stichting van openbaar nut

Commentaren

Transcriptie

stichting van openbaar nut
stichting van openbaar nut
4 Boodschap van de voorzitter
7 Presentatie van de organen
13 Internationale context
Jaarverslag
Intermixt 2009
Inhoudstafel
14
16
18
• CEDEC
• CEEP
• CIRIEC
21 Evoluties in de energiesector
22
24
26
28
• De Belgische aardgassector
• Het Belgische elektriciteitstransport
• Evolutie van het aandeelhouderschap van de Waalse gemengde distributienetbeheerders
• Uitgifte van nieuwe aandelen door de Vlaamse distributienetbeheerders
31 Marktwerking
32
34
• Elektrische voertuigen
• Mogelijke oprichting van een clearing house
37 Energieprijzen
38
40
42
44
• Meerjarentarieven
• Sociale tarieven
• Injectietarieven
• Aardgasbudgetmeters
47 Participaties in transportnetbeheer
48
50
• Publi-T
• Publigas
53 Financieringsverenigingen
54
56
• Intermixt creëert een platform van de Waalse zuivere financieringsintercommunales
• Cel financiële participaties
59 Jaarrekening 2009
De sterke ambitie dat 20% van het totale energiegebruik uit hernieuwbare bronnen
moet gehaald worden, houdt op Europees vlak in dat in principe zelfs 30% van de
elektriciteitsvoorziening via hernieuwbare energie zou moeten opgewekt worden.
Boodschap van de
voorzitter
De klimaattop in Kopenhagen die in december 2009
plaatsvond heeft niet tot een bindend akkoord geleid.
De Europese milieuambitie van 20% minder CO2 uitstoot
tegen 2020 - die tot 30% zal opgetrokken worden als de
andere grote industrielanden meedoen - is wel overeind
gebleven.
De voormelde doelstelling valt uiteen in drie luiken:
• 20% vermindering van de uitstoot van de broeikasgassen
• 20% minder energiegebruik
• 20% van het totale energiegebruik moet afkomstig zijn uit hernieuwbare
energie, zoals wind en zonne-energie (voor België is dit 13%).
Dit betekent ook voor België dat meer en meer ingezet wordt op energiebesparing
en rationeel energiegebruik.
De decentrale productie op basis van hernieuwbare energie moet een hoge vlucht
kennen. De massale overheidssteun voor de hernieuwbare energie zorgt ervoor
dat de laatste twee jaren gekenmerkt werden door een exponentiële groei van de
alternatieve energieproductie. Dit zorgt in hoofde van de distributienetbeheerders
ervoor dat de verwachte technische en beheersmatige uitdagingen bevestigd
worden en heeft verregaande financiële consequenties.
In België heeft men immers voor de decentrale productie in subsidieregelingen
voorzien die zowel uit investeringssteun, groene stroomcertificaten als
aansluitingsfaciliteiten bestaan. Hierbij moet aangestipt worden dat de impact
van deze steunmaatregelen ultiem grotendeels in de elektriciteitsprijzen moet
verrekend worden, zodat de elektriciteit er zeker niet goedkoper door zal worden,
wat tot onbegrip kan leiden.
Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat onze distributienetbeheerders
door de decentrale hernieuwbare productie in de toekomst meer en meer als
energiefacilitator zullen moeten optreden. Voor het milieuvriendelijk vervoer
van de hernieuwbare decentrale productie moeten de distributienetbeheerders
vooreerst hun investeringsbudgetten gevoelig optrekken voor het realiseren van
zowel de nodige aanpassingen op het middenspanningsnet als de aansluiting van
de decentrale productieinstallaties op het net.
Daarnaast moeten onze netbeheerders hun netwerk intelligent maken, zodanig dat
deze slimme netten kunnen bijdragen tot het economisch verantwoord flexibiliseren
van de aanvoer en het verbruik van elektrische energie.
De oordeelkundige invoering van de slimme meters zal hierbij toonaangevend
zijn, omdat de processen slechts kunnen verfijnd worden door de klanten, de
leveranciers en de producenten meer informatie te bezorgen, evenals door hun
een directe en betrouwbare toegang tot de verbruiksgegevens aan te bieden.
Ook de keuze om het vereiste quotum aan hernieuwbare energieproductie via
groene stroomproductie te realiseren confronteert de distributienetbeheerders
met een moeilijke werkingscontext. Het gaat in Vlaanderen onder meer om
de opkoopverplichting die de distributienetbeheerders opgelegd kregen met
betrekking tot de groene stroomcertificaten voor fotovoltaïsche panelen.
De distributienetbeheerders vervullen voor de residentiële en professionele
markt een voortrekkersrol en hebben een waslijst aan maatregelen uitgewerkt.
Naast sensibiliseringsacties en energiescans worden hiertoe door de
distributienetbeheerders ook premies toegekend waarvan het succes het laatste
jaar dermate groot was, dat de uitgetrokken budgetten ruimschoots overschreden
worden.
Niettegenstaande de overheidssteun voor zonne-energie zowel in Vlaanderen als
in Wallonië recent werd bijgesteld, kan niet voorbijgegaan worden aan het feit dat
deze steun nog veel te hoog ligt. Bovendien houden deze premies geen rekening
met het gegeven dat de installatiekost van fotovoltaïsche installaties groter dan
10kW gevoelig lager ligt dan voor kleinere installaties.
4
5
Het voormelde gekoppeld aan de opkoopverplichting van groene
stroomcertificaten die in Vlaanderen voor de fotovoltaïsche elektriciteitsproductie
op de distributienetbeheerders rust, leidt er toe dat bij ongewijzigd beleid de
distributienettarieven na 2013 hierdoor wellicht met meer dan 25% zullen toenemen.
Daarom dringt zich in het bijzonder in Vlaanderen een veelsporenbeleid op om
te vermijden dat de wijze waarop de subsidiëring van de groene stroomproductie
georganiseerd is tot een steeds groter mattheuseffect leidt (de sociaal zwakkere
elektriciteitsverbruikers betalen hierbij in toenemende mate de groene
stroomcertificaten van de zonnecellen van de sociaal sterkeren). In dit kader wordt
in het algemeen gepleit voor een heroverweging van het subsidieniveau van de
groene stroomcertificaten. Voor wat Vlaanderen betreft moet bovendien geopteerd
worden voor de onmiddellijke verrekening via een toeslagsysteem van de
opkoopkosten die de distributienetbeheerders inzake de groene stroomcertificaten
dragen en moet gewerkt worden aan een systeem van ondersteuning dat tot een
meer evenwichtige kosten/batenverdeling leidt.
P re s e n ta t i e
va n d e
o rg a n e n
6
voorzitter: J. ANSOMS
1e ondervoorzitter: Cl. DESAMA
2e ondervoorzitster: M. CASSART
Presentatie van de organen
Om zijn opdracht te vervullen heeft Intermixt zich voorzien
van een aangepaste structuur zodat de deelneming en de
onafhankelijkheid van de gemeentemandatarissen in de
gemengde distributienetbeheerders gewaarborgd zijn.
Op federaal niveau beschikt Intermixt over de volgende
organen (samenstelling op 31/12/2009):
Erelidmaatschap
A. d’ALCANTARA, G. DELEENHEER, A. DEMUYTER, G. DESIR, W. GELDOLF, F.
GUILLAUME, E. HENRY († 19/02/2010), E. HURTECANT, K. ORTMANN, B. PEETERS,
J. PIVIN, J.-L. SERVAIS († 11/01/2010), R. URBAIN, A. VANSINA en Chr. VIAENE
1. De algemene vergadering: is samengesteld uit alle vertegenwoordigers van de
openbare sector van de gemengde distributienetbeheerders, vergadert ieder
jaar en neemt kennis van het activiteitenverslag alsook van de rekeningen en de
begroting. De voorzitter deelt er traditioneel ook de hoofdlijnen van het beleid
voor het lopende jaar mee.
2. Het auditcomité: benoemd door de algemene vergadering, controleert de boeken
en de rekeningen en keurt ze goed.
voorzitter: J. MARAITE
3. De raad van voorzitters: komt tweemaandelijks bijeen, bestuurt en beheert
Intermixt. Hij is samengesteld uit de voorzitters van de aangesloten gemengde
distributienetbeheerders en de voorzitters van de financieringsverenigingen.
8
Leden:
A. ABSILLIS, D. BARTH, R. BLOMMAERT, M. BODSON, A. BOFFENRARTH,
R. BOTTERMAN, B. BRUGHMANS, Cl. BULTOT, R. CAPPE, J.-L. CLOSE,
F. CORNELIS, J. CORTEN, J. COSYNS, G. COURONNE, M.-H. CROMBEBERTON, CHR. DE BAST, D. D’OULTREMONT, J. DE CUYPER, W. DE RUDDER,
J. DE RUYCK, W. DE VLIEGHER, A. DEBLAUWE, J. DEBRAEL, L. DEHAENE,
J.-P.
DEMACQ,
J.-P.
DEPLUS,
D.
DERAEVE,
Chr.
DEREPPE,
E. DESIRON, F. DEVILERS, Chr. DISTER, D. DONFUT, M. FRANCEUS,
A. GOBEYN, N. GOISSE, J. GOOS, S. GRYSOLLE, J. HELLEMANS,
M. HEMDANE, Ph. HEYLEN, J. HUVENEERS, L. JANSSENS, J. KEMPS, R. KIRSCH,
J. LEFEVRE, G. LELEU, A. LELUBRE, J. MARIEN, B. MATTHYS, G. MEDINGER,
P. MENSALT, P. MOENAERT, L. MONSET, P. MUYLLE, Chr. PEETERS,
T. PEETERS, G. PETIT, C. PLASMAN, P. POPPE, J. PSZENICZKO,
A.
RONGVAUX,
P.
ROOSE,
V.
SCOURNEAU,
M.
SEYNAEVE,
M. SIEUX, T. SMIT, E. SPITAELS, D. STAQUET, P. STASSART,
H.
STOFFELS,
Ch.
STORME,
A.
STORMS,
B.
TELLIER,
F. THIENPONT, J. TIMMERMANS, W. TIMMERMANS, L. TOBBACK,
E. TOMAS, K. TORY, T. TROUCHEAU, A. TZANETATOS, S. UGURLU,
M.
VALKENIERS,
W.
VAN
CALSTER,
P.
VAN
DE
CASTEELE,
A. VAN DE STEEN, J.-P. VAN DE WAUWER, G. VAN DEN BERGHE,
M. VAN DER AUWERA, F. VAN EECKHOUT, G. VAN HOECKE, M. VAN
LANGENHOVE, D. VAN ROY, B. VAN STEENBERGEN, D. VANDERLICK,
D. VANSINA, C. VEREECKE, G. VERSNICK, T. VERVOORT, E. VOS, T. WASSENBERG,
Ph. WILLEQUET, L. WUYTS en M.-B. ZWEERTS
L. HUJOEL, nationale raadgever
M. DEBOIS, expert tot 28/10/2009 - J.-J. CAYEMAN, expert vanaf 28/10/2009
J. HUGE
G. PEETERS, expert
4. H
et federaal bureau: voorgezeten door de federale voorzitter van Intermixt, de
leden worden benoemd door de raad van voorzitters, vergadert twee keer per
maand en is belast met het dagelijkse beheer en de vertegenwoordiging van
Intermixt.
voorzitter: J. ANSOMS
1e ondervoorzitter: CL. DESAMA
2e ondervoorzitster: M. CASSART
5. H
et strategisch comité: is overlegplatform voor de gemeentebestuurders in
de bedrijven waarin de gemengde sector belangen heeft. Het heeft tot doel
niet-dwingende en vrije onderhandelingen te organiseren voor alles wat de
sectoren die tot de bevoegdheid van Intermixt behoren aanbelangt of zou kunnen
aanbelangen.
