Module PMT bij complex trauma (Scheffers et al., 2015)

Commentaren

Transcriptie

Module PMT bij complex trauma (Scheffers et al., 2015)
Mia Scheffers, Janneke Hatzmann, Ingrid Nissen,
Krista van Berkel, Jooske van Busschbach*
B‘Beweging in Trauma’
Psychomotorische therapiemodule in de stabilisatiefase
van complex trauma
Complex trauma komt veel voor. Een gefaseerde behandeling, die begint
met een stabilisatiefase, wordt in de literatuur aanbevolen. Er is echter nog
nauwelijks onderzoek naar deze stabilisatiefase. Psychomotorische therapie
wordt, ons inziens onterecht, zelden genoemd als mogelijke interventie.
In dit artikel onderbouwen en beschrijven we een psychomotorische
module die op resultaat onderzocht kan worden.
In dit artikel …
… een onderbouwing voor het inzetten van
­psychomotorische therapie in de stabilisatiefase
van traumabehandeling;
… een beschrijving van de nieuw ontwikkelde
psychomotorische stabilisatiemodule binnen de
behandeling van complex trauma;
… de opzet van het lopende onderzoek naar de
­effectiviteit van de module.
Inleiding
De behandeling van cliënten met een posttraumatische
stressstoornis (PTSS) is redelijk succesvol voor mensen met
enkelvoudig trauma (Bisson, 2004; Bryant, Moulds, Guthrie
& Nixon, 2005; Sijbrandij, Olff, Reitsma, Carlier & De Vries,
2007). Echter, voor cliënten met complex (meervoudig en
langdurig) trauma geldt dat zij door verlies van contact met
het eigen lichaam en verstoring in herkennen en uiten van
gevoelens onvoldoende baat hebben bij de bestaande,
voornamelijk cognitief en verbaal georiënteerde therapieën.
De hypothese is dat deze groep, die gekenmerkt wordt
door problemen in het reguleren van psychofysiologische
arousal, kan profiteren van een psychomotorische insteek in
Mensen met traumagerelateerde
problematiek ervaren vaak beperkingen in
sociale, cognitieve en affectieve functies
de eerste fase van behandeling. Hiervoor zijn vanuit de neurobiologie ook steeds meer aanwijzingen. Psychomotorisch
therapeuten werkzaam in de traumabehandeling, voor een
deel verenigd in de werkveldgroep trauma van de NVPMT,
hebben een toenemende behoefte aan wetenschappelijke
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/4, jaargang 11, © FVB | 47
onderbouwing van de inzet van psychomotorische therapie in de stabilisatiefase van complex trauma. Vandaar de
keuze om een psychomotorische therapiemodule te ontwikkelen, gericht op stabilisatie van cliënten met complex
trauma, en deze op effectiviteit te onderzoeken. In dit artikel
wordt de wetenschappelijke onderbouwing gegeven voor
het inzetten van de module, wordt de nieuw ontwikkelde
module omschreven en geven we een korte beschrijving
van de opzet van het – nog lopende – onderzoek naar de
effectiviteit van de module.
Complex trauma
Mensen die blootgesteld zijn aan schokkende gebeurtenissen, zoals verkeersongevallen, mishandeling, seksueel
geweld, of op grotere schaal oorlogen of rampen, kunnen
als gevolg hiervan een posttraumatische stressstoornis
(PTSS) ontwikkelen. De Vries en Olff (2009) melden een lifetimeprevalentie van PTSS van 7 à 8%, waarmee PTSS op
de vierde plaats komt van meest voorkomende psychische
stoornissen. Een PTSS wordt volgens de DSM-5 (American
Psychiatric Association, 2013) gekenmerkt door voortdurende herbeleving van de traumatische gebeurtenis, vermijding
van de prikkels die bij het trauma horen en aanhoudende
symptomen van verhoogde prikkelbaarheid. Herman (1992)
beschreef dat als gevolg van vroegkinderlijke chronische
(seksuele) traumatisering, ook andere dan bovenstaande
symptomen optreden. Voorbeelden hiervan zijn problemen
in de emotieregulatie, interpersoonlijke problemen, negatief
zelf-concept, veranderingen in aandacht en bewustzijn (dissociatie) en somatisatie (zie onder andere Cloitre et al, 2011;
Courtois & Ford, 2009; Vermetten, Kleber & Van der Hart,
2012). Ditzelfde geldt voor andere vormen van traumatisering met een langdurig, meervoudig karakter plaatsvindend
in een interpersoonlijke context.
Neurobiologie bij complex trauma
Ford (2009) schetst vanuit een ontwikkelingsperspectief dat
vroegkinderlijk trauma kan leiden tot een survival brain in
plaats van een learning brain. Al op jonge leeftijd ontstaan
tekorten in de zelfregulatie op basaal niveau (eten, slapen,
zelfzorg) en in de emotieregulatie. Evolutionair oudere
neurale systemen krijgen bij complex trauma de overhand
(Porges, 2011). De mogelijkheid tot social engagement, tot
positief sociaal gedrag en sociale communicatie, is door het
trauma verstoord. Lanius, Bluhm en Frewen (2011) vullen
dit aan met een social cognitive and affective neuroscience
approach (SCAN). Zij benadrukken dat mensen met traumagerelateerde problematiek vaak beperkingen ervaren in
sociale, cognitieve en affectieve functies en dat behandeling
alleen gericht op verwerking van het trauma te eenzijdig is.
