Experimentele film: de regels en het spel De

Commentaren

Transcriptie

Experimentele film: de regels en het spel De
Experimentele film: de regels en het spel
De experimentele film bevindt zich in de marge. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar
recent is een aantal initiatieven genomen om dit deel van de Nederlandse cinema aan een
breder publiek te presenteren. Zo werd Filmbank opgericht met het oog op
inventarisatie, distributie en vertoning van deze films, die in het buitenland meer
waardering schijnen te krijgen dan in eigen land. Filmbank bracht het boek ‘mm2 –
Experimentele film in Nederland vanaf 1960’ uit, dat 2 essays, een (beknopt) historisch
overzicht, 16 interviews met filmmakers en een (omvangrijke) filmografie bevat.
Bovendien is de korte documentaire ‘Cadavre Exquis’ als DVD bijgevoegd, waarin
regisseur Anna Abrahams 6 experimenterende collega’s vastlegt. Maar experimenteel,
wat is dat eigenlijk?
Door Robert Muis
Bij een boek dat een inventarisatie en overzicht wil bieden, rijst de vaag naar afbakening van
het onderwerp. De begrenzing in plaats en tijd – Nederland vanaf 1960 – is duidelijk en
praktisch. Verder blijken veel experimentele filmers bewust voor celluloid te kiezen. De
aantrekkingskracht ligt deels in het nostalgische aura en de marginalisering, maar ook in de
diepte, korrel, het rijke contrast en de mogelijkheid tot directe bewerking van het materiaal.
Filmmakers verkiezen het werken met celluloid ook omwille van het fysieke en
ambachtelijke. De beperking in ‘mm2’ tot film is dus ook verdedigbaar. Maar hoe begrens je
tot slot experimenteel; wat maakt experimentele film tot een zelfstandige, herkenbare traditie
in de filmgeschiedenis?
De redacteuren beseffen het gevaar van een arbitraire afbakening: zij zeggen geen
volledigheid te pretenderen en geen scholen en stijlen te willen aanwijzen, want ‘een
verankering in de filmgeschiedenis doet geen recht aan de vrije geest van de films’. Zelfs de
term experimenteel vinden de samenstellers problematisch. En terecht. Als begrip is
experimentele film veelal verbonden aan de jaren ’70, zoals historische avantgarde verwijst
naar de dwarse bewegingen van de jaren ’20 en ’30. Maar omdat andere termen evenmin de
lading dekken, houdt de redactie vast aan experimenteel en zegt erbij dit breed op te vatten:
‘Het kan gaan om iedere vorm van filmisch onderzoek (…), ongeacht of het animatie,
documentaire of fictie is. [De films] zijn stuk voor stuk uitingen van een onderzoekende
mentaliteit die bij iedere filmconventie de vraag stelt of het ook anders kan.’ Maar ook in
grotere publieksfilms wordt aan, bovendien verschillende soorten, grenzen gemorreld. ‘Joszef
Katús’ (1966) van Pim en Wim, ‘Cha Cha’ (1979) van Herbert Curiël of ‘How to Survive a
Broken Heart’ (1991) van Paul Ruven zijn geen gangbare speelfilms, zoals documentaires van
Johan van der Keuken of Frank Scheffer een eigenwijze vorm hebben. Tegelijkertijd bevraagt
niet iedere filmmaker die mm2 als experimenteel opvoert, bewust de filmconventies. Feitelijk
zijn films van Jeroen Eisinga (aanvankelijk) registraties van performances. Hetzelfde geldt
voor Bas Jan Ader. Vooral beeldend kunstenaars kiezen celluloid min of meer toevallig als
drager voor hun ideeën. Hun films zijn ook vaker te zien tussen de museummuren dan in een
filmzaal. Sommigen weten nauwelijks iets van filmtechniek, -geschiedenis of –theorie.
Bijgevolg staan deze kunstenaars open tegenover het medium. Dat levert niet-gangbare films
op, maar zijn dat experimentele films?
Het experimentele, dat komt telkens terug, wordt bepaald door een onderzoekende geest en
een spel met filmconventies. Het onderzoek kan allereerst zijn gericht op de techniek. De
magie die apparatuur, celluloid en licht creëren fascineert cineasten. Joost Rekveld bouwt
camera’s zonder lenzen, waarmee hij via gaten en spleten filmmateriaal belicht. Het resultaat
