberen te bevrijden, begint ook in Guatemala de vrijheidsstrijd. De guerrilla’s
zijn Indianen, die opkomen voor de arme boeren. Dit verzet maakte de repressie van de
militairen tot voor kort nog heviger.
Haat en angst
Op haar twintigste zet Rigoberta zich aan de studie van het gehate Spaans. Ze beseft dat ze
alleen in die taal het verhaal over haar volk aan de wereld kan vertellen. Zo ziet dat verhaal
er uit: Rigoberta’s ouders, net als andere boeren van hun land gejaagd, hebben met hun
kinderen een stukje berggrond ontbost, verscholen voor de soldaten. Ze is het zesde kind in
het gezin. Haar oudste broer heeft ze nooit gekend. Tijdens de oogst toen haar moeder met
hem op haar rug op het veld van de grootgrondbezitter werkte, sproeide een vliegtuigje
insecticide. Ondanks de arbeidsters en kinderen op het veld. De jongen stierf kort daarna.
Twee andere broertjes stierven aan ondervoeding. De bergbewoners moesten na een reis van
twee dagen en nachten in gesloten vrachtwagens maandenlang op de plantages werken voor
een hongerloon. Kinderen vanaf twee maanden werden meegesleept.
Van haar achtste tot haar tiende jaar werkt Rigoberta mee in de koffiepluk. Daarna moet het
gezin in de katoenvelden gaan werken. Al jong doorziet ze het onrechtvaardige systeem dat
niet alleen haar familie, maar haar hele volk treft. Nog slechter vindt ze de positie van de
vrouw die naast de dagelijkse arbeid op het veld voor haar tien kinderen moet zorgen, terwijl
de dagen beginnen om drie uur in de ochtend. Mannen van haar eigen volk die gedwongen in
het leger zijn geweest, verkrachten de meisjes op het veld.
Haat en angst voor dit leven griffen zich in Rigoberta’s hart. Wanneer haar broertje sterft
besluit ze nooit kinderen te krijgen.
Vanaf haar negende bewerkt ze samen met
haar vader het eigen stukje land, dat
voldoende voedsel oplevert. Bedden heeft het
gezin niet. Het gezin slaapt op lappen op de
grond. Binnen is het even koud als buiten,
door de spleten in de muren. Vanaf de
inwijding, ze is dan tien jaar, begint ze zich
in te werken in de gemeenschapstaak van
haar vader. Het Mayageloof is vermengd met
het katholieke, dat met de overheersers naar
hun land kwam. Haar vader bidt voor op
vergaderingen, houdt gebedswakes bij
stervenden en zieken en coördineert allerlei zaken in de gemeenschap. Rigoberta leert wat hij
haar voordoet. Ze begint met de geloofsopvoeding van kinderen, later werkt ze ook als
catechiste op de plantages. Hun catechetisch werk is vermengd, zoals het hele dagelijkse
leven, met gebruiken, ceremonies en rituelen van de Maya-godsdienst. In haar boek, dat ze
niet zelf heeft geschreven, maar gedicteerd — zo slechts is haar Spaans dan nog — wijdt ze uit
over die gebruiken. Vele verzwijgt ze, omdat deze rituelen de kracht van de indiaanse
bevolking betekenen en ze daardoor kunnen overleven in hun verzet tegen de onderdrukker.
30
In de katholieke godsdienst is het vooral de figuur van Jezus die hen aanspreekt, die ze als
iemand zien die het ook voor hen zou opnemen.
Strijd
Wanneer Rigoberta 14 jaar is, sterft haar vriendin Maria door dezelfde oorzaak als haar oudste
broer. Ze is diep geschokt. Vanaf dat moment besluit ze koste wat kost haar volk te helpen.
Studie zou de enige weg zijn. Haar vader verbiedt haar dat omdat hij weet dat studie haar van
de Indiaanse gemeenschap zal vervreemden. Ze wordt dienstmeid in de stad. Daar ziet ze
veel. Haar meesteres prest het andere dienstmeisje met haar zoons naar bed te gaan om hen
het seksuele spel te leren. Bang dat haar hetzelfde zal overkomen, keert Rigoberta terug naar
huis. Het is de dag dat haar vader is gearresteerd. Vanaf dat moment begint de strijd. De
onderhandelingen met de grootgrondbezitters, de strijd tegen de moordcommando’s. Ze leert
haar volksgenoten zich te organiseren in hun eigen dorpen. Ze trekt rond en sluit zich aan bij
de coöperatie van boeren. Nog geen drie maanden nadat zij en haar broers het geld bij elkaar
hebben om hun vader vrij te kopen, vinden ze hem gefolterd en bijna dood in het veld. In
1980 tenslotte verbrandt hij levend, samen met 38 andere slachtoffers tijdens een vreedzame
demonstratie bij de Spaanse ambassade in de hoofdstad.
Via de Indiaanse boerenorganisatie wordt het netwerk van boerengemeenschappen steeds
groter. De dorpen van de boeren worden met vliegtuigen bestookt, terwijl zij zelf niet meer
hebben dan hun stokken.
Kroon op haar werk
Rigoberta ontdekt dat niet alle ladino’s
(mengras) en blanken hun vijanden zijn. De
arme ladino’s hadden het even slecht als zij.
Veel nonnen bij wie Rigoberta op haar reizen
regelmatig overnacht, helpen haar met lezen
en schrijven. Alle leden van de familie Menchu
zijn bij het verzet betrokken. Om hun eigen
gemeenschap niet in gevaar te brengen,
verspreiden zij zich over het land. In 1979
wordt haar broer gepakt. De folteringen en
zijn einde, waarbij de familie gedwongen
moet toekijken, beschrijft Rigoberta in haar boek. Als haar moeder twee jaar later ook wordt
vermoord, ontvlucht Rigoberta haar land; ze zet haar werk voort vanuit Mexico. Nog zes keer
gaat ze terug naar Guatemala. De eerste keren wordt ze bedreigd, gevangen genomen, over
de grens gezet. Maar ze wordt steeds bekender in de wereld, waar ze haar verhaal vertelt. Ze
is actief binnen de Verenigde Naties als lid van de werkgroep Inheemse Volken, de werkgroep
Rassendiscriminatie en Rechten voor Minderheden, ze is lid van de VN
Mensenrechtencommissie, in 1985 is ze aanwezig op de VN-Vrouwenconferentie in Nairobi.
Tenslotte is er naast andere prijzen, in 1992 de Nobelprijs voor de Vrede, de kroon op haar
werk.
31
De realiteit is dat Guatemala ook vandaag nog een van de meest gewelddadige landen van
Zuid- en Midden Amerika is.
Literatuur




El.Burgos-Debray, Rigoberta Menchu, Leuven 1983
Julia Esquivel, ‘Guatemala zal bloeien. Gedichten Den Bosch 1987
Mari Coolen, Tussen goud en god, Bisschopp. Adviescomm. Den Haag.
Jeanette Bierman red., Het verstoorde evenwicht. Indiaanse vrouwen zwijgen niet langer,
Utrecht, Solidaridad
32
Aletta Jacobs, vredesactiviste, 1854-1929,
vrouwengeschiedenis (2001)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, april 2001
Dr. Aletta Jacobs leefde van 1854 tot 1929. Zij is vooral
bekend als eerste vrouwelijk arts in Nederland en als
voorvechtster van het vrouwenkiesrecht. Veel minder
aandacht kreeg de rol die zij op het gebied van vrede heeft
gespeeld. Uit haar werk heb ik dit onderwerp gekozen.
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) stelt
Aletta Jacobs zich wanhopig de vraag:
“Hielpen wij, door de gevolgen van den oorlog
zooveel mogelijk te verzachten, eigenlijk niet mede
aan het bestendigen van den gruwelijke, den
menschonteerenden toestand?”
Het antwoord komt van haarzelf in de vorm van radicaal
verzet, door een internationaal vrouwenvredescongres te
organiseren.
Onderlinge solidariteit
In juni 1915 was een congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht (WvV) gepland, maar
dat ging door het uitbreken van de oorlog niet door. Aletta Jacobs richt zich vervolgens per
brief tot alle bij de wereldbond aangesloten nationale afdelingen en benadrukt het belang om
juist op dit moment vrouwen uit de hele wereld bij elkaar te brengen. Zij nodigt ze uit naar
het neutrale Nederland te komen en schrijft:
“In deze verschrikkelijke tijden, nu tussen de verschillende naties zoveel haat wordt
gezaaid, moeten de vrouwen tonen, dat wij tenminste onze onderlinge solidariteit
behouden hebben, en dat we in staat waren, wederzijdse vriendschap in stand te
houden.”
In haar Herinneringen benadrukt Jacobs dat ze noch op antimilitaristisch, noch op pacifistisch
gebied pionierswerk heeft verricht, maar dat ze al van kindsbeen af “nimmer iets goeds”
heeft verwacht van het militarisme. Op haar zestiende rafelt ze avond aan avond linnen uit
elkaar dat als pluksel naar de lazaretten gaat voor gewonde soldaten van de Frans-Duitse
oorlog; die ze als onmenselijk ervaart.
Al rond de eeuwwisseling neemt ze herhaaldelijk publiekelijk stelling tegen de rol van
Nederland in de Atjèh-oorlog. In 1898 wordt ze lid van het Internationale Vredes-Congres dat
in Nederland wordt gehouden. Tijdens de tweede Boerenoorlog, een jaar later, neemt dr.
Jacobs het regelmatig op voor “het handjevol dappere boeren” in Zuid Afrika. In een
openbare rede protesteert ze tegen het optreden van Engeland. Ze veronderstelt dat de
33
Engelse regering haar vanwege dat protest een visum weigert wanneer ze, op eigen kosten,
naar Zuid Afrika wil om vrouwen en kinderen in de concentratiekampen medische hulp te
geven.
Eendrachtige weigering
Aletta heeft het tot twee maanden voor het
uitbreken van de Eerste Wereldoorlog niet voor
mogelijk gehouden dat ook in West-Europa dit zou
kunnen gebeuren.
Na het bezoek van een Zuid-Afrikaanse vriendin die
ze naar de trein brengt, raakt ze op het station in
Vlissingen in gesprek met vrouwen waarvan de
mannen gemobiliseerd zijn. Zij bestormen haar met
vragen over wat er staat te gebeuren. Hun mannen,
op weg naar de grens, hebben vaak hun weekloon als
zakgeld bij zich gestoken, er op vertrouwend dat de
overheid zich om vrouw en kinderen zal
bekommeren. Waar kunnen zij nu het toegezegde
geld halen?
Terug in haar woonplaats Amsterdam, roept Jacobs
haar medebestuursleden van de Vereniging voor
Kiesrecht (VvV) bijeen, en vertelt wat ze die ochtend
heeft meegemaakt. De dames gaan aan de slag door een oproep te doen aan alle Nederlandse
afdelingen van de VvV. Die zouden de propaganda voor het vrouwenkiesrecht voorlopig
moeten staken om zich te wijden aan de plicht tot steunverlening. Aletta:
“Eenige maanden heb ik mijne krachten aan dat groote vrouwencomité gegeven, maar
hoewel het niet te loochenen valt dat daardoor veel leed is verzacht, kon ik mij met
dit soort philantropisch werk op de duur niet vereenigen.”
Samen met haar medewerksters heeft ze
“den menschonteerden toestand helpen verergeren”.
Dit is haar conclusie:
”Als mannen zich aan het begin van de oorlog eenmaal voor de militaire dienst hadden
geleend, zouden vrouwen wellicht in
staat zijn de menschenslachting te
doen eindigen, indien zij eendrachtig
weigerden om den door den krijg
ontstanen nood te lenigen en daarmee
het raderwerk der maatschappij
gaande te houden.”
Belachelijk plan
De machinerie komt op gang. De organisatie
van het congres is binnen twee maanden
34
geklaard, en mondt uit in een bijeenkomst waar ruim 2400 vrouwen aanwezig zijn. Ze komen
uit elf Europese landen en de Verenigde Staten. Natuurlijk wordt de organisatie belachelijk
gemaakt en veroordelen de oorlogvoerende landen het initiatief. Zelfs vrouwenorganisaties
voeren oppositie. Er is angst voor ruzie tijdens het congres. De vrouwen van de elkaar
vijandige naties zullen elkaar immers bestrijden!
De Engelse overheid is danig in de war. Daar melden zich honderdtachtig gedelegeerden voor
het congres in Nederland, maar de regering verbiedt hen de deelname. Dit brengt zoveel
publiciteit met zich mee, dat er in het Lagerhuis wordt geïnterpelleerd. Daarop krijgen
vijfentwintig vrouwen toestemming te vertrekken. Hoe groot moet de vrees van de Engelse
regering voor de invloed van het vrouwencongres zijn geweest! Acht dagen voor de aanvang
verbreekt Engeland alle scheepvaartverbindingen met Nederland. Slechts vier Engelse
vrouwen, die met de boot uit Amerika komen of al in Nederland zijn, kunnen haar bijdrage
aan het congres leveren. Even lijkt het er zelfs op dat de boot
met veertig Amerikaanse gedelegeerden in Dover moet blijven.
Vier dagen hoogspanning. Vlak voor de officiële opening
arriveren deze dames in de Haagse Dierentuin. Door het
Engelse machtsvertoon moet ook de Franse delegatie verstek
laten gaan omdat zij via Engeland reist. De Bulgaarse delegatie
wordt de doorreis door Hongarije geweigerd.
Mevrouw Jacobs vat de eensgezindheid van de aanwezigen
tijdens het congres in enkele zinnen samen:
“…dat het een heiligen plicht was alle krachten in te
spannen om de menschenslachting te doen eindigen, en
mee te werken om het algemeene vernielingswerk tot
staan te brengen. (…)
In volkomen harmonie werkten de vrouwen uit de
oorlogvoerenden landen samen door elkander de
zusterhand te reiken.”
In handen van mannen én vrouwen
Twee delegaties zullen de resoluties van het congres onmiddellijk proberen aan te bieden aan
de regeringen van de oorlogvoerende en neutrale landen. Jacobs heeft met Jane Addams de
opdracht acht regeringen langs te gaan. Op 7 mei is er een eerste gesprek met de Nederlandse
regeringsvertegenwoordigers. Via Londen en Berlijn reizen de dames naar Wenen, Budapest,
Bern, Rome, Parijs, Le Hâvre. Medio augustus stapt Jacobs op de boot op weg naar Woodrow
Wilson, president van de Verenigde Staten.
Een belangrijk succes van de conferentie, naast de in grote eensgezindheid geformuleerde en
aangenomen resoluties, is de oprichting van een vereniging die voortdurend naar het
vredesideaal zou dienen te streven: The International League for Peace and Freedom (WILPF).
Die bestaat intussen bijna vijfentachtig jaar en heeft haar invloed met vertegenwoordigingen
over de hele wereld, tot binnen de Verenigde Naties, weten uit te breiden.
35
Terug in Nederland zet Aletta Jacobs haar kiesrechtstrijd voort. Ze gebruikt daarin de vrede
als nieuw argument. In januari 1916, als het gevecht om de grondwetsherziening en het
vrouwenkiesrecht nog gaande is, argumenteert ze:
“Bij tallooze mannen is sedert het uitbreken van den oorlog de tegenstand tegen
vrouwenkiesrecht gebroken, alleen omdat zij nu weten, waartoe de
alleenheerschappij der mannen leidt, en daarom gaarne bereid zijn de gelegenheid te
openen, waardoor kan blijken of een wereldbestuur in handen van mannen én vrouwen
samen niet betere uitkomsten zal opleveren.”
Literatuur