In een meta-analyse van Frewen, Dozois, Neufeld en Lanius
(2008) kwam naar voren dat mensen met een trauma
hoger scoren op alexithymie, dat wil zeggen moeite met
het vertalen van lichamelijke sensaties naar emoties en het
beschrijven en identificeren van deze emoties (Bagby, Taylor
& Parker, 1994). Dit leidt tot de hypothese dat cliënten met
trauma baat hebben bij het leren reguleren van psychofysiologische arousal en betekenisgeving hieraan.
Welke behandeling bij complex trauma?
De gangbare, vooral verbale en via de cognitie instekende
therapieën zoals CGT (cognitieve gedragstherapie) en
EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) blijken met name effectief bij recent en/of enkelvoudig trauma (Bisson, 2004; Bryant et al., 2005; Sijbrandij
Psychomotorische therapie lijkt een rol te
kunnen spelen in het leren reguleren van
psychofysiologische arousal en herstel van
verbinding met de sociale omgeving
et al., 2007). Mensen met complex trauma lijken door de
geschetste problemen in de herkenning en het uiten van
gevoelens onvoldoende baat te hebben bij het huidige
behandelaanbod (Cloitre et al., 2011). Mogelijk worden de
evolutionair oudere hersensystemen die centraal staan bij
het reguleren en verwerken van overweldigende stress niet
goed bereikt via verbale, cognitieve interventies (Van der
Kolk, 2006; Ogden, Minton, & Pain, 2006). Van der Kolk
(2006; 2014) concludeert dat effectieve behandeling in
ieder geval de volgende elementen dient te omvatten: ten
eerste het leren omgaan met en het tolereren van gevoelens en sensaties door het verhogen van de capaciteit voor
introceptie; ten tweede het leren beheersen en moduleren
van psychofysiologische arousal en ten derde leren dat het
na een confrontatie met fysieke machteloosheid essentieel
is om actief, daadkrachtig en effectief op te treden. Van der
Kolk (2006) verbindt hieraan een pleidooi voor een actieve
lichaams- en bewegingsgerichte benadering. Psychomotorische therapie lijkt, als lichaams- en bewegingsgerichte
therapie, een rol te kunnen spelen in het leren reguleren van
psychofysiologische arousal en herstel van verbinding met
de sociale omgeving.
Psychomotorische therapie in de stabilisatiefase
Op dit moment wordt zowel bij enkelvoudig als bij complex
trauma veelal uitgegaan van een driefasenmodel van behandeling met de volgende onderdelen: de stabilisatiefase, de
verwerkingsfase en de integratiefase (Cloitre et al., 2012).
Belangrijk is dat in de eerste fase van behandeling de meest
ernstige, invaliderende symptomen meer onder controle
48 | Scheffers et al.: ‘Beweging in Trauma’. Psychomotorische therapiemodule in de stabilisatiefase van complex trauma.
komen of wat afnemen: dat mensen minder angstig worden, zich veiliger voelen en dat lichamelijke klachten beter
beheersbaar zijn. Met deze vaardigheden zullen cliënten
beter in staat zijn een volgende fase in de behandeling te
doorlopen. Verbetering van het relationeel functioneren,
vergroten van zelfzorg, controle en veiligheid staan in deze
fase centraal (Dorrepaal, Thomaes & Draijer, 2006). Ford
(2009) noemt het kunnen ervaren en zelf bewerkstelligen
van een gevoel van veiligheid als centraal doel in de stabilisatiefase. Hij stelt: “The key to an enduring sense of safety
is to learn control over one’s own survival responses. Thus,
build capacities for self-reflective emotion and information
processing”
(p. 50).
Stabilisatie is dus van belang, maar komt bij een deel van
de cliënten zeer moeizaam of helemaal niet tot stand (Dorrepaal, 2013). Er is nog nauwelijks onderzoek naar hoe de
stabilisatiefase bij complex trauma verloopt. Ook is er weinig
bekend over adequate methoden om te stabiliseren en over
de gewenste duur van de stabilisatiefase. Gevraagd naar
interventies die aangeboden moeten worden in de stabilisatiefase noemen experts van de International Society for
Traumatic Stress Studies met name psycho-educatie en
emotieregulatie en zelden bewegings- en lichaamsgerichte
interventies (Cloitre et al, 2011). Toch lijkt juist inzet van een
vorm van bewegings- en lichaamsgerichte therapie zoals
psychomotorische therapie geëigend omdat psychomotorisch therapeuten bij uitstek geschoold zijn in het herstellen
van de verstoorde relatie met het lichaam en de omgeving
via aandacht voor: lichaamsbewustzijn en zintuiglijke waarneming (perceptie), reguleren en uiten emoties (expressie),
weer toe-eigenen lichaam en terugkrijgen gevoel van regie,
plezier en positieve interacties. Het doel van het onderzoek
‘Beweging in Trauma’ is dan ook het ontwikkelen en toetsen
van een psychomotorische module in de stabilisatiefase van
de behandeling van complex trauma.
Zijn er al soortgelijke interventies?
