Interview NRC

Commentaren

Transcriptie

Interview NRC
Oom Wanja
Oudere toeschouwers hechten vaak aan conventionele
Tsjechov-regies. Met zijn ‘Oom Wanja’ combineert Erik
Whien (36) toen en nu. „Ik respecteer de tijd waaruit het
stamt, maar wel met een hedendaags levensgevoel.”
Erik Whien: vaste maker Toneelschuur Producties
Erik Whien (36) is een van de interessantere regisseurs van zijn generatie. Whien studeerde aan de
Toneelacademie Maastricht en was
vijf jaar huisregisseur bij Toneelgroep Oostpool. Sinds 2013 is hij
een van de vaste makers bij Toneelschuur Producties. In maart 2014
maakte hij een kraakverse Who’s
Afraid of Virginia Woolf? met Jacob
Derwig en Maria Kraakman.
Deze voorstelling werd unaniem lovend ontvangen door pers en publiek en werd genomineerd voor de
selectie van het Nederlands Theater Festival 2014.
T
oen een samovar, nu een waterkan.
Toen: landhuizen met liefst dertig
kamers. Nu: slechts één huiskamer,
volgestouwd
met
spullen.
Toen, dat was het Russische platteland aan het eind van de negentiende eeuw. Languissante, melancholieke mensen
woonden daar in vervallen buitens, wachtend
op grootse gebeurtenissen die nooit zouden komen. Dromend van een beter leven en vastgelegd door de Russische toneelschrijver Anton
Tsjechov (1860-1904) in stukken als Oom Wanja,
Drie Zusters, De Meeuw en De Kersentuin.
Nu, dat is een hedendaagse opvoering van
Oom Wanja (1897) door de 36-jarige regisseur
Erik Whien. „Bij repertoiretoneel is het altijd zo
dat de tijd tussen vroeger en nu steeds groter
wordt”, zegt Whien in de Haarlemse Toneelschuur, waar hij repeteert aan Tsjechov. „In onze
enscenering is het daarom alsof wij twee werelden samenbrengen, die van toen en die van nu,
van 1897 en 2015.”
Regisseur Whien maakte furore met bestaand
repertoire dat hij zowel klassieke allure geeft als
een hedendaagse betekenis. Zijn versie van Albees Who’s Afraid of Virginia Woolf? is daarvan
een sprekend voorbeeld: de sfeer was wel degelijk van de jaren zestig op een Amerikaanse campus, maar het spel raakte toeschouwers van nu
meteen, door de frisse transparantie en psychologische herkenbaarheid. De personages veranderen van literaire iconen in eigentijdse mensen.
„Ik cast mijn personages vaak veel jonger dan
de rol vraagt”, onthult Whien iets van zijn methode. „Dat doe ik bij Wanja, dat deed ik ook bij
Virginia Woolf. Dan raak je eerder een nieuwe,
jongere generatie toeschouwers.”
Met het opvoeren van Tsjechovs toneelwerk
kan zo’n ingreep gewaagd zijn, weet Whien. Een
oudere generatie toeschouwers verlangt vaak
naar weemoed, pathos, ruisende baljurken, militaire kostuums en de beroemde samovar als
symbool van de Russische ziel. Zo kennen zij hun
Tsjechov, zoals tot ver in de jaren zeventig gespeeld in ons land. Maar jongere toeschouwers
willen een eigentijdse Tsjechov, vaak geactualiseerd. Whien: „Natuurlijk kun je ervoor kiezen
mobiele telefoons te laten rinkelen, de personages een iPad te geven en wat niet al. Maar dan zet
je jezelf klem en kom je in een wurggreep: wordt
malaria dan ebola? Wordt het Russische platteland het strijdtoneel in Oekraïne? Wat doe je met
begrippen als boekweit, lijnolie? Ik wil graag de
tijd waarin een stuk werd geschreven respecteren en honoreren, maar dan wel met hedendaagse gevoeligheid.”
W eemoed ige w ereld
