nachtlied - Hortus Festival

Commentaren

Transcriptie

nachtlied - Hortus Festival
kamermuziekfestival
22 juli t/m 30 augustus 2015
24 zomerconcerten in de mooiste botanische tuinen
24 summer concerts at wonderful locations
12e editie
nachtlied
leiden  amsterdam  utrecht  haren
programma
www.hortusfestival.nl
1
inhoud
1
22 t/m 26 juli · nocturnes · Maarten van Veen
4
2
29 t/m 2 aug · trio d’anches de paris · HortusEnsemble
7
3
5 t/m 9 aug · thalia ensemble
10
4
12 t/m 16 aug · jetzt wage ich nichts mehr · DoelenEnsemble
13
5
19 t/m 23 augustus · schumanns nachtlied · Vincent Bijlo & Maarten van Veen 18
6
26 t/m 30 augustus · schumann en chausson · HortusEnsemble
◆ biografieën
◆ concertdata & colofon
2
18
20
22
nachtlied, een reis door de nacht…
night song, a journey through the night…
De nacht was voor componisten als Schumann,
Chopin, Poulenc en Schönberg een grote inspiratiebron. Het Hortus Festival staat daarom deze zomer
geheel in het teken van de nacht.
Nederlands groenste zomerfestival voor kamermuziek programmeert van 22 juli t/m 30 augustus
tientallen concerten in de wondermooie tuinen van
Hortus Botanicus in Amsterdam, de Oude Hortus
in Utrecht, Hortus Botanicus in Leiden en Hortus
Botanicus Haren.
The night has been a great source of inspiration for
composers like Schumann, Chopin, Poulenc and
Schönberg. The Hortus Festival’s theme is therefore
‘the Night’. The greenest Dutch summerfestival of
chamber music takes place from 22nd of July until
the 30th of August 2015. Dozens of concerts will be
performed in the wonderful gardens of Hortus Botanicus Amsterdam, the Oude Hortus in Utrecht,
Hortus Botanicus in Leiden and the Hortus
Botanicus Haren.
Zodra de zon ondergaat en de nacht begint, spelen
in de oranjerie onder meer het HortusEnsemble met
klarinettist Lars Wouters van den Oudenweijer,
fagottist Jonathan Reeder, hoboïst Bram Kreeftmeijer,
het DoelenEnsemble en het Thalia Ensemble.
As soon as the sun goes down and the night begins,
you can listen to concerts of the HortusEnsemble with
clarinettist Lars Wouters van den Oudenweijer,
bassoonist Jonathan Reeder, oboist Bram Kreeftmeijer,
the DoelenEnsemble and the Thalia Ensemble.
Het DoelenEnsemble speelt het laat-romantische
Verklärte Nacht van Schönberg en vertelt u wat er
gebeurde rondom 1900. Cabaretier en schrijver
Vincent Bijlo verzorgt, samen met Maarten van
Veen, een theatraal concert over het Nachtlied van
Schumann. De voorstelling is geïnspireerd op het
gelijknamige boek van Bas van Putten, een roman
waarin een nachtelijke reis wordt beschreven die
componist Robert Schumann per postkoets maakt.
Hij bewondert de sterrenhemel, geniet van de
ultieme rust en laaft zich aan de duisternis. En
graag open ik het festival met Nocturnes op twee
verschillende vleugels! Vier generaties Nocturnes
komen de nacht bezingen.
The DoelenEnsemble plays the late romantic work
‘Transfigured Night’ by Schoenberg and tells you what
happened around 1900. Comedian and writer
Vincent Bijlo along with Maarten van Veen, will
perform a concert theatre on the ‘Night Song’ about
Schumann’s early life. The performance is inspired by
the novel by Bas van Putten, a novel in which composer
Robert Schumann makes an overnight journey in a
stagecoach. He admires the starry sky, enjoys the ultimate
tranquility and feeds upon the darkness. And I am glad
to open the festival with Nocturnes on two of Chopin’s
favorite grandpianos! Four generations Nocturnes come
sing the night!
Het HortusEnsemble is de vaste bespeler tijdens dit
festival en legt zich toe op de authentieke uitvoering
van kamermuziek uit de jaren 1850-1950. Het specifieke coloriet van de authentieke instrumenten
(zoals de Erard-vleugel) waarop het ensemble speelt,
vormt het uitgangspunt voor de interpretatie van
de muziek uit deze periode. Het HortusEnsemble
verzorgt dit jaar de slotconcerten met als hoogtepunt Chaussons romantische Concert opus 21.
Graag nodig ik u uit voor een reis door de nacht!
The Hortus Ensemble is the regular player during this
festival and focuses on authentic performance of
chamber music from the years 1850-1950. The specific
coloring of authentic instruments (like the Erard grand
piano) forms the basis for the interpretation of the music
of this period. Wooden flutes, gut stringed strings and
parallel stringed grand pianos, all these elements contribute to a unique sound. Back to the source, back to
nature! The Hortus Ensemble will perform this year’s
final concerts culminating with Chausson’s romantic
‘Concerto opus 21’ for piano, violin and stringquartet.
I invite you on a journey through the night!
artistiek leider | artistic director
3
1
nocturnes
22 t/m 26 juli
Maarten van Veen
Erard & Pleyel piano
John Field 1782-1837
Nocturne nr.1 in Es, H24 (1812)
- Molto moderato
Nocturne nr.2 in c, H25 (1812)
- Moderato e molto espressivo
Nocturne nr.5 in Bes, H37 (1817)
- Cantabile
Nocturne nr.11 in Es, H58 (1832)
- Moderato
Frédéric Chopin 1810-1849
Nocturne nr.2 in Es opus 9 nr.2 (1830-1832)
- Andante
Nocturne nr.9 in B opus 32 nr.1 (1837)
- Andante sostenuto
Nocturne nr.20 in cis op.posth. (BI 49) (1830)
- Lento con gran espressione
Nocturne nr.19 op.post.72 nr.1 (BI 79) (1827)
- Andante
Gabriel Fauré 1845-1924
Nocturne nr.3 in As opus 33 nr.3 (1883)
- Andante con moto
Nocturne nr.1 in es opus 33 nr.1 (1875)
- Lento
Francis Poulenc 1899-1963
Nocturne nr.1 in C (1929)
- Sans traîner
Nocturne nr.4 in c (1934)
- ‘Bal fantôme’. Lent, très las et piano
Nocturne nr.7 in Es (1935)
- Assez allant
Nocturne nr.8 (1938)
- (pour servir de Coda au Cycle) Très modéré
4
john field
‘Na hem was nie­
mand in staat de
charmes van zijn
strelende taal te re­
produceren, muziek
die ons raakt als een
tedere blik, die ons
wiegt als een zacht
deinende boot, of als
de tedere schom­me­
ling van een hang­ John Field
mat.’ Zo omschrijft
Franz Liszt de Nocturnes van John Field, waarvan
hij in 1859 een uitgave verzorgt.
John Field, Ier van geboorte, krijgt vanaf zijn elfde
een aantal jaren les van Muzio Clementi, de
pianist/componist (en pianohandelaar) die we nu
vooral nog kennen als de maker van degelijke sona­
tines, oefenstof voor de beginnende pianist. Samen
ondernemen ze in 1802 een Europese tournee die
hen voert langs Parijs, Wenen en Sint-Petersburg.
Als Clementi in 1803 naar Londen terugkeert,
blijft John Field in Sint-Petersburg. De rest van zijn
leven woont hij afwisselend daar en in Moskou
en hij legt er contact met de Russische aristocratie.
Begin jaren 1830 maakt hij nog enkele concert­
tournees door West-Europa, maar zijn gezond­
heid gaat sterk achteruit en begin 1837 overlijdt
hij in Moskou.