Bosch, Mineke en Annemarie Kloosterman (samenst.), Lieve Dr. Jacobs: brieven uit de
Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht, 1902-1942. Amsterdam 1985
Jacobs, Dr. Aletta, Herinneringen. Nijmegen 1985
Schröder, Hannelore (red.), Intellect kent geen sekse. Kampen 1988
36
Hoeda Sjaarawi, 1879-1947,
vrouwengeschiedenis (2000)
Een Egyptische feministe van het eerste uur
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, december 2000
Het feminisme in Egypte heeft een lange en ononderbroken traditie. Er is daar niet, zoals bij
ons sprake van een eerste en een tweede feministische golf. Gedurende de periode 1945 tot
1957 is er bijvoorbeeld een feministische actie voor algehele politieke rechten voor vrouwen.
Hoeda Sjaarawi is een van de vrouwen, die vanuit haar eigen levenservaringen, voor het
feminisme heeft gekozen.
Hoeda’s meisjesnaam is Noer al-Hoeda Sultan. Haar vader is grootgrondbezitter in OpperEgypte, temidden van suikerrietvelden, oude tempels en graftombes. Hoewel haar vader niet
veel opleiding heeft gehad en alleen Arabisch spreekt, telt hij onder zijn vrienden dichters,
sjeiks, provinciale bestuurders, staatslieden en andere hooggeplaatsten. Op latere leeftijd
wordt hij naar de hoofdstad Caïro geroepen om bestuursfuncties te vervullen. Daardoor groeit
Hoeda op in de hoofdstad.
Jeugd in de harem
Haar vader sterft wanneer Hoeda vijf jaar is. Zij, haar moeder en de eerste vrouw van haar
vader en de andere kinderen blijven achter in de harem ‘die van zijn meester is beroofd.’
Voogd van de familie wordt de door haar vader benoemde neef Ali Sjaarawi.
Haar moeder is geen Egyptische, maar een Tsjerkessische. Deze Kaukasische vrouwen werden
tot de afschaffing van de slavernij (1877) in Egypte geïmporteerd, nadat zij waren geroofd, of
door familie of landgenoten verkocht. Deze vrouwen waren in de Egyptische moslimfamilies
37
een soort statussymbool. Hadoe’s moeder was geen slavin. Tijdens de Krimoorlog (1853-56)
vluchtte ze samen met haar moeder naar Egypte. Egypte stond in die tijd al eeuwen onder het
regiem van Turkije. Hadoe’s moeder leerde haar Turks, later, een belangrijk instrument toen
ze toegang kreeg tot het hof, de prinsessen en leden van de Turks-Tsjerkessische elite.
Dankzij de gelijktijdige opvoeding met haar twee jaar jongere broer Omar door huisleraren,
kreeg Hoeda oog voor het verschil in status van jongens en meisjes. Van een sjeik leren beiden
de Koran lezen; voor een meisje niet gebruikelijk. Zo leert ze ook Perzische poëzie en
kalligrafie. Frans had ze in haar kringen al leren spreken en dat werd aangevuld met Franse
geschiedenis en letterkunde. Als aristocratisch meisje kreeg ze piano- en schilderles.
Grenzen
Meisjes van tien begonnen de sluier en een lange mantel te dragen; mochten niet omgaan met
de zoons van huisvrienden of buren. De sluier was niet zo’n probleem voor Hoeda, immers
vanzelfsprekend. Maar ze mist haar vrienden, schrijft ze in haar memoires.
Hoeda wordt op haar veertiende uitgehuwelijkt aan haar neef en voogd, die al een gezin heeft
in Opper-Egypte. Ze houdt het zeven jaar vol om de hoofdstad niet te verlaten en niet bij haar
man in Opper-Egypte te gaan wonen. Dan laat ze hem weer toe, krijgt een dochter en een
zoon, maar weigert het ouderlijk huis te verlaten en met hem mee te gaan.
Vrouwensalons
In die tijd ontmoet ze vrouwen, die betrokken zijn bij feministische ontwikkelingen. Het zijn
Europese vrouwen, die de gewoonte uit Frankrijk om ‘salons’ te houden, meenemen naar
Caïro. Door slecht bewind van de Turkse Pasja’s in Egypte, hadden Engelsen en Fransen steeds
meer macht gekregen in Egypte. In 1882, Egypte is bankkroet verklaard, neemt Groot
Brittannië de macht over in Egypte en behoudt die zeventig jaar. In die verwarde en Engeland
vijandige Egyptische omgeving, begint Hoeda haar openbare leven. Zij begint zelf
vrouwensalons te organiseren. Bij voorkeur in de universiteit en op dagen dat er geen mannen
in de universiteit komen. Door deze bijeenkomsten krijgen de Egyptische aristocratische
vrouwen contact met vrouwen uit de Egyptische bourgeoisie die meisjesscholen hebben
gevolgd. Onder pseudoniem schreven al heel wat van deze vrouwen politieke artikelen, zoals
over het belang van onderwijs voor meisjes.
In 1909 is ze betrokken bij de oprichting van het eerste liefdadig vrouwengenootschap; een
consultatiebureau voor arme kinderen. Het geld komt van prinsessen van de koninklijke
familie. Een belangrijke gebeurtenis, omdat de oprichtsters daarmee een legale plek buiten
de harem hebben voor het organiseren van campagnes en het verwerven van geld daarvoor.
Heilig en gesluierd
Aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw schrijft Hoeda haar memoires in het
Arabisch. Ze gaan over haar privéleven; in die tijd een ongewone daad. Privé gebeurtenissen,
gedachten en gevoelens uitte men toen niet. Ze waren heilig en gesluierd als de vrouw. Margo
Badran, een Europese, waarschijnlijk getrouwd met een Egyptenaar, ontmoette in 1967 een
nichtje van Hoeda op een bazaar voor de Hoeda Sjaarawi Vereniging, alias de Egyptische
38
Feministische Unie. Met deze bazaar wilde men geld inzamelen voor de junioorlog tegen
Israël. Van de feministes die Badran daar ontmoette, van wie velen Hoeda persoonlijk hebben
gekend, krijgt zij de memoires van Hoeda. In 1986 zijn deze, met een studie over de
Egyptische vrouwenbeweging en het verdere leven van Hoeda, ook in het Nederlands vertaald.
Het eind van Hoeda’s memoires gaat over de opkomst van de Nationale Beweging die strijdt
voor de onafhankelijkheid van Egypte. De feministen raken daarbij betrokken en houden hun
acties als vrouwen apart. Hun acties op straat leiden de ondergang van de harem in. Harem in
de betekenis: afgescheiden leven van mannen. De actievoerende vrouwen begeven zich tussen
de mannen op straat. Hierdoor komt Hoeda ook in een andere relatie tot haar echtgenoot te
staan. Tot een flink conflict komt het als haar man haar om de hand van haar nichtje vraagt,
dochter van haar broer Omar, voor zijn eigen zoon uit een ander huwelijk. Ze weet hem er
van te overtuigen dat Omar’s dochter nog te jong is. De huiselijke conflicten lopen hoog op.
Maar, schrijft Hoeda, de Nationale Beweging houdt hen bijeen.
Applaus
In 1922, nadat haar echtgenoot is overleden, richt Hoeda de Egyptisch Feministische Unie op
en wordt voorzitter. Een delegatie, waaronder Hoeda, gaat in 1923 naar de Internationale
Feministische bijeenkomst in Rome. Bij hun terugkomst in Caïro, bij het uitstappen uit de
trein, verricht Hoeda een belangrijke daad. Zij trekt, gevolgd door een van haar jongere
metgezellinnen, de sluier van haar gezicht. De wachtende vrouwen reageren met een luid
applaus. Volgens krantenverslagen lieten de eunuchs, die de vrouwen gedurende de reis
bewaakten, duidelijk hun misnoegen blijken. Voor Hoeda zelf betekende deze daad het einde
van haar harembestaan.
Literatuur











Sjaarawi, Hoeda, ‘Haremjaren’, Anthos
Fatima Mernissi, ‘Het verboden dakterras. Verhalen uit mijn jeugd in de
Harem’, uitg. de Geus.
Badran, Margot en Miriam Cooke, ‘Ongesluierde stemmen. Honderd jaar
Arabische vrouwenliteratuur’, Amsterdam 1991.
Botje, Harm, ‘Egypte’, Amsterdam/Den Haag 1990.
Seager Joni & Ann Olson, ‘Vrouwen in de wereld’, Amsterdam 1987
Shaaban, Bouthaina, ‘De sluier opgelicht. Arabische vrouwen vertellen
over hun leven’, ‘s Hertogenbosch 1991.
Saadawi, Nawal El: al haar boeken. o.a. Rainbow Pockets.
Brekke, Toril e.a., ‘Vrouwen Wereldwijd’, Amsterdam 1985.
39
Annie Romein-Verschoor, 1895–1978,
vrouwengeschiedenis (2000)
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, oktober 2000
Lezend in Omzien in Verwondering, de autobiografie van Annie Romein-Verschoor, altijd met
deze dubbele achternaam, leer ik dat zij opgroeit bij een moeder die vóór haar huwelijk
onderwijzeres is, afkomstig uit een ‘door standsbesef vergiftigd wereldje’. De moeder voelt
zich eigenlijk te goed voor de marine machinist die Annie’s vader aan het begin van hun
huwelijk was. Later, na 1912, wordt ze regelmatig in een psychiatrische inrichting
opgenomen.
Wat mij betreft kan ik met het lezen van de autobiografie, die Annie op haar zeventigste
schrijft, niet voldoende afstand van haar houden en word haar persoon mij bijna
onsympathiek. Met de kijk van haar biografe lukt het me beter naar haar leven te kijken.
Brandenburg durft zelfs te beweren dat Annie haar moeder haatte.
Krulspelden
De autobiografie geeft veel doorleefde informatie over de eerste
helft van de twintigste eeuw. Bijvoorbeeld over het angstvallig
streven van de burgerij naar een betere stand. Voor wie het
herkennen: ‘Wij leerden van heel jong af onderscheiden tussen
mensen waar je wel en niet mee om kon gaan. Niet met mensen die
aan de deur stonden te praten, met mannen die in
overhemdsmouwen en met vrouwen die overdag met krulspelden in
het haar liepen.’
Haar vader beschrijft Romein-Verschoor als ‘een eenvoudig man,
ongecompliceerd met een gelijkmatig humeur en bovengemiddeld
intelligent. (…) Hij was een bekwaam technicus en een zeeman.’ De
ouders krijgen vijf kinderen, van wie Annie de middelste is. De sfeer
thuis was liberaal, dat betekent ‘ruimdenkend en het besef te
behoren tot een vooruitstrevende elite van redelijke mensen’. De
confessionelen waren in hun ogen bekrompen en de socialisten
dwaas en verwilderd.
Vanaf Annies elfde tot haar vijftiende woont het gezin Verschoor in Surabaya. Met een hoge
rug, veroorzaakt door malaria aanvallen, komt Annie in Nederland terug. Door scherp
waarnemen heeft ze in Nederlands-Indië haar aanzet tot het communisme opgedaan.
Tegen haar wens om letteren te studeren verzet haar moeder zich, maar na een oponthoud
van twee jaar, vertrekt ze toch naar Leiden.
40
Politiek
In haar boek geeft Romein-Verschoor geen verklaring waarom ze communiste is geworden.
Haar biografe blijft er ook naar gissen. Is het de afschuw voor het kolonialisme dat ze al in
Indië leert verfoeien? Is het een verzet tegen alles wat burgerlijk is? De standsverschillen
waartegen ze zich door de houding van haar moeder verzette? Men veronderstelt dat een
belangrijke drijfveer tot het communisme een psychologische was. Alles wat er vóór haar
geboortejaar is gebeurd beschrijft ze als een docerende historica. Later wordt haar pen
scherper, en vaker in gal gedoopt bij het aanwijzen van oorzaken en gevolgen, rangen en
standen, ideeën en partijen. Haar biografe constateert dat ze eigenlijk niets over het
communisme te melden heeft voordat ze Jan Romein in 1917 ontmoet. De man die Jan
Romein inspireert tot het communisme, een zekere Struik, zegt over Annie: ‘Ze wilde er eerst
niet aan, maar nu ze er voor gewonnen is, is ze nog fanatieker dan Jan.’ In 1927 worden
beiden uit de communistische partij gestoten. De communistische machtsovername in Praag in
1948 wijst ze niet zonder meer af, evenmin als die in Hongarije in 1956.
De communistische bemoeienis met haar krant wel, evenals de Moskouse artsenprocessen in
1953.
Leven en werken met Jan
Echtgenoot Jan Romein is in Annie’s ogen
uitzonderlijk en geniaal. Hij leeft van een van
zijn grootmoeder geërfd kapitaal wanneer ze
hem leert kennen; hij is daardoor
onafhankelijk. Hij is afkomstig uit een
welgesteld zakenmilieu, heeft op zijn
vijftiende gewrichtstuberculose gehad en
werd in die jaren door zijn moeder en
grootmoeder verzorgd. Annie vindt hem
geestig, en zachtzinnig voor vrouwen maar
‘hij zag er uit als een kobold. Door zijn ziekte
had hij een bochel en geen figuur.’ Ondanks de royale erfenis loopt hij in haveloze kleren.
Na beider afstuderen willen ze leven van de pen.
Ze trouwen in 1920 en Annie wordt huisvrouw en moeder wanneer ze in 1921 het eerste van
de drie kinderen krijgt. Daarnaast schrijft ze recensies; in 1935 promoveert ze met De
Nederlandsche romanschrijfster na 1880, later gepubliceerd onder de titel Vrouwenspiegel.
Daarna gaat ze aan de gang met het geschiedenis-leersysteem van het Montessori-onderwijs.
Zij wil kinderen iets over mensen leren. Geschiedenis, meent ze, is een verhaal en geen
jaartallen. Zo verschuift haar interesse langzaam van letteren naar geschiedenis. En Jan houdt
zich bezig met geschiedenis!
Haar samenwerking met Jan loopt uit op de productie van de boeken waardoor ze beiden
naam maken. In 1934 verschijnt De Lage Landen bij de Zee en vier jaar later De Erflaters van
onze beschaving. Beide uitgaven verruimen hun financieel budget, dat intussen aanmerkelijk
krapper is geworden. Samen met een ander echtpaar kopen ze een huis met rieten kap in
Blaricum. De biografe merkt op: ‘Het valt uit Omzien in verwondering niet op te maken of Jan
41
en Annie een historisch materialistische verklaring hadden voor het huis in Blaricum.’ Jan
wordt in 1939 hoogleraar.
In en na de oorlog
Jan leeft het geleerdenleven op zijn kamer, moet onderduiken in de oorlogsjaren, verblijft
enkele maanden in een kamp. Annie – een zoon van vijf jaar ligt met tbc op bed – foerageert:
eten, schoeisel, kleding, brandstof. Ze kweekt, ruilt en werkt onafgebroken. Ook begint ze
aantekeningen te maken voor een volgende studie over Hugo de Groot en Maria Reigersberch.
Ze werkt mee aan de illegale Vrije Kunstenaar en beweegt zich in kringen van schrijvers en
kunstenaars. Na 1945, de kinderen zijn dan de deur uit, wordt ze lid van de Vereniging voor
Letterkundigen en van het PEN-bestuur.
Met Vaderland in de verte verdient ze in 1948 de prozaprijs van Amsterdam. In 1949 schrijft
ze een boek over dichtkunst en een over Nederlandse literatuur, werkt mee aan een VARAradioprogramma en schrijft voor verschillende Nederlandse dag- en weekbladen. Ze wordt
medewerkster van Verstandig Ouderschap en van de NVSH.
De Romeins krijgen zeven kleinkinderen.
Vanaf 1959 wordt de gezondheid van Jan slechter. Onafgebroken werkt hij aan zijn boek Op
het breukvlak van twee eeuwen. Als hij in 1962 overlijdt, is het niet af. Annie werkt er nog
vier jaar aan verder voordat het kan verschijnen.
Leven en werken
Op haar 74e, nadat ze een been heeft gebroken, vertrekt Annie van haar huisje aan zee, waar
ze vanaf 1959 met Jan heeft gewoond, naar het Rosa Spierhuis in Laren. De tien jaren die haar
nog resten ondergaat ze het regiem daar als betuttelend. Ze vormt er een kritische
bewonersgroep.
Ze blijft er werken voor onder andere De Gids, Wending, Vrij Nederland en OPZIJ. Ze blijft
antikapitalistisch en ondersteunt acties die in de jaren zeventig de aandacht vragen zoals voor
Angola, Vietnam, tegen de consumptiemaatschappij, enzovoort.
Drie dagen voor haar drieëntachtigste verjaardag overlijdt ze, alleen, wachtend op haar
vriendin met wie ze een televisieprogramma wilde bekijken.
Literatuur: slechts een greep uit haar boeken






