Kempensche Tydinghen - Gidsen Antwerpse Kempen

Commentaren

Transcriptie

Kempensche Tydinghen - Gidsen Antwerpse Kempen
Nr. 47
april – mei - juni 2007
–
Kempensche
Tydinghen
Welkom iedereen
op de nieuwe
Sas4-toren
Driemaandelijks tijdschrift van de Gidsen van de Antwerpse Kempen.
Verantwoordelijk uitgever: Frank Vermeren, Silvesterlaan 11, 2970 ‘s-Gravenwezel
Inhoud
Pagina
2
2
4
7
7
20
21
33
Woordje van de redactie
Verslag van de vergadering van 4 juni 2007
Nieuws vanuit FTG
Speciaal voor Kempense lekkerbekken
Loting en conscriptie (Herman Knaeps)
Interessante weetjes
Geschiedenis van de schoen in de Nederlanden
Postelse beelden
De nieuwe Sas4-toren bij het kruispunt van kanalen te Dessel
Op 22 april 2007 werd de Sas4-Toren in Dessel officieel geopend voor het grote publiek.
De toren is 37 meter hoog en geeft een schitterend uitzicht. Bij helder weer kan je
ettelijke kilometers ver zien, zelfs tot de mijnen van Beringen. De toren telt 217 trappen
en is makkelijk te betreden. Om ook mindervaliden de kans te geven hiervan te genieten,
zijn er webcams op de top geplaatst waarvan de beelden onderaan te bekijken zijn.
Vanop 35 meter hoogte heb je een mooi uitzicht op de zandontginningsputten, die een
zichtbare impact hebben op het landschap. Deze waterplassen zijn bekend als de
Kempense Meren. Een aantal herkenningsspunten zijn duidelijk te zien: de Molse toervaarthaven, de fabrieken van SCR-Sibelco, de kerktorens van de omliggende gemeenten.
De toegang is gratis.
Bij de Sas4-Toren ligt ook het vertrekpunt van de 4,8 lange wandelroute "De Zandloper".
Het gemeentebestuur van Dessel is op zoek naar vrijwilligers die bereid zijn om in een
beurtrolsysteem de Sas4-Toren te bemannen tijdens het toeristische seizoen.
Kandidaten moeten sociaal zijn en voldoende vrije tijd hebben. Meer info: 014-38.99.20
Hofke van Bajot te Lichtaart
… uitgesproken met een “harde T” achteraan!
Geboren te Lens-Saint-Servais in 1893, werd
Nestor Désiré Bajot als milicien van de lichting
1913 uitgekozen om te dienen in het prestigieuze
“1e Regiment des Guides”. Op 12 augustus 1914
was het regiment aanwezig bij de de
Slag van Halen, beter bekend als “De
Slag
van
de
Zilveren
Helmen”.
Nauwelijks een week later was het
volledige Belgische leger verplicht zich
terug te trekken op de Versterkte
Stelling van Antwerpen. Zo kwam
vermoedelijk op 20 augustus 1914 te
Lichtaart een Duitse patrouille in contact met een Belgische en
was er een korte schermutseling. Soldaat Bajot sneuvelde als eerste Belgische soldaat en
werd ter plaatse begraven op de Hoogenbergheide. Later werden de stoffelijke resten
van Nestor Bajot overgebracht naar zijn
geboortedorp, waar hij als enige gesneuvelde
als een held vereerd wordt. Zijn grafsteen doet
er tevens dienst als gemeentelijk oorlogsmonument 14-18 en te Lichtaart bestaat het
“Hofke van Bayot” nog altijd.
‘t Is maar dat je het weet!
-1-
Suskewiet
Woordje van de redactie
Beste collega,
Stilletjesaan is het toeristisch seizoen in de Kempen weer op kruissnelheid gekomen, de
toeristen zijn ontwaakt uit hun winterslaap en voor sommigen van onze collega’s breekt er
opnieuw een druk, voor anderen wellicht iets minder druk, gidsseizoen aan. Voor diegenen
die hun gidsdiploma graag in de praktijk zouden willen omzetten is er maar één boodschap,
nl. ga zelf actief op zoek naar opportuniteiten! Of zoals een zelfstandig ondernemer het
eens gevat verwoordde: “Ze brengen het niet thuis…”. Alleszins veel succes gewenst.
Om de driemaandelijkse sleur te doorbreken speelde GIVAK de laatste tijd al eens op
verplaatsing, en achteraf bekeken betekende dit toch altijd een mooie meerwaarde voor al
diegenen die de verplaatsing wilden doen. Vóór de vergadering verruimden we onze kennis
dank zij de uitleg van een lokale collega, we vergaderden eens in een andere omgeving en
ontdekten zo weeral nieuwe dingen. Na de laatste geslaagde vergadering, die plaatsvond in
de Postelse abdij, komen er zeker nog andere locaties aan bod.
Langs deze weg moet toch eventjes de schijnwerper gericht worden op een collega die ons
vanuit zijn verre en zonnige schrijfkamer in de Languedoc elke drie maanden een meer dan
interessant artikel doormailt, telkens met een heel bijzondere invalshoek. Of het nu gaat om
valken, Kempense kanalen, de 10e grootste Belg of andere thema’s, telkens overvalt hij ons
met onverwachte en boeiende wetenswaardigheden, zaken die voor een gids zo belangrijk
zijn. Herman, bedankt en… jawel, doe zo voort!
En moest je je vervelen, dan zijn er in de provincie Antwerpen tientallen en nog meer
gezellige en plezierige uitjes (nvdr:geen ajuintjes!) die je tijdens de komende zomer kan
gaan ontdekken. En ondertussen doe je misschien nog inspiratie op voor toekomstige
rondleidingen want… gids zijn laat je nooit helemaal los.
De redactie
Verslag van de vergadering van
4 juni 2007 in de abdij van Postel
Frans Schippers
Aanwezig (20)
Mil Blanquaert, Bert Bogaert, Frans Schippers, Harry Geyskens, Rita Luyten, Pieter Melis,
Jeannine Meeus, Willy Jacobs, Rene Claessen, Sandra Van Woensel, Marie-Jose Hopmans,
Frieda Bols, Brigitta Ruymaekers, Yvonne Helsen, Bert Leysen, Josee verbreuken, Staf Van
Der Velde, Rob Daniels, Paul Dierckx, Maria Liedts.
Verontschuldigd (16)
Frank Vermeren, Edward Olbrechts, Eddy Braekmans, Frans Van Elsen, Cynthia Yskout, Mil
Van Den Bosch, Marleen Gabriels, Raymonde Van Den Broeck, Vie De Zitter, Ludwig
Cerstiaens, Karel Hendrickx, Herman Van Der Borght, Jef Belmans, Lutgarde Tatrai, Juliette
Van Ermengem, Maria Macauter.

Om 18.00 uur was het verzamelen bij de poort van de abdij van Postel. Hier wachtte
Marcel Hannes, van de gidsenkring van Mol, ons op. Marcel Hannes leidde ons
vervolgens rond in de abdij, wij bezochten o.a. de kerk, het pesthuisje, de
kaasmakerij en de bibliotheek. Het was een interessante en leerzame rondleiding.

Het was de bedoeling dat wij een (kunst)restauratuur in zijn atelier zouden bezoeken
maar ivm de veiligheid in het atelier en de problemen met de verzekering kan dit
-2-
bezoek niet doorgaan. Wel wil de restauratuur een uitleg / lezing geven op locatie,
bv in een kerk. Hier wordt later op teruggekomen.

De volgende vergadering, op 10 september, zal gehouden worden in het Begijnenhof
in Herentals. Waar precies, de tijd, hoe men moet rijden en waar men kan parkeren
zal op tijd bekend worden gemaakt.

In het voorjaar van het volgend jaar zal een vergadering worden gehouden in het
Zoerselbos.

Harry Geyskens las het kasverslag voor en het positief resultaat is dat er 1700,00
euro in de kas is.

Kerststallentocht: Er is commentaar op de huidige manier van keststallentochten
organiseren. De gidsen willen zelf de tochten plannen, zodat de tochten logischer in
elkaar zitten en de belevenswaarde verhoogd kan worden. Ideeen met betrekking
van het organiseren van de kerststallentochten en tips om de kerststallentochten te
promoten zijn welkom.

Gidsen in hedendaagse architectuur: Met een theoretische dag in Antwerpen en een
workshop op locatie kregen de deelnemers uitleg hoe een gids,die een gebouw gidst,
dit het beste kan doen en het beste kan aanpakken, bv hoe met een groep om te
gaan in en rond een gebouw en wat het doel van de opdrachtgever is en hoe de
architect de opdracht heeft gezien. De teksten van “Gidsen in hedendaagse
architectuur” zullen aan iedereen worden toegestuurd.

In 2008 worden nieuwe gidskaarten van het FTG aan de gidsen verstrekt. Een
formulier voor het invullen van de persoonlijke gegevens wordt tegen september aan
iedereen toegestuurd. Samen met een pasfoto moet dit formulier in september
worden bezorgd aan de secretaris van GIVAK, Frans Schippers.

Het zelfstandigen-statuut is inmiddels via e-mail aan iedereen toegestuurd.

Aan onze website wordt hard gewerkt. De bedoeling is dat op onze website links
komen naar andere gidsenverenigingen. Ook de vermeldingen van studiedagen,
gidsbeurten van kandidaatgidsen en workshops worden op de website geplaatst. Ook
worden de nummers van “Kempensche Tydinghen” gearchiveerd en op de website
gezet. Foto’s die op de website komen worden ondertiteld met wat er op de foto te
zien en in welke gemeente dit te vinden is. Een teller wordt er aan toegevoegd,
zodat het zichtbaar is hoe vaak de website is bezocht. Het promoten van de website
kan oa gebeuren als de gids een handtekening zet met verwijzing naar onze website.
Ideeen met betrekking tot onze website zijn altijd welkom.

De firma Sibelco heeft naast de bestaande tentoonstellingsruimte “Kristallijn” een
oude boerderij omgebouwd tot een centrum, waar de verwerking van zilverzand
van het begin tot de eindproducten te volgen is. Dit nieuwe centrum wordt genoemd
“Quarts Experience”.

Rotterdam is dit jaar de architectuur hoofdstad van Europa.
Inlichtingen over deze interessante gebeurtenis kan men vinden op de volgende
sites:
www.rotterdam 2007.nl - voor algemene informatie
www.spido.nl – voor rondvaarten in de haven
[email protected] – voor begeleidende fietstochten in Rotterdam.
De volgende vergadering vindt plaats op
maandag 10 september 2007 in Herentals.
Meer bijzonderheden volgen nog.
-3-
Nieuws vanuit FTG
Aanvraag erkenning “Nautisch gids” door FTG
FTG heeft tot hiertoe alleen met gidsenverenigingen gewerkt waarvan de leden erkende
toeristische gidsen zijn. De opleiding “Nautisch gids” zal in de toekomst ook door Toerisme
Vlaanderen erkend worden voor het gidsen op de waterwegen. Aangezien dit voor FTG een
nieuw gegeven is, is het noodzakelijk hierover eerst meer informatie te hebben wat
opleiding en werkterrein betreft. In principe zou het moeten kunnen dat dergelijke
verenigingen ook onder de werking van FTG zouden vallen. Dit wordt verder uitgeklaard.
Nieuwe opleidingen
Antwerpen
Syntra Turnhout: basis en finaliteit reisleider
PCVO Antwerpen: basis en finaliteit stadsgids Antwerpen en stadsgids Mechelen (sept 2007)
CVO Turnhout: basis en finaliteit streekgids Antwerpse Kempen (september 2007)
Evaluatie modulaire opleiding basisgedeelte
Op 25/01/07 werd de verdere bespreking van het basisgedeelte aangepakt. Evaluatie loopt
goed.
Vaststelling: PCVO’s volgen de afspraken zeer goed. De Syntra’s volgen hun eigen weg.
Voor de basisopleiding is er in grote lijnen een eenvormigheid op komst.

Inhoud finaliteit gids
FTG werd gevraagd advies uit te brengen over het voorstel van inhoud van de
finaliteit toeristisch gids.
Het totaal aantal opleidingsuren voor dit tweede gedeelte bedraagt 200 uur
opgesplitst als volgt:
A. finaliteit gids van 120 uur waarvan 40 uur gemeenschappelijk en 80 uur volgens
bestemming
B. project toeristisch gids van 80 uur (praktijk + eindwerk)
Op 9 mei komt een beperkte werkgroep samen om hierover aan Toerisme
Vlaanderen advies uit te brengen.

Structuurschema modulaire opleiding
De huidige voorlopige structuurschema’s van de modulaire opleiding moeten tegen
15 mei hertaald worden naar definitieve schema’s. Vanuit onderwijs is er een aantal
voorstellen voor wijziging geformuleerd, gebaseerd op de opgedane ervaringen van
een aantal onderwijsverstrekkers. Deze voorstellen worden aan de desbetreffende
organisaties ter bespreking overgemaakt. Op 11 mei komt de werkgroep in Brussel
samen om hierover een beslissing te nemen.

Onthaal en gidsen van personen met een handicap
Laatste bijscholing had plaats in Oudenaarde op 17 maart 2007.
Stand van zaken samenwerkingsakkoord met Toerisme Vlaanderen
Nog geen definitief voorstel.

09/02/2007: Toerisme Vlaanderen had voorgesteld de invulling van de finaliteit te
koppelen aan de inhoud van het samenwerkingsakkoord en dit dan samen te
bespreken. FTG is van mening dat beide zaken afzonderlijk moeten behandeld
worden. Wat niet wil zeggen dat de opleiding in het samenwerkingsakkoord geen
belangrijk punt is. Toerisme Vlaanderen zal de beide onderwerpen
afzonderlijk bespreken.

09/03/2007: het tegenvoorstel van samenwerkingsakkoord is nog niet klaar. Het
punt “opleiding” moet nog verwerkt worden.

