TROMMELVLIES 33: Tijdgeest

Commentaren

Transcriptie

TROMMELVLIES 33: Tijdgeest
TROMMELVLIES 33:
Tijdgeest
Ik schrik me rot: het zal mij nu toch niet alsnog ook overkomen? Datgene waar ik mijn
generatiegenoten doorgaans streng voor veroordeel? Ik betrap mij er namelijk op dat ik
momenteel het nieuwe werk van oude lullen beter vind dan recente releases van menige
jongere act. Ga ik dan toch nog eindigen als traag schuifelende rollatorjockey met enkel
James Last en Barry Manilow op de iPod?
Het debuut van Mystery Jets word ik namelijk niet hard van en de nieuwe Streets is slechts
een herhalingsoefening. Spinvis met Vinkenoog: intrigerend, en hier en daar best meeslepend.
Maar om nou te zeggen dat ie fantastisch is... En hoe vaak zal ik hem uiteindelijk draaien?
Van Drum’s Not Dead van Liars vind ik slechts vijf nummers echt pruimbaar, maar enkel
losse tracks draaien van een conceptalbum helpt toch het conceptaspect om zeep. Hard-Fi?
Mwah.
Daarentegen geniet ik driemaal daags van de nieuwe Prince en Fagen, en zitten Thé Lau en
Ray Davies onafgebroken in de wisselaar. Nits weer. Oude lullen, toch? Ik maak me zorgen.
Zou het komen doordat ik de laatste maanden verwend ben, met Gem, Two Gallants en een
verse Yeah Yeah Yeahs? Mmm, ik word langzaam weer vrolijk. Krista Detor’s Mudshow.
Mooi nieuws! Gelukkig, het lijkt erop dat ik nog niet helemáál verloren ben.
Wat ook oude lullen zijn, had je een week of wat geleden kunnen zien, toen de BBC Inky
Fingers – The NME Story uitzond, een documentaire over ruim vijftig jaar New Musical
Express. In dat programma kwamen vooral NME’s popjournalisten uit de jaren 70 en 80 aan
het woord. Wat een arrogant zootje snuifspuitende zelfbevlekkers was dat, zeg! Met enkel
respect voor dié artiesten die er veiligheidshalve voor hadden gekozen om vriendjes te zijn
met de jongens en meisjes van de muziekkrant. Andere artiesten werden zonder uitzondering
verbaal gekruisigd. Uitgekotst. Eerlijk waar, gewoon eng. Tuurlijk waren het talenten, deze
popjournalistieke kanonnen, maar dit... Kolossale ego’s met de schrijfwijsheid in pacht. De
geïsoleerde, afgesloten luisterruimte op de redactie was verworden tot een donker drugshol.
Begrijp me niet verkeerd hoor, prachtig blad dat NME, met overigens een heel plezierige
website. Andere feel dan onze eigen site. Die is prima navigeerbaar en actueel, dat wel. Maar
dat lilagrijs... Stemt mij altijd wat melancholiek. Somber helaas.
Een der kritiektypers bij NME was (zoals bekend mag worden geacht) Chrissie Hynde, van
vóór haar Pretenders-tijd. Het valt mij tussen haakjes trouwens op dat bij het noemen van
inspiratiebronnen en referentiepunten in hedendaagse muziekrecensies nooit de namen van
bijvoorbeeld diezelfde Pretenders, Fischer-Z, Rough Trade – die Canadese band dan, of Joe
Jackson vallen. Amper Police. The Jags? Terwijl ik toch de echo’s van hun oeuvre echt
voorbij hoor komen in de muziek van menig nieuw bandje dat met beide benen stevig in de
oude nieuwe popgolf van de late jaren 70 staat.
Of steekt nu toch de oude lul zijn zeikerige kop weer op?
Soundtracksuggestie tijdens het lezen van deze column: vlotweg Back of my hand van
The Jags (maar iets willekeurigs van James Last mag ook, om alvast te oefenen).
© Theo Bennes 2006

Vergelijkbare documenten