Romein-Verschoor, A. Drielandenpunt, essays. Amsterdam 1975
idem Man en Vrouw, uit de geschiedenis van een menselijke verhouding. in: ‘Wending’,
themanummer ‘Man en Vrouw, 9e jaarg. no. 5-6 juli/aug ‘54
idem Omzien in verwondering. Herinneringen. Amsterdam 1986, 13e druk
idem Ja vader, nee vader. Over de afbraak van het patriarchaal gezag, Amsterdam ‘74
idem Spelen met de tijd. Nijmegen 1979
Brandenburg, Ang.M., Annie Romein-Verschoor 1895- 1978, Amsterdam 1988
42
Käthe Kollwitz, 1867-1945,
vrouwengeschiedenis (2000)
‘Ik verlang naar een socialisme, dat de mensen leven laat.’
Sieth Delhaas
Doorkijk, KVG, juli 2000
Käthe Kollwitz-Schmidt is vooral bekend door haar
indringend grafisch werk over de barre toestanden waarin
de arbeiders rondom de vorige eeuwwisseling leefden. Ze
maakte als Duitse, gehuwd met een arts, in Berlijn twee
wereldoorlogen mee. Haar leven werd getekend door het
verlies van zoon Peter, aan het begin van de Eerste en de
gelijknamige kleinzoon in de Tweede Wereldoorlog.
Haar kleindochter Jutta Bohnke, verzorgde eind jaren
tachtig Käthe Kollwitz’ verzamelde dagboeken. Jutta was
toen conservatrice van het naar haar grootmoeder
vernoemde museum in Keulen. De dagboeken dateren
vanaf 1908; ze geven weer hoe Käthe over gebeurtenissen
in de wereld en in haar persoonlijk leven dacht.
Tegelijkertijd tonen ze een indringend beeld van een tijd
die nog altijd van invloed is op de geschiedenis van Europa.
Toch blijft er veel van haar leven onbelicht. De dagboeken
uit haar kindertijd zijn verloren gegaan. Aantekeningen die ze vanaf 1923 maakte voor haar zoon
Hans, die een boek over zijn ouders wilde schrijven, evenals talloze tekeningen en ander grafisch
werk, verbrandden toen de Amerikanen in 1943 Berlijn bombardeerden.
Mensonterende omstandigheden
Käthe Schmidt is opgevoed in een ethisch-humanistische omgeving. Samen met andere
kleinkinderen krijgt ze vanaf haar twaalfde jaar filosofisch onderricht van haar grootvader.
De diepste aanleiding dat ze de proletariërs – de bezitslozen – als onderwerp kiest, komt uit
de literatuur uit haar tijd van onder andere de schrijvers Zola, Ibsen en Hauptmann.
Haar artistieke opleiding volgt ze vanaf haar zeventiende jaar in München, Berlijn en haar
geboortestad Königsberg.
Als ze op haar 24e trouwt met de arts Karl Kollwitz vestigen ze zich in de Berlijnse
arbeiderswijk Prenzlau. Daar woont ze tot kort voor haar dood. Ze wordt in die wijk elke dag
opnieuw geconfronteerd met de mensen die lijden onder de opkomende Duitse industrie. Een
industrie gegrondvest op armoede en afstomping. Tegen die toestand neemt ze stelling in haar
werk. Door die situatie om te zetten in kunst, het steeds opnieuw uitbeelden van de dagelijks
terugkerende tragedie van veel te lange werkdagen, mensonterende omstandigheden in de
43
fabrieken en te lage lonen, kan ze voor zichzelf het leven tussen deze mensen dragelijk
maken.
Veranderingsproces
Politiek voelt Käthe zich socialiste, maar niet vanuit een rationeel doordachte beslissing. Ze is
geen partijlid. Ze laat zich meer leiden door haar gevoel. Wat ze in haar ouderlijk huis heeft
geleerd van de ethisch-humanistische kant, staat haar nader dan de socialistische
klassenstrijd. De uitbeelding van de alledaagse ellende is meer klacht dan aanklacht.
Hoewel de Kollwitzen zich bij het uitbreken van de eerste Wereldoorlog kunnen onttrekken
aan de nationalistische uitbarsting waaraan veel collega-kunstenaars zich te buiten gaan,
voelen zij zich toch in de eerste plaats Duitsers. Zij voelen dat hun vaderland wordt
aangevallen en dat het gevaar loopt. Hun beide zonen gaan als vrijwilliger de oorlog in. Nog
geen week aan het front sneuvelt hun jongste zoon Peter. Käthe voelt zich aan haar dode
zoon en zijn kameraden verplicht trouw te blijven aan de Duitse staat. Maar langzamerhand
begint bij haar het veranderingsproces op weg naar pacifisme en internationalisme. Daardoor
kan ze in 1918 de Russische revolutie begroeten, zoals ook vele collega’s dat doen in een
groeiend protest tegen de zich steeds verder uitbreidende industrialisatie in Europa, die
steden verziekt en mensen uitbuit. Ze verwacht veel van die revolutie. Ze ziet er de nieuwe
schepping in. Ze schrijft als ze 53 is: ‘Als ik nu jong zou zijn dan zou ik zeker communiste
geworden zijn.’ In werkelijkheid voelt ze zich op dat moment oud en geestelijk uitgeput. Ze
verlangt naar een socialisme ‘dat mensen leven doet.’
Kunst als wapen
In de jaren twintig gebruikt ze haar kunst als
‘wapen’ tegen honger, tegen oorlog, woeker,
nood van de thuiswerkers, tegen
alcoholmisbruik en de lichtzinnigheid in de
fabrieken; pleit ze met haar werk voor de
vrijlating van de krijgsgevangenen, voor vrije
abortus, voor verzamelpunt-en voor
moedermelk. ‘Ik wil wirken (uitwerking
hebben) in deze tijd, waarin de mensen zo
radeloos en hulpbehoevend zijn’. Tegenover
haar collega’s moet ze zich verweren
vanwege de l’art pour l’art-gedachte die dan
postvat in de kunstwereld: kunst mag er
slechts zijn omwille van de kunst. Käthe vindt
dat elke menselijke gave tot een opgave wordt in het leven. Daarin staat ze lijnrecht
tegenover vele kunstenaars.
Echt revolutionair gaat ze zich in de twintiger jaar steeds minder voelen. Jutta Bohnke
constateert in haar voorwoord tot Käthes dagboeken, dat, ‘hoewel haar werk maatschappelijk
geëngageerd is, uit haar dagboekbespiegelingen blijkt dat ze zich steeds meer terugtrekt in de
privésfeer’.
44
Intussen werkt ze, vanaf het sneuvelen van haar zoon in 1914, aan een kunstwerk waarin ze
probeert haar verdriet te verwerken. Als dit werk na achttien jaar voltooid is, voelt ze zich
intens opgelucht ‘alsof ze genoegdoening heeft gedaan aan haar zoon.’ In 1932 krijgt het een
plaats op het Duitse kerkhof in Roggevelde in het Belgische Vlaanderen waar hij sneuvelde en
werd begraven. Het indrukwekkende werk bestaat uit twee witte figuren, waarin Käthe
duidelijk is te herkennen, gebogen en het hoofd in de handen. In 1956 wordt ‘Roggevelde’
opgeheven; de 1538 gesneuvelden zijn herbegraven op het Duitse oorlogskerkhof ‘De Praet’in
Vladslo. Het ‘treurende ouderpaar’ staat sindsdien ook in Vladslo, weer bij het graf van Peter
Kollwitz.
‘Entartete Kunst’
In 1933 ondertekent Käthe een oproep aan linkse politieke partijen om zich te verenigen
tegen het nationaalsocialisme. De vertegenwoordigers van deze partij dwingen haar, nadat ze
in datzelfde jaar aan de macht zijn gekomen, uit de Pruisische Academie van de Kunst te
treden. Het atelier en de aanstelling als hoofd van een meesteratelier voor grafische kunst
worden haar afgenomen. Haar man raakt zijn verdiensten uit het ziekenfonds kwijt, en haar
zoon Hans verliest tijdelijk zijn baan. Armoede en de achteruitgang van de gezondheid van
Karl maken hen het leven moeilijk, maar meer nog de
uitgebarsten Jodenvervolging. Käthe noteert: ‘Het is een van
de ergste dingen die ik in mijn leven heb moeten
meemaken.’ Typerend voor haar werk is dat de grote
Kolwitzverzamelaars onder Joden te vinden was. In de loop
van die jaren wordt al haar werk uit de musea verwijderd.
Het is echter niet vertegenwoordigd op de tentoonstelling
die in 1937 door de Nazi’s in München wordt georganiseerd
over ‘Entartete Kunst’. Zelf vermoedt ze dat ze tegenover
haar een tactiek van zwijgen hanteren in de hoop dat het
publiek haar zal vergeten: ‘Ik word al tot de doden
gerekend.’
Het laatste halfjaar van haar leven woont Käthe in Dresden,
verzorgd door haar kleindochter Jutta Bohnke, in de woning
van Prins Ernst Heinrich von Sachsen, die haar in augustus
1944 uitnodigde. De situatie in Berlijn is dan door de
geallieerde bombardementen onhoudbaar geworden. In april
1945 sterft de kunstenares.
Literatuur





