Waarom werd Frederik van Eeden door Procházka naar het

Commentaren

Transcriptie

Waarom werd Frederik van Eeden door Procházka naar het
Acta Universitatis Wratislaviensis No 3558
Neerlandica Wratislaviensia XXIII
Wrocław 2013
Zuzana VAIDOVÁ (Olomouc)
Waarom werd Frederik van Eeden door Procházka
naar het Tsjechisch vertaald? Een vergelijking van
Arnošt Procházka en Frederik van Eeden, Moderní
Revue en De Nieuwe Gids
Abstract
The aim of this paper is to point out some of the similarities and differences between two eminent
personages of two European literatures, i.e. between Dutch writer Frederik van Eeden and his Czech
translator Arnošt Procházka. The paper also deals with possible reasons why Procházka translated
Van Eeden’s texts as well as with some similarities and differences between the two journals — Moderní Revue and De Nieuwe Gids they established. The revealed parallels are shown in the critical
reception of their work in both cultural contexts, the Dutch and Czech.
Inleiding
De namen van Arnošt Procházka en Frederik van Eeden zijn vandaag voor de
meeste lezers buiten hun taalgebieden onbekend. Hun literaire oeuvre werd in hun
tijd ambivalent en soms met verwarring waargenomen maar toch behoorden zij
beiden in cultureel opzicht tot de leidende persoonlijkheden in hun landen. Beiden zijn nog steeds onderwerp van de belangstelling van literatuurhistorici. Onze
onderzoeksvraag is: kunnen deze twee persoonlijkheden met elkaar in verband
worden gebracht?
Voor neerlandici is het een interessant feit dat Procházka enkele teksten van
Van Eeden (en van andere Tachtigers) vertaalde.1 Deze bijdrage wil aan de hand
1 Dit artikel is het resultaat van een onderzoek naar de Tsjechische receptie van Van Eedens
werk, project nr. IGA FF_2012 049_Recepce díla Frederika van Eedena v české literatuře s důrazem na překlady od Arnošta Procházky: paralely mezi oběma spisovateli a mezi jejich literárními
prostředími. Hiermee wil ik mijn promotor Wilken Engelbrecht bedanken voor zijn opmerkingen
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 89
2014-07-30 11:48:29
90
ZUZANA VAIDOVÁ
van kritische receptie van hun werken en van een vergelijking van hun kunstopvattingen parallellen en verschillen tussen beiden laten zien. Verder is het ons doel
om overeenkomsten en verschillen te tonen tussen de tijdschriften aan de wieg
waarvan zij stonden en waarin zij hun teksten publiceerden en ten slotte doen
we een poging om te achterhalen waarom Procházka de Tachtigers en vooral van
Eeden in het Tsjechisch vertaalde.
1. Arnošt Procházka (1869–1925) en Frederik van Eeden
(1860–1932): parallellen en verschillen
Zoals hierboven aangeduid hadden Procházka en Van Eeden een niet te verwaarlozen invloed op hun tijdgenoten, maar was er tegelijkertijd nogal wat kritiek op
beiden.
1.1. Procházka en Van Eeden als kunstenaars: de blik
van tijdgenoten
Hoewel Arnošt Procházka in verschillende Tsjechische tijdschriften tamelijk veel
gedichten publiceerde, heeft hij tijdens zijn leven slechts één enkele poëziebundel
uitgebracht, Prostibolo duše (1895). Zijn andere werk werd posthuum uitgegeven.2
Prostibolo duše is een typisch decadente verzameling van zes gedichten vol
van afschuw, pijn, verdriet en versmade liefde. Deze gedichten zijn tussen twee
gelijkgestemde citaten afgedrukt — éen van Baudelaire en éen van Herman Conradi. Bovendien is de titel enigszins controversieel, het woord prostibolo komt
van het Latijnse prostibulum dat in de Romeinse tijd overeenkwam met wat we
nu een sexclub of eufemistisch massagesalon zouden noemen. De titel betekent in
het Nederlands dus Het bordeel van de ziel. De titel ontmaskeerde dus al zonder
scrupules de decadente stemming van de hele bundel en bood tegelijkertijd onbedoeld aan critici gelegenheid om de titel te misbruiken tegen Procházka en andere
decadente kunstenaars rond zijn Moderní Revue (zie hierna). Zo stelde bijvoorbeeld de literatuurcritica Eliška Krásnohorská3 in haar recensie voor om de oorover eerdere versies van dit artikel. Ook de anonieme recensent wil ik graag dank zeggen voor de
gemaakte opmerkingen.
2 Het gaat over de volgende bundels: Torsa veršů; torsa prosy (Torso’s van verzen, torso’s van
prosa 1925), onder redactie van Jarmil Krecar (decadente dichter, lid van de kring rond Moderní Revue), Relikviář. Básně v próze (Relikwieënkistje. Prosagedichten, 1928) onder redactie van Jiří Karásek ze Lvovic. Deze bundel omvat drie gedichten in de vorm van een liefdesbrief. Zoals Karásek in
zijn voorwoord aangeeft (Karásek 1928) ging het werkelijk over een brief aan Procházka’s vriendin.
3 Dichteres en critica van de vorige generatie.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 90
2014-07-30 11:48:29
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
91
spronkelijke titel te veranderen in ‘Spuwbakje uit Parijs’ of ‘Schande om te lachen’ (vgl. Krásnohorská 1895: 181). De toenmalige Tsjechische literaire kritiek
ontving de bundel eerder negatief, het lijkt erop dat het publiek buiten Procházka’s
eigen kring nog niet voorbereid was op decadente kunst.4 Dit is goed zichtbaar in
het volgende citaat:
Ik neem het noodlottige ‘Prostibolo duše’ van de heer Arnošt Procházka ter hand dat aan achtenswaardige en erkende critici van beiderlei kunne gelegenheid gaf om de vinger te wijzen
naar de gruwelijke inhoudsloosheid en zedeloosheid van de moderne stroming. Ik zal niet veel
over het boek uitwijden, het is evenmin met veel ambitie uitgekomen en wilde niet veel lezers
aanspreken (het kwam slechts in 200 exemplaren uit). (...) ‘Prostibolo duše’ is tot dusverre het
meest drieste product van onze jonge decadentie, haar exces. (Krejčí 1895: 677–678)5
František Václav Krejčí, de criticus van wie deze zinnen afkomstig zijn,
verweet Procházka voorts gebrek aan oorspronkelijkheid, volgens hem ging het
om een slechte imitatie van buitenlandse voorbeelden, een verwijt dat de decadenten vaak werd gemaakt. Krejčí’s mening dat Procházka probeert boven zijn
macht te schrijven, moet hem, zoals we nog zullen zien, erg hebben geraakt. Zelfs
Procházka’s vriend en collega Viktor Dyk, eveneens literator en belangrijk literair
criticus, was het in zeker opzicht hiermee eens. In zijn bijdrage in de als speciale
aflevering van Moderní Revue verschenen bundel In Memoriam van Arnošt Procházka zocht hij naar het antwoord op de vraag of Procházka wel een echte dichter
was. Hij beschrijft het moeizame ontstaan van Procházka’s gedichten dat naar
zijn mening soms aan de vorm en sommige verzen zichtbaar is, maar uiteindelijk
komt hij toch tot de conclusie dat Procházka een echte dichter was (Dyk 1925:
31). In dezelfde tekst gaat hij in op de periode van bijna tien jaar na het verschijnen van Prostibolo duše waarin Procházka helemaal geen gedichten publiceerde.
