Provinciale Hogeschool Limburg

Commentaren

Transcriptie

Provinciale Hogeschool Limburg
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie
door Toon Beyns, Hanne Mundus,
Annika Jackers, Kim Metten,
Lindsay Baerts, Sarah Ann de
Bruijn, Pieter Knoops en Nele
Geerts
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
2
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie
door Toon Beyns, Hanne Mundus,
Annika Jackers, Kim Metten,
Lindsay Baerts, Sarah Ann de
Bruijn, Pieter Knoops en Nele
Geerts
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
3
Inhoudstafel
Algemene inleiding
6
Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (GES)
8
Osnabrücker ArbeitsFähigkeitenProfil (O-AFP)
Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment)
Assessment of Work Performance (AWP)
36
Mechelse Activiteiten Schaal (MAS)
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model
Valpar Component Work Samples (VCWS)
62
Common Protocol
ERGOS Work Simulator
Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit (MELBA)
Vocational Assessment Protocol (VAP)
87
Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS)
Worker Role Interview (WRI)
Activity Matching Ability System (AMAS)
105
Dialogue about ability related to work (DOA)
Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren (PAS)
Work Behavior Inventory (WBI)
131
General Work Behavior Questionnaire (GWBQ)
Work Limitations Questionnaire (WLQ)
Work Environment Impact Scale (WEIS)
150
Vocational Assessment and Curriculum Guide (VACG)
Depression Anxiety Stress Scales (DASS)
163
Griffiths Work Behaviour Scale (GWBS)
Valutazione delle Abilità e Definizione degli Obiettivi (VADO)
4
Lancashire Quality of Life Profile (LQoLP)
Algemene conclusie
189
Instrumenten in ICF
192
Overzicht van de instrumenten
193
Slot
205
5
Algemene inleiding
Steeds meer ergotherapeuten worden tewerkgesteld binnen settings waar arbeidsrehabilitatie
op de voorgrond staat. Een van deze settings is het arbeidscentrum van de Psychiatrische
Kliniek Broeders Alexianen te Tienen. Dit arbeidscentrum geeft arbeidsadvies en -begeleiding
aan cliënten met psycho-sociale problemen van verschillende afdelingen binnen de kliniek.
Deze cliënten hebben diverse problematieken, van afhankelijkheidsproblemen tot psychose.
Het screenen van de cliënten met een hulpvraag naar arbeid is minder evident dan men
aanneemt. De ergotherapeuten van het arbeidscentrum pogen in eerste instantie om alle
gegevens rond het arbeidsfunctioneren objectief in kaart te brengen. Ter verduidelijking: De
patiënt komt op intakegesprek in het arbeidscentrum. Patiënt en/of therapeut twijfelen beiden
aan het niveau van functioneren van de cliënt. In de volgende fase zou men een assessment
afnemen wat het niveau van functioneren van de cliënt bepaalt. Het is in deze fase waar onze
onderzoeksvraag zich situeert. In het arbeidscentrum in Tienen gebruiken de ergotherapeuten
in deze fase een aangepaste versie van het Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (zie deel 1).
Deze maakt het niet mogelijk om het niveau van functioneren te bepalen voor dat we patiënt
aan het werk hebben gezien. De waarnemingen van de ergotherapeut zijn subjectief, wat
eenduidige communicatie over de verdere ontwikkeling van de arbeidsreïntegratie
bemoeilijkt. Ook is het moeilijk om de patiënt te motiveren voor een arbeidstraining hoewel
deze het toch nodig heeft.
Met deze problematiek in het achterhoofd is er vanuit het arbeidscentrum te Tienen de
volgende onderzoeksvraag gesteld:
“Zijn er bruikbare, betrouwbare en valide assessmentinstrumenten die het arbeidsfunctioneren
van een persoon met een matig tot ernstige psycho-sociale aandoening objectief kunnen
meten? En, beoogt het instrument de aspecten attitude en arbeidsvaardigheden van het
arbeidsfunctioneren weer te geven? Let wel, het accent van de assessmentinstrumenten ligt op
het niveau van functioneren, niet op motivatie en doelstellingen.”
Bovendien is het belangrijk dat men zoekt naar een meetinstrument dat kadert binnen ‘arbeid
om zorg’, dus toepasbaar binnen een klinische setting. Binnen de context van het
arbeidscentrum is dit ook het meest logisch. Om doelgericht en therapeutisch te werken moet
de patiënt gemotiveerd zijn om te werken en dit niet doen omdat de therapeut het zegt, hij
moet weten waarom hij werkt. Kortom: eerst meten, dan doelen opstellen!
6
Samengevat, het instrument screent arbeidsvaardigheden en attitudes in een trainingsessie.
Het instrument geeft dan objectief weer of en waar de cliënten in het arbeidscircuit terecht
kunnen (sociale werkplaats, beschutte werkplaats, vrijwilligerswerk, reguliere werkplaats).
Een ander accent dat ook belangrijk is voor een ergotherapeut is de ‘zorg om arbeid’ waar
men de cliënt gaat screenen in een effectieve werksituatie, -stage. Het doel hiervan is
beoordelen of de cliënt ook op lange termijn zijn job kan volhouden.
Dit afstudeerproject richt de aandacht op assessmentinstrumenten omtrent ‘arbeid om zorg’.
Een onderzoeksgroep van 8 eindejaarsstudenten van de Provinciale Hogeschool Limburg,
opleiding ergotherapie, tracht via literatuuronderzoek de onderzoeksvraag te beantwoorden.
Gedurende ons project werden de gevonden artikels beoordeeld aan de hand van de criteria
van Law (Law e.a., 1998).
Om de assessments in een breder kader te plaatsen worden de volgende thema’s in ieder
onderdeel toegelicht.
In het eerste deel worden de psycho-sociale problematieken aangekaart. Vervolgens de
gradatie van psycho-sociale problemen en aanpak. Daar het centrale thema arbeid is, worden
arbeidsrehabilitatie, -processen en -programma’s besproken. In het vierde gedeelte worden de
criteria voor assessment betreffende arbeidsrehabilitatie binnen ons afstudeerproject
weergegeven. Omdat deze studie kadert binnen de ergotherapie wordt het verband tussen
arbeidsrehabilitatie en het PEO-model gelegd. In het volgende gedeelte wordt het ICF kort
aangehaald en worden de instrumenten in dit kader geplaatst. In het zevende gedeelte wordt
een blik geworpen op de reeds uitgevoerde onderzoeken rond arbeidsrehabilitatie in België en
Nederland. Tot slot wordt er een overzicht gegeven van enkele beschikbare diensten rond
arbeidsbegeleiding in België.
Graag nemen wij u mee op weg doorheen dit afstudeerproject, om jullie bondgenoot te maken
van ons literatuuronderzoek.
7
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (GES)
Osnabrücker ArbeitsFähigkeitenProfil (O-AFP)
Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment)
door Toon Beyns
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
8
Trefwoorden: assessmentinstrumenten, assessment, arbeidsrehabilitatie, rehabilitation,
psychiatrie, psychiatry, werk, work, behavior, O-AFP, GES, APB-assessment, Arbeit,
fähigkeiten, vaardigheden
Abstract
DOEL Het doel van deze literatuurstudie is het vinden van betrouwbare, valide assessmentinstrumenten voor cliënten met psychosociale problemen binnen arbeidsrehabilitatie in de
Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen in Tienen.
METHODE Aan de hand van trefwoorden databanken, catalogi en bibliotheken werd gezocht
naar bruikbare assessmentinstrumenten. De selectie van deze instrumenten werd gedaan door
de onderzoeksgroep op basis van hun vermoede bruikbaarheid binnen arbeidsrehabilitatie van
personen met een psychosociale problematiek in de Psychiatrische Kliniek Broeders
Alexianen. Naar aanleiding van de gevonden literauur werden ontwikkelaars en mensen met
enige expertise van geselecteerde instrumenten gecontacteerd.
RESULTATEN De drie instrumenten die geselecteerd werden voor verder onderzoek zijn het
Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (GES), het Osnabrücker ArbeitsFähigkeitenProfil (OAFP) en het assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment).
CONCLUSIE Van de drie instrumenten kan gezegd worden dat ze allen bruikbaar zijn binnen
de arbeidsrehabilitatie in de Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen. Toch is enkel het
APB-assessment bruikbaar om de arbeidsattitudes en –vaardigheden van cliënten te screenen
voor zij in het werkveld stappen. De GES en het O-AFP zijn enkel bruikbaar voor de
evaluatie van een werkend persoon in een werkomgeving.
Inleiding
Om personen met een psychiatrische stoornis zo optimaal mogelijk te begeleiden is het
belangrijk een betrouwbaar en valide assessmentinstrument voor handen te hebben. Vandaar
dat de onderzoeksgroep een selectie heeft gedaan van bestaande assessmentinstrumenten op
basis van hun bruikbaarheid binnen de arbeidsrehabilitatie in de Psychiatrisch Kliniek
Broeders Alexianen in Tienen.
9
Arbeid is voor velen onder ons een normale zaak die ervoor zorgt dat we een inkomen
hebben. Voor personen met een psychiatrische stoornis is dit echter niet zo vanzelfsprekend.
Niet alleen het inkomen valt weg maar ook het zelfwaarde gevoel krijgt een stevige deuk.
Stoornissen in het psychisch functioneren belemmeren de patiënt in zijn maatschappelijk
functioneren en dus ook bij het zoeken naar werk en bij het functioneren in werksituaties.
(Rutman, 1994)
Een ziekte leidt tot een stoornis, op lichamelijk niveau, die op haar beurt kan leiden tot een
beperking op niveau van functioneren van een persoon en vervolgens tot een handicap op
niveau van sociale omgeving. Zo kan bijvoorbeeld een geheugenstoornis leiden tot
beperkingen in de uitvoering van activiteiten van het dagelijkse leven (bv.: onvermogen om
de dag te structureren)
En ook leiden tot de onmogelijkheid om zijn beroep uit te oefenen (handicap).
(C. Vanoudenhove, 1997)
(Openbare gezondheidszorg, zorgvragen, menselijk functioneren,beleid’ Utrecht: sDG, 2002)
Hoewel er inmiddels al door velen onderzoek wordt gedaan om de begeleiding bij
arbeidsrehabilitatie van personen met psychosociale problemen te optimaliseren, komt er toch
tegenwind van tegenstanders van het steeds belangrijker wordende ‘arbeid’ in de
maatschappij.
Extreme critici zien arbeidsrehabilitatie als de ultieme uitingsvorm van het arbeidsethos, dat
onze samenleving zo sterk zou domineren en zelfs mensen met ernstige psychische problemen
niet met rust zou laten. (C. Vanoudenhove, 1997) Langs de andere kant kan arbeid voor
10
personen met een psychosociale stoornis ook een graadmeter zijn voor zichzelf binnen de
maatschappij. Het kan een stimulans zijn voor het zelfwaarde gevoel en voor het gevoel iets
bij te dragen en te betekenen voor de maatschappij.
Een mildere vorm van kritiek is dat arbeidsrehabilitatie zich alleen zou richten op reguliere,
betaalde arbeid en dus alleen bedoeld zou zijn voor personen die dat wensen en aankunnen.
Maar theoretisch gezien kent arbeidsrehabilitatie geen standaard-eindoel: het moet veeleer als
een proces met variabele kenmerken en wisselende uitkomsten worden opgevat. (C.
Vanoudenhove, 1997) Maar dit idee kan weerlegd worden. Bv. In het arbeidscentrum van de
Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen worden ook personen met een psychosociale
stoornis aan het werk geholpen binnen beschutte werkplaatsen of met een aangepast
stagecontract bij een reguliere werkplaats waar de prestatieverwachting te hoog kunnen zijn
voor de patiënt.
De patiënten, die naar het arbeidscentrum van de Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen
komen voor begeleiding bij de arbeidsrehabilitatie zijn steeds patiënten uit de Kliniek zelf of
van het beschut wonen ‘Hestia’ dat nauw verwant is met de Psychiatrisch Kliniek Broeders
Alexianen. Deze patiënten komen, wanneer hun psychiatrische problematiek stabiel is, met
een hulpvraag naar het arbeidscentrum. Deze hulpvraag wordt samen met het team van de
patiënt besproken. Er wordt vraaggericht gewerkt omdat de patiënt op deze manier het meest
gemotiveerd is.
Partnership:
De patient gaat een samenwerking aan met een ergotherapeut van het arbeidscentrum. Dit
wordt een ‘partnership’ genoemd.
Binnen deze samenwerking, ‘partnership’ wordt dialooggestuurd gewerkt. Dit wordt
‘empowerment’ genoemd. Hierbij begeleidt de ergotherapeut en geeft hij advies maar kiest de
patiënt uiteindelijk zelf welke richting er wordt uit gegaan. Op deze manier krijgt de patiënt
verantwoordelijkheidszin voor zijn eigen proces. Ook wat betreft assertiviteit, betrokkenheid
en motivatie is dit een plus punt.
Doorheen het hele proces patiënt wordt door de zelfde therapeut gevolgd op een procesmatige
manier. Gemiddeld duurt dit traject 60 dagen. Elk traject begint met algemene beeldvorming
11
van de patiënt doormiddel van een intakegesprek. Hier wordt ook samen een arbeidstraject
opgesteld waarin beide partijen van het ‘partnership’ zich kunnen vinden.
Arbeidstraining:
Binnen de Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen bestaat er een mogelijkheid om het
arbeidsfunctioneren bij te werken met een arbeidstraining in een geënsceneerde werksituatie
en in een werkervaringstage buiten het ziekenhuis. Deze bieden een veiligere omgeving met
minder stress, minder hoge verwachtingen en meer begeleiding. Ook gebeurt de opbouw hier
op een meer geleidelijke manier. De patiënt start binnen het ziekenhuis en gaat pas later
verder naar een werkplaats buiten het ziekenhuis. De opbouw in tijd is voor vele patiënten
eveneens belangrijk. De patiënt kan eerst halftijds komen werken om dan verder op te bouwen
naargelang zijn/haar mogelijkheden. Deze arbeidstraining geeft de patiënt een verrijking van
zijn arbeidsvaardigheden en attitudes maar ook voor zijn zelfwaarde gevoel. De patiënt heeft
terug het gevoel iets te kunnen en bij te dragen aan de maatschappij.
Door de verscheidenheid in problematiek is het des te meer een streven de patiënten zo
specifiek mogelijk te begeleiden en advies te geven in hun zoektocht naar al dan niet betaald
werk. Hiervoor is het belangrijk dat er een betrouwbaar en valide assessmentinstrument
beschikbaar is binnen het arbeidscentrum van de Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen in
Tienen. De ergotherapeuten van het arbeidscentrum maken momenteel gebruik van een
aangepaste versie van het gemeenschappelijk evaluatiesysteem maar deze heeft zijn
beperkingen op vlak van volledigheid, standaardisatie. Uitleg over het Gemeenschappelijk
EvaluatieSysteem komt verder nog aanbod.
Definitie : “Assessment” is een compilatie van diverse methodes, zoals interviews, tests
en simulaties, die specifiek en doelgericht worden gehanteerd. Het doel is
potentieelbepaling in het kader van loopbaanadvisering of selectie. (www.plp.be)
Psychosociale stoornis:
Om te spreken van een psychiatrische stoornis moet aan drie voorwaarden voldaan zijn:
1. Het betreft een abnormaal verschijnsel of gedrag dat afwijkt van een sociale norm of van
hetgeen in de betreffende cultuur als normaal geldt.
2. Dit abnormale verschijnsel wordt een teken van een stoornis als het bovendien ongemak of
leiden teweegbrengt bij de betrokkene en / of de omgeving.
12
3. Het gaat om een psychiatrische stoornis als het verschijnsel/gedrag ook bij andere personen
is vastgesteld en binnen het gangbare begrippenkader van de psychiatrie kan worden
beschreven. (W.Vandereycken, R. van Deth, 2004)
Bij de behandeling en onderzoek naar patiënten met een psychiatrische stoornis volgt men
tegenwoordig de medische of de systematische werkwijze in de geneeskunde. Na een
beschrijving en ordening van de kenmerken van de stoornis (diagnose) zoekt men naar de
mogelijke verklaringen. Op grond hiervan tracht men een geschikte behandeling of therapie
toe te passen. Daarbij veronderstelt men (prognose) dat het verdere verloop van de stoornis
gunstig wordt beïnvloed.
In het beste geval kan men maatregelen treffen om de stoornis te voorkomen (preventie).Om
dit alles praktisch mogelijk te maken bestaat er een uitgebreid netwerk aan voorzieningen
voor geestelijke gezondheidszorg. Een minderheid van patiënten moet worden opgenomen in
een psychiatrische instelling. De grote meerderheid kan terecht in allerlei vormen van
ambulante (extramurale) hulpverlening. (W.Vandereycken, R. van Deth, 2004) Steeds meer
personen met psychosociale problemen verblijven buiten het psychiatrisch ziekenhuis. Een
voorbeeld hiervan is het beschut wonen ‘Hestia’ dat nauw aanverwant is met de Psychiatrisch
Kliniek Broeders Alexianen in Tienen. Dat maakt de bijdrage aan de maatschappelijke
integratie van deze groep extra relevant.
Voor verdere uitleg over psychosociale problematieken, zie bijlage 1.
Methodologie
Wat betreft assessmentinstrumenten bruikbaar binnen arbeidsrehabilitatie is er al heel wat
ontwikkeld en onderzocht. Om te komen tot betrouwbare en valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psychosociale problemen in de arbeidsrehabilitatie zijn we als
volgt te werk gegaan. We zijn allen gestart met het artikel “Psychische aandoeningen en
arbeid; een vergelijking van interventies” (Schene e.a., 2005) om op zoek te gaan naar
artikelen over het gebruik van assessmentintrumenten binnen arbeid. Vervolgens zijn we
13
specifieker gaan zoeken naar assesmentinstrumenten die bruikbaar zouden zijn binnen de
arbeidsrehabilitatie in de Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen in Tienen.
De verzamelde assessmentinstrumenten werden verdeeld onder de leden van de
onderzoeksgroep zodat iedereen er drie had om verder uit te werken, voor mij waren dit het
“gemeenschappelijk Evaluatiesysteem (GES)”, het “Osnabrücker Arbeitsfähigkeitenprofil (OAFP)” en het “Assessment voor Algemeen Potentieel bepaling (APB-asessment)”. Om meer
te weten te komen over deze assessmentinstrumenten ben ik op zoek gegaan in bibliotheken
zoals de “Bibliotheek biomedische wetenschappen Gasthuisberg”, de “Campusbibliotheek
Arenberg” en “Bibliotheek van Psychologie en Pedagogische Wetenschappen” van de
K.U.Leuven. Ook databanken zoals “ebsco”, “Bronco”, “Eric”, “Swets Wise”, “Pub Med”,
“Ios Press” enz. werden gebruikt. Trefwoorden die veel aan bod kwamen zijn:
assessmentinstrumenten, assessment, arbeidsrehabilitatie, rehabilitation, psychiatrie,
psychiatry, werk, work, behavior, O-AFP, GES, APB-assessment, Arbeit, fähigkeiten,
vaardigheden.
Resultaten
Gemeenschappelijk Evaluatiesysteem (GES)
Het GES is een Nederlandstalig observatie-instrument met aandacht voor de prestaties van
een cliënt op de werkvloer. Dit systeem is opgebouwd rond twee elementen: een uitgebreide
vragenlijst waarin gepeild wordt naar verscheidene arbeidsvaardigheden en een boekje met
een omschrijving van al deze vaardigheden. De vragenlijst van het GES bestaat uit een
standaardformulier met 39 items en richt zich op 5 grote gebieden van arbeidsvaardigheden:
arbeidsattitudes, elementaire beroepsvoorwaarden en –vaardigheden, specifieke
vaktechnische kennis en sociale vaardigheden. (zie bijlage 2) Daarnaast is er een uitbreiding
mogelijk, die door middel van 257 items een gedetailleerd overzicht biedt van de facetten van
arbeidsfunctioneren. Deze facetten werden gedestilleerd uit de diverse vragenlijsten die in de
Vlaamse arbeidstrajectbegeleidingsprogramma’s gehanteerd worden.
14
Vanuit de optiek van wetenschappelijk onderzoek is het een verdienste dat het GES zo
genuanceerd en volledig mogelijk is opgesteld. Om door de grote hoeveelheid items de
praktische toepasbaarheid echter niet in het gedrang te brengen, kan de gebruiker het
standaardformulier gebruiken en de uitbreiding alleen raadplegen waneer verdere exploratie
vereist is. Deze opsplitsing maakt de verdere opvolging van probleemgebieden haalbaar. De
positieve en gedragsmatige omschrijving van de kenmerken, het gebruik van pictogrammen in
plaats van cijfers en de aparte mogelijkheden om de punten aan te geven waarop de cliënt
begeleiding nodig heeft, bevorderen het praktijkgerichte werken met de resultaten en zijn dan
ook interessante kenmerken binnen het kader van de functionele diagnostiek.
Het GES is geschikt voor personen die deelnemen aan een arbeidstraining. Hieronder vallen
ook de personen met een psychosociale problematiek binnen arbeidsrehabilitatie in de
Psychiatrisch Kliniek Broeders Alexianen.
De ontwikkeling van het GES werd gedaan door ATB-Leuven in samenwerking met LUCAS
en is op te vragen bij ATB-Leuven. Het GES heeft tot doel ondersteuning te bieden bij
assessment in de praktijk van arbeidsrehabilitatie.
Het bevat zowat alle mogelijke vaardigheden die een werksituatie aan bod kunnen komen.
Het biedt de begeleider een houvast doordat alle rubrieken systematisch en op eenzelfde
manier worden beoordeeld.
Beperkingen van het GES zijn dat er geen cliëntversie is, dat er geen psychometrisch
onderzoek is gedaan en dat de uitgebreide versie erg omslachtig is en daarom veel tijd in
beslag neemt.
Een ander negatief punt is dat de criteria en functioneringsniveaus niet overal op éénzelfde
manier beoordeeld en geïnterpreteerd werden. (www.plp.be)
Osnabrücker Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP)
Het, door ergotherapeuten ontwikkelde, Osnabrucker Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP) is een
instrument dat voor alle arbeidsrehabilitatie gerichte metingen, binnen het hele bereik van de
ergotherapie en op de werkplek (beschutte en algemene) dienst kan doen voor de beoordeling
van arbeidsvaardigheden bij personen met psychosociale problemen. Dit instrument is
15
ontwikkeld omdat er weinig instrumenten bestaan die arbeidsvaardigheden en –problemen
meten. Het O-AFP kan afgenomen worden door psychologen, ergotherapeuten, psychiaters,
sociaal assistenten en pedagogen.
Het instrument bestaat uit drie schalen die telkens tien items bevatten. Ze meten,
“leervaardigheid”, “vaardigheid tot sociale communicatie” en “aanpassing”. De 10 items
worden doormiddel van een criterialijst gescoord op een 4 punten schaal. Hierbij telt de
reguliere arbeidsmarkt als maatstaf.
Voorbeeld: Item 1: “Neemt arbeidsinstructies snel op”:
(0) Geen mogelijkheid om het benodigde gedrag te behalen
(1) Er is een probleem dat de kansen op een indienststelling beperkt. Er zijn grote problemen
om arbeidsinstructies op te nemen. Instructies moeten regelmatig herhaald en uitgelegd
worden. Schriftelijke instructies zijn niet voldoende
(2) Onregelmatige manier van werken. Heeft problemen met arbeidsinstructies, ze moeten
geregeld herhaald worden. Schriftelijke instructies moeten mondeling ondersteund worden.
(3) Gepaste manier van werken, zonder uitgesproken sterktes. In het algemeen zonder
problemen. Vraagt zelden naar verdere uitleg van de instructies.
(4) Een duidelijk sterk punt, een plus voor de indienstelling in het arbeidscircuit. Neemt
schriftelijke en mondelinge instructies snel op en kan ze onmiddellijk omzetten.
Het assessment gebeurt tijdens een vier weken durende ergotherapeutische training met de
nadruk op arbeidstherapie. Naast een batterij diagnostische handelingen waarbij, geobserveerd
wordt, wordt op de vijfde dag van de deelname en aan het einde het O-AFP gebruikt. Dit
wordt gedaan aan de hand van een interview waarin de observator beschrijft hoe het
werkvermogen van de patiënt is. Aansluitend wordt samen met de projectmedewerkers het OAFP ingevuld. Dit duurt ongeveer 15 minuten.
Om bijkomende informatie te krijgen is er ook een zelfbeoordelinglijst. Deze neemt ongeveer
30 minuten in beslag. Deze resultaten kunnen met de door de ergotherapeut afgenomen
resultaten vergeleken worden. De wijze waarop de verschillende items beoordeeld moeten
worden is beschreven in een handleiding.
16
Het O-AFP is gebaseerd op de Work Personality Profile (WPP). De WPP is een gedragsgeoriënteerd werk assessment instrument. Het omvat 58 items die over 11 primaire en 5
hogere rang schalen zijn verdeeld. Ieder item wordt gescoord als 1 van de volgende 5 punten:
-
geen mogelijkheid het nodige gedrag te behalen
-
er is een probleem dat de kansen op een indienststelling beperkt
-
onregelmatige manier van werken
-
een gepaste manier van werken maar zonder uitgesproken sterke punten
- een duidelijk sterk punt, een plus voor de indienststelling in het arbeidscircuit
Dit komt sterk overeen met de manier van scoren bij het O-AFP.
Het O-AFP is enkel in het Duits en tegen betaling verkrijgbaar op de volgende sites:
http://www.testzentrale.de/?mod=detail&id=1236
http://www.testzentrale.ch/de/einzeltitel.php?testid=7673
Het O-AFP kan als betrouwbaar en valide beschouwd worden. Het betrouwbaarheidsinterval,
1- α, bedraagt voor de schalen:
- leervaardigheid 0.94
- vaardigheid tot sociale communicatie 0.90
- aanpassing 0.92
Naarmate deze waarde hoger is, stijgt de mate van vertrouwen in de test en aansluitend dus
ook de kwaliteit.
De kans dat de hypothese ten onrechte wordt verworpen bedraagt voor de schalen:
- leervaardigheid 6%
- vaardigheid tot sociale communicatie 10%
- aanpassing 8%
Naarmate deze kans , α, kleiner is kan men meer vertouwen hebben in de juistheid van de
toets. Gebruikelijke keuzes voor α zijn 10%, 5% of 1%.
Op basis van bovenstaande statistische gegevens kunnen we dus concluderen dat het O-AFP
een betrouwbare uitslag biedt. Bovendien kunnen de items van deze drie schalen in meerdere
studies worden teruggevonden. Wat samen met de statistische betrouwbaarheid bevestigt dat
de O-AFP gemiddeld juiste uitkomsten geeft.
17
Een nadeel van de O-AFP is dat het momenteel enkel in het Duits verkrijgbaar is en dat het is
toegespitst op personen met psychiatrische problemen binnen de arbeidsrehabilitatie in
Duitsland.
In de volgende uitgave (6/2007) van het Duitstalige tijdschrift “Ergotherapie &
Rahabilitation” zal het O-AFP beschreven en onderzocht worden.
Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment)
Het APB-assessment is een op de assessmentcentermethode gebaseerde systematiek voor
beoordeling van geschiktheid. De nadruk ligt op het beoordelen van iemands functioneren in
relatie met zijn/haar persoonskenmerken om een beeld te geven van zijn/haar sterke kanten.
Dit in tegenstelling tot andere vormen van assessment, zoals ontwikkel- en functieassessment.
Hierbij ligt de nadruk meer op het beoordelen van factoren als kennis, opleiding en ervaring.
De persoonskenmerken waar in het assessmentprogramma speciaal op gelet wordt zijn:
Kenmerken
Manier van werken
Zelfstandigheid
U werkt goed zonder hulp of begeleiding.
Probleemoplossend
U bedenkt zelf oplossingen voor nieuwe, onbekende taken of
vermogen
problemen.
Verantwoordelijkheid
U bent aanspreekbaar op de aanpak en resultaten van uw werk, u
kunt dat uitleggen.
Flexibiliteit
U past zich gemakkelijk aan als het werk opeens anders moet (door
bijvoorbeeld een verandering in de planning of door een storing).
Doorzettingsvermogen
U blijft bij een moeilijke taak of tegenslag doorwerken en proberen.
Motivatie
U dit uw werk altijd zo goed mogelijk, bijvoorbeeld door iets extra’s
te doen.
Zorgvuldigheid
U houdt in uw werk rekening met de ruimte en veiligheid van
anderen
U bent voorzichtig met de spullen die u gebruikt.
Nauwkeurigheid
U controleert uw werk om te zien of alles goed is.
Ordelijkheid
U legt uw spullen zo dat u precies weet, waar u iets kunt terug
18
vinden.
U ruimt na het werk alle spullen op.
Punctualiteit
U houdt zich aan de afspraken en komt op tijd.
Presentatie
U past uw kleding of gedrag aan, wanneer dat belangrijk is.
(bijvoorbeeld bij een sollicitatie)
Concentratie
U laat zich niet snel afleiden als u aan het werk bent. (bijvoorbeeld
bij lawaai of praten)
Sociaal
U werkt goed met anderen samen.
U helpt iemand, wanneer hulp nodig is.
(Handleiding: LBA-Assessmentmethodiek)
Het assessment wordt ingezet voor jongeren, volwassenen, langdurig werklozen,
arbeidsgehandicapten, allochtonen, herintredende, vrouwen en voortijdig schoolverlaters.
Voor alle deelnemers geldt dat er geen of weinig inzicht is op hun kwaliteiten. Vaak heeft
iemand geen reëel zelfbeeld en wil zicht krijgen op eigen (on)mogelijkheden
De deelnemers, maximum 6 per 2 observators om een kwalitatieve observatie te waarborgen,
krijgen over vijf dagen verdeelt verschillende opdrachten.
-
werken met taal (bv.: een leesopdracht (advertentie uit de krant), een luisteropdracht
(verhaal op een video))
-
werken met cijfers (bv.: een route uitstippelen op een plattegrond, een werktekening
maken)
-
werken met je handen (bv.: een brievenstandaard maken van acrylaat, draad buigen en
knippen)
-
werken met anderen (bv.: een muurkrant maken, een werkoverleg houden)
Deze opdrachten zijn in vrijwel alle beroepen en opleidingen van belang. In sommige
beroepen moet meer met de handen gewerkt worden, in andere meer met taal of cijfers. Als er
een goed beeld bestaat van deze algemene vaardigheden is het makkelijker om een keuze te
maken voor een opleiding of beroep. Het is niet zo dat je voor technische beroepen alleen
maar goed moet kunnen zijn met je handen. Je moet ook kunnen rekenen. Andersom is ook de
opdracht werken met je handen niet alleen bedoeld voor mensen die de techniek in willen.
Ook in veel andere beroepen is werken met je handen belangrijk.
19
De deelnemers moeten voorafgaand aan elke opdracht kiezen volgens welke werkwijze ze de
opdrachten gaan afwerken. Dit heeft te maken met de hulp die de deelnemers tijdens de
opdracht van de begeleider krijgt. Het gaat hierbij dus om het persoonkenmerk
‘zelfstandigheid’.
3 keuzemogelijkheden:
Werkwijze 1 = werken onder begeleiding
-
de begeleider zegt wat u moet doen
-
de begeleider geeft uit zichzelf hulp
-
de deelnemer mag altijd om hulp vragen
-
de begeleider controleert van de deelnemer
Werkwijze 2 = gedeeltelijk zelfstandig werken
-
de deelnemer probeert eerst zelf de opdracht te maken
-
de begeleider komt alleen op verzoek van de deelnemer helpen
-
de deelnemer controleert eerst zelf uw werk
-
de begeleider kijkt of de deelnemer dat goed heeft gedaan
Werkwijze 3 = zelfstandig werken
-
de deelnemer werkt zelfstandig aan de opdracht
-
de deelnemer probeert zelf een oplossing te vinden
-
de deelnemer controleert zelf uw werk
-
de deelnemer bespreekt de resultaten met de begeleider
Sterke punten van het APB-assessment zijn dat de deelnemers een reëel zelfbeeld krijgen
omdat ze zich ook zelf moeten beoordelen. De deelnemers krijgen meer inzicht in hun
pluspunten wat maakt dat ze hun minpunten beter kunnen accepteren. Het instrument activeert
en motiveert. Er zijn ook praktische opdrachten op vlak van verbale, sociale en motorische
capaciteiten. Uitval wordt beperkt doordat er een grote kans is op een opleiding of werk die
bij iemands persoonkenmerken past. De resultaten van het APB-assessment worden samen
met de deelnemer besproken zodat er zekerheid bestaat dat de deelnemer inzicht in zijn
pluspunten verworven heeft.
Enkele nadelen aan dit instrument zijn dat de deelnemers moeten lang stil zitten, er is weinig
tijd voor persoonlijk contact en individuele gesprekken, het is erg intensief en tijdsrovend.
20
Ook bestaat er het gevaar van vrije interpretatie die de betrouwbaarheid in het gedrang kan
brengen.
Het is mogelijk om een opleiding te volgen om het APB-asessment te kunnen gebruiken bij
ROC De Amerlanden. Het assessment instrument is in deze opleiding inbegrepen.
Er is geen cijfermateriaal beschikbaar over het APB-assessment wat betreft betrouwbaarheid
en validiteit. Wel heeft men een “oplossing voor betrouwbaarheid en validiteit”
uitgeschreven.
Deze oplossing bestaat uit:
- Een brede steekproef van gedrag over heel verschillende opdrachten. Door verschillen in
gedrag op hetzelfde criterium kan inzicht in de invloed van de situatie worden verkregen.
- De brede steekproef duurt een volle week, waardoor de beoordeling minder op een
momentopname wordt gebaseerd.
- De kandidaat beoordeelt zichzelf ook.
- Met behulp van het criteriumgerichte interview is het mogelijk de bevindingen uit de
observaties aan te vullen en te controleren.
Het instrument wordt op de voorafgaand beschreven manier gebruikt bij het DGO Assessment
Centrum in Genk. Voorwaarden waaraan de deelnemers van het assessment bij hun moeten
voldoen zijn:
-
werkloos zijn
-
ingeschreven zijn als werkzoekende bij de VDAB
-
ingeschreven zijn bij de RVA
-
in geschreven zijn bij het Vlaams Fonds
-
schoolverlater van het Buso
-
attest van arts of medisch adviseur van gedeeltelijke geschiktheid
21
Discussie
Over het Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (GES) heb ik geen artikelen gevonden. Een
mogelijke reden hiervan is dat de ontwikkelaars het GES beperkt gebruikt hebben omdat ze
het instrument te omslachtig vonden. Ook waren er slechts enkele referenties naar het GES te
vinden op het Internet. Het instrument is ontwikkeld in 1998 en werd ondertussen niet meer
aangepast. Dit heeft tot gevolg dat het niet meer volledig overeenkomt met de verwachtingen
die nu op de werkvloer heersen. Ik heb me bij het GES moeten baseren op het instrument zelf,
de handleiding ervan en de kennis van personen die met het GES gewerkt hebben of er op
andere wijzen ervaring mee hebben.
Van het Osnabrucker Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP) heb ik meer en recentere informatie
gevonden. Deze informatie bestaat uit verscheidene verwijzingen naar het 0-AFP, abstracten
van artikelen maar slechts één full-text artikel. Het was voor mij ook niet mogelijk om het
instrument aan te kopen omdat het te prijzig is. Het O-AFP begint nu pas bekend te worden in
Duitstalige landen. Op dit ogenblik is er dus nog geen Engelse of Nederlandse informatie over
te vinden. Op korte termijn wordt er wel meer informatie over dit instrument verwacht. Zo zal
er in de volgende uitgave (6/2007) van het Duitstalige tijdschrift “Ergotherapie &
Rahabilitation” een onderzoek beschreven zijn van het O-AFP.
Wat het Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment) betreft, heb ik het
me gebaseerd op de handleiding van het instrument en de ervaringsdeskundigheid van
ergotherapeuten van het DGO Assessment Centrum in Genk. Over het APB-assessment zijn
namelijk geen artikelen voorhanden en wordt er op het Internet miniem naar verwezen.
Bovendien bleef, ondanks diverse pogingen tot contact met de ontwikkelaars van het
instrument, elk antwoord uit.
Over het algemeen kan gesteld worden dat het erg moeilijk is gepaste informatie te vinden
over Nederlands- en Duitstalige assessmentinstrumenten op Engelstalige databanken.
22
Conclusie
Het Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem (GES) is niet geschikt om cliënten te evalueren
voordat zij aan een arbeidstraining deelnemen in de Psychiatrische Kliniek Broeders
Alexianen in Tienen. Het GES is bruikbaar binnen het arbeidscentrum maar enkel om de
cliënten te evalueren in een werksituatie. De volledige versie neemt wel te veel tijd in beslag
en kan zodoende een optimale begeleiding in het gedrang brengen. De standaard versie is
meer geschikt. Omdat er geen psychometrische gegevens beschikbaar zijn kan ik geen
informatie bieden over de betrouwbaarheid of validiteit van het GES.
Het Osnabrucker Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP) is ook een instrument dat bruikbaar is
binnen arbeidstraining op het moment dat cliënten zich in een arbeidssituatie begeven. Om
cliënten te evalueren voordat zij aan een arbeidstraining deelnemen is het O-AFP niet
geschikt. Dankzij de handleiding en de criterialijst is het O-AFP gemakkelijk te gebruiken.
Ook neemt het niet veel tijd in beslag zodat er meer ruimte overblijft voor de begeleiding van
de cliënten.
Aan de hand van de beschikbare psychometrische gegevens kan gesteld worden dat het OAFP een betrouwbaar en valide assessmentinstrument is. Het is wel aangewezen de zoektocht
naar informatie over het O-AFP verder te zetten omdat het een recent ontwikkeld instrument
is waar nu pas meer een meer naar verwezen wordt.
Het Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APB-assessment) is wel geschikt voor
de evaluatie van cliënten voordat ze deelnemen aan een arbeidstraining bij het arbeidscentrum
in de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen. Het APB-assessment verzamelt informatie
over de persoonskenmerken van de cliënt met als doel te komen tot een gepaste studie- of
beroepskeuze. Het instrument richt zich ook op de pluspunten van de cliënt wat hem kan
motiveren tijdens de arbeidstraining en de zoektocht naar werk. Een belangrijk nadeel van het
APB-instrument is de tijd die het in beslag neemt. De observatie verloopt namelijk gedurende
vijf dagen. Hierna zijn nog enkele dagen nodig om de gegevens te verwerken en ze te
bespreken met de cliënt. Om het instrument meer werkbaar te maken vind ik het aangeraden
een verkorte versie ontwikkelen. Van het APB-assessment zijn er geen psychometrische
gegevens beschikbaar en kan er dus niets gezegd worden over de betrouwbaarheid en
validiteit. Het APB-assessment is zeker de moeite waard om verder onderzocht te worden.
23
Referenties
DGO ASSESSMENT, studiedag: uitleg over het APB-assessment, Genk, 2007.
HTS, O-AFP • Osnabrücker Arbeitsfähigkeitenprofil, internet
(http://www.unifr.ch/ztd/HTS/inftest/WEBInformationssystem/de/4de001/9c46e0674978404ea035b17136720bce/hb.htm)
LUCAS, ATB-LEUVEN, Gemeenschappelijk Evaluatiesysteem, handeiding, Leuven, 47
pagina’s.
LUCAS, ATB-LEUVEN, Gemeenschappelijk Evaluatiesysteem, criterialijst, Leuven, 20
pagina’s
MOORS, J.J.A., Statestiek in de economiek. Deel 2: steekproeftheorie en analyserende
statestiek, Academic Service Economie en Bedrijfskunde, Schoonhoven, 1998, 340 pagina’s
UYTTERHOEVEN, J., RANSCHAERT, W., Persoonlijk loopbaanplan Een VESOC-project van
het Vlaams-Brabantse ATB-netwerk, 2001
ROC DE AMERLANDEN, Assessment voor algemeen potentieel bepaling, eureka
assessment, informatiebrochure van APB-assessment).
VAN AUDENHOVE, C., JORDENS, K., VAN DEN TROOST, A., Ontwikkeling en
evaluatie van een methodiek van arbeidstrajectbegeleiding voor psychiatrische patiënten,
Garant, Leuven/Apeldoorn, 1997, 139 pagina’s.
VAN AUDENHOVE, C., e.a., Op weg naar werk: werkvoorbereiding en werkbegeleiding in
de Geestelijke Gezondheidszorg, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem, 2000
VANDEREYCKEN, W., VAN DETH, R., Psychiatrie. Van diagnose tot behandeling, Bohn
Stafleu Van Loghum, Houten, 2004, 281 pagina’s.
VANCOPPENOLLE, D., Arbeidstrajectbegeleiding : een nieuwe methodiek in het Vlaams
arbeidsintegratiebeleid voor werkzoekenden met een handicap : kritische beschouwingen bij
de inhoudelijke en structurele vernieuwingen, Thesis, KUL. Faculteit psychologie en
pedagogische wetenschappen. Departement psychologie. Afdeling arbeids- en
organisatiepsychologie. Centrum voor gemeenschapspsychologie, 1998, 127 pagina’s.
VLAAMS EGOTHERAPEUTENVERBOND VZW, studiedag: “Assessment? Vind wat je
zoekt!”, Gent, 19/04/2007.
WIEDL, KH., e.a., Das Osnabrücker Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP) für psychiatrisch
erkrankte Personen: Konzept, Entwicklung und Erprobung bei schizophrenen Patiënten,
Rehabilitation, 2004, December., 43 (6), p. 368- 374.
24
WIEDL, KH., e.a, Welche schizophrenen Patienten verbessern sich unter Arbeitstherapie, welche nicht?, Fortschr
Neurol Psychiatr, 2005, 73, pagina’s 674-680.
WHO-FIC, ICF, Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning,
Disability and Health’, Houten 2002, 291 pagina’s..
WHO-FIC COLLABORATING CENTER IN THE NETHERLANDS, De ICF een classificatie
voor het beschrijven van het functioneren van mensen inclusief factoren die op dat
functioneren van invloed zijn, internet, 2002, (http://www.rivm.nl/who-fic/BrochureICF.pdf).
SCHENE, A., VAN WEEGHEL, J., VAN DER KINK, J. en VAN DIJK, F., ‘Psychische
aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventie’, Psychopraxis, jaargang 7 (2005),
mei, nr. 3, p. 110-115.
TESTZENTRALE, O-AFP, Osnabrücker Arbeitsfähigkeitenprofil, internet, 2007
(http://www.testzentrale.de/?mod=detail&id=1236).
25
BIJLAGEN
BIJLAGE 1
De belangrijkste psychosociale stoornissen die voorkomen bij patiënten binnen het
arbeidscentrum zijn:
Psycho-organische stoornissen:
Bij een bepaalde cognitieve functie is dikwijls een specifiek deel van de hersenen betrokken.
Wanneer dat deel niet meer goed functioneert, valt ook de daar gelokaliseerde cognitieve
functie weg. Bij psycho-organische stoornissen is er altijd sprake van een dergelijke stoornis
in de hersenen. Vaak spelen echter daarnaast andere (somatische, psychologische of sociale)
factoren een rol. Het is moeilijk te bepalen welke de lichamelijke oorzaak is omdat er
verschillende gebieden van de hersenen te gelijk in staan voor een handelingen en
gedragingen.
Aan verschillende psychiatrische stoornissen zoals psychose, depressie, angst en
persoonlijkheidsverandering kan een lichamelijke oorzaak ten grondslag liggen. De psychoorganische stoornissen die met een opvallende verstoring van cognitieve functies gepaard
gaan, zijn: delier, dementie en amnestisch syndroom.
Stoornissen door gebruik van drugs en alcohol:
Psychoaffectieve stoffen zoals drugs en alcohol beïnvloeden de hersenen en leiden zo tot
veranderingen in het bewustzijn.Ze worden vooral als genotsmiddelen gebruikt, maar kunnen
vergiftiging (intoxicatie) veroorzaken. Aanhoudend misbruik ervan kan uiteindelijk leiden tot
psychische en fysieke afhankelijkheid of verslaving.
Gebruik is afhankelijk van de beschikbaarheid van de drug en kan beginnen onder druk van
een groep of uit nieuwsgierigheid. Bij het ontstaan van verslavingen spelen erfelijkheid en
leerprocessen (klassieke en operante conditionering) een rol. Tolerantie,
onthoudingsverschijnselen, psycho-sociale en cognitieve problemen (vaak ten gevolge van het
drugsgebruik) leiden tot instandhouding of verergering van de verslaving, waardoor een
vicieuze cirkel ontstaat.
De behandeling bestaat allereerst uit ontgiftiging. De psychologische aanpak is vooral
gedragstherapeutisch. Alcoholmisbruik en/of alcoholisme komen bij 8% van de bevolking
26
voor en vooral bij mannen tussen de 20 en 35 jaar. Het veroorzaakt grote maatschappelijke en
gaat gepaard met veel gezondheidsrisico’s. Langdurig overmatig drinken kan leiden tot
neurologische aandoeningen als het Wernicke-syndroom of het Korsakov-syndroom.
Schizofrenie en andere psychosen:
Een ernstig gestoord realiteitsbesef in de vorm van hallucinaties en wanen noemen een
psychotische stoornis. Bij hallucinaties meent de patiënt iets waar te nemen wat er in
werkelijkheid niet is. Wanen zijn niet te corrigeren onjuiste overtuigingen en zij behoren tot
de inhoudelijke denkstoornissen.
De belangrijkste functionele psychosen zin schizofrenie en niet schizofrene stoornissen.
Wanen kunnen ook deel uitmaken van een stemmingsstoornis. Schizofrenie komt bij 1% van
de bevolking en wordt gekenmerkt door een breed scala van cognitieve, emotionele en
gedragsafwijkingen. De symptomen worden verdeeld in ‘positieve’ zoals hallucinaties en
wanen, en ‘negatieve’ zoals emotionele vervlakking, initiatiefverlies en spraakarmoede.
De voortbeschiktheid tot schizofrenie is erfelijk bepaald en berust verder op een structurele
hersenafwijkingen, mogelijk een gevolg van geboortecomplicaties of virusinfecties.
Vooral belastende factoren, een veeleisende omgeving of een kritisch gezinsklimaat lijken de
kans op terugval te vergroten.
De stoornis wordt behandelt mat antipsychotica in combinatie met een psychosociale aanpak
in de vorm van voorlichting en sociale-vaardigheidstraining. Echt herstel is niet mogelijk, wel
kan een zo groot mogelijk resocialisatie worden geoogd. Vaak is er sprake van een chronisch
verloop met herhaalde psychotische episoden en/of geleidelijke achteruitgang in
psychosociaal functioneren.
Er zijn verschillende niet-schizofrene psychosen: waanstoornis, kortdurende psychotische
stoornis, schizoforme stoornis en gedeelde psychotische stoornis.
Een waanstoornis gaat gepaard met een niet-bizarre waan (erotische-betrekkingswaan,
grootheidswaan, somatische waan, jaloersheidswaan) terwijl andere tekenen van schizofrenie
ontbreken. De kansen op herstel zijn niet zo groot. Bij een kortdurende psychotische stoornis
verdwijnen de psychotische symptomen binnen een maand. Een schizofrenieforme stoornis
lijkt sterk op schizofrenie, maar de symptomen verdwijnen binnen de zes maanden. Een
27
gedeelde psychotische stoornis ontstaat bij beïnvloedbare personen die een nauwe band
hebben met een waanpatiënt. Na verbreken van het contact verdwijnt de waan vaak snel,
althans bij de ‘beïnvloede’ (niet bij de waanpatiënt).
Stemmingsstoornissen:
Bij stemmingsstoornissen is de stemming langdurig en ernstig ontregeld. Bij een depressie
gaat het om abnormale neerslachtigheid en lusteloosheid. Ongeveer 6% van de bevolking
heeft last van depressies en vrouwen twee keer meer dan mannen.
Naast een erfelijke aanleg zoekt de biologische benadering van depressie het vooral in een
verstoorde werking van de neurotransmitters serotonine en noradrenaline in de hersencellen.
Psychodynamische verklaringen leggen de nadruk op onverwerkte emoties na ingrijpende
gebeurtenissen. Met behulp van psychotherapie moeten patiënten de oorzaken leren kennen
en minder afhankelijk van anderen worden.
Gedragstherapie richt zich op het vergroten van de positieve bekrachtiging. De cognitieve
therapie gaat ervan uit dat onlogische, negatieve denkpatronen tot depressieve gevoelens
leiden. Cognitieve therapie poogt deze denkpatronen te veranderen. Vermoedelijk spelen bij
depressies zowel biologische als psychologische en sociale factoren een rol. In de praktijk
combineren hulpverleners verschillende behandelingen.
Een manie wordt gekenmerkt door uitzonderlijke energie, vrolijkheid, zelfoverschatting en
grote prikkelbaarheid. Deze patiënten zien geen reden voor behandeling. Manische fasen
wisselen bijna altijd af met depressieve periodes. Ongeveer 0,5 % van de bevolking lijdt aan
een bipolaire stoornis (manisch-depressief) waaronder vrijwel evenveel mannen als vrouwen.
Angststoornissen:
Angststoornissen behoren tot de meest voorkomende psychiatrische aandoeningen. Bij een
paniekstoornis es sprake van onregelmatige angstaanvallen met allerlei lichamelijke klachten
die ten onrechte geïnterpreteerd worden als tekenen van ernstig ziekte. Vaak gaat dit gepaard
met vermijding van situaties waarin de betrokkene vreest dat een paniekaanval kan optreden,
ontsnapping moeilijk is en hulp niet direct beschikbaar lijkt (agorafobie)
28
Een enkelvoudige fobie is een hevige, onredelijke angst voor een bepaalde prikkel of situatie,
die zo veel mogelijk vermeden wordt. Angst voor vermijding van sociale situaties, waarin de
betrokkene meent te worden onderworpen aan kritische aandacht van anderen, noemt men
sociale fobie.