23/04/2007: voorstel van Toerisme Vlaanderen nog niet klaar. Wordt opgevolgd.
Verslag infosessie sociaal en fiscaal statuut voor gidsen en reisleiders
Wanneer? 05 april 2007
Waar? Aula van het Consciencegebouw in Brussel
-4-
Voor wie? Alle gidsenverenigingen en organisatie die met gidsen of reisleiders werken.
Maximum 3 gidsen per vereniging. Uitnodigingen voor de gidsenverenigingen verzonden
door FTG
Organisatie: Toerisme Vlaanderen
Doel: voorstellen van de resultaten van het onderzoek georganiseerd door Universiteit
Antwerpen en voorstellen van mogelijke pistes met betrekking tot het bekomen van een
sociaal en fiscaal statuut.
Verslag van de infosessie
Eerst en vooral een proficiat aan alle aanwezige afgevaardigden van een gidsenbond, lid van
FTG. Niet minder dan 30 op de 144 deelnemers.
De namiddag was opgesplitst in twee delen:
1. Voorstelling van de bestaande statuten op sociaal en fiscaal vlak
Voor FTG weinig of geen nieuwigheden. Alles is terug te vinden in het bundel van
Walter Janssens dat aan elke gidsenvereniging wordt bezorgd. Deze tekst zal nog
geruime tijd meegaan.
Besluit
a. grote nood aan informatie die eenduidig, objectief, neutraal en laagdrempelig
moet zijn.
b. Toerisme Vlaanderen kan een pro actieve rol spelen.
c. Toerisme Vlaanderen kan een duidelijk signaal geven voor de totstandkoming
van een sociaal en fiscaal statuut.
d. Het statuut van de kunstenaar wordt naar voren geschoven.
2. Panelgesprek.
De afgevaardigden voor de gidsen en reisleiders in het panel waren Johan De Ridder
(FTG) en Karel Peeters (ROC). Volgende besluiten werden door beide
vertegenwoordigers getrokken:
 Vragen kwalitatief (professionele opleiding) goede gidsen. Absoluut geen
beroepsgidsen.
 Bij het aangeven van de eigenlijke onkosten moet de grens van
terugbetaalbare kosten verhoogd worden
 Het vrijwilligersstatuut moet een sociaalrechterlijke omkadering krijgen
(vooral voor reisleiders)
 Streven naar het toepassen van het kunstenaarsstatuut met de toepassing
van een aangepaste kleine vergoedingsregel
 Hanteren van minimumtarieven door elke gids of organisatie
 Toerisme blijft de informatieverstrekker van FTG die zijn leden duidelijk wil
informeren.
3. Vragenstelling publiek.
A. Elishout (Coovi)
1. Pleidooi voor het werken met beroepsgidsen.
2. Afbouwen van gepensioneerden als gids. Werken met jongeren.
3. Is geen voorstander van een specifiek statuut voor gids/reisleider.
Reactie panel
1. Onmogelijk in de praktijk toe te passen. Wel streven of zelfs eisen voor een
professionele opleiding.
2. Absurde stelling. Leeftijd heeft niets te maken met professionaliteit.
Beschikbaarheid van gidsen wordt niet werkbaar.
3. bestaande statuten bieden geen oplossing voor ALLE gidsen/reisleiders.
Een aangepast statuut is een noodzaak.
B. Museum Antwerpen.
Streeft naar een professioneel statuut uitsluitend voor museumgidsen als
beroepsgids.
Reactie panel
Te weinig opdrachten voor het werken met beroepsgidsen. Een nieuw
statuut moet een oplossing worden voor alle gidsen. Geen onderverdelingen.
-5-
C. West-Vlaamse reisleider.
Gids moet overal gidsen.
Reactie panel
De nieuwe modulaire opleiding geeft een certificaat van regiogids of gids voor een
kunststad, geen diploma voor alle steden. Bijkomende opleiding, zelfstudie of
diepgaande bijscholing blijft noodzakelijk om overal te kunnen gidsen. In praktijk
is het de opdrachtgever die zal bepalen of een gids al dan niet voldoende kennis
heeft om ter plaatse te gidsen.
D. Antwerpse gids.
FTG wordt door de kleine gidsenverenigingen in haar werking gegijzeld.
Reactie panel
FTG is een federatie die haar werking opbouwt voor alle 41 aangesloten
Gidsenverenigingen, zonder onderscheid van aantal leden. Alle gidsen zijn even
belangrijk en alle verenigingen hebben een evenwaardig spreekrecht. Elk
aangebracht probleem wordt behandeld in functie van zijn waarde t.o.v. alle
verenigingen.
Algemeen besluit van de infosessie
Een lovenswaardig initiatief, maar nog geen tastbare veranderingen voor de toekomst.
FTG vat samen
 Zeer moeilijke en gevoelige materie
 Enorm veel tegenstellingen
 Heeft nog een lange weg af te leggen vooraleer een oplossing zal geboden
worden.
 Alle gidsen zullen eind mei (?) over het statuut nogmaals bevraagd worden
 Het bestaande vrijwilligersstatuut wordt in 2008 geëvalueerd en mogelijks
aangepast
Aanvragen nieuwe FTG-kaarten
De huidige FTG-kaart vervalt op 31 december 2007. De nieuwe kaarten voor de periode
2008-2012 kunnen vanaf juni (na ontvangst van de formulieren) bij FTG aangevraagd
worden.
Wie heeft recht op een kaart?
Alle officieel erkende gidsen, actief of passief, die lid zijn van een gidsenvereniging
aangesloten bij FTG. De vereniging is en blijft verantwoordelijk voor de aanvragen van de
kaarten.
Kostprijs?
5 Euro per kaart. Het totale bedrag wordt door de vereniging gestort op het
rekeningnummer van FTG, zijnde: 001 – 1680730 – 87 t.n.v. FTG Capucienenstraat 25
8900 Ieper
Hoe aanvragen?
Elke gidsenvereniging ontvangt via de drie contactadressen twee formulieren:
 Een formulier voor het opvragen van de persoonlijke gegevens van de gidsen. Dit
gebeurt door de gidsenvereniging. Dit formulier blijft bij de gidsenvereniging en dient
om de kaart, na ontvangst van FTG, in te vullen.
 een formulier om het globale aantal kaarten aan te vragen, wat alleen en uitsluitend
door de gidsenvereniging kan gebeuren. Individuele gidsen kunnen persoonlijk de
FTG-kaart niet aanvragen.
Bij wie aanvragen?
Schriftelijk met vermelding van aantal kaarten, de naam van de vereniging en naam en
adres van de aanvrager, gericht naar Raoul Saesen Capucienenstraat 25 8900 Ieper
(tel/fax: 057 20 87 42).
Na ontvangst van het overeenkomstig bedrag zullen de kaarten op de algemene
vergadering van september en december aan de verenigingen overhandigd worden.
Wanneer aanvragen?
Vanaf het moment dat de twee formulieren verzonden zijn, en dit gedurende het ganse jaar
2007 en volgende. Doch liefst gezamenlijk voor eind november, waardoor alle kaarten op de
-6-
vergaderingen kunnen uitgedeeld worden.
Speciaal voor Kempense lekkerbekken
Witte en groene bonen uit Zandhoven
Benodigdheden
500 g witte bonen
500 g groene bonen (of snijbonen)
nootje boter
2 sjalotjes of 1 ui
½ liter rundsbouillon
2 of 3 eetlepels mosterd
peper, zout
scheutje azijn
bloem
Dit gerecht werd geserveerd met gekookt
soepvlees
en gekookte aardappelen met
een zure eiersaus.
Kook de witte en de groene bonen apart gaar.
Versnipper een ui of 2 sjalotjes en stoof ze aan
in een nootje boter. Bestrooi met bloem en laat
eventjes drogen op een klein vuurtje. Doe er dan
de bouillon bij en laat goed doorkoken. Werk af
met mosterd, een scheutje azijn en wat peper en
zout. Voeg ten slotte de bonen nog toe. Laat ze
al roerend heel goed doorkoken in de bouillon.
Kempense kalkoen
Kruid de kalkoen met peper
Benodigdheden
en zout. Vul de buikholte
1 middelgrote kalkoen
op met peterselie en
peper
dragonstengels. Geef het
zout
vlees aan beide zijden
80 g boter
een bruin kleurtje. Voeg
80 g peterselie
4 kopjes water bij en laat
80 g dragon
de kalkoen verder garen in
4 eigelen
een warme oven op 180° C. Besprenkel regelmatig met de
water
braadsappen. Haal de kalkoen na zowat een uur bakken uit de
bruine fond
oven. Giet het braadvocht in een kookpot. Voeg er het
citroensap
citroensap bij en laat goed doorkoken. De room wordt
maïszetmeel
eveneens goed doorgekookt. Bind de saus, kruid met peper en
¼ liter room
zout en haal door een zeef. Meng de met room opgeloste
eigelen met de saus. Daarna mag de saus niet meer koken. Voeg de gehakte peterselie en
de dragon op het einde toe. Roer goed. Verdeel de kalkoen met je scherpste mes in porties
en oversaus ze. Serveer met gekookte aardappelen en worteltjes in boter.
Loting en conscriptie
Van onze correspondent uit Frankrijk, Herman Knaeps
Een stukje geschiedenis
Nogal dikwijls wordt het verfoeide systeem van conscriptie, loting en dienstplicht
beschreven als een uitvinding van Keizer Napoleon I. Hij heeft wel veel uitgevonden,
hervormd en ingevoerd, maar het systeem bestond al veel eerder. De Griekse historicus
Polybius (°200 -†120 vóór Chr.) beschreef al nauwkeurig, dat jaarlijks in de maand maart,
militaire tribunen uit elke stam alle Romeinse burgers tussen 17 en 46 jaar door loting
aanwezen, om dienst te nemen in het leger (en ten minste tien jaar campagne volbrengen
-7-
als ruiter of zestien jaar als voetknecht). De bedoeling was om voldoende soldaten bijeen te
krijgen, ter aanvulling van de hoeveelheid huurlingen en vrijwilligers.
Conscriptie, (uit het Latijn con-scrire = ‘samen schrijven’) is het gezamenlijk in een boek
opschrijven van alle namen van personen, die in aanmerking komen voor militaire dienst.
Dit gebruik bestond al in het Ancien Régime. Vele gewesten eisten toen dat alle gezonde
mannen in de leeftijdscategorie van 16 tot 60 jaar hiervoor moesten kunnen opgeroepen
worden.
Een vroeg voorbeeld van conscriptie zien we aan het einde van de Honderdjarige Oorlog in
1448. De Franse koning Karel VII (°1403-†1461) eiste toen dat ieder dorp een uitgeruste
boogschutter zou zenden om in de compagnies boogschutters te dienen.
Het systeem van loting was een Italiaanse uitvinding (erfenis van de Romeinen?), die voor
het eerst door de Medici’s werd gebruikt in 1570. Hierdoor waren zij in staat om in Florence
een zodanig sterke stadsmilitie op de been te brengen, dat ze geheel Toscane konden
beheersen.
In Frankrijk, waar de baljuw de dienstplichtigen moest aanduiden (wat met willekeur en
vooral veel omkoperij gepaard ging), werd de loting ingevoerd onder de regering van
Lodewijk XIII (°1601-†1643). De raadgevingen van zijn Florentijnse moeder, Maria de
Medici, zullen hier wel niet vreemd aan geweest zijn.
In onze gewesten werd de loting ingevoerd onder de moeilijk gestarte regeerperiode van
Fillips V van Spanje. In deze tijd van Spaanse overheersing en Successieoorlogen werd het
lot getrokken uit een hoed. De Franse afkomst van deze vorst en van zijn legeraanvoerder
Maréchal J.F. de Puségur (°1655-†1743) zorgden zo voor het voortbestaan van een
Italiaanse « traditie ».
Het was dan weer een Franse koning, namelijk Lodewijk XV (°1710-†1774) die in 1773, om
het aanhoudende bedrog tegen te gaan, zou verplichten dat de trekking moest gebeuren uit
een hoed, die op hoofdhoogte werd gehouden, zodat niemand er kon inkijken. Een
commissie (keuringsraad) keurde tenslotte de kandidaten en zij beslisten autonoom welke
individuen er terug naar huis gestuurd werden als ‘minst valide’. Hoe ‘minst valide’ iemand
geacht werd, hing nog grotendeels van zijn porte-monnaie af. Helemaal ‘waterdicht’ was het
systeem dus niet.
Het systeem evolueert
1. Franse Revolutie
Tussen 1789 en 1794 kenden onze gewesten 5 verschillende regimes1, en nadien bleef ons
land wel twintig jaar onder Frans bewind tot 1814. De Franse overheersing is een cruciale
periode uit onze geschiedenis, waarin vele hervormingen plaatsvonden. Niet altijd tot
tevredenheid van de bevolking.
De Staten-Generaal van 1789 schafte de conscriptie af op basis van de vele klachten en
misbruiken en omdat de Revolutie stelde dat de macht bij het volk berustte en dat het volk
zich dan ook maar zelf moest verdedigen. De rekrutering geschiedde dus op basis van
vrijwilligheid. De meeste rekruten werden geronseld in dorpen, waar ‘zielekopers’ op
staminee gingen, er iedereen trakteerden tot ze stom dronken waren en ze dan een
papiertje lieten tekenen of een kruisje onder hun naam zetten. De sukkelaars wisten toen
nog niet dat ze aan ‘t Franse leger verkocht waren. Dat besef kwam pas de volgende dag
toen de ‘gendarmes’ voor de deur stonden. De ‘recruteurs’ kregen tien stuivers van de
republiek voor iedere ‘klant’. Dit systeem trok dus weer op niets en leidde al snel tot een
onderbezetting van de krijgsmacht.
Teneinde hoofd te kunnen bieden aan de vijandelijke Europese Coalitie uit die tijd werd er
op 24 februari 1793 door de Conventie beslist om 300.000 manschappen op te roepen.
1
voor oktober 1789 : Oostenrijks regime sinds 1713 (Vrede van Utrecht).
oktober 1789 : Brabantse Omwenteling en oprichting van de Republiek van de Verenigde Belgische Staten.
december 1790 : 1ste Oostenrijkse restauratie.
6 november 1792 : Franse overwinning bij Jemappes en ontruiming van onze gewesten door de Oostenrijkers.
18 maart 1793 : 2de Oostenrijkse restauratie na de slag bij Neerwinden.
26 juni 1794 : overwinning van generaal Jourdan nabij Fleurus en tweede Franse bezetting tot 1815.
-8-
Tevoren bestonden de meeste legers uit 50 à 60.000 man. Dus een massale rekrutering
werd noodzakelijk. Om aan die vraag te kunnen beantwoorden, voerde de wet JourdanDelbrel2 van 19 Fructidor van het jaar VI van de Franse Republiek (= 5 september 1798) de
conscriptie weer in. Deze wet kwam overeen met de geest van de bekende revolutionaire
leuze “Liberté, Egalité, Fraternité”.
Voortaan was de militaire legerdienst3 een algemene en persoonlijke plicht voor alle Franse
mannelijke burgers van 20 tot 25 jaar, die zich moesten laten inschrijven op een
conscriptielijst. Daar onze gewesten sinds juni 1794 (zie voetnoot 1) deel uitmaakten van
Frankrijk, waren Belgische jongens dus ook verplicht deel te nemen aan het systeem.
De dienstplichtigen van het jaar VII (1798) - de allereerste - werden verdeeld in 5 klassen:
1ste klas de 20-jarigen, 2de klas de 21-jarigen, 3de klas de 22-jarigen, 4de klas de 23jarigen, 5de klas de 24-jarigen. De dienstplichtigen van de 2de klas mochten slechts
opgeroepen worden wanneer die van de 1ste klas reeds allen onder de wapens waren,
terwijl die van de 3de klas slechts mochten gemobiliseerd worden wanneer die van de 2de
klas allen ingelijfd waren, en zo verder.
De Centrale Besturen van de Departementen kregen de verantwoordelijkheid om de
conscriptielijsten te leveren. De Minister van Oorlog moest, op basis van die lijsten, een
algemene lijst opmaken van alle dienstplichtigen der Republiek per klas, zonder onderscheid
van departement of municipaal kanton. Dus enkel in functie van hun geboortedatum, de
jongste eerst.
Het is duidelijk dat de wet Jourdan-Delbrel geen loting voorzag en geen onderverdeling
van het nationaal contingent per departement en per municipaal kanton in verhouding tot
het bevolkingscijfer. De conscriptie was een verplichte militaire dienst en wordt een
permanente instelling. Iedere ‘conscrit’ moest zich klaar houden om, onmiddellijk na
ontvangst van het eerste bevel, te vertrekken.
De wet van 24 september 1798 (3 vendémiaire an VII) roept 200.000 man van de 1ste klas
onder de wapens. De conscriptielijsten waren ver van klaar. De 1ste klas leverde de
verwachte cijfers niet: er werden 203.000 rekruten voorzien, 143.000 werden als bekwaam
erkend, 97.000 vertrokken wezenlijk en slechts 74.000 kwamen in de kampen aan. Het
ontbrekend aantal moest dus aangevuld worden door de jongste dienstplichtigen van de
2de klas. Tot aanduiding van jongelingen van de 2de klas, op basis van hun ouderdom, is
het echter nooit gekomen. De nog te leveren dienstplichtigen der 2de en 3de klas moesten
aangeduid worden door een supplementaire loting in de hoofdplaats van het
departement.
Aanduiding door loting was in flagrante tegenspraak met de geest van de wet JourdanDelbrel. Om die tegenspraak te omzeilen, werd de wet van 17 april 1799 (28 germinal an
VIII) ingevoerd, die aanvaardde dat de ‘conscrits’ van te voren bijeenkwamen om
vrijwilligers te kiezen, om onder elkaar te loten teneinde het contingent bij te passen.
Tenslotte mochten de lotelingen plaatsvervangers (zie verder) kopen. Het leger werd op die
manier 57.000 man rijker.
Het was al eeuwen geleden dat de legerdienst nog was opgelegd in de Nederlanden. De
buitenlandse vorsten hadden steeds hun eigen troepen betaald4. De conscriptie betekende,
voor de al verarmde boerenbevolking, een zware bijkomende belasting en zou één van de
oorzaken zijn (“de druppel die de emmer doet overlopen”), die leidden tot de Boerenkrijg5
in oktober-december 1798 in onze gewesten. Ze verklaart waarom de strijd zo plots
ontbrandde en waarom ze met zulke hardnekkigheid werd gestreden.
Jean-Baptiste Jourdan (°1762-†1833), Franse generaal, overwinnaar van de slag bij Fleurus in 1794. Pierre
Delbrel is jurist.
3