Pas in 1913 liet hij in Moderní Revue onder één van zijn pseudoniemen een nieuw
gedicht afdrukken. Hoewel publiceren onder pseudoniem destijds normaal was,
wees Dyk erop dat dit in deze contekst misschien anders lag (Dyk 1925: 25–26).
Als we Procházka’s verzen met een modern oog lezen, is duidelijk dat het destijds voor zulke poëzie te vroeg was. Zijn vrije vers, somber en hopeloos, vervuld
met lichamelijkheid en met een alomtegenwoordig gevoel van vergankelijkheid,
ondergang en uit het niets opwellende botsing tussen ideaal, verlangen, liefde en
realiteit en gebrek aan vervulling zouden tegenwoordig na de ervaring van de hele
twintigste-eeuwse poëzie niet zoveel kritiek oproepen.
4 Het beoogde publiek was gezien de oplage van 200 stuks dat van een paar poëzieliefhebbers.
5 Beru
do ruky osudné „Prostibolo duše“ p. Arnošta Procházky, které poskytlo počestným starousedlým kritikům obojího pohlaví příležitost, ukázati na hroznou spustlost a nemravnost moderny.
Nebudu se o knize mnoho šířiti, nevystoupila s velikými nároky, neapelovala na mnoho čtenářů
(vyšla jen ve 200 výtiscích) […]. […] „Prostibolo duše“ je nejsmělejším posud výkonem naší mladé
dekadence, jejím excesem.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 91
2014-07-30 11:48:29
92
ZUZANA VAIDOVÁ
Ook de recensent van de nieuwe uitgave van Prostibolo (Merhaut & Urban, 2000), Filip Tomáš, vermoedt dat de thematiek nog altijd heel actueel blijft
(Tomáš 2000: 16).6 De nieuwe uitgave heeft goed “de ziel” van de oorspronkelijke bewaard en dit wat zowel de grafische bewerking betreft als qua de oplage
van 333 stuks (Procházka gaf 200 exemplaren uit; zie het citaat van Krejčí).
Ook enkele van Van Eedens teksten werden nog later herdrukt, zelfs in de
tweede helft van de twintigste eeuw. Dit wijst erop dat er nog steeds uitgevers
bestaan die het de moeite waard vonden om zijn werken te publiceren, ofschoon
de toenmalige kritieken op zijn werken die hij vooral na zijn verlaten van De
Nieuwe Gids schreef, over het algemeen negatief of ambigu waren.
Dit was het geval met bijv. zijn Van de koele meren des doods. In de recensie
in De Gids (1901) werd hem een te objectieve manier van kijken, de manier van
een “arts-schrijver”, zijn aanwezigheid tijdens het vertellen, verweten om eindelijk
te constateren dat dit werk net als Een nagelaten bekentenis (1894) van Emants het
thema van een bijzonder soort mensen uitbeeldt, volgens recensent met het verschil
dat Emants de epische kunst beter beheerste (s.n. 1901: 373–374). Aan de andere
kant was wat de een als een fout zag, voor een andere juist een voorkeur. Zo prees
Wiardi Beckman-Kuenen in zijn recensie in Onze Eeuw (1901) juist deze objectieve
manier, maar gaat dieper in op de problematiek van het controversiële onderwerp.
De criticus realiseert zich dat Van Eeden hier een seksueel taboe aanraakte, wat op
zichzelf al voor sommigen beneden peil was, maar toch zag hij afkeuring van het
boek als overbodig: Wat voor den één een gevaar is kan toch voor den ander een
steun zijn. (Wiardi Beckman-Kuenen 1901: 489)7
Wie de toenmalige kritiek leest van bijv. Johannes Viator, De nachtbruid, Sirius en Siderius (die eveneens heruitgegeven en vertaald werden),8 komt over het
algemeen steeds dezelfde opmerkingen tegen: teleurstelling (van de verwachtin-
6 Tomáš stelt dat Prostibolo de eerste in vrije verzen geschreven Tsjechische poëziebundel was
(vgl. Tomáš 2000: 16).
7 De uitbeelding van seksualiteit veroorzaakte ook bij Procházka problemen met receptie —
zie het citaat van Krejčí.
8 De volgende teksten werden in het Tsjechisch vertaald: door Arnošt Procházka: De kleine
Johannes (Tsj. Malý Jeník 1905 en 1919), Het krabbetje en de gerechtigheid (Tsj. Malý krab a spravedlnost, 1905), één sonnet uit Ellen. Een lied van de smart (Ellen, 1916). Het krabbetje en de gerechtigheid heeft twee versies in het Tsjechisch, de eerdere versie was van Otakar Kamper en de titel
verschilt van die van Procházka (Ráček a spravedlnost, 1898), ook De Kleine Johannes verscheen
voor de derde keer, in 2002 — het ging om een bewerkte versie van Procházka’s tekst van 1919.
Andere vertalingen werden door Miloš Seifert gerealiseerd (M.S. was een groot bewonderaar van
Van Eeden, oprichter van de Tsjechische woodcraft beweging): Johannes Viator. Het boek van de
liefde (Tsj. Johannes Viator, kniha lásky, 1919), De broederveete (Tsj. Bratři, 1934). Daaruit vloeit
voort dat het Tsjechische publiek nog tijdens Van Eedens leven met een voorbeeld van elk literair
genre van hem kennis kon maken.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 92
2014-07-30 11:48:29
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
93
gen van de lezer), kritiek op Van Eedens profetisme en retoriek,9 in enkele gevallen
ook op zijn navolging van Engelse literatuur. Er klonken ook stemmen, volgens
welke het niveau van Van Eedens teksten daalde sinds hij Johannes Viator had
geschreven (vgl. Haspels 1913: 104; of het volgende citaat dat uit de beoordeling
van het boek Schijn en wezen in “Literaire kroniek” in De Nieuwe Gids komt):
Wij dachten al bij het lezen van Johannes Viator: Wat is het toch jammer voor de kunst onzer
dagen, wat is het ook jammer voor den schrijver dezer bladzijden, die zoo buitengewoon en toch
zoo ontstemmend zijn, dat hij niet heeft gewacht, bedaard, geduldig, tot de wereld in zijn ziel zich
uitzichzelf had gevormd tot een betekenisvol gebouw van rythmus en melodie, in steê van neer
te werpen, zoals hij gedaan heeft, terwijl zijn geest nog aan het werk was, de onvoldragen vrucht
van zijn diepste onbewustheid [...]. (Kloos 1895: 697)10
Ook volgens Frans Erens was Van Eedens vroegste werk het beste. In zijn
komedies, waarin hij Hollandse humor had gelegd, was hij volgens Erens “aan
zijn natuur getrouw” (Erens 1938: 120–121).
