Elektra

Commentaren

Transcriptie

Elektra
Kluswijzer
Elektra
Zelf werken met elektriciteit hoeft geen probleem
te zijn. Deze Kluswijzer geeft uitleg over de
basisprincipes van elektriciteit binnen en
buiten en beschrijft stap-voor-stap een aantal
veel voorkomende klussen.
Elektra
1
4
3
2
1
2
Over spanning en vermogen
Elektriciteit is een verplaatsing van elektronen in een
geleider, meestal koperdraad, onder invloed van een
elektrische spanning. Hoe dikker de kern, hoe meer
stroom de geleider aankan. Stroom werkt alleen in
een gesloten kring en gaat altijd van plus naar min. De
hoeveelheid stroom door een draad wordt uitgedrukt
in ampère (A). Om de stroom in een kring te laten
lopen, heb je drukverschil nodig. Dit drukverschil wordt
spanning genoemd, uitgedrukt in de eenheid volt (V).
In woningen in Nederland is de spanning 230 volt. Het
vermogen van elektriciteit noem je watt (W). Om het
wattage te berekenen kan grofweg de volgende formule worden gebruikt: volt x ampère = watt.
Meterkast
Het energiebedrijf brengt de elektriciteit van buitenaf
naar binnen, naar de meterkast. De meterkast bestaat
uit verschillende onderdelen (afbeelding 1).
1. In het onderste, verzegelde deel van de meterkast
zit de hoofdzekering. Deze mag alleen bewerkt
worden door medewerkers van of namens het energiebedrijf. Het zegel mag je dus niet verbreken.
2. Ook de elektriciteitsmeter is door het energiebedrijf
verzegeld. Hier mogen dus ook alleen medewerkers
van of namens het energiebedrijf aan werken.
3. De hoofdschakelaar waarmee je in één keer de
gehele stroomvoorziening in huis kunt uitschakelen.
4. In de verdeelkast wordt de stroomtoevoer gesplitst
in groepen. Daarmee wordt voorkomen dat alle
elektriciteit uitvalt als een bepaald deel van het
systeem overbelast raakt of als er kort- sluiting
optreedt. Op de verdeelkast zitten schakelaars en
zekeringen, waarmee je elke groep apart in of uit
kunt schakelen.
Zekeringen
In meterkasten tref je verschillende soorten zekeringen
aan. Naast normale en auto-matische zekeringen zijn er
tegenwoordig ook automaten. De automaat is eigenlijk
een zekering en groepsschakelaar in één. Alle drie
onderbreken bij overbelasting of kortsluiting de stroomtoevoer. In de gewone zekering zit een draadje dat dan
smelt. De gekleurde melder in het midden van de zekering verdwijnt daardoor. Zo kun je zien welke zekering
vervangen moet worden. Een automatische zekering en
een automaat hebben een knop die bij overbelasting of
Elektra
kortsluiting omspringt. Om de stroomtoevoer te herstellen, hoef je slechts de knop om te zetten.
Groepen
De sterkte van de stroom is van belang bij het uitrekenen van het aantal apparaten en/of lampen dat aan
één groep gekoppeld kan worden. Aan de kleur van de
zekering in de groepenkast, kun je zien welk amperage
de zekering aankan.
Beveiliging
Om het elektriciteitsnet in een woning te beveiligen tegen overbelasting is het verstandig een
extra groep in de meterkast te laten installeren.
Kleur Sterkte Vermogen
Rood
10 ampère
2.300 watt
Duidelijkheid in de meterkast
Als je gaat klussen, is het handig als je kunt zien
welke groep, welk deel van het huis van stroom
voorziet. Zet daarom op een briefje wat op
welke groep zit en plak dit in de meterkast.
Grijs
16 ampère
3.680 watt
Blauw
20 ampère
4.600 watt
Geel
25 ampère
5.750 watt
Aardlekbeveiliging
Een moderne elektriciteitsinstallatie is voorzien van
een of meerdere aardlekschakelaars of -automaten.
De toepassing van aardlekbeveiliging is sinds 1977 bij
nieuwbouw voorgeschreven. Een aardlekschakelaar
beveiligt in de regel een aantal groepen tegelijk. Op
het moment dat in het elektriciteitscircuit stroomverlies
optreedt, schakelt de aardlekschakelaar de aaneengesloten groepen direct uit. Een aardlekautomaat beveiligt
een enkele groep.
Indien je constateert dat de aardlekbeveiliging op stand
0 staat, ga je als volgt te werk:
n stel vast welk deel van de installatie niet werkt;
n trek alle stekkers in het stroomloze gedeelte uit de
wandcontactdozen;
n probeer de aardlekbeveiliging weer op stand 1 te
schakelen. Als dit lukt, is duidelijk dat de storing is
veroorzaakt door één van de aangesloten apparaten.