Er zijn al enkele studies naar de inzet van bewegings- en
lichaamsgerichte interventies bij (complex) trauma (zie
bijvoorbeeld Baghwandas, Van Leeuwen, Kleijn & Scheffers,
2014; Goodwin & Attias, 1999; Gordon & Staples, 2008;
Hoekenga, Thewissen, Bos & Willemse-van Son, 2010;
Parker, Docter, & Selvam, 2008; Price, 2007). Alle studies
melden in meer of mindere mate positieve resultaten. Het
wetenschappelijke bewijs ervan is echter zeer beperkt
omdat het vaak pilotstudies zijn met kleine onderzoeksgroepen, waarbij er meestal geen controlegroepen gebruikt
zijn. Daarnaast bestaat er een aantal publicaties waarin
psychomotorische producten en programma’s beschreven
worden die gedeeltelijk bruikbaar zijn of aanknopingspunten
bieden voor de ontwikkeling van de nieuwe module: Baljon,
Kramers en Verveld (1998) beschrijven een combinatie
van psychomotorisch en beeldende groepstherapie voor
seksueel getraumatiseerde vrouwen gericht op stabilisatie
en symptoomreductie. Doelen zijn onder andere: vermindering van het isolement, educatie over de latere gevolgen van
seksuele traumatisering, eigen lichaamssignalen onderkennen en serieus nemen, in contact komen met eigen
gevoelens, en zich beter leren uiten. Het programma van
Hoekenga et al. (2010) voor mensen met complexe PTSS
bevat thema’s als lichaamsbewustzijn, vitaliteit, lichamelijk
contact, grenzen, vertrouwen, hyperarousal en lichamelijke
spanning, vermijding en herbeleving. Scheffers en Helleman
(2013) gebruiken diezelfde thema’s aangevuld met interventies gericht op seksualiteitsbeleving in hun behandelaanbod
voor cliënten met (oorlogsgerelateerd) seksueel geweld in
de voorgeschiedenis. Hensbroek en Nissen (2014) stellen
in hun groepsaanbod voor vrouwen met complex trauma
het signaleren en hanteren van grenzen centraal. Hoven
en Scheffers (2014) beschrijven een aanbod gericht op de
zintuiglijke waarneming. Voor getraumatiseerde migranten
en asielzoekers worden vooral laagdrempelige lichaamsge-
Beweging in Trauma
richt zich op de
stabilisatiefase van de
behandeling van complex trauma
richte interventies beschreven gericht op activering en het
faciliteren van prettige lichamelijke ervaringen (Vloeberghs
& Bloemen, 2005). Gemeenschappelijk voor alle bovengenoemde modules is het doel dat cliënten meer contact met
hun lichaam krijgen zonder dat zij worden overspoeld door
emoties. Daartoe worden interventies ingezet gericht op
lichaamsbewustwording, vertrouwensoefeningen en controlebevorderende technieken, worden verlammingsverschijnselen tegengegaan, en is aandacht voor het aangeven van
grenzen. De modules zijn, op één na (Hoven & Scheffers,
2014), niet specifiek gericht op stabilisatie en de doelgroepen bestaan niet allemaal uit cliënten met complex trauma.
‘Beweging in trauma’: een nieuwe module
De module is ontwikkeld voor cliënten met complex trauma.
Het hoofddoel van de module is het vergroten van stabilisatie door regulatie van psychofysiologische arousal. Om dit
doel te bereiken wordt aandacht besteed aan drie hoofdthema’s: het waarnemen van lichaamssignalen, het reguleren van arousal (individueel en in interactie) en het herstellen
van een gevoel van controle (zie Figuur 1). Zoals in de figuur
te zien is er overlap tussen deze drie hoofdthema’s. Zo is
het leren waarnemen van lichaamssignalen (individueel) een
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/4, jaargang 11, © FVB | 49
lichaamssignalen
(ind.)
reguleren arousal
(ind. + interactie)
controle/regie
(interactie)
Figuur 1: Hoofdthema’s van de module.
doel op zich en is dit tevens een noodzakelijk onderdeel van
het leren reguleren van arousal (individueel en in interactie)
en van het vergroten van regie (in interactie).
Binnen de bijeenkomsten komen steeds alle hoofdthema’s
aan bod; per thema een ander zwaartepunt, toewerkend
van individueel (lichaamssignalen en reguleren arousal) naar
meer in interactie (reguleren arousal en regie).
De module bestaat uit twaalf wekelijkse bijeenkomsten
van 90 minuten in een gesloten groep van zes tot acht
personen, bij voorkeur seksehomogeen samengesteld. De
groep dient begeleid te worden door een psychomotorisch
therapeut (hbo-master of gelijkwaardig niveau) en een
co-therapeut. Thema’s die aan bod komen zijn: lichaamssignalen, grenzen, veiligheid, plezier beleven, spelen,
acceptatie, eigen wensen en behoeften, en keuzes mogen
maken (zie Tabel 1). De thema’s worden in verschillende
werkvormen geconcretiseerd. In de modulebeschrijving
(publicatie in voorbereiding) zijn een aantal werkvormen
opgenomen.
Onderzoek naar de effectiviteit van de module
In dit onderzoek, met twee deelonderzoeken, is gekozen
voor een quasi-experimentele opzet. Quasi-experimenteel
onderzoek is een vorm van effectonderzoek waarbij een
groep deelnemers die een specifieke interventie ondergaat,
vergeleken wordt met een controlegroep zonder interventie.