In vredestijd was de dienstplicht bepaald op 5 jaar (te beginnen op 1 vendémiaire of 22 september volgend op
hun 20ste verjaardag en eindigend op 1 vendémiaire, volgend op hun 25ste verjaardag), in oorlogstijd was ze van
onbeperkte duur.
4
Daarin konden ook Belgen dienst doen, maar in ieder geval ging het steeds om beroepsvrijwilligers, die de
militaire loopbaan kozen uit overtuiging.
5
De Boerenkrijg begon met een ‘belastingsincident’ in Overmere op 12 oktober 1798 en eindigde met de nederlaag
van de boeren (‘brigands’ genoemd) tegen de Fransen in Hasselt op 4 december 1798. De Boerenkrijg duurde nog
geen 3 maanden maar was zo hevig, dat ze zich over alle Vlaamstalige departementen uitspreidde, tot zelfs in
Luxemburg (Klüppelkrieg).
2
-9-
2. Napoleontische periode
Kort na de Boerenkrijg, kwam Napoleon aan de macht door de
staatsgreep van november 1799. Het Concordaat6 van 1801
betekende voor België een verademing. Allerlei hervormingen
werden ingevoerd en de economie kende hoogdagen, wegens
de vrije concurrentie en het vergrote afzetgebied in het Franse
imperium en de oorlogen stimuleerden de productie: een
industriële omwenteling was op komst tot in 1810 de blokkade
van het continent door Napoleon’s tegenstanders steeds
ernstiger gevolgen kreeg voor de economie. Dus niet iedereen
juichte!
Bij Organiek Besluit van 18 oktober 1810 kondigde Napoleon
een wijziging aan van de conscriptie: de verdeling van het
aantal op te komen dienstplichtigen ging voortaan naar rato
van het inwonertal van de verschillende departementen. In
1813 werd de hogere klasse, die als ‘vermogende’ haar zonen
had kunnen vrijkopen door het betalen van een ‘remplaçant’,
zwaar getroffen, toen Napoleon eiste, dat in elk departement de zonen van de 500 hoogste
belastingbetalers opgeroepen werden als ‘erewacht’.
Voor de Franse marine zou in de Lage Landen een aparte regeling gelden, de zogenaamde
maritieme inscriptie. Napoleon had namelijk geen hoge dunk van de Hollandse soldaat maar
wel van zijn kwaliteit als zeeman. Deze maritieme inscriptie gold voor mannen van 24 tot
49 jaar, die het beroep van zeeman of visser uitoefenden. In de praktijk werd dat nogal
ruim geïnterpreteerd. Ook de schippersknecht viel vaak in de prijzen.
Een heel speciaal geval van rekrutering was eind 18e eeuw onder Napoleon, de inlijving van
vondelingen, behoeftige wezen en verlaten kinderen bij het ‘Régiment des pupilles de la
Garde Impériale”. Weesjongens van 11 tot 14 jaar werden naar Versailles gebracht om als
kanonnenvoer in dat regiment van Napoleon te dienen. De meeste van deze kinderen zag
men nooit meer terug. De weeshuizen raakten daardoor aardig leeg en zo bereikte men een
dubbel doel: meer soldaten en minder onkosten voor de wezenzorg.
3. Koninkrijk der Nederlanden
Spoedig nadat de Verbondenen het toenmalige België hadden bevrijd (na de nederlaag van
Napoleon in de Volkerenslag bij Leipzig 1813), werd bij besluit van 31 januari 1814 opnieuw
de conscriptie afgeschaft, maar enkele Belgische regimenten, die alleen uit vrijwilligers
bestonden, bleken al vlug onderbemand te zijn. Wanneer dan Napoleon te Waterloo
definitief was verslagen, vaardigde de constitutie van het Verenigd Koninkrijk der
Nederlanden op 25 augustus 1815 een besluit uit, waardoor de conscriptie (lijst met
namen van iedereen die in aanmerking kwam voor militaire dienst) mét de loting (om
aantal rekruten pro rata van bevolkingscijfer aan te duiden) opnieuw werden ingevoerd.
Fundamenteel behield men dezelfde instellingen als deze, die in gebruik waren tijdens de
Napoleontische periode, maar men verzette zich krachtdadig tegen de vele misbruiken. Een
artikel (207) voorzag wel in de loting, maar ook in de volledige vrijstelling (zie verder).
De kleine lichtingen, die als dusdanig werden opgeroepen, stonden in schril contrast met de
enorme contingenten, die voor het leger van Napoleon werden gerekruteerd door
conscriptie. De gematigde toepassing in een vreedzame periode die volgde, zorgde er voor
dat het nieuwe regime een zekere populariteit genoot.
4. België vanaf 1830
Na de Onafhankelijkheidsverklaring zou het jonge België de militiewetgeving van het
Koninkrijk der Nederlanden blijven hanteren. Deze had uitdrukkelijk gesteld dat het leger
voor het grootste deel uit vrijwilligers moest bestaan.
Concordaat (15 juli 1801) verzoening tussen Frankrijk en de Heilige Stoel (Pius VII). De Rooms-Katholieke Kerk in
Frankrijk herkreeg vrijwel de oude status. Napoleon begunstigde in Frankrijk en Italië het rooms-katholicisme,
ervan overtuigd dat de kerk, mits aan de autoritaire staat ondergeschikt, de beste steun voor het (lees: ‘zijn’)
gezag was.
6
- 10 -
De inwoners van de jonge monarchie voelden zich niet tot Mars aangetrokken en zodoende
bleef de loting de voornaamste bron voor de rekrutering. In de militiewet van 1817,
artikel 60, werd bepaald, dat alle jonge mannen aan de loting moesten deelnemen in het
jaar dat ze 19 werden. Dit gold niet alleen voor de Belgische jongemannen, maar ook voor
de in ons land permanent wonende vreemdelingen! (Deze laatsten werden achteraf meestal
vrijgesteld van dienst).
Tijdens hun 19e levensjaar moesten de jongemannen zich laten registreren op het
politiecommissariaat van hun wijk. Vanaf 1843 werden er bezwaren gemaakt bij de “te”
jeugdige leeftijd van de “conscrits”. Het gevolg was dat wel de leeftijd werd behouden,
maar dat de jongelui pas 2 jaar later werden opgeroepen voor dienst. De wet van 8 mei
1847, met rechtskracht vanaf nieuwjaar 1848, bepaalde dat de jongelingen pas zouden
worden opgeroepen in hun 20e levensjaar.
Onderduikers
De gebrekkige administratie zorgde voor heel wat mogelijkheid tot ontduiking, doch de
staat stelde vertrouwen in de ‘sociale
controle’: iedereen had het recht de
registers in te kijken en kon melding
maken van “afwezigen“. De druk van het
milieu was van die aard, dat niemand
openbaar tot verklikking durfde overgaan.
Een
politieagent,
die
een
‘conscrit
réfractaire’ (onderduiker) kon arresteren,
werd
beloond
met
een
geldelijke
vergoeding. Er werd zelfs een speciaal
regiment
soldaten
(‘colonne
mobile’)
opgericht om van dorp tot dorp naar
onderduikers te zoeken. De familie van
‘verdwenen’ conscrits werd soms ook
gegijzeld en moesten met hun eigendommen borg staan tot de zoon zich kwam
aanmelden. Sommige onderduikers hadden
wel heel veel fantasie, want in 1807 werd
op de markt in Turnhout een jongeman
gearresteerd, die zich als vrouw verkleed
had (‘travesti en habits de femme’) om aan
de legerdienst te ontsnappen. Het geval is
bekend van zes jongelui uit Olen en
Noorderwijk, die zich in Brussel lieten
opschrijven, om daar tegen betaling van
dertig Gouden Louis, vrij van militaire
dienst te worden.
‘Uitnodiging’ voor een lotingdag in 1868.
Hoe verliep een lotingdag?
Jaarlijks werden de officiële data van conscriptie en loting gepubliceerd in de voornaamste
dagbladen, tot driemaal toe, en bekend gemaakt via aanplakbrieven. Tevens ontving de
betrokkene, of zijn ouders, een “uitnodiging” voor de loting. Theoretisch eindigde de
conscriptie op 28 januari en ging men wettelijk op 1 maart over tot de trekking, m.a.w. de
beruchte “loting”.
Op een «droeve maartdag» trokken de kandidaat-soldaten naar de hoofdplaats van het
militiekanton. Om de goede gang van zaken te waarborgen, eiste de militiecommissaris dat
de veldwachter van de gemeente, meestal uitgedost in zijn beste uniform, de jongelui zou
begeleiden. In grotere gemeenten gebeurde dit soms met de plaatselijke fanfare op kop. In
de stad heerste een gespannen drukte waar vooral de herbergen zich aan te goed deden.
Onder invloed van Bacchus kwam het regelmatig tot rellen tussen rivaliserende dorpen en
dikwijls vloeide er bloed. Angstige handelaars sloten hun ramen en deuren af en het
plaatselijke garnizoen kwam de orde herstellen. Soms waren de rellen zo hevig dat de
trekking moest uitgesteld worden tot een latere datum.
- 11 -
De gemeenten stelden het lokaal ter beschikking, waar de loting werd gehouden; doorgaans
was dat in de Mairie, maar soms ook op de bovenzaal van de lokale herberg. Als die niet
werd afgekeurd, vanwege te klein of te vuil, zullen de gelukkigen, die waren uitgeloot er
daar wel eentje (of meer) hebben genomen, terwijl anderen er vermoedelijk de eerste
contacten legden om een remplaçant (zie verder) te regelen.
Jaarlijks maakte de Krijgsmacht een tabel op met het aantal mannen, dat nodig was om de
regimenten op sterkte te houden. Op basis van deze gegevens werd berekend hoeveel
personen er moesten geloot worden per provincie, kanton, stad of gemeente. Per gemeente
kon dit getal verschillen, naargelang het aantal inwoners.
In de praktijk kwam dit erop neer dat een laag nummers er ”in” was, maar dat was nog
geen absolute garantie voor de hogere nummers, want vrijstellingen (zie verder), met het al
dan niet accepteren van eventuele bezwaren, konden de situatie beïnvloeden: om de
sterkte van het contingent te garanderen, ging men verder met tellen tot het
vooropgestelde aantal rekruten per contingent bereikt was.
De commissie was samengesteld uit een
militiecommissaris, die minstens de graad van
luitenant-kolonel had, één officier en twee
onderofficieren. Als getuigen fungeerden twee
gemeenteraadsleden, die, in naam van de
dorpsgemeenschap, moesten garant staan voor
het wettelijk verloop van de operatie.
Vervolgens werden alle kandidaten, per dorp, in
de zaal binnengelaten, de rest wachtte buiten.
Allen werden gemeten. De overheid hechtte
veel waarde aan deze meting, want het
meetinstrument moest jaarlijks officieel geijkt
De urne die te Menen (W-Vl) het lot bepaalde van
worden. Vermits ook zij, die recht op vrijstelling
menig jongeling
hadden, moesten gemeten worden, krijgen wij
hierdoor een goed overzicht op de gestalte van onze mannelijke voorouders (zie verder).
Vervolgens nam de voorzitter een aantal briefjes, die met een nummer waren bedrukt,
parafeerde deze en stak ze in een kokertje. (De nummers waren in opgaande volgorde
gelijk aan het aantal mannen die in de gemeente of dorp op de conscriptielijst stonden. Het
aantal rekruten voor militaire dienst, dat vereist was in die bepaalde gemeente of dorp,
bepaalde of men een ‘laag’ of een ‘hoog’ lot getrokken
had.)
Daarop gooide hij ze in een urne, een trommel of iets
gelijkaardigs en telde de kokertjes met luide stem. In
alfabetische
volgorde
trok
men
een
koker,
overhandigde dit aan de voorzitter, die het briefje met
een potlood uit het kokertje nam en het nummer
voorlas. Het nummer werd onmiddellijk ingeschreven in
het militieregister en het papiertje werd terug aan de
loteling gegeven.
Om het goede of het slechte nieuws thuis te melden,
hadden velen een duif meegebracht, doch in geval van
een “slecht” lot werd het diertje nogal dikwijls uit pure
frustratie de nek omgedraaid. In de hoop een “goed”
lotje te trekken, waren er vele gebruiken in omloop,
verschillend van streek tot streek: geloof en/of bijgeloof
voerden hier de hoofdtoon (zie verder).
Lotingtrommel (Legermuseum Delft)
Nadat het lotje teruggegeven was, wist men wat de
toekomst brengen zou en ging men in groep zijn verdriet of geluk bedrinken. De gelukkigen
tooiden zich met veelkleurige papieren bloemen en slingers, het “geluksnummer” werd op
de jas of hoed gespeld en zo begon de grote kroegentocht.
De spanning waarvan men verlost was, zorgde voor een uitgelaten sfeer, die naargelang de
tijd en het drankverbruik vorderde, dikwijls in ware veldslagen eindigde. Het plaatselijke
- 12 -
garnizoen was regelmatig het slachtoffer van spot, en daar deze zich niet wilden laten
kennen en er bij hun uitgangstenue een bajonet of sabel hoorde. De gevolgen waren niet te
overzien. ‘Niets nieuws onder de zon’, want tegenwoordig kennen we ook die taferelen na
een voetbalmatch of zo.
De terugweg naar huis werd ook gemarkeerd
door
vernielingen
aan
afsluitingen
en
dergelijke. De plaatselijke bevolking beklaagde
zich soms, maar meestal werd dit getolereerd
en vergeven, want men had medelijden met die
sukkelaars, die eindelijk verlost waren van een
maandenlange spanning.
Voor wie er zich uitgeloot had, vervaagde al
snel deze gebeurtenis in de sleur van het
dagelijkse leven. Voor wie er ingeloot was
daarentegen, brak een nieuwe periode van
angstige spanning aan: de oproeping en de
inlijving.
Het zoeken naar een al dan niet vermeende
reden van vrijstelling, vormde een van zijn
grootste kopzorgen. Een andere mogelijkheid
om te ontsnappen aan de hel, zoals de
«kazerne » werd genoemd, was de vervanging
(zie verder).
Waarschijnlijk een “hoog lot”, zorgvuldig bewaard
in een gouden kader (Bezoekerscentrum Zoerselbos)
Maar voor iedere jongeling was de loting een
mijlpaal in zijn leven, de scheiding tussen kind-zijn en volwassenheid. Vanaf deze dag
mocht hij op café gaan, dansen en verkeren en zijn mening verkondigen. De keerzijde van
de medaille was dat hij van zijn peetouders geen geschenken meer mocht ontvangen met
Nieuwjaar.
Jaarlijks (cijfers uit 1861) werden zodoende 10.000 (vanaf 1869 12.000) jongelingen
gevraagd om het vaderland te dienen. Dit betekende, rekening houdend met de toenmalige
bevolking, dat ongeveer 1 op 410 Belgen onder de wapens moest, voor de twintigjarige was
de verhouding ongeveer 1 op 4.
In de periode van de wet Jourdan-Delbrelle (geldig vanaf 1798 tot in 1810 onder Napoleon)
gebeurde de loting in een iets andere vorm, omdat er toen nog geen aantal rekruten, pro
rata van het bevolkingscijfer in het dorp of gemeente, bekend waren en men dus niet kon
spreken van ‘lage’ of ‘hoge’ nummers. De selectie gebeurde door blanco briefjes te mengen
in de lotingtrommel.
Op de lotingdag in Antwerpen op 30 april 1799 moest de stad, uit een conscriptielijst van
441 dienstplichtigen, een contingent van 303 man leveren. Tevoren waren er al 17 rekruten
bekend (deels opgepakte onderduikers, deels vrijwilligers), zodat er nog voor 286 man
moest geloot worden.
De loting zelf verliep als volgt: men schreef de namen van alle conscrits op briefjes en
gooide die in een trommel. In een tweede kastje mengde men 286 briefjes met de
vermelding “militaire partant” en 155 blanco briefjes. Daarna trok dan een kleine jongen uit
het eerste kastje een briefje met een naam. Vervolgens trok een andere jongen uit het
tweede kastje een briefje met een nummer of een blanco briefje. De naam van de loteling
werd dan ingeschreven, al naar het geval, op de lijst van de sukkelaars, die een nummer
getrokken hadden, en dus aangeduid waren voor militaire dienst, of op de lijst der
geluksvogels, die een blanco briefje getrokken hadden.
De pechvogels, die door het lot aangeduid waren om naar het leger te vertrekken, kregen
nog vijf dagen tijd om een plaatsvervanger (zie verder) te leveren.
De vrijstelling
In februari werden de vrijwilligers en zij, die uitstel voor één jaar hadden verkregen,
- 13 -
medisch gekeurd7. Het resultaat van deze keuring diende men in rekening te brengen bij
het aantal personen dat moest geloot worden voor de militieklasse van dat jaar. Een tweede
keuring werd gehouden eind maart waarbij de toekomstige soldaten al dan niet door de
militaire overheid zouden aanvaard worden.
Het tijdstip van de eerste zitting van de militieraad stond regelmatig ter discussie. In die
periode van het jaar konden de wegen nog besneeuwd zijn, wat het velen onmogelijk
maakte om de hoofdplaats van het militiekanton te bereiken. Een wet uit 1847 voorzag dat
de eerste zitting mocht samenvallen met de tweede.
De militieraad was samengesteld uit een voorzitter, die op voordracht van de provincieraad
jaarlijks door de regering werd benoemd, een gemeenteraadslid uit de streek en een hoger
officier, door de krijgsmacht voorgedragen. De raad werd bijgestaan door een (militaire)
dokter en chirurgijn.
Een eerste vereiste om soldaat te worden was een goede lichamelijke en geestelijke
gezondheid.
De eerste criteria was de lichaamslengte, die minimum 1,57 meter moest bedragen, een
lengte die velen niet hadden. De slechte lichamelijke conditie door de aanhoudende
hongersnoden waren hier waarschijnlijk niet vreemd aan. In de jaren 40 van de 19de eeuw
werden ongeveer 25% vrijstellingen, waarvan 10% definitief, op deze basis toegekend. De
eliteregimenten, zoals de Grenadiers, stelden hun eisen nog hoger. Zo was de
minimumlengte voor dit regiment 1,72 meter.
Enkele gegevens:

