Wonen en begraven op de Caberg van het vroege

Commentaren

Transcriptie

Wonen en begraven op de Caberg van het vroege
XXXXXXX XXXXXXX
Wonen en begraven op de Caberg van het vroege
neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen
Inventariserend Veld Onderzoek van een cultuurlandschap te
Maastricht-Lanakerveld
L. Meurkens & I.M. van Wijk (red.)
Met bijdragen van
J. de Bruin
M.E. Hemminga
L.G.L. van Hoof
S. Knippenberg
W.J. Kuijper
P. van de Velde
A. Verpoorte
1
Colofon
Archol rapport 100:
Wonen en begraven op de Caberg van het vroege neolithicum tot en met de vroege
middeleeuwen. Inventariserend Veld Onderzoek van een cultuurlandschap te MaastrichtLanakerveld.
Opdrachtgever:
Gemeente Maastricht
Contactpersoon opdrachtgever:
drs. G.C. Soeters
Uitvoering:
drs. I.M. van Wijk (projectleider)
drs. L. Meurkens (veldwerkleider)
drs. M.E. Hemminga (veldarcheoloog)
drs. L.G.L. van Hoof (veldarcheoloog)
drs. M. Pruisen (veldarcheoloog)
dhr. M. Goddijn (veldassistent)
dhr. A. Porreij (veldassistent)
dr. P. van de Velde (wetenschappelijke begeleiding)
dhr. A. Manders (vrijwilliger metaaldetectie)
dhr. S. Aarts (vrijwilliger)
Auteurs :
drs. J. de Bruin
drs. M. Hemminga
drs. L.G.L. van Hoof
drs. L. Meurkens
dr. S. Knippenberg
dhr. W.J. Kuijper
dr. P. van de Velde
dr. A. Verpoorte
drs. I.M. van Wijk
Redactie:
Beeldmateriaal:
L. Meurkens
I.M. van Wijk
drs. W. Laan
ing. S. Shek
drs. I.M. van Wijk
Objecttekeningen:
dhr. R. Timmermans
Autorisatie:
drs. I.M. van Wijk
Opmaak:
dhr. A. Allen
Reproductie:
Haveka, Alblasserdam
ISSN 1569-2396
© Archol bv, Leiden 2009
Postbus 9515
2300 RA Leiden
[email protected]
t: 071-5273313
f: 071-5272429
LANAKERVELD
3
Inhoudsopgave
Voorwoord
7
1 Inleiding
9
2 Landschappelijk kader
13
3 Archeologisch kader
3.1 Inleiding
3.2 Midden-paleolithicum
3.3 Het vroege neolithicum - de lineaire bandkeramiek (LBK)
3.3.1 LBK op de Caberg
3.4 Het midden- en late neolithicum
3.5 De late bronstijd en vroege ijzertijd
3.6 De Romeinse tijd
3.7 De vroege middeleeuwen
3.8 De late middeleeuwen en nieuwe tijd
17
17
17
18
20
22
24
26
27
28
4 Methodisch kader
4.1 Inleiding
4.2 Het voortraject en het doel van het proefsleuvenonderzoek
4.3 Vraagstellingen
4.4 Methodiek proefsleuven algemeen
4.5 Methodiek per vindplaats
4.6 Methodiek begeleiding fietspad
31
31
31
32
35
36
36
5 Resultaten verkennend booronderzoek (locatie leemgroeve)
A. Verpoorte
5.1 Uitgangspunten voor het onderzoek
5.2 Onderzoeksvragen
5.3 Onderzoeksmethode
5.4 Resultaten
5.4.1 Bovenste löss
5.4.2 De ‘patina-discordantie’
5.4.3 Het Caberg-terras
5.4.4 Dikte en lithologie van de pakketten tussen de
‘patina-discordantie’ en het Caberg-terras
5.5 Interpretatie
5.5.1 Het zuidwestelijke deel (vindplaats 125)
5.5.2 Het middendeel (vindplaats 126)
5.5.3 Het noordoostelijke deel
5.6 Conclusie en aanbevelingen
6 Resultaten proefsleuvenonderzoek
6.1 Bodemopbouw van het plangebied
6.1.1 Conservering
6.1.2 Bergbrik, Nagelbeekafzetting en patinacomplex
6.2 Archeologische resultaten noordelijk deel
(bedrijventerrein Europark)
41
41
41
42
42
43
43
43
44
44
46
46
46
46
49
49
50
52
55
4
LANAKERVELD
6.2.1 Vindplaats 2
6.2.2 Vindplaatsen 61 en 62
6.2.3 Vindplaats 82
6.2.4 Vindplaats 84
6.2.5 Vindplaats 24
6.2.6 Vindplaats 3
6.2.7 Vindplaats 18
6.2.8 Vindplaatsen 29 en 31
6.2.9 Vindplaats 66
6.2.10 Vindplaats 42
6.2.11 Vindplaats 122
6.2.12 Vindplaats 123
6.3 Archeologische resultaten zuidelijk deel
(woningbouwlocatie Op de Wan)
6.3.1 Vindplaats Erdwerk
6.3.2 Vindplaats 67
6.3.3 Vindplaats 22
6.3.4 Vindplaats 4
6.3.5 Vindplaats 53
6.3.6 Vindplaats 124
6.3.7 Vindplaatsen 73 en 76
55
58
61
63
64
68
69
72
74
75
77
80
86
86
88
89
91
92
96
107
7 Specialistenonderzoek - Aardewerk
7.1 Bandkeramisch aardewerk
7.1.1 Typologie
7.1.2 Methodiek
7.1.3 Resultaten
7.1.4 Conclusie
7.2 Het laat-prehistorische aardewerk
7.2.1 Het noordelijke deel
7.2.2 Het zuidelijke deel
7.2.3 Conclusie
7.3 Aardewerk uit de Romeinse tijd
7.3.1 Methodiek
7.3.2 Aardewerkgroepen
7.3.3 Datering
7.3.4 Verspreiding
7.3.5 Conclusie
7.4 Vroeg-middeleeuws aardewerk
7.4.1 De pottenbakkersoven op vindplaats 124
7.4.2 Overig vroeg-middeleeuws aardewerk van vindplaats 124
7.4.3 Vroeg-middeleeuws aardewerk van vindplaats 18
7.4.4 Conclusie
111
111
111
112
113
118
119
119
122
123
124
124
125
127
127
127
128
128
132
133
133
8 Specialistenonderzoek - Natuursteen, Vuursteen en
overig vondstmateriaal
8.1 Natuursteen
8.1.1 Inleiding
8.1.2 Beschrijving
8.1.3 Conclusie
135
135
135
137
147
LANAKERVELD
8.2 Vuursteen
8.2.1 Inleiding
8.2.2 Beschrijving
8.2.3 Conclusie
8.3 Overige materialen
8.3.1 Baksteen uit de Romeinse tijd
8.3.2 Glas uit de Romeinse tijd
8.3.3 Metaal
5
148
148
149
156
162
162
163
164
9 Specialistenonderzoek - Botanie
9.1 Inleiding
9.2 Resultaten
9.3 Conclusie.
167
167
167
167
10 Evaluatie karterend en waarderend archeologisch onderzoek
10.1 Inleiding
10.2 Methodiek Karterend en Waarderend onderzoek
10.2.1 Methodiek oppervlaktekartering
10.2.2 Methodiek karterend booronderzoek
10.2.3 Methodiek waarderend proefsleuvenonderzoek
10.3 Evaluatie karterend onderzoek n.a.v. het proefsleuvenonderzoek
10.3.1 Aanwijzen van vindplaatsen
10.4 Conclusies en Aanbevelingen
10.4.1 Conclusies
10.4.2 Aanbevelingen
169
169
169
169
169
170
170
170
172
173
173
11 Synthese en waardering van de archeologische vindplaatsen
11.1 Inleiding
11.2 Paleolithicum
11.3 Het vroege neolithicum - de lineaire bandkeramiek (LBK)
11.3.1 Vindplaats 2 – bandkeramische nederzetting
11.3.2 Vindplaats 24 – bandkeramische nederzetting
11.3.3 Vindplaats 53 – bandkeramische nederzetting
11.3.4 Vindplaats 123 – bandkeramisch grafveld
11.4 Midden- en laat-neolithicum
11.5 Metaaltijden
11.5.1 Vindplaats 122 – nederzettingsterrein uit de
late bronstijd-vroege ijzertijd
11.5.2 Vindplaats 124 - urnenveld uit de late bronstijd-vroege
ijzertijd en nederzettingsterrein uit de vroege ijzertijd
11.6 Romeinse tijd
11.6.1 Vindplaats 18 - nederzettings- of villaterrein uit
de Romeinse tijd
11.7 De vroege middeleeuwen
11.7.1 Vindplaats 124 - Merovingische pottenbakkersovens
en mogelijk vroeg-middeleeuwse nederzetting
175
175
176
177
178
179
181
183
185
186
187
189
191
192
194
194
6
LANAKERVELD
12 Beantwoording onderzoeksvragen, conclusies en aanbevelingen
197
12.1 Beantwoording van de onderzoeksvragen verkennend
booronderzoek
197
12.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen proefsleuvenonderzoek 198
12.2.1 Landschap en bodem
198
12.2.2 Gaafheid en conservering
202
12.3 Aanbevelingen en conclusie
207
12.3.1 Aanbeveling voor het noordelijke deel
208
12.3.2 Aanbeveling voor het zuidelijke deel
208
12.3.3 Conclusie
210
Literatuur
Bijlage 1 Sporenlijst
Bijlage 2 Vondstenlijst
Bijlage 3 Boorbeschrijvingen
Bijlage 4 LBK aardewerk
Bijlage 5 Laat-prehistorisch aardewerk
Bijlage 6 Aardewerk uit de Romeinse tijd
Bijlage 7 Natuursteen per steensoort
Bijlage 8 Vuursteen
Bijlage 9 Metaal
213
227
237
247
249
251
253
255
257
263
Bijlage 10
Verslag van een Archeologische Begeleiding op het Lanakerveld
1 Inleiding
2 Landschappelijk kader
3 Archeologisch kader
4 Methodiek (actieve) begeleiding fietspad
5 Resultaten van de archeologische begeleiding
5.1 Inleiding
5.2 Sporen
5.2.1 Cluster 1
5.2.2 cluster 2
5.2.3 Cluster 3
5.3 Vondstmateriaal
6 Conclusies
265
267
269
270
273
277
277
277
277
278
280
280
282
LANAKERVELD
7
Voorwoord
Voor u ligt Archol rapport 100. Het bevat de resultaten van een inmiddels
twee jaar geleden uitgevoerd archeologisch onderzoek, waarbij een
uitgestrekt gebied in het uiterste noordwesten van de gemeente Maastricht
verkend is op de aanwezigheid van archeologische waarden. Het gebied
bleek vanaf het vroege neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen
min of meer continu in gebruik te zijn geweest. Verschillende vindplaatsen,
zoals een grafveld uit de vroeg-neolithische Lineaire Bandkeramiek (ca.
7000 jaar oud) en een vermoedelijke nederzetting met pottenbakkersoven
uit de 7e eeuw na Christus (Merovingische periode) zijn voor Nederlandse
begrippen uiterst zeldzaam te noemen.
Bij het uitvoeren van en rapporteren over dit onderzoek zijn veel meer
mensen betrokken geweest dan alleen de namen op de voorkant suggereren.
We willen daarom graag de volgende mensen bedanken die een belangrijke
bijdrage hebben geleverd aan het veldwerk en de totstandkoming van dit
rapport:
Drs. G.C. Soeters, drs. A.M. Brakman, drs. W. Dijkman, mevr. E. Jansen,
dhr. J. Bruin, dhr. P. Konings, dhr. H. Peeters, mevr. L. Kapel, dhr. P.
Rongen (allen gemeente Maastricht), dhr. A. Porreij, dhr. M. Goddijn (beide
student universiteit Leiden), dhr. S. Aarts (student universiteit Leuven), drs.
M. Pruysen , drs. M. Hemminga, drs. L. van Hoof, dr. S. Knippenberg, drs.
W. Laan, ing. S. Shek, dhr. A. Allen, mevr. M. de Weerd (allen Archol), dr.
A. Verpoorte, dr. P. van de Velde, drs. B. Vanmontfort, drs. L. Amkreutz,
dr. A. van Gijn, prof. dr. C.C. Bakels, prof. dr. L.P. Louwe Kooijmans, dhr.
W. Kuijper, drs. J. de Bruin, prof. dr. H. Fokkens, drs. K. Wentink, drs.
A. Verbaas (allen universiteit Leiden), dr. M. de Grooth, dhr. A. Manders
(enthousiaste detectoramateur), drs. F. Brounen (RCE), dr. E. Meijs
(provincie Limburg), dhr. H. Lemmen, dhr. M. Klasberg (beide amateurarcheologen), de pachters van het Lanakerveld, dr. P. Jongste (Hazenberg
archeologie), mevr. I. Nuijten (RAAP), Ralf (machinist Moermans), Kees
(machinist Deckers), dhr. G. Vos (Kragten Geodesie) en drs. T. Vanderbeken
(ZOLAD).
8
LANAKERVELD
LANAKERVELD
9
1 Inleiding
In de nabije toekomst zal het plangebied Maastricht-Lanakerveld in het
uiterste noordwesten van de gemeente Maastricht ontwikkeld gaan worden
ten behoeve van woningbouw en lichte industrie. Het gebied heeft vanwege
zijn ligging een hoge archeologische verwachting.1 Een door RAAP
Archeologisch adviesbureau uitgevoerd booronderzoek en oppervlaktekartering hebben de enorme archeologische potentie van het plangebied
bevestigd. Dit onderzoek leverde 121 vindplaatsen op met dateringen
tussen het vroege neolithicum en de middeleeuwen.2 Vindplaatsen uit de
metaaltijden ontbraken, maar werden op basis van vondstmeldingen en
opgravingen direct naast het plangebied wel verwacht.
De archeologische waarden in het plangebied dienden door middel
van een proefsleuvenonderzoek nader in kaart gebracht te worden. In
opdracht van de Gemeente Maastricht heeft Archeologisch Onderzoek
Leiden BV (Archol) in samenwerking met de Faculteit der Archeologie
van de Universiteit Leiden een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de
vorm van proefsleuven en een verkennend booronderzoek uitgevoerd op
deze locatie. Het proefsleuvenonderzoek bestond uit de waardering van 12
vindplaatsen in het noordelijke deel (bedrijventerrein) en 6 vindplaatsen
in het zuidelijke deel (woningbouwlocatie). Daarnaast zijn er drie nieuwe
vindplaatsen aangetoond. Het booronderzoek vond plaats in het uiterste
westen van het plangebied. Op deze locatie zal een leemgroeve geëxploiteerd
gaan worden, die de bodem tot op grote diepte zal gaan verstoren. Dit
booronderzoek was vooral gericht op het vaststellen van de potentie voor het
aantreffen van vindplaatsen uit het midden-paleolithicum.
Doel van het proefsleuvenonderzoek was de aard van de archeologische
waarden op de te onderzoeken vindplaatsen te documenteren en hun fysieke
en inhoudelijke kwaliteit vast te stellen. De vindplaatsen zijn gewaardeerd
volgens de richtlijnen van de KNA 3.1. Op grond hiervan worden
aanbevelingen gedaan over de behoudenswaardigheid van de vindplaatsen
en de al dan niet aanwezige noodzaak van vervolgonderzoek.
Het plangebied is opgedeeld in twee delen. Een noordelijk deel, waar circa
48 hectare ontwikkeld zal gaan worden ten behoeve van het grensoverschrijdende bedrijventerrein Europark en een zuidelijk deel, waar circa 13 hectare
verstoord zal gaan worden op een toekomstige woningbouwlocatie. Samen
vormen zij 61 hectare van het plangebied. Het totale plangebied inclusief de
groenzones beslaat 186 hectare. In het noordwesten wordt de begrenzing
van het plangebied gevormd door de Belgisch-Nederlandse grens. In het
zuiden vormen de Zouwweg en de Van Akenweg de grens en in het oosten
de Brusselseweg. De spoorlijn tussen Maastricht en Lanaken begrenst het
plangebied in het noordoosten. Het plangebied heeft voornamelijk een
agrarische functie (akkerbouw) en is voor een klein deel bebouwd door het
gehucht “Op de Wan”.
Het veldwerk vond plaats van 1 oktober tot 14 november 2007. Hierbij zijn
verspreid over het plangebied in totaal 79 proefsleuven gegraven conform de
richtlijnen in het Programma van Eisen (PvE).3 Het onderzochte oppervlak
bedraagt in totaal 11770 m2.
1 Zie Soeters & Van der Gaauw 2007. Daarnaast is een veldinspectie van het plangebied uitgevoerd.
2 Roymans & Van Waveren 2002.
3 Soeters & Van der Gaauw 2007.
10 LANAKERVELD
174000
175000
176000
174000
175000
176000
177000
321000
320000
319000
318000
318000
319000
320000
321000
322000
173000
322000
172000
ANWB Topografische Nederland Atlas 1:50 000
172000
173000
177000
Figuur 1.1
In dit rapport zal eerst kort de landschappelijke en archeologische context
van het plangebied geschetst worden (hoofdstuk 2 en 3). Vervolgens worden
het reeds uitgevoerde traject binnen het archeologische proces en de bij het
proefsleuvenonderzoek gehanteerde methodiek geïntroduceerd (hoofdstuk
4). In hoofdstuk 5 t/m 9 zullen de belangrijkste resultaten gepresenteerd
worden. In hoofdstuk 10 wordt vervolgens ingegaan op de representativiteit
van deze resultaten, waarna in hoofdstuk 11 per periode een korte synthese
van de resultaten en een waardering van de verschillende vindplaatsen
gegeven wordt. De conclusies van het proefsleuvenonderzoek en de
aanbevelingen voor het vervolgtraject volgen tenslotte in hoofdstuk 12.
Locatie plangebied Maastricht-Lanakerveld.
LANAKERVELD
Tabel 1.1
Administratieve gegevens IVO plangebied
Maastricht-Lanakerveld.
Datum per procesonderdeel
Veldwerk IVO:
Uitwerking/rapportage:
Opdrachtgever
Uitvoerder
oktober-november 2007
januari-mei 2008
Gemeente Maastricht
Archeologisch Onderzoek Leiden
(Archol BV)
Gemeente Maastricht
Bevoegd gezag
Locatie
Gemeente:
Plaats:
Toponiem:
Depot
Maastricht
Maastricht
Lanakerveld
Gemeentelijk Depot voor Bodemvondsten
Maastricht
Archol-code
Gemeente-code
CIS-code
Archis vondstmeldingsnummer
MAL1184
2007.MALD.B
24543
406009
Coördinaten per vindplaats
2
24
29
31
42
53
61
62
66
67
73
76
82
84
122
123
124
Erdwerk
174.844/320.992
174.227/320.834
174.789/320.165
174.199/320.756
174.358/320.775
174.059/320.740
174.067/320.622
174.395/320.054
174.856/320.312
174.681/321.029
174.684/320.965
173.840/320.522
175.039/319.854
174.402/320.133
174.313/319.981
174.530/320.907
174.771/320.735
174.425/320.825 (west);
174.560/320.910 (oost)
174.430/320.960
174.675/319.940 (zuid);
174.800/320.260 (noord)
175.070/320.110
Geomorfologie Lössplateaus op maasterrasafzettingen (Caberg-3). De
plateaus zijn afgescheiden door twee droogdalen en liggen op geruime
afstand van de Maas. De vindplaatsen liggen op ca 51-65 m + NAP.
Bodem
11
Bergbrikgrond (BLb6).
12 LANAKERVELD
LANAKERVELD
Figuur 2.1
nu
0
nieuwe tijd
Archeologische en
geologische tijdschaal.
1.000
karolingische tijd
subatlanlanticum
late middeleeuwen
1.5000
merovingische tijd
750
000 B
3.000
BP
romeinse tijd
C
12 vC
ijzertijd
subboreaal
400
2.000 vC
neolithicum
atlanticum
bronstijd
000 B
5.000
BP 800 vC
v
preboreaal
000 B
9.000
BP
5.300
.300 vC
mesolithicum
boreal
500 B
7.500
BP
eemien
120.000BP
0.000B
paleolithicum
weichselien
10.000BP
000B 8.800 vC
saalien
130.000BP
0.000B
200.000BP
0.000B
300.000vC
00.000
13
2 Landschappelijk kader
Het huidige lösslandschap van Zuid-Limburg is merendeels door de Maas
gevormd ten tijde van de ijstijden. Dit gebeurde in een aantal fasen. Tijdens
het Kwartair (vroeg-Pleistoceen) werden dikke pakketten Maasafzettingen
tot een aantal terrassen gevormd waarbij het hoogterras het oudste niveau
is. Vervolgens zakte de erosiebasis van de Maas door tektonische opheffing
van het gebied en sneed de rivier in haar eigen hoogterrassensediment. Op
een dieper niveau werd wederom erosief materiaal door de Maas afgezet dat
op haar beurt de middenterrassen vormde. Gedurende de periode waarin de
middenterrassen gevormd werden zorgde verdere opheffing van het gebied
voor een sterke erosie van het hoogterrassensediment waardoor het huidige
versneden landschap ontstond.
In het Pleistoceen werden deze terrassen bedekt met löss. Deze löss is
waarschijnlijk afkomstig van glaciale- en fluvioglaciale afzettingen uit het
Noordzeebekken wat een verklaring biedt voor het gegeven dat de löss
naar het noordwesten toe steeds zandiger wordt.4 Het afzetten van de löss
gebeurde in drie cycli: een eerste cyclus gedurende het Saalien (Saale II)
waarin zich gedurende een warme periode (Eemien) een roodbruine bodem
heeft gevormd (figuur 2.1). Tijdens het Weichselien (Würm II/IV) vonden
de laatste twee cycli plaats.5 De löss werd afhankelijk van de plaatselijke
reliëfverhoudingen, in dunne of dikke pakketten afgezet. De lössafzettingen
vormden als het ware een deken over het landschap met kleine hoogteverschillen.6
De met löss bedekte terrassen werden aan het einde van het Pleistoceen
(Dryas en Alleröd) en in het Holoceen verder gevormd door erosie.
Modderman7 toonde bij zijn onderzoek naar de bandkeramische
nederzetting in Sittard in 1953 al aan dat door de hellingsgraad (ongeveer
3%) van de locatie, solifluctie8 was opgetreden. Bij solifluctie wordt aan de
top van de helling materiaal geërodeerd waarna het materiaal op een lager
gedeelte weer wordt afgezet (het colluvium) (figuur 2.2). Dit proces treedt
op wanneer een gebied ontbost is. Wanneer de begroeiing van het gebied
verdwijnt, wordt de löss niet meer door wortels vastgehouden en krijgt de
regen een directe impact op de bodem. Bij een hellingsgraad van minimaal
2% vloeit de A- en E-horizont af. Afvloeiing van de B-horizont treedt op bij
een percentage vanaf 5%.9
Vondstmateriaal afkomstig uit het colluvium wijst uit dat het erosieproces
in hoge mate is gerelateerd aan ontginningsfasen van de zeer vruchtbare
lössplateaus door de mens. Deze ontginningen dateren uit het neolithicum,
de late ijzertijd en de Romeinse tijd, en uit de volle middeleeuwen en latere
perioden.10 De erosie zorgde voor een afzwakking van het reliëf, omdat de
dalen enigszins opgevuld werden. De huidige hellinggraad is dus minder
dan oorspronkelijk het geval was. Het huidige lösslandschap kan dan ook
gekarakteriseerd worden als een door de Maas gevormd terrassenlandschap,
4 Berendsen 2000, 13.
5 Huijzer 1993, 161.
6 Bouten et al. 1985.
7 Modderman 1958/59.
8 Het vloeien van bodemmateriaal onder niet-periglaciale omstandigheden.
9 Modderman 1958/59, 36.
10 Boenigk en Hagedorn 1996.
14 LANAKERVELD
Figuur 2.2
Dwarsdoorsnede van een “typisch” droogdal
(Stiboka 1990).
waarop door de wind een dik lösspakket is afgezet dat het oudere reliëf deels
afgedekt heeft.
De lössgronden zijn bodems, die tijdens het laat-Glaciaal en vroeg-Holoceen
ontstaan zijn onder een gematigd vochtig klimaat en onder een natuurlijk
bosbestand: de zogenoemde Schwarzerden. Een van de eerste fasen in het
proces van bodemvorming is de ontkalking van het oorspronkelijk kalkrijke
materiaal. Deze ontkalking is tot 3 à 4 m doorgegaan.
In Zuid-Limburg zijn de volgende drie verschillende lössbodems of
brikgronden het meest voorkomend:
•
Radebrikgronden (figuur 2.3)
Radebrikgronden zijn niet-geërodeerde brikgronden zonder(eventueel
met geringe) hydromorfe kenmerken (onvoldoende voor het differentiërende kenmerk hydromorf).
De A-horizont heeft (tenzij geploegd) een geringe, zelden matige dikte
en gaat aan de onderzijde geleidelijk over in de E-horizont. De briklaa
vertoont, evenals de bovenliggende horizonten, geen hydromorfe
kenmerken. De overgang van Bt11-naar (kalkloze) C-horizont verloopt
eveneens geleidelijk. Op een diepte van 2 m of meer bevindt zich de
kalkrijke löss.
•
Bergbrikgronden
Bergbrikgronden zijn geërodeerde brikgronden zonder (eventueel met
geringe) hydromorfe kenmerken (onvoldoende voor het differentiërende
kenmerk hydromorf). Kenmerkend voor deze lössleemgronden is de
briklaag die aan het oppervlak ligt.
Erosie (vaak als gevolg van akkerbouw) heeft de A- en de E-horizont
weggespoeld, waardoor de briklaag aan het oppervlak is komen te liggen.
Vrijwel steeds is bovenin de briklaag een nieuwe bouwvoor gevormd
11 B-horizonten waarin lutum is ingespoeld.
Figuur 2.3
Standaardprofiel van een Radebrikgrond.
LANAKERVELD
15
(Ap). Deze gronden komen op matig steile hellingen voor. Op steile
hellingen is ook de briklaag soms geërodeerd en ligt de (soms kalkrijke)
C-horizont aan het oppervlak. Er is dan geen sprake meer van een
bergbrikgrond doch van een ooivaaggrond.
•
Ooivaaggronden
Ooivaaggronden zijn kleigronden met weinig profielontwikkeling.
De A-horizont voldoet niet aan de eisen voor een minerale eerdlaag.
Aansluitend op de A-horizont volgt meestal direct de C-horizont. Soms
is een weinig tot matig ontwikkelde B-horizont aanwezig waarin enige
homogenisatie en/of een geringe mate van interne verwering; soms
ook geringe klei inspoeling te constateren is (onvoldoende voor een
briklaag). Eventuele hydromorfie bevindt zich te diep in het profiel om
als differentiërend kenmerk een rol te spelen.
De lössgrond vormt vanouds een goede akkerbouwgrond; het
bodemmateriaal is redelijk goed doorlatend, neemt regenwater gemakkelijk
op en houdt dat lang vast. Uitspoeling en interne verwering verminderen
uiteindelijk het absorptieniveau van de löss, waardoor uitspoeling van
kleideeltjes (lutum) optreedt die in een dieper gelegen horizont weer
accumuleren en zo de Bt-horizont (briklaag) vormen. De spreekwoordelijke vruchtbaarheid en het bewerken/beakkeren van de löss wordt echter
ter discussie gesteld.12 Men vermoedt dat het bewerken van de löss vooral
beperkt werd tot die gebieden waar een gunstiger bodem tot ontwikkeling
was gekomen; de zogenaamde gedegenereerde Schwarzerde, para-Braunerde
of het Löss-Braunerde-type.13
Een ander fenomeen dat naast de vorming van colluvium kenmerkend is
voor het Limburgse lössgebied zijn droogdalen. Droogdalen zijn gedurende
de laatste ijstijd ontstaan toen de bodem nog bevroren was. In een fase van
opwarming ontdooide de bovenste laag van het oppervlak, waarna deze
afvloeide over de bevroren ondergrond. Door de cycli van opwarming en
bevriezing en het watertransport dat over het bevroren oppervlak plaats
vond, sleten de dalen zich op een kenmerkende manier uit (zie figuur
2.2). Door verschillen in opwarming van beide zijden van het dal en de
daaruit voortvloeiende (ongelijke) erosie (gelifluctie14), kregen dergelijk
dalen namelijk een asymmetrische vorm.15 De bodems van deze dalen zijn
naderhand geleidelijk opgevuld met colluvium. De droogdalen zijn vandaag
de dag nog steeds voor een groot deel verantwoordelijk voor de afwatering
van de plateaus.
12
13
14
15
Langohr 1990.
Schalig 1998.
Het vloeien van bodemmateriaal onder glaciale omstandigheden.
Berendsen 1997, 13-15.
16 LANAKERVELD
LANAKERVELD
17
3 Archeologisch kader
3.1 Inleiding
Archeologisch onderzoek op de Caberg bij Maastricht kent een lange
geschiedenis. Het zwaartepunt heeft daarbij over het algemeen op twee
periodes gelegen, namelijk het midden-paleolithicum en het vroege
neolithicum (lineaire bandkeramiek). Onder meer door de aanleg van
de Zuid-Willemsvaart kreeg het Caberg plateau in het begin van de 19e
eeuw bekendheid als vindplaats van fossielen. Beroemd is de vondst
van een nu helaas verloren geraakte kaak van mens(achtige) in 1823, die
zelfs de aandacht trok van de bekende Engelse geoloog Charles Lyell.16
Systematisch onderzoek naar paleolithische vindplaatsen op de Caberg
liet echter tot het eind van de 20e eeuw op zich wachten toen een aantal
midden-paleolithische vuursteenconcentraties in de Belvédère groeve
werden onderzocht door de Universiteit van Leiden. Naast paleolithische
vondsten werden aan het begin van de 20e eeuw belangrijke vondsten uit
het vroege neolithicum gedaan. Ze vormden de eerste aantoonbare resten
van de bandkeramische cultuur op Nederlandse grondgebied en zetten het
Rijksmuseum van Oudheden te Leiden in de jaren ‘20 en ’30 aan tot het
doen van een aantal opgravingscampagnes.
In dit hoofdstuk wordt de archeologische context waarin de resultaten
van het proefsleuvenonderzoek geplaatst moeten worden geschetst. Hierbij
worden alleen die periodes beschreven, die daadwerkelijk bij het proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen. Een uitzondering wordt gemaakt voor
het midden-paleolithicum. Er zijn weliswaar geen resten uit deze periode
aangetroffen in de reguliere proefsleuven, wat onder meer te wijten is aan
de grote diepteligging van archeologische resten uit deze periode. Specifiek
op deze periode gericht booronderzoek in het uiterste westen van het
plangebied heeft echter aangetoond dat deze hier wel degelijk aanwezig
kunnen zijn.
3.2 Midden-paleolithicum
Op tenminste vier locaties in de omgeving van het Lanakerveld zijn sporen
uit de oude steentijd aangetroffen: Maastricht-Belvédère, VeldwezeltHezerwater, Kesselt-Op de Schans en Kesselt-groeve Nelissen.
In de groeve Maastricht-Belvédère werden ongeveer 12 vindplaatsen uit
deze periode onderzocht, waarvan het grootste gedeelte uit de periode
rond 250.000 jaar geleden dateert. Het gebied bestond toen uit een dicht
begroeide moerassige oeverzone van de Maas. De vindplaatsen bestaan uit
vuursteenconcentraties, waar werktuigen geproduceerd werden en grotere
gebieden met een zeer losse spreiding van werktuigen, die vermoedelijk het
gebruik van werktuigen illustreren.17
De aangetroffen archeologische resten bestaan vooral uit vuursteen
en botmateriaal. De dichtheid aan vuurstenen artefacten varieert van 1
vondst per vierkante meter tot tientallen vondsten per vierkante meter. Het
botmateriaal bestaat vooral uit de resten van grote en kleine zoogdieren
en is vaak geassocieerd met vuurstenen artefacten. Regelmatig worden
ook sporen van vuur aangetroffen in de vorm van houtskool en verbrand
16 Roebroeks 1985.
17 Roebroeks 2005, 104-5.
18 LANAKERVELD
2
1
4 3
vuursteen. Cruciaal voor een zinvolle kennis van de archeologie is de
geologische en paleo-ecologische informatie die noodzakelijk is voor
onderzoek van de ouderdom van de resten en de reconstructie van het
klimaat en het landschap.18
Resten uit deze periode zijn bewaard in laagpakketten tussen de bovenste
löss (waarvan de onderkant gemarkeerd wordt door de bodemhorizont
van Nagelbeek en de ‘patina-discordantie’) en oude Maasafzettingen
(Maasterrassen). In de groeve Maastricht-Belvédère liggen de meeste
vondsten ingebed in fijnkorrelige rivierafzettingen, maar er zijn ook
vondsten bekend uit lössafzettingen bewaard in een karstdepressie.19 De
vindplaatsen in de groeve Veldwezelt-Hezerwater liggen in fijnkorrelige
afzettingen tegen de rand van een oud Maasterras (‘Rothem-terras’).20
In Kesselt-Op de Schans zijn de vondstconcentraties geassocieerd met
zandige, licht humeuze hellingafzettingen.21 Tenslotte zijn verplaatste, wit
gepatineerde artefacten bekend uit een erosiehorizont (‘patina-discordantie’)
die in een groot gebied aangetroffen is (vondsten onder andere uit Kesseltgroeve Nelissen en uit profielen langs het Albertkanaal).22
3.3 Het vroege neolithicum - de lineaire bandkeramiek (LBK)
De lineair bandkeramische cultuur (Duits: Linienbandkeramische Kultur,
afgekort LBK) is de vroegste neolithische cultuur in Nederland. Het
neolithicum kenmerkt zich door een grotendeels sedentaire bestaanswijze
en een voedseleconomie die overwegend leunt op landbouw en veeteelt.
Deze wijkt duidelijk af van het mobiele bestaan in het voorgaande paleoen mesolithicum, waarin jagen en verzamelen de belangrijkste middelen
van bestaan vormden. Het verschijnen van de bandkeramische cultuur
vormt een dermate abrupte breuk met de bestaanswijze van deze jagers18
19
20
21
22
cf. Van Kolfschoten & Roebroeks 1985.
Roebroeks 1988, Roebroeks et al. 1997, De Loecker 2006, De Warrimont 2007.
Bringmans 2006, De Warrimont 2007.
Van Baelen et al. 2007.
Lauwers & Meijs 1985, Meijs 2002.
Figuur 3.1
Vindplaatsen uit het midden-paleolithicum
in de omgeving van het Lanakerveld.
1. Belvédère,
2. Veldwezelt,
3. Kesselt-Op de Schans,
4. Kesselt-Groeve Nelissen.
LANAKERVELD
Figuur 3.2
Typologie van bandkeramische huisplattegronden (naar: Modderman 1970).
19
verzamelaars, dat er over het algemeen van wordt uitgegaan dat we hier niet
te maken hebben met locale populaties, die zich hebben aangepast aan een
nieuwe levenswijze, maar met kolonisatie uit een andere regio.
Het oorsprongsgebied van de LBK ligt in Zuidoost Europa (Hongarije),
vanwaaruit deze cultuur zich over grote delen van Europa verspreidde.
Daarbij werd de voorkeur gegeven aan vruchtbare lössgronden, waarop
het grootste deel van de nederzettingen te vinden is. De Nederlandse
vindplaatsen vormen samen met die in België en het Duitse Rijnland de
meest noordwestelijke uitloper van het verspreidingsgebied van de LBK. De
datering ligt in deze streken grofweg tussen 5300 en 4900 voor Christus.
Kenmerkend voor de LBK zijn nederzettingen met sporen van grote
houten boerderijen en een karakteristieke materiële cultuur, bestaande uit
vuurstenen werktuigen, stenen dissels (hakwerkuigen) en onversierd en
versierd aardewerk. Aan dit laatste ontleend de LBK haar naam.
Op basis van karakteristieken van de huisplattegronden en het versierde
aardewerk is de LBK op het Graetheideplateau door Modderman opgedeeld
in twee periodes, een oudere (I) en een jongere (II), die elk ook weer
onderverdeeld zijn in vier fasen.23 De oudste fase (Ia) is vooralsnog op de
Nederlandse vindplaatsen niet aangetroffen.24
23 Modderman 1970.
24 De Grooth & Van de Velde 2005, 220.
20 LANAKERVELD
11
9
13
10
14
4
8
1
2
5
12
3
6
7 3.3.1 LBK op de Caberg
In Nederland is de LBK met name bekend door een cluster nederzettingen
die onderzocht zijn op het zogenaamde Graetheideplateau. Bekende
vindplaatsen hier zijn Geleen, Sittard, Beek, Stein en Elsloo. In Elsloo is
naast een nederzetting ook een grafveld opgegraven. Ondanks deze rijkdom
zijn de eerste bandkeramische vondsten in Nederland niet gedaan op de
Graetheide maar op de Caberg bij Maastricht. Deze vondsten behoren tot
een ander nederzettingscluster dan het Graetheidecluster en omvat ook een
aantal Belgische vindplaatsen. Dit is het zogenaamde Heeswatercluster.
De eerste bandkeramische vondsten van de Caberg en dus van Nederland
worden gemeld in 1924. In dat jaar kwamen in één van de leemgroeves op
de Caberg aardewerk en vuurstenen werktuigen te voorschijn die door de
groeve-eigenaar ir. P. Marres via pastoor Kengen werden voorgelegd aan
de conservator archeologie van het Bonnefantenmuseum in Maastricht,
dr. Goossens. Aan hem komt de eer toe als eerste in Nederland de ‘bandkeramiekcultuur’ herkend en in druk vermeld te hebben.25 Op de melding
van Kengen volgt al in 1925 een opgraving door het Rijksmuseum van
Oudheden onder leiding van dr. J.H. Holwerda. De opgravingen liepen met
onderbrekingen tot in 1934.26
Het onderzoek door het RMO richtte zich op twee locaties. Ter hoogte van
de splitsing van de Brusselseweg en de Postbaan werd een grachtensysteem
van een zogenaamd Erdwerk verkend. Uit de verschillende grachten werd
maar een beperkte hoeveelheid vondstmateriaal verzameld. Het materiaal
dateert zowel uit de LBK als uit het midden- en/of late neolithicum en
de datering van het grachtensysteem staat daarom niet onomstoten vast.
Duidelijk is wel dat zich in de directe nabijheid van het grachtensysteem
kuilen bevonden met bandkeramisch vondstmateriaal. Daarnaast werden
er sporen uit de metaaltijden gevonden. Ongeveer 500 m ten zuiden
25 Goossens 1925.
26 De opgravingen zijn nooit uitvoerig gepubliceerd (zie Disch 1969 en 1972; Thanos 1994).
Figuur 3.3
LBK vindplaatsen in de directe omgeving van
het Lanakerveld.
1. Maastricht-Belvédère,
2. Maastricht-Klinkers,
3. Maastricht-Oud Caberg,
4. Lanaken-Briegdendonk (B),
5. Rosmeer (B),
6. Vlijtingen (B),
7. Eben-Emael (B),
8. Borgharen,
9. Nattenhoven,
10. Geleen,
11. Sittard,
12. Beek,
13. Stein,
14. Elsloo,
15. Maastricht-Cannerberg.
LANAKERVELD
21
van het Erdwerk werden door Holwerda een aantal sleuven gegraven
op het terrein “De Waal”. Ook hier werden sporen van bandkeramische
bewoning gevonden. Op geen van beide door het RMO onderzochte
terreinen zijn duidelijke sporen van bandkeramische huisplattegronden
gevonden. Deels zal dit te wijten zijn aan de toen heersende gedachte dat
de bandkeramiekers niet in huizen woonden, maar in hutkommen. De met
huisafval gevulde kuilen, die vaak aan weerszijden van de daadwerkelijke
huisplattegronden worden aangetroffen, werden als zodanig geïnterpreteerd.
De eerste bandkeramische huisplattegronden op de Caberg werden
eind jaren ’80 van de vorige eeuw herkend tijdens opgravingen door het
toenmalige Instituut voor Prehistorie van de Universiteit Leiden in de
groeve Klinkers.27 De vindplaats bevindt zich ongeveer een kilometer ten
noorden van het door Holwerda opgegraven Erdwerk en bevatte (delen
van) vier bandkeramische huisplaatsen. Het zwaartepunt van de bewoning
lijkt net als op het terrein “De Waal” in de jonge Bandkeramiek te liggen,
namelijk fasen IIc en IId. Opvallend is de losse spreiding van de huisplattegronden op de vindplaats Klinkers, met name wanneer deze afgezet
wordt tegen de grote nederzettingen op het Graetheideplateau. Deze
nederzettingen worden veelal gekenmerkt door een grote sporendichtheid
en veel oversnijdingen.
Na het onderzoek in de groeve Klinkers hebben geen grootschalige
opgravingen van bandkeramische nederzettingen op de Caberg meer
plaatsgevonden. Wel werden eind jaren ’90 van de vorige eeuw een aantal
bandkeramische kuilen met aardewerk uit de oudere bandkeramiek (fase
Ib) gedocumenteerd bij de bouw van een winkelcentrum aan het SintChristoffelplein in de wijk Oud-Caberg. Dit benadrukt dat ook in druk
bebouwde arealen binnen de gemeente nog sporen uit deze (en andere)
periodes verwacht mogen worden.28
De uitzonderlijke potentie van het plangebied Lanakerveld voor deze
periode is duidelijk geworden door het karterend onderzoek van RAAP.29
Met behulp van boringen en oppervlaktekarteringen is een groot aantal
bandkeramische vindplaatsen gedefinieerd. Op basis van de oppervlaktekartering, het booronderzoek en het door Archol uitgevoerde proefsleuvenonderzoek kunnen in ieder geval 6 bandkeramische vindplaatsen in het
plangebied worden aangewezen, waaronder een grafveld, waarvan sommige
een aanzienlijke omvang moeten hebben.30
De bandkeramische nederzettingen op de Caberg behoren tot een
cluster nederzettingen die grotendeels uit Belgische vindplaatsen bestaat,
het zogenaamde Heeswatercluster.31 Binnen de gemeente Maastricht
heeft slechts één andere locatie, op de Cannerberg in het zuidwesten van
de gemeente bandkeramisch materiaal opgeleverd.32 Op de Cannerberg
werden grondsporen en vondstmateriaal aangetroffen, die wijzen op de
aanwezigheid van vermoedelijk twee nederzettingsterreinen. Op basis van
het versierde aardewerk en een dissel van het type I is de bewoning in fase
IIc/d te dateren.
27
28
29
30
Theunissen 1990.
Dijkman 2000.
Roymans & Van Waveren 2002.
Het gaat hier om de volgende door RAAP genummerde vindplaatsen: 2, 13, 19, 20, 23, 24, 53,
58, 77 en 78 en de door Archol gedefinieerde vindplaats 123 (grafveld). Vindplaatsclusters (i.e.
2/19/20/23; 13/53 en 77/78) zijn als één vindplaats gerekend.
31 Zie Jadin et al. 2003 voor een gedetailleerde kaart van de Belgische vindplaatsen binnen dit
cluster.
32 Bakels 1985.
22 LANAKERVELD
De dichtsbijzijnde Belgische LBK vindplaatsen waar enig onderzoek
plaatsgevonden heeft zijn Lanaken-Briegdendonk vlak over de grens
en de op enkele kilometers ten zuiden en westen van het plangebied
gelegen vindplaatsen Rosmeer-Staberg, Vlijtingen-Kayberg en EbenEmael – Int’ les Deux Voyes. De vindplaats Lanaken-Briegdendonk kon
tijdens werkzaamheden aan het Albertkanaal deels onderzocht worden.
Er werden twee huisplattegronden en acht kuilen blootgelegd.33 Ook
in Eben-Emael zijn twee huisplattegronden met geassocieerde kuilen
opgegraven.34 In beide gevallen was echter duidelijk dat een deel van de
vindplaats door werkzaamheden/groeveontginningen vernietigd was.
Uitgebreider onderzoek vond plaats op de vindplaatsen bij Vlijtingen en
Rosmeer. In Vlijtingen is een kleine uitsnede van een bandkeramische
nederzetting onderzocht. In de verspreide paalkuilen werden zes huisplattegronden onderscheiden. Daarnaast zijn een vijftigtal kuilen onderzocht.
Het aardewerk is met name te dateren in fase II.35 Op de Staberg bij
Rosmeer werd ongeveer één hectare van een bandkeramische nederzetting
onderzocht, waarbij de plattegronden van minstens 14 gebouwen werden
blootgelegd. Afgaande op de vorm van de huisplattegronden zijn zowel fase
I als fase II hier vertegenwoordigd.36
De door BAAC uitgevoerde opgravingen op het Belgische deel van het
bedrijventerrein Europark hebben gezien de rijkdom aan vindplaatsen
op het Nederlandse deel opmerkelijk genoeg nauwelijks sporen uit deze
periode opgeleverd, namelijk slechts enkele losse vondsten, waaronder twee
dissels.37
De tot nu toe besproken vindplaatsen bevinden zich allen op de voor de
bandkeramiek karakteristieke lössgronden. Niet onvermeld moet daarom
blijven dat recent ook op de kleigronden in het Maasdal ten noorden van
Maastricht twee waarschijnlijke nederzettingen zijn aangetroffen bij Itteren
en Nattenhoven.38 De vindplaatsen dateren beide in de jonge fase van de
bandkeramiek en wijzen erop dat in deze fase ook andere bodemtypes
geschikt werden geacht voor bewoning. De vindplaatsen waarschuwen
daarmee tegen een al te grote focus op lössgronden in het onderzoek naar
deze periode.
3.4 Het midden- en late neolithicum
In deze periode zijn in Zuid-Nederland en België verschillende
cultuurgroepen te onderscheiden. In chronologische volgorde gaat het om
de Michelsbergcultuur (ca. 4300 – 3450 v.Chr.), de Stein-groep (ca. 34502500 v.Chr.) en de Klokbekercultuur (ca. 2500-2000 v.Chr.). Op basis van
het voorkomen van bandkeramische nederzettingen zouden - net zoals in
het Duitse Rijnland - ook bewoningsporen mogen verwachten uit daarop
volgende cultuurgroepen als Rössen, Großgartach en Bisscheim verwacht
mogen worden. Het Rijnland raakte opnieuw bewoond ten tijde van de
Grossgartach cultuur, misschien vanuit Zuidwest-Duitsland (versierd
aardewerk in Zuidwest-Duitsland suggereert dat de Grossgartach cultuur
daar via de Hinkelsteingroep uit de LBK voortgekomen is). De overgang
van Grossgartach naar Planig-Friedberg (= Rössen I) is alleen zichtbaar
33
34
35
36
37
38
Lauwers 1984.
Close et al. 1997.
Marichal et al. 1987.
Roosens 1962.
Vanderbeken & Van den Hove, 2008.
Amkreutz 2004; Brounen & Ball, 2002; Brounen & Rensink 2006.
LANAKERVELD
23
door een verandering in aardewerkstijl, verder is er bewoningscontinuïteit,
bijvoorbeeld in de nederzetting Jülich-Welldorf (Dohrn-Ihmig 1983a, b).
Daarna, bij de overgang naar Rössen II –de klassieke /ontwikkelde Rössencultuur (4800 v. Chr.)- lijkt de continuïteit opnieuw onderbroken te zijn; in
elk geval liggen de nederzettingen op andere locaties. Het is echter mogelijk
dat Planig-Friedberg en klassiek Rössen aardewerk gelijktijdig (zij het niet
op dezelfde locaties) werden gebruikt.
Limburg lijkt pas ten tijde van de ontwikkelde Rössen-cultuur weer
bewoond te raken. Deze cultuur is beduidend minder goed bekend dan de
LBK. In feite kan alleen verwezen worden naar de opgraving MaastrichtRandwyck, Lochterveld (Brounen & Dijkman 1988, Oude Rengerink 1991).39
Op het Lanakerveld kunnen sporen uit deze periode verwacht worden.
Gezien de weinige vondsten die tot nu toe in het lössgebied in Nederland
zijn gedaan is deze verwachting echter wellicht niet reëel.
Vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied beperken zich
grotendeels tot de Michelsbergcultuur. Het gaat hier over het algemeen
niet om duidelijk herkenbare nederzettingsterreinen met huisplattegronden zoals kenmerkend voor de vroeg-neolithische LBK, maar om losse
paalkuilen, afvalkuilen en vooral vondstconcentraties van aardewerk en
steen. Binnen het aardewerkspectrum zijn de zogenaamde tulpbekers
kenmerkend voor deze periode. Het gaat hier om potten met een eivormige
tot ronde bodem en een dunne naar buiten gebogen rand. Typische
vuurstenen artefacten zijn macrolithische schrabbers, spitsklingen en
een rijk scala aan spitsen (bladvormig, druppelvormig of driehoekig). In
deze periode verschijnt ook het archetypische neolithische werktuig, de
geslepen bijl, voor het eerst op grote schaal.40 Typische vindplaatsen van de
Michelsbergcultuur kennen we onder andere uit de reeds eerder genoemde
groeve Klinkers41 en uit Maastricht-Vogelzang.42
Een ander kenmerkend type vindplaats voor deze periode zijn de
zogenaamde aardwerken. Het gaat hier om door grachten en wallen
omsloten terreinen van soms wel honderd hectare groot, die in grote delen
van Noord- en West-Europa zijn teruggevonden. Het enige duidelijke
Nederlandse voorbeeld ligt op de Schelsberg bij Heerlen.43 Een tweede
mogelijke voorbeeld zou het door Holwerda onderzochte grachtensysteem
op de Caberg kunnen zijn dat reeds in paragraaf 3.3 aan de orde gekomen
is. Een duidelijke datering van het aardwerk op de Caberg is echter niet
te geven, omdat er binnen de greppels zowel vroeg- (bandkeramisch) als
midden- en laat-neolithisch materiaal verzameld is en de stratigrafische
ligging van deze vondsten niet erg duidelijk is.44
Ook tijdens het door RAAP uitgevoerde karterend onderzoek in het
plangebied zijn een aantal vindplaatsen gedefinieerd, die vermoedelijk een
midden-neolithische ouderdom hebben. Dit op basis van de aanwezigheid
van gepolijste bijlfragmenten, grote tabletvormige krabbers en spitsklingfragmenten.45
39
40
41
42
43
44
45
Van Hoof 2007.
Schreurs 2005, 304-8.
Theunissen 1990.
Brounen 1995.
Schreurs 2005, 310.
Thanos 1994.
Het gaat om vindplaatsnummers 16, 25, 27, 29, 31, 34, 35, 42, 57, 65 en 87 (Roymans & Van
24 LANAKERVELD
Het laat-neolithicum is in de directe omgeving van het plangebied
nauwelijks bekend. Dit sluit aan bij het beeld dat we hebben uit de rest van
Zuid-Limburg46 en België,47 waar deze periode slechts vertegenwoordigd
wordt door enkele klokbekerbegravingen en ‘losse’ vondsten. Duidelijke
nederzettingen ontbreken in het gegevensbestand. Enkele Nederlandse
vondsten waar we hier naar kunnen verwijzen zijn een klokbekergraf
uit Elsloo en een kuil met klokbeker- en potbekeraardewerk, die bij de
opgraving van de Romeinse villa Kerkrade-Holzkuil tevoorschijn kwam. In
de vroege bronstijd, een periode die wat grafbestel en nederzettingen betreft
grotendeels vergelijkbaar is met het daaraan voorafgaande laat-neolithicum,
veranderd er in feite niet veel in dit beeld. Vondsten van het voor deze
periode karakteristieke wikkeldraad-aardewerk zijn gedaan op een oppervlaktevindplaats bij Nieuwstadt en, net over de grens bij Maastricht, in een
vermoedelijk graf bij Neerharen-Rekem.
3.5 De late bronstijd en vroege ijzertijd
De kennislacune wat betreft de vroege bronstijd op de Zuid-Limburgse
löss geldt ook voor de midden-bronstijd. Uit deze laatste periode is slechts
één duidelijke nederzettingsterrein bekend, namelijk Sittard-Hoogveld.48
Daartegenover staan tientallen nederzettingsterrein uit deze periode in
andere regio’s in Nederland. Pas in de late bronstijd en vroege ijzertijd
verandert dit beeld voor Zuid-Limburg.49 Uit deze periode kennen we
een aantal nederzettingsterreinen en grafvelden. Deze laatste domineren
echter hevig in dit beeld. Duidelijke nederzettingen met huisplattegronden ontbreken nog veelal in het bestand. Net als voor de midden-bronstijd
zijn we ook voor de late bronstijd/vroege ijzertijd deels aangewezen
op opgravingen rond Sittard. Sittard-Hoogveld heeft een tweeschepige
huisplattegrond uit deze periode opgeleverd,50 terwijl te Sittard-Hof
van Limburg een duidelijk nederzettingsterrein uit de vroege ijzertijd
opgegraven is.51 Ook in Geleen-Janskamperveld zijn naast het uitgestrekte
bandkeramische nederzettingsterrein ook sporen uit de late bronstijd/vroege
ijzertijd gevonden, waaronder een huisplattegrond.52 Binnen de gemeente
Maastricht zijn wel een aantal nederzettingsterreinen bekend, maar huisplattegronden ontbreken hierin. Het gaat steeds om losse paalkuilen, kuilen
en vondstconcentraties, zoals aangetroffen te Borgharen en Itteren. De hier
in het kader van de Maaswerken aangetroffen sporen dateren met name uit
de late bronstijd.53 Daarnaast is met name de regio Randwyck bekend om
zijn nederzettingssporen uit de gehele ijzertijd, waaronder vermoedelijke
ovenkuilen met misbaksels54 en ook bij de door Holwerda uitgevoerde
opgravingen in de groeve Belvédère55 en bij de opgravingen in de groeve
Klinkers,56 pal ten oosten van het Lanakerveld, zijn sporen uit de (vroege)
ijzertijd voor de dag gekomen.
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
Waveren 2002).
Van Hoof 2008a.
Cauwe et al. 2001.
Tol & Schabbink 2004.
De enige duidelijke nederzetting uit de midden-bronstijd is Sittard-Hoogveld. Begravingen
zijn met name bekend door de grafheuvelgroepen bij Vaals en Gronsveld (Van Hoof, 2008a).
Tol & Schabbink, 2004.
Van Hoof, Van Wijk & Van der Linde in voorbereiding.
Van Hoof 2008b.
Zie Brounen & Ball 2002; Van de Graaf & Kramer 2005a en 2005b.
Dijkman, 1989; Knippels, 1991.
Thanos 1994.
Prangsma 1995.
LANAKERVELD
25
14
1
2
13
12
4
3
7
6
11
10
5
9
8
25000m
Figuur 3.4
Vindplaatsen uit de late bronstijd/
vroege ijzertijd in de omgeving van het
Lanakerveld.
1. Sittard-Hof van Limburg,
2. Geleen-Janskamperveld,
3. Borgharen,
4. Itteren,
5. Maastricht-Randwyck,
6. Maastricht Belvédère,
7. Maastricht-Klinkers,
8. Maastricht-Oosderveld,
9. Maastricht-Vroendael,
10. Maastricht-Withuisveld, 11. Rosmeer (B.),
12. Lanaken-Europark,
13. Neerharen-Rekem,
14. Sittard-Hoogveld.
Grafvelden uit deze periode zijn beter bekend in de gemeente en zijn
aangetroffen te Maastricht-Withuisveld,57 -Vroendael,58 -Oosderveld59 en
–Ambyerveld.60 Het gaat hier om kleine urnenvelden met enkele tientallen
graven (Maastricht-Oosderveld is met 32 graven de grootste) uit de late
bronstijd en de vroege ijzertijd. Een vondst van een bronzen zwaard en
puntbeschermer direct ten noorden van het urnenveld bij Vroendael wijst
vermoedelijk op een wapengraf uit de late bronstijd vergelijkbaar met dat
van Neerharen-Rekem (zie hieronder). Opmerkelijk is dat op nagenoeg alle
terreinen ook andere sporen zijn gedocumenteerd, waaronder kuilen met
misbaksels en secundair verbrand aardewerk te Vroendaal en ovenkuilen te
Oosderveld. Ze zijn te dateren in de vroege- en midden-ijzertijd.
Van de Belgische vindplaatsen uit de late bronstijd / vroege ijzertijd in de
directe omgeving van het plangebied dient in eerste instantie het onderzoek
op het Belgische deel van het bedrijventerrein Europark genoemd te
worden,61 waar zich een nederzettingsterrein uit de late bronstijd bevond. Er
werden een 17-tal bijgebouwen en tientallen kuilen aangetroffen, maar geen
eenduidige huisplattegrond.
Verder weg gelegen is het urnenveld uit de late bronstijd / vroege ijzertijd
en daarbij gelegen nederzettingsterrein uit de vroege- en midden-ijzertijd bij
Neerharen-Rekem van belang. Spectaculair binnen het urnenveld van deze
vindplaats was een graf met de gecremeerde resten van drie individuen en
een set verbrande bronzen voorwerpen bestaande uit drie lanspunten, drie
zwaarden en twee zogenaamde puntbeschermers. Losse nederzettingsterreinen (zonder bijbehorend grafveld) uit de vroege- en midden-ijzertijd zijn
opgegraven te Rosmeer-Staberg en -Diepestraat.62
57
58
59
60
61
62
Dijkman 1995.
Dijkman & Hulst, 2000.
Mildner & Wetzels 2005.
Van der Mark & Schorn 2008
Vanderbeken & Van den Hove, 2008.
Nouwen & Van de Konijnenburg 1987.
26 LANAKERVELD
Ondanks de rijkdom aan vindplaatsen uit deze periode werden deze bij
het karterend onderzoek in het plangebied niet aangetroffen, wat deels te
maken zal hebben met de slechte zichtbaarheid van vindplaatsen uit deze
periode in oppervlaktekarteringen. Eén van de vraagstelling bij het proefsleuvenonderzoek was dan ook of er zich sporen uit deze periode binnen
het plangebied bevonden.
3.6 De Romeinse tijd
De Romeinse tijd in de regio is met name bekend door onderzoek in de
stedelijke centra van Maastricht en Tongeren. De nederzetting Maastricht is
in de 1e eeuw na Christus gesticht ter hoogte van een belangrijke overgang
over de Maas. De aanwezigheid van een (houten) brug is voor deze periode
aangetoond. In de 4e eeuw wordt er rond de brug een stenen versterking
aangelegd, omdat deze gedurende de politieke crises van de 3e eeuw toenam
in strategisch belang.63
De landelijke bewoning rond Maastricht is dan weer veel minder goed
bekend. Het is duidelijk dat rond Maastricht een flink aantal Romeinse
villa’s gelegen hebben, maar daarvan is er geen één nauwkeurig onderzocht.
Meestal gaat het om meldingen van dakpannen en ander Romeins
vondstmateriaal aan het oppervlak, op basis waarvan de aanwezigheid van
een Romeinse villa verondersteld wordt. Duidelijke villaterreinen rond
Maastricht zijn aangetoond te Maastricht-Louwberg en in Borgharen en
Meerssen.64 Een voorbeeld van een mogelijke villa in de directe omgeving
van het plangebied is Oud-Caberg, waar Habets aan het eind van de
19e eeuw bouwresten waarnam. Het is mogelijk dat deze villa aan een
Romeinse weg naar Nijmegen gelegen heeft, die min of meer het tracé van
de voormalige Postbaan (Brusselseweg) volgt. Een Romeinse ouderdom voor
deze weg is echter nooit aangetoond.65
Het onderzoek van RAAP heeft de aanwezigheid van in ieder geval één
duidelijke vindplaats, mogelijk een villa-terrein, uit deze periode in het
plangebied aangetoond (vindplaats 18). Duidelijk is echter al dat deze
deels op Belgisch grondgebied ligt. Andere Belgische vindplaatsen in
de directe omgeving van het plangebied bestaan uit een Romeins villaterrein te Smeermaas. Deze villa bestond vermoedelijk grotendeels uit
houten gebouwen. Bij de opgraving werden wel een stenen kelder en een
stenen vloerverwarmingssysteem aangetroffen, maar deze konden niet
aan de aangetroffen gebouwen gekoppeld worden. Direct ten noorden van
de Belgische grens bevond zich ter hoogte van de Brusselseweg, die dus
mogelijk een Romeinse ouderdom heeft, een vermoedelijk grafveld.66
Iets verder van het plangebied verwijderd is bij Neerharen-Rekem een
vroeg-Romeinse nederzetting opgegraven die zich in de loop van de 1e
eeuw ontwikkeld tot een villa. Het beeld dat villa’s in deze regio domineren
in het rurale landschap wordt genuanceerd door de opgraving van een
inheemse omgreppelde nederzetting zonder steenbouw die bij Veldwezelt is
opgegraven. De nederzetting bestaat uit twee clusters huisplattegronden van
63
64
65
66
Panhuysen 1996, 58.
Panhuysen 1996.
Panhuysen 1996, 28.
Pauwels & Creemers 2006.
LANAKERVELD
27
&
% $ #
"
'
(
!
Figuur 3.5
Vindplaatsen uit de Romeinse tijd in de
omgeving van het Lanakerveld.
1. Maastricht,
2. Maastricht-Louwberg,
3. Maastricht-Oud Caberg,
4. Borgharen,
5. Smeermaas (grafveld),
6. Smeermaas (villa-terrein),
7. Neerharen-Rekem,
8. Rosmeer,
9. Veldwezelt.
het Alphen-Ekeren type en enkele vermoedelijke drenkpoelen.67 Ook op de
Dousberg bij Maastricht is revent een huisplattegrond van het type AlphenEkeren gevonden en zijn uitbraaksporen van de mogelijke villa aanwezig.68
3.7 De vroege middeleeuwen
Net als bij de Romeinse tijd het geval was, heeft het onderzoek naar de
vroege middeleeuwen in de regio zich met name geconcentreerd op de
stad Maastricht. Deze nam vanaf de 6e eeuw een belangrijke rol in als
economisch centrum van de regio.69 De meeste vindplaatsen uit deze
periode bevinden zich dan ook in de binnenstad van Maastricht en dan
met name binnen en rondom de begrenzing van de Romeinse stad.
De bewoning is over het algemeen slecht grijpbaar en bestaat veelal uit
niet meer dan verspreide paalkuilen, afvalkuilen en vondstmateriaal. Op
meerdere plekken binnen de vroeg-middeleeuwse stad zijn sporen van
ambachtelijke activiteiten aangetroffen, waaronder aardewerk-, glas-,
barnsteen- en hertshoornproductie en metaalbewerking. Opmerkelijk is de
vondst van vier pottenbakkersovens op het Céramiqueterrein in MaastrichtRandwyck uit de 7e eeuw.70 De vondst van meer dan 20.000 scherven in
en rond deze ovens wijst eerder op een regionaal dan een locaal productiecentrum. Grafvelden zijn wat beter bekend uit de binnenstad dan de
bewoning en zijn onder andere aangetroffen in de nabijheid van de vroegmiddeleeuwse kerken St.-Servaas en St.-Martinus.71
Met de kennis over de landelijke bewoning in de regio gedurende de
vroege middeleeuwen is het beduidend slechter gesteld. In de directe
omgeving kennen we slechts de grafvelden van Maastricht-Lage Kanaaldijk,
Maastricht-Amby en Maastricht - St.-Pietersberg.72 Ook in Borgharen
67
68
69
70
71
72
Pauwels 2007.
Ploegaert 2007.
Dijkman 1999; Theuws 2001.
Panhuysen et al. 1992.
Dijkman 1999.
Dijkman 1999.
28 LANAKERVELD
$
#
!
&
% "
is tussen de ruïnes van een Romeinse villa een Merovingisch grafveld
aangelegd.73 Voor de nederzettingen moeten we iets verder kijken. De enige
duidelijke Merovingische nederzetting met huisplattegronden is opgegraven
te Haagsittard. Het ging hier om een eenschepig gebouw met afmetingen
van 14 x 7 m. In de buurt van plattegrond werden twee begravingen uit
dezelfde periode gevonden.74
Ook in nabijgelegen delen van België is de kennis over deze periode vooral
gebaseerd op grafvelden, zoals het Merovingische grafveld van Rosmeer,
dat zich net als Borgharen ook op het terrein van een Romeinse villa
bevindt. De opgraving Neerharen-Rekem heeft weliswaar een laat-Romeinse
nederzetting opgeleverd, maar deze lijkt al in het begin van de vijfde eeuw
verlaten te zijn.75
Informatie over de periode van de 8e tot en met de 11e eeuw
(Karolingische en Ottoonse tijd) is nog beperkter dan voor de Merovingische
periode.76
Het door RAAP uitgevoerde karterend onderzoek op het Lanakerveld
heeft geen aanwijzingen voor vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen
opgeleverd. Eén van de vraagstellingen bij het proefsleuvenonderzoek was
dan ook of er zich toch sporen uit deze periode in het plangebied bevonden.
3.8 De late middeleeuwen en nieuwe tijd
Het open landschap waardoor het plangebied vandaag de dag gekenmerkt
wordt, is ontstaan in de late middeleeuwen, toen het landschap grotendeels
ontgonnen is. Aanwijzingen hiervoor zijn scherven uit de 14e en 15e
eeuw, die min of meer gelijkmatig over het hele plangebied verspreid
zijn en als mestvondsten te interpreteren zijn. De laat-middeleeuwse
73
74
75
76
Dijkman 2003.
Stoepker 1992.
De Boe et al. 1992.
Stoepker 2008.
Figuur 3.6
Vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen in
de omgeving van het Lanakerveld.
1.Maastricht,
2. Maastricht-Céramiqueterrein,
3. Maastricht-Lage Kanaaldijk,
4. Maastricht-Amby,
5. Borgharen,
6. Maastricht-St. Pietersberg,
7. Rosmeer.
LANAKERVELD
Figuur 3.7
Prent van het beleg van Maastricht uit
1579, toen Farnese vanuit de burcht van
Pietersheim Maastricht bleef aanvallen.
Vanaf begin maart duurde het nog tot
24 juni voordat de stad in handen van de
Spanjaarden zou vallen
(bron www.grensschap.eu).
29
verkaveling schemert vandaag de dag nog vaag door in de kavelstructuur,
die geörienteerd was op reeds bestaande en aan te leggen ontginningswegen. Op basis hiervan is het mogelijk om enkele wegen die in ieder
geval gelijktijdig met en mogelijk zelfs ouder dan de grote ontginning
van het terrein zijn, omdat deze de ontginningsblokken niet doorsnijden.
Voorbeelden van oude wegen zijn de Van Akenweg en de Lanakerweg,
die zich deels hebben ingesneden in de plateau’s en zich gemanifesteerd
hebben als holle wegen. De Zouwweg die door het droogdal van de Zouw
loopt is van latere datum aangezien deze wel de bestaande verkaveling
doorsnijdt.77
De overwegend rurale rol van het Lanakerveld in deze periode wordt aan
het begin van de Tachtigjarige Oorlog kort doorbroken als het gebied bijna
toneel wordt van een confrontatie tussen Willem van Oranje en de Spaanse
Hertog van Alva. In oktober 1568 probeerde de gevluchte stadhouder
Willem van Oranje tijdens zijn eerste poging om de Nederlanden binnen
te vallen om Maastricht in te nemen. De oprukkende Willem van Oranje
werd op het Lanakerveld tegengehouden door Alva, die zijn hoofdkwartier
op de Hoeve Caberg had en zijn troepen op de helling van het Zouwdal
had gestationeerd. Hoewel het Spaanse leger duidelijk in de minderheid
was, durfde Willem van Oranje geen veldslag aan te gaan, ondanks de
aanzienlijke kansen die hij had om het leger van Alva hier te verslaan.
77 Roymans & Van Waveren, 2002, hoofdstuk 4.
30 LANAKERVELD
Enkele dagen later stonden de twee generaals weer tegenover elkaar op
de zuidelijker gelegen Dousberg ten westen van Maastricht, maar ook nu
kwam het niet tot een veldslag.
Willem van Oranje trok in westelijke richting in de hoop op een betere kans
om Alva te verslaan. De beslissende slag van deze campagne vond plaats
bij Geldenaken, maar deze werd gewonnen door Alva De gebeurtenissen
rond Maastricht maakten zoveel indruk op tijdgenoten dat ze zelfs vermeld
worden in het Wilhelmus (regel 81-88).78 Maastricht werd ook in de 17e
eeuw nog enkele malen belegerd, onder andere in 1632 door Frederik
Hendrik, één van de zonen van Willem van Oranje. Archeologische sporen
van de 16e en 17e-eeuwse belegeringen zijn onder andere aangetroffen op
het Belgische deel van het bedrijventerrein Europark en in Veldwezelt.79
Wilhelmus (regel 81-88)
Als een Prins op gheseten
"Als een prins opgezeten
Met mijner Heyres cracht,
met mijner heires-kracht,
Van den Tyran vermeten
van den tiran vermeten
Heb ick den Slach verwacht,
heb ik den slag verwacht,
Die by Maestricht begraven
die, bij Maastricht begraven,
Bevreesde mijn ghewelt,
bevreesde mijn geweld;
Mijn ruyters sach men draven.
mijn ruiters zag men draven
Seer moedich door dat Velt.
zeer moedig door dat veld."
78 Mosmuller 1995.
79 Vanderbeken & Van den Hove, 2008; Pauwels, 2007.
LANAKERVELD
31
4 Methodisch kader
4.1 Inleiding
Archeologisch onderzoek vond tot voor kort over het algemeen alleen
plaats nadat bij werkzaamheden in de bodem sporen uit het verleden
waren aangetroffen. Het laatste decennium is het echter gebruikelijk dat
vóór aanvang van verstorende activiteiten van het bodemarchief een gebied
archeologisch onderzocht wordt. Dit hoeft niet direct plaats te vinden
door middel van een (volledige) opgraving van een gebied. In de meeste
gevallen is dit te tijdrovend en te kostbaar (en vaak ook niet noodzakelijk).
Voorafgaand aan een archeologische selectie zijn diverse methoden van
onderzoek beschikbaar om een gebied archeologisch in kaart te brengen.
Hiervoor is een getrapte aanpak van het onderzoek ontwikkeld waarbij
de vindplaatsen eerst worden verkennend of gekarteerd, vervolgens
gewaardeerd en indien noodzakelijk worden beschermd of opgegraven. Het
archeologisch traject voor het plangebied Lanakerveld is opgebouwd uit een
bureauonderzoek, een veldkartering en een verkennend booronderzoek in
combinatie met een milieutechnisch booronderzoek uitgevoerd door RAAP
en Miko in 2001/02.80 Op dit onderzoek volgde het waarderende proefsleuvenonderzoek, waarin in dit rapport verslag van wordt gedaan. Eveneens
werden diverse andere vormen van karterend archeologisch onderzoek
uitgevoerd na afloop van het proefsleuvenonderzoek. Het betreft een
veldkartering in het zuidwestelijk deel van het Lanakerveld, uitgevoerd door
de Faculteit Archeologie van de universiteit Leiden onder leiding van prof.
dr. H. Fokkens. Daarnaast werd een pilot uitgevoerd waarbij getracht is om
met behulp van een magnetometer sporen in de ondergrond te herkennen.
Dit onderzoek werd uitgevoerd door Posselt & Zickgraf.81 Als laatste werd
een archeologische begeleiding uitgevoerd door Archol bij het uitgraven van
een wegcunet ten westen van het Zouwdal.82
4.2 Het voortraject en het doel van het proefsleuvenonderzoek
Op basis van een booronderzoek en een oppervlaktekartering zijn door
RAAP 121 potentiële vindplaatsen gekarteerd binnen het plangebied. De
vindplaatsen dateren uit verschillende periodes, waarin de nadruk lijkt te
liggen op het neolithicum en de Romeinse tijd. Op de lössgronden zijn
er echter een aantal factoren, waaronder de aanwezigheid van colluvium
en selectieve erosie, waarmee bij de interpretatie van oppervlaktevondsten
rekening gehouden moet worden. Zo kan er verplaatsing van materiaal
voorkomen en kunnen bepaalde periodes, zoals de metaaltijden, door het
nagenoeg ontbreken van diagnostisch vondstmateriaal dat goed bewaard
blijft aan het oppervlak ondervertegenwoordigd zijn. Om de gekarteerde
vindplaatsen beter te kunnen beoordelen dienden ze gewaardeerd te worden
door middel van proefsleuven.83
Op basis van het RAAP-onderzoek heeft het bevoegd gezag (de gemeente
Maastricht) besloten dat een aantal vindplaatsen binnen het plangebied
nader verkend moest worden door proefsleuven (19 in totaal). In feite
betrof het die vindplaatsen die zich binnen de te verstoren delen van
het plangebied bevonden, dat wil zeggen het bedrijventerrein Europark
80 Roymans & Van Waveren 2002.
81 B. Zickgraf & B. Schroth, 2008: Geophysical survey at the “Lanakerveld”, Maastricht (intern rapport).
82 Zie bijlage 10 voor een voorlopig verslag van de werkzaamheden.
83 Roymans & Van Waveren 2002.
32 LANAKERVELD
op het noordelijke deel en de woningbouwlocatie op het zuidelijke deel.
Daarnaast is in het uiterste westen van het plangebied, waar een leemgroeve
geëxploiteerd gaat worden, een klein booronderzoek uitgevoerd. Doel van
dit onderzoek was te achterhalen of er kans bestond op het aantreffen
van vindplaatsen uit het midden-paleolithicum op deze locatie, die tot op
aanzienlijke diepte verstoord zou gaan worden.
Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen
opgesteld,84 waarin de doelstelling van het onderzoek als volgt geformuleerd
wordt: het vaststellen van de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de
locaties (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) teneinde tot
waardestelling te kunnen komen.
Op basis van het proefsleuvenonderzoek en de daardoor verkregen
waarderingen en aanbevelingen zal het bevoegd gezag uiteindelijk beslissen
over de behoudenswaardigheid van een vindplaats alsmede over het
vervolgtraject (vrijgeven, opgraven of beschermen).
4.3 Vraagstellingen
Om tot een waardering en selectiebesluit te komen zijn in het PvE de
volgende vraagstellingen opgesteld, die door middel van het proefsleuvenonderzoek beantwoord dienden te worden. De vraagstellingen zijn
opgesteld aan de hand van de kennislacunes die genoemd worden in de
Archeologiebalans 2002 en de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie
(NO.A)
Landschap en bodem
• Wat is de regionale (gebied van ca. 5 x 5 km) landschappelijke context
van het onderzoeksgebied?
• Door welke sedimentatie- en erosieprocessen is het landschap ontstaan,
en wat is de ouderdom van de verschillende stadia? Welke landschappelijke veranderingen zijn in het onderzoeksgebied opgetreden vanaf het
Mesolithicum?
• Hoe is de archeologisch relevante geologische en bodemkundige opbouw
van de ondergrond en het reliëf in het onderzoeksgebied? Zijn er
aanwijzingen dat de huidige brikgronden ontstaan zijn door degradatie
van zgn. Schwarzerden.
• Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen en wat is
de relatie tussen afzettingen, bodemtypen, reliëf en de aanwezigheid
van vindplaatsen? Wat zegt dit over de locatiekeuze en het vroegere
landgebruik?
• Hoe was (volgens de beschikbare literatuur) de ontwikkeling van het
biotisch landschap van het onderzoeksgebied vanaf het laat-Glaciaal?
• Is er in de directe omgeving een locatie aan te wijzen waar water
aanwezig is geweest? Op welke afstanden bevinden de vindplaatsen zich
hiervan?
• Wat is de cultuurlandschappelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied en wat is de cultuurlandschappelijke ligging van de vindplaatsen?
• Zijn er aanwijzingen voor landgebruik in de diverse periodes in de zin
van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, etc.?
84 Soeters & Van der Gaauw 2007.
LANAKERVELD
17 40 00
33
17 50 00
23
Pla ng e b ie d
19
v in dp la a ts e n RA A P
20
32 10 00
32 10 00
21
61
Pro e f s le u v e n
84
62
B e ge le id in g
2
82
Ma gn e to me te r
3
86
80
O p pe r v lakte kar te ring
24
16
24
18
29
121
77
78
34
14
17
27
28
31
56
25
13
66
55
53
65
35
4
73
42
76
6
32 00 00
32 00 00
37
22
75
38
N
67
57
0
25 0m
17 40 00
17 50 00
Figuur 4.1
Plangebied met RAAP vindplaatsen en locaties van de verschillende onderzoeken
Gaafheid en conservering
• Wat is de mate van conservering en gaafheid van de specifieke sites en/
of off-site verschijnselen?
• Wat is de aard en kwaliteit van de bodem qua conservering van
archeologische resten en in welke lagen of gebieden zijn deze resten of
aanwijzingen voor landgebruik te verwachten?
• Bestaan er verschillen in de conservering van archeologische resten
binnen het onderzoeksgebied als gevolg van erosie, afdekking en
bodemvorming?
• Zijn er in de directe omgeving van de vindplaats betere conserveringsomstandigheden te verwachten?
• Wat zijn de relaties tussen de verschillende vindplaatsen? Betreft het
grote, aaneengesloten sites of kleinere, discrete clusters archeologische
resten met daartussen een diffuse verspreiding van archeologica?
Beschrijf de verschillen.
• In hoeverre zijn grondsporen vervaagd door bodemvorming? Bestaat
hierin verschil tussen sporen uit verschillende perioden, zo ja welke?
Op welk niveau zijn eventuele grondsporen leesbaar en hoe duidelijk
tekenen zich de grondsporen af?
• Is er een relatie tussen het (micro)reliëf en de conservering van de
archeologische resten?
34 LANAKERVELD
Figuur 4.2
Perioden en sites
• Wat is per archeologische locatie in het onderzoeksgebied: de ligging
(inclusief diepteligging), omvang (inclusief verticale dimensies), aantal
sites en/of perioden, type en functie van de sites of off-site-patronen,
samenstelling van de archeologische resten (grondsporen, materiële en
organische vondsten), vondstdichtheid, stratigrafie, ouderdom, periode,
typo-chronologische classificatie?
• Wat is in het onderzoeksgebied de ruimtelijke verspreiding, zowel
in horizontale als in verticale zin, van vindplaatsen, sites en off-sitepatronen?
• Is het mogelijk om op vindplaatsen met resten uit verscheidene perioden
of fasen, ruimtelijke patronen te onderscheiden?
• In hoeverre is er sprake van verschuivingen in de nederzettingspatronen
en landgebruik in de loop van de tijd?
• Bestaat er tussen de verschillende neolithische nederzettingsterreinen,
inclusief de reeds bekende vindplaatsen op de locaties Groeve Klinkers
en Groeve Belvedère, chronologische en/of functionele verschillen dan
wel overeenkomsten en waarin komen die tot uiting?
• Heeft bij de eventuele neolithische vuursteenvindplaatsen de bewerking
ter plekke plaatsgevonden of is er slechts sprake van eindproducten?
• Is op basis van het vondstmateriaal uit de LBK vindplaats(en) vast te
stellen tot welke Siedlungskammer de vindplaatsen gerekend mogen
worden? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van andere vroegneolithische groepen zoals Limburg, La Hoguette en Blicquy? Zo ja, is er
inzicht in de relatie tussen deze groepen, met name chronologisch?
Overzicht van de proefsleuven in het zuidelijke deel van het plangebied MaastrichtLanakerveld.
LANAKERVELD
35
Figuur 4.3
Aanleg van de proefsleuven.
•
•
•
Tot welke regionale groep kan/kunnen de eventuele Michelsbergvindplaats(en) onderscheiden worden en op basis waarvan?
Is er bij vindplaats 18 sprake van de periferie van een Romeins nederzettingsterrein (villa- dan wel proto-villa of inheemse nederzetting) en hoe
is dit aan te tonen? Is een duidelijke eindfase van de vindplaats aan te
geven en op basis waarvan?
Is een verklaring voor het ontbreken van vroegmiddeleeuwse vondsten
in het gehele plangebied en zo ja, op basis waarvan is die uitspraak
mogelijk?
4.4 Methodiek proefsleuven algemeen
Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de
archeologische waarde van een vindplaats of, meer algemeen, een gebied
zonder dat daarbij direct grote vlakken worden uitgegraven. Een belangrijk
kenmerk is dat bij deze vorm van onderzoek het bodemarchief wel wordt
blootgelegd, maar zo min mogelijk wordt beroerd. Slechts een selectie
van de sporen wordt gecoupeerd om beter gefundeerde uitspraken over
conservering en datering van een vindplaats te kunnen doen. Binnen het
huidige proefsleuvenonderzoek zijn in principe alle sporen gecoupeerd
tenzij in het veld al duidelijk was dat ze onderdeel uitmaakten van een
groter geheel zoals een structuur.
Het opgravingsvlak is direct onder de bouwvoor of onder het colluvium
aangelegd zodat de sporen duidelijk leesbaar waren. Over het algemeen
was dit in de top van de Bt-horizont. In enkele gevallen waren sporen al op
een hoger niveau zichtbaar en is hier in het veld op ingespeeld. De sleuven
zijn machinaal verdiept met een vlakke graafbak en op schavende wijze.
Vondsten zijn hierbij per laag en in vakken van maximaal 5 bij 2, 4 of 6 m
verzameld (afhankelijk van de breedte van de proefsleuf). Het aanleggen van
het vlak is met een metaaldetector begeleid.
Het vlak is handmatig geschaafd, gefotografeerd en ingetekend op schaal
1:50. Sporen lieten zich over het algemeen herkennen als verkleuringen
36 LANAKERVELD
in de natuurlijke ondergrond. Het zijn de restanten van ingegraven
palen, gegraven kuilen en greppels, haardplaatsen etc. (zie bijlage 1
sporenlijst). Vondsten zijn, waar mogelijk, per spoor verzameld (zie bijlage
2 vondstenlijst). Na documentatie van het opgravingsvlak is (een selectie
van) de aanwezige grondsporen gecoupeerd. De coupes van de sporen
zijn getekend op een schaal van 1:10. Sporen en structuren zijn vervolgens
gefotografeerd met een digitale camera. Met een Infrarood Theodoliet
(IRT) zijn tenslotte alle putwanden, meetbuizen, vlakhoogtes en profielen
ingemeten in het landelijke coördinatenstelsel.
Om de geologische karakteristieken van het onderzoeksgebied en de
gaafheid van de vindplaatsen vast te kunnen leggen, zijn er om de 20 m
profielkolommen gedocumenteerd. De één meter brede kolommen zijn
getekend op een schaal van 1:20 en gefotografeerd. Op alle onderzochte
vindplaatsen zijn ook diepere profielgaten gegraven en gedocumenteerd.
4.5 Methodiek per vindplaats
Binnen het plangebied zijn in totaal 19 vindplaatsen door middel van
proefsleuven onderzocht. Hierbij is per vindplaats steeds in grote lijnen
het in het PvE opgestelde puttenplan gehanteerd. Indien is afgeweken van
het puttenplan is dit in overleg met het bevoegd gezag gebeurd. In enkele
gevallen zijn, ook in overleg met het bevoegd gezag, extra proefsleuven
aangelegd buiten de door RAAP aangegeven begrenzingen van vindplaatsen
(totaal 2459 m2). Dit werd onder andere noodzakelijk geacht wanneer
het vermoeden bestond dat de vindplaats groter was dan de door RAAP
aangegeven begrenzingen.
Vindplaats
Aantal
sleuven
Breedte Onderzocht
sleuven (m) areaal (m2)
2
8
2/4/6
1034
3
1
6
160
4
1
6
322
18
7
4/6
876
22
5
4/6
1453
24
2
6
693
29
2
2
197
31
2
2
254
42
6
4/6
770
53
9
4/6
1871
61
4
2
313
62
3
2/4
244
66
2
2
150
67
1
2
70
73
2
2
115
76
1
2
67
82
2
2/4
221
84
2
2
115
Erdwerk
3
2
386
4.6 Methodiek begeleiding fietspad
De archeologische begeleiding van het uitgraven van het wegcunet ten
behoeve van de aanleg van een fietspad over de westelijke flank van het
Zouwdal werd uitgevoerd in september-oktober 2008 (15 sept -31 okt
2008). Het fietspad wordt aangelegd binnen een groenzone. Naast het
fietspad worden greppels aangelegd ter afwatering en tevens worden enkele
waterbassins gegraven binnen de groenzone.
Tabel 4.1
Aantal sleuven en onderzocht areaal per
vindplaats.
-5342000
-5343000
N
0
250m
28
26 27 27
30
29
-358000
2425
23
20 21
36
32
33
38
34
39
35
Overzicht van proefsleuven in het plangebied Maastricht-Lanakerveld.
-358000
57
19
62
63
1312
-357000
66
69
65
68
18
18
64
67
17
56 55
16
-357000
79
40
74
73
48
47
75 41
42
45
2
1
4
46 49
510
53 50 50
54
78
3
15
5
44
6
14
43
52
76
77
11
10
71 7 70
58
61
60
59
59
-5342000
-5343000
Figuur 4.4
LANAKERVELD
37
38 LANAKERVELD
In en nabij het plangebied voor het fietspad zijn bij het archeologisch
vooronderzoek diverse vindplaatsen aangetroffen. De begrenzing van de
vindplaatsen kon daarbij slechts globaal worden vastgesteld. Het is daardoor
zeer wel mogelijk dat enkele vindplaatsen zich uitstrekken tot in het tracé
van het fietspad. Hoewel op grond van de beschikbare archeologische
informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet direct
nodig is, maakt deze begeleiding het mogelijk om bovenstaande veronderstelling te verifiëren.85
Een actieve begeleiding betekent in dit geval dat tijdens de aanleg van
het cunet een archeologisch vlak wordt aangelegd op ca. 50 cm –mv. In
sommige gevallen is het vlak dieper aangelegd. Er is gewerkt met een kraan
met een gladde bak en met een ervaren kraanmachinist. Er werd één vlak
aangelegd. Bij de aanleg van het vlak is systematisch gebruik gemaakt van
de metaaldetector. Ook de stort is regelmatig afgezocht met een detector.
Sporen die tijdens de begeleiding werden aangetroffen zijn gedocumenteerd
en afgewerkt conform KNA 3.1 (zie verder methodiek proefsleuven paragraaf
4.4).
Een beknopt verslag van de archeologisch begeleiding van het fietspad is
opgenomen als zijnde bijlage 10.
85 Soeters, Van der Gauw & Peters 2008.
LANAKERVELD
Figuur 4.5
Magnetometer onderzoek
39
40 LANAKERVELD
LANAKERVELD
41
5 Resultaten verkennend booronderzoek (locatie leemgroeve)
A. Verpoorte
In het uiterste noordwesten van het plangebied is een verkennend
booronderzoek uitgevoerd op een terrein dat bestemd is voor leemwinning
ten behoeve van de productie van gevelstenen. Het terrein sluit aan bij leemontginningen op Belgisch grondgebied en zal na de exploitatie deel uit gaan
maken van het grensoverschrijdende industrieterrein Europark.