Het ware voor v. Eedens talent wellicht beter geweest, wanneer hij zich binnen de grenzen van
zijn eerste werk had gehouden; toen hij daar buiten ging en meende een ander terrein te moeten
opzoeken, begon hij te vervagen en zijn werk verloor aan scherpte en duidelijke omlijning. […]
Uitgebreid en groot is de lijst zijner latere producten, werk achtenswaardig en hooggeschat, maar
verbleekend in den loop der jaren. Met één woord: Deze latere scheppingen zijn literatuur, wel
goede literatuur, maar literatuur. Of zij even lang zullen blijven leven en gloeien als die eerste
fonkeling, zal de toekomst moeten leeren. (Erens 1938: 122)
De gunstigste reacties betroffen het werk dat hij nog tijdens zijn deelname aan
De Nieuwe Gids had geschreven. Voor zijn De Kleine Johannes vond zelfs Van
Eedens (waarschijnlijk) grootste criticus Willem Kloos een paar aardige woorden:
De Kleine Johannes is van Eeden’s oudste en blijft nog steeds zijn meest dichterlijke prozaboek.
[...] Toch is zelfs dit eerste deel — ik bedoel hiermee geen afkeuring — nog niet zoozeer een
werk van natuur, van de onbewuste natuur des schrijvers, als wel van kunst. (Kloos 1906: 45)
Een andere min of meer gunstige recensie, die zelfs de hele Van Eedens poëzie goed karakteriseerde, werd in 1891 geschreven door Lodewijk van Deyssel op
het al genoemde Ellen. Een lied van de smart. Hij vergelijkt Van Eeden met grote
schrijvers uit het verleden:
9 Zie
het volgende citaat:
Maar ik als ik God was zou antwoorden: Mensch maak eerst dat je voelt wat je me te zeggen
hebt; zoek dan de taal en de beeldspraak waar je ´t in zeggen wilt: — M i j n wet is de wet van de
eeuw waar je in geboren bent.: W i e r e t o r i c a s c h r i j f t l i e g t . (Verwey 1894: 67)
10 Kloos vond overigens dat Johannes Viator een gedicht had moeten zijn: terwijl het, zoals
het is, alleen een aller-interessantst document is voor hem […]. (Kloos 1895: 697)
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 93
2014-07-30 11:48:29
94
ZUZANA VAIDOVÁ
Het luisteren naar dezen man, ‘die belooft iets moois te zullen zeggen’, kost geen buitengewone inspanning. En toch is er in deze verzen niets van de banale gemakkelijkheid van den
verzenmaker. Een artistieke hand heeft aan deze gevoelens een vorm gegeven, de beelden gekozen en geboetseerd, de woorden geschikt, zoodat ze in breed golvende melodie ons voorbij
trekken. [...] De verzen van Van Eeden klinken in mijne ooren met krachtig, gezond, sonoor
geluid, lenig en zangrijk. Het zijn Nederlandsche verzen, en in hunne beste gedeelten geven zij
mij den indruk, dien ik van zangers als Vondel, als Bilderdijk, als da Costa ontvang, met nog
iets daarbij dat ze stempelt tot verzen, afkomstig van een denker en kunstenaar uit de laatste
jaren der negentiende eeuw. (Deyssel 1891: 562)
Darentegen ironiseert Kloos stellig in zijn ‘Literaire kroniek (over F. van Eeden als kritikus)’ het hele werk en doen van Van Eeden en hij karakteriseert zijn
Ellen als:
nagedane, en daardoor aestetisch wezenlijk-stuitende klank-en-sentiment, die hem een tijdlang
bij een groot en minder ontwikkeld publiek populair konden doen wezen, maar die in allen
gevalle dit goede hebben gehad, dat zij door hun studenten-alamanakachtige zwak-dichterlijke
vaagheden, waar hier en daar iets verdienstelijk-moderns door heen loopt, dat grote publiek
op´t idee hebben kunnen brengen, zoals ik zeide, dat die literatuur der jongeren toch niet zoo
onleesbaar-excentriek is [...]. (Kloos 1906: 146)
Ook Verwey spreekt zich over Ellen bijna met afkeer uit en wat Deyssel apprecieerde, veroordeelde hij:
Er zijn onder de verzen — zoals het eerste en de Nachtliedjes — die niets anders als onnozel zijn, stijf rijmend proza of melodietjes uit de kinderkamer; - één gedicht is er, Na-spel,
warin koraal- en harpmuziek van Shelly´s verbeeldingen galmen en trillingen hebben nagelaten, die hopen doen dat Van Eeden voor schoonheid toch nog wel iets voelt. (Verwey
1894:32)
Enkele jaren later dacht Verwey positiever over Van Eedens literaire activiteiten:
Hij was, van het begin af, een denker, die aan zijn tijd richting gaf, niet zoozeer een dichter
die door zijn scheppingsdrang overal de voegen van de gevormde taal splijten deed. Het
tragische in Van Eeden treft altijd daar waar hij, meenende te scheppen, zijn hartstocht stort
in gestalten die tenslotte toch een tekort aan leven toonen. Hoe goed is hij, zoodra hij het
waargenomene afbeeldt, of wanneer hij sprookjesfiguren een zin en een adem geeft, — en
hoe faalt hij telkens weer, als hij zijn hevige of verheven hartstochten wil verwerklijken in
personen, die ons, of we willen of niet, zullen buigen en meesleepen. Zijn kracht ligt niet in
den hartstocht die zich verwerkelijkt, maar in den geest die ons leidt en die met ons speelt.