John Field staat te boek als de ‘uit­vinder’ van de
noc­turne. Het is een titel die hij geeft aan licht me­
­lan­cholische karakter­stukken, veel vrijer van vorm
dan de sonate of het ron­do. Hiermee opent Field
de weg voor composities als ‘Lieder ohne Worte’,
impromptu’s en ballades, en legt hij de basis voor
werken met een subjectiever karakter, in staat om
diepe emoties te verklanken.
Daarnaast benut Field de nieuwe klankmoge­lijk­
heden van instrumenten. De piano is in die tijd
voort­­­durend in ontwikkeling en octrooien volgen
elkaar snel op. In­stru­menten van En­­gelse bouwers
als Broadwood zijn zwaar­der en daar­door rijker van
klank. Het dempen van deze volle klank is minder
effectief, maar biedt John Field ruimte voor zijn
‘singing legato’. Waar de Engelse in­stru­menten
vooral zingen, staat de verfijnde articulatie van de
Weense instrumenten dichter bij het spreken.
Pianobouwer Erard, gevestigd in Parijs, opent in
1792 ook een winkel in Londen en leunt vanaf dan
op de Franse én de Engelse klavierbouw­traditie.
Eerst in Londen (1821) en een jaar later in Parijs
ver­werft hij het patent op het ‘double échappe­
ment’, een mechaniek dat het snel repeterend aan­
slaan van dezelfde toets mogelijk maakt. Dat Erard
in Londen een stevige basis vindt, blijkt ook uit de
gouden medaille voor instrumentenbouw die de
firma tijdens de Wereldtentoonstelling van 1851 in
Londen verwerft.
frédéric chopin
In het al genoemde voorwoord zegt Liszt: ‘Chopin
toont ons in zijn Nocturnes niet alleen harmonieën
die uitdrukking geven aan onze onuitsprekelijke
geneugten, maar ook aan gevoelens van onrust, de
pijn en de zorgen waarmee deze vaak samengaan.
Zijn vlucht is hoger, hoewel zijn vleugel ernstiger
verwond is, de lieflijkheid van zijn lied is hart­
verscheurend, omdat het een glimp laat zien van
zijn eenzaamheid.’
Chopin bouwt in zijn Nocturnes voort op Field,
maar deze vrije compositievorm krijgt bij hem meer
structuur, een grotere expressiviteit en rijkere har­
monieën. De melodieën in de rechterhand hebben
een grote poëtische vrijheid, veelal gesteund door
een pendelende beweging in de bas, die de ritmische
basis biedt. ‘Laat je linkerhand je dirigent zijn en
strikt de maat houden’, zo geeft Chopin zijn leer­
lingen mee.
‘…de lieflijkheid van zijn lied
is hart­verscheurend,
omdat het een glimp laat zien
van zijn eenzaamheid.’
Liszt over Chopin
Chopin heeft een groot zwak voor de ronde toon
van de Erard-vleugel, maar is vooral gesteld op de
verfijnde klank van de instrumenten van Pleyel:
‘Als ik niet in de stemming ben, speel ik op een
Erard, waarop ik de goede toon eenvoudig vind.
Maar als ik vol energie ben en mij sterk genoeg
voel om mijn eigen toon te maken, dan heb ik een
Pleyel nodig.’
‘The Great Exhibition of the Works of Industry of all Nations‘ in het Crystal Palace in Londen in 1851
5
francis poulenc
Gabriel Fauré in 1905
gabriel fauré
De dertien Nocturnes die Fauré heeft geschreven
bestrijken een groot deel van zijn leven. De eerste
stamt uit 1875, de laatste uit 1921. Gaat hij in zijn
late nocturnes op zoek naar de grenzen van de
tonaliteit, de vroege nocturnes op dit programma
staan nog sterk in verbinding met de romantische
stijl van Field en Chopin.
Sur moi la nuit immense
plane comme un linceul;
je chante ma romance
que le ciel entend seul.
De acht Nocturnes van Poulenc stammen uit de
jaren 1929-1938. Hij voegt ze uiteindelijk samen
in een cyclus – getuige ook de subtitel van de
laatste – maar ze mogen naar eigen inzicht worden
uitgevoerd. De eerste Nocturne fungeert als een
prelude, met een heerlijk zangerige melodie
waarin je de handtekening van Poulenc meteen
herkent. Dat geldt ook voor het slot, dat eigen­
zinnig los staat van het voorafgaande.
De vierde Nocturne staat met zijn nostalgie en
charme het dichtst bij Chopin. Als bij­
schrift
plaatst Poulenc een citaat uit Le visionnaire / The
Dreamer van de bevriende schrijver Julien Green
(‘Pas une note des valses ou des scottisches ne se
perdait dans toute la maison, si bien que le
malade eut sa part de la fête et put rêver sur son
grabat aux bonnes années de sa jeunesse’ - In het
hele huis ging geen noot van de walsen of de
schottischen verloren, opdat de zieke deelgenoot
kon zijn van het feest en op zijn sterfbed kon
dromen over de goede jaren van zijn jeugd).
Een lichtvoetige dans in een zwoele zomernacht
zou het beeld kunnen zijn dat het hoofdthema
van de zevende Nocturne oproept.
De achtste Nocturne, met als ondertitel (pour servir
de Coda au Cycle), heeft de rol van een epiloog.
Muzikaal staat deze Nocturne zeer dicht bij de
eerste. De afsluiting van nr.8 is afgeleid van de ver­
vreemdende slotmaten van nr.1, nu pas vallen die
maten op hun plaats en is de cyclus gesloten.
Boven mij de onmetelijke nacht
als een doodskleed uitgespreid;
ik zing mijn liefdeslied
dat alleen de hemel bereikt.
Aan het slot van zijn Eerste Nocturne citeert Fauré
de muzikale frase waarop hij bovenstaande tekst
heeft gezet. Het is een fragment uit een van zijn
vroegste liederen: La chanson du pêcheur (lamento)
opus 4 nr.1 (1872). Zijn zoon Philippe Fauré schrijft
dat de nocturnes van zijn vader ‘…niet nood­
zakelijk [zijn] gebaseerd op dromen of emoties die
geïnspireerd zijn door de nacht. Het zijn lyrische
stukken, doorgaans gepassioneerd, soms beklem­
mend, of pure klaagzangen…’
6
Francis Poulenc door Christian Bérard
2
trio d’anches de paris
29 juli t/m 2 augustus
HortusEnsemble
Lars Wouters van den Oudenweijer klarinet
Jonathan Reeder fagot
Bram Kreeftmeijer hobo
Darius Milhaud 1892-1974
Suite d’après Corrette opus 161b (1937)
- Entrée et Rondeau
- Tambourin
- Musette
- Sérénade
- Fanfare
- Rondeau
- Menuett
- Le Coucou
Alexandre Tansman 1897-1986
Suite pour trio d’anches (1949)
- Dialogue: Andante sostenuto
- Scherzino: Molto vivace
- Aria: Largo
- Finale: Vivo - Lento
Jean Françaix 1912-1997
Divertissement (1947)
- Prélude: Moderato
- Allegretto assai
- Elégie: Grave
- Scherzo
Georges Auric 1899-1983
Trio in D (1938)
- Décidé
- Romance
- Finale
Henri Sauguet 1901-1989
Trio (1946)
- Allegro scherzando
- Andantino pastorale
- Vivo e rustico
- Choral varié
Joseph Canteloube 1879-1957
Rustiques (1946)
- Pastorale
- Rêverie
- Rondeau à la française
Jonathan Reeder, vaste speler bij het Hortus­
Ensemble, kreeg een zeldzame oude Franse fagot
in handen en leerde erop spelen. Vergezeld van een
even mooie klarinet en hobo, speelt hij in dit pro­
gramma muziek voor drie rietblazers. De basis voor
een dergelijke bezetting ligt in Frankrijk in het
begin van de twintigste eeuw. In de jaren twintig
formeren drie vooraanstaande rietblazers daar het
Trio d’anches de Paris. Zij duldden geen fluit en
hoorn, want bij de gebruikelijke blaaskwintet­
bezetting ontbrak naar hun idee de ‘perfecte homo­
geniteit’, die zij met een trio van alleen rietblazers
nastreefden. Het Trio d’anches de Paris heeft school
gemaakt, zoals het Nederlandse ensemble Calefax
dat de afgelopen decennia heeft gedaan met het
rietkwintet. Veel Franse componisten schreven mu­
ziek speciaal voor deze triobezetting. Dit pro­gram­
ma brengt werken samen uit een periode van twaalf
jaar – gecomponeerd aan weerszijden van de
Tweede Wereldoorlog – geschreven door Franse
componisten die een sterke band hadden met het
Parijse muziekleven.