5.1 Uitgangspunten voor het onderzoek
Doel van het booronderzoek was vast te stellen of er op dit terrein
geologische afzettingen zijn waarin archeologische resten uit de oude
steentijd bewaard gebleven kunnen zijn?
Bij het ontwerp van het onderzoek is uitgegaan van leemwinning niet
dieper dan 60 m +NAP. Dit is gebaseerd op de eindafwerking van het
leemwinningsterrein tot op een hoogte van circa 60 m +NAP. Bij de uit het
onderzoek voortvloeiende aanbevelingen is uitgegaan van bodemingrepen
tot tenminste 60 m +NAP. De werkelijke diepte van leemwinning is
onbekend.
5.2 Onderzoeksvragen
Het verkennend booronderzoek was niet opgenomen in het oorspronkelijke
PvE.86 Gedurende het veldwerk is echter vanuit de opdrachtgever de
wens geuit om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Aangezien het een
Figuur 5.1
173000
173500
174000
320500
320500
Locatie onderzoeksgebied met
boorpunten.
1
2
4
5
B61F2083
3
320000
320000
6
B61F2038
N
0
250m
173000
86 Soeters & Van der Gaauw 2007.
B61F2036
173500
174000
42 LANAKERVELD
verkennend onderzoek betrof, hoefde er geen aanvulling op het PvE te
komen maar kon worden volstaan met een Plan van Aanpak. Deze is
ter goedkeuring overlegd aan het bevoegd gezag waarna het veldwerk is
uitgevoerd.
Onderzoek op een aantal vindplaatsen in de directe omgeving heeft
duidelijk gemaakt dat de archeologische resten uit deze periode bewaard
zijn gebleven in laagpakketten tussen de bovenste löss (waarvan de
onderkant gemarkeerd wordt door de bodemhorizont van Nagelbeek
en de ‘patina-discordantie’) en oude Maasafzettingen (Maasterrassen).
In de groeve Maastricht-Belvédère liggen de meeste vondsten ingebed
in fijnkorrelige rivierafzettingen, maar er zijn ook vondsten bekend uit
lössafzettingen bewaard in een karstdepressie.87 De vindplaatsen in de
groeve Veldwezelt-Hezerwater liggen in fijnkorrelige afzettingen tegen de
rand van een oud Maasterras (‘Rothem-terras’).88 In Kesselt-Op de Schans
zijn de vondstconcentraties geassocieerd met zandige, licht humeuze hellingafzettingen.89 Tenslotte zijn verplaatste, wit gepatineerde artefacten
bekend uit een erosiehorizont (‘patina-discordantie’) die in een groot gebied
aangetroffen is (vondsten onder andere uit Kesselt-groeve Nelissen en uit
profielen langs het Albertkanaal).90
Bij het booronderzoek stonden de volgende vragen centraal:
• Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de bodemhorizont
van Nagelbeek, wat is de dikte van deze horizont en het hele bovenste
lösspakket?
• Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de ‘patina-discordantie’?
• Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de top van het Cabergterras (‘Maasgrind’)?
• Wat is de dikte en lithologie van de sedimentpakketten tussen de ‘patinadiscordantie’ en de top van het Caberg-terras?
5.3 Onderzoeksmethode
Ter beantwoording van de onderzoeksvragen zijn met een Edelmanboor
(doorsnede ca 6 cm) 6 handboringen gezet. De maximale diepte van de
boringen was 850 cm. De sedimenten zijn beschreven met behulp van
een voor de lokale situatie aangepaste standaardboorbeschrijving. De
coördinaten en maaiveldhoogte van de boringen zijn gebaseerd op de AHN
(afwijkingen respectievelijk +/- 10 m en +/- 20 cm). De boorbeschrijvingen
zijn opgenomen in bijlage 3.
De veldgegevens zijn aangevuld met DINO-data (TNO-NITG 2007) voor
het onderzoeksgebied. Deze boorgegevens zijn in de eerste plaats gebruikt
voor informatie over de diepte van grindige afzettingen (bovenkant van het
Caberg-terras).
5.4 Resultaten
De onderzoeksvragen zijn als volgt te beantwoorden.
87
88
89
90
Roebroeks 1988, Roebroeks et al. 1997, De Loecker 2006, De Warrimont 2007.
Bringmans 2006, De Warrimont 2007.
Van Baelen et al. 2007.
Lauwers & Meijs 1985, Meijs 2002.
LANAKERVELD
Figuur 5.2
173000
173500
43
174000
320500
320500
Kaart met lössdiktes in het
onderzoeksgebied.
320000
65
0
320000
500
0
55
N
600
319500
250m
319500
0
173000
173500
174000
5.4.1 Bovenste löss
Het bovenste lösspakket heeft een dikte tussen de 450 cm (boring 2) en
700 cm (boring 6). De onderkant van de bovenste löss wordt gemarkeerd
door de bodemhorizont van Nagelbeek en bevindt zich op een diepte van
maximaal 59,4 m +NAP (boring 3) tot een diepte van maximaal 55 m +NAP
(boringen 1 en 5). De dikte van de Nagelbeek horizon varieert tussen 105
cm (boring 4) en 20 cm (boringen 1, 2 en 5). De dikte is het geringst op het
noordoostelijke deel van het terrein.
5.4.2 De ‘patina-discordantie’
De ‘patina-discordantie’ is een deflatiehorizont met een scherpe, erosieve
ondergrens. Hij is in alle boringen aangetroffen en de ondergrens van dit
complex bevindt zich op een diepte tussen 59,1 m +NAP (boring 3) en 55 m
+NAP (boringen 1 en 5).
5.4.3 Het Caberg-terras
Onder de top van het Caberg-terras wordt de bovenkant van het pakket
Maasafzettingen verstaan. Deze afzettingen bestaan met name uit grove
zanden en grinden. De top van het grind is in 4 boringen aangetroffen. De
diepte wisselt tussen de 55 m +NAP (boringen 1, 2 en 5) en 56,4 m +NAP
(boring 6). In boringen 3 en 4 is geen grind aangetroffen en moeten deze
afzettingen dieper liggen dan 57,5 m +NAP.
De DINO-data geven wezenlijke additionele informatie over het verloop
van het Caberg-terras in het onderzoeksgebied. Bij de boorbeschrijvingen is de top van het bovenste grindpakket of grindrijk en grof zand
"!
"!!
"!#
"!%
"!'
"! 44 LANAKERVELD
&"#
&"%
&"'
&#
&#!
&##
&#%
&#'
&$
%#$
%#
%"$
%"
%!$
%!
% $
%
%$
%
$($
$(
$'$
$'
$&$
$&
$%$
$%
$$$
$$
$#$
$#
$"$
$"
$!$
$!
$ $
$
Figuur 5.3
geïnterpreteerd als de bovenkant van het Caberg-terras. Uit de hoogtelijnenkaart blijkt dat er sprake is van twee terrassen, namelijk het Caberg-3-terras
(bovenkant circa 55 m +NAP) en het Caberg-2-terras (bovenkant circa 59 m
+NAP). De rand tussen deze twee terrassen is 4 m hoog en loopt midden
door het onderzoeksgebied.
In boringen 3, 4 en 6 ligt het grind dieper dan 59 m +NAP. Mogelijk
wijst dit op een insnijding in het Caberg-2-terras bijvoorbeeld door een
geulsysteem.
5.4.4 Dikte en lithologie van de pakketten tussen de ‘patina-discordantie’ en het
Caberg-terras
In vier boringen zijn laagpakketten aangetroffen onder de ‘patinadiscordantie’ en boven het Maasgrind.
In het noordwestelijke deel van het terrein ligt de bovenste löss vrijwel
onmiddellijk op het onderliggende Caberg-3-terras. In boringen 1 en 5
bevindt het Maasgrind zich onmiddellijk onder de ‘Brabant-löss’. Alleen
in boring 2 is een 50 cm dikke laag met bruingrijs fijn en grof zand
aangetroffen.
In boringen 3, 4 en 6 in het zuidoostelijke deel van het terrein zijn
fijnkorrelige afzettingen aangetroffen. De bovengrens van de afzettingen ligt
tussen 59 m en 57 m +NAP. In boring 6 betreft het een 50 cm dik pakket
van gelaagde lemen en fijne zanden. In boring 4 is een zeer kleiige leem
(‘hoogvloedleem’?) aangetroffen, waardoor verder boren met de Edelman
niet mogelijk was. In boring 3 is een leempakket aangetroffen met een
minimale dikte van 140 cm. Deze fijnkorrelige afzettingen vormen mogelijk
de opvulling van een insnijding in het Caberg-2-terras.
5.5 Interpretatie
Op basis van het booronderzoek kan het terrein in drie zones onderverdeeld
worden, namelijke een zuidwestelijk deel, een middendeel en een
noordoostelijk deel.
Hoogtelijnenkaart van de top van het
Caberg-terras.
45
LANAKERVELD
m+NAP
B61F2036
B61F2038
6
3
B61F2083
4
zo ne 1
1
2
zo ne 2
5
zone 3
65
60
55
Caberg-2-terras
Caberg-3-terras
“
loss
zand
zand+leem
leem
grind
profiel
Figuur 5.4
Schematische geologische doorsnede van het
onderzoeksgebied.
Figuur 5.5
Onderzoeksgebied met drie onderscheiden
zones.
174000
320500
173500
320500
173000
1
2
zone 3
4
5
zone 2
B61F2083
zone 1
65
0
320000
500
6
320000
3
B61F2038 55
0
N
1
Archol boring
B61F2036 B61F2036
600
Dino boring
0
250m
173000
319500
319500
profiel
zonerintg
173500
174000
46 LANAKERVELD
5.5.1 Het zuidwestelijke deel (vindplaats 125)
In het zuidwestelijke deel van het terrein zijn fijnkorrelige afzettingen
aangetroffen onder het bovenste lösspakket en op Maasafzettingen
(waarschijnlijk van het Caberg-2-terras). Deze fijnkorrelige afzettingen
bestaan uit fijne zanden, lemen en kleien, afgezet in een laag-energetische
omgeving (mogelijk verschillende facies van een geulsysteem). In
deze afzettingen is er kans op een goede conservering van organisch
materiaal en een goed bewaarde ruimtelijke verspreiding van vondsten.
De omstandigheden zijn vergelijkbaar met de geologische context waarin
de vindplaatsen in de groeve Maastricht-Belvédère zijn ingebed.91 In
Maastricht-Belvédère zijn 12 archeologische vindplaatsen aangetroffen op
een gebied van circa 6 hectare. Op grond hiervan zijn in het zuidwestelijke
deel archeologische resten te verwachten.
5.5.2 Het middendeel (vindplaats 126)
Door het terrein loopt een terrasrand gevormd door het Caberg-2 en
Caberg-3-terras. Tegen deze terrasrand kunnen hellingafzettingen met
lössgronden en bodems bewaard blijven. Een vergelijkbare situatie doet zich
voor in de groeve Veldwezelt-Hezerwater waar archeologische vindplaatsen
aangetroffen zijn in de afzettingen tegen de terrasrand van het Rothemterras.92 Op grond van deze informatie moet ook in het middendeel
rekening gehouden worden met de aanwezigheid van archeologische resten
in een zone van 50 tot 100 m tegen de terrasrand aan.
5.5.3 Het noordoostelijke deel
In het noordoostelijke deel ligt een pakket ‘Brabant-löss’ met een dikte
van 4,5 tot 5 m vrijwel direct op de Maasafzettingen die het Caberg-3terras vormen. De top van het Caberg-3-terras is geërodeerd. Er kunnen
incidenteel verplaatste, gerolde en verweerde paleolithische artefacten aan
de bovengrens van de grindige en zandige afzettingen gevonden worden,
maar de kans op weinig verstoorde vindplaatsen is klein. In de ‘Brabantlöss’ zijn geen paleolithische vondsten te verwachten.
5.6 Conclusie en aanbevelingen
Goed geconserveerde archeologische resten van de vroegste bewoning
van Nederland zijn zeldzaam en bijzonder. Van uitzonderlijk belang is de
geologische context van de archeologische resten omdat de geologische
context unieke en noodzakelijke informatie bevat over de ouderdom, het
klimaat en het landschap van de vroegste bewoners.
In twee zones op het leemontginningsterrein, namelijk het zuidwestelijk
(vindplaats 125) en middendeel (vindplaats 126), moet rekening gehouden
worden met de aanwezigheid van goed geconserveerde archeologische
resten in een informatieve geologische context (zie figuur 5.6). De lagen
waarin deze resten bewaard zijn bevinden zich op een diepte lager dan 59 m
+NAP.
Nader onderzoek van het terrein verdient aanbeveling. Op grond van de
ervaringen met de prospectie van lössgroeven in Belgisch en Nederlands
Limburg93 verdient het aanbeveling om de leemontginningsactiviteiten
geologisch en archeologisch te begeleiden.
91 Roebroeks 1988, De Warrimont 2007.
92 Bringmans 2006, De Warrimont 2007.
93 cf. De Warrimont 2007.
LANAKERVELD
47
Daartoe zijn de volgende factoren van belang:
• toegang tot het terrein;
• aanleg van profielwanden in ZO-NW-richting (loodrecht op de
terrasrand) en NO-ZW-richting (dwars op de mogelijke insnijding
in het Caberg-2-terras), ligging van de profielen in overleg tussen
archeologische begeleider en ontginner;
• tijd voor het schoonmaken, inmeten, tekenen, beschrijven en indien
nodig bemonsteren van profielen;
• draaiboek/plan voor het geval er archeologische resten gevonden worden
en een archeologische noodopgraving nodig is;
• scenario voor het geval er menselijke resten gevonden worden en een
grootschalig, multidisciplinair, wetenschappelijk onderzoek nodig is.
Indien de geplande ingrepen niet dieper rijken dan 60 m +NAP is geen
archeologische begeleiding nodig.
48 LANAKERVELD
LANAKERVELD
49
6 Resultaten Proefsleuvenonderzoek
In dit hoofdstuk zullen de belangrijkste resultaten van het proefsleuvenonderzoek gepresenteerd worden. Hierbij komt in eerste instantie de
algemene bodemopbouw binnen het plangebied aan bod. Vervolgens
worden per vindplaats de ligging, de verwachting op basis van het RAAP
onderzoek, de conservering en de archeologische resultaten van het proefsleuvenonderzoek besproken.
Naast de 19 reeds bekende vindplaatsen heeft het onderzoek heeft drie
nieuwe, niet door RAAP gekarteerde vindplaatsen opgeleverd (vindplaatsen
122, 123 en 124). Deze vindplaatsen zijn doorgenummerd vanaf het laatste
door RAAP uitgegeven vindplaatsnummer.
6.1 Bodemopbouw van het plangebied
De ondergrond van het plangebied bestaat uit meerdere lössplateaus
gelegen op het Caberg-terras (Caberg-3). De plateau’s worden doorsneden
door twee (erosieve) droogdalen: het Zouwdal en het Heeswater of Wandal.
Het Zouwdal is een droogdal dat semi-permanent watervoerend is geweest
terwijl het Heeswater tot in de Late Middeleeuwen nog permanent
watervoerend is geweest en afwaterde op de Maas.94
Op de bodemkaart staat de bodem van het gebied ten noorden van het
Zouwdal omschreven als een bergbrikbodem. Dit geldt eveneens voor het
gebied ten zuiden van het Heeswater. Het terrein tussen beide droogdalen
in wordt ingedeeld bij de radebrikgronden.95 Bergbrikgronden zijn
brikgronden waarbij de Bt- of B-horizont aan of direct onder het oppervlak
voorkomt. De oorspronkelijke A-horizont en soms een deel van de Bt is
door erosie verdwenen. Indien de B-horizont ook is verdwenen spreekt
men van Ooivaaggronden in löss.96 Radebrikgronden zijn niet-geërodeerde
brikgronden. Ze maken voornamelijk deel uit van kleine en grote plateaus.
Veelal is de E- of A2-horizont in de bouwvoor opgenomen of door erosie
verdwenen en spreekt men dus van bergbrikgronden.97
In het noordoosten van het plangebied zijn op drie locaties een E-horizont
(laag 5020, figuur 6.1) in de profielkolommen waargenomen (put 7, 8,
12 en 13). Het betreft hier nog een laatste restant van de onderkant van
een E-horizont die door een (relatief dikke) laag colluvium is afgedekt.
Dit colluvium maakt deel uit van een graft.98 Graften zijn voornamelijk
gevormd door oppervlakte-erosie (sheet-erosion) en sedimentatie tegen een
overwegend rechte rand van een vegetatiestrook op een helling.99 Naarmate
het proces van erosie en sedimentatie sterker is, wordt de graft hoger. Veelal
zijn ze ook begroeid en vormen ze tegenwoordig nog een onlosmakelijk
onderdeel van het Zuid-Limburgse landschap. Omdat graften worden
gevormd door een opeenhoping van colluvium kunnen ze ook beschouwd
worden als zogenaamde artefact-traps (figuur 6.2).
94 Mondelinge mededeling E. Meijs en zie ook Meijs 2002.
95 Bodemkaart van Nederland 1:500000, 1990.
96 Toelichting bij kaartblad 61-62 West-Oost Maastricht-Heerlen, Vleeshouwer en Damoiseaux,
1990.
97 In de dagelijkse praktijk zien we echter dat de aanwezigheid van een Bt-horizont wordt gezien
als een aanwijzing voor een radebrikgrond en het ontbreken daarvan als aanwijzing voor
een bergbrikgrond. Men spreekt dan ook wel van een “onthoofd” profiel. (Paal)sporen zijn dan
meestal niet meer aanwezig.
98 Richel- of ribbelvormige verhogingen in het veld (Beckers 1927).
99 Breteler & Van den Broek 1968.
50 LANAKERVELD
Figuur 6.1
Bodemprofiel in proefsleuf 8.
De bodemopbouw in het plangebied kenmerkt zich door een metersdik
lösspakket (zogenaamde Brabant-löss)100 dat bestaat uit een onverstoorde
gelaagde C-horizont (laag 5050) waarboven de B-horizont (laag 5035) is
gelegen. Deze bestaat uit een overgangszone (laag 5040) van de B naar de
C-horizont en daarboven, indien aanwezig, een Bt-horizont (laag 5030). Op
de B(t)-horizont is in bijna alle gevallen een laagje (jong) colluvium (laag
5010) en een bouwvoor (laag 5000) gelegen. Opmerkelijk is de geringe dikte
van de bouwvoor (ca. 30-40 cm) gezien de jarenlange akkerbewerking en de
dikte van het colluvium (ca. 10-20 cm).
In de beschrijving van de archeologische resultaten wordt nogmaals
ingegaan op de bodemopbouw per vindplaats.
6.1.1 Conservering
De bodemopbouw wijkt af van de eerste opname die door RAAP is
verricht.101 Daar wordt voor een zeer groot deel van het plangebied een
(deels) intacte E-horizont verondersteld. Daarbij wordt wel aangegeven
dat het verschil tussen colluvium en E-horizont in de boor moeilijk is vast
te stellen. Aangezien tijdens het proefsleuvenonderzoek een E-horizont
maar op een zeer beperkt deel van het plangebied is aangetroffen dient de
veronderstelde conservering van de vindplaatsen in principe naar beneden
bijgesteld te worden. In de praktijk wordt een archeologisch vlak op de
overgang van E- en Bt horizont of top Bt-horizont aangelegd. Indien een
E-horizont aanwezig is, zijn (neolithische) sporen daarin meestal niet
herkenbaar. Sporen uit de periode late prehistorie tot en met middeleeuwen
kunnen echter wel zichtbaar zijn in de E-horizont.102
100 Meijs 2002.
101 Roymans & Van Waveren 2002.
102 Algemeen wordt er van uit gegaan dat de uitspoeling van lutum (waardoor een E-horizont
ontstaat) voornamelijk tijdens en na de bandkeramiek heeft plaatsgevonden. Vandaar het
opmerkelijke kleurverschil tussen bijvoorbeeld bandkeramische en midden-neolithische
sporen (roodbruin versus vuilgrijs).
N
0
250m
174000
Graften op het Lanakerveld zoals te zien op het Actueel Hoogtebestand Nederland.
Figuur 6.2
174000
175000
175000
LANAKERVELD
51
321000
320000
321000
320000
52 LANAKERVELD
Van belang voor de huidige conservering van de vindplaatsen is het gegeven
dat een (dun) laagje colluvium bijna overal is aangetroffen. Dit betekent
dat door middel van akkerbewerking (ploegen, etc.) de vindplaatsen,
op een aantal gevallen na, niet worden aangesneden of aangetast. Daar
waar de bouwvoor direct op de B-horizont is gelegen zal wel aantasting
plaatsvinden van het bodemarchief door beakkering. Oudtijds heeft er
echter wel aantasting van het bodemarchief plaatsgevonden getuige de
vondsten gedaan in het colluvium en oppervlaktevondsten. Men mag echter
aannemen dat het huidige niveau van het maaiveld ongeveer hetzelfde is
geweest als vroeger. De aanwezigheid van de Bt-horizont laat zien dat de
Ap- en E-horizont ofwel zijn opgenomen in de bouwvoor of zijn geërodeerd.
Concluderend kan gesteld worden dat de conservering van de vindplaatsen
minder goed is dan aanvankelijk is gesteld tijdens het verkennend
booronderzoek. Een radebrikgrond is niet aangetroffen en tijdens het
proefsleuvenonderzoek zijn alleen bergbrikgronden waargenomen. Echter,
ondanks dat gesproken moet worden van bergbrikgronden, is de mate van
erosie redelijk beperkt gebleven. Er heeft een kleine mate van afspoeling
plaatsgevonden waardoor de top van de Bt-horizont nog bijna overal
aanwezig is. Gezien de flauwe hellingsgraad en de aanwezige graften in het
onderzochte deel van het Lanakerveld zou het opzienbarend zijn indien de
Bt-horizont ook geërodeerd zou zijn. Alleen de oorspronkelijke Ap- en Ehorizont zijn deels afgespoeld en/of deels opgenomen in de bouwvoor.
6.1.2 Bergbrik, Nagelbeekafzetting en patinacomplex
Zoals al vermeld kan de bodemopbouw van het onderzochte deel van het
plangebied algemeen beschreven worden als een bergbrikgrond waarbij
een dun laagje colluvium de Bt-horizont afdekt (nauwelijks tot geen erosie
van de Bt-horizont) of afsnijdt (Bt-horizont deels geërodeerd). De Ap- en Ehorizont zijn deels geërodeerd en/of opgenomen in de bouwvoor.
Er zijn echter twee profielen gedocumenteerd die afwijkend zijn van het
algemene beeld. Het betreffen een bodemprofiel uit put 60 (pro 60.01) dat
vlak langs het Wandal/Heeswater is aangelegd en een profiel dat is gezet ter
hoogte van put 35 (pro 35.02).
Bergbrikprofiel
Het profiel in put 60 laat een andere opbouw zien dan algemeen voorkomt
in het plangebied. Hetzelfde geldt eigenlijk ook voor de profielopbouw in
put 59 en 61. Alle profielen zijn gezet op een deel van het terrein dat steil
afloopt in de richting van het droogdal. Er is hier dan ook geen sprake meer
van een bergbrikgrond maar van een ooivaaggrond. Het opmerkelijke echter
is dat, in tegenstelling tot de profielen in put 59 en 61, in put 60 nog wel
een deel van de B-horizont is overgebleven en dus nog een bergbrikgrond
vormt. De bodemopbouw van profiel 60.01 is weergegeven in figuur 6.4.
Duidelijk is hier nog een restant van een B-horizont en zelfs de overgang
naar de C-horizont te zien. Daarboven bevinden zich restanten van een
E-horizont die overgaat in de ondergelegen B-horizont. Het geheel is
vervolgens afgedekt door een dik pakket oud colluvium (kleine fragmentjes
vuursteen) en vervolgens een jong colluvium (met brokjes steenkool).
De gevolgen van hellingerosie zijn in dit profiel dus goed zichtbaar. De
oorspronkelijke bodem is echter grotendeels bewaard gebleven en afgedekt
door van boven afgeschoven hellingmateriaal: het colluvium.
321000
320500
320000
26
30
27
31
28
N
173500
0
29
E - horizont
B(E) - horizont
colluvium
250m
25
24
174000
22
23
21
36
32
20
37
33
38
34
Bodemopbouw en sporenconservering binnen het plangebied.
Figuur 6.3
174000
39
35
19
57
56
18
64
67
16
17
55
62
65
68
174500
63
66
69
174500
13
12
11
53
54
78
79
8
9
51
52
76
71 7
70
10
50
75
77
73
40
72
3
48
74
46
49
2
47
45
4
42
44
5
41
43
6
15
14
1
175000
58
61
59
60
175000
321000
320500
320000
173500
LANAKERVELD
53
54 LANAKERVELD
Figuur 6.4
Profiel 60.01.
Nagelbeekafzetting en patinacomplex
Een tweede profiel dat door zijn samenstelling opmerkelijk genoemd kan
worden, bevindt zich ter hoogte van put 35. Hoewel de opbouw van het
bovenste gedeelte van de bodem (Ap- en B-horizont) weinig verschilde van
omliggende profielen, kon vastgesteld worden dat er wel een aanzienlijk
verschil in opbouw van de C-horizont was.
Hoewel de Nagelbeekhorizont normaal pas onder een enkele meters
dik gelaagd pakket ontkalkt moedermateriaal (C-horizont) zichtbaar is,
bleek deze in dit profiel hoger te zijn gelegen. Dit is te verklaren door het
feit dat het profiel redelijk hoog op het plateau gelegen is, waar het in het
Pleistoceen afgezette lösspakket minder dik is.
Figuur 6.5
Profiel 35.02.
LANAKERVELD
55
Zoals in figuur 6.5 is te zien bevindt zich onder de eerste halve meter Chorizont de zogenoemde Nagelbeek-horizont. Deze grijsgeel gekleurde
horizont, die is ontstaan als gevolg van bodemvorming in het Weichselien103
is weer gelegen op de “patina-laag”of het “patina-complex”.104 Dit complex
ontstond na een zeer koude en droge periode waarbij een polar desert
pavement werd gevormd. Daarbij zijn de lichtere delen van de bodem
“weggeblazen” waardoor alleen zwaardere elementen in de bodem (stenen,
kiezels en artefacten) overbleven die uiteindelijk een laagje vormden: het
patina-complex. Deze winderosie creëerde een geheel nieuw landschap.
De vorm van het huidige landschap is daarna ontstaan toen een deken van
eolische löss (Brabantlöss) bovenop het patina-complex is afgezet.105
6.2 Archeologische resultaten noordelijk deel (bedrijventerrein
Europark)
In het noordelijk deel van het plangebied, dat ontwikkeld gaat worden voor
de bouw van het Nederlandse deel van het bedrijventerrein Europark zijn in
totaal 12 RAAP vindplaatsen onderzocht. Van oost naar west gaat het om de
vindplaatsen 2, 61, 62, 82, 84, 24, 3, 18, 29, 31, 66 en 42. Binnen dit deel
van het plangebied zijn twee nieuwe vindplaatsen gedefinieerd, namelijk
vindplaats 122 en 123.
6.2.1 Vindplaats 2
Inleiding
Vindplaats 2 vormt samen met vindplaatsen 19, 20 en 23 één grote
neolithische vindplaats, die doorsneden wordt door de spoorlijn MaastrichtLanaken. De vindplaats is op basis van het bij de oppervlaktekartering
verzamelde vondstmateriaal geïnterpreteerd als een nederzettingsterrein dat mogelijk deels in het vroege neolithicum (LBK) te dateren is.
Gezien de vondst van een fragment van een geslepen bijl die hergebruikt
is als afslagkern, was bij het RAAP onderzoek al duidelijk dat er ook een
jongere (midden-/ laat-neolithische) component aanwezig was in het
vondstmateriaal.
De vindplaats wordt in het plangebied aan de noordoostzijde begrensd
door de spoorlijn Maastricht-Lanaken en is in eerste instantie verkend
door middel van zes proefsleuven. Op basis van deze sleuven ontstond het
vermoeden dat de vindplaats de door RAAP aangegeven begrenzing zou
kunnen overschrijden. Daarom zijn in zuidwestelijke en noordwestelijke
richting nog twee extra sleuven (put 6 en put 15) gegraven.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op de rand van het droogdal van de Zouw. In het
zuidoostelijk deel (put 1) is geen intact lössprofiel meer waargenomen. Het
lössdek is hier geheel geërodeerd aangezien zich direct onder de bouwvoor
de grindige afzettingen van het Maasterras bevinden. Op het overige deel
van de vindplaats zijn nauwelijks sporen van erosie waargenomen. In veel
gevallen is de Bt-horizont grotendeels intact en afgedekt door colluvium,
103 Bodemvorming vond plaats ca. 20.000 BP (Haesaerts et al. 1981) na een periode van vulkanisme in de Eiffel waarbij eveneens het Eltvillertuf is afgezet.
104 Genoemd naar de windpatina die zich op paleolithische artefacten heeft gevormd (Meijs
2002).
105 Meijs 2002.
56 LANAKERVELD
174800
174900
20
61
84
62
2
P14
82
3
86
80
24
16
24
18
121
78
77
34
14
17
27
28
321000
321000
P3
P4
P2
P5
P1
2
P15
N
P6
0
174800
25m
LBK
post-LBK
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
174900
Figuur 6.6
waarvan de dikte varieert tussen de 5 en 20 cm. Het sporenvlak ligt in de
top van de Bt, gemiddeld 40 tot 50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Afgezien van put 1 zijn in alle putten op vindplaats 2 antropogene sporen
gevonden, bestaande uit verspreid liggende paalkuilen en kuilen. Verder
zijn enkele concentraties bandkeramisch aardewerk in het afdekkende
colluvium aangetroffen.
Op basis van vulling en geassocieerd vondstmateriaal zijn de grondsporen
op deze vindplaats in te delen in twee groepen. Eén groep is toe te schrijven
aan de lineaire bandkeramiek en is geconcentreerd in put 5 en 6. Het gaat
om een kleine cluster paalkuilen in put 5 en enkele losse kuilen in put 5
en 6. Ook het vondstmateriaal uit deze periode lijkt beperkt te zijn tot deze
twee putten. Een grote kuil met een diameter van ruim drie meter is als
afvalkuil te interpreteren (S6.3). De kuil heeft een maximale diepte van 25
cm en bevatte een aanzienlijke hoeveelheid vondstmateriaal (zie hoofdstuk
7).
Overzicht vindplaats 2.
LANAKERVELD
57
De tweede groep sporen heeft een lichte, geelbeige vulling. De vulling van
deze sporen is ook beduidend minder compact dan bij de bandkeramische
sporen het geval is. Sporen van deze groep bevinden zich in put 2, put 6
en put 15. Eén van de sporen (S6.7) heeft een kleine scherf opgeleverd,
vermoedelijk van vroeg-middeleeuws Mayen aardewerk, alhoewel een
oudere datering in de late prehistorie niet uit te sluiten is. Sporen met
vergelijkbare vulling en structuur elders op het Lanakerveld zijn in de
periode late bronstijd – vroege middeleeuwen gedateerd.
Vondstmateriaal
Er is op deze vindplaats sprake van een lage vondstdichtheid. Naast de
reeds vermelde concentraties aardewerk, kunnen we alleen in enkele
bandkeramische kuilen in put 5 en 6 (met name S6.3) spreken van een
hoge vondstdichtheid. Het diagnostische bandkeramische aardewerk is
hoofdzakelijk in fase Id te dateren met een mogelijke uitloop naar fase
IIb. Opvallend binnen het vuursteen van deze vindplaats is een spits van
Simpelveld-vuursteen (zie hoofdstuk 8).
Het overige vuursteen uit putten 2 t/m 5 en 14 kan gekarakteriseerd
worden als een grove opportunistische industrie, die goed in het laatneolithicum of de bronstijd kan thuishoren. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werd bovendien een tweede fragment van een geslepen bijl gevonden
die was hergebruikt als kern en oorspronkelijk in het midden- of late
neolithicum te plaatsen is.
Het aardewerk dat buiten de bandkeramische kuilen / vondstconcentraties
gevonden is, is lastig te duiden. Bij de aanleg van het sporenvlak in putten
2, 5 en 6 is handgevormd aardewerk uit de periode metaaltijden tot en met
(mogelijk) vroege middeleeuwen gevonden.
Botanisch onderzoek
Eén monster van deze vindplaats, afkomstig uit kuil 6.3 is onderzocht
op botanische macroresten.106 Naast vrij veel kleine stukjes houtskool
werden in het residu 2 fragmenten en 1 complete korrel van verkoold tarwe
(Triticum sp.) aangetroffen. De tarwesoort past in het bekende gewassenspectrum van de LBK
Conclusie
Het grootste deel van deze vindplaats is goed geconserveerd. In vrijwel alle
gegraven putten is een Bt-horizont of restant daarvan waargenomen, wat
erop wijst dat er nauwelijks erosie plaatsgevonden heeft. Deze Bt-horizont
is bovendien afgedekt door een colluvium, dat het sporenniveau beschermd
heeft tegen de verstorende werking van landbouwactiviteiten. Alleen de
meest zuidoostelijke hoek van de vindplaats, ter hoogte van put 1, is geheel
verstoord. Door erosie is het lössdek hier geheel verdwenen waardoor zich
direct onder de bouwvoor de grinden van het maasterras bevinden.
De vindplaats heeft twee verschillende groepen sporen opgeleverd. Eén
daarvan is als bandkeramisch te bestempelen. De datering van de andere
groep is onduidelijk, aangezien geen eenduidig dateerbaar vondstmateriaal
is aangetroffen. Vooralsnog wordt deze groep in de periode late bronstijdvroege middeleeuwen geplaatst. De sporen zijn vermoedelijk onderdeel van
106 Het botanisch onderzoek is uitgevoerd door W.J. Kuiper van het botanisch laboratorium van
de Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden.
58 LANAKERVELD
vindplaats 122 (zie paragraaf 6.2.11), een uitgestrekt nederzettingsterrein uit
de late bronstijd / ijzertijd
De bandkeramische sporen van vindplaats 2 lijken samen met
vindplaatsen 19, 20 en 23 onderdeel uit te maken van een uitgestrekt nederzettingsterrein. Sporen en vondstmateriaal uit deze periode clusteren in put
5 en 6. Deze putten liggen buiten de door RAAP aangegeven begrenzing
van de vindplaats. De vindplaats is dus groter en strekt zich verder in
zuidwestelijke richting uit. Opmerkelijk is het nagenoeg ontbreken van
duidelijk bandkeramische sporen en vondstmateriaal in de putten die dwars
over de vindplaats aangelegd zijn. De weinige aangetroffen sporen, de
concentraties vondstmateriaal en de met nederzettingsafval gevulde kuil 6.3
wijzen desondanks duidelijk in de richting van een nederzetting, waarvan
de kern zich vermoedelijk in de directe nabijheid van putten 5 en 6 bevindt.
Naast bandkeramisch en mogelijk vroeg-middeleeuws vondstmateriaal
bevindt zich in het vondstmateriaal ook een component die mogelijk in
het late neolithicum of de bronstijd te plaatsen is. Twee fragmenten van
geslepen bijlen (waarvan één aangetroffen bij de oppervlaktekartering door
RAAP) zijn in ieder geval in het midden of late neolithicum te dateren.
Vooralsnog zijn er geen sporen eenduidig aan deze periode toe te wijzen en
gaat het dus om los vondstmateriaal.
6.2.2 Vindplaatsen 61 en 62
Inleiding
Vindplaatsen 61 en 62 liggen vlak naast elkaar, ongeveer 150 m ten
noordwesten van vindplaats 2. Bij de oppervlaktekartering door RAAP
werd een klein aantal vuurstenen artefacten aangetroffen (vindplaats
61: 4 afslagen en een klingfragment; vindplaats 62: 2 afslagen). Beide
vindplaatsen zijn op basis van het booronderzoek waarin direct onder de
bouwvoor de top van een onverstoord bodemprofiel werd geconstateerd als
kleine vuursteenconcentraties uit de steentijd gekarakteriseerd.
De vindplaatsen zijn onderzocht door middel van vijf proefsleuven
(vindplaats 61: put 8 t/m 11; vindplaats 62, put 7), waarbij specifiek gelet
is op de aanwezigheid van vuursteenconcentraties in de onverstoorde löss
(>5 artefacten per m2). Dergelijke concentraties zijn niet aangetroffen. In
het zuidelijk deel van put 7 werd in het colluvium wel een aanzienlijke
hoeveelheid vondstmateriaal uit een latere periode geborgen. Om de aard
van dit materiaal beter te kunnen bepalen zijn ten zuiden en westen van put
7 twee extra putten gegraven (put 70 en 71).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
Beide vindplaatsen bevinden zich op het plateau ten noorden van het
droogdal van de Zouw. Op beide vindplaatsen heeft nauwelijks erosie
plaatsgevonden en wordt de Bt-horizont door een in dikte variërend
colluvium afgedekt. In het zuidelijk deel van put 7 en in put 70 is de
conservering van de bodem dermate goed dat zelfs de E-horizont nog deels
bewaard gebleven is (zie hoofdstuk 2.2). Het colluvium op vindplaats 62
en in het gebied ten zuiden daarvan heeft een aanzienlijke dikte (variërend
van 20 tot bijna 60 cm). Op de Actuele Hoogtekaart van Nederland (AHN)
is op de locatie een min of meer zuidoost-noordwest lopende wal zichtbaar.
Het gaat hierbij om een zogenaamde graft: een lage wal die werd aangelegd
LANAKERVELD
174700
321100
321100
174650
321050
321050
P9
P10
P11
61
321000
P8
321000
62
P7
320950
Overzicht vindplaatsen 61 en 62.
320950
Figuur 6.7
59
P71
N
P70
0
25m
174650
late bronstijd / ijzertijd
Romeinse tijd / middeleeuwen?
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
174700
ter voorkoming van erosie. De diepte van het sporenvlak (top van de Bthorizont) varieert van 60-90 cm onder maaiveld op vindplaats 62 tot 40-60
cm onder maaiveld op vindplaats 61.
Grondsporen
Zowel vindplaats 61 als 62 hebben antropogene sporen opgeleverd. Deze
kunnen echter niet gekoppeld worden aan het vuursteenmateriaal dat bij de
oppervlaktekartering gevonden is, maar dateren uit latere periodes.
60 LANAKERVELD
In put 70 is een tweetal kuilen gevonden (S1 en S4), die op basis van het
hierin aangetroffen aardewerk hoogstwaarschijnlijk in de late bronstijd te
plaatsen zijn. In put 7 is één mogelijk antropogeen spoor gevonden van een
onbekende ouderdom.
Op vindplaats 62 zijn alleen in put 8 en 9 antropogene sporen
aangetroffen. Het gaat om drie verspreid liggende (paal)kuilen in put 8,
die verder geen dateerbaar vondstmateriaal hebben opgeleverd. In zowel
put 8 als put 9 zijn verder twee rechthoekige kuilen opgegraven. De
kuilen hebben een min of meer platte bodem en een vulling die rijk is
aan houtskool en verbrande klei. Ook in deze kuilen is geen dateerbaar
vondstmateriaal gevonden, maar de relatief losse vulling doet vermoeden dat
het om kuilen met een Romeinse of zelfs nog recentere datering gaat.107
Vondstmateriaal
Over het algemeen is er op vindplaatsen 61 en 62 sprake van een lage
vondstdichtheid. Er is nauwelijks vondstmateriaal aanwezig en niets dat
wijst op de aanwezigheid van vuursteenconcentraties in onverstoorde löss.
Ook zijn geen grondsporen gevonden, die eventueel in de steentijd te
dateren zijn.
Het aanwezige vuursteen is verzameld uit het colluvium en bestaat
voornamelijk uit ondefinieerbare brokken, waar slechts sporadisch
duidelijke afslagen tussen zitten (N=4). Er zijn twee duidelijke werktuigen
aanwezig in de vorm van een deel van een brede geretoucheerde kling en
een steile kopkrabber op een ruw gevormde afslag. Het vuursteenmateriaal kan gezien worden als representatief voor een weinig geformaliseerde,
opportunistische industrie die het best in het late neolithicum of latere
periodes te plaatsen is.
Het colluvium in het zuidelijk deel van put 7 en dat in putten 70 en 71
was relatief rijk aan vondstmateriaal, waaronder aardewerk en gebroken
steen. Het aardewerk is relatief uniform met een fijne tot licht minerale
magering. Sterk met kwarts gemagerd aardewerk komt slechts een enkele
keer voor. Het aardewerkcomplex past het best in de late bronstijd, alhoewel
een zeer grofgemagerde bodemscherf eventueel ook ouder kan zijn.
Conclusie
De bodem en het sporenniveau zijn op beide vindplaatsen uitstekend
bewaard gebleven. In put 7 (vindplaats 62) is zelfs nog een deel van de Ehorizont waargenomen. Wel moet worden opgemerkt dat in tegenstelling
tot de conclusie van het booronderzoek er geen sprake is van een
onverstoord bodemprofiel direct onder de bouwvoor, maar van een (relatief
onverstoord) bodemprofiel dat wordt afgedekt door colluvium.
Het gaat bij vindplaatsen 61 en 62 niet om vuursteenvindplaatsen in
onverstoorde grond zoals verwacht op basis van de oppervlaktekartering van
RAAP. Het weinige vuursteen kan gekarakteriseerd worden als een opportunistische industrie die het best in de periode laat-neolithicum / bronstijd
te plaatsen is. Grondsporen bestaan op vindplaats 61 uit twee rechthoekige
kuilen met onbekende functie. Beide kuilen waren rijk aan houtskool
en verbrande klei en dateren waarschijnlijk uit de periode Romeinse tijd
– Middeleeuwen.
107 De opgraving van BAAC op het Belgische deel van het Europark bedrijventerrein heeft
vergelijkbare kuilen opgeleverd. In één daarvan is een grote scherf Romeins aardewerk
gevonden, wat op een datering in de Romeinse tijd zou kunnen wijzen (mond. mededeling
S. Mooren, BAAC). Een andere mogelijkheid is dat de kuilen samenhangen met de belegering
van Maastricht in de Tachtigjarige Oorlog (pers. comm. G. Soeters, Maastricht).
LANAKERVELD
61
In het zuidelijk deel van put 7 en in put 70 en 71 is in het colluvium een
relatief grote hoeveelheid aardewerk en gebroken steen verzameld. In put 70
zijn daarnaast twee kuilen aangetroffen met vergelijkbaar vondstmateriaal.
Het hele complex is vermoedelijk in de late bronstijd te dateren. De sporen
maken zeer waarschijnlijk onderdeel uit van vindplaats 122, een uitgestrekte
zone van nederzettingssporen uit de late bronstijd / vroege ijzertijd.
6.2.3 Vindplaats 82
Inleiding
Vindplaats 82 ligt ongeveer 150 m ten westen van vindplaats 62. Tijdens de
oppervlaktekartering door RAAP zijn drie afslagen en een kling gevonden
en is op basis van boringen vastgesteld dat direct onder de bouwvoor een
onverstoord bodemprofiel met aan de top een E-horizont ligt. De vindplaats
is door RAAP geïnterpreteerd als een kleine vuursteenconcentratie uit de
steentijd.
De vindplaats is gewaardeerd door middel van 2 proefsleuven (put 12
en 13), waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van vuursteen in de
onverstoorde löss (>5 artefacten per m2).
Figuur 6.8
Overzicht vindplaats 82.
174520
174540
20
61
84
62
2
82
3
86
320920
320920
80
24
16
24
18
29
121
77
78
34
14
17
27
28
31
82
320900
320900
P13
P12
N
0
10m
174520
late bronstijd / ijzertijd
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
174540
62 LANAKERVELD
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw. Het bodemprofiel is uitstekend geconserveerd. Wel is gebleken
dat er direct onder de bouwvoor geen onverstoorde löss ligt maar colluvium.
Dit colluvium is 20-40 cm dik en dekt de Bt-horizont af. Op sommige delen
van de vindplaats is onder het colluvium nog een restant van de E-horizont
in het profiel waargenomen. Het colluvium maakt deel uit van een graft
zoals ook het geval is bij vindplaats 62 (zie hoofdstuk 6.2.2). Op de Actuele
Hoogtekaart van Nederland (AHN) is direct ten zuiden van de locatie een
min of meer oost-west lopende wal (graft) zichtbaar. Het sporenvlak (top
van de Bt-horizont) ligt 60 – 70 cm onder maaiveld.
Grondsporen
Zowel in put 12 als put 13 zijn duidelijke antropogene sporen aangesneden.
Deze zijn echter niet te koppelen aan steentijdbewoning. Op basis van
de vulling en in één geval geassocieerd vondstmateriaal zijn de sporen te
dateren in de late bronstijd of vroege ijzertijd. Zowel in put 12 als put 13
bevinden zich een viertal goed geconserveerde paalsporen (diepte 15-25 cm),
waar vooralsnog geen structuur in te herkennen was. Daarnaast zijn in put
12 een greppel en een kuil aangetroffen. Een kuil in put 13 (spoor 13.1) is op
basis van de kleur van de vulling mogelijk ouder te dateren.
Vondstmateriaal
De sporen in put 12 en 13 en het afdekkende colluvium hebben een beperkte
hoeveelheid vondstmateriaal opgeleverd. Opmerkelijk in het complex is een
duidelijke midden-neolithische component, wat onder andere blijkt uit de
aanwezigheid van een typische druppelvormige spits met geretoucheerde
randen, een afslag van een geslepen, gefacetteerde bijl van Valkenburgvuursteen en een vermoedelijk fragment van een aardewerken tulpbeker
(typisch Michelsberg). Op de akker, zo’n 30 m ten zuidoosten van de
vindplaats werd tijdens het huidige onderzoek tenslotte nog een spitskling
van Lanaye-vuursteen gevonden. Het grootste deel van de vondsten is
afkomstig uit het colluvium. Alleen de spits is afkomstig uit een kuil (spoor
12.4). De kuil dateert, gezien de aanwezigheid van veel goed dateerbaar
aardewerk, echter niet in het midden-neolithicum, maar in de late bronstijd
of vroege ijzertijd. De spits en een fragment van een vermoedelijke pijlschachtpolijster van zandsteen (mogelijk bandkeramisch) uit deze kuil zijn
dus te beschouwen als opspit.
Conclusie
Het bodemprofiel op vindplaats 82 is deels goed geconserveerd en afgedekt
door een pakket colluvium. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een
vuursteenvindplaats in onverstoorde löss, het meeste vondstmateriaal
is uit het colluvium verzameld. Er bevindt zich een duidelijke middenneolithische component in het vondstmateriaal wat mogelijk wijst op
een nederzettingsterrein uit deze periode in de directe omgeving van de
vindplaats. De aangetroffen grondsporen dateren echter alle uit de late
bronstijd of vroege ijzertijd en vormen onderdeel van een grotere zone met
nederzettingssporen uit de metaaltijden (vindplaats 122).
LANAKERVELD
63
6.2.4 Vindplaats 84
Inleiding
Vindplaats 84 ligt vlak ten oosten van de Lanakerweg tegen de Belgische
grens op ongeveer 200 m ten noordwesten van vindplaats 82. Tijdens de
oppervlaktekartering door RAAP zijn twee klingfragmenten gevonden,
waarvan één met gebruiksretouche. Op basis hiervan en op basis van
booronderzoek waarbij geconcludeerd is dat zich direct onder de bouwvoor
de E-horizont bevindt is de vindplaats gekarakteriseerd als een kleine vuursteenconcentratie uit de steentijd.
De vindplaats is verkend door middel van 2 proefsleuven (put 16 en
17), waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van vuursteen in de
onverstoorde ondergrond (>5 artefacten per m2).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw. Er is geen sprake van een onverstoord bodemprofiel direct onder
de bouwvoor zoals op basis van het booronderzoek verondersteld werd. De
onverstoorde löss, waarvan de top gevormd wordt door de Bt horizont wordt
afgedekt door colluvium met een dikte van 15-30 cm. Het sporenvlak (top
van de Bt-horizont) ligt op 50 cm onder maaiveld.
Grondsporen
In beide putten is een klein aantal grondsporen gedocumenteerd. In put 16
zijn twee kuilen aangetroffen en in put 17 een kuil en een mogelijk paalgat.
Figuur 6.9
Overzicht vindplaats 84.
174330
174340
320990
320990
321000
174320
321000
174310
N
post-LBK
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
0
P16
320980
320980
84
P17
10m
174310
174320
174330
174340
64 LANAKERVELD
Het is onduidelijk of het antropogene sporen betreft, of slechts natuurlijke
verstoringen. In de grondsporen is geen vondstmateriaal aangetroffen.
Vondstmateriaal
De enige vondst van deze vindplaats betreft een niet nader te determineren
brok vuursteen uit het colluvium. Er is geen vuursteen aangetroffen in
onverstoorde löss.
Conclusie
Het bodemprofiel op vindplaats 84 is goed geconserveerd, alhoewel geen
sprake is van een onverstoord bodemprofiel direct onder de bouwvoor
zoals op basis van het booronderzoek werd verondersteld. Er zijn geen
aanwijzingen gevonden voor een vuursteenvindplaats in onverstoorde löss.
De vindplaats heeft wel enkele grondsporen opgeleverd, maar deze kunnen
zeer goed van natuurlijke oorsprong zijn.
6.2.5 Vindplaats 24
Inleiding
Vindplaats 24 ligt ongeveer 200 m ten zuiden van vindplaats 84 en wordt
doorsneden door de Lanakerweg. De oppervlaktekartering door RAAP
leverde een bescheiden hoeveelheid vuurstenen artefacten op (5 afslagen,
waarvan één verbrand, een kling met gebruiksretouche, een schrabber en
een klingschrabber met steile kap (LBK) ). Gecombineerd met de boringen
waarin een relatief onverstoord bodemprofiel was waargenomen werd op
deze locatie een bandkeramisch nederzettingsterrein verwacht.
De vindplaats is verkend door middel van twee proefsleuven (put 18 en
19). De proefsleuven liggen in elkaars verlengde aan weerszijden van de
Lanakerweg. Een deel van de vindplaats is eveneens doorsneden bij de
aanleg van een fietspad iets ten zuiden van de proefsleuven.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw en is over het algemeen goed geconserveerd. De enige verstorende
factor is de Lanakerweg, die de vindplaats over een breedte van circa 15 m
verstoord heeft. Parallel aan de Lanakerweg, direct ten oosten en westen,
is het bodemprofiel verstoord. Ten westen van de Lanakerweg is deze
verstoring het grootst. Hier bevindt zich een 10 m brede verstoring tot in de
C-horizont. Mogelijk loopt deze over de gehele lengte van de Lanakerweg
door. Direct ten oosten van de Lanakerweg (tot circa 5 m uit de weg) bestaat
de verstoring slechts uit aftopping van de Bt-horizont, die hier direct
onder de bouwvoor ligt. Op het resterende deel van de vindplaats is het
bodemprofiel goed geconserveerd. De Bt-horizont is hier afgedekt door een
ongeveer 10 cm dik colluvium. De diepte van het sporenvlak ligt tussen de
40 en 50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Zowel in put 18 als put 19 zijn antropogene sporen aangetroffen die wijzen
op de aanwezigheid van een bandkeramisch nederzettingsterrein. Put
18 ligt duidelijk in de kern van een bandkeramisch erf. Centraal in deze
put is een plattegrond van een bandkeramisch huis met geassocieerde
Overzicht vindplaats 24.
Figuur 6.10
N
27
18
3
0
P39
28
24
84
24
34
17
121
16
78
82
77
80
62
25m
61
14
86
2
20
P19
174300
174300
24
24
121
P18
174400
174400
LBK
late bronstijd / ijzertijd
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
P62
16
LANAKERVELD
65
320800
320800
66 LANAKERVELD
Figuur 6.11
De huisplattegrond op vindplaats 24.
kuilen aangesneden (structuur 1). De sporen van de plattegrond zijn goed
geconserveerd. Een selectie van de paalkuilen is gecoupeerd. De dieptes
van de wandpalen (spoor 18.23 en 18.43) lag tussen de 20 en 30 cm onder
het opgravingsvlak. De centrale staanders (spoor 18.30, 18.33 en 18.41)
waren nog tussen de 20 en 40 cm diep. Ter weerszijden van de plattegrond
liggen de karakteristieke geassocieerde langskuilen. Deze dienden primair
om leem uit te winnen en dienden vervolgens als afvaldump. Dit laatste
is duidelijk gebleken bij het couperen van een segment van één van
deze kuilen (spoor 18.11), waarbij een grote hoeveelheid vondstmateriaal
verzameld is. De kuil was op dit punt nog 1,20 m diep.
De plattegrond is opgebouwd uit losse palen aan weerszijden van het
huis die onderdeel uitmaken van de wand en driepalenrijen (DPR) die
de dakconstructie hebben gedragen. Twee driepalenrijen zijn dubbel
gesteld. Aangezien een geheel omsluitende wandgreppel ontbreekt, kan
het huis toegewezen worden aan het type 1b. De dubbele paalkuilen
wijzen er bovendien op dat hier het zuidoostelijke deel van de plattegrond
aangesneden is.108 Het huis is noordwest-zuidoost georiënteerd en de
breedte bedraagt 4,9 m.
Ten zuidwesten van de huisplattegrond is een tweede cluster kuilen en
paalkuilen aangetroffen. Hier was echter geen structuur in te herkennen.
Ook in dit cluster bevond zich een vondstrijke kuil, waarvan een segment
gecoupeerd is (spoor 18.7). Ten oosten van de huisplattegrond zijn slechts
twee grondsporen waargenomen. Eén daarvan is een recente verstoring. De
andere is een ondiepe kuil met bandkeramisch aardewerk (spoor 18.50).
In put 19 is het beeld wat diffuser. Toch bevinden zich ook hier duidelijke
kuilen met bandkeramisch aardewerk (spoor 19.1 en 19.14). Ook zijn
verschillende duidelijke paalkuilen aanwezig, waaruit echter geen structuur
gereconstrueerd kon worden.
Er zijn verschillende aanwijzingen dat de vindplaats groter is dan de door
RAAP aangegeven begrenzingen. Op ongeveer 20 m ten oosten van de
huisplattegrond, feitelijk al buiten de vindplaats, bevindt zich nog een kuil
met bandkeramisch aardewerk. Ook in westelijke richting is de vindplaats
108 Modderman 1970.
LANAKERVELD
67
groter, wat blijkt uit de aanwezigheid van een bandkeramische kuil in het
zuidelijk deel van put 39 (vindplaats 18). Op basis van de archeologische
begeleiding kan gesteld worden dat de vindplaats eveneens naar het zuiden
toe zich verder uitspreidt (ruim 100 m). In het wegcunet werden namelijk
de restanten van drie bandkeramische huisplattegronden aangetroffen
evenals enkele bandkeramische kuilen gevuld met nederzettingsafval.
Vondstmateriaal
Het gros van het vondstmateriaal van deze vindplaats is afkomstig uit de
kuilen die geassocieerd zijn met de huisplattegrond in put 18 (spoor 18.10,
18.11 en 18.49). Na gebruikt te zijn voor de winning van leem eindigden
deze kuilen als afvaldumps waarmee de concentratie aan vondstmateriaal
verklaard wordt. De kuilen leverden een grote hoeveelheid bandkeramisch
huisafval op, waaronder aardewerkscherven, vuurstenen werktuigen en
bewerkingsafval alsmede fragmenten natuursteen.
Onder het aardewerk uit spoor 18.11 bevinden zich onder andere fragmenten
van twee versierde flesvormige potten. Het dateerbare materiaal uit de met
de plattegrond geassocieerde kuilen vooral toe te wijzen aan fase 1c en 1d.
Alleen bij het aardewerk uit spoor 18.49 is uitloop mogelijk tot in fase 2a.
In het vuursteenassemblage bevinden zich een complete ongebruikte
vuursteenknol en een grote hoeveelheid decorticatie- en grove preparatieafslagen, die kenmerkend zijn voor de eerste fase van vuursteenbewerking.
Er zijn relatief weinig afslagen en klingen aanwezig in het materiaal. De
aangetroffen werktuigen bestaan uit een geretoucheerde kling, een kling
met hoogglans op één zijde, een mogelijke boor, enkele eindkrabbers en één
spits.
Het natuursteen omvat onder andere een fragment rode oker en een
fragment van een dissel van amfiboliet. Het overige materiaal bestaat
voornamelijk uit zandsteen en kwartsiet. Bij de herkende werktuigen van
deze steensoorten gaat het met name om maalsteenfragmenten. Ook zijn
enkele klop- en slijpstenen aanwezig.
Botanisch onderzoek
Ter waardering is één monster (5 liter) uit spoor 18.11 uitgezeefd op het
botanisch laboratorium van de faculteit der archeologie (Universiteit
Leiden) en nagekeken op verkoolde botanische macroresten. Het monster
bleek arm aan zaden. Herkend zijn graan (4 fragmenten) en emmertarwe
(Triticum dicoccum) (1 korrel en een stukje kaf). Emmertarwe is een bekend
voedselgewas in het vroege neolithicum.
Conclusie
Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat het bij deze vindplaats
duidelijk een bandkeramisch nederzettingsterrein betreft. Afgezien van de
verstoring die veroorzaakt is door de Lanakerweg en eventueel de zones
direct ten oosten en westen daarvan (tot maximaal 10 m) is de vindplaats
goed geconserveerd. De Bt-horizont is intact en afgedekt door een 10 cm
dik colluvium. De vindplaats is verkend door middel van twee proefsleuven.
Hierin is een huisplattegrond van het type 1b uit fase 1c/1d aangesneden.
Verspreid liggende kuilen en paalkuilen suggereren dat elders op de
vindplaats meer structuren aangetroffen kunnen worden.
68 LANAKERVELD
De begrenzing van het nederzettingsterrein is op basis van het proefsleuvenonderzoek groter getrokken dan de indicatieve begrenzing van de
vindplaats die door RAAP is aangegeven. Zo is in het zuidelijke deel van put
39 (vindplaats 18) een bandkeramische kuil aangesneden, waardoor gesteld
kan worden dat de vindplaats in noordwestelijke richting groter is. Drie
eindschrabbers, die tijdens het proefsleuvenonderzoek aan het oppervlak
gevonden zijn, wijzen er bovendien op dat de vindplaats vermoedelijk ook
in zuidwestelijke richting verder doorloopt. Dit vermoeden werd bevestigd
door de vondst van drie bandkeramische huisplattegronden die tijdens de
archeologische begeleiding van het fietspad werden aangetroffen. Een kuil
met bandkeramisch aardewerk in het uiterste oosten van put 18 wijst erop
dat de vindplaats ook in oostelijke richting groter is.
6.2.6 Vindplaats 3
Inleiding
Vindplaats 3 ligt vlak ten westen van de Lanakerweg tegen de Belgische
grens. Bij de oppervlaktekartering door RAAP werd op deze locatie een klein
aantal vuurstenen artefacten verzameld (1 afslagkern en 2 afslagen, waarvan
één geretoucheerd). Op basis hiervan en op basis van het booronderzoek
waarbij direct onder de bouwvoor een onverstoord bodemprofiel werd
waargenomen, is de vindplaats gekarakteriseerd als een kleine vuursteenconcentratie uit de steentijd.
Vindplaats 3 is onderzocht door middel van één proefsleuf (put 35),
waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van vuursteen in de
onverstoorde ondergrond (>5 artefacten per m2). Dergelijke concentraties
zijn niet aangetroffen. Wel zijn in de put grondsporen aangetroffen die
verband houden met vindplaats 18.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw. De bodem is goed geconserveerd. Er is geen colluvium aanwezig
en direct onder de bouwvoor bevindt zich de Bt of een restant daarvan. De
bovenste 5-10 cm hiervan is los en verrommeld, vermoedelijk door landbouwactiviteiten. Het sporenvlak ligt 30-40 cm onder maaiveld.
Grondsporen
Er zijn antropogene sporen aangetroffen op vindplaats 3. Deze kunnen
echter niet gekoppeld worden aan het bij de oppervlaktekartering
aangetroffen vuursteen. De sporen dateren uit de Romeinse tijd en zijn
onderdeel van vindplaats 18. Ze zullen daarom in samenhang met de daar
aangetroffen grondsporen beschreven worden (zie §6.1.4.)
Vondstmateriaal
In put 35 was nauwelijks vondstmateriaal aanwezig. Datgene wat aanwezig
was kan gerelateerd worden aan vindplaats 18. Bij de twee stukken
vuursteen gaat het om niet verder definieerbare brokjes terrasvuursteen.
Conclusie
De bodem op vindplaats 3 is redelijk tot goed geconserveerd. Direct onder
de bouwvoor bevindt zich een restant van de Bt-horizont, waarvan het
LANAKERVELD
69
bovenste deel is aangetast door recente landbouwactiviteiten.
Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor een vuursteenconcentratie in onverstoorde löss. Het verzamelde vuursteen bestaat uit twee niet
nader definieerbare brokjes. De herkomst van het door RAAP aangetroffen
vondstmateriaal is onduidelijk en mogelijk betreft het hier verspoeld of
verploegd materiaal.
Op de vindplaats zijn wel antropogene sporen aangetroffen die tot de
Romeinse vindplaats 18 behoren.
6.2.7 Vindplaats 18
Inleiding
Vindplaats 18 ligt direct ten westen van vindplaats 3. Bij de oppervlaktekartering door RAAP werd een aantal vondsten uit de Romeinse tijd gedaan
(9 dakpanfragmenten en 12 scherven aardewerk) op basis waarvan de
aanwezigheid van een nederzettingsterrein en mogelijk zelfs een villa uit de
Romeinse tijd vermoed werd.
De vindplaats wordt doorsneden door de Belgisch-Nederlandse grens en
ligt dus deels op Belgisch grondgebied. Het Nederlandse deel is in eerste
instantie onderzocht door middel van 5 proefsleuven (put 32 t/m 34 en 37
t/m 38). Aansluitend zijn twee extra sleuven gegraven om een eventuele
begrenzing in westelijke (put 36) en zuidoostelijke richting (put 39) te
kunnen vast stellen. De oostelijke begrenzing van de vindplaats bevindt zich
ter hoogte van vindplaats 3 (put 35).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats ligt op het plateau ten noorden van het droogdal van de Zouw.
De bodem en het grondsporenniveau zijn redelijk tot goed geconserveerd.
In put 32, 33, 34 en 36 bevindt zich onder de bouwvoor een dun colluvium
(5-10 cm dik) met daaronder de Bt-horizont of een restant daarvan. In de
overige putten lag de bouwvoor direct op de Bt-horizont. Het bovenste
deel van de Bt-horizont (5-10 cm) was in deze gevallen verrommeld.
Het colluvium in put 32 was uitzonderlijk grindig en rijk aan Romeins
vondstmateriaal. De diepte van het sporenvlak ligt in de verschillende putten
op 30-50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Afgezien van put 38 zijn in alle putten antropogene grondsporen
aangetroffen. Op één spoor na, een kuil in put 39 (S5), die vermoedelijk een
bandkeramische ouderdom heeft, zijn alle sporen in de Romeinse tijd te
dateren.
Bij de Romeinse sporen gaat het afgezien van een greppelsysteem (zie
hieronder) bijna zonder uitzondering om forse kuilen, die relatief rijk zijn
aan vondstmateriaal. Deze zijn aangetroffen in put 32, 33, 34, 35 en 37.
Daarnaast bevinden zich in putten 34 en 37 enkele clusters paalkuilen. Hier
waren echter geen (onderdelen van) gebouwplattegronden in te herkennen.
Gezien het waarderende karakter van het onderzoek en het feit dat er hier
duidelijk sprake is van een nederzettingsterrein is slechts een selectie van
de sporen gecoupeerd. De diepste kuil had nog een diepte van 1,20 m (put
34, S2). In put 35 is een rechthoekige kuil aangesneden, die qua vorm en
vulling zeer vergelijkbaar is met de rechthoekige kuilen die in put 8 en
70 LANAKERVELD
174200
174250
320850
174150
320850
174100
20
61
84
62
2
P35
82
3
3
86
80
24
16
24
18
121
78
77
34
14
17
27
28
320800
320800
P34
P33
18
P32
320750
320750
P39
P36
P37
Romeinse tijd
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
vermoedelijk
verloop van
omgreppeling
N
P38
0
174100
25m
174150
174200
174250
Figuur 6.12
Overzicht vindplaatsen 3 en 18.
9 (vindplaats 61) zijn aangetroffen. Ook hier is echter geen dateerbaar
vondstmateriaal aangetroffen. De enige vondsten uit deze kuil zijn een
ijzeren spijker en enkele brokjes verbrande leem.
Een opmerkelijk spoor in put 33 is een grote met colluvium-achtig
materiaal gevulde depressie, die Romeins vondstmateriaal bevat. De
maximale diepte van deze depressie is ongeveer 50 cm onder het
sporenvlak. Het in put 33 blootgelegde deel van dit spoor heeft een lengte
van 14 m. In het profiel is duidelijk te zien dat de depressie onder natte
omstandigheden is opgevuld. Er bevindt zich namelijk een inspoelingslaag
onder in de depressie als gevolg van het neerslaan van mineralen en
320700
320700
LBK
LANAKERVELD
71
ijzer. Mogelijk betreft het hier een Romeinse waterkuil of drenkpoel. Een
vergelijkbaar spoor is gevonden bij de opgraving te Veldwezelt-Kesselt, waar
het ook als zodanig geïnterpreteerd is.109
Het geheel van sporen uit de Romeinse tijd op vindplaats 18 lijkt
min of meer te worden afgebakend door een vierkant of rechthoekig
greppelsysteem, bestaande uit een dubbele greppel. De dubbele
omgreppeling is aangesneden in put 32, 34, 37 en 39. Er zijn enkele coupes
over de greppels gezet (put 35, S1 en put 39, S1) waaruit blijkt dat de
greppels nog een diepte van 60 tot 70 cm hebben.
Put 37 is precies aangelegd op het punt waar de binnenste greppel een
hoek omgaat en op basis hiervan kunnen de lengtes van de zuidoostelijke
(en de noordwestelijke) zijde vastgesteld worden. Deze bedragen ca. 145 m
voor de binnenste greppel en ca. 155 m voor de buitenste greppel. De twee
greppels liggen ongeveer 5 m uit elkaar. De hoeken van het greppelsysteem
lijken daarnaast precies in de richting van de hoofdwindstreken wijzen.
Vergelijkbare greppels zijn op verschillende villa-terreinen aangetroffen,
onder andere in het Duitse Rijnland.110
Zoals gezegd lijkt het greppelsysteem de Romeinse bewoning min of
meer af te bakenen. Alleen in westelijke richting is de begrenzing van de
vindplaats onduidelijk aangezien er vanuit de dubbele greppel in put 32 een
andere greppel (S5) deze richting in loopt. Deze dateert echter mogelijk in
de vroege middeleeuwen (zie vondstmateriaal)
Vondstmateriaal
De vindplaats heeft een aanzienlijke hoeveelheid vondstmateriaal
opgeleverd, in de vorm van aardewerk, fragmenten van Romeinse
dakpannen en enkele metalen en glazen objecten (zie hoofdstuk 7 en 8).
Het grootste deel van het vondstmateriaal is afkomstig uit colluvium en de
grondsporen in put 32 en 37. De rest is grotendeels afkomstig uit de kuilen
in put 33 en 34.
De vindplaats heeft een aanzienlijke hoeveelheid Romeinse dakpannen
opgeleverd (N=176), waarvan er 42 nader te determineren waren als
tegulae (N=36) en imbrices (N=5). Opvallend is het ontbreken van andere
baksteenvormen, zoals vloer- of wandtegels, tubuli en hypocaustumtegels. Op basis hiervan kan gesteld worden dat een eventueel gebouw of
gebouwen wel voorzien was van een pannendak, maar niet van een vloerverwarmingssysteem. Het ontbreken van stenen bouwpuin lijkt er ook op te
wijzen dat we niet uit moeten gaan van steenbouw op dit gedeelte van deze
vindplaats, maar van houtbouw.
Het aardewerk dateert de bewoning op deze vindplaats grofweg tussen het
begin van de 2e eeuw tot ergens in de 3e eeuw. Daarnaast zijn er ook enkele
aanwijzingen voor continuïteit van bewoning tot in de vroege middeleeuwen
(en mogelijk ook de laat-Romeinse tijd). Uit de greppel in put 32 die haaks
op de dubbele omgreppeling is aangelegd komt een fragment van een
Merovingische bolpot. Uit de aangrenzende put 36 zijn uit het colluvium
enkele ruwwandige scherven verzameld die in de laat-Romeinse tijd of
vroege middeleeuwen te plaatsen zijn.
Er zijn enkele aanwijzingen voor locale productie van aardewerk
en baksteen op deze vindplaats aanwezig. Zo is uit put 32 een reeks
fragmenten van ruwwandige kookpotten afkomstig, waarbij het op het eerste
109 Pauwels 2007.
110 Stuart & De Grooth 1987, 56-57.
72 LANAKERVELD
gezicht om identieke baksels lijkt te gaan. Het voorkomen van een dominante
bakselgroep, in dit geval binnen het ruwwandige aardewerk, is uitzonderlijk
en wijst mogelijk op locale productie. Twee misbaksels van tegulae zouden
ook in deze richting kunnen wijzen. Mogelijk bevinden zich dus in de buurt
van de vindplaats potten- en/of pannenbakkersovens.
Conclusie
Vindplaats 18 is een goed geconserveerde vindplaats uit de Romeinse tijd. In
putten 37 t/m 39 heeft vermoedelijk matige erosie plaatsgevonden, hoewel de
Bt-horizont hier nog wel overal grotendeels aanwezig was. Deze bevond zich
wel direct onder de bouwvoor. In de overige putten waren Bt en bouwvoor
gescheiden door een dun colluvium (5-10 cm dik).
De vindplaats kan gekarakteriseerd worden als een omgreppeld nederzettingsterrein, waarbinnen vermoedelijk één of meerdere houten gebouwen
met een pannendak gestaan hebben. Het ontbreken van stenen bouwpuin
en baksteenproducten anders dan dakpannen lijkt tegen de aanwezigheid
van een stenen gebouw te pleiten. De bij het proefsleuvenonderzoek
aangetroffen sporen bestaan hoofdzakelijk uit greppels en grote kuilen. Bij
de aanleg van het greppelsysteem, waarbij de hoeken precies in de richting
van de hoofdwindstreken wijzen, is een strakke maatvoering gehanteerd. De
vindplaats lijkt zich grotendeels te beperken tot het gebied binnen de dubbele
omgreppeling. Alleen in westelijke richting is de begrenzing van de vindplaats
niet duidelijk. De vindplaats loopt met zekerheid door op het Belgische deel
van het bedrijventerrein Europark.
Op basis van het vondstmateriaal kunnen op of in de nabijheid van de
vindplaats ook sporen van ambachtelijke activiteiten in de vorm van potten- of
pannenbakkersovens verwacht worden.
Het aardewerk dateert de bewoning in de 2e en 3e eeuw. Er is ook wat
aardewerk uit de vroege middeleeuwen (Merovingische periode) en mogelijk
de laat-Romeinse tijd aanwezig. Bewoningssporen uit deze periode(s) zouden
op deze locatie dus ook verwacht kunnen worden.
6.2.8 Vindplaatsen 29 en 31
Inleiding
Vindplaats 29 ligt ongeveer 30 m ten westen van vindplaats 18. Vindplaats 31
ligt ongeveer 100 m ten zuiden van vindplaats 29. Bij de oppervlaktekartering
door RAAP is een klein aantal vuurstenen artefacten uit het midden- of late
neolithicum verzameld. Op vindplaats 29 ging het hierbij om een mogelijk
fragment van een Michelsberg spitskling en de top van een gepolijste bijl.
Naast een afslag van vuursteen werd op vindplaats 31 ook een fragment van
een geslepen bijl aangetroffen. Het booronderzoek op beide vindplaatsen wees
op de aanwezigheid van een (min of meer intact) onverstoord bodemprofiel
direct onder de bouwvoor. Beide vindplaatsen zijn geïnterpreteerd als nederzettingsterreinen uit het neolithicum, mogelijk met grondsporen.
De twee vindplaatsen zijn elk door middel van twee proefsleuven
onderzocht (vindplaats 29: put 22 en 23; vindplaats 31: put 20 en 21).
Vanwege de aanwezigheid van gewassen moest op beide vindplaatsen worden
afgeweken van het PvE aangezien er slechts sleuven van 2 m in plaats van 4
m breed gegraven konden worden. Er is specifiek gelet op de aanwezigheid
van vuursteenconcentraties in onverstoorde löss (>5 artefacten per m2).
LANAKERVELD
Figuur 6.13
174000
174050
73
174100
320750
320750
Overzicht vindplaatsen 29 en 31.
29
P23
320700
320650
320650
320700
P22
31
N
320600
0
320600
P21
LBK ?
post-LBK
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
25m
P20
174000
174050
174100
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
Beide vindplaatsen liggen op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw. De bodem en het grondsporenniveau zijn goed geconserveerd en
er zijn nauwelijks aanwijzingen voor erosie. Op beide vindplaatsen bevindt
zich onder een laag colluvium (gemiddelde dikte 10 cm) de Bt-horizont.
Het sporenniveau ligt op beide vindplaatsen ongeveer 40 cm onder het
maaiveld.
Grondsporen
Op beide vindplaatsen zijn in totaal twee antropogene sporen aangetroffen.
Op vindplaats 29 gaat het om een smalle kuil met een diepte van 50 cm.
De vulling van de kuil zou op een datering in de LBK kunnen wijzen, maar
er is geen dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen dat dit vermoeden zou
kunnen bevestigen.
74 LANAKERVELD
Op vindplaats 31 is in put 21 een greppel aangesneden, die wat vulling
betreft uit de periode metaaltijden – middeleeuwen zou kunnen dateren.
Ook hier is geen dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen.
Vondstmateriaal
Van de twee vindplaatsen heeft alleen het colluvium op vindplaats 31 wat
vondstmateriaal opgeleverd. Hierbij gaat het om twee brokjes vuursteen,
waarbij onduidelijk is of deze überhaupt bewerkt zijn en een scherf
handgevormd aardewerk. Het is een scherf van een drieledige potvorm
met uitgeslagen rand, waarbij aan de binnenzijde van de rand vingertopindrukken zijn aangebracht. De scherf zou mogelijk uit de late ijzertijd of
Romeinse tijd kunnen dateren, maar een datering eerder in de ijzertijd is
niet uit te sluiten.
Conclusie
Op beide vindplaatsen zijn noch wat betreft grondsporen, noch wat betreft
vondstmateriaal aanwijzingen gevonden voor neolithische nederzettingsterreinen. Alleen de kuil op vindplaats 29 zou een neolithische datering
kunnen hebben.
Een scherf handgevormd aardewerk van vindplaats 31 zou een datering in
de late ijzertijd of Romeinse periode kunnen hebben. De op deze vindplaats
aangesneden greppel dateert wellicht uit dezelfde periode.
6.2.9 Vindplaats 66
Inleiding
Vindplaats 66 ligt ongeveer 250 m ten westen van vindplaats 31. Bij de
oppervlaktekartering door RAAP werden op deze locatie twee vuurstenen
afslagen gevonden. Het booronderzoek wees op een onverstoord
bodemprofiel direct onder de bouwvoor, waarvan de top bestond uit een Ehorizont. De vindplaats is gedefinieerd als een kleine vuursteenconcentratie
uit de steentijd.
Vindplaats 66 is onderzocht door middel van twee proefsleuven (put
24 en 25), waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van vuursteen in
onverstoorde ondergrond (>5 artefacten per m2).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal
van de Zouw. De bodem is goed geconserveerd en er zijn nauwelijks
aanwijzingen voor erosie aangetroffen. Wel is door het proefsleuvenonderzoek duidelijk geworden dat de door RAAP aangetroffen E-horizont in feite
een colluviumdek (dikte 10-20 cm) betreft, die de Bt-horizont afdekt. Het
sporenniveau bevindt zich in de top van de Bt-horizont, op ongeveer 40 tot
50 cm onder maaiveld.
Grondsporen
De vindplaats heeft geen antropogene sporen opgeleverd, die gekoppeld
kunnen worden aan steentijdbewoning. Wel zijn twee mogelijke
paalkuilen aangetroffen die wat vulling betreft in de periode metaaltijdenmiddeleeuwen te plaatsen zijn. Er is geen dateerbaar vondstmateriaal in
deze sporen aangetroffen.
LANAKERVELD
173860
320540
173840
320540
173820
75
320520
320520
66
P25
N
P24
post-LBK
0
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
10m
173820
173840
173860
Figuur 6.14
Overzicht vindplaatsen 66.
Vondstmateriaal
Alleen in put 25 is vondstmateriaal aangetroffen. Het gaat om twee niet
nader te determineren brokjes aardewerk uit de ijzertijd. Er is geen
vuursteen aangetroffen dat tot een steentijdvindplaats gerekend kan worden.
Conclusie
De bodem is goed geconserveerd op vindplaats 66. Desondanks zijn geen
aanwijzingen gevonden voor een vuursteenconcentratie in onverstoorde
ondergrond. Gezien de aanwezigheid van een colluviumdek is het mogelijk
dat het door RAAP aangetroffen vuursteen verspoeld is. De vindplaats
heeft wel twee mogelijke antropogene sporen opgeleverd, die in de periode
metaaltijden-middeleeuwen zouden kunnen dateren.
6.2.10 Vindplaats 42
Inleiding
Vindplaats 42 ligt geïsoleerd in het uiterste westen van het plangebied.
De oppervlaktekartering door RAAP leverde vondstmateriaal op dat op de
aanwezigheid van een nederzettingsterrein uit het midden-neolithicum
(Michelsberg) zou kunnen wijzen. Opmerkelijk in het vondstmateriaal zijn
een halffabrikaat van een bijl en veel fragmenten van ongepolijste bijlen.
Ook werden in de directe omgeving van de vindplaats grote onbewerkte
vuursteenknollen gevonden. Op basis van het vondstmateriaal werd
gesuggereerd dat het hier mogelijk om een vuursteenbewerkingssite
zou kunnen gaan. Het booronderzoek wees op een relatief onverstoord
bodemprofiel direct onder de bouwvoor.
76 LANAKERVELD
173450
320150
173400
320150
173350
P29
P31
320100
320100
P28
P30
42
320050
320050
P27
N
post-LBK
P26
0
173350
25m
173400
De vindplaats is onderzocht door middel van zes proefsleuven (put 26
t/m 31) waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van vuursteen in
onverstoorde ondergrond (>5 artefacten per m2). Ook bij deze vindplaats
moest het puttenplan door de aanwezigheid van gewassen aangepast
worden en is dus afgeweken van het PvE.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van de Zouw. De
bodem is redelijk geconserveerd. Afgezien van put 26, waar zich onder
een circa 10 cm dik colluvium de Bt bevindt zijn in alle putten sporen
van matige erosie aangetroffen. In putten 27 t/m 31 ligt de onverstoorde
bodem, waarbij nauwelijks iets resteert van de Bt-horizont, direct onder de
bouwvoor. Het sporenniveau bevindt zich in de Bt-/B-horizont, op ongeveer
40 tot 50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
De op deze vindplaats gegraven sleuven hebben slechts 3 antropogene
grondsporen opgeleverd. Eén daarvan, een greppel (spoor 28.1), is op basis
van de vulling in de periode metaaltijden – middeleeuwen te dateren. De
beide andere sporen (29.2 en 31.1) zijn kuilen. Ze dateren vermoedelijk
in dezelfde periode als de greppel. Geen van de sporen heeft dateerbaar
vondstmateriaal opgeleverd.
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
173450
Figuur 6.15
Overzicht vindplaatsen 42.
LANAKERVELD
77
Vondstmateriaal
De verschillende putten op deze vindplaats hebben nauwelijks
vondstmateriaal opgeleverd. Er zijn slechts twee vuurstenen artefacten
aangetroffen, uit de bouwvoor en uit het colluvium. Het gaat om een kleine
multipolair gebruikte restkern, die eventueel mesolithisch zou kunnen
zijn, uit put 28 en een preparatieafslag met cortexresten uit put 26. Een
eenduidige datering van het vuursteen is niet te geven.
Conclusie
Ondanks een aanzienlijke hoeveelheid oppervlaktevondsten hebben de
proefsleuven op deze locatie geen aanwijzingen voor een neolithisch nederzettingsterrein dan wel vondstconcentratie opgeleverd. Het bodemprofiel
vertoont tekenen van matige erosie, waardoor de Bt horizont in de
meeste putten grotendeels verdwenen is. De hoeveelheid vondstmateriaal
is mogelijk te verklaren door de erosie van (nu verdwenen, ondiepe)
grondsporen met vondstmateriaal.
De vindplaats heeft drie antropogene sporen opgeleverd, die op basis
van de vulling in de periode metaaltijden-middeleeuwen te dateren zijn.
Deze datering kon niet bevestigd worden door middel van dateerbaar
vondstmateriaal.
6.2.11 Vindplaats 122
Om grip te krijgen op eventuele nederzettingssporen van de Michelsberg
cultuur (zie §6.2.3) zijn tussen vindplaatsen 24, 82 en 84 acht extra
proefsleuven gegraven (put 62 – 69). Nederzettingssporen uit de
Michelsbergcultuur zijn hierbij niet aangetroffen. Wel zijn er op basis van
deze extra sleuven twee nieuwe, niet door RAAP gekarteerde, vindplaatsen
gedefinieerd. De ene is een uitgestrekt nederzettingssterrein uit de late
bronstijd / vroege ijzertijd (vindplaats 122), dat (mogelijk) aansluit bij de op
vindplaats 2, 62 en 82 aangetroffen sporen uit deze periode; de andere is
een bandkeramisch grafveld (vindplaats 123), dat in de volgende paragraaf
besproken wordt.
Inleiding
Vindplaats 122 kan gekarakteriseerd worden als een zone met verspreid
liggende nederzettingssporen uit de metaaltijden. Deze zone strekt zich uit
over het gebied ten oosten van de Lanakerweg, grofweg tussen vindplaatsen
24, 82 en 84. Sporen en vondstmateriaal die tot deze vindplaats behoren,
zijn aangetroffen in putten 12, 13, 62, 64, 65 en 67. Het is zeer goed
mogelijk dat de sporen uit de metaaltijden, die op vindplaatsen 2 en 62 aan
het licht gekomen zijn ook tot deze vindplaats gerekend moeten worden.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal
van de Zouw. Het bodemprofiel is goed geconserveerd. Op het meest
noordelijke deel (putten 67-69) ligt de Bt-horizont onder een relatief dun
colluvium (5-10 cm dik). Ten zuiden daarvan heeft het colluvium nog een
dikte tussen de 20 en 40 cm. Het sporenvlak (in de top van de Bt-horizont)
ligt in putten 67 t/m 69 ongeveer 40 cm onder het maaiveld. In de
overige sleuven ligt het sporenvlak gemiddeld 60 cm onder maaiveld met
uitschieters naar 70-80 cm.
321100
321000
31
174300
P19
27
18
24
3
34
121
17
25
P16
24
Overzicht vindplaats 122
P17
84
28
24
84
24
16
77
121
P18
P64
P67
78
82
80
62
14
174400
61
174400
86
P68
P62
P65
2
20
16
21
P69
174500
P63
P66
174500
82
P13
P12
174600
174600
80
61
P71
P10
0
62
P11
174700
P70
P7
P8
P9
174700
86
N
174800
100m
P6
P7
P14
174800
P5
2
P2
174900
LBK
late bronstijd / ijzertijd
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
P4
P3
20
174900
P1
321100
321000
320900
320800
320900
320800
Figuur 6.16
29
174300
78 LANAKERVELD
LANAKERVELD
79
Grondsporen
In twee putten zijn duidelijke sporen uit de metaaltijden gevonden. In
put 62 bevindt zich een grote kuil (spoor 62.1) met een diameter van
1,8 m en een diepte van 65 cm onder het sporenvlak. Op basis van het
erin aangetroffen aardewerk is deze kuil eenduidig in de late bronstijd te
dateren. In put 67 is een greppel aangesneden (spoor 67.1), die op basis
van de vulling vermoedelijk in dezelfde periode te dateren is. Ook bij de
begeleiding van het fietspad zijn twee kuilsporen aangetroffen waarin
aardewerk is aangetroffen dat dateert uit de late bronstijd/vroege ijzertijd,
De verspreiding kent dus een zuidelijkere verspreiding.
Vondstmateriaal
Het aardewerk dat aangetroffen is in de putten 62, 64, 65, 67 en 69 spreekt
eenduidig voor de aanwezigheid van een nederzetting uit de late bronstijd.
Het belangrijkste deel is afkomstig uit kuil 62.1. Het overige materiaal is
afkomstig uit het colluvium in de genoemde putten. Binnen deze zone
kunnen dus nederzettingssporen uit de metaaltijden worden aangetroffen.
Naast het aardewerk is er sprake van een dunne spreiding vuursteen.
Hierbij is vooral in en rond put 64 sprake van enkele werktuigen (een
restkern en een rugmes). Daarnaast zijn er brokken en ruwe afslagen. Veel
is nog onduidelijk over het vuursteengebruik in de late bronstijd. Daardoor
kan niet uitgesloten worden dat het hier gevonden vuursteen de neerslag is
van (midden- of) laat-neolithische vindplaatsen waarbij zelfs ook sprake kan
zijn van mesolithische resten.
Botanisch onderzoek
Eén monster van deze vindplaats, uit kuil 62.1, is onderzocht op botanische
macroresten. In het residu zijn drie graankorrels gevonden (waaronder
één van gerst) en zaden van een aantal wilde planten, vermoedelijk
akkeronkruiden.
Conclusie
In de gehele zone tussen de vindplaatsen 24, 84 en 82 (behalve mogelijk in
de putten 68 en 69) moet rekening gehouden worden met nederzettingssporen uit de late bronstijd. Deze nederzetting zet zich door over vindplaats
82 (met kuil 12.4 die in de late bronstijd of vroege ijzertijd gedateerd kan
worden), en mogelijk ook over de vindplaatsen 62 en 2, slechts daarvan
gescheiden door een zone waarin geen proefsleuven zijn gegraven.
Het meeste aangetroffen vondstmateriaal komt – evenals in de
bandkeramische nederzettingen – uit de grondsporen. Aangezien op
basis van een beperkt proefsleuvenonderzoek geen uitspraken gedaan
kunnen worden over de situering van de kuilen binnen de nederzetting,
moeten deze vindplaatsen als één archeologische zone worden beschouwd
waarbinnen nog geen kernen of erven kunnen worden aangewezen of
begrensd.
