T01 Algemene Taalkunde

Commentaren

Transcriptie

T01 Algemene Taalkunde
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Deel 1: wat bestudeert de algemene taalwetenschap?
1. Natuurlijke talen en kunstmatige talen
Wat is het verschil tussen kunstmatige talen en natuurlijke talen?
Onder kunstmatige talen verstaan we de kunsttalen zoals het Esperanto, de wetenschappelijke talen
zoals de algebra en ook de computer- en programmeertalen.
Een natuurlijke taal heeft 3 belangrijke kenmerken die bij een kunstmatige taal niet voorkomen:
x Een natuurlijke taal wordt in een bepaalde gemeenschap gebruikt voor algemene
communicatiedoeleinden
x Een natuurlijke taal is niet bewust door mensen gecreëerd en het precieze ontstaansmoment is
moeilijk te bepalen
x Een natuurlijke taal wordt door kinderen spontaan aangeleerd of verworden
2. Menselijke taal en dierlijke communicatiesystemen
Is het feit dat menselijke taal langs een vocaalauditief kanaal verloopt een kenmerk dat menselijke
taal onderscheidt van dierlijke communicatie?
Dit is een van de kenmerken uit de lijst van Hockett (Amerikaanse linguïst).
Menselijke taal is in eerste instantie een gesproken taal is. Geschreven taal is slechts secundair omdat
mensen wel spontaan leren spreken maar taal leren schrijven wordt op school onderwezen. Daarnaast
bestaat geen enkel geschreven taal die niet gesproken wordt (op uitzondering van de logica)
De meeste dieren maken geluiden via het vocaalauditief kanaal zoals bij de mens maar hier zien we een
verschil tussen menselijke taal en dierentaal. Een mens heeft namelijk een ander klankkleur van de
klinkers. Een mens kan een onderscheid maken tussen ‘biet’, ‘bat’ en ‘boot’ en een dier niet. Mensen
hebben een strottenhoofd dat opmerkelijk lager ligt dan bij mensachtigen of niet-menselijke primaten.
Daardoor is de tong beweeglijker (wat ons in staat stelt om meer verschillende klanken te produceren).
MAAR men heeft ontdekt dat ook enkele zoogdieren zoals honden, varkens en geiten hun strottenhoofd
kunnen laten dalen wanneer ze geluiden voortbrengen. Een laag strottenhoofd is dus niet echt eigen
aan de mens maar het is wel mogelijk dat wanneer het menselijk strottenhoofd, eens het ingedaald was,
zich meer heeft aangepast aan het spreken waardoor het verschilt van dat van andere dieren. Dieren
brengen dus andere klanken voort dan mensen.
VGT: Vlaamse gebarentaal
NGT: Nederlandse gebarentaal
ASL: American sign language
Daarbij komt dat vocale communicatie niet gereduceerd mag worden tot het uiten van klanken. We
gebruiken bij het spreken namelijk een bepaalde toonhoogte, spraaksnelheid, … waarmee we een
gevoel kunnen uiten.
Het gebruik van het vocaalauditief kanaal kan echter niet als een noodzakelijke eigenschap van
menselijke taal beschouwd worden. Heel veel mensen kunnen niet spreken en drukken zich uit in
gebarentaal (dit zijn volwaardige talen want ze doorlopen verschillende stadia bij hun ontwikkeling en er
bestaat regionale varianten zoals bij natuurlijke talen) Gesproken taal is dus geen essentieel kenmerk
voor menselijke taal.
Tijdens conversaties gebruikt men ook gebaren waardoor we beter zeggen dat talige communicatie
multimodaal is want taal gebruikt verschillende uitdrukkingswijzen tegelijk en dit gebeurt langs
verschillende kanalen tegelijk.
1
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Is het feit dat taalvormen in menselijke taal een semantische waarde hebben een kenmerk dat
menselijke taal onderscheidt van dierlijke communicatiesystemen?
Dit is een van de kenmerken uit de lijst van Hockett (Amerikaanse linguïst).
Wanneer een taal een semantische waarde heeft betekent dit dat taal een betekenis heeft en dus
verwijst naar objecten/acties buiten de taal.
Menselijk taal: stoel verwijst naar object op vier poten met rugleuning en gemaakt om op te zitten.
Dierentaal: alarmkreten van de blauwapen verwijzen naar komend gevaar, dolfijnen maken een geluid
wanneer ze andere dolfijnen ontmoeten en zo herkennen ze elkaar, chimpansees maken klanken naar
gelang het soort voedsel ze vinden, …
Î Andere diersoorten begrijpen ook de alarmkreten van de blauwapen, honden verstaan onze
bevelen wanneer we ze trainen
Î Dieren hebben dus het vermogen om klanken met elementen in de buitenwereld te verbinden
= auditieve met visuele stimuli verbinden
Maar we zien hier enkele problemen:
1. Niet altijd duidelijk waar signalen van de blauwapen naar verwijzen. Je kan ze ook interpreteren als
‘gevaar van boven’ of ‘gevaar op de grond’. Soms worden zelfs kreten geproduceerd die verwijzen
naar verkeerde dieren.
2. De klanken kunnen niet vergeleken worden met menselijke taal omdat ze genetisch
voorgeprogrammeerd zijn (en dus niet aangeleerd). Ze zouden de kreten dus ook produceren
mochten ze opgroeien in isolatie. Ze zullen dus ook geen nieuwe kreten produceren terwijl
menselijke taal wel steeds nieuwe woorden aanmaakt. Dieren lijken wel de kreten van andere
dieren te herkennen wat ervoor zorgt dat comprehensie van de kreten gemakkelijker lijkt aan te
leren dan zelf kreten te produceren. Dieren halen er dan ook voordeel uit om de kreten te
begrijpen. Kreten produceren vraagt ook een motorische vaardigheid, begrijpen niet.
3. De vraag is of dieren met die kreten ook werkelijk communiceren. Soms worden de kreten
geproduceerd wanneer geen soortgenoten in de buurt zijn en er dus geen intentie bestaat om te
communiceren. De vraag blijft ook of de soortgenoten de kreten begrijpen of ze gewoon een
causaal verband leggen tussen de kreet en de nadering van het soort roofdier.
Dieren produceren kreten met een semantische lading maar het is niet duidelijk wat deze kreten precies
betekenen en of ze een symbolische waarde hebben die vergelijkbaar is met die van menselijke taaltekens.
Het is ook niet duidelijk of ze een communicatieve waarde hebben omdat het om gesloten repertoria gaat,
lijkt het eerder om aangeboren signalenreeksen te gaan, die niet de flexibiliteit van menselijke taal
vertonen.
Is displacement, of het feit dat taal onafhankelijk is van het hier en nu, een kenmerk dat menselijke
taal onderscheidt van dierlijke communicatiesystemen?
Dit is een van de kenmerken uit de lijst van Hockett (Amerikaanse linguïst).
Menselijke taal maakt het mogelijk te spreken over gebeurtenissen en ervaringen die in de tijd en
ruimte ver van ons verwijderd liggen. Sommige communicatiesystemen dieren lijken dezelfde
mogelijkheden te bieden. Dit blijkt uit studies van bioloog Karl von Frisch over bijentaal waarin hij
vaststelde dat bijen verschillende dansen uitvoeren om aan andere bijden te vertellen waar ze nectar
kunnen vinden.
De rondedans betekent dat de nectar zich bevindt in de onmiddellijke omgeving
van de korf.
2
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
De sikkeldans betekent dat de nector zich niet dichtbij de korf bevindt, maar toch
maximum op een afstand tot ongeveer 60m van de korf. De bij beschrijft
achtvormige banen maar haar achterlichaam beweegt minder dan bij de
kwispeldans. De carnica bij kent deze dans niet (dialecten)
De kwispeldans (of staartdans) betekent dat de nectar zich verder dan 60m van de
korf bevindt. De bij vliegt in een achtvorm en beweegt sterk haar achterste deel.
Het tempo van het kwispelen geeft precies aan hoe ver de honing zich bevindt en
de as van de achtvorm duidt de richting aan waarin de nectar moet worden
gezocht. Het stuifmeel dat de bij meedraagt toont de anderen welke bloem het is.
Bijen communiceren dus met hun dansen over realiteit die zich in ruimte en tijd op een zekere afstand
van het hier en nu bevindt. Dit zou kunnen wijzen op een vermogen van displacement (of verplaatsing).
Het vermogen blijkt echter beperkt aangezien bijen niet kunnen dansen over de nectar van vorige week
en bijen kunnen ook niet communiceren over nectar die verder weg is dan ze kunnen vliegen. De
eigenschap is dus meer ontwikkeld bij de mens.
Chimpansees kunnen ook hun begeleider duidelijk maken waar ze bijvoorbeeld een stuk fruit kunnen
vinden die de aap verborgen had. Maar dit is opnieuw beperkt want de chimpansee onthoudt vooral
dingen over voedsel en sociale relaties en kunnen het niet even lang onthouden als de mens.
Wat bedoelt men als men zegt dat menselijke taal structuurafhankelijk is? Is dit een kenmerk dat
menselijke taal radicaal onderscheidt van dierlijke taal?
Dit is een van de kenmerken uit de lijst van Hockett (Amerikaanse linguïst).
Een en dezelfde zin kan soms twee interpretaties hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval voor volgende
zin: Peter lokt de hond met de tennisbal.
Î Peter heeft de bal en lokt de hond ermee: Peter lokt [de hond [met de tennisbal]]
Î De hond heeft de tennisbal en Peter lokt de hond: Peter lokt [de hond] [met de tennisbal]
De zin is structureel ambigu omdat de er twee verschillende structuren kunnen op toepassen. Deze
structuren worden quasi automatisch opgemerkt door taalgebruikers ook als ze nooit grammatica of
syntaxis onderricht hebben gekregen. Wanneer we aan taalgebruikers vragen de zin op te splitsen doen
ze dat als volgt (1e interpretatie):
[Peter] [lokt de hond met de tennisbal]
[Peter] [lokt [de hond met de tennisbal]]
[Peter] [lokt [de [hond met de tennisbal]]]
[Peter] [lokt [de [hond [met de tennisbal]]]]
[Peter] [lokt [de [hond [met [de tennisbal]]]]]
[Peter] [lokt [de [hond [met [de [tennisbal]]]]]]
ZIN
Peter
lokt de
hond
met
de
tennisbal
De boomstructuur laat zien dat zinnen in menselijke taal een hiërarchische structuur hebben: een zin
wordt onderverdeeld in steeds kleinere onderdelen. Een zin bestaat dus niet zomaar uit woorden, maar
uit woordgroepen, die op hun beurt bestaan uit kleinere woordgroepen; de kleinste woordgroepen
bestaan dan uit woorden.