Tom Fecht, Käthe in kleur, Amsterdam 1988
Herbert Read, Moderne beeldhouwkunst, Veenendaal 1987
Otto Nagel, Die Selbstbiltnisse der Käthe Kollwitz, Berlin 1965
Raf Seys, Käthe Kollwitz in Vlaanderen, Koekelare 1990
W.J. de Gruyter, Het werk van Käthe Kollwitz, Den Haag 1931
45
Begijnenbeweging, vrouwengeschiedenis
(1999)
Sieth Delhaas
Doorkijk, december 1999
Inleiding
De keurige, opgepoetste begijnenhofjes, waarmee sommige van onze steden toeristen
proberen te trekken, vormen geen waardige herinnering aan de vurige begijnen van de
twaalfde eeuw. In die tijd trokken mannen ter kruistocht. Het was de tijd van fanatici onder
gelovigen. Van ketterbewegingen, zoals de Katharen en de Waldenzen. En het was de tijd van
vrijwillige armoede.
Vooral de drie laatste bewegingen keren zich tegen de macht, de rijkdom van kerk en
opkomende steden. Santa Clara en Sint Franciscus spelen een rol. In die stroom van
bewegingen mengen vrouwen zich. Zij zetten zich bovendien af tegen de altijd weer
vanzelfsprekende minachting voor vrouwen.
In die tijd van nieuwe vroomheid ontstaat ook aandacht voor het mens-zijn van Jezus. In de
taal van het geloof komt innigheid en liefde tot uitdrukking. Ook dat raakt vrouwen. Door zo
vaak mogelijk ter communie te gaan, proberen zij de eenheid met de hemelse bruidegom te
ervaren.
Er zijn verhalen, dat monniken uit die tijd jaloers zijn op de bewogenheid van vrome
vrouwen, hun tranen, hun invloed in de zielzorg en hun kluizenaarsleven. Men zegt dat Walter
van Utrecht naar een begijn in Wallonië reisde om van haar ‘de gave der tranen’ te
ontvangen.
De Nederlanden
In de Lage Landen doet de Minnemystiek opgeld. Het is een mystiek die verwant is aan de
hoofse poëzie, afkomstig uit het Zuidwesten van Frankrijk. Eleonora van Aquitanië, later
koningin van Frankrijk, weer later van Engeland, spoort vrouwelijke en mannelijke dichtersmuzikanten aan hun liefde uit te drukken in tekst en muziek.
Adellijke dames in onze streken, die zich aangetrokken voelen tot de Begijnenbeweging en de
traditie van de trouvères en troubadours kennen, gebruiken deze hoofse (van het hof) taal om
haar innige liefde voor Jezus onder woorden te brengen. Beatrijs van Nazareth ( 1200-1268), is
hiervan een bekend voorbeeld.
Onduidelijke herkomst
De herkomst van de naam begijn is een raadsel gebleven. Deze zou verwijzen naar het beige
ongeverfde kleed van de vrouwen, naar de ketterse Albigenzen, vooral de middelste twee
46
lettergrepen. Ze zouden vernoemd kunnen zijn naar Beatrix, de echtgenote van de koning van
Bohemen, de heilige Begga van Turnhout of naar de Luikse priester Lambert Lebègue.
Zeker is dat een grote schare vrouwen, vervuld van het religieuze ideaal van wereldverzaking,
niet terecht kan in de vrouwenkloosters. Deze zijn door de kruistochten — mannen van huis en
rovers op de weg — overvol geraakt. In het bisdom Luik is onder deze omstandigheden een
duidelijk begin van de begijnenbeweging te traceren.
Maria, dochter van rijke ouders in de Brabantse stad Nijvel, speelt hierin een duidelijke rol.
Op haar veertiende wordt ze uitgehuwelijkt. Het jonge echtpaar echter besluit kuis, als broer
en zus te leven en zij verdelen hun bezit onder de armen. Ze dragen kleren als de armen, van
ongeverfde wol en werken onder de paria’s en leprozen in hun stad. Maria gaat wonen in een
klein huisje bij de priorij van Oignies. Maria wil preken. Maar dat is haar als vrouw en leek
verboden. Ze vindt er iets op: ze sluit zich met een dienares en de prior op in de kerk en legt
al zingend bijbelteksten uit.
Vroomheid
De vroomheid van de begijnen wordt door de geestelijkheid en
vrome tijdgenoten als luidruchtig gebrandmerkt. Omdat ze
geen geloften afleggen, zich meestal niet ergens vestigen, op
luide toon bedelen en om brood vragen, staat het publiek
verdeeld tegenover hen. Kinderen schelden hen uit. Hun
vroomheid uit zich ook in sociale activiteiten als onderwijs en
ziekenverpleging. Al naar gelang de streek waar ze leven,
verschillen leefwijze en gedrag.
Er zijn stadskluizenaressen die zich voegen naar de
gebedstijden van de monniken bij wier kerk zij zich laten
inmetselen. Anderen hebben taken als zielzorgsters onder de
stedelingen.
Laten zij zich inpalmen door de bestaande orde waartegen zij
zich eerder afzetten?
Begijnhoven
Onze hedendaagse rustige begijnhoven lijken het eindstation van een beweging die
principieel, opstandig en luidruchtig de toon zette.
Het begint al enkele decennia na het vermoedelijke begin: rechtgelovige vrouwen groeperen
zich als stadskluizenaressen rond een kerk of kapel onder pastoraal toezicht. Dat is
kenmerkend voor de Lage Landen.
Er blijft wel een stroom vrouwen uit de lagere klassen, onder andere boerendochters, in
Frankrijk vooral, die zich niet aan kerk of kapel binden. Zij blijven zwerven en verkondigen
ketterse ideeën, maken grote indruk op het volk waaruit ze voort komen. Men zegt dat Sint
Dominicus een klooster stichtte met een aantal van deze vrouwen die zich van hun ketterse
47
ideeën hadden bekeerd, een klooster stichtte.
En hoe kan het anders: op het concilie van 1311 wordt de begijnenbeweging veroordeeld.
Vanaf die tijd begint de inkapseling in kerkelijke instituties. Maar ook die relatie wekt
ergernis. Ergernis voor pastoors die de begijnen in hun parochies niet dulden. Begijnen stellen
zich tenslotte onder bescherming van de Franciscaanse en Dominicaanse orden en hun derde
regel.
Verloop
Uit latere eeuwen zijn er nog berichten over
hun leven. Uit een Antwerps statuut: de
begijnen moeten één mis per dag bijwonen.
Gaan ze te weinig of helemaal niet meer? Soms
woont een dienstbode in bij de begijn.
Anderen kopen een pandje op het hof. Zijn dit
rijke burgerdochters?
Als begijnen zich voor levensonderhoud in de
zeventiende eeuw gaan bezighouden met de
wolindustrie krijgen ze het aan de stok met de
gilden. Een bron van inkomsten is ook het repareren van paramenten, het wassen van
altaarlinnen en de kerkgewaden.
Afgewezen mannen
Begijnen hebben in het algemeen veel last gehad van mannen. In 1197 schrijft ene Petrus
Cantor: ‘Wie de daders zijn? Afgewezen mannen.’ Vitry, de veel op had met Maria uit Nijvel
beschuldigt ‘wijzen van deze wereld, dat wil zeggen prelaten en andere boosaardige mensen’.
Gregorius X vraagt in 1235 ‘deze vrouwen te beschermen tegen molestatie en verleiding door
clerici, monniken en leken en de boosdoeners te straffen.’ Margaretha, gravin van Vlaanderen
schrijft in 1245: ‘Jonge vrouwen die zich tot de Here bekeren, hebben, wanneer zij met de
begijnen verkeren en in hun woningen willen verblijven, soms zware druk te verduren.’
De brandstapel is de begijnen evenmin bespaard.
Dagblad ‘Trouw’ meldt in 1990: ‘In Breda is op Goede Vrijdag de laatste nog levende begijn in
Nederland overleden. Met de dood van juffrouw Cornelia Frijters (81) kwam een einde aan
zeven eeuwen van begijnendom in Nederland.
Literatuur





Maria Petijt, Het leven van Maria Petijt (1623-1677) autobiografie, uitgeverij Thieme
Zutphen 1976
Florence Koorn en Michel van der Eycken, Begijnen in Brabant, uit Esso-Nederland 1987
Wim Tepe, Begijnen in de Lage Landen, Luyten-Aalsmeer 1987
Paul Mommaers, De brieven van Hadewijch, Kok-Kampen 1990
Elisja van Kessel, De Klopjes
48
Camille Claudel, 1864–1943,
vrouwengeschiedenis (1999)
Sieth Delhaas
Doorkijk, juni 1999
‘In een krankzinnigengesticht mag men niet op veranderingen hopen.
De reglementen zijn er nodig voor al die “zenuwachtige,
schreeuwerige, dreigende creaturen”, die zelfs
door hun verwanten niet verdragen worden.
Hoe komt het dat ìk gedwongen word ze te verdragen?’
Camille Claudel
Inleiding
Op een zondag in maart 1991 sta ik in de rij voor een simpel gebouwtje op het terrein van het
Musée Rodin in Parijs. Binnen is het donker, de tentoongestelde beelden verlicht door scherpe
spots. Om en tussen de sculpturen zijn tralies als afscheiding aangebracht. De sfeer van
beklemming die dit schept sluit aan bij het slot van het boek dat ik kort tevoren over de
beeldhouwster gelezen heb.
Het was Anne Delbée die in 1982 met haar boek en de daaruit voortkomende film, Camille
Claudel, een vrouw, haar en het werk van de beeldhouwster terugbracht in de werkelijkheid.
Wie kende haar nog? Auguste Rodin, die vijftien jaar haar minnaar was, ja, zijn tempel staat
enkele tientallen meters verderop. Daar eert de wereld hem. Maar waar was de naam, het
werk van de vrouw gebleven, die hem tot zijn beroemdste werken inspireerde?
Fragmenten
Schrijven over Camille Claudel is een hachelijke
onderneming. Haar geschiedenis moet voor een groot deel bij
elkaar worden gesprokkeld met datgene wat anderen over
haar hebben gezegd.
Camille wordt geboren op 8 december 1864, vier jaar later
komt haar broer Paul ter wereld. Dankzij de liefde voor en
van hem en dankzij de beeldhouwer Auguste Rodin kan het
spoor van Camilles leven een heel eind terug worden gevolgd.
Haar broer Paul, schrijver en dichter, bekeert zich als
volwassene tot het katholicisme. Hij beschrijft zijn zuster als
een ‘zelfverzekerde jongedame, triomfantelijk, stralend van
schoonheid en genie, met haar, soms wrede invloed, die zij
op mijn kinderjaren uitoefende.’ Hij schetst haar uiterlijk:
‘een prachtig voorhoofd boven een paar wondermooie,
diepblauwe ogen, haar brede mond waaruit nog meer trots
49
dan zinnelijkheid sprak, en die krachtige bundel kastanjebruin haar tot op haar lendenen.’ En
toch: híj neemt het besluit dat zij, veertig jaar oud in een krankzinnigengesticht wordt
opgenomen. Dertig jaar lang is ze een groot beeldhouwster geweest. Dertig jaar verbanning in
vergetelheid volgen.
Afgezien van haar werken die overbleven nadat ze zelf een groot deel in woede en
vertwijfeling vernietigde, een enkele brief, krabbels aan Rodin, zijn er teksten van Paul
Claudel die de verzonkenheid van haar leven hier en daar ophelderen.
Geen trek in feestjes
Camille loopt mank. Ze heeft aanvallen van razernij, is wilskrachtig, moeilijk, eigenzinnig.
Haar vader Louis Claudel ziet wat er in zijn dochter steekt zoals ze voortdurend bezig is met
klei. In hun schuurtje heeft de dertienjarige Camille beelden van Bismarck en van Napoleon
gemaakt. Als Louis tegen zijn vrouw zegt dat hun dochter beeldhouwster moet worden,
scheldt haar moeder haar uit voor duivel en verklaart haar man voor gek. Louis haalt er een
beeldhouwer bij. Die adviseert om Camille naar Parijs te sturen; daarom verhuist het gezin
enkele jaren later naar die stad.
Op haar achttiende werkt ze als een bezetene in het atelier waar ze les krijgt. Ze heeft geen
trek in de feestjes van haar vriendinnen. Zij werkt om naar een echt atelier te kunnen.
Onmogelijk, want dan word je als hoer gezien. Als haar werk door haar leermeester wordt
getoond aan de directeur van het Nationaal Instituut voor Schone Kunsten vraagt hij haar of ze
les heeft gehad van Monsieur Rodin. Ze heeft nog nooit van Rodin gehoord. Haar stijl herinnert
de beide mannen aan de beroemde meester. Omdat de directeur geen zin heeft een revolutie
te ontketenen, weigert hij Camille toe te laten tot het Instituut. Hij wil een ontmoeting met
Rodin arrangeren. En in 1882 wordt een ‘buste van een oude vrouw’ van mademoiselle Claudel
in het Instituut geëxposeerd. Recensenten noemen het een ‘ernstig werkstuk, goed
overwogen’.
Tweedelig badpak met witte biesjes
Wanneer Rodin de leermeester van het meisjesatelier vervangt als deze naar Rome moet, is
hij getroffen door de buste van Paul waaraan Camille werkt. Het komt Rodin voor alsof hijzelf
die buste heeft gemaakt. Zij maakt haar entree in het
atelier van Rodin; al snel wordt hij haar minnaar. Ze is,
hoewel twintig jaar jonger, zijn gelijke. Enerzijds
produceert hij veel, anderzijds tilt zij hem steeds weer over
dieptepunten heen. De grote stukken, die hij maar niet af
krijgt… Zij raakt zwanger van hem. Hij is niet vrij, leeft met
Rose Beuret, die hij ontmoette in het jaar waarin Camille
werd geboren. Ze hebben een volwassen zoon ‘een nietsnut
die al zijn geld aan drank besteedde’. Rodin huurt kamers
voor Camille in een kasteel in de Touraine. Ze vraagt hem
vanuit haar schuilplaats en in haar zesde maand: ‘Zou u zo
vriendelijk willen zijn voor mij een tweedelig badpak
50
(middenmaat) met witte biesjes te kopen in de Grand Magasin du Louvre of in de Bon Marché
of in Tours?’ Ze weet, weldra zal ‘de maatschappij der lafaards haar met de vinger nawijzen:
een ongehuwde moeder’. Een miskraam? Een poging het eigen leven te beëindigen?
Een eigen leven
Terug in Parijs ontmoet ze Claude Debussy. Beiden zijn ze rond de dertig. Met hem komt ze
opnieuw tot leven, tot beeldhouwen ook, na twee jaar isolement. Ze gaat met hem uit, komt
in het kunstenaarswereldje van Proust, Toulouse-Lautrec. Hier zijn andere vrouwen, die
werken zoals zij! Toch is het haar wereldje niet. Via Debussy komt ze te weten dat zij de
enige is die rechtstreeks uit marmer kapt. Ze verliest Debussy.
Bijna 28 jaar oud verlaat ze het atelier van Rodin. Ze huurt een eigen atelier aan de Boulevard
d’ Italie 113. Ze begint haar eigen leven. En werkt. Een nieuwe stijl. De stad verovert haar. Ze
schetst. Ze groeit. Ze exposeert een beeld van Rodin in de Salon. Ze krijgt gunstige kritieken.
Toch komt ze niet onder Rodin uit want, fluistert men, haar lidmaatschap van de Salon had ze
immers aan hem te danken…!
Rodin wil Camille niet loslaten. Hij ondersteunt haar financieel, heeft andere vrouwen, terwijl
zij zijn grote liefde blijft. Het lijkt erop dat zij van die liefde waanzinnig wordt. Hij kiest niet.
Meesterschap
Mathias Morhardt, kunstrecensent, schrijft in 1898 in Mercure de France over één van Camilles
werken:
‘Dit beeldje, De Schilder, verdient als één van de belangrijkste data uit haar loopbaan
beschouwd te worden. Het is het eerste werk waarin ze getuigt van haar vermogen om
rechtstreeks het leven uit te beelden. En, vanaf dat eerste werk, heeft ze het
meesterschap bereikt: met zijn lichtjes zijwaarts gebogen hoofd is De Schilder een
werk vol oprechtheid en kracht. Het wekt meteen de aandachtige eerbied van de
voorbijganger op doordat het een despotische eerlijkheid uitstraalt.’
Als in de tweede helft van onze eeuw de belangstelling voor haar werk herleeft en men
navraag doet naar haar stoffelijke resten, begraven op het terrein van het
krankzinnigengesticht gesticht in Montdevergues, blijkt dat de grond ‘om dienstredenen reeds
opnieuw werd gebruikt’.
Literatuur