Zoodra hij dit doet, in sprookje, studie of schouwspel, is hij zeker dat we luisteren, zeker
dat we ons gaan laten, zeker dat hij ons beheerscht. (Verwey 1908: 106–107)
In 1916 presenteerde Jacob Prinsens J. Lzn. in zijn Handboek tot de Nederlandsche letterkundige geschiedenis (1916) de jonge generatie — Kloos, Verwey,
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 94
2014-07-30 11:48:30
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
95
Gorter, Swarth en Van Eeden, hij zette hen in de rij met Withman, Baudelaire,
Verlaine of Moréas.11
Kennelijk was ook Arnošt Procházka dezelfde mening toegedaan, zoals blijkt
uit zijn keuze van dichters voor de poëziebundel Cizí básníci (Buitenlandse Dichters, 1916). In deze bloemlezing vindt men behalve belangrijke Franse symbolistische en decadente dichters (juist de door Prinsen genoemde Baudelaire, Verlaine
en Moréas), ook dichters van hetzelfde slag uit Engeland, Portugal en Nederland.12
Procházka geeft in zijn ‘Poznámka překladatele’ (Opmerking van de vertaler) als
motief voor de bundel aan dat hij het Tsjechische publiek bekend wil maken met
de oorspronkelijkheid en schoonheid uit de Europese poëzie (Procházka 1916).
1.2. De kunstopvatting van beide literatoren
Procházka vertaalde uit de Nederlandse literatuur behalve Van Eeden ook andere
Tachtigers (zie voetnoot 12). Hierbij komt de vraag op of zijn opvatting overeenkwam met die van hen.
Door Procházka gewaardeerde kunst reflecteerde de angst voor het bestaan,
seksualiteit, smart over ontoereikendheid van de wereld en het leven. Hij prees
kunst, die zonden en lage driften ontmaskeerde en de gevoelloosheid van mensen aantoonde. Zo beschreef František Kobliha, een symbolistische schilder en
medewerker van Moderní Revue, Procházka’s houding tot kunstwerken (Kobliha
1925: 76). Wie Procházka’s Prostibolo duše, zijn posthuum gepubliceerde teksten
of vertalingen leest, zal het met deze stelling eens zijn. Zelfs het symbolistische
verhaal De Kleine Johannes, het sprookje Het krabbetje en de gerechtigheid en
het gedicht Ellen hadden iets daarvan.
Procházka zelf was een representant van de decadente kunst en ook symbolistische kunst lag hem aan het hart. Evenals de Tachtigers wilde hij bij het ontstaan
van de nieuwe kunst aanwezig zijn, eraan deelnemen. Net als zij wilde hij oude
opinies en vooroordelen weerleggen. Om dit te bereiken legde hij in overeenstemming met de Tachtigers nadruk op individualiteit en individualisme (Procházka
1896: 26). De ideale kunstenaar moest volgens hem van droom en visie uitgaan
en daarmee doorleven wat hij in de realiteit miste — iets bijzonders, moois en
unieks; in zijn gedachtenwereld naar antwoorden en zijn ziel zoeken. Hij moest
zijn eigen ideaal volgen (Procházka 1896 b: 75). Opmerkelijk is de overeenkomst
van zijn opvattingen over dichtkunst met die van de Nederlanders:
11 Daarentegen concludeerde Knuvelder zes decennia na Van Eedens dood dat Van Eedens
lyrische poëzie tot de zwakste van zijn oeuvre hoorde (Knuvelder 1979: 183).
12 Behalve van Eedens sonnet uit Ellen (uit den Tweeden Zang, Sonnet I.) verscheen hier ook
Perks Sluimer (Spánek, p. 68) en De dodenwake (Bdění u mrtvoly, p. 97) van Hélène Swarth. Hetzelfde gedicht van Perk werd al eerder in Moderní revue (1913) gepubliceerd en ook vier gedichten
van Swarth kwamen al eerder in tijdschriften uit.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
05 - Vaidova.indd 95
2014-08-07 15:22:19
96
ZUZANA VAIDOVÁ
[...] wie de macht bezit, het leven der wereld en de wereld van zijne gedachten te gieten in de
vormen eener vaste plastiek, of het wisslende spel zijner ziel te verheffen en te verlichten door
de eindelooze wisselingen der verschijnselen daarbuiten, hij wint de onsterfelijkheid voor zich
en zijne dromen, omdat hij het verste nageslacht dwingt tot zien, tot zien van het onzichtbare,
tot tasten van het vliedende, tot overgave van het schoone. Fantasie is de oorzaak en het middel en het wezen van alle poëzie, zowel als van allen godsdienst, en de dichter is niet minder
te beklagen, die zonder haar zijn liefde en zijn hoop meent te kunnen griffen in het harte de
eeuwigheid, dan de geloovige te belachen is, die uit dogma‘s of abstracties een sluier weeft,
om de blindheid zijner oogen of de naaktheid van zijn gemoed te bedekken. Slechts dit verschil
bestaat tusschen den begenadigden koning der zielen en den verrukten ziener zijner eigene zaligheid […] de eerste meester blijft zijner fantasieën, als hij uitzichzelf is tergugekeerd tot het
leven, dat hem omringt. Geene leeft in het zien, maar ziet in het leven slechts een schijn, deze
ziet in het leven, schenkend het leven aan de schijn, dien hij er ziet. (Kloos 1882: 8)
Ook Van Eeden legde in zijn kunstopvatting de nadruk op het innerlijke, al
ligt zijn accent anders dan dat van Procházka. Volgens Eeden betekent [h]et artist
te zijn het vermogen tot uitdrukken van zijn ziel (Van Eeden 1897: 122). Deze ziel
moet bewegen en in beweging brengen, verlangen en liefhebben, opgaan haar
eigen zonderlinge schoonheid, zich verliezen in eigen hooge subtiliteit (vgl. ibid.).
Waar grote smart, waar hartstocht is, daar is beweging naar buiten. Al kent een dichter niets
al heeft hij niets lief dan zijn eigen hart en zijn aandoeningen, — zodra hij zijn passie zegt in
woorden, zoo zal ze ook uitstroomen over de wereld. Want verlangen begeerte en leed zijn
dingen waardoor het menschenhart veranderd wordt. Die vliegen van mensch tot mensch en
één woord van hartstocht kan een storm doen gaan over de wereld, zonder het willen of weten
van den in zich-zelf zienden dichter die het sprak. (Van Eeden 1897: 122–123)
Procházka zag de nieuwe kunstopvatting in heel Europa opgang maken, volgens hem was er niet langer sprake van de oude nationale kunst, de kunst werd
internationaal. Zij moest de verwante zielen van alle kunstenaars — al van verschillende afkomsten en opvattingen — verenigen (Procházka 1896 b: 75).
Ook Kloos dacht over gemeenschappelijke kunst na. Volgens hem zouden
zich volken, wier voorstellingsvermogen zwak is en traag, wier sympathieën beperkt zijn, en wier zijn zich op het praktische richt, met door “hem” geschetste
letterkunde kunnen vergenoegen en men zou langzamerhand een neiging bespeuren het nieuwe, dat men uit vreemde literaturen geleerd heeft, ook toe te passen
op eigen taal, en eigen zieleleven, ontwikkeld door de studie der groote meesters,
uit te drukken met een grootere veelzijdigheid van strengere rhytmen, door een
breederen, stouteren beeldenstroom (Kloos 1882: 12–13).