De betekenis van de zin wordt bekomen door woorden in overeenstemming met de syntactische
structuur met elkaar te combineren om zo de betekenis van de hele zin te verkrijgen.
(compositionaliteit). De boomstructuur wordt van onder naar boven doorlopen.
3
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
De tweede interpretatie van onze voorbeeldzin beantwoordt dan aan een andere structuur:
[Peter] [lokt [de [hond]][met [de [tennisbal]]]
ZIN
Peter
lokt de hond met
de
tennisbal
Omdat de structuur verschillend is, is dan ook de uiteindelijke interpretatie verschillend. De betekenis
van een zin wordt dus mee bepaald door zijn syntactische structuur, die hiërarchisch is. In die zin kan je
zeggen dat taal structuurafhankelijk is
Een aantal vogelsoorten, zoals het roodborstje, kunnen in hun gezangen ook de volgorde van de
eenheden (de “noten”) variëren, maar dat leidt niet op systematische wijze tot betekenisverschil. Een
aantal taalkundigen zijn dan ook van mening dat de structuurafhankelijkheid van taal zoals hierboven
gedefinieerd menselijke taal radicaal onderscheidt van dierlijke communicatiesystemen. Andere
taalkundigen erkennen dat mensen veel complexere structuren kunnen bouwen dan andere
diersoorten, maar zien hierin eerder een gradueel dan een radicaal verschil.
Kunnen mensapen menselijke taal aanleren? Zo niet, welke verschillen blijven er bestaan tussen taal
zoals ze gebruikt wordt door mensen en taal zoals ze aangeleerd wordt door mensapen?
Als dieren taal zouden kunnen aanleren, zou dat betekenen dat ze over de fysiologische, mentale en
sociale capaciteiten beschikken maar dat ze die niet ontwikkeld hebben.
Mensapen beschikken niet over dezelfde spraakorganen als de mens. Daarom is er meestal voor
geopteerd om hen de Amerikaanse gebarentaal aan te leren (American sign language (ASL)) of een
artificiële taal bestaande uit lexigrammen (= symbolen die voor woorden staan en die objecten/ideeën
aanduiden)
Conclusie uit de experimenten met mensapen:
1. De mensapen leerden een associatief verband te leggen tussen de tekens van ASL of de
lexigrammen en elementen uit de buitenwereld.
Die tekens kregen op deze manier een semantische lading. Daarbij werden overgeneralisaties herkend
waarbij de aap het teken voor ‘bloem’ maakte wanneer hij een bloem rook. (Kanzi) Naamwoorden zoals
strawberry werden ook gebruikt om te vragen om naar een plaats te gaan waar aardbeien groeien. Een
derde probleem zag men wanneer twee vruchten werden getoond en de aap (Nim Chimpsky) niet kon
zeggen wat nu precies wat was. Wanneer de vruchten hem apart werden getoond, kon hij dit wel.
2. Een aantal mensapen konden tekens combineren wat duid op productiviteit of creativiteit:
x Ze wouden nieuwe betekenissen uitdrukken zoals oog + hoed = masker (gorilla Koko)
x Ze wouden combinaties van tekens vormen dus Kanzi maakte heel wat spontane uitingen (ze waren
geen reactie op uitingen van de verzorgers). Zo vormde hij Matata grouproom tickle als hij wou dat
zijn adoptiemoeder meedeed aan het kietelspel. Kanzi combineerde lexigrammen in een bepaalde
tekenvolgorde:
*werkwoord + object (hide ball) bij acties op mensen of objecten
*mens + werkwoord (austin give) bij acties door mensen
Deze productiviteit bleek ook bij comprehensie van taal. Washoe begreep verzoeken en kon
betekenissen van zinnen van elkaar onderscheiden (make the snake bite the dog OF make the dog bite
4
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
the snake). Dit lijkt erop te wijzen dat een aantal mensapen het vermogen om tekens te combineren
kunnen aanleren en dat zij over alle elementen beschikken om taal te ontwikkelen.
MAAR 3 belangrijke kanttekeningen:
A. Geen van hen gebruikte spontaan regelgestuurde combinaties van meer dan enkele tekens of
lexigrammen. Ze maakten geen gebruik van de hiërarchische structuur en konden geen
complexe structuren vormen
B. Aap Kanzi draaide soms de tekens in zijn uitingen om zonder dat er een verschil in betekenis
kwam.
C. Aap Kanzi gebruikte bijna geen equivalenten van voorzetsels en voegwoorden (en vormde dus
geen grammaticale relaties)
3. In sommige gevallen lijken een aantal mensapen hun tekens ook spontaan te gebruiken.
Aap Washoe benoemde o.a. het voorwerp tandenborstel gewoon omdat het de tandenborstel zag
liggen (geen verzoek). Chimpansees maakten tijdens een spel ook spontaan tekens naar elkaar wat op
sociale interacties duidt.
MAAR
x De apen konden geen woordenschat verwerven waarvan de rijkdom en de uitgebreidheid
vergelijkbaar was met die van mensen
x De apen konden geen syntactisch vermogen ontwikkelen dat mensenkinderen vanaf hun 3e
levensjaar beginnen ten toon te spreiden
Î Wel een vermogen om menselijke taal aan te leren maar die volstaat blijkbaar niet om een
communicatiesysteem te ontwikkelen dat de vergelijking met mensentaal kan doorstaan.
Volgens Tomasello vindt menselijke taal haar oorsprong in bepaalde gebaren die men ook bij
mensapen aantreft en niet in de geluiden die zij maken. Welke argumenten geeft hij daarvoor? Uit
welke twee soorten gebaren die mensapen maken zou natuurlijke taal dan ontstaan zijn? Beschrijf die
gebaren en leg uit welke kenmerken zij vertonen die maken dat dergelijke gebaren volgens Tomasello
de aanzet kunnen vormen tot de ontwikkeling van menselijke taal.
Psycholoog Tomasello zegt dat het niet de klanken zijn die apen in het wild voortbrengen maar bepaalde
gebaren die ze maken, die een aantal kenmerken vertonen die ook typisch zijn voor menselijke taal. De
geluiden die (mens)apen maken voldoen immers niet aan bepaalde karakteristieke kenmerken voor
menselijke taal:
- Elke soort (mens)apen heeft zijn eigen basisrepertorium en dat repertorium vertoont geen
essentiële verschillen per individu;
- Apen die opgroeien zonder contact met hun soortgenoten en apen die door andere soorten
apen worden opgenomen, brengen toch de geluiden voort die typisch zijn voor hun eigen soort;
- Er bestaat een nauwe, vastgelegde band tussen de geluiden die (mens)apen voortbrengen en de
gevoelens of situaties waardoor ze “uitgelokt” worden (en die meestal te maken hebben met
voortplanting, eten, gevaar, enz.) ; (mens)apen passen hun geluiden dus niet flexibel aan aan de
communicatieve situatie.
Natuurlijke taal is flexibel. Dat kan worden aangetoond adhv enkele voorbeelden:
Een rode appel/een rood huis: een appel is rood als de schil rood is en een huis wanneer het zo
geschilderd is.. / een deur open je op een andere manier dan een blik
Om dit te snappen, heb je dus kennis nodig van
x De context (je weet hoe je normalerwijze omgaat met bepaalde voorwerpen)
x De bedoeling/intentie van de spreker (Peter is een leeuw kan je plaatsen als je weet dat Peter mens is)
5
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
(Mens)apen maken gebaren die flexibel zijn (en dus de intentie van de spreker en de context kennen) maar ook
niet-flexibele gebaren (zoals de alarmkreten). Tomasello onderscheidt 2 types gebaren:
1. Intentiebewegingen
Vb. een apenjong wil op de rug van zijn moeder wil klimmen, het zal de onderkant van de rug van de
moeder vastgrijpen en naar beneden trekken. Na een aantal keer zal de moeder bij de eerste aanraking haar
rug al laten zakken; het apenjong zal zijn beweging dan ook daarna als het ware afkorten en ze reduceren
tot een aanraking van de onderkant van de rug. Het is van belang te begrijpen dat dit intentionele
bewegingen zijn, d.w.z. degene die ze maakt, maakt ze met de bedoeling het gedrag van de ander te
beïnvloeden. Het gaat verder ook om bewegingen die als het ware geritualiseerd zijn: in plaats van de
volledige beweging wordt enkel nog een gereduceerde kortere vorm ervan uitgevoerd. Dergelijke gebaren
moeten dan ook aangeleerd worden tijdens de interacties van het jong met de moeder. In tegenstelling tot
de geluiden die apen maken, treden hier dan ook wel individuele verschillen op en kunnen jongen die deze
gebaren niet eerder hebben gezien bij hun soortgenoten, ze toch ook zelf ontwikkelen. Ten slotte zijn deze
gebaren enigszins speciaal omdat de betekenis als het ware ingebakken zit in het gebaar. Het
oorspronkelijke gebaar was een essentieel deel van de actie: het gebaar waarmee de rug naar beneden
wordt getrokken heeft betekenis binnen de context van die actie, de betekenis wordt in die context met de
actie geassocieerd. Wanneer het gebaar later afgekort wordt, blijft het diezelfde betekenis hebben.