De obsessieve-compulsieve stoornis of dwangstoornis kenmerkt zich door herhaalde
dwanggedachten en dwanghandelingen, die de patiënten als zinloos ervaren, maar niet kunnen
nalaten. Patiënten met een veralgemeende angststoornis zijn heel vaal nerveus en angstig, en
zien tegen alles op.Vermoedelijk zijn bepaalde mensen door een biologische gevoeligheid
vatbaarder voor het ontwikkelen van angststoornissen. Bij anderen spelen
persoonlijkheidskenmerken en opvoeding een rol.
Er bestaan verschillende therapeutische methoden voor de aparte angststoornissen. Medicatie,
gedragtherapie en cognitieve therapie zijn het meest voorkomend.
Dissociatieve stoornissen:
Bij dissociatieve stoornissen is er tijdelijk en gedeeltelijk een verstoring in de samenhang van
het bewustzijn. Dat kan zijn weerslag hebben op het geheugen en de ervaring van de eigen
persoon. Dissociatieve amnesie is een vorm van ernstig geheugenverlies voor persoonlijke
informatie. Bij een dissociatieve fuge verlaat iemand de normale leefsituatie en neemt een
nieuwe identiteit aan zonder zich nog iets van het verleden te herinneren.
Vrijwel altijd spelen traumatische jeugdervaringen als seksueel en lichamelijk misbruik mee.
Dissociatie zo functioneren als een overlevingsstrategie door pijnlijke ervaringen geheel of
gedeeltelijk uit het bewustzijn te verdringen. Daarom wordt vaak met hypnose gepoogd
‘verdwenen’ herinneringen op te wekken of traumatische ervaringen te herbeleven en
verwerken. Voordat men aan enige vorm van traumatherapie begint moet de behandeling zich
richten op het verminderen van het problematische gedrag in de huidige leefsituatie. Patiënten
moeten leren omgaan met spanningen en conflicten zonder te dissociëren. Vaak is daarbij een
gezond sociaal netwerk onontbeerlijk.
Somatoforme stoornissen:
Patiënten met somatoforme stoornissen uiten spanningen in lichamelijke klachten, zonder dat
deze klachten te verklaren zijn door een lichamelijke aandoening of een stemmings- of
29
angststoornis. Ook moet gedacht worden aan simulatie en een nagebootste stoornis, waarbij
de lichamelijke verschijnselen of klachten geveinsd of opzettelijk veroorzaakt worden. Bij een
conversiestoornis is – meestal na een sterk emotionele gebeurtenis- op onverklaarbare wijze
de werking van spieren of zintuigen gestoord.
Hypochondrische patiënten hebben ten onrechte de angst of overtuiging dat zij aan een
ernstige ziekte leiden en zoeken, meestal met dezelfde soort klacht, allerlei artsen op om een
fysieke verklaring te krijgen.
Patiënten met somatoforme stoornissen staan niet meteen open voor een psychologische
benadering, omdat dit in hun ogen een miskenning van hun ‘echt’ ziek-zijn betekent. Grondig
medisch onderzoek is zeker vereist, maar mag niet nodeloos worden herhaald omdat dit het
‘ziektegedrag’ versterkt). Terwijl de arts klachten ernstig neemt, wordt geleidelijk naar een
begripvolle, niet-confronterende psychologische aanpak overgeschakeld. Het is duidelijk dat
de kansen op herstel sterk zullen afhangen van de mate waarin patiënten bereid zijn de
psychologische aspecten van hun lichamelijke gezondheid ter discussie te stellen.
Seksuele stoornissen:
Bij seksuele stoornissen doet zich een probleem voor in een fase van de seksuele
responscylus. Het verlangen naar seksualiteit kan verminderd zijn (hypoactief seksueel
verlangen) of er bestaat seksuele afkeer. In de tweede fase kan een stoornis en de seksuele
opwinding optreden en bij mannen een erectiestoornis. In de derde fase kunnen
orgasmestoornissen voorkomen en voortijdige ejaculatie. Tijdens of na de gemeenschap kan
ook pijn optreden: dyspareunie. Bij vrouwen kan die tot uiting komen als vaginisme (kramp
van de schedespieren). Seksuele disfuncties kunnen te wijten zijn aan biologische,
psychologische en sociale factoren of een combinatie ervan. Sommige hebben te maken met
de seksuele activiteit, zoals faalangst en het aannemen van de toeschouwersrol bij het vrijen.
Bij sekstherapie neemt de sensatie-focustechniek een belangrijke plaats in, waarbij de
seksuele activiteiten eerst beperkt zijn en vervolgens geleidelijk worden uitgebreid.
Mensen met een parafilie hebben een afwijkende seksuele voorkeur. De meest voorkomende
zijn exhibitionisme, fetisjisme, travestiet-fetisjisme, voyeurisme, pedofilie, seksueel sadisme
en seksueel masochisme. Deze parafilieën beginnen vaak in de jeugd en blijven bestaan. Veel
verklaringen voor het ontstaan benadrukken de rol van conditionering en leren naar
30
voorbeeld. Naast medicijnen die de seksuele drang onderdrukken zijn gedrags-, cognitieve- en
psychodynamische therapie toegepast. De resultaten zijn echter teleurstellend (vaak terugval)
en dit is voor een deel toe te schrijven aan het gebrek aan motivatie van de betrokkene.
Mensen met een gender-identiteitsstoornis hebben heel sterk het gevoel dat zij geboren zijn in
een lichaam van de andere sekse. Mogelijk is er iets misgegaan tijdens de zwangerschap of in
de eerste jaren van hun jeugd in de ontwikkeling van het gevoel van man- of vrouw-zijn. Voor
deze vrij zeldzame stoornis is geslachtsaanpassing door chirurgisch ingrijpen meestal de enige
oplossing.
Stoornissen in de impulscontrole:
Mensen met een stoornis in de impulscontrole slagen er niet in hun impulsen voldoende te
beheersen. Zij kunnen de drang niet weerstaan om iets te doen wat enerzijds lust, voldoening
of ontspanning biedt, maar anderzijds nadelig of schadelijk is voor henzelf of anderen.
Pas achteraf kunnen spijt, zelfverwijt of schuld optreden.
De specifieke impulscontrolestoornissen moeten los gezien worden van dwangstoornis
waarbij impulsiviteit een grote rol speelt. Ze zijn alle vrij zeldzaam maar kunnen tot
aanzienlijke sociale problemen leiden. Een pathologisch gokker kan de drang niet tot spelen
niet weerstaan. Pyromanie is de onweerstaanbare drang om brand te stichten.
Trichotillomanie is een onbedwingbare neiging om de eigen haren uit te trekken. Veel
impulsstoornissen worden behandeld met gedragstherapie, die gericht is op het vergroten van
de zelfcontrole. Ook antidepressiva heeft een positief effect.In het algemeen hebben patiënten
met implulscontrolestoornis ook na behandeling een aanzienlijke kans op terugval.
Persoonlijkheidsstoornissen:
De talrijke vormen van persoonlijkheidsstoornissen kunnen in 3 groepen onderscheiden
worden.
De eerste groep wordt gekenmerkt door vreemde of excentrieke gedragingen en bestaat uit
paranoïde, schizoïde en schizotypische persoonlijkheidsstoornissen. Deze groep lijkt erg op
schizofrenie maar hallucinaties ontbreken. Bij paranoïde mensen gaat het om ongefundeerd,
hardnekkig wantrouwen ten opzichte van anderen; Schizoïde mensen zijn emotieloze
eenlingen. Wanneer ze daarnaast ongebruikelijke gedragingen, gedachten en taalgebruik
vertonen noemen we hen schizotypisch.
31
De tweede groep heeft dramatische, emotionele, of onvoorspelbare gedragingen gemeen en
bestaan uit de antisociale, borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen.
Bij de derde groep staat angst centraal. De vermijdende, afhankelijke en dwangmatige
persoonlijkheidsstoornis behoren ertoe.
Persoonlijkheidsstoornissen ontstaan door een wisselwerking van biologische, psychologische
en sociale factoren. Sommige karaktertrekken lijken aangeboren, terwijl vermoedelijk ook
bepaalde neurotransmitters en specifieke delen van de hersenen bij sommige
persoonlijkheidsstoornissen een rol spelen.
Mogelijke therapieën zijn psycho-, gedrags- en cognitieve therapie. De resultaten van
behandeling bij persoonlijkheidsstoornissen zijn beperkt. Ingrijpende en blijvende
veranderingen in de persoonlijkheidsstoornissen komen zelden voor. Een aantal personen
wordt vanaf het veertigste levenjaar vanzelf minder.
Aanpassingsstoornissen:
Spanningsbronnen of stressoren stellen de weerbaarheid op de proef. Wanneer men deze
stressoren als bedreigend ervaart, ontstaat stress. Dot gaat gepaard met een aantal klachten en
symptomen. De wijze waarop men met deze stress omgaat noemt men coping.
Zelfwaardering, een gevoel van controle over de situatie en sociale ondersteuning bepalen in
belangrijke mate de hoeveelheid ervaren stress. Wanneer mensen niet in staat zijn zich
voldoenden aan te passen aan stressvolle omstandigheden, vaak mede op grond van een
kwetsbare persoonlijkheid, kan een aanpassingsstoornis ontstaan. Dit type stoornis wordt
gekenmerkt door een groot scala van symptomen. Er kunnen stoornissen in het gevoelsleven
optreden en allerlei lichamelijke klachten.
Bij de behandeling worden veelal eerst de spanningsklachten aangepakt, vervolgens de
oorzaken van de klachten. Naast verbetering van het coping-gedrag richt de aandacht zich op
de stressor. Eventuele specifieke problemen in het functioneren van de patiënt worden
therapeutisch aangepakt. Bij pathologische rouw gaat het er vooral om de rouwverwerking
weer op gang te brengen. Afhankelijk van de ernst van de stressor, de weerbaarheid van de
patiënt en diens sociale ondersteuning zijn de kansen op herstel redelijk tot goed.
(W. VANDEREYCKEN, R. VAN DETH, 2004)
32
BIJLAGE 2
Gemeenschappelijk EvaluatieSysteem:
39 items binnen 5 grote gebieden van arbeidsvaardigheden.
Lichamelijke geschiktheid:
1: Lichamelijk prestatievermogen: Mate van lichamelijke energie. Kracht en
uithoudingsvermogen bij lichamelijke arbeid. Ook de invloed van een handicap op het
lichamelijke functioneren.
2: Motoriek: Bewegingsvaardigheid. Soepelheid, snelheid en beheerstheid in bewegen. Wijze
waarop het gereedschap gehanteerd wordt. Invloed handicap.
Mentaal cognitieve aspecten:
1: Zelfkennis: Inzicht in houding, mogelijkheden en beperkingen.
2: Aandacht en concentratie: Het vermogen en de wil zich geconcentreerd op een taak te
richten. Gedurende zeker tijd zowel opmerkzaamheid, als werkintensiteit constant kunnen en
willen houden.
3: Werkorganisatie: Het vermogen om zijn werkzaamheden op een zodanige manier te
organiseren, zodat deze op een overzichtelijke logische en vlotte manier verlopen. Hieronder
valt ook het overzichtelijke en systematische hanteren van gereedschap en materialen.
4: Opname en begrip van opdrachten: Het begrijpen van een nieuwe taak of situatie, wat
betreft snelheid, juistheid, omvang en onthouden ervan. Deze opgedane kennis ook kunnen
gebruiken.
5: Creativiteit: De rijkdom aan ideeën en de behoefte aan experimenteren.
6: Leerbaarheid: Het vermogen nieuwe kennis eigen te maken.
Elementaire beroepsvaardigheden:
1: Werktempo: De snelheid waarmee het werk uitgevoerd wordt. Het aanhouden van die
snelheid.
2: Productiviteit: Een normale hoeveelheid werk kunnen afwerken binnen de vooropgestelde
tijd.
33
3: Kwaliteit van de werkprestaties: Mate van degelijkheid en foutloosheid van het
eindresultaat. Ook het streven naar een nauwkeurig, foutloos en afgewerkt produkt dat
voldoet aan de vereisten.
4: Orde en netheid: Het vermogen om verzorgd en ordelijk te werken en om de
werkomgeving en privé-zaken netjes te houden.
5: Zelfstandigheid: eigen werkwijze kunnen uitstippelen en uitvoeren. Een taak kunnen
volbrengen zonder voortdurende steun en toezicht van anderen.
Arbeidsattitudes:
1: Persoonlijk voorkomen: De persoon kleedt, spreekt, verzorgt en gedraagt zich
overeenkomstig de verwachting van de omgeving.
2: Stiptheid: Regelmatige aanwezigheid. Persoon respecteert de heersende uurregelingen en
houdt zich aan de gemaakt afspraken.
3: Initiatief: Het streven om in zijn werk uit eigen beweging het beste resultaat te bereiken en
daarbij uit vrije wil verantwoordelijkheid op te nemen.
4: Motivationele aspecten:
4.1: Motivatie: De persoonlijke instelling ten opzichte van de dagelijkse taak. Gezindheid
bij het op zich nemen van een nieuw werk of nieuwe taken.
4.2: IJver, actieve inzet: De gedrevenheid gedurende de uitvoering van de opdracht of bij
het op zich nemen van nieuw werk of nieuwe taken.
4.3: Doorzettingsvermogen: De wil een bepaald werkresultaat te bereiken, ook onder
verzwaarde omstandigheden en tijdelijke tegenslagen of wanneer direct zichtbaar resultaat
uitblijft.
4.4: Belangstelling/Leergierigheid: De wil om zich nieuwe kennis duurzaam eigen te
maken, alsook de wil om met nieuwe taken vertrouwd te raken.
5: Flexibiliteit: Het vermogen zich te kunnen losmaken (lichamelijk eb geestelijk) van
vertrouwde procedures, werkmethodes en taakgebieden om te kunnen inspelen op veranderde
omstandigheden, zonder dat de prestatie daar zwaar onder zou leiden.
6: Stressbestendigheid: Het vermogen om ook onder druk of in moeilijke situaties goed te
blijven functioneren en nadenken. Spanningen op een acceptabele manier kunnen verwerken.
Ook het omgaan met mislukken.
7: Verantwoordelijkheidszin en –besef: Het vermogen zich bewust te zijn en te blijven van de
draagwijdte van een bepaalde verantwoordelijkheid. Dan ook bereid en in staat zijn om deze
binnen de bevoegdheden op te nemen.
34
8: Kostenbewustzijn: De waard beseffen van materiaal, machines, energie, ingrediënten,
grondstoffen en vrije tijd. In zijn handelen daar dan ook rekening mee houden.
9: Veiligheids- en milieubewustzijn: Handelen met de bekommernis om zichzelf, anderen en
het milieu optimaal te vrijwaren.
Sociale vaardigheden:
1: Aanpassingsvermogen: Het vermogen zich in te voegen in een bestaande groep en in die
groep een eigen positie verwerven. Ook omgang met nieuwe collega’s.
2: Samenwerking: Het als gelijke met anderen willen en kunnen samenwerken zonder
conflicten te veroorzaken. Het kunnen werken in teamverband.
3: Omgaan met kritiek: Zowel het kunnen aanvaarden van kritiek, als het gefundeerd en
gepast uiten van kritiek.
4: Luisterbereidheid.
5: Sociale houding/omgangsvormen: de wijze van in contact treden met anderen. Opvallende
trekken van de persoonlijkheid.
6: Leiding aanvaarden.
7: Uitdrukkingsvaardigheid: Mondeling en schriftelijk uitdrukkingsvermogen.
Verstaanbaarheid, helderheid, bondigheid en nauwkeurigheid in uitdrukken. Ook het uiten en
verwoorden van emoties.
8: Assertiviteit: Het vermogen om voor zichzelf op te komen, tegen de anderen in. Durf om
van zich te laten horen, … .
9: Klantvriendelijkheid: De positieve houding ten aanzien van de cliënt.
10: Coping: De houding ten opzichte van eigen beperkingen.
(Gemeenschappelijk Evaluatiesysteem: Handleiding)
35
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Assessment of Work Performance (AWP)
Mechelse Activiteiten Schaal (MAS)
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model
door Hanne Mundus
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
36
Trefwoorden: psychische aandoeningen, assessmentinstrumenten, arbeidsrehabilitatie,
Assessment of Work Performance, Mechelse Activiteiten Schaal (Mechlin Activity Scale),
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model
Abstract
DOEL Het doel van deze literatuurstudie is nagaan of er betrouwbare en valide
assessmentinstrumenten bestaan die bruikbaar zijn binnen het arbeidscentrum van de
Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen.
METHODE Om na te gaan of er daadwerkelijk bruikbare assessmentinstrumenten voor
handen zijn, werden diverse databanken en catalogi doorzocht met zoektermen zoals
‘vocational rehabilitation’ en ‘arbeidsrehabilitatie’.
RESULTATEN Drie instrumenten werden geselecteerd uit de zoekresultaten: de Assessment
of Work Performance, de Mechelse Activiteiten Schaal en het Maastrichts
Arbeidsrehabilitatie Model. Deze instrumenten werden aan de hand van bepaalde criteria
bekeken en op basis hiervan verder uitgewerkt. De criteria waaraan het instrument moet
voldoen zijn de volgenden: het weergeven van het niveau van functioneren van de cliënt,
meer bepaald de arbeidsvaardigheden waarover de cliënt beschikt, diens attitude jegens arbeid
en diens arbeidsbeleving.
CONCLUSIE Van de onderzochte instrumenten is de Assessment of Work Performance op
het eerste zicht bruikbaar binnen de context van de Psychiatrische Kliniek Broeders
Alexianen te Tienen. De Mechelse Activiteiten Schaal is niet bruikbaar in de context van het
arbeidscentrum te Tienen. Het evaluatie-instrument De Schakel, onderdeel van het
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model zou bruikbaar kunnen zijn, mits men de cliënt met een
hulpvraag naar arbeid al heeft zien functioneren binnen een klinische setting of binnen een
effectieve arbeidssituatie.
Inleiding
Wanneer het arbeidsfunctioneren van een cliënt in kaart gebracht wordt, dient men rekening
te houden met volgende belangrijke onderwerpen: het meten van het functioneren op
verschillende gebieden nl. participatie in arbeid (maatschappelijk), het presteren op de
37
werkvloer (persoonlijk) en de individuele capaciteiten (lichamelijk). Belangrijke aspecten in
het arbeidsfunctioneren zijn het functioneren op deze verschillende gebieden en dit gedurende
de hele levensloop, rekening houdend met persoonlijke factoren en omgevingsfactoren. Hoe
meer persoonlijke factoren en omgevingsfactoren met elkaar overlappen op alle drie de
gebieden, hoe harmonieuzer en adequater men functioneert (Fig.1) (Sandqvist e.a., 2006).
Uit Sandqvist e.a. (2006).
Assessment is een essentiële stap binnen de arbeidsrehabilitatie. Om een individueel
arbeidsbegeleidingtraject zo optimaal mogelijk af te stemmen op de hulpvraag van de cliënt,
is een bruikbaar, betrouwbaar en valide assessmentinstrument noodzakelijk. Dit om na te gaan
wat de capaciteiten zijn van de cliënt en belangrijker nog, om na te gaan welke mogelijkheden
nog ontwikkeld zullen moeten worden (Nijhuis en Van Lierop, 1996). Dit alles is afhankelijk
van de ernst van de aandoening van de cliënt.
Volgens een Nederlandse studie van Schene e.a., (2005) kunnen psychische aandoeningen
ingedeeld worden in volgende 3 groepen: lichte tot matige aandoeningen, matige tot ernstige
aandoeningen en ernstige tot zeer ernstige psychische aandoeningen. Op basis van deze grove
indeling wordt arbeidsrehabilitatie in de praktijk gradueel aangepakt.
In de eerstelijnspraktijk worden veelal lichte tot matige aandoeningen gezien. Het betreft
spanningsklachten, overspanning en burnout. Het gaat om geen of beperkt disfunctioneren
waarbij na enkele dagen, hooguit maanden een natuurlijk herstel optreedt. Het hoofddoel in de
arbeidsrehabilitatie bij deze populatie is het reduceren van werkstress. Dit kan door
verandering te brengen in de werkomgeving en door het verbeteren van de
38
copingvaardigheden van de betrokkene. Kortom, de betrokkene moet weer greep krijgen op
zijn werksituatie.
Angst- en stemmingsstoornissen vallen onder matige tot ernstige aandoeningen alsook
stoornissen gekoppeld aan gebruik/misbruik van middelen. De symptomen leiden tot meer
disfunctioneren en meer verzuim. Vervolgens is de prognose minder gunstig en vaak is
professionele behandeling aangewezen. Symptoomreductie biedt een belangrijk voordeel
binnen het arbeidsfunctioneren. Aandacht besteden aan het arbeidsfunctioneren en het
trajectplan, aan handelingspatronen waaronder het leren herkennen van stresssignalen en het
weer contact leggen met het werk, aan aanpassingen op het werk en aan het bewandelen van
andere levensgebieden zoals vrije tijd, sociaal netwerk en wonen dragen hieraan bij.
Afhankelijk van de hulpvraag kunnen voorgaande items aan bod komen binnen interventies
bij deze doelgroep.
Ernstige tot zeer ernstige psychiatrische aandoeningen zoals schizofrenie en verwante
psychotische stoornissen, ernstige stemmingsstoornissen, persisterende ADHD, ernstige
verslavingsproblematiek, organische aandoeningen en/of co-morbiditeit van bovenstaande
ziektebeelden kennen functionele beperkingen die de psychiatrische symptomen kunnen
overheersen. Ongunstige levensomstandigheden en maatschappelijke hindernissen kunnen
hiervoor medeverantwoordelijk zijn. Individual Placement and Support (IPS) is een werkbare
interventie waarin volgende zes kenmerken uitgewerkt worden: betaald werk als centraal
doel, snel zoeken naar een baan, voorkeuren van de cliënt staan centraal, ondersteuning op
lange termijn, doorlopend arbeidsmogelijkheden inschatten en integratie met GGZ-hulp. Deze
vorm van interventie is nauw verwant met ‘Supported Employment’ (SE). Hierin wordt de
betrokkene direct geplaatst op de werkplek waar de benodigde werkvaardigheden gericht
worden getraind (‘place-then-train’). De cliënt zal dus functioneren binnen een externe
werkplaats mits ondersteuning vanuit de instelling. De onderzoeksgroep daarentegen is op
zoek naar een betrouwbaar en valide instrument bruikbaar binnen een klinische setting
(intern) waar de cliënt eerst een arbeidstraining doorloopt. Meer uitleg betreffende IPS en SE
is te vinden in het volgende deel.
Als besluit kan er gesteld worden dat gelijktijdige en geïntegreerde aandacht voor klachten en
functioneren in arbeid sterk kan bijdragen aan de opbouw van het functioneren. Ook het feit
dat de verbreding van de aandacht naar de patiënt in zijn context als gevolg heeft dat herstel
en begeleiding zich ook verbreden naar die context, zorgt voor een beter functioneren.
39
Binnen de onderzoekslijn assessment wordt verder ingegaan op het concept
arbeidsrehabilitatie in de context van het arbeidscentrum van de Psychiatrische Kliniek
Broeders Alexianen te Tienen. De aandacht gaat uit naar bruikbare instrumenten, hier
specifiek gericht op het vaststellen van het niveau van functioneren van cliënten met een
psychosociale problematiek, meer bepaald cliënten met matige tot ernstige psychische
aandoeningen (Schene e.a., 2005). Het niveau van functioneren houdt o.a. in over welke
vaardigheden betreffende arbeid de cliënt beschikt, welke diens attitude is jegens arbeid en
hoe hij/zij arbeid beleeft.
Daar het arbeidscentrum te Tienen een eigen, samengesteld screeningsinstrument gebruikt,
wijst dit op het feit dat bruikbare assessmentinstrumenten binnen bovenstaande context zeer
schaars zijn of nog niet bekend zijn. Het doel van dit onderzoek is nagaan of er daadwerkelijk
betrouwbare en valide assessmentinstrumenten beschikbaar zijn die bruikbaar zijn binnen het
arbeidscentrum van de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen.
Methodologie
Met het oog op arbeidsrehabilitatie en assessment werden diverse databanken en zoektermen
gebruikt. Ook catalogi van bibliotheken in Limburg en catalogi van hogescholen en
universiteiten werden digitaal ingekeken. Het betreft volgende hogescholen en universiteiten:
Provinciale Hogeschool Limburg, Katholieke Hogeschool Kempen, Hogeschool Zuyd
Heerlen, Koninklijke Universiteit Leuven, Universiteit Maastricht en Universiteit van
Amsterdam.
Volgende databanken werden gebruikt: Bohn Stafleu van Loghum, Bronco, Current Contents,
Ebsco, ERIC, LexisNexis, Oxford Reference online, Psychorom, PubMed, Science Direct,
Springer Online Journals & Journal Archives, SwetsWise, Web of Knowledge en Wiley
Interscience.
Catalogi van de bibliotheek van de Provinciale Hogeschool Limburg en van de Provinciale
Bibliotheek Limburg werden ingekeken. Deze laatste bundelt de catalogi van alle Limburgse
bibliotheken.
40
De meest courante zoektermen zijn de volgende: assessment, arbeidsrehabilitatie, Assessment
of Work Performance, Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model, Mechelse Activiteiten Schaal,
mental health, mental illness, vocational rehabilitation en return to work.
Een eerste opdracht was twee artikels zoeken gaande over arbeidsrehabilitatie en het gebruik
van een instrument (Casper, 2003; Keefe e.a., 2006). De opdracht die hierop volgde was
zoeken naar assessmentinstrumenten die bruikbaar zouden kunnen zijn binnen de context van
het arbeidscentrum te Tienen. Hieruit werden per student drie gevonden instrumenten
geselecteerd die verder onderzocht dienden te worden. De selectie die hier van toepassing is,
is de Assessment of Work Performance (AWP), de Mechelse Activiteiten Schaal (MAS)
(Mechlin Activity Scale) en het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model.
Een recent abstract werd gevonden via de databank Ebsco, meer bepaald Cinahl Plus with
full-text. De zoektermen ‘return to work’ en ‘vocational rehabilitation’ leverden een
interessant abstract op dat handelt over de ontwikkeling van een instrument: Assessment of
Work Performance (Sandqvist e.a., 2006). De full-text van dit artikel werd gevonden via de
bibliotheek van de Hogeschool Zuyd te Heerlen, via de databank Iospress.
Een artikel betreffende de Mechelse Activiteiten Schaal werd gevonden via de
wetenschappelijke zoekmachine Google Scholar. Door ingave van ‘Mechlin Activity Scale’
als zoekterm, werd een artikel gevonden gaande over de Expressed Emotion in de dyade
tussen cliënt en hulpverlener (Van Humbeeck e.a., 2002).
Een ander artikel gaande over de Mechelse Activiteiten Schaal werd getraceerd in de
bibliotheek van de KULeuven, faculteit psychologie en pedagogische wetenschappen. Het
betreft de referentie gaande over de experimentele versie van de Mechelse Activiteiten Schaal
(Cools, 1993). Ook de artikelen die handelen over de validiteit van deze schaal (Cools e.a.
2000) en de psychometrische analyse aan de hand van de itemresponstheorie (Janssen e.a.,
1998) werden hier getraceerd. De handleiding bij de Mechelse Activiteiten Schaal werd
gevonden in de Centrale Bibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven (Cools e.a.,
2002). Het evaluatieverslag van de Belgische Federatie Psychologen (BFP) - Commissie
Psychodiagnostiek (2004) is te vinden via de zoekmachine Google met als zoekterm
‘Mechelse Activiteiten Schaal’.
Voor het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model werden 2 referenties gevonden.
41
Een eerste referentie (Rotteveel e.a., 1996) werd gevonden via Google Scholar met als
zoekterm ‘Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model’. De full-text werd getraceerd in de
bibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven, faculteit psychologie en pedagogische
wetenschappen.
De tweede referentie betreffende het evaluatie-instrument De Schakel (Soogelee, 1994) komt
uit de literatuurlijst van Van Der Meer (1995). Deze publicatie werd gevonden in het
Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum te Rekem.
Resultaten
Assessment of Work Performance (AWP)
De inhoudelijke criteria voor arbeid voor de Assessment of Work Performance situeren zich
voornamelijk op vlak van beroepsfunctioneren.
De Assessment of Work Performance (AWP) is een observatie-instrument met het oog op het
observeren hoe de cliënt momenteel presteert op de werkvloer, met aandacht voor de
dynamische relatie tussen cliënt en omgeving. Het instrument beoogt individuele,
observeerbare vaardigheden weer te geven die nodig zijn voor het verrichten van arbeid en dit
op 3 verschillende vaardigheidsgebieden: motorische vaardigheden, procesvaardigheden en
communicatie- en interactievaardigheden. De beoordelaar interpreteert de resultaten vanuit
een objectief perspectief. De AWP werd ontwikkeld op basis van het Model Of Human
Occupation (Sandqvist e.a., 2006).
De Assessment of Work Performance kan gebruikt worden bij iedereen die problemen ervaart
in verband met arbeid (Sandqvist e.a., 2006).
De AWP werd ontwikkeld door Jan L. Sandqvist, Kristina B. Törnquist en Chris M.
Henriksson in 2004.
Het doel van dit observatie-instrument is het meten van observeerbare, (arbeids)vaardigheden
van een cliënt tijdens het functioneren op de werkvloer waarbij tevens de aandacht uitgaat
naar de mate van efficiëntie van een arbeidsactiviteit en de mate waarin een arbeidsactiviteit
geschikt is voor de cliënt (Sandqvist e.a., 2006). De doelstelling is hoofdzakelijk
inventariserend.
42
De Assessment of Work Performance is een observatie-instrument bestaande uit veertien
verschillende vaardigheden, verdeeld over drie vaardigheidsgebieden: vijf motorische
vaardigheden, vijf procesvaardigheden en vier communicatie –en interactievaardigheden.
De beoordelaar observeert hoe de cliënt de verschillende vaardigheden uitvoert, dit in een
concrete werksituatie of in een nagebootste werksituatie. De beoordeling kan niet enkel door
ergotherapeuten gebeuren, elke andere discipline die zich bezighoudt met het meten van het
arbeidsfunctioneren kan de beoordeling uitvoeren (Sandqvist e.a., 2006).
De vaardigheden worden gescoord op een Likert-vierpuntsschaal, het betreft een ordinaal
meetniveau.
Over de verkrijgbaarheid van dit instrument zijn er geen gegevens.
De psychometrische gegevens van de AWP zijn zeer beperkt. De studie van Sandqvist e.a.
(2006) geeft indicaties tot een voldoende face-validiteit en ook dat dit instrument bruikbaar is
binnen de arbeidsrehabilitatie. Men kan niet met zekerheid zeggen dat het een valide of
betrouwbaar instrument is, hiervoor is verder onderzoek aangewezen (Sandqvist e.a., 2006).
De AWP is een Engelstalig instrument. De duur van afname kan variëren van enkele uren tot
weken, afhankelijk van de individuele eisen van de cliënt. De afname moet beperkt worden
tot één taak (Sandqvist e.a., 2006).
De normgegevens van de Assessment of Work Performance zijn onbekend.
Belangrijk bij dit meetinstrument is dat de beoordelaar kennis heeft van het MOHO, dit om de
afname vlot te laten verlopen.
Mechelse Activiteiten Schaal (Mechlin Activity Scale)(MAS)
De Mechelse Activiteiten Schaal werd ontworpen vanuit de praktische behoefte aan een
schaal voor de functionele beoordeling van psychiatrische patiënten in
rehabilitatieprogramma’s van Beschut Wonen en van dagcentra voor mensen met sociaalpsychiatrische problemen.
43
Deze schaal werd geïnspireerd door de Beschut Wonen Schaal (Wennink, 1987), de Dolderse
Schaal (1971) en de Schaal voor Sociale Vaardigheden van Gunzburg (1973) (Cools, 1993;
Cools e.a. 2002).
De inhoudelijke criteria voor arbeid situeren zich op vlak van zelfzorg en onafhankelijk
functioneren, vrije tijd, interpersoonlijk functioneren, beroepsfunctioneren en persoonlijke
vervulling (Cools, 1993; Cools e.a., 2002).
De Mechelse Activiteiten Schaal is een observatieschaal die zich richt op het feit of de cliënt
een bepaalde activiteit al dan niet uitvoert. Het doel van deze schaal is nagaan in welke mate
de cliënt bepaalde activiteiten van het dagelijkse leven uitvoert. Het meetinstrument beoogt
het huidig functioneren van de cliënt in kaart te brengen. De Mechelse Activiteiten Schaal
werd ontwikkeld op basis van zes activiteitengroepen: zelfredzame, interactionele,
integrerende, zelfverzorgende, huishoudelijke en arbeidsactiviteiten. (Van Audenhove e.a.,
2000). Het instrument staat sterk vanuit psychometrisch standpunt (Van Audenhove e.a.,
2000).
Deze schaal is bruikbaar bij volwassenen met een psychiatrisch ziektebeeld, ouderen met een
dementie en bij volwassenen en ouderen met een lichte tot matige verstandelijke handicap
(Cools e.a., 2002).
De Mechelse Activiteiten Schaal werd ontwikkeld door Bob Cools, Chantal Van Audenhove
en Rianne Janssen en werd uitgegeven in 1993.
De Mechelse Activiteiten Schaal werd ontwikkeld om een meer genuanceerd profiel van
cliënten(groepen) weer te geven voor wat betreft hun functioneren tijdens verschillende
activiteiten. Volgende vier doelstellingen worden beoogd: diagnostisch, therapeutisch,
evaluatief en theoretisch (Cools e.a., 2002).
De MAS is een observatieschaal bestaande uit 66 items die elk een concrete activiteit
beschrijven. De activiteiten zijn ingedeeld in zes groepen: zelfredzame, interactionele,
integrerende, zelfverzorgende, huishoudelijke en arbeidsactiviteiten. Men gaat uit van een
dubbel onderscheid in activiteiten, namelijk het al dan niet overdraagbare karakter van de
activiteit en het sociale niveau (persoonlijk, leefgroep, maatschappelijk) waarop de activiteit
plaatsvindt. Niet overdraagbare activiteiten zijn activiteiten die het individu alleen zelf kan
verrichten en die een zekere betrokkenheid van de persoon vereisen. Overdraagbare
44
activiteiten kunnen bij onwil of afhankelijkheid van het individu door een ander worden
uitgevoerd (Cools, 1993).
De vragenlijst wordt gescoord door de begeleider op basis van diens observaties van/of
inlichtingen over de cliënt in verband met het feitelijk verrichten van bepaalde concrete
activiteiten gedurende de laatste maand. De beoordelaar kan tevens de leefgroep zijn of het
gezin (Cools 1993; Cools e.a. 2002).
De activiteiten worden gescoord op een continuüm van weinig tot zeer betrokken voor de niet
overdraagbare activiteiten. Voor de overdraagbare activiteiten gebeurt dit op het continuüm
van zeer afhankelijk tot zeer onafhankelijk individu. Het betreft een vijfpuntsschaal, een
ordinale schaal (Cools, 1993; Cools e.a. 2002).
De Mechelse Activiteiten Schaal – versie leefgroep/versie gezin (zie bijlage 1 en 2), de
itemspecificatie voor éénduidige scoring en de normtabellen voor de MAS kunnen zonder
copyright gehaald worden uit de handleiding bij deze schaal (Cools e.a., 2002).
De MAS is een betrouwbare schaal. De intra-scoringsbetrouwbaarheid is zeer goed, de interscoringsbetrouwbaarheid is voldoende (Cools, 1993; Cools e.a. 2000; Cools e.a. 2002). De
MAS is gestandaardiseerd. Dit wordt aangetoond in het evaluatieverslag van de BFPCommissie Pyschodiagnostiek (2004).
De MAS is een valide instrument (Cools e.a., 2000; Cools e.a. 2002).
De MAS is een Nederlandstalig instrument. Om de test af te nemen vult de beoordelaar de
vragenlijst in. De test is gemakkelijk in te vullen. De beoordelaar moet enkel aanduiden of de
cliënt de betreffende activiteit uitvoert of niet. Voert de cliënt de activiteit niet uit, dan dient
de beoordelaar met de cliënt te overleggen of deze de activiteit al dan niet wenst uit te voeren.
De basisbeoordeling neemt ongeveer vijftien minuten in beslag. Afhankelijk van hoeveel
items de cliënt wenst uit te voeren, kan de afname langer duren. De overdraagbare activiteiten
worden gescoord op een continuüm van zeer afhankelijk tot zeer onafhankelijk individu. De
niet overdraagbare activiteiten worden gescoord van een weinig tot zeer betrokken individu.
De activiteiten waarvoor een ‘ja’ werd gescoord, worden per subschaal opgeteld. Drie andere
subuitslagen geven aan hoe de persoon functioneert op het sociale vlak, het leefgroep en het
maatschappelijke niveau. De totale ruwe uitslag kan op twee manieren berekend worden: via
de sociale niveaus en via de wel en niet overdraagbare activiteiten. Bij de scoring van de
volledig ingevulde schaal worden 12 ruwe uitslagen bepaald: 6 subschaaluitslagen, 5
45
somuitslagen en 1 totaaluitslag (Janssen e.a., 1998). De ruwe uitslagen zijn niet vergelijkbaar
en worden daarom omgezet in afgeleide uitslagen aan de hand van normtabellen (Cools,
1993; Cools e.a. 2002).
Het instrument is ethisch verantwoord, de onderwerpen die beoordeeld worden zijn
bespreekbaar.
De handleiding bij de Mechelse Activiteiten Schaal is terug te vinden in de Centrale
Bibliotheek van de Katholieke Universiteit Leuven.
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model
Het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model werd ontwikkeld op basis van algemene
rehabilitatieprincipes zoals die van Farkas e.a. (1989) en Shepherd (1989) alsook op de
werkwijze van de Duitse ergotherapeute Haerlin (1988) (Rotteveel e.a., 1996; Soogelee,
1994).
Het model kan volgens vijf rehabilitatieprincipes worden ingedeeld: patiëntgerichtheid,
continuïteit van zorg, voorkeur voor minimaal noodzakelijke zorg afgestemd op de normale
maatschappelijke ondersteuning, scheiding van behandelen-wonen-werken en participatie van
patiënten en familieleden. Het model bestaat uit 4 ‘submodellen’: de Arbeidsanamnese, het
evaluatie-instrument De Schakel, de Arbeidskaart en het Werkoverleg. Gebaseerd op een
onderzoek van Slange en Van Sluys (1991) is de Arbeidsanamnese een instrument waarmee
samen met de cliënt diens leer- en werkgeschiedenis in kaart wordt gebracht in samenhang
met andere relevante ontwikkelingen en incidenten in zijn leven. (Rotteveel e.a., 1996). Zo
komt de betrokkene terug in contact met zijn levensverhaal en krijgt hij/zij zicht op de
samenhang tussen belasting en belastbaarheid en op beschikbare copingstrategieën of
eventueel aanwezige externe hulpbronnen (Rotteveel e.a., 1996).
Tijdens een arbeidsrehabilitatieproces doen zich verschillende problemen voor. Het
Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model duidt er vijf aan: oriëntatie op arbeidsmogelijkheden,
het verkrijgen van een realistisch arbeidsperspectief, leren van vereiste vaardigheden voor een
specifieke arbeidssituatie, instappen in een concrete arbeidssituatie en stabilisatie van een
behaald functioneringsniveau. Het is tijdens het verkrijgen van een realistisch
arbeidsperspectief en het leren van vereiste vaardigheden voor een specifieke arbeidssituatie
dat De Schakel gebruikt wordt (Soogelee, 1994).
46
De inhoudelijke criteria voor arbeid situeren zich op volgende gebieden: fysisch functioneren,
psychisch functioneren, beroepsfunctioneren, interpersoonlijk functioneren, sociaalemotionele steun en persoonlijke vervulling.
Het evaluatie-instrument De Schakel is een scorelijst waarmee algemene arbeidsvaardigheden
en sociaal-emotionele vaardigheden in kaart kunnen worden gebracht.
Door beide beoordelingen, van cliënt en begeleider, met elkaar te vergelijken kunnen doelen
geformuleerd worden voor het arbeidsrehabilitatieproces (Soogelee, 1994).
De Schakel is bruikbaar bij psychiatrische patiënten in de adolescentie en volwassene,
psychiatrische patiënten (Rotteveel e.a., 1996; Soogelee, 1994).
De Schakel, evaluatie-instrument van het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model werd
officieel uitgegeven in 1994. De Schakel werd ontwikkeld door Bertil Soogelee als onderdeel
van het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model (Soogelee, 1994).
Het doel van het evaluatie-instrument bestaat erin om een realistische inschatting te maken
van het eigen arbeidsfunctioneren. Het arbeidsfunctioneren wordt besproken aan de hand van
vastgestelde items en vervolgens worden de doelstellingen bepaald voor de
arbeidsrehabilitatie. De doelstellingen van dit instrument zijn bijgevolg evaluatief en
inventariserend (Sooglee, 1994).
Het instrument De Schakel bestaat uit een formulier “Arbeidsfunctioneren (zelfbeoordeling)”,
een formulier “Evaluatie Arbeidsfunctioneren” voor de arbeidsbegeleider en een formulier
“Verslag evaluatie arbeidsfunctioneren” (Soogelee, 1994).
De cliënt vult de zelfbeoordeling “Arbeidsfunctioneren” in. Deze lijst bestaat uit 37 items,
verdeeld over algemene en sociaal-emotionele vaardigheden opgenomen in vier
aandachtsgebieden: basis-arbeidsvaardigheden; zelfbeeld, instelling ten opzichte van arbeid,
motivatie en arbeidsrol; omgaan met collega’s en omgaan met leidinggevenden.
Het formulier “Evaluatie Arbeidsfunctioneren” wordt ingevuld door de arbeidsbegeleider. Dit
formulier bevat dezelfde items om te scoren, enkel gebeurt het vanuit het standpunt van de
arbeidsbegeleider.
Het “Verslag Evaluatie Arbeidsfunctioneren” dient om de gegevens uit De Schakel te
beschrijven voor een teambespreking.
47
Het is noodzakelijk dat begeleider en cliënt de formulieren onafhankelijk van elkaar invullen.
De lijst is gemakkelijk in te vullen. De patiënt en de begeleider scoren de items op een
vijfpuntsschaal. Op die manier kan de middencategorie als antwoord opengelaten worden. De
items zijn beschreven in twee uitersten waartussen 5 intervallen liggen. Het betreft bij alle
items een nominale schaal.
De items zijn allen ethisch verantwoord.
Het evaluatie-instrument De Schakel kan zonder copyright gehaald worden uit de publicatie
van Soogelee (1994).
De wetenschappelijke waarde van het instrument is niet bekend. Mogelijk is hier wel
onderzoek naar gedaan, maar werden de resultaten niet gevonden.
Het evaluatie-instrument is Nederlandstalig en gebruiksklaar. Het kan ingevuld worden door
patiënten, arbeidsbegeleiders en ergotherapeuten (Soogelee, 1994) .
Om het instrument af te nemen zijn de formulieren “Arbeidsfunctioneren (zelfbeoordeling)”
en “Arbeidsfunctioneren (beoordeling door de arbeidsbegeleider nodig)”. Nadat beide partijen
de lijst hebben ingevuld, worden deze met elkaar vergeleken. Vervolgens komt men samen tot
doelstellingen voor de arbeidsrehabilitatie.
De totale duur van afname samen met de cliënt bedraagt 65 min. (Soogelee, 1994). Om de
scores te verwerken wordt het exemplaar van de arbeidsbegeleider gebruikt. Het oordeel van
de patiënt wordt per item toegevoegd aan het oordeel van de begeleider. Vervolgens dient de
begeleider een verslag van de afname (formulier Verslag Evaluatie Arbeidsfunctioneren) te
maken dat met de patiënt en het team besproken wordt, dit alles samen duurt 75 min.
Uiteindelijk worden vier werkdoelen gekozen voor de komende periode aan de hand van de
beoordelingen door begeleider en patiënt.
Daar de wetenschappelijke waarde van het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model onbekend
is, worden relevante gegevens van een onderzoek door Rotteveel e.a. (1996) toegelicht.
In dit onderzoek tracht men na te gaan hoe de methodiek, het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie
Model, in de praktijk werkt, welke problemen er zich kunnen voordoen en welke delen
effectief zouden kunnen zijn. In deze open evaluerende studie (Rotteveel e.a., 1996) werd
gepoogd een antwoord te vinden op volgende vragen: In hoeverre worden gestelde doelen
48
daadwerkelijk bereikt en is het aannemelijk dat de methodiek daaraan heeft bijgedragen? Hoe
verloopt het arbeidsrehabilitatieproces, en welke problemen kom je tegen als je mensen met
ernstige, langdurige psychische beperkingen in een dergelijk proces tracht te betrekken?
Twintig deelnemers, dertien mannen en zeven vrouwen, werden één jaar lang gevolgd tijdens
hun arbeidsrehabilitatieproces. In de bevindingen zien we als belangrijkste resultaat
(eindmeting) dat 14 patiënten vooruitgang hebben geboekt ten opzichte van de beginmeting.
Daarnaast werd er maandelijks een procesverslag opgemaakt om het verloop te volgen en
belangrijke incidenten vast te leggen. Voor drie deelnemers veranderde er niets en bij drie
andere deelnemers werd achteruitgang vastgesteld.
Volgende beperkingen werden ervaren: Er werd slechts een beperkt aantal mensen gevolgd.
Ook kan men niet met zekerheid zeggen welke elementen een positieve bijdrage hebben
geleverd aan het verloop. Dit doordat vergelijkingsmateriaal ontbrak. Er kan wel aangenomen
worden welke onderdelen een constructieve bijdrage hebben geleverd.
Discussie
Gezien het niet evident is om Nederlandstalige instrumenten te zoeken op Engelstalige
databanken, werd hierop enkel één artikel betreffende de Mechelse Activiteiten Schaal
gevonden.
Er werd voor de Assessment of Work Performance maar één artikel gevonden. Mogelijk is dit
te wijten aan de zeer recente publicatie en aan het feit dat dit meetinstrument nog in
ontwikkeling is. Over de methodologische kwaliteit van dit instrument is weinig geweten,
verder onderzoek hiernaar is aangewezen.
Wat de Mechelse Activiteiten Schaal betreft, werden meerdere artikels gevonden. Echter,
enkele artikels hiervan zijn ouder dan vijf jaar en dus niet meer recent.
Een ander discussiepunt is dat van de zes activiteitengroepen van de Mechelse Activiteiten
Schaal, er slechts één groep handelt over activiteiten omtrent arbeid. Het gaat dan over zeer
algemene omschrijvingen van arbeidsactiviteiten. Deze laten niet toe een specifiek, concreet
beeld te vormen van de activiteit.
Bovendien gaat men er vanuit dat de cliënt in kwestie al werk heeft of op z’n minst
werkervaring heeft.
49
Helaas worden niet alle aspecten omtrent arbeid besproken in de Mechelse Activiteiten
Schaal. Zo is er bijvoorbeeld een gemis aan de attitude jegens arbeid en de beleving ervan.
Van de vier ‘submodellen’ van het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model werd enkel het
evaluatie-instrument De Schakel uitgewerkt. De andere drie modellen werden niet gevonden
via de verschillende zoekstrategieën met de verschillende zoektermen. Mogelijk komt dit door
het feit dat het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model een relatief oud model is. Er valt dus
moeilijk een oordeel te vellen. Dit mede door het gebrek aan recente, wetenschappelijke
publicaties.
Het evaluatie-instrument De Schakel heeft een gestructureerde opbouw wat betreft arbeids- en
sociaal-emotionele vaardigheden. Basisvaardigheden, zelfbeeld, instelling t.a.v. arbeid,
motivatie, arbeidsrol, omgaan met collega’s en omgaan met leidinggevenden, komen aan bod.
Dit instrument dient echter in de eerste plaats om doelstellingen op te stellen en er is enige
werkervaring vereist. Daarentegen kan men met behulp van De Schakel een realistische
inschatting maken van het arbeidsperspectief, mits werkervaring.
Conclusie
Of de Assessment of Work Performance bruikbaar zal zijn in het arbeidscentrum te Tienen
kan niet met zekerheid gezegd worden. Op het eerste zicht is dit instrument bruikbaar, met
één wetenschappelijk artikel als basis is dit echter niet relevant. Ook zijn de psychometrische
gegevens over dit instrument te schaars om een dergelijke conclusie te trekken.
De Mechelse Activiteiten Schaal zal niet bruikbaar zijn binnen het arbeidscentrum van de
Psychiatrische Kliniek te Tienen daar het de arbeidsactiviteiten veel te algemeen voorstelt.
Om de verschillende activiteiten betreffende arbeid te kunnen scoren, moet men de cliënt
kunnen observeren tijdens deze activiteiten. Dit is in tegenstelling tot de onderzoeksvraag.
Bovendien dient het instrument om doelen op te stellen voor een arbeidsrehabilitatieproces.
Dit strookt echter niet met de opgedragen criteria waaraan het instrument dient te voldoen, nl.
de beleving van arbeid en de attitude jegens arbeid weergeven.
De Mechelse Activiteiten Schaal is toepasbaar in een ergotherapeutische setting bij eerder
aangehaalde doelgroepen, wanneer een inschatting dient gemaakt te worden van de
50
Activiteiten van het Dagelijkse Leven (ADL) die een cliënt al dan niet uitvoert of wenst uit te
voeren.
Het evaluatie-instrument De Schakel, onderdeel van het Maastrichts Arbeidsrehabilitatie
Model dient om doelen op te stellen en het is gewenst dat men de cliënt reeds heeft kunnen
observeren in een arbeidssituatie. In de context van de Psychiatrische Kliniek Broeders
Alexianen te Tienen zal dit instrument niet bruikbaar zijn. Wel geeft het instrument het niveau
van functioneren weer aan de hand van basisvaardigheden betreffende arbeid. Arbeidsattitude
en arbeidsbeleving vallen beiden onder de andere drie aandachtsgebieden: zelfbeeld, instelling
t.a.v. arbeid, motivatie en arbeidsrol; omgaan met collega’s en omgaan met leidinggevenden.
De Schakel is wel bruikbaar binnen de arbeidsrehabilitatie om het arbeidsfunctioneren te
evalueren, mits de cliënten enige werkervaring hebben. Het evaluatie-instrument kan binnen
de arbeidsrehabilitatie gebruikt worden om de doelstellingen binnen het proces te bepalen en
om het arbeidsfunctioneren te evalueren.