9
Het comité is samengesteld uit effectieve leden, in casu de leden van het federaal
bureau van Intermixt, en uit gecoöpteerde leden.
voorzitter: J. ANSOMS
6. Het federaal secretariaat: wordt geleid door de secretaris-generaal, staat in
voor het dagelijks beheer, voert onderzoeken en studies uit, en licht tegelijk de
gemeentemandatarissen in over alle actuele vraagstukken.
secretaris-generaal: M. VERSCHELDE
adjunct-secretaris-generaal: F. GENNAUX
adjunct-secretaris-generaal: A. PETIT
hoofdadviseur: Ph. ROSSIE
adviseur: N. JANSSENS
7. Het federaal deskundigencollege: wordt voorgezeten door de nationale raadgever
van Intermixt, L. HUJOEL.
Het groepeert alle experts van de gemengde distributienetbeheerders
evenals een afvaardiging van de directies van de operatoren van de gemengde
distributienetbeheerders. Deze deskundigen hebben een fundamentele
rol: zij formuleren technische adviezen over de op alle niveaus van Intermixt
onderzochte problemen.
Leden:
J. CALLENSGaselwest en Figga
J.-J. CAYEMANI.E.H.
E. DEVOSSimogel
R. DURANTIgretec
D. GOUVERNEURIgretec
A.-M. GUADAGNANOI.E.H.
G. LAUWAERTImewo
J.-P. LEDOUXInterlux
F. LEFEVRESédilec en Séditel
W. LEGROSIntermosane
L. MODDERIEImewo
A. VANDE VELDEImewo
M. VERSCHELDEIverlek en Finilek
Chr. VIAENESibelgas, Sibelga en Intergem
F. DEMEYEREandis
J. HERMANSEandis
G. PEETERSEandis
D. TERMONTEandis
W. VAN DEN BOSSCHEEandis
In het kader van Intermixt wonen de secretaris-generaal en de nationale
raadgever alle vergaderingen bij, zowel op federaal als op gewestelijk niveau, en
verzekeren de samenhang tussen beide.
8. Intermixt beschikt ook over gewestelijke organen, met name een gewestelijke
raad voor ieder van de drie gewesten. De respectievelijke raad kan op zijn beurt
een gewestelijk bureau benoemen.
Iedere gewestelijke raad groepeert de voorzitters van de gemengde
distributienetbeheerders van het betrokken gewest. De raden behandelen op
volstrekt autonome wijze geregionaliseerde materies en zorgen voor de followup van de toepassing van de federale maatregelen in hun gewest.
Vlaamse gewestelijke raad en Vlaams gewestelijk bureau van Intermixt:
voorzitter: D. VANSINA
secretaris: M. VERSCHELDE
expert: G. PEETERS
Ook de voorzitters van de Vlaamse financieringsverenigingen zijn uitgenodigd op
de gewestelijke raad.
Waalse gewestelijke raad en Waals gewestelijk bureau van Intermixt:
voorzitter: Cl. DESAMA
secretaris: F. GENNAUX
expert: J.-J. CAYEMAN
Het Intermixt-platform van de zuivere intercommunales van de Waalse
financieringsverenigingen (IPFW) trad in voege op 28 november 2009.
Ook de voorzitters van de zuivere intercommunales van de Waalse
financieringsverenigingen nemen deel aan de werking van de gewestelijke
raad.
Brusselse gewestelijke raad van Intermixt:
voorzitter: E. TOMAS
secretaris: N. JANSSENS
experts: L. HUJOEL
CHR. VIAENE
De gewesten beschikken bovendien over een deskundigencollege dat
op gewestelijk niveau een gelijksoortige taak heeft als het federaal
deskundigencollege.
De voorzitter, de ondervoorzitter, de secretaris-generaal en de nationale raadgever
vertegenwoordigen Intermixt overal waar de problemen worden besproken en
de beslissingen worden uitgewerkt die de gemengde distributienetbeheerders
betreffen en leggen die voor aan het bureau en aan de raad van voorzitters.
10
11
9. Vertegenwoordiging van Intermixt bij andere organismen
9.a. Organismen waarvan het secretariaat door Intermixt wordt verzorgd:
vzw Comité Intermixt/Electrabel
vzw Comité wallon Intermixt/Electrabel: in vereffeningstelling bij
beslissing van de algemene vergadering van 18/06/2009
Publigas Publi-T
9.b. Andere organen waarin Intermixt vertegenwoordigd is :
CREG
Laborelec
Synergrid
CEDEC
CEEP
CIRIEC
ECEM
I n te r n a t i o n a le
co n tex t
12
Alternatieven zijn de ISO (Independent System Operator) en ITO (Independent
Transmission Operator). Bij een ISO mag een producent of leverancier eigenaar
blijven van het net, maar moet het netbeheer ondergebracht worden in een
afzonderlijke entiteit. Bij een ITO mogen commerciële activiteiten en netbeheer
geïntegreerd blijven in een enkel bedrijf, maar moeten verschillende regels
gerespecteerd worden opdat beide activiteiten in de praktijk onafhankelijk van
elkaar functioneren. Belangrijk voor België is dat een lidstaat die heeft gekozen
voor een volledige eigendomsontvlechting niet op zijn stappen kan terugkomen om
alsnog voor een ISO of ITO te opteren.
CEDEC
De Europese organisatie CEDEC, waarvan Intermixt
stichtend lid is, heeft als hoofddoel de belangen van de
gemeentelijke bedrijven in de energiesector te verdedigen.
Dat was in 2009 niet anders bij de publicatie van het
zogenaamde “derde energiepakket” en de interpretaties
die hieraan werden gegeven.
Op 21 april 2009 werd het zogenaamde “derde energiepakket” goedgekeurd door
het Europees Parlement. Dat pakket bevat twee richtlijnen en drie verordeningen,
met name een richtlijn voor de interne markt voor elektriciteit, een richtlijn voor de
interne markt voor aardgas, een verordening betreffende de grensoverschrijdende
handel in elektriciteit, een verordening betreffende de vervoersnetten voor aardgas
en ten slotte een verordening over de oprichting van een agentschap voor de
samenwerking tussen energieregulatoren.
Het derde energiepakket is het resultaat van lange overlegrondes die zijn aangevat
op basis van een voorstel van de Europese Commissie. Vervolgens hebben het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie zich over de ontwerpen
gebogen. Het finale pakket werd op sommige vlakken grondig bijgestuurd tegenover
het oorspronkelijke voorstel van de commissie. CEDEC is tijdens elke stap actief
tussengekomen om de belangen van de lokale energiebedrijven te verdedigen.
Het derde energiepakket bevat ook heel wat bepalingen die een rechtstreekse
impact hebben op de consumenten. Zo wordt gesteld dat tegen 2020 maar
liefst 80% van de eindafnemers toegang moet krijgen tot slimme meters, onder
voorbehoud van positieve resultaten van een economische studie. Ondertussen
moeten de consumenten voldoende frequent op de hoogte worden gehouden van
hun werkelijke verbruik.
Een belangrijk element na de officiële publicatie van het pakket in augustus 2009
was het verschijnen van interpretatieve nota’s die werden opgesteld door de
diensten van de Europese Commissie. In het najaar van 2009 verschenen de eerste
ontwerpen, waarna begin 2010 de definitieve publicatie van deze nota’s volgde.
De nota’s werden door CEDEC als problematisch ervaren. Bij het analyseren van
de ontwerpen ontstond immers de indruk dat op sommige vlakken de Commissie
de richtlijnen zodanig wil interpreteren dat ze opnieuw aansluiting vinden bij haar
oorspronkelijke voorstellen. De nota’s zijn weliswaar niet juridisch bindend, maar
ze kunnen wel richtinggevend zijn voor latere uitspraken door het Europees hof van
Justitie en het optreden van nationale regulatoren sturen.
Algemeen werd binnen CEDEC vastgesteld dat het Europees niveau steeds
belangrijker wordt voor de energiesector waarbij het onbegonnen werk is alles tot
in de nodige details te bespreken op niveau van de raad van bestuur. Om dossiers
voldoende te kunnen uitdiepen en ervaringen tussen de leden te kunnen uitwisselen
besloot CEDEC verschillende werkgroepen in het leven te roepen.
Een eerste werkgroep concentreert zich op de initiatieven die worden genomen op
het vlak van slimme netten. Een tweede werkgroep buigt zich over de juridische
complexiteit van de ontvlechting, een derde werkgroep concentreert zich op
consumentenrechten en een laatste werkgroep focust op de klimaatproblematiek
en de rol die lokale bedrijven daarbij kunnen en moeten spelen.
De meeste aandacht ging naar de drie opties die zijn voorzien inzake “unbundling”
of ontvlechting tussen enerzijds producenten en leveranciers en anderzijds
netbedrijven. Een eerste optie is de volledige eigendomsontvlechting waarbij
geïntegreerde energiebedrijven hun netactiviteiten afstoten.
14
15
Bij dat alles mag de impact op het milieu niet worden genegeerd. Daarom pleit
CEEP voor structurele stimulansen om de energieproductie groener en efficiënter
te maken. Op sociaal vlak wordt aandacht gevraagd voor een spanningsveld tussen
enerzijds een opwaartse druk op de energieprijzen om investeringen mogelijk te
maken en rationeel energiegebruik te stimuleren en anderzijds een neerwaartse
druk om het welzijn van de gezinnen en de concurrentiekracht van de Europese
economie te vrijwaren.
In de nota engageren de CEEP-leden zich ertoe een duurzame Europese
energiemarkt na te streven door middel van investeringen in eco-efficiënte
technologie en infrastructuur. Tezelfdertijd vragen ze een EU-beleid dat leidt tot een
gunstig investeringsklimaat, grotere inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling
en een intensieve dialoog met alle belanghebbende partijen in de energiesector.
CEEP
Als Europees centrum voor ondernemingen met publieke
aandeelhouders die instaan voor diensten van algemeen
economisch belang besteedde CEEP vorig jaar veel
aandacht aan de rol die de lokale bedrijven kunnen spelen
bij het overwinnen van de economische crisis.
Intermixt is sinds 2005 lid van CEEP. Een van de prioriteiten van CEEP is de erkenning
van het specifieke karakter van diensten van algemeen economisch belang, zowel
naar de Europese concurrentieregels toe als met oog op de economische, sociale
en territoriale cohesie binnen de Europese Unie. Daartoe onderhoudt de organisatie
contacten met verschillende instanties, waaronder de Europese Commissie, het
Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité.
Via CEEP neemt Intermixt deel aan de Europese debatten die een impact kunnen
hebben op de toekomstige ontwikkeling van de positie van de lokale overheden in de
energiesector. Dat gebeurt zowel via specifieke werkgroepen, plenaire zittingen als
conferenties. Naast het verzorgen van verschillende internationale evenementen,
publiceert het centrum regelmatig nieuwsbrieven en opinies.