7
darius milhaud
In de zomer van 1937 heeft Darius Milhaud een
afspraak met Georges Pitoëff, acteur, regisseur,
theaterproducent en vertaler. Voor hen ligt Roméo
et Juliette, het beroemde drama van Shakespeare
in een nieuwe Franstalige versie van Pitoëff. Ze
bepalen welke passages van het toneelstuk muzi­
kaal zullen worden ondersteund en Milhaud slaat
aan het componeren. Om de toneelmuziek geschikt
te maken voor concertante uitvoeringen, dus zonder
liefdestragedie, werkt Milhaud deze om tot de acht­
delige Suite d’après Corrette. De titel verwijst naar
zijn achttiende-eeuwse landgenoot Michel Corrette,
auteur van muziektheoretische verhandelingen
en componist van honderden werken. Daaronder
zijn vele Concerts comiques, lichtvoetige arrange­
menten op bekende melodieën van collega’s,
muziek die het publiek van de opéras comiques in
de pauze vermaakte en tot dansen opriep. Twee
eeuwen later blikt Milhaud muzikaal terug op de
Franse barok, vandaar ook de suitevorm en de
gekozen titels van de delen.
alexandre tansman
Nadat de 22-jarige Alexandre Tansman in zijn
geboorteland Polen enkele compositieprijzen heeft
gewonnen, vertrekt hij naar Parijs, waar hij ken­
nismaakt met componisten als Ravel, Honegger,
Milhaud en Stravinsky. Hij raakt goed thuis in
het Parijse muziekleven en woont er de rest van zijn
leven, met uitzondering van de Tweede Wereld­
oorlog. In die jaren verruilt hij Parijs voor Los
Angeles, waar hij opnieuw Milhaud en Stravinsky
ontmoet. Met Stravinsky raakt hij goed bevriend
en terug in Frankrijk wijdt Tansman een biografie
aan zijn grote voorbeeld. De belangrijke rol die
Stravinsky voor hem speelt, spreekt uit zijn Suite
pour trio d’anches. Het bevat neo-klassieke elemen­
ten die we ook uit de muziek van Stravinsky ken­
nen. En in het Scherzino citeert de klarinet een
motief uit de Berceuse van Stravinsky’s ballet
l’Oiseau de feu.
‘Bij het componeren zijn
de mooie theorieën wel het
allerlaatste waaraan ik denk’.
Jean Françaix
8
jean françaix
‘Bij het componeren zijn de mooie theorieën wel
het allerlaatste waaraan ik denk’, aldus Jean Fran­
çaix. ‘Een leeg papier waarop gaandeweg het werk
ontstaat, wat een privilege!’
Françaix past geheel in de traditie van Franse
componisten die terugblikken op stijlelementen uit
de Franse barok en de Weense klassieken. In zijn
muziek is ook zijn bewondering voor collega’s als
Chabrier, Poulenc en opnieuw Stravinsky te horen.
Françaix heeft een groot oeuvre nagelaten, waar­
onder veel muziek voor blazers. Over het compo­
neergemak dat uit zijn muziek spreekt, zegt hij
zelf: ‘Men heeft mij als “lichtvaardig componist”
bestempeld, terwijl ik toch streng waak over elke
noot die uit mijn pen vloeit.’ Levensvreugde en
mild sentiment spreken uit zijn Divertissement, dat
in de snelle delen ritmisch verraderlijk complex is.
georges auric
In de jaren 1930 legt Georges Auric zich vooral toe
op filmmuziek, onder meer voor Le sang d’un poète
van Jean Cocteau. Het is deze dichter, schrijver,
filmmaker en goede vriend van Auric die hem en
zijn muziek als volgt typeert: ‘het meest leven­
dige, spitse, milde, lichte, broeierige en lompe wat
er aan muziek is, dat alles is Georges Auric. Zijn
pen verscheurt, doorboort en streelt het muziek­
papier.’ In deze jaren componeert Auric naast
filmmuziek slechts enkele instrumentale werken.
Een daarvan is dit Trio, dat blijkt geeft van zijn hang
naar populaire, soms bewust banale deuntjes. Hij
heeft het opgedragen aan Henri Sauguet.
henri sauguet
Vijftien jaar is Henri Sauguet wanneer hij als orga­
nist wordt aangenomen in de parochie van Floirac,
dichtbij Bordeaux. De Eerste Wereldoorlog is
gaande en hij moet werken voor de kost. Een jaar
later, in 1917, maakt hij kennis met de muziek
van Debussy en raakt zo onder de indruk dat hij
besluit zich op het componeren toe te leggen. Hij
ontmoet Joseph Canteloube en volgt enkele jaren
compositielessen bij hem. Op aanraden van Mil­
haud komt Sauguet in 1922 naar Parijs, waar hij
vriendschap sluit met onder anderen Poulenc,
Auric, Cocteau en Satie. In 1923 formeert hij met
drie geestverwanten de École d’Arcueil, vernoemd
naar de woonplaats van Erik Satie. Zij streven
naar zuivere harmonieën, eenvoudige melodieën en
ruimte voor invloeden uit de jazz. Als de groep na
de dood van Satie in 1925 uiteenvalt, is het vooral
Henri Sauguet die hierop voortbouwt. ‘Het is niet
makkelijk eenvoud te bewaren wan­neer je een
complexe taal gebruikt. Men moet luis­teren naar
het advies van Rameau, die voorschreef dat je
kunst met kunst zelf moet omhullen’, zegt
Sauguet. Die eenvoud weet hij inderdaad mooi te
verpakken, vooral in de langzame delen.
‘Het meest leven­dige, spitse,
milde, lichte, broeierige en lompe
wat er aan muziek is,
dat alles is Georges Auric.’
Jean Cocteau
joseph canteloube
Ook uit 1925 stamt Rustiques van Joseph Cante­
loube. Veruit zijn bekendste compositie is Chants
d’Auvergne, liederen voor zangstem en orkest,
gebaseerd op volksmuziek uit de streek waaruit
zijn familie afkomstig is. Volksmuziek vormt een
rode draad in zijn repertoire. Canteloube beschouwt
dit als de meest pure muziek, muziek die raakt aan
zuivere kunst en hij legt een grote verzameling
volks­
muziek aan, vooral uit Auvergne. Voor
Rusti­ques gebruikt Canteloube daarnaast volks­
muziek van andere regio’s. De Tweede Wereld­
oorlog is net voorbij en Frankrijk is een verscheurd
land. Hij heeft dat aan den lijve ondervonden, door
zich in 1941 aan te sluiten bij het Vichy-regime dat
met de bezetter collaboreerde. Rustiques is een
muzikale hereniging van een verdeeld vaderland.
Schuilt hier een parallel met de ‘perfecte homo­
geniteit’ die Trio d’anches de Paris voor ogen had?