Er wordt niet gerandomiseerd en het onderzoek wordt niet
dubbelblind uitgevoerd. In dit onderzoek (zie Figuur 2) wordt
het beloop van klachten bij behandeling zoals die regulier
plaatsvindt in kaart gebracht (deelonderzoek 1) en vergeleken met het beloop wanneer de reguliere behandeling wordt
aangevuld met de nieuwe module (deelonderzoek 2). Voor
deelonderzoek 1 worden in gespecialiseerde centra cliënten
met complex trauma acht maanden gevolgd en wordt de
werkzaamheid van het, onderling deels verschillende aanbod, vastgelegd. In deelonderzoek 2, dat zes maanden na
deelonderzoek 1 aanvangt, wordt een nieuwe groep cliënten
gevolgd die de nieuw ontwikkelde module toegevoegd krijgt
aan de verder reguliere behandeling. Deelstudie 1 maakt
Tabel 1: Overzicht van de thema’s en aandachtsgebieden in de module.
Bijeenkomst
Thema
Aandachtsgebieden bij thema
1.
Kennismaken;
Introductie therapeuten, doel / focus module
Motivatie deelnemers
Kennismaken;
Waarnemen (verschil ik, ruimte, ander)
2.
Lichaamssignalen
Waarnemen (verschil ik, ruimte, ander)
3.
Regulatie van de signalen
Waarnemen & handelen (ik, ruimte)
4.
Eigen wensen en behoeften
Waarnemen & handelen (ik, ruimte, ander)
5.
Eigen wensen en behoeften,
Veiligheid
Waarnemen & handelen (ik, ruimte)
6.
Veiligheid en grenzen
Handelen (ik, ruimte)
7.
Persoonlijke ruimte vormgeven
Handelen (ik, ander)
8.
Eigen wensen en behoeften, keuzes mogen maken
Handelen (ik)
9.
Grenzen
Waarnemen, handelen (ik, ander)
10.
Spelen
Grenzen
Waarnemen (ik, ruimte, ander)
11.
Spelen en plezier beleven
Handelen (ik, ruimte, ander)
12.
Afronden en afscheid
Handelen (ik)
50 | Scheffers et al.: ‘Beweging in Trauma’. Psychomotorische therapiemodule in de stabilisatiefase van complex trauma.
Quasi-experimenteel onderzoek met twee deelonderzoeken
Deelstudie 1:
Effect reguliere
behandeling
Deelstudie 2:
Effect reguliere
behandeling + PMT-module
tijd
T0
start
behandeling
T1
T2
4 maanden
8 maanden
T0
T1
start
4 maanden
behandeling
einde module
T2
8 maanden
Figuur 2: onderzoeksdesign ‘Beweging in Trauma’.
vergelijking mogelijk tussen centra op basis van de werkzaamheid van de daar regulier aangeboden behandeling.
In deelstudie 2 wordt vergelijking mogelijk binnen de centra
waar het gaat om de werkzaamheid van de behandeling met
en zonder de nieuwe interventie. Er zullen vijf traumacentra
deelnemen: GGz Drenthe, Centrum ‘45, GGz Centraal (Transit), Altrecht en PsyQ Haaglanden. Er wordt naar gestreefd
om in beide deelstudies 110 respondenten te includeren, in
totaal 220 respondenten. Als uitkomstmaten is gekozen voor
de maten die al bij de reguliere behandelevaluatie gebruikt
worden, namelijk verandering in algemeen psychisch welbevinden, traumagerelateerde klachten en dissociatie. Om
daarnaast ook zicht te krijgen op de werkende mechanismen van de psychomotorische interventie worden gemeten:
lichaamsattitude, lichaamsbewustzijn en autonomie/controle.
De vragenlijsten worden zowel in deelstudie 1 als in deelstudie 2 afgenomen voor de start van de behandeling, na vier
maanden en na acht maanden.
Uitkomstmaten
Onderstaand worden de vragenlijsten beschreven. Twee
vragenlijsten worden alleen in deelstudie 2 ingezet om
specifiek de tevredenheid met de module en de psychomotorisch therapeut te meten.
Reguliere uitkomstmaten
< Algemeen psychisch welbevinden
Om inzicht te krijgen in de ernst van de psychische problematiek en morgelijke veranderingen daarin gedurende
de stabilisatiefase wordt de Brief Symptom Inventory
(BSI) (De Beurs & Zitman, 2006; Derogatis & Melisaratos, 1983) driemaal afgenomen. De BSI is een multidimensionale klachtenlijst die weergeeft in welke mate de
onderzochte gedurende de afgelopen periode last had
van psychische en/of lichamelijk symptomen. Een hogere
score duidt op slechter psychologisch functioneren, dus
meer klachten. De BSI is betrouwbaar en valide en is gevoelig voor therapie-invloeden (Derogatis & Melisaratos,
1983).