Uiteraard ging vorig jaar veel aandacht naar de economische crisis. In oktober hield
CEEP zijn twaalfde internationale congres met als titel “Lokale bedrijven stappen
naar voren: van wereldwijde crisis naar nieuwe opportuniteiten”. Er werd tijdens de
conferentie onder meer gewezen op de stabiliserende invloed van lokale bedrijven
in tijden van crisis.
Ook binnen de energiegroep van CEEP ging veel aandacht naar de crisis. Dat leidde
onder meer tot de publicatie van een standpunt met als titel “Hoe de energiesector
kan bijdragen tot het overwinnen van de crisis”. Centraal idee is dat de grote
investeringsnoden van de energiesector een belangrijke stimulans kunnen zijn
voor economische groei in Europa. Om deze investeringen mogelijk te maken
worden verschillende voorstellen geformuleerd.
Ten eerste is er nood aan een stabiel en gunstig gereguleerd kader en economisch
beleid dat de kapitaalintensieve investeringen in de energiesector mogelijk maken.
Ten tweede kan het belang van onderzoek en ontwikkeling niet worden overschat.
Ten derde zijn billijke en stabiele marktomstandigheden een must. Ten vierde
hebben infrastructuurprojecten nood aan een grotere steun van overheden en
beleidsmensen, onder meer bij het afleveren van vergunningen. Ten vijfde moeten
zowel grote als kleine bedrijven in de sector financieel gestimuleerd worden.
In 2009 publiceerde de energiepoot van CEEP verschillende standpunten over
vraagstukken op Europees niveau. Een belangrijk moment was de publicatie
van de nota “A New Deal on Energy Policy” die vier kernbegrippen naar voren
schuift: verantwoordelijkheid, bevoorradingszekerheid, milieubewustzijn en
betaalbaarheid.
In de nota wordt gewezen op het immense belang van energie voor onze economie
en onze samenleving. Vanuit die optiek staat het belang van een zekere bevoorrading
centraal. Een conditio sine qua non hierbij is een evenwichtige energiemix die de
ontwikkeling van energiebronnen binnen de EU aanmoedigt en zorgt dat de import
vanuit andere landen gediversifieerd is. Er wordt ook gewezen op het belang van
interconnecties en dus van een technisch eengemaakte markt.
16
17
Op deze congressen, die om de twee jaar plaatshebben, wordt een stand van zaken
gegeven van het onderzoek in de sociale economie. Dit jaar was er het bijzonder
aspect dat men zich kon inschrijven voor een beraadslaging over hoe de sociale
economie kan helpen om uit de economische en financiële crisis te geraken. Deze
conferentie vormde, net als de vorige te Victoria (Canada) in 2007, een plaats voor
ontmoetingen en beraad tussen actoren met een verschillende cultuur op het vlak
van de sociale economie, maar ook tussen jonge vorsers en meer ervaren vorsers.
De gesprekken hadden betrekking op talloze onderwerpen, zoals de sociale
economie als schepper van werkgelegenheid en als bevorderaar van duurzame
ontwikkeling, de sociale economie en governance of ook de sociale economie aan
de vooravond van nieuwe vormen van overheidsbeleid.
CIRIEC
CIRIEC (Centre International de Recherches et
d’Informations sur l’Economie Publique, Sociale et
Coopérative), waarvan Intermixt nu al vele jaren lid is,
heeft tot doel het verzamelen van gegevens, het stimuleren
van wetenschappelijk onderzoek en het publiceren van
studies die betrekking hebben op diensten van algemeen
economisch belang.
Bij deze doelstellingen kunnen we de acties vermelden die de overheid
onderneemt in de economische domeinen (economisch beleid, regulering…), de
overheidsdiensten, de gemengde bedrijven en de overheidsbedrijven. Dat zowel op
internationaal, regionaal als lokaal niveau.
Het 28e internationaal congres van CIRIEC zal van 16 tot 19 mei 2010 in Berlijn
plaatshebben. Het thema van dit congres wordt “De openbare en sociale economie
in de economische crisis: steun aan de duurzame ontwikkeling”.
Het congres zal omkaderd zijn door plenaire vergaderingen waarop de openbare en
sociale economie in de financiële crisis, de perspectieven inzake tewerkstelling en
de waarden en ethiek voor een duurzame ontwikkeling worden besproken.
In workshops zullen de recente ontwikkelingen en de uitdagingen waarmee de
openbare en de sociale economie worden geconfronteerd nader worden behandeld,
in het bijzonder:
• vanuit het oogpunt van haar financiering,
• als stabiliserende factor voor de arbeidsmarkt,
• als partner van een duurzame milieuontwikkeling,
• alsook haar verantwoordelijkheden inzake opleiding en onderwijs.
CIRIEC wil informatie over deze verschillende domeinen ter beschikking stellen
van de deskundigen en de wetenschappers, hen mogelijkheden voor uitwisseling
van ervaringen aanbieden en internationale actie en beraadslaging bevorderen.
Het ontwikkelt activiteiten die zowel de beleidsvoerders als de wetenschappelijke
vorsers aanbelangen.
Op 1 en 2 oktober 2009 vond in Ostersund (Zweden) de 2e Internationale Conferentie
betreffende het onderzoek in de sociale economie plaats met als thema “De sociale
economie in een wereld in crisis”. Dit evenement bracht meer dan 200 deelnemers
uit meer dan 40 verschillende landen bijeen. De culturele diversiteit die CIRIEC zo
dierbaar is, was hierbij dus verzekerd. Tijdens deze twee dagen woonden vorsers
- maar ook mensen uit de praktijk – 27 workshops bij, die aanleiding gaven tot 160
voordrachten.
18
19
Evoluties
in de
energiesector
20
Uiteraard is het de federale overheid die verantwoordelijk is om de strategische
bevoorrading van België te verzekeren. Maar voor Publigas was het als publieke
aandeelhouder toch wel een belangrijke overweging om al dan niet een participatie
te behouden in Distrigas.
De hamvraag blijft of Distrigas als onderdeel van de ENI-groep nog voldoende
bewegingsvrijheid zal hebben wanneer de Belgische belangen in het gedrang
komen. En als dit niet het geval is of het gouden aandeel van de federale overheid
zwaar genoeg weegt.
De Belgische
aardgassector
De fusie van GDF met Suez bleef in 2009 nazinderen. De
aandeelhoudersstructuur van zowel Distrigas als Fluxys
werd grondig herschikt. Publigas verwierf de controle
over Fluxys.
In het voorjaar van 2008 organiseerde GDF Suez een biedproces op zijn
meerderheidsparticipatie van 57,25% in Distrigas. De verkoop van zijn belang in
Distrigas was één van de remedies opgelegd door de Europese Commissie in het
kader van de goedkeuring van de fusie tussen GDF en Suez.
GDF Suez verkocht zijn participatie aan ENI nadat de publieke holding Publigas,
die 31,25% van de aandelen had, besloot zijn voorkooprecht niet uit te oefenen.
Publigas sloot met ENI een aandeelhoudersovereenkomst in vervanging van de
aandeelhoudersovereenkomst die het had met het toenmalige Suez-Tractebel. Dit
in het licht van het behoud van de participatie (of een gedeelte ervan) in Distrigas.
Tevens werd duidelijk dat Distrigas niet langer beursgenoteerd zou blijven. Vóór
het openbaar bod waren slechts 11,50% van de aandelen op de beurs genoteerd.
Distrigas&Co, het filiaal van Distrigas dat instaat voor de transitactiviteiten, werd
verkocht aan Fluxys. De verkoopprijs was het voorwerp van een aanslepende
controverse met de CREG.
Tot midden 2008 had Suez eveneens een participatie van 57,25% in Fluxys. In
augustus 2008 oefende Publigas, dat al 32,72% van de aandelen bezat, zijn
voorkooprecht uit op 12,5% van de aandelen Fluxys die Suez wou verkopen aan
een Britse investeerder. Kort daarna bereikte Publigas een akkoord met GDF Suez
waarbij Publigas een bijkomend pakket van 6,25% aandelen verwierf in juni 2009.
Publigas heeft sindsdien met een participatie van 51,47% van de aandelen de
controle over Fluxys.
GDF Suez werd verplicht zijn resterende participatie van 38,50% verder af te bouwen.
De federale wetgever heeft een wet gestemd, de zogenaamde wet “Magnette”, die
GDF Suez verplichtte zijn belang af te bouwen tot maximaal 24,99% van de aandelen
tegen 31 december 2009. GDF Suez is er echter niet in geslaagd deze deadline te
halen. Verwacht wordt dat tegen medio 2010 de afbouw zal gerealiseerd zijn.
Voor ons land betekenen deze wijzigingen een belangrijke hertekening van de
aardgassector. Enerzijds een nieuwe speler die de sleutel in handen gekregen
heeft van de aardgasbevoorrading en anderzijds de gemeenten die via Publigas de
controle verworven hebben over het vervoersnet.
Nadat de CREG eind december 2009 al de tarieven voor vervoer en opslag
goedkeurde, werd Fluxys bij ministeriële besluiten van 23 februari 2010 definitief
aangeduid als vervoersnetbeheerder en beheerder van de opslaginstallatie en via
dochteronderneming Fluxys LNG als beheerder van de LNG-installatie.
Begin maart 2009 besliste Publigas zijn volledige participatie in Distrigas te
verkopen aan ENI. Dit omdat onder meer bleek dat het strategisch belang van de
verankering van Distrigas als Belgische aardgasbevoorrader niet opwoog tegen de
financiële risico’s. De federale overheid behoudt wel haar gouden aandeel waaraan
bijzondere rechten verbonden zijn.
22
23
Een belangrijke evolutie daarbij is de sterke verwachte toename van hernieuwbare
productie en meer specifiek windenergie. Onder impuls van de bekende 20-2020 doelstellingen moet immers tegen 2020 33% van de elektriciteitsproductie
hernieuwbaar zijn. Dat zal sterke aanpassingen aan de netten noodzakelijk maken,
waarbij de netten internationaler zullen moeten worden om het onvoorspelbare
karakter van windenergie te kunnen opvangen.
Het belgisch
elektriciteitstransport
De Belgische transportnetbeheerder voor elektriciteit Elia
staat voor ingrijpende veranderingen. Vooreerst is er de
overname van het Duitse transportnet 50Hz waardoor Elia
een belangrijke internationale speler wordt. Dan is er het
aangekondigde vertrek van Electrabel als aandeelhouder
van Elia.
In januari 2010 maakte Elia wereldkundig dat het onderhandelingen voerde over de
overname van het Duitse transportnetwerk “50Hz” van de Zweedse energiegroep
Vattenfall. Begin maart vond de formele ondertekening van een overnameakkoord
plaats. Vattenfall zette 50Hz in de etalage vanwege de toenemende regulatoire
druk tot unbundling en omdat de activiteit niet meer tot de kernactiviteiten werd
gerekend. Elia realiseerde de overname samen met het infrastructuurfonds IFM en
financiert de operatie door middel van een kapitaalverhoging.
50Hz is een van de vier grote transportnetwerken in Duitsland en bevindt zich in het
noordoostelijk deel van Duitsland, grenzend aan Polen, de Tsjechische republiek en
de Baltische Zee. Berlijn ligt op dat grondgebied. Ook het net van Hamburg behoort
tot de perimeter van het netwerk. Net als in België zijn de Duitse netactiviteiten
gereguleerd.
Daarnaast is er nog de derde Europese richtlijn voor de elektriciteitssector
die in een aantal landen zal leiden tot een volledige eigendomsontvlechting
tussen producenten/leveranciers enerzijds en netbedrijven anderzijds, wat op
zijn beurt dan weer aanleiding geeft tot een internationale consolidatie van
transportnetbeheerders.