Delbée, Anne, Camille Claudel, een vrouw, Breda 1989
Cassar, Jaques, Dossier Camille Claudel, Archimbaud 1997
Fabre-Pellerin, Brigitte, Le jour et la nuit de Camille Claudel, Paris 1988
51
Emmeline Pankhurst, 1858–1928,
vrouwengeschiedenis (1999)
Sieth Delhaas
Doorkijk, april 1999
‘All women together ought to let flowers fall upon
the tomb of those forgotten women.’
Virginia Woolf bij de dood van Emmeline Pankhurst
Een erfenis
Als Emmeline Goulden wordt ze in 1858 in Lancashire
geboren, een industriegebied rond Manchester. Arbeiders
hebben nauwelijks rechten. Er heerst armoede, waarvan
vooral vrouwen en kinderen de dupe zijn. Zonder kiesrecht
kan niemand iets aan hun situatie veranderen. De strijd voor
kiesrecht heeft haar grootvader al bijna het leven gekost.
Haar vader is katoenspinner. Emmeline groeit op zonder
scholing.
Gelukkig gaat haar moeder regelmatig naar bijeenkomsten
van de suffragettes, voorlopers van de feministen. Ze neemt
haar dertienjarige dochter mee. In die tijd speelt in
Engeland ook de discussie over de afschaffing van de
slavernij. Emmeline zegt: ‘Ik heb uit de politieke discussie
de geest van vechten en heroïeke opoffering geleerd. Alleen
hierdoor kan de ziel van de beschaving gered worden. Ook
de waardering voor de vreedzame, voorname geest, die
bewogen is om de ravages door oorlogen veroorzaakt, te herstellen. Ik was vijf toen ik de
betekenis van de woorden ‘slavernij’ en ‘emancipatie’ kende.’
Op haar eenentwintigste trouwt ze met de veel oudere dr. Richard Pankhurst. Hij is politiek
radicaal en pleit al in 1867 in het Parlement voor vrouwenkiesrecht. Ze krijgen samen vijf
kinderen. Desalniettemin zet Emmeline haar politieke activiteiten voort.
Verdeel en heers
Vanaf 1884 wordt de strijd voor het vrouwenkiesrecht feller en dat mondt tweeëntwintig jaar
later uit in een parlementaire strijd, waarbij de vrouwen dus niets hebben in te brengen. In
die tijd speelt eerste minister Gladstone hierin een sluwe rol. Hij past de verdeel en heers
strategie toe en brengt de Liberale Vrouwenbeweging onder in zijn partij. Deze vrouwen
denken zo kiesrecht te kunnen veroveren. Maar dat is bedoeling niet van Gladstone.
Vooralsnog staken de liberale dames hun gevecht en gaan voor de mannen werken.
52
Pankhurst heef intussen van de landarbeiders afgekeken hoe zij kiesrecht kregen: door
ordeverstoring. Emmeline raakt gemotiveerd na de dood van haar man, als ze onverzorgd
achterblijft. Het wordt haar ook steeds duidelijker hoe slecht de kansen voor jonge meisjes
zijn, die meestal veel te vroeg zwanger raken. Als beïnvloeding van politieke partijen niets
oplevert, richt ze in 1903 samen met haar dochters Christabel en Sylvia — zie foto — de
onafhankelijke vrouwenbeweging Women’s Social and Political Union op. Leden van de
beweging mogen geen mannenpartij steunen. Twee jaar later ontstaan er straatgevechten
tijdens de verkiezingen, omdat de vrouwen kiesrecht eisen. Vrouwen worden zelfs opgepakt.
De eerste is Christabel, die rechten studeert en Anny Kenney, een fabrieksarbeidster. Nieuwe
leden voor de partij stromen toe. Vrouwenkiesrecht wordt het gesprek van de dag.
Ordeverstoring wordt de strategie van de WSPU en daar schrijven de kranten over.
In 1906 demonstreren 400 vrouwen met vaandels en spandoeken op straat. Een ongehoord
schandaal in die tijd. Emmeline schrijft: ‘Eindelijk waren de vrouwen wakker geworden,
waren ze bereid te vechten voor hun eigen mensenrechten.’ De organisatie groeit uit tot
250.000 vrouwen. Pankhurst: ‘We verklaarden de oorlog. Niet alleen aan de anti-suffragette
krachten, maar ook aan alle zogenaamde neutrale, niet-actieve krachten. Want ook deze
laatsten steunen de gevestigde politiek.’
Apart en inferieur
Het publiek accepteert de vrouwendemonstraties niet. In
1907 worden 134 vrouwen veroordeeld om het simpele feit,
dat ze de eerste minister een petitie willen overhandigen.
Echter, de vrouwen beschouwen de straf als een eer en
maken er een demonstratie van.
Als de liberalen zetels verliezen wordt Emmeline door een
menigte aangevallen en bewusteloos geslagen. Maanden kost
het haar weer op de been te komen. De WSPU groeit en richt
een vrouwenparlement op.
Straffen worden zwaarder. Wetten uit de 15e en 16e eeuw
worden opnieuw van kracht en ingezet tegen de vrouwen.
Emmeline wordt zes maanden opgesloten in de beruchte
middeleeuwse vrouwengevangenis Holloway. Resultaat: ook
deze ‘criminelen’ sluiten zich bij haar aan.
De liberalen verliezen steeds meer zetels. Tenslotte keert
het publiek zich tegen de overheid, omdat die de vrouwen steeds grover straft. Op 18
november 1910 krijgt de politie bevel de vrouwen niet meer te arresteren, maar op straat af
te straffen. De gevechten duren een hele dag. Politie te paard wordt ingezet om ze neer te
slaan. Na een gevecht van vijf uur voor de poorten van het parlementsgebouw krijgen de
vrouwen steun van de toeschouwers.
53
De regering geeft geen krimp. De strijd zal nog jaren duren. Dat kost vrouwenlevens, ze lopen
blijvend letsel of chronische gevangeniskwalen op. Gevangenissen zitten overvol. Soms krijgen
ze vijf jaar dwangarbeid. De regering is er duidelijk op uit de organisatie te vernietigen.
Drie jaar later bestaat eerste minister Asquith
het hardop uit te spreken hoe mannen over
vrouwen denken: ‘De vrouw is niet het
vrouwelijk deel van de menselijke soort, maar
een aparte en inferieure soort. Van nature
ongeschikt voor het kiesrecht, zoals een
konijn ongeschikt is om te stemmen.’
Intussen is Christabel naar Parijs gevlucht en
leidt van daaruit de beweging. Emmelines
gezondheid is zorgwekkend. Op een draagbaar
doet ze mee aan de demonstraties. Een
tijdgenote schrijft: ‘Doodsbleek, hologig en
koortsig. Ondanks haar dapperheid droeg ze de sporen van de ondergane wreedheden.’
In wereldoorlog 1914-1918 luwt de strijd. Maar direct daarna roepen Christabel, Anney Kerney
en mrs. Drummond de WSPU uit tot politieke Vrouwenpartij. In dat jaar komt er voor alle
mannen vanaf 21 jaar kiesrecht. Vrouwen mogen pas stemmen vanaf hun 30e, tenminste, als ze
een bepaald minimum inkomen verdienen. Als de soldaten terugkeren van het oorlogsfront
verdrijven ze de vrouwen weer van de arbeidsmarkt. Veel vrouwen verliezen door het grote
aantal gesneuvelde mannen in de oorlog hun strijdlust. Pas in 1928 keert het tij voor gelijke
rechten van de vrouw.
In datzelfde jaar sterft Emmeline Pankhurst. Ze heeft een eind weten te maken aan een
eeuwenlange patriarchale ‘democratie’.
Literatuur


Hannelore Schröder (red), Intellect kent geen sexe, grote vrouwen van de twintigste eeuw,
Kok/Agora 1988
Harold Smith, British Feminism in the 20th century, Southampton 1990
54
Edith Stein, 1891–1942, vrouwengeschiedenis
(1999)
Een joodse vrouw die karmelietes werd
Sieth Delhaas
Doorkijk, februari 1999
Inleiding
Wat zou ze er zelf van gevonden hebben? Van haar heiligverklaring door Paus Johannes Paulus
op 11 oktober 1998? Zou ze verontwaardigd, boos geweest zijn? Het voelt alsof een
vredesvrouw postuum de Militaire Willemsorde krijgt. In vroeger eeuwen leek het nog te
kunnen: een eigenzinnige vrouw zoals Clara van Assisi of Hildegard van Bingen heilig
verklaren. Terwijl hun manier van leven en spreken toch eigenlijk gericht was tegen het
handelen en de politiek van het ‘Rome’ in hun tijd. Maar deze moderne, zelfstandige, hoog
intelligente vrouw op het eind van de twintigste eeuw?
Jeugd- en studietijd
Ze wordt geboren in een kinderrijk en zeer sociaal gezin van joodse, gelovige ouders in het
Duitse Breslau. Op haar tweede overlijdt haar vader. Haar moeder ziet kans om zijn
houthandel voort te zetten. Zij verwierf de reputatie dat zij een bos op omvang en kwaliteit
kon taxeren als ze er met de trein langs reisde. Edith is zeer begaafd en haar leeftijdgenoten
ver vooruit. Ze heeft een ijzeren wil en een sterke eerzucht. Ze heeft een grote liefde voor
haar vaderland en is een ‘echte Pruisische’.
Studente
Na het gymnasium begint ze een studie Duitse Letteren en
Filosofie. Tegelijkertijd geeft ze voordrachten over
‘denkpsychologie’ en raakt geïnteresseerd in de filosofie van
Husserl. Zij besluit bij hem in Göttingen te gaan studeren.
Intussen is haar familie ongerust dat ze een blauwkous zal
worden. Bovendien is ze geïnteresseerd in de opkomende
vrouwenbeweging. Later bekent ze van haar 13e tot haar 21e
atheïste te zijn geweest, omdat ze niet aan het bestaan van
een God kon geloven. In Göttingen komt ze via een collega
filosoof, die half-jood is en katholiek is geworden, in contact
met de katholieke wereld. Als ze in 1915 haar universitaire
studie afsluit, meldt ze zich bij het uitbreken van de Eerste
Wereldoorlog aan bij het Rode Kruis. Na enkele maanden
werken in een lazaret erkent ze dat ze voor dit werk niet
geschikt is. Ze keert terug naar de universiteit om te
55
promoveren.
Intussen gaan haar overwegingen over het christelijk geloof door. Vooral omdat ze de
aantekeningen moet ordenen van haar overleden vriend Reinach, joods filosoof en assistent
van Husserl. In contact met zijn weduwe hoort ze dat dit echtpaar zich protestants heeft
laten dopen. Het grote geloof van deze vrouw ontroert haar. In de aantekeningen vindt ze
veel over de ervaringen van haar vriend met de kracht van het gebed.
De politiek houdt haar interesse. Ze is overtuigd feministe en spreekt zich in het openbaar uit
voor het vrouwenkiesrecht. Ze sluit zich na het einde van de oorlog aan bij de Deutsche
Demokratische Partei.
Katholieke filosofe
Op nieuwjaarsdag 1922 laat Edith zich dopen. Dit is het onmiddellijke gevolg van de
ontmoeting met Teresa van Avila. Bij vrienden pakt ze, op zoek naar lectuur, de autobiografie
van Teresa uit de boekenkast. Die nacht blijft ze lezen en ervaart wat ze leest als de
waarheid. Wat haar in het boek getroffen heeft, geeft ze niet prijs. Over het moment van
haar bekering zegt ze: ‘Mijn geheim is mijn’. Vanaf dat moment wil ze karmelietes worden
met het daaraan verbonden contemplatieve leven. Haar zwaarste opgave is, het haar moeder
te vertellen. Thuis knielt ze voor haar moeder en zegt alleen: ‘Moeder, ik ben katholiek’.
Verstoting uit huis had ze verwacht. Erger is dat de vrouw, die haar gevoelens niet snel toont,
met haar hoofd in haar handen huilt. Edith huilt om de innerlijke scheiding tussen haar en
haar moeder. Ze probeert het leed te verzachten door de maanden die zij bij haar moeder
logeert, mee te gaan naar de synagoge en de gezongen psalmen mee te bidden in het Latijn.
Haar moeder raakt onder de indruk van de eerbied en aandacht van haar dochter.
Omwille van haar moeder treedt ze nog niet in. Haar geestelijk leider wil bovendien dat ze
haar filosofische capaciteiten in dienst stelt van de kerk om de Duitse filosofie sterker in
katholieke banen te leiden. Ze wordt lerares in het dominicanessenklooster te Spiers. Zij laat
zich kleding aanmeten van habijtstof, leeft daar praktisch als non en oefent de uiterste
versterving op het gebied van slapen en eten. Een leerlinge over haar in die tijd: ‘Fräulein
Doktor had iets ongenaakbaars, de afstand was zeer groot. Zij was te knap en een sterke
persoonlijkheid. Hierom waren wij eigenlijk allemaal een beetje bang voor haar.’ Maar de
leerlingen zijn overtuigd van haar rechtvaardigheid en discretie. Ediths bescheidenheid maakt
indruk op iedereen die met haar te maken krijgt.
Deskundige
Via haar geestelijk leider krijgt ze opdracht werk van kardinaal Newman – een bekeerling – te
vertalen. Later van Thomas van Aquino. In 1931 vertrekt ze naar Münster. Aan het Instituut
voor Wetenschappelijke Pedagogiek wordt ze als docente voor de problematiek der
vrouwenvorming aangesteld. Ze wordt als deskundige in katholieke vrouwenkwesties
beschouwd. In een brief aan een vriendin schrijft Edith: ‘Als gymnasiaste en studente ben ik
radicaal feministe geweest; daarna verloor ik alle interesse in de problematiek. Thans ben ik,
daartoe genoodzaakt, op zoek naar zuiver objectieve oplossingen.’ Zij is van mening dat er
tussen vrouwen en mannen sprake is van zielsverschillen vanwege de verschillende
lichamelijkheid. Dat leidt zij af uit het principe van Sint Thomas. Maar in het spreken over de
56
vrouw binnen de kerk uit ze kritiek op het moderne canonieke recht. Daarin kan geen sprake
zijn van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, omdat de vrouw uitgesloten is van alle
gewijde ambten.
Karmelietes
Nadat Hitler in 1933 Rijkskanselier wordt en onmiddellijk
begint met zijn maatregelen tegen joden, mag ook Edith
geen les meer geven. Zij vraagt een persoonlijke
audiëntie aan bij Paus Pius XI, om hem te bewegen een
encycliek te schrijven over de jodenkwestie. Na een
tweede aandringen, krijgt ze een schriftelijke zegen voor
haar en haar verwanten. Meer niet.
In mei 1933 krijgt ze toestemming stappen te
ondernemen voor haar intrede in de Carmel. Ze kiest
voor het klooster in Keulen. In 1934 ontvangt ze het
ordekleed. Na de inkleding bepaalt de provinciaal dat ze
wordt vrijgesteld om het werk van St. Thomas af te
maken. Haar moeder overlijdt in 1936 op het moment
dat Edith de kloostergelofte hernieuwt. Na de ontdekking
door de nazi’s van een joodse in het Keulse klooster,
wordt ze in 1938 naar de Karmel in het Limburgse Echt
gezonden. Terwijl haar priorin nog op zoek is naar onderdak in een Zwitsers klooster, valt op 2
augustus 1942 het doek. Als represaille voor het herderlijk schrijven van de Nederlandse
bisschoppen, worden op die zondag alle niet-arische katholieken in Nederland gearresteerd.
Met een overvalwagen wordt Edith met haar zuster Rosa naar Westerbork gebracht. Op 9
augustus 1942 worden zij vergast in Auschwitz.
Edith Stein heeft zelf veel gepubliceerd en er is veel over haar geschreven. Daardoor is het
mogelijk ons een beeld over haar te vormen, kritisch kennis nemend van wat door en over
haar wordt verteld.
Literatuur