< Traumagerelateerde symptomen
Traumagerelateerde symptomen worden vastgesteld
met de Davidson Trauma Scale (DTS, Davidson et al.,
1997; 2002), een uit 17 items bestaande zelfbeoordelingsvragenlijst, die de frequentie en ernst van posttraumatische stresssymptomen meet. Ook deze lijst is
geschikt om veranderingen over de tijd vast te stellen
(McDonald, Beckham, Morey & Calhoun, 2008). Een
hoge score duidt op frequente en ernstige posttraumatische stresssymptomen. De DTS heeft een goede interne
consistentie, test-hertestbetrouwbaarheid en validiteit
in verschillende soorten traumapopulaties. De DTS is in
het Nederlands vertaald en in verschillende Nederlandse
studies gebruikt (Sijbrandij et al., 2008; Olff, Sijbrandij,
Opmeer, Carlier & Gersons, 2009). Op basis van de scores op een aantal items van de DTS in combinatie met
een aantal items op de BSI kunnen we ook een indicatie
krijgen of er sprake is van complex trauma; in dat geval
zijn naast ernstige traumagerelateerde klachten ook
ernstige beperkingen op een aantal leefgebieden zoals
affectieve dysregulatie, negatief zelfbeeld en interpersoonlijke problematiek (Cloitre et al., 2009).
< Dissociatieve symptomen
De Dissociative Experience Scale (DES) (Bernstein &
Putnam, 1986), is een uit 28 items bestaande zelfbeoordelingsvragenlijst voor het meten van de frequentie van
uiteenlopende psychoforme dissociatieve symptomen in
het dagelijks leven van de cliënt. Een hogere score betekent een grotere kans op het bestaan van een dissociatieve stoornis. De DES heeft een goede betrouwbaarheid
en validiteit als screeningsinstrument van dissociatieve
symptomen (Boon & Draijer, 1995; Van IJzendoorn &
Schuengel, 1996).
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/4, jaargang 11, © FVB | 51
Specifieke instrumenten gericht op de beoogde uit­
komsten van de psychomotorische interventies
In beide studies wordt ook gekeken naar veranderingen
in lichaamsattitude en lichaamsbewustzijn alsmede naar
veranderingen in het gevoel van controle. Dit zijn aspecten waar de psychomotorische therapie zich specifiek op
richt.
<Lichaamsattitude
De Dresdner Körperbildfragebogen (DKB-35) meet de
algemene, niet situatie-afhankelijke attitude ten opzichte
van het lichaam (Pöhlmann, Thiel, Joraschky, 2008). De
psychometrische evaluatie van de Nederlandse versie
Beperkingen in perspectiefname
vormen een belemmering in de
ontwikkeling van het empathisch vermogen
en het observerend zelf
van de DKB-35 is onlangs beschreven door Scheffers et
al. (2014). De factorstructuur van de oorspronkelijke lijst
werd gerepliceerd, constructvaliditeit en betrouwbaarheid
(interne consistentie en test-hertestbetrouwbaarheid)
waren goed.
<Lichaamsbewustzijn
De Scale of Body Connection (SBC) (Price & Thompson, 2007) bestaat uit twee schalen: een schaal voor
lichaamsbewustzijn (‘awareness’) en een schaal voor
lichaamsdissociatie. In deze studie wordt alleen de
subschaal awareness van de SBC gebruikt. Zowel in de
originele versie als in de Nederlandse vertaling heeft de
schaal een goede interne consistentie (Van der Maas et
al., 2014).
< Autonomie: Self Mastery Scale
De Self Mastery Scale (SMS, Pearlin & Schooler, 1978) is
gericht op de ervaren controle over het eigen leven waarbij een hogere score staat voor een groter gevoel van
zeggenschap over het eigen leven. Deze schaal heeft
een goede interne consistentie (Skaff, Pearlin & Mullan,
1996).
Specifieke maten gericht op de geboden zorg
Om de module te evalueren en om zicht te krijgen op de
verkregen zorg door de respondenten zijn onderstaande
vragenlijsten afgenomen.
< Verkregen zorg: Zorgconsumptievragenlijst
Deze lijst is een aan de doelgroep aangepaste lijst
gebaseerd op eerdere zorgconsumptievragenlijsten
zoals ontwikkeld en toegepast door Stant (2007). Hierin
worden aard en intensiteit van het zorggebruik over de
laatste maanden vastgelegd.
< Tevredenheid over zorg: Consumer Satisfaction Ques­
tionnaire
De Consumer Satisfaction Questionnaire (CSQ, Larsen et
al., 1979) vraagt de respondent naar diens tevredenheid
over de geboden hulp. De lijst bevat acht vragen waarin
geantwoord kan worden in vier categorieën, van 1 tot en
met 4 waarbij een hogere score een grotere tevredenheid
aangeeft.
< Tevredenheid en band met therapeut: Helping Alliance
Scale (alleen in deelstudie 2):
De Helping Alliance Scale (HAS), (Priebe & McCabe,
2006) is een lijstje van zes vragen over de relatie met
de therapeut zoals ‘Ik voel me begrepen door mijn
therapeut’ waarbij het antwoord (geheel eens – geheel
oneens) op een Visual Analogue Scale (VAS) aangegeven
moet worden. De zesde vraag gaat over hoe betrokkene
zich voelt na afloop van het contact met de therapeut
namelijk slechter, onveranderd, beter.
< Tevredenheid over de module (alleen in deelstudie 2):
Voor de evaluatie van de nieuw ontwikkelde module is
een korte vragenlijst opgesteld voor cliënten over hun
ervaringen met de nieuwe module.
Resumerend
Met het onderzoek willen we de inzet en effectiviteit
van psychomotorische therapie in de behandeling van
mensen met complex trauma zichtbaar maken en verder
onderbouwen. Juist in de stabilisatiefase van traumabehandeling blijven psychomotorisch therapeuten nu
geregeld te lang buiten beeld. In deze fase hebben
lichaams- en bewegingsgerichte interventies, gericht op
het leren reguleren van arousal en op het herstel van contact met de omgeving ons inziens een belangrijke plek.