Scène d’hiver à Paris (1930) van Edouard Cortès (1882-1969)
9
3
felix mendelssohn
Geen kunst zonder koning of keurvorst… Dat
geldt zeker voor dit programma met muziek uit de
thalia ensemble
eerste helft van de negentiende eeuw. Veel ervan is
5 t/m 9 augustus
aan vorstenhoven ontstaan of mede door toedoen
van de machtige adel tot stand gekomen.
In 1826 schrijft de dan zeventienjarige Felix Men­
Thalia Ensemble
delssohn zijn geniale concertouverture Ein Sommer­
Belén Nieto Galán fluit
nachtstraum. De Duitse vertaling van Shakespeares
Sarah Aßmann hobo
A Midsummer Night’s Dream heeft hem geïnspireerd
Hylke Rozema natuurhoorn
tot dit werk, puur concertant en niet geschreven
Oscar Arguelles klarinet
voor theatrale uitvoeringen. Jaren later vraagt de
José Rodrigues Gomes fagot
Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV aan
Mendelssohn om deze ouverture uit te breiden tot
Felix Mendelssohn 1809-1847
toneelmuziek voor uitvoeringen van A Midsummer
Uit: A Midsummer Night’s Dream opus 61 (1843) Night’s Dream in het Neues Palais in Potsdam.
- Scherzo: Allegro vivace (nr.1 - akte II, scène 1) Daaruit vanavond twee delen: het pittige Scherzo
en de slaapwiegende Notturno, waarin de blazers
ook in de originele orkestversie een belangrijke rol
Franz Danzi 1763-1826
hebben.
Blaaskwintet in g opus 56 nr.2 (1821)
- Allegretto
franz danzi
- Andante
Franz Danzi wordt geboren in 1763, exact ‘temid­
- Menuetto allegretto
den van’ Mozart (1756) en Beethoven (1770).
- Allegretto
Zijn geboorteplaats is Schwetzingen, waar ook het
zomerverblijf is van keurvorst Carl Theodor, die als
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Uit: Trio in C voor fluit, hobo en fagot opus 87 groot muziekliefhebber in zijn residentie Mann­
heim een hofkapel onderhoudt. Zo invloedrijk is
(ca.1794)
dit orkest dat ‘Mannheimer Schule’ een begrip
III. Menuetto: Allegro molto. Scherzo - Trio
wordt dat staat voor belangrijke ontwikkelingen
IV. Finale: Presto
in de symfonische muziek. Het orkest is vermaard
om de kwaliteit van de houtblazers en in Mannheim
Anton Reicha 1770-1836
doet de klarinet zijn intrede in het symfonisch
Andante nr.2 in F voor Engelse hoorn
repertoire.
Vader Danzi, de Italiaanse cellist Innocenzo Danzi,
is musicus in dit hoforkest. Hij brengt zijn zoon het
Anton Reicha
cellospel bij en Franz treedt al op zijn vijftiende
Blaaskwintet in Bes opus 100 nr.6 (1820)
tot het orkest toe. In datzelfde jaar wordt echter de
- Adagio - Allegro
hele hofhouding, inclusief orkest, naar München
- Andante poco adagio
verplaatst. Franz blijft in Mannheim en studeert
- Minuetto: Allegro scherzo
daar compositie. In 1784 volgt hij zijn vader in
- Andante - Allegro assai
München op als eerste cellist.
Jaren later doet Danzi een gooi naar een hogere
Felix Mendelssohn
positie. Evenals later Mendelssohn stort hij zich op
Uit: A Midsummer Night’s Dream opus 61
een middernachtelijk thema. Niet naar Shakespeare,
- Notturno: Con moto tranquillo
maar naar een Frans blijspel componeert hij de
(nr.7 - akte III, scène 2)
komische opera Die Mitternachtstunde, waarmee
hij in 1798 de positie van vice-kapelmeester in
10
München verwerft. Een mooi resultaat, maar het
werk raakt in vergetelheid. En al werd Danzi in zijn
tijd gerekend tot een van de belangrijkste com­po­
nisten van de Duitse opera, het zijn vooral zijn
negen blaaskwintetten die repertoire hebben ge­
houden.
De drie Kwintetten opus 56 heeft hij opgedragen
aan Anton Reicha, die hij beschouwt als de ‘vader
van het genre’. Ze verschijnen in 1821 tegelijker­
tijd in Berlijn en Parijs. Danzi’s ruime orkest­
ervaring spreekt uit de wijze waarop hij de blaas­
partijen inricht. Het werk ademt een orkestrale
structuur en met een beetje fantasie gloort in deze
muziek een heel hoforkest.
ludwig van beethoven
Ook Beethoven, geboren in Bonn, treedt op
jonge leeftijd toe tot de plaatselijke hofkapel. Het
is 1784 als hij assistent van de hoforganist wordt.
Via deze aanstelling is het keurvorst Maximilian
Franz die zich als eerste mecenas aandient. Vanaf
1789 speelt Beethoven altviool in de orkesten van
hofkapel en theater. Hij werkt er samen met
collega’s als violist/fluitist Anton Reicha. Onder­
tussen ontwikkelt Beethoven zich als componist en
hij schrijft al enkele werken voor het blazers­
ensemble van de keurvorst.
Het Trio opus 87 schrijft Beethoven enkele jaren
later, vermoedelijk in 1794 in Wenen. De oor­
spronkelijke versie is voor een bezetting van twee
hobo’s en Engelse hoorn. In deze uitvoering klinken
de twee laatste delen uit dit trio, uitgevoerd op fluit,
hobo en fagot. Waarom fagot als het Thalia En­
semble over een natuurhoorn beschikt? Dat is lo­
gischer dan het lijkt: de naam Engelse hoorn bevat
twee taalverbasteringen. Het is namelijk een alt­
hobo, die in de achttiende eeuw een kenmerkende
knik heeft, in tegenstelling tot de gewone hobo
met rechte buis. Het Franse corps anglé (gebogen
lichaam) is destijds begrepen als cor anglais en in
vele talen vertaald als ‘Engelse hoorn’.
Overigens is uitvoering in niet-originele bezet­
tingen een vrij authentieke benadering. In Beet­
hovens tijd verschijnen er al snel versies voor onder
meer drie strijkers, voor twee fluiten en altviool en
voor twee klarinetten en fagot. In 1806 wordt in
Wenen een transcriptie voor twee violen en altviool
uitgegeven, vermoedelijk met goedkeuring van
Blick auf das Neue Palais in Potsdam (1826) door August Wilhelm Julius Ahlborn (1796-1857)
11
Beet­hoven zelf. Het hoge opusnummer wekt de
indruk dat het werk zo’n twintig jaar later is
gecomponeerd dan in feite het geval is. Dit Trio
stamt van vóór Beethovens opus 1.
anton reicha
Om goed te maken dat dit instrument uit het
Trio van Beethoven is weggesaneerd, klinkt in
Reicha’s Andante nr.2 de althobo (Engelse hoorn) in
volle glorie. De componist Anton Reicha is al even
genoemd. Hij is Bohemer van geboorte, wordt
geadopteerd door een oom – de cellist/com­po­
nist/dirigent Josef Reicha – en verhuist met die
familie in 1785 naar Bonn. Daar ontmoet hij de
even jonge Beethoven. Ze zijn collega’s in de hof­
kapel in Bonn en hebben elk een sterke drang tot
componeren.
Na een periode in Hamburg, waar zijn eerste opera
het licht ziet, verhuist Reicha in 1802 naar Wenen.
Vanaf 1808 woont hij in Parijs. Op voorspraak van
graaf Raymond de Sèze krijgt hij daar in 1818 een
aanstelling aan het conservatorium en een jaar later
12
trouwt hij met een Française. In diezelfde periode
schrijft hij onder meer vier reeksen van elk zes
blaas­kwintetten. Hij ontdoet deze bezetting van de
sfeer van gelegenheidsmuziek en plaatst het genre
op het niveau van de strijkkwartetten. En net als bij
Danzi zijn het de blaaskwintetten die hem tegen­
woordig vooral roem verschaffen. Deze volgen de
klassieke vierdelige structuur zoals we die ook bij
zijn grote voorbeelden Haydn en Beethoven aan­
treffen.