Sluit dan één voor één de apparaten weer aan en
bekijk welk toestel de storing veroorzaakt. De aardlekbeveiliging zal bij het aansluiten van het apparaat
dat de storing veroorzaakt namelijk weer uitslaan.
Als de aardlekbeveiliging bij inschakeling toch weer
uitschakelt, is duidelijk dat de storing in de vaste
installatie zit. Laat dan een erkende installateur de
installatie nakijken.
De aardlekbeveiliging moet je twee keer per jaar testen.
Stopcontactbeveiliging
Een stopcontactbevei-liging is een plaatje
waarmee het stopcontact wordt afgedekt, zodat
kinderen er geen voorwerpen in kunnen steken.
Met een stekker draai je het afdekplaatje naar
rechts, waardoor je de stekker in het stopcontact kunt steken. Als je de stekker uit het contact haalt, draait het plaatje automatisch terug.
Gereedschap huren
Natuurlijk hoef je niet al het benodigde gereedschap voor elektraklussen te kopen. Bij Praxis
kun je namelijk ook voordelig gereedschap
huren. Je leest er alles over in de Praxis
Informatiefolder Verhuur.
Veilig werken met elektriciteit
Het werken met elektriciteit kan gevaarlijk zijn. Het is
dan ook van groot belang dat je voorzichtig te werk
gaat. Praxis adviseert om zelf alleen klein onderhoud te
plegen. Voor grotere klussen is de erkende installateur
het juiste adres. Voor het werken aan een elektrische
installatie dien je je namelijk altijd te houden aan de
wettelijke voorschriften. Een erkend installateur weet
precies wat die inhouden.
Door middel van de volgende voorzorgsmaatregelen
kun je de veiligheid extra verhogen.
n Bereid het werk goed voor. Maak eerst een schets
en bekijk goed hoe de draden moeten gaan lopen
3
Elektra
en welke kleuren draad met elkaar verbonden moeten worden. Bepaal ook de juiste werkvolgorde.
n Schakel altijd als eerste, in de meterkast, de elektriciteit uit van de groep waaraan je gaat werken.
Het uitschakelen van een automatische zekering
of het verwijderen van een gewone zekering is niet
voldoende. Schakel ook altijd de groepsschakelaar
uit. Bij een automaat worden beide handelingen met
het omzetten van de knop uitgevoerd. Controleer of
de spanning er ook daadwerkelijk af is. Test dit met
behulp van een elektrisch apparaat (bijvoorbeeld
een lamp) of met een spanningszoeker.
n Werk altijd met goed geïsoleerd gereedschap. Houd
water ver uit de buurt en werk dus ook nooit met
natte handen of op een vochtige ondergrond. Als je
een trap bij de klus nodig hebt, zet deze dan stabiel
neer en ga zo staan dat je onbelemmerd je werkzaamheden kunt uitvoeren. Zet nooit spanning op
de leidingen voordat je met de klus klaar bent.
Stroomgeleiders
Snoeren, draden en kabels geleiden stroom. Snoeren
gebruik je om binnenshuis apparaten en lampen van
stroom te voorzien. Draad gebruik je om stroom van de
meterkast naar vaste aansluitpunten te geleiden. Kabels
kunnen stroom buitenshuis geleiden of apparaten met
een zeer hoog vermogen van stroom voorzien. Hierna
wordt een aantal soorten geleiders uiteengezet. Lees
voor gebruik altijd de instructies op de verpakking.
Daaraan zie je waarvoor de geleider geschikt is en
welke belasting deze aan kan.
Installatiedraad gebruik je om leidingen van het elektriciteitsnet aan te leggen. De draad mag je alleen
door kunststof buizen trekken. Er zijn vier verschillende
soorten: aanvoer- of fasedraad, afvoer- of nuldraad,
aardedraad en schakeldraad. De functie van de draad
kun je afleiden van de kleur. In de jaren ‘70 is er in de
kleurcodes wel het een en ander gewijzigd:
4
Functie
Huidige kleur
Oude kleur
Fase
Bruin
Groen
Nul
Blauw
Rood
Aarde
Geel/groen
Grijs
Schakel
Zwart
Zwart
Zwakstroomdraad gebruik je om deurbellen, telefoons
en beveiligingsinstallaties aan te sluiten. De mantelleiding, ook wel vinylsnoer genoemd, is geschikt om
elektrische apparaten en lampen binnenshuis aan te
sluiten. Tevens wordt deze leiding vaak als verlengsnoer
gebruikt. De XMvK-kabel is geschikt voor gebruik in
vochtige ruimten of buitenshuis. Voor gebruik in de
grond bestaat er een speciale variant met een metalen
mantel, namelijk de YMvK-as-kabel. Hiermee leg je
bijvoorbeeld tuinverlichting aan. De staalomvlechting
in de mantel beschermt de binnenste geleiders tegen
werking van de grond. Tevens beschermt de mantel de
geleiders tegen doorsteken met een schep. Maak voor
een buitenaansluiting altijd een aparte groep die door
een aardlekschakelaar beveiligd wordt.