In de jaren 1837 & 1838 bleken de Oost en West-Vlaamse rekruten over een kleine
gestalte te beschikken, terwijl de stad Antwerpen opmerkelijk veel grote mannen
onder zijn inwoners telde.

In 1847 waren opmerkelijk veel kandidaat soldaten uit de stad Brussel te klein. De
volkse schalksheid schreef dit toe aan de aanwezigheid van de toen bekende
dwerg Simon Paap, die 20 jaar
voordien in de hoofdstad had verbleven en bij het
vrouwvolk graag gezien was.

In 1846 & 1847 waren er in de provincies Oost en West-Vlaanderen veel “Hommes
de Choix”, m.a.w. jongens groter dan 1,62 meter en dit ondanks de heersende
hongersnood.
De militaire overheid stelde vast dat de Vlaamse wevers, de Limburgse landbouwers,
de Henegouwse
mijnwerkers en de arbeiders uit de grootindustrie dikwijls een
zeer zwak gestel hadden.


Het fysiek zwakste contingent werd in 1847 afgeleverd door de provincie Luik.

Luxemburg, Namen en Antwerpen zorgden voor stevige mannen.

Platvoeten werden voornamelijk vastgesteld bij Vlamingen en Limburgers.

Ingewandsbreuken kwamen voornamelijk voor in Henegouwen en Luik. Het zware
werk in de industrie, dat al op heel jeugdige leeftijd werd gedaan, zal hier wel niet
vreemd aan zijn.

Het kropgezwel leek een Luiks monopolie en huiduitslag en hoofdpijn waren dan
weer typisch voor de beide Vlaanders.

Misschien niet zo verwonderlijk maar over het algemeen was de landelijke bevolking
gezonder dan de stedelijke. In de eerste 20 jaar van de Belgische onafhankelijkheid
werd ongeveer 50% vrijgesteld van militaire dienst, 10% zou deze definitief
bekomen.
7
Sommige eenheden stelden bepaalde eisen, bijvoorbeeld:
-De Jagers te Voet & Karabiniers hadden robuuste mannen nodig.
-De Grenadiers vroegen grote kerels van minimum 1,72 m.
-De Jagers te Paard hadden behoefte aan lichte ruiters.
-Voor de Kurassiers waren de maten van de beschikbare kurassen de maatstaaf.
Opvallend is dat sommige regimenten in sommige provincies niet rekruteerden, doch dit veranderde jaarlijks
evenals de garnizoensplaatsen. Regionale rekrutering bestond nog niet en alle eenheden waren gemengd:
Vlamingen met Franstaligen. Alhoewel de Vlaamstaligen vanaf 1868 opleiding in hun moedertaal kregen, zou het
nog lang duren voor het Frans ophield de voertaal van het Belgische Leger te zijn.
- 14 -
De vele vrijstellingen brachten de lotelingen in gevaar, die weliswaar een “hoog” lot hadden
getrokken, maar die door de vele vrijstellingen de kans liepen toch in de “hel”, kazerne
genaamd, te belanden. Degenen uit de reeks met “hoge” loten, maar met de lagere
nummers uit die “hoge” reeks, vulden het contingent aan, tot het voltallig was.
De lijst met de vrijgestelden was publiek, iedereen kon deze inzien en beroep aantekenen.
De personen tegen wiens ontheffing beroep was aangetekend, moesten verschijnen voor
een bestendige deputatie. Ongeveer 1 op 3 mocht alsnog de wapenrok dragen. Om het
werk van de bestendige deputatie te ontlasten, dreigde de minister van justitie in 1847 er
mee om, wie té lichtzinnig een klacht neerlegde, te beboeten.
Uiteraard waren er nog andere mogelijkheden om vrijgesteld te worden van militaire dienst.
Zo werd, om aanwerving voor de handelsvloot te stimuleren, moeiteloos vrijstelling
verleend aan kandidaat-zeelieden, zelfs aan schippersknechten. Indien een broer tijdens
zijn dienst overleed of zwaar gehandicapt werd, werden al de andere leden van het gezin
ontheven van militaire verplichtingen.
De actieve deelname van vader aan de Revolutie van 1830 was ook een mogelijkheid die
kon aangeroepen worden.
De enige broer van een zwaar gehandicapte, de verantwoordelijke voor het gezinsinkomen,
een weduwnaar met kinderlast en het enige wettelijke kind, werden tijdelijk vrijgesteld. De
militiewetten van 1817 en 1820 hadden deze regels beknot, door te stellen, dat kinderen
van ouders, die ooit uit publieke fondsen steun hadden gekregen, niet in aanmerking
kwamen. Eenparig werd aan deze wet een einde gemaakt door de Kamer & Senaat in 1835.
De vrijstelling van het enige kind roept nu misschien vragen op, maar het was hij, die toen
verantwoordelijk was voor de oude dag van zijn ouders.
In eerste instantie werden ook de gehuwden ontheven van militaire dienst. Men was er van
overtuigd dat een gehuwde man zoveel zorgen had, dat hij onmogelijk een goed soldaat
kon zijn. De soldij was berekend op één man en men vreesde dat hij zijn kledij en uitrusting
zou verkopen, om zijn gezin te onderhouden. Ook werd de vraag gesteld of een gehuwde
man de moed zou kunnen opbrengen om offers voor het vaderland te brengen. Maar de
grootste vrees was waarschijnlijk, dat indien de militair tijdens zijn dienst kwam te
overlijden, de staat zijn nakomelingen moest onderhouden.
Jaarlijks huwden een klein aantal potentiële dienstplichtigen, om aan de dienstplicht te
ontkomen, soms met weduwen van 80 jaar en meer. Om deze “misbruiken” tegen te gaan,
wilden de liberale volksvertegenwoordigers deze regel afschaffen of op zijn minst
reglementeren. De katholieken waren hier op tegen, uit hoofde van het sacramentale
karakter van het huwelijk. Met de wet van 8 mei 1847, met ingang vanaf 1 januari 1848,
werden ook gehuwde mannen aan de militieverplichtingen onderworpen.
Ook werd vrijstelling bekomen met medeplichtigheid of omkoping van ambtenaren,
geneesheren of officieren. Het negeren van de oproepingsbrief was ook een mogelijkheid,
vooral toegepast door eenvoudige lieden, maar niet erg succesvol. De sociale controle was
groot, maar toch waren 50 onderduikers per provincie geen uitzondering in de jaren 18301850.
Natuurlijk probeerde men fysiek afgekeurd te worden, geen enkel gebrek werd verstopt en
het volksgeloof had ook hier zijn beproefde remedies (zie verder) voor. Velen voerden
tijdens de keuring een al dan niet geslaagd stukje amateurtoneel op.
Al bij al genomen hadden jongelingen in de periode 1840-1850 één kans op vier om
legerdienst te moeten doen. Wie het zich kon veroorloven “kocht” een vervanger (zie
verder).
Hoe men trachtte het geluk een handje te helpen bij de loting
De loting en dienstplicht hebben altijd deel uitgemaakt van het dagelijks leven van onze
voorouders. Naast het verlies van een arbeidskracht, en loon, waren er ook de zedenpreken
van “Mijnheer Pastoor”, die van op zijn preekgestoelte de verderfelijkheid van het
soldatenleven predikte. De angst om een ziekte op te lopen was reëel daar de soldaten in
erbarmelijke omstandigheden werden gehuisvest en de hygiëne bijna onbestaand was.
Ongelukken met wapens, paarden en vechtpartijen met bajonet en sabel waren schering en
inslag. Kortom elk middel was goed om te ontsnappen aan een vreselijk lot. Het boek van
- 15 -
Hendrik Conscience “De Loteling” dat in
1850 verscheen, geeft niet alleen een
goed beeld van het leven en lijden van
een aan door de gevreesde oogziekte
getroffen rekruut, maar droeg ook zijn
steentje bij tot de angst.
Het is dus niet verwonderlijk dat geloof
en bijgeloof een grote rol speelden en
allerlei middelen werden gezocht om het
geluk een handje te helpen. Er werden
missen opgedragen, novenen gehouden
en bedevaarten gedaan. Gebeden werden
gericht tot de Heilige Jozef, Margaretha
en Antonius, of een geestelijke werd
aangesproken, omdat men toen dacht dat deze hun lot kon laten wijzigen. Ook het door
weinigen gekende “Gebed van Keizer Karel” (zie verder), acht dagen na elkaar opzeggen,
terwijl men een sleutel liet draaien, scheen doeltreffend...
Een gewijde medaille, hemd, zakdoek of Hubertusbrood, het beeldje van een heilige, een
stompje Paaskaars of –nagel of schapulier, zouden het ongeluk bezweren.
Anderen probeerden een pact met de duivel te sluiten of gingen te rade bij een waarzegster
of kaartlegster.
Ook niet gewijde voorwerpen speelden hun rol. Zo waren een munt met een kruis, een
heilige, engel of met een gat erin, zeer gegeerd evenals een stuk koord van een gehangene
of gestold bloed, stukjes navelstreng en gedroogde moederkoek. Al even krachtig waren de
kralen van een stukje rozenkrans, de naald waarmee een doodshemd was genaaid of een
zakje zout of het vlies van de onvolgroeide schedel van een zuigeling ... !?!
Zeker niet te vergeten waren de huid van slang of vleermuis en de klassieke konijnen- en
mollepootjes of het klavertje vier.
Het amulet werd door de overbezorgde en angstige moeders met veel zorg in het
onderhemd van hun zoon genaaid. Uiterst probaat was een briefje, waarop de loteling zijn
naam had geschreven, te mengen in zijn eigen bloed en het dan op te eten !?
Bij het naderen van de “Dag des Oordeels” was het raadzaam geen bezoek te ontvangen
van een ingelotene, een slag te krijgen of iemand te betrappen, die de avond vóór de loting
zijn gevoeg deed tegen de huisgevel. Een dansende kaarsvlam, een vroeg geboorteuur of
vanaf Nieuwjaar dromen dat men ‘erbij’ was, werden ook als ongunstige tekens beschouwd.
De dag zelf door een man gewekt te worden, met blij gemoed opstaan en geen enkel
kledingstuk verkeerd aandoen, waren een must. Eenmaal op weg mocht de loteling niet als
eerste op zijn pad een vreemdeling, een vrouw, een pastoor, een heks, kat of spin
tegenkomen. Een man of een bultenaar, koe of schaap daarentegen waren dan weer wel
gunstig.
Omdat de kans bestond dat men het verkregen geluk zou doorgeven (en het dus zelf zou
kwijtspelen), was het geven van een hand, of pruim tabak, uit den boze en praten werd ook
sterk afgeraden.
Eenmaal men voor de urne stond, werd er aangeraden om een lot te trekken met de
rechterhand, alhoewel men in de streek van Charleroi zweerde bij links.
Het spreekt voor zich dat al deze gebruiken van streek tot streek sterk verschilden en wat
op de ene plaats als gunstig bekend stond, was op een ander onbekend, of zelfs ongunstig
aangeschreven.
Bij de medische keuring
In de hoop om op grond van medische redenen de legerdienst te ontvluchten, hadden onze
voorouders enkele min of meer onschuldige hulpmiddelen. Hun effectiviteit is twijfelachtig,
maar in het domein van de folklore zijn ze toch het vermelden waard.
Tabakssap drinken, groene zeep eten, koffiebonen kauwen zouden hartkloppingen teweeg
brengen. Gewone zeep eten werd een probaat middel geacht om geelzucht te simuleren en
- 16 -
kippenbloed met zout, dat men ten gepaster tijd uitspuwde, moest de militaire arts in een
bloedspuwing doen geloven.
Het inwrijven van de baard met castorolie veroorzaakte baardziekte. Door de nacht vóór de
keuring veel jenever te drinken en buiten op de drempel te slapen, zou men krimpen. Ook
het drinken van azijn was een beproefd middel om zijn gestalte onder de minimumlengte te
doen zakken.
De militaire overheid was toen zeer bevreesd voor oogziekten en net vóór de keuring de
ogen inwrijven met uienschillen, was het proberen waard. Veel drastischer was het
aanbrengen van irriterende producten in de ogen zoals tabakspoeder, kalk, tot zelfs zwavelen salpeterzuur !
Het boven elkaar groeien van de tenen leidde tot ontheffing. Het gebeurde, dat een tijdje
vóór de keuring, de kandidaat-rekruut zijn tenen met een touwtje boven elkaar bond, zodat
ze ten gepaste tijde dit ook zouden doen, zonder hulp.
Bij sommigen zat de schrik er zo diep in dat ze er zelfs niet voor terugdeinsden om twee
kootjes van hun rechter wijsvinger af te hakken. De militaire artsen konden meestal niets
bewijzen, maar stonden er toch sceptisch tegenover: als men er van uitgaat dat de meeste
mensen rechtshandig waren, dan zou een verwonding aan de linkerhand logischer geweest
zijn, zoals na een ongelukje bij het houthakken bijvoorbeeld. De meeste verminkingen
gebeurden tussen de loting en de keuring: in 1846 waren er drie gevallen in 1847 zes !
Soms werd men verklikt en dit betekende voor de bedrieger inlijving bij de schansgravers
(een vernederende opdracht, voorbehouden aan de laagste in rang en de gestraften).
De meest voorgewende kwalen waren: myopie (bijziendheid), doofheid, stijfheid van de
gewrichten, astma, maagkrampen, erg stotteren, enz.
Zoals reeds gezegd, de meeste vielen snel door de mand en moesten alle moeite ten spijt
toch soldaatje spelen.
Het Krachtig Gebed van Keizer Karel
Het gebed zou zijn kracht hebben uit het feit dat het, volgens de legende,
door de paus aan Keizer Karel gestuurd zou zijn, toen die ten oorlog trok.
Gebenedijd zij den Heer Jezus Christus,
Gij zijt gestorven aan den Galgeboom des kruises, voor onze zonde al te maal.
O Heilig Kruis Christi, zijt met mij,
Heilig kruis Christie, zijt mijn betrouwen.
Heilig kruis Christie, zijt mijn waarachtig licht mijner zaligheid
Heilig kruis Christie,keert en weert van mij alle snijdende zweerden.
Heilig kruis Christie,keert en weert van mij alle wapenen.
Heilig kruis Christie, keert en weert van mij alle kwaad.
Heilig kruis Christie, stort in mij alle goed.
Door het Heilig kruis Christie, kom ik op de weg der zaligheid.
Heilig kruis Christie, keert van mij alle nood des doods, en geeft mij het eeuwige leven.
Heilig kruis Christie, behoudt mij van alle nood des lichaams.
Dat Heilig kruis Christie aanbidde ik altoos.
O gekruisigde Jezus van Nazareth ontfermt u over mijner opdat den boze vijand van mij
mag vlieden.Zienlijke en onzienlijke van nu tot in de eeuwigheid.Amen
In de eere van Jezus Christus dierbaar bloed, passie en schandelijke dood.
In de eere van zijn verrijzenis en Goddelijke menswording,
waardoor hij ons heeft willen brengen tot onze zielzaligheid.
Alzoo waarachtig als dat Jezus geboren is op de Kerstnacht,
alzoo waarachtig als dat Hij besneden is op de Maandag.
Alzoo waarachtig dat de Driekoningen offers brachten op de dertiendedag.
Alzoo waarachtig als Jezus ten Hemel is geklommen.
Zodat den Heer Jezus mij wil bewaren tegen al mijn vijanden,
zienlijke en onzienlijke van nu tot in de eeuwigheid. Amen.
O Hemelse Vader in uw Handen beveel ik mijn geest. Amen.
- 17 -
Vervanging of “Remplacement”
Bij de bevolking was het leger niet populair. Buiten enkele adellijke families, die traditioneel
hoofdofficieren leverden, ging, wie betalen kon, niet in militaire dienst en dat had niets te
maken met pacifisme. Er werd zelfs geknoeid met de loting en men sloot onderlinge
verzekeringen af om een remplaçant te kopen.
Het leger wortelde niet in de samenleving en had in 1830/1840 nog steeds een slechte
faam. Napoleon had daar met zijn ‘Grande Armée’ ook toe bijgedragen.
Vanaf 18 mei 1802 (28 floréal an X), zal
de plaatsvervanging een onbetwistbaar
recht worden en 15 à 20 % van alle
conscrits
werd
ingenomen
door
plaatsvervangers. Door dit systeem van
‘vervanging’ toe te laten, zette men een
stap in de richting van een ‘leger der
armoezaaiers’.
De akte van 1 oktober 1813, waarin een zekere Hendriks,
Willem Jan (lot 72) wordt toegestaan zich te laten
vervangen door de genaamde Cornelis Van Meeteren (lot
553) kostte toen 120 frank.
De mogelijkheid bestond zich bij de
inloting door remplaçanten (plaatsvervangers) te laten vervangen, waarvoor
soms hoge bedragen werden betaald.
Het ging over bedragen van enkele
honderden guldens (soms 250, 300 tot
400 gulden en een boerderij kostte
destijds zo’n 500 gulden !). Bedragen
lagen niet vast en verschilden sterk van
plaats tot plaats en van periode tot
periode.
De plaatsvervanging kon op twee verschillende manieren gebeuren:
1. met een niet-dienstplichtige werd een overeenkomst gesloten, waarbij deze de
plaats van de dienstplichtige innam. De plaatsvervanger, remplaçant genoemd,
mocht niet ouder zijn dan 35 jaar en van goed gedrag en goede gezondheid zijn.
Was hij minderjarig, dan moesten zijn ouders of zijn voogd toestemming geven of,
ingeval hij gehuwd was, zijn echtgenote. Deze plaatsvervanging werd opgesteld op
basis van een bij notariële akte gesloten contract.
2. Een tweede mogelijkheid was de dienst te laten waarnemen door een
nummerwisseling, waarbij twee dienstplichtigen van dezelfde lichting waren
betrokken. Zij moesten ook in hetzelfde kanton wonen. Bij nummerwisseling werd
een lot met een lager nummer ingeruild tegen een lot met een hoger nummer. Dit in
de verwachting dat het lager nummer zou worden opgeroepen. De overeenkomst
van nummerwisseling werd ten overstaan van een notaris gesloten en behoefde
bovendien de goedkeuring van de Raad van Rekrutering.
Dit vervangingssysteem betekende dat de financieel beter gesitueerden zich van de
opkomst in actieve dienst konden vrijkopen. Echter, niet van de dienstplicht. De conscrit
(dienstplichtige) bleef verantwoordelijk voor zijn vervanger. Als bijvoorbeeld de vervanger
deserteerde dan moest de dienstplichtige zelf opkomen.
In het leger van Napoleon was de desertie groot, vooral tijdens de
Veldtocht naar Rusland in 1812. Vrijwel zeker is dat 1 op de 3 jonge
mannen nooit zijn teruggekeerd. Zij sneuvelden in veldslagen of
overleden in hospitalen aan de indirecte gevolgen van de
oorlogshandelingen (verwondingen en infectieziekten). Sommigen
werden als "vermist" opgegeven, wat in feite op hetzelfde neerkomt.
Van een aantal is bekend dat zij terugkeerden, maar bij evenveel
staat niets vermeld. Te vrezen is dat ook zij in den vreemde zijn
gebleven.
Door de invoering van de persoonlijke dienstplicht bij wet van 2 juli 1898 werd het
vervangingssysteem afgeschaft.
- 18 -
Aan het lotingsysteem kwam pas in 1938 officieel een einde, maar uit getuigenissen van
Nederlandse oud-strijders, die in Indonesië gestreden hebben en in de Jappenkampen
gezeten hebben, leren we dat er toen (we spreken nu van de 2e wereldoorlog en kort
daarna) nog dikwijls van loting gebruik werd gemaakt om in penibele situaties een
‘slachtoffer’ te kiezen, die de ‘klus’ moest klaren.
BIJLAGE
De duur van de legerdienst
Tot 1853 was er geen effectieve duur van de diensttijd vastgesteld. Vanaf 1853 daalde de
diensttijd van 30 maanden geleidelijk naar 15 maanden (1909 tot 1914). In politiek stabiele
periodes werden soms volledige compagnies voor enkele weken, zelfs maanden, op verlof
gestuurd. Deze maatregel werd enkel en alleen genomen met het doel te besparen op het
defensiebudget. De gegevens hebben ook alleen betrekking op de Linie-regimenten want
Elite-regimenten (Grenadiers, Karabiniers…) en bereden troepen (cavalerie, artillerie)
dienden gemiddeld 3 à 6 maand langer.
Enkele vertalingen uit reglementen anno 1896
- De fysieke toelatingsvoorwaarden tot de Infanterie
Men moet beschikken over gezonde ledematen, een stevige lichaamsbouw, een grote en
vooruitspringende borstkas, lange en gelijk gebogen ribbenkast, brede schouders, een
voldoende gespierd achterwerk, sterke nek en holle voeten.
Een lengte hebben van
Linie infanterie
Jagers te voet
Karabiniers
Grenadiers
1.55m en erboven
1.55m idem
1.62m idem zonder de 1.68m te
overschrijden
1.72m idem
- De fysieke toelatingsvoorwaarden tot de cavalerie
Over een stevig stel beschikken, een goed ontwikkelde borst en vertrouwd zijn met
paarden. Voor de lansiers volstaat het om bij benadering te voldoen aan de minimum
lengte en het gewicht, zonder echter de 65 a 70 kg te overschrijden. Dit teneinde het
gewicht voor het paard te verlichten, echter zonder buiten de condities te vallen om de
lans te kunnen hanteren.
Een lengte hebben van: Jagers te Paard
Lansiers
Gidsen
1.64m tot 1.67m
1.66m tot 1.70m
1.69m tot 1.71m
Zelfs de paarden werden gekeurd!
Hoogte van de paarden: Jagers
Lansiers
Gidsen
1.52m tot 1.54m
1.54m tot 1.56m
1.56m tot 1.60m
- Militaire zieken
De regels van toen zijn nu nog geldig.