De weemoedige wereld van ‘Tsjechov toen’
wordt prachtig opgeroepen in een oud fotoboek
van het Moskouse Kunsttheater, waar onder regie van artistiek leider Konstantin Stanislavski
In Whiens
regies
veranderen
literaire
iconen in
eigentijdse,
zeer
herkenbare
mensen
Tsjechovs grote toneelstukken hun wereldpremières beleefden. De sfeervolle zwart-witfoto’s
roepen een toneelwereld op die nu ver weg lijkt,
ouderwets in zijn realisme, maar die destijds
gloednieuw was.
Whien bestudeert de foto’s nauwgezet: „Het
valt op hoe geposeerd de personages erop staan.
Dat moest wel, want de sluitertijd van de camera
was lang. Elk gebaar en elke blikrichting is bestudeerd. Foto’s als deze bezorgen sommige toneelliefhebbers misschien heimwee, maar ze zijn
ook museaal. Het is natuurlijk bijzonder om te
beseffen dat deze speelwijze toen modern was.
Tsjechov en Stanislavski waren toneelvernieuwers. Het doek ging op en wat zagen de toeschouwers? Zichzelf. De acteurs droegen de kleren zoals zij, ze spraken zoals zij, over dezelfde
onderwerpen. Het theater dat zij voorstonden,
speelt zich niet af op kastelen bij koningen, nee,
mensen uit de gewone burgerij stonden op het
toneel. Dat was nieuw.”
Whien en bewerker Casper Vandeputte, die
zorg draagt voor een nieuwe versie van de tekst,
verwijzen naar de allereerste scène van Oom
Wanja. De eerste verrassing is dat niet het hoofdpersonage maar Astrov op het toneel zit, een idealistische dokter. „Dat was tegen de conventie
in”, aldus Whien. Ten tweede: hoofdrolspeler
Wanja komt op, geeuwend, zich uitrekkend.
Whien: „Het eerste wat hij zegt is ‘Tsja’. Ik vind
dat geniaal. Bij Tsjechov en Stanislavski werd het
verhevene alledaags. Opvoeringen van nu moeten op eigentijdse wijze eer doen aan die drang
tot vernieuwing, daarin ligt een wezenlijke
rechtvaardiging.”
Whien wilde met zijn enscenering wel beter
aansluiten bij toeschouwers nu. Hij vroeg bewerker Vandeputte: „Kun je die omslachtige taal
compacter maken? En zullen we de temperatuur
wat lager afstellen?” Whien: „Russen zijn geen
Italianen, ze dragen het leed niet uit, ze torsen
het in stilte, soms met heftige uitbarstingen,
maar Russisch leed is doorgaans naar binnen gekeerd leed.”
De sleutel voor de bewerking schuilt in de brieven die Tsjechov stuurde aan zijn acteurs, onder
wie zijn geliefde Olga Knipper die in Oom Wanja
de rol van Jelena speelt. Knipper legde Tsjechov
de vraag voor hoe ze het vierde en laatste bedrijf
moesten spelen, waarin de grote afscheidsscène
plaatsvindt. Iedereen verlaat het landgoed, alleen Wanja en Sonja blijven achter. Tsjechov antwoordde dat ze het „licht” moesten spelen, „ingehouden” en vooral niet alsof ze „hevig bevangen zijn door verdriet”. Houd het klein en vlak,
zo luidde het advies van de schrijver, houd het
verdriet dichtbij. Tsjechov was huiverig voor
groots vertoon van gevoelens. Nee, Oom Wanja
is licht als een blijspel, schreef hij.
Vandeputte: „Ik heb in mijn vertaling gebruik
gemaakt van Nederlandse en Engelse vertalingen. Vooral in het Engels valt de compactheid
van zijn taal op. Die streven wij na, want zo praten mensen nu: bondig, zonder overdaad.”
Bij die taal hoort ook een bepaalde speelstijl.
Eerste bedrijf van O o m W anja door het Moskouse Kunsttheater op 26 oktober 1899. Met uiterst rechts Wanja.
FOTO SANNE PEPER