Elektriciteitsbuizen
Om de elektradraden door het huis te voeren, zijn er
drie soorten elektriciteitsbuizen: ronde, platte en flexibele. Als de buizen in de muur zijn weggewerkt, noem
je ze inbouwleidingen; als ze op de muur zijn aangebracht, spreek je van opbouwleidingen.
De gele, ronde buizen gebruik je voor de doorvoer en
bescherming van installatiedraad binnenshuis en zijn
geschikt voor zowel op- als inbouwsystemen. De grijze,
ronde buis is steviger en is geschikt voor opbouw buitenshuis.
Platte buizen zijn geschikt voor doorvoer en bescherming van installatiedraad binnenshuis. Ze zijn alleen
geschikt voor opbouw en bestaan uit een goot waarin
je de bedrading legt en een deksel waarmee je het
systeem afdekt.
De flexibele buizen zijn geschikt voor de doorvoer en
bescherming van installatiedraad binnenshuis. Ze zijn
voor zowel op- als inbouwsystemen te gebruiken. De
flexibele kunststof buis kun je gemakkelijk in allerlei
bochten buigen.
Bevestiging en verbinding
Om ronde leidingen op de muur of aan het plafond te
bevestigen, gebruik je schroef- of klikzadels van metaal
of kunststof. Het platte kokersysteem zet je met (nagel-)
pluggen vast. Om leidingen met elkaar te verbinden,
gebruik je koppelstukken of bochtjes. De gele, ronde
uitvoeringen zijn bestemd voor gebruik binnen en de
grijze voor gebruik buiten. Een rond koppelstuk wordt
ook wel een mof of sok genoemd.
Elektra
Bochten buigen
Als je niet met een flexibele buis werkt, kun je toch
zelf bochten in de buis maken. Dit kan met behulp
van bochtstukken of met een buigveer. Als je gebruik
maakt van de buigveer bind je aan de ene kant van de
veer een stuk draad, zodat je de buigveer na gebruik
gemakkelijk uit de buis kunt halen. Je schuift de buigveer in de buis en buigt, op de plaats waar de buigveer
loopt een bocht. Maak de bochten nooit te scherp. Dit
is namelijk lastig bij het trekken van de draden.
2
einddoos
Dozen
Om verbindingen, aftakkingen en aansluitpunten in
het elektriciteitsnet te maken, heb je dozen nodig
(afbeelding 2). Al naar gelang de toepassing noem je een
doos een trek- of een lasdoos. De dozen zijn gemaakt
van kunststof en zijn verkrijgbaar in diverse in- en
opbouwmodellen met verschillende buis in- en uitgangcombinaties. Naast de trek- en lasdozen bestaan er ook
centraal- en kabeldozen. In een centraaldoos maak je
centraal verbindingen naar lampen, stopcontacten en
schakelaars. Je plaatst deze kunststof doos meestal
in het plafond boven het lichtpunt dat je in het midden
van een bepaalde ruimte wilt hangen. Vanaf deze doos
lopen er ook leidingen naar de meterkast. Een kabeldoos gebruik je om buitenshuis buizen uit verschillende
richtingen, bovengronds, aan elkaar te koppelen. Deze
doos is ook gemaakt van kunststof en is spatwaterdicht.
Draden trekken
Als je eenmaal het buizennet hebt aangelegd en de
dozen hebt geplaatst, kun je beginnen met het trekken
van de benodigde draden. Doe dit met een trekveer.
De draden die door de leiding gaan lopen, bind je aan
het oog van de veer. Doe dit door een stukje van het
omhulsel van de draad af te strippen en de blote einden
van de draden aan elkaar en het oog te draaien. Voer
de trekveer met daaraan de draden door de buis. Zorg
dat je voldoende draad laat uitsteken op de plekken
waar draden met elkaar verbonden moeten worden.