80 LANAKERVELD
6.2.12 Vindplaats 123
Inleiding
Bij het graven van de proefsleuven 62-69 werd in put 68 een
bandkeramisch grafveld aangetroffen. De vindplaats was niet gekarteerd
door RAAP, maar is gevonden bij het huidige onderzoek. De vindplaats ligt
ongeveer 150 m ten noordoosten van de bandkeramische nederzetting op
vindplaats 24.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal van
de Zouw. Het bodemprofiel is goed geconserveerd. De Bt-horizont wordt
door een dun colluvium (5-10 cm dik) gescheiden van de bouwvoor. Het
sporenvlak bevindt zich in de top van de Bt-horizont, ongeveer 40 cm onder
het maaiveld.
Grondsporen
Er zijn in totaal 13 grondsporen gevonden in put 68, waarvan er 11 duidelijk
antropogeen zijn en het zeer waarschijnlijk grafkuilen betreft. De kuilen
zijn afgerond rechthoekig tot ovaalvormig en op één exemplaar na (spoor
68.12) van vergelijkbare grootte. In enkele kuilen is met een miniguts de
diepte bepaald. De groottes en dieptes van de grafkuilen zijn weergegeven in
tabel 6.1
Spoor
Lengte in cm Breedte in cm
Diepte in cm Oriëntatie
vanaf sporenvlak
1
190
90
40-50 NO-ZW
3
170
80
5
165
80
6
155
85
15-20 W-O
onbekend W-O
40 NO-ZW
onbekend WNW-OZO
7
125
65
8
170
70
9
155
85
onbekend WNW-OZO
10
55
70
20-30 NW-ZO
11
155
80
50-60 N-Z
15-20 W-O
12
95
55
15 N-Z
13
185
100
onbekend WNW-OZO
Voor zover na te gaan variëren de dieptes van de graven tussen de 15 en 60
cm onder het sporenvlak. Dit komt overeen met de diepte van de bekende
graven uit Elsloo die 50-150 cm onder het maaiveld diep zijn.111 Ook de
omvang van de graven in het vlak valt binnen de variatie van het grafveld
van Elsloo. Een andere overeenkomst tussen de beide grafvelden is de
“gepaardheid” van de graven. Duidelijk is te zien dat telkens twee graven
naast elkaar liggen, met eenzelfde oriëntatie. Het grootste deel van de
grafkuilen heeft een vergelijkbare oriëntatie, namelijk noordwest – zuidoost.
Slechts één van de kuilen is gecoupeerd (spoor 68.12). Bij de aanleg
van het vlak werden in dit spoor een aantal objecten gevonden. Om de
grafinventaris in ieder geval hier zo compleet mogelijk te lichten is besloten
dit graf op te graven. De kuil was ovaalvormig en kleiner dan de overige
grafkuilen. In doorsnede was de kuil komvormig. De vulling van de grafkuil
is in zijn geheel bemonsterd en gezeefd.
111 Modderman 1970.
Tabel 6.1
Afmetingen, dieptes en oriëntaties van de
grafkuilen
LANAKERVELD
174420
81
174440
61
84
62
82
3
80
24
16
24
18
29
121
77
78
34
14
17
27
28
31
25
320960
320960
S68.12
P68
N
0
10m
174420
Figuur 6.17
Overzicht vindplaats 123
Figuur 6.18
Profiel boven grafkuil S68.07
LBK
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
174440
82 LANAKERVELD
Vondstmateriaal
In drie van de elf grafkuilen is vondstmateriaal aangetroffen. Het betreft
hier alleen objecten van anorganisch materiaal, aangezien onverbrande
organische resten, waaronder botmateriaal in de ontkalkte löss niet bewaard
gebleven zijn.
In kuil 68.03 werden bij de aanleg van het vlak onversierde fragmenten
aardewerk gevonden. Ook spoor 68.05 leverde onversierde scherven
aardewerk op en een afgeplat stuk rode oker met slijpfacetten rondom.
In grafkuil 68.12 werden zes verschillende objecten gevonden: een groot
fragment van een versierd potje (fase IIb of c), een slijpsteen van kwartsiet
met een stuk rode oker, een basalten platte dissel, een vermoedelijke
vuurslag van vuursteen en een kleine decorticatieafslag van Banholt
vuursteen. De objecten lagen geclusterd in twee afzonderlijke groepjes,
waarvan één groepje bestond uit het potje, de slijpsteen en het stuk oker;
het andere uit de dissel, de vuurslag en de afslag. De dissel en de vuurslag
waren deels bedekt en verkit met een korrelig, roestkleurig materiaal
waarvan de aard onduidelijk is Een vergelijkbaar materiaal is gevonden in
het grafveld van Elsloo (graf 21)112 en in verschillende graven in Niedermerz
op de Aldenhovener Platte.113 Ook hier was het in een aantal gevallen verkit
met andere grafgiften. Mogelijk betreft het een restant van pyriet, dat in de
ontkalkte löss deels vergaat.114 Een dergelijke interpretatie voor dit materiaal
is, zeker in combinatie met de vuurslag niet ondenkbaar.
Op basis van het versierde potje is graf 68.12 in de jonge bandkeramiek te
dateren (IIa). Het grafje heeft een aanzienlijk aantal grafgiften opgeleverd
en is verhoudingsgewijs één van de ‘rijkere’ bijzettingen uit de hele
ons bekende noordwestelijke bandkeramiek. In Elsloo zou dit graf niet
misstaan in de categorie ‘rijke’ graven waar in slechts 12 van de 57 graven
met grafgiften (uit een totaal van 113) vier of meer categorieën grafgiften
aangetroffen zijn.115
112
113
114
115
Modderman 1970.
Dohrn-Ihmig 1983.
Dohrn-Ihmig 1983, 89-91.
Modderman 1970.
LANAKERVELD
Figuur 6.21
83
57,24 m +NAP
Grafkuil S68.12 in vlak en doorsnede
met positie van grafgiften
(schaal 1:10)
256
57,06 m +NAP
258
257
256
284
285/286
283
NAP
AP
+N
4m
+
17 m
282
57,
,2
57
N
Het kleine formaat van grafkuil 68.12 doet vermoeden dat het hier niet
om het graf van een volwassene gaat maar mogelijk een kindergraf. De
samenstelling van de grafgiften zou kenmerkend zijn voor een vrouwelijke
bijzetting.116
Zoals gezegd blijft botmateriaal in de ontkalkte löss niet bewaard. Wel
kunnen de begraven lichamen zich in de schone löss aftekenen als een
zogenaamd lijksilhouet, zoals verschillende malen is waargenomen in het
grafveld van Elsloo.117 Een lijksilhouet is niet waargenomen in dit graf maar
zou in andere graven wel verwacht kunnen worden. Het uitzeven van de
vulling van de grafkuil heeft ook geen resten van tandemail opgeleverd. Dit
zijn de enige resten van het skelet die in de ontkalkte löss bewaard kunnen
blijven.
In Elsloo lagen de inhumatiegraven zij aan zij met crematiegraven. Er
zijn aanwijzingen dat ook in Maastricht dit soort begravingen gevonden
kunnen worden. Ten eerste werden in twee van de 11 grafkuilen minuscule
fragmenten verbrand bot waargenomen (kuil 68.01 en 68.06). Daarnaast
werd bij de aanleg van het vlak een verbrande vuursteenkern verzameld uit
de bouwvoor. De kern is kegelvormig en dateert zeer waarschijnlijk uit de
jonge bandkeramiek. Mogelijk betreft het hier een verbrande grafgift uit een
crematiegraf dat verder geheel verploegd is.
116 Van de Velde 1979.
117 Modderman 1970.
84 LANAKERVELD
Figuur 6.22
Inventaris grafkuil S68.12 (“pyriet” is niet afgebeeld)
(schaal 1:2)
LANAKERVELD
85
Botanisch Onderzoek
Eén monster van 5 liter uit grafkuil S68.12 is uitgezeefd op het botanisch
laboratorium van de Faculteit der Archeologie (maaswijdte zeef 0,5 mm) en
onderzocht op botanische macroresten. In het residu bevonden zich enkele
sporen van houtskool, maar geen verkoolde zaden. Ook het residu dat
overbleef bij het zeven van de vulling van de grafkuil leverde geen verkoolde
botanische resten op.
Conclusie
Vindplaats 123 is een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk type
vindplaats: een bandkeramisch grafveld. Uit Nederland zijn slechts twee
grafvelden bekend, namelijk het door Modderman opgegraven grafveld
van Elsloo118 en daarnaast enkele bij grondwerkzaamheden aangetroffen
graven in Geleen Haesselderveld-West.119 Ook in aangrenzende gebieden
zijn grafvelden uit deze periode zeldzaam. In België kennen we slechts
enkele bandkeramische graven, namelijk een crematiegraf uit Hollogneaux-Pierres120 en een vermoedelijk graf uit Millen.121 In het aangrenzende
Duitse gebied was het grafveld van Niedermerz tot voor kort het enige
bekende voorbeeld.122 Recent zijn daar de grafvelden van Inden-Altdorf123 en
Bergheim (Rhein-Erft-Kreis) bijgekomen.124
De grenzen van vindplaats 123 zijn niet precies vastgesteld. Het
vermoeden bestaat echter dat slechts een klein gedeelte van een grafveld
is aangesneden. Gezien het ontbreken van grafkuilen in de omliggende
putten en op vindplaats 84, ten noordwesten kan met enige voorzichtigheid
gesteld worden dat de vindplaats zich op zijn hoogst tot het gebied tussen
deze putten beperkt, mogelijk kleiner is. Een indicatie dat het grafveld in
noordwestelijke richting doorloopt is een fragment van een hoge dissel van
amfiboliet die op de akker tussen het grafveld en vindplaats 84 gevonden
is. Wellicht betreft het hier een verploegde grafgift. Wat betreft het aantal
graven waaruit het grafveld bestaat kunnen alleen vergelijkingen gemaakt
worden met andere bekende grafvelden, waar het aantal graven varieert van
een tiental zoals in Écriennes-La Folie in het Marnedal (Frankrijk)125 tot
meer dan honderd als in Elsloo en Niedermerz.
Met betrekking tot de conservering van het grafveld kan in eerste instantie
gesteld worden dat het bodemprofiel goed bewaard is gebleven. De Bthorizont is intact, maar wordt slechts door een dun laagje colluvium van
de bouwvoor gescheiden. Door de ondiepe ligging van de sporen (40 cm
onder maaiveld), zo goed als direct onder de bouwvoor, zijn ze zeer gevoelig
voor bodemverstorende praktijken zoals ploegen. Minder diep ingegraven
grafkuilen, waaronder crematiegraven, zullen hier als eerste ten prooi aan
vallen. De vondst van een verbrande vuursteen kern en een fragment van
een dissel, beide mogelijke grafgiften wijzen erop dat dit proces al gaande is.
Op grond van de nu beschikbare, beperkte gegevens lijkt een relatie van
het grafveldje met de nabijgelegen huisplaats (vindplaats 24, speciaal put 18;
zie §6.2.5) niet zonder meer aan te nemen: de dateringen lopen uiteen van
118
119
120
121
122
123
124
125
Modderman 1970.
Vromen 1982.
Thisse-Derouette & Thisse 1952.
Lodewijckx et al. 1989.
Dohrn-Ihmig 1983.
Graiewski & Rupprecht 2000.
Heinen & Nehren 2004.
Bonnabel et al. 2003.
86 LANAKERVELD
IIa/b voor het enige geopende graf, en hoofdzakelijk Ic/d voor het langskuilsegment naast het huis, een verschil van 2 à 3 generaties. Uitbreiding
van beide gegevensbestanden door verdere opgraving zou deze dateringen
echter naar elkaar kunnen brengen. De nederzetting aan de overkant van
het Heeswaterdal (vindplaats 53, zie §6.3.5) met dateringen tussen Ib en
IIb (tabel 6.2), komt in dit stadium van het onderzoek op basis van de
chronologie eerder in aanmerking als oorspronkelijke woonplaats van de
doden op het grafveld.
6.3 Archeologische resultaten zuidelijk deel (woningbouwlocatie Op de
Wan)
In het zuidelijke deel van het plangebied zijn in totaal zeven vindplaatsen
met proefsleuven verkend. Van oost naar west gaat het om de RAAPvindplaatsen 67, 22, 4, 53, 73 en 76. Ook zijn proefsleuven gegraven
ter hoogte van het Erdwerk dat in de vorige eeuw ten oosten van de
Brusselseweg ontdekt werd om vast te stellen of deze vindplaats zich binnen
het plangebied doorzette. Ter hoogte van de vindplaatsen 22 en 53 is één
nieuwe vindplaats gedefinieerd, namelijk vindplaats 124.
6.3.1 Vindplaats Erdwerk
Inleiding
De vindplaats ligt vlak ten westen van de Brusselseweg. Ten oosten van
deze locatie zijn in de jaren 20 van de vorige eeuw delen van een vroeg- of
midden-neolithisch grachtensysteem onderzocht, die onderdeel vormen van
een zogenaamd Erdwerk. De mogelijkheid bestond dat op deze locatie nog
delen van het Erdwerk in de ondergrond aanwezig waren. Booronderzoek
door RAAP heeft het grachtensysteem niet kunnen opsporen. De vindplaats
is daarom onderzocht door middel van drie proefsleuven (put 59 – 61). Ook
hierin zijn geen sporen van de grachten gevonden.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats ligt op de oostelijke flank van het droogdal van de Heeswater.
Alleen in put 59 was er sprake van een vrijwel onverstoord bodemprofiel.
Onder de bouwvoor bevond zich onder een dik pakket colluvium nog een
klein restant van de B-horizont. In putten 60 en 61, die min of meer in
het dal van de Heeswater liggen is het oorspronkelijke profiel grotendeels
weg geërodeerd of verstoord. Alleen in profiel 60.01 is een restant van
een intacte bodem gedocumenteerd onder dikke pakketten oud en jong
colluvium. Het vlak is aangelegd 60-80 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Geen van de drie proefsleuven heeft antropogene grondsporen opgeleverd,
vermoedelijk als gevolg van erosie/verstoring.
Vondstmateriaal
De vindplaats heeft geen vondstmateriaal opgeleverd.
LANAKERVELD
175200
320200
320200
175000
87
P61
P60
320000
320000
P59
N
0
verloop van Erdwerk
50m
175000
175200
Figuur 6.23
Overzicht vindplaats Erdwerk
Conclusie
Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat ten westen van de Brusselseweg
nog delen van het grachtensysteem behorende tot het Erdwerk bewaard
gebleven zijn. Dit is mogelijk te wijten aan de verstoring van het
bodemprofiel. Het is echter vooral op basis van de locatie, namelijk relatief
diep in het droogdal van de Heeswater, niet aannemelijk dat het Erdwerk
ten westen van de Brusselseweg doorloopt.
88 LANAKERVELD
6.3.2 Vindplaats 67
Inleiding
De vindplaats bevindt zich pal tegen de Brusselseweg, ongeveer 250 m ten
zuiden van de vindplaats Erdwerk. Bij de oppervlaktekartering door RAAP
werden twee vuurstenen afslagen, waaronder één met retouche gevonden en
werd in boringen geconstateerd dat de Bt-horizont direct onder de bouwvoor
lag. Op basis hiervan is de vindplaats gekarakteriseerd als een kleine vuursteenconcentratie uit de steentijd. De vindplaats is verkend door middel van
één proefsleuf (put 58), waarbij specifiek gelet is op de aanwezigheid van
vuursteen in de onverstoorde ondergrond (>5 artefacten per m2).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten oosten van het droogdal van
de Heeswater. Het bodemprofiel is goed geconserveerd. De Bt-horizont is
nog aanwezig, maar bevindt zich direct onder de bouwvoor. Het sporenvlak
bevindt zich in de top van de Bt-horizont op ongeveer 35 cm onder het
maaiveld.
Grondsporen
Er zijn op deze vindplaats geen antropogene grondsporen aangetroffen.
Vondstmateriaal
De vindplaats heeft geen vondstmateriaal opgeleverd.
175000
175020
Figuur 6.24
175040
319880
319860
319860
319880
Overzicht vindplaats 67
67
P58
0
175000
319840
319840
N
25m
175020
175040
LANAKERVELD
89
Conclusie
Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een
vuursteenvindplaats in onverstoorde ondergrond. De vindplaats heeft
grondsporen noch vondstmateriaal opgeleverd.
6.3.3 Vindplaats 22
Inleiding
Vindplaats 22 ligt vlak ten zuidwesten van de Lanakerweg, op ongeveer 300
m ten noordwesten van vindplaats 67. De oppervlaktekartering door RAAP
leverde een aanzienlijke hoeveelheid vuurstenen artefacten op (19 afslagen,
waarvan één met gebruiksretouche en 7 klingen, waarvan één verbrand en
gebroken). Op basis van de hoeveelheid vondsten en de boringen waarin een
relatief onverstoord bodemprofiel werd waargenomen onder de bouwvoor
werd op deze locatie een nederzettingsterrein uit het neolithicum verwacht.
De vindplaats is gewaardeerd door middel van vijf proefsleuven (put 50
t/m 54), waarbij alleen in put 50 twee sporen zijn aangetroffen, die op basis
van de vulling mogelijk in het neolithicum te dateren zijn. Ten westen van
deze proefsleuven zijn nog twee extra putten gegraven (put 78 en 79) om
vast te stellen of zich hoger op het plateau meer sporen uit het neolithicum
bevonden. Het door RAAP aangetroffen vondstmateriaal, dat zich deels op
de helling van het droogdal bevindt, zou namelijk deels verspoeld kunnen
zijn en afkomstig van een vindplaats hoger op het plateau. Ook in deze twee
putten werden slechts enkele mogelijk neolithische sporen aangetroffen.
Alle putten op deze vindplaats hebben echter wel sporen uit andere periodes,
de metaaltijden en vroege middeleeuwen opgeleverd. Deze maken echter
onderdeel uit van een grotere vindplaats (124), die in §6.3.6 behandeld wordt.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats ligt deels op de westelijke flank van het droogdal van de
Heeswater. Het bodemprofiel op de vindplaats is goed geconserveerd. De
Bt-horizont is aanwezig en bevindt zich over het algemeen onder een 10 tot
20 cm dik colluvium. Een enkele keer ligt de Bt-horizont direct onder de
bouwvoor. Het sporenvlak bevindt zich in de top van de Bt-horizont, op 30
tot 50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Antropogene grondsporen zijn met uitzondering van put 54 in alle putten
aanwezig. Het gaat hier echter om paalsporen en greppels uit de late
bronstijd / vroege ijzertijd en sporen uit de vroege middeleeuwen. Beide zijn
onderdeel van vindplaats 124 (zie hieronder §6.2.6).
Vondstmateriaal
Op de vindplaats is sprake van een dunne spreiding van vondstmateriaal. Dit
vondstmateriaal kan echter op geen enkele wijze in verband worden gebracht
met een eventueel neolithisch nederzettingssterrein. Het verzamelde
vuursteen bestaat voornamelijk uit brokken en toont geen kenmerken van
bewerking.
Ook in het aardewerkcomplex zijn er geen indicaties voor een neolithische
vindplaats in de directe omgeving. Het aangetroffen aardewerk is te dateren
in de vroege ijzertijd en in de Merovingische periode.
90 LANAKERVELD
174700
53
35
4
320100
320100
P52
22
P78
P50
P53
320000
320000
22
P79
N
0
25m
P51
P54
LBK ?
late bronstijd / ijzertijd
vroege middeleeuwen
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen RAAP
vindplaatsen
Figuur 6.25
Overzicht vindplaats 22
174700
LANAKERVELD
91
Conclusie
Er zijn op vindplaats 22 geen aanwijzingen gevonden voor een neolithisch
nederzettingsterrein. De proefsleuven hebben slechts enkele mogelijk
neolithische sporen opgeleverd (in put 50 en put 78). Wel is een aanzienlijk
aantal sporen gevonden, die wijzen op bewoning in de vroege ijzertijd en de
vroege middeleeuwen.
Het blijft moeilijk om de bij de oppervlaktekartering gevonden hoeveelheid
vondstmateriaal uit het neolithicum te verklaren. Temeer omdat bij het
proefsleuvenonderzoek nauwelijks vergelijkbaar materiaal is aangetroffen.
Aangezien de vindplaats voor een groot deel op de helling van het droogdal
ligt betreft het hier mogelijk verspoeld materiaal.
6.3.4 Vindplaats 4
Inleiding
Vindplaats 4 ligt ten noorden van de Lanakerweg, ongeveer 100 meter ten
noorden van vindplaats 22. Bij de oppervlaktekartering door RAAP werden
op deze vindplaats een fragment van een Romeinse dakpan (tegula) en vijf
mogelijke fragmenten van Romeinse dakpannen gevonden. Er bestond een
mogelijkheid dat het hier door een oogstmachine verplaatst materiaal betrof,
wat het ontbreken van aardewerk en de strakke begrenzing van de vindplaats
op de perceelsgrens zou verklaren. De vindplaats is onderzocht door middel
van één proefsleuf (put 40).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten noordwesten van het droogdal
van de Heeswater en ten oosten van de Lanakerweg. Het bodemprofiel is
goed geconserveerd. In het zuidelijk deel van de put ligt de Bt-horizont direct
onder de bouwvoor. In het noordelijk deel is de Bt-horizont van de bouwvoor
gescheiden door een ongeveer 20 cm dikke laag colluvium en, daarboven,
een laag (sub-)recent puin. De diepte van het sporenvlak, dat zich in de top
van de Bt-horizont bevindt, varieert van 40 tot 50 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Er zijn geen antropogene sporen uit de Romeinse tijd aangetroffen. Wel zijn
enkele paalsporen en kuilen uit de late bronstijd/vroege ijzertijd gevonden.
Net als de sporen op vindplaats 124 vormen ze onderdeel van vindplaats 124.
Vondstmateriaal
Er is geen vondstmateriaal aangetroffen dat verband houdt met een
Romeinse bewoningsfase. Het aangetroffen vondstmateriaal stamt uit de
sporen, die onderdeel vormen van vindplaats 124.
Conclusie
Het proefsleuvenonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor
een Romeinse vindplaats op deze locatie. Het door RAAP aangetroffen
vondstmateriaal komt waarschijnlijk uit een recent aangebrachte puinlaag
tussen bouwvoor en colluvium. Er zijn grondsporen op de vindplaats
aanwezig, maar deze vormen onderdeel van vindplaats 124.
92 LANAKERVELD
6.3.5 Vindplaats 53
Inleiding
Vindplaats 53 ligt ten noorden van de Lanakerweg, direct ten noorden van
vindplaats 4. Bij de oppervlaktekartering werd een aanzienlijke hoeveelheid
vuurstenen artefacten (17 afslagen, 5 klingen / klingfragmenten, 1 klingkern
en 2 schrabbers) gevonden. Uit de boringen is het bodemprofiel als
onverstoord geïnterpreteerd, waarbij zich direct onder de bouwvoor de Ehorizont bevond. Op basis van deze informatie is de vindplaats gekarakteriseerd als een vermoedelijk neolithisch nederzettingsterrein.
De vindplaats is in eerste instantie onderzocht door middel van 9
proefsleuven (putten 41-49). Op basis hiervan ontstond het vermoeden
dat de vindplaats de door RAAP aangegeven indicatieve begrenzing zou
overschrijden, waarna besloten is ten zuiden en westen van de vindplaats
een aantal extra proefsleuven te graven (putten 72-77), om zo de vindplaats
beter te kunnen begrenzen.
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats bevindt zich op het plateau ten westen van het droogdal van
de Heeswater. Het bodemprofiel is goed geconserveerd, alhoewel geen
aanwijzingen voor de aanwezigheid van een E-horizont zijn gevonden, waar
het booronderzoek op wees. De top van het onverstoorde bodemprofiel
bestaat uit de Bt-horizont, die zich onder een in dikte variërend
colluvium (tussen de 10 en 25 cm) bevindt. Alleen op het oostelijke deel
van de vindplaats, ter hoogte van putten 48 en 49 lijkt iets meer erosie
plaatsgevonden te hebben. De hier aangetroffen sporen leken enigszins
afgetopt te zijn, maar ook in deze putten was nog een restant van de Bthorizont aanwezig. Het sporenvlak bevindt zich in de top van de Bt-horizont
en ligt over het algemeen 40 tot 60 cm onder het maaiveld.
Grondsporen
Binnen vindplaats 53 hebben alle putten, afgezien van de putten 41, 44
en 49 duidelijk bandkeramische sporen opgeleverd. In vijf putten zijn in
totaal zes bandkeramische huisplattegronden aangesneden, waarbij in alle
gevallen één of twee geassocieerde langskuilen aanwezig zijn. Bij twee
huisplattegronden (structuur 3 en 4) is de karakteristieke omgreppeling
van het noordwestelijke deel aangesneden. Deze plattegronden zijn volgens
de typologie van Modderman (1970) grotendeels onder te brengen bij
de types 1b of 2. De wandgreppel van structuur 2 (put 42) zou mogelijk
kunnen toebehoren aan een huis van het type 1a. Bij structuur 3 (put
42) zijn duidelijk twee driepalenrijen zichtbaar die de typische overgang
vormen tussen het noordwest- en middendeel: het zogenaamde “gangetje”.
Structuur 5 (put 45) heeft waarschijnlijk ook een “gangetje”.
De sporen zijn over het algemeen goed geconserveerd. Van elk van de
huisplattegronden is ter waardering een selectie gecoupeerd. De diepte van
de paalkuilen van de verschillende plattegronden varieerde tussen de 10 en
25 cm onder het opgravingsvlak. Ook van de verschillende met de huisplattegronden geassocieerde langskuilen zijn segmenten gecoupeerd. De diepte
van deze kuilen varieerde van 30 cm (structuur 6) tot 96 cm (structuur
7). Afgezien van de huisplattegronden en geassocieerde kuilen zijn maar
weinig andere sporen met zekerheid in het vroeg-neolithicum te dateren.
Het gaat om enkele groepjes en losse paalkuilen.
LANAKERVELD
174700
174800
93
174900
Figuur 6.26
Overzicht Vindplaats 4 en 53
53
P45
35
320400
320400
4
22
P44
P47
P77
P42
53
320300
320300
P43
P49
P46
P76
P41
P48
320200
320200
P75
P72
P40 4
P74
N
0
320100
P73
174800
late bronstijd / ijzertijd
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen RAAP
vindplaatsen
174900
320100
LBK
P52
174700
25m
94 LANAKERVELD
Figuur 6.27
Bandkeramische huisplattegronden op vindplaats 53 in het vlak (structuur 4 (boven) en
structuur 6)
Met betrekking tot de verspreiding van de sporen kan worden opgemerkt
dat er net als op vindplaats 24 duidelijk begrensde concentraties van sporen
aanwezig zijn, waartussen “lege” ruimtes liggen. In tegenstelling tot de
bekende bandkeramische nederzettingen van het Graetheidecluster, lijken
deze concentraties afzonderlijke erven te vertegenwoordigen die op afstand
van elkaar zijn gelegen.126 Dit zou dus betekenen dat het vondstmateriaal
gelegen in de langskuilen (bijna) geen vervuiling heeft van andere nabij
gelegen bewoning en dus zuiverder interpretaties toelaat dan met het
materiaal van het Graetheidecluster mogelijk is.
In de putten buiten de door RAAP aangegeven indicatieve begrenzing
van de vindplaats zijn nauwelijks bandkeramische sporen aangesneden. We
kunnen spreken van een losse spreiding van (paal)kuilen in putten 40, 74,
75 en 76.
Naast bandkeramische sporen hebben de putten 41, 42, 44 en 49
een klein aantal grondsporen opgeleverd, die op basis van de vulling
vermoedelijk in de periode metaaltijden – vroege middeleeuwen te dateren
zijn. Het zijn hoofdzakelijk greppels, aangesneden in put 41, 42 en 44. De
sporen maken waarschijnlijk onderdeel uit van de grotere vindplaats 124.
126 Van Wijk & Van de Velde 2007.
LANAKERVELD
95
Vondstmateriaal
Vondstmateriaal van deze vindplaats is met name afkomstig uit de
verschillende met de huisplattegronden geassocieerde langskuilen. Bij
iedere huisplattegrond is een segment van een langskuil gecoupeerd
(S42.2; 42.14; 43.06; 45.15; 47.15 en 48.09). Net zoals bij de langskuil bij de
huisplattegrond op vindplaats 24 is uit deze kuilen een grote hoeveelheid
bandkeramisch huisafval verzameld, bestaande uit aardewerk, vuursteen en
natuursteen.
Het diagnostische aardewerk uit de verschillende kuilen geeft een
indicatie voor de datering van de verschillende plattegronden. De voorlopige
datering van de plattegronden is weergeven in tabel 6.2.
Tabel 6.2
Voorlopige datering van de verschillende
huisplattegronden op vindplaats 53.
Structuurnummer
Put
Datering
2
3
4
5
6
42
42
43
45
47
Ic
Ic/d
IIa/b
Id of ouder
Ib/c (V212), Ic/d (V198)
7
48
-
De datering van het aardewerk bij de verschillende huizen lijkt vooral in
fasen Ic en d te liggen. Alleen in het geval van structuur 4 (put 43) ligt de
datering duidelijk later, in fase IIa of b.
Het aardewerk uit deze kuilen is in zijn geheel als bandkeramisch te
bestempelen. Alleen de langskuil van structuur 6 heeft enkele aardewerkfragmenten opgeleverd die niet als zodanig te determineren zijn. Het gaat
hier om zogenaamd Limburg aardewerk, waarvan de productie wel wordt
toegeschreven aan niet-bandkeramische jagers-verzamelaars, die zij aan zij
met de bandkeramische akkerbouwers leefden.127
Over het in de kuilen aangetroffen vuursteen valt op te merken dat het
vuursteen niet op de winplaats (voornamelijk Lanaye, op enkele kilometers
afstand), maar binnen de nederzetting getest werd op bruikbaarheid.
Hiervan getuigt de aanwezigheid van enkele ongebruikte brokken
vuursteen. De vuursteenbewerking lijkt gericht te zijn geweest op de
productie van lange, mediale klingen. De aangetroffen werktuigen omvatten
geretoucheerde afslagen en klingen, enkele eindschrabbers en een als
klopsteen hergebruikte restkern.
Onder het natuursteen bevinden zich enkele fragmenten van maalstenen
en enkele slijpstenen. Uit de langskuil van structuur 4 (put 43) is een groot
fragment van een zandstenen pijlschachtpolijster afkomstig. Een opvallende
vondst is een puntgave dissel van amfiboliet uit één van de langskuilen van
structuur 6 (S47.15). Binnen nederzettingscontext zijn dergelijke complete
werktuigen uiterst zeldzaam.128
Buiten vindplaats 53 hebben putten 40, 72, 75 en 78 (ten zuiden van de
Lanakerweg) een klein aantal vuurstenen artefacten opgeleverd, waaronder
een klopsteen, enkele decorticatieafslagen en een enkele mediale kling. De
objecten zijn zonder uitzondering gemaakt op Lanaye-vuursteen. Omdat
deze soort vuursteen ook in de bandkeramische langskuilen dominant is,
lijken we in deze putten dus te maken hebben met een dunne spreiding van
bandkeramisch vondstmateriaal.
127 Modderman 1970, Lüning et al., 1989.
128 Pers. comm. prof. dr. C.C. Bakels.
96 LANAKERVELD
Botanisch onderzoek
Eén monster van deze vindplaats uit kuil 47.15 (structuur 6) is onderzocht
op botanische macroresten. In het residu zijn een verkoolde hazelnoot
en een erwt gevonden. Ze vertegenwoordigen daarmee zowel verzameld
(hazelnoot) als gekweekt voedsel (erwt).
Conclusie
Vindplaats 53 is een uitgestrekt nederzettingsterrein uit het vroege
neolithicum (LBK). Er zijn in totaal zes bandkeramische huisplattegronden aangetroffen, waarvan de datering lijkt te clusteren in (maar niet
beperkt is tot)de fasen Ic en Id. Alleen het aardewerk uit structuur 4 heeft
vermoedelijk een jongere datering, namelijk fase IIa/b. Sporen uit andere
periodes zijn ook aanwezig. Het betreft hier vooral enkele greppels uit de
periode metaaltijden – vroege middeleeuwen. Ze maken waarschijnlijk
onderdeel uit van de grotere vindplaats 124.
De vindplaats is goed geconserveerd en er zijn nauwelijks aanwijzingen
voor erosie gevonden. De Bt-horizont is intact en afgedekt door een in
dikte variërend colluvium (dikte 10-25 cm). Op het oostelijk deel, tegen
de helling van het droogdal van het Heeswater aan, lijkt iets meer erosie
plaatsgevonden te hebben.
Er zijn verschillende aanwijzingen dat de vindplaats de door RAAP
aangegeven indicatieve begrenzing overschrijdt. In noordelijke richting
kan op basis van de huisplattegrond in put 45 gesteld worden dat de
vindplaats één geheel vormt met RAAP vindplaats 13. Op deze vindplaats is
een grote hoeveelheid vuursteen verzameld bij de oppervlaktekartering en
zijn tijdens het booronderzoek twee grondsporen aangeboord met daarin
bandkeramisch aardewerk. In zuidwestelijke richting is de vindplaats in
ieder geval iets groter dan aangegeven, getuige de huisplattegrond in put 43.
In zuidelijke richting is er een dunne spreiding bandkeramisch vuursteen
en mogelijk bandkeramische grondsporen aangetroffen in putten 40, 72, 75,
76 (mogelijk) en 78. De periferie van de bandkeramische nederzetting strekt
zich dus vermoedelijk verder in zuidelijke richting uit, mogelijk tot in put
78, ten zuiden van de Lanakerweg.
6.3.6 Vindplaats 124
Inleiding
Om de precieze omvang van het bandkeramische nederzettingsterrein
vast te kunnen stellen zijn ten zuiden en zuidwesten van vindplaats 53 een
aantal extra sleuven gegraven (put 72 t/m 77). Ook zijn ten noordwesten
van de iets zuidelijker vindplaats 22 twee extra proefsleuven gegraven
(putten 78 en 79) om te achterhalen of zich hoger op het plateau eventueel
neolithische nederzettingssporen bevonden, die de vondstconcentratie op
vindplaats 22 zouden kunnen verklaren. Bij het graven van deze putten zijn
grondsporen uit de metaaltijden en vroege middeleeuwen gevonden. Deze
sporen vormen de nieuw gedefinieerde vindplaats 124. De vindplaats ligt
grofweg ten zuiden en westen van vindplaats 53 en grotendeels buiten de
door RAAP gekarteerde vindplaatsen. Alleen in het zuidoosten is er overlap
met vindplaats 22 en in het noorden met vindplaats 4. Deze vindplaatsen
zijn echter door RAAP als respectievelijk een neolithische en een Romeinse
vindplaats gedefinieerd en houden dus geen verband met de op vindplaats
124 aangetroffen sporen.
LANAKERVELD
97
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaats ligt op het plateau direct ten westen van het droogdal van het
Heeswater. De bodem en het grondsporenniveau zijn goed geconserveerd.
De Bt-horizont lijkt grotendeels intact te zijn. Op het westelijk deel van
de vindplaats is een vrij dik colluvium aanwezig (dikte 10-40 cm). Op het
oostelijk deel is het colluvium dunner (10-20 cm). Een enkele keer ligt de
Bt-horizont hier direct onder de bouwvoor. De diepte van het sporenvlak,
dat zich in de top van de Bt-horizont bevindt, varieert van 50-80 cm onder
maaiveld op het westelijk deel tot 30-50 cm onder maaiveld op het oostelijk
deel.
Grondsporen en vondstmateriaal - Metaaltijden
Nederzettingssporen
Verspreid over de hele vindplaats zijn antropogene grondsporen
aangetroffen, die op basis van hun vulling aan de periode na het laatneolithicum kunnen worden toegeschreven. In de meeste putten betreft
het een zeer losse spreiding van paalsporen en enkele greppels (putten
50, 51, 53, 72, 74, 76 en 77). In put 52 is sprake van twee paalsporen die
eventueel deel kunnen uitmaken van een gebouwstructuur. Deze ligt dan
echter grotendeels buiten de put. Ook in put 40 is een rij van drie duidelijke
paalsporen aanwezig, die onderdeel van een structuur zouden kunnen
vormen.
Duidelijke gebouwstructuren zijn aangetroffen in de putten 75, 78 en
79. In put 79 is een vierpalige spieker met afmetingen van 2,0 x 2,8 m
aangetroffen. Ten zuiden hiervan is een rij van drie palen met een lengte
van 2,7 m gevonden. Ten zuiden daarvan liggen nog wat losse sporen die
vooralsnog geen onderdeel van een structuur lijken te vormen. Uit alle
paalsporen van de vierpalige spieker is aardewerk afkomstig dat de structuur
in de vroege ijzertijd dateert. Deze paalsporen hebben diameters van 40-50
cm en bewaarde dieptes van 15-20 cm onder het opgravingsvlak. Ook in put
78 is een vierpalige spieker aangesneden. Deze hoort echter mogelijk bij het
eenschepige gebouw dat tot de vroeg-middeleeuwse bewoning ter plekke
kan worden gerekend.
In het uiterste zuiden van put 75 zijn tenslotte zes palen aangetroffen,
die zonder twijfel deel uitmaken van een structuur. Het is mogelijk dat de
structuur compleet in de proefsleuf ligt en er daarmee dus sprake is van
een zespalige spieker van 3,0 x 2,0 m. Het is echter ook zeer goed mogelijk
dat de structuur buiten de put doorloopt. In dat geval maakt de structuur
onderdeel uit van een huisplattegrond zoals die op de löss van een beperkt
aantal sites bekend is.129 Er is dan sprake van een tweeschepige en een
drieschepige variant van huizen met regelmatige paalzetting. De precieze
chronologische relatie tussen beide gebouwtypen is nog onduidelijk gezien
het geringe aantal bekende exemplaren, maar beide komen zeker in de
vroege ijzertijd voor. De breedte van de schepen van de plattegrond van
Geleen-Janskamperveld bedraagt 2 m, maar de afstand tussen de palen
in de lengterichting van het gebouw is kleiner dan in Maastricht (1,0 m
voor Geleen, 1,5 m voor Maastricht). Deze afstanden in de lengte variëren
echter, en zijn bijvoorbeeld in enkele drieschepige plattegronden groter.
Op basis van het vondstmateriaal uit de paalsporen is de structuur in put
129 Van Hoof 2008b.
98 LANAKERVELD
Figuur 6.28
Structuur uit de vroege ijzertijd in put 75
75 eenduidig in de vroege ijzertijd te dateren. De twee gecoupeerde sporen
hebben diameters van 40-50 cm en bewaarde dieptes van ca. 25 cm. Eén van
deze palen (spoor 75.11) was voor een belangrijk deel gevuld met keien en
zal dus als poer gefungeerd hebben.
Naast een enkele kuil is er ook een aantal greppels op deze vindplaats
gevonden. De noordoost-zuidwest georiënteerde greppels kenmerken zich
door een donkergrijze vulling waarin steenkoolgruis en incidenteel plastic
voorkomt waaruit een vrij recente datering valt af te leiden. De oost-west
georiënteerde greppels hebben echter een vulling die vergelijkbaar is met
die van de sporen uit de metaaltijden tot en met de vroege middeleeuwen.
Op basis van vondstmateriaal is in ieder geval één van deze greppels
inderdaad in de metaaltijden te dateren (put 53). In hoeverre de overige
greppels aan de bewoning uit de metaaltijden of de vroege middeleeuwen
kunnen worden toegeschreven is onduidelijk. Het is mogelijk dat het hier
om post-middeleeuwse perceleringsgreppels gaat. Een opvallende greppel
bevindt zich in put 77. Het gaat om een op doorsnede U-vormige greppel
die een areaal van ongeveer 6,0 x 7,5 m omsluit. Datering en functie zijn
echter onduidelijk.
Vondstmateriaal nederzetting
In de putten 40, 50-54, 75, 78 en 79 is een homogene groep aardewerk
aangetroffen, die in de vroege ijzertijd (met een nadruk op de eerste helft
daarvan) te dateren is. Er komen nog enkele brokjes vergelijkbaar aardewerk
uit de putten 72 en 77 zodat het mogelijk is dat de aangetroffen vindplaats
in deze richting doorloopt. Het gevonden aardewerk is grotendeels uit
grondsporen afkomstig. In het zuidelijk deel van put 79 is er sprake van een
vondstconcentratie in het colluvium. Opvallend binnen het complex is het
hoge aandeel secundair verbrand aardewerk.
Het weinige vuursteen binnen vindplaats 124 is deels als bandkeramisch
te bestempelen (uit put 40, 75, 76 (mogelijk) en 78: zie vindplaats 53).
Binnen deze zone is echter in put 76 en 77 een beperkte groep vuursteen
gevonden (N=5), die duidelijk afwijkt van de bandkeramische complexen.
LANAKERVELD
99
Mogelijk wijst het op een gebruik van het terrein in het laat-neolithicum of
later. Daarbij zouden we verwachten dat het op een ouder gebruik duidt dan
dat in de vroege ijzertijd, maar er is nog een discussie gaande over gebruik
van vuursteen in deze periode. Een datering in de vroege ijzertijd is dus niet
uit te sluiten.
Grafveld
In put 75 zijn op respectievelijk 4 en 12 m ten noorden van de boven
besproken structuur, twee graven gevonden. Het gaat om twee
gefragmenteerde potten met crematieresten. Behalve dat de potten zeer
incompleet zijn, tonen zij ook duidelijke sporen van verbranding en lijkt het
dus te gaan om op de brandstapel meeverbrande stukken. Spoor 75.7 is een
kuiltje bestaande uit een kleine insteek en een kern van 65 cm doorsnede
met een komvormig profiel (diepte 14 cm). In deze kern bevonden zich
crematieresten waaromheen delen van een zeer incomplete pot (zonder
bodem). De vulling van de kern was rijk aan houtskool en donkergrijs. Er
lijkt hier dus sprake te zijn van een begraving van crematie en brandstapelresten. Op grond van het aardewerk lijkt dit graf aan het begin van de
vroege ijzertijd gedateerd te moeten worden.
Spoor 75.10 was in het vlak zichtbaar als een cirkelvormige vlek met een
doorsnede van ca. 45 cm. In coupe had het spoor een komvormig profiel
en een diepte van 18 cm onder het opgravingsvlak. Dit spoor was moeilijk
te begrenzen aangezien het opgevuld was met redelijk schone grond en
dus nauwelijks afstak tegen de omliggende schone löss. In het spoor waren
delen van een ondiepe Henkeltasse uit de late bronstijd aanwezig, die
vermoedelijk als urn gebruikt is aangezien zich hierin het grootste deel van
de crematie bevond (hoewel ook enkele resten aan de buitenzijde van deze
kom zaten). Boven de crematie werden nog twee grote scherven van een
andere pot gevonden, mogelijk de restanten van een als deksel gebruikte
pot. Tenslotte werd in dit spoor nog een scherf gevonden die in de middenbronstijd gedateerd moet worden. Deze scherf kan op de aanwezigheid van
een ouder gebruik van deze locatie wijzen.
Verder naar het noorden zijn in deze put nog resten van verbrand
aardewerk gevonden. Mogelijk heeft het grafveld dus in deze richting verder
doorgelopen.
De in de graven aangetroffen crematieresten zijn in afwachting van een
vervolgonderzoek niet geanalyseerd, zodat hierover nog geen uitspraken
kunnen worden gedaan.
Vroege middeleeuwen
Binnen vindplaats 124 is een kleine groep sporen aangetroffen die in de
vroege middeleeuwen te dateren is. Sporen uit deze periode bevinden
zich in putten 51 en 78. Het gaat om in ieder geval één pottenbakkersoven uit de Merovingische periode in put 51 en nederzettingssporen uit de
Merovingische en/of Karolingische periode in put 78.
De pottenbakkersoven
Van de pottenbakkersovens in put 51 is alleen spoor 51.06 gecoupeerd. Een
tweede vermoedelijke oven lag grotendeels in de putrand en tekende zich
slechts af als een dunne rand verbrande leem (spoor 51.07). Deze oven
is verder niet blootgelegd. Er is geen dateerbaar materiaal uit deze oven
verzameld.
100 LANAKERVELD
coupe
stookgat
Figuur 6.29
De merovingische pottenbakkersoven
ovenkamer
0
coupe
2,5 m
Figuur 6.30
De deels gecoupeerde oven in het vlak
LANAKERVELD
101
Figuur 6.31
De ovenkamer tijdens het
couperen en in de coupe
Spoor 51.06 lag aanvankelijk ook deels in de putwand en was alleen
zichtbaar als een kuil met een roodverbrande laag leem aan de zijkanten.
In dit stadium is de kuil gecoupeerd, waarbij een circa 1,5 m diepe kuil
zichtbaar werd waarvan de wanden geheel uit verbrande leem bestonden.
In de vulling van de kuil bevond zich een grote hoeveelheid merovingisch
aardewerk, verbrande stenen en brokken verbrande leem en hergebruikte
Romeinse dakpannen. Omdat er vanaf dit punt gedacht werd aan een pottenbakkersoven is de put uitgebreid, zodat de oven in zijn geheel in het vlak
kon worden blootgelegd.
102 LANAKERVELD
N
0
1m
Figuur 6.32
De gehele oven in de coupe
De oven bleek in het vlak sleutelgatvormig te zijn. Het resterende deel
van de oven is vervolgens in de lengte gecoupeerd, waarna bleek dat de
ovenmond, de trekgang en de ovenkamer in een horizontale lijn lagen;
het betrof dus een zogenaamde liggende oven. De stookkuil is over het
algemeen iets dieper uitgegraven.130 De lengte van de gehele constructie
bedraagt circa 3,40 m. De ovenkamer heeft een maximale breedte van
1,50 m. Het geheel is ongeveer 1,50 m diep ingegraven. De opening van
het stookgat ligt in het noordoosten. Het ongebakken aardewerk werd
opgestapeld in de ovenkamer. De hitte die vrijkwam door het vuur in de
stookkuil werd door de trekgang de ovenkamer ingetrokken.
Van het bovengrondse deel van de oven is niets bewaard gebleven. De
ovenkamer was vermoedelijk afgedekt met een lemen koepel, die na
het voltooien van het bakproces verwijderd is. Over de ondergrondse
constructie kan wel het één en ander worden opgemerkt. De ovenkamer was
vermoedelijk door een zogenaamde tong in tweeën gedeeld. Het restant van
deze tong is in de coupe van de ovenkamer zichtbaar als een stapel platte
stenen, die ongeveer 40 cm boven de bodem van de ovenkamer uitsteekt.
Boven deze tong bevonden zich brokken leem, Romeinse dakpannen en
verbrande stenen, die vermoedelijk onderdeel hebben uitgemaakt van de
bovengrondse constructie.
Naast constructieonderdelen heeft de oven een grote hoeveelheid
Merovingisch aardewerk opgeleverd. In totaal zijn iets meer dan 200
scherven verzameld, waarvan het grootste deel afkomstig is uit de
ovenkamer. Onder het materiaal bevinden zich geen complete potten of
misbaksels, maar vooral scherven met oude breuken, die gepast konden
worden. Het is onduidelijk of dit materiaal afkomstig is van de laatste
stook of in combinatie met leem gebruikt is om de wanden van de oven
te verstevigen. Een andere mogelijkheid is dat de oven is hergebruikt als
afvalkuil.131 Op basis van de aanwezige potvormen en versiering is het
aardewerk te dateren in de 7e eeuw (Stufe IV en mogelijk ook Stufe V in het
schema van Böhner).132
Binnen het aardewerk domineren ruwwandige eivormige potten, die als
kook- of voorraadpot gebruikt werden en alleen binnen nederzettingscontext voorkomen. Daarnaast zijn wat schalen en enkele biconische potten
aanwezig. De laatste groep werd vaak als grafgift meegegeven.133 Hoewel
130
131
132
133
Panhuysen et al. 1992, 264.
Zoals oven 2 van het Céramiqueterrein (Panhuysen et al. 1992, 266).
Böhner 1958.
Van Wersch 2004.
LANAKERVELD
103
Figuur 6.33
De verschillende op het Céramiqueterrein in
Maastricht-Wyck aangetroffen ovens (naar:
Panhuysen et al. 1992)
er binnen de assemblage een nadruk lijkt te liggen op “gewoon” kookgerei
is het nog te vroeg om vragen met betrekking tot de afzetmarkt van de
pottenbakkers van het Lanakerveld te beantwoorden.
Er zijn maar weinig Merovingische pottenbakkersovens bekend in
Nederland. De dichtstbijzijnde parallellen zijn de vier liggende ovens die in
1991 op het Céramiqueterrein in Maastricht-Wyck zijn opgegraven.134 Net
als bij de oven van het Lanakerveld is de ovenkamer bij deze ovens door
middel van een tong in tweeën gedeeld. Ook zijn stenen, leem en aardewerkscherven gebruikt ter versteviging van de ovenconstructie. Daarnaast
zijn ook wel wat verschillen aan te wijzen. Zo is oven 1 in MaastrichtWyck in zijn geheel verstevigd met stenen en bevinden zich bij oven 2
aan weerszijde van de ovenmond twee paalgaten, die mogelijk een afdak
ondersteunden. Achter de trekgang van oven 3 bevond zich in de ovenwand
een merkwaardig pijpvormig fenomeen, waarvan de functie niet duidelijk
is. Bij oven 4 tenslotte was in het midden van de stookkuil een vloertje
gemaakt van maaskeien.
De in de ovens van het Céramiqueterrein aangetroffen assemblage
scherven overtreft die van het Lanakerveld ruim. Ook de diversiteit van
de aardewerkvormen is vele malen groter dan bij Maastricht-Lanakerveld.
In totaal werden er in Maastricht-Wyck bijna 19.000 scherven geborgen.
Ook hier ontbreken complete gave potten en complete misbaksels. Binnen
het assemblage is het gehele Merovingische vormenspectrum aanwezig.135
Gezien de enorme hoeveelheid aardewerk die geborgen is wordt gedacht
dat deze ovens niet alleen aardewerk voor de stad Maastricht produceerden,
maar ook voor een grotere regio. De datering van deze ovens is op basis van
134 Panhuysen et al. 1992.
135 Van Wersch 2004.
104 LANAKERVELD
aardewerktypologie en 14C-dateringen op houtskool uit de ovens vastgesteld
op de periode tussen 540 en 660 na Chr.136 De ovens hebben dus een
vergelijkbare ouderdom met die op het Lanakerveld.
Buiten de Maastrichtse pottenbakkersovens is er in Nederland slechts
één andere Merovingische pottenbakkersoven bekend, namelijk uit KesselHout.137 Het gaat hier ook om een liggende oven, ingegraven in een talud.
Er zijn geen tong of resten van een rooster aangetroffen. Het aangetroffen
aardewerk bestaat uit ruwwandig reducerend gebakken aardewerk en is te
dateren in de 7e eeuw. De vormen en het baksel komen overeen met dat uit
oven 1 uit Maastricht-Wyck.138
In Duitsland zijn Merovingische aardewerkproductiecentra bekend uit
Mayen, Geseke, Krefeld-Gellep, Bonn, Bornheim-Waldorf, Trier, Wülfingen,
Donzodorf, Heidelberg-Bergheim en Ladenburg. In België kennen we Huy
en in Frankrijk Haucourt en Montreuil-sur-Lozon.
Nederzettingssporen
De twee pottenbakkersovens in put 51 zijn vermoedelijk onderdeel van een
vroeg-middeleeuwse nederzetting. Ongeveer 100 m ten noordwesten van
de ovens zijn in put 78 de sporen van twee gebouwen en een geassocieerde
kuil gevonden. Bij de structuren gaat het om een groot eenschepig gebouw,
bestaande uit 2 rijen palen, met een minimale lengte van 8 m en een
breedte van circa 5 m. Vlak ten zuiden van dit gebouw bevonden zich een
(vermoedelijk vierpalige) spieker en een grote kuil. Geen van deze sporen
heeft duidelijk dateerbaar materiaal opgeleverd.
De eenschepige structuur is op basis van vergelijkbare plattegronden uit
Haagsittard in de Merovingische of misschien de Karolingische periode
te dateren. Eén van de structuren van Haagsittard meet 14 bij 7 m en is
op basis van het geassocieerde aardewerk in de 7e eeuw gedateerd.139 Ter
waardering is een klein aantal sporen van de structuur gecoupeerd. De
sporen hadden nog een diepte tussen de 16 en 18 cm. In slechts één spoor
vondstmateriaal aangetroffen, namelijk een scherf ijzertijd aardewerk.
Vermoedelijk betreft het hier opspit, omdat er van de löss geen vergelijkbare
plattegronden uit de ijzertijd bekend zijn.
Van de vermoedelijk vierpalige spieker ten zuiden van de plattegrond
zijn drie palen blootgelegd en gecoupeerd. Deze hebben geen dateerbaar
materiaal opgeleverd. De kuil ten zuiden van de eenschepige structuur heeft
een enkele scherf opgeleverd, die mogelijk in de Karolingische periode te
dateren is. De functie van de kuil is niet duidelijk. In het vlak tekende deze
zich af als een ronde kuil met een kern van roodverbrand materiaal. In
coupe bleek de kuil in feite een ronde greppel te zijn (15-20 cm diep), die
opgevuld was met versinterd materiaal. De kern van de kuil had slechts een
diepte van 5 tot 10 cm. Het is mogelijk dat deze kuil een rol heeft gespeeld
als een soort houtskoolmeiler. Een analyse van het versinterde materiaal, dat
bemonsterd is, zou hier meer uitsluitsel over kunnen geven.
136
137
138
139
Panhuysen et al. 1992, 264.
Hupperetz 1999.
Hupperetz 1999.
Stoepker 1992, 382.
LANAKERVELD
105
Figuur 6.34
De eenschepige structuur in het vlak
Figuur 6.35
De ten zuiden van de structuur gelegen kuil in
doorsnede
Botanisch onderzoek
Twee monsters van deze vindplaats zijn onderzocht op botanische
macroresten. De monsters zijn afkomstig uit de pottenbakkersoven (spoor
51.06) en uit een paalkuil van de eenschepige structuur (spoor 78.14). Alleen
in het residu van het monster uit de oven werd een vermoedelijk fragment
van graan en een zaadje van Ringelwikke gevonden. Het monster uit de
paalkuil bevatte geen botanische resten. De in de oven gevonden soorten
zijn algemeen voor diverse periodes.
Conclusie
Vindplaats 124 is een goed geconserveerde vindplaats, waarbinnen twee
fasen te onderscheiden zijn. Er is een nederzettingsterrein en urnenveld
uit de late bronstijd/vroege ijzertijd aangetroffen en daarnaast bevinden
er zich nederzettingssporen uit de vroege middeleeuwen, waaronder een
Merovingische pottenbakkersoven.
106 LANAKERVELD
Metaaltijden
In de hele zone ten zuiden van de bandkeramische nederzetting (vindplaats
53) is op basis van de verspreiding van aardewerk en sporen sprake van
een nederzetting uit de vroege ijzertijd. Daarbij zijn in de putten 79 en 75
eenduidige structuren aangesneden, waaronder enkele spiekers en mogelijk
ook een huisplattegrond. Naar het oosten lijken de putten 50, 51, 73 en 72
door het geringe aantal vondsten en sporen de grens van de nederzetting
aan te geven. In westelijke en zuidelijke richting is de begrenzing van
deze vindplaats niet vastgesteld (zeker gezien de sporenrijkdom in put
79). De noordgrens lijkt met putten 40 en 75 bereikt te zijn. Tussen
de bandkeramische nederzettingssporen is nauwelijks sprake van
vondstmateriaal of sporen uit de metaaltijden, terwijl de vondsten en sporen
uit de putten 76 en 77 moeilijk interpreteerbaar zijn.
Er ligt hier dus een nederzetting uit de vroege ijzertijd, waarbij binnen
het beperkte proefsleuvenonderzoek onduidelijk is in hoeverre sprake is
van twee of meerdere erven. De afstand tussen de aangetoonde gebouwen
in put 79 en put 75 (ca. 225 m) duidt zeker op het bestaan van twee erven.
De ertussen aangetroffen sporen lijken echter te wijzen op het bestaan van
meerdere erven, waarvan dan echter geen gebouwen binnen die sleuven zijn
aangesneden.
De korte afstand van slechts enkele meters tussen de structuur in
put 75 en de direct ten noorden daarvan gelegen graven is opvallend.
Hoewel er ook nog sprake zou kunnen zijn van een aan het grafritueel
gerelateerd gebouw, wordt voorlopig uitgegaan van een interpretatie van
dit gebouw als huisplattegrond. Ook op enkele andere locaties in het ZuidLimburgse lössgebied waarbij zowel nederzettingssporen als graven werden
aangetroffen, blijkt die afstand beperkt te zijn (zo bijvoorbeeld te SteinKeerenderkerkweg140 of in Neerharen-Rekem.141
De datering van de urnen rond de overgang van late bronstijd naar vroege
ijzertijd, en de datering van het gebouw in de eerste helft van de vroege
ijzertijd vallen te dicht op elkaar om uit te gaan van bebouwing van het
urnenveld in een periode ver na het gebruik daarvan.
De vroege middeleeuwen
Bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen beperken zich tot het
deel van de vindplaats ten zuiden van de Lanakerweg. In westelijke en
zuidelijke richting is de begrenzing van de sporen uit deze periode niet
vastgesteld. De vroeg-middeleeuwse bewoning bestaat uit een nederzettingsterrein, waarop in ieder geval twee structuren herkend zijn. Het gaat
om een groot eenschepig gebouw en een kleiner bijgebouw. De datering
van deze structuren is niet geheel duidelijk. De enige vondst is afkomstig
uit een vermoedelijke houtskoolmeiler, vlak ten zuiden van de eenschepige
structuur. Het gaat hier om een klein scherfje dat als mogelijk Karolingisch
geïdentificeerd is. Op basis van vergelijkbare eenschepige structuren
uit Haagsittard is een datering in de Merovingische periode echter ook
mogelijk.
Direct ten zuidoosten van de nederzettingssporen bevinden zich
vermoedelijk twee pottenbakkersovens. Van één van deze ovens is dit met
zekerheid vastgesteld. Het betreft hier een zogenaamde liggende oven,
140 Van Hoof 2000.
141 Vergelijk Van Hoof 2008b waarin de altijd gescheiden afgebeelde nederzettings- en urnenveldplattegrond zijn gecombineerd.
LANAKERVELD
107
bestaande uit een stookkuil, trekgat en met leem beklede ovenkamer. In de
ovenkamer werd een grote hoeveelheid aardewerkscherven gevonden, die
in de 7e eeuw te dateren zijn. De dichtstbijzijnde parallellen voor de pottenbakkersoven zijn de vier liggende ovens uit de tweede helft van de 6e en de
eerste helft van de 7e eeuw van het Céramiqueterrein in Maastricht-Wyck.
Een eerste analyse van het aardewerk van het Lanakerveld lijkt erop
te wijzen dat hier voornamelijk ‘gewoon kookgerei’ werd geproduceerd,
waartoe het grootste deel van het scherfmateriaal gerekend kan worden.
De hoeveelheid en diversiteit van het in Maastricht-Wyck aangetroffen
aardewerk overtreft de assemblage van het Lanakerveld ruim. De vraag
dringt zich dus op of we hier met verschillende afzetmarkten te maken
hebben, waarbij de ovens van Maastricht-Wyck voor een veel groter gebied
produceerden, terwijl de oven op het Lanakerveld meer op locale productie
gericht was.
Merovingische pottenbakkersovens zijn zeldzaam in Nederland.
Nog zeldzamer is de combinatie met een landelijke nederzetting uit
vermoedelijk dezelfde periode. Dergelijke nederzettingen zijn nauwelijks
bestudeerd in de regio, waar de aandacht vooral gevestigd is geweest op de
vroeg-middeleeuwse stad Maastricht. Buiten de kern van Merovingische
bewoning in de binnenstad van Maastricht is deze periode in de regio vertegenwoordigd door enkele grafveldjes (Boschstraatkwartier, Borgharen,
Amby, Sint-Pietersberg en Maastricht-Lage Kanaaldijk).142 Daarnaast zijn
op enkele vindplaatsen buiten de stad sporen van ambachtelijke activiteiten
teruggevonden. Aardewerkproductie is aangetoond op het reeds vermelde
Céramiqueterrein en op de Lage Kanaaldijk. In het Boschstraatkwartier
werd brons, barnsteen en gewei bewerkt. Duidelijke bewoningssporen in de
vorm van restanten van structuren, zoals aangetroffen op het Lanakerveld
ontbreken echter steeds op de genoemde vindplaatsen.143
6.3.7 Vindplaatsen 73 en 76
Inleiding
De vindplaatsen 73 en 76 liggen ten westen van vindplaats 124 op een
afstand van 100 m van elkaar. Op basis van de oppervlaktekartering en
het booronderzoek waarbij direct onder de bouwvoor een E-horizont is
waargenomen zijn beide vindplaatsen gekarakteriseerd als kleine vuursteenconcentraties uit de steentijd. Op beide locaties zijn enkele vuurstenen
artefacten verzameld, bij vindplaats 73 twee afslagen en een kling, bij
vindplaats 76 twee klingfragmenten.
Vindplaats 73 is onderzocht door middel van twee proefsleuven (putten 55
en 56), vindplaats 76 door middel van een sleuf (put 57). In beide gevallen
is specifiek gelet op de aanwezigheid van vuursteen in de onverstoorde
ondergrond (>5 artefacten per m2).
Landschappelijke context, bodemopbouw en conservering
De vindplaatsen bevinden zich centraal op het plateau tussen de droogdalen
van de Zouw en het Heeswater, net ten noorden van de Briegdenweg.
Op beide vindplaatsen is het profiel goed geconserveerd, maar is geen Ehorizont waargenomen. De top van de onverstoorde löss bestaat uit de Bt142 Dijkman 1999.
143 Dijkman 1999.
108 LANAKERVELD
horizont. Op vindplaats 73 bevindt deze zich direct onder de bouwvoor. Op
vindplaats 76 ligt de Bt-horizont onder een circa 10 cm dik colluvium. Het
sporenvlak bevindt zich in de top van de Bt-horizont op respectievelijk 40
cm (vindplaats 73) en 50 cm (vindplaats 76) onder het maaiveld.
Grondsporen
In de proefsleuf (put 56) bij vindplaats 73 zijn twee antropogene
grondsporen aangetroffen, waaronder een duidelijke paalkuil. Deze is op
basis van de kleur van de vulling als post-LBK te bestempelen.
Op vindplaats 76 is een duidelijke kuil aangesneden. Een datering in het
vroege neolithicum (LBK) is op basis van de kleur van de vulling mogelijk.
Vondstmateriaal
De enige vondst van deze twee vindplaatsen is een afslag van Lanayevuursteen uit spoor 56.03.
Conclusie
Het proefsleuvenonderzoek op vindplaatsen 73 en 76 heeft geen eenduidige
aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van vuursteenvindplaatsen
in onverstoorde ondergrond. Er is slechts één stuk vuursteen aangetroffen.
Wel zijn op beide vindplaatsen antropogene sporen aangetroffen. Gezien de
beperkte omvang van het onderzoek op beide locaties zijn over de aard van
deze sporen geen duidelijke uitspraken te doen.
LANAKERVELD
174350
109
174400
55
53
35
4
73
P56
76
73
P55
22
320100
320100
75
P57
76
N
0
174350
Figuur 6.36
Overzicht vindplaatsen 73 en 76
10m
LBK ?
post-LBK ?
recente verstoring /
natuurlijke verstoring
begrenzingen
RAAP vindplaatsen
174400
110 LANAKERVELD
LANAKERVELD
111
7 Specialistenonderzoek - Aardewerk
In dit hoofdstuk wordt het op de verschillende vindplaatsen verzamelde
aardewerk per periode beschreven. In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van
het totaal aantal aardewerk per periode naar aantal en gewicht.
Tabel 7.1
Vondstcategorie
Aantal Gewicht in g
Aardewerk per periode naar aantal en gewicht
Aardewerk totaal
2174
24905,2
292
1917,4
1175
8732,2
2
30,0
Handgevormd Prehistorisch aardewerk
Onbepaald
Neolithicum
Bandkeramiek aardewerk
Michelsberg aardewerk
Metaaltijden
Bronstijd aardewek
1
25,0
IJzertijd aardewerk
53
902,8
Romeinse Tijd
Romeins Import aardewerk
10
117,0
Romeins lokaal aardewerk
325
5950,3
4
11,9
281
6989,4
9
164,9
3
15,9
19
49,4
Romeins handgevormd
Middeleeuwen
Vroeg Middeleeuws aardewerk
Laat Middeleeuws aardewerk
Nieuwe tijd
Recent aardewerk
Onbepaald
7.1 Bandkeramisch aardewerk
P. van de Velde & I.M. van Wijk
7.1.1 Typologie
Het bandkeramisch aardewerk bestaat in totaal uit 1175 stuks
potfragmenten.144 Tijdens de analyse is gebruikt gemaakt van de aardewerktypologie opgezet door Modderman.145 Deze typologie gaat voornamelijk
uit van versierd aardewerk, waarbij de nadruk ligt op verschillen in wandversieringstypen, band- of knobbeloren, profiel van het aardewerk en
randversiering. Op basis van de aardewerk-versiering is een goede indicatie
te verkrijgen voor een relatieve datering. Een absolute datering zou in
principe nog mogelijk zijn door 14C-datering van houtskoolresten uit sporen
of bij voorkeur een AMS-datering van verbrande granen. Daarbij dient wel
rekening gehouden te worden met twee plateaus in de calibratiecurve voor de
LBK die een nauwkeurige absolute datering bemoeilijken. Indien bij vervolgonderzoek sprake is van een intensieve nederzettingsopgraving, verdient het
de aanbeveling om de dateringsmethode van Van de Velde te gebruiken.146
Deze typologie is een statistische aanvulling op en verdere uitwerking van
de typologie van Modderman, en geeft een fijnere chronologische resolutie.
Voor deze methode dient men alle versierde scherven van een spoor te
beschrijven. Deze kwantificerende beschrijving gebeurt op basis van de
versieringstechnieken (spatel-type, vingerindrukken), motieven en motiefdetails, componenten (lijnen, puntjes, arceringen) en het al of niet aanwezig
144 Aardewerkanalyse uitgevoerd door dr. P. van de Velde (Faculteit Archeologie, Universiteit
Leiden) en drs. I.M. van Wijk (Archol BV).
145 Modderman 1970, 122 en 199.
146 Van de Velde 1979.
112 LANAKERVELD
Figuur 7.1
Schematisch overzicht van de versieringsmotieven op bandkeramisch aardewerk
(naar: Van de Velde & Bakels 2002)
zijn van een randversiering. Met behulp van deze methode kunnen (mits
voldoende versierd aardewerk beschikbaar is) de sporen tot op generatieniveau ten opzichte van elkaar worden onderscheiden. De typologie van
Modderman geeft een ‘grovere’ datering waarbij alleen de verschillende fasen
deels geïdentificeerd worden waarbij een overlap tussen deze fasen eerder
regel dan uitzondering is.
Omdat slechts een zeer beperkt deel van de totale aardewerkassemblage
is opgegraven tijdens het proefsleuvenonderzoek - uit de in het veld als
bandkeramisch geïdentificeerde kuilen is slechts een enkel kuilsegment
gecoupeerd - is het niet zinvol om hier een uitgebreide beschrijving te geven
van alle scherven. Het volstaat om in dit stadium van het onderzoek enkele
typische scherven af te beelden met korte omschrijving en indicatie van de
(relatieve) datering volgens de typologie van Modderman.
7.1.2 Methodiek
Naast de gebruikelijke kenmerken van het aardewerk worden in deze
analyse ook andere kenmerken beschreven. Het gaat hier om het aantal
vertegenwoordigde potten, het aandeel versierd/onversierd aardewerk, het
potdeel (wand, rand, bodem, oor, schouder, hals), de magering (potgruis,
zand, grind/kwarts, organisch, bot), de vorm (dik- of dunwandig, vinger/nagelindrukken), de kleur (zwart, geel/leem, bruin, grijs), de randversiering
(enkelvoudige en/of meervoudige spatel, lijn- en/of puntversiering), de
wandversiering (curvi- of rectilineair, golf- of spiraalmotief, enkelvoudige
en/of meervoudige spatel, lijn- en/of puntversiering, knobbeloor, secundaire
motieven), het al dan niet aanwezig zijn van bandoren en reparatiegaten, de
LANAKERVELD
113
aanwezigheid van botpasta of rode oker in de versieringen en het eventuele
voorkomen van het afwijkende Limburger en/of Non-LBK aardewerk (bijlage
4). Het aardewerk zal per bandkeramische vindplaats worden beschreven.
7.1.3 Resultaten
Vindplaats 2
Deze vindplaats maakt deel uit van een groter nederzettingscomplex dat
grotendeels ten noordoosten van de spoorlijn Maastricht – Lanaken ligt.
Afgezien van proefsleuf 1 zijn in alle putten op vindplaats 2 antropogene
sporen gevonden, bestaande uit verspreid liggende paalkuilen, kuilen en
enkele concentraties bandkeramisch aardewerk in het colluvium. Uit drie
sporen is bandkeramisch aardewerk verzameld (zie bijlage 4), voornamelijk
dikwandig onversierd aardewerk. Er zijn echter ook fragmenten gevonden
van een klein dunwandig onversierd duimpotje. Alleen spoor 6.3 leverde
versierd aardewerk op dat bruikbaar is voor een relatieve datering. Van de in
totaal 283 verzamelde scherven waren er slechts 6 versierd (vondstnrs. 21 en
33). Deze scherven kenmerken zich voornamelijk door een bandversiering
op de wandfragmenten opgevuld met puntjes alsmede een bandversiering
uitsluitend opgebouwd met lijnen. Op de randfragmenten is geen versiering
aangetroffen. Hoewel het aantal versierde scherven gering is, kan het
assemblage toegeschreven worden aan fase 1d-2b van de bandkeramiek.
Vindplaats 24
Deze vindplaats is verkend door middel van twee proefsleuven (put 18 en 19).
Zij liggen in elkaars verlengde ter weerszijden van de Lanakerweg. De vondst
van een bandkeramische kuil in put 39 (vindplaats 18) en de vondst van een
kuil met bandkeramisch aardewerk in het oostelijke deel van put 18 maakt
duidelijk dat deze vindplaats de door RAAP aangegeven begrenzingen zowel
in oostelijke als in westelijke richting overschrijdt.
Put 18 ligt duidelijk in de kern van een bandkeramisch erf. Centraal in
deze put is een plattegrond van een bandkeramisch huis met geassocieerde
kuilen aangesneden (structuur 1). Het verzamelde aardewerk is voornamelijk
afkomstig uit de kuilsporen 10 en 11 die samen deel uitmaken van de
westelijke langskuil van structuur 1. In totaal zijn 311 bandkeramische
scherven uit deze twee sporen verzameld waarvan 72 zijn versierd. De
scherven kenmerken zich door simpele bandversiering over de wand van de
pot. Slechts in twee gevallen is gebruik gemaakt van een puntversiering naast
de lijnversiering.
Binnen het assemblage bevindt zich enkele potscherven die een nadere
bestudering verdienen. Het betreft hier een aantal fragmenten van versierde
flesvormige potten. De potten hebben een bolle buik waarboven een
slanke, hoogopstaande hals is gezet (figuur 7.3). Flesvormige potten zijn
zeldzaam in het Nederlandse bandkeramische assemblage dat vooral van
de rechter Maasoever afkomstig is. In het Duitse verspreidingsgebied van
de bandkeramiek zijn ze echter geen onbekende. Van de nabijgelegen
bandkeramische vindplaats te Groeve Klinkers (op de linker Maasoever, zoals
het Lanakerveld) is eveneens een flesvormige pot bekend. Die laatste is een
uniek exemplaar aangezien sprake is van een dubbele (!) flessenhals; de buik
is versierd met wratten (barbotinewaar).147
147 Theunissen 1990.
114 LANAKERVELD
Figuur 7.2
Diverse verschillende versieringen aangetroffen bij vindplaats 24
96 a-d en 97 a en b schaal 1:2
96 e schaal 1:1
De potscherven zijn, zoals reeds beschreven, bijna alle versierd met behulp
van een bandversiering opgezet met lijnen. Daarnaast zijn er echter enkele
scherven die versierd zijn met een opstaande stafband (figuur 7.4).
Als laatste dient een aantal scherven genoemd te worden die het best
worden omschreven als non-LBK.148 Deze scherven lijken in sommige
kenmerken, zoals versieringstechniek en (soms) magering op het gangbare
bandkeramisch aardewerk, maar wijken in versieringsmotieven, potvorm
en/of bakwijze af. Er is dus een duidelijk verschil aantoonbaar met het
doorgaans makkelijk herkenbare versierde LBK aardewerk, hoewel het beeld
van de versieringsmotieven vertroebeld kan worden door de doorgaans
grotere fragmentatie van het non-LBK aardewerk.
148 Van de Velde 2007.
LANAKERVELD
Figuur 7.3
Flesvormige potten van vindplaats 24
(schaal 1:2)
Figuur 7.4
Potscherf met stafband van vindplaats 24.
(schaal 1:2)
115
116 LANAKERVELD
Figuur 7.5
Non-LBK aardewerk.
(schaal 1:1)
Het aardewerk afkomstig uit de diverse sporen op deze vindplaats is
nagenoeg eenduidig chronologisch toe te wijzen. Het dateerbare materiaal
uit de met de huisplattegrond geassocieerde kuilen past duidelijk in fase 1c
en 1d. Alleen bij het aardewerk uit spoor 18.49 is uitloop mogelijk tot in fase
2a.
Vindplaats 53
Deze vindplaats is gelegen op de zuidelijke rug in het onderzoeksgebied tussen het dal van het Heeswater in het zuiden en het Zouwdal in
het noorden. De vindplaats is met een veertiental proefsleuven verkend.
Tijdens het onderzoek werden diverse paal- en kuilsporen aangetroffen
die toegeschreven kunnen worden aan op zijn minst 6 bandkeramische
huisplattegronden. Het aardewerk is voornamelijk afkomstig uit de
langskuilen die aan deze structuren toebehoren, en waarvan telkens één
sectie gecoupeerd is. Uit zeven sporen is materiaal verzameld, samen
252 bandkeramische scherven waarvan 31 versierd. De versiering bestaat
overwegend uit lijnen in de bandversiering over de wand van de pot. Slechts
in een enkel geval is gebruik gemaakt van een puntversiering naast een lijnof bandversiering.
Naast het gebruikelijke, reeds bekende assemblage van versierd aardewerk
bevonden zich enkele fragmenten die opvielen qua vorm, versiering en
typologie.
Ten eerste gaat het om enkele randfragmenten van een dunwandige pot
waarvan de onversierde rand is omgeslagen of platgeslagen (zie figuur 7.6).
Ten tweede zijn opnieuw scherven aangetroffen met een opgelegde stafband
waarvan één zelfs met nagelindrukken. Zoals gezegd komen stafbanden
vaker voor in het assemblage van de bandkeramiek. Desalniettemin blijven
ze een redelijk vreemde eend in de bijt.
Naast het gebruikelijke versierde aardewerk met zijn kenmerkende
versiering en motieven zijn net als op vindplaats 24 ook hier fragmenten
non-LBK aardewerk aangetroffen (Figuur 7.7). Gezien de relatieve
onbekendheid met het materiaal verdient het de aanbeveling om bij
toekomstig onderzoek deze aardewerkcategorie nader te bestuderen.
LANAKERVELD
Figuur 7.6
Omgeslagen rand met knobbeloor en nagelindrukken (schaal 1:2)
Figuur 7.7
Aardewerkfragment met geknepen vingerindrukken (schaal 1:2)
117
Een laatste subcategorie betreft de fragmenten Limburger aardewerk149 die
in spoor 15 van put 47 zijn gevonden. Dit materiaal verschilt aanzienlijk
van het bekende, typische bandkeramische aardewerk. In plaats van
met potgruis vermagerde scherven, is er nu sprake van een organische
magering soms afgewisseld met grindjes of kwarts. De scherven zijn over
het algemeen reducerend gebakken op een lage baktemperatuur. Het lijkt of
minder plastisch materiaal is gebruikt met een groter aandeel fijn zand erin
verwerkt. Het geheel voelt brozer aan. De versiering is ook duidelijk anders.
Doorgaans betreft het visgraatmotieven die met behulp van lijntjes op de
wand van de pot zijn opgezet.
Limburger aardewerk is, naast het in deze streken wat zeldzamer La
Hoguette en ander non-LBK aardewerk, de bekende onbekende in het
aardewerkassemblage van de bandkeramiek. Kent het La Hoguette
aardewerk een meer zuidelijke verspreiding (Nederland, België en
Frankrijk; voornamelijk op de linker Maasoever), het Limburger aardewerk
komt vooral voor in Nederland en Duitsland (hoofdzakelijk op de rechter
Maasoever). Nederlands Limburg bevindt zich dus in de contactzone waar
beide soorten voorkomen. Algemeen wordt nog verondersteld dat het
aardewerk representatief is voor aan de bandkeramiek ‘perifere’ culturen.
Tot nu toe hebben intensieve speurtochten buiten de lössgordel slechts
enkele geïsoleerde vondsten van deze groepen opgeleverd. Er is niets wat
op een echte nederzetting lijkt, alleen een enkele kampplaats met een
gering aantal verspreide vondsten: Sweikhuizen (La Hoguette), Kesseleik en
Echt-Annendaal (LBK-Limburg), zodat de aard van die ‘groepen’ onbekend
blijft.150
De datering van het aardewerk valt wederom voornamelijk in fase 1c/1d.
Daarnaast zijn enkele uitlopers te noemen die doorgaan tot fase 2a en 2b.
Evenmin is geheel uit te sluiten dat de bewoning al teruggaat tot fase 1b, de
vroegste fase in de Nederlandse bandkeramiek. Dit zou geheel niet misstaan
in het beeld dat geboden wordt door omringende vindplaatsen zoals groeve
Klinkers151 en Oud Caberg152 waar eveneens elementen uit de oudste fase
zijn aangetroffen.
Vindplaats 123
Bij het graven van de proefsleuven 62-69 werd in put 68 volkomen
onverwacht een bandkeramisch grafveld aangesneden. De vindplaats was
niet gekarteerd door RAAP en ligt ongeveer 150 m ten noordoosten van
vindplaats 24.
In totaal zijn 13 grondsporen gevonden in put 68, waarvan 11 duidelijk
antropogeen waarschijnlijk alle grafkuilen. De kuilen zijn afgerond
rechthoekig tot ovaalvormig en op één exemplaar na (spoor 68.12) van
vergelijkbare grootte. Bij het aanleggen van het vlak zijn enkele onversierde
potfragmenten verzameld alsmede een brok hematiet en enkele crematiespikkels. Eén graf (spoor 12) is ter waardering gecoupeerd waarbij
kenmerkende grafgiften zoals een brok hematiet, een slijpsteen, een platte
basalten dissel (type IV), een vuurslag en een klein versierd potje (fase 2b2c) zijn geborgen.
149
150
151
152
Modderman 1987.
Van Wijk en Van de Velde 2007.
Theunissen 1990.
Dijkman 2000.
118 LANAKERVELD
Figuur 7.8
Versierd potje uit grafkuil
(schaal 1:2)
258
Het potje is, op enkele scherven na, grotendeels bewaard gebleven (figuur
7.8). Het potje is over de buik versierd met banden van dubbelgezette,
schuin op de motiefas gestelde kleine streepjes in een rectilineair
zigzagmotief dat rond de gehele pot loopt. De rand is eveneens versierd met
twee banden van kleine ingekerfde streepjes. De datering ligt in fase 2b/c.
7.1.4 Conclusie
Van de 1175 scherven zijn er 204 versierd en 973 onversierd (bijlage 4).
Aangezien slechts een deel van de nederzetting(en) is opgegraven is het
totale aantal oorspronkelijk aanwezige individuen/potten niet nader te
benoemen. De versierde scherven die zijn meegenomen in de aardewerkanalyse maken deel uit van op zijn minst 45 potten waarvan de meeste
slechts fragmentarisch bewaard zijn gebleven. Wellicht dat bij het verder
uitgraven van de kuilen nog passende scherven worden gevonden. Het
merendeel van de fragmenten is redelijk geconserveerd, hoewel sommige
zeer verweerd zijn. Het verschil in conservering heeft onder veel meer te
maken met post-depositionele processen die binnen een spoor kunnen
optreden zoals een lokale verhoging van de zuurgraad door weggegooid
voedsel als aangetoond bij het onderzoek van een silokuil in Elsloo.153
Verdere verwering van het potoppervlak zal ervoor zorgen dat in de loop
der tijd de oppervlakkig ingekerfde versiering zich steeds slechter aftekent
en uiteindelijk bijna onzichtbaar zal worden. Van veel groter en algemener
invloed dan de handelingen uitgevoerd door de eerste gebruikers van de
kuilen zijn post-depositionele processen, zoals bodemvorming, ploegen en
bemesten. De hier beschreven vindplaatsen liggen dicht onder het oppervlak
slechts afgedekt door een dunne bouwvoor met in enkele gevallen een dun
laagje colluvium.
Over het algemeen kan het assemblage in periode 1c-d (5150-5050 v. Chr.)
geplaatst worden. Er zijn enkele uitlopers die wijzen op bewoning tot in
fase 2b. Er zijn met zekerheid geen bewoningsresten aangetroffen uit fase
2c/d, de laatste fasen van de bandkeramiek. De datering is voornamelijk
gebaseerd op het uitsluitende gebruik van enkelvoudige spatels, en dus
afwezigheid van meervoudige spatels, gecombineerd met een voornamelijk
met lijnen opgezette bandversiering. Puntversiering alsmede versiering
op de randen komen nauwelijks in het assemblage voor, duidelijke
aanwijzingen voor een datering in de eerste bandkeramische periode
153 Van Wijk 2002; Zie ook bijvoorbeeld Slager & Van de Wetering 1977 voor bodemvormende
processen in antropogeen gegraven kuilen.
LANAKERVELD
119
(“ältere LBK”). De potfragmenten zijn voor het grootste deel gemagerd met
potgruis (chamotte). Daarnaast is af en toe gebruik gemaakt van grindjes
of fragmentjes gebroken kwarts als magering. De versiering is zoals
gezegd voornamelijk opgezet met lijnen op de buik van de pot. Voor zover
herkenbaar is de versiering grotendeels rectilineair opgezet maar er is, in dit
stadium van het onderzoek, geen sprake van een overtuigende meerderheid.
Hetzelfde geldt voor de vorm van de motieven die meer neigen naar golf/zigzagvormen in plaats van spiralen.
Het assemblage springt er op een aantal punten uit. Als eerste mag de
flesvormige pot genoemd worden. Hoewel niet uniek voor de Nederlandse
bandkeramiek zijn er weinig parallellen voorhanden. Ten tweede dienen de
stafbandjes, al dan niet versierd met vinger/nagelindrukken, genoemd te
worden. Ook deze komen sporadisch voor in het Nederlandse assortiment
aan versieringsvormen.
Als laatste dient de potentie van het geheel genoemd te worden. Het
voorkomen van structuren en kuilen die geheel los van elkaar lijken te
liggen bieden een uitstekende mogelijkheid voor toekomstig onderzoek. De
opzet en structuur van bandkeramische erven is binnen de Nederlandse
bandkeramiek nog steeds onderdeel van discussie omdat in de tot nu
opgegraven nederzettingen de bewoningsdichtheid zó groot was dat in de
loop van de tijd de afzonderlijke erven in aanzienlijke mate overlapten.154
De nederzettingsstructuur zoals deze zich in het Lanakerveld voordoet
waarbij een aantal huizen of erven die binnen een kort tijdsbestek (fase 1b
tot 2b) hebben bestaan los van elkaar ligt, is voor Nederlandse begrippen
ongekend; hier zou eindelijk een eventuele standaardisatie van de
erfindeling onderzocht kunnen worden. Met een fijnere aardewerkanalyse155
bestaat de mogelijkheid elke structuur ten opzichte van de andere te dateren
zodat omvang en inrichting van de nederzetting vastgesteld kan worden.
De aanwezigheid van een grafveld dat mogelijk eveneens uit dezelfde fase
stamt als bovengenoemde vindplaatsen biedt eveneens talrijke kansen voor
uitvoerig vervolgonderzoek. Tot slot, de unieke combinatie van een kleine,
maar goed onderzoekbare nederzetting met een grafveld heeft potentieel
mogelijkheden voor een gedetailleerde sociologische analyse.
7.2 Het laat-prehistorische aardewerk
L.G.L. van Hoof
Onder deze groep wordt al het prehistorische aardewerk vanaf het middenneolithicum gerekend. In totaal gaat het om 338 scherven. Het aardewerk
uit deze periode kent een veel grotere verspreiding over het onderzoeksgebied, dan het Bandkeramische materiaal. Ook hier wordt een beschrijving
per vindplaats(cluster) aangehouden.
7.2.1 Het noordelijke deel
Vindplaatsen 29, 31, 66 en 42
Op deze vindplaatsen zijn maar weinig prehistorische aardewerkvondsten gedaan. Het gaat slechts om drie scherven. Twee brokjes mogelijk
154 Een prachtig voorbeeld is de discussie aangaande wards versus yards in Louwe Kooijmans et
al 2003.
155 Van de Velde 1979.
120 LANAKERVELD
ijzertijdaardewerk zijn afkomstig uit het colluvium van put 25 (vindplaats
66). In put 21 (vindplaats 31) is een randscherf van een drieledige vorm
met uitgeslagen rand aangetroffen. Aan de binnenzijde van die rand zijn
vingertopindrukken aangebracht. Mogelijk is dit als randverschijnsel van
de Romeinse vindplaats 18 op te vatten. Dit zou kunnen wijzen op een
voorganger van dit terrein uit de late ijzertijd of vroeg-Romeinse tijd, hoewel
een oudere datering in de ijzertijd niet uitgesloten is.