Een internationale expansie moet Elia in staat stellen invloed uit te oefenen op de
investeringsbeslissingen en de ontwikkeling van de marktregels in West-Europa.
In die context mag niet worden vergeten dat de elektriciteitsproductie in België
nagenoeg volledig in handen is van buitenlandse spelers en ons land structureel
nood heeft aan import van elektriciteit. Gelet op de geografische positie is België
sowieso een belangrijk transitland voor energiestromen.
Voor wat specifiek 50Hz betreft is volgens Elia de positie ten aanzien van de
Baltische Zee erg belangrijk vermits men daar grote offshore windmolenparken
wil ontwikkelen. Kortom, dankzij de acquisitie kan Elia sleutelposities innemen
voor twee grote off shore windmolenparken in de Centraal West Europese regio,
met name de parken van de Noordzee (rechtstreeks door Elia) en de Baltische Zee
(via 50Hz).
Overigens is het gebied van 50Hz ook belangrijk voor onshore windenergie en
kan het een belangrijke rol spelen bij het verbinden van de Scandinavische
waterkrachtcentrales met het Europese vasteland. Een ander belangrijk kenmerk
van het netwerk is de jonge leeftijd. In het netwerk werd fors geïnvesteerd na het
vallen van de Muur en de hereniging van Duitsland.
Vanuit Belgisch regulatoir oogpunt is de terechte eis van de federale regulator CREG
dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de in België gereguleerde
activiteiten en activiteiten die niet gereguleerd zijn of in het buitenland gereguleerd
zijn. Zo zijn tariefverhogingen voor de Belgische consumenten als gevolg van
de operatie uitgesloten. Zowel baten als lasten van de overname zijn voor de
aandeelhouders van Elia.
Volgens Elia zijn er verschillende strategische argumenten die pleiten voor een
internationale expansie. Hoofdlijn is de vaststelling en verwachting dat het beheer
van de transportnetten steeds meer op Europees niveau gebeurt.
Bovenop de overname diende zich begin 2010 nog een ander belangrijk dossier
aan. De energiegroep Electrabel kondigde immers haar vertrek uit Elia aan. Medio
maart was evenwel nog niet duidelijk op welke manier de groep haar participatie van
24,35% van de hand zou doen. Publi-T, dat niet alleen de grootste aandeelhouder
van Elia is maar ook over voorkooprechten beschikt, volgde het dossier op de voet.
24
25
Naast de modaliteiten van de overdracht van de aandelen van Electrabel aan de
gemeenten, waaronder de formule van de overdrachtprijs van de aandelen, bevat
dit akkoord ook verminderingen van eigen middelen.
Bron: Eandis - Fotograaf: Frank Goethals
Evolutie van het
aandeelhouderschap van
de Waalse gemengde
distributienetbeheerders
De doelstelling ervan was dubbel : enerzijds, aan de overheid de middelen geven
om de verkrijging van deze aandelen te financieren, en anderzijds, de financiële
structuur van de distributienetbeheerders aanpassen aan de door de CREG
gewenste structuur.
Na afloop van deze vergaderingen was de lokale overheid (gemeente en/of zuivere
financieringsintercommunale) houder van 70% van de stemrechten, waarbij de
verkrijging van de betrokken aandelen recht geeft op het dividend dat voorzien is in
een periode die zich uitstrekt tot in 2012 of 2014.
De respectieve raden van bestuur van de distributienetbeheerders hebben allemaal
een timing vastgelegd voor de verkrijging van de aandelen die hen eigen zijn en
die kan verschillen van de ene distributienetbeheerder tot de andere: sommige
verkrijgen de aandelen in één keer, andere wensen een spreiding in de tijd.
Op 30 juni 2009 was de eerste fase van verkrijging van deze aandelen gerealiseerd.
Zoals aangekondigd in het jaarverslag van het boekjaar
2008 viel dit jaar samen met een reorganisatie van de
Waalse gewestelijke markten van elektriciteit en aardgas.
De wetgever heeft immers op 17 juli 2008 twee decreten
aangenomen die de decreten van 12 april 2001 en van 19
december 2002 tot organisatie van deze markten wijzigen.
Een van deze wijzigingen heeft voor gevolg gehad dat de positie van de gemeenten
in de Waalse gemengde sector van de distributie is versterkt: de overheid moest in
2009 70 % van de representatieve aandelen van het kapitaal bezitten. Dit percentage
moet eind 2018 zelfs 75% zijn.
Begin 2009 hebben de buitengewone algemene vergaderingen van de Waalse
distributienetbeheerders de wijzigingen goedgekeurd die de modaliteiten van het
akkoord dat op 3 november 2008 tussen Intermixt Wallonië en Electrabel is gesloten
(het Memorandum of Understanding of MoU) in de statuten omzetten.
Bron: Eandis - Fotograaf: Frank Goethals
26
27
De omzetting van aandelen E in aandelen A werd ook statutair voorzien. Voor
iedere aandeelhouder echter maximaal beperkt tot het aandeel dat deze heeft
in de inschrijvingsrechten op de nieuw uit te geven aandelen A en zonder enige
discriminatie tussen de aandeelhouders onderling. In het licht van de huidige
verplichte uittreding ten laatste in 2018 van Electrabel uit het kapitaal van de Vlaamse
distributienetbeheerders die de rechtsvorm hebben van een opdrachthoudende
vereniging, is dit een interessante mogelijkheid voor de omzetting van nietstemgerechtigde in stemgerechtigde aandelen.
Uitgifte van nieuwe
aandelen door
de Vlaamse
distributienetbeheerders
Electrabel besliste niet in te tekenen op de kapitaalverhoging van de diverse Vlaamse
distributienetbeheerders. Aan de overige aandeelhouders (gemeenten, provincies
en in het geval van Sibelgas de financieringsintercommunales IBE en IBG) werd
gevraagd voor welk bedrag zij de kapitaalverhoging wilden onderschrijven.
Voor alle zeven Vlaamse distributienetbeheerders samen werd door de openbare
aandeelhouders EUR 126,5 miljoen onderschreven. Dit is 57,83% van het
aangeboden bedrag.
Van voormeld bedrag werd EUR 26,2 miljoen geprefinancierd door de Vlaamse
financieringsverenigingen en EUR 10 miljoen rechtstreeks onderschreven door de
financieringsintercommunales IBE en IBG.
Eind 2009 kregen de aandeelhouders van de Vlaamse
distributienetbeheerders de kans in te tekenen op een
kapitaalverhoging. Dit gebeurde onder de vorm van
de uitgifte van een nieuwe categorie aandelen zonder
stemrecht.
Vanuit de openbare sector kwam de vraag om voor de meerwaarden die uit de
verkoop van de aandelen Publigas voortkwamen, investeringsopportuniteiten in de
energiesector aan te bieden. De Vlaamse distributienetbeheerders wensten op die
vraag in te gaan.
In het najaar van 2009 beslisten de Vlaamse distributienetbeheerders over te gaan
tot een kapitaalverhoging. Via een statutenwijziging werd een nieuwe categorie
aandelen E zonder stemrecht gecreëerd. De nieuwe aandelen E worden vergoed
aan een gemiddelde rentevoet op jaarbasis van OLO op 10 jaar + 70 basispunten.
Dit in de mate dat het EV (eigen vermogen) van de distributienetbeheerder boven de
33%-grens ten opzichte van de GIK (geïnvesteerd kapitaal) uitkomt. Indien het EV
ten opzichte van de GIK binnen enkele jaren zou teruglopen tot 33% of minder, dan
zullen de aandelen E vergoed worden aan het door de CREG toegekende (hogere)
rendement voor het EV gelijk aan of kleiner dan 33% van de GIK.
28
Bron: Eandis - Fotograaf: Frank Goethals
29
M a r k t we r k i n g
30
Wanneer de kosten van de verschillende technologieën worden afgezet tegenover
de CO2-reductie, komt naar voren dat de belangrijkste factor de kostprijs van de
batterij is. De economische rendabiliteit van elektrische wagens zal afhangen van
de toekomstige evolutie van de prijzen van batterijen ten opzichte van de olieprijzen.
Hoe dan ook lijkt het noodzakelijk om subsidieregelingen te ontwikkelen indien
men een doorbraak van elektrische wagens wenst te realiseren.
Elektrische wagens
De ontwikkeling van elektrische wagens is al vele jaren
bezig, maar we kunnen gerust stellen dat pas in 2009 de
discussie over de gevolgen van een elektrisch wagenpark
voor de Belgische netbedrijven ten volle op gang kwam.
Al snel kon worden vastgesteld dat de gevolgen op lange
termijn ingrijpend kunnen zijn, waarbij de nadruk op de
lange termijn niet onbelangrijk is.
Alhoewel het onderzoek naar en de ontwikkeling van elektrische wagens al decennia
aan de gang is, stellen we pas recent een stroomversnelling vast als gevolg van de
wereldwijde plannen om de CO2-uitstoot terug te dringen en de opwarming van het
klimaat tegen te gaan.
Deze versnelling brengt ook teweeg dat niet altijd even zorgvuldig wordt
omgesprongen met de resultaten van studies, begripsverwarring ontstaat en
soms onrealistische verwachtingen worden gecreëerd, terwijl de timing en de
modaliteiten van een grootschalige invoering van elektrische voertuigen nog
hoogst onzeker zijn.
De voornaamste huidige drijfveer om over te schakelen naar elektrische wagens is
uiteraard de CO2-reductie. Belangrijk is evenwel na te gaan hoe de nodige elektriciteit
wordt geproduceerd. Indien de productie evenveel CO2 uitstoot, is er natuurlijk
geen positieve impact. Volgens sommige studies zouden bijvoorbeeld China en
India door een elektrificatie van hun wagenpark de uitstoot van CO2 nauwelijks tot
niet verminderen als gevolg van het hoge aandeel van steenkoolcentrales in de
elektriciteitsproductie van deze landen. Maar, we moeten uiteraard ook oog hebben
voor de andere milieuvoordelen die elektrische wagens met zich meebrengen.
32
De mogelijke impact op de energiesector in het algemeen en het netbeheer in
het bijzonder is niet gering en speelt op verschillende vlakken. Vooreerst zijn er
natuurlijk de aanpassingen aan de netten die nodig zullen zijn bij een grootschalige
invoering van elektrische wagens.
Deze impact zal onder meer afhangen van de herlaadsystemen die worden
uitgewerkt voor de batterijen. Het opladen in de woningen zal wellicht slechts een
relatief beperkte uitdaging vormen voor het netbeheer en zal vooral een aangepaste
metering vereisen. Bij publieke oplaadpunten moeten de distributienetten worden
aangepast en zal een betalingsinterface moeten worden ontwikkeld, maar de
technologische uitdagingen blijven toch eerder beperkt.
Anders is het met de invoering van snelle gecentraliseerde oplaadpunten waarbij
een batterij op minder dan een uur volledig kan worden opgeladen. Dit zou
belangrijke wijzigingen aan het net vereisen. Ten slotte zou ook kunnen worden
gekozen voor een systeem van verwisselbare batterijen.
Voor stedelijke agglomeraties zijn deze verschillende systemen erg belangrijk. Op
zich is een middelgrote stad uitstekend geschikt voor de introductie van elektrische
wagens, maar het gebrek aan garages bij veel woningen impliceert dat publieke
oplaadsystemen zullen moeten worden ontwikkeld of zal moet worden geopteerd
voor verwisselbare batterijen.