Leg ook op alle andere plaatsen de draden goed ruim,
zodat je altijd nog veranderingen kunt aanbrengen zonder er al te veel extra werk aan te hebben. Zorg er wel
voor dat er niet te veel draad in een doos komt te zitten. Een doos moet namelijk gemakkelijk dicht gemaakt
kunnen worden. Lukt dit niet, zet er dan een tweede
doos naast.
centraaldoos
trekdoos
T-doos
5
Elektra
3
Zone 2
Zone 1
maximaal
12 volt
Klasse 3
Zone 2
minimaal
IP44/65/66
Klasse 2
Zone 1
minimaal
IP21/43
Klasse 1
T-doos
4
trekdoos
stopcontacten
5
6
Verbindingen maken
Om draden in een doos aan elkaar te koppelen, gebruik
je ronde lasdoppen of platte lasklemmen. In een lasdop
steek je in elkaar gedraaide, gestripte draden. In een
lasklem klem je een aantal losse, gestripte draden vast.
Let op: altijd kleur aan kleur! Laat geen gestripte draden uit de verbinding
steken. Dit kan namelijk tot kortsluiting en brand leiden.
Elektra in de badkamer (afbeelding 3)
De combinatie water en elektra is gevaarlijk. Voor het
aanleggen van elektra in de badkamer gelden daarom
strenge eisen. Volgens de richtlijnen zijn er drie zones
in een badkamer. Zone 1 is de ruimte boven het bad
en/of de douchebak. Hier mogen geen schakelaars of
contactdozen geplaatst worden. Warmwatertoestellen
en verlichting (minimaal klasse 3 armaturen, dus veilige, lage spanning van maximaal 12 volt) zijn in zone
1 wel toegestaan. Zone 2 bestrijkt het gebied van 60
cm, gerekend vanaf de rand van bad en/of douchebak.
Ook in deze zone mogen geen schakelaars en contactdozen geplaatst worden. De verlichting in zone 2
moet minimaal voldoen aan klasse 2 armaturen: dubbel
geïsoleerd (IP66, IP65 en IP44). Verwarmings-toestellen zijn in zone 2 ook toegestaan. Zone 3 begint bij het
einde van zone 2. Hier gelden nauwelijks beperkingen.
Wel moet een stopcontact achter een aardlekschakelaar zitten; het speciale scheerstopcontact uitgezonderd.
In zone 3 mogen voor de verlichting ook de klasse 1
armaturen – dus geaarde toestellen (IP43 en IP21) –
worden geplaatst.
Aarding
Alle metalen delen in de badkamer, zoals badkuip,
douchebak, waterleidingen en radiator, moeten met een
4 mm aardleiding aan een centraal aardpunt gekoppeld
worden.
Opbouwsysteem uitbreiden
Als voorbeeld gaan we in de woonkamer een extra
stopcontact aanbrengen, waarbij de bestaande elektrabuis verlengd moet worden (afbeelding 4).
n Haal de spanning van de desbetreffende groep af
en controleer dit met een spanningszoeker.
n Bepaal de plaats waar het extra stopcontact komt.
Teken het stopcontact en de loop van de benodigde
extra leidingen af op de muur.
6
Elektra
n Verwijder de kap van het bestaande stopcontact en
schroef de draden los of haal ze onder de klemmen
vandaan. Trek de draden via de eerste lasdoos uit
de buis. Zaag de buis door op het punt waar de
buis naar beneden afbuigt en verwijder het deel
naar het stopcontact.
n Plaats een tweede, nieuwe lasdoos zodanig dat
de onderuitgang boven het bestaande stopcontact
staat. Verleng de bestaande horizontale buis met
behulp van een mof en een nieuw stuk buis. Sluit
de buis aan op de zojuist geplaatste lasdoos. Plaats
ook een nieuwe buis tussen de lasdoos en het
bestaande stopcontact.
n Monteer het nieuwe stopcontact op de aangegeven
plaats en bepaal de lengte van de nieuwe buis door
de maat op te nemen tussen het nieuwe stopcontact en de lasdoos. Gebruik een buigveer om de
buis te buigen of een bocht. Zet na plaatsing de
buizen vast met zadels. Doe dit bij de lasdozen, de
bocht en de stopcontacten om de 10 cm en bij de
rest om de 40 cm.
n Verbind in de nieuwe lasdoos alle draden met elkaar
en voer met een trekveer de nieuwe draden door de
buizen. Sluit deze aan op de stopcontacten. Schroef
aan of steek in één pool de bruine draad en aan of
in de andere pool de blauwe (kleurvolgorde is
willekeurig). Schroeven doe je door lusjes te maken
aan het einde van de gestripte draden en deze
om de contactschroeven te slaan. Draai de schroeven goed vast. Als het geplaatste stopcontact
geaard is, bevestig je de geel/groene draad aan
de aardklem. Deze klem is te herkennen aan het
aardeteken ( ).
n Test het systeem door er spanning op te zetten.