Een militair, die slechts gedurende enkele dagen onbeschikbaar is, wordt voor deze
periode vrij van dienst gezet. Is er slechts sprake van een gedeeltelijke incapaciteit,
dan wordt de zieke vrijgesteld van oefeningen, schermen of gymnastiek.

De soldaten en onderofficieren, die niet kunnen verzorgd worden in de kazernes,
worden ter behandeling in hospitalen geplaatst. Actieve en gepensioneerde officieren
kunnen er ook in opgenomen worden, hetzelfde geldt voor soldaten en
onderofficieren met voorlopig pensioen.

Als de toestand van een militair zorgen baart, zal de directeur van het hospitaal de
familie op de hoogte brengen, om ze de kans te bieden de zieke nog levend te zien,
moest hij zich niet herstellen.

Terzelfder tijd zal de directeur aan de burgemeester een brief sturen met daarin een
treinticket voor één à twee personen. Indien tijdens het bezoek de familie een bewijs
bij heeft, afgeleverd door de burgemeester, dat hun armoede vastlegt, zal de
directeur van het hospitaal treinkaarten bezorgen voor de terugkeer. Dezelfde regel
- 19 -
is van toepassing indien de familie een militaire begrafenis bijwoont.

Alle militairen, zelfs met verlof, hebben recht op medische verzorging. De kosten van
de begrafenis van soldaten en onderofficieren, overleden in een hospitaal, zijn ten
laste van het hospitaal. De begrafenis wordt behoorlijk maar sober geregeld. De
compagnie van de overledene zal in veldtenue deelnemen aan de plechtigheid.
Interessante weetjes
De volgende keer dat je je handen wast, en je vindt de temperatuur van het water niet echt
aangenaam, denk er dan eens aan hoe het er ooit aan toeging... Hier volgen een aantal
feiten uit de jaren 1500.

De meeste mensen huwden in juni, omdat ze hun jaarlijks bad namen in mei, en dus
in juni nog redelijk fris roken. Tegen die tijd begon men echter toch al lichtelijk te
stinken, en dus droeg de bruid een boeketje bloemen om haar lichaamsgeur te
verbergen. Daar komt dus het gebruik van dat ook vandaag nog de bruid een
bruidsboeket draagt.

Een bad bestond uit een grote kuip die gevuld werd met heet water. De heer des
huizes genoot het privilege van het schone water, daarna volgden de zoons en
andere mannen die deel uitmaakten van het huishouden, dan de vrouwen, en
tenslotte de kinderen. De baby's waren als laatsten aan de beurt. Tegen dan was het
water zo vuil dat je er makkelijk iemand in kon kwijtraken... Vandaar de uitdrukking
"de baby met het badwater weggooien".

Niets kon verhinderen dat er bepaalde dingen in huis naar beneden vielen, want o.m.
de kippen zaten op zolder. Dit was een echt probleem in de slaapkamer, waar ongedierte en uitwerpselen je schone beddengoed konden bederven. Daarom werden
bedden voorzien van grote palen om een laken over te hangen dat dan toch een
beetje bescherming bood. Zo is het gebruik van hemelbedden ontstaan.

In die tijd kookte men in de keuken in een grote ketel die altijd boven het vuur hing.
Elke dag werd het vuur aangestoken, en werden er ingrediënten toegevoegd aan de
ketel. Men at meestal groenten, en weinig vlees. Men at deze stoofpot 's avonds, en
liet het overschot in de ketel. Dit werd dan 's nachts koud, en 's anderendaags begon
men gewoon opnieuw. Zo zaten er in hun stoofpot vaak dingen die er al heel lang
inzaten...

Soms konden ze varken krijgen, en dan voelden ze zich heel bijzonder. Als ze
bezoekers over de vloer kregen, dan hingen ze hun stuk varken op om op te
scheppen. Het was namelijk een teken van weelde als een man spek naar huis kon
brengen. Ze sneden dan een stukje af om te delen met de gast, en kauwden gezellig
samen op het vet.

Wie geld had, kon zich tinnen borden veroorloven. Voedsel met een hoge
zuurtegraad zorgde er voor dat een beetje van het lood in het voedsel terecht kwam,
wat vaak tot een loodvergiftiging en de dood leidde. Dit gebeurde het meest met
tomaten, waardoor tomaten de volgende +/- 400 jaar als giftig werden beschouwd.
Brood werd verdeeld volgens je sociale status. Arbeiders kregen de aangebrande
bodem van het brood, het gezin at het middendeel op en gasten kregen de
bovenste, krokante korst.

Men gebruikte loden bekers om bier te drinken. Die combinatie zorgde er soms voor
dat de drinker een aantal dagen buiten westen was! Als de dronkaard dan
bewusteloos gevonden werd langs de straat, werd hij vaak gereed gemaakt om
begraven te worden. Hij werd een aantal dagen op de keukentafel gelegd,en de
familie at en dronk aan diezelfde tafel, en wachtte af of hij nog wakker zou worden.
Vandaar het gebruik van de doodswake.

