Sati en andere zelfdoding

Commentaren

Transcriptie

Sati en andere zelfdoding
Sati en andere zelfdoding
Door Dr. Koenraad Elst
(In het septembernummer 2000 van Hinduism Today hekelt de verdienstelijke
journaliste en leidinggevende feministe Madhu Kishwar de wet die de religieuze
verheerlijking van weduwenzelfverbranding of sati verbiedt. Volgens haar is dit een
inbreuk op de godsdienstvrijheid, die de weg bereidt voor andere vormen van
vrijheidsbeknotting. Naar aanleiding van haar opiniestuk heb ik onderstaande tekst van
mijn hand opgediept, verschenen in India, blad van de Belgisch-Indiase
vriendschapsvereniging Shanti Darshan in 1994. Het artikel is in de onderhavige versie
voltooid op Makar Sankranti-dag 14 januari 1994, de 25ste verjaardag van de zelfdoding
van Jan Pallach in Praag; enkele nieuwe toevoegingen zijn schuingedrukt. Met
verontschuldiging voor de rommelige transkriptie.)
Er is tegenwoordig veel sprake van de multikulturele samenleving. Het is nog maar
de vraag of men daar echt klaar voor is. Want een andere kultuur, dat is niet zozeer een
andere manier van eten of zich kleden, maar een ander stelsel van fundamentele
waarden, een andere houding tegenover de fundamentele parameters van het leven, bv.
de individuele vrijheid, de status van de vrouw, of de dood. Wanneer wij gekonfronteerd
worden met een andere houding tegenover de dood, dan duiken meteen de xenofobe
refleksen van onbegrip en veroordeling op.
Een uitstekend voorbeeld is al wat recent geschreven is over sati, de
zelfverbranding van weduwen op de krematiebrandstapel van hun echtgenoot. Hier is nu
eens een gebruik dat echt vreemd is aan onze kultuur. Wie multikultuur wil, zal dit dus
verwelkomen en alle domme vooroordelen ertegen wegwuiven. Ja, toch?
Het centrale vooroordeel in dit geval is dat maar weinigen in de Westerse
kultuursfeer bereid zijn te geloven dat dit een vrijwillige daad is. Integendeel, men wil
deze praktijk met alle geweld reduceren tot iets dat in ons eigen kultuurpatroon beter
bekend is: moord.
Let wel, met "Westerse kultuursfeer" wordt niet zozeer het aardrijkskundige
Westen bedoeld. De engelssprekende elite in India is veel fanatieker in haar vijandigheid
tegen en moedwillig onbegrip voor de traditionele Indiase kultuur, dan de Britten ooit
geweest zijn. De leerling is immers fanatieker dan de meester. Je kan tegenwoordig alle
mogelijke koloniale vooroordelen heel geleerd verdedigen met modern-Indiase bronnen
als gezagsargument.
Het geval Rup Kanwar
Een goed voorbeeld is de berichtgeving over de laatste geruchtmakende sati, de
zelfverbranding van Rup Kanwar in Deorala, Rajasthan, in 1987. Het engelstalige blad
India Today meldde dat honderden omstaanders hadden gezien hoe Rup Kanwar
waardig de rituelen vervulde, de brandstapel beklom en zingend de vuurdood inging. Dit
honderdvoudig getuigenis kwam slecht van pas voor een krant die kruistocht voert tegen
het "obskurantisme" van "mensonterende" praktijken als sati, dat immers niet anders kàn
zijn dan een verkapte vorm van moord. Wat doet het blad van de moderne Indiër, dat de
empirische waarneming verkiest boven het blinde geloof, met een onwelkome
honderdvoudige empirische getuigenis? Dit: "They probably saw what they wanted to
see." Okee, er was een éénsluidend getuigenis van honderden ooggetuigen, maar dat
telt niet, want die achterlijke dorpers "zagen waarschijnlijk maar wat ze wilden zien".
Niet alleen getuigt deze dooddoener van de grenzeloze minachting van de stadse
verwesterste Indiër voor de getulbande dorpelingen van Deorala. Ze bewijst vooral het
bevooroordeelde karakter van de "sati is moord"-boodschap die de engelstalige pers
haar lezers wou meegeven naar aanleiding van Rup Kanwar's zelfverbranding.
De kranten moesten tot hun eigen ongenoegen melden dat de omgeving van Rup
Kanwar bevestigde dat zij vrijwillig gehandeld had, tegen ontradingspogingen van de
dorpsoudsten in. Zij gingen echter onverminderd door met het bedenken van
alternatieve scenario's. Zo zou de schoonfamilie verveeld gezeten hebben met het feit
dat de bruidschat erdoor gejaagd was, terwijl die aan Rup Kanwar's familie moest
terugbetaald worden omdat Rup en haar echtgenoot nog geen kinderen hadden:
daarom zouden ze haar tot sati gedwongen hebben. Dat zou dan een variant zijn op de
bruidschatmoorden die juist in de verwesterste milieus nogal veel voorkomen.
Bruidschatmoorden
Laten we op dit punt goed het onderscheid maken tussen de zelfverbranding van
weduwen, en de keukenbrandjes die vaak (duizenden per jaar, zowel in India als
Pakistan) geënsceneerd worden om bruiden te vermoorden als de bruidschat (dahej) die
ze meebrengen minder is dan verwacht of geëist werd. Traditioneel was een bruidschat
een geschenk van persoonlijke voorwerpen, vooral juwelen, aan de bruid: terwijl haar
broers in het ouderlijk huis bleven en de familiezaak of familiegrond overnamen, kreeg
de bruid haar erfdeel in de vorm van blinkend roerend goed mee. Alleszins was het niet
een geschenk van de familie van de bruid aan de bruidegom en zijn familie, zoals
vandaag in minder traditionele milieus wel het geval is.