51
Referenties
BFP-COMMISSIE PSYCHODIAGNOSTIEK, Evaluatie van de kwaliteit van test voor
Vlaanderen: Evaluatie MAS, 2004, 4p.
CASPER, E.S., ‘A self-rating scale for supported employment participants and practitioners’,
Psychiatric Rehabilitation Journal, jaargang 27 (2003), nr.1, p. 151-158.
COOLS, B., ‘Mechelse Activiteiten Schaal (M.A.S.) experimentele vorm: Een
werkinstrument voor Dagcentra en Diensten voor Beschut en Begeleid Wonen’, DiagnostiekWijzer, volume 1 (1993), nr.2, p. 27-39.
COOLS, B., VAN AUDENHOVE, C., JANSSEN, R., ‘Validiteit van de Mechelse
Activiteiten Schaal (MAS)’, Tijdschrift voor Klinische Psychologie, jaargang 30 (2000),
september, nr.3, p. 162-173.
COOLS, B., VAN AUDENHOVE, C., JANSSEN, R., Handleiding bij de Mechelse
Activiteiten Schaal: een functioneringsmaat in de psychosociale rehabilitatie, Acco,
Leuven/Leusden, 2002.
JANSSEN, R., COOLS, B., VAN AUDENHOVE, C., ‘De Mechelse Activiteiten Schaal:
Psychometrische analyse op basis van de itemresponstheorie’, Tijdschrift voor Klinische
Psychologie, jaargang 28 (1998), juni, nr. 2, p. 119-136.
KEEFE, R.S.E., e.a., ‘The Schizophrenia Cognition Rating Scale: An interview-based
assessment and its relationship to cognition, real-world functioning and functional capacity’,
American Journal of Psychiatry, (2006), nr. 163, p. 426-432.
NIJHUIS, F., VAN LIEROP, B., Hoofdstuk 9: Reïntegratie en vocational rehabilitation, s.e.,
s.l., 2006.
ROTTEVEEL, R., e.a., ‘Arbeidsrehabilitatie als onderdeel van de GGZ. Het Maastrichts
Arbeidsrehabilitatie Model’, Maandblad voor de geestelijke volksgezondheid, volume 51
(1996), nr. 9, p. 906-918.
SANDQVIST, J.L., TÖRNQUIST, K.B., HENRIKSSON, C.M., ‘Assessment of Work
Performance (AWP) -- development of an instrument’, Work, jaargang 23 (2006), nr. 4, p.
379-387.
SCHENE, A., e.a., ‘Psychische aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies’,
Psychopraxis, jaargang 7 (2005), mei, nr. 3, p. 110-115.
SOOGELEE, B., De Schakel, evaluatie-instrument Maastrichts Arbeidsrehabilitatie Model,
Maastricht RVC, 1994.
52
VAN AUDENHOVE, C., e.a., Op weg naar werk: werkvoorbereiding en werkbegeleiding in
de Geestelijke Gezondheidszorg, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegem, 2000.
VAN AUDENHOVE, C., BOON, H., Pilootproject psychiatrische zorg voor cliënten in de
thuissituatie: De Mechelse Activiteiten Schaal, Lucas, 2002.
VAN DER MEER, D., e.a., Werken aan arbeidsproblemen – Methodische richtlijnen voor
arbeidsrehabilitatie en dagbesteding, Lemma, Utrecht, 1995.
VAN HUMBEECK, G., e.a., ‘Expressed emotion in the client-professional caregiver dyad:
are symptoms, coping strategies and personality related?’, Social Psychiatry Psychiatry
Epidemiology, jaargang 37 (2002), p. 364-371.
53
BIJLAGEN
BIJLAGE 1
BIJLAGE 2
55
BIJLAGE 3
57
BIJLAGE 4
58
59
BIJLAGE 5
60
61
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Valpar Component Work Samples (VCWS)
Common Protocol
ERGOS Work Simulator
Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in
Arbeit (MELBA)
door Annika Jackers
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
62
Trefwoorden: psychische aandoeningen, werk, arbeidsintegratie, assessmentinstrumenten.
Abstract
INLEIDING Voor dit literatuuronderzoek werd gezocht naar artikels met wetenschappelijke
waarde die werkattitude en arbeidsvaardigheden van de cliënten nagaan.
METHODE Er is gezocht naar artikels met wetenschappelijke waarde met zoektermen zoals:
psychische aandoeningen, werk, arbeidsintegratie en assessmentinstrumenten.
RESULTATEN Uit de literatuurstudie kwamen de volgende instrumenten naar voor:
Valpar meet gesimuleerde werkgerelateerde capaciteiten, vaardigheden, kennis en interesses.
Het instrument bestaat uit twintig verschillende werkproeven. De Valpar Worksamples gaan
vooral fysieke aspecten onderzoeken, alsook interpersoonlijk en cognitief functioneren.
Het Common Protocol is een vragenlijst die deel uitmaakt van een rehabilitatieprogramma
(Employment Intervention Demonstration Program). De componenten als klinische
kenmerken, psychosociale status en demografische karakteristieken worden in dit programma
onderzocht.
Het ERGOS instrument is gebaseerd op arbeidswerkelijke simulaties.
Het instrument meet de fysieke aspecten van arbeid. (zoals werken met de handen,
lichaamsmobiliteit, bewegingsnauwkeurigheid,…). Dit instrument bestaat uit een
computergestuurd systeem en zorgt daarom voor objectieve testresultaten.
MELBA, een Duits onderzoeksinstrument test de mogelijkheden op vlak van arbeid. Het
instrument bestaat uit een capaciteitenprofiel (capaciteiten van de cliënt) en eisenprofiel (eisen
van de job). De negenentwintig items die worden beoordeeld zijn ondergebracht in de
sleutelkwalificaties. De verwerking van de resultaten gebeurt door een profielvergelijking te
maken.
CONCLUSIE Uit het onderzoek van dit deel besluiten we dat het ERGOS instrument en de
Valpar Worksamples fysieke aspecten van arbeid onderzoeken. Om deze reden is het niet
volledig bruikbaar is voor onze studie. Het Common Protocol is ook minder bruikbaar omdat
het deel uitmaakt van een rehabilitatieprogramma. Interessant lijkt voor onze studie het
MELBA instrument, dat peilt naar de verschillende aspecten van arbeid, namelijk
arbeidsvaardigheden en werkattitude
63
Inleiding
In dit deel worden 4 assessmentinstrumenten besproken. De Valpar Component Worksamples
zijn werkgerelateerde werkproeven die vooral fysieke aspecten gaan onderzoeken. De
ERGOS worksimulator is een toestel dat objectief werkactiviteiten gaat screenen. Verder gaat
het MELBA instrument aan de hand van een profielvergelijking een overzicht geven van de
eisen van de job en de capaciteiten van de persoon. Ook wordt het Common Protocol
beschreven, dit is een vragenlijst die deel uit maakt van een arbeidsrehabillitatieprogramma in
de Verenigde Staten. Wanneer we spreken over arbeidsrehabilitatie heeft het woord
rehabilitatie misschien wat meer uitleg nodig. Rehabilitatie heeft vooral betrekking op een
groep mensen met een persisterende psychiatrische aandoening die interfereert met hun
vermogen om zelfstandig, zonder ondersteunende behandeling of verzorging van lange duur,
sociaal te functioneren.
Het uiteindelijke doel van rehabilitatie is dan ook eerherstel en maatschappelijke integratie.
Na een ernstige psychiatrische stoornis zijn personen vaak langdurig werkloos. Wanneer ze
terug integreren in de maatschappij speelt het terug hervatten/ inschakelen in het
arbeidscircuit een belangrijke rol. Werken is in onze samenleving een gebruikelijke maat voor
menselijke competentie en een belangrijke indicator van gezondheid en sociale integratie.
Ook de personen die aangemeld worden in het arbeidscentrum te Tienen zijn personen met
psycho-sociale problemen die toe zijn aan activering in het arbeidsproces.
Arbeidsrehabilitatie heeft als doel het arbeidsfunctioneren van personen te herstellen.
Vanuit het gezichtspunt van de cliënt gaat het bij arbeidsrehabilitatie om ondersteuning bij het
kiezen, verkrijgen en behouden van een geschikte arbeidsplaats. Vanuit een professioneel
gezichtspunt is arbeidsrehabilitatie het proces waarmee herstel, behoud en uitbreiding van
iemands arbeidsmogelijkheden wordt beoogd. (Bron: PIETERS,G., VAN DER GAAG,M.
2000)
Nederland kent momenteel ongeveer een honderdtal arbeidsrehabilitatie programma’s die zich
(gedeeltelijk) op mensen met een psychiatrische achtergrond richten. Deze projecten
vervullen een of meer van de volgende functies: arbeidsoriëntatie, voorbereiding, bemiddeling
en begeleiding bij beschutte en gewone werksituaties.
Arbeidsrehabilitatie programma’s maken gebruik van verschillende methoden. Maar er is
geen vastomlijnd methodisch model, meestal worden verschillende inzichten gecombineerd.
64
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:
ITB: Integrale Traject Benadering.
Integrale traject benadering wordt ook wel individuele trajectbenadering genoemd. Men
probeert samen met de deelnemer een traject uit te stippelen.
De kenmerken van het traject zijn dat het tijdelijk is (1.5-2jaar) en dat het primair gericht is op
het vinden van betaald werk of een beroepsopleiding. Het traject moet afgestemd zijn op de
individuele cliënt en moet stapsgewijs en planmatig verlopen. Indien nodig moet het traject
scholings- en trainingsmiddelen aanwenden, zoals stages in het bedrijfsleven.
IRB: Individuele Rehabilitatie Benadering.
Individuele Rehabilitatie Benadering streeft naar een optimaal functioneren in een door de
cliënt gekozen maatschappelijke omgeving. Behalve op werk richt de Individuele
Rehabilitatie Benadering zich op alle andere levensgebieden. De IRB deelt uitgangspunten
met andere rehabilitatiebenaderingen. Zo benadrukt het de individuele (groei)mogelijkheden
van de cliënt en stelt het de persoonlijke keuzen en doelen van de cliënt centraal. Ook
belangrijk is het scheppen van een vertrouwensband tussen de deelnemer en de begeleider en
steun bieden zolang het nodig is.
Het Individuele Rehabilitatie Benaderingsmodel kent drie fasen:
Het stellen van een rehabilitatiediagnose, het formuleren van het rehabilitatieplan en het
uitvoeren van de interventies die noodzakelijk zijn om het plan te verwezenlijken.
SE: Supported Employment.
Supported employment heeft vier hoofdkenmerken. Ten eerste is het gericht op regulier werk.
Verder is een snelle plaatsing van de cliënt in de gewenste werksituatie van belang. Ook
begeleiding ter plekke (op de reguliere werksituatie) is een kenmerk. Ten slotte ondersteuning
bieden zolang deze nodig is. Voorafgaand aan de plaatsing vindt eerst een inschatting van de
arbeidsmogelijkheden plaats. Men onderzoekt ook de match tussen de persoon en de gewenste
werksituatie. Het uitgangspunt is echter dat pas na plaatsing blijkt wat de deelnemer kan en
welke mogelijkheden de werkomgeving biedt. Een jobcoach traint de deelnemer ter plekke in
de benodigde vaardigheden en onderzoekt welke ondersteuning de deelnemer verder nodig
heeft.
65
IPS: Individual Placement and Support model.
Het Individual Placement and Support model verenigt de inzichten van verschillende
benaderingen uit de arbeidsrehabilitatie. Namelijk die van Supported Employment en de
Individuele Rehabilitatie Benadering. Het model is ten eerste gericht op reguliere arbeid
waarbij een snelle bemiddeling en plaatsing een kernprincipe is. Een ander kernprincipe is de
integratie van geestelijke gezondheids hulpverlening en arbeidsrehabilitatie. Door dit principe
onderscheid het model zich van de eerder genoemde benaderingen. Verder is het binnen dit
model van belang om uit te gaan van de individuele doelen van de cliënten en continu een
inschatting te maken van hun arbeidsmogelijkheden. Ook krijgen de cliënten bij dit model
ondersteuning zolang het nodig is.
Belangrijk is ermee rekening te houden dat bij het ontwikkelen en invoeren van geestelijke
gezondheidsprogramma’s omtrent arbeid ook verschillende moeilijkheden zichtbaar kunnen
worden. Zoals organisatorische vormgeving; onduidelijkheden ten aanzien van doelstellingen,
begrippen, doelgroepen; gebrek aan afstemming in de regio; de betrokkenheid van de
cliënten. Het is niet gemakkelijk om te beschrijven welke kenmerken in een programma
aanwezig moeten zijn zodat het effectief arbeidsprogramma genoemd kan worden.
Dit is moeilijk te beschrijven omdat arbeidsrehabilitatie programma’s verschillende
methodische inzichten combineren. Wel kunnen er enkele belangrijke kenmerken van
experimenteel onderzochte programma’s weergegeven worden (Bron: PIETERS,G., VAN
DER GAAG,M. 2000):
De inhoud van de begeleiding afstemmen op de individuele behoeften en voorkeuren van de
deelnemer; snel en dynamisch zoeken naar een baan die past bij de individuele voorkeuren en
mogelijkheden; snel plaatsen in een baan, daarna training op individuele maat en intensieve
ondersteuning bieden; verdere ondersteuning geven zolang als nodig is; begeleiden vanuit een
multidisciplinair team van geestelijke gezondheidszorg- hulpverleners; zo nodig hulp bieden
bij problemen op andere levensgebieden.
Arbeidsrehabilitatie programma in Vlaanderen:
E.C.HO –project.
Overzichtsschema arbeidstrajectbegeleiding binnen E.C.HO:
66
(Bron: VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)
Het project kan omschreven worden als een gevarieerd geheel van methoden van
arbeidsrehabilitatie. Als doelgroep richt het project op mensen met een psychiatrische
problematiek. Zonder specifieke begeleiding is het voor deze mensen een integratie naar de
arbeidsmarkt vaak niet mogelijk, ook al willen ze zelf terug aan het werk gaan. De meeste
mensen met een psychiatrisch verleden weten immers niet hoe ze hieraan kunnen beginnen of
ze zoeken een job maar haken na korte tijd af.
Het Vlaamse E.C.HO project heeft als doelstelling de deelnemers te helpen om de sociale rol
van werknemer (opnieuw) op te nemen in de maatschappij. Werken in een normale
67
voorziening is in dit verband een belangrijke rol en einddoel van het project. De
projectdoelstellingen zijn wel meer gericht op het proces dan op het eindresultaat. Het project
besteedt veel aandacht aan het proces van de functionele beoordeling en oriëntatie van de
cliënt. Een eerste belangrijke opdracht is samen met iedere deelnemer na te gaan welke
tewerkstellingsdoelen hij of zijn binnen E.CHO wil bereiken. In tweede instantie wordt
nagegaan welke realistische stappen hij of zij hierin verder zou kunnen uitwerken.
Intakefase
Tijdens het eerste gesprek maken de beide partijen kennis met elkaar (begeleider en de
kandidaat deelnemer.). De begeleider tracht de deelnemer informatie over het project
duidelijk te maken. Dit door over de doelstellingen en basisprincipes van het project te
spreken.
In een tweede gesprek wordt ingezoomd op de arbeidsmotivatie en voorkeuren van de
deelnemer. Er wordt ook een inventarisatie gemaakt van zijn mogelijkheden en perspectieven
dit door te spreken over zijn arbeids- en studieverleden, ziekte- en zorggeschiedenis, sociaaleconomisch statuut, juridisch statuut, huidige leef-, woon- en werksituatie.
Tijdens het laatste gesprek van de intake fase komt men tot de beslissing of de kandidaat
instapt in het project. De begeleider gaat na in hoeverre de deelnemer past in het aanbod en
hoe hij het aanbod kan afstemmen op de vraag van de deelnemer.
Oriëntatiecursus
De oriëntatiecursus duurt drie weken en wordt georganiseerd voor een groep van vijf tot tien
cliënten. De cursus heeft tot doel de deelnemers grondig te laten kennismaken met de wereld
van het werk, hen met elkaar ervaringen te laten uitwisselen en hen te stimuleren
vaardigheden te ontwikkelen om aan specifieke problemen het hoofd te bieden. De cursus laat
hen ook een beter inzicht in hun eigen voorkeuren krijgen en bijgevolg een stap verder komen
in hun keuzeproces.
Arbeidstraining
De stap van opname naar werk verkleint door het volgen van een training. De deelnemer
krijgt de kans om in een beschermde omgeving ervaring op te doen en zich voor te bereiden
op het leven als werkende. Basale arbeidsvaardigheden en –attitudes worden ingeoefend
doorheen de training. Mensen die geen werkervaring hebben om op terug te blikken of voor
degene die een lange opname achter de rug hebben, vormt arbeidstraining een zinvolle stap in
68
hun arbeidsbegeleidingstraject. De arbeidstraining bestaat uit twee delen: een werkervaring of
stage (deeltijds werken gespreid over drie maanden) en een vorming(wekelijks).
Stages
Stageperiodes vormen een essentieel onderdeel van de voorbereiding op werk. De
stageperiodes binnen E.C.HO kunnen aansluiten bij verschillende doelstellingen.
Werkbegeleiding.
In deze fase krijgen de cliënten uit de geestelijke gezondheidszorg ondersteuning en
begeleiding bij het werk. Deze fase kan onmiddellijk volgen op de aanmelding/intake kan ook
aansluiten op een lange aanloopfase van training.
Deze fase kan onderverdeeld worden in het zoeken van werk, vinden van werk, en het
behouden van het werk.
Het stimuleren van de zelfstandigheid van de deelnemer staat in de begeleiding centraal. De
taken die de begeleider op zich neemt, worden bepaald door de behoefte aan begeleiding en
ondersteuning van de deelnemer.
In grote lijnen komen de fases van het E.C.HO-project overeen met de manier waarop de
cliënten gestuurd worden in het Arbeidscentrum te Tienen (intakegesprek, planning
arbeidstraject, arbeidstraject zelf met arbeidstraining en werkervaringsstage.)
(bron: VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)
69
Het dynamisch Proceskarakter van arbeidsrehabilitatie ( Door Prochaska en DiClemente in:
VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. 2000)
Innerlijk herstelproces
Stadia van gedrags-, intentie- en
Arbeidstrajectbegeleiding
rolverandering
- attitude
- zelfeffectiviteit
- zelfbeeld
- Attitude t.o.v. arbeid: negatief
Precontemplatiefase:
Informatie geven omtrent de
- Zelfeffectiviteit
- vage intenties
voordelen en de mogelijk
- Zelfbeeld: negatief
- Patiëntenrol: de patiënt is
positieve betekenis van arbeid
inactief, onderneemt geen
voor de patiënt
stappen.
- Attitude t.o.v. arbeid: positief
Contemplatiefase:
Verhogen van de
- Zelfeffectiviteit: laag
- Duidelijkere intenties
zelfeffectiviteit door informatie
- Zelfbeeld: wankel
- Overgangsrol: patiënt
te bieden omtrent de
verzamelt informatie, volgt een
veranderbaarheid van de
oriëntatiecursus of
barrières die de
werkervaringsstage.
gedragsverandering nog
belemmeren
- Attitude t.o.v. arbeid: positief
Actiefase:
Helpen bij het concreet zoeken
- Zelfeffectiviteit: hoger
- Intenties worden omgezet in
naar een job
- Zelfbeeld: positief
gedrag
- De patiënt neemt de
werknermersrol op
- Attitude t.o.v. arbeid: positief
Behoudfase:
Continue begeleiding op afstand
- Zelfeffectiviteit: hoog
- De patiënt behoudt zijn job
inschakelen
- Zelfbeeld: positief
- Rol als werknemer
- Attitude t.ov. arbeid: positief
Terugvalfase:
Continue begeleiding in de
- Zelfeffectiviteit: lager
- De patiënt onderbreekt
nabijheid inschakelen
- Zelfbeeld: wankel
tijdelijk zijn loopbaan
Blijven geloven in de
- Zelfbeeld: negatief
- De patiënt breekt zijn
mogelijkheden van de patiënt
loopbaan definitief af.
70
Methodologie
Uitgaand van het startartikel: psychische aandoeningen en arbeid;een vergelijking van
interventies (SCHENE, A., WEEGHEL, J., KLINK, J., DIJK, F. 2005) is onze
onderzoeksgroep op zoek gegaan naar artikels omtrent dit probleem. De gevonden artikels
hebben we kritisch bekeken aan de hand van de kwalitatieve criterialijsten van Law (LAW,
e.a. 1998)
Er is gezocht naar artikels met wetenschappelijke waarde, met zoektermen zoals; Psychische
aandoeningen, werk, arbeidsrëintegratie, assessmentinstrumenten. Nadat alle leden van onze
onderzoeksgroep informatie hadden verzameld, hebben we deze bekeken op relevantie ten
opzichte van de onderzoeksvraag, en zo verdeeld dat ieder lid van de onderzoeksgroep 3 of 4
onderzoeksinstrumenten kon uitwerken. In dit onderdeel wordt er toegespitst op twee fysieke
assesmentinstrumenten (VCWS, ERGOS). Ook wordt er in dit onderdeel een
assessmentinstrument (Common Protocol) dat kadert binnen een arbeidsrehabilitatie
programma (Employment Intervention Demonstration Program) uitgediept.
Door nog verdere informatie door te nemen en op zoek te gaan naar wetenschappelijke
informatie kwam onze onderzoeksgroep terecht bij het Vlaams Ergotherapeuten verbond,
deze geven een voorstelling van het instrument “MELBA” op een beurs (www.reva.be)
Deze instrumenten worden nader besproken op vlak van inhoudelijke en structurele criteria
voor arbeid. Er wordt besproken of ze valide en betrouwbaar zijn, hoe de procedure van
afname verloopt en of ze bruikbaar zijn voor toepassing in de praktijk van de ergotherapeuten
van het arbeidscentrum.
Resultaten
The Valpar Component Work Samples (VCWS)
Valpar Work Samples meten werkgerelateerde capaciteiten, vaardigheden, kennis en
interesses. In welke functie dan ook, er wordt altijd beroep gedaan op iemands capaciteiten.
Wanneer we werken gaan we denken, voelen en doen op hetzelfde moment. Valpar Work
Samples zijn op deze werkrealiteit gebaseerd.
The Valpar Component Work Samples (VCWS), het VCWS-systeem is ontwikkeld in 1960
en geïntroduceerd in 1973 door Sax; Valpar International Corporation te Tuscon)
71
Valpar is het enige bedijf in het veld van criteriaverwijzend assessment, dat direct gekoppeld
is aan de job-standaarden van het U.S ministerie van arbeid (U.S Department of labor). De
worksamples zijn gebaseerd op industriële tijd standaarden, deze zijn ontwikkeld door MTM
studies (Methods-Time Measurement). Ze zijn ontwikkeld om het werkpotentieel van mensen
te evalueren.
WorkSamples zijn veralgemeende “Work-like” taken (werkelijke of gesimuleerde onderdelen
van werk) die worden toegediend onder specifieke omstandigheden. Ze zijn vaak gebruikt om
personen met fysieke en psychische beperkingen te onderzoeken en te evalueren op vlak van
werk gerelateerd potentieel. (Bron: CURIST, STOELING. 1991)
Het instrument (VCWS) bestaat uit meer dan 20 verschillende WorkSamples (Werkproeven).
Ze zijn zo ontwikkeld dat elke werkproef andere vragen beantwoordt. De werkproeven dienen
daarom geselecteerd te worden.
Elke werkproef is individueel beschikbaar (via het internet te bestellen:
http://www.valparint.com/) en heeft verschillende onderdelen. De werkproeven verschillen
van inhoud en van onderdelen. Sommige proeven zijn verkrijgbaar in koffers met al het
benodigde materiaal, andere werkproeven zijn metalen frames met daarin verschillende
werkpanelen. De werkproeven, onderdelen en handleidingen zijn geschreven in het engels.
Ook de Methods-Time Measurement (MTM) , Learning Curve en het Worker Qualifications
Profile, ter beoordeling van de prestaties zijn in het engels. Over het Europees referentie kader
is er in de bestudeerde literatuur geen informatie te vinden, wel kunnen de resultaten van de
test gekoppeld worden aan de Amerikaanse database met Werktitels.
De werkproeven vertrouwen op criteriaverwijzende testing. Deze testing gebruikt een
objectieve standaard of uitvoeringsgraad. De geëvalueerde is verplicht om zijn bekwaamheid
op dat afzonderlijk niveau te demonstreren door taken uit te voeren bij die
moeilijkheidsgraad. Scores bij criteriaverwijzende testing tonen wat iemand kan doen, niet
hoe ze gescoord hebben in relatie tot de scores van bepaalde groepen of personen (zoals bij
normverwijzende testing).
Er word ook gebruik gemaakt van MTM (Methods-Time Measurement) bij het scoren van de
werkproeven. MTM is een methode van analyseren van de werktaken, om te bepalen hoe lang
een goed getrainde industrieël werker nodig heeft om een bepaalde taak uit te voeren, op een
aanhoudend tempo bij een acht uren werkdag.
72
Er is in de bestudeerde literatuur geen informatie gevonden omtrent de validiteit en
betrouwbaarheid van deze manier van scoren. Wel zijn er MTM standaards beschikbaar
(MTM%) (Bron: BRYAN, B., CHRISTOPHERSON., PH. 1995 )
De VCWS zijn ontwikkeld om op verschillende vragen een antwoord te geven. De
Werkproeven kunnen geselecteerd worden in samenspraak met de cliënt. Het is belangrijk een
relevante werkproef te kiezen voor de cliënt. Bij gebruik van de VCWS is de medewerking
van de persoon en de interactie tussen cliënt en evaluator is essentieel. De Werkproeven zijn
gestandaardiseerd bij verschillende populaties, maar toch mogen er aanpassingen gedaan
worden door de evaluator binnen de uitvoering van de werkproeven.
Alle aanpassingen die gemaakt zijn bij de werkproeven moeten genoteerd worden in de
interpretaties.
De evaluator legt de cliënt uit wat er van hem verwacht wordt. Hij gaat dan het geheel
evalueren en interpreteren. De werkproeven zijn individueel voor de cliënt gekozen, zo dat
hij ze zeker kan uitvoeren,en tegelijkertijd toch een uitdaging zijn. De moeilijkheidsgraad van
de werkproeven hangt af van de mogelijkheden van de cliënt. De duur van afname bij de
Werkproeven is verschillend en wordt bepaald door de inhoud van de werkproef en de
mogelijkheden van de cliënt.
Valpar International geeft handleidingen uit bij elke werkproef. Elke handleiding presenteert
de achtergrond en het doel van de werkproef. Verder geeft de handleiding het algemeen
beleid, scoring, instructies naar de cliënt toe, weer. De handleidingen presenteren ook een
beschrijving van de werkgroep waar de proef zich het meeste mee verhoudt. Uit de literatuur
kon niet worden opgemaakt of de scoring gemakkelijk of moeilijk te doen is en of deze veel
tijd in beslag neemt, er worden geen voorbeelden aangehaald.
Wanneer de VCWS gebruikt worden is het essentieël om de persoon zijn vertrouwen te
winnen en te kunnen samenwerken. Werkproef testing is een interactieve evaluatie manier en
de interactie tussen de cliënt, de evaluator en de werkproef is erg belangrijk. Op die manier
draagt het testen ook bij aan de zelfwaarde van de persoon.
Er is in de bestudeerde literatuur geen relevante informatie gevonden omtrent de non-respons.
De VCWS gaan vooral onderzoek verrichten naar het fysieke welzijn en het fysiek
functioneren .
Voorbeelden van onderdelen die door de VCWS worden onderzocht:
73
VCWS04: Range of Motion van de bovenste ledematen, en werktolerantie in het
bovenlichaam, VCWS11: Oog-hand-voet coördinatie, de mogelijkheid om de ogen te
bewegen, handen en voeten gecoördineerd.
Enkele van de VCWS leveren ook onderzoek naar interpersoonlijk en cognitief functioneren.
Voorbeelden van onderdelen die door de VCWS worden onderzocht:
VCWS06: Zelfstandig probleemoplossend vermogen, de mogelijkheid om aandacht te
schenken aan details., VCWS14: Integratie tussen werknemers, om de interactie tussen
werknemers te stimuleren, VCWS02: Discriminatie van grootte.
Common Protocol
Employment Intervention Demonstration Program (EIDP) Common Protocol is opgestart in
1995 door Coordinating center staff op de universiteit van Chicago, meer bepaald in het
Human Services Research Institute, EIDP project. Het Common protocol is een
assessmentinstrument dat ontwikkeld is om informatie te verzamelen van de deelnemers van
het EIDP. Deze meervoudige onderzoeksstudie combineert innovatieve programma’s die
werkrehabilitatie combineren met klinische diensten en hulp, voor personen met geestelijke
gezondheidsproblemen.
Het Common Protocol gaat informatie verzamelen van de deelnemers. Het bestaat uit
verschillende onderdelen (Baseline interview, Six month interview, clinical reporting form,
employment tracking forms) Het baseline interview word afgenomen wanneer de cliënt start
met de studie. Het onderzoekt componenten zoals de klinische kenmerken, psychosociale
status, demografische karakteristieken van de deelnemers van het EIDP. Dit gebeurt aan de
hand van een vragenlijst.
De assessmentdocumenten van het EIDP zijn verkrijgbaar op de site van de studie
(http://www.psych.uic.edu/eidp/default.htm). De documenten en de bijhorende handleiding
zijn daar aanwezig om te downloaden. De vragenlijsten van het Common Protocol zijn in het
engels geschreven, alsook de bijhorende handleidingen. Alvorens te kunnen beginnen met de
vragenlijsten zal de instructiebundel doorgenomen worden, hierin staan aanwijzingen voor het
afnemen van de vragenlijsten.
74
Het Common Protocol van het EIDP bevat gestandaardiseerde instrumenten die frequent
gebruikt worden in evaluaties van personen met ernstige geestelijke gezondheidsproblemen:
Positive and Negative Syndrome Scale (PANSS), Rosenberg Self-Esteem Scale, The medical
Outcomes Study Short Form-36 (SF-36), The Quality of Live Interview (QOLI)
Het protocol bevat ook enkele instrumenten die speciaal voor het EIDP zijn ontwikkeld
(Schalen die onderzoek gaan doen naar werkmotivatie en het verkeerd beeld van sociale
zekerheids voordelen)
Voordat er gestart kan worden met het afnemen van de vragenlijst (Baseline interview) van
het Common Protocol hebben er zeker twee voorgaande ontmoetingen hebben
plaatsgevonden met de cliënt. Waarin er besproken is wat de bedoeling is van de studie, wat
de participatie van de cliënt inhoudt, waarin er vragen kunnen beantwoord worden en een
toestemming is ondertekend.
De persoon die de vragenlijsten afneemt gaat zich voorbereiden door het lezen van de
instructiebundel. Hierin wordt beschreven hoe de ondervrager de vragen gaat aanduiden en op
welke manier ze worden aangebracht.
De vragenlijst wordt ingevuld door de ondervrager. Het is niet moeilijk om in te vullen. Er
moeten enkel keuzes aangeduid worden die door de cliënt worden aangegeven.
De duur van de afname van de vragenlijst is afhankelijk van de cliënt, er is geen meting van
de tijd of bepaalde tijdslimiet. Over het verwerken en de duur van de verwerking van de
resultaten is er in de bestudeerde literatuur niets te vinden.
Veel items in het Baseline interview zijn persoonlijk en zullen voor sommige deelnemers
opdringerig overkomen. Het is daarom belangrijk om een goede relatie te onderhouden met de
deelnemer. Het strikt vertrouwelijke karakter van de studie zal de ondervraagden meer op hun
gemak doen voelen wanneer ze hun persoonlijke informatie delen met de afnemer van de test
(COOK, J., MC HUGO, G., SALYERS, 2001)
Er worden doorheen de vragenlijst verschillende criteria voor arbeid aangehaald
- Alcohol en drugsgebruik, demografische kenmerken, woonsituatie, financiën, vorige
werkgeschiedenis, vorige werktraining, werkinteresse, werkmotivatie, fysieke gezondheid,
quality of life, zelfvertrouwen, niveau van functioneren, klinisch, medicatie, sociale
vaardigheden.(Bron: Cliënt Baseline interview, Center for Mental Health Services, Substance
Abuse and Mental Health Services Administration.)
75
ERGOS Work Simulator
The ERGOS work simulator is ontwikkeld in 1986 door Simwork Systems, Tuscon.
Het concept van de ERGOS worksimulator is gebaseerd op de arbeidswerkelijkheid en ten
opzichte van dit concept is de methode van onderzoek consistent. De ERGOS is volledig
gebaseerd op het principe van arbeidssimulaties.
De testen van de ERGOS worksimulator bestaan uit werkactiviteiten, het is een volledig
geautomatiseerde test die uit 5 testpanelen bestaat. Op deze panelen worden de belangrijkste
en meest voorkomende werkgerelateerde krachten gemeten, in houdingen zoals deze ook
daadwerkelijk op het werk voorkomen.
Het systeem is een zogeheten stand-alone netwerk dat bestaat uit 6 computers, waarvan een
computer als “master” dienst doet. Op de master worden alle testdata verzameld en bewerkt.
Rapporten worden automatisch gegenereerd en geven de testresultaten o.a. op verschillende
manieren grafisch weer. Aan de onderzoeker zowel als de cliënt kan desgewenst
onmiddellijke feedback worden geboden op de testprestaties. Gestandaardiseerde instructies
worden geschreven, gesproken en ondersteund met pictogrammen. Met behulp van barcode
technologie kan de onderzoeker zijn/haar observaties gemakkelijk en gestandaardiseerd
verwerken.
De ERGOS worksimulator is een instrument dat meteen gebruiksklaar is, het is
computergestuurd. Het is wel zo dat de ERGOS worksimulator een grote ruimte in beslag
neemt en niet kan worden meegenomen op verplaatsing. Het instrument kan tot 5 personen
tegelijk testen, de computer verwerkt de gegevens.(Bron:
http://www.wrebv.com/frset_ergos_go_n.htm )
Voor het kunnen bepalen van de betrouwbaarheid van de (objectieve) testresultaten en van de
(subjectieve) klachtenbelevingen die door de cliënt gemeld worden, gaat men meerdere
invalshoeken in samenhang met elkaar gebruiken. De objectieve meetgegevens worden
gevormd door de testresultaten. De door de cliënt gemelde klachten tijdens het onderzoek
(psychofysische data) worden beschouwd als additionele informatie en hebben geen invloed
op de testresultaten.
76
De meettestresultaten worden uitgebreid onderzocht op hun betrouwbaarheid (interne
consistentie) getoetst door middel van analyses van:
Grafisch verloop van resultaten (grafiekvormen), correlatie tussen subtesten (intra test
resultaten), correlatie tussen verschillende testen (inter test resultaten), consistentie links
rechts verschillen, consistentie maximum en gemiddelde prestaties, verloop hartfrequentie en
bloeddruk, standaarddeviaties en variantie coëfficiënten, (logica) tijdsverhoudingen bij test en
retest(en)
De objectieve data worden na analyse op hun eigen interne consistentie vervolgens ook
geanalyseerd op hun consistentie met: de psychofysische (subjectieve) data van de
klachtenbeleving van de cliënt en de observaties van de onderzoeker.
Op deze manier wordt op de ERGOS Werk Simulator structureel aandacht besteed aan de
interne consistentie (meetgegevens) en aan de externe consistentie (hoe verhouden de
meetgegevens zich ten opzichte van de psychofysische data.)
Of er begeleiding nodig is voor het afnemen van de testen van de ERGOS worksimulator is
onduidelijk en niet te vinden in de bestudeerde literatuur.
Het afnemen van alle onderdelen van de ERGOS worksimulator duurt 4u, het verwerken van
het rapport van de ERGOS duurt 40 minuten. Dit rapport zal naderhand ook met de cliënt
besproken worden.
Bij de ERGOS worksimulator gaat het over de fysieke aspecten van arbeid, en komt het
stellen van vragen niet aan bod.
De fysieke aspecten die aan bod komen zijn: werken met armen, handen en vingers,
werkgerelateerde arbeidshoudingen, lichaamsflexibiliteit en –mobiliteit,
uithoudingsvermogen, duurbelastbaarheid, bewegingssnelheid en –nauwkeurigheid, statische
en dynamische kracht en dragen.
77
Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit (MELBA)
“Melba” is een duitse afkorting die staat voor “Merkmale zur Eingliederung von
Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit.” Naar het nederlands vertaald betekent dit
evenveel als “Profielkenmerken voor de arbeidsintegratie van mensen met beperkingen”
Het melba-systeem is sinds 1986 in ontwikkeling. MELBA werd in opdracht van het
"Bundesministeriums für Arbeit und Sozialordnung" ontwikkeld. (Federaal Ministerie voor
werk en sociale orde). Dit gebeurde in Duitsland, aan de Universiteit van Siegen. Het
instrument is in 2001 vertaald naar het Nederlands.
Personen die na een langdurende periode terug aan het werk willen gaan komen vaak een
heleboel problemen tegen op de weg naar arbeid. Het vinden en kunnen behouden van een
job, is voor deze mensen van groot belang. Het is een belangrijk aspect, om te reïntegreren in
de maatschappij. Deze integratie is zeker belangrijk voor personen die langdurig ziek zijn
geweest.
Het is belangrijk om een duidelijk zicht te hebben op de mogelijkheden van de persoon, op
vlak van arbeid. Het melba systeem gaat enerzijds kijken naar de arbeidsmogelijkheden van
de cliënt. Anderzijds is het belangrijk een zicht te krijgen op de eisen van de functie aan de
cliënt vereist. Ook hierop kan het melba systeem een antwoord geven.
MELBA is een systeem waarmee de mogelijkheden van een persoon getest kunnen worden.
Ook kan men met melba de eisen van een functie onderzoeken
Het systeem bestaat uit een capaciteiten- en een eisenprofiel. Capaciteiten van de persoon, en
eisen van de uit te voeren functie. Wanneer er een vergelijking van deze profielen gemaakt
word kan de cliënt op een adequate manier over de keuze van job geadviseerd worden.
De 29 items die bij het melba systeem beoordeeld worden zijn ondergebracht in
sleutelkwalificaties (cognitieve aspecten, sociale aspecten, uitvoeringsaspecten,
psychomotorische aspecten en communicatieve aspecten)
78
Cognitief
Sociaal
Uitvoering
Psychomotorisch
Communicatief
Werkplanning
Doorzettings-
Uithoudings-
Energetische inzet Lezen
vermogen
Vermogen
Bevattingsvermogen Leiderskwaliteit
Kritische controle
Fijne Motoriek
Rekenen
Oplettendheid
Frustratietolerantie
Reactiesnelheid
Schrijven
Contactvaardigheid
Concentratie-
Kritisch
vermogen
beoordelen
Leren/onthouden
Ontvangen van
Ordenend vermogen
Spreken
Stiptheid
kritiek
Probleemoplossing
Teamwork
Zelfstandigheid
Omschakeling
Zorgvuldigheid
Voorstellings-
Verantwoording
vermogen
(Bron: RADEMAKERS, H. 2005, http://www.melba.nl/ )
Het Melba systeem bestaat uit :een handboek (dit bevat de definities van de capaciteiten en
eisen), de Melba software, een SL-versie (Stark Leistungsbeeinträchtigten), IDA
(Instrumentarium zur Diagnostik von Arbeidsfähigkeiten).
De melba software is in een basisversie beschikbaar, maar kan ook met aangevuld worden
met extra modules: „MELBA SL voor capaciteiten“, „MELBA Mobiel“ voor flexibel gebruik,
bijvoorbeeld wanneer u op verschillende werkplekken profielen opstelt, „MELBA Talen“,
allereerst Nederlands, Italiaans, Slowaaks en Litouws, „MELBA SL voor eisen“
De basisversie MELBA 2.0 kost in de stand-alone versie vanaf € 395,- en in de netwerkversie
vanaf € 595,-. Bij meerdere toepassers (stand-alone en netwerk ) wordt de prijs steeds iets
hoger. (bron: http://www.melba.nl/ )
De aspecten die aan bod komen bij de beide profielen zijn zorgvuldig en betrouwbaar
gedefinieerd, zodat verschillende gebruikers, met een verschillende achtergrond en in
verschillende werksituaties het systeem eenduidig kunnen interpreteren en tot vergelijkbare
resultaten kunnen komen. Om deze test valide en betrouwbaar te maken is het vereist dat de
afnemer van de test een opleiding gevolgd heeft. Het gebruik van Melba is bijgevolg
79
voorbehouden aan personen die een opleiding gevolgd hebben, en hiervoor een licentie
hebben (voor meer informatie zie www.melba.nl : softwaretraining). De opleidingen kan men
zowel in Duitsland als in Nederland volgen. Deze opleiding is kostelijk (1500euro) en vereist
om de drie jaar een update.
De duur van de Melba afname is afhankelijk van verschillende factoren. De kennis, ervaring
van de afnemer: hoe vaker de Melba afgenomen wordt, hoe sneller dit kan. Ook is de
afnameduur afhankelijk van de bronnen die gebruikt worden (gaat de afnemer enkel af op wat
de cliënt in kwestie zegt of gebruik de afnemer ook andere bronnen)
Voor elke bron wordt een Melba score gegeven, waarvan de afnemer dan uiteindelijk een
gemiddeld cijfer krijgt. Er wordt per bron een half uur voor de afname geteld. Daarbij komt
ook nog een half uur tot een uur voor de verwerking.
De afname is op zich niet moeilijk. Belangrijk is om de begripsdefiniëring onder de knie te
krijgen daar er in de Melba termen niet altijd hetzelfde bedoelt wordt als er in de
“volksmond” bedoelt wordt met hetzelfde begrip. Ook het onder de knie krijgen van een
waarde gevoel bij de cijfers vraagt tijd. Daarom dient men een opleiding te volgen. De afname
kan verbaal gebeuren (bij verschillende bronnen), aan de hand van medische gegevens of
indien er te weinig informatie voorhande is over bepaalde aspecten kan de IDA afgenomen
worden. IDA (Instrumentarium zur Diagnostik von Arbeitsfähigkeiten) is een instrument dat
bestaat uit een veertiental arbeidsvaardigheidsproeven van verschillende moeilijkheidsgraad
waarvan na afname de resultaten makkelijk vertaalbaar zijn naar Melba cijfers).
Het Melba systeem is ingedeeld in 2 delen; het capaciteitenprofiel en het eisenprofiel.
Het capaciteitenprofiel.
De verschillende sleutelkwalificaties die belangrijk zijn wanneer iemand terug arbeid gaat
verrichten, zijn deze die bij het capaciteitenprofiel aan bod komen (zie boven).
De vaardigheden waarover een persoon beschikt, worden op een vijfpuntsschaal gescoord. De
mogelijkheden van het capaciteitenprofiel van het Melba systeem zijn uiteenlopende: Er gaat
op een gestandaardiseerde manier gezocht worden naar de mogelijkheden van de persoon om
tot een optimaal functioneren te komen. Hierbij gaat er gecommuniceerd worden over de
zwakke en sterke punten van de cliënt (met cliënt zelf, begeleiders, werkgever,…). Op die
manier gaat men systematisch een planning opmaken (in verband met begeleiding, training, te
80
stellen eisen,…). Deze planning wordt doorheen de ontwikkeling gevolgd en het resultaat van
de maatregelen wordt geëvalueerd. Ook wordt er een vergelijking gemaakt tussen de
inschatting van de cliënt zijn eigen mogelijkheden en de mening van anderen.
Het eisenprofiel
Wanneer we spreken over het eisenprofiel, gaat het over de criteria die belangrijk zijn voor
een bepaalde functie. Ook hier gaat er op een vijfpuntsschaal worden gescoord, er wordt
gekeken welke taakeisen in welke mate vereist worden.
Een voordeel van het eisenprofiel is dat, onafhankelijk van de branche waartoe de functie
behoord, de taakeisen van een bepaalde functie geanalyseerd kunnen worden.Ook de
mogelijkheden van het eisenprofiel zijn uiteenlopend: men gaat op een gestandaardiseerde
manier de eisen van een functie documenteren. Wanneer deze punten duidelijk zijn kan
hierover gecommuniceerd worden en kunnen de verschillende werkplekken vergeleken
worden op basis van hun taakeisen. Op die manier kan men een functie vorm geven met de
nodige eisenstructuur.
De profielvergelijking
Het verwerken van de resultaten van de beide profielen gebeurd door gebruik te maken van
een profielvergelijkingssyteem (Van HOOFF, M., Bos, P. 2004.) Dit is mogelijk omdat de
beide profielen op een identieke manier opgebouwd zijn. Men gaat de twee profielen over
elkaar leggen en vaststellen bij welke aspecten de mogelijkheden van de cliënt
overeenstemmen met de eisen van de functie. Discrepanties kunnen op een
profielvergelijkingsformulier vastgelegd worden.
Op deze manier kan er onderzocht worden of een functie voor een bepaalde cliënt geschikt is
en om zo aan de hand van de mogelijkheden van de cliënt een functie of taak te selecteren. Zo
kunnen er ook gerichte plaatsingsmaatregelen genomen worden, of veranderingen worden
doorgevoerd.
Discussie
Doorheen het proces van zoeken naar een bruikbaar onderzoeksinstrument zijn er toch een
aantal punten die in beschouwing moeten genomen worden. Als eerste punt dient er bij de
Valpar Componend Worksamples rekening mee gehouden te worden dat de werkproeven,
81
onderdelen en handleidingen zijn geschreven in het engels. Er is bij deze test ook geen
informatie beschikbaar over het Europese referentie kader, de resultaten van de test worden
gekoppeld aan een database met standaarden uit Amerika. Daarbij kan de vraag gesteld
worden of dit vergelijkbaar is met Europa. Daarbij komt ook nog dat enkele onderdelen van
de test moeilijk verplaatsbaar zijn. Uit de bestudeerde literatuur kan niet opgemaakt worden
hoe de scoring gebeurt en hoeveel tijd dit in beslag neemt. Dit heeft ook te maken met het
punt dat er weinig bruikbare literatuur over te vinden is. Verder scoort de test vooral naar
fysiek welzijn en fysisch functioneren omtrent arbeid en niet zozeer naar andere aspecten van
arbeid (zoals psychologisch welzijn en psychisch functioneren, beroepsfunctioneren,
interpersoonlijk functioneren, …)
Bij het Common Protocol dient er rekening gehouden te worden met het feit dat deze
vragenlijst(en) een onderdeel zijn van een rehabilitatieprogramma in Chicago en dus eigenlijk
ook hiervoor opgesteld zijn en onlosmakend hiermee verbonden zijn. Belangrijk om te
vermelden is ook dat het Common Protocol een vragenlijst is, die de deelnemers naar believen
kunnen invullen. Er is weinig tot geen informatie beschikbaar over hoe de resultaten gescoord
en geïnterpreteerd worden. De vragenlijst is opgesteld in het Engels en er is geen vertaling
beschikbaar, ook in verband met het Europese referentie kader is er geen informatie
beschikbaar. Er zijn bij het afnemen van het Common Protocol extra ontmoetingen met de
cliënt nodig, om de studie te verduidelijken en vragen te stellen over de participatie van de
cliënt. Sommige vragen uit de lijst kunnen opdringerig overkomen naar de cliënt, hiervoor is
een goede relatie met de cliënt van belang. Het opbouwen van een goede cliënt therapeut
relatie kost tijd. De vragen uit de lijst niet specifiek gericht naar het arbeidsfunctioneren, maar
eerder algemeen gesteld.
Over de ERGOS kan besloten worden dat er een heleboel positieve kenmerken aanwezig zijn
(scoring, eenduidige resultaten,…), maar toch dient er rekening mee gehouden te worden dat
deze test enkel onderzoek verricht naar fysieke aspecten en dat de ERGOS niet voldoet aan de
criteria van de onderzoeksvraag (arbeidsvaardigheden en werkattitude). Ook is het een groot
instrument dat niet verplaatsbaar is, dat kan zeker een minpunt zijn voor onderzoekers. Het
instrument is ook onpersoonlijk (computer) en er is dus geen interactie met de onderzoeker.
Ook heeft eventuele belangrijke additionele informatie of observaties geen enkele invloed op
de testresultaten.
82
Bij het MELBA instrument zijn er weinig negatieve punten bespreekbaar. Wel dient men
rekening te houden met de kostprijs, die voor het basispakket +/- 400 euro kost. En daarbij
komt ook nog een kostelijke opleiding. Informatie over hoe er onderzoek gedaan is over de
betrouwbaarheid en validiteit is niet gevonden in de bestudeerde literatuur.
Conclusie
De Valpar Componented Worksamples is een fysiek gerichte test (staan;lopen, bukken,
knielen, hurken, reiken, hand- en vingervaardigheid wordt getest) met ook enkele inter- en
intrapersoonlijke (probleemconceptualisatie, zelfvertrouwen, frustratietolerantie,
taakconcentratie) en cognitieve aspecten(algemene (leer)aanleg, verbale aanleg, numerieke
aanleg, ruimtelijk inzicht, vormperceptie, administratief inzicht). Met de werkgerelateerde
proeven krijgt de tester een duidelijk beeld van hoe de cliënt zou presteren in een werkomgeving. Maar niet alle belangrijke aspecten van arbeid komen in dit aspect aan bod
(Psychologisch welzijn en psychisch functioneren, ziekte-inzicht, zelfzorg en onafhankelijk
functioneren, rollen, beroepsfunctioneren, algemene levenskwaliteit, het is niet volledig
genoeg voor onze onderzoeksgroep.
Een aantal componenten van deze test zijn zeker bruikbaar (inter en intra-persoonlijke
aspecten, cognitieve aspecten), maar verder onderzoek op dit vlak is zeker essentieel.
Het Common Protocol van het EIDP is een vragenlijst die scoort naar een aantal goede
aspecten van arbeid, die te vinden zijn in het Cliënt Baseline interview. Dat de vragenlijst vrij
beschikbaar is op het internet is ook een pluspunt. Minder positief is dat er weinig informatie
beschikbaar is over hoe de test gescoord moet worden, en dat het een vragenlijst is. De
ondervraagden kunnen op de vragen in de lijst naar believen antwoorden. Er zijn goede
elementen aanwezig in de vragenlijst (het gebruiken van bekende en veel gebruikte
instrumenten). Maar de vragen zijn niet specifiek genoeg toegespitst op de aspecten waar deze
onderzoeksgroep naar op zoek is omdat de vragen algemeen gesteld worden en men daardoor
enkel een oppervlakkig beeld van de cliënt krijgt.