Zoals aangegeven is het onderzoek nu gaande, de eerste
resultaten worden voorjaar 2016 verwacht. Door zowel
cliënten te volgen in reguliere behandeling als cliënten die
aan de module deelnemen, hopen we inzicht te krijgen
in de behandeling die cliënten momenteel krijgen in de
stabilisatiefase. Ook toetsen we de veronderstelling dat
lichaams- en bewegingsgericht werken middels psychomotorische therapie een positieve bijdrage kan leveren
aan afname van traumagerelateerde klachten en betere
regulatie van psychofysiologische arousal. Door de module goed te beschrijven en te evalueren hopen we een
stimulans te geven aan de psychomotorische therapie bij
traumabehandeling.
Meer informatie
Meer informatie over het onderzoek en de voortgang daarvan vindt u
op: www.nvpmt.eu/clienten/bewegingintrauma
52 | Scheffers et al.: ‘Beweging in Trauma’. Psychomotorische therapiemodule in de stabilisatiefase van complex trauma.
Noot
* De module is ontwikkeld door de leden van de Werkgroep module
ontwikkeling RAAK. Deze werkgroep bestaat uit de leden van
de Werkveldgroep Trauma van de Nederlandse Vereniging voor
Psychomotorische Therapie werkzaam in de bij het onderzoek van
de module betrokken centra (Sjoukje Verveld, Maike Hoek, Marieke
Hoven, Saskia Bieleveldt, Ingrid Nissen, Minke v.d. Kamp, aangevuld
met enkele deskundigen op het gebied van trauma: Henriëtte van
der Meijden en Mia Scheffers). Regelmatig vond afstemming plaats
met de overige leden van Werkveldgroep Trauma: Annemieke Plouvier, Hanneke Potmann, Jan Abbas, Leon Stoffels, Martijn Fabius,
Nanci Nievaard.
•
•
•
•
Literatuur
• American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical
Manual of Mental Disorders, Fifth Edition (DSM-5). Arlington, VA:
American Psychiatric Publishing.
• Bagby, R.M., Taylor, G.J., Parker, J.D.A. (1994). The twenty-item
Toronto Alexithymia Scale; Convergent, discriminant and concurrent
validity. Journal of psychosomatic Research, 39, 33-40.
• Baljon, M.C.L., Kramers, M., & Verveld, S.N. (1998). Waar woorden
tekort schieten. Psychomotorische en creatieve groepstherapie
voor seksueel getraumatiseerde vrouwen. Maandblad Geestelijke
volksgezondheid, 53, 1212-1221.
• Bernstein, E. M., & Putnam, F. W. (1986). Development, reliability,
and validity of a dissociation scale. The Journal of nervous and
mental disease, 174(12), 727-735.
• Beurs, E. de, & Zitman, F. G. (2006). De Brief Symptom Inventory
(BSI). De betrouwbaarheid en validiteit van een handzaam alternatief
voor de SCL-90. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 61(2),
120.
• Bisson J. (2004). Cognitive therapy reduces symptoms in people
with recent onset post-traumatic stress disorder. Clinical Evidence,
11, 1343-1361.
• Boon, S. A., & Draijer, P. J. (1995). Screening en diagnostiek van
dissociatieve stoornissen. Swets & Zeitlinger.
• Bryant, R. A., Moulds, M.L., Guthrie, R.M., Nixon, R.D.V. (2005).
The additive benefit of hypnosis and cognitive-behavioral therapy
in treating acute stress disorder. Journal of Consulting and Clinical
Psychology, 73, 334-340.
• Cloitre, M, Stolbach, B.C., Herman, J.L., Kolk, B. van der, Pynoos,
R. Wang, J. et al. (2009). A Developmental Approach to Complex
PTSD: Childhood and Adult Cumulative Trauma as Predictors of
Symptom Complexity. Journal of Traumatic Stress, 22, 399–408.
• Cloitre, M., Courtois, C.A., Charuvastra, A., Carapezza, R., Stolbach, B.C., Green, B.L. (2011). Treatment of complex PTSD: results
of the ISTSS expert clinician survey on best practices. Journal of
Traumatic Stress, 24, 615-627.
• Cloitre, M., Courtois, C. A., Ford, J. D., Green, B. L., Alexander, P.,
Briere, J., ... & Van der Hart, O. (2012). The ISTSS expert consensus
treatment guidelines for complex PTSD in adults. Retrieved November, 5, 2012.
• Courtois, C. A., & Ford, J. D. (Eds.). (2009). Treating complex traumatic stress disorders: An evidence-based guide (pp. 82-104). New
York, NY: Guilford Press.
• Davidson, J. R., Book, S. W., Colket, J. T., Tupler, L. A., Roth,
S., David, D., ... & Feldman, M. E. (1997). Assessment of a new
self-rating scale for post-traumatic stress disorder. Psychological
medicine, 27(01), 153-160.
• Davidson, J. R., Tharwani, H. M., & Connor, K. M. (2002). Davidson
Trauma Scale (DTS): normative scores in the general population
and effect sizes in placebo-controlled SSRI trials. Depression and
Anxiety, 15(2), 75-78.
• Derogatis, L.R. & Melisaratos, N. (1983). The Brief Symptom Inventory: an introductory report. Psychological Medicine, 13, 595-605.