Pas in de dertiende eeuw ontstond dit gebruik, en dan nog alleen onder de
martiale Rajput-kaste (toevallig dezelfde waar sinds eeuwen daarvóór ook sati het meest
voorkomt). Onder andere kasten betrof het nooit meer dan een nominaal geschenk, en
het is pas in de 19de eeuw dat de dahej schandalige proporties aangenomen heeft en
een echt sociaal probleem geworden is, te beginnen bij de meest verengelste milieus,
zoals de Parsi's en de Sindhi Bania's (handelaars). De eerste bruidschat-slachtoffers die
de kranten haalden, waren jonge meisjes die zelfmoord pleegden om hun vader voor het
dreigend bruidschat-bankroet te behoeden.
Tegenwoordig is het geven van enorme geschenken aan de familie van de
bruidegom een vrij algemeen gebruik, dat zelfs ingang vindt bij de laagste klassen, en
dat families met veel dochters tot de bedelstaf drijft. Vooral in moderne milieus is een
huwelijk voor een jongeman de gouden gelegenheid om allerlei luxegoederen in één
keer binnen te rijven. Het is dan ook daar dat de bruidschat een aanleiding tot
bruidsmoord is gaan vormen. Stellen dat de bruidsmoord een kwaal van de traditionele
samenleving is die "nog steeds" veel voorkomt, is volkomen onjuist. Het is integendeel
een typisch voorbeeld van hoe een onschuldig gebruik van de inboorlingen door kontakt
met onze konsumptiekultuur tot een vergif geworden is.
Rup Kanwar: wat we niet weten
De aantijging als zou Rup Kanwar door haar schoonfamilie tot sati gedwongen zijn,
is onbewezen gebleven. De journalisten die met veel tamtam hadden beweerd dat ze
het komplot doorzien en voor het moordscenario getuigen gevonden hadden, bleven
weg van de rechtzaak of verschenen met lege handen.
Dit ondanks het feit dat (zoals Mark Tully opmerkt in het Sati-hoofdstuk in zijn
voortreffelijk boek No Full Stops in India) de politie de dorpelingen zeer wel onder druk
kan gezet hebben om in de door de regering gewenste (sati-demonizerende) zin te
getuigen. De schoonfamilie, die door de overheid voor de rechter gedaagd was, is dan
ook vrijgesproken, vonnis waartegen de overheid een beroep heeft aangetekend waar
verder niets meer van gehoord is.
Toch hadden de volhouders die aan het moordscenario bleven geloven, misschien
gelijk. Ten eerste waren er getuigen die verklaarden dat Rup Kanwar zich, eens de
vlammen aan haar lichaam lekten, bedacht en van de brandstapel wilde springen, maar
er weer op geduwd werd. Maar misschien zagen zij ook "alleen maar wat ze wilden
zien"? Overigens zou het optreden van paniek tijdens een uitvoering van een hard
besluit nog niet de vrijwilligheid van dat besluit weerleggen. Ten tweede werd beweerd
dat Rup Kanwar zichtbaar gedrogeerd was toen zij de brandstapel beklom. Deze
bewering was uit de aard der zaak onverifieerbaar. Maar het feit dat de krematie volgens
sommigen ongewoon snel had plaatsgevonden (hoewel: een krematie vindt altijd plaats
vóór de eerstvolgende zonsondergang), en dat Rup Kanwars ouders niet tijdig op de
hoogte gebracht waren, wierp nog meer verdenking op de schoonfamilie. Anderzijds
heeft de vader van Rup Kanwar verklaard er zeker van te zijn dat zijn dochter geheel
vrijwillig handelde. Hij is zelfs samen met Rups schoonvader in diverse publieke forums
in India hierover gaan getuigen. Dat belet de engelstalige pers niet om de zaak
stelselmatig "the murder of Rup Kanwar" te noemen.
Van op deze afstand willen we hier geen oordeel vellen over de ware toedracht
van het geval Rup Kanwar. De meeste mensen in Deorala, en de meeste Rajputs, zijn
rotsvast blijven geloven in de authenticiteit van deze sati en in de onschuld van Rup
Kanwars schoonfamilie. De anti-sati uitingen vanwege de pers, de regering en sommige
rechters worden door hen afgedaan als een lasterkampanje vanwege bevooroordeelde
stedelingen die van de heroïsche Rajput-kode niets willen begrijpen.
Ongeacht de ware toedracht van Rup Kanwars sati, moet het gezegd dat de
verdenking van bevooroordeeldheid bij de verwesterste kringen volkomen terecht is.
Want in beide gevallen, moord of vrijwillige zelfdoding, zal de engelstalige elite in India
alleszins volhouden dat het alleen maar moord kan geweest zijn. Hierdoor keldert zij
haar eigen geloofwaardigheid. Haar mogelijks korrekte diagnose dat Rup Kanwar
vermoord was, werd door velen (ondermeer in de Hindi en Marathi pers) oprecht
verworpen omdat de betrokken aktiekomitees, politici en perslui met dezelfde absolute
zekerheid verklaarden dat sati altijd en per definitie onvrijwillig is -- en dat is apert
onwaar. Als zij zich beperkt hadden tot de feiten van dit geval, dan hadden zij kunnen
overtuigen; nu zij hieraan een algemeen (en, zoals wij zullen zien, onhoudbaar) dogma
koppelden, werd hun beoordeling van dit ene geval gezien in het licht van hun algemene
stellingname, en daarom verworpen.