De impact van elektrische voertuigen gaat evenwel verder dan de investeringen in
het netbeheer. Zo zouden volgens sommige studies bij een voldoende uitgebreid
elektrisch wagenpark de voertuigen kunnen fungeren als rondreizende buffers
tussen elektrische centrales en afnemers. In combinatie met goed uitgebouwde
slimme netten zou dit in principe moeten leiden tot een meer gelijkmatige spreiding
van de netbelasting.
Het hoeft geen betoog dat de uitdagingen om dit te realiseren enorm zijn. Niet
alleen op technologisch vlak en op het vlak van de marktwerking, maar zeker ook op
logistiek en financieel vlak. Het is dan ook een illusie te denken dat dit alles op enkele
jaren kan worden gerealiseerd. Daarom is de nadruk op de lange termijn cruciaal.
Niettemin willen de netbeheerders nu reeds hun verantwoordelijkheid nemen en
mee helpen nadenken over de toekomstige organisatie van de elektriciteitsmarkt
en de bijbehorende netten.
33
De distributienetbeheerders namen midden maart 2009 het initiatief om een
wijziging van de context voor te stellen die de door de marktpartijen gewenste
evoluties tegen eind 2009 zou moeten bewerkstelligen.
Daartoe werd overeengekomen om de bottom-up-aanpak voorzien in de Umixconventie te verlaten en een consensuele werking via een top-down-approach tot
stand te brengen.
Gestructureerd via drie overeenkomsten werd aldus voor de volgende aanpak
gekozen:
Mogelijke oprichting van
een clearing house
Voor de verbetering van de werking van de vrijgemaakte
elektriciteits- en aardgasmarkt werd midden 2009 het
initiatief genomen tot het opzetten van een studiesyndicaat
voor de realisatie van een federaal clearing house en een
op dit clearing house afgestemde MIG-versie (“MIG 2012”
genaamd).
Uit de kritische marktmodeldoorlichtingen die in 2008 - in het bijzonder op initiatief
van de VREG - plaatsvonden, bleek immers dat de marktactoren in grote lijnen zich
in het volgende konden terugvinden:
• Het behoud van een federale MIG-versie wordt als een topprioriteit aanzien en
dit in het bijzonder door de leveranciers;
• Het bestaan op het Belgisch niveau van vier clearing houses wordt door de
meeste marktpartijen als problematisch gezien. Een federaal clearing house
zou er immers kunnen voor zorgen dat de klanten sneller en gemakkelijker
kunnen overstappen van de ene naar de andere leverancier van gas of
elektriciteit. Ook zou de behandeling van de meetgegevens, de gridfeeaanrekening en het allocatie- en reconciliatieproces erdoor verbeteren.
• De in 2009 ingevoerde MIG-versie van de vierde generatie zou moeten
opgewaardeerd worden om zowel een aantal marktprocesverbeteringen door
te voeren als een MIG-versie (2012) te realiseren, afgestemd op het federaal
clearing house dat tegen 2012 operationeel en “smart meter ready” zou
moeten zijn.
34
• Binnen Synergrid wordt een beleidscomité gevormd voor het opvolgen van de
conceptstudie-overeenkomst waarbij Synergrid door de distributienetbeheerders
belast wordt met de uitwerking van het lastenboek voor een federaal clearing
house en de MIG 2012;
• Tussen Synergrid en Febeg (de Federatie van de Belgische Elektriciteits- en
Gasbedrijven) werd een overeenkomst afgesloten om een geregeld onderling
overleg tussen de netbedrijven en de leveranciers tot stand te brengen over het
vastleggen van de basisprincipes voor een nieuwe versie van de marktregels
op distributienetbeheer, uitgedrukt in de Utility Market Implementation Guide,
genaamd “MIG 2012”;
• Tussen Synergrid en Indexis is een overeenkomst afgesloten waarbij deze
laatste belast wordt met de opdracht om voor rekening van Synergrid een
studie uit te voeren, genaamd “MIG 2012 – Clearing House – Concept Study”.
Op basis van het in 2009 gepleegd studiewerk en overleg bleek eind 2009 dat de
initieel gestelde doelstellingen dienden bijgesteld te worden.
Deze bijsturing spruit voort uit het verschil in visie dat op niveau van de gewesten
bestaat omtrent de aanpak van “smart grid” en de bestaande onduidelijkheid op
het vlak van “slimme meters” (nog niet uitgeklaarde Europese normalisatie).
Aldus wordt de geladen term “MIG 2012” vervangen door “MIG 5”, in casu een
Message Implementation Guide die de “MIG 4.02”-visie enkel zodanig aanpast dat
rekening gehouden wordt met de verbeteringsvoorstellen van de marktprocessen
waarover tussen Synergrid en Febeg een consensus bestaat.
Het betreft met andere woorden een MIG-versie die gevoelig minder ambitieus is
dan de initieel vooropgezette vermits ervoor gekozen wordt om de wijzigingen die
de smart metering-introductie zullen vergen er nog niet in te implementeren.
Eenmaal er meer duidelijkheid rond het smart-verhaal bestaat – en dit door
de beschikbaarheid van de resultaten van de lopende pilootprojecten en van de
Europese standaardisatie – zal er gewerkt worden aan een MIG 6-versie waarin de
marktprocesstructurering zal aangepast worden om rekening te houden met de
invoering van de smart metering.
35
Tot slot hebben ORES (werkmaatschappij van de Waalse gemengde
distributienetbeheerders), EANDIS (werkmaatschappij van de Vlaamse gemengde
sector) en INFRAX (uitvoerder van de Vlaamse zuivere sector) het initiatief
genomen om de oprichting van een clearing house op hun niveau te realiseren
met de bedoeling dat dit clearing house operationeel zal zijn in 2013. Alle andere
Belgische netbeheerders zullen de gelegenheid krijgen om aan te sluiten.
Energieprijzen
36 36
Ook moet worden opgemerkt dat de tarieven weliswaar worden vastgelegd voor
een periode van vier jaar, maar dat dit niet betekent dat de tarieven gedurende die
periode volledig vlak blijven. De tarieven worden immers geïndexeerd. Bovendien
moeten de netbeheerders tijdens de eerste meerjarenperiode een niet-cumulatieve
besparing van de operationele beheersbare kosten realiseren van 2,5% per jaar.
Meerjarentarieven
In de loop van vorig jaar werden de tariefvoorstellen
van alle Belgische gemengde distributienetbeheerders
goedgekeurd. Hiermee is de eerste meerjarige
tariefperiode op distributieniveau een feit. De
goedgekeurde tarieven gelden immers tot en met 2012.
Reeds in 2008 werden de koninklijke besluiten gepubliceerd die een regelgevend
kader creëren voor de introductie van meerjarentarieven op distributieniveau voor
zowel elektriciteit als aardgas. De introductie van tarieven voor een periode van
vier jaar moet een grotere stabiliteit en visibiliteit bieden aan de verschillende
marktspelers.
De tarieven moeten de distributienetbeheerders toelaten hun kosten
te dekken. Daarbij wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen
beheersbare en niet-beheersbare kosten, die onder meer een gevolg zijn van
openbaredienstverplichtingen. De tarieven moeten tevens een billijke vergoeding
geven aan de aandeelhouders voor de door hen geïnvesteerde kapitalen.
De billijke vergoeding hangt enerzijds af van de gemiddelde waarde van het
gereguleerd actief – de Regulated Asset Base of RAB – en anderzijds van de
gemiddelde in balans gehouden kapitaalkost – de Weighted Average Cost of Capital
of WACC. Belangrijk is dat de koninklijke besluiten eveneens de mogelijkheid
voorzien om de meerwaarde op de RAB af te schrijven, wat een gunstig effect heeft
op de autofinancieringscapaciteit van de netbeheerders.
De tariefvoorstellen van de Vlaamse gemengde distributienetbeheerders werden
in juni 2009 goedgekeurd, de goedkeuringen voor de Waalse en Brusselse
netbeheerders volgden na de zomer. Daarmee kwam een eind aan de voorlopige
tarieven die aan de netbeheerders werden opgelegd en een bevriezing inhielden
van de tarieven op het niveau van 2008.
Voor de goedkeuring van de tarieven was een lange weg afgelegd. In november 2008
had de CREG nog de voorstellen afgewezen. De federale regulator argumenteerde
onder meer dat hij te weinig tijd had om de tariefvoorstellen grondig te controleren.
Een concreet element was onder meer het uitblijven van een rapporteringsmodel
dat de netbeheerders moeten aanwenden voor het verschaffen van informatie aan
de CREG. Tijdens de eerste helft van 2009 zag het nieuwe rapporteringsmodel het
daglicht en was de weg vrijgemaakt voor een goedkeuring van de tariefvoorstellen.
Algemeen kan over alle regio’s heen worden vastgesteld dat de distributienettarieven
voor elektriciteit een opwaartse druk ondervinden van verschillende elementen.
In de eerste plaats zijn er de hogere kosten voor openbaredienstverplichtingen.
Daarnaast zijn er hogere financieringskosten wegens een aantal belangrijke
investeringsprogramma’s van de netbeheerders en worden ook hogere kosten
vastgesteld voor het dekken van de netverliezen.
Ten slotte is er de impact van overdrachten uit het verleden toen op sommige vlakken
de tariefinkomsten te laag waren om alle kosten te dekken. Deze tekorten dienen
vanaf 2009 gerecupereerd te worden. In Vlaanderen worden de elektriciteitstarieven
wel gedrukt door het wegvallen van de zogenaamde “Elia-heffing”.
Bij dat alles mag niet vergeten worden dat hier gemiddelde tendensen worden
weergegeven en de tariefverschillen tussen de netbeheerders onderling
groot kunnen zijn. Bovendien verschillen de evoluties ook voor de diverse
klantengroepen. Dat geldt evenzeer voor aardgas, waar twee elementen opduiken
die ook voor elektriciteit een opwaartse druk op de tarieven uitoefenen: de hogere
financieringskosten als gevolg van aanzienlijke investeringen en de overdrachten
uit voorbije boekjaren.
Op het einde van elke regulatoire periode worden de verschillen tussen de
gebudgetteerde en de effectieve kosten behandeld volgens de aard van deze kosten.
Verschillen in de niet-beheersbare kosten worden op de eindafnemers geïmputeerd.
De verschillen op niveau van de beheersbare kosten zijn ten bate of ten laste van de
aandeelhouders. Op die manier worden de distributienetbeheerders gestimuleerd
zo efficiënt mogelijk te werken.
38
39
Voor de automatisering werd de federale overheidsdienst (FOD) Economie
ingeschakeld om via een gegevensbestand uit de Kruispuntbank een lijst
op te stellen van rechthebbende eindafnemers die aan de leveranciers en
distributienetbeheerders wordt bezorgd. Al snel rezen juridische en operationele
vragen. Zo werden vragen gesteld bij de toepasselijkheid van het voormeld
koninklijk besluit.
Sociale tarieven
België kent reeds geruime tijd specifieke sociale tarieven,
maar op het terrein kwam men tot de vaststelling dat
nogal wat rechthebbenden tussen de mazen van het
net vallen. Daarom werden initiatieven genomen om
de sociale tarieven automatisch toe te kennen. Deze
automatisering blijkt evenwel een stuk moeilijker dan
aanvankelijk voorzien.