Groot, Maria de en Chr. Meroz, De vrijheid van Edith Stein, Kampen 1991
Leuven o.c.d., Romaeus, De weg naar binnen, uit de werken van Edith Stein, Brugge 1966
Kempner, Robert M.W., Twee uit honderdduizend, Anne Frank en Edith Stein, Bilthoven 1969
Graef, H., Edith Stein, een vrouw van deze tijd, Bilthoven/Antwerpen 1955
Stein, Edith, Mijn weg naar de waarheid, Druten 1980
57
Katharina von Bora: een Reuzin in Rok,
vrouwengeschiedenis (1998)
Sieth Delhaas
Doorkijk, oktober 1998
Inleiding
‘Die Lutherin’. Zo werd Katharina von Bora genoemd in het midden van de zestiende eeuw.
Komt men nu in het Saksen in de ex-DDR, dan zie je deze benaming opnieuw op de vele
aanplakbiljetten die toeristen moeten lokken naar historische plekken en monumenten waar
het leven van kerkhervormer Martin Luther en zijn vrouw Katharina von Bora zich afspeelde.
Onpersoonlijker kan het niet. Haar naam letterlijk afgeleid van de man waarmee ze was
getrouwd. Treffender drukte een Leipziger journalist het uit in het socialistische tijdperk toen
hij in 1983 ter gelegenheid van het 500e geboortejaar van haar echtgenoot, een serie
artikelen over Katharina schreef: een Reuzin in Rok.
Een eigen leven
Katharina wordt in 1499 geboren op het landgoed Lippendorf
bij Bora, ten zuiden van Leipzig. Op haar vierde, na de dood
van haar moeder, doet haar vader haar intern op de
kloosterschool van de Benedictinessen in Brehna. Op haar
achtste komt ze in het dichter bij haar ouderlijk huis gelegen
klooster van de Cisterciëncerinnen te Nimbschen.
Zowel op de kloosterschool als in het klooster krijgt Katharina
een goede opleiding. Als ze 16 jaar is doet ze haar intrede in
de Cisterciënzer orde. De regel van en de wijze van werken
binnen de orde bepalen haar verdere leven: hard werken,
zorgen voor eigen leeftocht, een complete bedrijfsvoering van
een machtig klooster.
Reformatie
Als Maarten Luther, Augustijner monnik, zijn kritiek toespitst
op het beleid van de Paus in Rome en de gelovigen wijst op de eigen verantwoordelijkheid als
christen, komt niet alleen het kerkelijk, maar ook het maatschappelijk leven ter discussie te
staan. De kerk heeft een scherpe lijn getrokken tussen de geestelijke en de huwelijkse staat.
Luther vecht deze aan. Hij, die zelf als kloosterling jarenlang geworsteld heeft met
geestelijke en praktische vragen, klaagt de misstanden binnen de kloosters aan tengevolge
van het celibaat. Hij benoemt in 1522 in een preek over de echtelijke liefde het huwelijk als
minstens zo heilig als het geestelijk leven.
58
Vermoedelijk hebben deze woorden, die in die roerige tijden natuurlijk ook in de meest
gesloten kloosters doordringen, de harten geraakt van de twaalf nonnen in het klooster
Mariënthron. Zij schrijven Luther, die als hoogleraar theologie aan de universiteit van
Wittenberg werkt. Hij zorgt er met behulp van de handelaar Leonhard Koppe voor, dat de
vrouwen in de Paasnacht van 1523 het klooster kunnen verlaten. Ongezien. Een gevaarlijke
onderneming. De hertog van Sachsen, over wiens gebied de nachtelijke rit gedeeltelijk gaat,
deinst er niet voor terug ontrouwe nonnen en monniken met de dood te straffen.
Bemind en beschimpt
Het huwelijk is de nieuwe bestemming van de vrouw als
ze niet te schande wil worden. Katharina laat zich
moeilijk uithuwelijken. Twee jaar werkt ze in de
huishouding van vooraanstaande burgers in Wittenberg.
Het langst bij de beroemde schilder Lukas Cranach. Ze
hebben haar graag met haar rijke ervaring als
kloostervrouw. Haar kunde op medisch gebied en de
kwaliteit van haar eigen gebrouwen bier staan hoog
aangeschreven.
Bij een zoveelste poging van Luther haar te koppelen
aan een man, dit maal aan de rector van de
Wittenbergse universiteit, doet Katharina een
waarschijnlijk doorslaggevende uitspraak tegenover een
wederzijdse vriend: als hijzelf of Luther haar als
echtgenote wil, zal ze niet weigeren. Maar niet de
rector wil ze niet.
Heeft dit Luther op een idee gebracht? Was hij al geboeid door haar? Feit is, dat veel tot de
nieuwe leer bekeerde vrouwen’ er voortdurend bij Luther op aan drongen zelf te trouwen om
zijn nieuwe ideeën over de huwelijkse staat kracht bij te zetten. Alleen op die manier immers
zal het huwelijk werkelijk als een geëerde staat worden erkend. Luther, die zowel door de
keizer als door de Paus vogelvrij is verklaard, weet dat zijn leven voortdurend in gevaar is.
Daarmee wil hij een toekomstig gezin niet belasten.
Hoe dan ook: in juni 1525 wordt Katharina ‘Die Lutherin’. In die status wordt zij een ‘Reuzin
in Rok’. Die benaming heeft zij niet in de laatste plaats te danken aan een nalatigheid van
Luther: hij bekommert zich niet om geld, vraagt geen honorarium voor de boeken die hij
schrijft en zijn salaris van de universiteit blijft veel te laag. Hij heeft immers zijn gaven van
God ontvangen en daar laat je je toch niet voor betalen? Dat zijn vrouw en zes kinderen en de
velen die bij het echtpaar onderdak zoeken en krijgen, moeten eten en leven lijkt hem te
ontgaan.
Katharina pakt de vaardigheden op die ze in het klooster leerde en verwerft zich met behulp
van de hertog van Saksen, die de Reformatie goed gezind is, landerijen waarop ze het voedsel
verbouwt voor het uitgebreide huishouden verbouwt. En dat niet alleen: ze zorgt ervoor dat
de slechte gezondheid van der Herr Doktor op peil blijft.
59
Katharina heeft als vrouw van Luther een zwaar bestaan. Samen hebben ze het goed. Maar
hun verbintenis wordt geteisterd door kwaadsprekerij en nijd. Het huwelijk tussen een
afvallige monnik en een gevluchte non kan volgens toenmalige ideeën niet anders dan de
Antichrist voortbrengen. Katharina weet hoe de haat haar zal treffen als de 15 jaar oudere
Luther eenmaal gestorven zal zijn.
In 1546 is het zover. Ze krijgt zware jaren. Ze moet vechten om haar zelf verworven bezit te
behouden. Immers een weduwe wordt in die tijd niet meer gegund dan een ‘stoel’ en een
‘mantel’. Even hard vecht ze voor de voogdij over haar kinderen.
Als in de zomer van 1552 in Wittenberg weer eens de pest uitbreekt, vlucht ze met have en
kinderen naar Torgau. Onderweg, als ze probeert haar op hol geslagen paarden te bedwingen,
breekt ze haar rug. Drie maanden duurt haar lijden. Haar graf is in de kerk van de
Cisterciënserinnen in Torgau. Haar kinderen sieren het met een indrukwekkende gedenksteen.
Nog te zien in de bewaard gebleven kerk.
Literatuur