De anti-sati wet
De zelfverbranding van Rup Kanwar was de aanleiding voor nieuwe anti-sati
maatregelen van politieke zijde. Nog in 1987 nam het parlement de "Commission of Sati
(Prevention) Bill" aan. Deze drakonische wet straft met de doodstraf of levenslange
gevangenisstraf, alwie op één of andere wijze bij een sati behulpzaam is. Dit sluit in: een
vrouw aanpraten dat sati enige verdienste of hemelse beloning oplevert, haar
verhinderen zich aan de sati te onttrekken of derden verhinderen haar te redden,
deelnemen aan de processie die de vrouw naar de brandstapel brengt, of zelfs maar
aanwezig zijn in één of andere rol bij de sati of enige daarmee verbonden ceremonie.
Indien hiervoor vervolging ingesteld wordt, ligt de bewijslast bij de beklaagde. De vrouw
zelf die een poging tot sati onderneemt, kàn tot één jaar gevangenisstraf krijgen,
afhankelijk van de graad van vrijwilligheid, en rekening houdend met alle sociale en
psychologische faktoren.
Bovendien verbiedt en straft deze wet alle praktijken die als "glorification of sati"
kunnen beschouwd worden. Ceremonieën ter nagedachtenis van een sati en de bouw
van sati-tempels zijn verboden, en de regering wordt zelfs gemachtigd om bestaande
sati-tempels af te breken. De tientallen bestaande satitempels in Rajasthan doopten
zichzelf gauw om tot "shakti-tempel" (shakti is de vrouwelijke kracht, en is een redelijk
toepasselijke term, omdat sati als een groots vertoon van deze specifiek vrouwelijke
kracht gezien wordt). Toch is op hun populariteit en inkomsten een zware domper gezet.
Een storm van protest heeft deze wet niet uitgelokt: weinigen willen hun nek
uitsteken voor iets kontroversieels als het recht op het plegen of herdenken van sati.
Toch zou de wet kunnen geannuleerd worden, want hij is bij het hooggerechtshof
aangevochten als ongrondwettelijk.
Een veelgehoord bezwaar betreft het verbieden van religieuze ceremonieën en
tempelbouw, en de dreiging om tempels af te breken: dit zou een kennelijke schending
van de godsdienstvrijheid zijn. De grondwet zegt weliswaar dat de uitoefening van de
godsdienstvrijheid beperkt kan zijn door overwegingen van moraliteit, hygiëne en
openbare orde. Maar het is een kennelijke absurditeit dat mausoleums van
massamoordenaars als Aurangzeb en verraders als Muinuddin Chishti (die als spion
voor veroveraar Mohammed Ghori fungeerde) wel als bedevaartplaats mogen
funktioneren, terwijl tempels voor de "trouw totterdood" van sati-vrouwen verboden
zouden worden. Als men vreest dat verheerlijking van deze vrouwen tot ongewenste
navolging zal leiden, wat dan met bv. de verheerlijking van monsters als Stalin en Mao in
talloze publikaties van de kommunistische partij?
Andere bezwaren vinden we in de belangrijkste aanvechting (zonder gevolg) van
deze wet bij het hooggerechtshof, die door Jivan Kulkarni, een historikus uit Bombay [en
veteraan van de oorlog tegen China in 1962; inmiddels aan kanker overleden]. Hij zegt
dat ook hij tegen de zelfverbranding van weduwen gekant is, maar dat de wet heel wat
meer inhoudt dan een ontmoediging van sati. Zijn stelling is dat, ten eerste, de wet in
haar terminologie uitgaat van de premisse dat sati "het verbranden van een weduwe" is,
niet een zelfverbranding maar een door anderen voltrokken verbranding, dus een
moord. Welnu, noch de schriftuurlijke vermeldingen van sati, noch de
ooggetuigenverslagen opgesteld door onpartijdige getuigen in tempore non suspecto
(vooral Britse kolonialen), laten er enige twijfel over bestaan dat het in beginsel en
meestal ook in praktijk om vrijwillige zelfverbranding gaat.
Ten tweede, aangezien het verbod op sati door de Britten in 1829 ingesteld is, niet
als een verbod op een bepaalde vorm van moord (overbodig want reeds begrepen in het
algemene verbod op moord), maar als een verbod op zelfdoding, nl. vanuit het kristelijke
taboe op zelfdoding, is het een schending van de godsdienstvrijheid, in deze zin dat
zelfdoding als een aanvaarde en vaak bijzonder eervolle praktijk geldt in de Indiase
tradities.
Oorsprong
Men zegt soms dat de weduwenverbranding in India ingevoerd is in een latere
migratie uit CentraalAzië, die van de Shaka's of Skythen, in het midden of einde van het
eerste millennium v.Kr. Deze Skythische stammen zouden de voorouders geweest zijn
van de martiale Rajput-kaste in Rajasthan, de kaste waartoe Rup Kanwar en de meeste
bekende sati's behoorden. Dit lijkt mij een poging om een moeilijk verdedigbaar gebruik
van zich af te duwen. Van de Skythen is inderdaad bekend dat ze weduwen met hun
man, of ook wel dienaren en paarden met hun meester mee de dood instuurden, hetzij
mee verbrand, hetzij mee begraven. Uit archeologische opgravingen in Zuid-Rusland
blijkt dat weduwen reeds de brandstapel van hun overleden echtgenoot beklommen in
het vierde millennium voor onze tijdrekening, in de zogenaamde Kurgan-kultuur, een
kennelijk proto-Skythische en zeker Indo-Europese kultuur.
[Het verband met India moet echter niet gezocht worden in de Skythische invasie
van de 1ste eeuw v.Kr., wel in de veel oudere gemeenschappelijke Indo-Europese
wortels, want het gebruik kwam ook bij de Kelten en de Germanen voor. Zo horen we in
de Edda, in het boek Sigurdarkvida, dat Brunhilde zich na de dood van Siegfried
doorsteekt om samen met hem begraven te worden; tevens laat ze eerst haar slaven
doden, en ze nodigt ook de vrije bedienden uit om vrijwillig mee de dood in te gaan. Ze
beklimt dus niet levend de brandstapel, maar volgt haar man alleszins mee de dood in.