Maak als de installatie werkt de lasdozen dicht en
plaats de afdekplaatjes rondom de stopcontacten.
Schakel voor het afronden van de klus uiteraard
eerst weer de stroom uit.
Inbouwsysteem uitbreiden
Bij de uitbreiding van het inbouwsysteem gaan we uit
van hetzelfde voorbeeld als bij het opbouwsysteem.
Bij het aanleggen van een inbouwsysteem gebruik je
inbouwdozen, waarin je inbouwstopcontactdozen en
-schakelaars plaatst. De inbouwdozen zelf plaats je in
de muur. Zet de dozen met kant-en-klare hechtpleister
vast. De dozen zijn gemaakt van kunststof en verkrijg-
baar in drie verschillende dieptematen: 30, 40 en
50 mm.
n Haal de spanning van de desbetreffende groep af
en controleer dit met een spanningszoeker.
n Bepaal de plaats waar het extra stopcontact komt.
Teken het stopcontact en de loop van de benodigde
extra leidingen af op de muur.
n Spoor de loop van de bestaande leidingen en de
lasdoos op. Doe dit eventueel met een leidingzoeker. Teken de loop van deze leidingen af op de
muur.
n Boor met een steen- of betonboor gaten langs de
afgetekende lijnen en haal daarna voorzichtig de
steen weg met een steenbeitel, sleuvenfrees of
haakse slijper. Controleer of de gaten diep genoeg
zijn voor de nieuwe inbouwdozen. Een inbouwdoos
voor een stopcontact moet gelijk vallen met de
muur. Als de doos te diep ligt, kun je correctieringen op de doos aanbrengen om weer gelijk te
komen met de muur (afbeelding 5).
n Verwijder de kap van het bestaande stopcontact
en schroef de draden los. Trek de draden via de
bestaande lasdoos uit de buis. Zaag de buis door
op het punt waar de buis naar beneden afbuigt en
verwijder het deel naar het stopcontact.
n Plaats een tweede, nieuwe lasdoos zodanig dat
de onderuitgang boven het bestaande stopcontact
staat. Verleng de bestaande horizontale buis met
behulp van een mof en een stuk nieuwe buis. Sluit
de buis aan op de lasdoos. Plaats ook een nieuwe
buis tussen de nieuwe lasdoos en het bestaande
stopcontact.
n Monteer de lasdoos voor het nieuwe stopcontact en
bepaal de lengte van de nieuwe buis door de maat
op te nemen tussen het nieuwe stopcontact en de
zojuist geplaatste lasdoos. Zaag de benodigde leiding op maat. Gebruik als leiding een flexibele buis.
Deze is gemakkelijk in de sleuf te leggen en om te
vormen. Zet de buis op regelmatige afstanden met
stalen spijkertjes vast (afbeelding 6).
n Verbind in de nieuwe lasdoos alle draden met elkaar
en voer met een trekveer de nieuwe draden door de
buizen. Sluit deze aan op de stopcontacten. Schroef
aan of steek in één pool de bruine draad en aan of
in de andere pool de blauwe (kleurvolgorde is willekeurig). Schroeven doe je door lusjes te maken
aan het einde van de gestripte draden en deze om
7
Elektra
de contactschroeven te slaan. Draai de schroeven
goed vast. Als het geplaatste stopcontact geaard is,
bevestig je de geel/ groene draad aan de aardklem.
Deze klem is te herkennen aan het aardeteken ( ).
n Test de installatie door er spanning op te zetten. Als
het werkt, kun je de sleuven en kieren dichtsmeren
met hechtpleister. Dicht de lasdoos eerst af met
een blindplaatje. Laat de pleister uitharden om
vervolgens het stopcontact met een raamwerk af
te werken. Schakel voor het afronden van de klus
uiteraard eerst weer de stroom uit.
Schakelaar of dimmer aanbrengen
Voor het aanbrengen van een schakelaar of dimmer
heb je een bruine en een zwarte draad nodig. Trek de
draden naar de plek van installatie. De bruine draad
steek je in het gat onder de rode pal (L of P) van de
schakelaar of dimmer; de zwarte draad onder de zwarte
pal. Om de draden, bij bijvoorbeeld vervanging, los te
maken, hoef je slechts op de pal te drukken.