2. Aandachttrekkers
Volgens Tomasello is het mogelijk dat deze enkel bij mensapen voorkomen. Aandachtstrekkers zijn gebaren
of acties waarvan het de bedoeling (of intentie) is de aandacht van een ander te trekken op degene die de
gebaren maakt of de acties onderneemt. Daartoe slaan apen op de grond, gooien ze met allerlei dingen, of
houden ze allerlei dingen aan een andere aap voor. Het is dan echter niet hun uiteindelijke bedoeling de
aandacht te trekken op het gebaar of de actie zelf, maar wel op datgene wat erdoor zichtbaar wordt
gemaakt. In die zin lijken deze gebaren op de aanwijzende gebaren die mensen maken: die dienen ook niet
om de aandacht te trekken op de wijsvinger, maar wel op datgene waarnaar gewezen wordt. Op basis van
wat zichtbaar wordt, kan de bestemmeling dan de bedoeling van de mensaap die de gebaren produceert
herkennen. Aandachtstrekkers zijn dus indirecte communicatiemiddelen: om te bekomen dat de
bestemmeling van het gebaar een bepaalde actie onderneemt, wordt deze actie niet direct door een of
ander symbool voorgesteld, maar wordt de aandacht van de bestemmeling getrokken op het gebaar en de
context waarin het gebruikt wordt, in de verwachting dat de bestemmeling daaruit zal kunnen afleiden
welke actie van hem verwacht wordt. De betekenis van aandachtstrekkers komt zo op een totaal andere
manier tot stand dan die van intentiebewegingen: zit bij intentiebewegingen de betekenis als het ware in
het gebaar ingebakken, omdat die bewegingen (zoals hierboven de rug van de moeder aanraken)
oorspronkelijk een onderdeel zijn van de sociale interactie die erdoor uitgedrukt wordt
6
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Volgens Tomasello vindt menselijke taal haar oorsprong in bepaalde gebaren die men ook bij
mensapen aantreft en niet in de geluiden die zij maken. Welk essentieel verschil bestaat er volgens
Tomasello tussen de gebaren die mensapen maken en menselijke taal?
Deze gebaren worden individueel geleerd en zijn intentioneel:
x Deze gebaren verschillen soms van groep tot groep, wat bijvoorbeeld niet het geval is voor
gelaatsuitsuitdrukkingen – net zoals bij mensen
x Deze gebaren kunnen wel van individu tot individu verschillen, zelfs als gaat het om individuen van
eenzelfde soort of eenzelfde groep;
x Individuen gebruiken regelmatig hetzelfde gebaar voor verschillende doeleinden en verschillende
gebaren om hetzelfde objectief te bereiken m.a.w. hetzelfde gebaar kan naargelang de context
verschillende intenties uitdrukken; gebaren zijn dus minder aan bepaalde emoties gebonden dan
vocale signalen zoals de alarmkreten
x Individuen maken enkel gebaren wanneer de bestemmeling er de nodige aandacht voor heeft en ze
volgen ook daarna nog de reacties van de bestemmeling op of wachten op een antwoord.
Waar zit dan het belangrijke verschil tussen mensapen en mensen? Dat verschil blijkt bijvoorbeeld
wanneer mensapen wijsgebaren (pointing) aanleren in hun contact met mensen. Heel wat gevangen
chimpansees blijken in die context spontaan dergelijke gebaren aan te leren – maar in het wild maken ze
dergelijke wijsgebaren niet. Zij wijzen dan bijvoorbeeld naar voedsel dat buiten hun kooi ligt, met de
bedoeling de aandacht van hun verzorger op het voedsel te richten (referentiële intentie) zodat hij het
hen ook geeft (sociale intentie). Bij dit soort communicatie vallen een aantal dingen op:
x Apen gebruiken meestal verzoeken/imperatieven om de aandacht van hun verzorger te krijgen
x Ze communiceren niet met dergelijke aanwijzende gebaren met andere apen, waarschijnlijk omdat
ze ervan uitgaan dat de andere apen er niet in geïnteresseerd zijn hen verder te helpen
Î Hier zit het essentieel verschil tussen mens en dier: apen zijn niet bereid intentioneel de doelen
van andere apen mee te helpen realiseren. Mensen wel = gedeelde intentionaliteit
Mensapen zijn dus niet geïnteresseerd in samenwerking (=coöperatie). Samenwerking vereist een hoge
graad van sociaal bewustzijn waaronder het vermogen elkaar te verstaan en het vermogen om intenties
te delen. Wanneer een aap bijvoorbeeld een wijsgebaar maakt, wil het enkel dat zijn wensen vervuld
worden. Mensen kunnen wijzen naar iets omdat ze denken dat het voor de andere persoon interessant
is. De intenties van de mens zijn dus niet noodzakelijk imperatief. Die andere persoon moet het object
kunnen zien, weten hoe een wijsgebaar werkt en weten waarom het object voor hem belangrijk is. Er
moet dus een gedeelde kennis zijn. Men spreekt ook wel eens over ‘theory of mind’.
Wat wordt bedoeld met ‘willekeurigheid van het taalteken’ (bij Hockett)
Hiermee wordt bedoeld dat er geen gemotiveerd verband bestaat tussen het taalteken en datgene
waarnaar het verwijst. Er bestaat dus geen gemotiveerde relatie tussen de klanken die men produceert
wanneer men het woord ‘hond’ uitspreekt en het dier waarnaar men verwijst want het dier krijgt in
andere talen een andere naam. Er bestaan wel onomatopeeën maar deze vormen slechts een klein deel
van de taal en bovendien zijn zelfs de onomatopeeën verschillend van taal tot taal. Het Nederlandse
kukeleku komt overeen met cocorico in het Frans. De haan kraait in het Frans wel op dezelfde manier
maar het geluid wordt in het Frans anders weergegeven. Woorden onderscheiden zich daarin van
paralinguïstische (niet-vocale) signalen zoals luidheid: hoe bozer we zijn, hoe harder we roepen. In die
zin vertoont de luidheid een iconische band met het fenomeen dat ermee correspondeert in de realiteit.
7
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Het verband tussen het voortgebrachte signaal en zijn verwijzing kan minder willekeurig lijken in
dierlijke communicatiesystemen dan in mensentaal. Een krab die agressief is kan haar scharen uitsteken
en open- en dichtdoen; een minder agressieve krab kan gewoon een poot opheffen. Maar niet alle
gedragingen van dieren vertonen dit soort iconische band: sommige meeuwen drukken hun agressie uit
door zich af te keren van hun tegenstander en plukken gras te ontwortelen en ook tussen de
alarmkreten van de blauwapen en de roofdieren waarvoor ze waarschuwen bestaat geen iconische
band Ook dit kenmerk maakt het dus niet mogelijk menselijke taal van dierlijke communicatiesystemen
te onderscheiden.
Wat zijn onomatopeeën?
Een onomatopee is een klanknabootsing en verschilt van taal tot taal. Het Nederlandse kukeleku komt
overeen met cocorico in het Frans bijvoorbeeld. De haan kraait in het Frans wel op dezelfde manier
maar het geluid wordt in het Frans anders weergegeven.
Wat zijn wolfskinderen?
Dit zijn kinderen die in hun jeugd geen contact hebben met andere mensen en die daarna hun taal niet
meer in dezelfde mate kunnen aanleren als andere taalgebruikers. Ze worden ook wel ‘enfants
sauvages’ genoemd.
Wat is de kritische periode (voor het aanleren van taal)?
Dit is de periode in de jeugd van een kind waarin het kind de moedertaal het best kan verwerven. Na de
kritische periode kan het kind de taal niet meer verwerven in dezelfde mate. Deze periode loopt
gemiddeld van het eerste levensjaar van het kind tot aan de pubertijd. Tijdens deze periode verwerft
een kind snel en quasi-automatisch de moedertaal.
De kritische periode komt ook voor bij vogels. Als ze hun gezang niet hebben gehoord voor een
bepaalde leeftijd, zullen ze nooit een normaal gezang ontwikkelen.
Wat wordt bedoeld met turn-taking (beurtwisseling)?
Deze term verwijst naar de vaststelling dat de deelnemers aan een gesprek om beurten aan het woord
komen. Dit verschilt van cultuur tot cultuur en is dus een aangeleerd item.
Vogels kennen dit kenmerk ook. De zingen duetten wat ook wel antiphonal singing wordt genoemd.
Ook blauwapen tonen met hun toonhoogte aan dat hun kreet beëindigd wordt en dat de ander aan de
beurt komt.
Wat is dubbele articulatie van menselijke taal?
Met articulatie wordt bedoeld ‘de verdeling van een groter geheel in kleinere gehelen’. In taal wordt
verwezen naar de mogelijkheid om in verschillende woorden en zinnen toch steeds dezelfde elementen
terug te vinden. Met dubbele articulatie (ook wel duality genoemd) wordt verwezen naar het feit dat
menselijke taal uit 2 niveaus bestaat:
1. De klanken die op zich geen betekenis hebben
2. De betekenisvolle eenheden die opgebouwd zijn door die klanken. Dit zijn niet noodzakelijkerwijs
woorden want ook woorddelen kunnen een betekenis hebben (vb. voor-lopen)
Dit is een belangrijke eigenschap van menselijke taal, want ze maakt het mogelijk een oneindig aantal
woorden of andere betekenisdragers te produceren door een eindig aantal klanken te combineren. Daardoor
is het niet nodig een afzonderlijk nieuw geluid (of teken) te bedenken voor elk fenomeen in de wereld
waarnaar we willen verwijzen. Dat zou te zwaar zijn voor het geheugen maar het beperkt ook sterk de
mogelijkheid om nieuwe benamingen te vinden.
8
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Dubbele articulatie berust op het vermogen om in de klankenstroom die een taaluiting is individuele
klanksegmenten te herkennen en die dan weer in een nieuwe volgorde te combineren. Dit vermogen lijkt
niet enkel eigen te zijn aan de mens: ook de papegaai Alex, die door Pepperberg getraind werd om te
spreken, bleek daartoe in staat. Sommige auteurs stellen dat het gezang van vogels ook een dubbele
articulatie kent: op een eerste niveau is het samengesteld uit betekenisloze noten; het krijgt betekenis op
een tweede niveau, wanneer deze noten tot een “lied” gecombineerd worden. Het is echter nog niet
bewezen dat het gezang van vogels een andere betekenis heeft wanneer de noten in een andere volgorde
gecombineerd worden, integendeel: een studie over roodborstjes heeft aangetoond dat de volgorde van de
hoge en lage noten geen rol speelt. Enkel de intensiteit speelt een rol (om aan te geven in hoeverre het
roodborstje bereid is zijn territorium te verdedigen en er een familie te stichten.) Het is dus niet duidelijk of
deze eigenschap het mogelijk maakt menselijke taal van dierlijke communicatiesystemen te onderscheiden.
Wat is het principe van compositionaliteit?