Vindplaats 82 en 122
Binnen vindplaats 122 is in de putten 62, 64, 65, 67 en 69 enig
prehistorisch aardewerk verzameld. Een grote fractie van dit materiaal komt
uit spoor 62.1. Binnen dit materiaal (ook binnen het ene vermelde spoor)
kunnen grofweg twee baksels worden onderscheiden. Eén met een fijne
magering van zand en chamotte en één vrij rijk aan minerale magering. Er
komen zowel dikwandige, als zeer dunwandige, soms gepolijste vormen
voor. Slechts één rand werd aangetroffen: van een gesloten vorm. Ook
werden twee stukken van een stafband met vingertopversiering aangetroffen
(figuur 7.9). Bij het grootste fragment is ook de rand zelf nog aanwezig
die ook met vingertopindrukken is versierd (Fig. 7.6). De baksels zijn
reducerend, waarbij ongeveer de helft van het materiaal wel een oxiderende
buitenzijde kent. Vanwege de grote hoeveelheid minerale magering in de
scherven die dit hebben, en vanwege het voorkomen van zeer dunwandige
en dikwandige vormen alsmede een stafband lijkt een datering in de late
bronstijd het meest waarschijnlijk. In de directe omgeving (o.a. de vele
complexen uit de regio Itteren-Borgharen156) is immers gebleken dat hier
i.t.t. de zandgronden van oostelijk Noord-Brabant en de regio Cuijk,157 zeer
rijke minerale mageringen voorkomen in de late bronstijd. Niet geheel
uitgesloten kan worden dat er in het complex scherven uit de vroege ijzertijd
of het laat-neolithicum voorkomen, hoewel we in de laatste periode ook
wat versierde (klok)bekerscherven zouden verwachten. Het op deze locatie
aangetroffen vuursteen zou zeker in het laat-neolithicum niet misstaan,
over het vuursteengebruik in de late bronstijd is wat dat betreft nog zeer
weinig bekend. Wel is duidelijk dat in de bronstijd over het algemeen – als
er vuursteen wordt aangetroffen – dit grof en opportunistisch bewerkt is
op enkele vaak zeer fraai uitgevoerde formele werktuigen (als pijlspitsen en
sikkels) na.158
In de putten 12 en 13 is een beperkte hoeveelheid aardewerk verzameld
(vindplaats 82). Een belangrijk deel hiervan stamt uit spoor 12.4 waarin ook
weer twee baksels voorkomen. Het belangrijkste deel bestaat uit scherven
van één pot met een baksel dat zeer rijk is aan fijne minerale magering.
Een aantal van de grotere scherven past aaneen tot een onderhelft van
een pot. Opvallend zijn enkele diagonaal over de binnenzijde van de pot
lopende sporen die lijken te wijzen op het gebruik van een langzame
draaischijf, hoewel niet geheel is uit te sluiten dat het patroon met een
hamer-en-aambeeld techniek bij de potvorming kan zijn verkregen. Het lijkt
dan echter zeer moeilijk om een dergelijk constant rondlopend patroon te
verkrijgen. In het beperkte materiaal zijn twee baksels te onderscheiden:
een reducerend baksel met rijke magering van fijne minerale delen
156 Brounen & Ball 2002; Van de Graaf & De Kramer 2005a+b.
157 Ball & Eimerman 2002, Arnoldussen & Ball 2007.
158 Van Gijn & Niekus 2001.
Figuur 7.9
Met stafband versierd aardewerk uit kuil S62.1
(schaal 1:2)
LANAKERVELD
121
Figuur 7.10
Rand van tulpbeker uit de Michelsberg-cultuur
(schaal 1:1)
(grotendeels behorend bij de hierboven beschreven pot) en een baksel
waarbij de buitenwand oxiderend is gebakken, maar kern en binnenwand
reducerend zijn. De scherven van de laatste categorie kennen vaak een ruwe
buitenzijde, zijn grotendeels met potgruis gemagerd, maar er komt ook
een minerale fractie voor. Er is nog een brokje zeer dunwandig, gepolijst
aardewerk gevonden. Tenslotte is er in put 12 een ver uitstaande rand van
een dunwandig, gepolijst baksel met fijne minerale magering aangetroffen.
Versieringen zijn niet aangetroffen, evenals besmeten materiaal. Op basis
van de karakteristieken van het baksel zouden we geneigd zijn dit complex
in de vroege ijzertijd, mogelijk nog in de late bronstijd te dateren. De
uitstaande rand uit put 12 (vondstnummer 34) lijkt afkomstig te zijn van
een tulpbeker uit de midden-neolithische Michelsberg-cultuur (figuur 7.10).
De scherf is afkomstig uit het colluvium en moet tot een losse spreiding
van midden-neolithisch vondstmateriaal (vooral vuursteen) gerekend
worden, die op deze locatie voorkomt. Er zijn geen sporen uit deze periode
aangetroffen.
Vindplaats 62
Uit de putten 7, 70 en 71 komt aardewerk dat grotendeels uit uniforme, niet
echt dun- of dikwandige scherven bestaat met een fijne tot licht minerale
magering. Opnieuw zijn de baksels grotendeels reducerend waarbij vaak
de buitenzijde wel oxiderend is. Slechts een enkele keer komen sterk
kwartsgemagerde scherven voor: een oortje en een halsfragment van een
pot waarvan andere scherven veel minder sterk met kwarts gemagerd zijn.
Opvallend is nog een zeer grof gemagerde, zeer dikke bodemscherf. Hoewel
niet geheel uitgesloten kan worden dat deze laatste scherf op een oudere
gebruiksfase duidt, lijkt het geheel aan te sluiten bij hetgeen hiervoor
voor het materiaal van vindplaats 122 (putten 62-69) betoogd is: de meest
waarschijnlijke datering ligt in de late bronstijd, hoewel de vroege ijzertijd
niet geheel uit te sluiten valt.
Vindplaats 2
Van deze vindplaats is uit de putten 2, 3 en 4 een zeer kleine hoeveelheid
aardewerk verzameld. Er is geen duidelijke datering aan te geven, hoewel
een datering in de late bronstijd of vroege ijzertijd gezien de nabijheid
van vindplaats 62 voor de hand lijkt te liggen. Een viertal scherven uit
respectievelijk put 5, 6, 14 en 15 zijn mogelijk ook in de metaaltijden te
dateren. Het materiaal is echter zo gefragmenteerd dat een datering in de
Romeinse tijd of Vroege middeleeuwen niet uit te sluiten is.
122 LANAKERVELD
7.2.2 Het zuidelijke deel
Vindplaats 124
Deze vindplaats heeft zowel nederzettingssporen als enkele graven uit de
late bronstijd en de vroege ijzertijd opgeleverd. Deze worden afzonderlijk
besproken.
Nederzettingssporen
In de putten 50 t/m 54, 78 en 79 is een dunne spreiding aardewerk
aangetroffen, dat grotendeels uit de in deze putten aangetroffen
grondsporen stamt. Het meeste materiaal is reducerend gebakken met licht
geoxideerde buitenzijde. De magering is relatief fijn met veel chamotte
en een gering aandeel fijne minerale magering. Eén scherf toont een
organische magering. Opvallend is het hoge aandeel secundair verbrand
aardewerk. Vanwege de nabijheid van Merovingische pottenbakkersovens
zou er natuurlijk gedacht kunnen worden aan de aanwezigheid van oudere
pottenbakkersactiviteiten. Dergelijke secundair verbrande scherven komen
echter ook veel in nederzettingscontext in Zuid-Nederland voor. In WestNederland komen scherven met vergelijkbare verbrandingskenmerken
in de – daar wel bewaarde – haardplaatsen voor.159 De groep bevat drie
besmeten scherven en een naar buiten staande rand. Dit materiaal kan
zeer waarschijnlijk in de vroege ijzertijd gedateerd worden. Opvallend is
het voorkomen van een baksel dat zeer rijk aan minerale magering is.
Put 79 heeft een groep totaal vergelijkbare scherven opgeleverd, o.a. uit
drie van de vier sporen van een vierpalige spieker, waardoor in ieder geval
deze structuur in de vroege ijzertijd te dateren is. In put 78 komt uit één
paalspoor van de grote eenschepige structuur vergelijkbaar aardewerk.
Gezien de vermoedelijke datering van deze structuur in de vroege
middeleeuwen kan dit echter ook opspit zijn. In het zuidelijke deel van
put 75 bevinden zich sporen van een in ieder geval zespalige structuur (die
mogelijk ook onderdeel vormt van een huisvorm die op de löss van ZuidLimburg aangetroffen wordt in de late bronstijd en vroege ijzertijd).160 Uit
drie van de paalsporen van deze structuur komt aardewerk dat met potgruis
en een fijne minerale fractie is gemagerd. Uit spoor 75.14 is een licht naar
buiten staand randfragment afkomstig, dat aan de binnenzijde secundair
verbrand is (vondstnr. 341). Deze rand lijkt het beste in de eerste helft van
de vroege ijzertijd te kunnen worden gedateerd. De nederzettingssporen
lopen in noordelijke richting in ieder geval door tot in put 40 waar de paar
scherven uit de sporen 40.4 en 40.5 op een vergelijkbare datering duiden.
In oostelijke en westelijke richting loopt de nederzetting mogelijk door naar
de putten 72 en 77, waar nog enkele brokjes aardewerk met ijzertijd-achtige
baksels zijn gevonden.
Een urnenveld
In put 75 zijn twee graven met aardewerk geborgen. In spoor 75.7 betrof
dit een zeer incomplete drieledige, buikige pot met sterk ingesnoerde
hals en licht uitstaande rand waarvan wel een groot deel van het profiel
gereconstrueerd kon worden. Het aardewerk is reducerend gebakken.
Een mogelijk tot dezelfde pot behorende scherf uit dit spoor is aan de
159 Therkorn 2004, o.a. 20+22+48.
160 Vergelijk Van Hoof 2002 en Van Hoof 2008b.
LANAKERVELD
123
Figuur 7.11
Henkeltasse uit graf S75.10
(schaal 1:2)
buitenzijde zwart gepolijst en aan de binnenzijde door een fijne minerale
magering ruw. Waarschijnlijk kan dit graf in de vroegste fase van de vroege
ijzertijd gedateerd worden.
Uit spoor 75.10 is het grootste deel van een ondiepe Henkeltasse met één
klein oor afkomstig (figuur 7.11). Dit materiaal is zwaar verbrand en zal dus
op de brandstapel meeverbrand zijn. Daarnaast komen in ieder geval enkele
grote scherven van een reducerend gebakken pot voor met drie parallelle
groeven op de hals en een bolle buikvorm. Deze aardewerkvormen dateren
dit graf in de late bronstijd. In hetzelfde spoor is echter ook een rand
aangetroffen van een met grove kwarts gemagerde, zeer dikwandige pot. De
rand is naar buiten staand en afgevlakt. Deze scherf lijkt niet in de categorie
grove potten te passen die uit de late bronstijd en vroege ijzertijd bekend
is. Zowel randvorm en magering van deze scherven wijzen sterk op een
datering in de midden-bronstijd.161
Het grafveld loopt vermoedelijk door in noordelijke richting. In het
noordelijke deel van put 75 zijn bij de aanleg van het vlak enkele vondsten
gedaan die daarop kunnen wijzen. Uit vak 4 komen sterk verbrande
scherven van een kleine, dunwandige, licht drieledige vorm. Het zou hier
kunnen gaan om een op de brandstapel meeverbrand bijpotje. Ook in
vak 5 zijn bij vlakaanleg twee scherven gevonden, die duidelijke sporen
van verbranding vertonen. De magering bestaat uit potgruis en een fijne
minerale fractie.
Het aardewerk uit de twee duidelijke graven wijst op een datering van
het grafveld in de late bronstijd en waarschijnlijk het begin van de vroege
ijzertijd. Opvallend is de ene randscherf die in de midden-bronstijd
gedateerd moet worden. Mogelijk wijst deze op een eerder begin van het
grafveld.
7.2.3 Conclusie
Het aardewerk uit deze groep beperkt zich wat datering betreft grotendeels
tot de late bronstijd en de vroege ijzertijd. Vroegst gedateerd is een enkele
scherf van een tulpbeker uit de midden-neolithische Michelsbergcultuur
van vindplaats 82. Binnen het aardewerk uit de late bronstijd en de vroege
ijzertijd is een duidelijke verschuiving in datering zichtbaar tussen het
noordelijke en het zuidelijke deel.
Nederzettingssporen uit de late bronstijd kunnen tot het noordelijke deel
beperkt worden op basis van aardewerkvondsten uit de putten 62 t/m 69
(vindplaats 122), 12 en 13 (vindplaats 82) en 7, 70 en 71 (vindplaats 62).
Binnen het vondstspectrum spelen vooral de drie kuilinhouden (uit put 62,
12 en 70) een belangrijke rol. Tegelijkertijd is op het zuidelijke deel een
161 Vergelijk Desittere 1968.
124 LANAKERVELD
grafveld ingericht (put 75, vindplaats 124). De tijdens het proefsleuvenonderzoek aangetroffen graven kunnen in de late bronstijd en waarschijnlijk het
begin van de vroege ijzertijd gedateerd worden.
De bewoning verplaatst zich in de eerste helft van de vroege ijzertijd naar
het zuidelijke deel. Daarop wijst het aardewerk uit de putten 40, 53, 75, 78
en 79 en in mindere mate uit put 72 en 77. De in put 75 en 79 aangetroffen
structuren kunnen eenduidig in deze bewoningsfase gedateerd worden.
Het feit dat in put 75 de structuur en crematiegraven in directe nabijheid
van elkaar liggen doet interessante vragen opkomen over de ruimtelijke
en chronologische verhoudingen tussen grafveld en nederzetting op deze
locatie in het begin van de vroege ijzertijd.
7.3 Aardewerk uit de Romeinse tijd
J. de Bruin
Tijdens de opgravingen op het Lanakerveld zijn in totaal 290 aardewerkfragmenten uit de Romeinse tijd verzameld. Het materiaal is zonder
uitzondering afkomstig van vindplaats 18 en is intensief verzameld. Er
zijn 89 scherven afkomstig uit de afdekkende lagen en 201 uit de op deze
vindplaats aanwezige grondsporen (zie bijlage 6).
7.3.1 Methodiek
De tijdens het onderzoek aangetroffen scherven kunnen in een aantal
aardewerkgroepen ingedeeld worden (Tabel 7.2). Aangezien het hier een
proefsleuvenonderzoek betreft, zeggen de onderlinge verhoudingen van het
aardewerk niet zo veel. Opvallend is wel het lage aandeel handgevormde
keramiek. Dit is echter in de omliggende regio een normaal verschijnsel.162
In het kader van dit onderzoek voert het te ver om alle aardewerkgroepen
uitgebreid te beschrijven. In de volgende paragrafen zullen daarom de
afzonderlijke aardewerkgroepen kort besproken worden. Afgesloten wordt
met een synthese waarbij zaken als datering van het aardewerkcomplex en
de verspreiding over het terrein aan bod komen.
Alle dateringen zijn na Christus, tenzij anders vermeld.
Aardewerksoort
Terra sigillata
Aantal scherven Percentage
12
4
Gebronsd
1
0
Geverfd
9
3
Metaalglanswaar
4
1
Gladwandig gesmookt
1
0
Gladwandig
51
18
Ruwwandig
170
59
Dikwandig
3
1
Amfoor
9
3
Mortaria
11
4
Dolium
15
5
Handgevormd
Totaal
5
2
290
100
162 Zie onder andere Wiepking 1997, 19, Wiepking 2005, 177 en De Winter 2007, 61.
Tabel 7.2
Aantallen scherven per aardewerkcategorie
(passende scherven zijn als 1 exemplaar
geteld. Dit geldt voor alle genoemde aantallen scherven).
LANAKERVELD
125
7.3.2 Aardewerkgroepen
87
Figuur 7.12
Scherf versierde terra sigillata (schaal 1:1)
Terra sigillata
Op het Lanakerveld zijn 12 scherven terra sigillata aangetroffen. Zes hiervan
waren nader te determineren. Eén fragment van het bord Dragendorff 18/31
kan op basis van het baksel aan het begin van de tweede eeuw gedateerd
worden.163 Twee scherven zijn afkomstig van de versierde kom Dragendorff
37. Op één van de fragmenten was nog decoratie aanwezig (figuur 7.12). Het
gaat hier om een eierlijst die vergeleken kan worden met Haalebos 208.164
Kommen met dit soort versiering werden geproduceerd in La Madeleine
in Frankrijk tussen 120 en 140 (met een mogelijke uitloop naar 175).
Fragmenten van de wrijfschaal Dragendorff 43/45 en het bord Dragendorff
32 vertegenwoordigen de periode na het midden van de tweede eeuw tot in
de derde eeuw. Er werden geen stempels aangetroffen.
Gebronsd aardewerk
Er is één randscherf van deze aardewerkcategorie aangetroffen, behorende
bij een beker van het type Vanvinckenroye 291.165 De datering ligt tussen 75
en 125.
Geverfd aardewerk
Het geverfde aardewerk wordt traditioneel opgedeeld in een aantal
technieken.166 Op het Lanakerveld zijn alleen de technieken A en B vertegenwoordigd. Eén scherf in techniek A is afkomstig van een niet nader te
determineren bord; een randfragment in techniek B is afkomstig van de
beker type Niederbieber 3,167 met een datering vanaf 140 tot ver in de derde
eeuw.
Metaalglanswaar
Er zijn vier scherven gevonden die behoren tot de aardewerkcategorie metaalglanswaar. Dit in de derde eeuw te dateren aardewerk is over
het algemeen afkomstig uit Trier of de Argonnen. In dit geval komt het
aardewerk uitsluitend uit de Argonnen. Eén randscherf kon worden
toegewezen aan het derde-eeuwse bekertype Niederbieber 33.
Gladwandig gesmookt aardewerk
Het gladwandig gesmookte aardewerk wordt vertegenwoordigd door één
fragment (figuur 7.11), afkomstig van de beker Tienen B11b.168 Gezien het
baksel zal deze beker in Tienen vervaardigd zijn. De datering is vanaf 150 tot
in de derde eeuw.
Gladwandig aardewerk
Het gladwandige aardewerk wordt vertegenwoordigd door 52 scherven,
waarvan er veel helaas niet nader gedetermineerd konden worden. Een
tweedelig oor op een wandfragment kan wijzen op een kruikvorm. Ook
werd een fragment van een niet nader te determineren bord gevonden.
163
164
165
166
Dragendorff 1895.
Haalebos 1977.
Vanvinckenroye 1991, 62-63.
Zie Brunsting 1937, 70-72. Techniek A is een wit baksel met een rode of roodbruine verf,
techniek B is een wit baksel met bruine tot zwarte verf.
167 Oelmann 1914.
168 Driesen et al 2006.
126 LANAKERVELD
Figuur 7.13
Gladwandig gesmookt aardewerk van het type
Tienen B11b (schaal 1:1)
109
Hiernaast kon een bord van het type Brunsting 22B169 onderscheiden
worden, met een datering in de tweede eeuw.
Ruwwandig aardewerk
Van de 170 ruwwandige scherven konden er 23 nader gedetermineerd
worden. Het gaat om twee fragmenten van borden van het type Brunsting
22B uit de tweede eeuw, 20 fragmenten van kookpotten en een
dekselfragment van het type Niederbieber 120B, met een datering vanaf
175 tot en met de gehele derde eeuw. De kookpotten zijn toe te wijzen
aan drie verschillende typen, te weten de Stuart 201A170 (7 scherven), de
Vanvinckenroye 477 (3 fragmenten) en de Niederbieber 89 (10 stuks).
Hoewel het type Stuart 201A zeker nog tot na het midden van de tweede
eeuw voorkomt, lijkt het frequente voorkomen van deze vorm in de
derde eeuw sterk afgenomen te zijn. Deze kookpot wordt ook wel gezien
als de voorloper van de kookpot Niederbieber 89, die vanaf het midden
van de tweede eeuw opkomt. De vorm Vanvinckenroye 477 vormt een
overgangsvorm tussen beide typen. De op het Lanakerveld aangetroffen
kookpotten laten deze ontwikkeling duidelijk zien. Zo lijkt het midden
van de tweede eeuw vertegenwoordigd door de overgangsvormen tussen
Stuart 201A en de Niederbieber 89. De sterke vertegenwoordiging van het
eerstgenoemde type wijst mogelijk op een datering vanaf het eind van de
eerste en het begin van de tweede eeuw. De nog beter vertegenwoordigde
kookpotten van het type Niederbieber 89 wijzen op een bewoningsfase in de
tweede helft van de tweede en de derde eeuw.
Dikwandig aardewerk
Drie scherven zijn van zogenaamd dikwandig aardewerk. Deze fragmenten
konden vanwege de sterke fragmentatiegraad niet nader gedetermineerd
worden.
Amforen
Slechts één van de 9 amfoorscherven kon nader gedetermineerd worden.
Het gaat hier om een rand van de amfoor type Vanvinckenroye 458/459 De
datering is eerste helft derde eeuw.
Mortaria
Acht fragmenten van deze aardewerkgroep waren te determineren als de
wrijfschaal Brunsting 36. De datering is de gehele Romeinse tijd. Slechts
drie fragmenten waren niet nader te determineren.
169 Brunsting 1937.
170 Stuart 1977.
LANAKERVELD
127
Dolia
Er zijn zowel gedraaide als ongedraaide doliumfragmenten gevonden. De
gedraaide dolia zijn veelal versierd met reliëfbanden en vervaardigd van een
wittig, zandig baksel. De herkomst van deze dolia is vermoedelijk Soller in
Duitsland.171
Geen van de 15 fragmenten kon nader gedetermineerd worden.
Handgevormd aardewerk
Het inheemse of handgevormde aardewerk is met 5 scherven slecht vertegenwoordigd. Het is in de meeste gevallen niet duidelijk of het gaat om
verbrande kleibrokjes of aardewerkscherven.
7.3.3 Datering
Op basis van het aangetroffen aardewerk kan de bewoning op vindplaats 18
grofweg tussen het begin van de tweede tot ergens (midden?) in de derde
eeuw geplaatst worden. Opvallend is de aanwezigheid van veel indicatoren
voor een derde-eeuwse bewoningsfase. Een tweetal scherven heeft een
mogelijke datering in de laat-Romeinse tijd. Een datering in de vroege
middeleeuwen is echter ook mogelijk, zeker gezien het voorkomen van een
duidelijke scherf Merovingisch aardewerk op deze vindplaats (zie paragraaf
7.4)
7.3.4 Verspreiding
Verreweg de meeste aardewerkvondsten zijn afkomstig uit werkput 32.
Hiernaast is ook relatief veel scherfmateriaal verzameld in de opgravingsputten 33, 34 en 37. In werkput 32 bevindt zich bovendien de meeste
tafelwaar, zodat verondersteld kan worden dat de kern van de bewoning zich
in de omgeving van deze put bevindt.
7.3.5 Conclusie
Het Romeinse aardewerk van vindplaats 18 wijst op een voorlopige
datering van deze vindplaats tussen 100 en 250. Binnen het assemblage
is één bepaalde keramiekgroep uit put 32 opvallend. Het gaat hier om
een serie randfragmenten van de ruwwandige kookpotten Stuart 201A,
Vanvinckenroye 477 en Niederbieber 89, die op het oog in eenzelfde soort
baksel te lijken zijn uitgevoerd. Het is lastig om op basis van een proefsleuvenonderzoek eenduidige uitspraken hierover te doen, maar het voorkomen
van een dominante bakselgroep, in dit geval binnen het ruwwandige
aardewerk, is uitzonderlijk te noemen. Mogelijk is er hier sprake van een
lokaal of regionaal product. Als we dit gegeven combineren met de twee
misbaksels van tegulae van deze vindplaats (zie hoofdstuk 8), dan is niet uit
te sluiten dat zich in de omgeving van de vindplaats mogelijke potten- en/of
pannenbakkersovens hebben bevonden. Bij een eventueel vervolgonderzoek op deze vindplaats wordt geadviseerd om een bakselanalyse van het
aardewerk uit te laten voeren, teneinde meer grip te krijgen op de herkomst
van de keramiek.
171 Van Enckevort 2004, 307.
128 LANAKERVELD
7.4 Vroeg-middeleeuws aardewerk
M.E. Hemminga
Aardewerk uit de vroege middeleeuwen is aangetroffen op de vindplaatsen
18 en 124. Het grootste complex is afkomstig uit de Merovingische pottenbakkersoven (208 scherven) op vindplaats 124. Het overige aardewerk
bedraagt slechts een handvol scherven.
7.4.1 De pottenbakkersoven op vindplaats 124
Methodiek en Analyse
Bij het couperen van de pottenbakkersoven zijn in totaal 208 scherven
verzameld, die als een gesloten vondstcomplex beschouwd kunnen worden.
De scherven zijn verzameld uit verschillende vullingen van de oven naast
brokken leem, dakpannen en stenen. Aangezien de oven niet volledig
opgegraven is, betreft het hier slechts een deel van het totale assemblage.
Toch is genoeg materiaal aanwezig voor een basale karakterisering van het
complex.
Bij de beschrijving van het aardewerk zijn de volgende criteria gehandhaafd:
• Kleur heeft betrekking op de buitenzijde van de scherven.
• Scherven met een fijne magering, die nog net voelbaar is aan het
oppervlak zijn als ruwwandig geclassificeerd.
• Scherven met een zeer fijn baksel, waarbij geen magering aan het
oppervlak voelbaar is, zijn als gladwandig geclassificeerd. De buitenkant
van de scherven kan opzettelijk geglad zijn.
• Baksels zijn als zacht geclassificeerd wanneer deze krijtachtig aanvoelen
en/of makkelijk te bekrassen zijn. Harde baksels voelen steengoed-achtig
aan. Alle overige baksels zijn als middelhard geclassificeerd.172
• Passende scherven met recente breuken zijn als één exemplaar geteld.
Het maximaal aantal individuen is bepaald door niet-passende scherven
als een afzonderlijke pot te beschouwen. Niet-passende scherven
waarvan op basis van baksel en vorm werd vermoed dat deze tot dezelfde
pot behoren, zijn tot 1 individu gerekend.
Binnen het complex uit de oven zijn geen complete gave potten of complete
misbaksels aanwezig. Er zijn wel een groot aantal scherven met oude
breuken aanwezig, die passers opleverden (figuur 7.14). Deze passers
kunnen uit verschillende vullingen afkomstig zijn. Veel van de scherven
zijn afgesleten en hebben afgeronde breuken. Het is (nog) niet duidelijk of
de scherven van de laatste stook afkomstig zijn of dat ze in combinatie met
leem zijn gebruikt om de wanden van de oven te verstevigen (Tabel 7.3). Het
is ook mogelijk dat de oven als afvalkuil is hergebruikt.173
172 Dijkstra 2004.
173 Vergelijk oven 2 van het Céramique-terrein (Panhuysen et al. 1992, 266).
LANAKERVELD
Tabel 7.3
Onderverdeling van het aardewerk uit de
pottenbakkersoven
129
aantal
rand
64
wand
132
bodem
11
tuit
1
versierd
5
misbaksel
ruwwandig
gladwandig
6
169
39
maximaal N individuen
150
Totaal N scherven
208
Figuur 7.14
Een bijna complete ruwwandige eivormige pot (schaal 1:2)
Aardewerkgroepen
Op basis van het baksel, de bakwijze en de oppervlakte behandeling is het
aardewerk in de volgende groepen ingedeeld (zie tabel 7.4):
• Reducerend gebakken, gladwandig aardewerk. Het aardewerk is lichtgrijs
tot donkergrijs van kleur met slechts weinig magering. De magering is
fijn en bestaat uit kleine stukjes kwarts.
• Oxiderend gebakken, gladwandig aardewerk. Het aardewerk is oranje tot
oranjebruin van kleur met slechts weinig magering. De magering is fijn
en bestaat uit kleine stukjes kwarts. Deze groep bestaat voornamelijk uit
schalen.
• Reducerend gebakken, ruwwandig aardewerk. De kleur is overwegend
donkergrijs. Het aardewerk is sterk gemagerd met een grove magering
van kwarts en potgruis. De buitenkant van de scherven is ruw en de
magering is duidelijk zichtbaar.
• Oxiderend gebakken, ruwwandig aardewerk. Het aardewerk is oranje
tot bruin van kleur. Het aardewerk is sterk gemagerd met een grove
magering van kwarts en potgruis. De buitenkant van de scherven is ruw
en de magering is duidelijk zichtbaar.
130 LANAKERVELD
Baksel
aantal
Reducerend gebakken, gladwandig aardewerk
Aardewerkgroepen
7
Oxiderend gebakken, gladwandig aardewerk
32
Reducerend gebakken, ruwwandig aardewerk
9
Oxiderend gebakken, ruwwandig aardewerk
Tabel 7.4
160
Typologie
Binnen de aardewerkgroepen zijn verschillende potvormen onderscheiden.
Open vormen worden vertegenwoordigd door schalen. Potten, kannen en
flessen vormen de gesloten vormen. Kannen en flessen ontbreken op het
Lanakerveld bijna in hun geheel.174 De potten kunnen grofweg worden
opgedeeld in biconische en eivormige exemplaren. Deze laatste groep komt
het meest voor. Ze hebben verschillende randvormen (zie tabel 7.5).
randtype
aantal
dekselgeul
19
rechtopstaande rand
22
rond omgeslagen rand
6
schuin naar buiten staande rand
7
schuin opstaande rand
5
vrij recht profiel
1
onbepaald
4
Bodems
De 11 bodemfragmenten zijn alle afkomstig van zware vlakke bodems.
Dit bodemtype wordt in de Karolingische periode opgevolgd door een
lensvormige bodem.
Schalen
Er zijn 25 scherven van schalen aangetroffen. Samen vertegenwoordigen ze
maximaal 15 individuen. Het zijn over het algemeen onversierde glad- en
ruwwandige schalen met een openstaande rand en voetplaat (figuur 7.15).
Overige vormen
Eén randfragment heeft een aanzet tot een oor van een kan. Een losse
klaverbladtuit is mogelijk onderdeel van een tuitpot (figuur 7.16). Twee
kleine randfragmenten zijn mogelijk van een bord afkomstig.
Versiering
Slechts een klein aantal scherven is versierd. De versiering komt alleen
voor op de gladwandige potten en varieert van simpele rechte groeven en
golvende lijnen tot lossen stempels en rolstempels (figuur 7.17). Binnen
de stempel- en rolstempelversieringen zijn vierkantjes en kruisvormige en
geometrische motieven aanwezig. Vergelijkbare versieringen zijn aanwezig
op het aardewerk van het Céramique-terrein in Maastricht-Wyck.175
174 Er is slechts één fragment van een kan gevonden.
175 Dijkman 1992, 371.
Tabel 7.5
Verschillende randvormen.
LANAKERVELD
Figuur 7.15
Voorbeeld van een schaal
(schaal 1:2)
Figuur 7.16
Klaverbladtuit (schaal 1:1)
Figuur 7.17
Voorbeeld van de verschillende
versieringen (schaal 1:2)
131
132 LANAKERVELD
Figuur 7.18
Een aardewerkscherf met barst door
oververhitting (schaal 1:2)
Misbaksels
Een aantal scherven zijn afkomstig van misbaksels. Deze zijn door
verhitting gescheurd, gebarsten of verkleurd (figuur 7.18). Echte
vervormingen zijn niet waargenomen.
Datering
Het aardewerk uit de oven bestaat voornamelijk uit ruwwandig oxiderend
gebakken aardewerk. Slechts een klein deel is reducerend gebakken of
gladwandig. De meest voorkomende potvorm is de eivormige kookpot en
de voorraadpot met of zonder dekselgeul. Op basis van de potvormen en
versiering kan het aardewerk uit de oven in de 7e eeuw gedateerd worden
(Böhner Stufe IV en V).176
Conclusie
Het grootste deel van de scherven uit de oven is afkomstig van ruwwandige
eivormige potten, die gebruikt zijn als kookpot en voorraadpot. Dit
soort aardewerk wordt over het algemeen alleen op nederzettingsterreinen aangetroffen. Biconische potten, die slechts een klein deel van
het assemblage uit de oven vertegenwoordigen, worden vaak als grafgift
meegegeven.177
Het type aardewerk is vergelijkbaar met het assemblage uit de ovens van
het Céramique-terrein. De hoeveelheid en verscheidenheid aan aardewerk
is van deze vindplaats uiteraard veel groter. Het tot nu toe bestudeerde
aardewerk uit de oven van Lanakerveld vormt slechts een deel van het totaal
en er blijven nog veel vragen open. Is de oven wat opbouw en inhoud betreft
bijvoorbeeld vergelijkbaar met andere bekende Merovingische ovens? Ligt
de oven geïsoleerd en is deze alleen door de bewoners van de nederzetting
gebruikt of vormt ze onderdeel van een ambachtscentrum? Hebben de
pottenbakkers van het Lanakerveld zich meer gericht op het maken van
“gewoon” kookgerei en hadden deze daardoor een andere afzetmarkt dan
de pottenbakkers van het Céramique-terrein of waren het allebei allround
productiecentra met grote afzetgebieden?
7.4.2 Overig vroeg-middeleeuws aardewerk van vindplaats 124
Naast het aardewerk uit de pottenbakkersoven is min of meer eenduidig
vroeg-middeleeuws aardewerk alleen in put 78 en put 79 aangetroffen.178
In put 78 is uit een kuil (spoor 78.16) één scherf afkomstig, die op basis
van het baksel als mogelijk Karolingisch te determineren is (vondstnr.
326). De kuil ligt vlak ten zuiden van een structuur, die op basis van haar
eenschepige vorm in de vroege middeleeuwen gedateerd is. De gecoupeerde
paalkuilen van deze structuur hebben helaas geen diagnostisch aardewerk
opgeleverd. Uit put 79 zijn twee scherven afkomstig. Een fragment van een
176 Böhner 1958.
177 Van Wersch 2004.
178 Determinatie J. de Bruin, Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden.
LANAKERVELD
133
vroege kogelpot (datering: Merovingisch tot in de 11e eeuw) en een mogelijk
fragment van een Merovingische knikwandpot (vondstnr. 339)
7.4.3 Vroeg-middeleeuws aardewerk van vindplaats 18
De Romeinse vindplaats 18 heeft in totaal 4 scherven opgeleverd, die in
de Merovingische periode te dateren zijn. Het gaat om een fragment van
een bolpot uit de dubbele omgreppeling in put 32 en om drie ruwwandige
scherven uit het colluvium in de aangrenzende put 36. Deze laatste zouden
mogelijk ook nog in de laat-Romeinse periode te dateren zijn. De kleine
hoeveelheid scherven van deze vindplaats wijst erop dat op deze vindplaats
ook sporen uit de Merovingische periode verwacht kunnen worden.
7.4.4 Conclusie
Aardewerk uit de vroege middeleeuwen van het Lanakerveld beperkt zich
grotendeels tot vindplaats 124, waar een Merovingische pottenbakkersoven
is aangetroffen. Daarnaast zijn in de putten 78 en 79 enkele scherven
gevonden, die zowel in de Merovingische als in de Karolingische periode
dateren. Het Merovingische aardewerk op de Romeinse vindplaats 18 zou op
bewoningscontinuïteit in deze periode kunnen wijzen.
134 LANAKERVELD
LANAKERVELD
135
8 Specialistenonderzoek - Natuursteen, Vuursteen en overig
vondstmateriaal
In dit hoofdstuk worden de op de verschillende vindplaatsen verzamelde
overige materiaalcategorieën (natuursteen, vuursteen, metaal, glas en
bouwmateriaal per periode beschreven). In tabel 8.1 is een overzicht gegeven
van de totalen per categorie naar aantal en gewicht.
Tabel 8.1
Aangetroffen overige vondsten naar aantal en
gewicht
Bot totaal
Bot onbepaald
99
130,5
Crematieresten
nvt
149,3
3
8,7
Metaal totaal
Brons
Koper
3
17,5
IJzer
48
766
Lood
8
187,9
25
667,4
Vuursteen
599
15395,7
Natuursteen
355
67016
107
2523,7
Metaalslak
Steen totaal
Bouwmateriaal
Baksteen
Dakpan
102
21690,3
Verbrande klei
309
14558,2
30
393,2
Onbepaald
Diversen
Houtskool
4
7,2
Glas
3
10,1
8.1 Natuursteen
S. Knippenberg
8.1.1 Inleiding
Het Inventariserend onderzoek heeft een significante hoeveelheid
natuursteen opgeleverd. In totaal gaat het om 355 stukken natuursteen
(67016 g). Deze zijn tijdens het machinaal verdiepen van de verschillende
bodemhorizonten en tijdens het couperen van een selectie van de
grondsporen aangetroffen. Het feit dat de ondergrond van het Lanakerveld
grotendeels bestaat uit löss, een fijne eluviaal afgezet materiaal, dat aan
het oppervlak geen grove grind- of steeninsluitsels bevat, impliceert dat
het meeste lithisch materiaal van enige omvang door mensen moet zijn
aangevoerd en met de bewoningsactiviteiten gedurende de verschillende
periodes in verband gebracht moet worden. Hierbij moet worden opgemerkt
dat op enkele locaties op het Lanakerveld grind van het Maasterras
dagzoomt (o.a. ter hoogte van put 1), zodat niet geheel kan worden
uitgesloten dat er ook lokaal steen verzameld is.
136 LANAKERVELD
Met de bestudering van het natuursteen is getracht de volgende vragen te
beantwoorden:
•
•
•
•
•
•
Wat is de herkomst van de stenen en hoe is het materiaal naar de
vindplaats getransporteerd?
Welke steenbewerkingsactiviteiten vonden er op de vindplaats zelf
plaats?
Waartoe hebben de natuurstenen gediend en wat zegt dat over de
activiteiten die hebben plaatsgevonden op de vindplaats?
Bestaan er verschillen in steensoortengebruik en werktuigen tussen de
verschillende perioden van bewoning?
Hoe verhouden de uitkomsten zich tot vergelijkbare sites in de omgeving
en de omliggende regio? En tenslotte,
Wat zijn potentieel interessante onderwerpen om tijdens een vervolgonderzoek rekening mee te houden?
Om deze vragen te beantwoorden zijn steensoort, het type artefact, de
compleetheid, de aanwezigheid en aard van gebruiks- en bewerkingssporen, de aard van het oorspronkelijke materiaal en eventuele sporen
van verbranding of verhitting vastgesteld. Met het oog op de hoeveelheid
materiaal en de beschikbare tijd is het natuursteen alleen in grootteklassen
ingedeeld. Bij werktuigen en werktuigfragmenten is ook gewicht, lengte,
breedte en dikte gemeten. De identificatie van gebruikssporen gebeurde
met het blote oog en is aangevuld met waarnemingen die met behulp
van een handlens (vergroting 10x) gedaan zijn. Op basis hiervan zijn de
macroscopisch onderzochte werktuigen in een aantal types ingedeeld. De
kenmerken van de verschillende werktuigtypes zijn weergegeven in tabel
8.2.
Werktuig type
Kenmerken
Tabel 8.2
Klopsteen
Steen waarop putjes aanwezig zijn als gevolg van het kloppen tegen een
hard voorwerp
Werktuigtypen.
* E. Kars 2000.
Klop/wrijfsteen
Steen waarop afgevlakte putjes aanwezig zijn als gevolg van een kloppende
en tegelijkertijd een wrijvende beweging
Maalsteen
Steen waarbij één gebruiksvlak aanwezig is dat als gevolg van een malende
beweging afgesleten is. Het gebruiksvlak is plat tot (licht) concaaf voor
maalsteenliggers of plat tot licht convex voor lopers. Het gebruiksvlak onderscheidt zich van een slijpsteen doordat het nog enigszins ruw is als gevolg
van bouchaderen of door de onregelmatige aard van de steen.
Slijpsteen (passief )
Steen waarbij één gebruiksvlak aanwezig is dat als gevolg van een slijpende
werking is afgesleten. Het gebruiksvlak onderscheidt zich van een maalsteenvlak doordat het glad afgesleten is en soms uitgesleten groeven of uitgesleten brede banen bezit.
Slijpblok
Een slijpsteen met meerdere concave slijpvlakken*
Actieve slijpsteen (wetsteen)
Een in de hand gehouden slijpsteen, waarbij slijpvlakken convex zijn.
Polijststeen
Steen met een gepolijst vaak convex oppervlak, dat als gevolg van wrijvende
beweging is ontstaan. Steen vertoont vaak evenwijdige krasjes
Wrijfsteen
Een in de hand gehouden steen waarbij (een deel van) een convex oppervlak
door een schurende beweging is afgesleten.
Bij dit onderscheid dient nog de opmerking gemaakt te worden dat
het onderscheid tussen liggers (passieve werktuigen) of lopers (actieve
werktuigen) vaak niet te maken was op basis van het aanwezige werktuigfragment.
Er is getracht om al het aangetroffen steenmateriaal naar periode in te
delen. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen materiaal dat uit de
LANAKERVELD
137
verschillende bodemhorizonten afkomstig is en materiaal dat is verzameld
uit de gecoupeerde grondsporen. Binnen de eerste groep is een datering van
het materiaal moeilijk te geven aangezien hier materiaal uit verschillende
periodes door elkaar gelegen kan hebben. De datering van de tweede groep
is gebaseerd op geassocieerd dateerbaar materiaal en aan de hand van de
ligging van de sporen binnen de gedefinieerde nederzettingen.
8.1.2 Beschrijving
Bijlage 7 toont het aantal stenen per steensoort voor de verschillende
onderscheiden periodes. Een vergelijking maakt al meteen duidelijk dat de
keuze van steensoorten per periode verschilde.
8.1.2.1 De lineaire bandkeramiek
Het meeste steenmateriaal is afkomstig van de verschillende
bandkeramische vindplaatsen binnen het plangebied (N=154) (tabel 8.3).
Binnen deze groep is het grootste deel van het materiaal afkomstig van
vindplaats 24 (N=90 (grondsporen); N=7 (bodemlagen)). Op vindplaats 53
zijn in totaal 33 stukken verzameld (N=32 (grondsporen; N=1 (bodemlagen))
verzameld en op vindplaats 2 slechts 19 stukken (N=17 (grondsporen); N=2
(bodemlagen). Vindplaats 123, het bandkeramische grafveld, heeft in totaal 6
stenen opgeleverd (N=5 (graven); N=1 (oppervlak)).
Zandsteen domineert binnen het nederzettingsmateriaal van vindplaatsen
24 en 53, gevolgd door kwartsiet en kwartsitische zandsteen. Voor vindplaats
2 zijn de onderlinge percentages iets verschillend met kwartsitische
zandsteen en kwartsiet als dominante steensoorten. Minder voorkomende
steensoorten zijn kwarts, amfiboliet, fylliet, leisteen, conglomeraat, oker en
siltsteen. Onder het materiaal dat afkomstig is uit twee graven op vindplaats
123 zijn oker, kwartsiet en basalt herkend.
Grondstoffen
Dit palet aan steensoorten is karakteristiek voor LBK nederzettingen op het
Graetheide-plateau.179 Het gaat hier zowel om lokaal verzamelde materialen
als om steensoorten die via uitwisseling verkregen zijn van verder weg
gelegen bronnen. Zandsteen, kwartsiet, kwartsitische zandsteen, kwarts,
conglomeraat en siltsteen kunnen onder de groep lokaal verzamelde
materialen geschaard worden.180 Vooral de eerste vier steensoorten komen
voor in de terrasgrinden van de Maas. Vermoedelijk is het stukje fylliet ook
van lokale herkomt. Ook dit materiaal komt voor in de grindige afzettingen
van de Maas, maar is veel zeldzamer.181
Een nadere bestudering van het zandsteen laat zien dat men bewust
naar specifieke variëteiten heeft gezocht voor het vervaardigen van
maalstenen. De meeste zandstenen bezitten een vergelijkbare, middelgrove
korrelgrootte en bestaan uitsluitend uit kwartskorrels, waarbij de holtes
door een fijn verkittingsmateriaal zijn opgevuld. Andere variëteiten
zandsteen komen sporadisch voor, waaronder een glimmerhoudende
zandsteen met vergelijkbare korrelgrootte, maar ook een zandsteen
met sporadisch grove kiezels (>5 mm). Naast deze zandstenen die
gebruikt zijn voor het vervaardigen van maalstenen, is een iets grovere
zandsteen gebruikt voor het vervaardigen van een pijlschachtpolijster,
179 Bakels 1978; Verbaas 2005.
180 Zie ook Bakels 1978 en Verbaas 2005.
181 Van der Lijn 1963, 255-257.
Amfiboliet
Fylliet
Leisteen
Kwartsiet
Kwartsitische zandsteen
Conglomeraat
Zandsteen
Siltsteen
Oker
Niet gedetermineerd
Totaal
Vindplaats 24
Sporen
(kern)object
vermalen object
afslag
dissel
klopsteen
mog. klopsteen
maalsteen
maalsteen/slijpsteen
maalsteen: ligger
maalsteen: loper
mog. maalsteen
mog. maalsteen: ligger
complete kei
kei fragment
brok
Lagen
maalsteen: ligger
mog. polijststeen/wetsteen
kei fragment
brok
Totaal
Kwarts
Vindplaats 2
Artefact type
Sporen
afslag
klopsteen
complete kei
kei fragment
brok
Lagen
maalsteen
kei fragment
Totaal
Dieptegesteente
Vindplaats 53
Artefact type
Sporen
afslag
dissel
klop/wrijfsteen
maalsteen: ligger
maalsteen: loper
pijlschacht slijper
slijpsteen
slijpsteen: actief
complete kei
kei fragment
brok
Lagen
kei fragment
Totaal
Graniet
Vindplaats 123 Grafveld
Graven
vermalen object
dissel
slijpsteen
Oppervlak
dissel
Totaal
Tabel 8.3
Basalt
Artefact type
138 LANAKERVELD
1
-
-
-
-
-
-
-
1
-
-
-
-
3
-
-
3
1
1
1
0
0
0
1
1
0
0
1
0
0
0
0
3
0
1
6
-
-
-
-
1
-
-
-
4
2
-
1
1
7
1
-
2
1
1
1
1
1
7
-
-
-
-
2
1
1
1
1
1
1
1
5
16
1
0
1
1
0
0
1
0
0
6
10
0
14
0
0
0
1
32
-
-
-
-
-
1
-
4
2
-
1
2
2
2
1
-
1
1
-
-
-
-
2
2
6
5
2
0
0
1
1
0
0
1
0
6
8
0
1
3
0
0
0
1
1
19
-
-
-
1
2
1
1
-
-
1
-
1
1
6
3
18
-
1
1
1
1
6
1
1
-
4
1
2
1
8
1
2
1
4
11
4
2
1
-
1
-
-
1
1
8
1
1
2
2
2
8
1
8
1
9
39
6
0
0
0
4
1
1
0
1
1
2
32
11
1
2
41
3
1
1
0
2
1
2
2
97
Bandkeramisch steenmateriaal
LANAKERVELD
139
die op vindplaats 53 is aangetroffen. Een vergelijkbaar werktuigtype van
een vergelijkbare grove zandsteen is ook aangetroffen in een kuil (spoor
12.4) met aardewerk uit de late bronstijd op vindplaats 82. Een dergelijk
onderscheid tussen verschillende zandstenen voor verschillende werktuigen
is ook aangetroffen bij het onderzoek naar de bandkeramische nederzetting
Geleen-Janskamperveld.182 Vermoedelijk is in de grindige lagen van de
terrasafzetting specifiek gezocht naar geschikte zandsteenvariëteiten met
voldoende omvang voor een maalsteen.
Rode oker, ook wel hematiet genoemd, vormt een klein aandeel binnen
het steenmateriaal. Het betreft een oölitische variant, die ook in andere
nederzettingen op de Graetheide is aangetroffen.183 De op het Lanakerveld
aangetroffen okervariant bestaat uit afgeplatte ronde tot ovaalvormige
donkerrode korrels, die op elkaar rusten (grainsupported) en waarbij de
tussenliggende ruimtes zijn opgevuld met fijn materiaal. De korrelgrootte
verschilt nauwelijks tussen de stukken (steeds ongeveer 1 mm), wat
suggereert dat het materiaal dezelfde herkomst heeft. Een gedegen
herkomststudie is niet gedaan voor het Nederlandse materiaal. Bakels
suggereert een de herkomst in de valleien van Dahn en Dill, maar stelt dat
het materiaal ook voorkomt in de Eifel en de Ardennen.184
Van de niet-lokale materialen zijn amfiboliet en basalt geassocieerd met
dissels en disselfragmenten. Beide steensoorten zijn typisch voor de LBK,
en dan vooral voor de vroege fase.185 Petrografisch onderzoek van dissels uit
andere nederzettingen heeft uitgewezen dat de bronnen van dit materiaal
nog niet precies bekend zijn, maar vermoedelijk ten oosten of zuidoosten
van de Rijn liggen, in het herkomstgebied van de bandkeramische cultuur.
In jongere fases van de LBK gaat met meer gebruik maken van steensoorten
uit de direct omliggende regio.186
Werktuigen
Onder de artefacten bevinden zich in verhouding veel werktuigen en werktuigfragmenten.
De zandstenen werktuigen lijken vooral als maalsteen gebruikt te zijn
geweest. In totaal zijn er 17 fragmenten of incomplete exemplaren herkend
en daarnaast nog eens drie mogelijke maalsteenfragmenten. Onder de
maalstenen bevindt zich slechts één mogelijk exemplaar van kwartsiet. Het
bestaat uit meerdere niet passende fragmenten met een concaaf afgesleten
vlak. Helaas zijn de stukken te klein om met zekerheid te kunnen stellen of
het daadwerkelijk om een maalsteen gaat.
Het zandsteen waarvan deze maalstenen gemaakt zijn bezit, zoals reeds
vermeld, een vergelijkbare middelgrove korrelgrootte. Vrijwel alle stukken
hebben bovendien een vergelijkbare beige kleur. Bij de meeste maalstenen
gaat het om fragmenten van liggers (N=11), getuige het concave gebruiksvlak
en de redelijke dikte. Enkele van deze liggers waren langwerpig van vorm,
maar meer rondere vormen lijken ook voor te komen. Uitgangsmateriaal
zijn waarschijnlijk grote platte terraskeien geweest, die verder maar weinig
182
183
184
185
186
Verbaas 2005.
Bakels 1978, 116-7.
Bakels 1978, 118.
Bakels 1987, 60-66.
Amkreutz 2007a, 2007b.
140 LANAKERVELD
Figuur 8.1
“Pijlschachtpolijsters” van vindplaats 53 (links)
en vindplaats 82 (schaal 1:1)
bewerkt zijn. Sommige maalstenen vertonen een intensief gebruiksvlak
en zijn vrijwel tot op de bodem doorgesleten. Veel hebben er ook typische
sporen van afslijting op de onderkant als gevolg van het schuren tegen de
ondergrond.
Enkele meters ten oosten van de huisplattegrond op vindplaats 24 is in het
colluvium één maalsteenligger gevonden die eruit springt. Het is een zeer
grote, enigszins hoekige zandstenen kei, met een omvang van 51 x 20 x 13
cm. Het object heeft een langwerpige vorm en loopt naar één kant enigszins
spits toe. In bovenaanzicht lijkt het op een spitse driehoek. De maalsteen
is vrijwel compleet, alleen aan een van de zijkanten mist een gedeelte. Eén
van de platte vlakken is als maalvlak gebruikt, maar de gebruikssporen zijn
weinig intensief. De tegenoverliggende onderliggende zijde vertoont ook
sporen van afslijting door schuring met de ondergrond. In de nabijheid
van deze grote maalsteen is er nog een groot incompleet exemplaar (32
x 21 x 10 cm) aangetroffen. In dit geval gaat het om een onregelmatig
gevormde zandstenen terraskei met één iets concaaf maalvlak. Deze steen
lijkt eveneens weinig intensief gebruikt te zijn geweest. Mede gelet op het
feit dat ze in het colluvium zijn aangetroffen, gaat het bij beide maalstenen
mogelijk om werktuigen die tijdens het verlaten van de huisplaats nog in
gebruik waren. De weinig intensieve sporen van gebruik op deze werktuigen
contrasteren met de maalsteenfragmenten die uit de nabijgelegen afvalkuil
(Spoor 18.11) afkomstig zijn.
Er zijn maar weinig fragmenten van lopers aangetroffen. Slechts twee
fragmenten bezitten een duidelijk convex vlak en hebben een dusdanige
omvang dat ze makkelijk als loper kunnen zijn gebruikt. Een van deze
fragmenten is aan beide kanten gebruikt.
LANAKERVELD
141
Naast maalstenen is er nog een ander werktuigtype geassocieerd met
zandsteen. Het gaat om slijpstenen met een V-vormige groef, die veelal
geïnterpreteerd zijn als pijlschachtpolijsters. Op vindplaats 53 (put 47) is een
incompleet, spits toelopend exemplaar aangetroffen. Het stuk is gemaakt
van een donkerbruine zandsteen, die iets grofkorreliger is dan de voor de
maalstenen gebruikte zandsteen. De donkerbruine kleur is vermoedelijk
te danken aan het feit dat de kwartskorrels met ijzeroxiden zijn gecoat.
Opmerkelijk is dat één van de late bronstijd kuilen op vindplaats 82 (spoor
12.4) een vergelijkbaar werktuigfragment heeft opgeleverd. Vermoedelijk
gaat het hier om opspit, zeker gezien de vondst van een vuurstenen spits
van de Michelsberg-cultuur in dezelfde kuil (zie volgende paragraaf).
Naast deze slijpstenen met V-vormige groef zijn er enkele stukken
aangetroffen die ook als slijpsteen zijn geïnterpreteerd. Deze stukken
bezitten een zeer glad gebruiksvlak en zijn op basis daarvan als slijpsteen
geïnterpreteerd. Het meest opmerkelijke exemplaar komt uit het opgegraven
graf (spoor 68.12) op vindplaats 123. Het is een gele platte hoekige kei van
kwartsiet met afmetingen van 13,2 x 7,6 x 3,5 cm. Eén van de platte zijdes
is deels door gebruik afgesleten, waardoor het object daar zeer glad is. Dit
werktuig kan zowel actief als passief zijn gebruikt.
Van vindplaats 53 zijn drie als slijpsteen geïnterpreteerde werktuigen
afkomstig. Het eerste exemplaar is een platte, donkerbruine zandstenen
kei met sporen van afslijting nabij de rand. Dit exemplaar is waarschijnlijk
actief gebruikt als slijp of wrijfsteen. Bij het tweede stuk gaat het slechts om
een fragment van een fijne zandsteen met een concaaf afgesleten vlak. Het
laatste exemplaar betreft een donkere kwartsieten platte kei, waarbij één van
de platte vlakken een glans bezit die mogelijk het gevolg is van een gebruik
als polijst- of wrijfsteen. Op de hoeken van het aanwezige uiteinde zitten
kleine negatiefjes, waarvan niet duidelijk is waarom deze er zijn afgeslagen.
Een opmerkelijk weinig vertegenwoordigd werktuigtype binnen het
bandkeramische assemblage vormen klopstenen en klop/wrijfstenen. Er zijn
drie klopsteenfragmenten en een klop/wrijfsteen herkend. Bij de klopstenen
gaat het om één exemplaar van kwartsiet en twee van kwartsitische
zandsteen. Alle drie vertonen weinig geprononceerde sporen van gebruik
en lijken dan ook niet intensief gebruikt te zijn geweest. Het kleine aantal
klopstenen onder het natuursteen is te verklaren door het feit dat gedurende
de LBK vooral vuursteen dienst deed als grondstof voor klopstenen, en dan
in het bijzonder afgedankte kernen. Hiervan zijn er binnen de verschillende
vindplaatsen een aantal aangetroffen (zie paragraaf 8.2).
Naast deze klopstenen is er één kei van kwartsitische zandsteen
aangetroffen met een gefacetteerd afgevlakt uiteinde. De sporen op dit
gefacetteerde vlak houden het midden tussen wrijf- en lichte klopsporen. De
sporen verschillen van de typische klop/wrijfsporen die op veel werktuigen
uit de late prehistorie worden aangetroffen.187
Een voor de lineaire bandkeramiek typisch werktuigtype is de dissel: een
kapwerktuig met een asymmetrische snede die haaks staat ten opzichte van
de steel. Het onderzoek heeft twee complete exemplaren, één incompleet
exemplaar en een fragment opgeleverd. Alle vier hebben een verschillende
context. Uit grafkuil 68.12 op het bandkeramische grafveld (vindplaats
187 Knippenberg 2005.
142 LANAKERVELD
123) is een complete platte dissel van basalt afkomstig.188 Het object heeft
afmetingen van 65 x 36 x 12 mm en behoort tot het type IV (lang, dun) in de
typologie van Modderman.189 De basalt is lichtgrijs van kleur en iets poreus
met sporadisch zeer kleine holtes. Ongeveer 50 m ten noordwesten van het
grafveld is op de akker een incomplete hoge dissel van amfiboliet gevonden,
die donkergrijs van kleur is. De dissel mist de achterkant en vertoont tevens
op verschillende plekken recente beschadigingen in de vorm van brede
krassen. De snede vertoont een fijner geslepen oppervlak. Het werktuig is
34 mm breed en 27 mm dik geweest en heeft een lengte gehad die groter is
dan 75 mm. Binnen de typologie van Modderman betreft het een dissel van
het type III (breed, dik).190
Het tweede complete exemplaar is afkomstig uit één van de met de
bandkeramische huisplattegronden geassocieerde langskuilen (spoor 47.15)
op vindplaats 53. Het betreft hier wederom een platte dissel, gemaakt van
een groengrijze fijnkorrelige amfiboliet. De dissel is iets groter, maar ook
platter dan het exemplaar uit het grafveld en meet 69 x 41 x 11 mm. Ook
deze dissel is van het type IV (lang, dun).191 De dissel is volledig geslepen,
waarbij opvalt dat de snede gladder is en een gepolijst oppervlak vertoont.
Dit is vermoedelijk het gevolg van fijner slijpen met een polijstend
materiaal.192 Het stuk is weliswaar volledig geslepen, maar bezit op de platte
zijdes kleine diepere gedeeltes die door hun diepere ligging niet geslepen
zijn. Ook zijn er op de achterkant twee kleine negatieven aanwezig die
suggereren dat er tegen dat gedeelte geslagen is. Dit kan erop duiden dat de
dissel ook als wig gebruikt is.
Het laatste stuk is gevonden op vindplaats 24 en is afkomstig uit de
langskuil die geassocieerd is met structuur 1 (spoor 18.11). Het betreft een
klein fragment, waarbij nog een deel van één van de zijkanten en één van de
platte zijdes aanwezig is.
188
189
190
191
192
De voor de dissels gebruikte steensoorten zijn gedetermineerd door prof. dr. C.C. Bakels.
Modderman 1970, 186-87; zie ook Bakels 1987, 55.
Modderman 1970, 186-87; zie ook Bakels 1987, 55.
Modderman 1970, 186-87; zie ook Bakels 1987, 55.
Het kan niet uitgesloten worden dat dit gepolijste oppervlak door gebruik ontstaan is. Microscopisch gebruiksporenonderzoek kan daar uitsluitsel over geven.
Figuur 8.2
Bandkeramische dissels en disselfragmenten
met vondstnummers (schaal 1:2)
LANAKERVELD
143
Figuur 8.3
Rode oker uit grafkuil S68.05 (links) en S68.12
(schaal 1:1)
Er zijn drie stukken rode oker aangetroffen. Twee daarvan zijn afkomstig
uit twee graven binnen het grafveld. Het derde stuk is gevonden op
vindplaats 24, in kuil 18.11 die geassocieerd is met een bandkeramische
huisplattegrond. Het betreft in alle gevallen een oölitische soort oker. Het
kleinste fragment is afkomstig van vindplaats 24. Het is een plat stuk met
een duidelijk platte afgesleten kant, als gevolg van het vermalen van het
materiaal tegen een harde maalsteen. Het stuk is overdwars gebroken en
moet oorspronkelijk langwerpiger geweest zijn.
Uit grafkuil 68.5 komt een plat, in bovenaanzicht ovaalvormig stuk.
De exemplaar bezit meerdere afgeschuurde vlakken. Met name één van
de platte zijdes is mooi egaal afgeschuurd. Daarnaast vertoont de zijkant
rondom ook meerdere gefacetteerde afgeschuurde vlakken. De andere
platte zijde is nog sterk onregelmatig, met alleen op de hogere delen licht
afgeschuurde stukken. Het stukje is compleet en heeft afmetingen van 40 x
33 x 17 mm.
Uit grafkuil 68.12 komt een grofweg driehoekig gevormd stuk. Het is op
het ogenblik niet duidelijk vast te stellen welke vlakken van het grote stuk
zijn afgeschuurd, omdat het stuk in samenspraak met de gebruiksporenspecialist nog niet gewassen is.
Er zijn maar weinig indicaties voor het vervaardigen van werktuigen op
de verschillende bandkeramische vinplaatsen aangetroffen. Geen van
de vindplaatsen heeft halffabricaten van een werktuigtype opgeleverd.
Wel zijn er enkele afslagen aangetroffen van met name zandsteen, maar
ook van kwartsitische zandsteen, kwartsiet en siltsteen. Enkele van de
zandstenen afslagen zijn vergelijkbaar met het zandsteen dat gebruikt is
144 LANAKERVELD
voor de maalstenen en moeten dan ook in verband gebracht worden met
de bewerking van deze werktuigen. Gezien het geringe aantal afslagen, in
tegenstelling tot het aantal werktuigen, zal het bij deze bewerking gegaan
zijn om het laatste stadium van vervaardiging of om herbewerking. Het
lijkt erop dat het echte vormgeven van de maalstenen elders is gebeurd,
waarschijnlijk op de plaats waar ze verzameld werden.
Bij de overige afslagen gaat het om veelal unieke steensoorten en kunnen de
afslagen niet met specifieke werktuigen of bewerkte objecten geassocieerd
worden. Het blijft dan ook in het ongewisse waarom ze ontstaan zijn.
Dit alles in ogenschouw nemend is het duidelijk dat de bewerking van
natuursteen, in tegenstelling tot vuursteenbewerking maar een geringe
rol binnen de nederzettingen speelde. Als we gemakshalve aannemen dat
het huidige verzamelde materiaal representatief is voor de onderzochte
nederzettingen, dan mag gesteld worden dat de dissels als compleet
vervaardigde werktuigen de nederzettingen bereikten, vermoedelijk door
middel van uitwisseling. Voorts zijn de meeste van de meer lokaal verkregen
steensoorten op hun herkomstlocatie bewerkt zijn, alvorens ze naar de
nederzettingen werden meegenomen.193
8.1.2.2 De latere prehistorie
Prehistorisch materiaal uit latere periodes is op meerdere locaties binnen
het plangebied aangetroffen. Het gedateerde materiaal valt in de late
bronstijd en vroege ijzertijd. Het betreft hier slechts een gering aantal (tabel
8.4). Uit late bronstijd sporen en (mogelijk) geassocieerde bodemlagen
van vindplaatsen 62 (put 7 en 70) en 122 (put 62) zijn slechts 30 stenen
verzameld. Materiaal van vindplaats 82 bestaat uit 10 stenen (put 12) en
dat van vindplaats 124 uit 9 stenen. Op vindplaats 2 (put 2) is tenslotte nog
één steen aangetroffen, die een niet nader bepaalde prehistorische datering
heeft.
Grondstoffen
Onder het materiaal uit de sporen bevinden zich maar een viertal
steensoorten: zandsteen, kwartsitische zandsteen, kwarts en conglomeraat.
In de lagen is ook nog kwartsiet en leisteen aangetroffen. Bij de laatste
steensoort gaat het waarschijnlijk om recenter materiaal, aangezien
leisteen over het algemeen pas vanaf de Romeinse tijd in ons land gebruikt
wordt. Op de leisteen na kunnen alle materialen als lokaal uit terrasgrind
verzamelde steensoorten beschouwd worden.
Werktuigen
Onder de aangetroffen stenen bevinden zich relatief weinig werktuigen.
Slechts vier stenen vertonen sporen van gebruik. Één daarvan betreft een
mediaal slijpsteenfragment met een V-vormige groef uit kuil 12.4. Het is
van een beige middelgrove zandsteen met een lage fractie aan muscoviet
en een donker mineraal (mogelijk amfibool), gemaakt. Vermoedelijk betreft
het hier een bandkeramisch stuk, dat door opspit in deze jongere kuil
beland is. De kuil bevatte immers ook een spits van de midden-neolithische
Michelsberg-cultuur.
193 Een mogelijk voorbeeld van een bewerkingslocatie is de vindplaats Itteren-Sterkenberg. Zie
Brounen & Rensink 2006, 39.
LANAKERVELD
Tabel 8.4
Artefact type
Steenmateriaal uit de latere
prehistorie
Late Bronstijd
Leisteen Kwarts Kwartsiet Kwartsitische zandsteen Conglomeraat Zandsteen
145
Totaal
Sporen
kei fragment
-
3
-
3
-
1
7
brok
-
-
-
-
-
1
1
(kern)object
2
-
-
-
-
-
2
kei fragment
-
-
3
11
-
5
19
brok
-
-
-
1
-
-
1
pijlschacht slijper
-
-
-
-
-
1
1
complete kei
-
-
-
1
-
-
1
kei fragment
-
-
-
-
-
6
6
brok
-
-
-
-
-
2
2
maalsteen
-
-
-
-
-
1
1
maalsteen: ligger
-
-
-
-
-
1
1
mog. slijpsteen
-
-
-
-
-
1
1
kei fragment
-
1
-
1
1
2
5
brok
-
-
-
1
-
-
1
Lagen
Late Bronstijd-IJzertijd
Sporen
IJzertijd
Sporen
Prehistorie onbepaald
Lagen
(kern)object
-
-
-
-
-
1
1
Totaal
2
4
3
18
1
22
50
Bij de overige werktuigfragmenten gaat het om twee maalsteenfragmenten
en een mogelijk slijpsteenfragment. De twee maalsteenfragmenten zijn
afkomstig uit één spoor (spoor 75.11), dat in de vroege ijzertijd gedateerd
is. Het betreft een fragment van een ligger en een fragment waarvan niet
te zeggen is of het van een ligger of loper komt. Beide zijn gemaakt van
een middelgrove zandsteen, die qua textuur duidelijk verschilt van het
voor de LBK maalstenen gebruikte zandsteen. Het liggerfragment bezit
een plat afgesleten gebruiksvlak en is ook aan de onderkant afgesleten. Dit
laatste is vermoedelijk het gevolg van het schuren van de onderkant tegen
de ondergrond. Het oorspronkelijke werktuig heeft een dikte gehad van
ongeveer 8,5 cm. Ook het andere fragment bezit een plat gebruiksvlak,
dat naar de randen toe convex afloopt. Vergelijkbare zandstenen
maalstenen zijn aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek van
een langdurig gebruikt nederzettingterrein uit de late bronstijd en ijzertijd
in Bennekom.194 Microscopisch onderzoek heeft uitgewezen dat deze
maalstenen daadwerkelijk voor het vermalen van graan zijn gebruikt.195
Het mogelijke slijpsteenfragment is eveneens afkomstig uit een spoor
afkomstig dat in de vroege ijzertijd gedateerd is (spoor 53.8). Het is klein
en daarom is het niet met zekerheid te zeggen of het om een gebruikt
stuk gaat. Het gladde, mogelijk gebruikte, vlak suggereert een gebruik als
slijpsteen.
Het overige materiaal uit deze periode bestaat uit keien of fragmenten
daarvan en brokken.
194 Knippenberg 2008.
195 Verbaas 2008.
146 LANAKERVELD
Artefact type
Tefriet Kwarts Kwartsiet
Kwartsitische
Zandsteen
zandsteen
Kalksteen Totaal
Sporen
maalsteen
-
-
-
-
1
-
slijpblok
-
-
-
-
1
-
1
1
complete kei
-
-
2
-
-
-
2
kei fragment
-
2
1
3
4
-
10
brok
9
-
-
-
-
-
9
afslag
-
-
1
-
-
-
1
maalsteen
1
-
-
-
-
-
1
slijpsteen: passief
-
-
-
-
1
-
1
completekei
-
-
1
-
-
-
1
Lagen
kei fragment
-
1
1
3
-
1
6
brok
14
-
-
-
-
-
14
Totaal
24
3
6
6
7
1
47
8.1.2.3 De Romeinse tijd
Het aantal stenen dat binnen het areaal van de Romeinse vindplaats
18 is aangetroffen bedraagt 48 (tabel 8.5). Hiervan komen er 24 uit
diverse grondsporen en zijn de overige 24 verzameld uit de afdekkende
bodemlagen. Binnen beide contexten domineert tefriet. Zandsteen,
kwartsitische zandsteen, kwartsiet en kwarts zijn in beduidend kleinere
aantallen aanwezig. Er is slechts één stuk kalksteen verzameld, afkomstig
uit één van de bodemlagen.
Bij het zandsteen, kwartsitische zandsteen, kwartsiet en kwarts gaat het
in hoofdzaak om lokaal verzameld materiaal. Vermoedelijk is het stuk
kalksteen ook ergens in de buurt verkregen. Alleen het tefriet is met
zekerheid van elders afkomstig. Dit poreuze kristallijne gesteente komt van
nature voor in de regio rond Mayen, in westelijk Duitsland. Sinds de late
bronstijd heeft het vrijwel uitsluitend als grondstof voor de vervaardiging
van maalstenen gediend en komt het wijd verspreid binnen Nederland
voor.196 Met name tijdens de Romeinse tijd is het een veel voorkomend
gesteente onder de gebruikte maalstenen.197
Het meeste tefriet is over het algemeen sterk verweerd. Vermoedelijk
is het poreuze karakter van het materiaal daarvoor mede verantwoordelijk. Het overgrote deel van het aangetroffen tefriet bestaat dan ook uit
ondefinieerbare brokken, die veelal recentelijk (na het opgraven) uit elkaar
gevallen zijn. Slechts één fragment bezit nog een duidelijk herkenbaar
deel van het gebruiksvlak (afkomstig uit het colluvium). Een ander brok,
uit spoor 36.1, heeft gezien zijn platte vorm vermoedelijk onderdeel
uitgemaakt van een handmolenschijf. De omvang van de fragmenten is
over het algemeen klein. Vermoedelijk hebben ze allen deel uitgemaakt van
handmolenschijven, het type maalsteen dat gebruikelijk was gedurende de
Romeinse tijd.198
Onder het overige materiaal bevinden zich twee slijpsteen- en één maalsteenfragment. Alle drie zijn van zandsteen vervaardigd. Bij de maalsteen
gaat het om een liggerfragment van een grove zandsteen. Incidenteel bevat
de zandsteen kiezels met een omvang groter dan 10 mm.
Een van de twee slijpstenen is vermoedelijk een fragment van een slijpblok.
Het heeft de vorm van een kussensteen, met in ieder geval één gebruikt vlak
en mogelijk zelfs twee. Het is gemaakt van een fijne zandsteen. Het andere
stuk, afkomstig uit de afdekkende bodemlagen, is een groot fragment
196 Joachim 1985; Van Heeringen 1985.
197 H. Kars 1983; E. Kars 2000 & 2001; Knippenberg 2007; Parkhouse 1976.
198 Harsema 1979.
Tabel 8.5
Steenmateriaal uit de Romeinse tijd
LANAKERVELD
Tabel 8.6
Steenmateriaal uit de vroege middeleeuwen
Artefact type
Kwartsitische
zandsteen
Zandsteen Siltsteen
Kalksteen
147
Totaal
Sporen
Tabel 8.7
Niet gedateerd steenmateriaal
bouwsteen?
-
2
-
-
2
complete kei
1
1
-
1
3
10
kei fragment
4
5
-
1
brok
1
1
1
-
3
Totaal
6
9
1
2
18
Artefact type
Fylliet Kwartsiet
Kwartsitische
Zandsteen Totaal
zandsteen
Tefriet
Leisteen
complete kei
-
-
-
1
1
-
kei fragment
-
-
-
1
4
2
7
brok
2
-
1
-
-
1
4
(kern)object
-
1
-
-
-
-
1
kei fragment
-
-
-
-
-
2
2
Totaal
2
1
1
2
5
5
16
Sporen
2
Lagen
met een concaaf afgesleten gebruiksvlak. Het is eveneens van een fijne
zandsteen gemaakt.
8.1.2.4 De vroege middeleeuwen
In totaal zijn er 16 stenen afkomstig uit de gecoupeerde Merovingische
oven op vindplaats 124 (tabel 8.6). Zandsteen, kwartsitische zandsteen en
kalksteen zijn de geïdentificeerde steensoorten. Opmerkelijk is dat geen van
de stenen sporen van gebruik bezit. Een deel bezit wel sporen van verhitting
en mogelijk zitten er twee gevormde bouwblokken onder het materiaal.
Gezien de afwezigheid van werktuigen heeft een groot deel of misschien wel
al het materiaal een functie vervuld bij het gebruik van de oven.
8.1.2.5 Niet gedateerd materiaal
Het niet gedateerde materiaal bestaat slechts uit 16 stenen (tabel 8.7). Bij
geen van allen zijn sporen van gebruik aangetroffen. Het gaat slechts om
brokken of keifragmenten.
8.1.3 Conclusie
Mede gelet op het geringe aantal sporen dat gecoupeerd en nader
onderzocht is, heeft het proefsleuvenonderzoek een relatief groot aantal
stenen opgeleverd. Met name de sporen uit de LBK bleken rijk te zijn
aan steenmateriaal. Kuil 18.11 bijvoorbeeld, een met een bandkeramische
huisplattegrond geassocieerde langskuil op vindplaats 24 leverde alleen
al 80 stenen op, waaronder 24 (mogelijke) maalsteenfragmenten, een
klopsteen, een disselfragment en een stukje rode oker. Het bandkeramische
steenmateriaal van het Lanakerveld bezit de typische karakteristieken, die
we kennen van andere vindplaatsen uit deze periode. Dit zijn niet alleen
de dissels gemaakt van amfiboliet en basalt, maar ook de vele maalstenen
van zandsteen. De rode oker en een enkel slijpsteen fragment met een
V-vormige groef complementeren het geheel. De duidelijke keuze voor
bepaalde steensoorten en zandsteenvariëteiten is een kenmerkend aspect
van het natuursteengebruik gedurende de LBK.199 Hierin onderscheiden
de bandkeramische gemeenschappen zich van latere prehistorische
gemeenschappen, die een meer opportunistisch gebruik van natuursteen
maakten.200
199 Bakels 1978; 1987.
200 Vgl. bijvoorbeeld de neolithische nederzettingen van de Bruin (Van Gijn et al. 2002), Polder-
148 LANAKERVELD
Gezien het grote aandeel werktuigen binnen de LBK-sites, strekt gebruiksporenonderzoek tijdens een vervolgonderzoek sterk tot aanbeveling.
Eerder onderzoek van maalstenen en slijpstenen heeft goede resultaten
opgeleverd.201 Dissels zijn echter nog nooit op gebruiksporen onderzocht.
Gezien de grafcontext van een deel van dit materiaal zou gebruiksporenonderzoek interessante nieuwe gegevens over grafritueel kunnen opleveren.202
De grote rijkdom aan stenen uit de met de huisplattegronden
geassocieerde kuilen opent daarnaast de mogelijkheid voor een
gedetailleerde analyse van steengebruik per huishouden. Variatie of
onderlinge overeenkomst in steensoorten en gebruik van werktuigen tussen
verschillende huizen kan informatie opleveren over interne specialisatie
binnen een nederzetting en interne sociaal-economische verschillen.
Het materiaal van de latere periodes laat een duidelijk verschil in het
gebruik van natuursteen zien. Tefriet is de dominante grondstof voor
maalstenen geworden, hoewel zandstenen exemplaren nog wel voorkomen.
Dit laatste gebeurt echter beduidend minder en tevens is het duidelijk
dat er andere zandsteenvariëteiten verzameld zijn dan gedurende de
bandkeramische periode. Verder valt op dat het aandeel werktuigen relatief
een stuk kleiner is dan gedurende de LBK. Ook dit is een kenmerkend
aspect van met name laat-prehistorische vindplaatsen. Desalniettemin
zal een studie van het gebruik van natuursteen in deze latere periodes
ook inzicht kunnen bieden in uitwisselingscontacten en huishoudelijke
activiteiten.
8.2 Vuursteen
L.G.L. van Hoof
8.2.1 Inleiding
In het kader van het proefsleuvenonderzoek is al het vuursteen bekeken.
Hierbij is gelet op de herkomstbepaling van de vuursteensoorten en is
een technische analyse van het materiaal uitgevoerd, die vooral gericht
was op het verkrijgen van een datering van de verschillende aangetroffen
complexen. Bij de analyse is gebleken dat er een belangrijk verschil tussen
het materiaal afkomstig van de bandkeramische vindplaatsen en het overige
materiaal bestaat. Door de aard van het proefsleuvenonderzoek is uiteraard
slechts een beperkt aantal sporen gecoupeerd. De paar sporen die binnen
de bandkeramische nederzettingen zijn onderzocht, hebben direct een
grote hoeveelheid, gemakkelijk te dateren vondstmateriaal opgeleverd. Op
de overige locaties gaat het om veel minder grote en minder uitgesproken
complexen. Het gaat hier dan bovendien ook vaak om een groot aandeel
vlakvondsten zonder directe spoorcontext, waardoor minder eenduidig
sprake is van gesloten contexten. De dateringen van de niet-bandkeramische
complexen zijn dan ook vaak minder eenduidig en breder. Na de presentatie
van de niet-bandkeramische prehistorische aardewerkcomplexen zullen
de gegevens van het vuursteen gecombineerd worden met die van het
later prehistorische aardewerk (zie hoofdstuk 7.2) om tot een nadere
karakterisering van de verschillende vindplaatsen te komen.
weg (van Gijn et al. 2001) en Schipluiden (van Gijn & Houkes 2006), maar ook laat prehistorische natuursteencomplexen aangetroffen binnen de bronstijd nederzettingen van De
Bogen (van Gijn et al. 2002), Eigenblok (Gijssel et al. 2002), en Tiel (Knippenberg 2005).
201 Verbaas 2005.
202 Zie Wentink 2006 voor een vergelijkbaar onderzoek op bijlen uit de Trechterbekercultuur
met interessante nieuwe inzichten.
LANAKERVELD
149
De vondsten worden per vindplaats(cluster) behandeld. Als belangrijkste
geografische onderscheid is de aanwezigheid van het Zouwdal centraal
binnen het onderzoeksgebied genomen. Eerst worden de vindplaatsen ten
noorden van dit dal behandeld, vervolgens die ten zuiden ervan.
8.2.2 Beschrijving
8.2.2.1 Het noordelijke deel
Vindplaats 42
Van de zes putten op deze vindplaats hebben er drie elk één stuk vuursteen
opgeleverd. Het gaat daarbij om twee stuks Lanaye- en één stuk Valkenburgvuursteen. In het laatste geval is de antropogene bewerking niet geheel
zeker. In één geval gaat het duidelijk om een multipolair gebruikte restkern
die na gebruik nog enkele zware klappen heeft gehad en waarschijnlijk
op onzuiverheden is gespleten. Het derde stuk betreft een kleine preparatieafslag met cortexresten. De cortex op de kern wijst op (rivier)transport,
terwijl de cortex van de afslag op eluviale winning wijst (dat wil zeggen
winning uit de eroderende flanken van de mergelplateaus). Het is derhalve
moeilijk op basis van het vuursteen een eenduidige interpretatie van deze
locatie te geven. Mogelijk gaat het om resten uit het mesolithicum of laatneolithicum.
Vindplaatsen 18 en 31
In de putten 20, 21, 32, 33, 34, 35, 37 en 39 bevindt zich een dunne spreiding
vuursteen (n=14). Het gaat met name om brokjes terrasvuursteen die als
gewoon grind verzameld kunnen zijn uit de Maasterrassen en dus niet
speciaal vanwege de kwaliteiten van het vuursteen verzameld zijn. Tijdens
het veldwerk viel op dat hier een grote hoeveelheid natuursteen in de
bodem zit, die zich tijdens het verdiepen bleek te concentreren in sporen
(hoofdzakelijk in het greppelsysteem om de vindplaats). Dit betekent dat
het vuursteenmateriaal grotendeels tussen ander grind zal hebben gezeten
dat gebruikt is op de Romeinse vindplaats (vindplaats 18). Slechts twee tot
drie keer gaat het om een mogelijke afslag, waarvan één uit een mogelijk
bandkeramisch spoor afkomstig is (spoor 39.5)
Vindplaats 24
Het vuursteen van deze locatie (putten 18 en 19) is op vier vlakaanlegvondsten en vier oppervlaktevondsten direct rond deze putten na,
geheel afkomstig uit sporen. Onder de vlakaanlegvondsten is vooral een
als klopsteen gebruikte restkern interessant. Er zijn nauwelijks meer
oorspronkelijke oppervlaktes aanwezig, maar de paar zichtbare resten
duiden op een uni- of bipolaire bewerking. Uit de sporen 18.7 (n=6),
10 (n=10), 49 (n=3) en 50 (n=2) is een beperkte hoeveelheid materiaal
verzameld. Uit de gecoupeerde langskuil 18.11 is echter een grote
hoeveelheid materiaal verzameld (n=211). De karakterisering van het
materiaal vindt dan ook met name op basis van de inhoud van dit laatste
spoor plaats.
Tussen het materiaal bevindt zich nog een compleet ongebruikte knol,
die mogelijk uit het terrasgrind komt, maar meer waarschijnlijk uit een
sterk verweerd colluvium. Het overige materiaal toont een cortex die met
150 LANAKERVELD
Figuur 8.4
name op eluviale winning wijst, hoewel een enkel stuk uit Maasterrassen
kan zijn verzameld. De roestbruine infiltratiezones onder de cortex die
veel van deze stukken tonen, worden als een typisch kenmerk van Banholtvuursteen gezien. Het winningsgebied kan dus gezocht worden in de
eluviale vuursteenvoorkomens rond Banholt en Mheer, hoewel het de vraag
is of eluviale voorkomens van Lanaye-vuursteen in het Jekerdal (die in de
Belgische literatuur vermeld worden) niet gelijkaardige karakteristieken
kunnen hebben. Daarbij zijn complete knollen van het wingebied naar de
nederzetting gebracht, waar sommige stukken dus verder onaangetast in het
afval belandden. Een grote hoeveelheid decorticatie- en grove preparatieafslagen toont de eerste fases van bewerking. Opvallend is de grote hoeveelheid
slecht gevormde afslagen, die erop wijzen dat de kernen vol verwerings- of
vorstscheuren en onzuiverheden zaten, waardoor de slaggolven grillig door
de kern bewogen. De kernvernieuwingsstukken tonen resten van goed
geprepareerde slagvlakken en een bifaciale bewerking. In het materiaal is
slechts een geringe hoeveelheid afslagen en klingen vertegenwoordigd. Het
werktuigspectrum bestaat uit 7 of 8 eindkrabbers, 1 spits, 1 geretoucheerde
kling, 1 mogelijke boor en 1 kling met hoogglans op één zijde. Ook ter
hoogte van put 19 is een kling met hoogglans op de akker gevonden
(vondstnr. 76).
De oppervlaktevondsten ten westen van put 19 passen voor een groot deel
binnen dit spectrum. Het gaat om drie eindkrabbers (vondstnrs. 118-120).
Zij doen vermoeden dat de vindplaats naar het zuidwesten doorloopt (het
verder weg aangetroffen vondstnr. 119 is mogelijk door erosie het dal
ingespoeld). Binnen het groepje oppervlaktevondsten valt een klokbekerspits
op (vondstnr. 117, tussen put 19 en 38). In hoeverre hier sprake is van een
geïsoleerde vondst, verloren tijdens de jacht, of het een indicator is van een
hier aanwezige laat-neolithische vindplaats is onzeker. Er zijn geen hieraan
te relateren vondsten in de putten in de omgeving aangetroffen.
Vindplaats 122 en 84
In de putten 62-69 (en 1 brok in put 17) is een dunne spreiding vuursteen
gevonden. Hierbij gaat het vooral om brokken en ruwe afslagen. Slechts
enkele regelmatige afslagen komen voor. Bij dit materiaal valt één werktuig
op: een op lichtgrijs Belgisch vuursteen vervaardigd rugmes zonder oppervlakteretouche. Ter hoogte van put 64 is op de akker een multipolair
gebruikt restkerntje gevonden. We lijken op basis van deze vondsten
dit complex het beste in het (midden- of) laat-neolithicum te kunnen
plaatsen, hoewel bijvoorbeeld vanwege de kern de aanwezigheid van een
mesolithische component niet uitgesloten kan worden.
Klokbekerspits en bandkeramische eindschrabber van de akker ter hoogte van vindplaats 24 (schaal 1:1)
LANAKERVELD
Figuur 8.5
Verbrande kern uit put 68
151
Vindplaats 123
Een opvallende vlakvondst komt uit put 68, waarin een bandkeramisch
grafveld aangesneden is. Het gaat om een verbrande kegelvormige kern,
waarvan smalle, regelmatige klingen zijn afgeslagen. Deze kern is eenduidig
bandkeramisch en dateert waarschijnlijk uit de late bandkeramiek (i.t.t. de
multi- en bipolaire, meer kubusvormige kernen uit de verschillende nederzettingsterreinen). Daarmee lijkt dit stuk in verband gebracht te kunnen
worden met het grafveld.
Een korte vergelijking met het enige andere zekere grafveld uit de
Nederlandse bandkeramiek (Elsloo) leert dat daar in drie graven verbrande
vondsten voorkomen (de graven 71, 72 en 75).203 Dit zijn alle drie
crematiegraven. Het gaat hier om vuursteen, met name om klingen en
afslagen, maar bijvoorbeeld ook één keer om een als klopper hergebruikte
kern. Zeer bijzonder is de aanwezigheid van een benen spits of priem,
die immers onverbrand niet bewaard blijven en in het nederzettingsafval
dan ook niet voorkomen. Met name de laatste vondst is door Modderman
beschreven als eenduidig bewijs voor het voorkomen van op de brandstapel
meeverbrande objecten die dus in verbrande staat mee het graf ingingen.204
Dit zou betekenen dat de vondst van de verbrande kern op het Lanakerveld
een aanwijzing zou kunnen zijn voor de aanwezigheid van crematiegraven.
Mogelijk zijn zij vanwege hun vaak geringe diepte al grotendeels in de
bouwvoor opgenomen.205
Uit Niedermerz zijn geen verbrande bijgiften bekend, maar daar zijn ook
slechts tien crematiegraven aangetroffen.206 Ook het aantal crematiegraven
in de recentelijk op de Aldenhovener Platte opgegraven grafvelden IndenAltdorf en Bergheim (Rhein-Erft-Kreis) is te laag (namelijk één en geen)
om verdere conclusies aan te verbinden.207 Voor België is de hoeveelheid
bekende graven sowieso te gering voor enige statistische analyse. Aangezien
de rol van (vaak ondiepe en dus lang niet op alle grafvelden teruggevonden)
crematiegraven in het onderzoek naar bandkeramische grafvelden meestal
een secundaire rol heeft gespeeld, heeft het voorkomen van meeverbrande
grafgiften in de analyses geen rol gespeeld.208 Het onderzoek van het
grafveld op het Lanakerveld biedt derhalve mogelijkheden dit fenomeen
binnen de analyse van bandkeramische grafvelden mee te nemen en ook
voor andere regio’s onder de aandacht te brengen: is het typisch voor de
Graetheide- en Heeswater-clusters of komt het ook in andere gebieden voor?
De overige twee vuurstenen artefacten van deze vindplaats, beide van
Lanaye-vuursteen, zijn afkomstig uit grafkuil 68.12. Het gaat om een kleine
decorticatie-afslag en een mogelijke vuurslag. Bij deze laatste gaat het om
een bifaciaal bewerkt, min of meer halve maanvormig object, dat enigszins
vergelijkbaar is met de in Elsloo aangetroffen triangular implements.209
De interpretatie als vuurslag komt mede voort uit het feit dat dit object
grotendeels bedekt was met een roestkleurige korrelachtige substantie, die
als mogelijk restant van pyriet te interpreteren is. Een vluchtige blik op het
203 Modderman 1970, 57.
204 Modderman 1970, 71.
205 Onder andere in het grafveld van Elsloo is aangetoond dat de crematiegraven vaak minder
diep zijn ingegraven dan de inhumaties (Modderman 1970).