Er bestaan naast schakelaars met verende pallen, schakelaars met schroefklemmen. Dimmers zijn er ook in
diverse soorten: gloeilampdimmers, halogeendimmers
en elektronische halogeendimmers. Raadpleeg voor de
juiste keuze de verpakking van de producten. Spaar- en
kooldraadlampen kunnen niet worden gedimd.
Combinatie aanbrengen
Een combinatie van een schakelaar met een stopcontact wordt aangesloten met de bruine draad onder het
fase-contact (L of P) van het stopcontact en de blauwe
draad onder het andere contact. Bevestig als je een
geaarde combinatie plaatst, de geel/groene draad
aan de aardklem. Als je een lamp op de combinatie
aangesloten wilt hebben, verbind je een van de twee
contacten van de schakelaar met een zwarte draad met
de lamp.
2-polige schakelaar aanbrengen
Om bijvoorbeeld de buitenverlichting vanuit de woning
aan en uit te kunnen zetten, kun je een 2-polige schakelaar monteren. Je hebt dan een bruine draad, twee
blauwe draden en een zwarte draad nodig. Bevestig
bij installatie de bruine en een van de blauwe draden,
komende uit de meterkast, ieder aan een rood contact
(L of P). De twee andere draden voor naar de lamp
8
bevestig je dan aan de tegenover liggende contacten:
blauw aan blauw en zwart tegenover bruin.
Serieschakelaar aanbrengen
Een serieschakelaar wordt gebruikt om twee lampen
vanaf één plaats aan en uit te kunnen zetten. De schakelaar dient te worden aangesloten met een bruine draad
en twee zwarte draden. Je bevestigt de bruine draad aan
het rode contact (L of P) en de twee zwarte draden aan
de overige twee contacten. Beide draden moeten aan
één van de te schakelen lampen verbonden worden.
Wisselschakelaar aanbrengen
Een wisselschakelaar, ook wel hotelschakelaar
genoemd, wordt gebruikt om één lamp vanaf twee
plaatsen te bedienen. De eerste schakelaar sluit je
aan met de bruine draad aan het rode fase-contact (L
of P) en de twee zwarte draden aan de twee overige
contacten. Deze twee zwarte draden leggen de verbinding met de tweede schakelaar. De twee draden in de
tweede schakelaar sluit je net zo aan als in de eerste.
Voor de tweede schakelaar heb je wel nog een derde
zwarte draad nodig. Deze bevestig je aan het rode
fase-contact (L of P) en verbind je met de lamp. Let
op! Wanneer je de tweede schakelaar gaat vervangen,
merk dan de zwarte draad die op het rode fase-contact
is aangesloten met een stukje tape. Zo weet je precies
welke zwarte draad je in de nieuwe schakelaar op het
fase-contact moet aansluiten.
Dubbele wisselschakelaar aanbrengen
Bij een dubbele wisselschakeling wordt gebruik
gemaakt van één dubbele wisselschakelaar en twee
wisselschakelaars. De schakeling wordt gebruikt om
twee lampen vanaf drie plaatsen te kunnen bedienen,
zoals bijvoorbeeld in de situatie hal/overloop/voorzolder.
De dubbele wisselschakelaar wordt op de overloop aangesloten met de bruine draad aan het fase-contact (L
of P). Verbind het tweede fase-contact (L of P) in deze
schakelaar aan het eerste fase-contact door middel van
een stukje bruin draad. Elke helft van de dubbele wisselschakelaar heeft nog twee overige contacten waaraan de twee wisselschakelaars met behulp van zwart
draad worden aangesloten. Deze wisselschakelaars
breng je aan in de hal en op de voorzolder. Vanuit beide
wisselschakelaars wordt op het fase-contact, door middel van een zwarte draad, dan een lamp aangesloten.
Elektra
Kruisschakelaar aanbrengen
Een kruisschakelaar wordt gebruikt om één lamp vanaf
drie plaatsen te kunnen bedienen, zoals bijvoorbeeld in
de slaapkamer (bij de deur en aan beide bedzijden). Bij
een kruisschakeling heb je één kruisschakelaar nodig
en twee wisselschakelaars. De kruisschakelaar verbind
je aan de wisselschakelaars door deze aan beide zijden
van twee zwarte draden te voorzien, door te trekken
naar de wisselschakelaars en op de twee contacten
van de wisselschakelaars aan te sluiten. De eerste wisselschakelaar sluit je dan, met behulp van een zwarte
draad, aan op de lamp. Gebruik hierbij het rode fasecontact (L of P) om de draad vast te zetten. De tweede
schakelaar sluit je aan op het elektriciteitsnet met
behulp van een bruine draad. Gebruik ook hier het rode
fase-contact om de draad vast te zetten.