Ook bij de Kelten kwam het gebruik op grote schaal voor. Aan een vrouw die op het punt
staat om sati te plegen wordt ook grote macht en wijsheid toegeschreven, vandaar bv.
dat Brunhilde op het laatste ogenblik voor haar nabestaanden nog de toekomst
voorspelt.
Bernard Sergent (Les Indo-Européens, Payot, 1995, p.223), merkt een verband op
tussen sati en het statuut van de vrouw. Spijts feministische beweringen dat dit gebruik
weer eens de mannelijke minachting voor de vrouw bewijst, kwam het juist het minste
voor in die Indo-Europese samenlevingen die de vrouw zowel in de praktijk als in de
mythologie het meest geringschatten, zoals de Griekse. Een vrouw die niet veel eer
hoog te houden heeft, gaat niet mee op de brandstapel; juist de trotse en redelijk
vrijgevochten Keltische en Germaanse vrouwen deden dit wel.]
In India kenden behalve de Rajputs ook de martiale Maratha's en Sikhs dit gebruik,
zij het in mindere mate. Andere kasten kenden dit gebruik in het geheel niet, of keurden
het uitdrukkelijk af, met name de brahmanen (hoewel ook dezen in Brits Bengalen sati
beoefenden, m.n. na de modernizering van het erfrecht). In de meeste plichtenleerboeken (400 v. tot 200 n.Kr.?), ondermeer van Manu en Yajnavalkya, is er van
weduwenverbranding totaal geen sprake. Alleen de Vishnu-dharma-shâstra geeft de
weduwe de keuze tussen celibaat en zelfverbranding.
Zelfdoding, geen moord
Dat het in de regel om zelfverbranding gaat, en niet om moord, blijkt uit tal van
Britse getuigenissen. Deze zijn het er trouwens over eens dat deze praktijk alleen onder
enkele hogere kasten voorkwam. Zij hameren erop dat de omgeving steeds probeerde
de vrouw van haar voornemen af te brengen, en dat er geen enkel stigma was
verbonden aan het verzaken van dit voornemen, tenzij als het pas gebeurde nadat de
ceremonie begonnen was (wat misschien het geval was bij Rup Kanwar).
In Bengalen zijn begin 19de eeuw een aantal gevallen gemeld van sati onder
dwang van de schoonfamilie. Een deel van de oorzaak was de Britse hervorming van
het erfrecht, waardoor de schoonfamilie er plots belang bij kreeg, niet met een
overlevende schoondochter te blijven zitten. Dit was dus een mede door de kolonizatie
geïnduceerde aberratie van de algemene praktijk, waarin sati geheel vrijwillig was.
Overigens is het veelzeggend dat zulke vrouwen niet het objekt van verering werden, in
tegenstelling tot vele onverdachte sati-vrouwen in Rajasthan.
De vermeldingen van sati in mythologische, juridische en historische teksten van
de hindoes, betreffen zonder uitzondering vrijwillige zelfverbranding. De naam komt
eigenlijk van Sati, de geliefde van Sjiva, die zich in brand steekt uit protest tegen de
onheuse bejegening van haar minnaar door haar vader; dit verhaal heeft dus niets met
weduwenverbranding te maken. Het kan best zijn dat dit een achteraf gekonstrueerde
naam-verklarende mythe is, en dat de sati-praktijk veel ouder is. Sati betekent eigenlijk
"goede" of "trouwe [vrouw]", van sat/sant, "waar, goed". De bekendste vermelding is die
van Madri, de lievelingsvrouw van Pandu, de vader van de vijf Pandava's uit het
Mahabharata-epos: zij beklom Pandu's brandstapel, terwijl de andere echtgenote, Kunti,
voor de eer bedankte. De Griekse auteur Diodorus Siculus vertelt hoe in 316 v.Kr. de
Indiase aanvoerder van een huurleger in Iran sneuvelt, waarop zijn twee echtgenotes
ruziën om het voorrecht, de sati te worden.
Uit de middeleeuwen zijn er talloze voorbeelden bekend. De Arabische schrijver
Albiruni schrijft dat weduwen slecht behandeld werden en daarom de zelfverbranding
verkozen. Marco Polo daarentegen meldt dat ze dit deden "uit liefde voor hun
echtgenoot". Een speciaal geval is de jauhar, de kollektieve sati van Rajput-vrouwen
wanneer een door de moslims belegerde stad geen kans op redding meer had: de
mannen deden een uitzichtloze uitval om heroïsch te kunnen sterven, en de vrouwen
bleven uit de handen van de vijand door de vuurdood. Veel recentere voorbeelden zijn
de vrijwillige zelfverbranding van Sjivaji's vrouw Putalabai (1680), van Madhavarao
Pesjwa's vrouw Ramabai, en van de echtgenotes van Ranjit Singh, maharaja van het
Sikh-rijk, in 1839.
Van meer gewicht voor de bevooroordeelde westerling is echter, dat ook de
onverdenkbare Britten de mening deelden dat de betrokken weduwen hun sati vrijwillig
voltrokken. Vooraleer het Brits bestuur, op initiatief van Lord Bentinck, in 1829 deze
praktijk verbood, liet het een rapport opstellen met de veelbetekenende titel: "The Report
on Hindu Widows and Voluntary Immolations". H.T. Colebrooke, H.H. Wilson, Jonathan
Duncan en andere Britse gezagsdragers adviseerden tegen een wettelijk verbod op sati
omdat dit ritueel niet onder dwang gebeurt. Enkele citaten uit de in dit rapport
verzamelde vaststellingen, en ook uit andere Britse getuigenissen, verdienen gehoord te
worden.