We kunnen de betekenis van een zin achterhalen door woorden en hun betekenissen te combineren in
overeenstemming met de syntactische structuur van de zin.
Wat wordt bedoeld met recursie?
Bepaalde constructies binnen de zin kunnen optreden als onderdeel van zichzelf.
Vb. de vogels zijn mooi – de vogels die mijn zus gekocht heeft zijn mooi – de vogels die mijn zus, die net
veel geld heeft, gekocht heeft zijn mooi - …
Wat is een boomstructuur?
Dit is een hiërarchische structuur die de hiërarchie van de verschillende constituenten binnen de zin
toont.
Wat is een’ language acquisition device’
Met deze term duidt Noam Chomsky het taalvermogen aan. Mensen worden met dit taalvermogen
geboren en zullen taal ontwikkelen op een bepaalde leeftijd als zij daartoe de nodige prikkels krijgen.
(Mens)apen en andere dieren worden niet met zo’n LAD geboren en kunnen bijgevolg ook geen
natuurlijke taal ontwikkelen. Deze stelling heeft verschillende belangrijke consequenties:
x Als alle mensen het LAD delen, betekent dat dat alle talen een gemeenschappelijke grondstructuur
delen; er bestaat dus een universele grammatica.
x Als er een radicale scheiding is tussen het menselijke taalvermogen en de vermogens die dieren
toelaten hun communicatiesystemen te ontwikkelen, dan kan het menselijk taalvermogen zich niet
uit deze dierlijke vermogens ontwikkeld hebben; Chomsky moet dan ook wel besluiten dat het
menselijke taalvermogen een sprong in de evolutie veronderstelt.
In de evolutieleer gaat men er integendeel vanuit dat complexe vermogens zoals taal zich doorheen de
evolutie langzaam ontwikkelen.
Wat wordt bedoeld met ‘gedeelde kennis’ (common ground)
Opdat communicatie zou slagen, moeten de deelnemers beiden een aantal dingen weten, maar
bovendien ook weten dat de ander weet wat zij weten.
Wat wordt bedoeld met ‘theory of mind’
Bouwt verder op gedeelde kennis. De menselijke sprekers bouwen een theorie op over wat er zich in de
geest van de ander bevindt. Menselijke communicatie is dus een coöperatief gebeuren waarbij de
spreker rekening houdt met wat de toehoorder volgens hem weet.
9
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
3. Hoeveel talen zijn er?
Welk taalkundig criterium wordt meestal gebruikt om het onderscheid te maken tussen een taal en
een dialect? Is dat criterium waterdicht? Waarom – of waarom niet ?
Om het onderscheid te maken tussen een taal en een dialect wordt meestal het principe van
wederzijdse verstaanbaarheid gebruikt: als twee sprekers elkaar verstaan, spreken ze dezelfde taal. In
het andere geval, spreken ze een verschillende taal. Dit criterium is niet waterdicht:
x De verschillende dialecten van een taal zijn niet altijd verstaanbaar voor alle sprekers van die taal.
Een Limburger kan problemen ondervinden bij het spreken met een West-Vlaming.
x Soms verstaan sprekers van verschillende talen elkaar, hoewel ze elk hun moedertaal spreken.
Bewoners van de grensstreek tussen Duitsland en Nederland blijken elkaar goed te verstaan hoewel
ze twee verschillende talen spreken. Het komt wel meer voor dat dialecten van verschillende talen
die tot dezelfde taalfamilie behoren onderling verstaanbaar zijn wanneer ze gesproken worden in
aangrenzende gebieden. Er bestaat dus een dialectcontinuüm (Duits, Nederlands, Deens, Noors)
4. Taalfamilies
STAMBOOM KENNEN
Hoe werkt de reconstructiemethode die in de comparatief-historische taalkunde gebruikt werd?
Waarom deed men uiteindelijk een beroep op de werking van analogie? Leg aan de hand van een
voorbeeld uit hoe analogie gebruikt werd om de evolutie van taal(vormen) uit te leggen.
Om verdwenen ‘moedertalen’ zoals het Proto-Germaans te reconstrueren, wordt in de historische
linguïstiek de reconstructiemethode toegepast. Daarbij worden meestal 2 principes gehanteerd, die ook
gebruikt worden om aan te tonen dat talen verwant zijn:
1) Er wordt gezocht naar gemeenschappelijke kenmerken tussen talen. Meestal voldoen die
kenmerken aan drie voorwaarden:
- Het gaat in eerste instantie om vormelijke kenmerken, dus kenmerken die betrekking hebben
op woorden en woordvormen (morfologische kenmerken) of op de klanken waaruit ze zijn
samengesteld (fonetische of fonologische kenmerken). Soms gebruikt men ook syntactische
kenmerken; met betekenisverandering wordt minder rekening gehouden, omdat die minder
rigoureus te beschrijven lijkt.
- Het gaat essentieel om “overgeërfde” kenmerken, d.w.z. kenmerken die de dochtertalen van de
moedertaal geërfd hebben. Leenwoorden bijvoorbeeld kunnen niet gebruikt worden om een
historische verwantschap tussen talen aan te tonen. Woorden zoals visite, parfum, garderobe,
enz. vind je zowel in het Frans als in het Nederlands, maar ze rechtvaardigen uiteraard niet het
besluit dat het Nederlands van het Frans zou afstammen.
- Het moet gaan om elementen die een zekere stabiliteit bezitten, die dus niet snel opduiken en
verdwijnen of aan andere talen ontleend worden. Meestal wordt verwantschap tussen talen
daarom in eerste instantie aangetoond op basis van een gelijkenis tussen woorden uit de
centrale of primaire woordenschat. Dat gedeelte van de woordenschat van een taal bevat de
woorden die verwijzen naar zaken uit de alledaagse, onmiddellijke belevingswereld van de
mens, waar ook ter wereld: lopen, zitten, gaan, staan, lucht, regen, wind, of niet technische
benamingen van lichaamsdelen, zoals hoofd, schouder, arm, vinger, enz. Technische
benamingen zijn minder geschikt, omdat ze mee evolueren met de ontwikkeling van de
wetenschap en de techniek.
10
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
2) Daarnaast hanteert men ook het regelmatigheidsprincipe: de voorgestelde verbanden moeten
systematische verbanden zijn, die hele reeksen woorden met elkaar verbinden. Dit wil zeggen
dat er bijvoorbeeld moet kunnen worden aangetoond dat in een bepaalde linguïstische context
steeds dezelfde klankverschuivingen optreden.
Een goede illustratie van dit soort systematische verbanden wordt geleverd door de Wet van
Grimm. Volgens deze wet bestaan er tussen het (Proto-) Indo-Europees en het Proto-Germaans
een aantal klankverschuivingen, waarvan we hier enkel de volgende evoluties weerhouden:
/p/ → /f/
/t/ → /ɵ/
/k/ → /χ/
Dit deel van de wet van Grimm verklaart de verschillen tussen Lat. pater en Eng. father, Lat. tres
en Gotisch threis, Lat. okto en Ned. acht het Latijn heeft die klankverschuivingen immers niet
ondergaan.
Deze klankwetten hadden ook uitzonderingen. Daarom deed men beroep op 2 mechanismen:
1. Beïnvloeding door andere talen (cf. leenwoorden)
2. Analogie: hiervan is sprake wanneer taalvormen de invloed ondergaan van andere taalvormen
waarmee ze o.a. door vormelijke gelijkenis verbonden zijn.
We zullen hier de werking van analogie illustreren aan de hand van de introductie van de Umlaut in het
Duits. Deze komt voor in het meervoud van verschillende Duitse naamwoorden:
Gast / Gäste, Hals / Hälse, Nacht / Nächte, Fuss / Füsse, enz.
De aanwezigheid van de Umlaut kan echter niet voor al deze woorden op dezelfde wijze verklaard
worden. In het geval van Gast/Gäste kan ze zonder problemen verklaard worden door de klankwetten
en de fonetiek. In het Proto-Germaans werd het meervoud van een vorm zoals Gast immers gevormd
door er –iz aan toe te voegen. Het resultaat was dus Gastiz. Die vorm bevat echter twee klinkers,
namelijk –a– en –i–, waarvan de uitspraak erg verschillende mondstanden vereist. Sprekers vertonen
dan de neiging om de uitspraak van beide klinkers dichter bij elkaar te brengen, omdat ze dan minder
moeite moeten doen om het woord uit te spreken. In dit geval betekent dit dat de a-klank door een eklank wordt vervangen. Dit verklaart waarom de Gastiz in de eerste Germaanse documenten niet
voorkomt en men schrijfwijzen vindt die als gestiz werden uitgesproken. Deze vorm evolueert dan tot de
moderne vorm Gäste, die als geste wordt uitgesproken, wanneer de uitgang –iz afzwakt tot een doffe eklank (scherpe eindklanken vertonen in vele talen de neiging om af te zwakken).
Terwijl de evolutie van Gast naar Gäste volledig door fonetische wetmatigheden verklaard
wordt, is dat niet langer mogelijk voor Hälse, het meervoud van Hals. In het Proto-Germaans was het
meervoud van Hals immers Halsaz. Omdat dit woord tweemaal dezelfde klinker bevat, stelde zich ook
niet meer het uitspraakprobleem dat Gastiz wel kende: twee keer dezelfde klinker uitspreken vergt
immers geen verandering van de mondstand. De wetmatigheden van de fonetische evolutie kunnen dus
niet gebruikt worden om het opduiken van de Umlaut te verklaren. Wat dat wel kan is analogie: net
zoals het meervoud van Gast gevormd wordt door de a-klank te verscherpen tot een e-klank (wat wordt
aangeduid door de Umlaut), wordt ook het meervoud van Hals gevormd door de a-klank te verscherpen
(de uitgang –az zwakt ook af tot een doffe –e klank): Hälse. Het verschijnen van de Umlaut, dat in
vormen als Gäste verklaard wordt door puur fonetische wetmatigheden, krijgt op deze manier ook een
totaal andere interpretatie: de Umlaut wordt nu begrepen als een middel om het meervoud te vormen.
Dat is mogelijk omdat de hedendaagse taalgebruiker zich natuurlijk niet bewust is van de fonetische
evolutie en voor het opduiken van de Umlaut een verklaring zoekt op basis van de vormen die hij kan
11
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
waarnemen, zoals Gast / Gäste. De meest voor de hand liggende verklaring voor het gebruik van de
Umlaut in de tweede vorm is dan inderdaad dat die Umlaut het meervoud uitdrukt.