Snoerschakelaar aanbrengen
Neem het kapje van de schakelaar en draai de schroefjes los die de draden vast moeten klemmen. Het snoer
bestaat uit een mantel met daarin twee draden. De
draden hebben beide weer hun eigen isolatie. Verwijder
de mantel op de plaats waar de schakelaar komt. Knip
één of beide draden door (bij sommige schakelaars kan
één draad ononderbroken ingebracht worden, lees dus
altijd de bijgesloten handleiding) en verwijder de isolatie
(afbeelding 7). Draai, als je twee draden hebt moeten
doorknippen, elke draad in elkaar en zet het draad
onder de schroefjes vast. Zet ook de buitenmantel van
het snoer vast, zodat dit niet uit de schakelaar getrokken kan worden. Plaats het kapje van de schakelaar
terug.
Stekker monteren
Schroef de stekker open. Verwijder ongeveer 2 cm van
de mantel van het snoer. Daarmee maak je twee draden met hun isolatie er omheen zichtbaar. Strip met de
striptang ongeveer 12 mm van de isolatie af. Draai elke
blootliggende draad in elkaar en vouw het uiteinde dubbel. Steek de draden onder de schroefjes van de stekkerpennen en schroef de schroefjes goed vast. Gebruik
je een randgeaarde stekker en geaard draad (er zijn
dan drie draden zichtbaar na het verwijderen van de
mantel), dan bevestig je de geel/groene draad in het
midden van de stekker aan het contact gemerkt door
het aardeteken ( ). Schroef de buitenmantel van het
snoer ook goed vast. Schroef als laatste de twee delen
7
8
van de stekker weer op elkaar. Zorg dat de aardedraad
de langste draad is in de stekker. Bij het per ongeluk
lostrekken van het snoer blijft de aardeverbinding het
langste gehandhaafd (afbeelding 8).
9
Elektra
9
10
Elektra buiten
Voor het aanleggen van de elektriciteit buiten gebruik
je (spat)waterdicht materiaal met minimaal een IP44
vermelding. De elektra in de tuin moet namelijk weeren waterbestendig zijn. Tuinverlichting is verkrijgbaar
in vele soorten en vormen, zowel brandend op 230
volt als op 12 volt. Voor laatstgenoemde heb je een
transformator nodig die de gewone 230 volts spanning terugbrengt naar 12 volt. De transformator plaats
je tussen het binnenstopcontact en de lampen. Een
groot voordeel van laagspanning is dat je de risico’s
van stroomschokken uitsluit en dat je het snoer slechts
20 cm diep hoeft te leggen. Op dezelfde installatie
kun je ook bijvoorbeeld een fonteinpomp voor de vijver
aansluiten. Houd bij laagspanning de afstand tussen
de trafo en de lampen zo kort mogelijk. Een lang snoer
creëert namelijk een hoge weerstand waardoor verlies
van spanning optreedt. Lampen kunnen daardoor zwakker gaan branden.
Tuinverlichting aanleggen
Maak voor aanvang van de klus eerst een plattegrond
van de tuin en geef daarin de plaatsen aan van de
eventuele stopcontacten, de lasdozen en de lampen.
Bereken op basis van deze schets het aantal benodigde
meters kabel. Voor vaste montage van de kabel bovengronds mag je XMvK-kabel gebruiken. Voor installatie
ondergronds heb je YMvK-as-kabel nodig. Het is handig
om binnenshuis een 2-polige schakelaar te plaatsen,
waarmee je de tuinverlichting aan en uit kunt schakelen. Voordat je de elektra buiten kunt aanleggen, trek je
eerst de installatiedraden van binnen naar buiten. Doe
dit vanaf een lasdoos waarin aardedraad zit of vanaf de
meterkast. Schakel eerst de stroom uit. Boor met een
steenboor een gat van 18 mm in de muur. Doe dit van
buiten naar binnen en schuin naar boven, zodat er geen
vocht naar binnen kan lopen.
Steek een stuk flexibele buis door het gat en voer de
installatiedraden naar buiten. Plaats een lasdoos op
de plek waar de draden naar buiten komen en voer
de installatiedraden en de (grond)kabel in de doos
(afbeelding 9). De kabel zet je vast met een wartel en
rubberen ring, zodat de lasdoos (spat)waterdicht blijft.