206 Dohrn-Ihmig 1983.
207 Graiewski en Rupprecht 2000; Heinen en Nehren 2004.
208 Vergelijk het ontbreken van aandacht voor dit fenomeen in Jeunesse 1997 en Van de Velde
1997.
209 Modderman 1970, 158.
152 LANAKERVELD
Figuur 8.6
materiaal uit de grafvelden van Elsloo en Niedermerz heeft vooralsnog geen
vergelijkbare objecten uit graven opgeleverd.
Vindplaats 82
In de putten 12 en 13 is een veel geringere hoeveelheid vuursteen
aangetroffen dan op de verschillende bandkeramische vindplaatsen. Ook in
de kenmerken van deze assemblage vallen direct een aantal verschillen met
de bandkeramische complexen op. Allereerst bestaat het materiaal voor een
groot deel uit brokken (deels zelfs onbewerkt). Dit kan echter samenhangen
met het feit dat veel vondsten verzameld zijn bij de aanleg van het vlak.
Uit de sporen komt echter ook relatief weinig materiaal. Verder valt een
toenemend belang van terrasvuursteen, en van andere soorten (Valkenburg, lichtgrijs Belgisch en Rullen) naast het Lanaye-vuursteen op. Opnieuw
is een als klopsteen gebruikte ruwe multipolaire restkern aangetroffen. In
de werktuigen valt het lage aandeel formele werktuigen op. De werktuigen
bestaan uit ruwe afslagen met encoches en geretoucheerde zijdes en uit
een druppelvormige spits met geretoucheerde randen. Tenslotte is een
afslag van een geslepen, gefacetteerde bijl van Valkenburg-vuursteen
aangetroffen. Net ten zuiden van deze vindplaats is op de akker nog een
fraaie spitskling op Lanaye-vuursteen gevonden (vondstnr. 42). Dit alles
duidt op een midden-neolithische datering voor dit complex. Interessant is
dan ook de vondst van een randscherf van een waarschijnlijke tulpbeker uit
de Michelsberg-cultuur in put 12.
Vindplaatsen 61 en 62
De putten 8-11 (vindplaats 61) en 7, 70 en 71 (vindplaats 62) hebben een
aantal brokken van uit eluvium (een enkele keer uit terras) verzameld
vuursteen opgeleverd. Hiertussen zitten slechts enkele duidelijke
decorticatie-, preparatie- en gewone afslagen. Slechts één keer komt een
segment van een brede, geretoucheerde kling voor, en één keer een steile
kopkrabber op een ruw gevormde afslag. We hebben hier opnieuw met een
Spits en spitskling van de Michelsberg-cultuur
aangetroffen op en in de nabijheid van vindplaats 82 (schaal 1:1)
LANAKERVELD
153
weinig geformaliseerde, opportune industrie te maken die het best in het
laat-neolithicum of later geplaatst kan worden.
Figuur 8.7
Spits van Simpelveld-vuursteen en boor uit
kuil S6.03 (schaal 1:1)
Vindplaats 2
De grootste groep vuursteen van deze vindplaats is verzameld in put 6
en is met name afkomstig uit een bandkeramische kuil (spoor 6.03).
Over de rest van de put komt verspreid enig materiaal voor (zo ook uit
de sporen 1 en 2). Opnieuw valt het gebruik van Banholt-vuursteen met
eluviale cortex op binnen de groep van Lanaye-vuurstenen, waarin ook
enkele gevallen van terras-cortex voorkomen. Meest opvallende element
is echter een spits van gebandeerd Simpelveld-vuursteen. Niet alleen de
vuursteensoort is opvallend voor de LBK, maar ook de spitsvorm. Het is
namelijk een symmetrisch driehoekige spits waarbij de top van de spits
in het verlengde ligt van de ribben van het aanwezige afslagnegatief.
Figuur 8.8
Als kern hergebruikt fragment van een
geslepen vuurstenen bijl (schaal 1:1)
Meestal zijn bandkeramische spitsen immers asymmetrisch en ook
asymmetrisch op de kling gemaakt. Voorbeelden van symmetrische
spitsen zijn echter wel uit bandkeramische context bekend (bijvoorbeeld
Elsloo graf 3210 en de nederzetting Elsloo211). Ook zijn artefacten van
Simpelveld-vuursteen bekend uit bandkeramische context.212 In dezelfde
kuil is een fraai geretoucheerde boor gevonden en komt een schuin
geknot klingfragment voor dat waarschijnlijk als ongeretoucheerde spits
kan worden geïnterpreteerd (vondstnr. 20). Verder zijn een aan beide
zijden geretoucheerde kling en een klopsteen gemaakt van een multipolair
gebruikte kern uit deze kuil afkomstig.
Hoewel het vondstmateriaal op deze locatie dus beperkt is, sluit het in
gebruikte vuursteensoorten, bewerkingstechnologie en werktuigtypen
goed aan bij het gekende bandkeramische spectrum zoals dit in grotere
aantallen op beide andere bandkeramische locaties binnen het plangebied is
aangetroffen.
Uit de putten 2-5 en 14 op deze vindplaats komt een dunne spreiding
vuursteen. Het hierin aangetroffen materiaal bestaat niet uit grotere
complexen die uit één kuil afkomstig zijn, en is daardoor moeilijk in te
delen. Mogelijk zit er ook nog ruis in van de bandkeramische bewoning
die is vastgesteld in put 6 (en in mindere mate put 5). Wat opvalt is dat
de industrie zeer grof is en er geen formele werktuigen zijn aangetroffen.
Uitzondering vormt een mogelijk als steker te gebruiken grove afslag.
210 Modderman 1970, Tafel 124.
211 Modderman 1970, Tafel 217.
212 Arora & Franzen 1987.
154 LANAKERVELD
Verder is een zeer opportuun gebruikte multipolaire restkern aangetroffen
en een als kern hergebruikt deel van een geslepen, gefacetteerde bijl van
Lanaye-vuursteen. Dit alles wijst op een datering rond het laat-neolithicum
of later. Uit put 15 is slechts één afslag afkomstig.
8.2.2.2 Het zuidelijke deel
Vindplaatsen 73 en 76
Van de drie hier aangelegde putten heeft er één (put 56, vindplaats 73) een
stuk vuursteen opgeleverd. Het gaat om een afslag van grofkorrelige Lanayevuursteen met een eluviale cortex. Waarschijnlijk betreft het een kernpreparatieafslag. Een verdere interpretatie van deze locatie is op basis van deze
ene vondst niet te geven.
Vindplaats 53
In de putten 42, 43, 45 en 47 op deze bandkeramische nederzetting is
vuursteen aangetroffen. Het betreft hier de putten waar huisplattegronden met langskuilen zijn aangesneden. Bij vlakaanleg is een spreiding
aan grotere objecten verzameld. Uit de sporen is zowel bij couperen als
vlakaanleg een grote hoeveelheid materiaal verzameld, waaronder ook
microdebitage. Met name op basis van deze kuilinhouden kan het verloop
van het productieproces van vuurstenen objecten geschetst worden. Het
beeld kan worden aangevuld met de meer verspreide vondsten.
Het grootste complex stamt uit spoor 47.15, terwijl ook de sporen 42.02 en
43.06 redelijk wat materiaal hebben opgeleverd. Het betreft in alle drie de
gevallen langskuilen. Op basis van de cortex van het materiaal is duidelijk
dat een groot deel van het vuursteen is gewonnen uit eluviale context Een
duidelijke minderheid van het materiaal is uit Maasgrinden verzameld. De
aanwezige vuursteensoorten worden zwaar gedomineerd door vuursteen
afkomstig uit het Lanaye-niveau in de mergel. De bekendste vindplaats
van dit soort vuursteen is de regio Rijckholt. Bij het vuursteen van deze
vindplaats vertoonde de cortex of buitenzijde van de oorspronkelijke
vuursteenknol, indien aanwezig, echter vaak (behalve bij de uit het terras
afkomstige knollen) een duidelijke ijzeraanreiking. Dit is karakteristiek
voor vuursteen dat eluviaal gewonnen werd bij Banholt, een bekende vuursteenwinningsplaats ten tijde van de bandkeramiek. In hoeverre dit ook
kenmerkend kan zijn voor eluviale voorkomens van Lanaye-vuursteen in het
Jekerdal is onduidelijk. Slechts een enkele keer is mogelijk materiaal van
Valkenburg- of Simpelveld-vuursteen aanwezig.
De aanwezigheid van enkele ongebruikte brokken vuursteen toont aan
dat het materiaal niet (alleen) op de winplaats maar in de nederzetting
is getest op bruikbaarheid. Vervolgens zijn enkele grote, grove afslagen
verwijderd om het stuk een hanteerbare en bruikbare vorm te geven. Op
basis van het kleur- en textuurspectrum in het vuursteen kan vastgesteld
worden dat in spoor 47.15 zeker de bewerkingsresten van drie knollen
aanwezig zijn, terwijl in spoor 42.2 tenminste één relatief glasachtige en
diep donkergrijze knol is bewerkt. Fijnere decorticatie- en preparatieafslagen
geven de volgende fase in vorming van de kern weer. Ook een in dit proces
gebruikte klopsteen (gemaakt van een oude restkern) is in het materiaal
teruggevonden. De productie is vervolgens met name gericht geweest op
smalle, lange, mediale klingen. Slechts een enkele keer werden ook goed
geprepareerde afslagen aangetroffen.
LANAKERVELD
155
Ook enkele eindproducten zijn aanwezig in de vorm van (meestal aan
de binnenzijde) geretoucheerde klingen en afslagen, en enkele krabbers.
Bij deze laatste groep gaat het om een gebroken distaal fragment van
een typisch bandkeramische eindkrabber op een mediale kling en een
eindkrabber op een grote afslag waarop nog veel cortexresten aanwezig
zijn uit put 45. Een goede parallel voor deze laatste is afkomstig uit de
bandkeramische nederzetting van Sittard.213 Een andere eindkrabber op een
middelgrote afslag is als oppervlaktevondst direct ten noorden van put 46
gevonden (vondstnr. 317). Ook zijn enkele restkernen aangetroffen, die (net
als zichtbaar op veel van de afslagen en klingen) multipolair gebruikt zijn.
De gebruikte vuursteensoorten, hun winnings- en bewerkingswijze, evenals
de typologische karakteristieken van de werktuigen passen goed in het
bekende spectrum van de LBK zoals aangetoond op vindplaatsen als Elsloo
(ook weer in het nieuwe door Archol uitgevoerde onderzoek), Sittard,
Geleen en Beek. Er lijken hierin dus in eerste instantie weinig verschillen
zichtbaar met het Graetheide-cluster. Een vergelijking met het Heeswatercluster is nog moeilijk te maken aangezien de omvang en interpretatie van
de data uit het Heeswater-cluster nog onvoldoende voorhanden is.
Ten zuiden van vindplaats 53, in de putten 75, 72, 40, 46 en 78 is sprake
van een dunne spreiding vuursteen. Het betreft hier uitsluitend Lanayevuursteen (waaronder vrij veel grofkorrelig materiaal dat dicht tegen het
Valkenburg-vuursteen aanzit). Het meeste van dit materiaal is uit de
terrasgrinden verzameld. Het gaat met name om productieafval, namelijk
een klopsteen, enkele decorticatieafslagen, waaronder ook grote, grove
afslagen, maar ook een enkele mediale kling. We lijken hier derhalve met
een dunne spreiding bandkeramisch materiaal te maken te hebben. De
bandkeramische vindplaats loopt dus, ondanks het ontbreken van duidelijke
grondsporen uit deze periode, vermoedelijk in deze richting door.
Ten westen van vindplaats 53 zijn de putten 76 en 77 opvallende leeg in een
gebied met over het algemeen veel bandkeramisch materiaal. De putten
vallen op door hun geringere aantallen materiaal (slechts 5 stuks per put),
door de gebruikte vuursteensoorten (1x waarschijnlijk Rullen, 1x mogelijk
Haspengouws, 2x uit terras verzameld Lanaye-vuursteen en 1x een donkere
Lanaye-vuursteen (primair?)) en door de aangetroffen vormen (2 grove
kernpreparatieafslagen, 1 brok, 1 korte kopschrabber en 1 kop-zijschrabber).
Het vuursteen uit deze putten wijkt daarmee sterk af van wat we kennen
uit de bandkeramiek en moet waarschijnlijk later, in het laat-neolithicum
of de bronstijd, gedateerd worden. Mogelijk vormen de putten een uitloper
van vindplaats 124, waarvan één deel in de late bronstijd / vroege ijzertijd
dateert. Bij vervolgonderzoek moet men zich te rade gaan of er een
aannemelijke relatie is te leggen tussen de late bronstijd / vroege ijzertijd
sporen en het aanwezige vuursteen.
Vindplaats 124
In de putten 50, 51, 53, 54 en 79 is net als in de putten 76 en 77 sprake van
een dunne spreiding uit eluvium en terrasgrinden verzamelde brokken
vuursteen. In één geval is sprake van een zwaar verbrand stuk. Deze
213 Modderman 1970, Tafel 225.
156 LANAKERVELD
brokken tonen geen kenmerken van bewerking en tonen geen van de karakteristieken van het vuursteen dat gevonden is op de ten noorden hiervan
gelegen bandkeramische vindplaats 53. Twee grote onbewerkte knollen
komen uit spoor 51.6 (de Merovingische pottenbakkersoven). Er is dus
mogelijk sprake van grind verzameld uit terrassen en hellingen van het
lössplateau (waartussen vuursteenbrokken zaten) dat samenhangt met het
Merovingische gebruik van deze locatie. Deze assemblage lijkt derhalve
sterk op die aangetroffen op de Romeinse vindplaats.
8.2.3 Conclusie
8.2.3.1 De bandkeramische complexen
Inleiding
Rond de putten 18 en 19 (vindplaats 24) en 41 – 47 (vindplaats 53) is
duidelijk sprake van bandkeramische nederzettingen. Het bestudeerde
vuursteen past hier perfect in. Voorlopig lijken de aanwijzingen daarbij
vooral naar de vroege bandkeramiek te wijzen, terwijl de kern op de
grafveldlocatie meer naar de late bandkeramiek wijst. Het vuursteen
toont enkele interessante overeenkomsten en verschillen met de andere
bandkeramische bewoningsclusters in de regio, waarbij vooral opvalt dat de
gebruikte vuursteensoorten eerder aansluiten bij het Graetheide-cluster dan
bij de Haspengouw. Vooral de fractie lichtgrijs Belgisch of Haspengouws
vuursteen kan als een typisch element voor het Heeswater-cluster gelden als
het beeld zich doorzet dat dit in late complexen een substantiële component
vormt, zoals in Maastricht-Klinkers. Een belangrijke vraag is in hoeverre de
karakteristieken van het Banholt-vuursteen ook in de eluviale vuursteenvoorkomens in het Jekerdal voorkomen.214
Voor een inkadering van de bandkeramische complexen, zullen die
vergeleken worden met enkele recentelijk door Archol onderzochte
vindplaatsen (te Elsloo en Beek)215 en met de beschikbare literatuur
(voor de Graetheide-regio gaat het met name om het onderzoek van
Marjorie de Grooth,216 voor de Heeswater- en Haspengouwse groepen
gaat het om verspreide publicaties).217 Een nadeel daarbij is dat er van
de vier vindplaatsen van het Heeswater-cluster die opgravingen hebben
gezien (Maastricht-Klinkers, Rosmeer-Staberg, Vlijtingen-Kayberg en
Lanaken-Briegdendok) alleen voor de eerste twee het vuursteen zodanig
is geanalyseerd en gepubliceerd dat vergelijkingen op basis van gebruikte
vuursteensoorten, e.d. mogelijk is. Dit probleem geldt ook voor de
vindplaatsen in het noordelijke Jekerdal zoals Eben-Emael, zodat de dichtstbijzijnde Belgische vindplaats die ter vergelijking buiten het Heeswatercluster gebruikt kan worden Luik-Place St.Lambert is.218
In verband met deze vergelijkingen moet uiteraard de caveat gemaakt
worden dat in dit inventariserend onderzoek slechts een beperkt aantal
214 Lopend onderzoek dr. M. de Grooth.
215 Zowel de uitvoeriger analyse van Beek-Remigiusstraat (Van Wijk & Van Hoof 2006) en een
eerste analyse van Elsloo-Riviusstraat tijdens en direct na de opgraving zijn uitgevoerd door
de huidige auteur met adviezen van dr. M.E.Th. de Grooth.
216 De Grooth 1986 (Beek-Kerkeveld), 1987 (Elsloo), 1994 en 2003 (Geleen-Janskamperveld).
217 Ulrix-Closset & Rousselle 1982; Cahen et al. 1986, Otte 1984, Theunissen 1990.
218 Voor een verspreidingskaart van de Heeswater- en Haspengouwse clusters zie Jadin 2003,
voor Nederland aangevuld met Dijkman 2000 en onderhavig onderzoek.
LANAKERVELD
157
kuilen is gecoupeerd. Aangezien vooral bij het couperen van de grote
sporen (in dit geval gaat het met name om langskuilen) kwantificeerbare hoeveelheden vuursteen worden aangetroffen, beschikken we voor
het Lanakerveld voorlopig slechts over een beperkt aantal incompleet
uitgegraven contexten.
Grondstofvoorziening
Op basis van de cortexresten op het vuursteen is duidelijk dat het grootste
deel is gewonnen uit eluviale vuursteenvoorkomens. Dit wil zeggen uit de
eroderende flanken van de mergelplateaus waardoor het vuursteen hier
aan het oppervlak en in puinwaaiers gewonnen kan worden. Op basis van
de karakteristieke rode infiltratiezones onder de cortex en de kenmerken
van het vuursteen zelf die het karakteriseren als vuursteen uit de Lanayelaag, kan het grootste deel van dit vuursteen tot het Banholt-type gerekend
worden, dat ten tijde van de bandkeramiek ten oosten van de Maas in
Zuid-Limburg in kuilen gewonnen werd.219 In hoeverre het in Belgische
bronnen eluviaal in het Jekerdal voorkomende Lanaye-vuursteen220 dezelfde
karakteristieken kent en ook in de bandkeramiek gewonnen is, is onbekend.
Een kleinere groep Lanaye-vuursteen is uit terrasafzettingen van de Maas
gewonnen. Dit kan dus in de directe omgeving van het Lanakerveld
gebeurd zijn. In zeer kleine aantallen is Simpelveld-vuursteen uit het
Nederlands-Duitse grensgebied in oostelijk Zuid-Limburg en mogelijk wat
Valkenburg- en Haspengouw-vuursteen aanwezig. Aangezien ten tijde
van de bandkeramiek nog geen mijnbouw plaatsvond, is het logisch dat
vuursteen aan het oppervlak en in kuilen in Maasterrassen en vuursteeneluvium gewonnen werd. Banholt is dan ook een bekend bandkeramisch
vuursteenwingebied. De dominantie van Lanaye-vuursteen (met daarin in
ieder geval een grote component Banholt-vuursteen) komt dan ook goed
overeen met samenstellingen bekend uit Geleen-Janskamperveld, Elsloo,
e.d. Een belangrijk verschil met vindplaatsen in Beek is het hoge aandeel
Valkenburg-vuursteen dat daar voorkomt. Dit lijkt zowel een regionaal als
een chronologisch laat kenmerk te zijn. Het niet tot nauwelijks voorkomen
van deze vuursteensoort kan als een vroeg kenmerk worden gezien. Ook op
de vindplaats Maastricht-Klinkers neemt het Valkenburg-vuursteen toe in
de laat-bandkeramische kuilen. Opvallend is dat bijvoorbeeld in Elsloo ook
in laat-bandkeramische contexten het aandeel Valkenburg-vuursteen zeer
gering blijft.
Ondanks de dieper gaande analyse van de vuursteencomplexen in het
Graetheide-cluster die het gemakkelijker maakt vergelijkingen met
deze complexen te maken, moeten we ons uiteraard blijven realiseren
dat de bandkeramische bewoning op het Lanakerveld topografisch deel
uitmaakt van het Heeswater-cluster, dat mogelijk heel andere verbanden
kan tonen.221 Direct ten oosten van het onderzoeksgebied zijn in de
groeves Klinkers en Belvédère ook bandkeramische nederzettingssporen
aangetroffen. Daarvan is het lithisch materiaal van de groeve Klinkers goed
genoeg uitgewerkt om een vergelijking toe te laten.222 Op deze locatie zijn
één complete en resten van twee andere huisplattegronden opgegraven
219
220
221
222
Brounen en Peeters 2001/2002.
Ulrix-Closset en Rousselle 1982, 12.
Van Wijk & Meurkens 2008.
Theunissen 1990, 36 e.v.
158 LANAKERVELD
evenals 21 bandkeramische kuilen. Lanaye-vuursteen komt hier meestal
in percentages van boven de 70% voor, zelfs tot 94%. Er wordt gesproken
van eluviaal en terrasvuursteen, zonder dat er een differentiatie in Banholtvuursteen en andere ondersoorten wordt gemaakt. Rullenvuursteen komt
meestal in aandelen onder de 10% voor (in twee kleinere complexen komt
het in percentages rond de 30% voor). De aandelen lichtgrijs Belgisch
en Valkenburg-vuursteen zijn zeer beperkt. Er wordt wel gesproken over
toename van beide vuursteensoorten in de laat-bandkeramische kuilen.
Uit de beschrijving van het vuursteen van de nederzetting Vlijtingen
– Kayberg kunnen geen eenduidige herkomstbepalingen afgeleid worden,
terwijl de dichtstbijzijnde Belgische nederzetting (Lanaken-Briegdendok)
in het geheel niet uitgewerkt is. In de nederzetting Rosmeer-Staberg223
is sprake van 87,4% grijze vuurstenen, gerekend tot de formatie van
Gulpen. Op basis van de beschrijving kunnen we dit materiaal het meest
waarschijnlijk tot de groep der Lanaye-vuurstenen rekenen. Daarbij komt
6% lichtgrijs Belgisch of Haspengouws vuursteen en kleine aandelen
vuursteen uit de groepen Aubel (in Nederland bekend als Rullen-vuursteen)
en Obourg (in Nederland ook bekend als Zevenwegen-vuursteen). Buiten
het Heeswater-cluster kan de vuursteenvoorziening in de Haspengouw
tijdens de bandkeramiek in tweeën worden gedeeld:224 in het noorden
komt vrij veel Lanaye-vuursteen, maar ook een groot aandeel Haspengouws
vuursteen voor. In het zuiden is nog maar zelden sprake van Lanayevuursteen en wordt het spectrum zwaar gedomineerd door Haspengouwvuursteen. Overal is vooral sprake van eluviale cortexen, terwijl op een site
in de riviervlakte als Luik-Place St.Lambert terrasvuursteen domineert.
Samenvattend lijkt de vuursteenvoorziening in het Heeswater-cluster
redelijk aan te sluiten op die in het Graetheide-cluster: een sterke
dominantie van Lanaye-vuursteen, met name van de Banholt-variant uit
eluviale context. In hoeverre dit echt in de regio Banholt gewonnen werd,
waar bandkeramische winning zeker is, of het in de plateauranden langs het
Jekerdal gewonnen kan zijn, is onduidelijk. Maar ook uit de Maasterrassen
werd dit materiaal verzameld. Naast het Lanaye-vuursteen komt regelmatig
Rullen-, Haspengouws- en Valkenburg-vuursteen voor, maar meestal in
kleine aantallen. Het Valkenburg-vuursteen wordt alleen op de Nederlandse
sites eenduidig vermeld, en zou volgens de analyse van Maastricht-Klinkers
het beeld van het Graetheide-cluster kunnen volgen dat haar belang
toeneemt in de late bandkeramiek. Ten slotte komen incidenteel artefacten
van andere vuursteensoorten als Simpelveld- en Zevenwegen-vuursteen
voor.
In de noordelijke Haspengouw is dan sprake van een grote component
Lanaye-vuursteen naast een dominerend Haspengouws vuursteen In
het zuiden domineert het Haspengouws vuursteen. Al in de dichtstbijzijnde uitvoerig gepubliceerde site: Luik – Place St.Lambert domineert
Haspengouws vuursteen zeer sterk. Dit beeld sluit enigszins aan op dat van
de verspreiding van gebruikte steensoorten voor de productie van dissels.
In het Heeswater-cluster komen de grondstoffen weer geheel overeen met
die gebruikt op de Graetheide: uit het oosten geïmporteerde vulkanische
en metamorfe gesteenten. In de Haspengouw zien we dan een driedeling:
223 Ulrix-Closset en Rousselle 1982.
224 Cahen et al. 1986.
LANAKERVELD
159
tussen Maastricht en de hoogte van Luik zien we nog vooral geïmporteerde
steensoorten, aangevuld met enkele Belgische natuurstenen. In de centrale
en westelijke Haspengouw domineren respectievelijk de ‘grès de HorionHozémont’ en phtaniet van Ottignies.
Het Heeswater-cluster lijkt dus in grondstofgebruik van vuursteen en
natuursteen beter aan te sluiten bij het Graetheide-cluster dan bij de
centrale en westelijke Haspengouw-groepen. Problematisch is echter
dat in de beschrijving van het vuursteen van de Belgische vindplaatsen
zelden toewijzingen van vuursteensoorten plaatsvinden. Voorlopig lijkt
met name in de rol van de kleine vuursteenfracties een mogelijke ingang
naar regionale verschillen te liggen: voor de Caberg-sites met name
de rol van het Haspengouw-vuursteen naast Valkenburg-, Rullen- en
Simpelveld-vuursteen. Aangezien de aandelen van deze soorten zowel
in het Graetheide-cluster als in Maastricht-Klinkers duidelijk toeneemt
in laat-bandkeramische contexten, zou de analyse van late complexen
hiervoor interessante aanknopingspunten kunnen opleveren. Deze zijn
in het proefsleuvenonderzoek nog niet ontdekt. Daarbij kan ook nader
onderzoek binnen de clusters interessante resultaten opleveren. Zo is zowel
in Maastricht-Klinkers als in Beek het aandeel Valkenburg-vuursteen in
de laat-bandkeramische contexten substantieel, terwijl dit bijvoorbeeld in
Elsloo in dezelfde periode nauwelijks aanwezig is. Zowel tussen als binnen
de verschillende bandkeramische bewoningsclusters valt hier dus nog veel
onderzoek te verrichten.
Bewerking
De bewerkingswijze van de vuursteenknol is identiek aan die aangetroffen
op locaties als Beek, Elsloo, Geleen en Sittard. Pas nadat de vuursteenknollen naar de nederzetting waren gebracht, werd hun geschiktheid getest. Dit
verklaart de aanwezigheid van ruwe, onbewerkte knollen die vaak te veel
onregelmatigheden bevatten om goed afbouwbaar te zijn. De bewerking
gebeurde deels met een klopsteen. Hiervoor werden vaak oude restkernen
gebruikt die goed herkenbaar zijn aan de vele klopsporen op het oppervlak.
In sommige gevallen zijn daardoor nauwelijks meer afslagnegatieven te
herkennen die het oorspronkelijke gebruik als kern verraden.
In eerste instantie worden enkele grote, grove afslagen verwijderd om de
knol een meer hanteerbare en bewerkbare vorm te geven. Daarna worden
meer gecontroleerd stukken cortex verwijderd en wordt de kern tot een
afbouwbare vorm gebracht. Daarbij wordt wel enige aandacht besteed aan
het bereiden van een afwerkvlak, maar die aandacht is relatief beperkt. Bij
de bipolaire kernen wordt het afslagvlak nog wel redelijk goed vormgegeven,
maar bij de multipolaire kernen worden vanuit verschillende richtingen
afslagen en klingen geslagen, naar gelang op dat moment het beste resultaat
verwacht wordt. Daarbij worden in zekere mate afslagen geproduceerd,
maar belangrijker zijn de smalle klingen waarvan het hoofddeel van de
werktuigen wordt vervaardigd.
Dit resulteert dus in kernen, afslagen en klingen die duidelijke sporen
van een bi- of multipolaire afbouw vertonen. Restkernen zijn daardoor vaak
enigszins kubus- of bolvormig en zeker niet regelmatig kegelvormig zoals ze
in laat-bandkeramische complexen als Beek en Elsloo nadrukkelijk aanwezig
zijn (en op de grafveldlocatie in het Lanakerveld!). Ook leidt dit slechts een
160 LANAKERVELD
enkele keer tot een compleet ververst afwerkvlak, terwijl in Elsloo en Beek
complete vlakvernieuwingstabletten regelmatig voorkomen. Wel komen
kernvernieuwingsafslagen voor die aan twee zijden goed geprepareerde
afwerkvlakken en negatieven van uit twee richtingen geslagen klingen
en afslagen tonen. Op deze punten sluit de industrie veel duidelijker aan
op Geleen-Janskamperveld, wat wijst op een vroege datering binnen de
bandkeramiek.225 Opvallend is wel dat in spoor 18.11 meer sprake lijkt te
zijn van een bipolaire dan van een multipolaire bewerkingswijze. Mogelijk
spreekt dit voor een latere datering van deze nederzetting (vindplaats 24)
dan voor de nederzetting ten zuidoosten van het Zouwdal (vindplaats 53).
Hiervoor zouden echter meer complexen moeten worden bekeken.
Werktuigen
De werktuigen zijn grotendeels op klingen gemaakt, in mindere aantallen
op afslagen. Ook dit is een bekend verschijnsel in de bandkeramiek. Onder
de werktuigen komen met name geretoucheerde klingen en afslagen en
verschillende soorten krabbers voor. In mindere aantallen zijn pijlspitsen
en een boor aangetroffen. Een opvallend verschil tussen vindplaats 53 en
24, is dat op de eerste met name geretoucheerde afslagen en klingen, en
een zeer grove en een meer klassieke eindschrabber voorkomen, terwijl op
vindplaats 24 de formele eindkrabbers op mediale klingen domineren. Het
is de vraag of dit veroorzaakt wordt door de kleine uitsnede uit het totale
assortiment, of dat hieruit een functioneel of chronologisch onderscheid kan
worden afgeleid. Gecombineerd met het onderscheid tussen een multi- en
bipolaire kernreductie, kan dit meer formele werktuigassortiment voor een
iets latere datering van vindplaats 24 (feitelijk kuil 18.11) dan voor vindplaats
53 spreken.
Zowel op de Graetheide als in nabijgelegen sites als Maastricht-Klinkers
domineren de krabbers voor geretoucheerde klingen en afslagen. Spitsen,
sikkelmesjes en boren komen in geringe aantallen voor.
8.2.3.2 De overige complexen
De overige vuursteenvondsten behoren tot kleinere complexen die iets
moeilijker te duiden zijn dan het bandkeramische materiaal. Het opportune
vuursteengebruik kan zowel in het mesolithicum als in het (midden- en)
laat-neolithicum gedateerd worden. Mogelijk loopt deze traditie echter
door in de bronstijd. De paar formele werktuigen (waaronder enkele
spitsen) maken echter duidelijk dat er zowel in het midden- als in het
laat-neolithicum gebruik van het terrein plaatsvindt. Zekere Michelsbergvondsten bestaan uit een spits en een scherf van een tulpbeker uit put 12.
Een zekere laat-neolithische vondst is bijvoorbeeld een klokbekerspits die
als akkervondst is gedaan ten zuidwesten van vindplaats 24. In ieder geval
is duidelijk dat op het noordelijke deel in het gehele gebied ten oosten van
de Lanakerweg rekening moet worden gehouden met sporen en scatters van
materiaal uit het midden- en laat-neolithicum, mogelijk zelfs met enkele
mesolithische complexen. In zoverre sluit dit beeld vrij goed aan bij de iets
verder naar het oosten gelegen Michelsberg-site te Maastricht-Klinkers.226
Opvallend is dat deze verspreiding van midden- en laat-neolithisch
materiaal redelijk overeenkomt met die van sporen uit de late bronstijd
225 Vergelijk De Grooth 2003, 402.
226 Schreurs 1998.
LANAKERVELD
161
(mogelijk doorlopend in het begin van de vroege ijzertijd) die in de zone
ten oosten van de Lanakerweg zijn aangetroffen op vindplaatsen 62, 82 en
122. De relatie van deze vindplaatsen uit de late bronstijd(/vroege ijzertijd)
met het vuursteen kan daarbij een zeer interessante vraagstelling vormen.
In Duitsland wordt immers het voortleven van vuursteentradities in de
bronstijd en ijzertijd verondersteld.227 In Nederland zijn we hier echter
nog niet van overtuigd, aangezien in deze complexen veel werktuigtypen
voorkomen die we traditioneel juist in verschillende neolithische culturen
plaatsen (o.a. Michelsberg- en klokbekerspitsen). Opvallend is dat de
industrie vaak per site verschillend is, maar juist wel overeenkomt met
een specifieke neolithische industrie. Er lijkt dus eerder sprake te zijn
van één locatie waar een Michelsberg-site op dezelfde locatie voorkomt
als een ijzertijd-site, en een andere locatie waar een laat-neolithisch vuursteenassemblage vermengd is geraakt met ijzertijd-materiaal. Dit lijkt
bevestigd te worden door de resultaten van het onderzoek te Geleen-Hof
van Limburg waar de karakteristieken van het vuursteen dat in kuilen uit de
vroege ijzertijd werd aangetroffen, evenals een 14C-datering van een hierin
aangetroffen houtskoollaag aan het begin van het midden-neolithicum
konden worden gedateerd.228 Het zou dus interessant zijn de relatie tussen
het vuursteen en de laat-prehistorische sporen te analyseren. In het proefsleuvenonderzoek is dan het voorkomen van een druppelvormige spits en
een platbodemig stuk aardewerk in spoor 12.4 dan in ieder geval interessant.
Op het zuidelijke deel (vindplaats 124), waar de bewoning zich in de
vroege ijzertijd heen verplaatst is nauwelijks vuursteen aangetroffen. Alleen
in put 76 en 77 is nog sprake van een late vuursteentechnologie. Met het
oog op de vraag hiervoor gesteld voor de late bronstijd, zou dit materiaal
interessante gegevens kunnen opleveren voor het al dan niet doorlopen van
vuursteengebruik in de vroege ijzertijd.
Wanneer we de vuursteenvondsten uit de Romeinse en Merovingische
vindplaatsen buiten beschouwing laten (die slechts bestaan uit vuursteenbrokken die als onderdeel van grind gewonnen zijn) zien we dat
de overige vuursteencomplexen binnen het Lanakerveld bestaan uit veel
kleinere complexen (ook uit sporen) die dus moeilijker nauwkeurig te
dateren zijn. Het gaat om een grove, opportune industrie waarbinnen veel
brokken vuursteen voorkomen. Binnen het grondstofgebruik is een sterke
afname van het Banholt-vuursteen zichtbaar. Het lichtgrijs Belgische,
Rullen- en Valkenburg-vuursteen komt in grotere percentages voor. De
kernvormen zijn minder eenduidig en wijzen op een opportune, multipolaire bewerking. Ook komen nauwelijks formele werktuigen voor. Met
name komen geretoucheerde klingen, of klingen met encoches voor, enkele
geretoucheerde klingen zijn segmenten van klingen van forse afmetingen.
Binnen de werktuigen komen eenduidig midden- of laat-neolithische
vormen voor als een spitskling, een druppelvormige spits die goed binnen
de Michelsberg-cultuur past, een klokbeker-spits, een rugmes, bijlafslagen,
e.d. Deze complexen lijken dus met name uit het midden- en laatneolithicum te stammen.
227 Arora 1997; Arora & Lochner 1999; Schröder 1999; Arora & Geilenbrügge 1999.
228 Van Hoof et al. in voorb.
162 LANAKERVELD
8.3 Overige materialen
8.3.1 Baksteen uit de Romeinse tijd
J. de Bruin
Baksteen uit de Romeinse tijd is op twee locaties binnen het plangebied
aangetroffen, namelijk op vindplaats 18 en in de Merovingische pottenbakkersoven op vindplaats 124.
Op vindplaats 18 zijn in totaal 164 fragmenten van Romeinse bakstenen
aangetroffen (tabel 8.8). Hiervan waren er 42 nader op vorm te
determineren.229 Het gaat om 36 tegulae en 6 imbrices. De overige
fragmenten waren niet nader te determineren. Opvallend is het ontbreken
van andere baksteenvormen als vloer- of wandtegels, tubuli en hypocaustumtegels. Er kan gesteld worden dat er wel aanwijzingen zijn voor
een pannendak, maar niet voor een vloerverwarmingssysteem en dus een
steenbouw. Er is geen mortel op de baksteenfragmenten aangetroffen.
Vindplaats
18
124
Aantal Materiaal
Type
Vorm
Opmerkingen
119 baksteen
Indet
Indet
1 baksteen
Indet
Indet
Mogelijk recent
1 CEMENT
Indet
Indet
Romeins?
2 natuursteen Indet
Indet
Baksteen uit de Romeinse tijd
1 baksteen
ADCINFO 2.3 Tegula
3 baksteen
B1
Tegula
2 baksteen
B1
Tegula
Misbaksel
1 baksteen
B1
Tegula
Misbaksel?
1 baksteen
B3
Tegula
1 baksteen
B4
Tegula
1 baksteen
B7
Tegula
5 baksteen
Indet
Imbrex
25 baksteen
Indet
Tegula
1 baksteen
Indet
Tegula
1 baksteen
Indet
PME
1 baksteen
Indet
Indet
Keramisch object Geperforeerde bakstenen plaat; ovenrooster?
1 baksteen
Indet
29 baksteen
Indet
Tegula
8 baksteen
Indet
Imbrex
3 baksteen
Indet
Indet
Tabel 8.8
Ondersneden als KERE
PME?
Twee tegulae zijn sterk vervormd en veel harder gebakken dan de
andere fragmenten. Mogelijk gaat het hier om misbaksels. Eén van deze
fragmenten bevat een decoratie, mogelijk een rekenmerk of signatuur
(figuur 8.8).230 Indien deze twee misbaksels van tegulae tot regionale of
lokale producten worden gerekend, is het niet uit te sluiten dat er zich in
de omgeving van de vindplaats mogelijk potten- en/of pannenbakkersovens
hebben bevonden.
Tenslotte is er nog een fragment van een keramisch object aangetroffen, dat
vervaardigd is van baksteen (figuur 8.9). Parallellen zijn niet bekend. Lichte
brandsporen lijken te wijzen op een functie waar vuur aan te pas kwam.
Mogelijk is het een rooster in een oven geweest.
229 De randfragmenten en uitsnijdingen zijn gedetermineerd aan de hand van Kars & Vos 2004
en Kars 2005.
230 Kars 2005, 259-260.
LANAKERVELD
163
Figuur 8.9
Vervormd tegula-fragment van vindplaats 18
(schaal 1:4)
Figuur 8.10
Fragment van een rooster (?) van vindplaats 18
(schaal 1:1)
Uit de Merovingische oven op vindplaats 124 zijn 41 baksteenfragmenten
uit de Romeinse tijd afkomstig. Het gaat om 29 fragmenten van tegulae, 8
fragmenten van imbrices en drie niet nader te determineren fragmenten.
Het is opvallend dat er geen ander baksteenmateriaal aangetroffen is. Dat
betekent dat op de locatie waar de fragmenten geraapt zijn in de Romeinse
tijd vermoedelijk geen steenbouw stond, maar alleen houten gebouwen
met een pannendak. In dit opzicht is het goed mogelijk dat de fragmenten
afkomstig zijn van vindplaats 18, waar vermoedelijk sprake was van een
dergelijke situatie.
8.3.2 Glas uit de Romeinse tijd
J. de Bruin
Twee fragmenten glas van vindplaats 18 konden met zekerheid in de
Romeinse tijd geplaatst worden (tabel 8.9). Het gaat om de bodem van een
zeshoekige fles in groenblauw glas, van het type Isings 50.231 De datering is
50 tot 250. De tweede scherf betreft een fragment van een ribkom van het
type Isings 3 in groenblauw glas, met een datering van 50 tot 125, hoewel de
kom later in gebruik kan zijn gebleven.
Tabel 8.9
Glas uit de Romeinse tijd
Aantal Materiaal Type
Vorm
Opmerkingen
1 Glas
ISINGS3
RIBKOM
Met ribbel; datering kan later zijn
1 Glas
ISINGS50
ZESHFLES
Figuur 8.11
Fragmenten van een glazen fles (links) en
ribkom van vindplaats 18 (schaal 1:1)
231 Isings 1957.
DATbegin DATeind
50
125
50
250
164 LANAKERVELD
8.3.3 Metaal
L. Meurkens & J. de Bruin
De grootste groep metalen voorwerpen is afkomstig van de Romeinse
vindplaats 18. In totaal 61 objecten. Het gaat hier hoofdzakelijk om ijzeren
spijkers (N=26), maar ook is een vermoedelijk fragment van een ijzeren
mes gevonden. Twee kleine spijkers hebben vermoedelijk als beslag van
schoenzolen gediend en zijn duidelijk in de Romeinse tijd te dateren.
Hetzelfde geldt voor twee fibulae en een munt van koperlegering. De munt
was door corrosie niet verder determineerbaar, maar gezien de grootte
en dikte gaat het vermoedelijk om een as. Bij de fibulae gaat het om een
draadfibula van het type Almgren 15 (datering 75-200) en een draadfibula
met breed uitgehamerde beugel, die versierd is met drie parallelle rijen
puntjes. De veer, naald en naaldhouder ontbreken (datering 2e eeuw).232
De vindplaats heeft drie loden objecten opgeleverd, waaronder twee niet
verder determineerbare plaatjes en een soort stift. De precieze functie van
dit laatste object is onduidelijk.
Opvallend is een klein groepje objecten dat als metaalbewerkingsafval
geïnterpreteerd kunnen worden. Het gaat om enkele ijzerslakken (N=9)
die geconcentreerd zijn in put 33 en een klein aantal fragmenten van
waarschijnlijk afgevloeid lood. Beide wijzen op de bewerking van ijzer en
lood op deze vindplaats.
Buiten de Romeinse vindplaats 18 is alleen op vindplaats 124 een metalen
object aangetroffen dat vermoedelijk met de vindplaats in verband gebracht
kan worden. Het gaat om een zwaar gecorrodeerde koperen ringetje dat
in put 75 in het colluvium ter hoogte van de graven uit de late bronstijd /
vroege ijzertijd gevonden is.
Bij de overige metaalvondsten gaat het om sub-recent materiaal dat niet
met de verschillende vindplaatsen in verband gebracht kan worden.
232 Vgl. Haalebos 1986, 136 (fig. 43).
LANAKERVELD
Figuur 8.12
Fibulae van vindplaats 18
(schaal 1:1)
Figuur 8.13
Loden stift van vindplaats 18
(schaal 1:1)
165
166 LANAKERVELD
LANAKERVELD
167
9 Specialistenonderzoek - Botanie
9.1 Inleiding
In totaal zeven grondmonsters zijn op het archeobotanisch laboratorium van
de Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden, uitgezeefd om eventueel
aanwezige plantaardige macroresten te verzamelen. Het uitspoelen
gebeurde onder kraanwater. De kleinste maaswijdte bedroeg 0,5 mm. Vijf
van de zeven monsters bevatten daadwerkelijk resten. Deze zijn, zoals
verwacht in een context boven de grondwaterspiegel, verkoold. De resten
zijn gedetermineerd door W.J. Kuijper. De resultaten staan in bijgaande
tabel 9.1.
9.2 Resultaten
Het lijstje aangetroffen soorten is niet lang, maar zijn voor bepaalde
periodes wel typisch. In de bandkeramische sporen is als enige
cultuurgewas tarwe aangetroffen. De korrels bevonden zich helaas in te
slechte staat om exact gedetermineerd te kunnen worden. In één monster
werd echter wel emmertarwe aangetoond. Het kaf, aanwezig in de
vorm van bases van aartjes, is typisch voor emmertarwe of mogelijk ook
eenkoorn. Een precieze toewijzing was niet goed mogelijk. Verder bevatten
de monsters resten van een hazelnoot, een erwt en akkeronkruiden.
Hazelnoten zijn ongetwijfeld in het wild verzameld. De erwt moet echter
gekweekt zijn. Zoals uit opgravingen elders bekend geworden is, hebben
de boeren van de Bandkeramiek in Zuid-Limburg zes gewassen verbouwd,
namelijk twee tarwesoorten (emmer en eenkoorn), twee peulvruchten (erwt
en linze), lijnzaad/vlas en maanzaad.233
Uit ijzertijdcontext is één botanisch monster gewaardeerd. Ook
hier was het aantal soorten gering. Het gaat daarbij om een mengsel
van cultuurgewassen en akkeronkruiden. Het soortenlijstje bevat één
cultuurgewas, namelijk gerst dat een bekende plant in deze periode was.
De verschillende wilde soorten kunnen goed tussen het gekweekte graan
gegroeid hebben.
Het laatste monster dat is gewaardeerd was afkomstig uit de
Merovingische oven. De resultaten van dit monster zijn mager, namelijk
een mogelijk fragment van graan en ringelwikke. Deze soorten zijn
algemeen voorkomend in diverse perioden.
9.3 Conclusie.
Alle botanische resten zijn in verkoolde toestand aangetroffen. De
onderzochte monsters bevatten weinig zaden. De lage hoeveelheden
verkoold botanisch materiaal zijn een bekend verschijnsel op archeologische
opgravingen; het staat bekend als ‘ruis’. Het geeft echter wel aan dat er
botanisch materiaal aanwezig is. Door een goede bemonsteringsstrategie
kan echter wel een goed beeld verkregen worden van de gekweekte en
verzamelde voedselgewassen en (akkeron-)kruiden in de diverse perioden in
dit deel van Nederland.
233 Bakels 2001.
168 LANAKERVELD
put
6
18
47
51
62
68
vlak
1
1
1
1
1
2
1
spoor
3
11
15
6
1
12
14
kuil
kuil
kuil
oven
kuil
grafkuil
paalspoor
datering
78
Bandkeramiek Bandkeramiek Bandkeramiek Merovingisch IJzertijd Bandkeramiek Vroege middeleeuwen
vak
-
-
-
-
2
2
vulling
1
3
1
1
1
1
1
43
98
328
280
296
295
351
5
5
5
5
5
5
2
vondstnummer
monstervolume, liter
cultuurgewassen
Triticum sp., tarwe
3
Triticum dicoccum/monococcum kaf, emmer of
eenkoorn
1
Triticum dicoccum, emmertarwe
1
Hordeum vulgare, gerst
Graan indet.
1
4
1
2
noten, in het wild verzameld
Corylus avellana, fragmenten hazelnoot
Pisum sativum, erwt
15
3
wilde kruiden
Vicia hirsuta, ringelwikke
1
Chenopodium album, melganzenvoet
4
Bromus sp., dravik
2
Persicaria lapathifolia, beklierde duizendknoop
1
Persicaria hydropiper, waterpeper
1
Tabel 9.1
Verkoolde plantenresten
2
LANAKERVELD
169
10 Evaluatie karterend en waarderend archeologisch onderzoek
10.1 Inleiding
Het Lanakerveld beslaat ongeveer 184 hectare voornamelijk akkergebied.
Een gedeelte van dit areaal zal door de gemeente Maastricht ontwikkeld
gaan worden ten behoeve van woningbouw en industrie. Deze nieuwe
bestemmingen zullen ongeveer 61 hectare beslaan. Om de archeologische
waarden in kaart te brengen is in 2001 een verkennend onderzoek van
het gehele Lanakerveld uitgevoerd door RAAP en in 2007 een waarderend
proefsleuvenonderzoek door Archol. Vanuit het bevoegd gezag is de vraag
gekomen de resultaten van het karterende en waarderende onderzoek van
het waardevolle cultuurlandschap te evalueren. In dit hoofdstuk wordt
getracht beide onderzoeken te evalueren waarbij met name naar methodiek
gekeken wordt en de gevolgen daarvoor voor het verdere verloop van het
archeologische traject.234
10.2 Methodiek Karterend en Waarderend onderzoek235
Het karterende onderzoek bestond uit een landschappelijk gericht
booronderzoek in combinatie met milieutechnische boringen en een
veldkartering. In totaal werden als resultaat van dit onderzoek 121
vindplaatsen uit het neolithicum, Romeinse tijd en middeleeuwen, in kaart
gebracht.236 Op 79 vindplaatsen is een vondst aangetroffen, terwijl op 45
vindplaatsen sprake is van vondstconcentraties. Uit de resultaten van het
booronderzoek bleek dat voor het grootste deel van het plangebied in de
lössbodem een Radebrikgrond is ontwikkeld.
10.2.1 Methodiek oppervlaktekartering
Een oppervlaktekartering wordt gezien als een adequate en snelle methode
van archeologisch veldonderzoek voor grote vlakken. De kartering op het
Lanakerveld heeft plaatsgevonden door in banen met een onderlinge afstand
van 5 m over een akker te lopen.
Het detecteren van archeologische vindplaatsen door een oppervlaktekartering wordt in het lössgebied echter bemoeilijkt door verschillende
factoren:237
• Aanwezigheid van colluvium.
• Selectieve erosie van archeologische resten.
• Verplaatsing van archeologisch vondstmateriaal.
• Een oppervlaktekartering betreft meestal een momentopname: er wordt
één keer gekeken.
• Wisselende vondstzichtbaarheid.
10.2.2 Methodiek karterend booronderzoek
Om een beter inzicht te krijgen in de geomorfologische en bodemkundige
omstandigheden is de oppervlaktekartering aangevuld met boringen. Het
hoofddoel was het bepalen van de erosie in het onderzoeksgebied. In
totaal zijn 1577 boringen gezet in een vlakdekkend grid van 10 boringen
per hectare tot maximaal 2,20 m - Mv. Op plaatsen waar de eerste
boorresultaten daartoe aanleiding gaven zijn extra boringen gezet met een
megaboor.
234 De kundigheid van mensen staat niet ter discussie.
235 Voor een afweging tussen de verschillende karterende methodieken geschikt voor zandgronden wordt verwezen naar Fokkens 2007.
236 De weergegeven vindplaatsgrenzen dienen echter beschouwd te worden als indicatief.
237 Zie voor een uitgebreide beschrijving van deze factoren Roymans & Van Waveren 2002, 4-6.
170 LANAKERVELD
Ook voor een verkennend booronderzoek gelden beperkingen:
• In (sommige) gevallen is het moeilijk om in de boor het onderscheid te
maken tussen een E-horizont en colluvium.
• Selectieve erosie van archeologische resten
• Verplaatsing van archeologisch vondstmateriaal
• Over-representatie van vondstconcentraties (nederzettingsterreinen)
• Onder-representatie van grafvelden en zogenoemde low-density
vindplaatsen (met een grote spreiding van sporen en/of weinig nederzettingsmateriaal)
10.2.3 Methodiek waarderend proefsleuvenonderzoek
Aan de hand van de resultaten van het verkennend onderzoek is vervolgens
in het vervolgtraject gekozen om een vindplaatsgericht waarderend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren (zie ook hoofdstuk 4). Tijdens dit
proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 19 vindplaatsen door middel van 79
proefsleuven gewaardeerd. Daarbij is in totaal 11770 m2 – 2% van het totale
plangebied - gewaardeerd door middel van proefsleuven.
Ook aan proefsleuvenonderzoek kleven beperkingen:
• Proefsleuvenonderzoek is voornamelijk sporengericht en niet gericht op
minimale vondstconcentraties
• Proefsleuvenonderzoek is steekproefsgewijs opgezet
10.3 Evaluatie karterend onderzoek n.a.v. het proefsleuvenonderzoek
De karterende fase gaf aanleiding tot een hoge archeologische verwachting
in dit gebied dat een zeer rijke bewoningsgeschiedenis heeft gekend. Er
zijn vele archeologische vindplaatsen in kaart gebracht die samen een hoge
archeologische ensemblewaarde hebben gekregen. Deze conclusie wordt
ondersteund door het proefsleuvenonderzoek. Van de kartering afwijkende
resultaten van het waarderend proefsleuvenonderzoek bieden voldoende
basis om de resultaten van het verkennende onderzoek te evalueren.
10.3.1 Aanwijzen van vindplaatsen
Allereerst valt op dat van de 19 gewaardeerde vindplaatsen slechts vier
vindplaatsen behoudenswaardig zijn en vijf nieuwe vindplaatsen zijn
toegevoegd. De afgevallen vindplaatsen waren met uitzondering van
vindplaats 4 en 22 gekarakteriseerd als een kleine vuursteenconcentraties
uit de steentijd. Hoewel er bij het proefsleuvenonderzoek rekening mee
gehouden is, is geen enkele vuursteenconcentratie aangetroffen.
LANAKERVELD
Tabel 10.1
Gewaardeerde vindplaatsen
171
Vindplaats behoudens- afgevallen maakt deel nieuw Indicatieve opper- aantal m2 procentueel oppervlakte
waardig
uit van
vlakte vindplaats proefsleuf
verkend vindplaats na
vindplaats
volgens RAAP
waardering
2
x
122
3
x
4
x
124
x
124
18
x
22
24
1034
13%
361
160
44%
607
322
53%
12480
876
7%
11160
1453
13%
n.v.t.
3367
693
21%
29
x
515
197
38%
n.v.t.
31
x
929
254
27%
n.v.t.
42
x
3474
770
22%
n.v.t.
28980
1871
6%
1726
313
18%
201
244
121%
53
x
8094
x
61
x
62
x
66
x
217
150
69%
n.v.t.
67
x
172
70
41%
n.v.t.
73
x
252
115
46%
n.v.t.
76
x
189
67
35%
n.v.t.
82
x
122
506
221
44%
x
122
307
115
37%
84
122
122
x
x
n.v.t.
123
x
x
n.v.t.
124
x
x
n.v.t.
125
x
X
n.v.t.
126
x
X
erdwerk
x
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
386
n.v.t.
Er zijn landschappelijke, methodische en archeologische redenen aan te
voeren waardoor bovenstaande verschillen zijn opgetreden:
Landschappelijk
• In het plangebied bevindt zich een groot aantal graften. Deze graften
zijn in het veld slecht waarneembaar maar zijn op de AHN duidelijk
zichtbaar.238 Aangezien zij aangelegd zijn om erosie tegen te gaan
bestaan ze grotendeels uit aangespoeld/aangeploegd colluvium. Zij
dienen als zodanig ook als vondstenfuiken of artefact-traps. Zij verstoren
in die hoedanigheid dan ook het beeld verkregen door de veldkartering.
Een deel van de afgeschreven vuursteenvindplaatsen bevindt zich langs
of op graften.
• Tijdens het verkennende booronderzoek is gesteld dat een groot deel
van het plangebied een goede conservering heeft (radebrikgrond). Op
de overzichtskaart in het RAAP-rapport is duidelijk te zien dat de Ehorizont over een groot areaal nog aanwezig is. Hoewel het voorbehoud
is gemaakt dat het verschil tussen een E-horizont en colluvium in
een boor moeilijk is vast te stellen, is men vooralsnog uitgegaan van
een E-horizont. Hoewel misschien een subtiel verschil, maakt het
archeologisch-landschappelijk nogal wat uit, of een E-horizont aanwezig
is of niet (zie beperkingen §10.2). Het suggereert namelijk dat de
bodem nauwelijks is verstoord door erosie en ploegactiviteiten waardoor
vondsten onder de bouwvoor nog min of meer in situ liggen, terwijl
bij de aanwezigheid van colluvium met een verspoelde vondstcontext
rekening moet worden gehouden en er dus niet alleen door ploegactivi238 Het Actueel Hoogtebestand Nederland is pas sinds een aantal jaren “ontdekt” door en veel
gebruikt in de archeologie. De voordelen zijn echter evident. Lees ook: Waldus en Van de
Velde 2006: Archeologie in Vogelvlucht: toepassingsmogelijkheden van het AHN in de archeologie.
172 LANAKERVELD
teiten vondstmateriaal is verspreid.239 De in het waarderend onderzoek
vrijwel overal gebleken afwezigheid van een E-horizont betekent
dat vuursteenvindplaatsen in dit plangebied niet of nauwelijks in
onverstoorde context voorkomen. Dit verklaart de afwezigheid van vuursteenvindplaatsen in een zeer groot deel van het plangebied
Methodisch
• Zoals gesteld werden midden- en laatneolithische vindplaatsen verwacht.
Vindplaatsen uit deze perioden zijn zeer schaars in de lössgebieden.240
Veelal zijn het toevalsvondsten. Zowel bij het verkennend onderzoek
als bij het proefsleuvenonderzoek zijn op het Lanakerveld verschillende
artefacten aangetroffen die duidelijk aan genoemde perioden toe te
wijzen zijn. Grondsporen ontbreken echter volledig in de proefsleuven.
Omdat de sporenspreiding zeer diffuus is dient bij het vermoeden van
een midden- of laatneolithische vindplaats een intensiever proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden waarbij het grid van de proefsleuven
(het waarnemingen-net) verdicht wordt. Hetzelfde geldt overigens ook
voor vindplaatsen uit de brons- en ijzertijd. Het kennishiaat dat nu geldt
voor het midden-neolithicum tot ijzertijd is grotendeels het gevolg van
de gebruikelijke onderzoeksstrategie van relatief wijd uiteen liggende
proefsleuven.
Archeologisch
• Een ander gegeven dat uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek
valt op te maken betreft het aantal nieuw aangesneden vindplaatsen. De
nieuwe vindplaatsen zijn twee grafvelden en twee vindplaatsen uit de
metaaltijden. Grafvelden zijn als regel moeilijk te vinden. en hun vondst
tijdens het proefsleuvenonderzoek is toeval, of liever, vindersgeluk.
Oorspronkelijk waren de proefsleuven waarin de graven aangetroffen
werden, niet gepland en derhalve onopgemerkt gebleven. Niet alleen een
gemiste kans voor de archeologie maar ook te zijner tijd waarschijnlijk
een bouwstop voor de opdrachtgever tot gevolg hebbend. De
ongemakkelijke vraag komt op waar, gezien de archeologische rijkdom
van het gebied, zich nog andere grafvelden bevinden.
Het beeld dat gegenereerd wordt door het verkennend zowel als
het waarderend onderzoek is dus vertekend en zeker niet volledig.
Nederzettingsterreinen die gekenmerkt worden door een hoge sporen- en
vondstdichtheid zoals bandkeramische en Romeinse vindplaatsen zijn
prominent aanwezig en redelijk goed te begrenzen terwijl low-density
vindplaatsen zoals grafvelden of nederzettingen uit neolithicum en
metaaltijden nauwelijks in beeld kunnen worden gebracht.
10.4 Conclusies en Aanbevelingen
Op basis van bovenstaande verschillende methodieken en hun beperkende
factoren kunnen enkele conclusies getrokken en een aantal aanbevelingen
gedaan worden.
239 Andere post-depositionele processen die van invloed zijn op de verplaatsing van vondstmateriaal zoals het “opvriezen van stenen” zijn hier buiten beschouwing gelaten.
240 Zie voor een overzicht: De Steentijd van Nederland, Archeologie 11/12, 2005 of de Provinciale
Onderzoeksagenda van de provincie Limburg.
LANAKERVELD
173
10.4.1 Conclusies
• De fysieke gesteldheid van het Lanakerveld (aanwezigheid van graften
en de conservering van de bodem) is achteraf gezien onvoldoende
vastgesteld met alle gevolgen van dien voor de interpretatie van de
tijdens de kartering verkregen gegevens.
• De onzekerheid aangaande de waarde van oppervlaktevindplaatsen en
kleine vuursteenconcentraties is niet tot uitdrukking gekomen in de
strategie van het PvE. Daardoor is het waarderend onderzoek op de vuursteenvindplaatsen onnodig intensief geweest (zie tabel 10.1).
• Tijdens de karterende fase van het archeologische vooronderzoek is
teveel de nadruk gelegd op de omvangrijke vondstrijke vindplaatsen.
Kleine en vondstarme vindplaatsen zijn naar verwachting in het
totaalbeeld ondervertegenwoordigd.
10.4.2 Aanbevelingen
• Indien tot hoofddoel is gesteld de conservering van de bodem vast te
stellen, verdient het aanbeveling om in geval van twijfel (aanwezigheid
E-horizont dan wel colluvium) in de buurt van vuursteenconcentraties
kijkgaten te graven, waarin een bodemprofiel in voldoende mate kan
worden onderzocht. Op deze manier kan vastgesteld worden of er sprake
is van verspoelde vondsten (in colluvium) of van een intacte vindplaats.
De resultaten van een oppervlaktekartering dienen dus aangevuld te
worden met de bevindingen van een booronderzoek . Het eindverslag
van het verkennend onderzoek dient besloten te worden met een goed
gemotiveerde conclusie waarbij de invloed van de beperkende factoren
gewogen wordt om vast te stellen in hoeverre de resultaten van het
booronderzoek en de oppervlaktekartering representatief zijn voor de
verwachte archeologische waarden.
• Indien het vermoeden bestaat dat kleine en/of vondstrijke vindplaatsen
aanwezig zijn, verdient het de aanbeveling om op basis van informatie
verkregen tijdens de karterende fase een verdere verdieping van het
onderzoek uit te voeren door kansrijke terreinen meerdere malen
onder gunstige omstandigheden te karteren. Daarbij dient de te volgen
methodiek voor het karteren mogelijk intensiever te zijn dan nu is
geweest.241 Een andere optie is om bij het waarderende onderzoek niet in
te steken op een vindplaatsgericht proefsleuvenonderzoek maar juist te
kiezen voor een (cultuur)landschappelijk gericht (intensief) proefsleuvenonderzoek.
• Hoewel de AHN tijdens het vooronderzoek niet beschikbaar was,
had deze de problematiek van de graften als vondstenfuiken kunnen
voorkomen. Het verdient dus aanbeveling om de AHN in een vroeg
stadium van het onderzoek te raadplegen.
Het onderzoek als tot dusver uitgevoerd op het Lanakerveld laat al duidelijk
zien hoe een cultuurlandschap op de lössplateaus ingericht kan zijn. De
resultaten zijn dan ook boven verwachting. Máár ook duidelijk is dat de
verschillende onderzoeksmethoden en de interpretatie van de resultaten
van de verschillende fasen van het onderzoek, onderling tegen het licht
gehouden moeten worden. Hoewel de opdrachtgever voor een vindplaats241 Vergelijk bijvoorbeeld de resultaten van de veldverkenning gedaan door de Faculteit der
Archeologie van de Universiteit Leiden op een bepaald deel van het Lanakerveld met de
resultaten van RAAP.
174 LANAKERVELD
gericht waarderend proefsleuvenonderzoek heeft gekozen (zoals de AMZcyclus ook voorschrijft: eerst verkennen, daarna waarderen), kon een deel
van het terrein niet gewaardeerd worden. Dat laat de vraag hoe verder om te
gaan met deze onbekende en ongekende rijkdom onbeantwoord. Naar onze
mening zijn de hier gepresenteerde aanbevelingen een stap in de juiste
richting voor de toekomst. In hoofdstuk 12 zullen aanbevelingen besproken
worden die specifiek ingaan op het vervolg voor het Lanakerveld.
LANAKERVELD
175
11 Synthese en waardering van de archeologische vindplaatsen
11.1 Inleiding
Het Inventariserend Veldonderzoek op het Lanakerveld heeft geresulteerd
in een rijk en gevarieerd vondstassemblage uit verschillende perioden.
Het gaat om meerdere bandkeramische nederzettingen, twee grafvelden
uit de bandkeramiek en de late prehistorie, twee nederzettingsterreinen uit de late prehistorie, een nederzettingsterrein – mogelijk een villa
- uit de Romeinse tijd en een vermoedelijke nederzetting uit de vroege
middeleeuwen met aanwijzingen voor aardewerkproductie in de vorm
van twee ovens. Het onderzoek heeft de aanwezigheid van een divers cultuurlandschap aangetoond dat de verwachtingen aaanzienlijk te boven
gaat maar wellicht nog een grotere rijkdom kent in zijn niet-onderzochte
delen. In dit hoofdstuk zullen de resultaten van de diverse vindplaatsen per
periode nogmaals (kort) worden besproken en in een breder kader geplaatst.
Aansluitend hierop wordt een waardering van de vindplaatsen gegeven.
De waardering van de archeologische waarden binnen het plangebied vindt
plaats op basis van in de KNA onderscheiden criteria van beleving, fysieke
kwaliteit, inhoudelijke kwaliteit en representativiteit.242 De waardering
geschiedt per vindplaats en wordt samengevat in een tabel, waarin de
verschillende criteria een hoge (3), gemiddelde (2) of lage score (1) krijgen.
De belevingswaarde geldt in principe alleen voor nog zichtbare
monumenten en kan vanwege hun ondergrondse karakter dus niet
toegekend worden aan de verschillende vindplaatsen op het Lanakerveld.
Fysieke kwaliteit heeft betrekking op de mate waarin archeologische
resten op een vindplaats aanwezig zijn (gaafheid) en de conservering van
vondstmateriaal (conservering).
Bij inhoudelijke kwaliteit gelden de criteria zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Het criterium zeldzaamheid spreekt voor zich. Hoe
zeldzaam is een bepaald type vindplaats voor een bepaalde periode of in
een bepaald gebied? Informatiewaarde heeft betrekking op de mate waarin
het monument nieuwe inzichten in het verleden kan verschaffen. Bij de
ensemblewaarde is de archeologische en landschappelijke context van een
vindplaats van belang. Hierbij krijgt een vindplaats een hogere score al naar
gelang er meer (vergelijkbare) vindplaatsen binnen de microregio bekend
zijn en er mogelijkheden zijn tot onderzoek van vroegere landschappen
en landgebruik. Representativiteit dient alleen bepaald te worden als de
totaalscore van de inhoudelijke kwaliteit minder dan 7 punten bedraagt.
In totaal zijn 19 vindplaatsen door middel van proefsleuven onderzocht. In
het noordelijk deel van het plangebied, dat ontwikkeld gaat worden voor de
bouw van het Nederlandse deel van het bedrijventerrein Europark zijn 12
vindplaatsen onderzocht. Van oost naar west gaat het om de vindplaatsen
2, 61, 62, 82, 84, 24, 3, 18, 29, 31, 66 en 42. Daarnaast zijn in dit deel
van het plangebied op basis van het proefsleuvenonderzoek twee nieuwe
vindplaatsen gedefinieerd, namelijk vindplaats 122 en 123. Verder zijn op
basis van het verkennend booronderzoek in het noordwestelijke deel van
het Lanakerveld nog twee attentiegebieden aangewezen waar mogelijk
paleolithische vindplaatsen aangetroffen kunnen worden (vindplaats 125 en
126).
242 KNA versie 3.1.
176 LANAKERVELD
In het zuidelijke deel van het plangebied waar een nieuwe woonwijk moet
gaan verrijzen zijn in totaal zes vindplaatsen onderzocht. Van west naar oost
zijn dat de vindplaatsen 76, 73, 22, 4, 53 en 67. Daarnaast zijn ter hoogte
van het in de vorige eeuw onderzochte neolithische Erdwerk ten oosten van
de Brusselseweg enkele sleuven gegraven om te kijken of dit monument
zich ten westen van de Brusselseweg doorzette. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is binnen dit deel van het plangebied één nieuwe vindplaats
gedefinieerd, namelijk vindplaats 124.
Op basis van het proefsleuvenonderzoek komt een groot aantal door RAAP
gekarteerde vindplaatsen niet in aanmerking voor waardering. Het gaat
om de volgende 15 vindplaatsen: 3, 4, 22, 29, 31, 42, 61, 62, 66, 67, 73, 76,
82, 84 en het Erdwerk. Deze vindplaatsen bleken niets op te leveren en
behoeven daarom ook niet gewaardeerd te worden. De vindplaatsen 125
en 126 zijn ook niet gewaardeerd aangezien dit mogelijke vindplaatsen
betreft die niet door proefsleuven zijn gewaardeerd. De overige vindplaatsen
worden wel gewaardeerd.
11.2 Paleolithicum
Tijdens het proefsleuvenonderzoek is een verkennend booronderzoek
uitgevoerd in het westelijk gedeelte van het plangebied waar een terrein
is aangewezen voor leemwinning ten behoeve van de productie van
gevelstenen. Het terrein sluit aan bij een leemontginning op Belgisch
grondgebied. Na de winning zal het terrein onderdeel uitmaken van het
grensoverschrijdende industrieterrein op het Lanakerveld. De centrale vraag
die op dit booronderzoek betrekking had is of er op dit terrein geologische
afzettingen aanwezig zijn waarin archeologische resten uit de oude steentijd
bewaard gebleven kunnen zijn?
Goed geconserveerde archeologische resten van de vroegste bewoning
van Nederland zijn zeldzaam en bijzonder. Echter, op basis van uitvoerig
onderzoek in de directe omgeving van het Lanakerveld kan gesteld worden
dat de trefkans op vondsten uit het Paleolithicum reëel is. Op tenminste
vier locaties in de omgeving van het Lanakerveld zijn sporen uit de oude
steentijd aangetroffen: Maastricht-Belvédère, Veldwezelt-Heeswater, KesseltOp de Schans en Kesselt-groeve Nelissen. Deze resten zijn bewaard in
laagpakketten tussen de bovenste löss (waarvan de onderkant gemarkeerd
wordt door de bodemhorizont van Nagelbeek en de ‘patina-discordantie’)
en oude Maasafzettingen (Maasterrassen). De eerder aangetroffen
archeologische resten bestaan vooral uit vuursteen en botmateriaal. De
dichtheid aan vuurstenen artefacten varieert van 1 vondst per vierkante
meter tot tientallen vondsten per vierkante meter. Het botmateriaal bestaat
vooral uit de resten van grote en kleine zoogdieren en is vaak geassocieerd
met vuurstenen artefacten. Regelmatig worden ook sporen van vuur
aangetroffen zoals houtskool en verbrand vuursteen. Cruciaal voor zinvolle
kennis van de archeologie is de geologische en paleoecologische informatie
die noodzakelijk is voor de bepaling van de ouderdom van de resten en de
reconstructie van het klimaat en het landschap.
Op basis van het booronderzoek zijn twee gebieden (vindplaats 125 en 126)
op het leemontginningsterrein aangewezen, waar rekening gehouden moet
LANAKERVELD
177
worden met de mogelijkheid goed geconserveerde archeologische resten uit
het Paleolithicum aan te treffen in een informatieve geologische context.
De lagen waarin deze resten bewaard zijn bevinden zich op een diepte lager
dan 59 m + NAP.
11.3 Het vroege neolithicum - de lineaire bandkeramiek (LBK)
Het onderzoek van de bandkeramische cultuur kent in de onmiddellijke
omgeving van het Lanakerveld al een lange voorgeschiedenis. Al in 1924
werden op de Caberg bandkeramische vondsten gemeld door pastoor
Kengen (de eerste in Nederland als zodanig herkende Bandkeramiek).
Deze vondsten bleven niet op zichzelf staan en in de loop der jaren werden
meer vondsten en nederzettingsterreinen op en rond de Caberg gevonden.
Deze bleken deel uit te maken van het (hoofdzakelijk in België gelegen)
Heeswater-cluster (zie hoofdstuk 3).
Het verkennend onderzoek uitgevoerd door RAAP lijkt het bovenstaande
vondstenpatroon uit te breiden naar het Lanakerveld. Zij karteerden
minimaal vier bandkeramische vindplaatsen (13, 24, 58 en 77) waarbij het
vermoeden werd geuit dat er op meer van de gekarteerde vindplaatsen
resten uit deze periode aanwezig zouden kunnen zijn. Door het ontbreken
van diagnostisch materiaal konden deze echter vooralsnog niet scherper als
“neolithisch” gedateerd worden.
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn de door RAAP als “neolithisch”
of specifiek bandkeramisch benoemde vindplaatsen, gewaardeerd. Drie
vindplaatsen (2, 24, 53), kunnen als bandkeramisch aangeduid worden.
Een vierde vindplaats (123) was oorspronkelijk niet gekarteerd en is nieuw
toegevoegd. Het zijn drie nederzettingsterreinen en een grafveld. Hoewel
reeds een aantal bandkeramische nederzettingen (deels) zijn opgegraven
en onderzocht, bieden de vindplaatsen op het Lanakerveld een grote
meerwaarde.
Ten eerste vanwege de aanwezigheid van het bandkeramische grafveld.
Dit is een nationaal en zelfs internationaal unieke vondst die in die
hoedanigheid behandeld dient te worden. De informatiewaarde is bijzonder
hoog maar mag niet los gezien worden van haar context: een cultuurlandschap waar een plaats was gereserveerd voor de levenden (aan de rand van
de plateaus) en voor de doden (midden op het plateau).
Ten tweede is de aanwezigheid van op zijn minst drie nederzettingsterreinen eveneens van grote waarde vanwege de losse spreiding van de
erven. Gezien de korte tijdspan (fase 1b – 2c met een accent op fase 1c/d)
waarbinnen de bewoning heeft plaatsgevonden op verschillende locaties (op
beide plateaus), zal een aanzienlijke kennisvermeerdering behaald kunnen
worden door vraagstellinggericht onderzoek. Eén van de meest opmerkelijke
waarnemingen die tijdens het onderzoek is gedaan betreft de relatief lage
sporendichtheid in de doorgaans 4-6 m brede proefsleuven. De bekendste
bandkeramische nederzettingsterreinen van het aan de overzijde van de
Maas gelegen bandkeramische Graetheidecluster (Elsloo, Sittard, Stein en
Geleen) kenmerken zich vooral door een hoge sporendichtheid waarbij
binnen een beperkt areaal bijna continu is gebouwd met als gevolg moeilijk
ontwarbare sporenclusters. Op het Lanakerveld lijkt de bewoning zich echter
langzaam uitgebreid te hebben, waarbij eerdere erfgrenzen gerespecteerd
werden. Met andere woorden: voor het eerst in de geschiedenis van het
Nederlands bandkeramisch onderzoek is het mogelijk een geïsoleerd
bandkeramisch erf te onderzoeken en te definiëren.
178 LANAKERVELD
Een derde factor die het onderzoeksgebied zo geschikt maakt voor
toekomstig onderzoek is de combinatie van bovenstaande factoren samen
met de eveneens op de linker Maasoever gelegen vindplaatsen OudCaberg: Klinkers en Belvédère. Vooral de laatste twee vindplaatsen leverden
informatie op die duidelijk anders van aard is dan die van de andere
Maasoever afkomstig; een wezenlijke aanvulling op wat eerder bekend was.
De bandkeramiek van het Lanakerveld en de Caberg dient dan ook in zijn
geheel bezien te worden waarna de overeenkomsten en verschillen met het
Belgische Heeswater-cluster onderzocht moeten worden.
11.3.1 Vindplaats 2 – bandkeramische nederzetting
Vindplaats 2 werd door RAAP gedefinieerd als een neolithisch nederzettingsterrein en is verkend door middel van acht proefsleuven,
waarvan er twee buiten de door RAAP aangegeven begrenzing van de
vindplaats gelegen zijn. De putten hebben sporen en in mindere mate
vondstmateriaal uit twee verschillende perioden opgeleverd. Eén daarvan
is als bandkeramisch te bestempelen (put 5 en 6). De datering van de
tweede groep is onduidelijk, maar valt in de periode metaaltijden – vroege
middeleeuwen (put 2, 6 en 15).
Deze vindplaats leverde enkele kuilen en paalsporen op die van
bandkeramische oorsprong zijn (fase 1d-2b). Er is geen sprake van een
dichte sporenspreiding en een verband is vooralsnog niet te herkennen. Er
is dus geen sprake van een voor de bandkeramiek typische huisplattegrond
met bijhorende langskuilen. De sporenconcentratie lijkt echter wel in
zuidwestelijke richting toe te nemen. Waarschijnlijk maken de aangetroffen
sporen deel uit van een bandkeramische nederzetting waarbij het
onduidelijk is of de verwachte nederzetting ten noordoosten van de spoorlijn
gezocht moet worden (vindplaats 19, 20 en 23) of meer naar het zuidwesten
aan de rand van het Zouwdal (vindplaats 77-78). In ieder geval bevindt de
vindplaats zich grotendeels buiten de door RAAP aangegeven indicatieve
vindplaats grenzen. De bandkeramische sporen en vondstmateriaal
concentreren zich in put 5 en 6.
Waardering
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Gaafheid
2
Conservering
2
Inhoudelijke kwaliteit Zeldzaamheid
Informatiewaarde
Ensemblewaarde
Representativiteit
2
4
8
3
3
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 2 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort gemiddeld op de criteria gaafheid en conservering.
De vindplaats ligt deels op de helling van het droogdal van de Zouw.
Door erosie is hier het oorspronkelijke lössprofiel verdwenen en liggen de
Tabel 11.1
Waardering vindplaats 2
LANAKERVELD
179
terrasgrinden er direct onder de bouwvoor. Het betreft hier echter alleen
het meest zuidoostelijke deel van de door RAAP gedefinieerde vindplaats
(ter hoogte van put 1). Op het grootste deel van de vindplaats heeft slechts
beperkt erosie plaatsgevonden, de top van het profiel wordt daar gevormd
door de Bt-horizont en afgedekt door een dun colluvium.
De grondsporen op deze vindplaats kunnen in twee groepen opgedeeld
worden. Slechts één van deze groepen kan met zekerheid in het vroege
neolithicum (LBK) gedateerd worden. De datering van de tweede groep is
onduidelijk.
De conservering van het vondstmateriaal is gemiddeld. Organisch
materiaal is alleen in verkoolde vorm bewaard gebleven. Afgezien van
het bandkeramische aardewerk dat soms enigszins verweerd is, is de
conservering van de overige materiaalcategorieën goed te noemen.
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op inhoudelijke kwaliteit. Omdat bij eerder
onderzoek op de Caberg en bij het huidige IVO meerdere bandkeramische
nederzettingsterreinen aan het licht zijn gekomen, krijgt de vindplaats
een gemiddelde score voor de zeldzaamheid. De informatiewaarde van
de vindplaats krijgt een hoge score. Het betreft hier weliswaar slechts
een klein deel van een groter nederzettingsterrein, maar toch kunnen
er, gezien de aanwezigheid van o.a. een rijk gevulde afvalkuil, één
of meerdere bandkeramische huisplaatsen op deze locatie verwacht
worden. Bovendien zijn ondanks de aantoonbare aanwezigheid van vele
bandkeramische nederzettingsterreinen op de Caberg slechts enkele van
deze terreinen systematisch onderzocht. De ensemblewaarde is zowel
in archeologisch als in landschappelijk opzicht hoog. De aanwezigheid
van meerdere bandkeramische nederzettingsterreinen en een grafveld
binnen het plangebied maakt het mogelijk deze in onderlinge samenhang
te bestuderen. Daarnaast is er op landschappelijk gebied, afgezien van
veranderingen in vegetatie, maar weinig veranderd sinds het vroege
neolithicum. Het oorspronkelijke landschap is nog in hoge mate aanwezig
en door het gebrek aan overbouwing over grote delen van het plangebied
herkenbaar.
Conclusie
De vindplaats is op inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. Op basis
van het proefsleuvenonderzoek zijn de indicatieve begrenzingen van de
vindplaats aangepast (zie figuur 12.1).
11.3.2 Vindplaats 24 – bandkeramische nederzetting
Ongeveer 500 m naar het westen bevindt zich vindplaats 24 die wordt
doorsneden door de Lanakerweg. Een deel van de vindplaats is eveneens
doorsneden bij de aanleg van een fietspad iets ten zuiden van de
proefsleuven.
De proefsleuven liggen in elkaars verlengde aan weerszijden van de
Lanakerweg. Bij het aanleggen ervan is een deel van een huisplattegrond
(type Ib) met bijhorende langskuilen aangetroffen. Het bijhorende
aardewerk duidt op een bewoningsfase in de vroege bandkeramische
periode (fase 1c/1d). Verspreid liggende kuilen en paalkuilen suggereren dat
elders op de vindplaats meer structuren aangetroffen kunnen worden.
180 LANAKERVELD
Het bewoonde areaal van de nederzetting strekt zich vermoedelijk
verder uit dan aanvankelijk werd verwacht. In het zuidelijke deel van put
39 (vindplaats 18) is een bandkeramische kuil aangesneden. Vindplaats
24 kan in noordwestelijke richting dus in ieder geval tot hier worden
doorgetrokken. Drie eindschrabbers, die tijdens dit onderzoek aan het
oppervlak gevonden zijn, wijzen er bovendien op dat de vindplaats
vermoedelijk ook in zuidwestelijke richting verder doorloopt. Dit vermoeden
werd bevestigd door de vondst van drie bandkeramische huisplattegronden die tijdens de archeologische begeleiding van het fietspad werden
aangetroffen. Een kuil met bandkeramisch aardewerk in het uiterste oosten
van put 18 wijst erop dat deze vindplaats ook in oostelijke richting groter is.
Waardering
Vindplaats 24 was door RAAP gedefinieerd als een bandkeramisch nederzettingsterrein en is verkend door middel van 2 proefsleuven (put 18 en 19)
en een archeologische begeleiding. In het wegcunet werden namelijk de
restanten van drie bandkeramische huisplattegronden aangetroffen evenals
enkele bandkeramische kuilen gevuld met nederzettingsafval. Op basis van
deze putten, waarin onder andere een huisplattegrond aangesneden is en
de aanwezigheid van bandkeramische sporen in put 39 en vermoedelijk ook
put 62, kan gesteld worden dat de vindplaats de door RAAP aangegeven
begrenzingen zowel in (zuid)westelijke als in (noord)oostelijke richting
overschrijdt.
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
2
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
Representativiteit
5
8
3
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 24 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog tot gemiddeld op de criteria gaafheid en
conservering. Het bodemprofiel is goed bewaard gebleven. De top van het
bodemprofiel wordt gevormd door de Bt-horizont, waaruit kan worden
opgemaakt dat er slechts beperkte erosie plaatsgevonden heeft. Ten oosten
van de Lanakerweg, de holle weg die de vindplaats doorsnijdt is wel een 1520 m brede strook verstoord. Op de vindplaats zijn grondsporen aanwezig,
die zonder uitzondering in het vroege neolithicum dateren. Hieronder
bevindt zich in ieder geval één huisplattegrond met geassocieerde
leemextractie- en afvalkuilen. Met name deze laatste kuilen hebben zeer
veel vondstmateriaal opgeleverd. De conservering van het vondstmateriaal
is gemiddeld. Organisch materiaal is alleen in verkoolde vorm bewaard
gebleven. De conservering van de overige materiaalcategorieën is goed te
noemen.
Tabel 11.2
Waardering vindplaats 24
LANAKERVELD
181
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op inhoudelijke kwaliteit. Omdat bij eerder
onderzoek op de Caberg en bij het huidige proefsleuvenonderzoek meer
bandkeramische nederzettingsterreinen aan het licht gekomen zijn, krijgt
de vindplaats een gemiddelde score op zeldzaamheid. De informatiewaarde
van de vindplaats is hoog, onder meer door de aanwezigheid van in ieder
geval één huisplattegrond met geassocieerde (afval)kuilen. Daarnaast
speelt de verspreiding van de sporen een belangrijke rol. Aangezien geen
overlappende of aaneengesloten sporen zijn aangetroffen, lijkt er sprake
te zijn van een losliggend erf. Deze zijn voor het (beter onderzochte)
Graetheidecluster niet vastgesteld en daarom in Nederland uniek voor deze
cultuur. Daarnaast zijn slechts weinige bandkeramische nederzettingsterreinen op de Caberg en van het Heeswater-cluster systematisch onderzocht. De
ensemblewaarde krijgt daarom zowel in archeologisch als in landschappelijk
opzicht een hoge score. De aanwezigheid van een aantal bandkeramische
nederzettingsterreinen en een grafveld binnen het plangebied maakt het
mogelijk deze in samenhang met elkaar te bestuderen. Daarnaast is er
op landschappelijk gebied, afgezien van veranderingen in vegetatie, maar
weinig veranderd sinds het vroege neolithicum. Het oorspronkelijke
landschap is nog in hoge mate aanwezig en door het gebrek aan
overbouwing over grote delen van het plangebied herkenbaar.
Conclusie
De vindplaats is op fysieke en inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. De
begrenzing is op basis van het proefsleuvenonderzoek aangepast.
11.3.3 Vindplaats 53 – bandkeramische nederzetting
Gelegen op de zuidelijke rug bevindt zich een derde bandkeramische
nederzetting. Deze vindplaats ligt op het plateau ten noorden van de
Lanakerweg en ten westen van het droogdal van het Heeswater.
In vijf putten zijn zes bandkeramische huisplattegronden aangesneden,
waarbij in alle gevallen één of twee geassocieerde langskuilen aanwezig
zijn. Net zoals bij de langskuil bij de huisplattegrond op vindplaats 24 is
uit deze kuilen een bonte verzameling bandkeramisch huisafval verzameld,
bestaande uit aardewerk, vuursteen en natuursteen.
Het diagnostische aardewerk uit de verschillende kuilen geeft een
indicatie voor de datering van de verschillende plattegronden. Deze
concentreert zich voornamelijk in fase 1c/1d met een uitschieter naar fase
2a/b. Opvallend is de losse spreiding van grondsporen die afgewisseld wordt
door concentraties van sporen waar de huisplattegronden zich bevinden.
De nederzetting lijkt in het westen begrensd te zijn aangezien langs
de Lanakerweg geen bandkeramische sporen of vondsten meer zijn
aangetroffen. Deze grens is echter niet te stellen voor het noordelijk en
noordoostelijk gedeelte. Daar sluiten de sporen aan bij de reeds door RAAP
gekarteerde mogelijk bandkeramische vindplaats 13. Het geheel geeft
de indruk van lintbebouwing langs de zuidelijke plateaurand boven het
Heeswater.
Waardering
Vindplaats 53 is door RAAP gedefinieerd als een bandkeramisch nederzettingsterrein. De vindplaats is verkend door middel van negen proefsleuven
182 LANAKERVELD
(put 41-49). De interpretatie van RAAP is hierdoor bevestigd. In zuidelijke
en noordelijke richting is de vindplaats wel groter dan oorspronkelijk
aangegeven. In noordelijke richting vormt de vindplaats bovendien
vermoedelijk één geheel met RAAP vindplaats 13, die op basis van oppervlaktekarteringen vastgesteld is.
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Tabel 11.3
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Waardering vindplaats 53
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
5
9
Representativiteit
Beleving
Er is bij vindplaats 53 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op de criteria gaafheid en conservering. Het
bodemprofiel is slechts zeer beperkt geërodeerd. De Bt-horizont is min of
meer intact en afgedekt door colluvium. Aan de oostzijde van de vindplaats
(ter hoogte van put 48 en 49), tegen de helling van het droogdal van
het Heeswater aan heeft vermoedelijk wat meer erosie plaatsgevonden.