Soms vond men geen plaats meer om de doden te begraven, dus werden er kisten
uitgegraven en de beenderen naar een beenderhuis overgebracht, zodat ze de
graven konden hergebruiken. Bij het heropenen van deze kisten, ontdekten ze dat er
bij 1 op 25 aan de binnenkant gekrabd was, en ze beseften dat ze levenden hadden
- 20 -
begraven. Van toen af werd er een touwtje rond de pols van een lijk gebonden, dat
omhoogleidde en verbonden was met een belletje boven de grond. Iemand moest
dan heel de nacht op het kerkhof zitten om te horen of de bel niet rinkelde. En zo
werd er wel eens iemand "gered door de bel".
Wie zei er ook alweer dat geschiedenis saai was...?
Geschiedenis van de schoen in de Nederlanden
Uit “En toen… was er een schoen” (Puck Meijer),
Een uitgave van het Nederlands Leder- & Schoenen Museum te Waalwijk
De Nederlanden in de vroege middeleeuwen, 500-1000
Tussen 24 en 27 augustus in het jaar 410 veroverde de Westgotische koning Alarik de stad
Rome en dat was niet de enige oorlog in die periode. Overal in het Romeinse Rijk waren
opstanden uitgebroken. Uiteindelijk verloren de Romeinen de controle over de bezette
gebieden en het Rijk viel uit elkaar in een heleboel landen en landjes.
In de Nederlanden woonden Franken, Saksen en Friezen. Het leven was veel eenvoudiger
geworden na het vertrek van de Romeinse legioenen. Veel mensen waren met de Romeinen
meegegaan. Anderen verhuisden naar wat nu Duitsland is, of Engeland. Hier en daar was
een stadje te vinden, zoals Maastricht of Nijmegen. Het platteland was dun bevolkt. Je vond
daar geen grote boerenbedrijven, maar keuterboertjes die voedsel verbouwden voor hun
eigen gezin. Ze maakten hun kleren en schoenen zelf. Ze woonden in een houten huis, met
een dak van rijshout en stro. Er waren geen ramen, geen wc of een badkamer. Wassen en
tandenpoetsen hoefde dus niet zo dikwijls. Het eten werd in het woongedeelte gekookt, op
een houtvuur. Meestal stond er een dikke graanpap op het menu. Als het feest was ook wel
eens vlees en wijn.
In de stadjes was wat meer luxe. Er waren zelfs schoenmakers, al hadden die niet meer
zoveel werk na het vertrek van de Romeinse soldaten.
Schoenen en de mode
Over schoenen weten we niet zo veel uit deze periode. Je zult begrijpen dat er meer
potscherven bewaard zijn gebleven dan resten van schoenen, omdat leer onder de grond
vaak verteert. Onze voorouders hebben bovendien geen afbeeldingen of boeken nagelaten
die ons leren hoe hun schoenen eruit hebben gezien.
Van de luxe-schoenen zijn meestal alleen de zolen nog terug te vinden. Het leer van de
zolen is namelijk veel dikker dan dat van de rest van de schoen. Hoe die rest eruit heeft
gezien weten we dus niet.
Wat we wel weten is, waar de rijkere mensen woonden. Elk huis had een afvalput. Als daar
schoenen in gevonden worden met maar één klein gaatje, dan weet je dat de bewoners van
dat huis kennelijk genoeg geld hadden om meteen nieuwe te kopen. Armere mensen lieten
hun schoenen repareren totdat het niet meer kon.
De boeren maakten schoenen uit één lap leer, zonder aparte zool. Dan hoeft er maar één
naad dichtgenaaid te worden en bovendien lekt zo'n schoen niet gemakkelijk. Nadat die
naad was gesloten werd de hele schoen binnenste buiten gekeerd, zodat je die nood niet
meer aan de buitenkant kon zien. Het waren lage schoenen, die om de voet sloten met een
leren riempje. Dat riempje werd door gaten in de schoen getrokken, zodat de schoen goed
bleef zitten. Soms werden er een paar sierrandjes op genaaid. Archeologen hebben ook een
laarsje gevonden, dat uit één lap leer was gemaakt. Alleen de zool was daar apart onder
gezet. Het laarsje sluit op het scheenbeen met een flop, die met een veter werd
vastgemaakt.
Schoenmakers
Elk huis had vroeger een afvalput. Aan de afvalputten kun je zien waar de schoenmaker
woonde, want daar worden heel veel kleine stukjes leer in gevonden. Die stukjes leer zijn
overbleven nadat de schoenmaker het model van een schoen uit een lap leer had gesneden.
Het is natuurlijk niet zo, dat alle mensen even grote voeten hadden. Je kon een schoen
- 21 -
eenvoudigweg wat kleiner maken door het riempje om de voet wat vaster aan te trekken.
In Maastricht woonde in het jaar 100 een schoenmaker. Aan de leerresten is te zien, dat hij
voor eenvoudige mensen steeds hetzelfde model maakte. Voor deze schoenen hoefde hij
geen meester-schoenmaker te zijn. Het leer was kostbaar, want hij gooide nooit grote
stukken weg.
Materiaal en gereedschap
Runds- en geiteleer kwam het meest voor,
omdat de boeren veel koeien en geiten hielden.
Aan de leerresten in de afvalputten kun je zien
dat hij een sjabloon gebruikte om de schoenen
uit te snijden, want uit de hand is het niet
mogelijk steeds precies hetzelfde model te
maken. Een sjabloon is een patroon van ijzer of
misschien wel van hout, waar je langs kunt
Vrouwenschoen in leer; vrouwen- of meisjeslaars in leer.
snijden. Zijn gereedschap bestond verder uit
een mes, een priem en pekdraad. Versieringen
maakte hij door gaatjes in de schoen te ponsen. Dat zie je ook in moderne schoenen, maar
nu wordt dat machinaal gedaan. Verder heeft er waarschijnlijk een waterbekken in de
werkplaats gestaan om het leer soepel te maken en wat meubels zoals krukjes en een tafel.
En niet te vergeten: leesten. Deze waren recht, dus zonder verschil tussen de linker- en de
rechtervoet.
De Nederlanden in de late Middeleeuwen, 1000-1500
Dit is de tijd van ridders en jonkvrouwen. Ze vermaakten zich 's avonds in hun kastelen met
de muziek van rondtrekkende muzikanten, die troubadours werden genoemd. De ridders
hielden tournooien en maakten gedichten voor hun geliefde jonkvrouw. Ze voerden ook
oorlog of gingen op Kruistocht naar het Heilige Land, Palestina.
Zo romantisch zal het allemaal wel niet zijn geweest. Zeker voor de boeren was het geen
gemakkelijke tijd. Die boeren moesten hard werken om de pacht aan hun heer te kunnen
betalen. Bovendien moesten ze mee de oorlog in als hun heer dat wenste.
Het leven in de stadjes zag er anders uit. Daar werkten mensen in allerlei beroepen. De
handel was heel belangrijk geworden, zelfs met het buitenland. De mensen werden dan ook
steeds rijker. Voor een gedeelte gebruikten ze hei verdiende geld om hun zaak verder op te
bouwen, een ander deel besteedden ze aan huizen en grote kerken en ze hadden ook een
deel bestemd voor mooiere kleren en schoenen. De mode werd belangrijker dan ze in de
vroege Middeleeuwen was geweest.
Schoenen en de mode
Na het jaar 1200 verschenen er schoenen met lange, spitse neuzen. Ze werden
tootschoenen of snavelschoenen genoemd. We zagen dit model ook in Mesopotamië.
Waarschijnlijk bracht een ridder die op Kruistocht was geweest dit idee mee naar huis. In de
15de eeuw was de snavelschoen nog steeds niet ouderwets, maar de punt was toen in
sommige modellen zo overdreven lang
geworden, dat hij met een kettinkje op
kniehoogte aan het been moest worden
vastgemaakt. De punt werd, net als in
Mesopotamië, opgevuld.
Dat die schoenpunt steeds langer werd,
had wel een reden. Hoe belangrijker
iemand was en hoe minder hij hoefde te
werken, hoe langer de punt. Daarom kon
het een statussymbool voor ridders en
Leren snovelschoen met een houten 'trip'; Snovelrijke burgers zijn. Die punten waren wel
schoen in leer met kettinkje.
kwetsbaar
als
je
ermee
over
de
ongeplaveide straten moest lopen. Het materiaal waar ze van gemaakt werden was
bovendien niet zo sterk: zacht leer of fluweel. Daarom maakten de middeleeuwse
schoenmakers een houten onderschoen, die met leren riempjes om de snavelschoen werd
- 22 -
gebonden. Die onderschoenen noemden ze 'trippen'. Er was weinig verschil tussen de
schoenen voor mannen en vrouwen.
Een andere nieuwigheid was het gebruik van verschillende sluitingen: riemen, knoopveters,
rijgveters, leren knoppen en gespen. Na 1500 is er zoveel variatie, dat je over 'mode' in
sluitingen kunt praten.
De gewone mensen liepen op leren muilen met een houten zool, klompen of eenvoudige
leren schoenen, die om de enkel gebonden werden. Tegen de kou werd een soort kouslaars
gedragen.
Schoenmakers
Er waren geen technische scholen in de Middeleeuwen. Een vak moest je in de praktijk
leien, dus ook het schoenmakersvak. In de steden probeerde je dan als jongen bij een
meester in de leer te komen. Er werd van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gewerkt. De
leerjongens gingen dan ook niet naar huis na het werk. De meester zorgde voor een bed,
eten, linnengoed, wollen kleding en schoenen.
Op je achttiende verjaardag kon je gezel worden, een trapje hoger op de ladder. Na weer
zes jaar leren en werken bestond de mogelijkheid een soort examen af te leggen: de
meesterproef. De gezel moest dan een werkstuk inleveren dat aan bepaalde kwaliteitseisen
moest voldoen. Het gildebestuur hield daar toezicht op. Op bladzijde 29 kun je lezen wat
een gilde is. Niet elke gezel kon dat examen afleggen, want zij konden vaak het materiaal
niet betalen dat nodig was om het werkstuk te maken. De gezellen kregen, net als de
leerjongens, geen salaris. Met een beetje geluk kon hij met de dochter van de meester
trouwen. Of, als de meester zelf stierf, met diens weduwe. Veel gezellen kwamen hun leven
lang dan ook niet verder dan een knechtenrol. Wie dat echt niet wilde kon altijd nog op het
platteland gaan werken. Het probleem was dan, dat je niet genoeg geld kon verdienen als
schoenmaker, want de meeste boeren maakten hun schoenen zelf. Dus moest de gezel zijn
brood verdienen met werk op het land. In de avonduren of in de winter kon hij dan
schoenen maken als extra inkomen. Zo is de huisnijverheid ontstaan, die tot in de 19e eeuw
een bijverdienste voor de boeren betekende.
Materiaal en gereedschap
Ze gebruikten dezelfde leersoorten om schoenen van te maken als hun vaders en
grootvaders: rund- en geiteleer. Er kwamen wel nieuwe materialen bij, fluweel bijvoorbeeld.
Een dorpsschoenmaker zal niet veel meer gereedschap
hebben bezeten dan het meest noodzakelijke.
Een stadschoenmaker moest modellen maken die steeds
ingewikkelder werden, dus moeilijker om te maken. Daar heb
je ook meer gereedschap voor nodig. Natuurlijk had ook hij
rechte leesten, allerlei messen en priemen. Om een schoen
goed te kunnen bewerken had hij ook een riem, die om zijn
been werd geslagen. De schoen werd daarin geklemd,
waardoor deze niet meer kon verschuiven. Zo kon de
schoenmaker veel gemakkelijker werken. Natuurlijk ontbraken
ook de krukjes en de werktafel niet.
De gilden
Een gilde had veel te vertellen in de stad. Het was een
vereniging van meesters, die van het stadsbestuur of de vorst
Schoenmaker
het alleenrecht hadden gekregen om in de stad hun ambacht
uit te oefenen. Na het jaar 1260 kwamen in steeds meer
steden in de Nederlanden schoenmakersgilden.
Ze kozen uit hun midden een bestuur dat controleerde of de meesters geen knoeiwerk
afleverden. Dat bestuur nam ook de meesterproef van gezellen af, het zorgde ervoor dat de
feesten en vergaderingen geen rommeltje werden, het deelde boetes uit als een meester in
overtreding was en het bemiddelde wanneer gildeleden ruzie hadden. Het stelde bovendien
de prijzen van de schoenen vast en het lette erop dat de meesters zich netjes en
godsdienstig gedroegen. De leden betaalden contributie en het bestuur beheerde de kas.
- 23 -
Daaruit werd een soort brand- en begrafenisverzekering betaald, het jaarlijkse feestmaal op
25 oktober en de kosten voor het altaar in de kerk voor hun beschermheiligen Crispinus en
Crispinianus.
Pas na de Franse Revolutie in 1789 verdwenen de gilden in de Nederlanden, Frankrijk en
Engeland. In een andere vorm is er tegenwoordig weer een schoenmakersgilde.
De Nederlanden in de 16e eeuw
Soms is een manier von denken en leven (een cultuurstroming) in een periode zo belangrijk
dat er een naam voor wordt bedacht. Een goed voorbeeld hiervan is de Renaissance, die in
de 16de eeuw vanuit Italië de Nederlanden bereikte. Renaissance betekent 'wedergeboorte'.
Geleerden en kunstenaars verdiepten zich opnieuw in de geschiedenis van de antieke
Griekse en Romeinse wereld: de boeken van de filosofen werden weer gelezen en de
antieke kunst diende als voorbeeld voor de 16e eeuwse kunsten. De mensen vonden het
belangrijk om mooie dingen om zich heen te zien.
De boekdrukkunst was al een halve eeuw oud en heel veel mensen lazen en schreven
boeken. Sommigen bezaten zelfs een bibliotheek. Er kwamen ook meer scholen.
Schoenen en de mode
De snavelschoen was nu ouderwets geworden. Er kwam een nieuw model op de markt, dat
heel wat comfortabeler was dan de puntschoen uit de Middeleeuwen. Het waren lage
schoenen met brede neuzen. De namen klinken niet erg elegant: 'koemuil', voor een lage
schoen met een heel brede neus, 'hoornschoen', waarbij de brede neus in twee punten
eindigt, 'bereklauw' voor een grappige schoen met een vakje voor elke teen, en dergelijke..
Zowel in de kleding als in de
schoenen werden spleten gemaakt,
die eerst bedoeld waren voor meer
bewegingsvrijheid voor de gewrichten van armen, benen en voeten.
Een gekleurde voering of mooi
gekleurde, zijden kousen die door de
spleetjes te zien waren dienden als
contrast. Het werd mode de hele
kleding
op
deze
manier
te
a. Bereklauw; leer of fluweel met zijden koord. b. 'Koemuil'; leer.
versieren. Muilen werden gedragen
als huisschoenen en als overschoenen om de fijne materialen waar de schoenen van
gemaakt waren (zacht leer, fluweel en zijde) te beschermen. Ze kwamen in plaats van de
trippen.
In 1580 introduceerde koning Hendrik III van Frankrijk de hoge hak. Voorlopig was dit
modesnufje alleen voor de adel bestemd, pas in de 7e eeuw werd de hak door grote
groepen mensen gedragen.
Schoenmakers
In deze periode waren
er vier verschillende
soorten schoenmakers:
schoenen- en laarzenmakers, makers van
muilen
met
zachte
zolen, klompenmakers
en leesten en schaatsenmakers.
De
schoenherstellers
namen ook nog een
aparte plaats in, met
sociale verschillen onderling. Iemand die schoenen herstelde en ook nog een winkel had,
kreeg meer achting dan een schoenhersteller die langs de deuren ging om zijn werk te
doen.
Schoenmakerswerkplaats met winkel
- 24 -
Wie het kon betalen liet een uithangbord maken of een gevelsteen. De mensen zagen dan in
welke winkel of werkplaats ze moesten zijn om schoenen te kopen. Om zo herkenbaar
mogelijk te zijn, had elk beroep een eigen afbeelding of tekst. Schoenmakers hingen een
leest buiten, of een bord waarop aan de ene kant een schoen was geschilderd en aan de
andere kant een laars. Het opschrift was dan: Meester Schoen- en Laarzenmaker.
De vrouw van de schoenmaker
De vrouw van de schoenmaker stond de klanten in de winkel te woord en soms hielp ze in
de werkplaats. Daar zien we verder hetzelfde beeld als in de Middeleeuwen: een meester,
een paar gezellen en een paar leerjongens.
Materiaal en gereedschap
De leersoorten die de schoenmaker gebruikte ken je inmiddels, daar kwam tot in de 20ste
eeuw niet meer zoveel verandering in. Fluweel werd nog steeds gebruikt en nu is ook zijde