De sociale tarieven voor elektriciteit en aardgas voorzien in maximumprijzen die
overeenkomen met de prijzen die de goedkoopste leverancier aanbiedt in het
gebied van de distributienetbeheerder met de laagste nettarieven. Deze berekening
gebeurt halfjaarlijks. Het sociaal tarief moet door de leveranciers worden toegekend
aan verschillende categorieën van residentiële eindafnemers die zich in sociaal
kwetsbare situaties bevinden of een laag inkomen hebben.
In de praktijk werd vastgesteld dat niet alle rechthebbenden effectief van een
sociaal tarief genieten. Een automatische toekenning moet hier soelaas brengen.
Reeds in 2008 had de federale minister van Energie Paul Magnette - samen met
de netbeheerders en de leveranciers - het initiatief genomen tot het opzetten van
een overleg met als doel de automatische toekenning van het sociaal tarief aan de
rechthebbenden.
Hierdoor kan worden vermeden dat sommigen niet van dit sociaal tarief genieten.
Bovendien moet het nieuwe systeem ervoor zorgen dat de rechthebbenden niet
jaarlijks door middel van een attest een bewijs moeten aanleveren. Medio 2009
verscheen een koninklijk besluit dat de modaliteiten vastlegt voor de automatische
toekenning van de sociale tarieven, maar snel werd duidelijk dat de implementatie
geen sinecure is.
40
Een ander heikel punt betreft de privacy. De gegevens die tussen de netbeheerders
en de FOD Economie moeten worden uitgewisseld bevinden zich vaak in de
privésfeer van de klanten en hebben dus een vertrouwelijk karakter. Om op een
later tijdstip moeilijkheden te vermijden, vroegen de netbeheerders expliciete
machtigingen te bekomen.
Een ander euvel zijn de uiteenlopende toekenningsvoorwaarden voor een sociaal
tarief die de regio’s hanteren. Concreet zijn deze voorwaarden ruimer in Brussel
en Wallonië, wat een automatisering op federaal niveau uiteraard bemoeilijkt en in
de praktijk erop neerkomt dat de Waalse en Brusselse netbeheerders nog steeds
gedeeltelijk zijn aangewezen op het verschaffen van papieren attesten.
Op operationeel niveau kon worden vastgesteld dat het bestand dat de FOD Economie
hanteert onvolkomenheden bevat. Zo bleken niet alle bestaande rechthebbenden
in het bestand te zitten waardoor een onmiddellijke automatische toepassing zelfs
had kunnen leiden tot een daling van het aantal rechthebbenden. In dergelijk geval
blijven papieren attesten noodzakelijk, waardoor uiteraard een van de belangrijke
voordelen van de automatisering teniet wordt gedaan.
Een nieuw uitvoeringsbesluit, dat begin 2010 nog niet het daglicht zag, zou
oplossingen moeten aanreiken voor de gestelde problemen en de weg vrijmaken
voor een volwaardige automatisering.
Ten slotte vond vorig jaar heel wat discussie plaats over de recuperatie van de
verschillen tussen de normale tarieven en de sociale tarieven. Deze recuperatie
moet gebeuren via een fonds dat door de federale regulator CREG wordt beheerd
en gespijsd wordt met bijdragen van de eindafnemers.
De CREG heeft de bevoegdheid om op basis van controlestalen na te gaan of
geen onrechtmatige toekenningen zijn gebeurd vooraleer over te gaan tot de
terugbetaling. Probleem is dat de regulator in 2009 elke terugbetaling weigerde
indien de resultaten van de steekproef niet volledig sluitend waren. Een perfecte
aansluiting is evenwel niet mogelijk voor het verleden, onder meer door het gebrek
aan gelijkvormigheid van de attesten.
Vanuit de distributienetbeheerders en de leveranciers werd daarom een werkbaar
compromis voorgesteld, maar eind 2009 was hierover nog geen akkoord bereikt
met de CREG.
41
De procedure van invoering van de koninklijke besluiten voorziet een overleg
met de regio’s. Tijdens dit overleg toonden de regio’s zich voorstander van een
afschaffing van de injectietarieven met het oog op het stimuleren van de productie
van hernieuwbare energie.
Bron: Eandis - Fotograaf: Frank Goethals
Injectietarieven
De federale minister van Energie, de heer Paul Magnette, maakte eind 2009
de vraag naar advies over aan de CREG die onder meer Intermixt raadpleegde.
Intermixt wees op de complexiteit van het dossier, zowel op het terrein als binnen
het reglementair kader. Zo zijn de tarieven van de gemengde netbeheerders
vastgelegd voor vier jaar en kunnen zij slechts onder welbepaalde voorwaarden
worden gewijzigd. Een afschaffing van de injectietarieven zou dus niet zomaar
kunnen gebeuren. Niettemin formuleerde Intermixt enkele voorstellen die een
voorlopige oplossing zouden bieden in afwachting van een grondige analyse van de
problematiek.
In 2009 ontstond heel wat discussie over de injectietarieven
die verschillende distributienetbeheerders invoerden
in het kader van de meerjarentarieven. Vooral vanuit
de regio’s werden bezwaren geuit. Intermixt toonde
zich bereid te streven naar een oplossing op korte
termijn, maar voegde daaraan toe dat een grondig debat
nodig is over de verdeling van de kosten die decentrale
elektriciteitsproductie veroorzaakt.
Tevens werden enkele kanttekeningen gemaakt. Zo wees Intermixt erop dat de
feitelijke toestand verschilt van regio tot regio en sommige distributienetbeheerders
geen injectietarieven aanrekenen. Bovendien kon het gemiddeld injectietarief anno
2009 bezwaarlijk exorbitant worden genoemd, zeker wanneer het wordt vergeleken
met de ondersteuning van hernieuwbare energie door middel van de groene
stroomcertificaten.
De gemengde distributienetbeheerders beschikken over goedgekeurde
meerjarentarieven voor de periode 2009 tot 2012. Toen deze tarieven wereldkundig
werden gemaakt, ontstond vanuit sommige hoeken protest tegen de opname van
injectietarieven door de Vlaamse en Waalse gemengde distributienetbeheerders.
Sommige zuivere netbeheerders hadden reeds eerder dergelijke tarieven toegepast.
Injectietarieven zijn tarieven die worden aangerekend voor elektriciteit die op het
distributienet wordt geïnjecteerd door decentrale productie-eenheden.
Intermixt stelde dat het principe van injectietarieven niet zomaar over boord mag
worden gegooid, gelet op de verwachte forse toename van de kosten die decentrale
productie teweegbrengt. Er werd gepleit voor de oprichting van een werkgroep in
de schoot van de CREG waarbij met behulp van de netbeheerders alle specifieke
injectiekosten worden geïdentificeerd, de methoden van kostenallocatie van injectie
worden opgelijst en de optimale allocatie wordt onderzocht.
De koninklijke besluiten over de distributienettarieven voorzien deze mogelijkheid
en de effectieve invoering van de injectietarieven gebeurde pas na overleg met
de federale regulator CREG. Het achterliggende idee was om in beperkte mate
rekening te houden met de verwachte sterke toename van de injectie van energie
van zelfproducenten en decentrale eenheden. Decentrale productie brengt immers
kosten met zich mee die zonder specifieke tarifering integraal moeten aangerekend
worden aan de eindafnemers.
42
Belangrijk is ook dat op het terrein niet alle autoproducenten dergelijk tarief krijgen
aangerekend. Zo kan een aanrekening enkel gebeuren indien de klant beschikt
over een zogenaamde AMR-meter (Automatic Meter Reading). In de praktijk komt
dat erop neer dat bijvoorbeeld huisgezinnen met zonnepanelen op het dak van
hun woning geen injectietarief betalen, aangezien geen afzonderlijke telling van
afname en injectie gebeurt.
Begin 2010 werd duidelijk dat de CREG oor had voor de vragen van Intermixt.
Tijdens een overleg tussen de regulator en de distributienetbeheerders werd
overeengekomen inderdaad twee pistes te bewandelen. Ten eerste, een
overgangssysteem inroepen dat een oplossing biedt op korte termijn. Ten tweede,
op lange termijn via een werkgroep een structurele oplossing zoeken voor
injectietarieven, onder meer gebaseerd op een internationale studie. Ondertussen
blijven de reeds goedgekeurde meerjarentarieven behouden.
43
Om te vermijden dat men met de plaatsing van de aardgasbudgetmeter niet de
beoogde resultaten bereikt, wordt deze budgetmeter niet bij wijze van algemene
maatregel geplaatst bij al de huishoudelijke klanten die door hun commerciële
energieleverancier naar de distributienetbeheerder doorverwezen worden (gedropte
klanten). De Vlaamse gemengde distributienetbeheerders hebben er in hun
hoedanigheid van sociale leverancier voor gekozen om deze aardgasbudgetmeter
slechts bij de gasklanten te plaatsen die na ingebrekestelling nalaten om hun
factuur bij de sociale leverancier te betalen.
Aardgasbudgetmeters
De invoering van de aardgasbudgetmeter in Vlaanderen
is vanaf 2009 een feit geworden en beantwoordt aldus
aan een steeds nijpender nood. Merk op dat in Wallonië
de invoering ervan sedert 2008 een feit is doch met een
gebruik ervan aangepast aan de Waalse reglementering
ter zake.
De aardgasbudgetmeter liet geruime tijd op zich wachten omdat rekening diende
gehouden te worden met de specifieke veiligheidsvoorzorgen eigen aan het gebruik
van gas.
Merk op dat de gasbudgetmeter, net als de elektriciteitsbudgetmeter, over een
noodkrediet beschikt dat wel 70 EUR beloopt in plaats van 35 EUR voor elektriciteit.
Een ander verschil dat tussen de gasbudgetmeter en de elektriciteitbudgetmeter
bestaat, houdt in dat wanneer het voormeld noodkrediet opgebruikt is, de
elektriciteitsbudgetmeter gaat functioneren als een vermogensbegrenzer waarbij
de klant enkel nog aan het tot 10 ampère beperkt vermogen kan afnemen. Bij de
gasbudgetmeter valt de fysische gaslevering echter volledig weg wanneer het
noodkrediet op is.
Het voormelde en de modaliteiten, die in het sinds 1 juli 2009 van toepassing
zijnde besluit inzake de sociale openbaredienstverplichtingen voorzien zijn voor
het recupereren van energieschulden via de budgetmeter, waren in het najaar van
2009 voorwerp van intensief overleg.
De in het besluit van 1 juli 2009 voorziene overgangsperiode van drie jaar
waarbinnen de aardgasnetbeheerders de aardgasbudgetmeter moeten plaatsen
enerzijds, en de minimalistische interpretatie van de wijze waarop de opgebouwde
schulden via een betaalplan langs de budgetmeter om kunnen gerecupereerd
worden anderzijds, zorgden ervoor dat voor de winter van 2009/2010 een werkbaar
compromis bereikt werd.
In dit kader diende er immers in een geëigende openingsprocedure voorzien
te worden voor het geval dat de meter na volledige uitschakeling terug moet
geopend worden. Deze openingsprocedure moet de klant toelaten om er zich van
te kunnen vergewissen dat al de gastoestellen afgezet zijn vooraleer de gasklep
van de meter geopend wordt. Dit wordt verzekerd doordat bij het doorlopen van
de openingsprocedure de gasbudgetmeter gedurende 720 seconden een lektest
uitvoert. Hierbij wordt gecontroleerd of er geen gas kan ontsnappen en wordt het
gas slechts opengezet en kunnen alle gastoestellen slechts opnieuw gebruikt
worden als er geen lek werd vastgesteld.