Opus 100 nr.6 is het laatste blaaskwintet dat Reicha
heeft geschreven. Met een langzame opening legt
hij de basis voor een monumentaal openingsdeel
dat ongeveer een kwartier duurt. Zijn verblijf in
Wenen trekt mooie sporen door dit deel. In het
Andante poco adagio toont Reicha zijn affiniteit
met de muziek van Mozart en het derde deel is
schatplichtig aan de grillige geest van Beethoven.
Evenals het openingsdeel begint ook het laatste deel
met een rustige beweging. Dit element keert soms
onverwacht terug als een moment van bezinning
in de doorgaans vlotte finale.
4
jetzt wage ich nichts mehr
12 t/m 16 augustus
DoelenEnsemble
Lisa Jacobs viool
Janneke van Prooijen viool
Liesbeth Steffens altviool
Katya Woloshyn altviool
Charles Watt cello
Rebecca Smit cello
Maarten van Veen Erard piano
m.m.v. Michaela Riener mezzosopraan
Anton Webern 1883-1945
Uit: Acht frühe Lieder (1901-1904)
• Tief von fern
• Blumengruß
• Aufblick
Arnold Schönberg 1874-1951
Klavierstück (1899/1901)
Fragment eines Klavierstücks (1905)
Fragment eines Klavierstucks (1909)
Franz Liszt 1811-1886
Nuages gris (1881)
Anton Webern
Uit: Acht frühe Lieder (1901-1904)
• Heimgang in der Frühe
• Heiter
Uit: Fünf Lieder (1908)
• Himmelfahrt
Uit: Fünf Lieder aus Der siebente Ring opus 3
• Dies ist ein Lied für dich allein
Anton Webern
Variationen für Klavier opus 27 (1935-1936)
III. Ruhig, fließend
Patrick van Deurzen 1964
What is Beautiful is Loved,
and what is not is Unloved
(three pieces for piano solo, 2014)
I. Sí calpestando fiori errava hor qua, hor là
(Thus, treading upon flowers, She wandered, now
here, now there...) - Rinuccini (1562-1621)
II. A Toccata: ‘What is beautiful is loved, and
what not is unloved - Theognis (6 e eeuw v. Chr.)
III. …lying is a delightful thing, for it leads to
truth… - Dmitri Prokofich Razumikhin (19 e eeuw)
Arnold Schönberg
Verklärte Nacht (1899) voor strijksextet
‘jetzt wage ich nichts mehr’
‘Jetzt wage ich nichts mehr’ (Nu heb ik de moed
niet meer), zo schreef Arnold Schönberg bij zijn
Fragment eines Klavierstücks uit 1901, een minia­
tuurcompositie die zomaar in het niets ophoudt.
Wat was er gebeurd? Schönberg, altijd op zoek naar
onontgonnen expressiemogelijkheden, realiseerde
zich dat de functionele harmonie voor hem was
uitgeput. Met zijn strijksextet Verklärte Nacht uit
1899 was hij al tot in de verste uithoeken van de
har­
monische taal doorgedrongen. Later zette
Schön­berg zich over zijn composer’s block heen
en betrad hij met zijn Tweede Strijkkwartet maag­
delijk terrein, wat uiteindelijk zou resulteren in
zijn twaalftoonsmuziek.
Interessant is dat collegacomponist Franz Liszt al
in zijn late pianowerken muzikale profetieën liet
horen die vooruitblikken op de twaalftoonsmuziek
van Schönberg en diens leerlingen. Met dit pro­
gramma betreedt het DoelenEnsemble het muzi­kale
terra incognita van rond 1900 en laat componist
Patrick van Deurzen met een recent werk horen
waar de moed van Schönberg zoal toe heeft geleid.
13
een sprong in het diepe
De Romantiek geldt als glorietijd van de terts.
Franz Schubert wist er al peilloze vergezichten
mee te creëren. Stoutmoedig struinde hij door de
kwintencirkel, bezocht harmonieën, even vervreem­
dend ver verwijderd van de hoofdtoonsoort als
toppen aan de einder op schilderijen van Caspar
David Friedrich. Als een ‘Wanderer über dem
Nebel­meer’ staart Schubert naar de moderne tijd,
oh zo ver, ongrijpbaar en onzeker.
Franz Liszt tast naar tertsloze muziek in zijn
Nuages gris, opgetekend op 24 augustus 1881. Een
lydische melodie plooit zich over een harmonisch
vliegend tapijt, waarin de diabolus in musica zelve,
de overmatige kwart, de basis vormt van de har­
monie. Liszt had juist een nare val gemaakt, leed
aan oedeem en reguliere ouderdomskwalen als staar.
De gewrichten gezwollen, de knokige botten rijp
voor zijn eigen Totentanz, won de zucht naar ver­
nieuwing het glorierijk van de doodsangst in zijn
late werken, ongeacht zijn flirt met het roomskatholicisme.
Schönberg zag bij Zemlinsky dat het mogelijk was
zowel Brahms als de muziek van Liszt en Wagner
lief te hebben. Pathos en hoogspanning konden
samengaan met klassiek vormbesef en de ultieme
al bijna naar expressionisme neigende verken­
ningen van het innerlijk door Brahms. Hoe voor­
treffelijk hij de laatromantische stijl ook beheerste,
Liszt geeft een huisconcert (Weimar, 1882) door Hans W. Schmidt
14
Patrick van Deurzen © Eric Wander
de nieuwe tijd dwong Schönberg een andere rich­
ting in te slaan. De weg was onbetreden, de uit­
komst volkomen ongewis. Een sprong in het diepe,
zoals Kandinsky’s stap naar abstractie in de schil­
derkunst.
what is beautiful…
Patrick van Deurzen verkeert nu in eenzelfde fase
van zelfreflectie als Schönberg op zijn ‘Wende­
punkt’. In dit pianowerk nam Van Deurzen af­
stand tot eerdere composities en analyseerde hij als
een buitenstaander zijn eigen harmonische ‘Werde­
gang’. In de goede oude traditie van componisten
sinds de Middeleeuwen brengt hij een groet aan
stukken van collega’s Monteverdi, Thomas Adès,
Peter-Jan Wagemans, Wolfgang Rihm, Frédéric
Chopin, Skrjabin, en eigen composities.
Voortdurend toetst Van Deurzen zijn muziek op de
muzikale werking. Hij durft collega’s te kritiseren
en zijn eigen ‘darlings’ bijtijds te doden. Peilde bij­
voorbeeld de keuze van tijdgenoot Rihm eerdere
stukken ‘over te schilderen’, was niet overtuigd en
constateerde dat het anders moest. De toevoeging
moest meer invloed hebben op het oor­spron­ke­
lijke doek. Door bijvoorbeeld een harmonie (de
verticaliteit van de akkoorden) van het gebruikte
origineel uit te rollen tot melodie (horizontaliteit)
in de ‘overschildering’.
Zijn oorspronkelijke idee een harmonisch tapijt te
weven in twaalf deeltjes miste bij nader inzien
muzikale kracht. Het resultaat was hem te bloe­de­
loos. Hij liet het wijken voor een effectiever con­
cept: een drieluik van bredere adem. De vorm rijmt
met zijn idee het stuk op te dragen aan niet één,
maar drie pianisten. What is Beautiful is Loved, and
what is not is Unloved, put tevens uit de briljante
verteltechnieken van Umberto Eco en poëzie van
Rinuccini. Een uiteenzetting met eigentijdse
tertsenproblematiek vindt zijn kern in de blues.