Lord Mountstuart Elphinstone schreef in zijn History of India: "Er is wel eens
gezegd dat de verwanten de weduwe aanmoedigen om zich te verbranden om haar
bezit in handen te krijgen... Men kan er echter zeker van zijn dat de verwanten meestal
de weduwe smeken om ervan af te zien, en hiertoe ook de tussenkomst van vrienden en
van gezagspersonen inroepen. In geval ze van hoge rang is, komt zelfs de vorst om
haar te troosten en het haar te ontraden."
Luitenant-kolonel John Briggs meldde in een brief: "Alwie getuige geweest is van
de zelfverbranding van hindoe weduwen, en van hun houding daarbij zoals ik ze gezien
heb, zal zich moeilijk kunnen ontdoen van de idee dat deze toegewijde vrouwen de
hoogste graad van geloof bereikt hebben. De juistheid van een wet die hen berooft van
hun enige religieuze troost... is dan ook op zijn minst twijfelachtig." Toen Lord Bentinck
in 1829 een verbod op sati uitvaardigde, was dit onder vrij algemene tegenstand
vanwege zijn (Britse) ondergeschikten.
Lord Holwel, luitenant-goeverneur van Bengalen, schreef: "Als we deze vrouwen in
een korrekt licht beschouwen, dan zullen we meer open over hen denken, en toegeven
dat zij uit heroïsche evenals uit rationele en vrome beginselen handelen."
Als bewijsstuk voor het niet-vrijwillige karakter van sati, noemt men steeds een
vermelding van een gedwongen verbranding in F. Bernier's Travels in the Moghul
Empire, een reisverslag uit de prekoloniale tijd. Hiernaar verwijzend zei prof. Prabha
Dixit, kort na de zelfverbranding van Rup Kanwar, dat "sati nooit een vrijwillige daad is"
en "altijd geschiedde onder brutale dwang". Welnu, dezelfde Bernier, die in India
verbleef van 1656 tot 1668, schrijft in hetzelfde boek: "Meestal was het gebruik, dat sati
vrijwillig gepleegd werd."
Hij vermeldt meerdere vrijwillige zelfverbrandingen, en geeft ondermeer deze
beschrijving :"Toen ik Surat verliet voor Perzië, was ik getuige van de toewijding en
vuurdood van een andere weduwe. Verscheidene Engelsen en Hollanders waren erbij
aanwezig. De vrouw was van middelbare leeftijd en helemaal niet lelijk. Ik verwacht niet
met mijn beperkte uitdrukkingsvermogen een volledig idee over te brengen van de
brutale moed of vreeswekkende monterheid op het gelaat van die vrouw, van haar
zekere tred, van haar vrijheid van alle verstoordheid, waarmee ze praatte en zich liet
wassen, van de blik van vertrouwen of eerder ongevoeligheid die ze op ons wierp ; van
haar vlotte air, vrij van twijfel, van haar voorname houding, zonder enige gêne, wanneer
ze haar zitplaats onderzocht, die bestond uit dik droog gierstestro gemengd met klein
hout, en wanneer ze op de brandstapel ging zitten, het hoofd van haar overleden
echtgenoot in haar schoot legde, een toorts nam, en eigenhandig het vuur van binnenuit
aanstak..."
Tijdgenoten van Bernier, zoals Nicholas Withington, William Hawkins, Edward
Terry, en anderen, hebben nog een aantal ooggetuigeverslagen nagelaten, en zij
bevestigen dat het praktisch altijd om vrijwillige zelfverbranding ging.
Generaal Sleeman beschreef in zijn Rambles and Recollections of an Indian
Official (1844) de zelfverbranding van de weduwe van een rijke landheer: "Tegenover de
familie moet ik de korrektheid betonen, te vermelden dat alle familieleden zich
inspanden om de vrouw van haar besluit af te brengen. Als ze was blijven leven, was ze
stellig bemind en geëerd geweest als de voornaamste vrouw van het huis. Want er is
geen volk ter wereld bij wie ouders meer geëerd worden dan de hindoes, en de
grootmoeder altijd nog meer dan de moeder."
Een recenter voorbeeld: in september 1991 kondigde in Adig (westelijk U.P.) een
zekere Laksjmi, ongeveer 35 jaar oud en moeder van vijf, aan dat ze haar pas overleden
echtgenoot Mangatu Singh op de brandstapel wou wolgen. Haar schoonfamilie belette
dit, liet haar door de politie bewaken, en kremeerde het lijk van haar echtgenoot. Maar
enkele dagen later merkten de twee politiemannen die voor haar deur de wacht
optrokken, dat er brand was in haar kamer. Blijkbaar was ze erin geslaagd wat brandstof
binnen te smokkelen, en ze had zichzelf in brand gestoken. Haar dochter overgoot haar
nog met water en ze werd met 70% brandwonden naar de kliniek gebracht, waar ze
uren later overleed. Bij haar formele krematie daags nadien was er politie nodig om een
toeloop van vereerders te verhinderen.
Wij mogen besluiten dat sati in de grote meerderheid van de gevallen een
vrijwillige daad was. Men kan sati maar begrijpen als men het vooroordeel aflegt dat
men alleen onder dwang tot zelfverbranding kan overgaan, en als men de heel andere
opvatting over huwelijkstrouw en over de dood onder ogen ziet. Sati is de extreme
konsekwentie van de opvatting dat de vrouw met een magische kracht begiftigd is, en
van het geloof in reïnkarnatie. Hindoe vrouwen doen allerlei verstervingen voor het
welzijn van hun echtgenoot, of om in een volgend leven opnieuw samen te zijn, bv.
vasten op de elfde dag van de beide helften van de maancyklus; sati is de ultieme
versterving. Het geloof in reïnkarnatie maakt van de dood gewoon een etappe op een
veel langere weg, en van de zelfdoding iets veel minder dramatisch dan een
zelfvernietiging, eerder het weggooien van een nog niet versleten kledingstuk.