De ERGOS worksimulator is een testintrument met een hoge wetenschappelijke waarde. De
testmogelijkheden op fysiek vlak zijn uitgebreid. Onze onderzoeksgroep is op zoek naar een
83
onderzoeksinstrument dat aan meer aspecten van arbeid (mentale aspecten, inter- en
intrapersoonlijke aspecten, cognitief functioneren, …) voldoet dat dit instrument. Daarom is
dit instrument niet 100% bruikbaar voor onze werkgroep. Ook de hoge kost en niet kunnen
verplaatsen van dit meetinstrument is een nadeel. Verder onderzoek naar instrumenten met
meer mogelijkheden is van belang.
‘MELBA’ is een systeem met een heleboel mogelijkheden, omdat dit systeem peilt naar een
heleboel goede kenmerken van arbeid (die onderverdeeld zijn onder: Cognitief, Sociaal,
uitvoering, psychomotorisch, communicatief). Deze zijn terug te vinden in de 29 items, van
de sleutelkwalifitaties. Op het eerste zicht is deze test geschikt voor naar wat onze
onderzoeksgroep op zoek is. Maar daarbij moet wel rekening gehouden worden met het punt
dat deze test niet bekeken is kunnen worden, en er niet zoveel Nederlandse literatuur over
beschikbaar is. Het zou dus goed zijn om nog extra informatie te kunnen verkrijgen over het
melba systeem.
Uit dit literatuuronderzoek naar bruikbare en valide assessment instrumenten voor personen
met psychosociale problematiek die het werk terug willen hervatten kunnen we besluiten dat
er een heleboel instrumenten beschikbaar zijn, het één al meer bruikbaar dan het andere.
De test “MELBA” is op het eerste zicht het meest bruikbaar voor gebruik in het
arbeidscentrum te Tienen.
MELBA is aangepast aan het Europeese referentiekader en is vertaald naar het engels. Verder
zijn de competenties voor arbeid duidelijk omschreven in de sleutelkwalificaties. Ook word er
rekening gehouden met de jobvereisten en kan de profielvergelijking hierin een duidelijk
overzicht scheppen.
Verder moeten we wel aangeven dat het ERGOS instrument en The Valpar Componented
Worksamples ook zeer bruikbare tests zijn binnen het gebied ergotherapie, in het domein van
de fysiekgerichte ergotherapie . Ze onderzoeken naar meer fysieke aspecten van arbeid.
Daarom zouden binnen een andere setting deze instrumenten zeker ook bruikbaar kunnen zijn.
Het ERGOS instrument is voorzien van een éénduidige scoring en geeft de resultaten
objectief weer.
84
Referenties
BAWETT, T., KING, P., TUCKWELL, N. A Critical Review of Functional Capacity
Evaluations. In: Physical Therapy . Volume 78 . Number 8, (1998)
BRYAN, B., CHRISTOPHERSON., PH. Valpar and Methods-Time Measurement (MTM).
In: Valpar Views en News, Vol 1, No1 (1995)
COOK, P., e.a., Effects of Job Development and Job Support on Competitive Employment of
Persons With Severe Mental Illness. In: http://ps.psychiatryonline.org. Volume. 56 No. 10
(2005)
COOK, P., e.a., Integration of Psychiatric and Vocational Services: A Multisite Randomized,
Controlled Trial of Supported Employment. In: American Journal of Psychiatry. (2005), 162,
1948–1956
COOK, J., MC HUGO, G., SALYERS, M., Reliability of Instruments in a Cooperative,
Multisite Study: Employment Intervention Demonstration Program. In: Mental Health
Services Research. Volume 3, No. 3 (2001), 129-139.
CURIST, STOELING. Vocational evaluation of persons with disabilities: A summary of
experience and research with the valpar componented work samples. In: guidance &
counselling. Volume 6, No 4.
(1991)
ELLIS, J., HARKESS,J., JACKSON, M., Reporting Patients' Work Abilities: How the Use of
Standardised Work Assessments Improved Clinical Practice in Fife. In: British Journal of
Occupational Therapy. Volume 67, No 3 (2004), 129-132.
FRINGS-DRESEN, M., KUIJER, P., RUSTENBURG, G., The Concurrent Validity of the
ERGOS™ Work Simulator and the Ergo-Kit® with Respect to Maximum Lifting Capacity.
In: Journal of Occupational Rehabilitation. Volume 14, No 2 (2004), 107-118.
GIBSON, L., STRONG, J. A conceptual framework of functional capacity evaluation for
occupational therapy in work rehabilitation. Department of Occupational Therapy, The
University of Queensland, Brisbane, Queensland, Australia (2001)
KAISER, H., KERSTING, M., SCHIAN, H. The value of the ERGOS work simulator as an
element of capacity diagnostic judgement. In: Rehabilitation. Volume 39, No 3 (2000) 175184.
LAW, M., STEWARD.D., POLLOCK, N., LETTS, L., BOSCH, J., WESTMORELAND, M.
Critical Review Form – Quantitative Studies. (1998)
85
LEE, G., CHETWYN, C., CHAN, H. Work profile and functional capacity of formwork
carpenters at construction sites. In: Disability and rehabilitation. Volume 23, No 1(2001), 914.
PIETERS,G., VAN DER GAAG,M. In: Rehabilitatiestrategieën. 2000
PITTELJON,G., SOENEN, K., VANHAECKE, J. Arbeidsrehabilitatie in Vlaanderen. In :
Maandblad Geestelijke volksgezondheid. Volume 54 (1999), 765-770
RADEMAKERS, H. Projectplan MELBA. UVW Arnhem. Juli 2005.
RAAIJMAKERS, M. De smaak van Melba bij Prismaas. Centrum voor arbeidsreintegratie
prismaas
SHENE,A., HENSELMANS, H., Psychiatrische rehabilitatie in Nederland en Vlaanderen. In:
maandblad Geestelijke Volksgezondheid. Volume 54 (1999)
VAN HOOFF, M., BOS, P. MELBA, Een arbeids(re)integratiemethode. In: tijdschrift voor
ergotherapie. Volume 5, 2004
VAN HOOFF, M., BOS, F. Kwaliteit van interventies in het rehabilitatieproces in onderzoek
en ontwikkeling. Tijdens: congres; “rehabilitatie als maatschap”. 2004
VAN AUDENHOVE, C., VAN ROMPAEY, I., DE COSTER, I., LISSENS, G. In: Op weg
naar werk. 2000
VAN WEEGHEL, J., MICHON, H., KROON, H., Arbeidsrehabilitatie vanuit een ggz-team.
In: maandblad geestelijke volksgezondheid, volume 57 (2002)
Via WWW:
http://pareonline.net/getvn.asp?v=5&n=2
http://www.psych.uic.edu/eidp/default.htm
http://www.valparint.com/wsstudy.htm
http://www.eega.nl/adacwerknemer.php
http://www.melba.nl/
http://ergos.deds.nl/exp/index.php?lng=nl
http://www.wrebv.com/frset_ergos_go_n.htm
86
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Vocational Assessment Protocol (VAP)
Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS)
Worker Role Interview (WRI)
door Kim Metten
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
87
Trefwoorden: matig tot ernstige psychische aandoeningen, arbeidsreïntegratie (work
rehabilitation), assessmentinstrumenten, vocational rehabilitation, psychometrische
eigenschappen,
Vocational Assessment Protocol (VAP)
Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS)
Worker Role Interview (WRI)
Starttekst
Psychische aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies
Aart Schene, Jaap van Weeghel, Jac van der Klink en Frank van Dijk (2005, Psychopraxis)
Onderzoeksvraag
Valide en betrouwbare instrumenten vinden die het arbeidsfunctioneren van een persoon met
een matig tot ernstige psychische aandoening objectief kunnen meten in een
ergotherapeutische setting.
Abstract
DOEL Literatuuronderzoek naar valide en betrouwbare instrumenten die het
arbeidsfunctioneren van een persoon met een matig tot ernstige psychische aandoening
objectief kunnen meten in een ergotherapeutische setting . Het instrument wordt afgenomen
als men de cliënt nog niet aan het werk heeft gezien en het beoordeelt relevante
arbeidsvaardigheden.
METHODE Bezoek aan het arbeidscentrum in de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen
in Tienen waar de werking van het arbeidscentrum en de onderzoeksvraag werd weergegeven.
Doorzoeken van databanken, elektronische tijdschriften, wetenschappelijke internetsites en
zoekmachines met betrekking tot de onderzoekscriteria. Uiteindelijk werd een selectie
gemaakt van instrumenten die verder onderzocht werden door de studenten van de
onderzoeksgroep. Dit deel van het onderzoek omvat het Vocational Assessment Protocol
(VAP), de Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS) en de Worder Role Interview (WRI)
88
RESULTATEN De algemene gegevens, het doel, de soort of vorm, de verkrijgbaarheid, de
methodologische kwaliteit, de hanteerbaarheid en de normgegevens van het VAP, de VCRS
en de WRI worden bij de resultaten weergegeven.
CONCLUSIE Geen enkel van de onderzochte instrumenten voldoet volledig aan de
onderzoeksvraag. Het VAP en de VCRS worden onder andere beiden afgenomen wanneer
men de cliënt al aan het werk heeft gezien en de WRI beoordeelt geen relevante
arbeidsvaardigheden. De VAP, de VCRS noch de WRI zijn dus niet geschikt om, in het
arbeidscentrum van Tienen, het arbeidsfunctioneren van een cliënt objectief te meten wanneer
men de cliënt nog niet aan het werk heeft gezien.
Inleiding
De onderzoeksgroep heeft gezocht naar een instrument met de volgende criteria. Het
instrument geeft het niveau van arbeidsfunctioneren weer wanneer men de cliënt nog niet aan
het werk heeft gezien. Op basis van het resultaat dat komt uit dat assessment kan er eventueel
een doelgerichte arbeidstraining worden opgestart. Momenteel gebeurt het hierboven
beschreven traject niet omdat de assessmentlijst die momenteel gebruikt wordt in het
arbeidscentrum (aangepaste GES) het niet mogelijk maakt om het niveau van functioneren te
bepalen zonder dat de cliënten enkele weken aan het werk zijn. Het is dan ook moeilijk om
een aantal cliënten te motiveren voor een arbeidstraining hoewel ze het toch nodig hebben.
Het instrument is ontwikkeld voor cliënten met een matig tot ernstige psychische aandoening,
is bruikbaar binnen een ergotherapeutische setting, is afneembaar door een ergotherapeut,
heeft een goede wetenschappelijke waarde en het assessment beoordeelt relevante
arbeidsvaardigheden. In het kader van relevante arbeidsvaardigheden heeft het volgende
project onderzoek uitgevoerd.
ATLAS is de afkorting van woorden die de zoektocht aangeven van mensen met een handicap
naar een rechtmatige plaats in de arbeidsmarkt. Het hoofddoel van het ATLAS-project is een
perspectief op Europese schaal ontwikkelen voor het evalueren en het aanleren van sociale
vaardigheden bij mensen met een verstandelijke handicap in de context van de gewone
arbeidsmarkt.
Arbeidsmarktgerelateerde sociale competenties zijn competenties die bestaan uit een
integratie van kennis, vaardigheden, attitude, persoonlijke trekken en ervaring. Ze stellen
cliënten in staat om sociaal te presteren op een gepaste manier, in een bepaald beroep en in
89
een bepaalde context. De ATLAS-partners voerden een enquête uit bij werkgevers om na te
gaan welke sociale vaardigheden zij belangrijk achtten. De resultaten van de enquêtes
resulteerden in een lijst van ‘sociale sleutelvaardigheden’, bijzonder belangrijke vaardigheden
om met succes deel te nemen aan het arbeidsproces.
In bijlage 1 vindt u een overzicht van de 7 arbeidsmarktgerelateerde sociale competenties
en de bijhorende 62 vaardigheden. De sociale sleutelvaardigheden zijn gearceerd.
(uit VAN HAMOND B., HACCOU R., 2006)
Methodologie
Deze werkgroep is begonnen het lezen van de starttekst en heeft vanuit de referenties ervan 2
artikels over arbeidsrehabilitatie gezocht. Deze werden kritisch bekeken aan de hand van de
kwalitatieve criterialijsten van Law ea.
Vervolgens zijn we op 13 november 2006 naar de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen
te Tienen geweest. Daar werd uitleg gegeven over het arbeidscentrum en de
arbeidstrajectbegeleiding van cliënten met een matig tot ernstige psychische aandoening. Na
de voorstelling en een weergave van hun onderzoeksvraag is er algemeen literatuuronderzoek
uitgevoerd. Er werd aan de hand van de criteria op databanken gezocht naar instrumenten.
De gevonden instrumenten werden verdeeld onder de studenten van de onderzoeksgroep.
Iedere student onderzocht enkele instrumenten verder door het opzoeken, lezen, analyseren en
bekritiseren van wetenschappelijke literatuur. Dit onderdeel van het onderzoek omvat het
Vocational Assessment Protocol (VAP), de Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS) en de
Worker Role Interview (WRI).
Resultaten
Vocational Assessment Protocol (VAP)
Het Vocational Assesment Protocol (VAP) is ontwikkeld door Thomas Dale F. en werd
uitgegeven in 1996 in de USA in Menomonie. Het Vocational Assessment Protocol (VAP) is
een profiel over de functionele vaardigheden van arbeids-gerelateerde factoren. Het werd
ontwikkeld voor zowel arbeidsrehabilitatie van personen met een traumatische hersenletsel als
90
voor traditionele arbeidsassesmentstrategieën en –benaderingen. (volgens THOMAS DALE
F., MENZ, FREDRICK E., 1996)
De doelen van het VAP zijn het systematisch identificeren van werkvaardigheden, voordelen
en sterktes van een cliënt om zo aan betere arbeidsrehabilitatie te doen, het voorzien van een
structuur en een protocol voor het onderzoeken van de meest frequente cognitieve, fysieke en
psychosociale factoren die geschikt zijn om de tewerkstelling en de reïntegratie in de
maatschappij van cliënten met een traumatisch hersenletsel te beïnvloeden, het bepalen van
arbeidsreïntegratiestrategieën gebaseerd op het verminderen van arbeidsbarrières door de
ontwikkeling van compensatietechnieken en creatieve probleemoplossende strategieën en het
bepalen van arbeidsbarrières in een gemeenschappelijke taal voor cliënten en
arbeidsreïntegratie hulpverleners. (volgens THOMAS DALE F., MENZ, FREDRICK E.,
1996)
Het VAP bestaat uit verschillende interviews, vragenlijsten en profielen. Eerst worden
interviews gedaan over de achtergrondinformatie van de cliënt, namelijk een persoonlijke
demografische vragenlijst en een persoonlijk demografisch interview. Vervolgens wordt het
klinisch profiel onderzocht, dit bestaat uit een fysiek profiel, een sociaal-emotioneel profiel en
een neuro-psychologisch profiel. Dan worden de arbeidsaanpassingsprofielen afgenomen.
Deze profielen bevatten een job-zoek-vaardigheidsprofiel, een interviewvaardighedenprofiel,
een kritisch werkgedragsprofiel en een sociaal aanpassingsgedragsprofiel. De afnemer van
de voorgaande interviews, vragenlijsten en profielen maakt ten slotte een structurele
samenvatting van informatie uit het bovenstaande assessment. De afnemer detailleert de
sterktes en problemen uit de testresultaten, vat verwijzende vragen samen en stelt ze,
identificeert voorkeursleerstijlen en stelt leerstrategieën voor, stelt
gedragsinterventiestrategieën, toezicht en nodige steun voor en detailleert bijkomende
voorgestelde diensten. (volgens THOMAS DALE F. MENZ F. en FREDRICK E., 1996)
Het VAP is verkrijgbaar in het onderzoeks- en trainingscentrum van de universiteit van
Winconsin-zuid in Menomonie. De gebruikershandleiding kost $21.75 en de instrumenten
van het VAP $ 35. Er is geen Nederlandse versie verkrijgbaar.
Het VAP voldoet volgens het onderzoek van Thomas Dale F. en Menz F. (1997), waarin de
validiteit van het VAP werd onderzocht, aan de psychometrische vereisten die nodig zijn om
te concluderen dat het zowel betrouwbaar als valide is om arbeidsgerelateerde vaardigheden
en functioneel gedrag die nodig zijn voor tewerkstelling van personen met een traumatisch
hersenletsel te meten.
91
Uit klinische feedback van afnemers van het VAP en cliënten waarvan het is afgenomen blijkt
dat het protocol inspannend, maar geschikt is om de sterktes en noden in verband met
arbeidsreïntegratie van cliënten met een traumatisch hersenletsel weer te geven. (volgens
THOMAS DALE F. MENZ F. en FREDRICK E., 1996)
Het protocol is alleen in het Engels verkrijgbaar. Er is een uitgebreide en duidelijke
handleiding ter beschikking. De persoonlijke demografische vragenlijst en het interview
moeten door dezelfde persoon worden afgenomen. Tijdens het interview krijgt de cliënt de
kans om zijn antwoorden van de vragenlijst verder uit te leggen en voorbeelden te geven. Op
die manier wordt er een zo goed mogelijk beeld van de persoonlijke achtergrond van de cliënt
verkregen.
De profielen worden gescoord aan de hand van een drie-punts-schaal (binnen normale
grenzen - minder belangrijk probleem - opmerkelijk probleem). Voorbeeld item uit het
kritisch werkgedragprofiel: cliënt herinnert zich werkinstructies.
Op de formulieren van de profielen is er een belangrijke zone voorzien om commentaar neer
te schrijven, dit is heel belangrijk omdat daar de beperkingen verder gedetailleerd kunnen
worden.
Vanuit de informatie die verkregen is uit de profielen kan een overzicht worden gemaakt van
de sterktes en zwaktes van de cliënt, met betrekking tot de werksituatie.
(volgens THOMAS DALE F. MENZ F. en FREDRICK E., 1996)
Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS)
De VCRS is door Tamasine C. Greig ea. ontwikkeld in 2003 in de Yale University School of
Medicine, Department of Psychiatry, New Haven, USA. Het is ontworpen voor cliënten met
een chronische psychische aandoening. Het instrument is ontwikkeld binnen het
arbeidsreïntegratieprincipe ‘place and train’. Bij dit principe wordt het arbeidsfunctioneren
op de werkvloer zelf getest. Er waren al twee instrumenten, de Cognitive behavior rating
scales (CRS) en de behavior rating inventory of executive function (BRIEF), maar deze zijn
niet specifiek genoeg om cognitieve stoornissen van cliënten met een chronisch psychische
aandoening te meten op de werkvloer. De VCRS voldoet al meer aan de voorwaarde om op
de werkvloer het hierboven beschrevene te meten. (volgens TAMASINE C. GREIG ea,
2004)
De VCRS heeft als doel de cognitieve stoornissen op de werkvloer te meten.
92
De test bestaat uit een vragenlijst met 16 items die gescoord worden na een
werkplaatsobservatie, een gesprek met de cliënt over de ervaring van zijn cognitieve
beperkingen en een interview over de cliënt met de supervisor. De items zijn onderverdeeld
in aandacht, geheugen en leervermogen; organisatie en flexibiliteit; en inwijding. Deze items
worden gescoord aan de hand van een vijf-punt-schaal, 1 betekent sterke cognitieve
beperkingen en 5 betekent gebrek aan cognitieve beperkingen. De laagste score is 16 en de
hoogste 80. Voorbeelditem: cliënt werk verder zonder te vertragen wanneer hij iets
interessant rondom hem hoort. (volgens TAMASINE C. GREIG ea, 2004)
De test is via Ebsco samen met het artikel, ‘The vocational cognitive rating scale: a scale for
the assesment of cognitive functioning at work for clients with severe mental illness’ van
TAMASINE C. GREIG ea., in het tijdschrift te verkrijgen.
De interbeoordelingsbetrouwbaarheid van de individuele items en de totaalscore zijn goed tot
zeer goed. De validiteit is weergegeven door Cronbach’s Alpha en geeft een sterke interne
dichtheid, dit omdat de individuele items een hoge correlatie hebben tot de totaalscore. De
overeenkomstige validiteit is moeilijk weer te geven omdat er nog geen vergelijkbaar
instrument bestaat. De VCRS heeft ook een goede mogelijkheid tot het voorspellen van
resultaten, de VCRS heeft namelijk tijdens een onderzoek het aantal werkuren en
werkprestaties na 6 maanden voorspeld. (volgens TAMASINE C. GREIG ea, 2004)
De VCRS is in het engels verkrijgbaar, er is geen Nederlandse vertaling beschikbaar.
De VCRS wordt na een werkplekobservatie van 15 minuten, een interview met de supervisor
en een gesprek met de cliënt gescoord door de jobcoach. Meestal heeft de jobcoach de cliënt
al vaker aan het werk gezien en heeft hij een bredere kijk dan alleen de observatie 15 minuten.
De afnametijd is afhankelijk van de duur van de interviews met de supervisor en de cliënt.
Om de test correct af te nemen heb je de vragenlijst nodig en moet je weten hoe je correct
scoort en de totaalscore bekomt. Ik heb geen handleiding van de VCRS gevonden.
Worker Role Interview (WRI)
De WRI was eerst door Braveman B. ea. in 1991 ontwikkeld als een deel van een studie dat
als doel had de invloed van psychosociale variabelen op de terugkeer naar werk te
onderzoeken. Zijn bruikbaarheid als klinische test werd snel duidelijk en zo is er een
voortdurende ontwikkeling met een oog naar zowel klinische als onderzoeks-toepassingen
uitgevoerd.
93
De WRI is gebaseerd op het Model Of Human Occupation (MOHO). Het MOHO ziet
werkgedrag als een samenspel van motivatie, levensstijl, capaciteiten en omgevingsfactoren.
Motivatiefactoren (volution) omvatten waarden, interesses en persoonlijke causaliteit van de
cliënt. Levensstijlfactoren (habituation) omvatten sociale rollen en gewoonten. Prestaties
wordt gezien als motorische, cognitieve en interpersoonlijke capaciteiten. De omgeving
wordt gezien als fysieke factoren (objecten en plaatsen) en sociale factoren (groepen en
werktaken). Volgens het MOHO zijn al deze factoren in interactie met elkaar en vormen ze
een systeem dat uiteindelijk gestalte geeft aan het beroepsgedrag, algemene dagelijkse
activiteiten en vrije tijd. (volgens CRAIG A. VELOZO ea., 1999)
De doelgroep zijn personen die na ziekte of letsel terug willen gaan werken.
De WRI meet de psychosociale- en omgevingsfactoren die de mogelijkheid beïnvloeden om
na ziekte of letsel terug te keren naar de werkvloer. (volgens CRAIG A. VELOZO ea., 1999)
Het is de bedoeling dat de cliënt in het begin van het arbeids-revalidatieproces aan de hand
van het interview verschillende aspecten van zijn/haar leven en werk bespreekt met de
ergotherapeut. (volgens THOMAS C. en KINEBANIAN A.)
De WRI is een semi-gestructureerd interview, samen met een 4-punt-scoreschaal.
De 17-items-schaal wordt ingevuld door de interviewer op basis van gegevens die hij heeft
bekomen uit een interview met de cliënt en uit beschikbare informatie over de fysieke status
van de cliënt en over de functionele prestaties. (volgens CRAIG A. VELOZO ea., 1999)
De vragen zijn opgesteld om relevante informatie te verkrijgen over het belang en de rol die
werk speelt in het leven van cliënten. De psychosociale en omgevingsfactoren die van
invloed zijn op de mogelijkheden voor terugkeer in het arbeidsproces. De vragen zijn
opgedeeld in categorieën, die globaal verwijzen naar het theoretische kader van het Model Of
Human Occupation. (volgens THOMAS C. en KINEBANIAN A.)
Onderdelen en inhoudsgebieden
Persoonlijke causaliteit
1.
beoordeelt capaciteiten en beperkingen
2.
verwachtingen van jobsucces
3.
neemt verantwoordelijkheid
Waarden
4.
verplichting tot werk
5.
werkgerelateerde doelen
Interesses
94
6.
plezier hebben aan werk
7.
streeft belangen na
Rollen
8.
identificeert zich met het werknemer zijn
9.
schat werkverwachtingen in
10.
invloeden van andere rollen
Gewoontes
11.
werkgewoontes
12.
dagelijkse routines
13.
past routines aan om moeilijkheden te minimaliseren
Omgeving
14.
waarneming van de werkplaats
15.
waarneming van familie en vrienden
16.
waarneming van de baas
17.
waarneming van collega’s
(volgens ELIN EKBLADH ea., 2004)
Er is een Nederlandse vertaling en bewerking, door het ‘innovatie centrum model of human
occupation’, van de WRI (handleiding van 119pp. en test) te koop via de site
http://www.moho.uic.edu/assess/wri.html voor $38.5.
Volgens het onderzoek van Elin Ebba Ásmunsdottir ea. (2004) , waarin onderzocht werd wat
de rol van de WRI in arbeidsrehabilitatieprogramma’s is, is de WRI valide bevonden over
cultuur, taal en bevolking. Andere studies geven volgens dit onderzoek ook een goede interne
validiteit, test-hertest en interbeoordelings-betrouwbaarheid weer.
De WRI is volgens het onderzoek van Forsyth K. ea. (2006), waarin de psychometrische
eigenschappen van de WRI werden onderzocht, valide over leeftijd, diagnoses en cultuur en is
een effectief meetinstrument voor een brede waaier van personen.
Volgens het onderzoek van Elin Ekbladh ea. (2004), waarin de voorspellende validiteit voor
terugkeer naar het werk werd onderzocht, blijkt dat vijf van de 17 items in de WRI een goede
voorspellende validiteit voor terugkeer naar werk hebben. Het onderdeel persoonlijke
causaliteit heeft de beste voorspellende validiteit. De resultaten van voorgaande studie
verschillen van de resultaten van een studie van Velozo ea (1999). Deze studie vermeldt dat
noch de WRI, noch andere variabelen zoals chroniciteit, diagnoses, aantal chirurgische
ingrepen en leeftijd terugkeer naar werk, 3 maanden na het stopzetten van de revalidatie,
95
kunnen voorspellen. Het verschil in deze resultaten geeft aan dat verder onderzoek naar de
voorspellende validiteit van de WRI nodig is.
Voordat men het interview afneemt, wordt aanbevolen gegevens, zo mogelijk uit het dossier
van de cliënt, te verzamelen. Als men het interview houdt, is het altijd belangrijk om van te
voren te bepalen welke informatie men wil verkrijgen. Bij de WRI gaat het erom inzicht te
krijgen in hoe de cliënt zijn arbeidsverleden ziet, hoe hij aankijkt tegen zijn handicap en de
invloed van zijn handicap op zijn/haar huidige en toekomstige leef- en woonsituatie. Het gaat
dus om het cliënten perspectief.
Per categorie vragen kan het gesprek gevoerd worden, waarna steeds een korte samenvatting
van het verhaal van de cliënt wordt gemaakt. Het is belangrijk niet alleen de exacte
antwoorden van de cliënt te registreren, maar ook zijn emotionele respons.
Het afnemen van het interview aan de hand van de vragenlijst neemt ongeveer 60 minuten in
beslag. Het afnemen van de scores neemt ongeveer 15 minuten in beslag wanneer de
interviewer ervaring heeft met het toepassen van het model, resp. de omschrijving per score
kent. (volgens THOMAS C.en KINEBANIAN A.)
Discussie
De arbeidsmarktgerelateerde sociale competenties en de sociale sleutelvaardigheden van de
onderzochte instrumenten staan in bijlage 1 weergegeven. Het VAP beoordeelt bv. de 3
sociale sleutelvaardigheden van communicatie in zijn kritisch werkgedragprofiel en het
sociaal aanpassingsgedragprofiel.
Het kritisch werkgedrag profiel uit het VAP beoordeelt 32 van de 61 arbeidsgerelateerde
sociale competenties en 19 van de 27 sociale sleutelcompetenties. Het sociaal
aanpassingsgedrag profiel uit het VAP beoordeelt 31 van de 61 arbeidsgerelateerde sociale
competenties en 11 van de 27 sociale sleutelvaardigheden. Deze twee profielen beoordelen
een groot deel van de arbeidsattitudes en –vaardigheden en sociale sleutelvaardigheden, de
methodologische kwaliteit is goed, ze zijn makkelijk af te nemen door een ergotherapeut
zonder dat het hele VAP moet worden afgenomen en ze zijn makkelijk verkrijgbaar, maar dit
alleen niet in een Nederlandse versie. Het VAP is echter niet ontworpen voor de doelgroep
matig tot ernstige psychische aandoeningen. In verder literatuuronderzoek kan worden
nagegaan of het VAP ook bij de doelgroep matig tot ernstige psychische aandoeningen kan
96
worden afgenomen. Het VAP moet worden afgenomen wanneer men de cliënt al aan het
werk heeft gezien.
De vocational cognitive rating scale beoordeelt 6 van de 61 arbeidsgerelateerde sociale
competenties en 4 van de 27 sociale sleutelvaardigheden. De VCRS test de cognitieve
functies en dat is maar een klein deel van alle arbeidsgerelateerde sociale competenties. De
test is ontworpen voor cliënten met een chronische psychische problematiek, de afname- en
verwerkingsprocedure is niet omslachtig, de wetenschappelijke waarden zijn goed, het is
toepasbaar door een ergotherapeut en is direct beschikbaar, het moet wel nog uit het Engels
vertaald worden. De VCRS wordt na een werkplekobservatie afgenomen.
Het WRI beoordeelt geen enkele van de 61 arbeidsgerelateerde sociale competenties en de 27
sociale sleutelvaardigheden. Het wordt in het begin van het arbeidsrevalidatieproces door de
ergotherapeut afgenomen om na te gaan wat de psychosociale en omgevingsfactoren zijn die
van invloed zijn op de mogelijkheden dat de cliënt kan terugkeren naar het arbeidsproces.
Conclusie
Het kritisch werkgedrag profiel en het sociaal aanpassingsgedrag profiel van het VAP
voldoen gedeeltelijk aan de onderzoeksvoorwaarden, ze beoordelen namelijk een heel groot
deel van de arbeidsattitudes en –vaardigheden op een objectieve manier, ze zijn afneembaar
door een ergotherapeut en de wetenschappelijke waarde is goed. Deze twee profielen moeten
echter worden afgenomen wanneer men de cliënt al aan het werk heeft gezien en het is niet
ontworpen voor cliënten met een matig tot ernstige psychische aandoening. De twee
profielen van het VAP voldoen dus niet aan de onderzoeksvraag.
De VCRS is ontworpen voor de doelgroep matig tot ernstige psychische aandoeningen, is
afneembaar door een ergotherapeut en heeft een goede wetenschappelijke waarde. De VCRS
wordt echter afgenomen na een werkplekobservatie en beoordeelt de cognitieve vaardigheden,
wat maar een specifiek deel van de arbeidsattitudes en –vaardigheden is. Daarom voldoet de
VCRS niet aan de onderzoeksvraag en kan het niet in het arbeidscentrum in Tienen worden
gebruikt.
Het WRI is een goed instrument om in het begin van het arbeidsrevalidatieproces een beeld te
krijgen van de cliënt en zijn mogelijke terugkeer naar het arbeidsproces, het kan worden
afgenomen van cliënten met een matig tot ernstige psychische aandoening door een
ergotherapeut en heeft een goede wetenschappelijke waarde. De WRI echter is niet geschikt
97
om de arbeidsattitude en –vaardigheden van een cliënt op een objectieve manier te meten. De
WRI voldoet dus niet aan de onderzoeksvraag.
De VAP, de VCRS noch de WRI zijn geschikt om, in het arbeidscentrum van Tienen, het
arbeidsfunctioneren van een cliënt objectief te meten wanneer men de cliënt nog niet aan het
werk heeft gezien.
98
Referenties
BRENT BRAVEMAN, ‘The model of human occupation and prediction of return to work: a
review of related empirecal research’, Department of occupational therapy, university of
Illinois at Chicago, USA, (1998).
CRAIG A. VELOZO, GARY KIELHOFNER, ALICIA GERN, FANG-LING LIN, FATEMA
AZHAR, JIN-SHEI LAI en GAIL FISHER, ‘Worker role interview: toward validation of a
psychosocial work-related measure’, Journal of occupational Rehabilitation, Vol. 9, Nr. 3,
(1999).
BRUCE E. WEXLER en MORRIS D. BELL, ‘Cognitive Remediation and Vocational
Rehabilitation for Schizophrenia’, Schizophrenia Bulletin, vol. 31 nr. 4, pp. 931-941, (2005)
ELIN EBBA ÁSMUNDSDOTTIR, ‘The Worker Role Interview: A powerful tool in
Icelandic work rehabilitation’, work, 22(1), 21-6 (11 ref), (2004).
ELIN EKBLADH, LENA HAGLUND en LARS-HAKAN THORELL, ‘ The worker role
interview- preliminary data on the predictive validity of return to work of clients after an
insurance medicine investigation’, Journal of occupational Rehabilitation’, juni (2004).
FISHER GS, ‘Administration and application of the worker role interview: looking beyond
functional capacity’, work, 12 (1), 25-36 (33ref) (1999).
FORSYTH K, BRAVEMAN B, KIELHOFNER G; EKBLADH E, HAGLUND L, FENGER
K en KELLER J, ‘Psychometric properties of the worker role interview’, work, 27(3), 313-8
(23 ref) (2006).
NIJHUIS, F., VAN LIEROP, B., Hoofdstuk 9: Reïntegratie en vocational rehabilitation, Uit:
?, s.e., s.l., 2006.
SCHENE A., VAN WEEGHEL J.,VAN DER KLINK J., VAN DIJK F., ‘Psychische
aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies’, psychopraxis (2005), jaargang 7,
nummer 3.
TAMASINE C. GREIG, SARAH S. NICHOLLS, GARY J BRYSON en MORRIS D. BELL,
‘The vocational cognitive rating scale: a scale for the assesment of cognitive functioning at
work for clients with severe mental illness’, Journal of Vocational Rehabilitation 21 (2004)
p71-81.
THOMAS C., KINEBANIAN A., ‘Werknemersrol interview (Worker role interview) Model
of human occupation’, Hogeschool van Amsterdam, Instituut Ergotherapie, Innovatie
Centrum Moho.
99
THOMAS DALE F., ‘The Vocational Assessment Protocol. User's Manual [and] Profiles.
Revised’, 122pp., (1996).
THOMAS DALE F., MENZ F., ‘Validation of the vocational assesment protocol’, Journal of
Head Trauma Rehabilitation, (1997), Oktober, 12 (5), 72-87 (27ref).
THOMAS DALE F., MENZ, FREDRICK E., ‘The Vocational Assessment Protocol:
Development and Validation’ Rehabilitation Inst. of Chicago, IL. Wisconsin Univ. - Stout,
Menomonie. Rehabilitation Research and Training Center on Improving Community-Based
Rehabilitation Programs. (1996), 101 pp.
VAN HAMOND B., HACCOU R., ‘Gaining and proving yourself in social competence, the
atlas way.’, www.projectatlas.org, (2006), 253 pp.
http://www.moho.uic.edu/, Model of human occupation.
http://www.irv.nl, Kenniscentrum voor revalidatie en handicap, expertisecentrum
meetinstrumenten.
100
BIJLAGE 1: Arbeidsgerelateerde sociale competenties
(sociale sleutelvaardigheden zijn grijs gearceerd)
VAP
VAP
Kritisch
werkgedrag profiel
Communicatie: is in staat
Informatie te geven
Informatie te vragen
Te luisteren naar iemand met wie
hij spreekt (oogcontact)
Te luisteren naar instructies of
vragen
Te luisteren naar een gesprek
Te antwoorden in een gesprek
Een gesprek te beëindigen/van
onderwerp te veranderen
Zijn beurt af te wachten (iemand
laten uitspreken alvorens te
onderbreken)
Een gesprek op gang te brengen
Lichaamstaal/non-verbale
communicatie te gebruiken
Is in staat om tijdens het werk
Gevoel voor
verantwoordelijkheid te tonen
Zin voor initiatief te tonen
Gemotiveerd te zijn
Een planning te volgen of met
een planning te werken
Zelfstandig te werken
Loyaliteit te tonen aan de baan en
het bedrijf
Bereidheid te tonen om te
luisteren en te leren
Begeleiding en gezag te
aanvaarden en te geven
Is in staat in sociale relaties op
de werkvloer met bv. oversten en
klanten
Belangrijke personen te
identificeren om naar te
luisteren/tegen te spreken
Te weten wanneer hij
toestemming moet vragen
VCRS
Sociaal
aanp.gedrag prof.
X
X
x
X
x
x
x
x
x
x
x
X
X
x
X
X
X
x
X
X
x
x
X
x
X
x
X
X
101
x
WRI
Te weten wanneer hij zich moet
verontschuldigen
Vriendelijk te zijn tegen klanten
Regels en afspraken te volgen/ na
te komen
Bepaalde
vertrouwelijkheidsregels na te
leven
Eerlijk, open en realistisch te zijn
over de eigen mogelijkheden
Passende relaties met collega’s:
is in staat
Samen te werken met collega’s
Te vragen naar hulp en
ondersteuning wanneer nodig
De verschillende niveaus van
personen op de werkplek te
identificeren
Zich sociaal aan te passen aan de
verschillende niveaus van
personen(weet hoe iemand aan te
spreken, formeel/informeel)
Op de hoogte te zijn van
bepaalde werkplekconventies en
die niet te overtreden
Interesse te tonen voor collega’s
Tot gefaseerde zelfbekendmaking
(weet wanneer en wat hij over
zichzelf mag vertellen aan
mensen)
Gefaseerde, aan anderen
gevraagde bekendmaking te
beoordelen (weten wanneer
persoonlijke informatie te vragen
over collega’s)
Blijk te geven van passende
relaties met hetzelfde en andere
geslacht
Ondersteuning te bieden aan
anderen (loyaal te zijn aan
collega’s)
Anderen in te schatten zonder
hen te veroordelen
Respect te hebben voor de
mening van anderen
x
X
x
X
x
X
x
X
X
x
x
x
X
x
x
x
X
x
X
x
102
Te kunnen omgaan met pesten
Assertief te zijn (bv. “neen”
durven te zeggen)
Sociaal aanvaardbaar gedrag: is
in staat
In te schatten wat gepast is in
relaties op de werkvloer
In te schatten wat gepast is in
sociale relaties
Het persoonlijke leven en
werkgerelateerde zaken
gescheiden te houden
Te vermijden sociale
conventies/limieten te overtreden
De juiste mate van
vriendelijkheid te tonen
Te reageren op grapjes/humor
Passend te reageren op een
compliment
Grapjes te vertellen/humor te
uiten
Onaanvaardbare praktijken te
herkennen
Stressbeheersing: is in staat
Zelfzeker/niet zenuwachtig te
zijn/natuurlijke manieren te
hebben/zelfbewust te zijn
Om te gaan met emoties = bv. bij
het maken van fouten, om te gaan
met mislukkingen
Om te gaan met emoties = bv. bij
confrontaties met plagerijen
Om te gaan met kritiek
Rustig te zijn in de omgang met
anderen
Blijk te geven van een goede
stressbestendigheid
Volhardend te zijn
Algemene regels en afspraken
na te komen: is in staat
Stipt te zijn
Fit te zijn
Zorg te dragen voor zijn uiterlijk
Zorg te dragen voor zijn
X
X
x
X
x
x
X
X
x
x
x
X
X
X
X
x
103
persoonlijke hygiëne
De juiste kleding te dragen voor
de baan
De juiste kleding te dragen voor
een gelegenheid
104
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Activity Matching Ability System (AMAS)
Dialogue about ability related to work (DOA)
Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren (PAS)
door Lindsay Baerts
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
105
Trefwoorden: rehabilitation assessment, assessmentinstrument for work, workrehabilitation,
vocational rehabilitation, psychosocial problems, psychiatry, AMAS, Activity Matching
Ability System, DOA, dialogue about ability related to work, PAS, Persoonlijke
Arbeidsvaardigheden Signaleren.
Abstract
DOEL Het bekomen van betrouwbare, valide assessmentinstrumenten voor ergotherapeuten,
die bruikbaar zijn bij de werkrehabilitatie van cliënten met psychiatrische en/of psychosociale
problemen.
METHODE Een literatuurstudie naar 3 betrouwbare en valide assessmentinstrumenten in de
arbeidsrehabilitatie voor cliënten met psychosociale problemen. Om de onderzoeksgegevens
correct weer te geven werden de richtlijnen van www.irv.nl gebruikt. Door de richtlijnen te
hanteren bleek welke gegevens verder onderzoek vereisen. De instrumenten zijn de volgende:
de AMAS, de DOA en de PAS.
RESULTATEN De AMAS of Activity Matching Ability System is een instrument waarvan
veel publicaties zijn terug te vinden, maar toch is er ontbrekende relevante informatie omtrent
de methodologische kwaliteit van het assessmentinstrument.
De PAS of Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren is een vrij recent ontwikkeld
instrument waarvan nog geen onderzoek verricht is naar validiteit of betrouwbaarheid.
Omtrent de DOA of Dialogue about ability related to work zijn er gegevens bekend omtrent
onderzoek naar de construct validiteit en de betrouwbaarheid.
CONCLUSIE De AMAS voldoet niet aan de criteria van de onderzoeksvraag, het instrument
is vooral gericht op fysieke vaardigheden. Gegevens omtrent validiteit en betrouwbaarheid
zijn onbekend. De DOA is een betrouwbaar en valide meetinstrument dat bruikbaar is bij
mensen met psychiatrische en psychosociale problemen. Het voldoet niet volledig aan de
criteria van de onderzoeksvraag, daar het gericht is op opstellen van doelstellingen en
behandelplan.
De PAS voldoet op het eerste zicht aan de criteria van de onderzoeksvraag, maar gegevens
omtrent de betrouwbaarheid en validiteit zijn onbekend.
106
Inleiding
De onderzoeksgroep koos als afstudeerproject voor het thema literatuuronderzoek naar
betrouwbare en valide assessmentinstrumenten die bruikbaar zijn door ergotherapeuten en
voor cliënten met psychosociale problemen. Er werd reeds literatuuronderzoek gedaan naar
bestaande assessmentinstrumenten en hieruit werden de meest relevante instrumenten
geselecteerd op basis van een korte weergave/voorstelling van de gevonden resultaten.
De studenten kregen elk 3 specifieke instrumenten toegewezen waarrond dan verder
onderzoek geleverd werd.
Het doel van de studie is een betrouwbaar, valide assessmentinstrument bekomen dat geschikt
is voor gebruik bij de rehabilitatie op de arbeidsmarkt van cliënten met psychiatrische en/of
psychosociale problemen. Het is belangrijk dat de screening door een ergotherapeut kan
gebeuren. De context is de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen, in het bijzonder het
arbeidscentrum, waar de vraag rees om een objectief assessmentinstrument te ontwikkelen om
de arbeidstrajectbegeleiding te baseren op objectieve gegevens in plaats van op subjectieve
gegevens. De instrumenten AMAS, DOA en PAS zijn de 3 instrumenten die in dit artikel
verder uitgewerkt worden.
Om u de ruimere context van dit onderzoek binnen de ergotherapie toe te lichten, wil ik even
het PEO-model schetsen. Het PEO-model is ontwikkeld om ergotherapeuten te voorzien in
het begrijpen van de dynamische natuur van de dagelijkse handelingen.
Het PEO-model bevat 3 elementen, namelijk persoon, omgeving en handelen.
Dit is een schematische voorstelling van het PEO-model:
OCCUPATION
PERSON
ENVIRONMENT
107
Het overlapgebied van de 3 elementen noemt men de ‘occupational performance’ of het
dagelijks handelen. Het dagelijks handelen is dus de uitkomst van de transactie tussen
persoon, de omgeving en het handelen. Het is een dynamische, steeds veranderende ervaring
van een persoon die geëngageerd is in zinvolle activiteiten, taken en handelingen in een
omgeving. Het dagelijks handelen verandert voortdurend gedurende de levensloop, daar het
individu continu het beeld van zichzelf en zijn of haar rollen bijstelt wanneer ze handelen en
de omgeving rondom hen beschrijven. (de Boer en ter Wee, 2005).
De ergotherapeut werkt met een holistische aanpak om naar de cliënt te kijken, net zoals het
PEO-model. Elke cliënt voert dagelijkse handelingen uit en kan deze nog beter ontwikkelen
door het oefenen van verschillende taken en handelingen. Wanneer een cliënt met
beperkingen naar de ergotherapeut komt, gaat hij zijn dagelijks handelen trainen, zodat hij
bekwaam is om taken uit te voeren bij een bepaalde job. Belangrijk is dat in het achterhoofd
gehouden wordt dat elke cliënt een unieke persoon is. (de Boer en ter Wee, 2005).
De omgeving heeft een grote invloed op het uitvoeren van de cliënt. Daarom is het
noodzakelijk dat de therapeut zoveel mogelijk weet over de omgeving en de werkomgeving
waar de cliënt gaat werken/werkt. Adaptatie is een term die gebruikt wordt om een goede
overeenkomst tussen personen die goed functioneren en steunende omgevingen te
beschrijven.
Door deze informatie te kennen, gaat de ergotherapeut de mogelijkheid hebben om de cliënt te
trainen of te helpen met het beter presteren in een omgeving waar hij of zij niet gewoon aan
is, of die hem of haar beïnvloedt. (de Boer en ter Wee, 2005).
Wanneer de invloed te groot is, kan er een slechte overeenkomst ontstaan en dan zal de cliënt
niet de mogelijkheid hebben om te werken in een zekere omgeving.
Binnen de ergotherapie kijken we, of trainen we alle aspecten omtrent de ADL (Alle
Dagelijkse Levensverrichtingen), productieve taken (werk) en ontspanning.
Activiteiten worden beschouwd als zijnde de basiseenheden van taken, taken zijn een reeks
van zinvolle, verwante activiteiten en handelingen zijn een groep van zelf opgelegde,
functionele taken en activiteiten in welke een persoon zich engageert in zijn levensloop.
Wanneer deze aspecten niet in overweging worden genomen, dan mist de therapeut een groot
deel van het leven van de cliënt en dan zal de therapeut niet in staat zijn om de cliënt zo goed
mogelijk te helpen of te trainen. Ook kunnen de ergotherapeuten dan geen goed advies geven
omtrent de cliënten hun dagelijks handelen. (de Boer en ter Wee, 2005).
108
Omdat het een dynamisch model is, zijn de cirkels continu in beweging. Daarom is het
noodzakelijk dat de ergotherapeut probeert om voortdurend informatie te verzamelen over de
3 cirkels. De cirkels en de informatie kan dagelijks veranderen.
Het PEO-model gidst de ergotherapeuten om de dynamische, transactionele relaties te
overwegen die bijdragen tot het dagelijks handelen. (de Boer en ter Wee, 2005).
De bovenstaande instrumenten worden ruimer gekaderd binnen de ergotherapie door ze in de
conclusie te linken met het PEO-model.
Methodologie
Dit onderzoek werd gedaan om de instrumenten AMAS: Activity Matching Ability System,
DOA: a Dialogue about ability related to work en PAS: Persoonlijke Arbeidsvaardigheden
signaleren nader toe te lichten.
Het chronologisch design ziet er als volgt uit:
Vooreerst werd er een startartikel aangeboden om een globaal beeld te verkrijgen van onder
andere de gradaties van psychische aandoeningen (licht tot matig, matig tot ernstig en ernstig
tot zeer ernstige aandoeningen), maar ook over de gemeenschappelijke ingrediënten van de
interventies. (Schene e.a., 2005).
Na deze samenkomst kreeg de onderzoeksgroep de opdracht om het hierboven vermelde
artikel te lezen en dan 2 artikels te zoeken met betrekking tot arbeidsrehabilitatie en/of het
gebruik van een instrument hierbij. De artikels werden kritisch beoordeeld aan de hand van
een vragenlijst van Law. (Law e.a., 1998)
Om de 2 artikels te vinden werd er via de wetenschappelijke site www.googlescholar.com en
de databank Pubmed gezocht met allerlei zoektermen: rehabilitation assessment,
assessmentinstruments for work, workrehabilitation assessment and psychosocial problems,
Assessment of work for people with psychosocial problems,…
De uiteindelijke artikels werden bekomen door een auteur uit de referentielijst van het
startartikel in te geven op de wetenschappelijke site www.googlescholar.com, namelijk “Van
Nieuwenhuijsen, K.”, zo kwam het eerste artikel uit de bus dat handelde over de DASS:
Depression Anxiety Stress Scales. (van Nieuwenhuijsen e.a., 2003). Het tweede artikel werd
gevonden door het zoeken naar specifieke tijdschriften via de wetenschappelijke site
www.googlescholar.com, hier: American Journal of occupational therapy. Tijdens het
109
werkbezoek in Tienen werd er nog wat meer informatie verschaft omtrent de instelling, de
graad van de aandoeningen (matig tot ernstige en ernstige tot zeer ernstige aandoeningen). De
selectiecriteria om een geschikt instrument te zoeken werden aangehaald, namelijk het meten
van arbeidsvaardigheden en attitude, in de beginfase van de arbeidstrajectbegeleiding. Vanuit
deze gegevens kon er meer specifiek gezocht worden naar geschikte assessmentinstrumenten
waarvan men later alle of enkele items kan selecteren.
De instrumenten die uit de bus kwamen waren:
WPRS, PWPE, DOA, WPA, AWP, CASIG, OFS, AMAS.
Uit de lijst van de gevonden instrumenten werden 3 instrumenten geselecteerd waarrond de
student verder onderzoek kan rond voeren.
Er werd gezocht naar het instrument OFS (Occupational Functioning Scale) via
www.googlescholar.com, via databank Pubmed, via databank EBSCO met de verschillende
zoektermen: OFS, Occupational functioning scale, OFS: Occupational functioning scale, op
de namen van de auteurs: Hannula, JA., Lahtela, K., Jarvikoski, A., Salminen, JK., Makela, P.