Maar origineel en eigenzinnig als altijd vindt hij
het meest superieure voorbeeld van een blues in…
een madrigaal van Monteverdi!
symmetrie als pilaar van het bouwwerk
Toen fascistische klauwen de Duitse cultuur bij
het nekvel pakten, verloor Anton Webern zijn
klussen als dirigent. In Wenen leidde hij bijvoor­
beeld sinds 1922 een arbeiders­sym­fonieorkest.
Eerder zwaaiden Weberns armen boven orkest­
bakken van theaters in Ischl, Teplitz, Danzig,
Stettin en Praag. Hij kende het operetterepertoire
als zijn vestzak. Zijn uiterst kwetsbare, intieme
liederen getuigen, evenals de overgangswerken van
Schönberg, aangrijpend van weemoed en pijn. De
pijn van het afscheid van de Romantiek. Korte
expressionistische liederen als laatste zuchten, met
felle, heftige contrasten soms.
Vanaf 1934 was Webern aangewezen op een kleine
schare privéleerlingen. Ironisch genoeg bood de
inperking hem alle vrijheid te componeren. Tijd.
Voor een twaalftoons pianocompositie. Op 14
oktober 1935 begon hij, Ruhig fließend, aan het
derde deeltje van de Variaties opus 27, 8 juli was het
klaar. Moderne muziek, maar ook een geduld­
oefening als middeleeuws monnikenwerk. Op
22 juli het tempo iets opgevoerd, Sehr mäßig,
deel I, 19 augustus was het klaar. Ten slotte op 25
augustus de laatste stap: Sehr schnell, deel II, 5
november [!] plaatste hij een laatste dubbele streep.
Symmetrie is in Weberns opus 27 tot pilaar van
Anton Webern door Oskar Kokoschka
Blaues Selbstportrait (1910) door Arnold Schönberg
het bouwwerk verheven. Horizontaal en verticaal,
in palindromen en canons, in voortgang en kreeft­
gang, op micro- en macroschaal. Hij was tenslotte
gepromoveerd op Heinrich Isaac, bestudeerde met
de loep diens Choralis Constantinus. Ruim 375
meerstemmige motetten voor het proprium van de
mis, na Isaacs dood in 1517 gewaarborgd door zijn
leerling Ludwig Senfl, vier eeuwen verder opge­
nomen door Anton Webern in de Denkmäler der
Tonkunst in Österreich.
Humus voor Isaac vormde het gregoriaans. Liszt
trok zich terug voor contemplatie in het klooster
Santa Francesca Romana, op 22 november 1866,
de dag van de heilige Sint Cecilia. Het pontificaal
gemeubileerde appartement was eerder het vertrek
van kardinaal Piccolomini. Vensters zagen uit
over het Forum Romanum... Na 1871 verkaste
Liszt naar een appartement in de Vicolo de Greci
nr.43, tegenover de Academia Santa Cecilia. Op
7 februari 1875 schrijft hij: ‘Als Wolf von Goethe
[kleinzoon van ‘de’ Goethe, HR] sta ik voor het
Capitool, und weiß nicht was ich sagen soll...’ ’
Huib Ramaer
15
teksten
anton webern
Tief von fern
Aus des Abends weißen Wogen
taucht ein Stern;
tief von fern
kommt der junge Mond gezogen.
Tief von fern
aus des Morgens grauen Wogen,
langt der große blasse Bogen
nach dem Stern.
Richard Dehmel (1863-1920)
Blumengruß
Der Strauß, den ich gepflücket,
Grüße dich viel tausendmal!
Ich habe mich oft gebücket,
Ach, wohl eintausendmal,
Und ihn ans Herz gedrücket
Viel hunderttausendmal!
Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832)
Aufblick
Über unsre Liebe hängt
eine tiefe Trauerweide.
Nacht und Schatten um uns beide.
Unsre Stirnen sind gesenkt.
Wortlos sitzen wir im Dunkeln.
Einstmals rauschte hier ein Strom,
einstmals sahn wir Sterne funkeln.
Ist denn Alles tot und trübe?
Horch: – ein ferner Mund – vom Dom:
Glockenchöre… Nacht… und Liebe…
Richard Dehmel
16
Heimgang in der Frühe
In der Dämmerung,
Um Glock’ zwei, Glock’ dreie,
Trat ich aus der Tür
In die Morgenweihe.
Klanglos liegt der Weg,
Und die Bäume schweigen,
Und das Vogellied
Schläft noch in den Zweigen.
Hör ich hinter mir
Sacht ein Fenster schließen?
Will mein strömend Herz
Übers Ufer fließen?
Sieht mein Sehnen nur
Blond und blaue Farben?
Himmelsrot und Grün
Samt den andern starben.
Ihrer Augen Blau
Küßt die Wölkchenherde,
Und ihr blondes Haar
Deckt die ganze Erde.
Was die Nacht mir gab,
Wird mich lang durchbeben;
Meine Arme weit
Fangen Lust und Leben.
Eine Drossel weckt
Plötzlich aus den Bäumen,
Und der Tag erwacht
Still aus Liebesträumen.
Detlev von Liliencron (1844-1909)
Heiter
Mein Herz ist wie ein See so weit,
Drin lacht dein Antlitz sonnenlicht
In tiefer süßer Einsamkeit,
Wo leise Well’ an Well’ sich bricht.
Ist’s Nacht, ist’s Tag? Ich weiß es nicht,
Lacht doch auf mich so lieb und lind
Dein sonnenlichtes Angesicht
Und selig bin ich wie ein Kind.
Friedrich Nietzsche (1844-1900)
Himmelfahrt
Schwebst du nieder aus den Weiten,
Nacht mit deinem Silberkranz?
Hebt in deine Ewigkeiten
mich des Dunkels milder Glanz?
Als ob Augen liebend winken:
alle Liebe sei enthüllt!
als ob Arme sehnend sinken:
alle Sehnsucht sei erfüllt –
strahlt ein Stern mir aus den Weiten,
alle Ängste fallen ab,
seligste Versunkenheiten,
strahlt und strahlt und will herab.
Und es treiben mich Gewalten
ihm entgegen, und er sinkt –
und ein Quellen, ein Entfalten
seines Scheins nimmt und bringt
und erlöst mich in die Zeiten,
da noch keine Menschen sahn,
wie durch Nächte Sterne gleiten,
wie den Seelen Rätsel nahn.
Richard Dehmel
Dies ist ein Lied für dich allein
Dies ist ein Lied
Für dich allein:
Von kindischem Wähnen
Von frommen Tränen…
Durch Morgengärten klingt es
Ein leichtbeschwingtes.
Nur dir allein
Möcht es ein Lied
Das rühre sein.
Stefan George (1868-1933)
arnold schönberg
Verklärte Nacht
Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen,
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:
Ich trag ein Kind, und nit von Dir,
ich geh in Sünde neben Dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen.
Ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensinhalt, nach Mutterglück
und Pflicht; da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen,
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt:
nun bin ich Dir, o Dir begegnet.
Sie geht mit ungelenkem Schritt.
Sie schaut empor; der Mond läuft mit.
Ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:
Das Kind, das Du empfangen hast,
sei Deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um Alles her,
Du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von Dir in mich, von mich in Dich.
Die wird das fremde Kind verklären,
Du wirst es mir, von mir gebären;
Du hast den Glanz in mich gebracht
Du hast mich selbst zum Kind gemacht.
Er faßt sie um die starken Hüften.
Ihr Atem küßt sich in den Lüften.
Zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.