• Dorrepaal, E., Thomaes, K., & Draijer, P.J. (2006). Stabilisatiecursus
als antwoord op complexe posttraumatische stressstoornis. Tijdschrift voor psychiatrie, 48, 217-222.
• Dorrepaal, E. (2013). Before and beyond. Stabilizing Group
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Treatment for Complex Posttraumatic Stress Disorder related to
Child abuse Based on Psycho-education and Cognitive Behavioral
Therapy (Dissertatie). Vrije Universiteit Amsterdam.
Ford, J.D. (2009). Neurobiological and Developmental Research.
Clinical Implications. In C.A. Courtois & J.D. Ford (Eds.), Treating
complex traumatic stress disorder: an evidence-based guide (pp.
31-58). New York/London: Guilford Press.
Frewen, P.A., Dozois, J.A., Neufeld, R.W.J., & Lanius, R.A. (2008).
Meta-Analysis of Alexithymia in Posttraumatic Stress Disorder.
Journal of Traumatic Stress, 21, 243–246.
Goodwin, J.M., & Attias, R. (1999). Splintered Reflections. Images of
the body in trauma. New York: Basic Books.
Gordon, J., Staples, J., Blyta, A., Bytyqi, M., Wilson, A.T. (2008).
Treatment of Posttraumatic Stress Disorder in Postwar Kosovo Adolescents Using Mind-Body Skills Groups: A Randomized Controlled
Trial. Journal of Clinical Psychiatry, 69, 1469-1476.
Hensbroek, W., & Nissen, I. (2014). Mijn grens? Mijn grens! Een
vaktherapeutisch groepsaanbod voor vrouwen met een complexe
posttraumatische stress-stoornis. Tijdschrift voor vaktherapie, 10,
55-62.
Herman, J.L. (1992). Trauma and recovery. New York: Basic Books.
Hoekenga, P.H., Thewissen, V., Bos, A.E.R., & Willemse-van Son,
A.H.P. (2010). Effectiviteit van een lichaamsgerichte interventie op
lichaamsbeleving en PTSS-symptomen. Psychologie & gezondheid,
38, 236-247.
Hoven, M., & Scheffers, M. (2014). Waarnemen bij dissociatieve
klachten. Een kwantitatief pilotonderzoek naar de effecten van een
vaktherapeutische module. Tijdschrift voor vaktherapie, 10, 45-52.
IJzendoorn, van M. H., & Schuengel, C. (1996). The measurement of
dissociation in normal and clinical populations: Meta-analytic validation of the Dissociative Experiences Scale (DES). Clinical Psychology
Review, 16(5), 365-382.
Kolk, B.A. van der (2006). Clinical implications of neuroscience
research in PTSD. Annals of the New York Academy of Sciences,
1071, 277-293.
Kolk, B. van der (2014). The body keeps the score; brain, mind, and
body in the healing of trauma. New York: Viking.
Lanius, R.A., Bluhm, R.L., & Frewen, P.A. (2011). How understanding the neurobiology of complex post-traumatic stress disorder can
inform clinical practice: a social cognitive and affective neuroscience
approach. Acta Psychiatrica Scandinavica, 124, 331–348.
Larsen, D. L., Attkisson, C. C., Hargreaves, W. A., & Nguyen, T. D.
(1979). Assessment of client/patient satisfaction: development of a
general scale. Evaluation and program planning, 2(3), 197-207.
Maas, van der, L.C.C., Köke, A., Bosscher, R.J., Hoekstra, T. &
Peters, M.L.(2014). Measuring Body Awareness with the Scale of
Body Connection: Structure and Reliability of the Dutch Translation.
Manuscript submitted.
McDonald, S. D., Beckham, J. C., Morey, R., Marx, C., Tupler, L.
A., & Calhoun, P. S. (2008). Factorial invariance of posttraumatic
stress disorder symptoms across three veteran samples. Journal of
Traumatic Stress, 21(3), 309-317.
Ogden, P.K., Minton, K., & Pain, C. (2006). Trauma and the Body.
The theory and practice of Sensorimotor Psychotherapy. New York:
Norton.
Olff, M., Sijbrandij, M. Opmeer, B.C., Carlier, I.V.E., Gersons, B.P.R.
(2009). The structure of acute posttraumatic stress symptoms: ‘Reexperiencing’, ‘Active avoidance’, ‘Dysphoria’, and ‘Hyperarousal’.
Journal of Anxiety Disorders, 23, 656-659.
Parker, C., Doctor, R.M., & Selvam, R. (2008). Somatic Therapy
treatment effects with tsunami survivors. Traumatology, 14, 103-109.
Pearlin, L.I. & Schooler, C. (1978). The structure of coping. Journal
of Health and Social Behavior. Vol. 19, No. 1, pp. 2-21
Pöhlmann, K., Thiel, P., & Joraschky, P. (2008). Entwicklung und
Validierung des Dresdner Körperbildfragebogens (DKB-35). [Development and validation of the Dresden Body Image Questionnaire].
In P. Joraschky, H. Lausberg, K. Pöhlmann (Eds.). Körperorientierte
Diagnostik und Psychotherapie bei Patientinnen mit Essstörungen
[Body oriented diagnostics and psychotherapy in patients with
eating disorders] (pp 57-72). Gießen: Psychosozial-Verlag.