Op basis van de gezamenlijke kenmerken die tussen talen gevonden worden, wordt het vermoeden
geformuleerd dat deze talen verwant zijn; wanneer het bovendien mogelijk is deze verwante vormen
door middel van klankwetten met elkaar in verband te brengen, wordt ervan uitgegaan dat de talen in
kwestie inderdaad verwant zijn. Meestal wordt getracht dit aan te tonen door de klankverschuivingen
ongedaan te maken en de vormen van de moedertaal te reconstrueren.
Welke reserves formuleren McMahon & McMahon m.b.t. de voorstelling van de relaties tussen talen
d.m.v. stambomen ?
De voorstelling van de stamboom van een taalfamilie is een idealisering. McMahon & McMahon wijzen
er op dat de splitsing van een moedertaal in twee dochtertalen niet samenvalt met een precies moment
in de tijd, alsof de gebruikers van de moedertaal als het ware van de ene dag op de andere ofwel
dochtertaal1 ofwel dochtertaal2 zouden gesproken hebben en elkaar misschien niet meer zouden
verstaan hebben. De takken van de boom staan integendeel in feite voor een hele reeks moeilijk te
onderscheiden stadia waarin de moedertaal geleidelijk in 1 of 2 overgaat. Daar komt nog bij dat het in
feite niet de talen als dusdanig zijn die evolueren maar wel hun dialecten.
McMahon & McMahon merken verder op dat wanneer talen op elkaar gelijken, dat niet alleen verklaard
kan worden door te veronderstellen dat zij van elkaar afstammen:
1) Het is best mogelijk dat talen op elkaar lijken doordat hun klanken een reeks gelijkaardige
evoluties ondergaan hebben omdat die veranderingen erg natuurlijk zijn voor klanken en de
organen waarmee ze geproduceerd worden en omdat ze daarom frequent in talen voorkomen
(dat geldt bijvoorbeeld voor de tendens om scherpe klanken aan het einde van een woord af te
zwakken tot een doffe –e).
2) Talen nemen constant woorden, klanken, zinsstructuren en constructies van elkaar over
wanneer zij met elkaar in contact komen om economische, culturele of andere redenen. Zo is
een groot gedeelte van het Engelse vocabularium van Franse oorsprong. Wanneer talen uit
eenzelfde regio elkaar op die manier beïnvloeden, spreekt men van een Sprachbund. Het
resultaat van dit soort constante vermenging van talen, is uiteraard dat talen niet enkel binnen
een stamboom “verticale” relaties onderhouden met de talen waarvan ze afstammen maar dat
ze ook in “horizontale” relaties treden met talen van andere taalfamilies.
Wat is historisch-comparatieve taalkunde?
De vergelijking van lexicale elementen uit de verschillende talen kan de empirische basis leveren voor de
beschrijving van oudere talen waarvan geen geschreven documenten meer teruggevonden zijn. Dit
inzicht was meteen de aanzet tot een hele onderzoekstraditie waarin getracht werd door vergelijking
van taalelementen inzicht te krijgen in de structuur van oudere taalstadia, met de uiteindelijke
bedoeling de verwantschap en de relaties tussen de verschillende talen in kaart te brengen.
Wat is centrale of primaire woordenschat?
Het gedeelte van de woordenschat van een taal die woorden bevat die verwijzen naar zaken uit de
alledaagse, onmiddellijke belevingswereld van de mens, waar ook ter wereld: lopen, zitten, gaan, staan,
lucht, regen, wind, of niet technische benamingen van lichaamsdelen, zoals hoofd, schouder, arm,
vinger, enz. Deze woordenschat wordt meestal gebruikt om verwantschap tussen talen aan te tonen.
Wat wordt bedoeld met ‘Sprachbund’?
Talen nemen constant woorden, klanken, zinsstructuren en constructies van elkaar over wanneer zij met
elkaar in contact komen om economische, culturele of andere redenen. Wanneer talen uit eenzelfde
regio elkaar op die manier beïnvloeden, spreekt men van een Sprachbund.
12
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Wat is een prototaal (in het kader van de evolutie van taal)
Onderzoekers gaan ervan uit dat er zich eerst een soort eenvoudige taal (= prototaal) ontwikkeld heeft.
Die eenvoudige taal heeft zich dan ontwikkeld tot de taal van nu.
5. Taaltypes
(definities van deze taaltypes kunnen ook twee per twee gevraagd worden)
Wat zijn isolerende talen?
Dit zijn talen waarin alle woorden (of toch het merendeel ervan) onveranderlijk zijn en grammaticale
concepten (enkelvoud / meervoud, enz.) worden uitgedrukt door afzonderlijke woorden.
Vb. Chinees, Vietnamees
“Het Mandarijnse tā bú huì yòng dāo chā chī fàn (‘Hij kan niet met mes en vork eten’) betekent letterlijk:
‘Hij niet kunnen gebruiken mes vork eten rijst’”.
Wat zijn agglutinerende talen?
Dit zijn talen waarin de woorden zijn samengesteld uit kleinere woorddelen die elk een vaste vorm en
een betekenis hebben en dus een morfeem zijn en waarin elke grammaticale betekenis wordt
uitgedrukt door een afzonderlijk morfeem.
Vb. Baskisch, Turks, Japans
In het Turks betekent ev ‘huis’, ler drukt het meervoud uit, i het bezit en den de ablatief (een naamval
die de oorsprong, de plaats waar men vandaan komt, uitdrukt). Deze verschillende woorddelen kunnen
vrij met de stam gecombineerd worden: evler is dus de vorm voor het nominatief meervoud, evden die
voor het ablatief enkelvoud, enz. Al deze woorddelen behouden hun identiteit in de samenstelling:
evleri(n)den is de vorm voor het ablatief possessief meervoud (‘van bij zijn / haar / hun huizen’).
Wat zijn flecterende talen?
In deze talen kunnen bepaalde woorddelen dikwijls meer dan één grammaticale betekenis tegelijk
uitdrukken
Vb. Grieks, Latijns
*in emergo, ‘ik kom boven’, drukt de uitgang -o tegelijkertijd enkelvoud, eerste persoon, indicatief en
tegenwoordige tijd uit. De woorddelen zijn dan ook dikwijls moeilijk van elkaar te onderscheiden *rosa
en rosam zijn respectievelijk de nominatief en de accusatief enkelvoud van rosa, ‘roos’; om deze reden
spreekt men soms ook van fuserende talen
Wat zijn incorporerende of polysynthetische talen?
In deze talen voegt men in het werkwoord een hele reeks woorddelen toe waaronder zelfstandige
naamwoorden die zo als het ware in het werkwoord geïncorporeerd worden. Men verkrijgt zo lange
termen die equivalent lijken met een hele zin.
Vb. een antal Amerindiaanse talen
Vb. Yana : ya-ba-hau-si = brand-meerv.-oost-3 = ‘ze branden in het Oosten’
Wat zijn analytische en synthetische talen?
Een analytische taal zoals het Frans gebruikt verschillende woorden om weer te geven wat een
synthetische taal zoals het Latijn in één woord uitdrukt: sur la terre = humi
13
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
6. Soorten universalia
Wat zijn absolute en statistische universalia?
Absolute universalia = verschijnselen en principes die voor ALLE talen gelden
Statische universalia = verschijnselen en principes die NIET voor alle talen gelden maar wel voor de meeste.
Î We spreken hier over tendensen = ze zeggen ons toch veel over de natuur van de menselijke
taal in het algemeen, zelfs als er op die wetmatigheid uitzonderingen bestaan.
Î Voorbeeld is het onderwerp dat in de meeste talen vooraf gaat aan het lijdend voorwerp
Wat is ‘SVO/VSO/SOV/VOS/OVS/OSV’?
SVO = subject – verb – object = De man aait de hond
VSO = verb – subject – object = Aait de man de hond
SOV = subject – object – verb = De man de hond aait
Zeldzamere vormen:
VOS = verb – object – subject = kocht de rijst de vrouw (Malagasy uit Madagascar)
OVS = object – verb – subject = de kip at de man op (Hixkaryana uit Brazilië)
OSV = object – subject – verb = brulapen mensen eten (Nadëb uit Brazilië)
Wat zijn onvoorwaardelijke en voorwaardelijke universalia en definieer aan de hand van een
voorbeeld?
Onvoorwaardelijke universalia = “voor alle talen geldt: X heeft eigenschap Y”
Voorwaardelijke universalia = “voor alle talen T geldt: als X eigenschap Y heeft, dan X ook Z”
Vb. als een taal SOV heeft, dan heeft die taal bijna altijd achterzetsels
Wat zijn adposities / preposities/ postposities?
Adposities = preposities + postposities
Preposities = voorzetsels
Postposities = achterzetsels
Wat zijn implicatieve universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Implicatieve universalia = voorwaardelijke universalia (zie boven)
Wat zijn absolute onvoorwaardelijke universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Alle talen vertonen eigenschap X (zeldzaam)
Vb. alle talen hebben naamwoorden en werkwoorden
Wat zijn statistische onvoorwaardelijke universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
= onvoorwaardelijke tendensen
= de meeste talen vertonen eigenschap X
Vb. in de meeste talen gaat het onderwerp van de zin vooraf aan het lijdend voorwerp (SO)
Wat zijn absolute voorwaardelijke universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Als een taal eigenschap X vertoont, vertoont ze ook eigenschap Y
Vb. als een taal nasale klinkers heeft, dan heeft ze ook altijd orale klinkers
14
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Wat zijn statistische voorwaardelijke universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Als een taal eigenschap X vertoont, zal ze ertoe neigen ook eigenschap Y te vertonen
Vb. als een taal SOV heeft, dan heeft die taal bijna altijd achterzetsels
Meest voorkomend!