Richard Dehmel (Weib und Welt)
17
5
6
schumanns nachtlied
theatraal concert
hortusensemble
speelt schumann en chausson
Vincent Bijlo script/voordracht
Maarten van Veen Erard piano
Bas van Putten tekst
HortusEnsemble
Eva Stegeman viool
Josje ter Haar viool
Heleen Hulst viool
Örsze Adam altviool
Job ter Haar cello
Maarten van Veen Erard piano
19 t/m 23 augustus
‘De maan schijnt als een zon wit weerlicht op
de duisternis. Onder hun dek van licht dansen
vier paardenruggen als nevelvlekken door de
nacht. De aanblik maakt me draaierig maar
iets dwingt me te blijven kijken… omdat het
kunst is wat ik zie, onthullend inzicht, ritmisch
bewegend, zwevend licht, onmogelijk staccato
en legato tegelijk… Denk aan wat wij com­
ponisten allemaal het liefste zouden willen: de
natuur te overtreffen met een kunstwerk.’ *
We schrijven oktober 1838: in het holst van de
nacht hobbelt een passagierskoets van Praag naar
Wenen. Op de bok, naast een benevelde koetsier,
zit componist Robert Schumann. Vincent Bijlo
kruipt in de huid van Schumann, en vertelt...
Een prachtig verhaal, met muziek die nog meer
tot de verbeelding spreekt, gespeeld door Maar­ten
van Veen.
* Uit het boek Nachtlied van Bas van Putten,
De Arbeiderspers (Amsterdam, 2009).
26 t/m 30 augustus
Robert Schumann 1810-1856
Uit: Vier Nachtstücke opus 23
I. Mehr langsam, oft zurückhaltend
Robert Schumann
Pianotrio nr.1 in d opus 63 (1847)
- Mit Energie und Leidenschaft
- Lebhaft, doch nicht zu rasch
- Langsam, mit inniger Empfindung
- Mit Feuer
Ernest Chausson 1855-1899
Concert in D voor piano, viool en strijkkwartet
opus 21 (1889-1991)
- Décidé - Calme - Animé
- Sicilienne: Pas vite
- Grave
- Finale: Très animé
Vinternatt i Rondane (1913) door Harald Sohlberg (1869-1935)
18
In slechts twee weken tijd, in juni 1847, schrijft
Schumann zijn Eerste Pianotrio. De melodie waar­
mee de viool opent heeft een karakter dat hierbij
aansluit. Rusteloos zoekend klinkt het thema,
harts­tochtelijk én zwaarmoedig. Halverwege het
eerste deel doemen mysterieuze klanken op, als
uit een andere wereld: de piano speelt zeer zachte
akkoorden (ppp) en viool en cello strijken de snaren
vlak naast de kam, Am Steg noteert Schumann,
om onaards ijle tonen op te roepen.
Het tweede deel vormt met zijn ‘huppelende ritme’
een levendig scherzo, maar behoudt de melancho­
lische ondertoon die met het openingsdeel is gezet.
In het derde deel komt de muziek tot rust, al
blijft de toon klagend in dit fraaie en uitgestrekte
lamento. Groot is het contrast met het kleurrijke
slotdeel, Mit Feuer. Vol overtuiging biedt het een
tegenwicht tegen de drie voorgaande delen. De
duisternis lost langzaam op en triomferend neemt
Schumann afscheid van zijn weemoedige nachtlied.
ernest chausson
‘Iedereen leek het Concert erg goed te vinden. Een
zeer goede uitvoering, met wonderschone momen­
robert schumann
ten en zo kunstzinnig uitgevoerd! Ik voel me
Net als in het programma met nocturnes halen we licht en opgewekt, zoals ik me lange tijd niet heb
Franz Liszt even aan. In Schumanns Nachtstücke gevoeld. Het lijkt me dat ik zal werken met meer
‘…schemeren meer uilenogen dan sterren…’, zo vertrouwen in de toekomst.’
schetst hij in enkele woorden de beklemmende
sfeer die uit deze muziek spreekt. Geen roman­ Dit schrijft Ernest Chausson in zijn dagboek naar
tische nachtelijke taferelen, maar de donkere kant aanleiding van de première van zijn Concert pour
van de natuur spreekt uit deze werken. De titel zou piano, violon et quatuor à cordes op 26 februari 1892
kunnen verwijzen naar de gelijknamige collectie in Brussel. De soloviool is bij die gelegenheid ge­
korte verhalen van E.T.A. Hoffmann, een achttal speeld door de befaamde violist Eugène Ysaÿe, aan
beklemmende vertellingen. Al vóór Robert Schu­ wie hij het werk heeft opgedragen. Piano, viool en
mann deze titel kiest, laat hij zijn geliefde Clara strijkkwartet, een nogal bijzondere, vrijwel unieke
weten dat hij ‘rouwstoeten, lijkkisten, onfortuin­ bezetting. Drie van de strijkers zijn violen, daar­
lijke en wanhopige mensen’ voor zich ziet. Als hij naast dus altviool, cello en piano. Bij bijvoorbeeld
kort daarna hoort van de dood van zijn oudste het Pianosextet (1824) van Mendelssohn met viool,
broer Eduard († 6 april 1839), beschouwt hij zijn twee altviolen, cello en contrabas zijn in de strijkers
compositie als een voorbode van dit onheil. Aan­ hoog, midden en laag veel evenwichtiger verdeeld.
vankelijk had Schumann voor deze korte cyclus Toch werkt Chaussons eigenzinnige samenstelling
de titel Leichenphantasie in gedachten en zou het bijzonder goed. De term concert moeten we zien
eerste deel Trauerzug (Rouwstoet) hebben geheten. in de barokke betekenis. Geen virtuoze violisten­
Misschien ook om uitgave en verkoop van dit werk streken of pianistisch powerspel. Als bij de barokke
te bevorderen kiest hij voor een minder beladen Franse voorlopers Couperin en Rameau is het
titel en krijgen de delen geen titels, maar een muziek die concertant wordt gespeeld: alleen luis­
teren, niet dansen… Maar ook het concertare, de
aanwijzing voor de interpretatie.
Robert Schumann naar een litho uit 1847 van Eduard Kaiser
19
biografieën
maarten van veen
Chausson bespeelt zijn Erard, omringd door familie (Cuincy, 1891)
vriendelijke wedijver tussen de verschillende instru­
­menten en instrumentgroepen komt aan bod. We
horen passages voor piano solo, viool solo, duo
viool/piano, strijkkwartet en -kwintet en natuur­
lijk het gehele sextet. Al deze varianten komen
langs in een werk dat zeer evenwichtig van opzet is.
De cyclische vorm die leermeester César Franck
zo nastreeft, horen we hier ook bij Chausson.
Basis voor de sterke eenheid vormt een zeer een­
voudig en krachtig motief waarmee de piano het
eerste deel opent. Gedecideerd klinken de drie
noten (d-a-e). Ze worden overgenomen door het
strijkkwartet en Chausson bouwt de spanning
langzaam op. Dan vormt dit motief de aanzet tot
een langgerekte melodie in de soloviool. Als een
hamerende gedachte of idée fixe dringt het motief
steeds weer naar voren.
Het tweede deel, een gracieuze Sicilienne in 6/8maat, vormt een mild contrast en brengt rust. Het
Grave is sinister van karakter. De piano is aanvan­
kelijk vooral begeleider en legt een wankele basis
met een pendelende chromatische beweging. Boven
deze ‘bodemloze bas’ legt de soloviool melancho­
lieke melodielijnen. Het tweede thema roept het
motief uit het openingsdeel weer in herinnering,
hoewel we dat vast nog niet zijn vergeten…
Soms schijnt in dit deel heel even de zon, maar
de stemming blijft overwegend somber, prachtig
somber.
Het energieke slotdeel laat de sfeer van het Grave
snel achter zich en roept die van het eerste deel
weer op. Zeker aan het eind, wanneer het pakkende
openingsmotief de cyclische vorm bevestigt.