Ook hier is echter nog een (restant van) de Bt-horizont waargenomen.
De aanwezigheid van meerdere huisplattegronden met geassocieerd
vondstmateriaal draagt bij tot de hoge score voor gaafheid. De conservering
van het aardewerk is gemiddeld. Organisch materiaal is niet bewaard
gebleven. De conservering van de overige materiaalcategorieën is goed te
noemen.
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op inhoudelijke kwaliteit. Ondanks de
aanwezigheid van meerdere bandkeramische nederzettingsterreinen in
de (directe) omgeving heeft zeldzaamheid een hoge score gekregen. Het
betreft een groot terrein met in ieder geval zeven aantoonbare huisplaatsen.
Ook de informatiewaarde is hoog. Gezien de losse spreiding van huisplattegronden en sporen en de aangetoonde chronologische verschillen
tussen de verschillende huisplattegronden kan hier de ontwikkeling
over de tijd van een bandkeramische nederzetting uitzonderlijk goed
bestudeerd worden. Daarnaast is het hier mogelijk de afzonderlijke erven
in detail te beschrijven en tot een definitie te komen van een “gemiddelde”
bandkeramische huisplaats, wat in het onderzoek naar de Nederlandse
bandkeramiek nog niet voorgekomen is. Ook de ensemblewaarde krijgt
zowel in archeologisch als in landschappelijk opzicht een hoge score. De
aanwezigheid van meerdere bandkeramische nederzettingsterreinen en een
grafveld binnen het plangebied maakt het mogelijk deze in samenhang met
elkaar te bestuderen. Daarnaast is er op landschappelijk gebied, afgezien
van veranderingen in vegetatie, maar weinig veranderd sinds het vroege
neolithicum. Het oorspronkelijke landschap is nog in hoge mate aanwezig
en door het gebrek aan overbouwing over grote delen van het plangebied
herkenbaar.
LANAKERVELD
183
Conclusie
De vindplaats is op inhoudelijke en fysieke kwaliteit behoudenswaardig.
Op basis van het proefsleuvenonderzoek is de begrenzing van de vindplaats
aangepast (zie figuur 10.2).
11.3.4 Vindplaats 123 – bandkeramisch grafveld
Het meest in het oogspringende resultaat betreft de vondst van een tiental
bandkeramische grafkuilen ongeveer 150 m ten noordoosten van vindplaats
24. De kuilen zijn afgerond rechthoekig tot ovaalvormig en op één
exemplaar na van vergelijkbare grootte. Het grootste deel van de grafkuilen
heeft eenzelfde oriëntatie, namelijk noordwest – zuidoost. Daarnaast valt
op dat de kuilen in kleine groepjes geclusterd lijken te zijn. Uit drie van
de elf grafkuilen is vondstmateriaal geborgen. In grafkuil S68.12 werden
zes verschillende objecten gevonden: een groot fragment van een versierd
potje (fase IIb of c), een slijpsteen van kwartsiet met een stuk rode oker, een
basalten platte dissel, een vermoedelijk vuurslag van Banholt vuursteen en
een kleine decorticatieafslag ook van Banholt vuursteen. De objecten lagen
geclusterd in twee afzonderlijke groepjes.
Op basis van het versierde potje is dit graf in de jonge bandkeramiek
te dateren. Het heeft een vergelijkenderwijs aanzienlijk aantal grafgiften
opgeleverd en is één van de ‘rijkere’ graven die we kennen uit de
noordwestelijke bandkeramiek. In Elsloo (het enige andere bekende
bandkeramische grafveld in Nederland) lagen de inhumatiegraven zij aan
zij met crematiegraven. Er zijn aanwijzingen dat ook op het Lanakerveld
dit soort graven gevonden kunnen worden. Zo werden in twee van de elf
grafkuilen minuscule fragmenten verbrand bot waargenomen. Daarnaast
werd bij de aanleg van het vlak een verbrande vuurstenen kern verzameld
uit de bouwvoor. Mogelijk betreft het hier een verbrande grafgift uit een
crematiegraf dat aangeploegd is.
De grenzen van vindplaats 123 zijn niet precies vastgesteld. Gezien het
ontbreken van grafkuilen in de omliggende putten en op vindplaats 84
naar het noordwesten, kan met enige voorzichtigheid gesteld worden dat de
vindplaats zich tot het gebied tussen deze putten beperkt. Een indicatie dat
het grafveld in noordwestelijke richting doorloopt is een fragment van een
hoge dissel van amfiboliet die op de akker tussen het grafveld en vindplaats
84 gevonden is. Ook hier betreft het mogelijk een verploegde grafgift.
Vindplaats 123 is een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk type
vindplaats. Uit Nederland zijn slechts twee grafvelden bekend. Het door
Modderman opgegraven grafveld van Elsloo en enkele bij grondwerkzaamheden aangetroffen graven in Geleen Haesselderveld-West zijn de enige
bekende voorbeelden. Ook in aangrenzende gebieden zijn grafvelden
uit deze periode zeer zeldzaam. In België kennen we slechts enkele
voorbeelden van bandkeramische graven, namelijk een crematiegraf
uit Hollogne-aux-Pierres en een vermoedelijk graf uit Millen. In het
aangrenzende Duitse gebied was het grafveld van Niedermerz tot voor kort
het enige bekende voorbeeld. Recent zijn daar de grafvelden van IndenAltdorf en Bergheim (Rhein-Erft-Kreis) bijgekomen.
Waardering
Vindplaats 123, het bandkeramische grafveld, is niet door RAAP
gekarteerd maar gevonden bij het onderhavige onderzoek. De vindplaats
184 LANAKERVELD
is aangesneden bij het graven van extra proefsleuven tussen vindplaatsen
24, 82 en 84. Sporen die tot deze vindplaats gerekend zijn, bevinden zich
in slechts één proefsleuf (put 68), waardoor de vindplaats min of meer
afgebakend is tot het gebied tussen de putten 65, 67 en 69. In totaal zijn in
put 68 elf grafkuilen gedocumenteerd.
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
Representativiteit
5
9
3
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 123 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort gemiddeld op de criteria gaafheid en conservering.
Het bodemprofiel op deze vindplaats vertoont sporen van beperkte
erosie. De Bt-horizont is nog (grotendeels) intact en afgedekt door een
dun colluvium. Van een deel van de aangetroffen grafkuilen is met een
miniguts de diepte bepaald, waaruit bleek dat de gemiddelde diepte van de
verschillende inhumatiegraven waarschijnlijk tussen de 20 en 40 cm onder
het opgravingsvlak ligt. Deze graven zullen dus grotendeels intact zijn. Met
de gaafheid van eventuele crematiegraven is het waarschijnlijk slechter
gesteld. Onderzoek van het grafveld bij Elsloo heeft uitgewezen dat dit soort
graven daar veel minder diep ingegraven was dan de inhumatiegraven. Op
het Lanakerveld kan de vondst van een verbrande klingkern in de bouwvoor
- vermoedelijk een meeverbrande grafgift uit een crematiegraf - erop wijzen
dat er al crematiegraven verploegd en opgenomen in de bouwvoor zijn.
De conservering van vondstmateriaal op deze vindplaats is gemiddeld.
Onverbrand botmateriaal, evenals grafgiften van organisch materiaal zijn
niet bewaard gebleven. Met betrekking tot menselijke skeletresten is dus
in principe alleen gecremeerd botmateriaal op de vindplaats te verwachten.
In de inhumatiegraven kunnen soms wel de hardere delen van het
gebit (tandkapsels) bewaard gebleven, evenals een afdruk van de grotere
skeletdelen (lijksilhouet), zoals gebleken is bij de opgraving van het grafveld
van Elsloo.
Inhoudelijke kwaliteit
Een bandkeramisch grafveld is voor Nederlandse begrippen een bijna
uniek type vindplaats. De vindplaats krijgt daarom een hoge score op
inhoudelijke kwaliteit. Afgezet tegen de talloze nederzettingsterreinen,
die bekend zijn uit het verspreidingsgebied van de bandkeramiek in
Noordwest Europa steken grafvelden getalsmatig maar magertjes af. Dit
geldt niet alleen voor Nederland, maar ook voor aangrenzende gebieden in
België (Haspengouw) en Duitsland (Aldenhovener Platte). Vindplaats 123
scoort daarom hoog op zeldzaamheid. Ook op informatiewaarde scoort de
vindplaats hoog. Hier dient zich de voor Nederland unieke mogelijkheid
Tabel 11.4
Waardering vindplaats 123
LANAKERVELD
185
aan om een bandkeramisch grafveld in zijn volledigheid te onderzoeken.
Daarnaast kan op deze wijze meer inzicht verkregen worden in het
bandkeramisch grafritueel. Door de zeldzaamheid van grafvelden vormt dit
een nog altijd onderbelicht aspect van de bandkeramische samenleving. De
ensemblewaarde is eveneens hoog, aangezien binnen het plangebied en
in de directe omgeving van het grafveld meerdere bandkeramische nederzettingsterrein aanwezig zijn en het grafveld dus in samenhang met die
nederzettingen onderzocht kan worden.
Conclusie
De vindplaats is op fysieke en inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig
en dient zelfs fysiek beschermd te worden gezien haar uniekheid. Hoewel
de vindplaats thans beschermd wordt door een dun colluvium, is dit geen
garantie dat ploegactiveiten de vindplaats niet verder zullen verstoren.
Indien het roeren van de bodem (door bijvoorbeeld ploegen) gestaakt wordt,
dient er voor worden gezorgd dat bodemvormende processen eventuele
lijksilhouetten niet verder aantasten. De begrenzing van de vindplaats is op
basis van het proefsleuvenonderzoek bij benadering vastgesteld. Er dient,
op basis van vergelijkbare grafvelden, rekening gehouden te worden met
honderd graven of meer.
11.4 Midden- en laat-neolithicum
Het RAAP onderzoek heeft duidelijk inzichtelijk gemaakt dat
bewoningssporen uit het neolithicum te verwachten waren. Daarbij
moet echter niet alleen gedacht worden aan sporen uit de bandkeramiek
maar juist ook uit de perioden daarna. Eén vindplaats (43) zou zelfs naar
verwachting resten uit de Michelsberg-cultuur bevatten.
Ondanks de hoge verwachting bleek het proefsleuvenonderzoek nagenoeg
geen sporen uit het midden- en laat neolithicum op te leveren. Er zijn
echter wel vondsten gedaan die uit deze periode dateren. Wanneer we
de vuursteenvondsten uit de Romeinse en Merovingische vindplaatsen
buiten beschouwing laten (die slechts bestaan uit vuursteenbrokken die
als onderdeel van grind gewonnen zijn) zien we dat de overige vuursteencomplexen binnen het Lanakerveld bestaan uit veel kleinere complexen
(ook uit sporen) die moeilijk nauwkeurig te dateren zijn. Het gaat om een
grove, opportune industrie waarbinnen veel brokken vuursteen voorkomen.
Binnen het grondstofgebruik is een sterke afname van het Banholtvuursteen zichtbaar. Het lichtgrijs Belgische, Rullen- en Valkenburgvuursteen komen in grotere percentages voor. De kernvormen zijn minder
eenduidig en wijzen op een opportune, multipolaire bewerking. Formele
werktuigen zijn nauwelijks aanwezig. Er komen vooral geretoucheerde
klingen, of klingen met encoches voor, enkele geretoucheerde klingen zijn
segmenten van klingen van forse afmetingen. Binnen het werktuigenspectrum zien we eenduidig midden- of laat-neolithische vormen zoals een
spitskling243, een druppelvormige spits (die goed binnen de Michelsbergcultuur past), een klokbekerspits, een rugmes, bijlafslagen en dergelijke.
Het opportune vuursteengebruik kan zowel in het mesolithicum als in
het (midden- en) laat-neolithicum gedateerd worden. Mogelijk loopt deze
traditie echter door in de bronstijd. Opvallend is dat deze verspreiding
redelijk overeenkomt met die van sporen uit de late bronstijd (mogelijk
243 Determinatie in het veld door dr. M. de Grooth.
186 LANAKERVELD
doorlopend in het begin van de vroege ijzertijd) die in de zone ten oosten
van de Lanakerweg gevonden zijn. Binnen het vondstspectrum spelen
vooral de paar spoorinhouden (uit put 62, 12 en 70) een belangrijke rol.
De sporen wijzen eenduidig op een nederzettingsterrein gelegen tussen
beide bandkeramische nederzettingen op deze noordelijke rug. De relatie
tot het vuursteen kan daarbij een zeer interessante vraagstelling vormen.
In Duitsland wordt immers het voortleven van vuursteentradities in de
bronstijd en ijzertijd verondersteld.244 In Nederland zijn we hier echter
nog niet van overtuigd, aangezien in deze complexen veel werktuigtypen
voorkomen die we traditioneel juist in verschillende neolithische culturen
plaatsen (o.a. Michelsberg- en klokbekerspitsen). Opvallend is dat de
industrie vaak per site verschillend is, maar juist wel overeenkomt met
een specifieke neolithische industrie. Er lijkt dus eerder sprake te zijn van
één locatie waar een vindplaats van de Michelsberg-cultuur op dezelfde
locatie voorkomt als een ijzertijd vindplaats, en een andere waar een
laat-neolithisch vuursteenassemblage vermengd is geraakt met ijzertijdmateriaal.
In ieder geval is duidelijk dat op de noordelijke rug in het gehele gebied
ten oosten van de Lanakerweg rekening moet worden gehouden met sporen
en scatters van materiaal uit het midden- en laat-neolithicum, mogelijk zelfs
met enkele mesolithische complexen. In zoverre sluit dit beeld vrij goed aan
met de iets verder naar het oosten gelegen vindplaats van de Michelsbergcultuur te Maastricht-Klinkers.245
11.5 Metaaltijden
Het RAAP onderzoek heeft geen resten uit de metaaltijden opgeleverd. Ze
werden wel verwacht maar zijn destijds niet aangetroffen. Dit kan worden
verklaard door de beperkende factoren die gelden voor een verkennend
booronderzoek en oppervlaktekartering (zie hoofdstuk 10). Tijdens het
proefsleuvenonderzoek zijn wel sporen en vondstmateriaal uit de late
bronstijd en vroege ijzertijd gevonden. Deze concentreren zich, zover kon
worden aangetoond, voornamelijk op het oostelijke deel van de noordelijke
rug (vindplaats 122) en op het westelijke gedeelte van de zuidelijke rug
(vindplaats 124).
Het gaat hier om een nederzetting uit de late bronstijd - vroege ijzertijd
(vindplaats 122), een nederzetting uit de vroege ijzertijd (vindplaats 124)
en een grafveld uit de late bronstijd-vroege ijzertijd (vindplaats 124).
De vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door een relatief
losse spreiding van grondsporen over uitgestrekte arealen. Afgezien
van vindplaats 124 is het moeilijk duidelijke bewoningskernen aan te
wijzen binnen deze vindplaatsen. Daarnaast bevinden zich ook buiten
de gedefnieerde vindplaatsen vaak losse sporen, waarvan op basis van
de vulling het vermoeden bestond dat ze uit deze periode dateerden.
Door de beperkte grootte van de onderzochte arealen op deze locaties
(o.a. vindplaatsen 66 en 73) was het moeilijk deze resten eenduidig te
interpreteren.
Er is dus sprake van bewoning op beide ruggen in het plangebied
gedurende de metaaltijden. De bewoning op de noordelijke rug lijkt echter
iets eerder te beginnen, namelijk in de late bronstijd met een uitloop tot
244 Arora 1997; Arora en Lochner 1999; Schröder 1999; Arora & Geilenbrügge 1999.
245 Schreurs 1998.
LANAKERVELD
187
in de vroege ijzertijd. Al in de eerste helft van de vroege ijzertijd verplaatst
ook de bewoning zich naar de zuidelijke rug. Daarop wijst het aardewerk
aangetroffen in de putten 79, 78, 53, 40 en het zuiden van put 75 en in
mindere mate 77 en 72. Dit materiaal dateert ook eenduidig de gebouwen
aangetroffen in put 79 en 75 in deze bewoningsfase. De nabijheid van het
gebouw in put 75 bij de daar aangetroffen crematiegraven doet interessante
vragen opkomen over de ruimtelijke en chronologische verhoudingen
tussen grafveld en nederzetting op deze locatie in het begin van de vroege
ijzertijd.
De daadwerkelijke kennis over nederzettingen uit de late bronstijd en
vroege ijzertijd in het lössgebied is nogal beperkt. Binnen het onderzoeksgebied aan de Belgische zijde van het Europark heeft recent een grootschalig
onderzoek plaatsgevonden waarbij resten uit de midden-bronstijd – late
ijzertijd zijn aangetroffen. Ook hier is echter maar een deel van een erf
aangesneden. Dit is exemplarisch voor het metaaltijden onderzoek in het
Limburgse lössgebied.246
11.5.1 Vindplaats 122 – nederzettingsterrein uit de late bronstijd-vroege ijzertijd
Deze vindplaats bevindt zich op het plateau ten noorden van het droogdal
van de Zouw. Vindplaats 122 kan gekarakteriseerd worden als een zone
met verspreid liggende nederzettingssporen uit de metaaltijden. Deze
zone strekt zich uit over het gebied ten oosten van de Lanakerweg, grofweg
tussen vindplaatsen 24, 82 en 84. Het is zeer goed mogelijk dat de sporen
uit de metaaltijden, die op vindplaatsen 2 en 62 aan het licht gekomen zijn
ook tot deze vindplaats gerekend moeten worden.
Het aardewerk dat aangetroffen is in de putten 62, 64, 65, 67 en 69
spreekt eenduidig voor de aanwezigheid van een nederzetting uit de late
bronstijd. Het overige materiaal is afkomstig uit het colluvium in de
genoemde putten. Tevens is er nog een scherf gevonden die mogelijk in
de midden-bronstijd dateert. Resten uit deze periode zouden dus ook nog
aanwezig kunnen zijn.
Naast het aardewerk is er sprake van een dunne spreiding vuursteen.
Hierbij is vooral in en rond put 64 sprake van enkele werktuigen (een
restkern en een rugmes). Daarnaast gaat het vooral om brokken en ruwe
afslagen. Er is nog veel onduidelijkheid over het vuursteengebruik in de
late bronstijd. Daardoor kan niet uitgesloten worden dat het hier gaat
om de neerslag van (midden- of) laat-neolithische of zelfs mesolithische
vindplaatsen.
Het meeste vondstmateriaal is – evenals in de bandkeramische
nederzettingen – afkomstig uit enkele kuilen. Aangezien op basis van de
beperkte omvang van het proefsleuvenonderzoek geen uitspraken gedaan
kunnen worden over de ligging van de kuilen binnen het nederzettingssysteem, moet deze nederzetting als één archeologische zone worden
beschouwd waarbinnen vooralsnog geen kernen of erven kunnen worden
aangewezen of begrensd. De enige manier om beter grip te krijgen op de
verspreiding van sporen uit deze periode is door een intensiever proefsleuvenonderzoek.
246 Zie Van Hoof 2008a.
188 LANAKERVELD
Waardering
Vindplaats 122 is na het proefsleuvenonderzoek gedefinieerd en bestaat uit
een losse spreiding van sporen uit de late bronstijd / vroege ijzertijd. De
vindplaats begint grofweg ter hoogte van vindplaats 24 en loopt van daaruit
in westelijke richting. De vindplaats omvat de door RAAP gedefinieerde
vindplaats 82. Ook op de vindplaatsen 2 en 62 zijn sporen aangetroffen
die vermoedelijk tot deze vindplaats gerekend kunnen worden. De precieze
begrenzing van vindplaats 122 is door de bescheiden omvang van het
onderzoek niet te geven. Sporen en vondstmateriaal die tot deze vindplaats
behoren zijn aangetroffen in putten 12, 13, 62, 64, 65 en 67 en vermoedelijk
dus ook in put 2, 6 en 70
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Tabel 11.5
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Waardering vindplaats 122
Herinneringswaarde n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Representativiteit
Gaafheid
2
Conservering
2
Zeldzaamheid
2
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
4
8
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 122 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort gemiddeld tot goed op de criteria gaafheid en
conservering. Het bodemprofiel op de vindplaats is grotendeels intact
(de aanwezigheid van de Bt-horizont wijst op beperkte erosie) en is op de
meeste plaatsen afgedekt door een (dun) colluvium. Ter hoogte van de nog
aanwezige graften zal de conservering goed zijn en is een deel van de Ehorizont bewaard gebleven. Er bevinden zich grondsporen met geassocieerd
vondstmateriaal uit de late bronstijd / vroege ijzertijd op de vindplaats.
Alleen vondstmateriaal van anorganisch materiaal is bewaard gebleven,
waardoor de vindplaats op het criterium conservering een gemiddelde
waardering gekregen heeft.
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op inhoudelijke kwaliteit. Door de aanwezigheid
van verschillende nederzettingsterreinen uit de late bronstijd / vroege
ijzertijd binnen het plangebied en de regio, scoort de vindplaats gemiddeld
op zeldzaamheid. De informatiewaarde is daarentegen hoog. Vindplaats
122 herbergt vermoedelijk meerdere bewoningskernen uit de late bronstijd
/ vroege ijzertijd. Door de aard van het onderzoek is het vooralsnog niet
mogelijk deze kernen nader te duiden. Hiervoor is een uitgebreider
proefsleuvenonderzoek noodzakelijk. Duidelijk is in ieder geval dat
op deze locatie één of meerdere nederzettingsterrein over een groot
areaal onderzocht kunnen worden. Ook de ensemblewaarde is hoog. In
landschappelijk opzicht door de beperkte veranderingen die er hier sinds de
metaaltijden plaatsgevonden hebben, maar vooral in archeologisch opzicht
door de aanwezigheid van meerdere vindplaatsen uit deze periode binnen
het plangebied (waaronder een urnenveld (vindplaats 124)), waardoor het
mogelijk is deze in samenhang met elkaar te bestuderen.
LANAKERVELD
189
Conclusie
De vindplaats is behoudenswaardig. De begrenzing is op basis van het
huidige proefsleuvenonderzoek slechts bij benadering vastgesteld
11.5.2 Vindplaats 124 - urnenveld uit de late bronstijd-vroege ijzertijd en nederzettingsterrein uit de vroege ijzertijd
Deze vindplaats ligt grofweg ten zuiden en westen van vindplaats 53 en
wordt doorsneden door de Lanakerweg. Vindplaats 124 ligt grotendeels
buiten de door RAAP gekarteerde vindplaatsen. Alleen in het zuidoosten
is er overlap met vindplaats 22 en in het noorden met vindplaats 4. Deze
vindplaatsen zijn echter door RAAP als een neolithische en een Romeinse
vindplaats gekarakteriseerd.
De vindplaats ligt op het plateau vlak ten westen van het droogdal van het
Heeswater. Op deze vindplaats zijn nederzettingssporen en een grafveld uit
de late bronstijd en vroege ijzertijd gevonden. In de meeste putten gaat het
om een zeer losse spreiding van paalsporen en enkele greppels.
In de hele zone ten zuiden van de bandkeramische nederzetting
(vindplaats 53) is op basis van de verspreiding van aardewerk en sporen
sprake van een nederzettingsterrein uit de vroege ijzertijd. Daarbij zijn
structuren aangesneden, waaronder enkele spiekers en mogelijk ook
een huisplattegrond. Naar het oosten lijken de putten 50, 51, 73 en 72
door het geringe aantal vondsten en sporen de grens van de nederzetting
aan te geven. In westelijke en zuidelijke richting is de begrenzing van
de vindplaats niet vastgesteld (zeker gezien de sporenrijkdom in put
79). De noordgrens lijkt met putten 40 en 75 bereikt te zijn. Tussen
de bandkeramische nederzettingssporen is nauwelijks sprake van
vondstmateriaal of sporen uit de metaaltijden, terwijl de vondsten en
sporen uit de putten 76 en 77 moeilijk interpreteerbaar zijn. Opvallend is
dat in deze zone nauwelijks meer vuursteen is aangetroffen (behalve dan
bandkeramisch materiaal). Met het oog op de vraag hiervoor gesteld voor
de late bronstijd, zou dit materiaal interessante gegevens kunnen opleveren
voor het al dan niet doorlopen van vuursteengebruik in de vroege ijzertijd.
Er is hier dus duidelijk sprake van een nederzettingsterrein uit de vroege
ijzertijd, waarbij binnen het beperkte proefsleuvenonderzoek onduidelijk
is in hoeverre sprake is van twee of meerdere erven. De afstand tussen
de aangetoonde gebouwen in put 79 en put 75 (ca. 225 m) duidt zeker op
het bestaan van twee erven. De ertussen aangetroffen sporen lijken echter
te wijzen op het bestaan van meerdere erven, waarvan dan echter geen
gebouwen binnen die sleuven zijn aangesneden.
Tegelijkertijd is op de zuidelijke rug een grafveld ingericht, waarvan de
voorlopig aangetroffen graven in de late bronstijd en waarschijnlijk het
begin van de vroege ijzertijd gedateerd kunnen worden. Opvallend is de
korte afstand tussen de structuur aangetroffen in put 75 en de vlak ten
noorden daarvan gelegen graven. Het gaat immers om een afstand van
slechts enkele meters. Hoewel er ook nog sprake zou kunnen zijn van
een aan het grafritueel gerelateerd gebouw, gaan wij voorlopig uit van de
interpretatie van dit gebouw als een huisplattegrond of bijgebouw. Ook
op enkele andere locaties in het Zuid-Limburgse lössgebied waarbij zowel
nederzettingssporen als graven werden aangetroffen, blijkt die afstand
beperkt te zijn (zoals bijvoorbeeld te Stein-Keerenderkerkweg247 of in
Neerharen-Rekem248).
247 Van Hoof 2000.
248 Vergelijk Van Hoof 2008b.
190 LANAKERVELD
De datering van de urnen rond de overgang van late bronstijd naar vroege
ijzertijd, en de datering van het gebouw in de eerste helft van de vroege
ijzertijd vallen te dicht op elkaar om uit te gaan van een overbouwing van
het urnenveld in een periode ver na het gebruik ervan.
Waardering
Vindplaats 124 is op basis van het proefsleuvenonderzoek gedefinieerd.
Sporen van deze vindplaats bevinden zich met name in de sleuven ten
zuiden en ten zuidwesten van vindplaats 53 (put 72 t/m 77) en in twee
sleuven ten westen van vindplaats 22 (put 78 en 79). Met deze laatste
vindplaats is er enige overlap in putten 50, 51 en 53. Ook met vindplaats 4
(put 40) is er overlap. In noordelijke en oostelijke richting liggen de grenzen
van de vindplaats redelijk vast. In zuidelijke en westelijke richting is de
grens niet vastgesteld. Op vindplaats 124 zijn sporen uit twee verschillende
perioden aanwezig, namelijk nederzettingssporen en urnbegravingen
uit de late bronstijd / vroege ijzertijd en een nederzetting uit de vroege
middeleeuwen met aanwijzingen voor aardewerkproductie in de vorm van
in ieder geval één pottenbakkersoven (zie §11.7).
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Tabel 11.6
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Waardering vindplaats 124
Herinneringswaarde n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Representativiteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
5
9
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 124 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog tot gemiddeld op de criteria gaafheid en
conservering. Het bodemprofiel op de vindplaats is grotendeels intact
(de aanwezigheid van de Bt-horizont wijst op beperkte erosie) en is op
de meeste plaatsen afgedekt door een (dun) colluvium. Er bevinden zich
structuren en losse grondsporen met geassocieerd vondstmateriaal uit
de late bronstijd / vroege ijzertijd en uit de vroege middeleeuwen op de
vindplaats. Alleen vondstmateriaal van anorganisch materiaal is bewaard
gebleven, waardoor de vindplaats op het criterium conservering een
gemiddelde waardering gekregen heeft. De aangetroffen urnen bevinden
zich relatief ondiep ten opzichte van het huidige maaiveld. De bovenste
delen van de urnen zijn daarom door ploegactiviteiten deels geraakt. In het
bovenliggende colluvium zijn crematieresten en scherven aangetroffen.
Hoewel het colluvium nu nog een beschermende werking heeft, dient ter
plekke met beleid te worden geploegd: dieper dan de huidige bouwvoor is
volstrekt af te raden.
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort wat betreft de late bronstijd / vroege ijzertijd hoog op
inhoudelijke kwaliteit. Hoewel nederzettingssporen en graven op zichzelf
LANAKERVELD
191
geen grote zeldzaamheid zijn in de regio is het samen voorkomen van in
ieder geval twee vermoedelijke huisplaatsen en graven zeldzaam te noemen.
Het criterium zeldzaamheid scoort daarom hoog voor deze periode.
Ook de informatiewaarde en ensemblewaarde krijgen een hoge score.
Vindplaats 124 biedt de mogelijkheid meerdere erven uit de late bronstijd /
vroege ijzertijd over een groot areaal te onderzoeken. De inrichting van de
verschillende erven en hun relatie (in tijd) met elkaar en het grafveld is een
ander aspect waardoor deze vindplaats hoog scoort op informatiewaarde.
De ensemblewaarde is hoog. Er bevinden zich meerdere vindplaatsen uit
deze periode binnen het plangebied, waardoor deze in samenhang met
elkaar bestudeerd kunnen worden. In landschappelijk opzicht hebben er
bovendien sinds de metaaltijden weinig veranderingen plaats gevonden.
Conclusie
De vindplaats is op fysieke en inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. Op
basis van het proefsleuvenonderzoek is de begrenzing van de vindplaats bij
benadering vastgesteld.
11.6 Romeinse tijd
Het proefsleuvenonderzoek op het Lanakerveld heeft één duidelijke
vindplaats opgeleverd uit de Romeinse tijd. Het gaat om vindplaats 18, die
door RAAP al als mogelijk villaterrein uit de Romeinse tijd gedefinieerd
was. De vindplaats is goed geconserveerd, maar ligt deels op Belgisch
grondgebied. Op de eveneens in de Romeinse tijd gedateerde vindplaats
4 zijn geen sporen of vondstmateriaal uit deze periode aangetroffen. Het
Romeinse vondstmateriaal – enkele mogelijke dakpanfragmenten - was
hier vermoedelijk afkomstig uit een laag recent puin op de overgang van
bouwvoor en colluvium.
Vindplaats 18 is op basis van het aardewerk in de 2e en 3e eeuw gedateerd.
Enkele scherven Merovingisch aardewerk duiden erop dat de nederzetting
in de vroege middeleeuwen opnieuw in gebruik genomen is. Iets dergelijks
is bij vele villaterreinen in binnen- en buitenland waargenomen.
Wat betreft de representativiteit van Romeinse vindplaatsen binnen het
proefsleuvenonderzoek op het Lanakerveld kan het één en ander worden
opgemerkt. Vindplaatsen uit deze periode genereren over het algemeen
een relatief grote hoeveelheid diagnostisch vondstmateriaal, zodat ze bij
oppervlaktekarteringen meestal niet onopgemerkt blijven. Het beeld dat uit
deze karteringen naar voren komt wordt echter meestal wel gedomineerd
door de grotere, langdurig gebruikte nederzettingsterreinen, zoals villae. De
kleinere nederzettingen, die wat vondstdichtheid betreft minder zichtbaar
zijn, zullen vaker onopgemerkt blijven. Dergelijke nederzettingsterreinen kunnen zich nog op het Lanakerveld bevinden, maar zullen alleen
met een intensiever proefsleuvenonderzoek kunnen worden opgespoord.
Vooralsnog blijft vindplaats 18 de enige vindplaats uit deze periode binnen
het plangebied.
Het mogelijke villaterrein van het Lanakerveld bevindt zich op een kleine
kilometer afstand van een vermoedelijk volgende Romeinse nederzetting
die net over de Belgische grens bij Smeermaas ligt. Op deze nederzetting is
bewoning aangetoond vanaf de vroeg-Romeinse tijd tot in de 3e eeuw. Uit
een gevorderde fase van de nederzetting dateren een in steen uitgevoerde
kelder en een hypocaustum. De steenbouwfase wordt nog vooraf gegaan
192 LANAKERVELD
door een houtbouwfase. Deze wordt gekenmerkt door zware revolvertasvormige paalkuilen waarin middenstaanders van de houten constructie zijn
gezet en waar bouw- en afbraakpuin in de spoorvulling ontbreekt. De kelder
en het hypocaustum kunnen bij uitstek als de materialisatie van het romanisatieproces in deze streken beschouwd worden.
Men kan verwachten dat nog meer Romeinse sporen die bij een
villaterrein horen in het Lanakerveld aanwezig zullen zijn. Het is daarom
goed mogelijk dat een ingangspartij aan de zuidkant van de omgreppeling
aanwezig zal zijn alsmede een toegangsweg (de Lanakerweg?) met eventueel
erlangs gelegen graven, die mogelijk zal aansluiten op de (deels) bekende
Romeinse weg. Tijdens het magnetometeronderzoek, werden verondersteld
sporen van een karrepad zichtbaar te zijn.
11.6.1 Vindplaats 18 - nederzettings- of villaterrein uit de Romeinse tijd
Vindplaats 18 bestaat uit een door twee greppels afgebakend terrein,
waarbinnen zich sporen uit de Romeinse tijd concentreren. Ondanks
de afwezigheid van duidelijke structuren is op basis van de aard van de
greppels en het vondstmateriaal (waaronder opvallend veel dakpanfragmenten) aannemelijk dat het hier een Romeins villaterrein betreft. Dergelijke
villaterreinen zijn onder andere bekend uit het Duitse Rijnland, waar in de
bruinkoolgroeves rond het Hambacher Forst verschillende villaterreinen
opgegraven zijn, die vergelijkbaar zijn met de vindplaats op het Lanakerveld.
Op de Duitse villaterreinen is vaak een vergelijkbare omgreppeling
aanwezig, waarbij de hoeken in de richting van de vier hoofdwindstreken
wijzen en waarbinnen de bewoning zich concentreerde. De gebouwen
hadden vermoedelijk geen stenen muren, maar bezaten wel een pannendak.
Dergelijke constructies zijn ook aannemelijk voor het Lanakerveld, waar
bouwpuin in het vondstspectrum ontbreekt, maar wel veel dakpanfragmenten aanwezig zijn. Een derde vergelijking die tussen beide terreinen
getrokken kan worden is de aanwezigheid van een waterkuil of drenkpoel.
Deze zijn op verschillende vergelijkbare vindplaatsen aangetroffen. Op
vindplaats 18 gaat het om een grote, ruim één meter diepe, depressie die als
zodanig geïnterpreteerd kan worden.
Waardering
Vindplaats 18 is door RAAP gedefinieerd als een nederzettings- of
villaterrein uit de Romeinse tijd en is verkend door middel van 7
proefsleuven (put 32 t/m 34 en 36 t/m 39). De interpretatie van nederzettingsterrein is daarmee bevestigd. De vindplaats is groter dan oorspronkelijk
aangegeven en omvat ook RAAP vindplaats 3. Desondanks is duidelijk dat
een niet onaanzienlijk deel van de vindplaats aan de andere kant van de
grens, op Belgisch grondgebied ligt.
De nederzetting lijkt vooralsnog te worden begrensd door een rechthoekig
greppelsysteem. Afgezien van dakpanfragmenten (tegulae en imbrices)
zijn er geen andere baksteenproducten of andersoortig bouwpuin
aangetroffen. Dit maakt het niet aannemelijk dat er op het terrein een in
steen uitgevoerde villa gestaan heeft. Eventuele structuren waren van hout
en afgedekt met een pannendak. Eenduidige sporen van dit soort gebouwen
zijn overigens niet gevonden tijdens het proefsleuvenonderzoek.
LANAKERVELD
Tabel 11.7
Waarden
Criteria
Waardering vindplaats 18
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Gaafheid
2
2
Informatiewaarde
Ensemblewaarde
Representativiteit
Scores Totaalscore
Conservering
Zeldzaamheid
193
2
n.v.t.
4
7-8
2-3
3
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 18 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort gemiddeld op de criteria gaafheid en conservering. Het
bodemprofiel op de vindplaats is grotendeels intact (de aanwezigheid van
de Bt-horizont wijst op beperkte erosie) en is deels afgedekt door colluvium.
Er bevinden zich grondsporen (vooral kuilen en greppels) met geassocieerd
vondstmateriaal uit de Romeinse tijd op de vindplaats. In de putten 32 en
37 was het colluvium bovendien zo vondstrijk dat hier van een vondstlaag
gesproken kan worden. Alleen vondstmateriaal van anorganisch materiaal is
bewaard gebleven, waardoor de vindplaats op het criterium conservering een
gemiddelde waardering gekregen heeft.
Inhoudelijke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog op inhoudelijke kwaliteit. Direct buiten het
plangebied zijn op Belgisch grondgebied de afgelopen jaren enkele grote
landelijke nederzettingen uit deze periode onderzocht (Smeermaas,
Veldwezelt). De vindplaats scoort daarom gemiddeld op zeldzaamheid. De
informatiewaarde van de vindplaats is gemiddeld tot hoog. De vindplaats
ligt voor een groot deel op Belgisch grondgebied en kan mogelijk niet in
zijn geheel onderzocht worden. Gezien het ontbreken van bebouwing op
het Belgische deel van de vindplaats is onderzoek hier echter nog zeer goed
mogelijk en dit zal de informatiewaarde zeker doen stijgen. Vooralsnog
wordt er echter van uitgegaan dat slechts een kleine uitsnede van de
vindplaats bestudeerd kan worden. De ensemblewaarde van de vindplaats
is hoog. In archeologisch opzicht door de aanwezigheid van meerdere
vergelijkbare en deels onderzochte vindplaatsen op Belgisch grondgebied.
Daarnaast kan de vindplaats bijdragen tot de kennis over de wisselwerking
tussen stad en platteland in deze regio en de rol en gebruik van het
platteland in het algemeen. Deze aspecten van de Romeinse bewoning in
de regio zijn lange tijd in veel mindere mate bestudeerd ten gunste van
de meer in het oog springende vindplaatsen als villaterreinen met stenen
gebouwen en de stedelijke centra.
Conclusie
De vindplaats is behoudenswaardig. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is de begrenzing van de vindplaats aangepast.
194 LANAKERVELD
11.7 De vroege middeleeuwen
De vroege middeleeuwen is vertegenwoordigd op één vindplaats (124), die
naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek gedefinieerd is. Het gaat
daarbij om een vermoedelijk nederzettingsterrein met aanwijzingen voor
aardewerkproductie in de vorm van in ieder geval één pottenbakkersoven.
Landelijke nederzettingen uit de vroege middeleeuwen zijn uiterst
zeldzaam in de regio. De aandacht is begrijpelijkerwijs lange tijd gericht
geweest op de archeologisch veel rijkere stedelijke centra zoals Maastricht.
11.7.1 Vindplaats 124 - Merovingische pottenbakkersovens en mogelijk vroegmiddeleeuwse nederzetting
Binnen vindplaats 124 is een kleine groep sporen aangetroffen die in
de vroege middeleeuwen te dateren is. Sporen uit deze periode liggen
voornamelijk in het westelijke deel van vindplaats 124 op het plateau vlak
ten westen van het droogdal van het Heeswater.
De vroeg-middeleeuwse bewoning bestaat uit een nederzettingsterrein, waarop in ieder geval twee structuren herkend zijn. Het gaat om
een groot eenschepig gebouw en een kleiner bijgebouw. De datering
van deze structuren is onduidelijk. Vlak ten zuidoosten van de nederzettingssporen bevinden zich vermoedelijk twee pottenbakkersovens. Van
één van deze ovens is dit met zekerheid vastgesteld. Het betreft hier een
zogenaamde liggende oven, bestaande uit een stookkuil, trekgat en met
leem beklede ovenkamer. In de ovenkamer werd een grote hoeveelheid
aardewerkscherven gevonden, die in de 7e eeuw te dateren zijn. De dichtstbijzijnde parallellen voor de pottenbakkersoven zijn de vier liggende ovens
uit de tweede helft van de 6e en de eerste helft van de 7e eeuw van het
Céramiqueterrein in Maastricht-Wyck.
Waardering
Op vindplaats 124 zijn zowel sporen uit de metaaltijden als uit de vroege
middeleeuwse gevonden. De laatste bevinden zich vooral in de sleuven
ten zuiden en ten zuidwesten van vindplaats 53 (put 72 t/m 77) en in twee
sleuven ten westen van vindplaats 22 (put 78 en 79).
Waarden
Criteria
Scores
Totaalscore
Tabel 11.8
Beleving
Schoonheid
n.v.t.
n.v.t.
Herinneringswaarde
n.v.t.
Waardering vindplaats 124 (vroege middeleeuwen)
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Representativiteit
Gaafheid
3
Conservering
2
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
5
9
n.v.t.
Beleving
Er is bij vindplaats 124 geen sprake van een zichtbaar monument, zodat de
vindplaats niet gescoord kan worden op schoonheid en herinneringswaarde.
Fysieke kwaliteit
De vindplaats scoort hoog tot gemiddeld op de criteria gaafheid en
conservering. Het bodemprofiel op de vindplaats is grotendeels intact
(de aanwezigheid van de Bt-horizont wijst op beperkte erosie) en is op de
meeste plaatsen afgedekt door een (dun) colluvium. Er bevinden zich een
LANAKERVELD
195
vermoedelijke gebouwplattegrond en in ieder geval één pottenbakkersoven
uit de vroege middeleeuwen op de vindplaats. Alleen vondstmateriaal van
anorganisch materiaal is bewaard gebleven, waardoor de vindplaats op het
criterium conservering een gemiddelde waardering gekregen heeft.
Inhoudelijke kwaliteit
De vroeg-middeleeuwse component van vindplaats 124 scoort hoog op
zeldzaamheid. De informatiewaarde is hoog, aangezien hier een vroegmiddeleeuwse nederzetting over een relatief groot areaal blootgelegd kan
worden. Daarin bevinden zich in ieder geval al één gebouwplattegrond en
sporen van ambachtelijke productie in de vorm van pottenbakkersovens.
Het is bovendien niet ondenkbaar dat er zich in de directe omgeving
ook een grafveld uit deze periode bevindt. Wat betreft de pottenbakkersovens en productie van goederen in het algemeen kan de vindplaats
meer inzicht verschaffen in de mate van specialisatie (produceerde men
voor lokaal gebruik of voor een grotere afzetmarkt), zeker als men de
ovens in combinatie met die van Maastricht – Wyck bestudeerd. Ook de
ensemblewaarde voor deze periode is hoog. Met name het feit dat hier
de relatie tussen een landelijke nederzetting en het stedelijke centrum
Maastricht onderzocht kan worden is hierin van belang. Dit is nog een
relatief onderbelicht aspect in studies naar de vroege middeleeuwen in de
regio.
Conclusie
De vroeg-middeleeuwse component van vindplaats 124 is op fysieke en
inhoudelijke kwaliteit behoudenswaardig. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is de begrenzing van de vindplaats bij benadering vastgesteld.
196 LANAKERVELD
LANAKERVELD
197
12 Beantwoording onderzoeksvragen, conclusies en
aanbevelingen
In dit hoofdstuk volgen aan de hand van de beantwoording van de onderzoeksvragen de belangrijkste conclusies van het verkennende booronderzoek
en het proefsleuvenonderzoek op het Lanakerveld. Vervolgens wordt
een algemene aanbeveling gegeven voor het verdere verloop van het
archeologische proces. Per deelgebied volgen dan de aanbevelingen voor
vervolgonderzoek.
12.1 Beantwoording van de onderzoeksvragen verkennend booronderzoek
Voorafgaande aan het verkennende booronderzoek zijn in het Plan van
Aanpak onderzoeksvragen geformuleerd.249 Deze kunnen we nu als volgt
beantwoorden:
•
Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de bodemhorizont
van Nagelbeek, wat is de dikte van deze horizont en het hele bovenste
lösspakket?
Het bovenste lösspakket heeft een dikte tussen de 450 cm (boring 2) en
700 cm (boring 6). De onderkant van de bovenste löss wordt gemarkeerd
door de bodemhorizont van Nagelbeek en bevindt zich op een diepte van
maximaal 59,4 m +NAP (boring 3) tot een diepte van maximaal 55 m +NAP
(boringen 1 en 5). De dikte van de Nagelbeek horizon varieert tussen 105
cm (boring 4) en 20 cm (boringen 1, 2 en 5). De dikte is het geringst op het
noordoostelijke deel van het terrein.
•
Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de ‘patina-discordantie’?
De ‘patina-discordantie’ is een deflatiehorizont met een scherpe, erosieve
ondergrens. Hij is in alle boringen aangetroffen en de ondergrens van dit
complex bevindt zich op een diepte tussen 59,1 m +NAP (boring 3) en 55 m
+NAP (boringen 1 en 5).
•
Op welke diepte t.o.v. het maaiveld bevindt zich de top van het Cabergterras (‘Maasgrind’)?
Onder de top van het Caberg-terras wordt de bovenkant van het pakket
Maasafzettingen verstaan. Deze afzettingen bestaan met name uit grove
zanden en grinden. De top van het grind is in 4 boringen aangetroffen. De
diepte wisselt tussen de 55 m +NAP (boringen 1, 2 en 5) en 56,4 m +NAP
(boring 6). In boringen 3 en 4 is geen grind aangetroffen en moeten deze
afzettingen dieper liggen dan 57,5 m +NAP.
De DINO-data geven wezenlijke additionele informatie over het verloop
van het Caberg-terras in het onderzoeksgebied. Bij de boorbeschrijvingen is de top van het bovenste grindpakket of grindrijk en grof zand
geïnterpreteerd als de bovenkant van het Caberg-terras. Uit de hoogtelijnenkaart blijkt dat er sprake is van twee terrassen, namelijk het Caberg-3-terras
(bovenkant circa 55 m +NAP) en het Caberg-2-terras (bovenkant circa 59 m
249 Verpoorte & Van Wijk 2007.
198 LANAKERVELD
+NAP). De rand tussen deze twee terrassen is 4 m hoog en loopt midden
door het onderzoeksgebied.
In boringen 3, 4 en 6 ligt het grind dieper dan 59 m +NAP. Mogelijk
wijst dit op een insnijding in het Caberg-2-terras bijvoorbeeld door een
geulsysteem.
•
Wat is de dikte en lithologie van de sedimentpakketten tussen de ‘patinadiscordantie’ en de top van het Caberg-terras?
In vier boringen zijn laagpakketten aangetroffen onder de ‘patinadiscordantie’ en boven het Maasgrind.
In het noordwestelijke deel van het terrein ligt de bovenste löss vrijwel
onmiddellijk op het onderliggende Caberg-3-terras. In boringen 1 en 5
bevindt het Maasgrind zich onmiddellijk onder de ‘Brabant-löss’. Alleen
in boring 2 is een 50 cm dikke laag met bruingrijs fijn en grof zand
aangetroffen.
In boringen 3, 4 en 6 in het zuidoostelijke deel van het terrein zijn
fijnkorrelige afzettingen aangetroffen. De bovengrens van de afzettingen ligt
tussen 59 m en 57 m +NAP. In boring 6 betreft het een 50 cm dik pakket
van gelaagde lemen en fijne zanden. In boring 4 is een zeer kleiige leem
(‘hoogvloedleem’?) aangetroffen, waardoor verder boren met de Edelman
niet mogelijk was. In boring 3 is een leempakket aangetroffen met een
minimale dikte van 140 cm. Deze fijnkorrelige afzettingen vormen mogelijk
de opvulling van een insnijding in het Caberg-2-terras.
12.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen proefsleuvenonderzoek
Voorafgaande aan het IVO zijn op basis van de NOA en de archeologische
waarnemingen in de nabijheid van het plangebied onderzoeksvragen
geformuleerd.250 Deze kunnen we nu als volgt beantwoorden:
12.2.1 Landschap en bodem
• Wat is de regionale (gebied van ca. 5 x 5 km) landschappelijke context
van het onderzoeksgebied?
Het plangebied bevindt zich op meerdere lössplateaus gelegen op het
Caberg-terras (Caberg-3) en wordt doorsneden door twee (erosieve)
droogdalen: het Zouwdal en het dal van het Heeswater of Wandal. Het
Zouwdal is een droogdal dat semi-permanent watervoerend is geweest
terwijl het Heeswater tot in de Late Middeleeuwen nog permanent
watervoerend is geweest en afwaterde op de Maas.251
•
Door welke sedimentatie- en erosieprocessen is het landschap ontstaan,
en wat is de ouderdom van de verschillende stadia? Welke landschappelijke veranderingen zijn in het onderzoeksgebied opgetreden vanaf het
Mesolithicum?
Het huidige lösslandschap van Zuid-Limburg is merendeels door de Maas
gevormd gedurende de ijstijden. Dit gebeurde in een aantal fasen. Tijdens
het Kwartair (vroeg-Pleistoceen) werden dikke pakketten Maasafzettingen
250 Soeters & Van der Gaauw 2007.
251 Mondelinge mededeling E. Meijs en zie ook Meijs 2002.
LANAKERVELD
199
tot een aantal terrassen gevormd waarbij het hoogterras het oudste niveau
is. In het plangebied bevindt zich het Caberg-2 en Caberg-3 terras met
een insnijding daartussen. In het Pleistoceen zijn deze terrassen bedekt
met löss. Het afzetten van de löss gebeurde in drie cycli: een eerste cyclus
gedurende het Saalien (Saale II) waarin zich gedurende een warme periode
(Eemien) een roodbruine bodem heeft gevormd. Tijdens het Weichselien
(Würm II/IV) vonden de laatste twee cycli plaats. De löss werd afhankelijk
van de plaatselijke reliëfverhoudingen, in dunne of dikke pakketten afgezet.
De lössafzettingen vormden als het ware een deken over het landschap
met kleine hoogteverschillen. De met löss bedekte terrassen werden aan
het einde van het Pleistoceen (Dryas en Alleröd) en in het Holoceen verder
gevormd door erosie. De erosie zorgde voor een afzwakking van het reliëf,
omdat de dalen enigszins opgevuld werden. Vondstmateriaal afkomstig
uit het colluvium wijst uit dat het erosieproces in hoge mate is gerelateerd
aan ontginningsfasen van de zeer vruchtbare lössplateaus door de mens.
Deze ontginningen dateren uit het neolithicum, de late ijzertijd en de
Romeinse tijd, en uit de volle middeleeuwen en latere perioden. De huidige
hellinggraad is dus minder dan oorspronkelijk het geval was.
•
Hoe is de archeologisch relevante geologische en bodemkundige opbouw
van de ondergrond en het reliëf in het onderzoeksgebied? Zijn er
aanwijzingen dat de huidige brikgronden ontstaan zijn door degradatie
van zgn. Schwarzerden.
De ondergrond bestaat uit terrasgrinden afkomstig van de Maas: Caberg2 en Caberg-3 terras. Daarboven bevindt zich (zover als aangetoond
in profielen en/of boringen) het zogenoemde “patina-complex” en de
Nagelbeek-horizont. Deze grijsgele horizont (onderdeel van de C-horizont),
ontstaan als gevolg van bodemvorming in het Weichselien252 is . Verder
zien we een opbouw waarbij de humusrijke A-horizont en de daaronder
gelegen E-horizont in bijna het gehele onderzochte gebied in de bouwvoor
is opgenomen of afgespoeld. Een Bt- en/of B-horizont is in bijna alle
proefsleuven waargenomen. Deze vormt, samen met eventuele resterende
delen van een E-horizont en C-horizont, de brikgrond. De archeologische
sporen zijn zichtbaar vanaf de Bt-horizont en rijken (bij de diepere kuilen)
tot in de C-horizont. In de vulling van met name de diepere (kuil)sporen
zijn vooralsnog geen aanwijzingen gevonden dat de huidige brikgronden
ontstaan zijn door degradatie van een Schwarzerde.
•
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen en wat is
de relatie tussen afzettingen, bodemtypen, reliëf en de aanwezigheid
van vindplaatsen? Wat zegt dit over de locatiekeuze en het vroegere
landgebruik?
Het proefsleuvenonderzoek concentreerde zich voornamelijk op en
aan de randen van de plateaus en de plateaus zelf. De droogdalen zijn
niet onderzocht. In totaal bevinden zich acht vindplaatsen binnen het
onderzochte plangebied waarvan vijf op het plateau ten noorden van het
Zouwdal en drie vindplaatsen op het plateau en tegen het dal van het
252 Bodemvorming vond plaats vanaf ca. 20.000 BP (Haesaerts et al. 1981) na een periode van
vulkanisme in de Eiffel waarbij eveneens het Eltvillertuf is afgezet.
200 LANAKERVELD
Heeswater aan. Alle aangetroffen vindplaatsen zijn gelegen op de hogere
bergbrikgronden in de nabijheid (afstand < 350 m) van de droogdalen (c.q.
water).
Weliswaar is het gehele cultuurlandschap verkend door boringen
en veldkartering, maar slechts een deel door middel van proefsleuven
zodat nog geen gewogen beredenering over de locatiekeuze en vroeger
landgebruik gegeven kan worden. Er is namelijk een verschil tussen het
aantal vindplaatsen dat aangetroffen is tijdens het verkennende onderzoek
enerzijds en tijdens het waarderende onderzoek anderzijds. Verwacht wordt
dat dit verschil nog groter zal zijn bij een plangebied dekkend proefsleuvenonderzoek. Toch kan op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek gesteld worden dat sporen van vroeger landgebruik in het gehele
onderzochte gebied zijn aangetroffen. In het gehele onderzoeksgebied
(inclusief de Caberg) zijn sporen van bewoning en landgebruik vanaf het
Paleolithicum tot Middeleeuwen alom aanwezig wat er op duidt dat het
Lanakerveld en de Caberg van oudsher gunstige locaties boden.
•
Hoe was (volgens de beschikbare literatuur) de ontwikkeling van het
biotisch landschap van het onderzoeksgebied vanaf het Laat-Glaciaal?
Tijdens het laatglaciaal wisselden warmere en koudere (stadialen) perioden
elkaar af. Er zijn drie zulke koudere perioden geweest de Dryastijden.
Tijdens deze koudere perioden ontstond een poolwoestijn met steppeachtige
vegetatie en werden de met löss bedekte terrassen verder gevormd door
erosie. In de lössgronden zijn tijdens het Laat-Glaciaal en vroeg-Holoceen
bodems ontstaan onder invloed van een gematigd vochtig klimaat en onder
een natuurlijk bosbestand: de zogenoemde Schwarzerden.
In het Preboreaal (Holoceen) zien we een opwarming van het klimaat
en een uitbreiding van de vegetatie. Deze tendens zet zich gedurende het
gehele Holoceen voort. Menselijke ingrepen in de natuur zijn duidelijk
zichtbaar vanaf het vroeg neolithicum (Atlanticum) wanneer door
ontbossing erosie optreedt. Vondstmateriaal afkomstig uit het colluvium
wijst uit dat het erosieproces gerelateerd is aan ontginningsfasen van de
zeer vruchtbare lössplateaus. Deze fasen dateren uit het neolithicum, de late
ijzertijd en de Romeinse tijd, en uit de volle middeleeuwen en de volgende
latere perioden.253
•
Is er in de directe omgeving een locatie aan te wijzen waar water
aanwezig is geweest? Op welke afstanden bevinden de vindplaatsen zich
hiervan?
Alle onderzochte vindplaatsen zijn gelegen op de hogere bergbrikgronden
in de nabijheid (afstand < 350 m) van de droogdalen (c.q. water). Deze
droogdalen, het Zouwdal en het dal van het Heeswater, zijn semipermanent watervoerend geweest. Waarschijnlijk is het Heeswater zelfs tot
in de Late Middeleeuwen nog permanent watervoerend geweest en waterde
het af op de Maas.254
•
Wat is de cultuurlandschappelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied en wat is de cultuurlandschappelijke ligging van de vindplaatsen?
253 Geraadpleegde literatuur: Bakels 1978, Kreuz 2008, Lüning 2000, Schalig 1998 en Roebroeks
1990.
254 Mondelinge mededeling E. Meijs en zie ook Meijs 2002.
LANAKERVELD
201
Opgravingen bij de groeve Belvedère en Veldwezelt laten een extensief
gebruik van het landschap zien in het paleolithicum. Het betreft hier
jagers-verzamelaars die kortstondige jachtkampjes opzetten en door
het landschap trekken. Binnen het onderzoeksgebied zien we de eerste
sedentaire sporen van bewoning pas vanaf het vroege neolithicum. Een vrij
groot areaal wordt, in clusters, in beslag genomen. In de daaropvolgende
perioden (midden neolithicum – ijzertijd) wordt het cultuurlandschap
gekenmerkt door een zeer verspreide bewoning. Pas in de Romeinse tijd
concentreert deze bewoning zich weer in de vorm van villaterreinen. Ook
uit de vroege middeleeuwen zijn bewoningssporen aangetroffen. Vanaf de
late middeleeuwen is het gebied waarschijnlijk alleen nog gebruikt voor
agrarische doeleinden.
Alle onderzochte vindplaatsen zijn gelegen op de hogere bergbrikgronden
in de nabijheid (afstand < 350 m) van de droogdalen (c.q. water). Weliswaar
is het gehele cultuurlandschap verkend door boringen en veldkartering,
maar slechts een deel ervan door middel van proefsleuven zodat nog geen
gewogen beredenering over de locatiekeuze en vroeger landgebruik gegeven
kan worden. Er is namelijk een verschil tussen het aantal vindplaatsen dat
aangetroffen is tijdens het verkennende onderzoek enerzijds en tijdens het
waarderende onderzoek anderzijds. Verwacht wordt dat dit verschil nog
groter zal zijn bij een plangebied dekkend proefsleuvenonderzoek.
•
Zijn er aanwijzingen voor landgebruik in de diverse perioden in de zin
van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, etc.?
Zoals blijkt uit de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zijn er in
diverse perioden aanwijzingen voor landgebruik. De desbetreffende
resultaten zullen hier kort per periode samengevat worden:
Neolithicum
Uit het vroege neolithicum zien we indirect bewijs voor landgebruik in de
vorm van akkers of beter gezegd landbouw. Uit de drie bandkeramische
nederzettingsterreinen zijn drie ecologische grondmonsters uit kuilsporen
gezeefd om eventueel aanwezige plantaardige macroresten te verzamelen.
Uit de analyse blijkt dat enkele fragmenten graan en tarwe (waaronder
emmertarwe) bewaard zijn gebleven. Daarnaast bevinden zich nog enkele
fragmenten van hazelnoot (verzameld voedsel) en erwt (gekweekt voedsel).
Naar verwachting zijn de bandkeramische akkers in de nabijheid van de
nederzettingen gelegen.255
Naast de inrichting van het landschap ten behoeve van nederzettingsterrein
en mogelijk ook akkerland is een nog nader te bepalen deel ingeruimd als
bandkeramisch grafveld.
Late bronstijd – vroege ijzertijd
In de late prehistorie bevinden zich tenminste twee nederzettingsterreinen
en een grafveld in het plangebied. Ook hier zijn op basis van de resultaten
van het botanisch onderzoek indirecte aanwijzingen voor landbouw. Naast
enkele wilde plantensoorten zijn resten aangetroffen van granen (waaronder
gerst). In het zuidelijk gedeelte van het plangebied is een greppel
aangetroffen waaruit vondsten uit de ijzertijd geborgen zijn. Deze greppel
maakt vermoedelijk deel uit van een erfbegrenzing of akkerperceleringssysteem.
255 Bakels 1988.
202 LANAKERVELD
Romeinse tijd
Uit de Romeinse tijd is in het plangebied een deel van een villacomplex
aangetroffen: een Romeins agrarisch bedrijf. Hoewel dergelijke sporen
niet zijn aangetroffen is er wel de verwachting dat in de nabijheid van
het villaterrein zich ook Romeinse graven kunnen bevinden evenals een
toegangsweg of aansluiting op de Romeinse weg van Maastricht naar
Lanaken die ter hoogte van de huidige Brusselseweg heeft gelopen.
In het plangebied komen meerdere greppels voor die, op een enkele
greppel na, vooralsnog geen nauwgezette datering hebben. Op basis van de
kleur van de greppelvulling kan echter een voorlopige datering in de late
prehistorie tot de middeleeuwen gegeven worden. Mogelijk maken zij deel
uit van een akkersysteem of nederzettingssysteem.
Middeleeuwen
Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geheel onverwacht aan de rand
van het dal van het Heeswater twee Merovingische pottenbakkersovens
gevonden. . Waarschijnlijk zijn de daar voorhanden beekafzettingen
gebruikt voor het vervaardigen van aardewerk. Ietwat noordelijker is een
vroeg middeleeuwse structuur aangetroffen die mogelijk in samenhang met
de ovens gezien moet worden. Wellicht gaat het hier om een kleinschalig
aardewerkproductiecentrum. Ook op het Romeinse villaterrein zijn
vondsten uit de vroege middeleeuwen gedaan. Dit verschijnsel staat niet
op zich en heeft waarschijnlijk te maken met het claimen van land en
hergebruik van Romeins bouwmateriaal in de vroege middeleeuwen.
Nieuwe tijd
Tijdens het bureauonderzoek uitgevoerd door RAAP zijn de meeste
(sub)recente vormen van landgebruik al beschreven. Daarbij is onder andere
de aandacht gevestigd op het voorkomen van graften in het plangebied. Een
vlugge blik op de nu voorhanden AHN laat zien dat het systeem van graften
veel uitgebreider is dan aanvankelijk is gekarteerd.
12.2.2 Gaafheid en conservering
• Wat is de mate van conservering en gaafheid van de specifieke sites en/
of off-site verschijnselen?
De behoudenswaardige vindplaatsen zijn over het algemeen redelijk tot
uitstekend geconserveerd. In de meeste gevallen is het bodemprofiel
grotendeels intact. De top van het nog aanwezige bodemprofiel wordt
gevormd door een Bt-horizont. In enkele gevallen (vindplaats 62 en 82) is
nog een restant van een E-horizont gedocumenteerd. Het is aannemelijk
dat de hoogte van het huidige maaiveld grotendeels overeenkomt met de
hoogte van het oorspronkelijke maaiveld. Door ploegen zijn de A- en Ehorizont en mogelijk een klein deel van de B(t)-horizont opgenomen in de
bouwvoor. Het sporenvlak wordt in de meeste gevallen van de bouwvoor
gescheiden door een in dikte variërend colluvium. Slechts in twee gevallen
zijn er aanwijzingen dat sporen zijn aangetast door de erosie. Het gaat
hierbij om die delen van vindplaatsen 2 en 53, die op of nabij de hellingen
van het droogdal liggen. Bij vindplaats 53 is de erosie overigens beperkt
gebleven. Grote verstoringen zijn nergens waargenomen met uitzondering
van de Lanakerweg, die de vindplaatsen 24 en 124 doorsnijdt. Ter hoogte
LANAKERVELD
203
van vindplaats 24 heeft de Lanakerweg zich diep ingesneden en hoeven
geen sporen meer verwacht te worden. Bij vindplaats 124 ligt de weg deels
ter hoogte van het huidige maaiveld en zal de verstoring minder zijn.
•
Wat is de aard en kwaliteit van de bodem qua conservering van
archeologische resten en in welke lagen of gebieden zijn deze resten of
aanwijzingen voor landgebruik te verwachten?
De best geconserveerde archeologische resten bevinden zich over het
algemeen in de top van de brikgronden, in de Bt-horizont. Deze gronden
bevinden zich met name op de vlakke lössplateaus. Dit betekent echter
niet dat uitgesloten kan worden dat er zich in de dalen archeologische
resten bevinden. Eventuele vindplaatsen zijn hier mogelijk zelfs beter
geconserveerd door afdekking met colluvium.
•
Bestaan er verschillen in de conservering van archeologische resten
binnen het onderzoeksgebied als gevolg van erosie, afdekking en
bodemvorming?
Een zeer klein deel van vindplaatsen 2 en 53 ligt nabij de relatief steile
helling van één van de droogdalen, waardoor hier vermoedelijk iets meer
erosie heeft plaatsgevonden dan op de vlakkere plateaus. In het geval van
vindplaats 53 is de erosie echter beperkt gebleven tot de A- en E-horizont
en zijn, gezien de vondst van een bandkeramische huisplattegrond, de
archeologische resten slechts beperkt aangetast.
•
Zijn er in de directe omgeving van de vindplaats betere conserveringsomstandigheden te verwachten?
Zie het antwoord op vraag 2.
•
Wat zijn de relaties tussen de verschillende vindplaatsen? Betreft het
grote, aaneengesloten sites of kleinere, discrete clusters archeologische
resten met daartussen een diffuse verspreiding van archeologica?
Beschrijf de verschillen.
Bij het proefsleuvenonderzoek zijn bijna alleen de door RAAP gekarteerde
vindplaatsen onderzocht. Enkele uitzonderingen daargelaten, zijn de
tussenliggende zones niet verkend. Het is dus moeilijk deze vraag te
beantwoorden. Wat betreft de relatie tussen de verschillende vindplaatsen
valt vooral op dat de verschillende vindplaatsen vloeiend in elkaar overlopen,
waarbij de sporen uit verschillende periodes grotendeels van elkaar
gescheiden liggen. In het noordelijk deel geldt dit voor de vindplaatsen 18,
24, 122/82 en 123, en in het zuidelijk deel voor de vindplaatsen 53 en 124.
Per periode kan het volgende opgemerkt worden.
Lineaire bandkeramiek
Het lijkt bij de vier vindplaatsen uit deze periode om discrete clusters
te gaan. Daarbuiten zijn binnen de onderzochte arealen geen sporen
en vondstmateriaal uit deze periode aangetroffen. Hooguit een enkele
keer zou op basis van de kleur van de vulling een spoor dat zich buiten
204 LANAKERVELD
de gedefinieerde vindplaatsen bevindt aan deze periode kunnen worden
toegewezen. Deze zouden in verband kunnen worden gebracht met off-site
activiteiten. Vindplaats 53 lijkt echter samen met vindplaats 13 deel uit te
maken van een uitgestrekte nederzetting langs de noordelijke rand van het
dal van het Heeswater. Hetzelfde geldt voor vindplaats 2 die vermoedelijk
samen met vindplaats 19 deel uitmaakt van een uitgestrekte nederzetting
langs de noordelijke rand van het Zouwdal. In alle gevallen gaat het echter
om losse huisplaatsen die elkaar niet oversnijden.
Late bronstijd / vroege ijzertijd
De vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door een relatief
losse spreiding van grondsporen over uitgestrekte arealen. Afgezien
van vindplaats 124 is het moeilijk duidelijke bewoningskernen aan te
wijzen binnen deze vindplaatsen. Daarnaast bevinden zich ook buiten de
vindplaatsen enkele sporen, waarvan het vermoeden bestaat dat ze uit deze
periode dateren. Door de beperkte onderzochte arealen op deze locaties
(o.a. vindplaatsen 66 en 73) was het moeilijk deze resten eenduidig te
interpreteren.
Romeinse tijd / vroege middeleeuwen
Het gaat bij deze vindplaatsen (18 en 124) om discrete clusters. Daarbuiten
zijn nergens duidelijk dateerbare sporen of vondstmateriaal uit deze periode
gevonden. Vermoedelijk maakt een aantal greppels deel uit van een perceleringssysteem uit de Romeinse tijd of vroege middeleeuwen.
•
In hoeverre zijn grondsporen vervaagd door bodemvorming? Bestaat
hierin verschil tussen sporen uit verschillende perioden, zo ja welke?
Op welk niveau zijn eventuele grondsporen leesbaar en hoe duidelijk
tekenen zich de grondsporen af?
Er is geen vervaging van grondsporen door bodemvorming waargenomen.
De grondsporen tekenden zich over het algemeen net onder het colluvium
af in de Bt-horizont. De grondsporen uit het vroege neolithicum en de
periode metaaltijden – middeleeuwen kenmerken zich door een verschil
in kleur van de vulling. De bandkeramische sporen zijn over het algemeen
donkerbruingrijs en compact. Sporen uit de periode metaaltijdenmiddeleeuwen hebben een geelbeige vulling, die qua kleur en structuur
enigszins vergelijkbaar is met het colluvium. De grondsporen uit beide
periodes tekenen zich duidelijk af.
•
Is er een relatie tussen het (micro)reliëf en de conservering van de
archeologische resten?
De vindplaatsen op de relatief vlakke plateaus zijn over het algemeen
vermoedelijk beter geconserveerd dan de vindplaatsen of delen van
vindplaatsen, die tegen de steilere hellingen van de droogdalen aanliggen.
Hier heeft meer erosie kunnen plaatsvinden.
•
Perioden en sites
LANAKERVELD
•
205
Wat is per archeologische locatie in het onderzoeksgebied: de ligging
(inclusief diepteligging), omvang (inclusief verticale dimensies), aantal
sites en/of perioden, type en functie van de sites of off-site-patronen,
samenstelling van de archeologische resten (grondsporen, materiële en
organische vondsten), vondstdichtheid, stratigrafie, ouderdom, periode,
type-chronologische classificatie?
Voor een uitgebreide beschrijving van deze punten per vindplaats wordt
verwezen naar hoofdstuk 6.
•
Wat is in het onderzoeksgebied de ruimtelijke verspreiding, zowel
in horizontale als in verticale zin, van vindplaatsen, sites en off-sitepatronen?
Wat betreft de ruimtelijke spreiding valt in horizontale zin op dat de
vindplaatsen uit verschillende periodes grotendeels van elkaar gescheiden
liggen en deels in elkaar overvloeien. In verticale zin bevinden alle
vindplaatsen vanaf het vroege neolithicum zich in één niveau, in de top van
de löss. Op diepere niveaus zouden zich in principe alléén vindplaatsen uit
het paleolithicum kunnen bevinden.
•
Is het mogelijk om op vindplaatsen met resten uit verscheidene perioden
of fasen, ruimtelijke patronen te onderscheiden?
Slechts op twee vindplaatsen (2 en 124) bevinden zich sporen die duidelijk
uit twee verschillende periodes dateren. Vooralsnog zijn hier geen
ruimtelijke patronen in te onderscheiden. Ook hier geldt weer de reeds
vermelde algemene opmerking dat de verschillende periodes binnen het
plangebied elkaar grotendeels lijken te mijden.
Wat betreft vindplaatsen uit één periode is alleen bij de bandkeramische
nederzetting op vindplaats 53 een nadere fasering aan te brengen op basis
van het aardewerk. In ruimtelijk opzicht valt bij deze vindplaats op dat geen
van de zeven aangesneden huisplattegronden een andere oversnijdt. De
huisplaatsen lijken zelfs op regelmatige afstand van elkaar te liggen.
•
In hoeverre is er sprake van verschuivingen in de nederzettingspatronen
en landgebruik in de loop van de tijd?
Voor zover deze vraag op basis van het proefsleuvenonderzoek beantwoord
kan worden valt in ieder geval op dat de nederzettingsterreinen uit
het vroege neolithicum zich over het algemeen aan de randen van
de lössplateaus bevinden, terwijl de bekende Romeinse vindplaatsen
centraler op het plateau lijken te liggen (o.a. ook de Belgische vindplaats
bij Smeermaas). Over landgebruik in de metaaltijden zijn vooralsnog,
gezien de losse spreiding van sporen over grote arealen, weinig uitspraken
te doen. Opmerkelijk is echter dat het noordelijke plateau een duidelijke
bewoningsfase uit de late bronstijd kent waarbij op het zuidelijke plateau
zich een begraafplaats bevond. Er zijn geen duidelijke sporen van bewoning
in de directe nabijheid van het urnenveld gevonden. In de vroege ijzertijd
wordt echter ook het zuidelijke plateau bewoond (zelfs tot zeer dicht tegen
het urnenveld).
206 LANAKERVELD
•
Bestaat er tussen de verschillende neolithische nederzettingsterreinen,
inclusief de reeds bekende vindplaatsen op de locaties Groeve Klinkers
en Groeve Belvedère, chronologische en/of functionele verschillen dan
wel overeenkomsten en waarin komen die tot uiting?
Het gaat bij de verschillende neolithische vindplaatsen om drie nederzettingsterreinen en een grafveld uit het vroege neolithicum (LBK). De nederzettingsterreinen op vindplaats 24 en 53 zijn met hun losse spreiding van
sporen / huisplattegronden onderling vergelijkbaar. Vindplaats 2 heeft
geen huisplattegronden opgeleverd, maar ook hier was sprake van een
losse spreiding van grondsporen. De nederzettingsterreinen vertonen
overeenkomsten met die uit groeve Klinkers waar de sporendichtheid ook
relatief laag was. In chronologisch opzicht zijn er wel verschillen. Het
valt op dat wat betreft de dateringen van de nederzettingsterreinen op het
Lanakerveld het zwaartepunt in fasen Ic en Id (met uitloop naar IIa en
IIb) van de lineaire bandkeramiek ligt. Dit verschilt met de dateringen
voor groeve Belvédère (terrein “De Waal”) en groeve Klinkers waar het
zwaartepunt van de bandkeramische bewoning in fasen IIc en IId valt. Het
versierde potje uit het grafveld heeft een datering in fase IIb of IIc. Daarmee
is er in chronologisch opzicht vermoedelijk een kleine overlap tussen
nederzettingen en grafveld.
•
Heeft bij de eventuele neolithische vuursteenvindplaatsen de bewerking
ter plekke plaatsgevonden of is er slechts sprake van eindproducten?
Voor geen van de onderzochte vuursteenvindplaatsen bleek deze
interpretatie na het proefsleuvenonderzoek houdbaar. Wel is bij de
bandkeramische vindplaatsen geconstateerd dat het in de kuilen
aangetroffen vuursteen niet (alleen) op de winplaats, maar binnen de
nederzetting getest is op bruikbaarheid. Hiervan getuigt de aanwezigheid
van enkele ongebruikte brokken vuursteen naast geretoucheerde afslagen en
klingen, enkele eindschrabbers en een als klopsteen hergebruikte restkern
•
Is op basis van het vondstmateriaal uit de LBK vindplaats(en) vast te
stellen tot welke Siedlungskammer de vindplaatsen gerekend mogen
worden? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van andere vroegneolithische groepen zoals Limburg, La Hoguette en Blicquy? Zo ja, is er
inzicht in de relatie tussen deze groepen, met name chronologisch?
De Bandkeramische vindplaatsen op de linker Maasoever bij Maastricht
worden traditioneel tot het zogenaamde Heeswater-cluster gerekend
dat ook een aantal Belgische vindplaatsen omvat (o.a. bij Rosmeer en
Vlijtingen). Nederlandse vindplaatsen zoals Elsloo, Stein, Geleen en Beek
behoren tot de Siedlungskammer op het Graetheideplateau: het zogenaamde
Graetheidecluster. In het vondstmateriaal van het Lanakerveld zijn enkele
elementen aan te wijzen, met name in het aardewerk, die inderdaad
duidelijk lijken af te wijken van wat we kennen van het Graetheidecluster.
Zo zijn flesvormige potten zeldzaam op het Graetheidecluster (maar
bijvoorbeeld wel weer bekend uit de groeve Klinkers juist buiten het huidige
onderzoeksgebied). Behalve in het vondstmateriaal zijn er ook verschillen
aan te wijzen in de structuur van de nederzettingen in beide clusters. Druk
LANAKERVELD
207
bebouwde nederzettingen met veel oversnijdingen in het Graetheidecluster
tegen een licht bebouwde open structuur van de nederzettingen in het
Heeswater-cluster.
In een langskuil behorend bij structuur 6 (put 47) zijn enkele fragmenten
van Limburger aardewerk aangetroffen. Daarnaast is enkele malen het
zogenoemde non-LBK aangetroffen.256 Dit aardewerk lijkt sterk op het
typische bandkeramische aardewerk maar wijkt qua magering en versiering
op subtiele wijze af van het gebruikelijke assemblage.
•
Tot welke regionale groep kan/kunnen de eventuele Michelsbergvindplaats(en) onderscheiden worden en op basis waarvan?
Er zijn bij het proefsleuvenonderzoek geen eenduidige vindplaatsen van
de Michelsberg-cultuur aangetroffen, maar slechts losse spreidingen van
vondstmateriaal. De hoeveelheid materiaal ter hoogte van vindplaats 82
was dusdanig, dat in de nabijheid wellicht een vindplaats uit deze periode
verwacht mag worden.
•
Is er bij vindplaats 18 sprake van de periferie van een Romeins nederzettingsterrein (villa- dan wel protovillaterrein of inheemse nederzetting) en
hoe is dit aan te tonen? Is een duidelijke eindfase van de vindplaats aan
te geven en op basis waarvan?
Het proefsleuvenonderzoek heeft aangetoond dat vindplaats 2 een nederzettingsterrein uit de Romeinse tijd is. De nederzetting was vermoedelijk
afgebakend door middel van een dubbele omgreppeling. Duidelijke
aanwijzingen voor een stenen villa ontbreken binnen het opgegraven areaal.
De vindplaats strekt zich echter verder uit over de Belgische grens en is niet
in zijn geheel onderzocht. Gezien parallellen met andere vindplaatsen is
de kans aanwezig dat er ergens binnen de omgreppeling een deels stenen
gebouw heeft gestaan. De aanwezigheid van dakpannen en het ontbreken
van ander bouwmateriaal wijzen echter vooralsnog in de richting van
houten gebouwen met een pannendak. Afgaande op het aardewerk is de
nederzetting tot ver in de 3e eeuw in gebruik gebleven. Enkele vondsten
van mogelijk laat-Romeins en Merovingisch aardewerk wijzen erop dat ook
sporen uit deze periodes verwacht mogen worden.
•
Is een verklaring voor het ontbreken van vroegmiddeleeuwse vondsten
in het gehele plangebied en zo ja, op basis waarvan is die uitspraak
mogelijk?
Gezien de vondst van een vroegmiddeleeuwse nederzetting op vindplaats
124 is deze vraag niet relevant.
12.3 Aanbevelingen en conclusie
In de vorige paragrafen is (zover mogelijk) een antwoord gegeven op de
onderzoeksvragen uit het PvE. Onderstaand worden de aanbevelingen
weergegeven die op basis van de resultaten van het verkennende en het
waarderende onderzoek zijn gedestilleerd (zie voor een verdere bespreking
256 Van de Velde 2008.
208 LANAKERVELD
van de representativiteit van de beide onderzoeken hoofdstuk 10). De
aanbevelingen zullen per deelgebied (noordelijke en zuidelijke locatie)
besproken worden.
12.3.1 Aanbeveling voor het noordelijke deel
Op basis van het waarderende proefsleuvenonderzoek zijn de volgende
vindplaatsen in het noordelijk deel van het plangebied behoudenswaardig:
vindplaats 2, 18, 24, 122 en 123. Daarnaast zijn twee gebieden (vindplaats
125 en 126) als mogelijke (paleolithische) vindplaatsen aangewezen. In al
deze gevallen zijn de door RAAP aangegeven indicatieve begrenzingen
van de vindplaatsen aangepast. Indien behoud van deze vindplaatsen niet
gegarandeerd kan worden door inpassing in het bestemmingsplan dient
hier vlakdekkend onderzoek plaats te vinden waarbij het oude cultuurlandschap centraal moet staan.
Met betrekking tot het bandkeramische grafveld (vindplaats 123) dient bij
eventueel behoud in acht genomen te worden dat hier geen bodemverstorende activiteiten meer plaatsvinden en het terrein dus beschermd moet
worden. De verschillende graven liggen slechts enkele decimeters onder het
maaiveld. Verstorende factoren zoals ploegen zullen leiden tot meer erosie
en verlies aan informatie.
De begrenzing van de vindplaats uit de metaaltijden (122 en vermoedelijk
ook 2) is slechts bij benadering aan te geven. Ook op de vraag of
vindplaatsen 84 en 122 één geheel vormen met vindplaatsen 2 en 62
moeten we, gezien het ontbreken van proefsleuven in de tussenliggende
zone vooralsnog het antwoord schuldig blijven. Aanbevolen wordt om dit
gebied door middel van extra proefsleuven te verkennen en het als één
geheel te beschouwen totdat nader onderzoek meer duidelijkheid biedt.
12.3.2 Aanbeveling voor het zuidelijke deel
Op basis van het proefsleuvenonderzoek zijn in het zuidelijke deel van het
plangebied de vindplaatsen 53 en 124 als behoudenswaardig aangemerkt.
Indien behoud van deze vindplaatsen niet gegarandeerd kan worden door
inpassing in het bestemmingsplan dient hier een vlakdekkend onderzoek
plaats te vinden. In het geval van vindplaats 53 is de door RAAP aangegeven
indicatieve begrenzing aangepast. Vindplaats 124 was niet door RAAP
gekarteerd. De westelijke en zuidelijke begrenzing van deze vindplaats is
niet vastgesteld. Het verdient aanbeveling om in ieder geval de westelijke
begrenzing van deze vindplaats vast te stellen. De zuidelijke begrenzing valt
vermoedelijk buiten het plangebied.
Met betrekking tot het zuidelijke deel geldt dezelfde vraag als voor het
noordelijke deel. In hoeverre bevinden er zich vindplaatsen buiten de
door RAAP gekarteerde vindplaatsen? Vindplaats 124, die grotendeels
ten zuiden en westen van RAAP vindplaatsen 53 en 22 ligt en met name
sporen uit slecht traceerbare perioden heeft opgeleverd, laat zien dat hiertoe
een reële kans bestaat. Aanbevolen wordt dan ook om dit gebied door
middel van extra proefsleuven te verkennen en waarderen. Op deze wijze
kan waarschijnlijk de westelijke begrenzing van vindplaats 124 worden
vastgesteld. Daarnaast kan een iets evenwichtiger beeld van de in het
plangebied gelegen verwachte archeologische waarden verkregen worden.
N
NN
NN
250m
126
37
18
24
122
123
82
Ontwikkelingsplan voor het noordelijk deel van het plangebied met behoudenswaardige vindplaatsen (wit mogelijk paleolithicum; rood LBK; blauw metaaltijden; geel Romeinse tijd)
Figuur 12.1
0
125
2
LANAKERVELD
209
210 LANAKERVELD
124
53
N
0
250m
Figuur 12.2
12.3.3 Conclusie
Wat algemeen uit de voorgaande stukken naar voren komt, zijn de
overweldigende resultaten ondanks de “beperktheid” van het onderzoek.
Er kunnen uitspraken gedaan worden over een groot aantal vindplaatsen
hoewel de begrenzing van de vindplaatsen in de meeste gevallen nog
een probleem op levert. Omdat gekozen is voor een vindplaatsgerichte
waardering is over de terreinen waar geen proefsleuven zijn aangelegd nog
veel onduidelijk. Er kunnen nadrukkelijk géén uitspraken gedaan worden
over de niet gewaardeerde/verkende delen van het plangebied.
In het algemeen dient worden opgemerkt dat in veel proefsleuven
binnen en buiten de door RAAP aangegeven vindplaatsen sporen uit de
metaaltijden zijn gevonden; een periode die bij de oppervlaktekartering in
zijn geheel niet is aangetroffen. Daarnaast is in één van de proefsleuven
buiten de RAAP vindplaatsen een uniek bandkeramisch grafveld
aangesneden. De vraag dient zich aan in hoeverre vindplaatsen zich nog
onontdekt in het plangebied bevinden die wat betreft hun aard (grafvelden)
of periode waaruit ze stammen (neolithicum-late ijzertijd) slecht traceerbaar
Ontwikkelingsplan voor het zuidelijk deel van
het plangebied met behoudenswaardige vindplaatsen (rood LBK; blauw metaaltijden; groen
Vroege middeleeuwen)
LANAKERVELD
211
zijn bij oppervlaktekarteringen. Hetzelfde geldt dus ook voor vindplaatsen
uit het midden- en laat neolithicum. Uit beide perioden is vondstmateriaal
verzameld maar kan vooralsnog niet aan een bepaalde locatie toegeschreven
worden. Het is echter wel de verwachting dat binnen het plangebied sporen
uit deze periode aanwezig zijn.
Aanbeveling
Gezien de verschillen tussen het verkennende en het waarderende
onderzoek wordt de aanbeveling gedaan om een aanvullend proefsleuvenonderzoek uit te voeren zodat begrenzingen van bekende vindplaatsen en
nog verwachte vindplaatsen in kaart kunnen worden gebracht. Daarbij dient
vooral bij de noordelijke locatie een dicht grid van proefsleuven te worden
geplaatst om zodoende de low-density vindplaatsen op te sporen wat via
andere veldmethoden bijna onmogelijk is, gezien de gegeven natuurlijke
omstandigheden en beperkende factoren. Hetzelfde geldt voor de percelen
ten noorden van vindplaats 124 en ten zuiden van de Briegdenweg, met
name de met gras ingezaaide percelen die niet gekarteerd konden worden
en ook niet door proefsleuven zijn verkend.
In twee zones op het leemontginningsterrein, namelijk het zuidwestelijk
(vindplaats 125) en middendeel (vindplaats 126), moet rekening gehouden
worden met de aanwezigheid van goed geconserveerde archeologische
resten uit het paleolithicum in een informatieve geologische context. De
lagen waarin deze resten bewaard zijn bevinden zich op een diepte onder 59
m +NAP, en nader onderzoek van het terrein verdient dan ook aanbeveling.
Op grond van de ervaringen met de prospectie van lössgroeven in Belgisch
en Nederlands Limburg257 verdient het eveneens aanbeveling de leemwinningsactiviteiten in beide zones geologisch en archeologisch te begeleiden.
Alternatief
Gezien de infrastructurele werken die ophanden zijn, waarbij juist door
onverkende of onvoldoende verkende terreinen wegcunetten worden
aangelegd, is het raadzaam om juist deze wegcunetten archeologisch te
laten onderzoeken door middel van proefsleuven of door middel van actieve
archeologische begeleiding.258 Zo kan een iets evenwichtiger beeld van de in
de ondergrond aanwezige archeologische resten verkregen kunnen worden.
Dit geldt voor het gehele plangebied.
Daarnaast kan voor een andere kostenbesparende karterende methode
worden gekozen. In Duitsland worden doorgaans zeer goede resultaten
geboekt door middel van karterend onderzoek met behulp van een
magnetometer, al is het de vraag of deze onderzoeksmethode voor dit
terrein geschikt is. Het verdient de aanbeveling om in ieder geval een
testproject op te zetten waarbij een klein areaal wordt verkend dat reeds
met proefsleuven is onderzocht. Op die manier zijn de resultaten van beide
methoden met elkaar te vergelijken.
Door een deel van het verkennend en waarderend onderzoek uit te
breiden naar niet of nauwelijks verkende terreinen kan voorkomen
worden dat tijdens bouwwerkzaamheden onverwachte archeologische
resten tevoorschijn komen die vertragend zullen werken voor de algemene
voortgang van de ontwikkeling van het plangebied.
257 cf. De Warrimont 2007.
258 Bij een actieve begeleiding worden bouwwerkzaamheden gecombineerd met archeologie
maar wordt de vlakhoogte bepaald door de begeleidende archeoloog.