een geliefd en duur materiaal voor schoenen. De gereedschappen bleven in grote lijnen
hetzelfde.
De Nederlanden in de 17e eeuw
Overal in Europa waren oorlogen en oorlogjes aan de gang, ook in de Nederlanden. De
tachtigjarige opstand tegen Spanje die in 1568 begonnen was, eindigde in 1648.
Die rijke kooplieden hadden geld genoeg om schilderijen te laten maken. En ook
gemeentebesturen en kerken gaven opdrachten aan beroemde kunstschilders als
Rembrandt of Rubens. Je kunt op die schilderijen goed zien hoe rijk de kooplieden en
regenten gekleed waren.
Schoenen en de mode
Het hof van Lodewijk XIV in Versailles, vlak bij Parijs, gaf de toon aan in de mode. De
gespen, rozetten, strikken en juwelen waarmee de edelen daar hun schoenen versierden
werden nagemaakt in heel Europa. Het waren schoenen van zijde of satijn, vaak prachtig
geborduurd of afgezet met kant. Sommige van die schoenen waren zo duur, dat een
gewone familie van dat bedrag een jaar had
kunnen leven. Aan de hoogte van de hak
kon ie zien of iemand van adel was. Die
hakken waren dan bovendien, samen met
de zolen, rood geverfd. Ook in Nederland
waren deftige mensen zo gekleed. Bij
voorbeeld aan het hof van Prins Willem II
van Oranje. De hovelingen spraken Frans
en ze droegen de Franse mode. Hoe die er
uit zag, wisten ze door prenten en poppen
die reizigers hadden meegebracht uit
Versailles en door brieven met modeberichten.
Uiteindelijk zag ie de hoge hakken overal,
want de iets minder deftige mensen deden
de hoogste kringen weer na. Hoe belangrijk
die hoge hak was, kun je zien aan de
overschoenen die de mensen droegen. Zo'n Schoenen met strikken, juwelen en rozetten; satijn,
overschoen zijn we al vaker tegengekomen zijde, brocaat en leer. Linksboven: houten
onderschoen met hak.
in de geschiedenis, maar in de 17e eeuw
was het model wel erg ongelukkig: de
overschoen had ook een hak. Dat betekent dus, dat iemand met twee hakken boven elkaar
moest proberen te lopen.
In de 16de eeuw werden niet zoveel laarzen gedragen, in de 17e eeuw wel. Verhalen als 'De
Drie Musketiers' en 'De Gelaarsde Kat' ontstonden in deze periode. De figuren uit die
verhalen droegen dezelfde laarzen als officieren en ruiters: stoer, met een brede leren kap
en sporen, gemaakt van stevig leer. Maar er waren ook laarzen waarmee je naar een feest
- 25 -
kon gaan. Die zagen er verfijnd uit, want ze waren gemaakt
van zacht leer. De heren droegen er een soort kous in die
met kant was
De arme boeren maakten hun schoenen nog zelf. Wie wat
meer geld had kocht ze in een stadje in de buurt of bij een
dorpsgenoot die in de stad het vak van schoenmaken had
geleerd. Erg modieus waren die schoenen niet, de
eenvoudige modellen veranderden nauwelijks. De gilden
hadden op het platteland niets te vertellen, dus
kwaliteitscontrole was er ook niet.
Schoenmakers
De beroemdste schoenmaker uit de 17e eeuw was meester
Lestrange. Hij maakte de luxueuze schoenen voor Lodewijk
XIV en hij was daardoor een belangrijk man.
In de Nederlanden werkten ongetwijfeld ook zulke
hofleveranciers, maar de meeste schoenmakers deden
gewoon hun werk in het bekende gildeverband, tenminste in
de steden. Er waren zo hier en daar protesten tegen de
gilden, want in sommige gevallen was het belangrijker dat je vader meesterschoenmaker
was, dan de kwaliteit van je werk. De gilderegels gingen voor veel schoenmakers knellen en
zij wilden vrije concurrentie: laat de beste maar verkopen of repareren. Bovendien waren de
gilden te ouderwets geworden om nog met hun tijd te kunnen
meegaan.
Uitgaanslaars;
lichtgekleurd
leer met een rode hak en zool.
De kous is met kant afgezet.
Door de luxe schoenenmode was er werk genoeg. En winst
ook: de gespjes en andere versierinkjes waren interessante
verkoopartikelen. Hun winkels waren mooier geworden en de
manier van werken vroeg steeds meer vakmanschap. Veel
veranderde dat overigens niet aan de gereedschappen die
werden gebruikt. Wel werden er veel meer schoenen van een
ander materiaal dan leer gemaakt: satijn, zijde en brokaat.
In 1678 werd er een speciaal gilde opgericht voor
schoenherstellers. Zij profiteerden veel minder van de verkoop
van schoenversieringen dan de makers. Zij hadden dan ook
dikwijls
een
bijbaantje:
doodgraver,
klokkeluider
of
hondeslager bij voorbeeld. Een hondeslager was iemand die
met een stok de honden uit de kerk sloeg. Dat was hard nodig,
Ruiterlaars; zwart slagleer.
want in die tijd werden de mensen in de kerk begraven.
Honden graven graag botten op en je zult begrijpen dat
zoiets met mensenbotten niet mocht. Vandaar de hondenslagers.
De Nederlanden in de 18e eeuw
Schoenmakerswerkplaats
De Franse koning Lodewijk XIV stierf in 1715.
Hij werd opgevolgd door Lodewijk XV. Deze
periode noemen we in Frankrijk de Rococo en
in Nederland de Pruikentijd. Gepoederde
pruiken, hoepelrokken, verfijnde schoentjes en
krullerige, vergulde meubels zag je bij de
meeste rijken. Het was de luxe ten top. Veel
mensen protesteerden hiertegen, en niet alleen
de armen. Geleerden vonden dat net verstand
veel belangrijker was dan al die modegrillen.
Bovendien leefden de mensen veel te ver van
de natuur, vonden zij. Deze manier van denken
wordt de Verlichting genoemd.
Al die protesten eindigden in de Franse Revolutie van 1789. Heel veel mensen deden daar
aan mee. Hun strijdkreet was: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Vier jaar later
- 26 -
onthoofdden de revolutionairen in Frankrijk een heleboel edelen onder de guillotine. Ook
koning Lodewijk XVI, die inmiddels Lodewijk XV was opgevolgd, en zijn vrouw Marie
Antoinette ontkwamen dat lot niet.
Een kapitein van de artillerie, Napoleon Bonaparte, werd bevorderd tot generaal. Deze
kleine generaal had grote plannen. Hij wilde de baas zijn over een veel groter gebied dan
alleen Frankrijk. Daarom voerde hij oorlog in heel Europa, Rusland en Egypte. Ook de
Nederlanden kwamen zo onder Frans bestuur. In 1804 kroonde Napoleon zichzelf tot keizer.
Schoenen en de mode
Frankrijk gaf in de Rococo nog steeds de mode aan. Smalle schoentjes van satijn, fluweel,
zijde of fijn leer pasten goed bij de protserige kleding. Vooral als ze versierd waren met
gespen van zilver of bezet met diamanten of stras. Stras is geslepen glas op folie, een
namaak-edelsteen. Een leuk kadootje in die tijd was een zilveren schoengesp, verpakt in
een mooi etui.
De rode hak was nog altijd in gebruik aan het hof, voor mannen
en vrouwen. De koning ging nog een stapje verder: hij liet zijn
hakken beschilderen met allerlei voorstellingen door een
beroemde kunstenaar. Na de Revolutie veranderde het
modebeeld. Bijna niemand droeg meer pruiken en hofkleding
van geborduurde zijde en kant. Eenvoud en vaderlandsliefde
waren belangrijker geworden. Mannen en vrouwen lieten zelfs
schoenen maken in de kleuren van de Franse vlag: rood, wit en
blauw. De rode hak verdween natuurlijk, want niemand wilde
meer iets met de adel te maken hebben. Dat kostte je
misschien letterlijk je kop. De nieuwe mode kwam uit Engeland:
zwarte, sportieve schoenen en soepele laarzen. De hoge hak
kwam vrijwel niet meer voor.
Een poging van de schoenmakers rode en blauwe laarzen te
verkopen mislukte, zwart was de modekleur.
Tijdens de hele 18e eeuw zijn er veel laarzen gemaakt, vooral
voor mannen. Net als in de 17e eeuw waren er twee soorten:
ruiterlaarzen van dik, stug leer gemaakt voor officieren en
postiljons (een soort postbode te paard) en elegante laarzen van zacht leer waarmee je
naar een feest kon gaan.
Postiljonlaars in zwart leer
Schoenmakers
Voor de Revolutie werd er aan de luxe
schoenen van de rijken veel zorg
besteed. De schoenmakers werkten
soms met gipsen afdrukken van de
voeten van de opdrachtgever. Dat
leverde perfect zittende schoenen op
die rechts en links natuurlijk niet gelijk
waren. Niet iedereen kon dat betalen,
voor de gewone mensen werden de
schoenen nog steeds op een rechte
leest gemaakt. Na de Revolutie was
het afgelopen met de gilden. De vrije
concurrentie, een wens van een
heleboel schoenmakers, werd geleidelijk aan werkelijkheid.
Geborduurde damesschoenen en juwelen gespen, biocoat en
satijn
Nederland in de 19e eeuw
Napoleon Bonaparte verloor in 1815 de slag bij Waterloo. Iedereen had zo langzamerhand
genoeg van oorlog en daarom werd Napoleon verbannen naar een klein eiland.
Nederland was in 1813 een koninkrijk geworden en de Belgen kozen een koning in 1830.
Vanaf deze tijd hebben we het niet meer over de Nederlanden, maar over Nederland.
- 27 -
Terwijl de Fransen in de 18e eeuw bezig waren met de Revolutie, ontwikkelden de Engelsen
de stoommachine.
Schoenmakerswerkplaats
Hoe belangrijk die stoommachine was bleek al gauw. Stoom kon aandrijfkrachten als wind
en water (denk aan molens) vervangen, maar ook mens en dier (paard en wagen). Om die
stoommachines te laten werken was er steenkool nodig. Dus maakten de Engelsen
spoorwegen om dat te vervoeren. Dat had ook gevolgen voor de manier van reizen voor
mensen. Treinen gingen veel sneller dan de ouderwetse postkoetsen en trekschuiten: bijna
50 kilometer per uur!
Het leven van heel veel mensen veranderde sterk. Ambachtslieden bedachten allerlei
machines om sneller te kunnen werken. Wanneer die machines met stoom werden
aangedreven ging het nog sneller. Zo ontstonden de fabrieken, want het was natuurlijk veel
te duur om voor elke werkplaats een stoommachine aan te schaffen. De fabrikant had geen
dure vakmensen meer nodig, iedere man, vrouw of kind die een machine kon bedienen was
goed genoeg. In die beginperiode was het geen pretje om in zo'n fabriek te werken. Lawaai,
stof en heel lange werkdagen - twaalf uur of langer- waren geen uitzondering. Kinderen
moesten even lang werken als de grote mensen.
Niet alle ambachtsmensen waren plotseling vervangen door fabrieken. De machines waren
duur en nog lang niet voor elk ambacht geschikt. Voor de schoenmakers duurde het nog
zeker een halve eeuw voordat er genoeg geld en machines beschikbaar waren om een
heleboel fabrieken in te richten. Werkplaatsen waarin met de hand werd gewerkt, bleven
dan ook gewoon bestaan.
De fabrikanten waren de nieuwe rijken.
Zij hadden geld voor mooie huizen,
mode, uitgaan en lekker eten. De arme
mensen woonden vaak in krotten en
hadden nauwelijks te eten. Het is dan
ook goed te begrijpen dat er overal
rellen uitbraken.
Schoenen en de mode
In het begin van de 19e eeuw, zo vlak na
de Revolutie, was de kleding eenvoudig.
Soepele,
losvallende japonnen voor de
a. Laars; zwart leer, b. Enkellaarsje; zwart leer met
dames, strakke broeken met een
linnen, c. Schoen, gedragen door Napoleon; zwart leer.
pandjesjas voor de heren. Die soberheid
gold ook voor de schoenen. Lage schoenen van leer of satijn met rechte neuzen en hooguit
een klein strikje als versiering, waren mode. Hoge hakken zag je niet meer.
Rond 1820 kwam er wat meer variatie. Enkellaarsjes met een vetersluiting opzij voor de
dames en zwarte, leren laarzen voor de heren werden heel populair. De mode werd daarna
steeds een beetje frivoler, tenminste voor de dames. Rond het midden van de eeuw
droegen ze stijve, wijde petticoats, verstevigd met paardehaar, die crinolines werden
- 28 -
genoemd. Door hoorde een wespetaille bij, maar omdat de meeste dames die niet bezaten
regen ze zichzelf in strakke corsetten. Zo strak, dat ze nauwelijks konden ademhalen.
Flauwvallen was dan ook vaste prik in deze mode.
Bij die wijd-uitstaande japonnen droegen ze
vaak sierlijke bottines. Dat zijn laarsjes die met
knoopjes of veters gesloten worden. Soms werd
die sluiting vervangen door elastiek. Er zijn heel
veel variaties bedacht, bij voorbeeld met
schulprandjes langs de sluiting. Soms zijn ze
helemaal van leer gemaakt, soms gedeeltelijk
van linnen. En de hak kwam nu na vijftig jaar
weer terug. Zijden schoenen bleven in de mode,
vooral voor bruiden of als uitgaans-schoen.
De heren gingen eenvoudig gekleed in een
pantalon, een overhemd, een lesje een hoge
hoed en leren schoenen. De modellen voor hun
Damesbottine; leer en linnen. Heren sportschoenen verschilden niet van de dames: ook de
schoen; leer en canvas
heren droegen bottines. Deze bottines bleven
bijna 100 jaar in de mode! Daarnaast kwamen puntige schoenen in de mode: rechte neuzen
zag je niet meer. Rechte neuzen waren sinds het begin van de eeuw populair geweest om
mee te gaan dansen of uit te gaan.
Op het einde van de 19e eeuw deed de sportschoen zijn intrede. Fietsen, bergbeklimmen,
roeien, paardrijden, tennissen, het kon allemaal als je er geld en tijd voor had. Die
sportschoenen zagen er heel anders uit dan de soorten die we nu kennen. Ze leken meer op
de klassieke veterschoenen die nu nog door heren gedragen worden.
De kinderen hadden nog steeds geen eigen mode. Ze zagen eruit als hun vaders en
moeders in het klein.
Schoenmakers
Er was zoveel vraag naar schoenen, dat de schoenmakers het niet meer aankonden.
Machines waren er nog niet en dus bedachten ze een andere manier van werken.
Het maken van schoenen kan heel goed in onderdelen worden gedaan. Degene die het
bovenwerk in elkaar naait, hoeft niet persé dezelfde te zijn als degene die dat bovenwerk
aan de zool vastmaakt. De schoenmakers gingen gedeelten van dat
werk uitbesteden aan personeel dat
thuis werkte, want hun werkplaats
was te klein voor zoveel mensen. In
de
schoenmakerij
werden
die
onderdelen als een bouwpakket in
elkaar gezet. Deze methode van
werken heet huisindustrie. Dat was
niet altijd even praktisch, want auto's
of fietsen waren er niet. Het kostte
dus veel tijd om al die onderdelen te
verzamelen en het materiaal rond te
brengen.
De baas huurde of kocht dus een
grote ruimte, waar al die knechts
Schoenmakerswerkplaats met winkel
konden werken. Machines stonden
daar niet, alles gebeurde met de
hand. Maar door de tijdsbesparing konden er zo veel meer schoenen worden gemaakt dan
in de huisindustrie. Deze methode van werken heet menufactuur. Rond 1850 kwamen er
machines op de markt, waarmee nog sneller gewerkt kon worden. Stikmachines om het
bovenwerk te naaien en zwikmachines om de binnenzool aan het bovenwerk te bevestigen.
Twintig jaar later kwamen daar nog allerlei machines bij, waardoor serieproduktie mogelijk
werd.
- 29 -
Dat klinkt natuurlijk prachtig, maar die machines waren heel duur. De meeste
schoenmakers konden dat niet betalen. Bovendien vertrouwden ze die nieuwigheden nog
niet zo erg.
Een heel belangrijke manier van schoenenmaken werd wel veranderd: de schoenmakers
gebruikten voortaan geen rechte leesten meer, maar links en rechts verschillende.
In 1874 werd de eerste schoenfabriek opgericht,
aangedreven door stoom. In 1881 volgde de
eerste vereniging die de belangen van de
schoenmakerij bevorderde. Het maken van
schoenen begon een belangrijke bedrijfstak te
worden.
De schoenherstellers werkten -en werken- nog
steeds in hun eigen werkplaats. Herstellen is elke
keer anders en dat kan niet in een fabriek worden
gedaan. De stikmachines en dergelijke kochten ze
op den duur wel, want dat spaart ook bij het
herstellen van schoenen veel tijd. Bovendien heb