Voor het overige laat de aardgasbudgetmeter, net als de budgetmeter elektriciteit,
aan de klant toe om via een systeem van voorafbetalingen het gasverbruik op te
volgen. Via een betaalkaart moet de klant immers eerst voor een bepaald bedrag
opladen en kan hij pas vervolgens voor het opgeladen bedrag gas verbruiken. Dit
draagt ertoe bij dat de klant bewuster gemaakt wordt van de energiekost en hij
ertoe aangezet wordt om gas te besparen. Tevens zorgt deze meter ervoor dat de
schulden minstens op energievlak niet verder zullen oplopen.
44
45
Participaties
in transportnetbeheer
46
dossier van zeer nabij opgevolgd, geruggensteund door juridische en financiële
specialisten.
Bron: Eandis - Fotograaf: Frank Goethals
Publi-T
Het boekjaar 2008-2009 hield voor Publi-T geen
verrassingen in. Daar kwam verandering in na
het afsluiten van het boekjaar toen twee grote
dossiers nagenoeg gelijktijdig op tafel kwamen: de
overnameplannen van 50Hz door Elia in Duitsland en
de aankondiging van het vertrek van Electrabel als
aandeelhouder van de transportnetbeheerder.
De cvba Publi-T heeft als opdracht het beheer van het aandeel van de Belgische
gemeenten in Elia, de nationale beheerder van het transportnet voor elektriciteit.
Publi-T hield eind 2009 een belang van 33,01% in Elia aan.
Het boekjaar van Publi-T loopt van 1 oktober tot 30 september. Het voorbije jaar
kan gerust als een consolidatiejaar worden aanzien. Een jaar eerder werd nog
een kapitaalverhoging doorgevoerd ter financiering van de aankoop van een
3%-belang van Electrabel in Elia.
Tijdens het boekjaar 2008-2009 stegen de financiële opbrengsten van Publi-T
licht dankzij de toename van het Elia-dividend van EUR 1,30 tot 1,37 per aandeel.
De financiële kosten van de holding kenden daarentegen een fikse daling door het
wegvallen van de intrestlasten op een overbruggingskrediet dat was afgesloten in
afwachting van de voormelde kapitaalverhoging.
Deze elementen brachten teweeg dat Publi-T zijn winst van het boekjaar zag
toenemen van EUR 18,97 tot 21,09 miljoen. Het bruto jaardividend bedroeg EUR
20,31 miljoen. Per aandeel kwam het dividend uit op EUR 21,37, tegen EUR 20,02
over boekjaar 2007-2008.
Eind februari 2010 gaven achtereenvolgens de raden van bestuur van Publi-T en
Elia groen licht voor de operatie op basis van zowel strategische als financiële
argumenten. Algemeen moet een internationale expansie Elia in staat stellen
invloed uit te oefenen op de investeringsbeslissingen en de ontwikkeling van de
marktregels in West-Europa, wat des te belangrijker is voor een klein land dat niet
langer over significante productiecapaciteit beschikt in handen van binnenlandse
actoren.
Naast de strategische elementen ging uiteraard veel aandacht naar de
bedrijfseconomische en financiële elementen. Dankzij de overname kan Elia
operationele ervaringen uitwisselen, standaarden ontwikkelen en het regulatoir
risico diversifiëren zodat niet alle inkomsten afhankelijk zijn van één en hetzelfde
regulatoir kader. Dat alles moet de creatie van extra aandeelhouderswaarde
mogelijk maken.
Voor wat de Duitse regulering betreft kan men er niet omheen dat deze
minder matuur is dan in België. Dit kan opportuniteiten bieden, maar houdt
uiteraard ook onzekerheden en dus risico’s in, ermee rekening houdend dat het
investeringsprogramma de komende jaren intens zal zijn. In die context moeten
we verwijzen naar de verregaande ambities op het vlak van hernieuwbare energie
waarbij we in de eerste plaats denken aan de bouw van windmolenparken in de
Baltische Zee.
Volgens het management, de raad van bestuur en de externe adviseurs van Elia
leek de aankoopprijs van 50Hz voldoende laag om de onzekerheden omtrent het
investeringsprogramma en de immature regulering in Duitsland te absorberen.
Deze bevindingen werden bevestigd door de externe adviseurs van Publi-T. De
overeengekomen ondernemingswaarde bedroeg uiteindelijk EUR 810 miljoen.
Belangrijk is op te merken dat Elia 50Hz overnam via een consortium waarin het
een aandeel van 60% heeft en Industry Funds Management (IFM) de resterende
40%. IFM is een wereldwijde beheerder van infrastructuurinvesteringen met
de hoofdzetel in Australië. Begin maart werd een overnameovereenkomst
ondertekend tussen Vattenfall enerzijds en Elia en IFM anderzijds.
Elia financiert de overname door middel van een kapitaalverhoging, maar dat is
niet de enige factor die een rechtstreekse impact heeft op het aandeelhouderschap
van Elia. Begin 2010 kondigde Electrabel immers zijn vertrek aan. Medio maart
was echter nog niet duidelijk op welke manier de groep haar participatie van
24,35% van de hand zou doen. Publi-T, dat sowieso over een voorkooprecht
beschikt, volgde het dossier van zeer nabij op.
Na het afsluiten van het boekjaar maakte Elia bekend dat het onderhandelingen
voerde over de overname van het Duitse transportnetwerk “50Hz” van de Zweedse
energiegroep Vattenfall. Gelet op het belang van deze operatie, heeft Publi-T het
Publi-T is voor 30% in handen van de financieringsverenigingen van de Vlaamse
gemengde sector, voor 25% van de Gemeentelijke Holding, voor 15% van de
Vlaamse zuivere verenigingen en de Vlaamse EnergieHolding, voor 12,5% van
Socofe, voor 10% van de Waalse financieringsintercommunales en voor 7,5% van
de Brusselse financieringsintercommunales. Het secretariaat van Publi-T wordt
door Intermixt waargenomen. Intermixt staat tevens in voor de coördinatie van de
Vlaamse financieringsverenigingen.
48
49
In het betrokken boekjaar heeft de vennootschap 22.241.730,00 EUR brutodividenden ontvangen; door de verkoop van de participatie in Distrigas kon er een
éénmalige meerwaarde van 1,39 miljard EUR gerealiseerd worden. Het huidige
boekjaar sluit dan ook af met een nettowinst van 1,327 miljard EUR.
De algemene vergadering heeft de volgende resultaatverdeling belist:
Bron: Mediatheek Fluxys - Luchtfotografie: Patrick Hendrickx
Publigas
Het boekjaar van de cvba Publigas loopt over de
periode van 1 oktober tot 30 september. Publigas is
een holding met een kapitaal van EUR 61.864.964,19
dat vertegenwoordigd wordt door 32.751 aandelen
met elk een nominale waarde van EUR 1.888,94.
De aandelen worden zowel bij de gemengde als bij de zuivere gassector aangehouden
in de verhoudingen die zijn vastgelegd in de conventie van 31 maart 1994 en volgens
de modaliteiten van de aandeelhoudersovereenkomst van 3 juli 1996.
De aandelen zijn, conform het artikel 7 van de statuten, opgedeeld in drie categorieën:
• de aandelen van categorie A voor de financieringsverenigingen van het
Vlaamse gewest en VEH vertegenwoordigen 55% van de uitgegeven
aandelen;
• de aandelen van categorie B voor de financieringsverenigingen van het
Waalse gewest en Socofe vertegenwoordigen 30% van de uitgegeven
aandelen;
• de aandelen van categorie C voor de financieringsvereniging van het
Brusselse gewest vertegenwoordigen 15% van de uitgegeven aandelen.
Te bestemmen resultaat van het boekjaar
(inclusief overgedragen winst vorig boekjaar)
EUR
1.330.657.930,82
- Dotatie aan de wettelijke reserve
EUR
0,00
- Dotatie aan de onbeschikbare reserve
EUR
297.000.000,00
- Uit te keren dividend
EUR
832.759.677,00
- Saldo over te dragen naar het volgend boekjaar
EUR
200.898.253,82
EUR
1.330.657.930,82
Een bruto-dividend werd aan de aandeelhouders uitgekeerd van 25.427,00 EUR/
aandeel ten opzichte van 1.320,00 EUR/aandeel het vorige boekjaar.
Rekening houdend met het thesaurievoorschot van 32.751.000,00 EUR (of 1.000,00
EUR per aandeel), dat reeds werd uitbetaald aan de aandeelhouders op 1 juli
2009, bleef er derhalve nog een bedrag van 800.008.677,00 EUR te storten (of
24.427,00 EUR per aandeel). Er werd aan de algemene vergadering voorgesteld
om dit saldo uit te keren aan de aandeelhouders op 1 december 2009.
Rekening houdend met de consolidatie van de rekeningen van Publigas en Fluxys,
die zal gebeuren op basis van de cijfers van Publigas per 30 september 2009 en
van Fluxys per 31 december 2009, zal de geconsolideerde balans Publigas-Fluxys
voor einde april/begin mei 2010 voorgelegd worden aan de statutaire organen van
Publigas en Fluxys.
Publigas heeft in het afgelopen boekjaar haar participatie in Distrigas verkocht.
De deelneming in Fluxys werd verder uitgebouwd zodat Publigas thans met
361.641 van de 702.636 aandelen een meerderheidsbelang, zijnde 51,47% in die
vennootschap bezit.
50
51
Financieringsverenigingen
52
Het bedrag van de recurrente inkomsten die de gemeenten kunnen verwachten
uit hun investeringen in de energiesector is ongetwijfeld afhankelijk van de
reorganisatie van de sector in België maar ook en vooral in Europa.
Intermixt creëert een
platform van de Waalse
zuivere financieringsintercommunales.
De door de wetgever opgelegde scheiding van de productie-, netwerk- en
leveringactiviteiten heeft de aangesloten gemeenten de inkomsten ontnomen
van de immateriële dividenden verbonden met de verkoop van energie door de
intercommunales.
De kwaliteit van de informatie die wordt verspreid aan de verantwoordelijken van
de gemeenten die aangesloten zijn bij de zuivere financieringsintercommunales,
die zelf aanwezig zijn in de holdings Publi-T en Publigas, is fundamenteel. De
bedragen die op het spel staan, zijn enorm en de bestemming van de inkomsten
van deze openbare participaties heeft een niet te verwaarlozen impact op de
gemeentelijke financiën.
Dientengevolge hebben de Waalse instanties van Intermixt een platform van de
zuivere financieringsintercommunales opgericht, met als doel voorlichting en
overleg over de investeringsmogelijkheden op het vlak van energie. Voor elk van
de behandelde onderwerpen en in functie van de verwachtingen van de leden,
zullen de verantwoordelijken en de deskundigen van de betrokken domeinen in
het aldus opgerichte platform hun zeg kunnen doen.
De sector evolueert zodanig, en wij stellen dat onder meer voor wat Elia en Fluxys
betreft, dat de verspreiding van gedetailleerde informatie en de organisatie van
frequente gedachtewisselingen nodig zijn om de gemeentelijke beslissers in
staat te stellen een standpunt in te nemen in deze uiterst complexe materies.