Zowel Procházka als Kloos rekenden op gemeenschappelijke en wederkerige
invloeden van de internationale kunsten.
De afkeuring van en het verzet tegen materialisme was een ander verbindend
element tussen de kunstopvattingen van Procházka en van Van Eeden, al streden
zij ieder op hun eigen manier daartegen.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 96
2014-07-30 11:48:30
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
97
Procházka stelde dat de kunst niet aan de buitenkant van zaken mocht blijven
staan maar dieper daarbinnen moest gaan (Procházka 1916: 105). Hij gaf daarvoor
een parallel met de religie, waarbij de mens altijd bij de creatie van het goddelijke
individu werkte met beelden uit zijn ervaring. Hij vermoedde, dat een mens nooit
in staat is over zijn ervaring te stappen en altijd blijft hangen in de beperkingen van
zijn eigen leven. Volgens hem is het de bedoeling van de kunst om alle pogingen, de
moeite om iets wat er “nu en hier” is te veranderen in iets absoluuts en bovenindividueels (Procházka 1916: 105). Hij noemde kunst “het ondeskundige Woord Gods”
(Procházka 1916: 108). De nieuwe poëzie bestond alleen in zoverre zij het innerlijke
uitdrukte. Alle interesses moesten aan de ziel toe behoren, dat is uitgangspunt én
eindpunt in één (Procházka 1896: 70). De decadentie waartoe hijzelf werd gerekend
(al was hij tegen dit “etiket” wegens de pejoratieve betekenis die deze benaming
had), beschouwde hij als een kunst die uitsluitend met de ziel bezig is.
Ook bij Van Eeden is de ziel aanwezig, door bemiddeling van de menselijke
ziel zocht hij naar iets wat boven het individu stond:
Echte kunst wordt geboren in dat deel van ’t individu dat vrij is van het persoonlijke, het individueele. De kunstenaar geeft weer wat hij in zijn diepste zelf beluisterd heeft. Zijn kunst is
niet enkel aesthetisch, — want het zuiver-contemplatieve, de zuivere aanschouwing voert tot
stilstand en dood, — maar ook ethisch, en profetisch. Maar zijn profetisme en ethiek is vrij van
het individueele, en dus nooit beklemmend of verslavend, maar bevrijdend. [...] Maar voor den
Dichter van thans is deze beteekenis zoo geweldig, zoo alles-overheerschend, dat hij niets van
het heden kan beschouwen en beoordeelen buiten den glans dier groote toekomst. Alle poëzie,
alle literatuur, alle kunst, alle sociale bemoeyingen hebben voor hem alleen waarde in zoover
ze betrekking hebben op die toekomst en bijdragen tot haar nadering. (Eeden 1910: 412, mijn
accentuering, Z.V.)
De beschouwingen van Procházka en van Van Eeden over kunst lijken in enkele punten sterk op elkaar, hoewel Van Eeden in zijn literaire teksten altijd explicieter was over zijn sociaal-ethische idealen. Beiden stonden uiteindelijk dankzij
hun typische opvattingen buiten de rij van hun literaire collega’s, daarom stichtte
Procházka zijn eigen tijdschrift en daarom verliet Van Eeden de redactie van De
Nieuwe Gids.
2. Moderní Revue (1894–1925) en De Nieuwe Gids
(1885–1939)
Al voor de stichting van Moderní Revue pro literaturu, umění a život (Moderne
Revue voor literatuur, kunst en leven) en De Nieuwe Gids, Maandblad voor letteren, kunst, politiek en wetenschap publiceerden Procházka en Van Eeden in verschillende literaire tijdschriften. De omstandigheden veroorzaakten dat Procházka
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 97
2014-07-30 11:48:30
98
ZUZANA VAIDOVÁ
en zijn vriend Jiří Karásek ze Lvovic, eveneens een decadente dichter,13 op verzoek van één van de grootste Tsjechische critici — F. X. Šalda — de samenwerking met het tijdschrift Literární listy van redacteur František Dlouhý moesten onderbreken.14 Dit bracht Procházka tot de beslissing om een eigen tijdschrift op te
richten. Dit geeft het eerste verschil aan tussen het Tsjechische en het Nederlandse
periodiek: Moderní Revue was in 1894 op basis van onenigheid over kunstopvatting gesticht, terwijl De Nieuwe Gids, in 1885 juist op grond van overeenkomst
hierin was ontstaan. Van Eedens samenwerking met De Nieuwe Gids in de rol van
redacteur duurde dan acht jaar, in 1893 verliet hij de redactie van De Nieuwe Gids
juist wegens de onenigheden die inmiddels tussen hem en zijn collega’s ontstonden. Daartegenover leidde Procházka zijn revue drie decennia lang (tot zijn dood)
als hoofdredacteur en tegelijkertijd bekleedde hij de functie van uitgever.
Beide tijdschriften proclameerden ongeveer dezelfde doelen, zoals hun volledige titels tonen. Ten eerste wilden de redacties modern en nieuw zijn:
De Nieuwe Gids:
Wij hebben erin gezet [nl. in een advertentie, Z.V.] dat het tijdschrift zal geven een verzameling van het beste wat het jongere geschlacht oplevert en zoodoende een overzicht zijn zal van
de gedeelte onzer letteren, dat hoop geeft op een betere toekomst. (Schenkeveld & Van der
Wiel 1995:19)15
Moderní Revue:
Wij pogen om, als het mogelijk is, d e j o n g e b e w e g i n g van de Tsjechische literatuur, welke
sporadisch optreedt, t e v e r e n i g e n . („Čtenářům „Moderní revue““ 1894: Editorial)16
Ten tweede wilden beide tijdschriften ook aandacht schenken aan andere gemeenschappelijke sferen dan slechts de literaire. In beide tijdschriften trof men
oorspronkelijk proza en dichtwerk aan, recensies van en kritiek op alle kunstgenres en evenementen, informatieve artikelen over andere tijdschriften uit binnenen buitenland en verschillende essays over contemporaine thematiek — precies
zoals de ondertitels van de periodieken aangaven.
13 Zijn werken zijn bijv.: Sodoma (1895), Sexus necans (1897), Ztracený ráj (Nls. Het verloren
paradijs, 1938) etc.
14 Šalda stelde Dlouhý een ultimatum: of Procházka en Karásek weg of Šalda zelf.
15 Verwey lichtte Van Eeden Žover de inhoud van een advertentie in die zij (vermoedelijk
hijzelf, Goes en Paap (zie ibid.)) bij de uitgever van de toekomstige De Nieuwe Gids indienden.
16 Naší snahou je, abychom, pokud možno, m l a d é h n u t í v české lietaratuře, porůznu vystupující, s o u s t ř e d i l i .