212 LANAKERVELD
LANAKERVELD
213
Literatuur
Acsádi, G. & J. Nemeskéri, 1970: History of Human Life Span and Mortality,
Budapest.
Amkreutz, L., 2004: Bandkeramiek langs de Maas: een analyse en interpretatie
van bandkeramische vindplaatsen op het laagterras van de Maas in Limburg
(ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit Leiden), Leiden.
Amkreutz, L.W.S.W., 2007: Nogmaals bandkeramiek op de Maasoevers:
foute feitjes, Westerheem 56, 15-21.
Arnoldussen, S. & E.A.G. Ball, 2007: Nederzettingsaardewerk uit de late
bronstijd in Noord-Brabant en het rivierengebied. In: Jansen, R. & L.P.
Louwe Kooijmans (red.): Van contract tot wetenschap: tien jaar archeologisch
onderzoek door Archol BV, 1997-2007, Leiden, 181-203.
Arora, S.K., 1997: Steinartefakte aus metallzeitlichen Befunden vom
Monreberg (Kalkar, Kreis Kleve). Archäologie im Rheinland 1997, 47-48.
Arora, S.K. & J.H.G. Franzen, 1987: Simpelveld vuursteen: een nieuw type
vuursteen. Archeologie in Limburg 32, 23-27.
Arora, S.K. & U. Geilenbrügge, 1999: Die Steinzeit war noch nicht zu
Ende: Steingeräte aus einer eisenzeitlichen Grube (Jüchen, Kreis Neuss).
Archäologie im Rheinland 1999, 67-69.
Arora, S.K. & I. Lochner, 1999: Silexbeile und Pfeilspitzen aus einer
eisenzeitlichen Siedlung am Elsbachtal (Jüchen, Kreis Neuss). Archäologie
im Rheinland 1999, 63-64.
Baelen, A.van, E.P.M. Meijs, P. van Peer, J.-P. de Warrimont & M. de Bie,
2007: An early Middle Palaeolithic site at Kesselt-Op de Schans (Belgian
Limburg): preliminary results. Notae Praehistoricae 27, 19-26.
Bakels, C.C., 1978: Four Linearbandkeramik settlements and their environment:
A paleoecological study of Sittard, Stein, Elsloo and Hienheim (proefschrift
Universiteit Leiden), Leiden.
Bakels, C.C., 1987: On the adzes of the northwestern Linearbandkeramik.
Analecta Praehistorica Leidensia 20, 53-87.
Bakels, C.C., 2001: Verkoolde zaden uit de bandkeramische nederzetting
Elsloo-Sanderboutlaan, Archeologie in Limburg 87, 18-23.
Ball, E.A.G. & E. Eimermann, 2002: Nieuwe bronstijdaardewerkcomplexen
uit het buitengebied van Cuijk. In: Fokkens, H. & R. Jansen (red.): 2000
jaar bewoningsdynamiek. Brons- en IJzertijdbewoning in het Maas-DemerScheldegebied, Leiden, 25-44.
214 LANAKERVELD
Koschik, H. (red.), 2001: Archäologische Talauenforschungen: Ergebnisse eines
Prospektionsprojekts des Instituts für Ur- und Frühgeschichte der Universität zu
Köln (Rheinische Ausgrabungen 52), Mainz.
Beckers, H.J. & G.A.J. Beckers, 1940: Voorgeschiedenis van Zuid-Limburg,
Maastricht.
Beckers, J., 1927: De Zuid-Limburgse graven of graften. Nat. Hist.
maandblad 16(10), 137-138.
Berendsen, H.J.A., 1996: De vorming van het land: inleiding in de geologie en
de geomorfologie, Assen.
Berendsen, H.J.A., 1997: Landschappelijk Nederland: de fysisch-geografische
regio’s, Assen.
Berendsen, H.J.A., 2000: Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren,
Assen.
Boe, G. de, M. de Bie & L. van Impe, 1992: Neerharen-Rekem. Die
komplexe Besiedlungsgeschichte einer vor den Kiesbaggern geretteten
Fundstätte. In: Bauchhenß, G. / H. Hoyer von Prittwitz und Gaffron / M.
Otte & W.J.H. Willems (red.): Spurensichering. Archäologische Denkmalpflege
in der Euregio Maas-Rhein, Mainz, 477-496.
Boenigk, W. & E.-M. Hagedorn, 1996: Das Profil FR125: holozäne
Sedimente im Elsbachtal und ihre Schwermetallgehalte. Archäologie im
Rheinland 1996, 169-172.
Bogaers, J.E., 1958-9: Een Romeinse askist uit Stein. Publications de la
Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 94-95, 197-208.
Böhner, K., 1958: Die fränkischen Altertumer des Trierer Landes, Berlin.
Bonnabel, L., C. Paresys & L. Thomasausen, 2003: Un groupe de tombes
en contexte d’habitat néolithique rubané à Écriennes “La Folie” (Marne):
approche des gestes funéraires. In: Chambon, P. & J. Leclerc (red.): Les
pratiques funéraires néolithiques avant 3500 av. J.-C. en France et dans les regions
limtrophes (Mémoires de la Société Préhistorique Française 33), 45-53.
Bouten, W. / G. van Eijsden / A.C. Imeson / F.J.P.M. Kwaad / H.J. Mücher
& A. Tiktak, 1985: Ontstaan en erosie van de lössleemgronden in ZuidLimburg. K.N.A.G. geografisch tijdschrift 19, 192-208.
Breteler, H.G.M. & J.M.M. van den Broek, 1968: Graften in Zuid-Limburg.
Boor en Spade 16, 119-130.
Bringmans, P.M.M.A., 2006: Multiple Middle Palaeolithic Occupations in a
Loess-Soil Sequence at Veldwezelt-Hezerwater, Limburg, Belgium (Proefschrift
Katholieke Universiteit Leuven), Leuven.
LANAKERVELD
215
Broeke, P.W. van den, 1980: Een rijk gevulde kuil met nederzettingsmateriaal uit de IJzertijd, gevonden te Geleen, prov. Limburg. Analecta
Praehistorica Leidensia 13, 102-113.
Broeke, P.W. van den, 1987: De dateringsmiddelen voor de ijzertijd van
Zuid-Nederland. In: Van der Sanden, W.A.B. & P.W. van den Broeke (red.):
Getekend Zand. Tien jaar archeologisch onderzoek in Oss-Ussen, Waalre, 23-43.
Brounen, F.T.S., 1995: Verrassende vondsten uit Vogelzang. In: B. Knippels,
F. Brounen, W. Dijkman, R. Hulst (red.), Randwyck ondergronds. De
resultaten van 10 jaar archeologisch bodemonderzoek, Maastricht, 12-19.
Brounen, F.T.S. & W. Dijkman, 1988: Randwyck: Lochterveld. In:
H. Stoepker (red.), Archeologische Kroniek voor Limburg over 1987,
Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 124, 389392.
Brounen, F.T.S. & E.A.G Ball, 2002: Uitpakken 7: vindplaatsen van de
Lineaire Bandkeramiek en de Nederrijnse Grafheuvel Cultuur in het
Maasdal bij Itteren-Sterkenberg (slot). Archeologie in Limburg 91, 7-16.
Brounen, F.T.S. & H. Peeters, 2000/01: Vroeg-neolithische vuursteenwinning en -bewerking in de Banholtergrubbe (Banholt, gem. Margraten).
Archeologie 10, 133-149.
Brounen, F.T.S. & E. Rensink, 2006: Itteren-Sterkenberg (gemeente
Maastricht): waardestellend onderzoek van een vindplaats uit de Lineaire
Bandkeramiek, de Late Bronstijd en IJzertijd in het Maasdal (Rapportage
Archeologische Monumentenzorg 140), Amersfoort.
Brunsting, H., 1937: Het grafveld onder Hees bij Nijmegen. Een bijdrage tot
de kennis van Ulpia Noviomagus (Archaeologisch-Historische Bijdragen 4),
Amsterdam.
Cahen, D., J.P. Caspar & M. Otte, 1986: Industries lithiques danubiennes de
Belgique, Liège (Etudes et Recherches Archéologiques de l’Université de
Liège 21), Luik.
Cauwe, N., M. van der Linden & B. Vanmontfort, 2001: The Middle and
Late Neolithic. Anthropologica et Praehistorica 112, 77-89.
Close, F., Gustin P & J.-P. Marchal, 1997: Bassenge, Eben-Emael. Un
sauvetage archéologique et la découverte d’occupations anciennes à “Int’ les
Deux Voyes”, dans la carrière CBR du Romont. In: Corbiau, M.-H. (red.): Le
patrimoine archéologique de Wallonie, Namen.
Deeben, J. / E. Drenth / M-F. van Oorsouw & L. Verhart, 2005 (red.): De
steentijd van Nederland (Archeologie 11/12).
216 LANAKERVELD
Desittere, M., 1968: De urnenveldenkultuur in het gebied tussen Neder-Rijn en
Noordzee : (periodes Ha, A en B) (Dissertationes archaeologicae Gandenses
11), Gent.
Dijkman, W., 1989: Een vindplaats uit de IJzertijd te Maastricht-Randwyck
(Nederlandse archeologische rapporten 8), Amersfoort.
Dijkman, W., 1992: Funde aus Maastricht. In: Bauchhenß, G. / H.
Hoyer von Prittwitz und Gaffron / M. Otte & W.J.H. Willems (red.):
Spurensichering. Archäologische Denkmalpflege in der Euregio Maas-Rhein,
Mainz, 367-379.
Dijkman, W., 1995: Een urnenveld in Maastricht-Withuisveld. Archeologie in
Limburg 66, 49-55.
Dijkman, W., 1999: Maastricht. In: Plumier-Torfs, J. / S. Plumier-Torfs /
M. Regnard & W. Dijkman (red.): Mosa Nostra. De Maasvallei van Verdun tot
Maastricht in de Merovingische periode 5de-8ste eeuw (Carnets du Patrimoine
28), Luik, 46-51.
Dijkman, W., 2000: Weer Bandkeramiek op de Caberg! Archeologie in
Limburg 84, 31-33.
Dijkman, W., 2003: The Merovingian cemetery of Borgharen (Maastricht)
and an early Frank named BOBO. In: Taayke, E. / J.H. Looijenga / O.H.
Harsema & H.R. Reinders (red.): Essays on the Early Franks (Groningen
Archaeological Studies 1, Groningen, 212-230.
Dijkman, W. & R. Hulst, 2000: Het urnenveld van Maastricht-Vroendael.
Archeologie in Limburg 84, 19-26.
Dijkstra, M.F.P., 2006: Aardewerk. In: Hemminga, M. & T. Hamburg
(red.): Een Merovingische nederzetting op de oever van de Oude Rijn. Opgraving
(DO) & Inventariserend Veldonderzoek (IVO), Oegstgeest –Rijnfront zuid 2004
(Archol rapport 69), Leiden, 51-72.
Disch, A., 1969: A.C. Kengen over opgravingen te Caberg-Maastricht 19271933. Jaaroverzicht van de Archeologische Werkgemeenschap Limburg 1969, 3138.
Disch, A., 1972: Pre- en protohistorische vondsten op de Caberg te
Maastricht. Jaaroverzicht van de Archeologische Werkgemeenschap Limburg
1971/1972, 33-47.
Dohrn-Ihmig, M., 1983: Das bandkeramische Gräberfeld von AldenhovenNiedermerz, Kreis Düren. In: Bauchhenß, G. (red.): Archäologie in den
rheinischen Lößbörden. Beiträge zur Siedlungsgeschichte im Rheinland
(Rheinische Ausgrabungen 24), Keulen, 7-190.
Dohrn-Ihmig, M., 1983a: Ein Grossgartacher Siedlungsplatz bei JülichWelldorf, Kreis Düren, und der Übergang zum mittelneolithischen
LANAKERVELD
217
Hausbau. In: G. Bauchhenß (Hrsg.), Archäologie in den rheinischen
Lössbörden (= Rheinische Ausgrabungen 24), Köln 233-282.
Dohrn-Ihmig, M., 1983b: Neolithische Siedlungen der Rössener Kultur in der
Niederrheinischen Bucht (= Materalien zur allgemeinen und vergleichenden
Archäologie 21), München.
Dragendorff, H., 1895: Terra sigillata, Bonner. Bonner Jahrbücher 96-97, 18155.
Driesen, P., N. De Winter & E. Wesemael, 2006: Aardewerk. In: Goossens,
T.A. (red.): Schipluiden, ‘Harnaschpolder’ (ADC-rapport 625), Amersfoort,
128-144.
Fokkens, H., 2007: Sleuven of boren? Archeologische prospectie van oude
cultuurlandschappen. In: Jansen, R. & L.P. Louwe Kooijmans (red.): 10 jaar
Archol: van contract tot wetenschap, Leiden.
Gijn, A.L. van & R. Houkes, 2001: Natuursteen. In: Louwe Kooijmans,
L.P. (red.): Hardinxveld-Giessendam De Bruin. Een kampplaats uit het LaatMesolithicum en het begin van de Swifterbant-cultuur (5500-4450 v. Chr.)
(Rapportage Archeologische Monumentenzorg 88), Amersfoort, 193-207.
Gijn, A.L. van & R. Houkes, 2006: Stone, procurement and use. In: Louwe
Kooijmans, L.P. & P.F.B. Jongste (red.): Schipluiden – Harnaschpolder.
A Middle Neolithic site on the Dutch Coast (3800-3500 BC) (Analecta
Praehistorica Leidensia 37/38), Leiden.
Gijn, A.L. van, E.A.K. Kars & Y.M.J. Lammers-Keijsers, 2002: Natuursteen.
In: Meijlink, B.H.F.M. & P. Kranendonk (red.): Boeren, erven, graven, de
boerengemeenschap van De Bogen bij Meteren (2450-1250 v. Chr.) (Rapportage
Archeologische Monumentenzorg 87), 501-538.
Gijn, A.L. van, L.P. Louwe Kooijmans & J.G. Zandstra, 2001: Natuursteen.
In: Louwe Kooijmans, L.P. (red.): Hardinxveld-Giessendam Polderweg. Een
mesolithisch jachtkamp in het rivierengebied (5500-5000 v. Chr.) (Rapportage
Archeologische Monumentenzorg 83), Amersfoort, 163-179.
Gijn, A. van & M.J.L.Th. Niekus, 2001: Bronze age settlement flint from
the Netherlands: the Cinderella of lithic research, in: Metz, W.H. / B.L. van
Beek & H. Steegstra (red.): Patina: essays presented to Jay Jordan Butler on the
occasion of his 80th birthday, Groningen-Amsterdam, 305-320.
Gijssel, K. van / J. Schreurs / J. Kolen / E.A.K. Kars / S. Verneau / P.
van der Kroft & A.L. van Gijn, 2002: Steen. In: Jongste, P.F.B. & G.J. van
Wijngaarden (red.): Archeologie in de Betuweroute. Het erfgoed van Eigenblok.
Bewoningssporen uit de Bronstijd te Geldermalsen (Rapportage Archeologische
Monumentenzorg 86), 279-324.
Goossens, J.W.H., 1925: Berichten [s.v. Maastricht]. De Maasgouw 45, 70.
218 LANAKERVELD
Graaf, W.S. van & J. de Kramer, 2005a: Inventariserend veldonderzoek Itteren
waarderende fase – Archeologisch onderzoek in de Maaswerken: IVO ItterenVoulwames en Itteren-Emmaus (Becker & Van de Graaf), Nijmegen.
Graaf, W.S. van de & J. de Kramer, 2005b: Inventariserend veldonderzoek
Borgharen-Daalderveld waarderende fase – Archeologisch onderzoek in de
Maaswerken: IVO Borgharen-Daalderveld (Becker & Van de Graaf), Nijmegen.
Graiewski, N. & D. Rupprecht, 2000: Das zweite linearbandkeramische
Gräberfeld im Rheinland, Archäologie im Rheinland 2000, 32-34.
Grooth, M. de & P. van de Velde, 2005: Kolonisten op de löss? Vroegneolithicum A: de bandkeramische cultuur, in: Louwe Kooijmans, L.P. /
P.W. van den Broeke / H. Fokkens & A.L. van Gijn (red.): Nederland in de
Prehistorie, Amsterdam, 219-241.
Grooth, M.E.Th. de, 1986: Vuursteenbewerking en vuursteenbewerkers in
de Lineaire Bandkeramiek. In: Jenniskens, A.H. & M.E.Th. de Groot (red.):
Munsters in de Maasgouw – archeologie en kerkgeschiedenis in Limburg. Bundel
aangeboden aan pater A.J. Munsters M.S.C. bij zijn tachtigste verjaardag,
Maastricht, 17-38.
Grooth, M.E.Th. de, 1987: The organisation of flint tool manufacture in the
Dutch Bandkeramik. Analecta Praehistorica Leidensia 20, 27-52.
Grooth, M.E.Th. de, 1994: Studies on neolithic flint exploitation. Socioeconomic interpretations of the flint assemblages of Langweiler 8, Beek, Elsloo,
Rijckholt, Hienheim and Meindling, Maastricht, 27-51.
Grooth, M.E.Th. de, 2003: They do things differently there – flint working
at the Early Bandkeramik settlement of Geleen-Janskamperveld (the
Netherlands). In: Eckert, J. / U. Eisenhauer & A. Zimmermann (red.):
Archäologische Perspektiven – Analysen und Interpretationen im Wandel
(Festschrift für Jens Lüning zum 65. Geburtstag), Rahden/Westfalen, 401-406.
Grooth, M.E.Th. de, 2008: Vroege Prehistorie. In: Evaluatie van het
archeologisch onderzoek in Limburg in de periode 1995 t/m 2006. www.limburg.
nl/nl/html/algemeen/beleid/kunstcultuur/CultureelErfgoed/inleiding.asp.
Haalebos, J.K., 1977: Zwammerdam Nigrum Pullum. Ein Auxiliarkastell am
Niedergermanischen Limes (Cingula 3), Amsterdam.
Haalebos, J. K., 1986: Fibulae uit Maurik (Oudheidkundige Mededelingen
uit het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, supplement 65, Leiden.
Haesaerts, P., E. Juvigné, O. Kuyl, M. Mücher & W. Roebroeks 1981:
Comte rendu de l’Excursion du 13 juin 1981, en Hesbaye et au Limbourg
Neerlandais, consacrée à la chronostratigraphy des loess du Pleistocene
Supérieur. Annales Société Géologique Belgique 104, 223-240.
LANAKERVELD
219
Harsema, O.H., 1979: Maalstenen en handmolens in Drenthe van het
neolithicum tot ca. 1300 A.D., Assen.
Heeringen, R.M. van, 1985: Typologie, Zeitstellung und Verbreitung der in
die Niederlande importierten vorgeschichtlichen Mahlsteine aus Tephrit.
Archäologisches Korrespondenzblatt 15, 371-383.
Heinen, M. & R. Nehren, 2004: Erstmals im Rheinland: bandkeramische
Siedlungsreste und Gräber in direkter Nachbarschaft. Archäologie im
Rheinland 2004, 40-42.
Hendrix, W.P.A.M., 1995: Een bronzen zwaard uit Meers-Stein. Archeologie
in Limburg 66, 64-65.
Herrmann, B., G. Grupe, S. Hummel, H. Piepenbrink & H. Schutkowski,
1990: Prähistorische Anthropologie, Leitfaden der Feld- und Labormethoden,
Berlijn.
Hoof, L.G.L. van, 2000: Filling Black Holes: leven, sterven en deponeren in de
metaaltijden van Zuid-Limburg (doctoraalscriptie Universiteit Leiden), Leiden.
Hoof, L.G.L. van, 2008a: Late Prehistorie. In: Evaluatie van het archeologisch
onderzoek in Limburg in de periode 1995 t/m 2006. www.limburg.nl/nl/html/
algemeen/beleid/kunstcultuur/CultureelErfgoed/inleiding.asp.
Hoof, L.G.L. van, 2008b: The Iron Age habitation. In: P. van de Velde &
C.C. Bakels (red.), Excavations at Geleen-Janskamperveld 1990/1991 (=Analecta
Praehistorica Leidensia 39), Leiden.
Hoof, L.G.L. van en I.M. van Wijk, 2005: Archeologie van de verspoelde löss.
Resultaten van een inventariserend archeologisch vooronderzoek in een droogdal
te Geleen – Middengebied (Archol rapport 32, Leiden.
Hoof, L.G.L. van / I.M. van Wijk & C. van der Linde, in voorbereiding:
Zwervende erven op de löss? Onderzoek van een nederzetting uit de vroege
ijzertijd en van sporen uit de Stein-groep te Hof van Limburg (gemeente SittardGeleen) (Archol-rapport 33), Leiden.
Huijzer, A.S., 1993: Microfabrics and macrostructures: interrelations, processes,
and paleoenvironmental significance, Enschede.
Hupperetz, W., 1999: Uitpakken 3: Een Merovingische pottenbakkersoven
uit Kessel-Hout. Archeologie in Limburg 79, 11-12.
Isings, C., 1957: Roman glass from dated finds (Archaeologica Traiectina 2),
Groningen.
Jadin, I., A. Hauzeur, I. Deramaix, 2003: L’habitat danubien en Belgique.
État des lieux., in: I. Jadin (red.), Trois petits tours et puis s’en vont . . . La
fin de la présence danubienne en Moyenne Belgique. (Études et recherches
archéologiques de l’Université de Liège 109), Luik.
220 LANAKERVELD
Jeunesse, Ch., 1997: Pratiques funéraires au néolithique ancien: sépultures et
nécropoles danubiennes 5500-4900 av. J.-C., Parijs.
Joachim, H.E., 1985: Zu Eisenzeitlichen Reibsteinen aus Basaltlava, den sog.
Napoleonshütten. Archäeologisches Korrespondenzblatt 15, 359-369.
Kars, E.A., 2000: Natuursteen. In: Oudhof, J.W.M. / J. Dijkstra & A.A.A.
Verhoeven (red.): Archeologie in de Betuweroute. “Huis Malburg” van spoor
tot spoor. Een middeleeuwse nederzetting in Kerk-Avezaath (Rapportage
Archeologische Monumentenzorg 81), Amersfoort, 145-159.
Kars, E.A., 2001: Natuursteen. In: Verhoeven, A.A.A. & O. Brinkkemper
(red.): Archeologie in de Betuweroute. Twaalf eeuwen bewoning langs de Linge bij
De Kamer in Kerk-Avezaath (Rapportage Archeologische Monumentenzorg
85), Amersfoort, 341-362.
Kars, E.A. & W. Vos, 2004: Romeinse baksteen in Nederland. In: Velde, H.
van der & A. Verhoeven (red.): ADC Info jaargang 2003, 29-35.
Kars, E.A., 2005: Keramisch bouwmateriaal en natuursteen. In: Tichelman,
G. (red.): Het villacomplex Kerkrade-Holzkuil (ADC ArcheoProjecten-rapport),
Amersfoort.
Kars, H. & J.M.A.R. Wevers, 1982: Early-medieval Dorestad, an archaeopetrological study part III: a trachytic mortar, the soapstone finds, and the
tuyères. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
32, 169-182.
Knippels, B. , 1991: Bewoningssporen uit de IJzertijd te MaastrichtRandwyck. Archeologie in Limburg 49, 43-48.
Knippenberg, S., Vuursteen en natuursteen. In: Leeuwe, R. de (red.):
Prehistorie tussen de loopgraven. Nederzettingen en vondstcomplexen in
Bennekom-Streekziekenhuis uit de midden-bronstijd tot midden-ijzertijd, ca. 1500
tot 500 v. Chr. (Archol-rapport 81), Leiden.
Knippenberg, S., 2005: Vuursteen en natuursteen. In: Hoof, L.G.L. van &
P.F.B. Jongste (red.): Een nederzettingsterrein uit de midden- en late bronstijd te
Tiel-Medel Bredesteeg (Archol Rapport 64), Leiden, 104-125.
Knippenberg, S., 2008: Vuursteen en natuursteen. In: Leeuwe, R. de (red.):
Prehistorie tussen de loopgraven. Nederzettingssporen en vondstcomplexen in
Bennekom-Streekziekenhuis uit de midden-bronstijd tot de midden-ijzertijd, ca.
1500-500 v.Chr. (Archol rapport 81), Leiden,
Kolfschoten, T. van & W. Roebroeks, 1985: Maastricht-Belvédère:
stratigraphy, palaeoenvironment and archaeology of the Middle and Late
Pleistocene deposits. Mededelingen van de Rijks Geologische Dienst 39, 1-121.
LANAKERVELD
221
Kreuz, A., 2008: Closed forest or open woodland as natural vegetation in
the surroundings of Linearbandkeramik settlements? Vegetation History and
Archaeobotany 17, 51–64.
Langohr, R., 1993: The dominant soil types of the Belgian loess belt in the
Early Neolithic. In: Cahen, D. & M. Otte (red.): Rubané et Cardial, Luik, 117124.
Lauwers, R., 1984: Bandkeramische nederzetting te Lanaken (Limb.).
Archeologie 2, 101.
Lauwers, R., Meijs, E.P.M., 1985: Ein Mittelpaläolithischer Fundplatz in
Kesselt. Archäologisches Korrespondenzblatt 15, 123-129.
Lijn, P. van der, 1963: Het keienboek. Mineralen, gesteenten en fossilen in
Nederland, Zutphen.
Lodewijckx, M., Waegeman, T., Barten, M., 1989: Cimétière rubané à Millen
(Belgique, prov. du Limbourg). Notae Praehistoricae 9, 37-40.
Loecker, D. de, 2006: Beyond the site: the Saalian archaeological record at
Maastricht-Belvédère (the Netherlands (Analecta Praehistorica Leidensia
35/36), Leiden.
Lüning, J. / U. Kloos & S. Albert, 1989: Westliche Nachbarn der
bandkeramischen Kultur: La Hoguette und Limburg. Germania 67, 355-393.
Marichal, H. / P.M. Vermeersch & M. Vanderhoeven, 1987: Bandkeramiek te
Vlijtingen, Kayberg, Tongeren.
Mark, R. van der & E. Schorn, 2008: Maastricht, Ambyerveld: inventariserend
veldonderzoek door middel van proefsleuven (BAAC-rapport A-07.0030), ’sHertogenbosch.
Meijs, E.P.M., 2002: Loess stratigraphy in Dutch and Belgian Limburg.
Eiszeitalter und Gegenwart 51, 114-130.
Mildner, F.C. / E.P.G. Wetzels, 2005: Een urnenveld uit de late Bronstijd
en vroege IJzertijd en resten van een pottenbakkersoven uit de IJzertijd te
Maastricht-Oosderveld. Archeologie in Limburg 100, 2-14.
Modderman, P.J.R., 1959: Die bandkeramische Siedlung von Sittard.
Palaeohistoria 6-7, 33-120.
Modderman, P.J.R., 1964: The Neolithic burial vault at Stein. Analecta
Praehistorica Leidensia 1, 3-16.
Modderman, P.J.R., 1970: Linearbandkeramik aus Elsloo und Stein (=
Analecta Praehistorica Leidensia 3), Leiden
222 LANAKERVELD
Mosmuller, J.M.H., 1995: De veldtocht van Willem van Oranje 1568-1569.
Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal, 44-67.
Niekus, M.J.L.Th. & H. Huisman, 2001: Natuursteen. In: Schoneveld,
J. & E.F. Gehasse (red.): Boog C-Noord, een vindplaats bij Meteren op de
overgang van Neolithicum naar Bronstijd (Rapportage Archeologische
Monumentenzorg 84), Amersfoort, 103-133.
Nouwen, R. & R. van de Konijnenburg 1987: De ijzertijd in Limburg
(publicaties van het Gallo-Romeins Museum Tongeren 36), Tongeren.
Oelmann, F., 1914: Die Keramik des Kastells Niederbieber (Materialien zur
römisch-germanischen Keramik 1), Frankfurt am Main.
Otte, M., 1984: Les fouilles de la Place Saint-Lambert à Liège 1 (Études et
recherches archéologiques de l’Université de Liège 18), Luik.
Oude Rengerink, H., 1991: De Rössen komen! Maastricht-Randwijck; de eerste
en hopelijk niet de laatste opgraving van een Rössen-nederzetting in Nederland,
niet gepubliceerde doctoraalscriptie, Leiden.
Panhuysen, T.A.S.M., 1996: Romeins Maastricht en zijn beelden, Maastricht/
Assen.
Panhuysen T.A.S.M. / W. Dijkman / R.A. Hulst & R.G.A.M. Panhuysen,
1992: Maastricht. Opgravingen door het Gemeentelijk Oudheidkundig
Bodemonderzoek Maastricht (GOBM) in het jaar 1991. In: Stoepker, H.
(red.): Archeologische kroniek van Limburg over 1991. Publications de la
Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 128, 259-288.
Parkhouse, J., 1976: The Dorestad Quernstones. Berichten van de Rijksdienst
voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 26, 181-188.
Pauwels, D., & G. Creemers, 2006: Een Romeinse landelijke nederzetting te
Smeermaas (Lanaken, prov. Limburg). Relicta 2, 49-118.
Pauwels, D., 2007: Veldwezelt tussen Protohistorie en Tachtigjarige Oorlog.
Archeologie in Limburg 106, 14-23.
Ploegaert, P.H.J.I., 2007: Maastricht ‘Dousberg’: een inventariserend
veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (ADC-rapport 800), Amersfoort.
Prangsma, N., 1995: Een stukje van de legpuzzel: een nederzetting uit de
ijzertijd te Maastricht-Klinkers (ongepubliceerde scriptie Universiteit Leiden),
Leiden.
Roebroeks, W., 1985: The Maastricht-Belvédère research: introduction.
Analecta Praehistorica Leidensia 18, 4-6.
LANAKERVELD
223
Roebroeks, W., 1988: From find scatters to early hominid behavior. A study
of middle paleolithic river side settlements at Maastricht-Belvédère (The
Netherlands) (= Analecta Praehistorica Leidensia 21), Leiden
Roebroeks, W., 1990: Oermensen in Nederland. De archeologie van de oude
steentijd, Amsterdam.
Roebroeks, W. / J. Kolen / M. van Poecke & A. van Gijn, 1997: “Site J”: an
early weichselian (Middle Palaeolithic) flint scatter at Maastricht-Belvedere,
the Netherlands. Paléo 9, 143-172.
Roebroeks, W., 2005: De Neanderthaler en zijn voorgangers. Oud- en
midden-paleolithicum. In: Louwe Kooijmans, L.P. / P.W. van den Broeke /
H. Fokkens & A.L. van Gijn (red.): Nederland in de prehistorie, Amsterdam,
93-114.
Roosens, H., 1962: Gebouwen van een bandkeramische nederzetting op de
Staberg te Rosmeer. Archaeologia Belgica 61, 121-144.
Roymans, J.A.M. & A.M.I. van Waveren, 2002: Plangebied MaastrichtLanakerveld, gemeente Maastricht: een Aanvullende Archeologische Inventarisatie
(RAAP 03/020425/1-4), Maastricht.
Schalig, J., 1998: Erd- und Landschaftsgeschichte, in: H. Koschik (red.),
Brunnen der Jungsteinzeit (Materialen zur Bodendenkmalpflege im
Rheinland 11), Erkelenz.
Schreurs, J., 1998: Maastricht-Klinkers: over de functie van een site van de
Michelsberg-cultuur. Een onderzoek naar de gebruikssporen op vuurstenen
artefacten.In: Deeben, J. & E. Drenth (red.): Bijdragen aan het onderzoek
naar de Steentijd in Nederland. Verslagen van de ‘Steentijddag’ 1 (Rapportage
archeologische monumentenzorg 68), Amersfoort, 63-74.
Schreurs, J., 2005: Het Midden-Neolithicum in Zuid-Nederland. In:
Deeben, J. / E. Drenth / M.-F. van Oorsouw & L. Verhart (red.): De Steentijd
van Nederland (Archeologie 11/12), 301-332.
Schröder, A., 1999: Eisenzeitliche Silexartefakte aus zwei Siedlungsplätzen
westlich von Eschweiler (Stadt Aachen und Eschweiler, Kreis Aachen).
Archäologie im Rheinland 1999, 65-66.
Schuyf, J. & G.J. Verwers, 1976: Urnenvelden te Stein, prov. Limburg.
Analecta Praehistorica Leidensia 9, 75-84.
SIKB, 2006: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie KNA versie 3.
Soeters, G.C. & P. van der Gaauw, 2007: Programma van Eisen
Inventariserend veldonderzoek-proefsleuven Maastricht-Lanakerveld.
224 LANAKERVELD
Stoepker, H., 1992: Die mittelalterliche Niederlassung Haagsittard
(Gemeinde Sittard). In: Bauchhenß, G. / H. Hoyer von Prittwitz und
Gaffron / M. Otte & W.J.H. Willems (red.): Spurensichering. Archäologische
Denkmalpflege in der Euregio Maas-Rhein, Mainz, 379-386.
Stoepker, H., 2008: Evaluatie en synthese van het sinds 1995 in Limburg
uitgevoerde archeologische onderzoek met betrekking tot Middeleeuwen
en Nieuwe tijd. In: Evaluatie van het archeologisch onderzoek in Limburg
in de periode 1995 t/m 2006. www.limburg.nl/nl/html/algemeen/beleid/
kunstcultuur/CultureelErfgoed/inleiding.asp.
Stuart, P., 1977: Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de
omliggende grafvelden, Nijmegen (Beschrijving van de verzamelingen in het
Rijksmuseum G. M. Kam te Nijmegen 6), Nijmegen.
Stuart, P. & M.E.Th. de Grooth, 1987: Langs de weg - De Romeinse weg van
Boulogne-sur-Mer naar Keulen / Villa Rustica – Het Romeinse boerenbedrijf in
het Rijn/Maasgebied, Heerlen/Maastricht.
Thanos, C., 1994: Caberg-Maastricht. Opgravingen door het Rijksmuseum van
Oudheden 1925-1934 (ongepubliceerde scriptie Universiteit Leiden), Leiden.
Therkorn, L.L., 2004: Landscaping the powers of darkness & light: 600 BC - 350
AD settlement concerns of Noord-Holland in wider perspective, Amsterdam.
Theunissen, L., 1990: Maastricht-Klinkers. Een opgraving op de Caberg
(ongepubliceerde scriptie Universiteit Leiden), Leiden.
Theuws, F., 2001: Maastricht as a centre of power in the Early Middle Ages.
In: Jong, M. de & F. Theuws (red.): Topographies of Power in the Early Middle
Ages, Leiden/Boston/Keulen, 155-216.
Thisse-Derouette, R. / J. Thisse-Derouette & J. Thisse, 1952: Découverte
d’un cimetière omalien à rite funéraire en deux temps (crémation et
enfouissement des cendres) en Hesbaye liégeoise à Hollogne-aux-Pierres.
Bulletin de la Société Préhistorique Française 49(3-4), 175-190.
Tol, A. & M. Schabbink, 2004: Opgravingen op vindplaatsen uit de Bronstijd,
IJzertijd, Romeinse tijd en Volle Middeleeuwen op het Hoogveld te Sittard
– campagne 1999 (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 14), Amsterdam.
Ulrix-Closset, M. & R. Rousselle, 1982: L’industrie lithique du site urbane
du Staberg à Rosmeer. Archaeologia belgica 249.
Vanderbeken, T. & P. van den Hove, 2008: Europark Lanaken: een verhaal
van opslag en overslag, winning en verlies (www.archeonet.be).
Vanvinckenroye, W., 1991: Gallo-Romeins aardewerk van Tongeren
(Publicaties van het Provinciaal Gallo-Romeins Museum 44), Tongeren.
LANAKERVELD
225
Velde, P. van de, 1979: On bandkeramik social structure (=Analecta
Praehistorica Leidensia 12), Leiden.
Velde, P. van de, 1997: Much ado about nothing: Bandkeramik funerary
ritual. Analecta praehistorica Leidensia 29, 83-90.
Velde, P. van de, 2008: Excavations at Geleen-Janskamperveld 1990/1991.
Analecta Praehistorica Leidensia 38/39, Leiden.
Verbaas, A., 2005: Stenen werktuigen en hun gebruik; Een onderzoek naar de
gebruikssporenanalyse op stenen werktuigen als methode en de stenen werktuigen
van Geleen Janskamperveld (ongepubliceerde doctoraalscriptie Universiteit
Leiden), Leiden.
Verbaas, A., 2008: Verslag van gebruikssporenanalyse op zeven stenen
werktuigen van de opgraving Ede-Bennekom (intern rapport Universiteit
Leiden), Leiden.
Vleeshouwer, J.J. & J.H. Damoiseaux, 1990: Bodemkaart van Nederland
1:50000. Toelichting bij kaartblad 61-62 West en Oost Maastricht – Heerlen,
Wageningen.
Vromen, H., 1982: Lineairbandkeramische graven in Haesselderveld-West
te Geleen. Archeologie in Limburg 14, 10-14.
Wahl, J., 1982: Leichenbranduntersuchungen. Ein Übersicht über die
Bearbeitungs-, und Aussagemöglichkeiten von Brandgräbern. Prähistorische
Zeitschrift 57, 1-125.
Waldus, W.B. & H.M. van der Velde, 2006 (red.): Archeologie in vogelvlucht:
toepassingsmogelijkheden van het AHN in de archeologie (Geoarchaeological
and bioarchaeological studies 6), Amsterdam.
Warrimont, J.P.L.M.N. de, 2007: Prospecting Middle Palaeolithic open-air
sites in the Dutch-Belgian border area near Maastricht. PalArch’s Journal of
Archaeology of Northwest Europe 1-3, 40-89.
Wentink, K., 2006: Ceci n’est pas une hache (doctoraal scriptie Universiteit
Leiden), Leiden.
Wersch, L. van, 2003: Rapport de stage: Inventaire et étude de la céramique des
fours de potiers mérovingiens découverts à Maastricht, Luik.
Wersch, L. van, 2004: Study of the Merovingian production centre at
Maastricht-Wyck. Medieval Ceramics 28, 19-33.
Wiepking, C., 1997: De vondsten. In: Dijkstra, J. (red.): Aanvullend
Archeologisch Onderzoek (AAO), vindplaats Kerkrade-Winckelen, verkaveling
Maar-West (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 51), 18-24.
226 LANAKERVELD
Wiepking, C., 2005: Aardewerk. In: Tichelman, G. (red.): Het villacomplex
Kerkrade-Holzkuil (ADC-archeoprojecten rapport), 177-216.
Wijk, I.M. van, 2002: Elsloo revisited: een archeologische begeleiding in de
bandkeramische nederzetting van Elsloo (Archol rapport 22), Leiden.
Wijk, I.M. van & L.G.L. van Hoof, 2005: Stein, een gemeente vol oudheden:
Een archeologische beleidskaart voor de gemeente Stein (Archol rapport 29),
Leiden.
Wijk, I.M. van & P. van de Velde, 2007: Terug naar de Bandkeramiek. In:
Jansen, R. & L.P. Louwe Kooijmans (red.): 10 jaar Archol: van contract tot
wetenschap, Leiden, 131-150.
Winter, N. de, 2007: Romeins aardewerk. In: Hoof, L.G.L. van & I. M.
van Wijk (red.): Romeinen aan de Ring. Een villa-terrein aan de Binnenring te
Landgraaf? (Archol rapport 66), 60-68.
LANAKERVELD
Bijlage 1 Sporenlijst
put vlak spoor type
5000 laag
contour
gecoupeerd diepte
SCH
nee
SCH
ja
1
1
2
1
1 paalkuil
2
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
2
1
3 paalkuil
SCH
ja
2
1
4 natuurlijke verstoring
SCH
ja
structuur opmerking
bouwvoor
10
16
2
1
5 kuil
SCH
nee
2
1
6 natuurlijke verstoring
SCH
ja
2
1
7 natuurlijke verstoring
SCH
ja
2
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
2
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
2
1
5030 laag
3
1
1 paalkuil
SCH
nee
SCH
nee
16
B(t)-horizont
23
3
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
3
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
4
1
1 kuil
SCH
ja
4
1
2 paalkuil
SCH
nee
45
mogelijk natuurlijke verstoring
4
1
3 paalkuil
SCH
ja
4
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
4
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
concentratie LBK aardewerk
35
5
1
1 aardewerkconcentratie
SCH
nee
5
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
5
1
3 paalkuil
SCH
ja
22
5
1
4 paalkuil
SCH
ja
10
5
1
5 paalkuil
SCH
ja
15
5
1
6 kuil
SCH
ja
38
5
1
7 kuil
SCH
nee
5
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
5
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
6
1
1 kuil
SCH
nee
6
1
2 aardewerkconcentratie
SCH
nee
6
1
3 kuil
SCH
ja
6
1
4 paalkuil
SCH
nee
6
1
5 paalkuil
SCH
ja
18
6
1
6 paalkuil
SCH
ja
13
6
1
7 vlek
SCH
nee
6
1
8 paalkuil
SCH
ja
6
1
9 paalkuil
SCH
ja
6
1
SCH
nee
10 natuurlijke verstoring
of vlek?
concentratie vondsten in colluvium
24
20
in profiel 6.01
6
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
6
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
7
1
1 kuil
SCH
nee
of paalkuil
7
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
7
1
5010 laag
SCH
nee
8
1
1 paalkuil
SCH
ja
14
8
1
2 kuil
SCH
ja
26
8
1
3 kuil
SCH
ja
11
8
1
4 paalkuil
SCH
ja
36
colluvium
8
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
8
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
9
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
nee
9
1
2 kuil
SCH
ja
5000 laag
9
1
10
1
10
1
11
1
11
1
12
1
12
12
boomval
29
SCH
nee
SCH
ja
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
5010 laag
SCH
nee
colluvium
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
1
2 paalkuil
SCH
ja
1
3 paalkuil
SCH
ja
17
12
1
4 kuil
SCH
ja
36
12
1
5 greppel
SCH
ja
18
12
1
6 greppel
SCH
ja
19
1 paalkuil
bouwvoor
17
17
mogelijk greppel
227
228 LANAKERVELD
put vlak spoor type
7 natuurlijke verstoring
contour
gecoupeerd diepte
SCH
ja
boomval
SCH
nee
bouwvoor
12
1
12
1
5000 laag
12
1
5010 laag
SCH
nee
13
1
1 kuil
SCH
ja
13
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
13
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
28
13
1
4 paalgat
SCH
ja
19
5 paalkuil
26
13
1
SCH
ja
13
1
5000 laag
SCH
nee
13
1
5010 laag
SCH
nee
14
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
14
1
2 kuil
SCH
ja
14
1
5000 laag
SCH
nee
14
1
5010 laag
SCH
nee
15
1
1 paalkuil
SCH
ja
2 natuurlijke verstoring
structuur opmerking
colluvium
60
vervallen wortel
boomvalletje
bouwvoor
colluvium
28
bouwvoor
colluvium
11
15
1
SCH
ja
niet gecoupeerd wel foto genomen
15
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
15
1
5010 laag
SCH
nee
16
1
1 kuil
SCH
ja
31
33
colluvium
16
1
2 kuil
SCH
ja
16
1
5000 laag
SCH
nee
17
1
1 paalgat
SCH
ja
15
2 paalkuil
14
bouwvoor
17
1
SCH
ja
17
1
5000 laag
SCH
nee
17
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
18
1
1 karrenspoor
SCH
nee
of ploegsporen
18
1
2 paalkuil
SCH
nee
18
1
3 paalkuil
SCH
nee
18
1
4 kuil
SCH
nee
18
1
5 paalkuil
SCH
nee
18
1
6 paalkuil
SCH
nee
18
1
7 kuil
SCH
ja
18
1
8 kuil
SCH
nee
bouwvoor
36
18
1
9 kuil
SCH
nee
18
1
10 kuil
SCH
ja
35
1
18
1
11 kuil
SCH
ja
121
1
18
1
12 paalkuil
SCH
nee
nee
18
1
13 paalkuil
SCH
18
1
14 kuil
SCH
nee
18
1
15 paalkuil
SCH
nee
18
1
16 paalkuil
SCH
nee
18
1
17 paalkuil
SCH
nee
18
1
18 paalkuil
SCH
nee
18
1
19 paalkuil
SCH
nee
18
1
20 paalkuil
SCH
nee
18
1
21 paalkuil
SCH
nee
18
1
22 paalkuil
SCH
nee
18
1
23 paalkuil
SCH
ja
18
1
24 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
25 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
26 recente verstoring
SCH
nee
18
1
27 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
28 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
29 paalkuil
SCH
nee
18
1
30 paalkuil
SCH
ja
18
1
31 paalkuil
SCH
nee
18
1
32 paalkuil
SCH
nee
18
1
33 paalkuil
SCH
ja
18
1
34 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
35 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
36 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
37 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
38 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
39 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
40 paalkuil
SCH
nee
1
1
1
30
1
1
21
1 dubbele paalkuil! 14 en 21 cm diep
1
1
35
1 dubbele paalkuil! 35 en 20 cm diep
LANAKERVELD
put vlak spoor type
contour
gecoupeerd diepte
18
1
41 paalkuil
SCH
ja
18
1
42 paalkuil
SCH
nee
18
1
43 paalkuil
SCH
ja
18
1
44 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
45 paalkuil
SCH
nee
1
18
1
46 kuil
SCH
nee
1
18
1
47 kuil
SCH
nee
1
18
1
48 kuil
SCH
nee
1
18
1
49 kuil
SCH
nee
1
18
1
50 kuil
SCH
nee
1
18
1
5010 laag
SCH
nee
19
1
1 kuil
SCH
ja
30
19
1
2 greppel
SCH
ja
14
19
1
3 paalkuil
SCH
nee
19
1
4 onbekend
SCH
ja
19
1
5 paalkuil
SCH
ja
35
19
1
6 paalkuil
SCH
ja
32
19
1
7 onbekend
SCH
ja
structuur opmerking
15
1 dubbele paalkuil! 15 en 6 cm diep
18
1
1
colluvium
19
1
8 paalkuil
SCH
ja
19
1
9 onbekend
SCH
ja
19
1
10 paalkuil
SCH
ja
46
19
1
11 paalkuil
SCH
ja
20
19
1
12 paalkuil
SCH
ja
16
19
1
13 paalkuil
SCH
ja
26
19
1
14 kuil
SCH
ja
22
19
1
15 natuurlijke verstoring
SCH
ja
19
1
16 natuurlijke verstoring
SCH
ja
20
1
1 kuil
SCH
ja
20
1
5010 laag
SCH
nee
21
1
SCH
ja
21
1
5010 laag
SCH
nee
23
1
1 kuil
SCH
ja
50
24
1
1 paalgat
SCH
ja
17
24
1
2 paalgat
SCH
ja
10
25
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
26
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
27
1
5000 laag
SCH
nee
28
1
SCH
ja
28
1
29
1
1 natuurlijke verstoring
1 greppel
5000 laag
1 paalkuil
SCH
nee
SCH
ja
229
18
58
kuil?
17
greppel?: zeer onregelmatig, lijkt op depressie colluvium, niet getek., wel foto
colluvium
colluvium
bouwvoor
24
bouwvoor
35
29
1
2 kuil
SCH
ja
53
31
1
1 kuil
SCH
ja
21
31
1
2 kuil
SCH
ja
34
32
1
1 greppel
SCH
nee
32
1
2 greppel
SCH
nee
32
1
3 kuil
SCH
nee
licht grijze vulling, mogelijk ijzertijd?
32
1
4 kuil
SCH
ja
32
1
5 greppel
SCH
nee
22
32
1
6 greppel
SCH
nee
32
1
7 greppel
SCH
ja
32
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
32
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
32
1
5015 laag
SCH
nee
colluvium
32
1
5030 laag
SCH
nee
B(t)-horizont
33
1
1 kuil
SCH
nee
33
1
2 kuil
SCH
ja
33
1
3 kuil
SCH
nee
33
1
4 kuil
SCH
nee
33
1
5 kuil
SCH
nee
33
1
5010 laag
SCH
nee
34
1
1 kuil
SCH
nee
34
1
2 kuil
SCH
ja
34
1
3 kuil
SCH
nee
34
1
4 kuil
SCH
nee
34
1
5 kuil
SCH
nee
23
mogelijk uitbraaklaag, bevat veel grind
21
colluvium
60
230 LANAKERVELD
put vlak spoor type
34
1
contour
gecoupeerd diepte
6 paalkuil
SCH
nee
7 paalkuil
SCH
ja
SCH
nee
SCH
ja
34
1
34
1
35
1
1 greppel
35
1
2 greppel
SCH
nee
35
1
3 kuil
SCH
nee
35
1
4 paalkuil
SCH
nee
35
1
5 kuil
SCH
nee
5000 laag
structuur opmerking
11
bouwvoor
28
35
1
6 kuil
SCH
ja
35
1
5000 laag
SCH
nee
36
1
SCH
nee
36
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
36
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
37
1
1 kuil
SCH
nee
37
1
2 paalkuil
SCH
ja
37
1
3 paalkuil
SCH
nee
37
1
4 paalkuil
SCH
nee
37
1
5 paalkuil
SCH
nee
37
1
6 greppel
SCH
ja
37
1
7 paalkuil
SCH
nee
37
1
8 paalkuil
SCH
nee
37
1
9 kuil
SCH
nee
37
1
10 kuil
SCH
nee
37
1
11 greppel
SCH
nee
37
1
12 kuil
SCH
nee
37
1
13 paalkuil
SCH
nee
37
1
14 kuil
SCH
nee
37
1
5030 laag
SCH
nee
39
1
1 greppel
SCH
ja
1 greppel
28
bouwvoor
13
40
B(t)-horizont
36
39
1
2 kuil
SCH
nee
39
1
3 greppel
SCH
nee
39
1
4 onbekend
SCH
ja
39
1
5 kuil
SCH
ja
15
39
1
6 paalkuil
SCH
ja
20
39
1
SCH
nee
40
1
1 onbekend
SCH
ja
40
1
2 paalkuil
SCH
ja
13
40
1
3 paalkuil
SCH
ja
16
40
1
4 kuil
SCH
ja
9
40
1
5 paalkuil
SCH
ja
10
40
1
6 kuil
SCH
ja
9
40
1
7 kuil
SCH
ja
25
40
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
40
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
40
1
5030 laag
SCH
nee
B(t)-horizont
41
1
1 onbekend
SCH
ja
41
1
2 paalgat
SCH
ja
24
41
1
3 greppel
SCH
ja
31
41
1
4 onbekend
SCH
ja
41
1
5 onbekend
SCH
ja
41
1
6 onbekend
SCH
ja
41
1
7 paalkuil
SCH
ja
41
1
SCH
nee
5000 laag
999 recente verstoring
bouwvoor
15
42
1
1 paalkuil
SCH
nee
42
1
2 kuil
SCH
ja
76
3 langskuil
42
1
3 paalkuil
SCH
ja
11
3
42
1
4 paalkuil
SCH
nee
3
42
1
5 kuil
SCH
nee
3
42
1
6 greppel
SCH
nee
3
42
1
7 paalkuil
SCH
nee
3
42
1
8 paalkuil
SCH
nee
3
42
1
9 paalkuil
SCH
nee
3
42
1
10 greppel
SCH
nee
42
1
11 paalkuil
SCH
ja
3
15
LANAKERVELD
put vlak spoor type
42
1
contour
gecoupeerd diepte
12 paalkuil
SCH
ja
nee
42
1
13 greppel
SCH
42
1
14 kuil
SCH
ja
42
1
15 paalkuil
SCH
nee
structuur opmerking
15
54
42
1
16 greppel
SCH
ja
42
1
17 greppel
SCH
nee
2
42
1
18 paalkuil
SCH
nee
2
42
1
19 paalkuil
SCH
nee
42
1
20 paalkuil
SCH
ja
42
1
21 paalkuil
SCH
nee
2
42
1
22 paalkuil
SCH
nee
2
42
1
23 paalkuil
SCH
nee
2
42
1
24 kuil
SCH
nee
2
42
1
25 paalkuil
SCH
nee
2
42
1
26 kuil
SCH
nee
2
42
1
27 paalkuil
SCH
nee
42
1
28 kuil
SCH
nee
42
1
29 paalkuil
SCH
nee
42
1
30 paalkuil
SCH
nee
42
1
31 paalkuil
SCH
nee
42
1
32 kuil
SCH
nee
42
1
33 kuil
SCH
nee
42
1
5010 laag
SCH
nee
43
1
1 kuil
SCH
nee
43
1
2 paalkuil
SCH
nee
43
1
3 paalkuil
SCH
nee
43
1
4 kuil
SCH
nee
43
1
5 kuil
SCH
nee
43
1
6 kuil
SCH
ja
43
1
7 greppel
SCH
nee
4 of laagw. Kuil
43
1
8 paalkuil
SCH
nee
4
43
1
9 paalkuil
SCH
nee
4
43
1
10 kuil
SCH
nee
4
43
1
11 kuil
SCH
nee
4
43
1
12 kuil
SCH
nee
4
43
1
13 paalkuil
SCH
nee
4
43
1
14 paalkuil
SCH
nee
43
1
15 paalkuil
SCH
ja
30
2 tekening op vlaktekening!
2 met mogelijke paalkuil’s er in
2
25
2
2
colluvium
87
4 langskuil?
4
11
43
1
16 greppel
SCH
nee
43
1
17 kuil
SCH
ja
43
1
18 kuil
SCH
nee
43
1
19 paalkuil
SCH
nee
43
1
20 paalkuil
SCH
ja
13
44
1
1 paalkuil
SCH
ja
18
44
1
2 greppel
SCH
nee
44
1
3 kuil
SCH
nee
4
4
32
44
1
4 kuil
SCH
nee
45
1
1 kuil
SCH
nee
5 langskuil
45
1
2 kuil
SCH
nee
5
45
1
3 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
4 paalkuil
SCH
nee
45
1
5 paalkuil
SCH
ja
45
1
6 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
7 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
8 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
9 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
10 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
11 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
12 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
13 paalkuil
SCH
nee
5
45
1
14 paalkuil
SCH
nee
45
1
15 kuil
SCH
ja
45
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
45
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
5
10
5
5
68
5 langskuil
231
232 LANAKERVELD
put vlak spoor type
contour
gecoupeerd diepte
46
1
1 paalkuil
SCH
nee
structuur opmerking
46
1
2 kuil
SCH
ja
92
46
1
3 kuil
SCH
ja
62
46
1
5010 laag
SCH
nee
47
1
1 onbekend
SCH
ja
47
1
2 paalkuil
SCH
ja
47
1
3 kuil
SCH
nee
6 langskuil?
47
1
4 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
5 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
6 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
7 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
8 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
9 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
10 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
11 paalkuil
SCH
nee
6
47
1
12 paalkuil
SCH
nee
47
1
13 paalkuil
SCH
ja
colluvium
15
6
6
6
47
1
14 paalkuil
SCH
nee
47
1
15 kuil
SCH
ja
6
47
1
16 kuil
SCH
nee
47
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
48
1
1 paalkuil
SCH
nee
of kuiltje?
48
1
2 paalkuil
SCH
nee
48
1
3 kuil
SCH
nee
7
48
1
4 paalkuil
SCH
nee
7
48
1
5 paalkuil
SCH
nee
7
48
1
6 paalkuil
SCH
nee
7
48
1
7 paalkuil
SCH
nee
48
1
8 kuil
SCH
ja
10
7
9 kuil
96
7
30
6 langskuil
of kuiltje
7
48
1
SCH
ja
48
1
10 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
48
1
11 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
48
1
12 kuil
SCH
nee
48
1
13 paalkuil
SCH
nee
48
1
14 kuil
SCH
ja
29
48
1
15 vlek
SCH
ja
2
in het vlak veel HK, niet in de coupe, veel wortelaagroei, niet getekend, wel foto
48
1
16 vlek
SCH
ja
3
in het vlak veel HK, niet in de coupe, veel wortelaagroei, niet getekend, wel foto
48
1
17 kuil
SCH
nee
48
1
18 paalgat
SCH
ja
48
1
19 paalkuil
SCH
nee
48
1
20 paalkuil
SCH
ja
48
1
21 paalkuil
SCH
nee
49
1
1 paalgat
SCH
ja
ja
18
7
16
7 behoort waarschijnlijk tot een huis
7
19
49
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
49
1
3 paalgat
SCH
ja
9
49
1
4 kuil
SCH
ja
29
49
1
5 kuil
SCH
nee
49
1
6 paalgat
SCH
ja
49
1
7 natuurlijke verstoring
SCH
ja
50
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
nee
50
1
2 kuil
SCH
ja
50
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
nee
50
1
4 kuil
SCH
ja
50
1
5010 laag
SCH
nee
51
1
1 kuil
SCH
nee
51
1
2 paalkuil
SCH
ja
18
51
1
3 paalkuil
SCH
ja
15
51
1
4 greppel
SCH
ja
3
51
1
5 greppel
SCH
ja
4
51
1
6 oven
SCH
ja
78
51
1
7 oven
SCH
nee
52
1
1 kuil
SCH
ja
16
52
1
2 paalkuil
SCH
ja
27
52
1
3 paalkuil
SCH
ja
7
mogelijk natuurlijk
19
verwortelt
22
verwortelt
104
colluvium
LANAKERVELD
put vlak spoor type
contour
gecoupeerd diepte
52
1
4 kuil
SCH
ja
52
1
5010 laag
SCH
nee
53
1
1 paalgat met paalkuil
SCH
ja
53
1
2 paalkuil
SCH
ja
5
53
1
3 paalkuil
SCH
ja
14
53
1
4 kuil
SCH
ja
18
structuur opmerking
21
colluvium
13
53
1
5 paalkuil
SCH
ja
45
53
1
6 kuil
SCH
nee
45
53
1
7 greppel
SCH
ja
29
12
mogelijk paalkuil
diepte: 45 centimeter of dieper
53
1
8 kuil
SCH
ja
53
1
9 natuurlijke verstoring
SCH
nee
verwortelt
53
1
10 natuurlijke verstoring
SCH
nee
verwortelt
53
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
54
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
54
1
5010 laag
SCH
nee
56
1
1 paalkuil
SCH
ja
56
1
2 onbekend
SCH
ja
56
1
3 paalkuil
SCH
ja
57
1
1 onbekend
SCH
nee
57
1
2 kuil
SCH
ja
38
62
1
1 kuil
SCH
ja
52
62
1
2 kuil
SCH
ja
13
63
1
5010 laag
SCH
nee
64
1
SCH
ja
64
1
SCH
nee
colluvium
65
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
65
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
65
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
65
1
4 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
65
1
5 natuurlijke verstoring
SCH
ja
boomval
65
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
65
1
5010 laag
colluvium
66
1
66
1
66
1
67
1
67
67
1 natuurlijke verstoring
5010 laag
SCH
nee
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
5010 laag
colluvium
32
of pgk?
3
?
colluvium
SCH
nee
1 greppel
SCH
ja
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
67
1
4 kuil
SCH
ja
67
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
68
1
1 kuil
SCH
nee
graf
68
1
2 kuil
SCH
nee
68
1
3 kuil
SCH
nee
68
1
4 kuil
SCH
nee
68
1
5 kuil
SCH
nee
graf
68
1
6 kuil
SCH
nee
graf
68
1
7 kuil
SCH
nee
graf
68
1
8 kuil
SCH
nee
graf
68
1
9 kuil
SCH
nee
graf
68
1
10 kuil
SCH
nee
graf
68
1
11 kuil
SCH
nee
68
1
12 kuil
SCH
ja
68
2
12 kuil
SCH
ja
68
1
13 kuil
SCH
nee
68
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
68
1
5030 laag
SCH
nee
B(t)-horizont
69
1
SCH
nee
69
1
5000 laag
SCH
nee
69
1
5010 laag
SCH
nee
70
1
1 kuil
SCH
ja
70
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
70
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
70
1
4 kuil
SCH
ja
70
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
70
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
1 paalkuil
colluvium
40
26
graf
graf
17
graf
graf, 2e vlek vanwege vondsten in coupe
bouwvoor
colluvium
30
wortel
wortel
19
233
234 LANAKERVELD
put vlak spoor type
contour
gecoupeerd diepte
71
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
structuur opmerking
boomval
71
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
wortel
71
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
71
1
5030 laag
SCH
nee
72
1
1 kuil
SCH
ja
72
1
2 onbekend
SCH
nee
72
1
3 onbekend
SCH
ja
B(t)-horizont
26
HK kuil in colluvium, recente verstoringen (zie vlaktekening)
niet gecoupeerd, want onder water
72
1
4 paalkuil
SCH
ja
72
1
5 onbekend
SCH
ja
wortel
72
1
6 onbekend
SCH
nee
wortel
72
1
7 greppel
SCH
nee
72
1
8 onbekend
SCH
ja
72
1
9 onbekend
SCH
ja
72
1
10 paalkuil
SCH
ja
72
1
11 onbekend
SCH
nee
wortel
72
1
12 onbekend
SCH
nee
wortel
72
1
13 onbekend
SCH
ja
72
1
73
1
1 paalkuil
73
1
2 onbekend
SCH
nee
74
1
1 paalkuil
SCH
ja
10
74
1
2 paalkuil
SCH
ja
15
74
1
3 paalkuil
SCH
ja
11
74
1
4 kuil
SCH
ja
16
74
1
5 greppel
SCH
ja
38
75
1
1 onbekend
SCH
nee
75
1
2 onbekend
SCH
nee
75
1
3 onbekend
SCH
ja
75
1
4 onbekend
SCH
ja
75
1
5 onbekend
SCH
ja
75
1
6 vlek
SCH
ja
75
1
7 crematiegraf
SCH
ja
75
1
8 onbekend
SCH
nee
75
1
9 kuil
SCH
ja
75
1
10 crematiegraf
SCH
ja
18
75
1
11 paalkuil
SCH
ja
24
75
1
12 paalkuil
SCH
nee
75
1
13 paalkuil
SCH
nee
75
1
14 paalkuil
SCH
ja
75
1
15 paalkuil
SCH
nee
8
75
1
16 paalkuil
SCH
nee
8
75
1
SCH
nee
76
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
76
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
76
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
76
1
4 kuil
SCH
ja
15
76
1
5 paalkuil
SCH
ja
10
5
5010 laag
5010 laag
SCH
nee
SCH
ja
18
wortel
wortel
23
colluvium
19
boomval
colluvium depressie, zeer los, recente verstoringen?
14
90
8
8
8
23
8
colluvium
76
1
6 vlek
SCH
ja
76
1
7 vlek
SCH
ja
76
1
8 vlek
SCH
ja
9 kuil
SCH
ja
39
SCH
ja
100
kuil?
recente verstoringen?
76
1
76
1
76
1
5010 laag
SCH
nee
77
1
1 kuil
SCH
ja
77
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
77
1
3 natuurlijke verstoring
SCH
ja
77
1
4 greppel
SCH
ja
77
1
5000 laag
SCH
nee
77
1
5010 laag
SCH
nee
78
1
1 kuil
SCH
ja
15
78
1
2 kuil
SCH
ja
24
of paalkuil?
78
1
3 kuil
SCH
ja
20
of paalkuil?
78
1
4 onbekend
SCH
ja
78
1
5 kuil
SCH
ja
10 greppel
kuil?
colluvium
30
vaag!
6
bouwvoor
colluvium
16
LANAKERVELD
put vlak spoor type
contour
gecoupeerd diepte
78
1
6 paalkuil
SCH
nee
structuur opmerking
9
78
1
7 paalkuil
SCH
nee
9
78
1
8 paalkuil
SCH
nee
78
1
9 paalkuil
SCH
ja
78
1
10 paalkuil
SCH
nee
9
78
1
11 paalkuil
SCH
nee
9
78
1
12 paalkuil
SCH
nee
9
78
1
13 paalkuil
SCH
nee
78
1
14 paalkuil
SCH
ja
9
12
9
9
23
9
78
1
15 paalkuil
SCH
nee
78
1
16 kuil
SCH
ja
9
78
1
17 paalkuil
SCH
nee
78
1
18 kuil
SCH
ja
15
10
78
1
19 paalkuil
SCH
ja
20
10
78
1
20 kuil
SCH
ja
16
10
78
1
5010 laag
SCH
nee
79
1
1 natuurlijke verstoring
SCH
ja
79
1
2 natuurlijke verstoring
SCH
ja
79
1
3 paalkuil
SCH
ja
9
11
79
1
4 paalkuil
SCH
ja
22
11
79
1
5 paalkuil
SCH
ja
13
11
79
1
6 vlek
SCH
ja
20
79
1
7 natuurlijke verstoring
SCH
nee
79
1
8 paalkuil
SCH
ja
16
12
79
1
9 paalkuil
SCH
ja
12
12
79
1
10 paalkuil
SCH
ja
20
12
79
1
11 paalkuil
SCH
ja
19
12
79
1
12 paalkuil
SCH
ja
21
12
79
1
5010 laag
SCH
nee
colluvium
9999
1
5000 laag
SCH
nee
bouwvoor
10
mogelijk houtskoolmeiler?
colluvium
of kuiltje
235
236 LANAKERVELD
LANAKERVELD
237
Bijlage 2 Vondstenlijst
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
1 APH
2
1
3
5010
1
2
1 SVU
2
1
3
5010
1
19.6
8.1
2 SVU
2
1
4
5010
1
3 APH
3
1
1
5010
2
4
3 SVU
3
1
1
5010
1
3.7
3 BYZV
3
1
1
5010
1
4 APH
4
1
1
5010
1
7
5 APH
4
1
1
1
6 SVU
4
1
2
5010
1
9.8
7 SVU
5
1
1
5000
1
4.4
8 APN
5
1
1
5010
2
7.8
9 SVU
5
1
5
5000
1
61
10 APN
5
1
10 SXX
5
1
11 SVU
5
1
2
5010
12 SVU
5
1
3
5010
13 SVU
2
1
5
14 SVU
2
1
5
15 SVU
6
1
1
16 APN
6
1
16 SXX
6
1
16 SVU
6
17 SVU
18 SVU
1
1
28.8 fragment van bijl
1
1
103
501.7
1
1
1
201.9
1
21.1
1
11.8
1
0.5
1
2
1
9.1
5010
3
39.2
2
5010
25
211.5
2
5010
1
50
1
2
5010
6
96.9
6
1
3
5010
1
17
6
1
4
5010
1
1.1
19 APN
6
1
1
59
462.4
19 SVU
6
1
1
5
64.6
19 SXX
6
1
1
2
452.7
20 SXX
6
1
2
1
16.6
20 APN
6
1
2
23
232.1
20 SVU
6
1
2
7
185.1
20 VKL
6
1
2
2
11.8
21 SXX
6
1
3
10
2684.5
21 APN
6
1
3
91
698.9
21 SVU
6
1
3
13
269.9
22 SXX
7
1
1
5010
11
165.7
22 MSL
7
1
1
5010
3
22 APH
7
1
1
5010
25
81.6
22 SVU
7
1
1
5010
5
46.5
22 VKL
7
1
1
5010
13
84.3
23 SXX
7
1
2
5010
12
355
23 MSL
7
1
2
5010
1
23 APH
7
1
2
5010
10
43
23 SVU
7
1
2
5010
6
163.4
203.7
2.5 mogelijk ander slak (glasslak?)
8.4 mogelijk ander slakmateriaal (glasslak?)
24 SXX
7
1
3
5010
2
24 APH
7
1
3
5010
5
16.9
24 SVU
7
1
3
5010
5
213.4
25 SVU
7
1
4
5010
4
32.6
25 APH
7
1
4
5010
5
38.9
26 APH
6
1
7
1
8.2
26 MFE
6
1
7
1
28.2
27 SVU
11
1
3
5010
2
17.5
28 SVU
11
1
4
5010
1
0.9
29 SVU
8
1
2
5010
1
5
30 SXX
2
1
1
5030
1
14.7
31 VKL
9
1
2
2
28.5
31 SXX
9
1
2
1
4.2
32 SXX
5
1
5
1
124.1
1
32 SVU
5
1
5
1
1
7.4
32 APH
5
1
5
1
4
4.4
33 SVU
6
1
3
1
7
43.8
33 APN
6
1
3
1
30
167.6
33 SXX
6
1
3
1
4
337.2
238 LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
34 APH
12
1
1
5010
3
15.7
34 SVU
12
1
1
5010
5
56.8
35 SVU
12
1
2
5000
1
21.5
36 APH
12
1
2
5010
3
21.1
37 SVU
12
1
3
5010
3
63.5
37 APH
12
1
3
5010
1
1.8
37 AMVD
12
1
3
5010
1
2.8
38 SVU
12
1
4
5010
1
21.4
38 APH
12
1
4
5010
1
3.4
39 SXX
12
1
4
2
13.9
39 BYZS
12
1
4
1
28.1
39 APH
12
1
4
5
20.8
39 SVU
12
1
4
2
2
40 APH
13
1
1
5010
4
11
41 APH
13
1
2
5010
1
38.1
41 SVU
13
1
2
5010
1
17.5
5000
1
32.4
42 BYZV
9999
44 SVU
14
1
1
5010
1
1.2
44 APH
14
1
1
5010
1
2.5
45 SVU
14
1
2
5010
1
3.7
46 SVU
14
1
3
5010
1
78.2
47 SVU
15
1
1
5010
1
15
48 APH
15
1
3
5010
1
17
49 OXX
9
1
2
1
1.1 kool? Of teer?
49 SVU
9
1
2
3
42.2
49 SXX
9
1
2
9
105.4
111.7
49 VKL
9
1
2
8
49 MSL
9
1
2
1
1.4
51 SVU
12
1
5
1
1
46.6
51 SXX
12
1
5
1
1
3.5
52 APH
12
1
4
1
2
0.9
52 SXX
12
1
4
1
2
77
52 SVU
12
1
4
1
2
20
52 BYZV
12
1
4
1
1
2.5 michelsberg pijlpunt
53 SXX
12
1
6
1
1
9999
1
5000
1
1
55 APN
19
1
1
1
56 SVU
20
1
6
5010
1
5.5
57 SVU
21
1
1
5010
1
32.1
58 APH
21
1
3
5010
3
19.4
60 SVU
13
1
5
5010
1
5.6
61 SVU
13
1
7
5010
1
12.1
62 SVU
17
1
2
5010
1
47.5
63 APN
19
1
14
1
1
2
9.1
64 APN
19
1
1
1
1
1
0.7
65 SVU
18
1
7
1
4
108.9
65 APN
18
1
7
1
17
137.8
65 SXX
18
1
7
1
1
60.7
66 APN
18
1
10
1
11
58.2
66 SXX
18
1
10
1
2
34
67 ANT
18
1
26
1
1
3.7
67 SXX
18
1
26
1
1
1.2
68 APN
18
1
17
1
2
23.1
69 APH
18
1
4
5010
1
10.9
69 MSL
18
1
4
5010
1
69 SVU
18
1
4
5010
3
43
69 SXX
18
1
4
5010
1
5.7
70 APN
18
1
7
5010
1
5.3
71 SXX
18
1
9
5010
1
54.1
71 APN
18
1
9
5010
2
10.5
72 SVU
18
1
11
1
31
1145.7
72 SXX
18
1
11
1
52
4900
72 APN
18
1
11
1
62
488.5
73 SVU
18
1
10
1
3
39.9
73 APN
18
1
10
1
42
546.7
54 BYZS
27
119.4 dissel
8.4
4.2 mogelijk ander slak (glasslak?)
LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
73 SXX
18
1
1
31.4
74 SVU
18
1
6
5010
10
1
2
201.4
74 APN
18
1
6
5010
3
3.7
74 SXX
18
1
6
5010
2
76.3
75 SVU
18
1
8
5010
1
8.7
76 SVU
9999
5000
1
2.7
77 APN
18
1
49
1
20
193.1
77 MSL
18
1
49
1
1
77 VKL
18
1
49
1
1
11
77 SVU
18
1
49
1
3
36
77 SXX
18
1
49
1
1
436.9
78 SXX
18
1
50
1
3
434.4
78 SVU
18
1
50
1
2
8.4
78 APN
18
1
50
1
11
35.1
79 APH
25
1
2
5010
2
4.9
80 SVU
26
1
4
5010
1
2.8
81 ARO
32
1
1
5015
5
29.6
81 DKP
32
1
1
5015
2
102.3
81 MFE
32
1
1
5015
1
36.3
82 ARO
32
1
1
5015
6
45.8
83 MFE
32
1
1
1
2
58.3
84 MBR
32
1
1
1
1
6.6
85 DKP
32
1
2
5
2
588.2
2.2 mogelijk ander slak (glasslak?)
85 VKL
32
1
2
5
2
14.5
85 BOUW
32
1
2
5
1
57.8
127.4
85 BKS
32
1
2
5
8
85 SVU
32
1
2
5
1
13
85 SXX
32
1
2
5
6
238.6
85 ARO
32
1
2
5
29
337.7
85 MFE
32
1
2
5
1
1.2
86 ARO
32
1
2
7
43
577.7
86 SXX
32
1
2
7
30
564.4
86 DKP
32
1
2
7
3
279.3
86 BKS
32
1
2
7
4
60.5
86 BOUW
32
1
2
7
2
9.3
86 MFE
32
1
2
7
2
17.2
87 MPB
32
1
2
5
1
15.7
87 ARO
32
1
2
5
79
1826.5
87 MFE
32
1
2
5
1
2.4
87 BKS
32
1
2
5
5
77.9
87 ARH
32
1
2
5
4
11.9
88 MSL
32
1
3
4
1
99.7
88 MFE
32
1
3
4
4
84.4
88 MPB
32
1
3
4
1
20
88 DKP
32
1
3
4
6
1214.6
88 ARO
32
1
3
4
16
270.9
88 BKS
32
1
3
4
15
440
88 BOUW
32
1
3
4
7
216.7
89 ARO
32
1
2
5015
5
27.8
89 BOUW
32
1
2
5015
1
21.6
89 MFE
32
1
2
5015
3
27.4
90 SXX
32
1
3
5030
2
3.1
90 BKS
32
1
3
5030
4
26.1
90 ARO
32
1
3
5030
2
6.1
90 BOUW
32
1
3
5030
1
4.3
91 SXX
32
1
4
5030
3
245.6
92 MFE
32
1
5
7
2
53.1
92 BKS
32
1
5
7
4
189.6
93 DKP
32
1
4
5030
3
1485.7
93 MFE
32
1
4
5030
1
28.9
93 SXX
32
1
4
5030
1
32.1
93 ARO
32
1
4
5030
15
161.2
94 ARO
32
1
4
6
2
44.8
94 DKP
32
1
4
6
3
740.9
94 BKS
32
1
4
6
3
78.3
239
240 LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
94 SXX
32
1
4
6
3
912.5
94 BOUW
32
1
4
6
2
9.1
95 BYZM
32
1
5
5015
1
4.5 Romeinse munt
96 HK
18
1
11
3
2
2.4
96 BYZK
18
1
11
3
10
159.9
96 VKL
18
1
11
3
4
124.1
96 BOT
18
1
11
3
15
5
96 SXX
18
1
11
3
28
1678.2
96 SVU
18
1
11
3
101
2009
96 APN
18
1
11
3
136
910
97 APN
18
1
11
5
14
232
97 SXX
18
1
11
5
2
369.3
97 SVU
18
1
11
5
2
19.9
100 SVU
18
1
10
1
3
155.5
100 APN
18
1
10
1
4
21.3
103 APH
12
1
4
1
10
192.2
103 SXX
12
1
4
1
4
85.7
103 SVU
12
1
4
1
4
257.4
104 MFE
32
1
6
1
1
31.5
105 MFE
32
1
4
1
2
5.9
106 SXX
36
1
1
1
1
486
107 MSL
36
1
1
1
1
16.8
107 MFE
36
1
1
1
1
11
107 BOUW
36
1
1
1
1
8
107 DKP
36
1
1
1
1
204.9
108 ARO
33
1
1
1
1
0.4
109 MPB
33
1
2
1
1
51.7
109 ARO
33
1
2
1
4
21.4
110 ARI
33
1
3
1
8
96.9
110 DKP
33
1
3
1
1
279.9
111 ARO
34
1
1
2
7
540.1
111 DKP
34
1
1
2
10
2337
112 SVU
34
1
2
5000
1
3.2
113 MBR
32
1
3
4
1
2
2.1
114 GL
32
1
2
7
1
2
6
115 GL
32
1
2
7
1
1
4.1
32
1
1
116 BYZM
5015
1
24
117 BYZS
9999
5000
1
1.5 pijlpunt
118 BYZV
9999
5000
1
5
119 BYZV
9999
5000
1
15.2
120 SVU
9999
5000
1
7.8
121 SVU
35
1
2
5000
1
6.3
122 SVU
35
1
4
5000
1
17
123 ARO
35
1
2
1
2.7
124 SVU
27
1
3
5000
1
7.3
125 SVU
28
1
1
5000
1
70.6
126 BYZS
18
1
11
1
1
2
8.9
126 BYZV
18
1
11
1
1
2
7.9
126 SVU
18
1
11
1
1
69
721.9
126 BYZK
18
1
11
1
1
37
389.5
126 SXX
18
1
11
1
1
8
2539.7
126 APN
18
1
11
1
1
30
298
127 VKL
18
1
7
1
1
2
2.1
127 SVU
18
1
7
1
1
1
1.3
127 APN
18
1
7
1
1
21
24.1
128 SXX
18
1
10
1
1
2
113
128 APN
18
1
10
1
1
16
86
128 SVU
18
1
10
1
1
4
6.8
129 SVU
34
1
4
1
11
130 APN
18
1
23
131 ANT
32
1
5
1
1
8
5000
1
2.9
131 MPB
32
1
5
5000
2
9.3
132 BKS
32
1
5
5010
5
64.2
132 ARO
32
1
5
5010
4
14.9
132 MFE
32
1
5
5010
1
11.7
LANAKERVELD
vondstnr categorie
241
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
133 DKP
33
1
1
5010
1
54.4
133 MSL
33
1
1
5010
3
191.5
133 ARO
33
1
1
5010
1
25.1
133 SVU
33
1
1
5010
1
5.7
133 BOUW
33
1
1
5010
1
6.1
133 MFE
33
1
1
5010
1
11.2
133 BKS
33
1
1
5010
2
18.1
134 AW
33
1
1
5010
8
11.7
134 ARO
33
1
1
5010
2
8.2
134 MSL
33
1
1
5010
3
46.9
134 BKS
33
1
1
5010
3
21.4
135 SXX
33
1
2
5010
14
11.3
135 ARO
33
1
2
5010
18
330.9
135 MFE
33
1
2
5010
1
13.3
135 SVU
33
1
2
5010
2
10.3
135 BKS
33
1
2
5010
10
39.6
135 DKP
33
1
2
5010
5
704.8
73.8
135 MSL
33
1
2
5010
1
136 ARO
33
1
2
5010
2
21
136 SXX
33
1
2
5010
4
11.3
136 BKS
33
1
2
5010
5
92.2
136 MSL
33
1
2
5010
2
77.9
137 ARO
33
1
3
5010
17
229.1
137 MSL
33
1
3
5010
3
137 SXX
33
1
3
5010
12
28.8 1 stukje moeilijk ander slakmateriaal
392.2
137 AW
33
1
3
5010
4
9.3
137 MFE
33
1
3
5010
2
14.7
137 BKS
33
1
3
5010
11
225
137 DKP
33
1
3
5010
3
402.3
138 BKS
33
1
5
5010
1
308.5
139 VKL
33
1
5
5010
1
7.5
139 ARO
33
1
5
5010
1
0.9
139 MFE
33
1
5
5010
1
10.5
139 SXX
33
1
5
5010
6
102.3
139 MPB
33
1
5
5010
1
14.8
139 BKS
33
1
5
5010
1
20.9
140 AML
36
1
1
5010
1
13.2
140 ARI
36
1
1
5010
1
6.3
140 AW
36
1
1
5010
2
2.3
141 MSL
36
1
2
5000
1
3
141 BKS
36
1
2
5000
1
13.9
141 MCU
36
1
2
5000
1
2.7
142 DKP
36
1
2
5010
2
40.2
143 BOUW
36
1
3
5010
4
33.9
144 ARO
33
1
4
5010
7
45.6
144 MSL
33
1
4
5010
1
80.1
144 SXX
33
1
4
5010
1
1507
144 DKP
33
1
4
5010
1
107.3
144 BKS
33
1
4
5010
6
101.2
145 AW
37
1
1
5030
2
12.8
145 SVU
37
1
1
5030
1
26
145 BKS
37
1
1
5030
1
2
146 ARO
37
1
2
5030
5
38.5
146 BKS
37
1
2
5030
1
41.6
147 ARO
37
1
3
5030
3
19.2
148 SXX
34
1
2
1
3
816.3
148 ARO
34
1
2
1
7
192.4
148 MFE
34
1
2
1
3
18.7
148 MSL
34
1
2
1
1
28.2
148 VKL
34
1
2
1
5
18.4
148 DKP
34
1
2
1
3
929.1
148 BKS
34
1
2
1
6
43.1
148 SVU
34
1
2
1
1
5
149 DKP
34
1
3
1
2
954.8
149 ARO
34
1
3
1
9
670.7
242 LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
149 MFE
34
1
3
1
2
150 ARI
34
1
5
1
1
10.3
13.8
150 SXX
34
1
5
1
1
648.8
42.2
151 MFE
35
1
6
2
151 VKL
35
1
6
1
4.4
152 ARO
39
1
3
1
155.2
152 DKP
39
1
3
3
561.6
152 MFE
39
1
3
1
14
153 SXX
39
1
5
1
44.1
89.6
153 APN
39
1
5
21
153 SVU
39
1
5
2
7.4
154 BKS
37
1
1
1
1
19.8
154 ARO
37
1
1
1
6
10.6
154 VKL
37
1
1
1
5
28.5
154 MFE
37
1
1
1
1
155 DKP
37
1
6
1
1
156 ARO
37
1
6
1
2
157 MFE
37
1
6
1
2
26.1
157 ARO
37
1
6
1
11
111.8
217.2
8.8
1654.7 ronde tegula met hoek er in
110.3
157 DKP
37
1
6
1
1
157 SXX
37
1
6
1
2
296
158 DKP
37
1
11
1
2
97.3
158 VKL
37
1
11
1
2
1.9
158 ARO
37
1
11
1
8
42.9
159 ARO
32
1
7
1
1
1.4
161 MPB
39
1
1
5000
1
9.3
162 MPB
39
1
3
5000
1
67.1
163 ARO
37
1
11
1
2
1.3
164 MFE
37
1
2
1
1
2.8
165 BOUW
32
1
4
1
1
165 VKL
32
1
4
1
27
73.1
9.4
6.6 pleisterwerk?
166 APN
42
1
8
5010
2
167 MCU
42
1
1
5010
1
6.4
168 SVU
42
1
4
5010
2
34.4
169 SVU
42
1
5
5010
1
7.9
170 SXX
42
1
2
5010
1
87.9
171 SVU
42
1
8
5010
1
1
172 SVU
42
1
10
5010
1
108.6
173 APN
42
1
2
2
13
90
173 SVU
42
1
2
2
10
65.1
174 APN
42
1
14
1
9
163
175 APN
42
1
24
1
1
7.6
176 APN
42
1
14
1
51
497.6
176 SVU
42
1
14
1
1
0.8
177 APN
43
1
16
1
2
12.5
178 SXX
43
1
6
1
6
877.7
178 APN
43
1
6
1
17
164.6
178 SVU
43
1
6
1
11
152.1
179 BYZS
43
1
6
1
1
64.6
180 APN
43
1
6
1
10
70.7
180 SVU
43
1
6
1
13
185.2
181 APN
46
1
1
5010
1
7.8
182 SVU
46
1
4
5010
1
11.1
183 SVU
46
1
6
5010
2
28.2
184 SVU
46
1
7
5010
1
4.2
185 SVU
46
1
10
5010
1
16.9
186 SVU
47
1
5
5010
1
1.5
187 SVU
47
1
6
5010
1
9.8
188 SVU
47
1
7
5010
2
27.8
189 APN
47
1
13
1
1
5.1
190 SXX
47
1
16
1
1
21.1
190 MFE
47
1
16
1
1
7.3
190 APN
47
1
16
1
14
103
190 SVU
47
1
16
1
2
6.9
LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
191 APN
45
1
1
1.8
192 BOT
45
1
8
5010
1
1
1
90.5
192 MFE
45
1
8
5010
1
12.1
193 SVU
45
1
2
5000
1
4.9
193 ARO
45
1
2
5000
1
2.6
194 SVU
45
1
1
5000
1
42.3
195 SVU
45
1
15
1
54.1
195 APN
45
1
15
2
4.4
196 APN
45
1
1
2
8
49.7
197 APN
45
1
1
3
4
12.5
197 SVU
45
1
1
3
1
396.9
197 SXX
45
1
1
3
3
1227.1
198 SXX
47
1
15
1
14
1134.8
198 APN
47
1
15
1
75
839.7
198 SVU
47
1
15
1
54
1173.7
199 BYZV
47
1
15
1
1
201 SVU
42
1
2
2
14
84.3
50.8 dissel
201 SXX
42
1
2
2
4
324.5
201 APN
42
1
2
2
30
234.7
202 MFE
40
1
1
5010
1
8.4
202 BKS
40
1
1
5010
1
47.8
202 SVU
40
1
1
5010
1
127.5
203 DKP
40
1
4
5000
1
197.1
204 SVU
40
1
8
5030
1
4.1
204 APH
40
1
8
5030
1
2.2
205 BOUW
41
1
3
9
19.8
208 APH
40
1
5
2
29.4
209 APH
40
1
4
1
2.4
210 MFE
40
1
5010
2
46.6
211 BKS
41
1
999
2
3
35.9
212 SVU
47
1
15
1
1
33
50.3
212 SXX
47
1
15
1
1
2
0.5
212 VKL
47
1
15
1
1
2
32
212 APN
47
1
15
1
1
32
185.9
12.4
2
1
213 SXX
48
1
2
1
2
214 APN
48
1
2
2
3
9.7
215 SXX
48
1
15
1
229.6
75.6
216 SVU
50
1
5
5010
2
217 APH
50
1
6
5010
3
15
218 APH
50
1
7
5010
1
27.6
218 SVU
50
1
7
5010
1
44.4
219 SXX
51
1
5
2
12.2
219 APH
51
1
5
1
4.4
220 VKL
51
1
6
17
81.2
220 AMV
51
1
6
6
169
221 APH
52
1
2
5010
2
4.4
222 APH
53
1
1
5010
7
19.8
223 APH
53
1
2
5010
4
64.1
224 SVU
53
1
3
5010
1
55.2
225 SVU
53
1
4
5010
2
354.2
226 APH
53
1
2
8
46.1
227 APH
53
1
7
3
21.7
228 AML
53
1
8
2
57.2
229 SVU
54
1
5010
1
142.4
45.2
3
230 SVU
54
1
4
5000
1
231 APH
54
1
5
5010
2
7.9
232 SXX
62
1
1
3
37.3
232 VKL
62
1
1
2
74.5
232 APH
62
1
1
11
116.1
233 SVU
62
1
2
1
32.4
234 SVU
63
1
1
5010
2
185.9
235 SVU
64
1
1
5010
1
7.1
235 SXX
64
1
1
5010
1
16.5
236 SXX
64
1
2
5010
1
40.1
236 SVU
64
1
2
5010
2
92.1
243
244 LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
236 APH
64
1
2
5010
4
33.1
237 SVU
64
1
3
5010
1
28.3
238 SVU
64
1
4
5010
1
42.9
239 SVU
65
1
1
5000
3
57.6
240 APH
65
1
4
5010
1
1.2
240 SVU
65
1
4
5010
1
1.2
241 SVU
66
1
1
5010
1
37.1
241 AML
66
1
1
5010
1
8.7
242 AML
66
1
5
5010
1
8.7
242 SVU
66
1
5
5010
2
27.1
243 SVU
56
1
3
1
8.2
244 SVU
67
1
1
5010
1
5.1
245 APH
67
1
2
5010
1
5.4
246 SVU
9999
1
5000
3
48.9
247 APN
68
1
1
5030
3
54.9
248 SVU
68
1
2
5000
2
190.9
249 SVU
68
1
4
5000
3
42.6
250 SVU
68
1
5
5000
1
49.3
251 SVU
68
1
3
5000
3
70.4
252 APN
68
1
1
1
3.6
253 APN
68
1
3
3
7.9
254 APN
68
1
5
1
11
49.6
255 BYZS
68
1
5
1
1
44.7
256 BYZS
68
1
12
1
532.6
257 BYZS
68
1
12
2
41.9
258 BYZK
68
1
12
76
142.4
260 SVU
69
1
5010
5
271.2
261 VKL
69
1
2
5010
1
9.3
261 APH
69
1
2
5010
23
127.8
261 MSL
69
1
2
5010
1
261 SXX
69
1
2
5010
1
2
261 SVU
69
1
262 ARO
69
1
263 SVU
69
1
264 SVU
70
1
1
265 SVU
70
1
266 APH
70
267 APH
70
268 APH
2 mogelijk ander slak (glasslak?)