20
Pianist/dirigent Maarten van Veen is artistiek
leider van het Hortus Festival, directeur van het
Rotterdamse DoelenEnsemble en artistiek directeur
van de Murray Dranoff Foundation in Florida. In
zijn zoektocht naar authentieke uitvoeringen van
muziek geschreven tussen 1820 en 1950 vond hij
in instrumenten uit diezelfde tijd – onder meer de
Erard piano – een bron van inspiratie en inzicht.
Hij studeerde bij Philippe Herreweghe en Frans
Brüggen om als dirigent de taal van de twintigste
eeuw om te zetten naar een oorspronkelijke orkest­
klank. Met Robert Craft nam hij in de Abbey Road
Studios in Londen een cd op met werken van
Igor Stravinsky. De New York Times noemde het
´de beste opnamen ooit´.
Maarten van Veen in de Palmenkas
van Hortus Amsterdam © Anne Meyer
thalia ensemble
Het Thalia Ensemble heeft met delen uit dit pro­
gramma de prestigieuze York Early Music Inter­
national Young Artists Competition gewonnen.
Het ensemble speelt kamermuziek uit de periode
1750-1850, in verschillende bezettingen, afhanke­
lijk van het programma. En dat doet het nog jonge
Thalia Ensemble
gezel­schap op oude, histori­sche instru­men­ten,
waarmee het naad­loos aan­sluit bij de mis­sie van
het Hor­tus Festival.
Het Thalia En­­semble was eer­der te gast op het
Festival Ou­de Muziek in Utrecht en tijdens de
Erbdrostenhofkonzerte in Münster. Komend najaar
verschijnt hun debuut­album.
doelenensemble
Het DoelenEnsemble brengt al 25 jaar muziek
uit vooral de twintigste en eenentwintigste eeuw.
In een telkens wisselende samenstelling wordt
een breed en verrassend repertoire gespeeld. De
concerten zijn veelal vurig en avontuurlijk en
altijd van internationaal topniveau.
vincent bijlo
De veelzijdige
Vincent Bijlo is
cabaretier, mu­
­zikant, schrij­ver
en radiomaker.
Hij werkte mee
aan talrijke ra­
dio- en tele­vi­
sie­pro­gram­ma’s
van onder meer
BNN, de NTR, Vincent Bijlo © Jurjen Alkema
de VARA en
BNR Nieuwsradio.
Voor het AD verzorgt hij drie keer per week een
column en voor Milieu­de­fensie Maga­zine en
Feyenoord Ma­gazine doet hij dat maan­de­lijks.
Vanaf sep­tem­ber 2015 toert Vincent Bijlo met zijn
zestiende voorstelling Het Nieuwe Nu langs de
Nederlandse theaters. Hij heeft vier romans op
zijn naam staan en schreef samen met zijn vrouw
Mariska Reijmerink een kinderboek.
hortusensemble
Het HortusEnsemble vormt vanaf het eerste uur het
‘huisorkest’ van het festival en verzorgt traditie­
getrouw de slotconcerten. Het ensemble legt zich
michaela riener
toe op de authentieke uitvoering van kamer­
De Oostenrijkse Michaela Riener heeft zich niet muziek uit de periode 1850-1950. Het specifieke
alleen toegelegd op de historische uitvoe­rings­ coloriet van de authentieke instrumenten (zoals
praktijk van oude muziek, maar draagt ook de de Erard vleugel) waarop het ensemble speelt, vormt
de basis voor de interpretatie van de muziek.
hedendaagse muziek een warm hart toe.
Zo maakt zij deel
uit van de band
Hexnut, waar­­mee
ze de paden van
het mu­ziektheater
en de audiovisuele
kunst be­wandelt.
Met het en­semble
voor oude mu­ziek
Calamus Consort
behaalde ze de
eerste prijs bij de
Inter­na­tio­nal Bi­
ber Compe­tition.
DoelenEnsemble © Anne Meyer
Michaela Riener © Renska Photography
HortusEnsemble © Anne Meyer
21
concertdata
1
hortus botanicus leiden
hortus botanicus amsterdam
oude hortus utrecht
hortus botanicus haren
2
3
4
5
6
woensdag 22 juli
29 juli
5 aug
12 aug
19 aug
26 aug
donderdag 23 juli
30 juli
6 aug
13 aug
20 aug
27 aug
zaterdag 25 juli
1 aug
8 aug
15 aug
22 aug
29 aug
zondag 26 juli
2 aug
9 aug
16 aug
23 aug
30 aug
locaties - aanvangstijden | venues - time
hortus botanicus leiden
Rapenburg 73, 2311 GJ Leiden
20.00 uur
hortus botanicus amsterdam 20.00 uur
Plantage Middenlaan 2, 1018 DD Amsterdam
oude hortus utrecht
20.00 uur
Lange Nieuwstraat 106, 3512 PN Utrecht
hortus botanicus haren
Kerklaan 34, 9751 NN Haren
14.15 uur
kaarten | tickets
concertkaarten | tickets
Early Bird korting
€ 26
€ 23,40
kaartverkoop | tickets for sale
Online bestellen via www.hortusfestival.nl
of eventueel telefonisch via 06 10171938.
U kunt alléén voorafgaand aan het concert
kaarten kopen in de hortus.
Zie voor speciale festivalmenu’s en informatie
over reserveringen www.hortusfestival.nl.
Het HortusFestival 2015 wordt mogelijk mede mogelijk gemaakt door
P.W. Janssen’s Friesche Stichting, Fentener van Vlissingen Fonds, Gravin van Bylandt Stichting,
Hortus Botanicus Amsterdam, Hortus Botanicus Haren, Hortus Botanicus Leiden en Oude Hortus Utrecht.
colofon
productie Stichting HortusKamermuziekFestival
artistieke leiding Maarten van Veen
productieleiding Amber Teterissa
pers Johan Kloosterboer
toelichtingen, redactie en vormgeving Philip Leussink
22
bestuur voorzitter Willem Korthals Altes
penningmeester Erica Baud
secretaris Johannes Bosgra
binnenzijde omslag behangmotief uit de studio van
de Engelse ontwerper William Morris (1834-1896)
www.hortusfestival.nl ◆ [email protected]
MAISON ERARD · Frits Janmaat
Alle edities van het HortusFestival is Frits Janmaat van
Maison Erard hoofdsponsor. Zonder zijn steun en nauwe
betrokkenheid zou het HortusFestival niet kunnen plaatsvinden.
Maison Erard, Keizersgracht 91 in Amsterdam, is sinds 1977 als meester-restaurateur gespecialiseerd
in de beroemde Erard vleugels die in Parijs sinds 1780 tot 1940 zijn gebouwd. Deze instrumenten
gelden als de crème de la crème onder de beste piano- en vleugelmerken. Zelf schreef de firma Erard
al in de negentiende eeuw: ‘mits goed onderhouden gaan onze instrumenten onbeperkt mee’.
Mede dankzij Frits Janmaat hebben deze prachtige vleugels met hun
beroemde, heldere Franse toon weer een plaats gekregen in de concertzalen, op cd’s en in de huiskamers bij professionals en amateurs.
Na een grondige restauratie staan ze in volle glorie in de toonzaal
aan de Keizersgracht. Veel beroemde componisten gebruikten de
Erard vleugels, maar ook hun harpen, voor het schrijven van hun
muziek, onder hen Liszt, Mendelssohn, Chopin, Ravel en Fauré.
De Erards zijn sieraden, uitgevoerd in de meest prachtige en elegante
bouwstijlen, passend bij elk interieur, klassiek of modern. Ze zijn
uitgevoerd in de meest exclusieve houtsoorten: Rio-palissander,
Cubaans-mahonie, met of zonder messing inlegwerk, op de
originele wijze gepolitoerd met schellak of in de was gezet.
www.erard.nl
23
◆
24

Vergelijkbare documenten