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 98
2014-07-30 11:48:30
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
99
De sterke kant van Procházka’s literaire activiteit bestond vooral uit het schrijven van kritische en essayistische teksten,17 al publiceerde Van Eeden ook soortgelijke teksten.
De Moderní Revue bracht daarnaast vertalingen uit veel verschillende talen,18
zo werden hier behalve teksten uit de zogeheten “grote literaturen” als de Franse,
Engelse of Duitse ook werken uit toen minder bekende literaturen als de Spaanse,
Italiaanse, verschillende Scandinavische en Slavische voorgesteld.19 In dit opzicht lijkt Moderní Revue veel meer internationaal te zijn geweest dan De Nieuwe
Gids.20
Tot het internationale profiel van de Moderní Revue droegen ook de buitenlandse contacten bij, welke beide redacteurs onderhielden, 21 en de samenwerking
met het buitenland. Om de Tsjechische literatuur bekend te maken schreef Procházka daarover in enkele buitenlandse periodieken. Zo publiceerde Przybyszewski in de Poolse revue Życie enkele werken van beide redacteurs van Moderní revue (Hoffman 1925: 37). Het was juist Przybyszewski die erkende, dat Procházka
in Tsjechië de ramen voor de Europese — Franse22 — literatuur opende.
17 Zijn denken over literatuur, waarbij hij sterk individualisme doordreef en middelmatigheid
afkeurde, gaf hem voor altijd een plaats in de geschiedenis van de Tsjechische literaire kritiek.
18 Procházka vertaalde zelf uit het Frans, Engels, Portugees, Russisch, Duits, Italiaans,
Pools, Zweeds, Deens en Nederlands. Met literaire vertalingen was hij ook qua theorie bezig.
Zijn theoretische uitgangspunten formuleerde hij in twee artikelen in Moderní Revue„Jak překládati“ (Hoe te vertalen, 1907) en „Překlady z druhé ruky“ (Vertalingen uit de tweede hand, 1917).
Vanuit een contemporain oogpunt heeft hij in de Tsjechische vertaalpraktijk aanzienlijke sporen
achtergelaten — hij vertaalde tientallen buitenlandse titels en nam samen met Kamilla Neumannová deel aan uitgaven (zoals de editie Knihy dobrých autorů (Boeken van goede auteurs), waar
bijv. Cizí básníci, Malý Jeník of Johannes Viatori uitkwamen. Hij hoorde tot de voorstanders
van een grondige kennis van beide talen en benadrukte het bewaren van de specifieke nationale
elementen, d.w.z. hij keurde de toen gebruikelijke “naturalisatie” van vertaalde teksten af. Het
is bekend dat ook Frederik van Eeden buitenlandse boeken vertaalde (Fontijn 1990: 520–521),
niettemin lukte het niet tijdens het onderzoek om er achter te komen of zijn vertalingen een
grote rol in de Nederlandse vertaalpraktijk speelden, al onderhield hij veel contacten met het
buitenland.
19 Uit de Nederlandse (niet Vlaamse) literatuur verscheen er naast een sonnet van Perk en een
verhaal van Van Eeden ook een schets van Frans Erens.
20 Moderní Revue gaf een eigen boekenserie uit. Hier kwamen vooral boeken uit van dichters
en schrijvers, van wie teksten in dit tijdschrift werden gepubliceerd.
21 Procházka correspondeerde o.a. met Stanisław Przybyszewski, André Gide, Joris Karl Huysmans en Frederik van Eeden. Deze briefwisseling is grotendeels beschikbaar in het bestand van het
Literární archiv (Literair Archief) van het Památník národního písemnictví Praha (Monument van
de Nationale Letterkunde Praag). Overigens is de briefwisseling tussen Procházka en van Eeden in
dit archief onder de sign. 110/37/106–107 en in de UB Amsterdam onder sign. XXIV C 67 bewaard
gebleven. Ook van Eeden onderhield drukke contacten, respectievelijk correspondentie zowel met
zijn Nederlandse collega’s schrijvers, dichters en schilders, als met buitenlandse persoonlijkheden.
22 Met spijt merkte hij op dat Polen zich naar Wenen wendde.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 99
2014-07-30 11:48:30
100
ZUZANA VAIDOVÁ
De beeldende kunst was eveneens iets wat zijn plaats kreeg in dit tijdschrift in
tegenstelling tot De Nieuwe Gids. Afbeeldingen, tekeningen, etsen en dergelijke
waren een onderdeel van elke aflevering — zo konden de Tsjechische lezers in
1898 kennis maken met de Sfinx van Jan Toorop.
Beide tijdschriften brachten als gezegd voorstanders van dezelfde kunstopvattingen en tegelijk representanten van één generatie (niet de hele generatie) samen.
Procházka, Karásek en de andere auteurs van de kring rond de Moderní revue (o.a.
Karel Hlaváček, Viktor Dyk en S.K. Neumann) waren auteurs die vooral door decadentie en symbolisme waren beïnvloed.23 De redacteurs van De Nieuwe Gids,
respectievelijk de Tachtigers, waren oorspronkelijk verbonden door hun vrijheidsideeën (Knuvelder 1979: 422),24 maar in de loop van jaren ontwikkelden zich binnen de beweging twee strijdige lijnen (een artistieke en een sociaal-ethische/politieke) en dat veroorzaakte twisten tussen enkele redacteurs en vertegenwoordigers
van de Tachtigers, die zich min of meer solitair begonnen te profileren zoals in
het geval van Frederik van Eeden. Het laatste nummer van Moderní Revue, het In
memoriam van Arnošt Procházka onder de redactie van zijn collega’s en vrienden,
was daarentegen één groot gemeenschappelijk eerbetoon aan Procházka’s werk.
Conclusie
De lyrische subjekten en protagonisten van beide hier besproken auteurs botsten net als zijzelf tegen de werkelijkheid die in tegenstelling stond tot hun verwachtingen en gedachtenwerelden. Zowel Procházka als Van Eeden waren typische representanten van het fin-de-siècle, hun werken uiting daarvan. Zij waren op zoek naar nieuwe waarden, zij verlangden naar een vrije maatschappij en
ruimte voor het individu — zijn fantasie, dromen, hartstocht, smart en de ziel.
De ziel is gecompliceerd, evenals het zoeken naar iets wat buiten de werkelijkheid staat; naar iets bovenindividueels door bemiddeling van het individuele, naar
iets wat het ogenblik, het momentele beleven laat voortduren. Deze elementen moesten in de kunst aanwezig zijn, het ging hen om wat binnen het individu gebeurde.