Verbind de installatiedraden met de draden van de te
gebruiken (grond)kabel. Snijd bij XMvK-kabel de mantel
10
Elektra
van de kabel weg en ontdoe de drie zichtbaar geworden draden van een stuk isolatie. Bevestig met lasklemmen de bruine draad aan de bruine draad (bij kabels
geproduceerd voor 2004 is dit een zwarte draad), de
blauwe draad aan de blauwe draad en de geel/groene
draad aan de andere geel/groene draad. Wanneer je
YMvK-as-kabel voor het aanleggen van de verlichting
gebruikt, dien je de metalen mantel van de kabel weg
te knippen. Doe dit voorzichtig, want de gevlochten
aardedraad onder de metalen mantel moet intact blijven. Tape het uiteinde van de grondkabel af, zodat de
scherpe stukjes van de metalen mantel niets kunnen
beschadigen. Tape ook het gevlochten aardedraad af
tot aan de laatste centimeter. Ontdoe de overige twee
zichtbaar geworden draden van 1 cm isolatie. Bevestig
met een lasklem de bruine draad aan de bruine draad
(bij kabels geproduceerd voor 2004 is dit een zwarte
draad) en de blauwe draad aan de andere blauwe. De
geel/groene draad maak je met een kroonsteentje vast
aan de gevlochten aardedraad van de grondkabel. Kit
het gat rond de flexible buis die uit de muur komt dicht.
Bevestig, in een pvc-buis, de (grond)kabel op de muur
en zet deze buis vast met zadels. Plaats de zadels om
de 30 cm; bij lasdozen, schakelaars of stopcontacten
om de 10 cm.
Als je grondkabel gaat leggen, graaf je volgens de
schets de benodigde grondkabelgeulen in de grond,
minstens 60 cm diep. Leg de grondkabel golvend in de
geul, zodat er geen spanning op de verbindingspunten
staat en je genoeg kabel hebt om lampen mee aan te
sluiten.
Begin aan het einde van de verlichtingslijn. Sluit de
kabel aan op de lamp door de kabel door de steun en
indien nodig door de sokkel van de lamp te trekken.
Knip ongeveer 7 cm van de metalen mantel van de
kabel weg. Tape het uiteinde van de kabel net als de
aardedraad tot aan de laatste centimeter weer af. Strip
van de twee overige draden ook 1 cm af. Maak de aardedraad vast aan de hiervoor bestemde schroef in de
lamp. De andere draden verbind je met kroonsteentjes
aan de draden in de lamp en wel kleur aan kleur. Plaats
over de kroonsteentjes het zogenaamde filmdoosje
(afbeelding 10).
11
Om meerdere lampen aan te sluiten, heb je een aantal
stukken (grond)kabel, kabeldozen of kabelmoffen nodig.
Voor het bovengronds verbinden van diverse stukken
XMvK-kabel gebruik je kabeldozen. Voor het verbinden
van grondkabels gebruik je grondkabelmoffen. Strip bij
gebruik van moffen de grondkabels af en sluit de bruine
(bij kabels geproduceerd voor 2004 is dit een zwarte
draad) en blauwe draden aan elkaar met lasklemmen.
Uiteraard kleur aan kleur. Verbind de aardedraden met
elkaar door een kroonsteentje. Maak de mof dicht.
Wanneer het hele elektriciteitsnet ligt, controleer je
of alle verbindingen en lampen werken. Pas als alles
werkt, giet je de bijgeleverde pasta in de grondmof
(afbeelding 11). De aansluitingen zijn na uit-harding dan
volkomen waterdicht. Vervolgens maak je de geulen
dicht en is de aanleg een feit. Schakel voor het afronden van de klus uiteraard eerst weer de stroom uit.
In plaats van het maken van verbindingen met behulp
van kabelmoffen kun je de lampen ook onderling met
elkaar verbinden. Je legt dan YMvK-as-kabel vanuit de
lamp terug de grond in en deze verbind je dan met de
volgende lamp.
11
Aantekeningen
© Praxis Doe-het-Zelf Center BV, Diemen. Uitgave 2012
De inhoud van deze Kluswijzer is met zorg samengesteld en is bedoeld om de lezer te wijzen op aandachtspunten bij het gebruik van producten en
technieken bij het klussen. Echter, er kunnen zich wijzigingen voordoen in producten en technieken. Gebruik deze Kluswijzer daarom als algemene
handleiding en lees altijd de instructie en/of handleiding bij producten voor je aan de slag gaat. Raadpleeg bij twijfel altijd een professionele partij.
Deze Kluswijzer is gedrukt op chloorvrij papier.
Vormgeving: De Fabriek Communicatie Creatie Coaching BV Amsterdam. Illustraties: MokerOntwerp.
Voor meer klusideeën en -tips, stap-voor-stap
beschrijvingen van klussen, handige
rekenmodules en praktische doe-het-zelf
informatie: www.praxis.nl

Vergelijkbare documenten