Er is geprobeerd om in te loggen via de site van de uitgevers (Taylor and Francis), Journals
alphabetical listing (N), ejournal, online contents, maar wanneer er op het gewenste volume
geklikt werd, verscheen het abstract nogmaals met de vermelding ‘in process’. Van dit
instrument was er nog geen fulltext beschikbaar via het net, of de student was niet in staat
deze te traceren. Op de mail verzonden naar de auteur Hannula, JA. is geen verdere reactie
gekomen.
De DOA (a dialogue about ability related to work) werd verder onderzocht via
www.googlescholar.com, via databank Pubmed, via databank EBSCO met de verschillende
zoektermen: DOA, DOA: a dialogue, volledige titels van de abstracten, op namen van de
auteurs die bij de abstracten vermeld stonden: Linddahl, I., Norrby, E., Bellner, AL.
De fulltext was beschikbaar via EBSCO.
De AMAS (Activity Matching Ability System) werd verder onderzocht via
www.googlescholar.com, via databank Pubmed en via databank EBSCO.
De full texten waren te vinden via www.googlescholar.com, de artikels bevatten
relevante informatie over de werking van het instrument, maar niet omtrent gedane
onderzoeken wat betreft de validiteit, de betrouwbaarheid,…
Via Pubmed en EBSCO verscheen er een abstract wat leek te handelen over deze gegevens,
maar hiervan was er geen fulltext beschikbaar en het abstract was van 1987, dus niet recent.
110
De opdracht werd gegeven om de gevonden informatie omtrent de meetinstrumenten volgens
de IRV-richtlijnen weer te geven. Het kader dat hiervoor gebruikt werd is terug te vinden op
de site www.irv.nl.
Daar er omtrent de OFS geen verdere informatie beschikbaar was, is er geopteerd voor een
ander instrument, namelijk de PAS of Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren.
Resultaten
Uit het ene abstract omtrent het instrument OFS, Occupational Functioning Scale, kon
afgeleid worden dat het een instrument is dat ontwikkeld werd voor het meten van
werkmogelijkheden bij personen met psychiatrische problemen. In het abstract stond vermeld
dat er een excellente interbeoordelaarsbetrouwbaarheid was, een goede criteriumvaliditeit en
dat het algemeen een simpel en betrouwbaar instrument was. De validiteit werd geëvalueerd
door het vergelijken met andere meetinstrumenten die de werkmogelijkheden meten en het
werd ook vergeleken met niet-werkmogelijkheden gerelateerde metingen. (Hannula e.a.,
2006) Dit instrument is op het eerste zicht zeer toepasbaar als antwoord op de gestelde
onderzoeksvraag van de Psychiatrische Kliniek uit. Verdere informatie was helaas niet
beschikbaar, daar het artikel nog in ontwikkeling was. Ook op de verzonden email naar auteur
Hannula, JA werd geen antwoord ontvangen.
Activity Matching Ability System (AMAS)
Uit onderzoek omtrent de AMAS, Activity Matching Ability System kon de onderzoeker de
volgende gegevens afleiden:
De AMAS of Activity Matching Ability System werd oorspronkelijk ontwikkeld als hulp om
staalwerkers met beperkingen terug naar geschikt werk te integreren na een periode van
afwezigheid, te wijten aan verwonding of ziekte. (Haines e.a., 2003). Ondertussen is de test al
meermaals herwerkt, en zijn er al enkele herziene versies van uitgebracht.
AMAS is geëvolueerd naar een PC-gebaseerd systeem dat personen met
beperkingen helpt plaatsen in geschikte of passende jobs. (Edwards en Marissa, 1992).
Oorspronkelijk werd de test door gespecialiseerde personen afgenomen, nu is
111
het ondertussen geëvolueerd naar een (geassisteerd) zelf-evaluatie instrument zodat het
gebruikt kan worden door getrainde ergonomen, werkpsychologen,
tewerkstellingsadviseurs,… (opletten dat de cliënt zich niet over- of onderschat),
maar toch kan de vragenlijst best worden afgenomen door een begeleider, daar er
anders een incorrect beeld gegeven kan worden door het foutief invullen van de
cliënt. (Birkin e.a., 2004). Algemeen zal de werkende of de werkzoekende de AMAS
vervolledigen met de interviewer of beoordelaar. (Birkin e.a., 2004).
Het instrument is soms visueel ondersteund door tekeningen. (Haines e.a., 2003).
Uit een recent artikel bleek dat men bezig is met de ontwikkeling van een oplossingsdatabase,
die oplossingen zou kunnen verschaffen wanneer er een slechte overeenkomst is; of wanneer
de overeenkomst goed is, maar er enkele aanpassingen vereist zijn; maar daar er verder geen
informatie over terug te vinden was, is dit alles wat er voorlopig over te vermelden valt.
(Geddes en Haines, 2005).
De aspecten die in het instrument behandeld worden zijn vooral de fysieke elementen die een
specifieke job vereisen, cognitieve factoren die een specifieke job vereisen, feedback die
gegeven wordt kan voor meer vertrouwen zorgen, de persoon krijgt meer inzicht in zijn eigen
kunnen en dat schept ook meer vertrouwen. Ook het beroepsfunctioneren komt aan bod,
wanneer de overeenkomst gemaakt wordt (of iemand al dan niet een job kan uitvoeren).
(Haines e.a., 2003).
AMAS of Activity Matching Ability System werd in de vroege jaren ’80 ontwikkeld door het
“Institute for Consumer Ergonomics at Loughborough University met de steun van de
Europese kolen en staal gemeenschap, Britisch Steel Corporation and Remploy. (Haines e.a.,
2003). AMAS is nu geëvolueerd naar een instrument dat ontwikkeld is om personen met
beperkingen te assisteren bij het maken van hun intrede op de arbeidsmarkt door het voorzien
van informatie aan de werknemers en de werkgevers omtrent eventuele aanpassingen en
oplossingen voor de tewerkstelling van een persoon met een beperking. (Geddes en Haines,
2005).
AMAS heeft als doel de mogelijkheden van mensen te matchen met de job activiteiten
vereisten. Het doet dit door het identificeren van het niveau van vereisten voor een activiteit
in een job en of individuen de mogelijkheden bezitten om de job uit te voeren. Het geeft weer
of de individuen de job kunnen uitvoeren, niet hoe ‘goed’ ze de job zullen uitvoeren. Het
instrument was ontwikkeld op de ergonomische principes van het voorzien van de
112
overeenkomst, met als doel werkoplossingen te kunnen zoeken om een harmonieuze relatie te
bekomen tussen wie het werk doet, de taken die ze uitvoeren, het materiaal dat ze gebruiken
en de werkplaats zelf. (Birkin e.a., 2004). AMAS is een vragenlijst.
AMAS bestaat uit 3 onderdelen elk bestaande uit vragenlijsten, namelijk AMAS job activity
assessment (om vast te stellen of er geen, een beetje of veel vereisten zijn bij de specifieke
job); AMAS person ability assessment ( onderzoekt de mogelijkheden van het individu
binnen de 4 domeinen van werk: werkomgeving, het gebruikte materiaal, fysieke werkeisen
en andere werkeisen zoals cognitieve of sociale aspecten) en als laatste onderdeel AMAS
matching ( er kan een goede overeenkomst zijn, een slechte overeenkomst of een
overeenkomst die goed is mits enkele aanpassingen na het vergelijken van de 2 bovenstaande
onderdelen). (Birkin e.a., 2004).
De vragen zijn als volgt opgesteld: ‘wanneer een taak …. omvat, zou jij dat kunnen doen?’
De mogelijke antwoorden op het onderdeel job activity assessment zijn: geen vereisten,
enkele vereisten of veel vereisten. Op het onderdeel person ability assessment kan men
antwoorden met ja; ja, maar …; men heeft de mogelijkheid om een reden aan te klikken of
neen. Door het onderdeel Match report te selecteren, worden de resultaten van de 2
bovenstaande delen vergeleken en dan kwam men tot een resultaat, namelijk goede
overeenkomst of goede overeenkomst mits aanpassingen of slechte overeenkomst.
(Geddes en Haines, 2005).
Informatie omtrent een eventuele invulinstructie is niet bekend.
Ook wat de verkrijgbaarheid betreft is er geen informatie voorhanden.
Omtrent de methodologische kwaliteit werd er onderzoek verricht, maar er werd geen
bruikbare, recente informatie gevonden. Wel is er een abstract terug te vinden dat dateert van
1987. (Watson, 1987).
Wat de hanteerbaarheid of feasibility betreft, is er na onderzoek gevonden dat het
meetinstrument in het Engels is. Om de AMAS te kunnen gebruiken heeft men de vragenlijst
of het pc-gebaseerd systeem nodig. De AMAS wordt best afgenomen onder toezicht van een
professional.
113
Dialogue about ability related to work (DOA)
Uit onderzoek omtrent de DOA, dialogue about ability related to work kon de onderzoeker
de volgende gegevens afleiden:
De DOA, of Dialogue about ability related to work werd ontwikkeld met het MOHO, Model
of Human Occupation als theoretisch kader. Het is een cliëntgericht instrument dat zich
toespitst op cliënten met psychiatrische en psychosociale problemen. (Linddahl e.a., 2003).
Het instrument werd ontwikkeld door de auteurs Linddahl, I.en Norrby, E..
Het doel van het meetinstrument DOA is het meten van de werkmogelijkheden. Vanuit de
dialoog tussen cliënt en therapeut worden mogelijke doelstellingen opgesteld voor de verdere
werkrehabilitatie van de cliënt. (Linddahl e.a., 2003).
De DOA is een combinatie van een zelfbeoordelingslijst, een observatie- en interpretatielijst.
Het assessmentinstrument is als vragenlijst opgesteld.
De DOA is verdeeld in 2 secties, met elk 34 items: 1 sectie is voor de cliënt, een
zelfbeoordelingslijst en de andere sectie is voor de therapeut en is een observatie –
interpretatielijst. (Linddahl e.a., 2003).
De 34 items zijn verdeeld in 5 delen, gebaseerd op het MOHO. Er is een schaal voor
persoonlijke zorg, waarden en interessen met 9 subitems; een schaal voor rollen en gewoonten
met 8 subitems; een schaal voor fysieke mogelijkheden met 4 subitems; een schaal voor
organisationele en probleemoplossende mogelijkheden met 6 subitems en een schaal voor
communicatie en interactie mogelijkheden met 7 subitems. (Linddahl e.a., 2003). Belangrijk
om weten is dat de items cliëntgericht zijn en niet op de omgeving, die in interactie is met de
cliënt. (Linddahl e.a., 2003).
De 34 items worden door beide, zowel de cliënt als de therapeut ingevuld en gescoord door
een ordinale 5-punts Likertschaal, in een rang van 0 tot 4 of met andere woorden van een laag
niveau tot een hoog niveau. De scores worden dan achteraf vergeleken en er volgt een
dialoog, wat als belangrijkste deel van de beoordeling beschouwd wordt. (Linddahl e.a.,
2003).
Omtrent een eventuele invulinstructie is er geen informatie gevonden in de onderzochte
literatuur.
114
Het instrument is na opzoekwerk nog niet teruggevonden, de prijs en verkrijgbaarheid zijn
voorlopig nog een onwetendheid in het onderzoek.
Er werd reeds onderzoek verricht naar de methodologische kwaliteit van het
assessmentinstrument, wat de interne consistentie, de betrouwbaarheid en de
constructvaliditeit betreft.
Omtrent de interne consistentie zijn de volgende gegevens teruggevonden:
Oorspronkelijk telde het assessmentinstrument 36 items. Dan werd de betrouwbaarheid van
de 36 items scheiding geanalyseerd met Cronbach’s Alpha en 2 items vertoonden een
negatieve correlatie in relatie met de andere items. Deze items werden consequent verwijderd,
de DOA telt dus nu 34 items. (Linddahl e.a., 2003).
Uit onderzoek naar de betrouwbaarheid van het assessment instrument is gebleken dat de
items van het DOA instrument over ’t algemeen met een goede betrouwbaarheid werken en
bruikbaar zouden zijn in het meten van mogelijkheden gerelateerd aan het terugkeren naar het
werk. (Norrby en Linddahl, 2006).
Omtrent criterium validiteit is er na onderzoek geen verdere informatie gevonden.
De construct validiteit werd bepaald door het Rasch model.
Het Rasch model stelt 3 belangrijke vragen om de construct validiteit van de items te
onderzoeken. De items zijn geanalyseerd in de 5 afzonderlijke delen van de DOA en niet
allemaal te samen. (Linddahl e.a., 2003). De Rasch analyse toonde dat de 34 items goed
gescheiden zijn en in ’t algemeen samen werken in het 5 unidimensioneel continuüm om de
werkmogelijkheden te meten.. Het instrument is valide en in overeenstemming met de
stellingen van het Rasch model dat hoe bekwamer iemand is, hoe meer kansen op succes met
eender welk item, terwijl hoe gemakkelijker het item is, het meer waarschijnlijk is dat
eenieder het kan oplossen. (Linddahl e.a., 2003).
Over de responsiviteit of longitudinale validiteit is er geen verdere informatie gevonden.
De hanteerbaarheid of feasibility omvat nog een reeks van onbekende gegevens, namelijk de
randvoorwaarden, de benodigde tijd en de gebruikershandleiding zijn elementen waaromtrent
geen verdere informatie gevonden is.
115
Wat men wel al kan beschrijven is dat de taal Engels is en dat men de 34-items tellende
vragenlijst nodig heeft ter screening.
Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren (PAS)
Uit onderzoek omtrent de PAS, Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren kon de
onderzoeker de volgende gegevens afleiden:
De PAS of Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaliseren is gebaseerd op de ICF of de
International Classification of Functioning, Disability and Health. De PAS is een analyseinstrument dat vooral de vaardigheden van de cliënt gaat inventariseren, maar er is wel ruimte
voor vergelijking met de eisen die de arbeidssituatie stelt. Analyse van de arbeidssituatie valt
er echter buiten. Het instrument heeft profielvergelijking tot doel. Dit wil zeggen “komen de
vaardigheden en beperkingen die de cliënt heeft overeen met de eisen die de arbeidssituatie
aan de cliënt stelt. De PAS kan zowel schriftelijk als digitaal worden afgenomen. Binnen de
PAS is er aandacht besteed aan verschillende onderwerpen, namelijk de algemene
persoonsgegevens, de fysieke belastbaarheid van de cliënt, de psychosociale belastbaarheid
van de cliënt, overige persoonlijke werkgerelateerde factoren en niet-arbeidsgerelateerde
factoren. De PAS bestaat uit een reeks hoofditems met subitems die gescoord worden. Het is
een instrument dat op verschillende momenten kan worden afgenomen, maar de wijze van
afname is dan licht verschillend. Ook de locaties van tewerkstelling kunnen zeer verschillend
zijn, maar dat vereist een beschrijving met welk doel en op welk punt van het traject van de
cliënt naar het werk, het instrument gebruikt kan worden.
(Goos e.a., 2005)
De PAS is ontwikkeld voor mensen met een verstandelijke beperking, mensen met een
lichamelijke beperking, mensen met een niet-aangeboren hersenletsel (N.A.H.) en
bovenstaande doelgroepen met gedrags -en/of psychiatrische problematiek.
(Goos e.a., 2005). De auteurs van het recent ontwikkelde meetinstrument zijn Goos, M., Van
de Graaf, L., Speksnijder, W., Spijker, N., Wobma, R..
Het meetinstrument is ontwikkeld als hulpmiddel voor jobcoaches en/of cliëntenbegeleiders
om op deze manier naar passend werk te kunnen zoeken voor cliënten van EsdégéReigersdaal. (Goos e.a., 2005).
116
De PAS gaat de jobcoach ondersteunen bij het zoeken van een geschikte arbeidssituatie voor
een cliënt en/of om na te gaan of de huidige arbeidssituatie bij de cliënt past.
Er zijn 2 aspecten in de PAS verwerkt om het doel te bereiken. Vooreerst gaat men de
vaardigheden die betrekking kunnen hebben op het werken in een arbeidssituatie in kaart
brengen. Door het invullen van de PAS bekomt men een ‘arbeidsvaardigheden-profiel’
waaruit men de sterke of minder sterke kanten van een cliënt kan afleiden. Ten tweede kan
men door het invullen van de PAS aandachtspunten verzamelen voor de (toekomstige)
arbeidssituatie. Wanneer een cliënt op een bepaald gebied niet zo vaardig is, kan er bij de
aandachtspunten worden vermeld wat de consequenties zijn voor de arbeidssituatie. (Goos
e.a., 2005)
De PAS is een aanzet tot profielvergelijking; de vaardigheden van de cliënt kunnen
uiteindelijk worden vergeleken met de eisen die een arbeidssituatie aan de cliënt stelt.
Er wordt een baananalyse in kaart gebracht, om te weten wat deze eisen zijn. (Goos e.a.,
2005).
De PAS is bedoeld als checklist. Het is een signaleringsinstrument waarbij de
jobcoaches/begeleiders op een gestructureerde wijze de arbeidssituatie van een cliënt in kaart
kunnen brengen. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. De jobcoach gaat de lijst samen
met de cliënt en/of verwanten of andere aanwezigen invullen of de jobcoach observeert de
cliënt of de jobcoach zoekt relevante gegevens op in het dossier met toestemming van de
cliënt. De manieren om de lijst in te vullen kunnen met elkaar gecombineerd worden.(Goos
e.a., 2005).
De PAS bestaat uit 3 hoofditems: algemene gegevens, algemene persoonlijke gegevens,
onderzoek naar de vaardigheden van de cliënt en de aandachtspunten voor de arbeidssituatie.
De PAS bevat 8 kolommen. In de eerste kolom staan de vaardigheden van de cliënt benoemd
die hij of zij wel of niet kan bezitten. De vaardigheden bewegen, gebruik zintuigen,
uithoudingsvermogen, leren en toepassen van kennis, algemene taken en eisen, communicatie,
omgaan met anderen, mentale functies, andere werkgerelateerde persoonlijke factoren,
aanvullende vragen en als laatste item overige opmerkingen zijn onderverdeeld in subitems.
In kolom 2 kunnen de eventuele bijkomende opmerkingen of voorbeelden ter verduidelijking
gegeven worden.
Kolommen 3, 4, 5, 6 en 7 zijn de kolommen waar de jobcoach of cliëntenbegeleider de cliënt
kan scoren. G staat voor goed, V voor voldoende, N voor niet goed, HB wanneer de cliënt
117
eventueel een hulpmiddel of begeleiding nodig heeft en een ? wanneer het nog niet duidelijk
is of de cliënt de vaardigheid al dan niet bezit.
In de laatste kolom kunnen eventuele aandachtspunten voor de arbeidssituatie vermeld
worden. (Goos e.a., 2005).
Er is een handleiding voorzien bij de PAS, waarin het doel, de doelgroep, mogelijke locaties
voor afname, werkwijze en instructie voor afname, ontwikkeling van de PAS, een korte uitleg
van de ICF in de PAS en een bijlage zit. (Goos e.a., 2005)
Het instrument is op te vragen bij de Hogeschool van Amsterdam, Instituut Ergotherapie.
PAS is gratis te downloaden, maar er is copyright op alle delen van de PAS.
Omtrent de methodologische kwaliteit bestaan er nog geen gegevens. Er staat enkel
beschreven dat bijna iedereen de PAS twee maal heeft uitgeprobeerd tijdens de pilot. De
eerste keer om de PAS uit te proberen en de tweede keer was de cliëntenbegeleider al wat
meer bekend met de werkwijze en de inhoud van de PAS waardoor ze meer gerichte feedback
konden geven. (Goos e.a., 2005)
De validiteit en de betrouwbaarheid van de PAS kunnen zich nog verder ontwikkelen.
Doordat er steeds meer ervaring wordt opgedaan door de jobcoaches, zal steeds duidelijker
worden of de PAS valide is, of de resultaten de onderzochte werkelijkheid weerspiegelen.
Door de PAS vaak in te zetten zal de betrouwbaarheid ook vergroten. De betrouwbaarheid
kan ook nog onderzocht worden door na te gaan in hoeverre verschillende jobcoaches tot een
vergelijkbare uitkomst komen. Maar dit is in de praktijk moeilijk te realiseren. (Goos e.a.,
2005).
Wat betreft de hanteerbaarheid of feasibility zijn de volgende gegevens na onderzoek
gevonden: het is een Nederlandstalig instrument. Men heeft deel A van de PAS, namelijk de
checklist zelf, gedrukt op een A4 blad in lettertype Arial 14 en deel B, de handleiding. Ook is
het mogelijk om de PAS te gebruiken in het Digitaal Word document of de CD-rom.
Randvoorwaarden staan nergens beschreven, maar wel staat er vermeld dat de PAS wordt
afgenomen door een jobcoach of cliëntenbegeleider.
De benodigde tijd is 30 tot 60 minuten, afhankelijk van de manier waarop de gegevens
verzameld worden. De tijdsduur is ook afhankelijk van de mogelijkheden en beperkingen van
de cliënt. Het is eveneens mogelijk om de PAS in meerdere keren af te nemen, maar dan mag
118
er niet te veel tijd tussen zijn. Er is eveneens een gebruikershandleiding voorzien waarin het
doel, de doelgroep, mogelijke locaties voor afname, werkwijze en instructie voor afname,
ontwikkeling van de PAS, een korte uitleg van de ICF in de PAS en een bijlage zit.
(Goos e.a., 2005)
Discussie
Wat de AMAS betreft, ontbreken er nog veel relevante gegevens. Belangrijk om te weten is
welke de meest recente versie is en of de laatste versie al dan niet begeleid wordt door een
professional of therapeut. Er was ook geen bruikbare informatie te vinden omtrent de meest
recente versie, namelijk of deze een schriftelijke vragenlijst is, of een PC-programma.
Er is nog verder onderzoek vereist naar de invulinstructie, namelijk of deze al dan niet
voorhanden is.
Waar het instrument te verkrijgen is, en wat de geschatte kosten bedragen kan nog verder
onderzocht worden.
Omtrent de methodologische kwaliteit is na verder onderzoek geen informatie gevonden.
Opvolging hierover is vereist.
De randvoorwaarden, net zoals de tijdsduur en de gebruikershandleiding zijn items waarvan
na onderzoek nog geen verdere informatie beschikbaar is.
Bij het assessmentinstrument DOA, ontbreekt er na onderzoek relevante informatie omtrent
de verkrijgbaarheid. Dit houdt in dat het nog onbekend is waar het meetinstrument te
verkrijgen is, wat de geschatte kosten zijn en of er al dan niet copyright is op het
meetinstrument. Er zijn al heel wat gegevens beschikbaar omtrent de methodologische
kwaliteit, maar verder onderzoek omtrent de criterium validiteit en de responsiviteit of
longitudinale validiteit ontbreekt nog.
Net zoals de randvoorwaarden, staan de tijdsduur en gegevens om de gebruikershandleiding
niet beschreven in de onderzochte artikels omtrent de DOA.
De DOA beantwoordt niet volledig aan de criteria van de onderzoeksvraag. Het instrument is
gebaseerd op het MOHO en meet de werkmogelijkheden van cliënten. Daar het vooral gericht
is op het opstellen van doelstellingen, en dit was niet de vraag van de Psychiatrische Kliniek,
kan de conclusie ‘dat het een bruikbaar instrument is ‘niet getrokken worden. De bedenking
wordt gemaakt dat de doelstellingen nooit volledig los te koppelen zijn van een behandelplan.
119
De PAS vereist nog verder onderzoek omtrent de methodologische kwaliteit. Er zijn nog geen
bruikbare gegevens beschikbaar wat betreft de interne consistentie, de betrouwbaarheid, de
criteriumvaliditeit, de construct validiteit en de responsiviteit of de longitudinale validiteit.
Conclusie
OFS of Occupational Functioning Scale is op het eerste zicht een geschikt instrument op basis
van de informatie die het ene abstract ons verschaft, maar verdere informatie is nodig om na
te gaan of het instrument voldoet aan de criteria van de onderzoeksvraag van de
Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen en om na te gaan of het een betrouwbaar
en valide assessmentinstrument is.
De AMAS of Activity Matching Ability System is meer gericht op het meten van fysieke en
enkele cognitieve vaardigheden. Binnen de psychiatrische setting is het fysieke en cognitieve
element ook van belang. Ook de inter- en intrapersoonlijke vaardigheden of psychosociale
vaardigheden zijn belangrijk. Daarom kan er gesteld worden dat dit instrument niet geschikt is
voor toepassing binnen de Psychiatrische Kliniek met cliënten met psychiatrische en/of
psychosociale problemen.
De specifieke doelgroep waarop het instrument gericht is, is onbekend.
Voor de ergotherapie zou het eventueel wel een handig en bruikbaar assessmentinstrument
kunnen zijn binnen de ergonomie of de fysieke revalidatie. Ook is er nog geen informatie
bekend omtrent de wetenschappelijke waarde van het instrument, dus gegevens omtrent de
validiteit en betrouwbaarheid vereisen nog verder opzoekwerk of onderzoek.
Wanneer de AMAS eventueel gebruikt zou worden in een andere setting, kan het best onder
begeleiding van een professional gebeuren. Voor gebruik binnen de Psychiatrische Kliniek
kan het psychosociale component er best aan toegevoegd worden.
Wanneer de AMAS binnen het PEO-model gekaderd wordt, bekleedt het de plaats van het
overlapgebied tussen de 3 elementen, namelijk het gebied van het dagelijks handelen.
Alle 3 de elementen komen aan bod. De persoon komt aan bod, vooral met zijn motorisch
functioneren, maar ook zijn er enkel items die zich toespitsen op de cognitieve vaardigheden.
De inter –en intrapersoonlijke vaardigheden komen niet aan bod.
120
Ook de omgevingselementen komen uitvoerig aan bod.
Het handelen van de persoon in de omgeving komt ook tot uiting, maar richt zich enkel en
alleen op het motorisch en cognitief functioneren.
De DOA is gedeeltelijk geschikt, daar het instrument vooral gericht is naar het opstellen van
doelstellingen en het behandelplan. Het instrument is volledig cliëntgericht en de omgeving
komt niet aan bod. Het meetinstrument is geschikt voor de specifieke doelgroep cliënten met
psychiatrische en/of psychosociale problemen. Verder is dit ook het enige instrument waarvan
er relevante informatie beschikbaar is omtrent de validiteit en betrouwbaarheid.
Uit de resultaten van de validiteit en betrouwbaarheid kan afgeleid worden dat de DOA een
valide en betrouwbaar meetinstrument is.
Wanneer de DOA binnen het PEO-model gekaderd wordt, bekleedt het de plaats van het
overlapgebied tussen de 2 elementen, namelijk persoon en handelen.
De persoon komt aan bod, en wordt in kaart gebracht volgens de verschillende schalen,
gebaseerd op het MOHO. Zowel motorische als cognitieve, als psychosociale vaardigheden
komen aan bod.
Het handelen van de persoon komt ook tot uiting bij het assessmentinstrument, maar de
omgevingselementen ontbreken.
De PAS is op het eerste zicht een geschikt instrument, daar het grotendeels beantwoordt aan
de onderzoeksvraag vanuit de Psychiatrische Kliniek. Het assessmentinstrument gaat de
arbeidsvaardigheden en arbeidsattitude van de cliënten inventariseren en is geschikt voor
cliënten met een gedrags- en/of psychiatrische problematiek die passend werk zoeken.
Een minpunt is dat gegevens omtrent de methodologische kwaliteit, m.a.w. omtrent de
validiteit en betrouwbaarheid nog onbekend zijn, daar het een recent ontwikkeld
assessmentinstrument is. Verdere opvolging is vereist om na te gaan of het instrument op dat
vlak ook voldoet aan de onderzoeksvraag vanuit de Psychiatrische Kliniek.
Wanneer de PAS binnen het PEO-model gekaderd wordt, bekleedt het de plaats van het
overlapgebied tussen de 3 elementen, namelijk persoon en handelen en omgeving komen aan
bod. De persoon komt uitvoerig aan bod, zowel motorische, sensorische, cognitieve, en
psychosociale vaardigheden komen uitgebreid aan bod. Het beschrijft vaardigheden van het
121
handelen. Ook de omgeving en eventuele beïnvloedende omgevingsfactoren worden in kaart
gebracht.
Algemeen kan er dus gesteld worden dat de PAS in aanmerking zou kunnen komen voor de
onderzoeksvraag van de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen. Doch verder
onderzoek naar de methodologische kwaliteit is vereist.
Onsuccesvolle werkervaringen voor mensen met beperkingen ontstaan door een slechte
overeenkomst tussen persoon, de omgeving en het handelen. Het PEO-model benadrukt de
uitvoeringscomponenten of handelingen en de dynamische onderlinge interactie. Het
waardeert ook de cliënt zijn of haar betrokkenheid en spreekt omtrent de belangrijkheid van
de cliënt en de therapeut, samen met het identificeren van doelen.
Succesvolle tewerkstelling wordt dus sterk bepaald door de kwaliteit van de overeenkomst
tussen het individu (persoon) en de werkplaatscultuur (omgeving). (de Boer en ter Wee,
2005).
122
Referenties
BENAVIDES, F.G., BENACH, J., MUNTANER, C., ‘Psychosocial risk factors at the
workplace: is there enough evidence to establish reference values?’, Journal of Epidemiology
and Community Health, jaargang 56 (2002), p. 244-245.
BIRKIN, R., HAINES, V., HITCHCOCK, D., FOX, D., EDWARDS, N., DUCKWORTH, S.,
GLEESON, R., NAVARRO, T., HONDROUDAKIS, A., FOY, T., MEEHAN, M., ‘Can the
Activity Matching Ability System contribute to employment assessment? An initial
discussion of job performance and a survey of work psychologists’ views.’, Journal of
occupational psychology, employment and disability, jaargang 6 (2004), nr. 2, p.51-66.
COOK, J.A., LEFF, H.S., BLYLER, C.R., GOLD, P.B., GOLDBERG, R.W., MUESER,
K.T., TOPRAC, M.G., MCFARLANE, W.R., SHAFER, M.S., BLANKERTZ, L.E.,
DUDEK, K., RAZZANO, L.A., GREY, D.D., BURKE-MILLER, J., ‘Results of a Multisite
Randomized Trial of Supported Employment Interventions for Individuals With Severe
Mental Illness’, archives of general psychiatry, jaargang 62 (2005), mei, nr. 5, p.505-512.
COOK, A.J., D., PH., ‘Employment Barriers for Persons With Psychiatric Disabilities:
Update of a Report for the President’s commision’, Psychiatric Services, jaargang 57 (2006),
oktober, p. 1391-1405.
DE BOER, A., TER WEE, M., A new way of performing workplace based Occupational
Therapy in Vocational Rehabilitation, Instituut Ergotherapie, Amsterdam, 2005, 182 pagina’s.
EDWARDS, N., MARISSA, ‘AMAS: Activity Matching Ability System’, Aspects of
Educational and Training Technology Series, v 25, (1992), p. 155-157.
GEDDES, N., HAINES, V., ‘AbilityMatch – Building a Disability Management System’,
Proceedings of 2005 Ergonomics Society Annual Conference, (2005) april 5-7.
GOOS, M., VAN DE GRAAF, L., SPEKSNIJDER, W., SPIJKER, N., WOBMA, R., PAS,
Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren, een hulpmiddel bij het zoeken naar passend
werk, Instituut Ergotherapie, Amsterdam, 2005.
HAINES, V., BIRKIN, R., HITCHCOCK, D., EDWARDS, N., DUCKWORTH, S.,
HONDROUDAKIS, A., ‘Matching Ability with Jobs using AMAS Final Report’, European
Social Fund, januari (2003), p. 1-152.
HANNULA, J.A., LAHTELA, K., JARVIKOSKI, A., SALMINEN, J.K., MAKELA, P.,
‘Occupational Functioning Scale (OFS)—an instrument for assessment of work ability in
psychiatric disorders’, Nordic journal of pscychiatry, jaargang 60 (2006), oktober, nr.5, p.
372-378.
123
INNES, E., STRAKER, L., ‘Attributes of excellence in work-related assessments’, Work,
jaargang 20 (2003), nr. 1, p. 63-76.
K.Y. LO, K., P.Y.LI, E., ‘Content validation on the Work Performance Rating Scale for
sheltered workshop workers’, Work, jaargang 25 (2005), nr. 4, p.341-346.
LAW, M., STEWART, D., LETTS, L., POLLOCK, N., BOSCH, J., WESTMORELAND,
M., Critical review form – qualitative studies, McMaster University, 1998.
LIBERMAN, RB., WALLACE, C.J., BLACKWELL, G., KOPELOWICZ, A., VACCARO,
J.V., MINTZ, J., ‘Skills Training Versus Psychosocial Occupational Therapy for Persons
With Persistent Schizophrenia’, American journal of psychiatry, jaargang 155 (1998),
augustus, nr.8, p. 1087-1091.
LECOMTE, T., WALLACE, C.J., CARON, J., PERREAULT, M., LECOMTE, J., ‘Further
validation of the Client Assessment of Strenghts Interests and Goals’, Schizophrenia
research, jaargang 66 (2004), nr.1, p. 59-70.
LINDDAHL, I., NORRBY, E., BELLNER, A.L., ‘Construct validity of the instrument DOA:
a dialogue about ability related to work’, Work, jaargang 20 (2003), nr. 3, p. 215-224.
NIEWENHUIJSEN, K., DE BOER, A G E M., VERBEEK, J H A M., BLONK, R W B.,
VAN DIJK, F J H., ‘The Depression Anxiety Stress Scales (DASS): detecting anxiety
disorder and depression in employees absent from work because of mental health problems’,
Occupational and environmental Medicine, jaargang 60 (2003), p. 77-82.
NORRBY, E., LINDDAHL, I., ‘Reliability of the instrument DOA: a dialogue about ability
related to work’, Work, jaargang 26 (2006), nr. 2, p. 131-139.
PICKERING, T., MD, DPHIL, ‘Job Stress, Control, and Chronic Disease: Moving to the
Next Level of Evidence’, Psychosomatic Medicine, jaargang 63 (2001), p. 734-736.
SANDQVIST, J.L., TÖNQUIST, K.B., HENRIKSSON, C.M., ‘Assessment of Work
Performance (AWP)-development of an instrument’, Work, jaargang 26 (2006), nr. 4, p. 379389.
SCHENE, A., VAN WEEGHEL, J., VAN DER KLINK, J. en VAN DIJK, F., ‘Psychische
aandoenigen en arbeid: een vergelijking van interventies’, Psychopraxis, jaargang 7 (2005),
mei, nr.3, p. 110-115.
TUCKWELL, N.L., STRAKER, L., BARRETT, T.E., ‘Test-retest reliability on nine tasks of
the Physical Work Performance Evaluation’, Work, jaargang 19 (2002), nr.3, p. 243-253.
VELOZO, CA., ‘Work evaluations: critique of the state of art of functional assessment of
work.’, American journal of occupational therapie, jaargang 47 (1993), maart, nr. 3, p. 203209.
124
WATSON, H., ‘Occupational assessment: the Activity Matching Ability System (AMAS)’,
International rehabilitation magazine, jaargang 9 (1987), nr.2, p. 71-74.
125
BIJLAGE 1
Dialogue about ability related to work (DOA)
De verschillende items met elk hun subitems:
126
BIJLAGE 2
Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren (PAS)
De verschillende items met elk hun subitems:
Algemene gegevens:
-
naam van de cliënt,
-
naam van de jobcoach of cliëntenbegeleider,
-
datum van afname,
-
het moment van afname,
-
de wijze van afname.
Algemene persoonlijke gegevens (9 items):
-
opleiding
-
Ervaringen met werk in het verleden (+ 4 subitems)
-
Ervaringen met huidige werk (+ 2 subitems)
-
Specifieke arbeidsvaardigheden
-
Belang van financiële beloning
-
Relevante medische gegevens (+ 6 subitems)
-
Gewenste werkdagen of werkuren
-
Gewenst soort werk
-
Motivatie om te werken
Onderzoek naar de vaardigheden van de cliënt en de aandachtspunten
voor de arbeidssituatie (9 items):
-
Bewegen:
- staan (+ 3 subitems)
- zitten
- transfers
- lopen (+ 3 subitems)
- laag werken
- iets vastpakken (+ 2 subitems)
- iets vasthouden (+ 2 subitems)
- iets (kleins) met duim en wijsvinger oppaken
- reiken tijdens staan en zitten (+ 3 subitems)
127
- tillen en dragen (+ 5 subitems)
- trap lopen
- verplaatsen binnenshuis
- verplaatsen buitenshuis
-
Gebruik zintuigen:
- zien
- horen
- ruiken
- voelen
- evenwicht/balans houden
- gepast reageren op waarnemingen van de zintuigen
-
Uithoudingsvermogen:
- activiteiten volhouden (+ 2 subitems)
-
Leren en toepassen van kennis:
- nieuwe vaardigheden leren
- rekenen
- met geld kunnen rekenen
- toepassen van geleerde vaardigheden in een nieuwe situatie
-
Algemene taken en eisen:
- zelfstandig taken uitvoeren
- dragen van verantwoordelijkheden (+ 3 subitems)
- besluiten nemen
- werktempo
-
Communicatie:
- begrijpen van gesproken taal
- spreken
- een gesprek voeren
- mening geven
128
- initiatief nemen
- om hulp vragen
- iets aankaarten
- begrijpen van non-verbale taal
- non-verbaal uiten
- lezen
- schrijven
- telefoon gebruiken
- vaardigheid met de computer
-
Omgaan met anderen:
- in een groep taken ondernemen
- tegen kritiek kunnen
- omgaan met conflicten
- omgaan met mensen op de werkvloer
-
Mentale functies:
- concentratie (+ 4 subitems)
- geheugen (+ 2 subitems)
- meerdere taken tegelijk doen
- taken in de juiste volgorde doen
- besef van dagdelen
- klokkijken
- op tijd komen
- besef van de plaats waar je bent
- de weg weten naar een bepaalde locatie
- namen van personen kunnen onthouden
- herkennen van personen
-
Andere werkgerelateerde persoonlijke factoren:
- verzorgd voorkomen
- hygiënisch werken
- naar het toilet gaan
- aan- en uitkleden
129
- eten en drinken
Aanvullende vragen
- omtrent eventuele beïnvloedende omgevingsfactoren
- vrije tijd/ontspanning, ondersteuning uit sociale omgeving,
woon/thuissituatie
- wisselend humeur of temperament?
- is het zelfvertrouwen van invloed op de arbeidsvaardigheden?
Overige opmerkingen
Er is ruimte voorzien voor opmerkingen die relevant kunnen zijn.
130
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Work Behavior Inventory (WBI)
General Work Behavior Questionnaire (GWBQ)
Work Limitations Questionnaire (WLQ)
door Sarah Ann de Bruijn
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
131
Trefwoorden: vocational rehabilitation, psychosocial function, psychiatry, assessment,
workreintegration
Abstract
DOEL Vinden van betrouwbare en valide assessmentinstrumenten om mensen met
psychosociale problemen te rehabiliteren in het werkveld.
METHODE Via referenties uit het artikel “Psyschische aandoeningen en arbeid; een
vergelijking van interventies” (Schene e.a., 2005) op zoek gegaan naar artikels en abstracten
van onderzoek van assessmentinstrumenten. Er werd een selectie gemaakt aan de hand van
een beoordelingslijst en werd er specifieker gezocht naar relevantie informatie van het
instrument. Ook werden ontwerpers en onderzoekers gecontacteerd voor het verkrijgen van
informatie.
RESULTATEN De Work Behavior Inventory kan gebruikt worden bij de doelgroep ernstige
mentale aandoeningen. Uit onderzoek blijkt dat dit instrument een hoge validiteit en
betrouwbaarheid heeft. Deze restultaten zijn niet gevonden tijdens dit onderzoek. De General
Work Behavior Questionnaire is toepasbaar bij ernstig mentale aandoeningen. De vragenlijst
is gemakkelijk hanteerbaar, zowel voor de deelnemer als de supervisor. Het instrument is
bovendien gemakkelijk in het Nederlands te verkrijgen. Het instrument wordt gekenmerkt
door een grote betrouwbaarheid van de supervisorvragenlijst. De zelfevaluatielijsten haalden
eerder een matige betrouwbaarheid. Bovendien liggen de gemiddelde scores van de
deelnemers hoger dan die van de supervisors, wat betekent dat de deelnemers hun
vaardigheden hoger inschatten. De Work Limitations Questionnaire is betrouwbaar en valide.
De deelnemer vult deze in. Dit instrument gaat na in hoeverre lichamelijke en psychische
aandoeningen iemand beperken om een job uit te voeren.
CONCLUSIE De 3 onderzochte assessmentinstrumenten zijn valide en betrouwbaar. Enkel
van de WBI is er geen artikel, noch abstract noch fulltext, gevonden over het onderzoek naar
de validiteit en betrouwbaarheid van het instrument.
132
Inleiding
Er zijn op vlak van arbeidsrehabilitatie al heel wat assessmentinstrumenten ontwikkeld die
gebruikt kunnen worden bij cliënten met psychosociale problemen. Hierbij gaat het vaak om
vragenlijsten die door de cliënten zelf ingevuld kunnen worden of die men bij hen afneemt.
Onder deze psychosociale problemen verstaan we beperkingen die hen belemmeren om hun
job volledig correct uit te voeren. Volgens het Institute of Medicine wijst deze beperking op
“the expression of a physical or mental limitation in a social context—the gap between a
person’s capabilities and the demands of the environment” (Lerner e.a., 2003)
Als toekomstig ergotherapeuten maken wij gebruik van het International Classification of
Functioning (ICF) (WHO 2001) (figuur 1) om het menselijk functioneren te classificeren. Met
behulp van het ICF kan het menselijk functioneren worden beschreven vanuit drie
verschillende perspectieven: het perspectief van het menselijk organisme, het perspectief van
het menselijk handelen en het perspectief van de mens als deelnemer aan het maatschappelijk
leven. Daarbij worden dan nog contextuele factoren beschreven als persoonlijke factoren en
externe factoren.
Functies zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk organisme. Hierbij
horen de anatomische eigenschappen, zoals de positie, aanwezigheid, vorm en continuiteit
van onderdelen van het menselijk lichaam. Tot de onderdelen van het menselijk organisme
worden gerekend lichaamsdelen, orgaanstelsels, organen en onderdelen van organen.
Afwijkingen in of verlies van functies of anatomische eigenschappen worden stoornissen
genoemd.
Activiteiten zijn onderdelen van iemands handelen en participatie: is iemands deelname aan
het maatschappelijk leven. Als iemand moeilijkheden heeft met het uitvoeren van activiteiten
spreekt men van beperkingen. Participatieproblemen zijn de problemen die iemand heeft met
het deelnemen aan het maatschappelijk leven.
De individuele achtergrond van het leven van een individu, en bestaan uit kenmerken van het
individu die geen deel uitmaken van de functionele gezondheidstoestand worden onder de
noemer persoonlijke factoren geplaatst. Bijvoorbeeld: leeftijd, ras, geslacht, opleiding,
ervaringen, persoonlijkheid, karakter, bekwaamheden, andere aandoeningen, lichamelijke
conditie in het algemeen, levensstijl, levensgewoonten, opvoeding, redzaamheid, sociale
achtergrond, beroep en ervaringen uit het heden en verleden.
Het laatste kernwoord uit het ICF is ‘externe factoren’. Daaronder verstaan we de fysieke en
sociale omgeving waarin mensen leven. Deze factoren kunnen een positieve of negatieve
133
invloed hebben op de participatie van het individu als lid van de samenleving, op het
uitvoeren van activiteiten van het individu of op de functies en anatomische eigenschappen
van diens organisme.
Vanuit dit kader geldt dat bij de bestudering van de reïntegratie naar arbeid van mensen die
vanwege een ziekte of aandoening arbeidsongeschikt zijn verklaard, de mate van participatie
in de betekenis van het vinden en behouden van een baan met name zal worden beïnvloed
door de mate waarin een persoon met een specifieke ziekte of aandoening bepaalde
activiteiten kan uitvoeren, alsmede persoonlijke en externe factoren en de wisselwerking
tussen de genoemde dimensies. Met andere woorden, het proces van arbeidsparticipatie wordt
beïnvloed door persoonsgerelateerde factoren alsmede factoren uit de sociale en
maatschappelijke omgeving, waaronder organisatiegebonden factoren.
Assessmentinstrumenten kunnen hulp bieden bij het evalueren van iemands werkgedrag om
vanuit ie observaties en resultaten eventueel gerichte doelstellingen op te stellen.
Het doel van deze studie is om een betrouwbare, valide assessmentinstrument op te sporen
waarmee een ergotherapeut de attitudes en arbeidsvaardigheden kan meten van cliënten met
pscyhosociale problemen die aan arbeidsrehabilitatie deelnemen.
GEZONDHEIDSPROBLEEM
(ZIEKTE OF AANDOENING)
FUNCTIE en
STRUCTUUR
ACTIVITEIT
PERSOONLIJK
E FACTOREN
PARTICIPATIE
EXTERNE
FACTORE
Figuur 1
Gangbare opvatting over de wisselwerking tussen de dimensies van het ICF
(International Classification of Functioning) (WHO 2001)
134
Methodologie
Er zijn op vlak van werkrehabilitatie al heel wat assessmentinstrumenten ontwikkeld die
gebruikt kunnen worden bij cliënten met psychosociale problemen.
Hierbij gaat het vaak om vragenlijsten die door de cliënten zelf ingevuld kunnen worden of
die men bij hen afneemt.
Onder deze psychosociale problemen verstaan we beperkingen die hen belemmeren om hun
job volledig correct uit te voeren. Volgens het Institute of Medicine wijst deze beperking op
“the expression of a physical or mental limitation in a social context—the gap between a
person’s capabilities and the demands of the environment” (Lerner e.a., 2003)
Aan de hand van het artikel “Psyschische aandoeningen en arbeid; een vergelijking van
interventies” (Schene e.a., 2005) zijn we op databanken en in bibliotheken op zoek gegaan
naar assessmentinstrumenten die van toepassing kunnen zijn voor onze doelstelling. In de
referentielijst van dat artikel (Schene e.a., 2005) kozen we uit de referentielijst een auteur om
op zoek te gaan naar assessmentinstrumenten. Er zijn er heel wat gevonden en op basis van
een korte bespreking en de gehanteerde criteria volgens iRv (www.irv.nl), hadden we elk 3
assessmentinstrumenten om verder uit te werken.
De naam van een auteur, vocational rehabilitation, work, executive functions, psychosocial
function, psychiatry, assessment, workrehabilitation, workreintegration, de afkorting of
volledige naam van een instrument waren trefwoorden die het meeste resultaat opleverde.
Dit artikel beschrijft de General work Behavior Questionnaire (GWBQ), de Work Behavior
Inventory (WBI) en de Work Limitations Questionnaire (WLQ).
De volgende databanken werden veel gehanteerd: PubMed, Ios Press, Clinical Trials.gov,
NCBI, Medical Care en Elsevier, Science Direct.
Resultaten
De zeven andere leden van de onderzoeksgroep hebben een studie gedaan naar valide en
betrouwbare assessmentinstrumenten die bruikbaar zijn in het rehabiliteren van mensen met
psychosociale problemen in het werkveld. Onder hun geselecteerde instrumenten behoren de
zich in de volgende assessmentinstrumenten; DOA, OFS, AMAS, DASS, VADO, GWBS, OAFP, WPRS, OAF, Mechelse Activiteitenschaal, Maastrichts arbeidsrehabilitatiemodel,
AWP, WRI, VCRS, VAP, WRIS, Valpar, WES, ERGOS, BTE Primus en POL.
135
Work Behavior Inventory (WBI)
De WBI is een situational assessmentinstrument dat werkprestaties op de werkvloer
beoordeelt. Het wordt herhaaldelijk gebruikt om de vooruitgang in werkrehabilitatie te
beoordelen. Wordt eveneens als feedbackformulier gebruikt en voor het opstellen van doelen
(Ronald Page, www.leadershipcoachacademy.com). Work Behavior Inventory kan letterlijk
vertaald worden als “werkgedrag bevoorraden”.
Het assessmentinstrument is ontworpen voor patiënten met een ernstige mentale aandoening.
In het artikel van M. Bell (Journal of Vocational Rehabilitation, 2003, IOS Press) heeft men
het over mensen met schizofrenie en schizoaffectieve aandoeningen, en andere ernstige
mentale aandoeningen.
De oorspronkelijke versie komt van Morris D. Bella: VA Connecticut HealthCare System,
Yale University School of Medicine. Paul H. Lysaker: Indiana University School of
Medicine, Indianapolis, IN, USA en Roudebush VA Mediacal Center, USA. En Gary Bryson:
Yale University School of Medicine, New Haven, CT, USA. (2004, Elsevier)
Over een bestaande Nederlandse versie van de WBI is geen informatie gevonden.
Doel is dat de werknemer zijn werkgedrag leert begrijpen vanuit zelfbeoordelingen, maar het
instrument wordt ook gebruikt door supervisors voor het opstellen van doelen, met het oog op
het verhogen en verbeteren van werkprestaties en –attitudes. Uiteindelijk kan de WBI voor
verschillende doeleinden gebruikt worden. Het op punt brengen van je mogelijkheden en
leiderscapaciteiten, sterke eigenschappen specifiëren die iemand verder kunnen helpen in zijn
carrière, alsook het in kaart brengen van probleemgebieden die extra training en aandacht
nodig hebben om vooruitgang te boeken op gebied van bekwaamheid op het werkveld. Maar
ook het identificeren van werkomgevingen waarin iemand het meeste succes ervaart. De WBI
kan de deelnemers helpen in het begeleiden van jobkeuzes en het nemen van eventuele
tussenstappen.
De WBI, het instrument zelf is niet gevonden of opgevraagd. Wat wel geweten is, is dat deze
bestaat uit 5 hoofddelen, die een beeld geven van iemands werkstijl. Personality
Characteristics, Leadership Styles, Selling and Influencing Styles, Emotional Intelligence en
Occupational Success Indicators.
136
De soort of de vorm van het instrument blijft alsnog onduidelijk. Specifieke instructies voor
het invullen van de WBI zijn niet gevonden omdat het gevonden artikel handelt over de
effectiviteit de WBI bij een schizofrene doelgroep. Wel kan het voglende gezegd worden.