De zuivere financieringsintercommunales die een samenwerkingsovereenkomst
hebben ondertekend met Intermixt zijn: Finest, Finimo, Idefin, IEG, IPFH, Sedifin
en Sofilux.
De zuivere financieringsintercommunales aangesloten bij de distributienetbeheerders werden opgericht om de gemeenten die aangesloten zijn bij de intercommunales voor de distributie van elektriciteit en gas in staat te stellen hun
participaties in het transport en de distributie maar ook in de productie en de
levering te bestendigen.
De inkomsten uit deze participaties ten bate van de gemeenten strekken tot het
beperken van de verliezen door de liberalisering.
Overigens hebben de gemeenten nieuwe opdrachten gekregen ten voordele van
de gemeenschap. Deze opdrachten worden hen opgelegd door hogere overheden,
zonder dat deze echter de werkelijke kosten van de uitvoering van deze opdrachten
financieren.
De gemeenten die geconfronteerd worden met een sombere economische
context, zijn zich bewust van het belang van het behoud van de kwaliteit van de
aan de bevolking geleverde diensten.
54
55
Ten eerste werd ervoor geopteerd om Electrabel binnen EGPF met de uitbating
te belasten en hiervoor niet langer beroep te doen op externe partners zoals
Ecowatt en Westenwind.
Ten tweede werd het aandeelhouderschap in het nieuwe EGPF, vergeleken
met WWV, grondig herschikt. Terwijl in WWV de Vlaamse gemengde
elektriciteitsintercommunales veruit de meeste aandelen aanhielden, besliste
de gemeentelijke openbare sector om in EGPF niet langer de leiding te nemen.
Door dit terugplooiingsscenario werd overeengekomen dat Electrabel 70 % van
de aandelen binnen EGPF aanhoudt en de Vlaamse financieringsverenigingen
van de gemengde sector 30 %.
Cel financiële participaties
GeFIN werd op 29 juni 2009 vrijwillig in vereffening
gesteld. Een aandeelhoudersovereenkomst werd afgesloten tussen de Vlaamse financieringsverenigingen
m.b.t. het beheer van de participaties in EGPF en ECS.
GeFIN was al in 2007 herleid tot een holding die de participaties in ECS (Electrabel
Customer Solutions nv) en EGPF (Electrabel Green Projects Flanders cvba)
beheert voor de Vlaamse financieringsverenigingen. In 2008 werd echter besloten
deze holding te ontbinden en de participaties in voormelde vennootschappen
rechtstreeks te laten aanhouden door de financieringsverenigingen.
Aldus werd per 30 juni 2008 de participatie in EGPF door GeFIN verkocht aan
de financieringsverenigingen en werd de portage-overeenkomst met betrekking
tot de aandelen ECS stopgezet. Op 29 juni 2009 werd GeFIN vrijwillig in
vereffening gesteld. Daarnaast sloten de aandeelhouders van EGPF en ECS een
aandeelhoudersovereenkomst waarin zij afspraken maakten over het beheer van
de participaties in EGPF en ECS.
De rechtsvoorganger van EGPF, de cvba WWV (Wind Waterkracht Vlaanderen),
werd in 1999 opgericht door de Vlaamse gemengde distributie-intercommunales
om te voldoen aan de groene stroom productieverplichtingen die zij toen als
elektriciteitsleveranciers nog hadden.
Aangezien de Vlaamse gemengde energiedistributie-intercommunales
genoodzaakt waren hun commerciële leverings- en productieactiviteiten met
ingang van 1 juli 2003 stop te zetten, moesten zij zich uit de hernieuwbare
productieactiviteit terugtrekken. In dit kader werd op 30 december 2002 WWV
als vennootschap grondig hervormd. Niet alleen werd de naam van WWV in EGPF
gewijzigd, er werd ook voor een fundamentele koerswijziging gekozen.
56
Ten derde werd een nieuw businessplan opgesteld waarin voorzien werd om
de initiële investeringspolitiek - die uitging van het realiseren van kleinschalige
waterkrachtcentrales - de rug toe te keren en resoluut te investeren in
windmolenparken.
Samen met dochter EGPF WHH beschikte EGPF per 31 december 2009 over
40,66 MW productievermogen, verdeeld over 21 windturbines, en dat ondanks
een moeizaam verlopend vergunningsbeleid. Een bijkomend productievermogen
wordt op middellange termijn (1 à 3 jaar) in het vooruitzicht gesteld. De grootteorde
hiervan is moeilijk inschatbaar gelet op de complexiteit van het verwerven van
gronden en het bekomen van bouwvergunningen.
De gunstig evoluerende resultaten van EGPF zorgen ervoor dat vanaf 2010 (over
het boekjaar 2009) met een reële dividendpolitiek gestart wordt. Het belang van dit
laatste mag echter niet overtrokken worden, aangezien EGPF als een groeibedrijf
moet aanzien worden, waarin aandeelhouderswaardecreatie primeert en dit
gegeven het dynamisch groeibeleid betreffende nieuwe windmolenparken en de
sterke autofinancieringsgraad.
Sinds de vrijmaking van de Vlaamse energiemarkt in 2003 is de leveringsactiviteit
van de gemengde intercommunales ondergebracht bij ECS en beperken zij
zich tot het distributienetbeheer, samen met enkele belangrijke bijkomende
maatschappelijke opdrachten.
De Vlaamse gemeenten van de gemengde sector houden samen een financiële
participatie van 3% aan in ECS, wat overeenkomt met 5% in de Vlaamse
activiteiten van ECS. Echter, gelet op de historische context bij het ontstaan van
ECS, ontvangen zij 40% van het resultaat van de Vlaamse rekeningsector van ECS.
De winst van ECS wordt grotendeels toegekend als een bijdrage via de “Vereniging
in Deelneming” en in mindere mate als een dividend.
De toenemende concurrentie heeft ertoe geleid dat de winst van ECS aanzienlijk
afgenomen is.
57
Ook de Waalse gemeenten (in tegenstelling tot de Brusselse gemeenten) houden
via hun financieringsverenigingen een participatie van 1,25% aan in ECS. Zij
ontvangen 40% van het resultaat van de Waalse rekeningsector van ECS.
In het afgelopen jaar werd het extranet operationeel voor de bestuurders van
de Vlaamse financieringsverenigingen alsook voor de secretarissen en financieel
beheerders van de deelnemende gemeenten (en voor de griffiers en de financieel
beheerders van de deelnemende provincies).
Het extranet is de centrale plaats voor informatie en documenten. Een vlotte
toegankelijkheid en praktische indeling zorgen ervoor dat de diverse gebruikers
snel en volledig geïnformeerd worden.
De documenten kunnen te allen tijde geraadpleegd worden en gedownload
worden. Dit vergemakkelijkt ook de verspreiding van documenten binnen de
besturen.
J a a r re ke ni n g
2009
58
Balans per
31 december 2009
Activa
Passiva
2009
VASTE ACTIVA
1.053.012,65
Terreinen & gebouwen
Terreinen
Gebouwen
789.038,75
60.996,09
728.042,66
Inrichting & uitrust. kantoren
234.831,92
Meubilair & materieel
Financiële vaste activa
Borgtochten in contanten
Aandelen & deelbewijzen
VLOTTENDE ACTIVA
6.002,95
23.139,03
22.912,50
226,53
1.608.249,23
Handelsvorderingen en overige
Debiteuren
Overige vorderingen
666.287,35
193.220,95
473.066,40
Beleggingen & liq. middelen
903.592,00
Overlopende rekeningen
38.369,88
2.661.261,88
2009
EIGEN VERMOGEN
1.452.235,95
Kapitaal
209.157,41
Bestemde Reserves
Fonds voor Sociaal Passief
Overgedragen resultaat
1.275.000,00
1.275.000,00
-31.921,46
VOORZIENINGEN
0,00
Overige risico’s & lasten
0,00
SCHULDEN
1.209.025,93
Schulden op meer dan 1 jaar
Schulden op › 1 J. die vervallen binnen het jaar
116.798,51
60.164,46
Handelsschulden
Crediteuren
Te ontv facturen en op te st CN
386.709,34
148.434,62
238.274,72
Schulden m.b.t.
bezoldigingen & soc. lasten
261.903,07
Overige schulden
297.530,32
Overlopende rekeningen
85.920,23
2.661.261,88
60
61
Resultatenrekening 2009
2009
2009
OPBRENGSTEN
Courante ontvangsten
Ledenbijdragen voor het budget
Andere bedrijfsresultaten
Andere bedrijfsopbrengsten
3.840.533,43
3.840.533,43
255.278,28
255.278,28
Financiële resultaten
Financiële opbrengsten
11.901,87
11.901,87
Uitzonderlijke resultaten
Uitzonderlijke opbrengsten
55.000,00
55.000,00
TOTAAL OPBRENGSTEN
4.162.713,58
KOSTEN
Diensten en diverse goederen
1.360.017,63
Bezoldigingen en Sociale lasten
2.428.773,09
Afschrijvingen & waardeverminderingen
Afschrijvingen
Waardeverminderingen
Voorzieningen voor risico’s & kosten
0,00
Andere bedrijfskosten
25.808,81
Financiële resultaten
Financiële kosten
8.697,47
8.697,47
Uitzonderlijke resultaten
Uitzonderlijke kosten
4.707,19
4.707,19
Winst van het boekjaar
52.717,45
TOTAAL KOSTEN
62
281.991,94
281.991,94
0,00
4.162.713,58
63
Begroting 2010
Begroting
2009
UITGAVEN Werkingskosten
Publicatiekosten
Beheerskosten
Personeelskosten
Uitzonderlijke kosten
Afschrijvingen investeringen
Andere bedrijfskosten Financiële kosten
UITGAVEN
64
Begroting
2010
707.500,00
803.300,00
29.000,00
29.000,00
645.500,00
730.500,00
2.383.721,58
2.442.578,98
140.000,00
140.000,00
231.500,00
222.150,00
25.500,00
26.600,00
14.000,00
14.000,00
4.176.721,58
4.408.128,98
INKOMSTEN Ledenbijdragen
Gerecupereerde kosten
Financiële opbrengsten
INKOMSTEN
65
Begroting
2009
Begroting
2010
3.939.221,58
4.091.428,98
202.500,00
307.200,00
35.000,00
9.500,00
4.176.721,58
4.408.128,98
VERSLAG VAN HET COLLEGE VAN
COMMISSARISSEN
Mevrouwen, mijne heren,
Overeenkomstig de wettelijke en statutaire bepalingen, heeft het College
van Commissarissen de eer verslag uit te brengen over de uitvoering van
zijn controleopdracht gedurende het boekjaar 2009 (periode van 1 januari
2009 tot 31 december 2009).
Het College heeft kunnen vaststellen dat de uitgaven en inkomsten van
de boekhouding volledig in overeenstemming zijn met de documenten die
werden voorgelegd.
Bij de opstelling van de jaarrekening zijn de principes van consistentie en
voorzichtigheid gerespecteerd.
Het College van Commissarissen verklaart derhalve dat de jaarrekening die
een balanstotaal heeft van 2.661.261,88 € en een over te dragen positief
resultaat vertoont van 52.717,45 €, getrouw de financiële toestand en de
resultaten van de instelling weergeeft.
Bijgevolg stelt het College aan de Algemene Vergadering voor de balans en
de resultatenrekening per 31 december 2009 goed te keuren.
19 mei 2010
HET COLLEGE VAN COMMISSARISSEN