Sieth Delhaas, Mevrouw Luther, Boekmakerij Luyten, 1983
Sieth Delhaas, Katharina von Bora, Uitgeverij Kok 1989/Uitg. Vita 1997 Narratio 2001 (ISBN
90-242-49112)
Drs. H.M. Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel, Ambo 1983
60
Raden Ayu Kartini, 1879–1904,
vrouwengeschiedenis (1998)
Sieth Delhaas
Doorkijk, september 1998
Inleiding
‘Werkelijk, een belangrijke factor tot volksbeschaving zal zijn de vooruitgang der
Javaansche vrouw! Derhalve is het der Regeering eerste taak het zedelijk bewustzijn
der Javaansche vrouw op te heffen, haar op te voeden, te onderwijzen, te vormen tot
een flinke, verstandige moeder en opvoedster. (…) Scholen alleen kunnen de
maatschappij niet vooruit brengen, ook het huisgezin moet meewerken. Vooral van
het huisgezin moet de opvoedende kracht uitgaan — het huisgezin is er dag en nacht,
de school slechts enkele uren van de dag. En hoe kan nu ‘t huisgezin zegenend
opvoeden, als zulk een voornaam element daarin, de vrouw, de moeder, geheel
onbekwaam is tot opvoeden?’
Met bovenstaande woorden, die Kartini een jaar voor haar overlijden schreef, streek ze niet
alleen de Nederlandse koloniale overheid, maar ook de leiders van haar eigen volk tegen de
haren in. Wie was die jonge vrouw, die, toen de strijd voor het vrouwenkiesrecht en –
emancipatie in Nederland volop aan de gang was, zich met huid en haar inzette voor de
bevrijding van de Indonesische vrouw? Hoe kwam zij aan haar moderne ideeën?
Vaststaat, dat zij gecorrespondeerd heeft met medewerksters van het feministisch damesblad
De Hollandsche Lelie. Ze is ook geïnspireerd door emancipatieromans als Hilda van
Suylenburg. Zij verzette zich, evenals haar Nederlandse medestandsters tegen de opvatting
dat de vrouw geen onafhankelijk bestaansrecht had. Maar de strijd van Kartini reikte verder:
met haar strijd voor de emancipatie van de vrouw had ze de bevrijding van haar hele volk op
het oog. Bevrijding uit koloniale onderdrukking en van feodale ‘adat’ (tradities).
Ouderlijk huis
Kartini, vijfde kind van een regent op Java, en
afkomstig uit een vorstelijk geslacht, mocht
als kind naar de Europese school. Dit ging in
tegen de adat die meisjes verbood buitenshuis
te komen. Daarnaast kreeg ze samen met haar
twee jongere zusjes in de middaguren thuis les
in naai- en borduurwerk van een Nederlandse
vrouw en Koranles van een godsdienstlerares.
Javaans leerde ze van een onderwijzer. De
vader, regent Sosroningrat had veel aandacht
voor het onderwijs aan zijn dochters en hun
geestelijke ontplooiing. Kartini had een scherp verstand en voor haar opvattingen kwam ze
61
vrij uit. Als haar vader haar meenam op zijn tochten langs de dorpen, moedigde hij haar aan
om, terwijl hij zijn besprekingen voerde, de dorpelingen mee te helpen met het werk op het
land.
Kartini sprak vloeiend Nederlands. Haar vader werkte daar aan mee door er voor te zorgen dat
er altijd Nederlandse boeken en tijdschriften in huis waren. De kinderen leerden gesprekken
voeren met volwassenen in zuiver Nederlands.
Vrij en onafhankelijk
Toen Kartini ongeveer tien jaar was werd ze gegrepen door de levensgeschiedenis van de
Indiase pionierster van de vrouwenbeweging Pundita Ramabai. ‘Dus niet alleen een blanke
vrouw kan zich vrij en onafhankelijk maken’, ontdekte ze. Vrij en onafhankelijk. Twee
woorden die zich in het leven van alledag aan haar opdrongen. Uit de gesprekken van de
oudere vrouwen had ze gehoord over dwanghuwelijken, mede-echtgenoten en verstoting. Al
vroeg begreep ze dat de vrouw leed onder de rechten van de man. Zij nam zich voor nooit op
zo’n manier te zullen trouwen.
In 1892 bereikte Kartini twaalf-en-een-half jaar oud de huwbare leeftijd. Dat hield in, de
vooruitstrevendheid van haar vader ten spijt, dat haar kans op verder studeren voorbij was.
Thuis moest ze blijven, binnenshuis en in afzondering, tot de echtgenoot zich aandiende. Haar
smeken om naar Semarang te mogen naar de HBS, of naar Holland samen met een
vriendinnetje om daar verder te leren, werd niet beloond.
Vier jaar duurde haar gevangenschap. De laatste helft deelde ze met de twee jongere zusjes.
Binnen de poort
Altijd binnen de muren met als enig uitgang de tuin, nooit door de poort. Fluisterend spreken,
geluidloos glimlachen zonder de lippen te openen, bedaard lopen, hurken en het hoofd buigen
als een ouder familielid langs liep. Zelfs vrouwen van ambtenaren die op bezoek kwamen —
met een van hen had ze een innige vriendschap ontwikkeld — mocht ze zien noch spreken.
Over haar oudste broer vertelt ze: ‘Als hij van de HBS thuiskwam moest ik voor hem buigen.
Als hij langsliep moest ik me van de stoel laten glijden en gehurkt, met gebogen hoofd
wachten tot hij voorbij was.’
Die tijd met haar zusjes samen heeft op alle drie de meisjes grote invloed. Kartini laat zich
niet klein krijgen door haar eigen problemen. Ze richt zich via haar eigen situatie op die van
de Indonesische vrouw. In die tijd ontdekt ze, dat ook haar vader aan polygamie doet.
Daardoor raakt ze in een shock. Haar broer Kartono bezorgt haar leesmateriaal over de
problemen van de moderne maatschappij, over emancipatie, over de Franse revolutie en werk
van beroemde schrijvers. De ‘leestrommel’ die regelmatig van nieuwe inhoud wordt voorzien
bevat ook lectuur over binnen- en buitenlandse vraagstukken. Zelfs verslagen van de Tweede
Kamer behoren tot Kartini’s lectuur.
Een van de resultaten van haar zelfontplooiing is dat op het moment dat haar oudere broers
en zuster het ouderlijk huis verlaten, Kartini als oudste dochter haar jongere broers en zusters
62
verlost van de vernederende etiquette. Zelf blijft ze tegenover de ouderen de etiquette in
acht nemen.
Plannen
Op de feestdag ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina is haar
gevangenschap voorbij. Zij en haar zusjes zijn uitgenodigd voor het feest in Semarang. Het is
het begin van een tijd waarin ze met haar beide zusters plannen uitdenkt, ontwikkelt en die
tracht te realiseren. Plannen, die de ontwikkeling van het land en de vrouw behelzen. Ze
schrijft artikelen en correspondeert met velen van wie denkt dat ze haar plannen zullen
kunnen ondersteunen. Door de positie van haar vader valt aan verdere opleiding niet te
denken, hoewel ze er tot het onmogelijke einde voor blijven vechten.
Heldin van nauwelijks 25 jaar
In 1898 leveren de drie zusjes bijdragen aan de Nationale Tentoonstelling voor Vrouwenarbeid
in ‘s-Gravenhage. Intussen weeft zich een web van roddel om de vrouwen, die met hun
spreken en schrijven onafgebroken zondigen tegen de adat. Ook Hollanders kunnen het maar
moeilijk verkroppen dat een inlandse vrouw, ook al is ze van adel, zich op goede gronden en
met doordachte argumenten verzet tegen de overheersing van een Europese natie.
Uit de correspondentie van Kartini blijkt hoe zij gemangeld wordt tussen politieke,
binnenlandse en koloniale belangen.
Tenslotte, nauwelijks 25 jaar, sterft Kartini. Misleid, geknakt en gehuwd met een polygame
echtgenoot.
63
Maar haar werk, haar strijd voor de vrouw en voor haar volk hebben in het moderne Indonesië
weerklank gevonden. Op 3 augustus 1964 is Kartini officieel verheven tot ‘Heldin van de
Nationale Onafhankelijkheid’.
Literatuur



Sitisoemandari Soeroto, Kartini, pionierster van de Indonesische onafhankelijkheid en
vrouwenemancipatie, Franeker 1984
Elisabeth Keesing, Hoe ruim een kooi ook is. Leven en lot van Kartini en haar werk.
Querido 1997
Kartini. Brieven aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot, Foris
Publications, Dordrecht 1987
64
Catharina De Grote, keizerin aller Russen,
1729-1796, vrouwengeschiedenis (1998)
Sieth Delhaas
Doorkijk, april 1998
Inleiding
‘Een verblindend blank gezichtje, grote blauwe ogen, lange donkere wimpers, een rechte neus,
een mond die lijkt te vragen om gekust te worden, volmaakt gevormde armen en handen en een
slank figuurtje; zij is tamelijk lang, erg lichtvoetig en toch waardig; zij heeft een prettige stem
en een vrolijke lach; ze voelt zich evenzeer thuis in de meest kinderlijke en gekke spelletjes als
in het optellen van een reeks moeilijke getallen.’
Deze beschrijving van de machtigste vrouw uit de achttiende eeuw is van Stanislaus Poniatovski.
Als secretaris van de Britse gezant komt hij, 22 jaar jong naar Rusland (1756). Later wordt hij
één van de minnaars van Catharina.
Meer dan een mannenverslindende vrouw
Misschien is het velen vergaan als mij toen ik me voor het eerst
met haar bezighield: verbazing dat Catharina niet een Russisch,
maar een Duits prinsesje uit een heel klein, onaanzienlijk
vorstendommetje bleek te zijn. Voor mij is ze daardoor
interessanter geworden omdat haar geschiedenis veel
genuanceerder ligt dan gedacht. Ik wist niet veel meer van haar
dan dat ze een wrede, mannenverslindende keizerin was.
Weliswaar gerekend tot de Europese vorsten die in de Franse
Verlichting waren geïnteresseerd, maar die de ideeën nooit in
praktijk bracht.
Auteur Vincent Cronin zegt in zijn levensbeschrijving van
Catharina: ‘Er zijn over deze Russische keizerin vele legenden
in omloop, vooral over haar liefdesaffaires, terwijl er zoveel
stof beschikbaar is die het tegendeel bewijst.’ Ik koos voor het
boek van Cronin omdat hij zijn kennis onder andere put uit een
dagboek dat een Engelse predikant en wetenschapper schreef,
toen hij in de jaren 1792-94 een jonge landgenoot op een reis door Rusland begeleidde. Dit
dagboek is pas in 1971 gepubliceerd; het leverde veel nieuwe gezichtspunten op Catharina’s
regeringsperiode. Daarnaast gebruikte Cronin rapporten van buitenlandse ambassadeurs, die pas
ná 1945 beschikbaar kwamen.
65
Rechte rug
Sophie, zoals Catharina tijdens haar Duitse jeugd heet, wordt lutheraans opgevoed. Dankzij haar
Franse gouvernante leert Sophie snel Frans spreken en de inhoud van Molières toneelstukken
kennen. Ze leert al jong om zelfstandig en kritisch te denken.
Dat ze de zware taak als keizerin in een ver, maar vooral vreemd land op zo’n bijzondere manier
heeft kunnen volbrengen, is wellicht terug te voeren op een ingrijpende gebeurtenis in haar
jeugd.
Zeven jaar oud wordt ze ernstig ziek. Na drie weken bedrust wordt ontdekt dat haar rug is
scheefgegroeid. De beul van Stettin, door haar vader te hulp geroepen, maakt voor haar een stijf
en strak zittend keurslijfje bevestigd aan een houten raamwerk dat ze dag en nacht moet
dragen. Na tweeënhalf jaar is haar rug weer recht.
Zorgen over Rusland
In 1744 worden er door keizerin Elisabeth van Rusland voorstellen gedaan voor een huwelijk van
Sophie met Peter III, toekomstige tsaar van Rusland. Na haar aankomst in Rusland
krijgt Sophie onmiddellijk onderricht in het orthodoxe geloof. Vanaf het sacrament van haar
bevestiging heet ze Catharina.
Van keizerin Elisabeth, 34 jaar oud en ongehuwd, leert ze dat deze zich niet gehinderd voelt
door haar vrouw-zijn. Omdat de Russen niet de invloed van de westerse kerkvaders hebben
ondergaan, is de opvatting hun vreemd dat een vrouw ‘minderwaardig’ is en dat het
‘onnatuurlijk’ is als zij heerst.
Na haar huwelijk met haar neefje Peter volgen er zes bizarre huwelijksjaren waarin de
aanstaande tsaar zich met speelgoedsoldaatjes vermaakt en zijn huwelijksplicht niet nakomt.
Catharina leest Franse en Griekse filosofen en verdiept zich in nieuwe regeringsvormen.
Zij maakt zich zorgen over Ruslands toekomst. Ze is van het land gaan houden. Haar echtgenoot
Peter, net als zij van Duitse afkomst, haat Rusland. Hij wil er een soort Pruisisch bewind voeren.
Wat, als keizerin Elisabeth, die steeds vaker ziek is, sterft? Peter vindt dat Rusland te lang door
vrouwen is bestuurd. Hij is van plan de doodstraf weer in te voeren die Elisabeth juist heeft
afgeschaft.
Deze ontwikkelingen en nog veel meer affaires brengen Catharina ertoe dat zij, als de keizerin
sterft en Peter zijn kroning tot keizer steeds maar uitstelt, op 28 juni 1762 een coup tegen haar
echtgenoot ondersteunt.
Een etmaal later is Catharina, 33 jaar oud, keizerin zonder één druppel bloed te hebben
vergoten. Haar man wordt een paar dagen later vergiftigd en gewurgd. De geschiedenis zegt dat
Catharina er niet bij betrokken was.
66
Het goede voorbeeld
Catharina treft een land in grote schulden aan. Het eerste wat ze doet is een landkaart
aanschaffen voor de Senaat die geen besef heeft van de omvang van het rijksgebied. Ze wil de
welstand in haar land verhogen. Ze stuurt deskundigen naar de verste uithoeken van het land om
de bodemgesteldheid te bestuderen en stelt plannen op voor het planten van gewassen. Uit
eigen zak betaalt ze de subsidies om landeigenaren Engelse landbouwmethodes te leren. Ze gaat
op zoek naar mineralen en biedt ondernemers de mijnen te koop aan. In 1773 worden de
zilverlagen aan de grens met Mongolië ontdekt. Ze moedigt de bonthandel aan.
Onderwijs, een onbekend verschijnsel, zet ze in de steigers door eigenhandig een statuut te
schrijven waarin ze de staat verantwoordelijk houdt voor onderwijs aan kinderen vanaf 5 jaar en
van beide geslachten. Leraren die in de verste uithoeken van het land dienst willen gaan doen,
krijgen extra salaris aangeboden.
Gezondheidszorg wordt een nieuw fenomeen. Catharina, die haar hele leven angst heeft voor
pokken, laat zich op 12 oktober 1768 als eerste in het land tegen deze ziekte inenten door de
Engelsman Dimsdale. Zij hoopt dat velen van de aristocratie haar voorbeeld zullen volgen. Zowel
in Petersburg als in Moskou koopt ze huizen die ingericht worden als inentingsklinieken. Dimsdale
krijgt de opdracht een voorlichtingsboekje over de entingen te schrijven. In 1763 sticht Catharina
de eerste medische faculteit met het doel Russische artsen, apothekers en chirurgen op te leiden
om in alle provincies van haar grote rijk de medische zorg en kennis te bevorderen.
Vondelingen
In Moskou bouwt ze een vondelingentehuis van vijf
verdiepingen. Als een moeder haar kind wil laten opnemen,
behoeft ze slechts aan te bellen waarna een mand wordt
neergelaten waar ze haar kind in kan leggen. Van de vrouw
wordt niet meer gevraagd dan een briefje met de voornaam
van het kind en of het al dan niet gedoopt is.
Affaires
Wie Catharina de Grote’s leven volgt komt inderdaad talloze
liefdesaffaires op het spoor. Maar doet ze daarin onder voor
haar mannelijke collega-vorsten uit die tijd? Feiten die bij
zulke stories verloren dreigen te gaan zijn haar uitnemend
vernieuwende ondernemingen tijdens haar lange
regeringsperiode. Wie het tot in details kan er meer over lezen.
Literatuur