23 Deze
literatoren kunnen analoog aan de Tachtigers tot de “generatie van de jaren negentig”
worden gerekend. Tot dezelfde generatie hoorden tevens de twaalf schrijvers van de zgn. Česká
moderna die in 1895 hun namen onder het Manifest české moderny (Nls. Manifest van de Česká
moderna) zetten. Deze twee groepen waren wederzijds soms grote vijanden (zo werd het manifest
ook ondertekend door Procházka’s grootste critici F.X. Šlada en F.V. Krejčí — zie boven), maar
huldigden soortgelijke opvattingen, vergelijkbaar met die van de Tachtigers. Het scheppingsindividualisme werd sterk benadrukt en allen waren door het verlangen beheerst om een heel andere
richting in te slaan dan oudere collega’s. De Česká moderna werd door Jaroslav Kamper (een van de
critici die de Nederlandse Tachtigers in de Tsjechische omgeving reflecteerden) met de Tachtigers
vergeleken (zie het voorwoord van zijn vertaling van Noodlot van Louis Couperus).
24 Anders volgden zij verschillende literaire stromingen.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 100
2014-07-30 11:48:30
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
101
Procházka, de kring rond Moderní Revue en Česká Moderna wensten, net als
de Tachtigers, De Nieuwe Gidsers en Van Eeden, de oude opinies en vooroordelen
te weerleggen en dat deden zij allemaal, of het om dichtvorm, motieven of thema’s
ging, en hoewel zij soms met elkaar — elk binnen de eigen literatuur, de Tsjechische
en de Nederlandse — in conflict kwamen. Kloos hoopte op een soort internationale
kunst, op het leren van elkaar, Procházka was ervan overtuigd dat deze internationale kunst al “nu is” (dat was vermoedelijk ook de reden waarom hij zo ontvankelijk
was voor verschillende kleine en tot die tijd in Tsjechië onbekende literaturen), terwijl anderen juist bang waren voor navolging ervan.
Juist op deze imitatie werden Procházka en van Eeden door de toenmalige kritiek aangesproken, verder lijkt het dat de contemporaine kritiek vooral afhankelijk
was van de eigen voorkeur van de criticus, van diens toevallige kunst- en wereldopvatting. Daarom verweten tegenstanders van decadentie aan Procházka zijn decadente kunst, terwijl Kloos van Van Eeden juist meer dichtkunst wou, hoewel hij in
zijn recensie van Johannes Viator geen gedicht beoordeelde. Erens merkte op Van
Eeden beter aan de humor van zijn vroege werk getrouw was gebleven, en aan de
andere kant noemde Van Deyssel hem een denker en kunstenaar van eind negentiende eeuw. Zowel Procházka als van Eeden kregen te horen dat hun werk amoreel
was en vaak moesten zij ironische en onkiese kritiek doorstaan.
Desondanks trachtten dichters om de conflicten te overwinnen — beiden
trokken zich terug in afzondering, Procházka in dichterlijke afzondering en Van
Eeden nam afscheid van De Nieuwe Gids, maar toch bleven zij allebei actief:
Procházka als redacteur, criticus, essayist, vertaler en uitgever getrouw aan zijn
Moderní Revue en van Eeden ging zijn eigen literaire weg die sterk verbonden
was met zijn sociaal-ethische idealen (zijn psychiatrische praktijk en werkelijke
rol van sociaal hervormer laten wij hier buiten beschouwing).
De genoemde tijdschriften leidden hun eigen levens, ze reflecteerden op contemporaine kunst en gemeenschappelijke gebeurtenissen, precies zoals hun ondertitels dat aangaven. Moderní revue deed meer expliciete pogingen om internationaal te zijn, vooral door het publiceren van talrijke vertalingen uit verschillende
talen, ook uit minder bekende als de Nederlandse waaruit ze juist teksten van de
Tachtigers en de Nieuwe Gidsers had voorgesteld. Beide tijdschriften brachten
gedurende een beperkte periode vertegenwoordigers van soortgelijke, toen nieuwe opinies en ideeën samen en dienden als platform voor contemporaine kunst en
vormden in zekere zin ook een waardenplatform.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
Księga_NW 23.indb 101
2014-07-30 11:48:30
102
ZUZANA VAIDOVÁ
Bibliografie
Vertalingen van primaire teksten van Van Eeden
Bratři. Tragédie práva (1934). Vert. Miloš Seifert. Praha: J. Otto. (oorspronkelijk De Broederveete,
1894).
“Ellen” (1916). In: Cizí básníci. sv. 127. Praha: Kamilla Neumannová, pp. 42 (oorspronkelijk: Ellen, 1891).
Johannes Viator. Kniha lásky (1919). Vert. Miloš Seifert. Praha: Kamila Neumannová-Krémová.
(oorspronkelijk Johannes Viator. Het boek van de liefde, 1892)
Malý Jeník (1905). Praha: Kamila Neumannová-Krémová (= Knihy dobrých autorů 2) (oorspronkelijk: De kleine Johannes, 1887).
Malý Jeník (1919). Praha: Kamila Neumannová (=Knihy dobrých autorů 2. herdruk) (oorspronkelijk: De kleine Johannes, 1887).
Malý Jeník (2002). Eds. Radomil Hradil. Hranice: Fabula.
“Malý krab a spravedlnost, pohádka Windekindova” (1905). Vert. Arnošt Procházka. In: Moderní
Revue, band 16, pp. 480–487.
“Malý krab a spravedlnost” (z.j. = 1911)25. In: 1000 nejkrásnějších novell, 1000 světových spisovatelů Bd. 16, (ed.) František Sekanina, Praha: R. Vilímek, pp. 58–64 (oorspronkelijk: Het
krabbetje en de gerechtigheid, 1887).
“Ráček a spravedlnost” (1898). Vert. Otakar Kamper. In: Lumír, jg. 26, nr. 28, s. 335–336.
Procházka´s andere vertalingen
Jacques Perk
“Spánek” (1913). In: Moderní revue. Band 27, p. 181.
“Spánek” (1916). In: Cizí básníci. Band. 127. Praha: Knihy dobrých Autorů – Kamilla Neumannová, p. 68.
“Bdění u mrtvoly” (1916). In: Cizí básníci. Band. 127. Praha: Knihy Dobrých Autorů – Kamilla
Neumannová, p. 97.
Procházka’s poëziebundels
Prostibolo duše (1895). Praha: Moderní revue.
Prostibolo duše. Arnošt Procházka, Karel Hlaváček (2000). (ed.) Luboš Merhaut en Otto M. Urban.
Brno: Nakladatelství–Pavel Křepelka.
Relikviář. Básně v próze (1928). Praha: Kamila Neumannová.
Torsa veršů, Torsa Prosy (1925). Praha: U Ludvíka Bradáče.