In het kristendom bestond lang een verering van de martelaren. Ook dat waren
mensen die vrijwillig de dood kozen, bv. als alternatief voor het afzweren van hun geloof.
Ook dat waren mensen die ervan overtuigd waren dat het met de dood niet gedaan was,
dat hun zelfgekozen dood geen algehele zelfvernietiging was. Het moderne afgrijzen
voor praktijken als sati komt voort uit de materialistische opvatting dat de dood het
absolute einde is, een opvatting die ook het moderne taboe op de dood verklaart. Voor
wie gelooft dat hij in wezen onsterfelijk is, verandert het perspektief op de dood volledig,
en is er niet die angst en dat afgrijzen voor het einde.
Recht tot zelfdoding
Dat de Britten de praktijk van sati verboden, was geen maatregel tegen moord, wel
tegen zelfdoding. Zoals bekend was en is zelfdoding verboden in het kristendom; in
sommige landen stond op poging tot zelfdoding zelfs de doodstraf. In India heeft men
dat echter altijd anders beoordeeld.
Zo is het welbekend dat oude jain-monniken, eens ze hun tijd gekomen achten,
gewoon weigeren zich nog te voeden, en zich aldus doodvasten. Aan deze traditie
ontleende Mahatma Gandhi zijn taktiek van "vasten totterdood" om anderen tot
toegevingen te dwingen. Overigens heeft hij deze taktiek nooit gebruikt tegenover
mensen van wie bekend was dat ze toch niet zouden toegeven, zoals M.A. Jinnah. Zijn
politieke tegenstander Swatantryavir Savarkar (1883-1966) had niets dan afkeer voor
Gandhi's "aanstellerij" met zijn dramatische toneelstukjes van een vasten totterdood die
toch altijd eindigde met een glas vruchtensap en het inwilligen van Gandhi's wensen. Hij
vond dat zulke ascetische hoogstandjes niet op hun plaats waren in de politiek. Maar hij
erkende wel de waarde van de zelfgekozen dood: toen hijzelf oud en ziek was, voltrok
hij zelf een èchte vasten totterdood.
Na Mahatma Gandhi is het "vasten totterdood" als politiek drukkingsmiddel enorm
gebanalizeerd. Het meest alledaagse bericht in een Indiase krant is dat er weer eens
iemand een vasten totterdood begonnen is om een gezagsdrager tot dit of dat te
dwingen. De onvermijdelijke beëindiging van zulke akties binnen weinige dagen wordt
vaak zelfs niet eens gemeld: iedereen weet immers dat het zo afloopt. Het is uit
frustratie wegens de geringe aandacht voor hun initiële "vasten totterdood" dat
studenten zich in 1990 in brand gingen staken om hun protest tegen premier V.P.
Singhs kaste-reservatieplan kracht bij te zetten.
Een echt voltrokken vasten totterdood met een politiek doel was die van Potti Sri
Ramulu voor de oprichting van een deelstaat samenvallend met het Telugu taalgebied in
1952. Vóór de onafhankelijkheid had de Kongrespartij beloofd, de kaart van India te
zullen hertekenen volgens de taalgrenzen, en de grote taalgemeenten een eigen
taalhomogene deelstaat te geven. Premier Nehru was hier echter tegen, en de belofte
bleef dode letter. Potti Sri Ramulu ging hiertegen in hongerstaking. De regering
negeerde hem, maar hij hield vol en stierf. Tegen de golf van sympatie met de zaak van
de hutatma (zelfopofferaar) kon de regering niet meer op, en de deelstaatgrenzen
werden hertekend. De Telugu taalgroep kreeg een eigen deelstaat, Andhra Pradesh
(1953). Deze zelfdoder wordt nog steeds geëerd bij officiële gelegenheden en met
portretten in officiële gebouwen van de Andhra deelstaat.
Bij de dood van M.G. Ramachandran, filmster en deelstaatpremier van Tamil
Nadu, deden een dertigtal van zijn fans op opzichtige en dramatische wijze
zelfmoordpogingen. Degenen die niet geslaagd waren in hun opzet, kregen 5000 roepie
steun van de deelstaatregering, de nabestaanden van degenen die wel geslaagd waren,
kregen 10.000 roepie: wie sati pleegt zonder het zo te noemen, wordt dus beloond.
Deze volgelingen-zelfdoding was ook weer geen nieuw verschijnsel: bij de dood van de
sikhgoeroe Hargovind (17de eeuw) volgden een aantal (mannelijke) leerlingen hem in
de dood. Jaya Lalita, de minnares van M.G. Ramachandran en nu [= 1994] zelf
deelstaatpremier, verklaarde achteraf dat ze op het punt gestaan had, sati te plegen om
met haar grote liefde samen de dood in te gaan. Prompt eisten anti-sati aktivisten (zoals
Swami Agnivesh, het hindoe ekwivalent van onze "linkse pastoors") haar arrestatie op
grond van de gloednieuwe wetgeving tegen het plegen of verheerlijken van sati. Wie
informeel sati pleegt, wordt beloond, maar wie het formeel doet, of er zelfs maar van
spreekt, zou ervoor gestraft worden.
Een andere legitieme grond voor zelfdoding in de hindoe-traditie is betrekkelijk
universeel: zoals een minister ontslag neemt als konsekwentie voor zijn politieke
verantwoordelijkheid in één of ander schandaal, zo kan men zich van het leven
benemen om aldus de eigen schuld voor een katastrofale ontwikkeling op te ruimen.