Wat zijn diachrone en synchrone universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Diachrone taalkunde = bestudeert de evolutie van de taal = historische taalkunde
Vb. het verhaal van de Indo-Europese talen
Synchrone taalkunde = bestudeert het systeem van een taal op een bepaald ogenblik
Vb. het hedendaagse Nederlands, het Nederlands in 1830, …
Wat is grammaticalisatie en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Het proces waarbij lexicale woorden evolueren tot grammaticale woorden of elementen. In vele talen
van de wereld worden grammaticale woorden en elementen gevormd volgens dit proces van
grammaticalisatie. Het is dus op zich een universeel taalgegeven. Bovendien blijkt ook de vorming van
de diverse grammaticale elementen min of meer universele paden te volgen, die men
grammaticalisation clines (of “grammaticalisatiepaden”) noemt.
De vorming van deze grammaticale woorden en elementen volgt een ontwikkelingsgang die in vele talen
voorkomt. Een mooi voorbeeld is de Franse negatie:
(1) In het Latijn bestonden er twee vormen van negatie, non en haud, maar non was zonder twijfel de
meest opvallende en courante vorm (bovendien begon hij met de letter n- die ook in andere
negatieve woorden voorkwam: numquam, nihil, nullus, enz.).
(2) In het Oud-Frans bestonden de vormen non en ne. De eerste vorm was een bijwoord en droeg
een klemtoon (een accent), de tweede was een negatief
woordje dat diende om van de
zin een ontkennende zin te maken.
(3) Omdat ne geen klemtoon droeg, werd het nodig ne te versterken; daarvoor werd beroep gedaan op
woordjes zoals pas, mie, goutte of point, die allemaal een kleine hoeveelheid aanduidden (namelijk
stap, kruimel, druppel en punt). In een eerste fase behielden die woorden min of meer hun lexicale
betekenis.
(4) Wanneer pas gecombineerd werd met ne, verloor het stilaan zijn lexicale betekenis (‘stap’) en
drukte het enkel nog, samen met ne, de ontkenning uit. Het naamwoord pas (dat niet
gecombineerd werd met ne) behield evenwel zijn betekenis.
(5) Pas werd vervolgens, in vergelijking met mie, goutte, enz., het meest frequent gebruikte
negatief woordje, waarschijnlijk om sociologische redenen, omdat het in Parijs en in het Westen
van Frankrijk gebruikt werd en het Frans van Parijs uiteindelijk het Standaardfrans is geworden.
(6) Ten slotte lijkt pas nu de negatieve betekenis helemaal te hebben overgenomen: ne wordt
minder en minder gebruikt, zeker in de gesproken taal. Pas zelf lijkt nu trouwens nood te
hebben aan versterking: steeds meer gebruikt men uitdrukkingen als pas du tout (en zelfs du
tout zonder meer).
Wat zijn lexicale en grammaticale woorden (elementen) en definieer aan de hand van voorbeelden?
Lexicale woorden = woorden die een rijke betekenis hebben. Ze verwijzen onder andere naar objecten,
personen, handelingen en abstracte begrippen (tafel, president, lopen, gedachte, mooi enz.); deze
woorden vormen ook open lijsten = er worden steeds nieuwe lexicale woorden aangemaakt.
15
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Grammaticale woorden = woorden met een abstractere betekenis. Zij maken meestal deel uit van
afgesloten paradigma’s en zijn dikwijls korter dan de lexicale woorden. Het gaat o.a. om lidwoorden,
voegwoorden, voornaamwoorden en (sommige) voorzetsels. In sommige gevallen worden ze zelf deel
van een woord; ook woorddelen die verbuigingen of vervoegingen uitdrukken zijn uiteraard
grammaticale elementen.
Wat zijn formele en substantiële universalia en definieer aan de hand van een voorbeeld?
Formele universalia = bestaan uit abstracte beperkingen op de grammatica van talen, bijvoorbeeld dat
daarin maar een bepaald soort regel voorkomt, of dat er geen regels in voorkomen die bepaalde
specifieke operaties uitvoeren. Zo heeft Chomsky o.a. het idee verdedigd dat menselijke taal zich van
andere communicatiesystemen onderscheidt doordat ze recursie kent. Andere onderzoekers trachten
echter aan te tonen dat sommige talen zoals het Pirahã (Amazonewoud in Brazilië) strikte beperkingen
opleggen aan deze mogelijkheid tot recursie, zodat eigenlijk niet meer kan gesteld worden dat recursie
universeel is.
Substantiële universalia = hebben betrekking op de categorieën en soorten elementen die in de regels van de
grammatica voorkomen. Een substantiële universale zou bijvoorbeeld zijn dat bijna alle talen in de wereld een
onderscheid maken tussen de categorieën naamwoord en werkwoord (terwijl ze bijvoorbeeld niet allemaal de
categorie lidwoord kennen), maar dat idee werd al in twijfel getrokken.
7. Linguïstische relativiteit
Welk argument gebruikt men om aan te tonen dat de kleuren die we onderscheiden afhankelijk zijn
van de taal die we spreken? Stel het onderzoek van Berlin en Kay over kleurtermen voor en leg uit
waarom hun onderzoek die stelling ten minste ten dele lijkt te weerleggen. Welke kritieken zijn er
met betrekking tot het onderzoek van Berlin en Kay geformuleerd?
Deze relativistische opvatting werd in vraag gesteld toen Berlin en Kay in een kort boekje, Basic Color
Terms, de resultaten publiceerden van een groot onderzoek over kleurtermen. Tijdens dit onderzoek
legden zij aan sprekers van 98 verschillende talen een kleurenkaart voor zoals degene die hieronder
wordt afgebeeld (de zogenaamde “Munsell” kleurenkaart) :
Zij vroegen de sprekers van die talen vervolgens
1. Om op deze kleurenkaart alle vakjes (“chips”) aan te duiden die door een bepaalde kleurenterm
konden aangeduid worden; zo konden ze vaststellen wat de grenzen zijn van de zones die door de
onderzochte kleurtermen kunnen worden aangeduid, en
2. Aan te duiden welke vakjes de beste illustraties zijn van elk van de onderzochte kleurtermen.
16
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Zij deden daarbij twee vaststellingen:
A. Het bereik van de kleurtermen (zoals dat bleek uit de antwoorden op (i)) kon van persoon tot
persoon verschillen, maar de meeste deelnemers aan de test spreidden wel een grote unanimiteit
ten toon als het erom ging (in antwoord op vraag 2) aan te duiden wat een goede illustratie is van
rood of van de andere basiskleurtermen - deze “beste illustratie” van een kleurterm werd “focaal”
genoemd (“focaal rood” is dus de kleurschakering die het best de kleur rood illustreert). Berlin en
Kay concludeerden daaruit dat deze foci universeel constant zijn en dus onafhankelijk van cultuur.
B. De opdeling van het kleurenspectrum gebeurt niet volledig willekeurig; er bestaat namelijk een
hiërarchie tussen de kleurtermen :
-
alle talen hebben minstens twee kleurtermen (een term voor wit / licht en een term voor zwart
/ donker)
als een taal drie termen heeft, dan is de derde term een term voor rood
als een taal vier of vijf termen heeft, dan zijn de vierde en vijfde termen termen voor geel en / of
groen
als een taal een zesde term heeft, dan is dat een term voor blauw
als een taal een zevende term heeft, dan is dat een term voor bruin
de volgende vier termen die een taal kan hebben zijn, in eender welke volgorde, termen voor
purper, paars, oranje en grijs.
Dit wordt meestal samengevat in volgende tabel:
Fase 1
Wit
Zwart
Fase 2
Rood
Fase 3
Geel
Groen
Fase 4
Blauw
Fase 5
Bruin
Fase 6
Roze
Paars
Oranje
Grijs
Hoewel ze geen echte uitleg gaven voor deze volgorde en stelden dat dat het voorwerp moest uitmaken
van verder onderzoek, wezen Berlin en Kay toch de richting aan waarin de reden volgens hen moest
worden gezocht, namelijk in de eigen aard (of de natuur) van de menselijke perceptie. De taal (of de
cultuur) mag dus beslissen hoeveel foci een naam krijgen, maar eens dat is vastgelegd doet de natuur de
rest: hij beslist welke foci een naam zullen krijgen en in welke volgorde. Deze stelling lijkt bevestigd te
worden door experimenteel psychologisch onderzoek van de Amerikaanse psychologe Eelonor. Zij
interesseerde zich voor de universalistische consequenties van de theorie van Berlin en Kay en testte die
door middel van een aantal experimenten die zij uitvoerde bij de Dani, die zoals eerder gezegd slechts
twee kleurentermen kennen. Uit haar experimenten bleek dat de Dani zich gemakkelijker kleuren
konden herinneren die overeenstemden met de elf basiskleurentermen die Berlin en Kay vooropstelden.
Verder bleken zij ook gemakkelijker kleurentermen aan te leren die correspondeerden aan de eerste
fasen in de schaal van Berlin en Kay.
Het onderzoek van Berlin en Kay heeft veel kritiek losgeweekt:
x
x
17
De voorgestelde hiërarchie tussen de kleurtermen wordt niet door alle talen gerespecteerd. Zo is in
later onderzoek onder andere gebleken dat in vele talen bruin niet de eerste kleur is die een naam
ontvangt na blauw.
Nieuwe data wijzen erop dat het aantal universele foci tot zes moet beperkt worden : wit, zwart,
rood, groen, geel en blauw (de theorie is later ook in die zin bijgestuurd).
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
x
x
Er zijn combinaties van foci mogelijk die in de oorspronkelijke theorie van Berlin en Kay niet
voorzien waren. Zo blijken er talen te bestaan met één kleurterm voor geel, licht groen en licht
blauw
Het is helemaal niet zeker dat alle talen kleurtermen kennen die kunnen gedefinieerd worden enkel
en alleen door hun positie in de Munsell kleurenkaart, iets wat door de test van Berlin en Kay wel
voorondersteld wordt. Levinson wijst erop dat de corresponderende termen in het Yélî Dnye (een
taal die gesproken wordt op een eiland van Papoea Nieuw-Guinea) gebaseerd zijn op termen voor
de referenten met de kleuren in kwestie. Zo kan misschien gesteld worden dat de term mtyemtye
correspondeert aan rood, maar de term is wel gebaseerd op de benaming een rode
papegaaiensoort, namelijk mtye, en iets gelijkaardigs geldt voor de term mgîdîmgîdi: die term zou
door “zwart” of “donker” kunnen vertaald worden, maar is gebaseerd op de term voor “nacht”,
mgîdî. Bovendien zijn die termen niet morfologisch eenvoudig en blijken ze aan nogal wat intrapersoonlijke variatie onderhevig te zijn. Dit wijst erop dat je niet zonder meer kan uitgaan van de
vooronderstelling dat alle talen basiskleurentermen kennen zoals die in het Engels bestaan en dat je
eerst zorgvuldig de betekenis en het gebruik van de onderzochte termen in hun eigen taal moet
beschrijven.