Tijdens een tweewekelijkse bijeenkomst, die 1 uurtje duurt, in een groep van zo’n 6
deelnemers, krijgt wordt iedereen zijn WBI feedback besproken. Na discussie over de
resultaten, aangehaalde werkpunten en group-solving daarrond, wordt er een specifieke
doelstelling opgesteld voor de volgende twee werkweken. De deelnemer schrijft deze
doelstelling op zijn tijdsschema waarop hij eveneens zijn dagelijkse werkuren bijhoudt. Ook
vraagt men tijdens deze bijeenkomst hoe de deelnemer dit doel wilt gaan bereiken. Als het
doel na die twee weken werd bereikt werd er een nieuwe opgesteld. Op deze manier werd de
feedback ten volle benut en wordt de vooruitgang van de deelnemer nauwkeurig opgevolgd.
Er is een voorbeeld van de WBI Career Development Report gevonden
(www.leadershipcoachacademy.com/WBI_Sample_Report.pdf). Het instrument werd eerst
ingevuld door een deelnemer, dan afgegeven aan de onderzoeker die van de gegeven scores
een heel rapport heeft opgesteld. Dit rapport bestaat uit 3 delen. In de Quick Summary krijg je
een overzicht van gegeven scores van de deelnemer in vergelijking met normgroep. In de
Narrative Report staat er per onderdeeltje een specifiekere uitleg over wat die score inhoudt
en wat er positief en negatief kan zijn aan dat gedrag. In het gedeelte Taking Action gaat de
deelnemer doelen opstellen, wat zijn sterke en zwakke punten zijn en enkele tips die kunnen
helpen om de doelen te bereiken.
Waar je dit instrument kan opvragen en eventueel kan lenen is niet teruggevonden. Er kan
eveneens niets gezegd worden over eventuele kosten of over de copyright.
In de gevonden fulltext over de WBI gaat men er van uit de Behavioral Intervention een
positieve impact heeft op werkattitudes en dat er door BI meer weken en uren gehaald
worden. Er namen 2 groepen deel aan het onderzoek. De ene groep kreeg Supported
Employment (SE) waar de deelnemers een minimum aan feedback en evaluatie kregen. SE
wordt toegepast op de werkvloer, op het moment zelf. De andere groep kreeg Behavioral
Intervention (BI). Deze groep komt geregeld samen waar men heel specifieke feedback gaat
geven over iemands werkgedrag, iemands voorkomen, etcetera.
137
Om van de WBI een gestandardiseerd instrument te maken heeft men de WBI bij beide
groepen afgenomen, vóórdat deze SE of BI kregen om de resultaten na interventie met elkaar
te vergelijken.
Op de onderdelen Personal Presentation, Social Skills en Cooperativeness werd er een
vooruitgang geboekt en de significantie werd statistisch bewezen. Door Behavioral
Intervention was er eveneens vooruitgang op de onderdelen Work Habits en Work Quality,
maar na statistisch onderzoek bleek dit niet significant te zijn. Dit komt omdat op deze
onderdelen vaker feedback werd gegeven op de werkvloer zelf. De scores gingen daardoor
wel omhoog, maar niet veel. Bijvoorbeeld: iemand geeft de verkeerde post af en de supervisor
zegt dat hij deze onmiddellijk moet gaan halen en aan de juiste persoon afgeven De
onderzoekers wisten dat mensen die BI kregen langer werk zouden hebben en meer uren
zouden presteren en dat is ook bewezen.
Van de WBI wordt gezegd dat deze een hoge validiteit en betrouwbaarheid heeft (Lysaker
e.a., 2004), maar er zijn geen abstracten of full-teksten van gevonden. Dus er is wel
onderzoek gedaan naar interne consistentie, betrouwbaarheid, validiteit, criteriavaliditeit,
construct validiteit en responsiviteit, maar deze gegevens zijn niet gevonden.
Er kan eveneens niets gezegd worden over de benodigdheden, de talen waarin de WBI is
verschenen, de randvoorwaarden of de gebruikershandleiding.
De interne betrouwbaarheid werd getest en de intraclass correlations werden gevonden binnen
het bereik van goed tot uitstekend.
General Work Behavior Questionnaire (GWBQ)
De GWBQ-18 is een gemakkelijk hanteerbare vragenlijst die gebruikt wordt tijdens het
rehabiliteren van mensen met een ernstige mentale aandoening in het werkveld. De
vragenlijst, die eveneens in het Nederlands te verkrijgen is, beoordeelt “General Work
Behavior” of “algemene werkattitudes” op het werkveld en wordt elke 4 weken afgenomen.
Zowel de deelnemers als de supervisors, die als observator fungeert, gebruiken dezelfde
vragenlijst om het werkgedrag te evalueren. Het doel hiervan is om samen specifieke doelen
en werkpunten te formuleren waar de deelnemer nog tekort schiet.
138
De General Work Behavior Questionnaire kent zijn oorsprong uit Griffiths Work Behavior
Scale (GWBS, die door iemand van de studiegroep is bestudeerd, zie deel 8 van Nele Geerts)
(1973), Friedmeyer (1987) en Palmer & Gatti (1985) en bevatte 42 items. Deze werd door
Michon e.a. samengesteld tussen 1990 en 1993, in het Trimbos Institute te Utrecht,
Nederland. De lijst was lang en bevatte items met erg moeilijke woorden die niet toepasselijk
waren voor zelfevaluatiedoeleinden (bvb. “manual dexterity”; zie ook Mowbray et al., 1995).
Tussen 1994 en 1999 werd de GWBQ-42 statistisch onderzocht en gereduceerd tot 18 items.
De GWBQ-18 bestaat uit 2 delen. Het eerste gedeelte bestaat uit 18 tegenovergestelde
uitspraken. Een voorbeelditem is “ik neem veel initiatief versus ik neem weinig initiatief”.
Daartussen bevindt zich een 5-puntenschaal staat waarop ze zichzelf moeten scoren. Door één
van de vakjes aan te duiden geven ze aan welke uitspraak het meest op hun van toepassing is.
De 18 uitspraken staan onder 4 grote noemers; taakcompetentie, initiatiefname, sociaal
werkgedrag en betrouwbaarheid.
Het tweede gedeelte van de GWBQ-18 bevat 5 open vragen (bijvoorbeeld: “wie of wat zou u
kunnen helpen om het werk beter te doen?”), die schriftelijk ingevuld worden. Er hoeven geen
verwerkingen te gebeuren en de gegeven antwoorden vereisen slechts weinig verantwoording.
Voor het opvragen van een versie van de GWBQ-18 werd een mail verstuurd naar de
ontwerpers van het instrument waarin kort werd aangehaald waarrond ons onderzoek gaat en
met de vraag of het mogelijk was om extra informatie vrij te geven. Hierop werd enthousiast
gereageerd door J. van Weeghel en zijn collega H. Michon die gratis de informatie
doormailden. (bijlage 1)
De betrouwbaarheid van het instrument werd nagegaan aan de hand van Cronbach’s Alpha.
Hieruit is gebleken dat de supervisorvragenlijst door een grote betrouwbaarheid gekenmerkt
wordt. De zelfevaluatielijsten haalden eerder een matige betrouwbaarheid.
De t-toets voor gepaarde waarneming werd gebruikt om het onderlinge verband tussen
gemiddelde scores van de supervisors en de deelnemers na te gaan. Hieruit is gebleken dat de
gemiddelde scores van de deelnemers hoger lagen dan die van hun supervisors. Dit wilt
zeggen dat de deelnemers hun vaardigheden hoger inschatten dan hun supervisors.
Informatie over de interne consistentie, de criteriavaliditeit, de constructvaliditeit en de
responsiviteit is geen verdere informatie gevonden.
139
Naast de invulversie voor de deelnemer en de supervisor is er enkel en pen nodig. Er worden
geen randvoorwaarden gesteld en het invullen van de vragenlijst kan gestart worden na het
doornemen van de instructies, die kort en duidelijk geformuleerd zijn. Het invullen gebeurt
om de 4 weken, duurt zo’n 5 à 10 minuten en is zeer gebruiksvriendelijk.
Work Limitations Questionnaire (WLQ)
De WLQ is een assessmentinstrument met een 25 vragen die de deelnemer zelf invult. Met de
vragenlijst gaat men na in welke mate gezondheidsproblemen invloed hebben op het kunnen
uitvoeren van een job. De WLQ wordt gebruikt voor cliënten die al een job uitoefenen en
wordt dus gehanteerd in een arbeidssituatie.
De deelnemers die aan de studie hebben deelgenomen waren mensen met
ademhalingsmoeilijkheden (asthma), intestina-aandoeningen (ziekte van Crohn,
leveraandoeningen), mentale aandoeningen (depressie, algemene angsten, epilepsie, chronisch
hoofdpijnsyndroom) en reuma.
De oorspronkelijke versie: Work Limitations Questionnaire ©, 1998, The Health Institute,
Debra Lerner, Ph. D.; Benjamin C. Amick III, Ph. D.; en Glaxo Wellcome, Inc. Alle rechten
voorbehouden.
De WLQ is vertaald in 25 talen en dialecten. In dit artikel (bron) komt niet aan bod welke
talen. Het is ook verkrijgbaar in verschillende versies; pen en papier, telefonische versie en
een elektronische versie.
Het doel van de WLQ is om na te gaan welke impact de gezondheidstoestand heeft op de
kwaliteit van het uitvoeren van werk.
Er zijn 4 schalen; de eerste vraag gaat rond Time Management en omvat 5 items die nagaan
hoe moeilijk iemand het vindt om zich aan de te presteren werkuren en uurschema’s te
houden. De tweede schaal, Physical Demand Scale, bevat 6 vragen over de mogelijkheid om
taken uit te voeren die lichaamskracht, beweging, volhouding, coördinatie en flexibiliteit
140
vereisen. De derde schaal, Mental/ Interpersonal Scale, heeft 9 vragen. 6 Vragen gaan onder
meer over de moeilijkheid die zij ervaren tijdens cognitieve opdrachten. De 3 andere items
bevragen de deelnemer over problemen bij interacties met collega’s. De vierde en de laatste
schaal, Output Demands Scale heeft 5 vragen over een vermindering van mogelijkheden om
aan bepaalde eisen te voldoen rond kwaliteit en kwantiteit van een taak en om een taak af te
krijgen binnen een bepaalde tijd.
Voor dit onderdeel werd D. Lerner via mail gecontacteerd met een korte beschrijving van het
doel van ons onderzoek en of het mogelijk was enige informatie door te sturen. Om het
instrument, voor intern gebruik, te kunnen ontvangen werden formulieren ondertekend door
de school en doorgefaxt.
De invulinstructies zijn in eenvoudige taal uitgedrukt. Ten eerste wordt er aan de deelnemer
gevraagd om na te denken over hun fysieke en emotionele problemen. Daarmee wordt hun
huidige of permanent aanwezige gezondheidstoestand bedoeld, maar ook de effecten die een
huidige behandeling heeft op die aandoening. Daarnaast wordt aangehaald dat de meeste
vragen meerkeuzevragen zijn. Er wordt van hen verwacht dat zij deze vragen beantwoorden
door een vakje te markeren. Zo geven ze aan welk antwoord het meest op hun van toepassing
is. Hierbij wordt, ter verduidelijking, een voorbeeld gegeven.
Voorbeeld:
Please answer these questions even if you missed some workdays.
Mark the “Does not apply to my job” box only if the question describes something that is
not part of your job.
If you have more than one job, report on your main job only.
In the past 2 weeks, how much of the time did your physical health or emotional problems
make it difficult for you to do the following?
(Mark one box on each line a. through f.)
Difficult
a l l of t he
time
(100%)
Difficult
most of
the time
Difficult
some of
the time
(about
50% )
141
Difficult
a slight
bit of the
time
Difficult
none of
the time
(0%)
Does not
a ppl y t o
my job
a. keep your
mind on
your work
b. t hi nk
clearly
when
working
1
2
3
4
5
6
1
2
3
4
5
6
Voordat zij aan de vragenlijst beginnen zijn de deelnemers vrij om belangrijke data in te
vullen als; verjaardagen, familiefeesten of deadlines. Hiervoor mogen zijn een kalender
gebruiken.
De WLQ bestond oorspronkelijk uit 48 items. Voor deze versie werden verschillende
statistische studies gedaan en die resultaten leverden een bewijs over zijn betrouwbaarheid,
validiteit en precisie. Een kortere, 25 itemsversie, werd ontwikkeld door de items die de beste
scores opleverden, te behouden. Op sommige onderdelen haalde deze versie nog betere
statistische resultaten (Tabel 1). De gevonden statistische resultaten gingen over de 48
vragenlijst.
142
Tabel 1
Work Limitations Questionnaire Scaling Test Results
Scale
Items
n
Mean+
(SD)
%
Floor
%
Ceiling
Scale
Alpha
Range
of
ItemtoTotal
Corr
%
Scaling
Success
a
48-Item Work Limitations Questionnaire
• Time
Demands
• Physical
Demands
• Mental
Demands
• Interpersonal
Demands
• Output
Demands
9
32.5
27.4
10.1
0
.89
.51-.77
97.2
11
32.4
34.5
19.3
1.8
.96
.72-.88
100
14
32.9
25.0
6.4
0
.94
.34-.82
96.4
7
21.4
26.2
27.5
0
.91
.53-.81
96.4
7
25.7
26.2
15.6
0
.91
.60-.80
100
25-Item Work Limitations Questionnaire
• Time
Demands
5
36.6
35.3
13.9
.9
.89
.61-.82
100
• Physical
Demands
6
32.2
33.3
20.9
1.7
.89
.63-.79
100
9
28.8
25.5
14.8
0
.91
.57-.83
100
5
26.0
26.0
16.5
0
.88
.53-.82
100
• MentalInterpersonal
Demands
• Output
Demands
*p≤.01
n=121
+
Minimum scale score (Least Limited) = 0. Maximum scale score (Most Limited) = 100
a
Scaling success is the percent of tests out of all possible tests in which an item's correlation with its
hypothesized scale is ≥ 2 SEs higher than its correlation with other scales.
Het invullen van WLQ neemt 5 à 10 minuten in beslag. Het is kort en gemakkelijk voor
administratie. Over eventuele randvoorwaarden is er niets teruggevonden in de bestudeerde
artikels.
143
Discussie
Over de WBI zijn er heel wat onderdelen die in discussie gesteld kunnen worden.
Er is een bias voor de evaluatieresultaten, omdat de onderzoekers die de deelnemers
begeleidde in de groepsessies, wisten dat de deelnemers BI kregen. Er was echter geen bias
omtrent het aantal uren die deelnemers gepresteerd hebben.
Er werd een tijdelijke job aangeboden door de onderzoekers. De deelnemers werden veel
aangemoedigd en men heeft dit heel zachtaardig aangepakt. Ze zouden niet ontslagen worden
omwille van negatief gedrag. Iedereen werkte mee zodat het beter met hen zou gaan en de
begeleiding was heel ondersteunend. Het ging er eigenlijk niet aan toe zoals in het echte leven
waar men een job moet gaan zoeken en waar men druk ervaart om een job te hebben. Het is
eerder een: “let’s-teach-you-how-to-work place”.
Het onderzoek werd enkel uitgevoerd bij schizofrene mannen ouder dan 40, die langdurig
ziek zijn en al langdurig behandeld worden. Vrouwen en jongeren met een ernstige mentale
aandoening werden uit dit onderzoek uitgesloten.
Het gaat hier om een kleine studie waar er geen controlegroep is die geen BI kreeg. In deze
studie werden twee groepen onderzocht. De ene kreeg SE, de andere BI. Het is beter om een
derde groep op te stellen voor een volgend onderzoek. Een groep die geen BI krijgt en de
resultaten van de 3 groepen dan te vergelijken.
Het onderzoek was slechts van relatief korte duur. De deelnemers werden na het onderzoek
niet meer opgevolgd waardoor men niet zeker is of de invloed van de BI blijvend is.
Personal Presentation is een schaal met items waar de supervisor het gedrag van de
werknemer kan scoren; slechte hygiëne, ongepast gekleed, verschijnt verward en verbijsterd
op de werkvloer, heeft merkwaardige manieren. Zulk gedrag kan bij andere werknemers
beangstigend overkomen en kunnen bezorgdheid opwekken. Het zijn ook redenen om een job
te verliezen. Supervisors kunnen dit beschouwen als iets dat niet onder hun
verantwoordelijkheid valt en ze geloven ook dat ze welwillend zijn door het te negeren of
omdat ze zich ongemakkelijk voelen om dat gedrag ter sprake te brengen bij hun werknemer.
De supervisors kunnen zich ook zorgen maken over de reactie van de werknemer op deze
items. Maar, door het gebruik van de WBI kan de werknemer zijn Personal Presentation bij
anderen te laten staven en door andere werknemers te laten getuigen accepteerden ze deze
kritiek. Deze manier van feedback kwam minder bedreigend over en werd beter geaccepteerd.
(Bell M., 2003, IOS Press)
144
Social Skills items beschrijven of de werknemer eerder afstandelijk is of gereserveerd, of deze
ongeïnteresseerd overkomt, of deze zijn positieve en negatieve gevoelens op een
aanvaardbare manier uitdrukt en of hij op sociaal vlak een teruggetrokken persoon is. Dit zijn
gedragskenmerken dat medecollega’s en supervisors een ongemakkelijk gevoel geven bij het
beoordelen en dat kan ertoe leiden dat de resultaten van het onderzoek beïnvloed worden. De
supervisors dachten dat, zolang het werk maar gedaan is dat ze hun werknemers maar niet van
feedback moesten voorzien over dat gedrag.
Het onderdeel Samenwerking gaat over; of de deelnemer om kan gaan met constructieve
kritiek zonder zich boos te maken, of deze aandachtig kan luisteren naar instructies en of hij
deze kan opvolgen zonder tegenstribbelen.
Bij de GWBQ zijn concepten als motivatie en werkgewoonten zijn bredere, minder
waarneembare en aan onderliggende psychologische aspecten onderhevig. De sterke
motivatie bij patiënten die aan arbeidsrehabilitatie deelnemen, kan het werkgedrag, met
bijvoorbeeld taakbekwaamheid en sociaal het werkgedrag beïnvloeden.
Beide assessmentformulieren bevatten dezelfde kernnoemers en werden waren beduidend met
elkaar gecorreleerd. Toch is er, op individueel niveau, een directe vergelijking tussen de
scores van de supervisor met die van de zelfevaluatie die met enige voorzichtigheid bekeken
moet worden. Uit de t-toets voor gepaarde waarneming blijkt dat de deelnemers hun
vaardigheden hoger inschatten dan hun supervisors. Antwoorden de deelnemers vanuit een
ander denkkader wanneer ze de vragenlijst invullen? Mogelijks redeneren zij als volgt, “ik
functioneer goed in vergelijking met de periode waar ik voor langere tijd zeer ziek en
werkloos was” (Michon e.a., 2004). Het is ook mogelijk dat de supervisor meer nadruk legt
op te bereiken doelen omdat zij meer weet hebben van de vereiste capaciteiten die bij die job
horen.
Het onderzoek naar de verschillen en gelijkenissen onder de zelfevaluatie en
supervisorevaluatie wordt als een leidraad gezien voor evaluatiegesprekken. Bijna alle
deelnemers gaven aan dat zij de resultaten uit de GWBQ gebruikten om (bijkomstige)
opleidingen en begeleidingsactiviteiten te bespreken.
Van de WLQ kan gezegd worden dat het niet gemakkelijk is om full-teksten te vinden. Lerner
mailde me een document door met goede informatie, maar hierin stond geen discussie of
conclusie.
145
Conclusie
De WBI wordt gebruikt door de supervisor en de deelnemer. Elke twee weken gaan ze
samenzitten om de gegeven antwoorden te bespreken en doelstellingen op te stellen. Dit
noemen ze Behavioral Inventory of letterlijk vertaald “bevoorraden van gedrag”.
Om meer te weten te komen over de gegevens rond betrouwbaarheid, validiteit en andere
moet verder gezocht worden.
Nagaan of deze ook in het nederlands te verkrijgen is. Misschien is de engelse versie wel te
verkrijgen en is het mogelijk om deze te vertalen.
De WBI is een instrument dat in werksituaties wordt gehanteerd en biedt geen antwoord op de
onderzoeksvraag. Daar de test zelf niet gevonden is, is het moeilijk om een kritische mening
te geven of deze al dan niet door een ergotherapeut gebruikt kan worden in een klinische
setting bij psychiatrische patiënten.
De GWBQ blijkt uit onderzoek wel geschikt te zijn voor het meten van de meest basale
werkattitudes.
Deze wordt gebruikt in een arbeidssituatie en niet in een klinische setting, waardoor dit
instrument geen direct antwoord biedt op de vraag uit Tienen. Maar aangezien deze
gemakkelijk hanteerbaar is, lijkt ze geschikt om, ook door een ergotherapeut, in een klinische
setting te hanteren.
Ondanks de beperkingen, blijken deze resultaten van het onderzoek, en de resultaten van de
GWBQ zelf-evaluatie versie, veelbelovend genoeg om verder onderzoek te doen naar extra
waarde van zelfassessment van werkgedrag in de praktijk en in onderzoek naar evaluatie van
dit gedrag.
Dit instrument lijkt zeer bruikbaar in het rehabiliteren van mensen met een ernstige mentale
aandoening in het werkveld. Het invullen neemt niet veel tijd in beslag en de deelnemer wordt
nauw betrokken bij zijn werkrehabilitatieproces.
Om meer informatie te kunnen verkrijgen van de WLQ lijkt het goed om verder contact op te
nemen met Debra Lerner. De WLQ is bruikbaar in een werksetting en ook dit instrument
geeft geen antwoord op de vraag die ons werd gesteld vanuit de Psychiatrische Kliniek
Broeders Alexianen.
146
Functie
probleem
Ernstig
Matig
en
Licht
Assessmentinstrument
WBI
GezondheidsActiviteit
Participatie
structuur
X
WLQ
X
Physical
Demands
Scale
factoren
Externe factoren
Onderdelen:
leadershipstyles,
selling and
influencing styles
Bijvoorbeeld: Big
Five personality
Factors;
extraversion,
agreeableness,
openess to
experience,
emotional stability
Bijvoorbeeld: Innovation,
persistence
(bijvoorbeeld: you tend
to get discouraged and
give up when things get
difficult. You may best
fit work environments
that require rather short,
discrete tasks.) het
identificeren in welke
werkomgeving iemand
het beste functioneert.
Onderdeel
“taakcompetentie”
Onderdeel “sociaal
werkgedrag” en
“initiatiefname”
Onderdeel
“betrouwbaarheid”
Bijvoorbeeld: “wat
hindert u om de manier
waarop u werkt te
verbeteren?”
Time Management
Scale
interpersonal
Demands Scale
Mental/interpersona Output Demands Scale
l Demands Scale
X
GWBQ
Persoonlijke
Referenties
Tijdschriften
ANDREA, H., e.a., ‘Health problems and psychosocial work environment as predictors of
long term sickness absence in employees who visited the occupational physician and/or
general practitioner in relation to work: a prospective study’, Occupational and
Environmental Medicine, jaargang 60 (2003), p. 295-300.
BELL, M., e.a., ‘A behavioral intervention to improve work performance in schizofrenia:
Work Behavior Inventory feedback’, Journal of Vocational Rehabilitation, 2003.
GOLDNER, E., e.a, ‘Disability Management, return to work and treatment’, Longwoods
Publishing, jaargang 5 (2004), nr. 2, p. 76-90.
LERNER, D., e.a., ‘Relationship of Empoyee Reported Work Limitations to Work
Productivity’, Lippincott Williams & Wilkins, 2003, vol. 41, nr. 5, p. 649-659.
LYSAKER, P., e.a., ‘Relationship of impaired processing speed and flexibility of abstract
thought to improvements in work performance over time in schizophrenia’, Schizophrenia
Research, 2005, Volume 75, Issue 2-3, Pages 211-218.
MARHOLD, C., LINTON, S. en MELIN, L., ‘Identification of Obstacles for chronic pain
patients to return to work: Evaluation of a questionnaire’, Journal of Occupational
Rehabilitation, jaargang 12 (2002), juni, nr. 2, p. 67-75.
MICHON, H. W. C., e.a., ‘The Generic Work Behavior Questionnaire (GWBQ): assessment
of core dimensions of generic work behavior of people with severe mental illnesses in
vocational rehabilitation’, Psychiatric Rehabilitation Journal, 2004, vol. 28, nr 1, p. 40-47.
NIEUWENHUIJSEN, K., e.a., ‘Quality of rehabilitation among workers with adjustment
disorders according to practice guidelines; a retrospective cohort study’, Occupational and
Environmental Medicine, jaargang 60 (2003), p. 21-25.
SCHENE, A., VAN WEEGHEL, J., VAN DER KINK, J. en VAN DIJK, F., ‘Psychische
aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies’, Psychopraxis, jaargang 7 (2005),
mei, nr. 3, p. 110-115
148
Internet
AMICK, B. en LERNER, D., Available Questionnaires ; The Work Limitations Questionnaire
(WLQ), internet, 2006-10-28, (http://www.tufts-nemc.org/icrhps/resprog/thi/wlq.asp).
BELL, M., Rehabilitation effects of pay, activity, and support intensity on schizofrenia,
internet, 2006-11-09, (www.rehab.research.va.gov/prog/99/99prch12.htm).
BRITTON WHITCOMB, S., e.a., WBI Sample Report, Internet, 2006-12-19
(www.leadershipcoachacademy.com/WBI_Sample_Report.pdf).
BRITTON WHITCOMB, S., e.a., Work Behavior Inventory assessment training, Internet,
2007-05-07 (www.leadershipcoachacademy.com/assessmentacademy.html#wbimore).
LERNER, D., e.a., The Work Limitations Questionnaire Original Articles, Internet, 2007-0302, (http://www.lww-medicalcare.com), vol. 39, nr.1, p. 72-85.
LERNER, D., e.a., The Work Limitations Questionnaire, Internet, 2006-10-17,
(http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=11176545
&dopt=Abstract).
LERNER, D., e.a., The Work Limitations Questionnaire’s Validity and Reliability among
patients with osteoarthritis, Internet, 2006-10-28,
(http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=11809359
&dopt=Abstract)
LYSAKER, P., e.a., Brief Reports: Hopelessness as a Predictor of Work Functioning Among
Patients With Schizophrenia, Internet, 2006-10-28,
(psychservices.psychiatryonline.org/cgi/content/abstract/55/4/434).
149
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Work Environment Impact Scale (WEIS)
Vocational Assessment and Curriculum Guide (VACG)
door Pieter Knoops
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
150
Trefwoorden: ergotherapie, psychische aandoeningen, werk, arbeidsrehabilitatie,
arbeidsreïntegratie, assessmentinstrumenten, WEIS, VACG
Abstract
DOEL Het doel van dit afstudeerproject is het op zoek gaan naar valide en betrouwbare
assessmentinstrumenten rond arbeidsrehabilitatie voor cliënten met een psychosociale
problematiek. Dit instrument moet toepasbaar zijn binnen de visie en de setting van het
Arbeidscentrum bij de Broeders Alexianen te Tienen.
METHODE Via referenties uit het artikel “Psychische aandoeningen en arbeid; een
vergelijking van interventies” (Schene e.a., 2005) werden enkele bruikbare artikels gekozen
rond meetinstrumenten. Uiteindelijk zijn na verder onderzoek twee assessmentinstrumenten
geselecteerd binnen de arbeidsrehabilitatie. Via verschillende bronnen zoals onlinedatabanken en bibliotheken werden abstracts, full-text artikels en boeken geraadpleegd om
een zo grondig mogelijke studie te bekomen. Ook werden de gevonden artikels beoordeeld op
hun inhoud via de criteria van Law (Law e.a. – 1998).
RESULTATEN De Work Environment Impact Scale (WEIS) en Vocational Assessment and
Curriculum Guide (VACG) zijn beiden bruikbaar in de arbeidsrehabilitatie. De WEIS is een
semigestructureerd interview dat de omgeving van de cliënt in kaart brengt. Op deze wijze
ziet de therapeut welke factoren (on)gunstig zijn in de werkplekomgeving van de cliënt.
De VACG is een interview dat de beroeps- en sociale vaardigheden van de cliënt in kaart
brengt. Beide instrumenten zijn valide en betrouwbaar.
CONCLUSIE Beide instrumenten zijn bruikbaar binnen het Arbeidscentrum van Tienen. Ze
brengen in kaart hoe de cliënt functioneert en beide assessments kunnen afgenomen worden
alvorens de cliënt in het werkveld staat.
Inleiding
Wanneer we 15 jaar terug in de tijd gaan en zoeken naar studies die gedaan zijn in België en
Nederland rond arbeidsrehabilitatie, is er heel wat literatuur te vinden. Vooral de laatste tien
jaren zijn er heel wat studies gepubliceerd, hoofdzakelijk in Nederland. Wanneer naar de
inhoud gekeken wordt van deze studies, moet vastgesteld worden dat er op ergotherapeutisch
151
vlak weinig inbreng is. Een ander punt is ook, dat er blijkbaar een invloed is vanuit de
Verenigde Staten rond bepaalde werkmodellen binnen de arbeidsrehabilitatie. Hierbij denken
we aan Supported employement of Individual Placement and Support (IPS). Veel van de
onderzochte onderwerpen worden gedaan door onderzoeksinstituten zoals het Rob Giel
instituut, het Trimbos instituut of in België ‘Lucas’, een samenwerkingsorganisatie van de KU
Leuven. Ook bestaan er vele ‘arbeidsbureaus‘ die niet alleen cliënten met beperkte
mogelijkheden maar ook cliënten zonder beperkingen begeleiden. Vele onderwerpen worden
tijdens deze onderzoeken aangehaald, zoals welke methodes (assessment) er gebruikt kunnen
worden om personen met psychosociale problemen te begeleiden tijdens hun rehabilitatie.
Ook het samenwerken tussen verschillende diensten waarmee de cliënten in contact komen
tijdens hun zoektocht naar een ‘geschikte’ baan. Wanneer men kritisch is en deze studies
grondig doorneemt, valt het op dat velen assessments ontwikkelen om de cliënten, eens ze in
het werkveld staan, verder te begeleiden op lange termijn. Ondanks deze aanpak is het nog
belangrijker om nog voor de cliënt aan een zoektocht naar (betaalde) arbeid begint, als
paramedicus te weten op welk niveau deze persoon functioneert. Wanneer men dit in het
achterhoofd houdt, is het al veel moeilijker om duidelijk gedane studies en onderzoeken te
vinden, die rond dit onderwerp handelen in België of Nederland.
De werkgroep rond dit afstudeerproject is het er daarom ook over eens dat ons onderzoek een
positieve bijdrage zal kunnen leveren aan het verder ontwikkelen van een degelijk
gestructureerde en betrouwbare aanpak binnen arbeidsrehabilitatie en kunnen we hiermee ook
aantonen dat ergotherapeuten wel degelijk een zeer groot aandeel kunnen hebben op dit
vakgebied.
De assessmentinstrumenten die vervolgens besproken zullen worden, hebben namelijk een
ergotherapeutische achtergrond of visie.
Methodologie
De onderzoeksgroep is vertrokken vanuit het artikel ‘Psychische aandoeningen en arbeid: een
vergelijking van interventies’(Schene A. e.a. - 2005). Hierin is onderzoek verricht naar
psychiatrische aandoeningen van verschillende ernst, arbeidsreïntegratie op deze
verschillende niveaus en een vergelijking van interventies. Vanuit de literatuurlijst van dit
artikel heeft ieder groepslid twee nieuwe artikels opgezocht om dieper onderzoek te doen naar
welke assessmentinstrumenten er beschikbaar zijn. Ook wordt er gekeken hoe deze
152
instrumenten de cliënt en zijn functioneren in kaart brengen. Vanuit de referentielijst is het
artikel ‘reducing long term sickness absence by an activating intervention in adjustment
orders: a randomized controlled design’ (van der Klink J. J. L. e.a. - 2003) verder onderzocht.
De auteurs van dit artikel bespreken hoe werknemers van een groot bedrijf in Nederland in
twee groepen behandeld worden nadat ze in ziekteverlof waren. Hierin kwamen enkele
meetinstrumenten voor die psychologische aspecten van de patiënten grondiger onder de loep
nemen.
Een van deze instrumenten is de ‘Dutch Work and Health Questionnaire’(van der Klink, J. J.
L. e.a. - 2003). Deze vragenlijst onderzoekt de waardering die de werknemers geven aan de
kwaliteit van hun werk en gezondheid. Het is een valide vragenlijst die bestaat uit 8 schalen
die de werktevredenheid en stressoren testen, en 2 schalen die de gezondheid van de cliënt
onderzoeken.
De ‘Utrecht Coping List’ (Schreurs, P. J. G. e.a. - 1988) probeert het copinggedrag vast te
stellen bij confrontatie met problemen of aanpassingseisende gebeurtenissen. Deze lijst
bestaat uit 7 schalen met een totaal van 47 items. Ieder item wordt door de cliënt gescoord op
een 4-punten schaal.
De ’90-item Symptom Checklist’ (Derogatis, L. R. e.a. - 1973) is een klachtenlijst die vaak
gebruikt wordt bij psychiatrische patiënten. Het is een zelfbeoordelinglijst die onderzoek doet
naar recentelijk ervaren klachten, zowel op lichamelijk als fysiek vlak en dient kan gebruikt
worden om na interventies de effecten van deze therapie in kaart te brengen.
De ‘Four Dimensional Symptom Questionnaire’ (Terluin B. - 1996) heeft als doel
stresssymptomen te onderscheiden van depressie, angst en somatisatie. De vragenlijst bestaat
uit 4 schalen die stress, depressie, angst en fysieke symptomen meten met een totaal van 50
items. De test is valide en heeft een hoge betrouwbaarheid.
Verder is ook onderzoek gedaan met het softwareprogramma ‘All About Outcomes – Adult
Version’ (Law, King, Russell, Stewart, Hurley & Bosch – 2001).
Hierop zijn een aantal outcome-meetinstrumenten te raadplegen. Het doel van de cd-rom is
door een aantal criteria op te geven een geschikt meetinstrument vinden voor een geschikte
doelgroep. De resultaten die hieruit voorkwamen waren eerder teleurstellend. De
meetinstrumenten hebben steeds een grote medische, motorische achtergrond maar testen niet
de psychische aspecten van patiënten op de werkvloer. Enkel de ‘Work Environment Impact
153
Scale (WEIS)’ (Kielhofner, G. – 2002) en de ‘Work Environment Scale (WES)’ (Kielhofner,
G. – 2002) kwamen in aanmerking tussen de 190 beschikbare outcome-measures.
Via de website van het Model Of Human Occupation (http://www.moho.uic.edu)
heb ik de WEIS verder onderzocht. Dit instrument is een semigestructureerd interview dat
ontwikkeld is door Gary Kielhofner, Renee A. Moore-Corner en Linda Olson. De WEIS
verzamelt informatie over hoe cliënten met fysieke of psychosociale problemen hun
werkomgeving ervaren. Het meetinstrument is gebaseerd op het MOHO van Kielhofner en
komt vooral in aanmerking bij personen die aan het werk zijn of terug aan het werk willen
gaan met een specifieke voorkeur naar job of type werk. De test brengt in kaart hoe de
werkomgeving invloed heeft op de cliënt en zijn functioneren en werktevredenheid. De test
onderzoekt niet de omgeving zelf van de cliënt!
Tijdens een van de bijeenkomsten van de werkgroep kwam de website www.projectatlas.org
ter sprake. ATLAS focust op het testen en trainen van sociale competenties van personen met
een verstandelijke beperking. Via een link op deze website is het mogelijk om ATLAS-book
te downloaden, een boek waarin vele assessmentinstrumenten besproken worden die helpen
bij het evalueren van de sociale en arbeidsvaardigheden van mensen met een verstandelijke
handicap. Na het grondig doornemen en het uitfilteren van de niet geschikte
meetinstrumenten, bleef er nog één instrument over dat zijn nut zou kunnen hebben binnen
het onderwerp van onze werkgroep. Namelijk de ‘Vocational Assessment and curriculum
Guide’ (Rusch e.a. - 1988). Dit assessment instrument is in de vroege jaren ’80 ontwikkeld.
Het is een beroepsevaluatieschaal op basis van een ecologische analyse van
tewerkstellingskansen (Rusch e.a. - 1982).
Resultaten
De assesmentinstrumenten ’90-item Symptom Checklist’, ‘Four Dimensional Symptom
Questionnaire’, ‘Utrecht Coping List’ en ‘Dutch Work and Health Questionnaire’ zijn allen
betrouwbaar en valide maar testen algemene symptomen en de subjectieve ervaringen van de
cliënten. Vaak worden deze testen afgenomen door geneesheren, al is het voor een
ergotherapeut mogelijk om deze vragenlijst af te nemen. De resultaten die deze 4
meetinstrumenten geven, zijn een antwoord op de vraag wat er precies mis is bij de patiënt en
154
waar er dieper onderzoek naar moet gebeuren. Vandaar dat ik deze items niet verder heb
onderzocht, aangezien zij geen antwoord bieden op onze vooropgestelde onderzoeksvraag.
De WEIS daarentegen geeft wel een duidelijk antwoord op onze onderzoeksvragen. Dit
semigestructureerd interview is bruikbaar bij patiënten die aan het werk zijn of terug aan het
werk willen en onderzoekt d.m.v. 17 items hoe de patiënt de invloed van de werkomgeving
ervaart en waar neemt. Het interview geeft kwalitatieve informatie weer over welke aspecten
van de werkomgeving invloed hebben op de patiënt (Kielhofner G. - 1999). In het artikel
‘Construct validity of a work environment impact scale’ (Corner RA. e.a. - 1997) is onderzoek
gedaan naar de validiteit en interne consistentie van de WEIS. De vragenlijst werd bij 20
patiënten met een psychiatrische aandoening afgenomen. De bekomen resultaten gaven aan
dat de WEIS een valide instrument is om bij psychiatrische patiënten te gebruiken. Ook de
items binnen de test blijken overeen te komen met de noden van de patiënt op gebied van
prestaties, welzijn en jobtevredenheid.
In het artikel ‘Psychometric properties of the Work Environment Impact Scale: a croscultural study’ (Kielhofner G. e.a. - 1999) is een uitgebreid onderzoek gedaan naar de
doelgroepen die voor dit instrument in aanmerking komen, alsook naar de bruikbaarheid
binnen verschillende culturen en de samenwerking van de verschillende items die de test wil
bevragen. De test is vertaald naar het Zweeds om te zien of ook in deze cultuur het instrument
bruikbaar is. Het hele opzet was om 11 Amerikaanse patiënten en 10 Zweedse patiënten de
test te laten afnemen en te registreren op video. Van de 11 Amerikaanse patiënten werkten er
drie momenteel in concurrerende bedrijven, vijf patiënten onder begeleide tewerkstelling en
twee patiënten deden vrijwilligerswerk. Van de tien Zweedse patiënten hebben allen recent
nog gewerkt of waren nog aan het werk tijdens hun interview. De doelgroep hield acht
personen met zware depressie,vijf personen die behandeld werden voor handverwondingen,
drie met een bipolaire stoornis, twee personen met een angststoornis, één persoon met een
schizoaffectieve stoornis en een persoon met de diagnose fibromyalgie. Achteraf hebben 13
Amerikaanse en 4 Zweedse ergotherapeuten de patiënten geëvalueerd en beoordeeld. Ook
kregen de 4 Zweedse ergotherapeuten nog 10 Zweedse patiënten die ze moesten evalueren.
Uit het onderzoek is gebleken dat alle items van de WEIS goed op elkaar inspelen, enkel het
item ‘interaction with others’ past niet volledig in het meetinstrument. De reden hiervoor is
dat enkele beoordelaars hun patiënt goed scoorden op dit item, terwijl de patiënten in kwestie
155
tijdens hun werktijd geen interactie hadden met anderen omwille van de aard van de taak die
ze moesten uitvoeren. Verder bevragen de verschillende items wel steeds verschillende
aspecten en zijn er geen overlappingen mogelijk in de antwoorden.
Work Environment Impact Scale (WEIS)
De Work Envirronement Impact Scale, WEIS is ontwikkeld door Renee A. Moore-Corner,
Gary Kielhofner, and Linda Olson in1998.
De bedoeling is om met de Work Envirronement Impact Scale (WEIS) te beschrijven hoe
mensen met beperkingen (psychosociale en fysieke) hun werkomgeving ervaren en hoe deze
werkomgeving invloed heeft op het arbeidsfunctioneren. Het is een semigestructureerd
interview. De werkomgeving staat centraal!
Meer concreet probeert dit instrument de sociale omgeving, fysieke omgeving, ondersteuning
op de werkvloer, externe factoren, collegialiteit, interacties, mogelijkheden, beperkingen,
hulpmiddelen in kaart te brengen binnen de arbeidssituatie. De therapeut gaat inventariseren
welke mogelijke omgevingsfactoren (on)gunstig zijn voor de cliënt om terug te gaan werken
of wanneer de cliënt betaalde arbeid uitvoert, om na gaan hoe de werkomgeving invloed heeft
op de cliënt.
De therapeut kan zo nagaan of en waar precies interventies nodig zijn
De WEIS is onderverdeeld in 17 items die de werkomgeving van de cliënt in kaart brengen.
De schaal geeft een profiel weer over welke factoren van de omgeving de cliënt negatief en
positief beïnvloeden. Het instrument is vooral bedoeld voor cliënten die tewerkgesteld zijn of
in de nabije toekomst tewerkgesteld worden binnen een specifieke job.
Het betreft hier vooral cliënten met fysieke of psychosociale problematieken die
moeilijkheden ervaren op hun werk. Ook wanneer hun job onderbroken is gedurende enige
tijd wegens ziekte kan de WEIS gebruikt worden.
Het instrument is verkrijgbaar via de website van het MOHO,
http://www.moho.uic.edu/assess/weis.html en kost $35.
156
Rond psychometrische gegevens is ook een studie gedaan. Het instrument is valide,
betrouwbaar en gestandaardiseerd.
Het instrument is in het Engels verkrijgbaar, er werd geen Nederlandstalige versie gevonden.
De therapeut heeft enkel de invulformulieren nodig. Het duurt ongeveer 30minuten om het
interview af te nemen en nog eens 15 minuten om het interview te scoren. Dit scoren kan
zonder bijzijn van de cliënt gebeuren.
Ook is er een gebruikershandleiding en een instructievideo meegeleverd bij het instrument
zelf. Op deze manier kan de therapeut zo optimaal mogelijk gebruik maken van de WEIS.
Een ander assessmentinstrument is de Vocational assessment and Curriculum Guide (VACG).
Zoals eerder aangehaald is dit instrument ontworpen in 1988, wat maakt dat het al vrij oud is.
Of het daarom minder bruikbaar, dat is een andere vraag. Er zijn onderzoeken gedaan naar
test-retest (0,79), interne consistentie (0,76) wat maakt dat dit instrument toch een degelijk
onderbouwde achtergrond heeft. Het nadeel is dat over deze test heel weinig informatie in
online-databanken is gepubliceerd waardoor het moeilijk was om uitgebreide en authentieke
informatie te vinden rond dit assessment-instrument.
Vocational Assessment and Curriculum Guide (VACG)
De Vocational Assessment and Curriculum Guide, VACG is ontwikkeld door Rusch e.a.
in1982.
De basis van de VACG is gelegd door in de lichte industrie en in de dienstensectoren de
werkgevers te ondervragen naar welke vaardigheidsvereisten zij stellen aan mogelijke
werknemers. De ingezamelde informatie vormde de basis voor de items van de VACG.
Het instrument heeft als bedoeling om de beroeps- en sociale vaardigheden van de cliënt in
kaart te brengen. Op gebied van ‘menselijk functioneren’ worden vooral aanwezigheid,
volharding, zelfstandigheid, productie, leren, gedrag,
Interactievaardigheden, communicatievaardigheden, sociale vaardigheden,
Zelfhulpvaardigheden, lichaamsverzorging, eten, academische vaardigheden,
157
lezen, schrijven en rekenen onderzocht.
De VACG is ontworpen als gedragswaarderingsschaal die een meting biedt van de beroepsen sociale vaardigheden van personen met een handicap. Dit instrument is een interview met
66 items die bevraagd worden. Deze beginnen elk met de vraag “of de werknemer ...?”, en
worden gevolgd door een beschrijving van het gedrag dat wordt geëvalueerd. Er worden
diverse mogelijke antwoorden gegeven die de prestatieniveaus aangeven van het gedrag dat
door de werknemer wordt geuit, en de beoordelaars moeten de stelling kiezen die het best past
bij het huidige functioneringsniveau van de persoon. Het instrument tracht het algemene
vaardigheidsniveau te bepalen van een persoon met een handicap met betrekking tot de
standaarden die als belangrijk worden voorgesteld voor succes in beroepen in de
levensmiddelenindustrie, in conciërgewerk en de lichte industrie.
De verkrijgbaarheid van het instrument is niet heel duidelijk omschreven. De gids wordt
gepubliceerd door Exceptional Education, P.O. Box 15308, Seattle, WA 98155, VS.
Het instrument enkel in het Engels verkrijgbaar.
De therapeut heeft enkel de interviewformulieren nodig maar het is niet duidelijk of een
opleiding of training van de therapeut nodig is om de VACG efficiënt te kunnen gebruiken.
Verder wordt ook niet vermeld of het assessmentinstrument geleverd wordt met een
handleiding of eventuele instructies.
De psychometrische eigenschappen van de VACG werden gemeld door Menchetti &
Rusch(1988). De test-retest-coëfficiënten liepen van 0,69 tot 0,96 (gemiddelde = 0,79). De
interne consistentie, geraamd met alfacoëfficiënten, liep van 0,59 tot 0,91 (gemiddelde =
0,76) voor VACG-domeinscores. De alfacoëfficiënt voor de totale test bedroeg 0,95. De
empirische validatieresultaten suggereren dat de domeinscores een onderscheid maakten
tussen testpersonen met een verstandelijke handicap en met alleen ervaring in beschut werk en
testpersonen die met succes zijn tewerkgesteld in de concurrerende actieve bevolking.
158
Discussie
Als allereerste is het belangrijk te vermelden dat de meeste onderzoeken naar
arbeidsrehabilitatie in het buitenland gebeurd zijn. In België is nog maar heel weinig literatuur
gepubliceerd. Het is van belang dat er rekening wordt gehouden met de cultuur, de normen en
waarden rond arbeid binnen België, deze zijn immers verschillend dan die in het buitenland.
Ook zijn de meeste assessmentinstrumenten beschreven in dit artikel vragenlijsten, die al dan
niet valide en betrouwbaar zijn. Maar ondanks de betrouwbaarheid en validiteit blijft het bij
een vragenlijst zeer gevaarlijk om de cliënt volledig objectief te bevragen. Bij een vragenlijst
bestaat het gevaar dat de ergotherapeut subjectieve vragen gaat stellen. Het is van groot
belang dat de ergotherapeut zeer vertrouwd is met het uitvoeren van de vragenlijst die hij wil
gebruiken om de noden van de cliënt beter in kaart te brengen.
Ook het feit dat de meeste instrumenten vragenlijsten of interviews zijn, maakt het erg
twijfelachtig of ze het meest geschikt zullen zijn om het arbeidsfunctioneren van de cliënt
tijdens een momentopname in kaart te brengen. Het is veel meer van belang dat we als
ergotherapeut een praktisch gerichte testbatterij kunnen gebruiken die het handelen van de
cliënt expliciet laat zien. Dit geldt voor zowel de WEIS als de VACG. Verder moet er ook in
vraag gesteld worden of het nog wel ‘ethisch’ verantwoord is om de VACG te gebruiken
zonder dat er een revisie gebeurt op de items die aan bod komen. De huidige arbeidsmarkt is
sterk geëvolueerd tov vijftien jaar geleden.
Conclusie
Of men in het Arbeidscentrum van de Broeders Alexianen in Tienen de Work Envirronement
Impact Scale zal kunnen gebruiken is niet duidelijk. Het instrument is duidelijk omschreven,
bruikbaar binnen arbeidsrehabilitatie maar het brengt echt de omgeving in kaart, en hoe deze
al dan niet positieve invloed heeft op het functioneren van de cliënt. Al zijn de
arbeidsvaardigheden van de cliënt op fysiek en psychisch vlak wel belangrijke
achtergrondinformatie bij dit assessmentinstrument.
Hetzelfde geldt voor de Vocational Assessment and Curriculum Guide. Hier wordt als
resultaat duidelijk een vaardigheidsniveau weergegeven van de cliënt, hoe hij functioneert tov
159
een effectieve werkplek of –situatie. Dit instrument kan wel dienen binnen een setting als het
Arbeidscentrum te Tienen.