Aldus benam koning Jayapala van Kabul zich in 1001 het leven toen hij niet in staat was
geweest om zijn volk te beschermen tegen de moslim-invallers. Hij maakte een
brandstapel, beklom hem en stak hem zelf aan.
Enkele recente gevallen van bejaarde asceten die de dood tegemoet treden door
voedsel te weigeren, zijn Vinoba Bhave en Badri Prasad Maharaj. Vinoba, de bekende
volgeling van Mahatma Gandhi, begon in 1982 aan een vasten totterdood. Premier
Indira Gandhi ging hem bezoeken om hem van zijn voornemen af te brengen, maar ze
kon alleen vaststellen dat de oude man niet te overtuigen was.
Toen men aan Indira vroeg of zijn vasten niet tegen zijn wil gestopt kon worden, zei ze:
"Dit is nu eenmaal wat hij wil." Indian Express-columnist Arvind Kala, zegsman van de
verwesterste elite, pleit voor het verhinderen van alle zelfdoding, en schrijft over Vinoba,
met verwijzing naar art. 390 van het Strafwetboek: "In feite was hij de wet van het land
aan het overtreden in het volle zicht van het publiek."
In werkelijkheid trad Vinoba in het spoor van de vele duizenden asceten die sinds
mensenheugenis dezelfde weg gegaan zijn, en over wie de Indiase bevolking nooit een
negatief oordeel uitgesproken heeft; als de wet hem dit verbiedt, dan is deze wet in strijd
met de opvattingen van de bevolking. Deze wet illustreert hoe de Indiase wetsorde niet
levensbeschouwelijk neutraal ("sekulier") is, maar integendeel een krachtig instrument
tot verwestersing, zoals ze ook door de grondwetgevers Ambedkar en Nehru bedoeld
was.
Badri Prasad Maharaj was een bejaarde monnik van de extreem ascetische jainsekte. In 1987 vastte hij totterdood. Bij deze vasten was ondermeer de in 1993
overleden Girilal Jain aanwezig, die als hoofdredakteur van de Times of India naar
aanleiding van Rup Kanwars zelfverbranding fel van leer getrokken was tegen sati.
Kortom, er is aan bepaalde vormen van zelfdoding geen stigma verbonden in de
Indiase kultuur, ook vandaag niet. Maar wel in de Indiase wet, zoals in juni 1991 op
groteske wijze bleek. Na de moord op Rajiv Gandhi (met een zelfmoordaktie van een
kristelijke Lanka-Tamil-militante) wilden de zware jongens in de Kongrespartij wraak
nemen, zoals zij dat gedaan hadden na de moord op de Mahatma in 1948 tegen de
brahmanen, en na de moord op Indira in 1984 tegen de sikhs. Dit keer was er niet zo'n
duidelijke groep die aangevallen kon worden, dus richtte de agressie van het Kongres in
de deelstaat Andhra Pradesh zich maar tegen de rivalizerende partijen, de Bharatiya
Janata Party en de regionalistische Telugu Desam Party. De akties waren veel minder
ernstig dan wat in 1984 tegen de sikhs op touw gezet was, maar toch erg genoeg voor
de leider van de TDP, de filmster/regisseur en ex-deelstaatpremier N.T. Rama Rao, om
te reageren. Hij begon op een openbare plaats een "vasten totterdood" om van de
Kongresdeelstaatregering een officieel onderzoek over deze aanslagen te eisen. De eis
werd ingewilligd, waarna Rama Rao zijn zes dagen oude vasten beëindigde. Omdat de
deelstaatregering ten allen prijze wilde voorkomen dat de populaire Rama Rao zou
sterven tijdens een anti-Kongres vasten, had de politie hem intussen opgepakt en naar
een ziekenhuis gebracht, waar hij desnoods met een infuus gevoed zou kunnen worden.
Het merkwaardige is echter dat de politie bij de rechtbank klacht neerlegde tegen Rama
Rao op grond van artikel 390, dat poging tot zelfdoding tot een strafbaar feit verklaart.
Deze wet is in vraag gesteld voor het Bombay High Court, dat in 1986 besliste dat
een Indiaas burger grondwettelijk wel degelijk het recht tot zelfdoding heeft (een
beslissing waartegen dan weer beroep aangetekend is, precies omdat zij het anti-sati
beleid ondermijnt). Maar blijkbaar blijft men ervan uitgaan dat de mens niet over zijn
eigen leven mag beschikken, een kristelijk uitgangspunt dat in de wetgeving van vele
Westerse landen inmiddels verlaten is. Een ander gerechtshof, dat van Andhra Pradesh,
besliste in april 1987 dat de wet die zelfdoding strafbaar stelt, wel degelijk grondwettelijk
is: "Het recht op leven impliceert niet het recht om te sterven."
Rechter mw. K. Amareshwari verantwoordde deze uitspraak door te wijzen op de
volgende implikatie: "Als de poging tot zelfdoding niet strafbaar is, dan kan ook wie
anderen helpt bij of aanzet tot zelfdoding, vrijuit gaan." Deze redenering is niet helemaal
sluitend, want de wetgever zou wel degelijk een verschillende beoordeling kunnen
geven aan poging tot zelfdoding en aansporing tot zelfdoding. De Canadese wet bestraft
zelfdoding niet, maar aansporing ertoe met 14 jaar cel. De Indiase wet maakt het
onderscheid althans kwantitatief: op poging tot zelfdoding staat 1 jaar gevangenisstraf,
op aansporing hiertoe 10 jaar.