Dat belet niet dat de meeste talen wel ten minste de volgorde van de eerste vier fasen in de hiërarchie
lijken te respecteren en dat Berlin en Kay dus waarschijnlijk wel een punt hebben als ze zeggen dat de
natuur, of preciezer, de anatomie van het oog en de verwerking van de informatie door de hersenen, de
grenzen bepaalt waarbinnen talen kunnen verschillen. Het is op die wijze waarschijnlijk mogelijk om te
verklaren waarom rood de eerste kleur is die na wit en zwart een naam krijgt. Dat alles belet echter niet
dat binnen deze grenzen veel variatie blijft bestaan tussen de talen. Bovendien stelt Berlin & Kay’s werk
niet de vraag of de bestaande linguïstische variatie gevolgen heeft voor de niet-linguïstische, cognitieve
verwerking van kleuren. Zoals we reeds zeiden aan het einde van het vorige deel, daarvoor is
experimenteel werk nodig. Lange tijd was echter bijna het enige werk dat de theorie testte dat van
Rosch waarover we het hierboven reeds hadden. Toch wijzen recente experimenten uit dat de invloed
van taal verder zou kunnen gaan en dat taal wel degelijk tot op zekere hoogte ook onze perceptie zelf
kan beïnvloeden. Dat zou dan betekenen dat de grenzen van de variatie ook (tot op zekere hoogte) door
de taal bepaald worden.
18
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Welk argument gebruikt men om aan te tonen dat de kleuren die we onderscheiden afhankelijk zijn
van de taal die we spreken? Stel een experiment voor dat die idee ten minste ten dele lijkt te
bevestigen.
Het experiment in kwestie werd door een aantal onderzoekers van befaamde
Amerikaanse universiteiten. Zij maakten gebruik van het feit dat aan de Engelse
kleurterm blauw twee Russische termen beantwoorden, namelijk siniy
(‘donkerblauw’) en goluboy (‘hemelsblauw’ of ‘lichtblauw’) om na te gaan of het
bestaan van die twee kleurtermen de perceptie van kleuren beïnvloedde. In hun
experiment werd aan de deelnemers gevraagd om plaats te nemen voor een
computerscherm waarop ze telkens gelijktijdig drie blauwe vierkanten zagen: een blauw vierkant
bovenaan en twee blauwe vierkanten onderaan, zoals hieronder afgebeeld.
De vierkanten waren blauw gekleurd, waarbij gekozen werd uit een palet van twintig blauwe tinten. Eén
van de twee vierkanten onderaan was in dezelfde tint blauw als het vierkant bovenaan (in de figuur
hierboven is het onderste vierkant links gelijk aan het bovenste vierkant) en een ander was in een
andere tint blauw. Aan de deelnemers een het experiment werd gezegd dat het hun taak was aan te
duiden welk vierkant onderaan in dezelfde tint blauw was als het vierkant bovenaan. Daartoe
beschikten zij over twee knoppen, één links en één rechts, die elk correspondeerde met een van de
twee vierkanten (in de afbeelding zou dus de knop links moeten ingedrukt worden). De deelnemers
beantwoorden de vraag uiteraard altijd correct, maar wat de onderzoekers in feite interesseerde, en
wat zij maten, was de snelheid waarmee de antwoorden gegeven werden.
Daarbij bleek dat de reactietijd van de deelnemers langer werd naargelang de tint blauw van het afwijkende
vierkant (het rechtse onderaan in de figuur hierboven) dichter de tint blauw van de overige twee vierkanten
(die dezelfde kleur hebben) benaderde (wat kon bepaald worden door middel van de kleurenschaal helemaal
bovenaan), en korter in het tegenovergestelde geval. Dat is natuurlijk niet verrassend: hoe groter het verschil
in kleur, hoe gemakkelijker het waar te nemen is en hoe sneller men kan reageren. Maar de onderzoekers
deden nog een andere vaststelling, waaruit bleek dat de reactietijd niet enkel afhing van het verschil in kleur
tussen de vierkanten, maar ook van de “grens” tussen sinij (donkerblauw) en goluboy (lichtblauw). Wanneer
het bovenste vierkant donkerblauw (siniy) was, maar dicht tegen de grens met lichtblauw (goluboy), dan
hadden de sprekers van het Russisch minder tijd nodig om de rechterknop in te drukken wanneer het onderste
vierkant rechts lichter blauw werd en de afscheiding met goluboy (‘lichtblauw’) overschreed, dan wanneer
hetzelfde vierkant donkerder werd in dezelfde mate als het eerst lichter was geworden en een donkerder tint
siniy (donkerblauw) vertoonde (en dus de grens tussen de twee blauwe kleuren niet overschreed). Het feit dat
de kleurentint in het eerste geval de grens met goluboy overstak bleek dus hetzelfde effect te hebben als een
toename van het verschil tussen de twee kleurentinten, namelijk een kortere reactietijd. Dit idee werd
trouwens bevestigd door het feit dat bij sprekers van het Engels (die geen twee verschillende basiskleurtermen
hebben voor blauw) in dezelfde situatie geen verschil in reactietijd waargenomen werd. Gezien de sprekers
sneller reageren in de mate waarin de twee kleuren voor hen verschillend verschijnen, en gezien de sprekers
van het Russisch sneller reageren wanneer de kleur door haar verandering de scheiding tussen sinij
(lichtblauw) en goluboy (donkerblauw) overschrijdt, lijkt het experiment te bevestigen dat het bestaan van
twee termen en twee talige categorieën ook de perceptie beïnvloedt. Het moet echter wel duidelijk zijn, na
het verslag van bovenstaand experiment, dat de interactie tussen taal, wereld en denken een zeer subtiel
gebeuren is en dat men zich moet hoeden voor te rechtlijnige uitspraken.
19
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Wat is linguïstische relativiteit? = Wat is de Sapir-Whorf hypothese?
Linguïstische relativiteit wordt ook wel eens met de term ‘Sapir-Whorf hypothese’ aangeduidt.
= de theorie die stelt dat de taal die wij spreken ons denken vorm geeft en/of onze waarnemingen
beïnvloedt.
“Wij delen de natuur op volgens de lijnen die onze moedertaal erin getekend heeft. Wij maken
opdelingen, organiseren die in begrippen en schrijven er betekenissen aan toe, haast uitsluitend omdat
wij partners zijn van een wederzijdse overeenkomst om het zo te doen – een overeenkomst die voor heel
onze taalgemeenschap van kracht is en die gecodeerd is in al de patronen van onze taal. Zo’n
overeenkomst is natuurlijk een impliciete en niet-uitgesproken conventie. Maar de voorwaarden ervan
zijn dwingend. We kunnen helemaal niet praten behalve als we ons neerleggen bij al de categorieën en
classificaties van de fenomenen die de taalconventie ons dicteert.”
Sapir geeft een voorbeeld waarin een vergelijking wordt gemaakt tussen de verschillende wijzen waarop
in een Westerse taal OF in een indianentaal (Nootka, Kwatiutl uit Canada) een vallende steen beschrijft:
Nederlands
meeste WestEuropese talen
De steen viel
De steen wordt gezien als iets wat voor de hoorder identificeerbaar is; het gaat
om een telbaar iets, namelijk één steen. De beweging van het vallen is een
neergaande beweging, maar dit zit in het begrip “vallen” ingebakken. De
tijdsaanduiding viel zegt dat het gebeuren plaats vond vóór het spreekmoment.
Onzichtbaar gesteente vallen in nabijheid van spreker, (hoorder), (derde
persoon)
Kwakiutl
Wat in die cultuur als prominent geldt, is of dat “gesteente” (één of meer
stenen speelt geen rol) zichtbaar was of niet en waar ergens het vallen van het
gesteente te situeren is: dicht bij de spreker, de hoorder of een derde persoon.
Ook wordt de tijd van het gebeuren niet geregistreerd.
Niet-noodzakelijk : dingen als telbaar of niet-telbaar te categoriseren +
aangeven wanneer iets gebeurd is adhv een werkwoodstijd
Noodzakelijk: of het gesteente zichtbaar is en ook waar het zich bevond
Het steent naar beneden
Nootka
Er is zelfs geen nomen, maar alleen een werkwoord. Hierin zitten eigenlijk twee
elementen, namelijk één om te zeggen dat iets steenachtigs in beweging is (het
“ding” is dus als een bewegend iets gecategoriseerd) en een ander element om
de richting van de beweging aan te geven, namelijk hier een neergaande
beweging.
Belangrijk is dat het hierbij gaat om keuzes die aan elke spreker opgelegd worden door het
grammaticale systeem van de taal die hij spreekt: wanneer een taalgebruiker in het Nederlands een
werkwoord gebruikt, verplicht de grammatica hem dit werkwoord te vervoegen en dus de scène die in
de zin beschreven wordt in de tijd te situeren. In het Kwakiutl worden sprekers daar niet toe verplicht;
zij moeten wel aangeven waar de scène plaatsgreep en of iets zichtbaar is of niet.
20
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Deel 2: hoe bestudeert taalkunde taal?
1. Ferdinand de Saussure (1857 – 1913)
Leg uit wat de Saussure precies bedoelde toen hij schreef dat het taalteken willekeurig (arbitraire) is.
OF EXTRA: Tegen welke traditionele tekenopvatting over het taalteken was zijn theorie een reactie?
Welk argument gebruikte hij om die traditionele opvatting in vraag te stellen?
Traditionele opvatting:
Wanneer men zegt dat het taalteken willekeurig is dan wil men daar meestal mee zeggen dat er geen
gemotiveerd verband bestaat tussen een object en de naam die men aan dat object geeft.
Vb. De vorm van het naamwoord hond bijvoorbeeld, namelijk de klankvorm [hɔnt], wordt niet bepaald
door bepaalde kenmerken van het dier waar dat naamwoord naar verwijst. Ook hier wordt dikwijls als
argument het feit aangehaald dat eenzelfde element van de realiteit in verschillende talen door
verschillende woorden wordt aangeduid: Hund, chien, canis, enz..