Manufactuur in de buitenlucht. foto ca. 1900.
je daar geen stoommachine voor
nodig, dat kan ook met een trapmachine.
De 20e eeuw
Na een wandeling van zo'n 16.000
jaar in de tijd zijn we in de eeuw
terecht gekomen waarin we zelf
leven. De belangrijkste gebeurteSchoenfabrieken met machines; foto ca. 1910.
nissen in onze eeuw kennen we
omdat we ze zelf hebben meegemaakt of door verhalen van onze ouders of grootouders. De
Tweede Wereldoorlog splijt deze eeuw doormidden. Het leven voor de oorlog was heel
anders dan het leven daarna. Het grote verschil tussen rijk en arm verdween langzaam
maar zeker. Natuurlijk heeft ook nu niet iedereen evenveel geld. Maar het is niet meer zo
dat enkele rijke mensen alles bezitten en heel veel mensen niets. We kunnen allemaal onze
keus maken uit een heel groot aanbod in de winkels. Dat geldt ook voor schoenen. je kunt
kiezen uit heel veel modellen en kleuren. Uit brede of smalle schoenen, met of zonder hak.
De koningin schrijft de mode niet voor en niemand zegt dat je een bepaalde kleur niet mag
dragen. Binnen de mogelijkheden van je portemonnee hoef je alleen rekening te houden
met je eigen smaak.
Al die verschillende produkten kunnen worden gemaakt, omdat er steeds meer machines en
fabrieken kwamen. Stoom werd al rond 1910 ouderwets, de electro-motor was uitgevonden.
Er werden elektriciteitscentrales gebouwd en na de oorlog kregen niet alleen de fabrieken,
maar alle huizen elektriciteit.
Schoenen en de mode
In het begin van de eeuw werden sport en gezondheid steeds belangrijker. De fiets zag je
steeds meer op straat en zelfs hier en daar een auto. De mode paste zich hierbij aan, er
kwam fiets- en autokleding. Voor de heren een enkellaars met een vetersluiting, gemaakt
van kalfsleer of canvas met leer. Om uit te gaan of te gaan werken droegen de heren in de
winter halfhoge bottines en in de zomer lage, gesloten veterschoenen in gedekte kleuren:
zwart, bruin of wit. Ook werden er veel slobkousen gedragen die op de schoen vielen. Ze
werden gesloten met knoopjes. De dames konden uit wat meer modellen kiezen. Lage
pumps om te wandelen of naar het werk te gaan, lage veterschoenen om te sporten, pumps
met hoge hakken in allerlei variaties om uit te gaan en sierlijke bottines met of zonder hoge
hakken voor alle mogelijke gelegenheden. Losse slobkousen met pumps kwamen, in plaats
van laarzen, ook voor. Enkele schoenontwerpers zorgden voor luxe-schoenen van
verschillende kleuren leer of von zijde, in opvallende modellen. De ideeën die ze verwerkten
- 30 -
in hun schoenen werden later door de fabrikanten overgenomen en in grote hoeveelheden
op de markt gebracht.
Ook filmsterren en dansen als de tango en de charleston hadden invloed op het modebeeld.
In dat modebeeld zie je een enkel- of wreefbandje waarmee de schoen om de voet werd
vastgemaakt. Die dansen waren nogal uitbundig en zo kon je je schoenen niet verliezen.
Ook voor kinderen kon je die schoenen met bandjes kopen.
De rok was kort in de jaren '20 en daardoor waren de schoenen blikvangers. Parijs was
overigens weer het belangrijkste modecentrum geworden.
a. Kinderlaarsje; bruin of zwart leer. b. Herenschoen; leer. c. Dames avondschoentje; zwart satijn met gouden
gesp. d. Bindschoen; zwart lakleer.
.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er gebrek aan leer en de mode stond op een laag
pitje. Schoenen werden van hout, touw, riet, kurk of zelfs papier gemaakt. Na 1948 was het
leer-probleem opgelost.
Schoen met plateauzool; leer
.
Een van de belangrijkste mode-ontwerpers in die tijd was
Christiaan Dior. Zijn eerste collectie werd 'New Look'
genoemd. Dat betekent „Nieuwe Mode'. Maar de jurken in die
lijn waren eigenlijk nogal traditioneel met hun heel wijde
rokken en een strak bovenlijfje. Er hoorden elegante pumps
bij met hoge hakken. Schoenen met een bandje zag je ook
weer, als sandaal of dichte schoen met een bandje om de
enkel. Uit Italië kwamen stiletto naaldhakken en spitse
neuzen. Jonge meisjes droegen lagere schoentjes, die
'ballerina's' of 'flatjes' werden genoemd. Die pasten goed bij
sportieve wandelingen of het dansen van de rock 'n' roll. Voor
de heren veranderden de modellen nauwelijks, alleen was de
bottine ouderwets geworden.
Mary Quant is een Engelse ontwerpster die in de
jaren '60 veel invloed had. Zij bracht een collectie
eenvoudige minirokken, waaronder gekleurde
panty's werden gedragen. Hoge hakken pasten hier
niet bij, wel de 'flatjes' die nu rechte neuzen
hadden. Laarzen pasten ook goed bij de
minirokken, je kon kiezen uit verschillende
modellen: tot de knie of tot op het bovenbeen.
Omstreeks 1967 kwam de tijd van de flowerpower,
met teensandalen en klompschoenen.
Flatje in leer
.
Ook de kinderen kregen toen aandacht. Er kwamen speciaal on worpen kinderschoenen, in
leuke kleuren en modellen. Verschillende breedte-maten zorgden ervoor dat kindervoeten
gezond konden groeien.
Yves Saint-Laurent gaf in Parijs de mode aan voor de jaren '70. Veel dameskleding leek op
dat van de heren: blazers met plooirokken, broekpakken en dergelijke gaven de vrouwen
veel vrijheid van beweging. Naaldhakken werden daar niet bij gedragen, wel schoenen en
laarzen met sleehakken en plateau-zolen. De 'cowboy-laars' was in en sportschoenen
werden niet meer alleen gebruikt om te sporten, maar ook om naar het werk of naar school
te gaan.
In de jaren '80 was de mode uit Parijs nog heel belangrijk, maar door de komst van
- 31 -
buitenlandse ontwerpers kwamen er ook nieuwe ideeën bij. Japanse ontwerpers bij
voorbeeld, brachten hun eigen cultuur mee en dat was te zien in hun ontwerpen.
Een paar voorbeelden zijn Issey Miyake, die kleding
ontwierp, en schoenen van Tokio Kumagaï. Platte
schoenen hoorden altijd al bij de Japanse kleding. Ze
werden nu pas echt mode in Europa.
We leven nu in een tijd waarin de mode twee keer
per jaar wisselt. Gelukkig is er zoveel variatie dat
ieder voor zich zijn of haar eigen mode hieruit kan
kiezen.
Schoen met Japanse
zwart kalfsleer
.
envelop-sluiting,
Schoenmakers
De schoenmaker zoals we die in de loop van de
eeuwen zijn tegengekomen begon langzaam te
verdwijnen in de 19de eeuw. Er kwamen steeds meer fabrieken en nu is de schoenmaker
schoenfabrikant geworden.
Schoenherstellers
De schoenhersteller bestaat nog steeds al noemen we hem nu meestal schoenmaker.
Sommigen van hen hebben een modern gilde opgericht, zoals je kunt lezen in het hoofdstuk
over het Schoenmakers Gilde. Ze willen er zeker van zijn dat de kwaliteit van hun werk niet
achteruit gaat. Vaak kun je bij hen ook schoenen, lederwaren, veters en onderhoudsmiddelen voor leer koten. Of je eerste schoentjes laten verzilveren. Er zijn ook
schoenherstellers cie niet alleen met hun ambacht bezig zijn. Ze maken ook sleutels en
slijpen schaatsen.
De vrouw van de schoenmaker
je hebt gezien dat de vrouw van de schoenmaker in de 16e eeuw samenwerkte met haar
man in het bedrijf. Zo is het heel vaak nog. Haar taken zijn ook niet eens zo verschillend
van haar voorgangster van 400 jaar geleden. Ze helpt de klanten in de winkel, en in de
werkplaats is er ook genoeg voor haar te doen. Ze sorteert de schoenen die gemaakt
moeten worden, ze doet stikwerk, maakt versleten hakken en zolen los, verft de randjes
van zolen en hakken, smeert onderdelen in met lijm enzovoorts.
Nieuw in deze tijd is, dat sommige vrouwen gediplomeerd schoenmaker zijn. Dat was in de
16e eeuw verboden.
Materiaal en gereedschap
In de 20ste eeuw zijn er heel veel verschillende materialen om schoenen van te maken.
Rund- en geiteleer worden nog steeds gebruikt, maar ook kalfsleer of paardeleer bij
voorbeeld. Deze leersoorten worden glad verwerkt, als suède, nubuck* of bont. In het begin
van de eeuw werden er ook reptielenhuiden verwerkt, maar dat is sinds 1975 in Nederland
verboden, omdat reptielen beschermde dieren
zijn. Met nieuwe technieken kan leer er wel
uitzien
als
slangeleer,
olifantenleer
of
panterleer bijvoorbeeld. Een schoen kan er
zelfs uitzien alsof hij van hout of marmer is
gemaakt. Dat gebeurt door middel van een
print, dat is een soort foto op een lap leer. Het
is zelfs mogelijk zo'n print in reliëf te drukken,
waardoor rundleer er helemaal 'echt' uitziet
als slangeleer of olifantenleer. Van deze
leersoorten wordt het bovenwerk gemaakt.
Voor zoolleer is speciaal gelooid rundleer in
gebruik.
Schoenen worden al eeuwenlang niet alleen
van leer gemaakt. Zijde, fluweel, brocaat en
satijn zijn we al eerder tegengekomen. Die
- 32 -
Moderne schoenhersteller
materialen worden nog steeds gebruikt, naast textielsoorten als: linnen, katoen, canvas,
tule, enzovoorts.
Kunststoffen zijn helemaal nieuw in deze eeuw. Nylon, polyester en plastic komen veel voor
in de schoenindustrie. je kunt er zelfs grapjes mee uit halen, want het is mogelijk om bij
voorbeeld knalrode, kunststof zolen onder je schoenen te laten maken. je hoeft er niet eens
voor van adel te zijn, zoals in de 17e en de 18e eeuw.
De moderne schoenmaker doet niet meer alles met de hand. Er zijn stikmachines om het
bovenleer van de schoen te repareren, aflap- en doornaaimachines voor het onderwerk,
stansmachines om zolen uit een lap leer te snijden, spijkermachines om hakken vast te
spijkeren, een lijmpers om gelijmde onderdelen vast te persen, schuurmachines om leer op
te ruwen dat gelijmd moet worden en poetsmachines om de schoen mooi glimmend te
poetsen.
Als handgereedschap heeft hij hamers, messen (platte, stalen strips), tongen, vijlen en
raspen.
Postelse beelden
Foto’s Mil Blancquaert
- 33 -
Gidsenvereniging van de Antwerpse Kempen - ledenlijst op 30 juni 2007
Naam
Adres
Postnr.
Gemeente
Telefoon
GSM
E-mail
1
AILLIET Marc
Raymond Delbekestr. 367
2980
St. Antonius-Zoersel
03 383 57 03
2
BELMANS Jef
Kasteellaan 39
2390
Malle
03 312 32 84
3
BLANCQUAERT Emiel
Lge Eerselsstraat 63
2200
Herentals
014 22 05 79
0498 31 04 99
[email protected]
4
BOGAERT Bert
Antwerpse Stnwg. 78/43
2300
Turnhout
03 240 63 91
0476 66 07 38
[email protected]
5
BOLS Godefrieda
Tichelarijstraat 68/6
2300
Turnhout
014 62 44 08
0499 29 93 34
[email protected]
6
BRAECKMANS Edward
Karekiet 64
2970
Schilde
03 383 44 71
0475 65 24 43
[email protected]
7
CALUWAERTS Jan
Schaliënberglaan 3
2920
Kalmthout
03 666 99 75
8
9
CERSTIAENS Ludwig
Kleerroos 49
2200
Herentals
014 21 60 02
CLAESSEN René
Voorhoofd 37
2370
Arendonk
014 67 86 86
10 CRUYSBERGHS Michel
Mgr. Cruysberghslaan 19
2450
Meerhout
014 30 93 20
11 DANIELS Rob
Nieuwe Kaai 39b7
2300
Turnhout
014 42 35 34
12 DE PRINS Liliane
Sint Laurentiuslaan 38
2390
Oostmalle
03 311 58 69
[email protected]
13 DE RUYSSER Frieda
Krekelenberg 13
2980
Zoersel
03 311 51 16
[email protected]
14 DE SITTER Marina (Vie)
Felix Wyterslaan 13
2980
Zoersel
03 384 30 34
[email protected]
15 DIERCKX Paul
Klein Engeland 27-35
2300
Turnhout
014 43 50 88
[email protected]
16 EENNAES Rik
Hoogstraatsebaan 191
2390
Oostmalle
03 312 26 52
17 ENGELEN Jos
Essensteenweg 64
2920
Kalmthout
03 667 77 59
18 GABRIËLS Marleen
Schuurhoven 20
2360
Oud-Turnhout
014 72 09 84
19 GEYSKENS Harry
Perenlaan 17
2400
Mol
014 32 01 65
0475 34 10 14
[email protected]
20 HANNES Hilde
Torenstraat 2/1
2381
Weelde
014 65 77 43
0472 34 81 66
[email protected]
21 HELSEN Yvonne
Geelseweg 45
2200
Herentals
014 21 42 65
22 HENDRICKX Karel
Dopheidestraat 12
2300
Turnhout
014 41 70 73
23 HOPMANS Marie-José
Rietstraat 3
2490
Balen
014 82 06 90
24 JACOBS Willy
Vlasakker 29
2160
Wommelgem
03 353 06 15
25 JANSSENS John
Brouwerijstraat 19 bus 1
2320
Hoogstraten
03 314 51 15
26 JANSSENS Jozef
Bordink 36
2170
Merksem
27 JANSSENS Monique
Koningslaan 22
2340
Beerse
28 KNAEPS Herman
Lotissement de Fontvallière
29 LAENEN Magda
Wuytsbergen 174
2200
Herentals
014 21 85 65
30 LATINNE Marie-Claire
Duifhuisstraat 23B5
2300
Turnhout
014 42 60 59
31 LESCOUHIER Frank
Akkerstraat 19
2350
Vosselaar
014 61 28 04
32 LEYSEN Albert
Arendstraat 52
2400
Mol
014 31 52 77
33 LIEDTS Maria
Jos Charlottestraat 11
2300
Turnhout
014 42 24 55
0477 23 05 48
34 LUYTEN Rita
Molsebaan 8 bus 202
2480
Dessel
Vervallen
0475 74 11 75
[email protected]
35 MACAUTER Maria
Koeterstraat 10
2200
Herentals
014 21 90 00
0472 73 67 19
[email protected]
36 MEES Beatrix
Augustijnenstraat 18/32
2000
Antwerpen
03 203 04 00
0477 49 22 73
[email protected]
37 MEEUS Jeannine
Groenedijk 74
2470
Retie
014 37 95 00
38 MELIS André
Grotenhoutlaan 34
2350
Vosselaar
014 61 11 29
39 MOMMEN Jos
Gabriëlle Petitlaan 6
2960
Brecht
03 295 45 41
40 MOORTGAT Ives
Pieter Heuvelmansstr. 12
2300
Turnhout
014 41 60 25
41 NOOYENS Kim
Groenstraat 12
2470
Retie
014 43 01 29
42 OLBRECHTS Edward
Leopoldlei 78
2220
Hallaar
015 24 83 39
e[email protected]
43 PEETERS Jo
Krekelenberg 13
2980
Zoersel
03 311 51 16
Zie De Ruysser Frieda
44 PROOST Marcel
Smiskensstraat 54
2300
Turnhout
014 41 47 45
45 RUYMAEKERS Brigitta
Middelvelden 55
2370
Arendonk
014 67 05 42
46 SCHIPPERS Frans
Wezel 94
2400
Mol
014 81 28 21
47 STORMS Willy
Halle Dorp 1
2980
Halle-Zoersel
48 TATRAÏ Lutgarde
Deken Adamsstraat 80
2300
Turnhout
49 VAN AELST Rudy
Heuvel 44
2920
Kalmthout
50 VAN DEN BOSCH Emiel
Veldenbergstraat 58
2330
51 VAN DER BORGHT Herman
Nachtegalenstraat 13
52 VAN DER VELDE Staf
Moleneind 11
53 VAN ELSEN Frans
FR 30140 Massillargues-Atuech
014 61 25 68
00 33 466 248086
marc.ailliet @yucom.be
[email protected]
[email protected]
[email protected]
0477 33 43 90
[email protected]
[email protected]
0474 70 97 46
[email protected]
[email protected]
0476 58 17 10
[email protected]
[email protected]
[email protected]
0497 39 16 50
[email protected]
[email protected]
0497 03 39 23
[email protected]
[email protected]
0475 29 73 34
[email protected]
00 33 626 062518 [email protected]
0496 60 31 46
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]
0485 97 48 56
[email protected]
[email protected]
0473 93 45 68
[email protected]
[email protected]
0496 52 28 21
[email protected]
0495 54 27 11
[email protected]
014 41 60 68
[email protected]
03 666 02 74
0499 11 79 35
Merksplas
014 63 40 06
0486 29 67 46
2300
Turnhout
014 42 13 70
2275
Lille
014 88 03 34
Veldhoven 25
2200
Herentals
014 21 85 74
54 VAN ERMENGEM Juliette
Houtseweg 33
2340
Beerse
014 61 21 90
55 VAN HOOF Guido
Brandstraat 151
2400
Mol
56 VAN WIJNSBERGHE Chris
Oude Vaartstraat 19
2300
Turnhout
57 VAN WOENSEL Sandra
Woudstraat 1
2500
58 VAN DEN BROECK Raymonde
Lierselei 33
59 VERBREUKEN Josée
[email protected],be
[email protected]
[email protected]
[email protected]
0474 25 60 13
[email protected]
0476 890 947
[email protected]
014 41 65 79
0476 29 49 57
[email protected]
Lier
03 480 30 75
0486 42 68 52
[email protected]
2390
Oostmalle
03 312 45 00
[email protected]
Heilig Bloedstr. 29
2320
Hoogstraten
03 314 56 33
[email protected]
60 VERHEIJEN Leo
Hoveniersstraat 38
2300
Turnhout
014 41 90 36
61 VERMEREN Frank
Silvesterlaan 11
2970
's Gravenwezel
03 384 19 53
62 YSKOUT Cynthia
Lage Dreef 2
2222
Heist-op-den-Berg
014 70 08 48
= met Ethias-verzekering
[email protected]
0476 64 81 84
[email protected]
[email protected]
Cursief + bold + rood = nieuw of gewijzigd