Een andere verantwoording voor het verbod op zelfdoding is dat een met eerbied
of publiciteit omgeven zelfdoding tot navolging aanzet. Zelfdoding is dus impliciet altijd
"aansporing tot zelfdoding". Arvind Kala somt op: "De dood van Vinoba vormde de
aansporing tot een kopie-zelfmoord toen een jaar later een oude Gandhiaan,
Patwardhan genaamd, zich in het huis van zijn dochter eveneens totterdood
uithongerde. Toen Badri Prasad Maharaj na 50 dagen vasten overleed, werd prompt zijn
voorbeeld gevolgd door een vrouwelijke jain-asceet. Bij de zelfverbrandingen van
studenten uit protest tegen het kaste-reservatieplan van V.P. Singh kreëerde elke
zelfverbranding de sfeer voor een volgende. De regering van Andhra Pradesj had dus
groot gelijk om in te grijpen in N.T. Rama Rao's vasten. God verhoede, als hij gestorven
zou zijn, zouden emotionele fans van hem in een moment van verstandsverbijstering zijn
voorbeeld kunnen gevolgd hebben."
Het is nochtans misplaatst om de emotionele daad van de studenten (ook in
Europa niet onbekend, zie Jan Pallach in Praag 1968) op één lijn te stellen met oude
asceten die hun tijd gekomen achten. De hindoe moraliteit geeft geen uniforme regels,
maar doet aan gevalsonderscheiding. Vanuit hindoe perspektief hebben asceten (een
status die men op elk moment kan aannemen) het volste recht om voor de dood te
kiezen, en zij doen dit onvermijdelijk in navolging van anderen: niet alleen van Vinoba en
Beni Prasad, maar van de vele duizenden vóór hen. Emotionele zelfmoord daarentegen,
op eigen initiatief of als navolging, is gewoon verwerpelijk, op grond van de Vedische
tekst: "Men moet deze wereld niet verlaten vooraleer men de toegemeten spanne
voltooid heeft." Punt van diskussie is of deze tekst ook tegen sati gericht is.
Beoordeling van sati
Rond 1800, een dertig jaar voor de Britse bewindvoerder Lord Bentinck een verbod
op sati uitvaardigde in Bengalen, hadden hindoe regeringen in enkele prinselijke staten
al orders uitgevaardigd om sati te ontmoedigen, met name de Maratha-regering in
Sawantwadi en de Brahmaanse regering in Pune. Hiermee konkretizeerden zij het antisati beleid van de in 1795 overleden Maratha-koningin Ahalyabai. Ook binnen de hindoe
traditie is er, minstens sedert Medhatithi's kommentaar op de Manu-Smrti (900 n.Kr.?),
altijd een stroming geweest die sati verwierp. De sjaktische of tantrische stroming was
hierin zeer expliciet. De Mahanirvanatantra zegt: "De vrouw die in haar begoocheling de
brandstapel van haar man beklimt, zal naar de hel gaan." (Dit zinnetje zelf heeft filologen
echter doen vermoeden dat deze tekst geschreven of alleszins voltooid was rond 1800,
toen sati een heet diskussiepunt geworden was.)
Reden voor de verwerping van sati is hoofdzakelijk dat een vrouw, middenin de
krisis die de dood van haar echtgenoot doorgaans toch betekent, amper een dag tijd
heeft om zulk gewichtig besluit te overdenken. Een monnik die op zijn oude dag besluit
alle voedsel te weigeren, heeft een leven lang een houding van gelijkmoedigheid en
onthechting ontwikkeld. Zijn beslissing gebeurt niet inderhaast of onder emotionele druk.
Bovendien is er een element van onvermijdelijkheid in zijn tegemoettreden van de
dood: zijn kaars is toch al aan het uitdoven, hij gaat eigenlijk maar met de stroom mee,
ook al houdt hij tegenover de dood de eer aan zich. De keuze van de bejaarde monnik is
eigenlijk slechts een keuze tussen een stervensweg via ziekte, invaliditeit en
hulpeloosheid, en een stervensweg via zelfgekozen uithongering. Een sati-vrouw
daarentegen heeft wel degelijk een reële keuze tussen leven en dood: daarom is haar
zelfdoding gewelddadiger, tegen de stroom van de natuurlijke levenswil in. Maar dat is
er dan ook juist het heroïsche aan.
Het is volkomen logisch dat sati enerzijds geen algemene praktijk was, en
anderzijds toch volkomen aanvaard was in het geval van de martiale kasten, inz. de
Rajputs. Bij de lage kasten zou een weduwe alleszins hertrouwen, bij de brahmanen
was de ascese van het alleen voortleven konform de ascetische kaste-ethos, maar bij de
martiale kasten gold hartstocht en heldendom als bij uitstek eervol. Dat sati voor
sommigen wel en voor anderen niet als de aangewezen weg beschouwd werd, was
konform met het hindoe-pluralisme, dat stelt dat iedereen zijn eigen plicht of erekode
(swadharma) heeft, overeenkomstig zijn eigen aanleg (swabhawa).
In het moderne Westen groeit meer en meer datzelfde respekt voor ieders "eigen
weg", inbegrepen de vrijheid om over het eigen leven te beschikken. Men spreekt
openlijk over "het recht op waardig sterven". Er is geen morele konsensus meer die
zelfdoding veroordeelt, alleen een afwijzing van scenario's waarin de volledige
vrijwilligheid (wat impliceert dat men goed nagedacht heeft en beseft wat men doet) niet
gegarandeerd is. Ook zonder sati als praktijk nieuw leven in te blazen, kan men vanuit
de moderne kultuur wel een eerlijker erkenning van de historische waarheid omtrent sati
opbrengen, en zelfs een mate van appreciatie voor wat inderdaad een heldhaftige daad
moet geweest zijn.