9.6
5010
3
73.9
5010
1
11.5
5000
1
3.7
5010
1
3.6
2
5000
1
39.1
1
2
5010
6
98.3
1
3
5010
5
24.7
70
1
4
5010
1
6.5
269 APH
70
1
5
5010
2
2.1
270 HK
70
1
4
1
2.7
22.3
270 APH
70
1
4
5
270 SXX
70
1
4
3
3.1
271 SVU
71
1
1
5010
1
67.9
271 HK
71
1
1
5010
1
2.1
271 VKL
71
1
1
5010
11
36.7
271 APH
71
1
1
5010
5
22
272 APH
71
1
2
5010
5
6.5
273 SVU
71
1
4
5030
1
3.9
274 SVU
72
1
2
5010
1
37.2
275 BKS
72
1
6
5010
1
11.3
275 APH
72
1
6
5010
1
10.1
276 AMV
72
1
9
5010
1
15
277 DKP
51
1
1
6
1270.6
6
277 AMV
51
1
6
1
116
3100
277 BKS
51
1
6
1
3
205.3
277 SXX
51
1
6
1
4
545.6
278 AMV
51
1
6
2
123
3300
278 DKP
51
1
6
2
34
5800
278 SXX
51
1
6
2
7
958.7
279 BOT
51
1
6
83
35
279 VKL
51
1
6
200
13800
1178.5
279 DKP
51
1
6
3
279 SVU
51
1
6
2
3300
279 SXX
51
1
6
10
8564.8
LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
281 APH
70
1
1
1
1
0.4
281 SXX
70
1
1
1
2
10.4
282 BYZK
68
1
12
1
1
9
13.5
284 BYZS
68
2
12
1
1
1
41.2
285 BYZV
68
2
12
1
1
1
76.4
286 BYZV
68
2
12
1
1
1
1.8
298 APH
62
1
1
1
1
24
182.8
298 SXX
62
1
1
1
1
2
104.8
298 VKL
62
1
1
1
1
1
2.7
299 SXX
18
1
7
5010
3
27600
301 APH
72
1
2
1
1
2.5
301 AML
72
1
2
1
4
77.1
302 APH
72
1
7
303 BKS
67
1
1
1
1
1
1
2.5
1
13.7
303 OXX
67
1
304 SVU
75
1
4
5010
1
1
3.1 kool of teer?
304 APH
75
1
4
5010
11
16.9
305 APH
75
1
5
5010
3
20.3
152.8
15.3
306 DKP
75
1
9
5010
1
307 APH
75
1
10
5010
4
9.6
308 SVU
75
1
6
1
13.2
308 SXX
75
1
6
1
115.8
309 CR
75
1
7
20
3.8
309 APY
75
1
7
13
23.1
310 CR
75
1
7
310 APY
75
1
7
8
388.8
311 APH
75
1
8
4
13.3
312 SVU
75
1
10
1
1
2
47.7
312 SXX
75
1
10
1
1
2
3.5
312 OXX
75
1
10
1
1
3
312 CR
75
1
10
1
1
2
1.3
312 APY
75
1
10
1
1
18
168.4
313 APB
75
1
10
1
1
25
313 APY
75
1
10
1
9
236.6
10
1
27.5
313 CR
75
1
315 MCU
75
1
10
5010
1
316 BKS
76
1
4
5010
1
1 mogelijk kool of teer
41.5
8.4
198.4 Recent
317 BYZV
9999
5000
1
318 BYZV
9999
5000
3
26.5
37
319 APY
53
1
1
1
1
7.3
320 SXX
53
1
7
1
1
310.3
321 SVU
53
1
8
1
1
3.9
321 ANT
53
1
8
1
1
9.3
321 AW
53
1
8
1
2
11
321 MFE
53
1
8
1
3
121.5
321 SXX
53
1
8
1
2
27.2
322 APY
78
1
15
1
1
323 SVU
78
1
8
5010
1
6.3
324 APY
78
1
9
5010
1
13.6
10
5010
325 SVU
78
1
326 AMV
78
1
16
2
2.9 2,9
1
3.3
2
3.8
327 SXX
78
1
19
1
1
138.1
333 APH
79
1
4
1
1
21.1
334 APH
79
1
5
1
1
0.7
335 APH
79
1
8
1
2
7.1
336 SVU
79
1
3
5010
4
70.4
336 APH
79
1
3
5010
8
54
337 APH
79
1
4
5010
7
46.1
27.9
338 SVU
79
1
5
5010
1
338 APH
79
1
5
5010
9
62
339 AMV
79
1
6
5010
2
15.9
339 SVU
79
1
6
5010
1
2.4
339 APH
79
1
6
5010
1
9.2
340 APH
79
1
7
5010
6
33.3
245
246 LANAKERVELD
vondstnr categorie
put vlak vak spoor vulling segment aantal gewicht opmerking
341 APH
75
1
14
1
342 APH
75
1
15
1
1
1
100.6
343 SVU
76
1
9
1
344 APH
79
1
10
345 APH
79
1
11
346 CR
75
1
7
346 APY
75
1
7
353 AMV
51
1
6
15
354 DKP
51
1
6
354 AMV
51
1
6
355 SVU
77
1
4
5010
1
13
355 APH
77
1
4
5010
1
2.7
3.3
1
1.1
1
1
3.7
1
1
3
33.8
1
1
1
1.6
75.2
2
62.1 oorspronkelijk 7 fragmenten
16
301.3
10
2
134.8
10
14
81.6
356 APH
77
1
5
5010
2
357 SVU
77
1
7
5000
1
7.3
358 SVU
77
1
7
5010
1
27.5
358 ARO
77
1
7
5010
1
13.5
359 SVU
77
1
9
5010
1
19.6
360 KER
75
1
11
1
2.3 Romeins
360 APH
75
1
11
1
4.7
360 SXX
75
1
11
3
1750.2
LANAKERVELD
247
Bijlage 3 Boorbeschrijvingen
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X-Coördinaat:
Y-Coördinaat:
Maaiveld:
1
A.Verpoorte & E.Meijs
4-11-2007
Edelman
173.723
320.489
60,3 m +NAP
Diepte Beschrijving
Interpretatie
0-40
Leem (silt loam), donkerbruin
Bouwvoor
40-175
Licht kleiige leem, geelgrijs, veel ijzeraders & Fe-spikkels, weinig Mn, ondergrens scherp
175-480 Licht kleiige leem, bruingeel, homogeen, bandjes van zandige leem met gley-verschijnselen, weinig Fe en Mn ‘Brabant löss’
480-505 Zandige leem, geelgrijs tot donkergrijs, beetje Fe, witte schelpspikkels
Nagelbeek-horizon met top ‘patina-complex’
505-507 Grind en grof zand, bruingrijs
Top Caberg-terras
507
Einde boring
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X- Coördinaat:
Y- Coördinaat:
Maaiveld:
2
A.Verpoorte
4-11-2007
Edelman
173.807
320.424
60,65 m +NAP
Diepte
Beschrijving
Interpretatie
0-40
Leem (silt loam), donkerbruin, houtskool, puin
Bouwvoor
40-160
Licht zandige leem, bruingrijs, weinig Fe en Mn
160-425 Licht zandige leem, geelgrijs, homogeen bandjes van zandige leem met gley-verschijnselen, weinig Fe en Mn
‘Brabant löss’
425-450 Licht zandige leem, grijs, scherpe ondergrens
Nagelbeek-horizon
450-485 Zeer lemig fijn zand, geeloranje, enkele schelp-spikkel, beetje Fe en Mn, scherpe ondergrens
Patina-complex
485-520 Licht zandige leem, grijs, Fe-stippen en roestvlekken
520-540 Fijn en grof zand, gelaagd, bruingrijs en lichtgrijs, Fe-concreties tussen 520 en 522, Mn, grindjes (tot 2 cm ø) aan de basis, scherpe ondergrens
540-545 Zeer kleiige leem, grijs, roestvlekken, scherpe ondergrens
545-555 Zandig grind, grijs, grindjes tot 3 cm ø
555
Top Caberg-terras?
Einde boring
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X- Coördinaat:
Y- Coördinaat:
Maaiveld:
3
A.Verpoorte
5-11-2007
Edelman
173.107
320.204
66,2 m +NAP
Diepte Beschrijving
Interpretatie
0-45
Leem, donkerbruin, grindjes
Bouwvoor
45-130
Licht zandige leem, bruingeel, weinig Fe en Mn, zandig bandje
130-615 Leem, licht zandig, licht kleiig, geelgrijs, homogeen, zandiger en kleiiger bandjes met gley-verschijnselen ‘Brabant löss’
615-680 Leem, grijs, naar onder donkerder grijs, Fe-vlekken, scherpe ondergrens
Nagelbeek-horizon
680-710 Licht zandige leem, geel tot oranje, Fe en Mn, naar onder minder zandig, scherpe ondergrens
Patina-complex
710-720 Licht zandige leem, grijs, roestvlekken
(foto)
720-850 Licht zandige leem, geeloranje naar grijs (onder), geband, beetje Fe, Mn-spikkels en Mn-huidjes
850
Einde boring, geen grind aangeboord
248 LANAKERVELD
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X- Coördinaat:
Y- Coördinaat:
Maaiveld:
4
A.Verpoorte
5-11-2007
Edelman
173.349
320.345
63,2 m +NAP
Diepte
Beschrijving
0-45
Leem, grijsbruin
Interpretatie
Bouwvoor
45-170
Licht kleiige leem, bruin met witte aders en vlekken
Colluvium?
170-415 Leem, licht zandig, geelgrijs, homogeen, zandiger en kleiiger bandjes
‘Brabant löss’
415-520 (licht) kleiige leem, grijs, naar onder donkerder, beetje Fe, scherpe ondergrens Nagelbeek-horizon (foto)
520-540 Zandige leem, geeloranje, Mn-spikkels en Mn-concreties, grindje aan basis
Patina-complex
540-545 Kleiige leem, geeloranje, veel Mn-spikkels
545
Einde boring, geen grind aangeboord
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X- Coördinaat:
Y- Coördinaat:
Maaiveld:
5
A.Verpoorte
5-11-2007
Edelman
173.923
320.329
60,3 m +NAP
Diepte
Beschrijving
Interpretatie
0-40
Leem, donkerbruin, puin
Bouwvoor
40-100
Licht kleiige leem, bruingrijs
Colluvium
100-480 Leem, geelgrijs tot bruingeel, homogeen, kleiiger banden, bovenin meer Fe-vlekken, onderin kleiiger en grijzer ‘Brabant löss’
480-500 Licht kleiige leem, grijs tot donkergrijs, scherpe ondergrens
Nagelbeek-horizon
500-528 Zandige leem, geel tot oranjegeel, Mn-spikkels, enkel schelp-stipje, scherpe ondergrens
Patina-complex
528-530 Grindje
Top Caberg-terras?
530
Einde boring
Boornummer:
Beschrijver:
Datum:
Boortype:
X- Coördinaat:
Y- Coördinaat:
Maaiveld:
6
A.Verpoorte
6-11-2007
Edelman
173.275
320.047
64,45 m +NAP
Diepte
Beschrijving
Interpretatie
0-40
Leem, donkerbruingrijs
Bouwvoor
40-90
Leem, bruingrijs
90-625
Licht zandige leem, geelgrijs, zandiger en kleiiger bandjes met grey-verschijnselen
‘Brabant löss’
625-700 Licht kleiige leem, donkergrijsgeel, Fe-vlekken, scherpe ondergrens
Nagelbeek-horizon
700-750 Zandige leem, oranjegeel, beetje Fe en Mn
Patina-complex
750-751 Zand met grindjes (tot 5 mm ø), oranjegeel, scherpe ondergrens
Patina-complex
751-760 Licht kleiige leem, bruingeel, Mn-spikkels
760-800 Licht kleiig zand, bruingrijs, kwartskorrels, leembandje (2cm)
800-810 Zand, grindjes, waaronder groenige zandsteen en witte kalksteen (?)
810
Einde boring
Top Caberg-terras
1
1
1
1
1
1
1
5
6
6
6
vindplaats
2
2
2
24 18
24 18
24 18
24 18
24 18
24 18
vlak
1
1
1
1
1
1
53 47
53 48
123 68
123 68
1
53 45
53 47
1
53 43
53 47
1
53 43
53 42
1
1
24 18
1
1
24 18
53 42
1
24 18
53 42
1
1
24 18
1
1
1
put
2
spoor
12
12
2
15
15
16
1
6
6
2
14
14
11
11
11
11
10
10
10
49
17
7
3
3
1
1
vulling
1
2
1
1
1
1
1
1
2
1
1
1
5
3
1
1
1
1
1
1
1
segment
ndividuen
4
1
6
1
0
4
2
6
0
0
versierd
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
1
0
5
5
5
2
0
1
1
9
1 76
0
1
0
0
3
0
0
0
0
0
0
0
0
0
3 24
0 11
0
1
0
3
4
3
1
6
3 13
8 33 113
3 12
1
1
3
3
0
5
0
0
0
0
onversierd
totaal 47 201 141
1 282
258
214
1 212
198
190
191
180
178
201
176
174
1 126
97
96
72
1 128
66
73
77
68
65
1 33
21
19
10
vondstnr
vak
limburg aw
1
1
0
1
6
0
0
0
1
1
2
1
6
1
6
1
0
0
2
2
0
2
1
4
2
1
1
1
0
0
0
1
0
0
0
0
1
0
3
0
0
1
1
0
0
0
0
0
0
0
0
wand
0 42 10
0
1
rand
1
potdeel
0
0
0
2
5
2
0
0
1
0
4
1
1
0
5
4
0
0
0
1
1
1
0
6
3
1
oor
6 38
1
1
0
0
1
0
0
0
1
0
0
0
1
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
bodem
hals
0
0
1
9
0
0
0
1
1
1
1
9
9
9
0
1
1
1
0
0
1
1
1
1
0
7 48
1
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
4
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
magering
potgruis
grindofkwarts
rectilineair
1
1
0
1
2
1
1
0
1
0
1
0
1
0
3
3
0
1
1
1
0
2
1
0
0
0
curvilineair
0
0
1
0
0
0
0
0
1
1
0
0
1
2
4
0
1
0
1
0
0
0
0
1
0
0
1
1
0
0
2
0
0
0
0
1
0
0
0
0
1
2
1
0
0
0
0
1
0
0
0
0
golf
9 22 13 10
0
0
0
1
1
0
0
0
0
0
1
1
0
0
1
0
0
0
1
0
0
0
1
1
1
0
spiraal
1
1
1
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
1
4
0
0
0
1
1
0
1
0
0
0
0
rand
3 12
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
1
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
versieringtypen
1
1
1
1
0
1
1
0
1
0
1
0
3
2
8
3
1
1
2
1
0
2
1
1
0
0
wand
6 33
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
1
0
2
1
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
wand
Bijlage 4 LBK Aardewerk
wand
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
1
1
1
4
0
1
1
0
0
0
1
0
0
0
0
knobbeloor
0
0
0
1
2
0
0
1
1
0
2
1
0
0
4
2
0
0
2
0
1
1
0
2
2
1
0
0
0
1
1
1
0
0
0
0
2
0
2
0
1
1
0
0
0
1
0
0
0
2
1
0
bandoor
5 11 23 13
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
1
0
0
1
0
0
0
0
0
0
1
1
0
0
vinger/nagels
opmerkingen
9
0 uit grafcontext, LBK 1C-2B met randversiering
0 uit grafcontext, LBK 1C-2B met randversiering
0 LBK 1D/2B
0 steil profiel LBK 1B/C
6 LBK 1C/D met non-LBK en Limburg (nagelindrukken )
0 LBK 1D/2B
0 LBK 1D
0
0 LBK 2A/b
0 LBK 1C
1 stafband, opstaande rand, samengeknepen vingers bandje
1 met opstaande rand!
0 LBK 1D
0 LBK 1C
0 1 stafbandje LBK 1C/1D 1 fles!
1 LBK 1C met non-lbk
0 LBK 1C/D 1 fles
0 LBK 1D
0 LBK 1C
0
0
0 LBK 1D steile potvorm
0 LBK 1D
0 LBK 1D
0 LBK 1D/2B klein onversierd duimpotje
0
LANAKERVELD
249
250 LANAKERVELD
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
124 53
124 53
124 53
124 54
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
124 75
1
1
1
124 79
124 79
124 79
1
1
124 79
124 79
124 79
1
1
124 79
1
124 79
1
1
124 78
124 79
1
124 78
124 79
1
1
124 77
1
1
124 53
1
1
124 53
124 77
1
124 52
124 75
1
124 51
xx
xx
7
6
5
4
3
xx
xx
xx
9
xx
5
4
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
10
5
4
5
xx
xx
xx
2
1
2
xx
11
10
5010
5010
5010
5010
5010
8
5
4
5010
15
5010
5010
11
7
15
14
10
10
10
8
7
7
5010
5010
5010
5010
1
7
2
5010
5010
5010
5
345 1 brokje
344 3 sterk verbrande scherven; waarvan 1 licht uitstaande rand, 3ledig mogelijk licht geknikt en tegen de Schrägranden aan; vooral chamotte en iets licht mineraal
340 4 deels passende fragmenten zeer veel fijne grindmagering (mero? / MK?) Komt ook in put 12 voor!!), 2 sec verbrand (1 tot puimsteen)
339 1 fijn gemagerde, geruwde wandscherf
338 8 wandscherven, 1 besmeten, 3 heftig verbrand, chamotte en zand, 1 heel misschien aanzet lijnversiering
337 6 zwaar verbrand, licht mineraal, 1 licht verbrand en 1 dunwandig gepolijst scherfje (fijn mineraal gemagerd)
336 5 gegladde scherven (3 verbrand) met fijne minerale en chamotte-magering; 2 besmeten scherven
335 licht mineraal, 2 wandscherfjes geglad
334 1 brokje
333 1 scherf reducerend, fijne+plantaardige magering
324 1 geglad, reducerend, licht minerale magering
322 geglad wandscherfje
356 2 scherfjes, chamotte
355 wandscherfje licht mineraal
360 1 wandscherfje, chamotte
346 7 scherven deze kunnen met vondstnummer 310 worden samengeplakt tot een zeer incomplete pot met wel bijna compleet profiel: vlakke bodem, uitstaande buik daarna snel insnoerend naar rand die waarschijnlijk heel licht uitstaat; reducerend
342 1 brokje
341 1 grote randscherf, aan binnenzijde secundair verbrand; chamotte + licht mineraal, iets naar buiten staand (fase A-B)
313 voor 3/4 van omtrek complete komvormige (ondiepe) Henkeltasse met 1 klein oortje, sterk verbrand
313 dikke, zeer grof kwartsgemagerde naar buiten staande gevlakte rand: MBT
312 9 kruimels; 3 verbrande scherven, 1 scherf met oxiderende buitenzijde en 5 niet passende scherven van pot met geronde buik en drie parallelle groeven op hals, reducerend, fijne magering
311 4 wandscherfjes reducerend, fijne magering
310 2 fragmenten van zelfde vorm als vondstnummer 346
309 delen van passende scherf met buitenzijde zwaar gepolijst reducerend, binnenzijde door fijne minerale magering ruw
307 4 ijzertijdwandscherfjes
305 2 verbrande wandscherven + brokje; chamotte + fijne minerale magering
304 sterk verbrande scherven van een klein dunwadig, licht 3-ledige vorm. Meeverbrand bijpotje?
231 scherf, reducerend, oxiderende buitenzijde, licht secundair verbrand; chamotte, iets mineraal? [YT]
319 1 wandscherf
227 1 zwart brokje; 1 reducerende scherf met oxiderende buitenzijde, veel zwarte brokken in magering (reducerende chamotte? Vrij ontypisch voor YT); 1 halsfragment sterk gekromd (gesloten vorm met iets uitstaande rand?) reducerend met oxiderende buitenzijde; chamotte met iets mineraal (LBT?)
226 6 brokjes, 2 scherven (1 bodem), reducerend binnen, oxid buiten, steengruis, licht sec verbrand
223 3 grote scherven secundair verbrand (mogelijk geruwd/besmeten oppervlak maar door borstelen afgesleten), mineraal en chamotte?; 1 scherfje reducerend, oxiderende buitenzijde, fijn mineraal [VYT???]
222 4 scherfjes (zelfde pot) beige, geglad, chamotte met zand; 3 reducerend met secundair verbrande buitenzijde, ook iets grovere magering (LYT??)
221 1 scherfje dun, reducerend, geglad, chamotte+zand [YT/toch LBK?]
219 scherfje reducerend, oxiderende buitenzijde; chamotte
vind- put vlak vak spoor vondst Beschrijving
plaats
nummer
Bijlage 5 Laat-prehistorisch aardewerk
LANAKERVELD
251
252 LANAKERVELD
LANAKERVELD
Bijlage 6. Aardewerk uit de Romeinse tijd
Aantal Materiaal
Baksel
3 DIKW
9 DOLIUM
6 DOLIUM
GLADW
1 GEBRONSD
Type
Vorm
Indet
Indet
Indet
DO
Indet
DO
VANVINCK291
BE
1 GEVERFD
TECH.A
Indet
BO
2 GEVERFD
TECH.A
Indet
Indet
4 GEVERFD
TECH.B
Indet
Indet
1 GEVERFD
TECH.B
NB32
BE
Indet
Indet
13 GLADW
1 GLADW
GEEL
Indet
Indet
5 GLADW
GELIG
Indet
Indet
1 GLADW
GESMOOKT TIENEN B11b
BE
1 GLADW
ORANJE
Indet
BO/KO
5 GLADW
ROZIG
Indet
Indet
1 GLADW
WIT
BR22B
BO
25 GLADW
WIT
Indet
Indet
5 INHEEMS
Indet
Indet
8 K&A
Indet
AMF
1 K&A
VANVINCK458/459
KA
3 METAALGLANSWAAR
ARGOMT
Indet
Indet
1 METAALGLANSWAAR
ARGOMT
NB33
BE
BR36
WS
1 MORTARIA
2 MORTARIA
DATbegin DATeind
75
125
140
275
150
250
100
200
225
250
200
300
0
400
Indet
WS
2 MORTARIA
DIKW
BR36
WS
0
400
1 MORTARIA
DOLIUM
BR36
WS
0
400
1 MORTARIA
DOLIUM
Indet
WS
1 MORTARIA
INDET
BR36
WS
0
400
3 MORTARIA
RUWW
BR36
WS
0
400
BR22B
BO
100
200
300
2 RUWW
147 RUWW
Indet
Indet
NB120B
DE
175
NB89
KP
140
260
7 RUWW
ST201A
KP
40
260
3 RUWW
VANVINCK477
KP
150
200
1 TS
DRAG18/31
BO
80
120
1 TS
DRAG32
BO
175
260
2 TS
DRAG37
KO
100
260
1 TS
DRAG37
KO
120
175
1 TS
DRAG43/45
WS
150
260
6 TS
Indet
Indet
1 RUWW
10 RUWW
253
254 LANAKERVELD
255
LANAKERVELD
Bijlage 7 Natuursteen per steensoort
Steensoorten in bodemlagen
Steensoort
LBK
Late bronstijd LBT-IJzertijd
IJzertijd
Prehistorie
Romeins
Vroege middeleeuwen Niet gedateerd
Totaal
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
Tefriet
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
15
62.5
-
-
-
-
15
24.6
Graniet
1
9.1
-
-
-
-
-
-
-
-
0.0
-
-
-
-
1
1.6
Dieptegesteente
1
9.1
-
-
-
-
-
-
-
-
0.0
-
-
-
-
1
1.6
Kwarts
1
9.1
-
-
-
-
-
-
-
-
4.2
-
-
-
-
2
3.3
Amfiboliet
1
9.1
-
-
-
-
-
-
-
-
0.0
-
-
-
-
1
1.6
Fylliet
1
9.1
-
-
-
-
-
-
-
-
0.0
-
-
-
-
1
1.6
Leisteen
-
-
2
9.1
-
-
-
-
-
-
Kwartsiet
3 27.3
3
13.6
-
-
-
-
-
-
1
0.0
-
-
1
33.3
3
4.9
3
12.5
-
-
-
-
9
14.8
Kwartsitische zandsteen
-
-
12
54.5
-
-
-
-
-
-
3
12.5
-
-
-
-
15
24.6
Zandsteen
3 27.3
5
22.7
-
-
-
-
1
100
1
4.2
-
-
2
66.7
12
19.7
1
4.2
-
-
-
-
1
1.6
24 100.0
0
0
3
100
Kalksteen
Totaal
-
-
-
-
-
-
-
-
-
11 100
-
22
100
0
0
0
0
1
100
61 100.0
Steensoorten in grondsporen
Steensoort
Basalt
LBK
Late bronstijd LBT-IJzertijd
IJzertijd
Prehistorie
Romeins
Vroege middeleeuwen Niet gedateerd
Totaal
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
N
%
1
0.7
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
0.4
Tefriet
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
9
39.1
-
-
2
15.4
11
4.9
Kwarts
3
2.1
3
37.5
-
-
1 11.1
-
-
2
8.7
-
-
-
-
9
4.0
Amfiboliet
2
1.4
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
2
0.9
Fylliet
1
0.7
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
7.7
2
0.9
1
Leisteen
0.7
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
0.4
Kwartsiet
42 29.4
-
-
-
-
-
-
-
-
3
13.0
-
-
2
15.4
47
21.0
Kwartsitische zandsteen
29 20.3
21.9
Conglomeraat
Zandsteen
3
37.5
1
10
2 22.2
-
-
3
13.0
6
33.3
5
38.5
49
0.7
-
-
-
-
1 11.1
-
-
-
-
-
-
-
-
2
0.9
55 38.5
2
25.0
9
90
5 55.6
-
-
6
26.1
9
50.0
3
23.1
89
39.7
1
Siltsteen
3
2.1
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
5.6
-
-
4
1.8
Oker
4
2.8
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
4
1.8
Kalksteen
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
2
11.1
-
-
2
0.9
Niet gedetermineerd
1
0.7
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
0.4
143 100
8
100
10
100
9 100
0
0
23
100
18
100
13
100
Totaal
224 100.0
256 LANAKERVELD
79
79
79
54
54
20
21
32
336
339
338
230
229
56
57
85
53
224
53
50
216
53
50
218
225
78
321
78
75
308
325
75
304
323
76
343
40
46
185
204
46
184
40
46
183
202
46
182
75
77
358
72
77
359
274
77
355
312
77
45
195
357
56
243
45
28
125
45
27
124
194
26
80
193
put
vondstnr.
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
2
1
6
3
4
5
6
3
4
xx
3
5
7
10
8
8
1
2
xx
xx
4
xx
10
7
6
4
7
9
4
7
1
2
xx
xx
1
3
4
vlak vak
Bijlage 8 Vuursteen
5 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5000 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
8 terras?
5010 Lanaye
5010 Lanaye (1x ?)
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5030 Lanaye (grofkorrelig)
5010 Lanaye
5010 Lanaye (grofkorrelig)
10 Lanaye (1 vrij grofkorrelig)
6 Lanaye (grofkorrelig)
5010 Lanaye
9 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Banholt
5010 Lanaye
5010 Lanaye
zwaar gebutst afslag-fragment, antropogeen? Verweerd
afslagje, sterk glanzend
omschrijving
korte kopkrabber (grote duimkrabbervorm)
eluviaal, lichte ijzerinspoeling onder
cortext, lijkt niet significant genoeg
geen
terras(? Eluviaal?)
eluviale cortex
terras
terras
terras
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal
terras
terras
terras?
eluviaal
terras
terras
xx
xx
terras
terras?
xx
terras
xx
eluviaal/terras
xx
terras
terras (of secundaire verwering?)
terras
eluviaal
terras
eluviaal/terras
brokje
brokje
brokje
brok
brok
verbrand brok
1 brokje
4 brokjes
2 brokken
afslagje
grote vage afslag
2 brokken
brok
afslagje
fijne mediale kling
afslagje
klopsteen
grote, brede afslag met afslagnegatieven op ventrale zijde, maar lijkt ook op rand stuk sprake van te zijn
2 vrij grote (decorticatie)afslagen
(preparatie)afslag (nog onregelmatige buitenzijde)
decorticatieafslag
distaal deel krabber die deels op krabberkop, voor groter deel op zijkant bijgeretoucheerd is
brok
afslagje
2 grove preparatieafslagen
mediale (decortificatie)afslag
kernpreparatieafslag?
kernpreparatieschijf voor aanleg afwerkvlak?
brok
grote eindkrabber met zeer grote corextdelen, zelfs op schrabberkop, op brede zware afslag gemaakt
kernvernieuwingsafslag
gebroken grof fragment dat aan ventrale zijde duidelijk terras-splijtingen toont, dorsaal mogelijk antropogeen bewerkt.
Geen eenduidige functie, groot brok
kernpreparatie?
secundaire cortex, naar cortex grofkor- restkern, multipolair en daarna grof gebutst, kleine klingetjes; meso?
religer
geen
eluviale cortex
Herkomst
5010 Haspengouws (zeer glasach- eluviaal
tige Rijckholt)
5000 Rullen? (lichtgrijs, veel fijne
spikkels)
5000 Lanaye
5000 Lanaye/Haspengouws
15 Lanaye
3 Lanaye met grofkorrelige
witte vlekken
5000 Lanaye
5000 Valkenburg?
5010 Rijckholt-achtig
spoor Soort
LANAKERVELD
257
43
15
6
6
6
6
6
6
6
6
180
47
17
18
16
15
19
20
33
21
42
168
43
42
171
178
42
172
42
42
196
173
47
198
42
47
212
42
47
190
201
47
186
176
47
35
122
47
34
129
188
34
148
187
34
112
35
37
145
39
33
135
153
33
133
121
put
vondstnr.
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
xx
xx
xx
xx
1
2
4
3
1
xx
xx
xx
xx
xx
4
8
10
5
xx
xx
xx
5
7
6
xx
2
4
xx
xx
2
1
2
1
vlak vak
3 Lanaye (een enkele zeker
Banholt) + 1 Simpelveld
3 Lanaye
2 Lanaye
1 Lanaye
5010 Banholt
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
6 Lanaye
6 Lanaye (Banholt), 1x
Valkenburg
2 Lanaye (waar vaststelbaar
Benholt, 1x terras)
2 Lanaye waarvan 2 zeker
Banholt
14 Lanaye
5010 1 grofkorrelige Lanaye + 1
sterk gespikkeld
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
15 Lanaye (indien cortex vaak
Banholt, enkele keer terras)
15 7 Banholt, 2 verbrand, 1 terras, rest Lanaye
16 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye/Lousberg
5010 Lanaye
5 Lanaye
5000 Lanaye
5000 Lanaye
4 Lanaye
2 terras
5000 Lanaye
5030 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
spoor Soort
eluviaal + terras
2 terras
1 terras, 2 eluviaal
2 eluviaal, 1 terras
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal
verweringscortex, eluviaal?
eluviaal
eluviaal
eluviaal, 1x terras
eluviaal
xx
eluviaal
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal, wat terras
eluviaal + 1 terras
eluviaal
xx
xx
xx
terras?
terras
terras
xx
terras
terras
eluviaal
terras
terras
Herkomst
2 fitters brok terras; klopsteen van multi-polair gebruikte restkern; 1 preparatieafslag terras; 4 debitageafslagen; 2 preparatieafslagen, 1 decorticatieafslag (Banholt) 1 geretoucheerde boor op kling en 1 driehoekige spits op Simpelveld-vuursteen
1 brokje terras, 1 afslag grofkorrelig terras; 2 afslagjes, 1 microdebitage, 1kernvernieuwingsafslag; 1 aan beide kanten geretoucheerde kling
1 brok terras; 2 decorticatieafslagen eluviaal??, 1 afslagje grofkorrelig + 1 schuin geknotte kling: spits?
1 preparatieafslag terras; 2 decorticatieafslagen eluviaal, 1 verbrand afslagje
3 decorticatieafslagen
1 brokje terras; 3 decorticatieafslagen + preparatieafslag grofkorrelig eluviaal; 1 grove preparatieafslag glasachtig Lanaye
afslagje
geretoucheerde afslag
afslag
3 decorticatieafslagen (Lanaye, eluviaal Banholt?), 1 multipolaire restkern; 5 preparatieafslagjes (Lanaye), 2 afslagen met
mooi snijvlak waarvan 1 geretoucheerd (Lanaye), 1 kling (Lanaye)
3 microdebitage, 3 debitage (Lanaye), 3 afslagen (1 zeker Banholt, rest Lanaye), 1 brok Valkenburg, 1 grove afslag Vlk/grove
Lanaye; 2 mediale klingen Banholt
2 decorticatieafslagen (Banholt met cortex), 2 preparatieafslagen (1 zeker Banholt), 1 geretoucheerde kling (driehoekig in
doorsnede, terras), 4 klingen Lanaye waarvan 1 met aan binnenzijde geretoucheerde rand
5 preparatieafslagen + 2 debitage (alle Lanaye waarvan 2 zeker Banholt, 1 met cortex), 3 klingetjes (donkere Lanaye), 1
zware afslag (donkere Lanaye), 1 korte kopkrabber op driehoekige afslag Lanaye
afslagje
grove voorbrereidingsafslagen
decorticatieafslag
brok
afslag
4 debitage (Lanaye), 3 brokken (Lanaye, 1 terras, 1 eluviaal), 1 als klopsteen gebruikte restkern (Lanaye), 9 grote grove afslagen voor eerste vorming (1 terras, 5 eluviaal (die zeker Banholt, rest Lanaye, 1 licht verbrand); 7 decorticatieafslagen (3 zeker
Banholt, 2 licht verbrand, alle eluviaal), 22 afslagen (waarvan 5 Banholt en 5 fijne afslagen, rest zijn feitelijk preparatieafslagen; 7 eluviale cortex), 6 klingen (1 preparatiekling; 3 zeker Banholt, 1 eluviale cortex); 2 kernvernieuwingsstukken (waarvan
1 verjongingstablet met eluviale cortex, Banholt); 1 distaal uiteinde gebroken mediale eindschrabber, Lanaye)
31 stuks vuursteen: 15 debitage (waarvan 1 verbrand, 1 Banholt en 1 mogelijk Simpelveld, rest Lanaye); 12 afslag (3 Banholt,
1 verbrand, rest Lanaye); 4 decorticatieafslagen (1 terras, 3 Banholt)
1 decorticatieafslag + 1 afslagje
afslag (bijloppervlak of geslepen terras?)
brok (Lousberg) + kernvernieuwingsafslag (Lanaye, mogelijk Banholt)
ruwe afslag met encoche-achtige zijde; sterke ijzeraanreiking op ruggen
aflagje
brokje
brokje
grove afslag
brokje
brokje
decorticatieafslag / halve orgelpijp?
brokje
brokje (mogelijk afslagje???)
omschrijving
258 LANAKERVELD
18
128
1
1
3
4
5
5
5
5
14
14
14
12
12
12
12
12
12
6
12
11
7
9
46
45
44
38
34
51
52
52
39
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
3
2
3
2
1
1
3
2
96
1
2
18
126
1
2
18
72
1
1
13
18
126
1
1
1
1
1
1
1
1
14
18
18
126
18
18
65
97
1
18
127
18
18
77
18
18
78
73
18
74
100
1
18
75
1
18
69
xx
xx
xx
xx
1
4
1
2
3
5
1
2
3
2
1
1
xx
xx
4
3
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
xx
6
8
4
vlak vak
put
vondstnr.
4 Lanaye
4 Lanaye
4 Lanaye
5 Lanaye/Rullen
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye?/Rullen
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5000 Lanaye
5000 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Rullen???
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5 Lanaye
5 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye (of Rullen?)
11 Lanaye
11 Lanaye (Banholt)
11 Lanaye (Banholt)
11 Lanaye
11 Lanaye
11 Lanaye
10 Lanaye
10 Lanaye (1x Banholt)
10 Lanaye
7 Lanaye
7 Lanaye
49 Lanaye
50 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye (Banholt?)
5010 Lanaye
spoor Soort
eluviaal
xx
terras?
terras
eluviaal
terras
xx
xx
eluviaal
eluviaal
terras???
eluviaal
xx
xx
xx
eluviaal
eluviaal
terras
xx
xx
eluviaal (knol zou ook terras kunnen
zijn)
eluviaal
eluviaal
xx
xx
eluviaal
eluviaal
eluviaal
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal
xx
xx
eluviaal
eluviaal?
Herkomst
2 debitageafslagen
druppelvormige spits met alleen randretouche
brok
brok
3 brokken, 1 preparatieafslag, 1 debitageafslag
brok
afslagje
grove afslag
ruwe preparatieafslag
ruwe multipolaire restkern, als klopsteen gebruikt?
brokje
afslag (als steker te gebruiken?)
grove (kernvernieuwings)afslag
mediaal fragment grote, brede kling
afgebroken snededeel geslepen bijl met gefacetteerde zijkanten, als kern hergebruikt
grove afslag
afslagje
afslag
ruwe afslag
grove afslag
1 knol, 2 brokken; 5 decorticatie (1 verbrand met mogelijke secundaire retouche), 1 preparatieafslag (grof ), 1 kernvernieuwingsafslag; 3 afslagen, 2 klingen, 2 klingfragmenten, 1 geretoucheerde kling; 2 debitageklingen; 44 debitageafslagen (2
verbrand); 28 vreemd grove debitageafslagen; 1 klopsteen; 1 aangetaste dikke afslag (mogelijk oude kopkrabber); 1 mogelijke dunne kopkrabber op afslag; 1 kopkrabber op klingfragment; 1 kopkrabber op afslag; 1 boor (?) op vreemde ruwe
afslag met riviercortex
7 decorticatieafslagen (2 zeker Banholt), 10 brokken; 2 verbrande ruwe afslagen; 26 ruwe afslagen (zeer slechte kwaliteit,
vuursteenknol met veel onzuiverheden??); 21 debitageafslagen; 3 afslagen, 3 debitageklingetjes; 1korte eindkrabber op
gebroken kling (deels nog cortex); deze zak mag nog wel gewassen worden!!!
5 decorticatieafslagen (preparatie, grof; 3 duidelijk Banholt), 1 idem verbrand; 2 ruwe preparatieafslagen; 3 kernvernieuwingsafslagen, 1 regelmatige kernpreparatieafslag; 1 kling met hoogglans; 1 eindkrabber op distaal klingfragment; 2 decorticatieafslagjes; 2 preparatieafslagen, 5 debitageafslagen; 1 klingetje, 1 afslag, 1 klingfragment, 1 klingsegment; 1 afslag met
encoches; 1 afslag zeer grofkorrelige Rijckholt
eindkrabber op smalle kling (distaal fragment)
1 klassieke asymmetrische spits; 1 kopkrabber op afslag
1 decorticatieafslag
1 grove preparatieafslag; 1 debitage-afslagje; 1 geretoucheerde afslag (zijkrabber?)
1 decorticatieafslag Banholt; 1 preparatieafslag; 1 geknotte kling/afslag
1 decorticatieafslag licht verbrand; 1 preparatieafslagje verbrand; 1 debitageafslagje; 1 smalle kling
1 grote kernvernieuwingsafslag met eluviale cortex; 2 debitageafslagjes; 1 preparatieafslag; 1 klingetje
preparatieafslagje
1 preparatieafslag, 1 afslagje, 1 ruw geretoucheerd notched tool rond cortex
1 brokje, 1 preparatieafslag
1 afslagje + 1als klopsteen gebruikte restkern (nauwelijks nog oorspronkelijk oppervlak zichtbaar, maar lijkt uni- of bipolair!)
decorticatieafslag
brok
omschrijving
LANAKERVELD
259
12
63
65
65
17
62
64
64
64
64
66
66
67
69
69
69
68
68
68
234
239
240
62
233
235
237
236
238
241
242
244
260
261
263
248
249
251
11
9
8
7
7
27
49
29
24
23
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
51
1
119 9999 zuiden van
put 19
279
42 9999 vlakbij kruis
12-13
7
22
11
7
265
28
70
264
25
71
70
273
68
12
37
103
71
13
60
271
1
13
61
250
1
13
41
1
12
35
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Valkenburg
5000 lichtgrijs Belgisch
spoor Soort
xx
2
3
2
xx
3
4
4
1
2
1
4
1
5
3
4
2
xx
2
xx
1
5
1
4
2
3
1
xx
2
4
1
1
xx
terras?
eluviaal
xx
terras
eluviaal
eluviaal
terras
1 terras, 1 eluviaal
eluviaal
xx
terras
xx
eluviaal
eluviaal?
eluviaal
xx
eluviaal??
eluviaal
xx
eluviaal
eluviaal
eluviaal
eluviaal
terras
eluviaal
xx
xx
Herkomst
Lanaye
6 Lanaye
Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
2 Lanaye
5010 Lanaye (1? Veel intrusies)
5010 grofkorrelige Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye
xx
eluviaal
xx
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal
eluviaal
eluviaal
1 eluviaal, 1 terras
2 terras, 1 eluviaal
5000 Lanaye? (Zeer veel intrusies) eluviaal
5010 Lanaye
5030 Lanaye?
5010 Lanaye
5000 Lanaye?
5000 Lanaye
5000 Lanaye
5000 Lanaye
5000 Lanaye?
5010 Lanaye
5010 Lanaye (1 zeer donker)
5010 Lanaye
5010 Lanaye
5010 zeer grofkorrelige Lanaye?
5010 lichtgrijs Belgisch
5010 Lanaye
5010 Lanaye?/Rullen
5010 Lanaye
2 Lanaye
5010 Lanaye
5010 Lanaye/Rullen
5000 Lanaye
5010 Lanaye
4 [niet spoor 4?] 2 Lanaye, 1 Valkenburg
3
5
7
2
2
vlak vak
put
vondstnr.
eindkrabber op afslag
2 grote knollen
fraaie spitskling
4 brokken met cortex (knollen, 1 mogelijk enkele klingen afgeslagen), 1 mooie steile kopkrabber op slecht gevormde afslag
4 brokken (1 mogelijk als klopsteen gebruikt)
afslag
2 brokken met cortex, 1 brokje zonder
1 brok, 1 afslag
debitageafslagje
1 brokje, 1 debitageafslag, 1 brok terras, 1 mediaal segment grote, brede, geretoucheerde kling
2 brokjes (terras), 1 decorticatie
preparatieafslag / halffabrikaat kopkrabber?
afslagfragment
brokje
brok / decorticatie
1 kegelvormige restkern met smalle, regelmatige klingnegatieven
1 brok, 2 afslagjes?
3 brokken sterk afgesleten ribben maar 1 zou meso-kern kunnen zijn en 1 kernpreparatieafslag
2 knollen
1 brokje
1 brok terras; 1 decorticatieafslag + 1 debitageafslag
4 brokken; 1 decorticatie met mooie afslagnegatieven
preparatieafslagje
2 decorticatieafslagen
brok
planoconvex mes (1 zijde mooi rond en geretoucheerd; andere ruw gelaten)
2 brokken
brok
afslag met duidelijk multipolaire ribber (dwars op slagrichting deze afslag)
decorticatieafslag ruw
brok
1 afslagje
1 brok met cortex; 1 afslagje, 1 grove afslag
1 onbewerkte knol
klopsteen (multipolaire restkern?, Lan) 2 afslagen
2 decorticatieafslagen en 1 afslag
brokje
afslag met encoches
bijlafslag, gefacetteerd
sterk gepatineerd brok met geretoucheerde randen
omschrijving
260 LANAKERVELD
2
68
6
7
7
5
6
18
18
18
18
12
33
39
43
43
45
47
42
286
20
22
24
32
33
69
72
96
97
103
135
153
178
180
197
198
201
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
??
??
76 9999
xx
xx
xx
xx
xx
xx
2
4
xx
xx
xx
4
xx
xx
3
1
xx
xx
2 terras
15 terras
3 terras
6 terras
6 terras
5 terras
5010 terras
terras
11 terras?
11 terras
11 terras
5010 terras
3 terras
5 terras
5010 terras
5010 terras
2 terras
12 Banholt
Lanaye
Lanaye
Rullen + Lanaye
318 9999 direct ten N
van put 47
246 9999
Lanaye
terras
terras
terras
terras
terras
terras
terras
terras
terras?
terras
terras
terras
terras
terras
terras
terras
terras
eluviaal
eluviaal
xx
eluviaal
xx
xx
317 9999 direct ten N
van put 46
Herkomst
Lanaye
spoor Soort
120 9999 westen van
put 19
vlak vak
Lanaye (zeer fijn gestippeld, xx
Rullen?)
put
118 9999 westen van
put 19
vondstnr.
1 kei vuursteen
2 keien vuursteen
1 kei vuursteen
1 afslagbrok
1 kei vuursteen
1 brokje
1 brokje
1 orgelpijp
1 brok
4 splinters
2 keien vuursteen
2 keien vuursteen
1 kei vuursteen
1 kei vuursteen
1 kei vuursteen; ook nog een brokje verbrande leem
2 keien vuursteen
2 keien vuursteen
decorticatieafslag
1 brok, 1 decorticatieafslag, 1 restkerntje meso?
geknotte kling met sikkelglans?
brokje met romig witte cortex (Rullen?), 1 brokje glasachtige Lanate met eluviale cortex, 1 klingsegment Lanaye (? Veel fijne
spikkels)
eindschrabber op vrij grote afslag
platte eindkrabber op afslag
platte eindkrabber op klingetje
omschrijving
LANAKERVELD
261
262 LANAKERVELD
32
32
39
33
33
33
33
33
33
33
36
36
34
34
34
35
39
37
37
39
39
37
42
47
45
40
69
75
113
116
131
133
133
134
135
136
139
139
141
141
148
148
149
151
152
154
157
161
162
164
167
190
192
202
261
315
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
8
1
2
10
1
1
3
1
5
1
1
1
2
2
5
5
2
2
1
5015
5000
5010
5010
5010
5010
5010
5010
5010
5000
5000
2
2
3
6
3
1
6
5000
5000
2
5010
16
5010
5010
5010
5010
5015
1
2
1
3
2
1
1
1
1
1
1
1
3
1
2
1
1
2
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
objecttype
slak?
slak?
spijker?
slak?
slak?
slak?
fibula
spijker
spijker?
metaalbewerkingsafval?
metaalbewerkingsafval?
slak
spijker
haak
indet
spijker
munt
spijker
spijker?
metaalbewerkingsafval?
10,3
41,6
13,4
8,3
26
9,2
65
2,9
6,5
7,3
12
7,9
1,8
4
24
8,9
10,6
191,3
46,8
73,5
77,8
10,5
14,8
2,2
2,7
27,6
lood
lood
ijzer
ijzerslak
ijzerslak
ijzerslak
ijzerslak
ijzer
lood
koperlegering
?
ijzerslak
ijzer
ijzer
ijzer
ijzer
ijzer
ijzer
lood
lood
ijzer
koperlegering
ijzer
ijzer
ijzer
?
koperlegering
staaf
lakenlood
spijker
slak
slak
slak
slak
spijker
metaalbewerkingsafval?
munt
slak?
slak
spijker
spijker
spijker
spijker
spijker
spijker
plaat
plaat
spijker
metaalbewerkingsafval
spijker?
spijker?
spijker?
slak?
ring?
2,1 koperlegering fibula
vondstnr put vlak vak spoor aantal gewicht metaal
22
7
1
1 5010
3
2,6 ?
23
7
1
2 5010
1
8,5 ?
26
6
1
7
1
28,2 ijzer
49
9
1
2
1
0,9 ?
69 18
1
4 5010
1
4,2 ?
77 18
1
49
1
2,3 ?
84 32
1
1
1
1
6,6 koperlegering
85 32
1
2
5
1
0,8 ijzer
86 32
1
2
7
2
16,3 ijzer
87 32
1
2
5
1
1,8 ijzer
87 32
1
2
5
1
15,2 lood
88 32
1
3
3
1
19,5 lood
88 32
1
3
4
1
99,5 ijzerslak
88 32
1
3
4
2
ijzer
88 32
1
3
4
1
ijzer
88 32
1
3
4
1
ijzer
93 32
1
4 5030
1
28,3 ijzer
95 32
1
5 5015
1
4,5 koperlegering
104 32
1
6
1
31,4 ijzer
105 32
1
4
1
5,9 ijzer
109 33
1
2
1
lood
Bijlage 9 Metaal
Subrecente munt
NT
-
-
ROM
-
ROM
Fragment van een gebogen plaatje. Sterk verweerd, dus waarschijnlijk middeleeuws of ouder
fragment
2 complete spijkers
langwerpig, driehoekig plaatje
omgebogen ronde (?) loden plaat
1 x schoenspijker (Romeins)
Afgevloeid brons
fragment
fragmentjes
fragment
2 x complete spijker, 1 x fragment
1 x schoenspijker (Romeins), 1 x spijkerfragment
2 fragmenten van spijkers
Fragment spijker. Vierkante doorsnede
ME-NT
ROM
Draadfibula met uitgehamerde beugel, die versierd is met drie rijen puntjes. Naaldhouder, veer en naald ontbreken.
Datering 100-200 na Chr.
loden stift
2 x lakenlood
ROM
-
2 x fragment
Mogelijk gebogen spijker?
brok
fragment
As? Niet nader determineerbaar
Draadfibula type Almgren 15. Naald ontbreekt. Datering 75-200 na Chr.
brokje
2 complete spijkers
fragment
ROM
-
opmerking
datering
LANAKERVELD
263
264 LANAKERVELD
LANAKERVELD
265
Bijlage 10
Verslag van een Archeologische Begeleiding op het
Lanakerveld
I.M. van Wijk
266 LANAKERVELD
Colofon:
Verslag van een Archeologische Begeleiding op het Lanakerveld te Maastricht
Opdrachtgever:
Contactpersoon opdrachtgever:
Gemeente Maastricht
drs. G.C. Soeters
Uitvoering:
drs. I.M. van Wijk (projectleider)
drs. L. Meurkens (veldarcheoloog)
drs. J. Peters (veldarcheoloog)
drs. M. Pruisen (veldarcheoloog)
dhr. M. Gast (veldtechnicus)
dhr. P. van de Geer (veldassistent)
dhr. A. Porreij (veldassistent)
dhr. Hari Thomissen
dhr. A. Manders (vrijwilliger metaaldetectie)
Auteur :
drs. I.M. van Wijk
Beeldmateriaal:
ing. S. Shek
drs. I.M. van Wijk
Autorisatie:
drs. I.M. van Wijk
© Archol bv, Leiden 2009
Postbus 9515
2300 RA Leiden
267
LANAKERVELD
1 Inleiding
In de nabije toekomst zal het plangebied Maastricht-Lanakerveld in het
uiterste noordwesten van de gemeente Maastricht ontwikkeld gaan worden
ten behoeve van woningbouw en lichte industrie. Op betreffende locatie
wordt in het kader van de ontwikkeling van de Vinex-locatie Lanakerveld
een fietspad gerealiseerd (figuur 1). Het fietspad wordt aangelegd binnen
een groenzone. Naast het fietspad worden greppels aangelegd ter afwatering
en tevens worden enkele waterbassins gegraven binnen de groenzone.
In en nabij het plangebied voor het fietspad zijn bij het archeologisch
vooronderzoek diverse vindplaatsen aangetroffen. De begrenzing van de
vindplaatsen kon daarbij slechts globaal worden vastgesteld. Het is daardoor
zeer wel mogelijk dat enkele vindplaatsen zich uitstrekken tot in het tracé
van het fietspad. Hoewel op grond van de beschikbare archeologische
informatie wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet direct
nodig is, maakt deze begeleiding het mogelijk om bovenstaande veronderstelling te verifiëren.1
Figuur 1
17 40 00
17 45 00
Locatie fietspad in het plangebied
17 50 00
84
62
2
Plangebied
Vindplaatsen RAAP
82
Fietspad
86
3
80
24
16
24
18
29
121
34
31
27
28
77
78
14
17
56
13
32 05 00
32 05 00
25
N
5
0
25 0m
53
17 40 00
1 Soeters, Van der Gauw & Peters 2008.
17 45 00
17 50 00
268 LANAKERVELD
Het veldwerk vond plaats van 17 september tot 3 oktober 2008. Het
onderzochte oppervlak bedraagt ongeveer 7500 m2.
Administratieve gegevens
Datum per procesonderdeel
Veldwerk AB:
Basisuitwerking/verslag:
september-oktober 2008
december 2009
Opdrachtgever
Uitvoerder
Bevoegd gezag
Gemeente Maastricht
Archeologisch Onderzoek Leiden (Archol BV)
Gemeente Maastricht
Locatie
Gemeente:
Plaats:
Toponiem:
Maastricht
Maastricht
Lanakerveld
Depot
Maastricht
Gemeentelijk Depot voor Bodemvondsten
Archol-code
ABL1220
Gemeente-code
2008.MALD.B
CIS-code
30844
Archis vondstmeldingsnummer
Coördinaten:
406009
ZW: 173.910 / 320.359
ZO: 174.865 / 321.014
Geomorfologie Lössplateaus op maasterrasafzettingen (Caberg-3).
De vindplaatsen liggen op ca 51-65m + NAP.
Bodem
Bergbrikgrond (BLb6).
LANAKERVELD
269
2 Landschappelijk kader
Het plangebied Lanakerveld ligt in het voor Zuid-Limburg kenmerkend
Pleistoceen heuvellandschap. Dit lösslandschap bestaat voornamelijk uit
betrekkelijk vlakke Pleistocene rivierterrassen die voor, en in mindere mate
ook na, de afzetting van een dik pakket löss door erosie zijn versneden. Het
plangebied ligt in en op de rand van een erosiedal; het Zouwdal. Een kleiner
droogdal doorsnijdt het plangebied precies halverwege het deel van het
plangebied dat zich tussen de van Akenweg en Lanakerweg bevindt.
Bodem: voornamelijk bergbrikgronden en ooivaaggronden. In lager gelegen
terreindelen is afgespoelde löss in de vorm van colluvium afgezet
Het terrein wordt doorsneden door de veldweg Lanakerweg, die als holle
weg in het landschap aanwezig is. De weg is een van de historische radiale
wegen die vanuit de vesting Maastricht in alle windstreken verliepen. Laat
Middeleeuwse kavelgrenzen (vanaf 1400) schemeren nog vaag door in de
huidige verkaveling. Uit de AHN blijkt dat er vroeger meerdere graften in
het plangebied aanwezig waren.
270 LANAKERVELD
3 Archeologisch kader
De archeologische waarden in het plangebied zijn door middel van een
proefsleuvenonderzoek nader in kaart gebracht. In opdracht van de
Gemeente Maastricht heeft Archeologisch Onderzoek Leiden BV (Archol) in
samenwerking met de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden
een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven
uitgevoerd op deze locatie. Het proefsleuvenonderzoek bestond uit de
waardering van 12 vindplaatsen in het noordelijke deel (bedrijventerrein) en
6 vindplaatsen in het zuidelijke deel (woningbouwlocatie). Daarnaast zijn er
drie nieuwe vindplaatsen aangetoond.
Het Inventariserend Veldonderzoek op het Lanakerveld heeft geresulteerd
in een rijk en gevarieerd vondstassemblage uit verschillende perioden. Het
gaat om meerdere bandkeramische nederzettingen, twee grafvelden uit de
bandkeramiek en de late prehistorie, twee nederzettingsterreinen uit de late
prehistorie, een nederzettingsterrein – mogelijk een villa - uit de Romeinse
tijd en een vermoedelijke nederzetting uit de vroege middeleeuwen
met aanwijzingen voor aardewerkproductie in de vorm van twee ovens.
Het onderzoek heeft de aanwezigheid van een divers cultuurlandschap
aangetoond dat de verwachtingen aaanzienlijk te boven gaat maar wellicht
nog een grotere rijkdom kent in zijn niet-onderzochte delen.
In totaal zijn 19 vindplaatsen door middel van proefsleuven onderzocht. In
het noordelijk deel van het plangebied, dat ontwikkeld gaat worden voor de
bouw van het Nederlandse deel van het bedrijventerrein Europark zijn 12
vindplaatsen onderzocht. Van oost naar west gaat het om de vindplaatsen
2, 61, 62, 82, 84, 24, 3, 18, 29, 31, 66 en 42. Daarnaast zijn in dit deel
van het plangebied op basis van het proefsleuvenonderzoek twee nieuwe
vindplaatsen gedefinieerd, namelijk vindplaats 122 en 123. Verder zijn op
basis van het verkennend booronderzoek in het noordwestelijke deel van
het Lanakerveld nog twee attentiegebieden aangewezen waar mogelijk
paleolithische vindplaatsen aangetroffen kunnen worden (vindplaats 125 en
126).
In het zuidelijke deel van het plangebied waar een nieuwe woonwijk moet
gaan verrijzen zijn in totaal zes vindplaatsen onderzocht. Van west naar oost
zijn dat de vindplaatsen 76, 73, 22, 4, 53 en 67. Daarnaast zijn ter hoogte
van het in de vorige eeuw onderzochte neolithische Erdwerk ten oosten van
de Brusselseweg enkele sleuven gegraven om te kijken of dit monument
zich ten westen van de Brusselseweg doorzette. Op basis van het proefsleuvenonderzoek is binnen dit deel van het plangebied één nieuwe vindplaats
gedefinieerd, namelijk vindplaats 124.
Het fietspad zal de volgende vindplaatsen doorsnijden of in de nabijheid van
deze vindplaatsen komen:
VP29; VP31; VP61; VP62; VP66; VP82:
Kleine vuursteenconcentraties (niet behoudenswaardig)
VP28:
Kleine vuursteenconcentratie (niet gewaardeerd)
VP2:
LBK nederzettingsterrein & late bronstijd- ijzertijdnederzetting:De vindplaats
heeft twee verschillende groepen sporen opgeleverd. Eén daarvan is als
LANAKERVELD
271
bandkeramisch te bestempelen. De datering van de andere groep is niet
geheel duidelijk, aangezien geen eenduidig dateerbaar vondstmateriaal is
aangetroffen. Vooralsnog wordt deze groep in de periode late bronstijdvroege middeleeuwen geplaatst. De sporen zijn vermoedelijk onderdeel van
vindplaats 122 (zie paragraaf 6.2.11), een uitgestrekt nederzettingsterrein
uit de late bronstijd / ijzertijd. De bandkeramische sporen van vindplaats 2
lijken samen met vindplaatsen 19, 20 en 23 (buiten het huidige plangebied)
onderdeel uit te maken van een uitgestrekt nederzettingsterrein. De
vindplaats is groter dan aangegeven door RAAP en strekt zich verder in
zuidwestelijke richting uit.
VP24:
LBK nederzettingsterrein
Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat het bij deze vindplaats
duidelijk een bandkeramisch nederzettingsterrein betreft. De vindplaats is
verkend door middel van twee proefsleuven. Hierin is een huisplattegrond
van het type 1b uit fase 1c/1d aangesneden. Verspreid liggende kuilen
en paalkuilen suggereren dat elders op de vindplaats meer structuren
aangetroffen kunnen worden.
De begrenzing van het nederzettingsterrein is op basis van het proefsleuvenonderzoek groter getrokken dan de indicatieve begrenzing van de vindplaats
die door RAAP is aangegeven. Drie eindschrabbers, die tijdens het proefsleuvenonderzoek aan het oppervlak gevonden zijn, wijzen er bovendien
op dat de vindplaats vermoedelijk ook in zuidwestelijke richting verder
doorloopt.
VP77:
LBK nederzettingsterrein (ongewaardeerd)
VP123: LBK grafveld:
Vindplaats 123 is een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk type
vindplaats: een bandkeramisch grafveld. De grenzen van vindplaats 123 zijn
niet precies vastgesteld. Het vermoeden bestaat echter dat slechts een klein
gedeelte van een grafveld is aangesneden. Wat betreft het aantal graven
waaruit het grafveld bestaat kunnen alleen vergelijkingen gemaakt worden
met andere bekende grafvelden, waar het aantal graven varieert van een
tiental tot meer dan honderd.
VP16; VP25; VP27; VP34; VP86:
nederzettingsterreinen Midden-Neolithicum (ongewaardeerd)
VP78; VP80:
Nederzettingsterrein Neolithicum (ongewaardeerd)
VP122:
nederzettingsterrein Late-Bronstijd-IJzertijd.
In de gehele onderzochte zone tussen de vindplaatsen 24, 84 en 82 (behalve
waarschijnlijk in de putten 68 en 69) moet rekening gehouden worden met
nederzettingssporen uit de late bronstijd. Deze nederzetting zet zich door
over vindplaats 82 en mogelijk ook over de vindplaatsen 62 en 2 waarvan
het slechts gescheiden is door een zone waarin geen proefsleuven zijn
gegraven.
272 LANAKERVELD
Het meeste aangetroffen vondstmateriaal komt – evenals in de
bandkeramische nederzettingen – uit de grondsporen. Aangezien geen
uitspraken gedaan kunnen worden over de ligging van de kuilen binnen
het nederzettingssysteem op basis van het beperkte proefsleuvenonderzoek,
moeten deze vindplaatsen als één archeologische zone worden beschouwd
waarbinnen nog geen kernen of erven kunnen worden aangewezen of
begrensd.
VP18:
Nederzettingsterrein/villaterrein Romeinse tijd
Vindplaats 18 is een goed geconserveerde vindplaats uit de Romeinse tijd.
De vindplaats kan gekarakteriseerd worden als een omgreppeld nederzettingsterrein, waarbinnen vermoedelijk één of meerdere houten gebouwen
met een pannendak gestaan hebben. Het ontbreken van stenen bouwpuin en
baksteenproducten anders dan dakpannen lijkt tegen de aanwezigheid van
een stenen gebouw te pleiten. De bij het proefsleuvenonderzoek aangetroffen
sporen bestaan hoofdzakelijk uit greppels en grote kuilen. Bij de aanleg
van het greppelsysteem, waarbij de hoeken precies in de richting van de
windstreken wijzen, is een strakke maatvoering gehanteerd. De vindplaats
lijkt zich grotendeels te beperken tot het gebied binnen de dubbele
omgreppeling. De vindplaats loopt met zekerheid door op het Belgische deel
van het bedrijventerrein Europark. Op basis van het vondstmateriaal kunnen
op of in de nabijheid van de vindplaats ook sporen van ambachtelijke
activiteiten in de vorm van potten- of pannenbakkersovens verwacht worden.
Het aardewerk dateert de bewoning in de 2de en 3de eeuw. Er is ook wat
aardewerk uit de vroege middeleeuwen (Merovingische periode) en mogelijk
ook de laat-Romeinse tijd aanwezig. Bewoningssporen uit deze periode(s)
zouden op deze locatie dus ook verwacht kunnen worden.
VP121:
Neolithische vindplaats onbepaald (ongewaardeerd)
VP17:
Nederzetting late middeleeuwen (ongewaardeerd)
LANAKERVELD
273
4 Methodiek (actieve) begeleiding fietspad
Een groot deel van de in en nabij het plangebied gelegen vindplaatsen is in het
voorgaande proefsleuvenonderzoek van het toekomstige bedrijventerrein te
Lanakerveld niet gewaardeerd, omdat ze buiten het te ontwikkelen bedrijventerrein lagen. Ook de vindplaatsen binnen de groenzone om het bedrijventerrein waarin nu het fietspad wordt aangelegd zijn (vrijwel) niet gewaardeerd.
Het betreft alle op figuur 4 In paars aangegeven vindplaatsnummers in en ten
zuiden van de groenzone waarbinnen het fietspad is gepland: 16, 17, 25, 27,
28, 34, 77, 78, 80, 86, 121
Er moet rekening worden gehouden met een grotere omvang van deze reeds
bekende vindplaatsen maar ook met nieuwe vindplaatsen. Daarnaast zullen in
de “lege” zones mogelijke off-site patronen kunnen worden aangetroffen.
Bij een ander deel van de vindplaatsen die in eerste instantie door RAAP zijn
vastgesteld zijn op basis van het proefsleuvenonderzoek de begrenzingen
gewijzigd. Daardoor is de verwachting nu dat in ieder geval vindplaats 2 en 24,
maar mogelijk ook 122 door het fietspad worden aangesneden. Daarnaast is
het mogelijk dat off-site verschijnselen behorende bij vindplaats 18 binnen het
plangebied aangetroffen worden.
Aangezien veel vindplaatsen die (mogelijk) binnen het tracé van het fietspad
liggen nog niet zijn gewaardeerd, zal de aanleg van het fietspad actief worden
begeleid. De werkzaamheden starten op 17 september in het westelijke
deel van de groenzone (fase 1) en worden van west naar oost afgewerkt. De
werkzaamheden starten op 29 september in het oostelijke gedeelte van de
groenzone (fase 2) en worden van west naar oost afgewerkt.
De archeologische begeleiding van het uitgraven van het wegcunet ten
behoeve van de aanleg van een fietspad over de westelijke flank van het
Zouwdal werd uitgevoerd in september-oktober 2008 (15 sept -31 okt
2008). Het fietspad wordt aangelegd binnen een groenzone. Naast het
fietspad worden greppels aangelegd ter afwatering en tevens worden enkele
waterbassins gegraven binnen de groenzone.
In en nabij het plangebied voor het fietspad zijn bij het archeologisch
vooronderzoek diverse vindplaatsen aangetroffen. De begrenzing van de
vindplaatsen kon daarbij slechts globaal worden vastgesteld. Het is daardoor
zeer wel mogelijk dat enkele vindplaatsen zich uitstrekken tot in het tracé van
het fietspad. Hoewel op grond van de beschikbare archeologische informatie
wordt geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet direct nodig is,
maakt deze begeleiding het mogelijk om bovenstaande veronderstelling te
verifiëren.2
Een actieve begeleiding betekent in dit geval dat tijdens de aanleg van
het cunet een archeologisch vlak wordt aangelegd op ca. 50 cm –mv. In
sommige gevallen is het vlak dieper aangelegd. Er is gewerkt met een kraan
met een gladde bak en met een ervaren kraanmachinist. Er werd één vlak
aangelegd. Bij de aanleg van het vlak is systematisch gebruik gemaakt van de
metaaldetector. Ook de stort is regelmatig afgezocht met een detector. Sporen
die tijdens de begeleiding werden aangetroffen zijn gedocumenteerd en
afgewerkt conform KNA 3.1 (zie verder methodiek proefsleuven paragraaf 4.4).
2 Soeters, Van der Gauw & Peters 2008.
274 LANAKERVELD
Het granulaat onder het fietspad wordt gelegd op ongeveer 50 cm –mv . Het
aanleggen van het archeologisch vlak gebeurt meteen bij het afhalen van
de bovengrond tot ca. 50 cm –mv, op aanwijzing van de veldarcheoloog.
Een halve dag nadat de bovengrond is afgehaald tot op het archeologisch
vlak zal de sleuf deels opgevuld worden met granulaat. Op plaatsen waar
archeologische resten worden aangetroffen vindt de opvulling met granulaat
pas plaats nádat de archeologen het onderzoek van de resten terplekke
hebben afgerond. Als er archeologische resten in het cunet worden
aangetroffen, wordt op die plaatsen ook meteen de bovenlaag verwijderd
in het tracé van de naastliggende greppel(s). Delen van de groenzone
waarbinnen het cunet geen archeologische resten bevat worden vrijgegeven
over de gehele breedte, indien er langs het betreffende tracédeel geen
bassins worden aangelegd en de aan te leggen greppels smal zijn.
Waar het grotere bassins of bredere greppels betreft, of waar deze verder van
het fietspad af liggen, worden ook deze meteen meegenomen. Dat betekent
dat ook hier de grond meteen tot ongeveer 50 cm –mv wordt afgegraven.
Deze werkwijze moet vooraf goed doorgesproken worden met de aannemer
(Janssen De Jong).
Onderzoeksvragen
Landschap en bodem:
1. Wat is de regionale (gebied van ca. 5 x 5 km) landschappelijke context van
het onderzoeksgebied?
2. Door welke sedimentatie- en erosieprocessen is het landschap ontstaan,
en wat is de ouderdom van de verschillende stadia? Welke landschappelijke veranderingen zijn in het onderzoeksgebied opgetreden vanaf het
Mesolithicum?
3. Hoe is de archeologisch relevante geologische en bodemkundige opbouw
van de ondergrond en het reliëf in het onderzoeksgebied? Zijn er
aanwijzingen dat de huidige brikgronden ontstaan zijn door degradatie
van zgn. Schwarzerden.
4. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen en wat is
de relatie tussen afzettingen, bodemtypen, reliëf en de aanwezigheid
van vindplaatsen? Wat zegt dit over de lokatiekeuze en het vroegere
landgebruik?
5. Hoe was (volgens de beschikbare literatuur) de ontwikkeling van het
biotisch landschap van het onderzoeksgebied vanaf het Laat-Glaciaal?
6. Is er in de directe omgeving een locatie aan te wijzen waar water
aanwezig is geweest? Op welke afstanden bevinden de vindplaatsen zich
hiervan?
7. Wat is de cultuurlandschappelijke ontwikkeling van het onderzoeksgebied en wat is de cultuurlandschappelijke ligging van de vindplaatsen?
8. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik in de diverse periodes in de zin
van wegen, parcellering, akkers, grondstofwinning, etc.?
9. Bestaat er een relatie tussen het microreliëf, afzettingen, bodemtype en
de aanwezigheid van vindplaatsen?
10. Wat is de paleo-ecologische ontwikkeling van het onderzoeksgebied en
welke paleo-geografische reconstructies kunnen gemaakt worden?
11. Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z erosie of nondepositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de sites?
LANAKERVELD
275
Gaafheid en conservering:
1. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de specifieke sites en/of
off-site verschijnselen?
2. Wat is de aard en kwaliteit van de bodem qua conservering van
archeologische resten en in welke lagen of gebieden zijn deze resten of
aanwijzingen voor landgebruik te verwachten?
3. Bestaan er verschillen in de conservering van archeologische resten
binnen het onderzoeksgebied als gevolg van erosie, afdekking en
bodemvorming?
4. Zijn er in de directe omgeving van de vindplaats betere conserveringsomstandigheden te verwachten?
5. Wat zijn de relaties tussen de verschillende vindplaatsen? Betreft het
grote, aaneengesloten sites of kleinere, discrete clusters archeologische
resten met daartussen een diffuse verspreiding van archeologica?
Beschrijf de verschillen.
6. In hoeverre zijn grondsporen vervaagd door bodemvorming? Bestaat
hierin verschil tussen sporen uit verschillende perioden, zo ja welke?
Op welk niveau zijn eventuele grondsporen leesbaar en hoe duidelijk
tekenen zich de grondsporen af?
7. Is er een relatie tussen het (micro)reliëf en de conservering van de
archeologische resten?
Perioden en sites:
1. Wat is per archeologische locatie in het onderzoeksgebied: de ligging
(inclusief diepteligging), omvang (inclusief verticale dimensies), aantal
sites en/of perioden, type en functie van de sites of off-site-patronen,
samenstelling van de archeologische resten (grondsporen, materiële en
organische vondsten), vondstdichtheid, stratigrafie, ouderdom, periode,
type-chronologische classificatie?
2. Wat is in het onderzoeksgebied de ruimtelijke verspreiding, zowel
in horizontale als in verticale zin, van vindplaatsen, sites en off-sitepatronen?
3. Is het mogelijk om op vindplaatsen met resten uit verscheidene perioden
of fasen, ruimtelijke patronen te onderscheiden?
4. In hoeverre is er sprake van verschuivingen in de nederzettingspatronen
en landgebruik in de loop van de tijd?
5. Dragen de steentijdvondsten bij aan het analyseren van ruimtelijk gedrag
in deze periode? Op welke wijze?
6. Bestaat er tussen de verschillende neolithische nederzettingsterreinen,
inclusief de reeds bekende vindplaatsen op de locaties Groeve Klinkers
en Groeve Belvedère, chronologische en/of functionele verschillen dan
wel overeenkomsten en waarin komen die tot uiting?
7. Heeft bij de eventuele neolithische vuursteenvindplaatsen de bewerking
ter plekke plaatsgevonden of is er slechts sprake van eindproducten?
8. Is op basis van het vondstmateriaal uit de LBK vindplaats(en) vast te
stellen tot welke Siedlungskammer de vindplaatsen gerekend mogen
worden? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van andere vroegneolithische groepen zoals Limburg, La Hoguette en Bliquy? Zo ja, is er
inzicht in de relatie tussen deze groepen, met name chronologisch?
9. Tot welke regionale groep kan/kunnen de eventuele Michelsbergvindplaa
ts(en) onderscheiden worden en op basis waarvan?
276 LANAKERVELD
10. Kunnen aan de hand van sporen en vondsten of palynologische gegevens
uitspraken gedaan worden over de functie van dit terrein in de nabijheid
van de Romeinse villa/nederzetting bij vindplaats 18?
11. Zetten de aanwijzingen voor een laat-Romeinse/vroegmiddeleeuwse
vindplaats ter hoogte van vindplaats 18 zich voort in het plangebied?+
12. Is er bij vindplaats 17 sprake van een Wüstung van een middeleeuwse
ontginningshoeve? Zo ja, uit welke periode dateert deze hoeve? Zo nee,
waar zijn de door RAAP aangetroffen vondsten de neerslag van?
277
LANAKERVELD
5 Resultaten van de archeologische begeleiding
5.1 Inleiding
De archeologische begeleiding van het aanleggen van het fietspad op het
Lanakerveld heeft plaatsgevonden van 17 september t/m 3 oktober. Tijdens
het onderzoek is het gehele weggraven van de grond t.b.v. het aanleggen van
de fundamenten (granulaat met daarop betonnen platen) voor een fietspad
archeologisch begeleid. Dit geldt eveneens voor het aanleggen van duikers
en waterbekkens direct naast het fietspad. Daarbij is in totaal ongveer 7500
m2 ontgraven en begeleid.
In dit hoofdstuk zullen de eerste resultaten van de begeleiding worden
besproken, waarbij de aangetroffen sporen centraal zullen staan.
5.2 Sporen
Tijdens de begeleiding zijn op een aantal locaties sporen aangetroffen.
Op een aantal plaatsen is er sprake van een cluster aan sporen. Deze
concentraties bevinden zich in het oostelijk deel van het plangebied, centraal
(aan weerszijden van het Lanakerweg) en meer westelijk. Alle aangetroffen
sporen zullen hieronder besproken worden. Natuurlijke en recente sporen
worden buiten beschouwing gelaten.
5.2.1 Cluster 1
De eerste concentratie sporen (put 82) bevindt zich, zoals genoemd, in het
meest oostelijke deel van het plangebied, enkele meters ten noorden van het
fietspad waar een waterbekken is gepland. Het vlak is aangelegd net onder
de overgang van de bouwvoor en de Bt-horizont.
Het betreffen hier eenzestal (kuil)sporen die vermoedelijk alle van
natuurlijke oorsprong zijn. Deze toekenning is echter niet eenduidig.
Figuur 5.1
Allesporenkaart begeleiding
174000
174200
174400
174600
174800
175000
2
62
vindplaatsen
82
vakken met vondsten/sporen
81
88
81
fietspad
3
24
begeleide putten
80
87
81
320800
320800
86
86
80
16
24
18
85
29
plangebied
121
78
77
34
91 80
proefsleuven
14
17
27
320600
320600
28
89
31
84
90
56
25
13
80
320400
320400
83
82
0
100m
174000
174200
174400
174600
174800
175000
278 LANAKERVELD
17 39 40
17 39 50
17 39 60
17 39 70
32 04 10
32 04 00
N
32 03 90
32 03 90
32 04 00
32 04 10
32 04 20
17 39 30
32 04 20
17 39 20
0
10 m
17 39 20
17 39 30
17 39 40
17 39 50
17 39 60
17 39 70
De sporen zijn merendeels grijsbruin van kleur en tekenen zich meestal
onduidelijk af in de coupe. Tijdens het couperen is geen enkele vondst
gedaan die gebruikt kan worden om de sporen te dateren.
5.2.2 cluster 2
Aan weerszijden van de Lanakerweg (put 80 en 81) werden meerdere sporen
zichtbaar die aan de bandkeramiek zijn toe te wijzen. Het gaat hierbij
om waarschijnlijk drie huisplattegronden en bijhorende langskuilen. De
aangetroffen sporen bevinden zich juist in dat gedeelte van het tracé dat
dieper uitgegraven moet worden om aansluiting te krijgen op de Lanakerweg
(ongeveer 3,6m dieper dan maaiveld). Ook moeten er taluds worden
aangelegd zodat steile kanten vermeden worden. De aanleg van de taluds
zijn van te voren archeologisch bekeken worden om zodoende alle sporen
in beeld te brengen. Daartoe is de put uitgebreidt in noordelijke en zuidelijk
richting.
In put 80 zijn twee huisplattegronden herkend. De westelijke plattegrond
is opgebouwd uit losse palen aan weerszijden van het huis die onderdeel
uitmaken van de wand en driepalenrijen (DPR) die de dakconstructie hebben
gedragen. Aangezien een geheel omsluitende wandgreppel ontbreekt, kan
het huis toegewezen worden aan het type 1b of type 2.3 Opmerkelijk is het
greppelspoor dat aan de oostzijde buiten de wandstaanders is gelegen.
Deze wordt ook wel een Aussengraben genoemd.4 Duidelijk is een dubbele
driepalenrij te onderscheiden op de overgang van het noordwestdeel en
het middendeel. Dit wordt meestal aangeduidt als zijnde “het gangetje”.
In het middendeel is nog net een enigszins gedegenereerde Y-configuratie
herkenbaar waardoor het huis in de oude fase van de bandkeramiek is in te
delen. Het huis is noordwest-zuidoost georiënteerd en de breedte bedraagt
5,95 m, de lengte (voor zover vast te stellen) 11m. Naast het huis zijn drie
kuilen gelegen. Hier bevond zich het merendeel van het vondstmateriaal in.
Ongeveer 20 m ten westen van de hierboven beschreven structuur ligt
een volgende huisplattegrond. Het betreft hier een type 1A huis met
een geheelomvattende wandgreppel. Ook hier is een gedegenereerde Y3 Modderman 1970.
4 Van de Velde & Van Wijk in voorbereiding.
Figuur 5.2
Cluster 1
LANAKERVELD
17 44 00
32 08 00
24
16
32 08 00
17 43 00
279
24
121
81
34
32 07 00
32 07 00
80
N
0
25 m
17 43 00
Figuur 5.3
Cluster 2
17 44 00
configuratie herkenbaar hoewel deze meer gedegenereerd lijkt te zijn dan
bij de naastgelegen structuur. Van de plattegrond is nu voornamelijk het
middendeel vrijgelegd alsmede een deel van het noordwest- en zuidoostdeel.
In het zuidoostdeel bevindt zich een dubbel gestelde driepalenrij. In de
directe nabijheid van de plattegrond zijn geen kuilen gevonden met het
vaker kenmerkende bandkeramische vondstmateriaal die men normaal
gezien op een bandkeramisch erf mag verwachten. Het huis is noordwestzuidoost georiënteerd en de breedte bedraagt 6,29 m, de lengte (voor
zover vast te stellen) 16,86 m. Opmerkelijk is het voorkomen van een kuil
die de westelijke wandgreppel oversnijdt. Deze kuil bevatte veel verbrand
steenmateriaal (voornamelijk kwarts) alsmede houtskool. Het bijhorende
scherfmateriaal is handgevormd en met kwartsverschraald. Het betreft hier
waarschijnlijk scherfmateriaal uit de bronstijd.5
Aan de overzijde van de Lanakerweg (op ongeveer 42 m afstand) is een
derde huisplattegrond aangetroffen. Het betreft hier vermoedelijk een type
1b, type 2 of 3. Aangezien de sporen hier slecht zijn geconserveerd waardoor
5 De determinatie bleek voor vele mogelijkheden vatbaar getuige de verschillende meningen van
F. Brounen, L. Verhart en L. Louwe Kooijmans waarvoor mijn dank. Er werd namelijk eventueel
ook gedacht aan scherven afkomstig van de Stein-groep.
280 LANAKERVELD
Figuur 5.4
Ingeslagen kanonskogel
deze ook slecht zichbaar waren in het vlak, kan niet met zekerheid worden
gesteld of er wel of niet wandgreppels aanwezig zijn geweest. Vooralsnog
wordt uitgegaan dat we hier te maken hebben met het middendeel van een
huisplattegrond waarbij een dubelle driepalenrij (het gangetje) zichtbaar is
alsmede een enigszins gedegenereerde Y-configuratie waardoor het huis
dateerd uit de oude fase van de bandkeramiek. Het huis is noordwestzuidoost georiënteerd en de breedte bedraagt 5,15 m, de lengte (voor zover
vast te stellen) 10,11 m. Aan weerszijden van het huis zijn de kenmerkende
langskuilen aangetroffen.
Ongeveer 90m ten oosten van de Lanakerweg zijn wederom LBK kuilsporen
in het vlak herkend. Het laat zien wat de mogelijke verspreiding is van
deze nederzetting. Duidelijk is dat alle aangetroffen sporen toebehoren aan
vindplaats 24 die tijdens het proefsleuvenonderzoek is gewaardeerd.
Aangezien het een archeologische begeleiding met protocol opgraven
betrof zijn alle sporen gecoupeerd en afgewerkt. Hetzelfde geldt voor de
bandkeramische nederzettingsporen bij cluster 2. Deze zijn alle gecoupeerd,
handmatig of machinaal maar niet afgewerkt.
5.2.3 Cluster 3
Een laatste cluster aan sporen is aangetroffen ongeveer 150-180 m ten oosten
van de Lanakerweg. Hier werden enkele kuilsporen met aardewerk uit de
ijzertijd aangetroffen. Deze maken vermoedelijk deel uit van het systeem
van zwervende erven waartoe ook vindplaats 123 behoort. Op een kleine
afstand ten oosten daarvan lag een kanonskogel in het vlak waarvan de inslag
in de grond nog goed was te zien. De grond was terplekke verbrand. De
kanonskogel is afgevuurd vanuit het noordoosten.
5.3 Vondstmateriaal
Tijdens de begeleiding zijn er op meerdere momenten vondsten
aangetroffen. De vondsten zijn in vakken verzameld of indien mogelijk per
spoor (zie figuur 5.2). In totaal zijn er 1140 vondsten gedaan tijdens de
begeleiding (tabel 5.1).
LANAKERVELD
Tabel 5.1
Prehistorisch Neolithicum (LBK) IJzertijd Middeleeuws Nieuwe tijd Onbepaald
Overzicht vondsten per
categorie en periode
Aardewerk
65 (705,5 g)
Steen
329 (2692 g)
1 (12,5 g)
281
Totaal
1 (0,9 g) 396 (3410,9 g)
350 (8312,4 g)
350 (8312,4 g)
Vuursteen
290 (2599,5g)
290 (2599,5g)
Gebrande
leem
92 (1115 g)
92 (1115 g)
Bot (verbrand)
9 (21,8 g)
9 (21,8 g)
Metaal
1
Houtskool
1 (5,7 g)
2 (2,1 g)
3 (7,8 g)
Het merendeel van het vondstmateriaal is afkomstig uit de kuilsporen die
toebehoren aan de drie bandkeramische huisplattegronden die tijdens de
begeleidingscampagne opgegraven zijn. Men kan dus aannemen dat het
meeste materiaal tot de bandkeramiek gerekend mag worden. Een eerste
analyse van het aardewerk laat zien dat het het aardewerk tot de oude
periode van de bandkeramiek gerekend kan worden. Dit sluit aan bij de
eerdere conclusies op basis van het voorkomen van een gedegenereerde Yconfiguratie in de structuurbouw.
Figuur 5.5
locatie van de vakken waarin vondsten zijn
gedaan
17 44 00
32 08 00
24
16
32 08 00
17 43 00
24
121
81
34
32 07 00
32 07 00
80
N
0
25 m
17 43 00
17 44 00
282 LANAKERVELD
6 Conclusies
Tijdens de archeologische begeleiding op het Lanakerveld te Maastricht zijn
op een aantal locaties (pre)historische sporen en vondsten aangetroffen.
Het gaat hierbij voornamelijk om sporen afkomstig van de Bandkeramische
Kultuur (5250-4950 v. Chr.) en sporen die zijn toe te schrijven aan
activiteiten die plaatsvonden gedurende de metaaltijden, waarschijnlijk late
bronstijd / ijzertijd. De sporen staan niet op zichzelf maar kunnen in het
algemeen toegeschreven worden aan archeologische vindplaatsen die in een
eerder stadium (veldkartering of proefsleuvenonderzoek) al zijn herkend.
Zij vormen bovenal een aanvulling op het verspreidingsbeeld van deze
vindplaatsen.
De eerste resultaten van de archeologische begeleiding van een fietspad op
het Lanakerveld laten zien dat deze exercititie zinvol is geweest. Er zijn in
principe geen archeologische sporen of vondsten ongezien vernietigd of
onder het fietspad verdwenen. Zoals gezegd is op basis van de begeleiding
beter vast te stellen wat de omvang is van de diverse sporenclusters.