Deze definitie van de willekeurigheid van het taalteken gaat er evenwel nog steeds van uit dat het
concept dat uitgedrukt wordt door het woord hond gegeven is, onafhankelijk van de taal die we
spreken.
De Saussure’s opvatting:
Hij duidt dit aan met de term “nomenclatuur”. Volgens hem bestaat taal integendeel uit een geheel van
onderscheidingen (articulations) die tegelijkertijd worden aangebracht in het domein van de klanken en
in dat van de concepten; daardoor worden de concepten die de taal uitdrukt en de vormen die deze
concepten uitdrukken gecreëerd. De signifié kent dan geen motivatie buiten de taal, net zo min als de
signifiant en de band tussen beide; de taal creëert de signifiant en de signifié tegelijkertijd en is
verantwoordelijk voor de band tussen beide; het is in die radicale betekenis dat de Saussure arbitrariteit
of willekeurigheid verstaat.
Door te stellen dat de taal zelf de signifiant, de signifié en de band tussen beide creëert, maakt de
Saussure duidelijk dat de taalkunde, de studie van taalvormen en talige betekenissen, een wetenschap is
die niet samenvalt met andere disciplines. Hetzelfde geldt voor de klanken: ook daar maakt de taal haar
eigen keuze en zijn niet alle fysisch mogelijke klankverschillen relevant voor de taal. De taal creëert met
andere woorden haar eigen orde en bijgevolg is er om taal op zichzelf te bestuderen ook een
afzonderlijke wetenschap nodig: de linguïstiek.
Wat bepaalt voor de Saussure de waarde van een taalteken? Welke argumenten gebruikt hij om aan
te tonen dat noch de vorm noch de betekenis alleen het taalteken kunnen definiëren?
De waarde van een taalteken wordt bepaald door zijn positie in het taalsysteem, met andere woorden
door datgene waarin het taalteken verschilt van alle andere taaltekens. In taal, zo besluit de Saussure,
bestaan er enkel verschillen.
Het systeemkarakter van het taalteken wordt geïllustreerd door volgende voorstelling van de taal als
een systeem van signes (eenheden van signifiants en signifiés) die elkaar wederzijds afgrenzen doordat
ze van elkaar verschillen:
21
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Zoals al blijkt uit het voorbeeld van messieurs hierboven, is dan uiteindelijk voor de definitie van het
taalteken niet zijn uiterlijke vorm of betekenis op zichzelf van belang, maar de positie van het taalteken
in het geheel van verschillen dat het taalsysteem uitmaakt. Volgens de Saussure kan je de taal dan ook
vergelijken met het schaakspel: de waarde van de verschillende stukken van het schaakspel heeft ook
niets te maken met hun uiterlijke vorm, maar wordt gedefinieerd door de regels van het schaakspel,
waarin de stukken t.o.v. elkaar gedefinieerd worden; het paard bijvoorbeeld krijgt een bepaalde waarde
omdat het een bepaalde positie inneemt binnen het schaakspel en gedefinieerd wordt t.o.v. de waarde
van de andere stukken. De Saussure besluit dat het taalsysteem als dusdanig een vorm is die niet
samenvalt met een of andere uiterlijke gedaante.
Vb. twee woorden kunnen op exact dezelfde wijze uitgesproken worden, zoals dans en dent; toch
hebben deze woorden een andere waarde; deze wordt dus niet bepaald door de materiële vorm van die
woorden, maar wel door de plaats van die woorden binnen het taalsysteem. Dat betekent dat niet de
uiterlijke of materiële vorm van de taaltekens fundamenteel is, maar wel een immaterieel aspect ervan,
namelijk de relatie van het taalteken t.o.v. de andere taaltekens.
Wat is signifiant / signifié
Signifiant = “l’empreinte psychique des sons”, de uiterlijke vorm
Signifié = een mentale voorstelling van de betekenis, concept dat door de taal zelf gevormd is
tegelijktijd met de signifiant
Beide zijden van het taalteken onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Wat is de lineariteit van het taalteken (volgens de Saussure)?
Het taalteken heeft naast ‘willekeurig’ ook een tweede kenmerk nl. ‘lineair’. Hiermee wil de Saussure
zeggen dat de signifiants op elkaar volgen, in de tijd (wanneer het om gesproken taal gaat) of in de
ruimte (wanneer het om geschreven taal gaat). Ze laat toe taal te onderscheiden van andere
tekensystemen zoals dat van de verkeersborden, waarin de tekens niet lineair geordend worden, achter
elkaar, maar a.h.w. op elkaar gestapeld worden.
Het taalteken is dus een specifiek soort teken: het is niet enkel arbitrair, maar ook lineair. De
verschillende soorten tekens worden geanalyseerd in de tekenleer of semiologie, waarvan de linguïstiek
deel uitmaakt. De lineariteit van het taalteken heeft ook tot gevolg dat bepaalde taaltekens toch relatief
gemotiveerd zijn = een zekere graad van gemotiveerdheid ontlenen aan hun relatie met andere
taaltekens.
Wat is de relatieve gemotiveerdheid van het taalteken (volgens de Saussure)?
Een zekere graad van gemotiveerdheid ontlenen aan hun relatie met andere taaltekens.
Voorbeelden:
x Vingt is niet gemotiveerd, maar dix-neuf is gemotiveerd t.o.v. dix en neuf;
x Poirier is gemotiveerd omdat het poire combineert met het suffix of achtervoegsel
denken aan woorden zoals cerisier, pommier, enz.
22
-ier, dat doet
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Wat is langue / parole?
Dit abstracte taalsysteem, dat de waarde van alle taaltekens bepaalt, noemt de Saussure la langue. Het
is dit taalsysteem dat elke individuele taaluiting mogelijk maakt en we kunnen slechts communiceren
omdat we als sprekers van een bepaalde taal allemaal hetzelfde taalsysteem in onze geest opgeslagen
hebben. Dat wil niet zeggen dat elke spreker het taalsysteem in zijn geheel bezit, maar wel dat het
virtueel in de geest van iedere taalgebruiker aanwezig is (iedere spreker van een bepaalde taal kan het
systeem van die taal aanleren). Misschien is er zelfs geen enkele spreker die het taalsysteem in zijn
geheel opgeslagen heeft; in die zin bestaat het enkel op het niveau van de taalgemeenschap en is taal
ook een fundamenteel sociaal gegeven.
La parole is de individuele en concrete taaldaad van een individu; het is een realisatie van het
taalsysteem, die beïnvloed kan worden door een heel aantal individuele factoren die door de
psychologie kunnen beschreven worden.
Langue
Sociaal
Essentieel
Passief opgenomen
Psychisch
Collectief
Parole
Individueel
(Min of meer) bijkomstig
Bewuste daden
Psychofysisch
Niet collectief
Wat zijn paradigmatische / syntagmatische relaties (volgens de Saussure)?
Binnen het taalsysteem wordt de waarde van een teken gedefinieerd doordat het twee soorten relaties
onderhoudt met andere taaltekens:
Syntagmatische relaties = dit zijn de relaties die tekens met elkaar onderhouden wanneer ze met elkaar
gecombineerd worden tot een groter geheel – zoals de woorden in een zin. In de zin speelt de
woordvolgorde een belangrijke rol (is er morgen les betekent niet hetzelfde als morgen is er les);
woorden of woordsoorten kunnen gedefinieerd worden d.m.v. de plaats die ze in een zin kunnen
innemen.
Paradigmatische relaties = relaties tussen elementen die onderling bepaalde systematische
overeenkomsten vertonen van fonologische, syntactische of semantische aard; het gaat om relaties in
absentia, tussen elementen die niet noodzakelijk gelijktijdig in elkaars aanwezigheid voorkomen, i.t.t. de
syntagmatische relaties, die relaties zijn tussen tekens die samen en dus in elkaars aanwezigheid – in
praesentia – voorkomen. De Saussure spreekt ook van associatieve relaties
Vormen met dezelfde stam
Zelfde betekenis
23
Zelfde vorm
Zelfde suffix
Examenvragen Algemene taalkunde door Jolien De Leersnijder
Wat is synchrone / diachrone taalwetenschap (volgens de Saussure)?
Synchrone taalwetenschap = beoogt het systeem van de taal te beschrijven op een bepaald ogenblik;
Diachrone taalwetenschap = beoogt de evolutie van de taal te beschrijven; omdat de taaltekens
evenwel pas binnen het taalsysteem kunnen beschreven worden, betekent dit dat diachrone taalkunde
idealiter de opeenvolging van verschillende systemen zou moeten beschrijven.
Een taalteken kan je volgens de Saussure enkel bestuderen door zijn plaats t.o.v. andere taaltekens te
definiëren en dat veronderstelt dat die tekens deel uitmaken van hetzelfde systeem als het teken dat
bestudeerd wordt. Hier breekt de Saussure radicaal met de historisch-comparatieve methode die de
taalkunde beheerste tot op het ogenblik dat de Cours de linguistique générale verscheen. De taalkunde
moet volgens de Saussure synchroon zijn.
2. Fonetiek en fonologie
Welke medeklinkers worden er in het Nederlands gearticuleerd ter hoogte van de huig en het zachte
gehemelte? Som die medeklinkers op, geef voor elke medeklinker de kenmerken waardoor hij
gedefinieerd wordt in de articulatorische fonetiek en definieer de kenmerken die je gebruikt.
Huig: uvulairen
[R]
stemhebbend, ratelaar
Zachte gehemelte: vela(i)ren
[g]
Frans goût, digue: plofklank, stemhebbend
[k]
kaak, articulatie: plofklank, stemloos
[γ]
gaan, geef: fricatief, stemhebbend
[x]
zacht, hoog: fricatief, stemloos
[ŋ]
zingen: nasaal
Welke medeklinkers worden er in het Nederlands gearticuleerd ter hoogte van het harde en het
zachte gehemelte? Som die medeklinkers op, geef voor elke medeklinker de kenmerken waardoor hij
gedefinieerd wordt in de articulatorische fonetiek en definieer de kenmerken die je gebruikt.
Zachte gehemelte: vela(i)ren
(zie boven)
Harde gehemelte : palatalen
[ɲ]
24
oranje

Vergelijkbare documenten