Tijdschrift voor vaktherapie 2015/4, jaargang 11, © FVB | 53
• Porges S.W. (2011). The polyvagal theory. Neurophysiological foundations of emotions attachment communication selfregulation. New
York: Norton.
• Price, C.J., & Thompson, E. (2007). Measuring dimensions of body
connection: Body awareness and bodily dissociation. The Journal of
Alternative and Complementary Medicine, 13, 945–953.
• Priebe, S., & McCabe, R. (2006). The therapeutic relationship in psychiatric settings. Acta Psychiatrica Scandinavica, 113(s429), 69-72.
• Scheffers, W.J., & Helleman, M.L. (2013). Trauma, lichaamsbeleving
en seksualiteit. Een geïntegreerd behandelprogramma met bewegings-, lichaamsgerichte en verbale componenten. Arq Psychotrauma Expert Groep / Boom.
• Scheffers, W.J., van Duin, M.A.J., Bosscher, R.J., Wiersma, D. &
van Busschbach, J.T. (2014). Psychometric properties of the Dutch
translation of the Dresden Body Image Questionnaire: a multiple
group confirmatory factor analysis across sex and age in a nonclinical sample. Manuscript submitted for publication.
• Sijbrandij, M., Olff, M., Reitsma, J., Carlier, I.V.E., de Vries, M.H., &
Gersons. B.P. (2007). Treatment of acute posttraumatic stress disorder with brief cognitive behavioral therapy: a randomized controlled
trial. American Journal of Psychiatry, 164, 82-90.
• Sijbrandij, M., Olff, M., Opmeer, B. C., Carlier, I. V., & Gersons, B. P.
(2008). Early prognostic screening for posttraumatic stress disorder
with the Davidson Trauma Scale and the SPAN. Depression and
anxiety, 25(12), 1038-1045.
• Skaff, M.M., Pearlin, L.I., Mullan, J.T. (1996).Transitions in the care­
giving career: Effects on sense of mastery. Psychology and Aging,
Vol 11(2), 247-257.
• Stant, A. D., TenVergert, E. M., Wunderink, L., Nienhuis, F. J., &
Wiersma, D. (2007). Economic consequences of alternative medication strategies in first episode non-affective psychosis. European
Psychiatry, 22(6), 347-353.
• Vermetten, E. (2012). Neurobiologie van posttraumatische stressstoornissen. In E. Vermetten, R.J. Kleber, & O. v.d. Hart (Red.),
Handboek posttraumatische stressstoornissen (pp. 241-261).
Utrecht: De Tijdstroom.
• Vloeberghs, E., & Bloemen, E. (2005). Uit lijfsbehoud. Lichaamsgericht werken met vluchtelingen in de ggz. Utrecht: Stichting Pharos.
• Vries, G.J. de, & Olff, M. (2009). The Lifetime Prevalence of Traumatic Events and Posttraumatic Stress Disorder in the Netherlands.
Journal of Traumatic Stress, 22, 259-267.
Samenvatting
Cliënten met complex trauma hebben onvoldoende baat bij
de huidige, cognitief georiënteerde behandelvormen. Een
psychomotorische behandeling gericht op regulatie van
psychofysiologische arousal lijkt geëigend in de stabilisatiefase. Hiertoe is een module ontwikkeld door de Werkgroep
moduleontwikkeling RAAK, onderdeel van de Werkveldgroep Trauma van de NVPMT. Thema’s die aan bod komen
zijn lichaamssignalen, grenzen, veiligheid, plezier beleven,
spelen, acceptatie, eigen wensen en behoeften, keuzes
mogen maken. De vraag of de inzet van deze module
een meerwaarde is in de behandeling, wordt onderzocht
middels een quasi-experimenteel onderzoeksdesign. Dit
onderzoek zal halverwege 2016 afgerond worden. <
Over de auteurs
Mia Scheffers is als onderzoeker verbonden aan de Kenniskring Bewegen, gezondheid en welzijn, binnen het domein
Bewegen en Educatie, Hogeschool Windesheim.
E: [email protected]
Janneke Hatzmann is onderzoeker bij de Kenniskring
Bewegen, gezondheid en welzijn, domein Bewegen en
Educatie, Hogeschool Windesheim.
E: [email protected]
Ingrid Nissen is als psychomotorisch therapeut werkzaam
bij Altrecht en is coördinator van de masteropleiding psychomotorische therapie aan de Hogeschool Windesheim.
E: [email protected]
Krista van Berkel is onderzoeker bij de Kenniskring Bewegen, gezondheid en welzijn, domein Bewegen en Educatie,
Hogeschool Windesheim.
E: [email protected]
Jooske van Busschbach is Lector Bewegen, gezondheid en
welzijn, Hogeschool Windesheim.
E: [email protected]
54 | Scheffers et al.: ‘Beweging in Trauma’. Psychomotorische therapiemodule in de stabilisatiefase van complex trauma.
advertentie
Post hbo
vakverdiepende
modules
Volg een van deze korte modules van
de Master of Arts Therapies om jouw
praktijk en handelen te verdiepen:
- Beeldende therapie (Utrecht)
- Dans- en bewegingstherapie
(locatie nog niet bekend)
- Dramatherapie (locatie nog niet bekend)
- Muziektherapie (Enschede)
Voor meer informatie
www.kenvak.nl/vakverdiependemodules