160
Referenties
BRUYNOOGHE K,’arbeidsrehabilitatie in netwerken van psychiatrische zorginstellingen en
algemene welzijnszorg’, Congresreader - december 2004
CORNER RA, KIELHOFNER G, LIN F - Work (WORK) – 1997, Jul 9(1), 21-34
DEROGATIS L. R., LIPMAN R. S. EN COVI L. – 90-item symptom checklist
(nederlandstalige versie) – 1973
internet:
http://www.lo-bsw.ugent.be/VVGP/structuurfiche_SCL-90.pdf (volledige uiteg over de SCL90)
http://www.pearsonassessments.com/tests/scl90r.htm
GIESEN F, VAN ERP N, VAN WEEGHEL J, RUIJS R, HENKENS H, VAN DER MEER
D, NIEUWENHUIJSEN D, ‘de implementatie van individual placement and support (ips) in
vier nederlandse proefregio’s: ervaringen en resultaten’, congresreader – december 2004
KIELHOFNER G – Model Of Human Occupation: Theory and Application (third edition)
ISBN 0-7817-2800-2 – 2002
KIELHOFNER G – Work Environment Impact Scale
internet:
http://www.moho.uic.edu/assess/weis.html
KIELHOFNER G, LAI JS, OLSON L, HAGLUND L, EKBADH E, HEDLUND M,
‘Psychometric properties of the work environmentimpact scale: a cross-cultural study’, Work
(WORK) – 1999, 12(1), 71-7
LAW, KING, RUSSELL, STEWART, HURLEY & BOSCH – All About Outcomes, Adult
version 1.0 – 2001 (CD-Rom)
LAW M, STEWART D, POLLOCK N, LETTS L, BOSCH J, WESTMORLAND M, ‘critical
review form – quantitative studies’, McMaster University – 1998
MICHON H W C, VAN WHEEGEL J, ‘De werking van De Schalm;een evaluatie-onderzoek
naar een arbeidsrehabilitatieprogramma’, 1995
MICHON H, KROON H, VAN WEEGHEL J, ‘zelfmanagement van psychiatrische
problematiek in de arbeidsrehabilitatie; de ontwikkeling van een praktische
inschattingsinstrument.’, Trimbos-instituut - December 2004
RUSCH F, MENCHETTI B, ‘Reliability and validity of the vocational assessment and
curriculum guide’, American Journal of Mental Retardation – 1988, nov; 93
RUSCH F, ‘Vocational assessment and Curriculum Guide’, 1982
161
SCHENE A., VAN WEEGHEL J., VAN DER KLINK J. EN VAN DIJK F. ‘Psychische
aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies’, Psychopraxis – mei 2005,
jaargang 7, nummer 3
SCHREURS P. J. G. EN VAN DE WILLIGE G. – Utrechtse Copinglijst –1988 internet:
www.lo-bsw.ugent.be/VVGP/UCL.pdf (volledige uitleg over de Utrechtse Coping Lijst)
TERLUIN B. - vier-dimensionele klachtenlijst – 1996
internet:
http://www.datec.nl/4dkl/download.aspx
http://www.datec.nl/4DKL/artikelen/4dkltsg.pdf
VAN DER KLINK J. J. L., BLONK R. W. B., SCHENE A. H. EN VAN DIJK F. J. H.
‘Reducing long term sickness absence by an activating intervention in adjustment disorders: a
cluster randomised controlled design’, Occupational Environment Medicine – 2003, 60, 429 437
VAN DER KLINK J. J. L., BLONK R. W. B., SCHENE A. H. EN VAN DIJK F. J. H. ‘The
Benefits of Interventions for Work-Related Stress’, American Journal Of Public Health –
2001, vol. 91, nr. 2, 270 - 276
VAN HAMOND B, VACCOU R, ‘Gaining and proving yourself in social competence –
AtlasBook’, 2006
Internet:
http://www.projectatlas.org/atlasBook.html
VAN AUDENHOVE C, WILMOTTE J, ‘evaluatie van de pilootprojecten “activering”’,
februari 2004
VAN HOOFF M, VAN BORSSUM WAALKES L, ‘kwaliteit van interventies in het
rehabilitatieproces in onderzoek en ontwikkeling’, congresreader – december 2004
WIERSMA D,JOOSKE T, NIERSMAN A, ROB GIEL ONDERZOEKSCENTRUM
(RGOC), ‘eqolise: enhancing the quality of life and independence of persons disabled by
severe mental illness through supported employment’, congresreader – december 2004
162
Provinciale Hogeschool Limburg
Departement Gezondheidszorg
Opleiding Ergotherapie
Literatuuronderzoek naar betrouwbare, valide assessmentinstrumenten
bruikbaar voor cliënten met psycho-sociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie:
Depression Anxiety Stress Scales (DASS)
Griffiths Work Behaviour Scale (GWBS)
Valutazione delle Abilità e Definizione degli Obiettivi (VADO)
Lancashire Quality of Life Profile (LQoLP)
door Nele Geerts
Afstudeerproject aangeboden tot het
bekomen van het diploma van
Bachelor in de Ergotherapie
o.l.v.
Els Peters, promotor
Hasselt, 2007
163
Trefwoorden: psychische aandoeningen, werk, arbeidsreïntegratie, (Engelstalige
trefwoorden: mental illniss, vocational rehabilitation, work, psychosocial function, psychiatry,
assessment, work reintegration, work rehabilitation).
Griffiths Work Behaviour Scale (GWBS)
Depression Anxiety Stress Scales (DASS)
Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS)
Utrechtse Coping List (UCL)
Skills Assessment and Definition of Goals (VADO)
The Lancashire Quality of Life Profile (LQoLP)
Starttekst
A. Schene, Jaap van Weeghel, Jac van der Klink, Frank van Dijk; Psychische aandoeningen
en arbeid: een vergelijking van interventies; Psychopraxis; (mei 2005); 7; vol.3
Onderzoeksvraag
Literatuuronderzoek naar betrouwbare valide assessmentinstrumenten bruikbaar voor
arbeidsrehabilitatie bij cliënten met psychosociale problemen.
Specifieke onderzoeksvraag
Onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van de assessmentinstrumenten; GWBS,
DASS, VADO en LQoLP.
Abstract
INLEIDING Dit artikel beschrijft een deel van het onderzoek naar betrouwbare, valide
assessmentinstrumenten bruikbaar voor cliënten met psychosociale problemen en het aanbod
van diensten, in Vlaanderen, in verband met arbeidsrehabilitatie.
METHODE Zoeken via databanken (vb: Pubmed, Ebsco) en zoekmachines op internet (vb:
Google Scholar). Uit de zoekresultaten is een selectie gemaakt van assessmentinstrumenten
en er zijn artikels over gelezen en beoordeeld. Auteurs van enkele artikels zijn gecontacteerd
voor verdere informatie.
164
RESULTATEN De DASS is bruikbaar bij enkele (depressie- en angststoornissen) als
evaluatie-instrument maar het meet niet de arbeidsattitude of arbeidsvaardigheden. De
resultaten van het instrument zullen aantonen of de cliënt depressief of angstig is en in welke
mate hij stress ervaart. De vernieuwde versie van de GWBS, een valide en betrouwbaar en
bruikbaar instrument voor het screenen van cliënten met psychosociale problemen in de
arbeidsrehabilitatie (deel 6, S.A. de Buijn 2007). De VADO is een interessante benadering,
maar er is weinig onderzoek naar gedaan, voor dit onderzoek is het zeker niet bruikbaar
omdat het geen assessmentinstrument is maar een zeer uitgebreide benadering. Als laatste de
LQoLP, dit instrument is bruikbaar om een totaalbeeld van een cliënt zijn leven te krijgen.
CONCLUSIE De instrumenten die in dit deel besproken zijn, geven geen relevante informatie
voor de onderzoeksvraag. De contacten met het DGO hebben wel interessante informatie
opgeleverd. Een consensus, over het soort ruggengraatinstrument, waar de verschillende
werkers in de arbeidsrehabilitatie naar op zoek zijn is een noodzaak om het onderzoek verder
te kunnen zetten. Een samenwerking tussen de verschillende instanties is een meerwaarde.
Inleiding
Arbeid is een van de belangrijkste vormen van participatie. Het blijkt dat met name vier
elementen van belang zijn om de reïntegratie van mensen met psychosociale beperkingen te
bevorderen: het in kaart brengen van de mogelijkheden, het versterken van de persoon
(empowerment), het geven van een scholing of training gericht op het ontwikkelen van de
resterende vaardigheden en het creëren van aanpassingen op de werkplek (Van Lierop en
Nijhuis 2002)
Er zijn op vlak van arbeidsrehabilitatie al heel wat assessmentinstrumenten ontwikkeld die
gebruikt kunnen worden bij cliënten met psychosociale problemen. Maar er zijn onvoldoende
betrouwbare en valide instrumenten die specifiek op de domeinen arbeidsattitude en
arbeidsfunctioneren meten. Arbeid heeft erg veel invloed op de kwaliteit van leven bij mensen
met psychosociale problemen.
Door een individuele begeleiding heeft de cliënt een maximale vrijheid om zijn richting in het
traject te bepalen. De cliënt is in de eerste plaats in staat om zelf te kiezen. Zo zal hij/zij zich
onder meer kunnen en durven uiten, in staat zijn informatie te verwerven en te verwerken en
een inzicht te hebben in eigen kennis en vaardigheden. Het blijkt dat juist de groep van
mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vaak in onvoldoende mate of helemaal niet
165
beschikken over de juiste attitudes, vaardigheden en kennis. De cliënt dient een goed
zelfinzicht te hebben om een volwaardige werkkracht te zijn. Daarvoor dienen we te weten
hoe ze omgaan met hun beperkingen in functie tot werk. (Van Lierop en Nijhuis 2002).
In het arbeidscentrum te Tienen gebruikt men een eigen samengesteld screeningsinstrument.
Dat wijst op het feit dat bruikbare assessmentinstrumenten, die de arbeidsattitude en
arbeidsvaardigheden meten, zeer schaars of nog niet bekend zijn. Het doel van dit onderzoek
is nagaan of er betrouwbare en valide assessmentinstrumenten beschikbaar zijn die bruikbaar
zijn binnen het arbeidscentrum van de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen.
Dit onderzoek wordt in een groter kader geplaatst door enkele diensten toe te lichten die in
Vlaanderen aan arbeidsrehabilitatie doen, ze worden beschreven en er wordt in het kort
weergegeven hoe de samenwerking tussen deze diensten verloopt.
De Dienst Gespecialiseerde Oriëntering (DGO) is de instantie, die tot nu toe, het meeste
onderzoek naar assessmentmethoden voor mensen met psychosociale problemen heeft gedaan
in Vlaanderen. Het is een multidisciplinaire onderzoeks- en adviseringsdienst voor personen
met een handicap. Deze dienst is een initiatief van het Limburgs Initiatief voor Therapie en
Integrale Personenzorg (LITP) vzw. Deze vzw is erkend door het Vlaams Fonds voor Sociale
integratie van personen met een handicap en wordt gesteund door de provincie Limburg en
het Europees Sociaal Fonds Vlaanderen (ESF: bijdragen tot de ontwikkeling van de
werkgelegenheid door het bevorderen van inzetbaarheid, ondernemerschap, aanpasbaarheid
en gelijke kansen, en door het investeren in menselijke hulpbronnen).
Van hieruit zijn er verschillende projecten gestart. Hieronder worden er drie projecten, die
voor deze onderzoeksvraag relevant zijn kort besproken.
Het project “Functional Assessment” heeft de onderzoeksgroep op (22 mei 2007) bezocht.
Hier zijn drie getrainde medewerkers tewerkgesteld. Ze vertalen, via een specifieke
observatiemethode, gedragingen van de cliënt naar persoonlijke capaciteiten. Dit project doet
een vijfdaags (werk)gedragsobservatie aan de hand van de APB-assessment (deze
assessmentmethodieken worden in deel Beyns Toon 2007 besproken ). Door de cliënten 40
uur te observeren kunnen ze juiste uitspraken doen over de arbeidsondersteuningsbehoefte.
De doelgroep die zij beogen kunnen mensen zijn die uit een psychiatrische kliniek komen
maar merendeels worden ze via de Arbeids Traject Begeleider (ATB) doorverwezen. De
cliënten kunnen voor zichzelf geen specifieke richting kiezen, ze hebben een verstandelijke
beperking omwille van een mentale of psychische problematiek. Als deze testing erop zit
wordt er samen met de ATB een arbeidstraject voor de cliënt uitgestippeld. Deze twee
166
diensten werken dus nauw samen. Het resultaat van deze assessment geeft dus een zicht op de
persoonlijke capaciteiten van de arbeidsgehandicapte.
Naast het project “Functional Assessment” is er ook nog het project “Profiel Assessment en
het Ruggengraatinstrument” (PASSER). Dit project komt voort vanuit de Vlaamse
consultatiebureaus en het heeft sinds kort een Centra voor Gespecialiseerde Voorlichting bij
Beroepskeuze (CGVB)- regelgeving (meer informatie hierover beschikbaar via
www.stichtingkinsbergen.be/cgvb). De deskundigheid van deze dienst wordt bewezen door
hun unieke plaats in het ATB-netwerk, maar er zijn toch nog twee belangrijke nadelen die niet
ontzien kunnen worden. Ten eerste de normering, weinig instrumenten zijn consequent
gestandaardiseerd en genormeerd op elk van de niveaus (DWO niveaus = dagbestedingopleiding-werk). Dit heeft vooral te maken met de verschillen tussen de verschillende
doelgroepen en het feit dat een goede normering een zeer arbeidsintensief en financieel niet
haalbaar onderzoek vereist. Ten tweede is het bereik van de assessmenttechnieken en
onderzoeksinstrumenten moeilijk te bepalen. Mensen met een psychische problematiek
screenen is een moeilijkere opdracht dan bij mensen met een fysieke beperking. De
medewerkers van dit project hebben dus ongeveer dezelfde onderzoeksvraag als de
onderzoekvraag van dit artikel.
Het PASSER-project bestaat uit de R-pas en de A-pas die gericht zijn op mensen met
arbeidsintegratieproblemen. PASSER staat voor Profielbepaling door ASSessment en het
Ruggengraatinstrument. De R-pass is een project dat nog in het begin van zijn ontwikkeling
zit. De doelstelling van dit deel van het project is om, een ruggengraatinstrument te
ontwikkelen dat bij de verschillende subdoelgroepen (psychotische stoornis,
stemmingstoornis, aan een middel gebonden stoornis, persoonlijkheidsstoornis, angststoornis)
een basisscreening mogelijk maakt, dat het niveau van de meest relevante basiscompetenties
in functie van het arbeidsfunctioneren bepaald.
Na deze assessmentmethode is er nood aan een verfijnde assessmentmethodiek (voor het
inschalen van arbeidsmatige capaciteiten en ondersteuningenoden voor personen met ernstige
psychische problemen), waar het ruggengraatinstrument toelaat om het niveau te bepalen van
een set van basiscompetenties. Die assessmentmethodieken zouden dan samengebracht
worden onder de naam A-pas en zullen erg waardevol zijn voor personen met psychische
problemen.
Dit project zou dan ook door alle Vlaamse instanties die werken rond
arbeidstrajectbegeleiding gebruikt kunnen worden zodat de samenwerking en de
167
communicatie tussen de verschillende instanties wordt bevorderd. Hierdoor komen op Vlaams
niveau, cijfergegevens beschikbaar die het karakter kunnen krijgen van beleidsindicatoren.
Het wordt een korte assessment (van 2 dagen) die in de beginfase van het project, zal worden
afgenomen door de mensen die nu de “Functional assessment” –methodieken toepassen. Als
deze assessmentmethodieken volledig ontwikkeld zijn, geeft dat zeker een antwoord op
onze onderzoeksvraag. De criteria waaraan deze methodieken moeten voldoen kan je
terug vinden op de site van het LITP.
Als laatste project vanuit het DGO bespreek ik kort het project Compakt. Dit project is
opgestart in januari 2006 en loopt tot juli 2007. Het uitgangspunt van dit project is het
ontwikkelen van een eenduidige competentietaal waardoor de competenties van de
werkende/werkzoekende op een duidelijke, gestandaardiseerde manier in kaart gebracht
kunnen worden. Door middel van interviews en assessment gaan we per cliënt een
competentiekaart opstellen. Deze kaart is een eerste stap tot betere persoonlijke en
arbeidsmarktgerichte ontplooiing. Zo kan de persoon in kwestie gerichter kijken naar zijn
loopbaan en wordt hij versterkt in het bewuster kiezen. Het doel is dan dat deze
competentietaal verwoord wordt in trajectactie (opleiding, cursus, trajectbegeleiding,…).
Partners in dit project zijn OCMW Hasselt, vzw Alternatief en ATB Limburg. (www.litp.be,
2 juni 2007) Dit project kan een beginnende samenwerking betekenen voor de Psychiatrische
Kliniek Broeders Alexianen.
In Vlaams-Brabant is er vanuit de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen het
“Activerings plus project” (A+) lopende. Dit situeert zich in de werkwinkel te Tienen. De
doelgroep die het project beoogt zijn mensen die door de ATB begeleidt worden. En
bovendien een psychisch probleem hebben of waar ze een vermoeden hebben dat er een
psychisch probleem is. Deze personen worden dan door de ATB doorverwezen naar de
ergotherapeut die in project tewerkgesteld is. Deze ergotherapeut werkt deeltijds in het
arbeidscentrum van de Psychiatrische kliniek te Tienen. Ze heeft voldoende kennis over de
verschillende psychosociale problemen en volgt de cliënt op door gesprekken te voeren. De
therapeut helpt de cliënt in zijn zoektocht naar werk en kan stages of vrijwilligerswerk
zoeken. Op die manier kan de cliënt zich langzaam terug integreren in het arbeidscircuit.
168
Uit voorgaande kan men afleiden dat er nood is aan een betrouwbaar en valide
assessmentinstrument dat door alle arbeidsrehabilitatieinstanties gehanteerd kan worden. Op
die manier kunnen de ergotherapeuten de cliënten beter begeleiden en zolang het nodig en
mogelijk is blijven opvolgen.
Methodologie
Deze werkgroep is begonnen door de starttekst te lezen en vanuit de referenties hiervan
hebben we twee artikels over arbeidsrehabilitatie gezocht. Die hebben we kritisch bekeken
aan de hand van de kwalitatieve criterialijsten van Law ( Law e.a., 1998).
Aan de hand van de trefwoorden zijn we gaan zoeken naar assessmentinstrumenten die van
toepassing kunnen zijn. Er is via databanken die via de Provinciale Hogeschool Limburg
beschikbaar zijn en via zoekmachines op internet gezocht. Volgende databanken werden
gebruikt: Bohn Stafleu van Loghum, Bronco, Ebsco, ERIC, PubMed, Science Direct. Catalogi
van de bibliotheek van de Provinciale Hogeschool Limburg en van de Provinciale Bibliotheek
Limburg werden ingekeken. Via deze laatste werden de catalogi van alle Limburgse
bibliotheken doorzocht.
Een eerste opdracht was twee artikels zoeken gaande over arbeidsrehabilitatie en het gebruik
van een instrument. De opdracht die hierop volgde was zoeken naar assessmentinstrumenten
die bruikbaar zouden kunnen zijn binnen de context van het arbeidscentrum te Tienen.
Het aanbod is groot, op basis van een korte bespreking over de beoordeling van de gevonden
assessmentinstrumenten, aan de hand van de criteria van Law (duidelijk artikel, genoeg
referenties, relevantie, gebruiksklaar, logisch opgebouwd en onbevooroordeeld,
beperkingen,…) heeft iedere student 3 instrumenten toegewezen gekregen om zich verder in
te verdiepen. De instrumenten die in dit artikel aan bod komen zijn: The Depression Anxiety
Stress Scales (DASS), Griffiths work behaviour scale (GWBS) en de Valutazione delle
Abilità e Definizione degli Obiettivi (VADO) (Skills Assessment and Definition of Goals),
The Lancashire Quality of Life Profile (LqoLP). De instrumenten worden beoordeeld op vlak
van inhoudelijke en structurele criteria voor arbeid. Er wordt besproken of ze valide en
betrouwbaar zijn, voor welke doelgroep ze bruikbaar zijn, hoe de procedure van afname
verloopt, of ze praktisch bruikbaar zijn, waar ze te verkrijgen zijn, in welke context ze zijn
uitgewerkt, … . Die informatie werd verworven aan de hand van wetenschappelijke artikels,
169
gevonden via de databanken en zoekmachines. Er zijn trefwoorden en namen van
instrumenten gebruikt in deze zoekstrategie.
Resultaten
Depression Anxiety Stress Scales (DASS)
The Depression Anxiety Stress Scales (DASS) screent angststoornissen, depressie en stress.
Hij bestaat in een korte (DASS-21 en een uitgebreide DASS-42 versie). Deze test wordt dus
gebruikt om aspecten van het algemeen psychisch functioneren vast te stellen.
Deze schaal is geselecteerd omdat er bij mensen met psychosociale problemen vaak
angst/stress optreedt als ze opnieuw werk gaan zoeken of ergens starten. Dit is nuttig in een
residentiële setting waar mensen met depressie en angstproblematiek worden behandeld. Veel
van deze cliënten hebben te kampen met depressieve symptomen. Als we kunnen screenen
welke invloed deze factoren kunnen hebben op de cliënt zijn werkattitude en
arbeidsfunctioneren, kan de ergotherapeut samen met de cliënt rekening houden met die
beïnvloedende factoren, bij het zoeken en het behouden van werk.
DASS bestaat uit een reeks van drie zelfrapportschalen die zijn ontworpen om de negatieve
emotionele symptomen van depressie, angst en stress te meten. Lovibond en Lovibond
hebben deze schaal ontwikkeld en hij werd uitgegeven in 1995. De onderzoeken laten zien dat
de test betrouwbaar en valide is.
De drie zelfrapportschalen werden ontworpen om de negatieve emotionele symptomen van
depressie, angst en stress te meten. Deze werden niet alleen geconstrueerd als weer een reeks
schalen om bepaalde emotionele symptomen te meten, maar wel om, emotionele staten
(depressie, angst en stress) te bepalen, te begrijpen en te meten.
DASS zou aan de behoeften van zowel onderzoekers als wetenschapper-professionele
werkers uit de gezondheidszorg moeten voldoen.
De DASS-42 bestaat uit 42 symptomen, opgedeeld in 3 subschalen van 14 items
(depressieschaal, angstschaal en stressschaal), en elke subschaal word nog eens onderverdeeld
van 2-5 punten met gelijkaardige inhoud. De depressieschaal beoordeelt
stemmingsstoornissen, hopeloosheid, zelfverwijt, gebrek aan interesse/betrokkenheid,
170
lusteloosheid en beweegloosheid. De angstschaal beoordeelt autonoom ontwaken,
skeletachtige spiergevolgen, plaatselijke angst en subjectieve ervaring van angst. En de
stressschaal is gevoelig voor niveaus van chronisch niet-specifiek ontwaken. De schaal
beoordeelt de moeilijkheid om te ontspannen, zenuwachtigheid, snel geïrriteerd zijn en
rusteloosheid.
De onderwerpen worden bevraagd aan de hand van een 4-punts Likertschaal om de mate te
schatten waarin zij elk aspect tijdens de afgelopen week hebben ervaren. De afname kost 5–10
min. De scores voor depressie, angst en stress worden berekend door de scores voor de
relevante punten op te tellen. Naast de fundamentele 4-ìtem vragenlijst, is een korte versie,
DASS21, beschikbaar met 7 punten per schaal. De score van elke subschaal loopt dus van 0–
42. Hogere DASS-scores wijzen op meer klachten. Voor de screening van angst en depressie
wordt een afkappunt van 12 voor de depressieschaal en 5 voor de angstschaal gebruikt. Als
men het afkappunt bereikt heeft, betekent dit dat men stopt met die vragenlijst omdat de score
al hoog is, de onderzoeker weet dan al dat ze depressie of angst kunnen vaststellen.
Aangezien de schalen van DASS een hoge interne consistentie hebben, zouden de schalen aan
de behoeften van zowel onderzoekers als professionele werkers uit de gezondheidszorg
moeten voldoen. Zo kunnen de onderzoekers en/of gezondheidswerkers de huidige evolutie of
veranderingen in tijd (b.v. op het begin van de behandeling in de loop van behandeling, op het
einde van de behandeling) op de drie aspecten, depressie, angst en stress meten.
DASS is dus een zelfrapportinstrument en er worden geen speciale vaardigheden vereist om
het te beheren. Nochtans, zou de interpretatie van DASS door individuen worden uitgevoerd
met aangewezen opleiding in psychologische wetenschap, met inbegrip van emotie,
psychopathologie en beoordeling. Wanneer DASS gebruikt wordt bij mensen die naar
professionele hulp hebben gestreefd, of die hoge niveaus van nood tonen, zou de interpretatie
door een geschikt gekwalificeerde persoon zoals een klinische psycholoog moeten worden
uitgevoerd. Als ergotherapeut kunnen we dus best in samenspraak met een psychologe de
testresultaten en interpretaties overlopen (K. Nieuwenhuijzen e.a., 2005).
De schalen zelf zijn via de DASS-website verkrijgbaar, de handleiding kan je bestellen op
deze website en kost 55 dollar. Het is een gebruiksklaar meetinstrument en je kunt het in
verschillende talen terugvinden inclusief in het Nederlands. De DASS is openbaar domein,
daardoor is de toestemming niet nodig om het te gebruiken. De DASS-schalen kunnen van de
171
DASS- website worden gedownload en zonder beperking worden gekopieerd. De schalen
mogen niet gewijzigd of verkocht worden. Het voorgenomen publiek zijn onderzoekers of
personen die werken in de gezondheidszorg, eerder dan de cliënten zelf
(http://www.psy.unsw.edu.au/Groups/Dass/).
Het is een valide en betrouwbaar instrument. Volgens gegevens op
http://www.psychischenwerk.nl is de convergente validiteit van de DASS goed. In de
populatie van werknemers die verzuimen door psychische klachten correleert de DASS sterk
met andere bekende vragenlijsten (HADS, UCL, SAD, PANAS) die angst en depressie meten.
Daarnaast worden lage correlaties gevonden met schalen die gerelateerde maar andere
constructen meten (divergente validiteit).
De volledige DASS (DASS-42) geeft meer betrouwbare scores, en meer informatie over
specifieke symptomen, maar DASS 21 heeft het voordeel om slechts de helft van de
afneemtijd te beheren (3 tot 5 min). Er zijn verscheidene gepubliceerde studies, bijvoorbeeld
in het tijdschrift British Journal of Clinical Psychology (J.D. Henry en J.R. Crawford, 2003
en 2005) en in het tijdschrift Occup. Environ. Med. (K. Nieuwenhuijzen, 2003),
die
aantonen
dat DASS21 de zelfde factorenstructuur heeft en gelijkaardige resultaten aan volledige DASS
geeft. In het algemeen, wordt de volledige DASS meer gebruikt voor het klinische werk, en
DASS21 is meer voor onderzoekdoeleinden.
Zoals andere zelfrapport op symptoomgebaseerde schalen, is de DASS transparant. Het is
gemakkelijk voor de cliënt om symptomen te vermommen of hun symptomen te overdrijven.
Er is geen leugenschaal die in DASS wordt gebouwd, maar als er redenen zijn om bias in de
antwoorden is te verwachten, kan het raadzaam zijn om een ander instrument te gebruiken dat
specifiek wordt ontworpen om dergelijke bias te beoordelen.
De DASS is niet geschikt voor het meten van een emotionele staat van iemand op het moment
zelf, omdat er statements instaan die over het verleden gaan.
Voor de DASS-21 is aangetoond dat hij adequate conceptgeldigheid bezit. De
betrouwbaarheid van de DASS-21 schalen is hoog. De DASS-21 schalen hebben een aantal
voordelen over de DASS-42. Het is korter en, daarom aanvaardbaarder voor cliënten met
beperkte concentratie. Toch bezit hij nog een adequate betrouwbaarheid. Bovendien laat de
172
DASS-21 punten van de volledige DASS-42 weg, waardoor er meer structuur en
duidelijkheid voor de cliënt inzit. (J.R. Crawford en J.D. Henry, 2003)
Samenvattend, stellen de resultaten van de huidige studie voor dat DASS een valide
instrument is voor gebruik in beroepsgezondheidszorg is. Het kan nuttig zijn in het uitsluiten
van angststoornissen en depressie bij werknemers met geestelijke gezondheidsproblemen.
Voorts kan DASS worden gebruikt om werknemers met behoefte aan een gedetailleerder en
nauwkeurig kenmerkend proces te selecteren. We kunnen aan de hand van de schalen een
beter beeld vormen van de cliënt zijn kwetsbaarheid met betrekking op stress, depressie en
angststoornissen.
Griffiths Work Behaviour Scale (GWBS)
De Griffiths Work Behaviour Scale (GWBS) is een 25-item schaal die de
arbeidsvaardigheden en de mogelijkheid tot werken meet. R.D. Griffiths heeft deze schaal in
1973 ontwikkeld. In welk land deze schaal ontwikkeld is, is niet te traceren in de gevonden
literatuur.
Deze schaal meet arbeidsvaardigheden aan de hand van tegenovergestelde verklaringen zoals
“grasp instructions quickly” versus “cannot grasp instructions”. (Griffiths R.D. 1973)
De vaardigheden die gemeten worden zijn: of ze in staat zijn ingewikkelde taken te doen, of
ze snel werken, doorwerken, enthousiast zijn om te werken en of ze hun werk correct
afwerken. De inhoudelijke criteria zijn dus vooral op het arbeidsfunctioneren toegespitst.
Elk item wordt op een 5-punt schaal gescoord gaande van 1 (de minst wenselijke classificatie)
tot 5 (de meest wenselijke classificatie).
De Griffiths-schaal werd ontwikkeld door een steekproef af te nemen van personen met een
ernstige psychiatrische stoornis. De meting toonde aan dat er een adequate betrouwbaarheid
en validiteit is, inclusief de interne betrouwbaarheid tussen 0.70 die en 0.84 (spearman rho) en
test-hertest betrouwbaarheid van 0.75. (W.A. Antony e.a., 1995)
De schaal heeft een zeer hoge interne consistentie, meet eerder het functionele en niet de
symptomen en is snel en makkelijk te hanteren.
173
We kunnen concluderen dat het een betrouwbare en valide test is. Er zal nog verder gezocht
worden naar de test zelf om een concreet beeld van de inhoud te krijgen.Ook het artikel
gepubliceerd door Griffiths R.D.,1973 zou het literatuuronderzoek al een stuk verder kunnen
helpen. Het is zeker geen recente test en vermits er niet veel over te vinden is kunnen we
afleiden dat het in twijfel kan worden getrokken of het wel een bruikbaar instrument is voor
dit onderzoek.
Na verder onderzoek werd er toch nog iets gevonden over de schaal wat een bevestiging geeft
van wat er in twijfel werd getrokken in het voorgaande. In het artikel over de Schalm, van J.
van Weeghel en H.W.C. Michon (1995) werd deze schaal vermeld. Zij werden gecontacteerd
om wat meer info over deze schaal te vragen. Het is dus zo dat de GWBS een voorloper is van
de GWBQ (Deel 6, De Bruijn S.A., 2007). We hebben de aangepaste schalen zelf, gekregen
van H.Michon. Ze hebben de 25 items uit de Griffiths report, 1973 (GWBS) gebruikt, samen
met andere items om de GWBQ te maken.
Vermits de GWBS de voorloper is van de GWBQ en dus al wat verouderd is, is er nadat er
contact is geweest met H.Michon niet meer verder gezocht naar andere bronnen over de
GWBS. In deel 6 wordt deze schaal uitgebreid besproken.
Valutazione delle Abilità e Definizione degli Obiettivi (VADO)
De Valutazione delle Abilità e Definizione degli Obiettivi (VADO) is een benadering die in
Italië is ontstaan en wordt naar het engels vertaald als: Skills Assessment and Definition of
Goals.
In 1998 publiceerde het revalidatiecentrum van het Instituut Fatebenefratelli van Brescia, in
samenwerking met het Italiaanse Nationale Instituut van Gezondheid en het Instituut van
Psychiatrie van de Universiteit van Napoli, een kort handboek voor de planning en de
evaluatie van rehabilitatieacties in psychiatrische faciliteiten (E. Erickson, 1998). De principes
werden afgeleid uit de Universitaire benadering van Boston (W.A. Anthony, 1990),
geïntroduceerd in Italië door Marianne Farkas. Het handboek voor de beoordeling van
vaardigheden en definitie van doelstellingen, werd VADO genoemd.
Het is dus geen test maar een zeer uitgebreide benadering. Er worden 2 instrumenten in
gebruikt: de Personal and Social Functioning Scale (FPS) (komt voort uit de SOFAS: Social
174
and Occupational Functioning Assessment Scale) en de Brief Psychiatric Rating Scale
(BPRS).
De benadering VADO bestaat uit vijf componenten:
Beoordeling van 28 domeinen van het sociale functioneren, met inbegrip van een domein van
vaardigheden, en keuze van prioriteitskwesties aspecten compatibel met zogenaamde ' globale
doelstelling ' (hoe de patiënt zou willen leven); (FA)globale evaluatie, onderhandeling van
realistische, haalbare, specifieke meetbare doelstellingen, onderverdeling van specifieke
doelstellingen in vaardigheden en taken; onderhoud en generalisatie.
Het Vado-handboek detailleert uitdrukkelijk rehabilitatie, geen technieken, maar adviseert
modellerend, non-verbaal en mondeling ertoe aanzettend, rol-speelt (Bellack A.S., e.a., 2006),
en gestructureerd probleemoplossend.
Voor deze benadering is een korte opleiding vereist (een 32-uur trainingscursus (8 uren per
dag 4 dagen)). Het is een eenvoudige benadering en niet duur.
De Personal and Social Functioning Scale (FPS) vereist een korte en eenvoudige opleiding,
die in het Vado-handboek wordt beschreven. FPS kan gemakkelijk afgenomen worden door
gezondheidswerkers, ook werkers die beperkte ervaring hebben met psychiatrische cliënten.
Het is een instrument dat nuttig kan zijn om duurzaamheid en resultaat in routinepraktijk te
beoordelen (R. Pioli e.a., 2006).
De Functioning assessment (FA) dient om informatie te verzamelen die 28 domeinen van het
functioneren (gedrag) van de patiënt behandelt. Op basis van FA, noteert de begeleider de 28
domeinen op een 6-punt schaal op het rehabilitation areas form (R.A.F.). R.A.F. beoordeelt de
behoefte aan rehabilitatie in elk domein, en of een rehabilitatie-interventie wordt gepland om
aan die behoefte te voldoen. (R. Pioli, e.a., 2006)
Dit assessmentinstrument evalueert: de algemene kwaliteit van het leven van een persoon; de
factoren of de gebeurtenissen die het probleemgedrag verhogen; de factoren of de
gebeurtenissen die de waarschijnlijkheid van aangewezen gedrag verhogen; wanneer en waar
het probleemgedrag het meest voorkomt; de aanwezigheid van een gediagnosticeerde
geestelijke ziekte of een neurologische disfunctie die tot het probleemgedrag kunnen leiden en
de functies van het probleemgedrag (wat de persoon verkrijgt of door in het gedrag vermijdt)
in dienst te nemen (Division of Developmental Disabilities, Olympia, Washington).
175
De Brief Psychiatric Rating Scale (BPRS) bestaat uit 18 items en meet de (algemene) ernst
van psychopathologie. De lijst wordt in een interview, inclusief observatie afgenomen. Voor
het kunnen afnemen van de lijst is een training van 30 minuten vereist.
De VADO is een assessmentinstrument wat eerder toepasbaar is bij jongeren (studenten), het
is toegepast op de ontwikkeling van kinderen (Brochure Functional Assessment en IDEA
Individuals with Disabilities Education Act 1997 ). Het geeft dus niet dadelijk een antwoord
op onze onderzoeksvraag.
We kunnen hier concluderen dat de VADO een goede benadering is maar niet wat we zoeken.
De testen BPRS, FPS en FA meten niet de werkattitude of de arbeidsvaardigheden dus is voor
deze studie niet bruikbaar.
Lancashire Quality of Life Profile (LQoLP)
De Lancashire Quality of Life Profile (LqoLP) werd ontwikkeld in 1991-1992 door Oliver,
Huxley, Priebe en Kaiser, Universiteit van Manchester, Engeland. In 1998 werd dit
assessmentinstrument vertaald naar het nederlands (met aanpassingen voor Vlaanderen) door
Ch. van Nieuwenhuizen, A.H. Schene & M.W.J. Koeter.
Ik heb dit instrument gekozen omdat, een ergotherapeut tewerkgesteld in het arbeidscentrum
te Tienen aan het overwegen was om dit instrument te gebruiken in de praktijk. Het meet niet
specifiek de werkattituden en het arbeidsfunctioneren, maar wel de kwaliteit van leven
(tevredenheid met zijn levensdomeinen) van een cliënt, die informatie is bruikbaar om een
globaal beeld van de cliënt en zijn context te krijgen. Zo kan er bij het zoeken en behouden
van werk rekening mee worden gehouden wat de beïnvloedende factoren zijn. Als men het
instrument niet enkel bij de kennismaking gebruikt maar ook als evaluatie-instrument zal men
de invloed van werk op zijn functioneren en de invloed van zijn functioneren op de
werkprestaties kunnen interpreteren.
Je kunt het instrument verkrijgen door een cursus te volgen, daarvoor kan je Ch. Van
Nieuwenhuizen contacteren ([email protected]).
176
Het is een gestructureerd interview dat een bevraging doet over verschillende domeinen:
Werk en educatie, vrije tijd en participatie, religie, financiën, leefsituatie, veiligheid, relaties,
gezondheid.
De uitgebreide Nederlandse versie bestaat in het totaal uit 18 secties. De secties 3 tot en met
11 zijn verdeeld in objectieve vragen en subjectieve vragen. Bij de subjectieve vragen wordt
gebruik gemaakt van kaart 1: de Life Satisfaction Scale (LSS). Kaart 1 wordt tevens gebruikt
bij het navragen van het algemeen welbevinden (sectie 2 en sectie 17) en bij het omgaan met
psychische klachten (sectie 12). Met deze Life Satisfaction Scale wordt de respondent
gevraagd een inschatting te maken van zijn of haar tevredenheid met bepaalde
levensdomeinen. Bij sectie 13 (Stemming), sectie 15 (Levenvisie vragenlijst) en sectie 16
(belang van domeinen) worden aparte antwoordkaarten gebruikt. Bij sectie 14
(Zelfwaardering) wordt de respondent gevraagd met ‘ja’, ‘nee’ en ‘weet niet’ te antwoorden.
(Ch. Van Nieuwenhuizen).
Het aantrekkelijkste aspect van LQoLP is zijn psychometrische gefundeerdheid en klinisch
nut. De strakke structuur van LQoLP maakt het gemakkelijk voor gebruik in klinische
praktijk. De doeleinden van deze studie moesten de fundamentele psychometrische aandelen
van LQoLP onderzoeken en de toepasselijkheid van de aanpassing van LQoLP voor het
nederlands.
Ch. van Nieuwenhuizen (1998, 2001, 2002, 2006) wijst er op dat het een valide en
betrouwbaar instrument is. De methode die gebruikt is in het onderzoek is “conceptmapping”. Zo wilden ze het concept in kaart brengen. Er zijn hulpverleners, familieleden,
cliënten en onderzoekers die deelgenomen hebben om dit onderzoek waar te maken. Ze
hebben allen gebrainstormd, nadien hebben de onderzoekers de prioriteiten eruit gehaald en
geclusterd. En de statistische analyse heeft het onderzoek compleet gemaakt.
Om deze test af te nemen is het vereist dat de begeleider een cursus gevolgd heeft. Hij/zij
dient de instructies die bij de test horen nauwgezet te volgen. Er zijn ook een aantal aspecten
die hij/zij uit het hoofd moet kennen en niet mag voorlezen. Het is dus een test die redelijk
wat voorbereiding vereist in het begin dat je hem gebruikt. Ook na afname zal je wat
denkwerk moeten doen, het is ook van belang dat je anderen hun meningen vraagt omdat je
de kwaliteit van leven gaat bepalen vanuit je interpretaties. De test zelf neemt ongeveer een
uur tijd in beslag (Ch. Van Nieuwenhuizen e.a., 2001).
177
De resultaten wijzen erop dat de algemene interne consistentiescores van het vertaalde
instrument laag tot gematigd zijn. In het bijzonder was Cronbach’s alpha- van de subschaal
werk en onderwijs erg laag (Ch. Van Nieuwenhuizen e.a., 1998, p. 517-520).
Het is geen bruikbaar instrument omdat het arbeidsfunctioneren en de werkattitude niet
rechtreeks gemeten wordt. Het deel over werk in dit interview zijn een 6 -tal vragen die
gesteld worden. Ze zijn nogal algemeen. Als je dit interview aflegt in een eerste (of tweede)
gesprek weet je waar de problemen zitten en wat er allemaal van invloed kan zijn op zijn
werkattitude en arbeidsfunctioneren. Je kan dus wel de cliënt zijn motivatie screenen en dat is
ook belangrijk om hem/haar goed te kunnen begeleiden in zijn/haar arbeidstraject. Daarvoor
is het ook nuttig om het als een evaluatie-instrument te gebruiken om te zien of de
levenskwaliteit tijdens het werken erop vooruitgegaan is. Het instrument heeft als beperking
dat het voor Borderline-cliënten minder bruikbaar is (Ch. Van Nieuwenhuizen,
“Achtergrondinformatie bij training: kwatliteit van leven”). De onderzoekers ondervonden dat
de cliënten het interview fijn vonden (Ch. van Nieuwenhuizen, e.a., 2001).
Discussie
In het algemeen zijn geen van de instrumenten een antwoord op onze onderzoeksvraag. Er
zijn natuurlijk wel heel wat argumenten die kunnen aantonen dat ze wel gebruikt kunnen
worden om mensen op weg naar het arbeidscircuit te screenen. Bijvoorbeeld de doelgroep
waarvoor er gescreend dient te worden, mensen met ernstige psychische problemen hebben er
belang bij dat wij weten hoe ze er zelf over denken en hoe ze ermee omgaan. Omdat die
factoren vaak de werksituatie beïnvloeden.
De psychometrische eigenschappen van de DASS zijn geschikt om een angststoornis,
depressie of stress uit te sluiten, maar ongeschikt om deze aandoeningen vast te stellen.
We kunnen zo wel nagaan of arbeid een positieve of een negatieve invloed heeft op de
persoon zijn problematiek maar dat is niet de doelstelling van dit onderzoek. Het is een
zelfbeoordelinglijst die niet kan zeggen of de cliënt de waarheid spreekt. Hij kan zijn
symptomen dus verbergen. Dat maakt de schaal minder interessant voor deze doelgroep. Vele
cliënten hebben geen ziekte-inzicht en kunnen hun symptomen onderdrukken en ontkennen.
178
Dit instrument screent enkel hoe men zich een week geleden voelde, dus niet hoe men zich op
dat moment voelt. In verschillende artikels geven de onderzoekers aan dat het een goed
instrument is om mensen die ziekteverzuim hebben uit te sluiten .
De VADO is niet waar we naar op zoek zijn omdat het een benadering is, het is geen
gebruiksklaar instrument, het is iets waaraan elke gezondheidswerker in de buurt van de cliënt
zich dan in zal verdiepen om tot goede resultaten te komen. Er zijn onderzoeken gedaan die
bewijzen dat het zeer goede resultaten oplevert (R.Poili, 2006). Dit is een recent ontwikkelde
benadering, maar er is enkel in Italië onderzoek naar gedaan. Of deze benadering in onze
cultuur bruikbaar is zal eerst onderzocht moeten worden.
Deze studie suggereert dat het een gestructureerde benadering voor beoordeling van
rehabilitatiebehoeften is (werk is daar één van). Met als specifiek doel, de arbeiders te
motiveren om door rehabilitatieplannen te volgen en aan te tonen dat ze tot betere sociale en
klinische resultaten zijn gekomen. Het doel van deze studie was het nut van de benadering
bewijzen en ze evidence-based maken.
Ze hebben onvoldoende proefpersonen gebruikt om het onderzoek valide te maken. Ook de
tijd is te betwisten, om het nut van zulke benaderingen aan te kunnen tonen zal er nog een
onderzoek moeten worden gedaan dat meer als een jaar duurt.
Studies die de GWBS onderzochten gaven enkele beperkingen weer. Zij onderzochten de
betrouwbaarheid van de subschalen niet, en bij sommige items hadden ze een vrij lage
correlatiefactor terwijl anderen vergeleken zijn met meer dan één meting. Voorts werd er geen
verder onderzoek gedaan naar deze vragenlijst. (W.A. Anthony e.a., 1995)
De toepasselijkheid van LQoLP in Nederland werd onderzocht en er is geen twijfel dat zijn
haalbaarheid zeer belovend is (Ch. van Nieuwenhuizen, 1998). Hoewel de demografische
kenmerken aantonen dat het deel cliënten dat werkelijk slaagde in het houden van een baan
erg laag is, hebben we hier bewezen dat de haalbaarheid van dit doel groter is dan er al een
lange tijd gedacht werd. Terwijl sommige cliënten hun afkeer van sommige vragen liet blijken
(vb vragen over hun seksleven), merkten anderen op dat zij moeilijkheden ondervonden met
de index. Deze test kan worden afgenomen door ergotherapeuten. Het interview is bruikbaar
als kennismakings en evolutie interview. Het gestructureerd interview genereert veel te weten
over de cliënt met zijn problemen en interesses, en van daaruit kan je de
therapie/arbeidstraject aanpassen aan het individu.
179
Uit het onderzoek naar verschillende arbeidsrehabilitatie diensten, kan afgeleid worden dat
een samenwerking tussen de verschillende instanties een meerwaarde zou kunnen geven aan
de effectiviteit van arbeidsrehabilitatie. Een ruggengraatinstrument, waar de verschillende
werkers in de arbeidsrehabilidatie (inclusief ergotherapeuten) naar op zoek zijn, is al in
ontwikkeling (R-PAS). Als dit instrument ter beschikking gesteld kan worden voor al de
werkers in de arbeidsrehabilitatie, stijgt niet alleen de kwaliteit van de rehabilitatie maar ook
de communicatie tussen de verschillende instanties.
Specifiek voor dit onderzoek betekent dat, dat netwerking belangrijk is om zo samen tot
bruikbare assessmentmethodieken te bekomen.
Conclusie
Uit dit literatuuronderzoek naar bruikbare en valide assessmentinstrumenten voor personen
met psychosociale problematiek die het werk terug willen hervatten kunnen we besluiten dat
er heel wat instrumenten beschikbaar zijn.
De DASS schalen zouden bruikbaar kunnen zijn om de evolutie van de cliënt tijdens de
arbeidstrajectbegeleiding te kunnen volgen en te evalueren. De VADO kan een goede
benadering geven voor een arbeidstraject, maar dat is niet waar we naar op zoek zijn. De
GWBS was een zeer goede schaal, maar verouderd. In gelijklopend onderzoek wordt de
vernieuwde schaal van de GWBS (deel 6, De Bruijn S.A., 2007) besproken. De LQoLP is een
instrument dat zowel voor gebruik in rehabilitatieprogramma’s, voor chronisch psychiatrische
cliënten als in de evaluatie van preventieve geestelijke gezondheidsprogramma's bruikbaar is.
Het instrument is hoogst significant en biedt mogelijkheden voor toekomstig onderzoek.
Om de kwaliteit van leven te meten dienen we verschillende cliëntenpopulaties te vergelijken,
eraan te denken dat je ziektespecifiek werkt en dat je rekening houdt met (in)directe
consequenties bepaalde ziekte/stoornis. Het zal dus niet voor elke subdoelgroep (Schizofrene
stoornis, psychotische stoornis, depressieve stoornis, …) even nuttig zijn. Deze schaal geeft
eveneens geen concreet antwoord op de onderzoeksvraag van deze studie.
180
Referenties
ARRINDELL, W.A., VAN NIEUWENHUIZEN, C., LUTEIJN, F., ‘Chronic psychiatric
status and satisfaction with life’, Personality and Individual differences, (2001), nr. 31, p.145155.
BOARDMAN, J., ‘Work, employment and psychiatric disability’, Advances in Psychiatric
Treatment, (2003), vol. 9, 327–334.
CRAWFORD, R., ‘The Depression Anxiety Stress Scales (DASS): detecting anxiety disorder
and depression in employees absent from work because of mental health problems’,
Occupational Environ Medicine, (2003), 60, p.77-82.
CRAWFORD, R., ‘The short-form version of the Depression Anxiety Stress Scales (DASS21): Construct validity and normative data in a large non-clinical sample’, British Journal of
Clinical Psychology, (2005), 44, p.227–239.
DAVIS, L. W., e.a., ‘Hopelessness as a Predictor of Work Functioning Among Patients With
Schizophrenia’, Psychiatric services, (April 2004) Vol. 55 nr. 4, p.434-436.
DE CROON, E.M., ‘Drie vragenlijsten voor diagnostiek van depressie en angststoornissen’,
Tijdschrift Bedrijfs Verzekeringsgeneeskdigagnostiek, (april 2005), 13, nr. 4.
GIGANTESCO, A., e.a., ‘The VADO Approach in Psychiatric Rehabilitation: A Randomized
Controlled Trial’, Psychiatric Servies., (2006), 57: 1778-1783.
GRIFFITHS, R.D., ‘A standardized assessment of the work behaviour of psychiatric
patients’, British Journal Psychiatry., (1973), Oc. ,123(575):403-8.
J., JAC, e.a., ‘The Benefits of Interventions for Work-Related Stress’, American Journal of
Public Health, (February 2001), Vol. 91, No. 2, p.270-276.
LAW M., e.a., ‘Guidelines critical review form’, McMaster University, 1998.
MARSHALL, M., e.a., ‘Systematic reviews of the effectiveness of day care for people with
severe mental disorders: (1) Acute day hospital versus admission; (2) Vocational
rehabilitation; (3) Day hospital versus outpatient care’, Health Technology Assessment, (
2001), Vol. 5, nr. 21.
MARSHALL, M., e.a.,‘Systematic reviews of the effectiveness of day care for people with
severe mental disorders: (1) Acute day hospital versus admission, (2) Vocational
181
rehabilitation, (3) Day hospital versus outpatient care’, Health Technology Assessment, (
2001), Vol. 5, nr. 21.
MCGURK, S.R., e.a., ‘Cognitive and Symptom Predictors of Work Outcomes for Clients
With Schizophrenia in Supported Employment’, Psychiatric sevices, (2003), August, Vol. 54,
nr. 8, p.1129-1136.
MECHANIC, D., BILDER, S., MCALPINE, D., ‘Employing Persons With Serious Mental
Illness’, The People-to-People Health Foundation, (September / October 2002), vol. 21, nr. 5,
242-253.
MICHON, H., ‘Vragenlijst arbeidsvaardigheden’, Trimbos- instituut Utrecht, (oktober 2005),
(versie voor begeleider en versie voor arbeider).
MICHON, H., VAN WEEGHEL, J., ‘De werking van De Schalm : een evaluatieonderzoek
naar een arbeidsrehabilitatieprogramma’, 1995, nr.5.
MICHON, H.,’The generic work behaviour questionnaire (GWBQ): Assessment of core
dimensions of generic work behaviour of people with severe mental illnesses in vocational
rehabilitation’, Psychiatric rehabilitation journal, (2004), vol. 28 nr. 1, 40-47.