Door Kester Freriks
FOTO SCHAUBÜHNE, BERLIJN 1984.
‘Tsjechov was óók
heel vernieuwend’
M ariana A p aricio To rres als S o nja,Jero en d e M an als O o m W anja en H an Kerckho ffs als d e p ro fesso r in de voorstelling ‘Oom Wanja’.
Welke kiest Whien voor zijn acteurs? Emotioneel geladen, gedragen, of realistischer, alledaags? „Ik zoek altijd een middenweg”, antwoordt hij. „Ik sta met één been in de tijd van
toen en met één in het nu. Ik zoek naar cruciale
zinnen, naar de ziel en het hart van het stuk,
naar de levenslust en de levenspijn.
„Oom Wanja gaat over de teleurstelling die
Wanja bevangt als hij beseft dat hij zijn leven verkeerd heeft geleid. Hij heeft het uit handen laten
vallen. Dat inzicht krijgt hij als een professor, die
familielid is, en zijn beeldschone vrouw Jelena
opeens op het landgoed verschijnen; zij eisen
het huis op. Dat grote dierbare huis en de landerijen eromheen waarvoor Wanja en zijn nicht
Sonja hun leven lang keihard hebben gewerkt.
Alles blijkt voor niets. Hun wereld staat op de
kop.”
Tussen humor en tragiek
Vaak wordt beweerd dat Tsjechov zijn stukken
als ‘komedies’ zag, maar Whien betwijfelt dat:
„Hoe kan iets een komedie zijn als er zoveel zware woorden in staan en zoveel uitingen van wanhoop? Het is eerder een genre tussen komedie
en drama in. Als ik naar acteur Jeroen de Man
kijk die oom Wanja speelt, dan vertolkt hij precies wat het stuk zo bijzonder maakt: dat zweven tussen humor en tragiek, blijspel en drama.
Het is aan de toeschouwers zelf een keuze te maken of ze meegaan met het verdriet van Wanja of
dat ze er met distantie naar kijken, als naar verdriet uit een andere tijd.”
Een thema uit Oom Wanja dat ook nu nog actueel is – juist nu weer, zegt Whien – is de angst
voor stilstand. Zijn analyse werpt een verrassend nieuw licht op het stuk. „Voordat Oom
Wanja begint, is iedereen aan het werk. Astrov
als arts, Wanja en Sonja op het land, de professor als boekengeleerde en Jelena speelt piano.
Maar met de komst van de professor en zijn
vrouw naar het landgoed komt alles tot stilstand. Niemand werkt nog, iedereen is verlamd
door hun aanwezigheid. Dat is wat Tsjechov zo
meesterlijk doet: hij brengt die mensen samen
en drukt op pauze. Daar staan ze dan, verstard
in hun dadenloosheid. Een paar jaar geleden regisseerde ik Wachten op Godot van Beckett. Daar
staan die twee mannen dan, bij een boom. Wat
doen ze? Wachten. In het vacuüm dat ontstaat
worden ze gek. Juist tijdens het nietsdoen denderen de grote levensvragen op je af. Dat overkomt Wanja. Zijn angst voor leegte is groot.”
Whien wijst nog eens op de foto’s van het Moskouse Kunsttheater. „Ze openen het venster
naar het verleden”, zegt hij. „Dat ze zo statisch
zijn, heeft misschien het beeld van Tsjechovs
stukken bepaald. Hoe zou dat ‘Tsja’ destijds
hebben geklonken? Ik ben er wel benieuwd
naar.”
O o m W anja van Anton Tsjechov door Toneelschuur Producties. Regie: Erik Whien. Première:
28/2 Toneelschuur, Haarlem. Tournee t/m 25/4.
Inl: toneelschuur.nl

Vergelijkbare documenten

2015 - Toneelschuur Producties

2015 - Toneelschuur Producties kijk die oom Wanja speelt, dan vertolkt hij precies wat het stuk zo bijzonder maakt: dat zweven tussen humor en tragiek, blijspel en drama. Het is aan de toeschouwers zelf een keuze te maken of ze ...

Nadere informatie