Overige aangehaalde literatuur
Deyssel, Lodewijk van (1891). “Letterkundige kroniek. Frederik van Eeden. Ellen. Een lied van
de Smart”. In: De Gids, jg. 6, pp. 560–566. Beschikbaar op: < http://www.dbnl.org/tekst/_
gid001189101_01/_gid001189101_01_0031.php>
25 Het
jaar van uitgave is onzeker, omdat alle bandjes van deze serie zonder jaar van uitgave
uitkwamen. We gaan hier uit van de gebruikelijke datering.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
05 - Vaidova.indd 102
2014-07-30 12:30:29
WAAROM WERD FREDERIK VAN EEDEN DOOR PROCHÁZKA NAAR HET TSJECHISCH VERTAALD?
103
Dyk, Viktor (1925). “Torsa veršů”. In: In Memoriam Arnošta Procházky. Band 15, pp. 25–31.
Eeden, Frederik van (1897). “Decadenten (1889)”. In: Studies. Eerste reeks. 3de druk. Amsterdam:
W. Versluys, pp. 105–138. Beschikbaar op: <http://www.dbnl.org/tekst/eede003stud01_01/>.
Eeden, Frederik van (1910). “Koningschap en dichterschap”. In: De Gids, jg. 74, pp. 387-412. Beschikbaar op: <http://www.dbnl.org/tekst/_gid001191001_01/_gid001191001_01_0165.php>.
Erens, Frans (1938). “Frederik van Eeden”. In: Vervlogen jaren, pp. 120-124. Beschikbaar op:
<http://www.dbnl.org/tekst/eren003verv01_01/eren003verv01_01_0016.php>.
Fontijn, Jan (1990). Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901. Amsterdam: Querido.
Haspels, (1913). “Nieuwe boeken”. In: Onze Eeuw, jg. 13, pp.103-108. Beschikbaar op: <http://
www.dbnl.org/tekst/_onz001191301_01/_onz001191301_01_0005.php>
Hoffmann, Wlastimil (1925). “Polský malíř o českém spisovateli”. In: In Memoriam Arnošta Procházky, band 15, pp. 37–39.
Kamper, Jaroslav (1895). „Předmluva“. In: Osud. Louis Couperus (s. a.). Praha: Jos. R. Vilímek.
Karásek ze Lvovic, Jiří (1925). “Vzpomínky na počátek Noderní revue”. In: Moderní revue, 15, pp.
15–25.
Karásek, Jiří ze Lvovic (1928). “Předmluva”. In: Relikviář. Básně v próze. Arnošt Procházka. Praha:
Kamilla Neumannová.
Kloos, Willem (1882). “Inleiding”. In: Mathilde en andere gedichten van Jacques Perk. Inleiding
van Willem Kloos (1976). Brussel: Manteau, pp. 3-16. Beschikbaar op: <http://www.dbnl.org/
titels/titel.php?id=perk003math01>.
Kloos, Willem (1895). “Literaire kroniek”. In: De Nieuwe Gids, jg. 1, afl. 11, pp. 695–697.
Kloos, Willem (1906). “Literaire kroniek”. In: De Nieuwe Gids, jg. 22, afl. 1, pp. 45–55.
Knuvelder, Gerard P. M. (1979). Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde.
‘s Hertogenbosch: Malmberg.
Kobliha, František (1925). “Arnošt Procházka a jeho poměr k výtvarnému umění.” In: In Memoriam
Arnošta Procházky. Band 15. pp. 74–79.
Krejčí, František V. (1895). “Z nové české beletrie.” In: Rozhledy národněhospodářské, sociální,
politické a literární. Jg. 1, nr. p. 677–678.
Krejčí, František Václav, Josef Svatopluk Machar et al. (1895). “Česká moderna.” In: Čítanka
českého myšlení o literatuře. Praha: Československý spisovatel. pp. 128–132.
Prinsen, Jacob J. Lzn (1916). De ‚Beweging van Tachtig‘ en wat er uit groeit. Den Haag: Martinus
Nijhoff, pp. 680-697. Beschikbaar op: <http://www.dbnl.org/tekst/prin012hand01_01/prin012hand01_01_0030.php>.
Procházka, Arnošt (1896). “Glossa k “České moderně””. In: Moderní revue, band 3, pp. 25–26.
Procházka, Arnošt (1896b). “K poslední fasi české poesie.” In: Almanach Secesse. (ed.) S. K. Neuman, pp. 69–79.
[Procházka, Arnošt] Pudlač (1907). “Jak překládati”. In: Moderní revue. Band 19, s. 260–262.
Procházka, Arnošt (1916). “Poznámka překladatele.” In: Cizí básníci. Band. 127. Praha: Kamilla
Neumannová, ongepagineerd.
Procházka, Arnošt (1916). “Dvě divagace i o umění a životě (1914).” In: Rozhovory s knihami obrazy a lidmi. Praha: Fr. Borový, pp. 101–110.
Procházka, Arnošt (1916). “Význam slova moderní (1912).” In: Rozhovory s knihami obrazy a lidmi. Praha: Fr. Borový, pp. 196–202.
(ed.) Schenkeveld, Margaretha H., en Rein van der Wiel (1995). Albert Verweij. Briefwisseling 1
juli 1885 tot 15 december 1888. Amsterdam: Querido.
„Čtenářům „Moderní Revue““ (1894). Editorial. In: Moderní revue. nr. 1.
s.n. (1901). “Letterkundige kroniek. Van de koele meren des doods. Een verhaal van Frederik van
Eeden. W. Versluys. 1900”. In: De Gids, jg. 65, pp. 370–374. <http://www.dbnl.org/tekst/_
gid001190101_01/_gid001190101_01_0022.php>.
Tomáš, Filip (2000). “Proskribované Prostibolo duše.” In: Tvar, jg. 18, pp. 16
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
05 - Vaidova.indd 103
2014-07-30 12:30:30
104
ZUZANA VAIDOVÁ
Verwey, Albert (1894). Letterkundige kritiek. Frederik van Eeden. Ellen – Johannes Viator. Amsterdam: D. De Voogd.
Verwey, Albert (1908). “Boeken, Menschen en Stroomingen. De vernieuwing van de opera Frederik
van Eeden’s Minnestraal.” In: De Beweging, jg. 4, pp. 103-108. Beschikbaar op: <http://www.
dbnl.org/tekst/_bew001190801_01/_bew001190801_01_0008.php>.
Wiardi Beckman-Kuenen, S. (1901). “Over v. Eeden’s werk: ‘Van de koele meren des Doods’.” In: Onze
Eeuw, jg. 1, pp. 487–500. Beschikbaar op: <http://www.dbnl.org/tekst/_onz001190101_01/_
onz001190101_01_0027.php>.
Neerlandica Wratislaviensia XXIII, 2013
© for this edition by CNS
05 - Vaidova.indd 104
2014-07-30 12:30:30