MIRABELLA, F., MOROSINI, P., FALLOON, R.H., ‘Outcome assessment of the VADO
approach in psychiatric rehabilitation: a partially randomised multicentric trial’, Clinical
Practice and Epidemiology in Mental Health, (2006).
NIEUWENHUIJSEN, K., e.a., ‘Supervisory behaviour as a predictor of return to work in
employees absent from work due to mental health problems’, Occupational Environ
Medicine, (2004), 61, p.817–823.
NIJHUIS, F.J.N., VAN LIEROP, B.A.G, ‘Hoofdstuk 9: Reïntegratie en vocational
rehabilitation’, s.e., s.l., 2006.
NIJHUIS, F.J.N., VAN LIEROP, B.A.G, ‘Assessmentmethoden voor integratie van mensen
met een handicap in organisaties.’ .
PIOLI, R., e.a., ‘Efficacy of the "VADO" approach in psychiatric rehabilitation: a controlled
study’, Social Psychiatry Epidemiology Psychiatric, (2003), Jan-Mar, 12(1), p.43-52.
PIOLI, R., e.a., ‘Prediction of vocational outcome based on clinical and demographic
indicators among vocationally ready clients’, Community Mental Health Journal, (1997),
33(2), p.99-112.
182
SCHENE, A., e.a., ‘Psychische aandoeningen en arbeid: een vergelijking van interventies’,
Psychopraxis; (mei 2005); 7; vol.3.
SHANKAR, J., COLLYER, F., ‘Vocational rehabilitation of people with mental illness: The
need for a broader approach’, Australian e-Journal for the Advancement of Mental Health
(AeJAMH), Vol. 2, Issue 2, (2003).
TIMOTHY, A., ‘Psychometric properties of the Depression Anxiety Stress Scales (DASS) in
clinical samples’, Behaviour Research & Therapy, (Jan1997), Vol. 35 Issue 1, p79, 11p, 6
charts.
VAN AUDENHOVE, C.,WILMOTTE, J., ‘Evaluatie van de pilootprojecten “activering”,
eindrapport’, Lucas/KU Leuven; (2004), februari.
(Onderzoek in opdracht van het Federaal Ministerie voor Consumentenzaken,
Volksgezondheid en leefmilieu en van het Federaal Ministerie voor Sociale Zaken en
Pensioenen).
VAN NIEUWENHUIZEN, C., ‘Measuring Quality of Life in Mental disorders: some
developments’, Quality of Life in mental disorders, 2nd edition, (2006).
VAN NIEUWENHUIZEN, C., ‘The Lancashire Quality of Life Profile: First experiences in
the Netherlands’, Community Mental Health Journal; (October 1998), Vol. 34, nr. 5.
VAN NIEUWENHUIZEN, C., ‘The Lancashire Quality of Life Profile: modification and
psychometric evaluation’, Social. Psychiatry Epidemiol, (2001); 36-44.
VAN NIEUWENHUIZEN, C., SCHENE, A.H., KOETER, M.W.J., ‘Quality of Life in
forensic psychiatry: an unreclaimed territory?’, International review of psychiatry, (2002), 14,
198-202.
VAN WIJNGAARDEN, B., WENNINK, H.J., KOK, I., ‘Klinische uitkomstindicatoren in de
GGZ en verslavingszorg: In Nederland verkrijgbare instrumenten getoetst op
betrouwbaarheid, validiteit en toepasbaarheid (eindrapportage)’, Trimbos instituut, Utrecht,
(2003)
WATTS FN., ‘A study of work behaviour in a psychiatric rehabilitation unit’, Brief Journal
Social Clinical Psychology , (1978), Feb, nr. 17(1), p.85-92.
WILLIAM, A., e.a., ‘Relationships between psychiatric symphomaology, work skills, and
future vocational performance’, Psychiatric Services; (April 1995); vol. 46; nr. 4
183
WILLIAM, C., e.a., ‘Self-Esteem as an Outcome Measure in Studies of Vocational
Rehabilitation for Adults With Severe Mental Illness’, Psychiatric Services, (2000), February,
Vol. 51, nr. 2, p.229-233
Via WWW
Arbeids Traject Begeleiding beschikbaar via http://www.atb-brabant.be/menu.asp
Arbeidszorg beschikbaar via http://www.wonen-en-werken.be/arbeidszorg.htm
De Kiem vzw - Centrum voor Beroepsopleiding (CBO) beschikbaar via
http://www.cbodekiem.be/
De werkwinkel beschikbaar via http://www.werkwinkel.be/content/_master/site/13
E.de Croon e.a.; Psychisch en werk: Psychische aandoeningen en vermoeidheid in de
arbeidssituatie Beschikbaar via http://www.psychischenwerk.nl/pw/index.php
GOCI beschikbaar via http://www.goci.be/site/content.aspx
Groep LITP beschikbaar via http://www.litp.be/
M.D. Clercq, (2001-2003), Normative data and latent structure in a large non-clinical sample;
British Journal of Clinical Psychology, (2003), 42, 111–131 beschikbaar via
http://geestelijkegezondheidszorg.pagina.be/
OCMW Hasselt beschikbaar via http://www.ocmwhasselt.be/online/1/sitemap.cfm
Oriëntatiecentrum voor personen met een handicap beschikbaar via
http://www.stichtingkinsbergen.be/cgvb/pages/index.html
Psychology Foundation of Australia; Depression Anxiety Stress Scales (DASS); beschikbaar
via http://www.psy.unsw.edu.au/Groups/Dass/
Vlaams instituut voor gezondheidspromotie; Meetinstrumentarium; (donderdag 6 april 2006)
beschikbaar via http://www.vig.be/content/pdf/ME_instrumenten_alles.pdf
Vlaamse consultatiebureaus beschikbaar via http://www.consultatiebureaus.be/index.htm
Workman, Simon W.; WBI career development report; beschikbaar via
http://www.leadershipcoachacademy.com/WBI_Sample_Report.pdf
Activering in de geestelijke gezondheidszorg, beschikbaar via
http://www.kuleuven.be/lucas/onderzoekslijnen/ggzactivering.htm
184
BIJLAGE 1
Bijlage: DASS-42 en DASS-21
185
DASS42
Naam:
Datum:
Geef voor ieder van de onderstaande uitspraken aan in hoeverre de uitspraak
de afgelopen week voor u van toepassing was door een nummer te omcirkelen.
Er zijn geen goede of foute antwoorden. Besteed niet te veel tijd aan iedere
uitspraak, het gaat om uw eerste indruk.
De nummers hebben deze betekenis:
no
oit
so
m
s
va
ak
me
es
ta
l
0 = Helemaal niet of nooit van toepassing
1 = Een beetje of soms van toepassing
2 = Behoorlijk of vaak van toepassing
3 = Zeer zeker of meestal van toepassing
1 Ik merkte dat ik overstuur raakte van onbelangrijke zaken
0
1
2
3
2 Ik merkte dat mijn mond droog aanvoelde
0
1
2
3
3 Ik was niet in staat om ook maar enig positief gevoel te ervaren
0
1
2
3
4 Ik had moeite met ademhalen (bijv. overmatig snel ademen, buiten
adem zijn zonder me in te spannen)
0
1
2
3
5 Ik kon maar niet op gang komen
0
1
2
3
6 Ik had de neiging om overdreven te reageren op situaties
0
1
2
3
7 Ik voelde me beverig (bijv. onvast ter been zijn)
0
1
2
3
8 Ik vond het moeilijk me te ontspannen
0
1
2
3
9 Er waren situaties die me zo angstig maakten dat ik erg opgelucht was
wanneer het ophield
0
1
2
3
10 Ik had het gevoel dat ik niets had om naar uit te kijken
0
1
2
3
11 Ik merkte dat ik gemakkelijk overstuur raakte
0
1
2
3
12 Ik was erg opgefokt
0
1
2
3
13 Ik voelde me verdrietig en depressief
0
1
2
3
14 Ik merkte dat ik erg ongeduldig werd van oponthoud (bijv. wachten
op een lift, stoplichten, file)
0
1
2
3
15 Ik had het gevoel flauw te gaan vallen
0
1
2
3
16 Ik had mijn interesse in zo'n beetje alles verloren
0
1
2
3
17 Ik had het gevoel dat ik als persoon niet veel voorstel
0
1
2
3
18 Ik merkte dat ik nogal licht geraakt was
0
1
2
3
19 Ik transpireerde merkbaar (bijv. zweethanden) terwijl het niet warm
was en ik me niet inspande
0
1
2
3
20 Ik was angstig zonder enige reden
0
1
2
3
21 Ik had het gevoel dat mijn leven niet de moeite waard is
0
1
2
3
186
Ter herinnering: de nummers hebben deze betekenis:
0 = Helemaal niet of nooit van toepassing
1 = Een beetje of soms van toepassing
2 = Behoorlijk of vaak van toepassing
3 = Zeer zeker of meestal van toepassing
22 Ik vond het moeilijk op verhaal te komen
0
1
2
3
23 Ik had moeite met slikken
0
1
2
3
24 Ik was niet in staat om enig plezier te hebben bij wat ik deed
0
1
2
3
25 Ik was me bewust van mijn hartslag terwijl ik me niet fysiek inspande
(bijv. het gevoel van een versnelde hartslag of het overslaan van het
hart)
0
1
2
3
26 Ik voelde me somber en zwaarmoedig
0
1
2
3
27 Ik merkte dat ik erg snel prikkelbaar was
0
1
2
3
28 Ik had het gevoel dat ik bijna in paniek raakte
0
1
2
3
29 Ik vond het moeilijk tot rust te komen nadat iets me overstuur had
gemaakt
0
1
2
3
30 Ik was bang dat ik van mijn stuk zou raken bij een eenvoudige nieuwe
bezigheid of taak
0
1
2
3
31 Ik was niet in staat om over ook maar iets enthousiast te worden
0
1
2
3
32 Ik vond het moeilijk om te dulden dat ik gestoord werd bij wat ik aan
het doen was
0
1
2
3
33 Ik was erg nerveus
0
1
2
3
34 Ik had het gevoel niets waard te zijn
0
1
2
3
35 Ik had volstrekt geen geduld met dingen die me hinderden bij iets dat
ik wilde doen
0
1
2
3
36 Ik voelde me ontzettend angstig
0
1
2
3
37 Ik kon niets in de toekomst zien om me op te verheugen
0
1
2
3
38 Ik had het gevoel dat mijn leven geen zin had
0
1
2
3
39 Ik merkte dat ik erg onrustig was
0
1
2
3
40 Ik maakte me zorgen over situaties waarin ik in paniek zou raken en
mezelf belachelijk zou maken
0
1
2
3
41 Ik merkte dat ik beefde (bijv. met de handen)
0
1
2
3
42 Ik vond het moeilijk om het initiatief te nemen om iets te gaan doen
0
1
2
3
187
DASS21
Naam:
Datum:
Geef voor ieder van de onderstaande uitspraken aan in hoeverre de uitspraak de afgelopen
week voor u van toepassing was door een nummer te omcirkelen. Er zijn geen goede of foute
antwoorden. Besteed niet te veel tijd aan iedere uitspraak, het gaat om uw eerste indruk.
De nummers hebben deze betekenis:
1 Ik vond het moeilijk tot rust te komen nadat iets me overstuur had
gemaakt
no
oit
so
m
s
va
ak
me
es
ta
l
0 = Helemaal niet of nooit van toepassing
1 = Een beetje of soms van toepassing
2 = Behoorlijk of vaak van toepassing
3 = Zeer zeker of meestal van toepassing
0
1
2
3
2 Ik transpireerde merkbaar (bijv. zweethanden) terwijl het niet warm
was en ik me niet inspande
0
1
2
3
3 Ik was niet in staat om enig plezier te hebben bij wat ik deed
0
1
2
3
4 Ik had moeite met ademhalen (bijv. overmatig snel ademen, buiten
adem zijn zonder me in te spannen)
0
1
2
3
5 Ik vond het moeilijk om het initiatief te nemen om iets te gaan doen
0
1
2
3
6 Ik had de neiging om overdreven te reageren op situaties
0
1
2
3
7 Ik merkte dat ik beefde (bijv. met de handen)
0
1
2
3
8 Ik was erg opgefokt
0
1
2
3
9 Ik maakte me zorgen over situaties waarin ik in paniek zou raken en
mezelf belachelijk zou maken
0
1
2
3
10 Ik had het gevoel dat ik niets had om naar uit te kijken
0
1
2
3
11 Ik merkte dat ik erg onrustig was
0
1
2
3
12 Ik vond het moeilijk me te ontspannen
0
1
2
3
13 Ik voelde me somber en zwaarmoedig
0
1
2
3
14 Ik had volstrekt geen geduld met dingen die me hinderden bij iets dat
ik wilde doen
0
1
2
3
15 Ik had het gevoel dat ik bijna in paniek raakte
0
1
2
3
16 Ik was niet in staat om over ook maar iets enthousiast te worden
0
1
2
3
17 Ik had het gevoel dat ik als persoon niet veel voorstel
0
1
2
3
18 Ik merkte dat ik nogal licht geraakt was
0
1
2
3
19 Ik was me bewust van mijn hartslag terwijl ik me niet fysiek inspande
(bijv. het gevoel van een versnelde hartslag of het overslaan van het
hart)
0
1
2
3
20 Ik was angstig zonder enige reden
0
1
2
3
21 Ik had het gevoel dat mijn leven geen zin had
0
1
2
3
188
Algemene conclusie
Het resultaat van de literatuurstudie toont aan dat er maar enkele valide, bruikbare en
betrouwbare assessmentinstrumenten voor handen zijn. Niet alleen om de cliënten beter te
kunnen screenen tijdens een observatieperiode, maar ook, om naar de toekomst toe, de cliënt
een zo optimaal mogelijke begeleiding te kunnen geven in zijn arbeidstraining.
Het proces van de arbeidsrehabilitatie is geen statisch gegeven, maar een proces waarbij de
invalshoeken en de context voortdurend veranderen. Juist daarom is het moeilijk om één
instrument te vinden dat hieraan beantwoordt.
De assessmentinstrumenten die binnen dit afstudeerproject aan bod gekomen zijn hebben
ieder verschillende invalshoeken en zijn zeer divers in structurele opbouw.
Volgens de onderzoeksgroep zijn Assessment voor Algemeen Potentieel Bepaling (APBassessment) en Vocational Assessment and Curriculum Guide (VACG) bruikbaar in de
context van het arbeidscentrum in de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen.
Deze instrumenten zijn bruikbaar om de arbeidsattitudes en –vaardigheden van cliënten te
screenen voordat zij aan een arbeidstraining deelnemen, ze kunnen worden afgenomen door
een ergotherapeut in een ergotherapeutische setting, ze zijn ontwikkeld voor een doelgroep
met matig tot ernstige psycho-sociale aandoeningen en de instrumenten worden gekenmerkt
door een hoge wetenschappelijke waarde.
De Merkmale zur Eingliederung von Leistungsgewandelter und Behinderter in Arbeit
(MELBA) is op het eerste zicht bruikbaar omdat ze de capaciteiten van de cliënt in kaart
brengt aan de hand van sleutelkwalificaties. Een pluspunt bij dit instrument is dat er een
profielvergelijking gemaakt wordt met de capaciteiten van de persoon en de vereisten van een
job. Ook de Assessment of Work Performance (AWP) is op het eerste zicht bruikbaar. De
motorische, proces- en communicatievaardigheden van het Model Of Human Occupation
(MOHO) die in het instrument aan bod komen zouden een gedeelte van de
arbeidsvaardigheden kunnen omvatten, dus zij zouden een gedeelte van het niveau van
functioneren kunnen weergeven. Persoonlijke Arbeidsvaardigheden Signaleren (PAS) is in
eerste instantie bruikbaar in Tienen omdat deze de arbeidsvaardigheden van de cliënten gaat
meten.
Omdat er echter onvoldoende gegevens gevonden zijn in de bestudeerde literatuur betreffende
de MELBA, de AWP en de PAS kan er geen gefundeerde conclusie getrokken worden of dit
bruikbare, betrouwbare en valide instrumenten zijn.
189
De instrumenten: General Work Behavior Questionnaire (GWBQ), Work Limitations
Questioannire (WLQ), Work Behavior Inventory (WBI), De Schakel, Griffiths Work
Behavior Scale (GWBS), Vocational Cognitive Rating Scale (VCRS), Osnabrücker
Arbeitsfähigkeitenprofil (O-AFP),Gemeenschappelijk Evaluatiesysteem (GES), Vocational
Assessment Protocol (VAP) (2 Profielen hieruit) en Work Environment Impact Scale (WEIS)
zijn bruikbaar door ergotherapeuten om cliënten te testen in arbeidssituaties. Deze
instrumenten brengen het niveau van functioneren in kaart tijdens een arbeidssituatie (of
tijdens de uitoefening van een job) en niet in een therapeutische setting of ergotherapiesituatie) ook sluiten ze niet aan bij de gestelde onderzoeksvraag.
De volgende instrumenten zijn bruikbaar in andere ergotherapeutische settings:
De Mechelse Activiteitenschaal (MAS) wordt toegepast in ADL situaties, Worker Role
Interview (WRI) geeft weer hoe een cliënt zichzelf ziet in de rol van werknemer. De ERGOS
Work Simulator is enkel gericht op het fysiek functioneren. De Valpar Component Work
Samples (VCWS) beoordeelt fysieke met enkele intra- en interpersoonlijke componenten. De
Activity Matching Ability System (AMAS) richt zich vooral tot het fysieke en het
ergonomische. De Depression Anxiety Stress Scale (DASS) is een depressie, angst en stressschaal. Lancashire Quality of Life Profile (LqoLP) meet de levenskwaliteit en de Dialogue
about ability related to work (DOA) kan gebruikt worden in een verdere fase in de
arbeidsrehabilitatie met name voor het opstellen van behandeldoelen naar arbeidsrehabilitatie.
De Skills Assessment and Definition of Goals (VADO) is geen assessmentinstrument en dus
niet bruikbaar binnen dit onderzoek omdat dit een hele benadering omvat. De Common
Protocol is een vragenlijst dat in de Verenigde Staten wordt gebruikt en het is een onderdeel
van een volledig rehabilitatieprogramma. Het heeft geen Europees referentiekader. Het
ECHOproject (Annika Jackers, deel 3) loopt in Vlaanderen en heeft wel een Vlaams
referentiekader. Eveneens is het de basis van waaruit het arbeidsrehabilitatieproject uit Tienen
vertrekt.
Tot slot, dit literatuuronderzoek toont aan dat ergotherapeuten wel degelijk een groot aandeel
kunnen hebben in dit vakgebied. Er is reeds veel onderzoek gedaan op een maatschappelijk
niveau, maar binnen de context ergotherapie zijn er maar enkele publicaties voor handen. Er
190
is nood aan een ruggengraatinstrument dat in heel Vlaanderen binnen arbeidsrehabilitatie
gebruikt kan worden, waaraan een competentietaal gekoppeld wordt.
Door een verdieping in verschillende projecten, benaderingen en programma’s komt men tot
een brede kijk op arbeidsrehabilitatie.
Om een overzichtelijk, algemeen beeld te krijgen van het functioneren van een cliënt, kan
deze geplaatst worden in het classificatiesysteem International Classification of Functioning
(ICF). Dit kader kan gebruikt worden om relevante informatie uit te halen en hierop in te
spelen.
Volgens het procesmodel Adaptation Through Occupation (Reed & Sanderson, 1992), is de
mens een handelend wezen. In dit model wordt het handelen van een cliënt in interactie met
de omgeving opgedeeld in drie gebieden: zelfredzaamheid, ontspanning en productiviteit. Een
belangrijk onderdeel van een procesmodel is de inventarisatie van (on)mogelijkheden van de
cliënt en zijn omgeving, in deze context meer bepaald de onmogelijkheid van het uitvoeren
van arbeid.
Met het oog op arbeidsrehabilitatie wordt er verder ingegaan op het gebied betreffende
productiviteit. Productiviteit is een belangrijk aspect binnen de ergotherapie, het wordt sterk
bepaald door de kwaliteit van de overeenkomst tussen het individu en de arbeidssituatie
(omgeving).
Wanneer de cliënt start met het arbeidsrehabilitatieproces, is het belangrijk dat de
stabilisatiefase achter de rug is. Vanaf het begin van het rehabilitatieproces tot het uiteindelijk
functioneren op de werkplaats is de communicatie tussen cliënt en omgeving een essentiële
voorwaarde. Hiermee staat of valt alles.
191
gezondheidsprobleem
Ernstig
Matig
Functie en
Licht
ment
Assessmentinstru
X invullen
Instrumenten in ICF
structuur
Activiteit
Participatie
Persoonlijke
Externe
factoren
factoren
GES
X
X
X
X
X
X
O-AFP
X
X
X
X
X
X
APB
X
X
X
X
X
AWP
X
X
X
X
X
X
MAS
X
X
X
X
X
X
MAM
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
VCWS
X
X
X
X
X
ERGOS
X
X
X
X
X
VAP
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Common
Protocol
VCRS
WRI
X
AMAS
X
X
X
X
X
X
X
X
DOA
X
X
X
X
X
X
X
PAS
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
WBI
X
GWBQ
X
WLQ
X
WEIS
X
X
X
VACG
X
X
X
DASS
X
X
X
X
X
X
GWBS
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
VADO
LQoLS
X
X
192
X
X
X
Overzicht van de instrumenten
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Gemeenschappelijk
Evaluatiesysteem
(GES)
- De GES gaat na in
welke mate de cliënt
functioneert op gebied
van, lichamelijke
geschiktheid, mentaal
cognitieve aspecten,
elementaire
beroepsvaardigheden,
arbeidsattitudes en
sociale vaardigheden.
- De GES kan uitgebreid
worden met 257 items.
- Het is ook mogelijk
om enkel het
standaardformulier in te
vullen en de uitbreiding
alleen te raadplegen
waneer verdere
exploratie vereist is.
Het
gemeenschappelijk
Evaluatiesysteem
(GES) heeft tot doel
ondersteuning te
bieden bij de
assessment in de
praktijk van
arbeidsrehabilitatie.
Osnabrücker
Arbeitsfähigkei
tenprofil
(O-AFP)
De O-AFP is een
instrument dat voor alle
arbeidsrehabilitatie
gerichte metingen,
binnen het hele bereik
van de ergotherapie en
op de werkplek
(beschutte en algemene)
dienst kan doen voor de
beoordeling van
arbeidsvaardigheden bij
rehabiliterende
personen.
Het APB-assessment is
een op de
assessmentcenter
methode gebaseerde
systematiek voor
beoordeling van
geschiktheid. De nadruk
ligt op het beoordelen
van iemands
functioneren in relatie
met zijn/haar
Personen met een
psychische
problematiek screenen
op hun mogelijkheden
en beperkingen op
gebeid van
“leervaardigheid”,
“vaardigheid tot
sociale communicatie”
en “aanpassing”.
De GES is opgebouwd
rond 2 elementen: een
uitgebreide vragenlijst (39
items verdeelt over 5
gebieden) waarin gepeild
wordt naar de
verschillende
arbeidsvaardigheden en
een boekje met een
omschrijving van al deze
vaardigheden.
Er worden 5
pictogrammen gebruikt
om te scoren. Deze
hebben een betekenis die
gaat van,
problematisch/zeer slecht
tot uitstekend/zeer goed.
Er is een handleiding
beschikbaar.
Een observatielijst en een
zelfevaluatielijst.
Het bestaat uit 58 items
verdeelt over 5 schalen.
Het is een observatielijst
waarbij de deelnemers
verdeelt over 5 dagen
verschillende opdrachten
moeten uitvoeren. De
deelnemers moeten
werken met taal, cijfers,
handen en anderen.
De deelnemers moeten
voorafgaand aan elke
opdracht kiezen volgens
Assessment
voor Algemeen
Potentieel
Bepaling
(APBassessment)
Het assessment wordt
ingezet voor jongeren,
volwassenen,
langdurig werklozen,
arbeidsgehandicapten,
allochtonen,
herintredende,
vrouwen en voortijdig
schoolverlaters.
Voor alle deelnemers
geldt dat er geen of
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Hanteerbaarheid
Het instrument is op te
vragen bij Lucas en
ATB-Leuven.
De geschatte kostprijs
is onbekend.
Deze gegevens zijn
onbekend.
Het instrument is
beschikbaar in het
Nederlands.
De afname van het
standaardformulier
Duurt +/- 30 min.
De volledige
evaluatielijst is erg
omslachtig en vraagt
veel tijd.
Het instrument is te
koop op de site
http://www.testzentral
e.ch/de/einzeltitel.php
?testid=7673 voor
CHF 157 (+/- 96 euro)
Het is een valide en
betrouwbaar instrument.
Het instrument is enkel
verkrijgbaar in het
Duits.
De afname door een
personeelslid duurt 1015min en +/- 30 min
voor de
zelfevaluatielijst.
Het is mogelijk om
een opleiding te
volgen bij Regionaal
opleidingscentrum
(ROC) De
Amerlanden.
Deze gegevens zijn
onbekend.
Het instrument is
verkrijgbaar in het
Nederlands.
De afname duurt 5
dagen en is erg
intensief. De evaluatie
van de observaties
neemt ook een 5-tal
dagen in beslag.
193
Normgegevens
persoonskenmerken.
weinig inzicht is op
hun kwaliteiten.
welke werkwijze ze de
opdrachten gaan
afwerken. Dit heeft te
maken met de hulp die u
tijdens de opdracht van de
begeleider krijgt. Het gaat
hierbij dus om het
persoonkenmerk
‘zelfstandigheid’.
194
Instrument
Assessment of
Work
Performance
(AWP)
Algemene
gegevens
- observatie-
-
instrument
observeert hoe de
cliënt huidig
presteert op de
werkvloer
aandacht voor
relatie cliëntomgeving
Doel van het
meetinstrument
- het meten van
-
-
Mechelse
Activiteiten
Schaal (MAS)
- observatieschaal
- geeft weer of de cliënt
een bepaalde activiteit
al dan niet uitvoert
-
Maastrichts
Arbeidsrehabilitatie
Model,
De Schakel
- scorelijst
- brengt algemene
arbeidsvaardigheden en
sociaal-emotionele
vaardigheden in kaart
-
-
observeerbare,
(arbeids)vaardighe
den van een cliënt
tijdens het
functioneren op de
werkvloer
aandacht voor de
mate van
efficiëntie van een
arbeidsactiviteit
inventariserend
beoogt het huidige
en functioneren in
kaart te brengen
Diagnostisch,
therapeutisch,
evaluatief en
theoretisch
een realistische
inschatting te
maken van het
eigen
arbeidsfunctionere n
evaluatief en
inventariserend
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
- observatie-instrument:
* vijf motorische
vaardigheden
* vijf procesvaardigheden
* vier communicatie –en
interactievaardigheden
-
Hanteerbaarheid
-
-
Nederlandstalig
Gemakkelijk in te
vullen, men moet
enkel ja/nee
aanduiden.
-
Nederlandstalig
Gemakkelijk in te
vullen, men duidt
aan naar welke kan
men het meest
neigt.
validiteit
observatieschaal
bestaande uit 66 items
items zijn verdeeld
over 6
activiteitengroepen:
zelfredzame,
interactionele,
integrerende,
zelfverzorgende,
huishoudelijke en
arbeidsactiviteiten
De Mechelse
Activiteiten Schaal –
versie leefgroep, de
itemspecificatie voor
éénduidige scoring en
de normtabellen voor
de MAS kunnen
zonder copyright
gehaald worden uit de
handleiding bij deze
schaal.
37 items, verdeeld
over algemene en
sociaal-emotionele
vaardigheden
4 aandachtsgebieden:
basisarbeidsvaardigheden;
zelfbeeld, instelling
ten opzichte van
arbeid, motivatie en
arbeidsrol; omgaan
met collega’s en
omgaan met
leidinggevenden
Het evaluatieinstrument De Schakel
kan zonder copyright
gehaald worden uit de
publicatie van
Soogelee (1994).
195
Methodologische
kwaliteit
- voldoende face –
betrouwbaar
valide
gestandaardiseerd
-
Normgegevens
Engelstalig
Afnameduur: van
enkele uren tot
weken, afhankelijk
van de individuele
eisen van de cliënt
Normtabellen zijn te
vinden in de
handleiding bij deze
schaal.
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
Common
Protocol van het
Employment
Demonstration
Program
(EIDP)
- Ontwikkeld is om
informatie te verzamelen
van de deelnemers van
het EIDP.
- Een meervoudige
onderzoekstudie die
werkrehabilitatie
combinereert met
klinische diensten en
hulp.
- Ontwikkeld door de
coordinating center staff
van de universiteit van
Chicago.
- Krijgen van een
algemeen beeld de
cliënt
- Het onderzoekt
componenten zoals
klinische kenmerken,
psychosociale status,
demografische
karakteristieken, …
vragenlijst
Valpar
Component
WorkSamples
(VCWS)
- Meten werkgerelateerde
capaciteiten,
vaardigheden, kennis en
interesses.
- Fysiek gerichte test+
inter- en
intrapersoonlijke en
cognitieve aspecten.
- Testen van
competenties op vlak van
arbeid/werk
- Ontwikkeld door Sax.
- Evalueren van het
werkpotentieel van de
cliënt onder de vorm
van gesimuleerde of
werkelijke onderdelen
van werk die worden
toegediend onder
specifieke
omstandigheden.
TEST die onderverdeelt is
in verschillende
werkproeven. Deze
proeven worden
individueel voor de cliënt
geselecteerd.
ERGOS Work
Simulator
(ERGOS)
- Gebaseerd op
arbeidswerkelijkheid,
gesimuleerde
werkactiviteiten.
- Een geautomatiseerde
computergestuurde test.
- Bruikbaar voor iedereen
die zijn fysieke
capaciteiten op vlak van
arbeid wil testen.
- Ontwikkeld door
Simwork Systems te
Tuscon.
TEST
-Fysieke
mogelijkheden
onderzoeken op vlak
van arbeid.
- Werken met armen,
handen en vingers;
-Werk-gerelateerde
arbeids-houdingen;
-lichaams-flexibiliteit
en mobiliteit;
-Uithoudingsvermogen, en
duurbelastbaarheid.
- Bewegingssnelheid en
Nauwkeurigheid;
Methodologische
kwaliteit
Hanteerbaarheid
- Downloadbaar op de
site van de studie
http://www.psych.uic.e
du/eidp/default.htm
- Weinig informatie over
beschikbaar
- De vragenlijst maakt
gebruik van
gestandaardiseerde
instrumenten: Positive
and Negative Syndrome
Scale (PANSS),
Rosenberg Self-Esteem
Scale, The medical
Outcomes Study Short
Form-36 (SF-36), The
Quality of Live Interview
(QOLI)
- De documenten en
handleiding zijn in het
engels geschreven.
- instructiebundel moet
bij start worden
doorgenomen.
- 2 voorafgaande
ontmoetingen met de
cliënt
De verschillende
werkproeven
(worksamples) zijn
apart te verkrijgen op
het internet, samen met
de handleiding.
http://www.valparint.co
m
- Criteriaverwijzing
testing (gebruikt een
objectieve standaard of
uitvoeringsgraad) Scores tonen wat iemand
kan doen, niet hoe ze
gescoord hebben in
relatie tot de scores van
bepaalde personen of
groepen.
- Men maakt gebruik van
MTM (methods-TimeMeasurement).
Informatie over de
ERGOS worksimulator
en om de producent te
contacteren is
beschikbaar op de site
http://www.wrebv.com/
frset_main_ned.htm
196
- Werkproeven zijn
verkrijgbaar in koffers
met al het benodigde
materiaal, bestaan uit
metalen frames met
daarin verschillende
werkpanelen.
- Koffers zijn
verplaatsbaar en
gemakkelijk in het
gebruik.
- Werkproeven +
handleidingen en MTM
zijn in het engels
- Objectieve
- 5 testpanelen
meetgegevens gevormd
- Een stand-alone
door de testresultaten van netwerk dat bestaat uit 6
computers, waarvan één
de computer.
als “master” dienst doet.
- De meetresultaten
worden door de
- De master verzameld en
computer onderzocht op bewerkt de testdata.
- Cliënt kan zo
hun betrouwbaarheid.
onmiddellijk feedback
- De verwerking van de
krijgen.
testresultaten duurt 40
min.
- Neemt grote ruimte in
beslag en kan niet
verplaatst worden.
- Kan 5 personen tegelijk
testen.
Normgegevens
Merkmale zur
Eingliederung
von
Leistungsgewan
delter und
Behinderter in
Arbeit
(MELBA)
- “profielkenmerken voor
de arbeidsintegratie van
mensen met
beperkingen”.
- Capaciteiten- en
eisenprofiel.
- Profielvergelijking
- Ontwikkeld door het
federaal ministerie voor
werk en sociale orde te
Duitsland.
- Statische en
dynamische krachten
dragen
TEST
- Mogelijkheden
- 29 items
(cognitief, sociaal,
uitvoering,
psychomotorisch,
communicatief) op vlak
van arbeid testen.
- De eisen van een
functie onderzoeken.
- Kan besteld worden
op www.melba.be .
197
- Afnemen van alle
onderdelen van de test
duurt 4 uur
- Duur van afname is
- Aspecten die aan bod
komen zijn zorgvuldig en afhankelijk van de
betrouwbaar gedefinieerd kennis, ervaring van de
afnemer en de bronnen
- Het systeem kan
eenduidig worden
die gebruikt worden.
interpreteren.
- Voor elke bron wordt
een Melba score
- Beoordeling gebeurd
gegeven, waarvan de
aan de hand van de
afnemer dan uiteindelijk
profielvergelijking.
een gemiddeld cijfer
krijgt.
- Per bron wordt een half
uur voor de afname
geteld.
- Een half uur tot een uur
voor de verwerking.
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Hanteerbaarheid
Vocational
Assessment
Protocol (VAP)
Het is een profiel over
de functionele
vaardigheden van
arbeids-gerelateerde
factoren.
Het VAP bestaat uit
verschillende interviews,
vragenlijsten en
profielen over
achtergrondinformatie
van de cliënt, klinische
informatie en
arbeidsaanpassingsverm
ogen.
Verkrijgbaar in het
onderzoeks- en
trainingscentrum van de
universiteit van
Winconsin-zuid in
Menomonie. De
gebruikershandleiding
kost $21.75 en de
instrumenten van het
VAP $ 35. Er is geen
Nederlandse versie
verkrijgbaar.
Betrouwbaar en valide
Is alleen in het Engels
verkrijgbaar. Afname
van het hele VAP is
lang en inspannend.
Vocational
Cognitive
Rating Scale
(VCRS)
Het is ontworpen voor
cliënten met een
chronische psychische
aandoening. Het
instrument is
ontwikkeld binnen het
arbeidsreïntegratieprinc
ipe ‘place and train’
Systematisch
identificeren van
werkvaardigheden,
voordelen en sterktes
van een cliënt.
Voorzien van een
structuur en een
protocol voor het
onderzoeken van de
meest frequente
cognitieve, fysieke en
psychosociale factoren
die geschikt zijn om de
tewerkstelling en de
reïntegratie in de
maatschappij van
cliënten met een
traumatisch
hersenletsel te
beïnvloeden. Bepalen
van
arbeidsreïntegratiestrat
egieën
Cognitieve stoornissen
op de werkvloer
meten.
De test bestaat uit een
vragenlijst met 16 items
die gescoord worden na
een
werkplaatsobservatie,
een gesprek met de
cliënt over de ervaring
van zijn cognitieve
beperkingen en een
interview over de cliënt
met de supervisor. De
items zijn onderverdeeld
in aandacht, geheugen en
leervermogen;
organisatie en
flexibiliteit; en
inwijding.
De test is via Ebsco
samen met het artikel,
‘The vocational
cognitive rating scale: a
scale for the assesment
of cognitive functioning
at work for clients with
severe mental illness’
van TAMASINE C.
GREIG ea., in het
tijdschrift te verkrijgen.
Interbeoordelingsbetrouwbaarheid en
interne dichtheid goed.
De VCRS wordt na een
werkplekobservatie van
15 minuten, een
interview met de
supervisor en een
gesprek met de cliënt
gescoord door de
jobcoach. Meestal
heeft de jobcoach de
cliënt al vaker aan het
werk gezien en heeft hij
een bredere kijk dan
alleen de observatie 15
minuten . De
afnametijd is
afhankelijk van de duur
van de interviews met
de supervisor en de
cliënt.
Worker Role
De WRI is gebaseerd
op het model of human
Meten van de
psychosociale- en
De WRI is een semigestructureerd interview,
Er is een Nederlandse
vertaling en bewerking,
Goede interne validiteit,
test-hertest en
Het afnemen van het
interview aan de hand
198
Normgegevens
Interview
(WRI)
occupation (MOHO).
Het MOHO ziet
werkgedrag als een
samenspel van
motivatie, levensstijl,
capaciteiten en
omgevingsfactoren.
omgevingsfactoren die
de mogelijkheid
beïnvloeden om na
ziekte of letsel terug te
keren naar de
werkvloer.
samen met een 4-puntscoreschaal.
De 17-items-schaal
wordt ingevuld door de
interviewer op basis van
gegevens die hij heeft
bekomen uit een
interview met de cliënt
en uit beschikbare
informatie over de
fysieke status van de
cliënt en over de
functionele prestaties.
door het ‘innovatie
centrum model of
human occupation’, van
de WRI (handleiding
van 119pp. en test) te
koop via de site
http://www.moho.uic.ed
u/assess/wri.html voor
$38.5.
199
interbeoordelingsbetrouwbaarheid.
van de vragenlijst
neemt ongeveer 60
minuten in beslag. Het
afnemen van de scores
neemt ongeveer 15
minuten in beslag
wanneer de interviewer
ervaring heeft met het
toepassen van het
model, resp. de
omschrijving per score
kent
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Activity
Matching
Ability System
(AMAS)
-
Meet vooral de
fysieke elementen,
maar
ook enkele
cognitieve
elementen.
- AMAS is
meermaals
herwerkt, er zijn
reeds verschillende
versies
beschikbaar.
- gericht op personen
met beperkingen,
lichamelijk of
cognitief
-
mogelijkheden van
mensen matchen met
de job activiteiten
vereisten door het
identificeren van het
niveau van vereisten
voor een activiteit in
een job en/of
individuen de
mogelijkheden bezitten
om de job uit te voeren.
Het geeft weer of de
individuen de job
kunnen uitvoeren, niet
hoe goed ze het al dan
niet zullen doen.
-
Gegevens omtrent de
verkrijgbaarheid, de
geschatte kosten en het
copyright zijn na verder
onderzoek onbekend
gebleven.
Gegevens omtrent de
methodologische
kwaliteit zijn na verder
onderzoek onbekend
gebleven.
- DOA werd
ontwikkeld met het
MOHO als
theoretisch kader.
Het is een
cliëntgericht
instrument.
- Items zijn
cliëntgericht en niet
op de omgeving
gericht.
- Gericht op cliënten
met psychiatrische
en psychosociale
problemen.
- ontwikkeld om de
werkmogelijkheden te meten.
Vanuit de dialoog
tussen cliënt en
therapeut worden
mogelijke
doelstelling
opgesteld voor
werkrehabilitatie
van de cliënt.
-
Dialogue about
ability related to
work (DOA)
-
-
AMAS is een
vragenlijst, een
zelfbeoordelingslijst
of onder leiding van
een therapeut of
een professional.
AMAS bestaat uit 3
onderdelen, elk
bestaande uit
vragenlijsten:
AMAS job activity
assessment
AMAS person ability
assessment
AMAS matching
verdeeld in 2 secties
met elk 34 items met
5 schalen. 1
sectie voor de cliënt
(zelfbeoordelingslijst)
en 1 sectie voor de
therapeut
(observatie- en
interpretatielijst).
- 5 schalen:
(persoonlijke zorg,
waarden en
interessen; rollen en
gewoonten; fysieke
mogelijkheden;
organisationele
en
probleemoplossende
mogelijkheden;
communicatie en
interactie
mogelijkheden.
- Items worden
gescoord door een 5punts Likertschaal in
een rang van 0-4.
200
Hanteerbaarheid
-
Het instrument is valide
en betrouwbaar
Engels
Gemakkelijk
in te vullen
Recente versie
is onbekend
Benodigde tijd
is onbekend
Geen gegevens
gevonden
omtrent
gebruikershandleiding
- Engels
- omtrent benodigde
tijd en
gebruikershandleiding zijn
geen verdere
gegevens bekend
Normgegevens
Persoonlijke
Arbeidsvaardigheden
Signaleren
(PAS)
- PAS is gebaseerd op
het ICF. Het is een
analyse-instrument dat
vooral de vaardigheden
van de cliënt gaat
inventariseren, er is wel
ruimte gelaten voor de
eisen die de
arbeidssituatie stelt.
- PAS kan zowel
schriftelijk als digitaal
worden afgenomen.
- Voor mensen met een
verstandelijke beperking,
een lichamelijke
beperking, N.A.H. of
mensen met gedragsen/of psychiatrische
problematiek
- ontwikkeld als
hulpmiddel voor
jobcoaches en/of
cliëntenbegeleiders
om passend werk
te kunnen zoeken
voor hun cliënten.
- bedoeld als checklist.
- bevat algemene
gegevens, algemene
persoonlijke gegevens,
onderzoek naar de
vaardigheden van de
cliënt en
aandachtspunten voor
de arbeidssituatie,
aanvullende vragen en
overige opmerkingen.
De items worden
gescoord door de
letters G (goed), V
(voldoende), HB (hulp
of begeleiding nodig),
? (onbekend of
persoon vaardigheid
bezit).
- er is een handleiding
beschikbaar.
Het instrument is gratis
op te vragen bij het
Instituut Ergotherapie,
de Hogeschool van
Amsterdam. Er is
copyright.
201
Onbekend, daar het nog
een recent ontwikkeld
instrument is.
- Nederlandstalig
- Deel A van de PAS
is nodig (checklist
zelf) of het digitaal
word-document of de
CD-rom
- Tijdsduur is 30 to 60
minuten
- Er is een
gebruikershandleiding
voorzien.
Instrument
Algemene
gegevens
Work Behavior
Inventory
(WBI)
Oorsprong: USA.
Situational
assessmentinstrument.
Beoordeelt
werkprestaties op
werkvloer. Ook als
Feedbackformulier.
Niet bekend of deze in
het nederlands te
verkrijgen is.
Deelnemers krijgen BI.
Elke 2 weken
feedbackmoment
Oorsprong: Trimbos
Instituut Utrecht. 18
tegenovergestelde
uitspraken met 5 vakjes
waarin deelnemer zich
situeert + 5 open
vragen. In het
nederlands te
verkrijgen. Wordt elke
4 weken afgenomen.
Supervisor fungeert als
observator.
The Generic
Work Behavior
Questionnaire
(GWBQ)
Work
Limitations
Questionnaire
(WLQ)
Oorsprong: USA.
25 vragen, wordt door
de deelnemer ingevuld.
Niet bekend of deze in
het nederlands te
verkrijgen is.
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Dat werknemer
werkgedrag leert
begrijpen.
Opstellen van doelen,
met oog op verhogen
en verbeteren van
werkprestaties en –
attitudes.
Om de vooruitgang in
werkrehabilitatie te
beoordelen.
Niet teruggevonden.
Vermoedelijk gaat het
om een scorelijst.
samen met supervisor
specifieke doelen en
werkpunten
formuleren waar de
deelnemer nog tekort
schiet.
Nagaan wat de invloed
van
gezondheidsproblemen
is op het uitvoeren van
een job.
Scorelijst en vragenlijst
voor deelnemer en
wergever.
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Niet teruggevonden
tijdens literatuurstudie.
Mogelijks via
contactname met de
ontwerpers van de
WBI.
Via mail naar H.
Michon en J. van
Weeghel.
[email protected]os.nl
[email protected]
Annabel Greenhill
gecontacteerd via mail.
Is
Project Manager.
[email protected]
Vragenlijst
Vanwege Copyright
zijn er officiële
documenten
ondertekend voor het
verkrijgen van
informatie. Instrument
is niet ontvangen.
202
Hanteerbaarheid
Normgegevens
Men spreekt van hoge
validiteit en
betrouwbaarheid.
Gegevens zijn niet
teruggevonden tijdens
deze literatuurstudie.
Voor herhaaldelijk
gebruik. Duur van
invullen niet bekend.
Bijeenkomst duurt 1
uur.
/
Supervisorvragenlijst:
grote betrouwbaarheid.
Zelfevaluatielijsten
matige
betrouwbaarheid.
gemiddelde scores van
deelnemers liggen
hoger dan die van hun
supervisors.
Gemakkelijk
hanteerbaar
/
Statistische gegevens
zijn teruggevonden over
de 48-items versie. 25
items versie zou van
nog betere kwaliteit
zijn.
Eenvoudige
invulinstructies.
Invullen duurt 5 tot 10
minuten.
Gegeven antwoorden
worden vergeleken
met een normgroep.
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Hanteerbaarheid
Work
Environnement
Impact Scale
(WEIS)
Vocational
Assessment
and
Curriculum
Guide (VACG)
objectief in kaart
brengen hoe
werkomgeving invloed
heeft op functioneren.
(positief / negatief)
Onderverdeling
17items
werkomgeving in
kaart brengen
semi-gestructureerd
interview , 17 items,
gescoord op een
4punten-schaal.
http://www.moho.uic.ed
Valide, betrouwbaar en
gestandaardiseerd
Engelstalig, geen
Nederlandstalige
instructies gevonden.
wel voorbeeld,
instructievideo.
gedragwaarderingsscha
al brengt beroeps- en
sociale vaardigheden in
kaart
doel algemeen
vaardigheidsniveau in
schatten
Interview, 66vragen over
beschrijving
geëvalueerde gedrag
gids gepubliceerd door
Exceptional Education,
P.O. Box 15308,
Seattle, WA 98155, VS
Test-hertest α = 0,79
Interne consistentie
= 0,76
α totale test = 0,95
Engelstalig, jaren ’80
geen herziene versie
gevonden!
u/assess/weis.html
203
Normgegevens
Instrument
Algemene
gegevens
Doel van het
meetinstrument
Depression
Anxiety Stress
Scales : DASS
- screent
angststoornissen,
depressie en stress.
- aspecten van het
algemeen psychisch
functioneren vaststellen
(adolecenten of
volwassenen)
- auteurs: Lovibond,
S.H. & Lovibond, P.F. ontwikkeld in Australie.
- meet de
arbeidsvaardigheden en
de mogelijkheid tot
werken
- ontwikkeld door R.D.
Griffiths in 1973
- meten van negatieve
emotionele symptomen
(depressie, angst en
stress).
The Griffiths
Work Behavior
Scale : GWBS
De Valutazione
delle Abilità e
Definizione
degli Obiettivi :
VADO
Handboek voor de
beoordeling van
vaardigheden en
definitie van
doelstellingen.
The
Lancashire
Quality of Life
Profile :
LQoLP
- kwaliteit van leven
meten
- ontwikkeld door J.
Oliver, universiteit van
Manchester, Engeland.
Soort
meetinstrument
Verkrijgbaarheid
Methodologische
kwaliteit
Hanteerbaarheid
- reeks van drie zelfrapportschalen
(angststoornissen,
depressie en stress). lange (DASS-42) en
een korte (DASS-21)
- a.d.h.v. 4-punts
likertschaal worden de
onderwerpen per
subschaal bevraagd.
- schalen gratis
downloaden via de site
http://www2.psy.unsw.e
du.au/groups/dass//
- handleiding hiervan,
op de site bestellen:
kostprijs, 55
Australische dollar.
- hoge interne
consistentie.
- valide en betrouwbaar
- verkrijgbaar in het
Nederlands.
- pen of potlood en
vragenlijst. - duur 5 tot
10 minuten
- meten van
beroepsfunctioneren:
in staat zijn
ingewikkelde taken te
doen, snel werken,
doorwerken,
enthousiasme, werk
correct afwerken.
- rehabilitatie, geen
technieken,
- adviseert modellerend,
non-verbaal en
mondeling ertoe
aanzettende rol, gestructureerd
probleemoplossend.
- 25-item schaal die
a.d.h.v.
tegenovergestelde
verklaringen
arbeidsvaardigheden
meet.
- elk item op 5-punt
schaal gescoord
- erg uitgebreide
benadering
- 2 instrumenten in
gebruikt: de Personal
and Social Functioning
Scale (FPS) en de Brief
Psychiatric Rating
Scale (BPRS).
- verouderde schaal
- vernieuwde versie
(GWBQ, zie verder)
- valide en betrouwbaar
- potlood en item-lijst
- 18 domeinen: vb.
Werk en educatie, vrije
tijd en participatie,
religie, financiën,
leefsituatie, veiligheid,
relaties, gezondheid.
- gestructureerd
interview
- objectieve en
subjectieve vragen
- cursus vereist
- contact Ch. Van
Nieuwenhuizen
(ch.van.nieuwenhuizen
@ggze.nl).
- 4 daagse opleiding
vereist
- volledig team moet
achter deze benadering
staan
204
- valide en betrouwbaar
- veel voorbereiding, scoren is tijdsintensief
- duur: ongeveer een
uur
Normgegevens
Slot
Boosheid en vreugde,
geluk en zorgen,
luiheid en daadkracht,
enthousiasme en laatdunkendheid net als muziek in een lege ruimte
of paddenstoelen die groeien in het donker komen ze opeens te voorschijn, dag en nacht.
We weten niet waar ze vandaan komen.
probeer het ook niet te achterhalen, hoe kunnen
we ooit alles weten in één dag?
Chuang Tzu
Dit is een wijsheid van een Oosterse filosofie, de Tao.
De onderzoeksgroep heeft zo al 180 pagina's Westerse wetenschap en deze tekst wil een
beetje afremmen en doen bezinnen.
Het gaat hier om ons groeiproces in het eindwerk. Niet alleen het proces, maar ook het
onderwerp zelf. Er is nog veel te ontdekken waar we op kunnen verder bouwen. Maar het is
belangrijk dat we onze tijd nemen, stap voor stap. Wij hebben dit werk geleverd, het is aan de
volgende groep om ons werk verder te zetten…
205

Vergelijkbare documenten