Vincent Cronin, Catharina de Grote, keizerin aller Russen, Amsterdam 1979.
Jansen, M en E. van Ree, Russische schurken, Arbeiderspers 1992
Hans Driessen, Tsaar Paul, Amsterdam 1994
67
Heloïse, de ene helft van een klassiek
liefdespaar, vrouwengeschiedenis (1998)
Sieth Delhaas
Doorkijk, maart 1998
Inleiding
‘Heden ten dage’, schrijft de Franse historicus Georges Duby in zijn in 1985 verschenen boek
Ridder, vrouw en priester, de middeleeuwse oorsprong van het huwelijk, ‘twijfelt men aan de
echtheid van de correspondentie van Abélard met Heloïse (en daarmee aan haar bestaan, sd)
De vermeende brieven (…) vormen tezamen een stichtende preek. Zij laten zien hoe een
bekering verliep en de weg naar de hemel werd beklommen.’
Die uitleg over de liefde van de zeer geleerde twaalfde-eeuwse theoloog Pierre Abélard voor
Heloïse wordt met deze verklaring wel erg gerationaliseerd. Ze staat lijnrecht tegenover het
verhaal over Abélard en Heloïse dat de hoogleraar cultuurgeschiedenis Raoul Bauer vertelt in
zijn boek over Petrus Venerabilis, abt van het klooster in het Franse Cluny. Deze abt was een
tijdgenoot van Pierre Abélard. Hij nam hem op in zijn klooster nadat Abélard in een geleerd
theologisch conflict met zijn rivaal Bernard van Clairvaux voor een kerkelijke rechtbank in het
ongelijk was gesteld.
Het verhaal van Heloïse vertellen, is in feite de levensgeschiedenis vertellen van Abélard. Het
verloop van zijn leven en werk is uitvoerig beschreven. Door hem zelf en door anderen.
Ik heb Heloïse de ene helft van een klassiek liefdespaar genoemd. Daarmee verwijs ik naar
paren als Dante en Beatrice of Petrarca en Laura. Van die liefdes is prachtige poëzie bewaard
gebleven.
Het verhaal
Abélard, geboren in 1079, was als Franse jongeman van adel meer gecharmeerd van studie
dan van het militarisme waarmee de adel en de ridders zich destijds bezighielden. Zijn vader
had daartegen geen bezwaar, want hij deelde de liefde van zijn zoon. Als twintigjarige komt
Abélard vanuit Nantes naar Parijs. Toen al was hij geen domme jongen meer, want hij had
scholen bezocht waar hij door de beroemdste leermeesters was onderwezen in theologie,
wijsbegeerte en andere vakken van de zeven ‘vrije kunsten’. Vooral in de retorica en de
dialectiek was hij een meester. In die tijd werd gestreden over het feit of de kerk al dan niet
meesteres kon zijn over de wetenschap. Abélard is van mening dat de kerk geen grenzen mag
stellen aan de wetenschap. Sommige tijdgenoten zeggen, dat hij heel knap was, maar ook
ongelooflijk ijdel en zelfingenomen.
68
Lessen in liefde
In 1117, hij is dan 38 jaar, ontmoet Abélard Heloïse. Over haar identiteit en achtergrond is
nauwelijks iets bekend. Waarschijnlijk is ze ruim twintig jaar jonger dan Abélard en is ze
opgevoed in een klooster. Zij woont in Parijs in het huis van haar oom, de kanunnik Fulbert.
Ze heeft een uitstekende opleiding genoten. Ze spreekt Latijn en is goed thuis in de
dialectiek. Ze is geïnteresseerd in filosofie en literatuur. Bovendien is ze mooi. Fulbert vraagt
Abélard om zijn geleerde nichtje les te geven. Abélard geeft niet alleen les in het huis van de
oom, maar kan er zelfs woonruimte krijgen. Wat er daarna gebeurt citeer ik uit een brief die
Abélard jaren later schrijft aan een vriend:
‘Kortom, eerst verenigde ons een zelfde dak, en nadien het hart. Studie voorwendend
waren wij geheel overgeleverd aan de liefde. De lessen bezorgde ons de afzondering
die de liefde wenste. De boeken lagen open, maar er werden meer woorden van liefde
gesproken dan lessen in de wijsbegeerte gegeven, meer zoenen uitgewisseld dan
verklaringen, mijn handen streelden meer haar borsten dan zij boeken raakten. Onze
ogen weerspiegelden meer de liefde, dan dat ze voor het lezen van teksten gebruikt
werden.
Om alle argwaan beter uit de weg te ruimen, ging ik soms zo ver haar te slaan; slagen,
gegeven uit liefde, niet uit gramschap, uit tederheid, niet uit boosheid, waren de
fijnste van alle balsems. In onze vurigheid hebben wij alle fasen van de liefde
doorgemaakt. We hebben alles uitgeput wat de passie zich aan verfijning kan
inbeelden. Hoe nieuwer de verrukkelijkheden voor ons waren, des te overdadiger
wierpen wij er ons in; wij werden er nooit vermoeid van.’
Totdat oom het liefdespaar betrapt. De geliefden moeten scheiden.
Castratie
Als Heloïse vertelt dat zij een kind verwacht, ontvoert haar minnaar haar
en brengt haar naar het huis van zijn zuster. Abélard is met de oom tot
een vergelijk gekomen: hij zal Heloïse trouwen, maar in verband met
zijn status als beroemd theoloog — het huwelijk stond maatschappelijk
zeer laag aangeschreven — zal er geen ruchtbaarheid aan worden
gegeven. Fulbert houdt zich echter niet aan zijn afspraak. Hij brieft rond
dat Abélard is gehuwd. HeloÏse, overtuigd van het belang van haar
geliefde voor de wetenschap, spreekt het gerucht tegen. Heloïse vlucht
met haar intussen geboren zoon terug naar het klooster waar ze is
opgevoed. Abélard wordt er door zijn schoonfamilie van verdacht dat hij
Heloïse heeft gedwongen non te worden. Fulbert zint op wraak. ‘Op een
nacht’, schrijft Abélard, ‘toen ik in een afgelegen kamer rustig sliep,
leverde een van mijn dienaren die met goud was omgekocht, mij aan
hun wraak over; de meest barbaarse en schandelijkste van alle
wraaknemingen. Ze sneden de lichaamsdelen af waarmee ik de door hen
gewraakte fout had bedreven.’
69
Abélard kiest daarna ook voor het klooster. Heloïse’s reactie vanuit het klooster: ‘O, machtige
echtgenoot, die mijn slaapvertrekken onwaardig zijt! Had ik het recht mijn lot op zulk
hoogstaand hoofd over te laden? Waarom ben ik, gewetenloze, gehuwd, indien ik je
ongelukkig moest maken? Aanvaard als boete de straffen die ik vrijelijk wil ondergaan.
Abélard trekt zich terug, maar Heloïse blijft hem uitdagen hun liefde niet te vergeten. Al
jaren zijn ze van elkaar gescheiden, maar de regels waarmee ze één van haar brieven aan
hem begint, verraden haar gevoelens: ‘Eén blik op het opschrift en ik herkende dadelijk dat
hij van uw hand was; ik heb hem beginnen te lezen met een vurigheid zo groot als de
tederheid waarmee ik de schrijver omhels. Op die wijze kon ik, nadat ik zijn persoon verloren
had, tenminste uit zijn woorden een bepaald beeld van hem in mij terug oproepen.’
Ontkenning
Waarom, vraag ik me af, hebben sommige
historici er zo’n moeite mee om zo’n
prachtige liefde als die van Heloïse en Abélard
te ontkennen? Omdat hij zo lichamelijk is en
niet, zoals bij de eerder genoemde
liefdesparen zo kuis en poëtisch beschreven
wordt? Zeker mannelijke tijdgenoten konden
niet uitstaan dat een man zich verloor in een
vrouw. Een vrouw vertegenwoordigde het
lagere en kon je nooit iets goeds brengen.
De laatste twintig jaar is er vanuit nieuwe
inzichten onderzoek gedaan naar het leven
van dit liefdespaar. Het is de moeite waard om daar over verder te lezen. Vooral de
minnebrieven zijn de moeite waard en zullen de lezeres zelf tot een uitspraak dwingen: waar
of niet waar.
Wie de begraafplaats van Père Lachaise in Parijs bezoekt, vindt daar het majestueuze
columbarium waar het paar voor eeuwig herenigd ligt.
Literatuur




Georges Duby, Ridder, vrouw en priester, Amsterdam 1985
Raoul Bauer, In het teken van verzoening, Tielt (B) 1991
Heylen, V. en Marina Gelaude, De minnebrieven van Abélard en Heloïse,
Antwerpen/Amsterdam 1980
Illustratie: De verdrijving uit het paradijs (fresco, kapel Brancacci, Florence)
70
Simone De Beauvoir, 1908–1986,
vrouwengeschiedenis (1998)
Sieth Delhaas
Doorkijk, januari 1998
Inleiding
‘De Beauvoir bood jonge vrouwen uit de jaren zestig een vervangende identiteit. Ze
had uit principe de rol van huisvrouw geweigerd. Haar kinderloosheid zonder seksuele
onthouding vormde een levende mogelijkheid. Met eigen middelen was ze ontsnapt
aan financiële en maatschappelijke afhankelijkheid en haar verhouding met Sartre
leek, volgens de geruchten, een ideale.’
Deze woorden schrijft de Engelse Judith Okely over De Beauvoir. Ze studeerde enkele jaren
aan de Sorbonne in Parijs, onder andere om maar in de buurt van haar grote voorbeeld te
kunnen zijn. Zo is het onnoembaar veel vrouwen over de hele wereld gegaan.
Voorbeeld tegen wil en dank
Bekend en beroemd is Simone de Beauvoir
door haar boek met de veelzeggende titel De
tweede sekse. Het wordt gezien als een soort
bijbel voor feministen. In de jaren vijftig en
zestig was ze van immense betekenis voor
vrouwen uit de westerse middenklasse, die in
hun huishouding en relatie geïsoleerd
leefden.
In Nederland is het invloedrijke boek De
vrouw (Buytendijk 1951) een katholieke
reactie op De tweede sekse. In de jaren zeventig werd het boek in de vrouwenbeweging en
praatgroepen als uitgangspunt gebruikt voor diepgaande discussies over de positie van
vrouwen.
De Beauvoir is niet als feministe aan de tekst gaan werken. Pas in 1971 heeft ze zichzelf tot
het feminisme bekend. In 1978 merkte ze in een interview op over de invloed van De tweede
sekse: ‘Als mijn boek vrouwen heeft geholpen, is dat omdat het uitsprak wat zij waren en zij
het op hun beurt waarmaakten.’
Voor velerlei uitleg vatbaar
Het boek dat ook in het Nederlands vele herdrukken heeft beleefd telt bijna negenhonderd
pagina’s. Het eerste deel handelt over feiten en mythen die in het verleden door mannen over
de vrouw geschreven zijn. Het tweede deel gaat over de geleefde werkelijkheid. Eén van de
71
meest aangehaalde uitspraken van Simone de Beauvoir is: ‘Men wordt niet als vrouw geboren,
men wordt vrouw gemaakt.’
Wie was Simone de Beauvoir?
Deze vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Decennia lang is zij hét grote voorbeeld
gebleven voor miljoenen vrouwen in de wereld. Of zij zich nu wel of geen feministen
noemden. De laatste tien jaar is daar wat verandering in gekomen. Dat heeft vooral te maken
met de verschijning van haar biografie en haar briefwisseling met Sartre, haar levensgezel
vanaf haar studietijd.
De vraag die na het lezen van haar biografie bij velen op kwam is: in hoeverre praktiseerde de
Beauvoir zelf een feministische levensstijl gezien haar relatie met Sartre? Bleef ze immers
niet afhankelijk van zijn luimen en goedkeuring? Terwijl anderzijds de veronderstelling
meermalen is geuit dat de filosofie waardoor Sartre bekendheid kreeg uit háár koker kwam.
Solange Leibovici schrijft in 1990 in De Volkskrant: ‘Die onvermoeibare, hardwerkende en
intens levende vrouw was al bekend. Maar uit haar (oorlogs)dagboeken en verloren gewaande
brieven aan Sartre komt Simone naar voren als een dominante, soms kleingeestige en jaloerse
vrouw, narcistisch en egocentrisch.’
De vraag blijft dus: wie was zij eigenlijk? Haar beeld zal door de jaren heen steeds blijven
veranderen. Dat hangt samen met de manier waarop mensen vanuit hun eigen tijd naar haar
zullen kijken.
Latrelatie met een gouden randje
In hun jeugd zijn Simone en haar zusje
Hélène zeer streng katholiek opgevoed door
hun moeder. Haar vader gaat, nadat hij
tijdens de eerste wereldoorlog bankroet
raakte. steeds meer aan de drank. Dit alles
heeft vooral op Simone een fatale uitwerking.
Ze verandert van een vrolijk in een ziekelijk
kind met een dwangmatig gedrag. Ze maakt
vanaf haar achtste jaar alles ondergeschikt
aan het leren, zodat niets haar meer kan
deren.
Na een opleiding voor onderwijzeres krijgt ze van haar ouders gedaan dat ze filosofie mag
studeren aan de Sorbonne, een universiteit in Parijs. Daar leert ze Sartre kennen. Hij was niet
bepaald een aantrekkelijk jongmens. Hij was klein, iets meer dan één meter zestig, zo
beschrijft haar biografe hem. Hij zat vol puistjes en had bovendien een scheel kijkend
rechteroog. Zijn haar begon, ondanks zijn nog jeugdige leeftijd, al te dunnen en zijn tanden
en vingers waren geel van de tabak, want hij was een kettingroker. Vóór hem pleitte zijn
melodieuze stem en zijn onovertroffen intellect.
72
De Beauvoir heeft mannen nooit als onderdrukkend beschouwd, maar als haar gelijken.
Voor zichzelf dwingt ze bij iedereen respect af door haar intellect. Sartre zei: ‘Ik kon ten
overstaan van Simone ideeën formuleren voordat zij vaste contouren hadden. Ik legde ze aan
haar voor op het moment dat zij werden gevormd. Zij was de enige die ongeveer evenveel van
mij wist als ikzelf, of van wat ik van plan was te gaan doen. Daarom was zij de uitgelezen
persoon om mee te spreken. Iemand die je zelden treft. Wat uniek is tussen mijzelf en Simone
is de gelijkwaardigheid van onze relatie.’
En die relatie duurde meer dan vijftig jaar. Ze trouwden nooit en woonden altijd apart.
Simone zei er over: ‘Wij gingen samenwerken toen Sartre drieëntwintig was en ik
eenentwintig. Sartre was op het filosofische vlak creatiever dan ik en in dit opzicht had hij
veel invloed op mij, want ik had geen persoonlijke filosofie. In dit kader was ik niet meer dan
een leerling, iemand die hem begreep.’
Hartstochtelijk feministe
Hoe is de Beauvoir ertoe gekomen De tweede sekse te schrijven? Zelf had ze nooit ontdekt dat
ze als vrouw onderdrukt werd. Het idee voor het boek ontstond toen ze alsmaar over zichzelf
moest nadenken en haar eigen positie moest verklaren omdat er openlijk kritiek op haar en
haar verhouding kwam. Er werd over haar gesproken als La Grande Sartreuse. Er verschenen
spotprenten over haar en haar seksleven in de kranten. Daardoor ontstond de behoefte om
een filosofisch essay te schrijven dat haar belagers door intelligentie en waardigheid zou
verwarren en beschamen.
Pas in 1971 sloot Simone de Beauvoir, nadat deze vrouwen zelf contact hadden gezocht, zich
aan bij de Mouvement de Liberation des Femmes in verband met het nieuwe wetsontwerp
over abortus. Nog geen jaar later was ze een hartstochtelijk feministe. Tot aan haar dood
heeft ze zich ingezet voor het feminisme.
Bronnen


Deirdre Bair, Simone de Beauvoir, Anthos/Lannoo 1990
Judith Okely, Simone de Beauvoir, Amsterdam 1987
73

Vergelijkbare documenten