zijn abstracte, ritmische kleur- en vormveranderingen. Verder kunnen filmmakers
experimenteren met lenzen, sluitertijden en snelheden. Paul en Menno de Nooyer maken
anmaties met fotografische beelden. Tijdens het printproces kan het materiaal worden
beïnvloed in kleur, formaat, dubbeldruk, enzovoort; zo maakt Francien van Everdingen bijna
abstracte films met reële objecten. Maar ook kan het filmmateriaal direct mechanisch of
chemisch worden bewerkt, zoals Stan Brakhage en Jürgen Reble respectievelijk hebben
gedaan. Technische experimenten zetten zich zelfs voort tot bij de voorstelling, zoals
scratchen met de projector, hetgeen door Leah Singer is toegepast.
Dan is er de vertelvorm. Er is een glijdende schaal in afbraak van de vertelconventies,
waarbij de vraag is: wanneer komt de begrijpelijkheid van het verhaal in het geding? De
chronologie kan worden losgelaten, de eenheid van tijd en ruimte kan worden opgebroken,
evenals de eenheid van beeld en geluid, en uiteindelijk kan men de intrige geheel loslaten.
Zoals hierboven opgemerkt, vind je dergelijke experimenten ook in speelfilms, van de
tijd/ruimte-verbrokkeling door Nouvelle Vague-regisseurs als Jean-Luc Godard en Alain
Resnais, tot het spelen met conventies in ‘Dancer in the Dark’ of ‘Dogville’ van Lars von
Trier. De door elkaar gegooide chronologie van ‘21 Grams’ (Alejandro Iñarritu, 2004) kan een
hedendaags publiek dan ook wel aan. Zit het experimentele van experimentele films dan nog
wel in het tarten van dergelijke regels? Anderzijds: dit refereert nog aan een vertrouwde
verhalende of betogende structuur, die de experimentele film soms geheel loslaat. De opbouw
wordt non-lineair, associatief, zoals bij Barbara Meter of bij de surrealistische combinatie van
found footage en geënsceneerde scénes van Henri Plaat. In de films van Frans Zwartjes
gebeurt van alles, maar een verhaal blijft ongrijpbaar. Sommige filmmakers gebruiken andere
ordenende principes. Voor zijn korte films gebruikt Peter Greenaway bijvoorbeeld het alfabet
(‘H is for House’, 1976), plattegronden (‘A Walk Through H’, 1978) of valpartijen uit ramen
(‘Windows’, 1974). Jan Frederik de Groot maakte een conceptuele film door een lijn over de
kaart van Europa te trekken en daarlangs volgens een mathematisch principe de plekken voor
een filmopname te bepalen (‘0 graden’, 2003). Soms is er totaal geen ontwikkeling, maar een
‘bewegend moment’. In hun gecondenseerde vorm lijken deze filmgedichten louter
uitdrukking van een idee, of dit nu is in beelden van de werkelijkheid (zoals bij een aantal
Super8-films van Jaap Pieters), of in korte ensceneringen (de ‘Tableaux Vivants’ van Tanja en
Roderick Henderson). Experiment in techniek en vorm gaan uiteraard goed samen.
Formele experimenten gaan ook goed samen met grensverleggende inhoud. Met name
(extreme) politieke, (anti-)religieuze en morele (sterven, geweld, sex) provocaties hebben
nogal eens een experimentele verpakking. Het eerste interview in mm2 is met Aryan Kaganof
(voorheen Ian Kerkhof, die tamelijk controversiële films maakte als ‘Dead Man II: Return of
the Dead Man’, 1994, en ‘Beyond Ultra Violence, Uneasy Listening By Merzbow’, 1998,
tussen vele andere). Het laatste gesprek gaat met Tajiri over onder andere diens film rond een
meisje dat sex met dieren heeft. Filmmakers die door subversieve of anderszins weinig
publieksvriendelijke onderwerpen zijn gefascineerd, voelen zich waarschijnlijk ook minder
gehouden aan regels van de commerciële cinema. Bovendien zullen ze vaak beperkingen
hebben, die tot creativiteit dwingen. Maar zelfs in de commerciële film sluipen extreem
geweld en expliciete pornografie. Nogmaals: wat maakt experimentele film nog tot een
herkenbaar hoekje? Misschien een hoge dichtheid van bevraging van conventies.
Kaganof/Kerkhof stelde in Gonzo Circus 17 (1995) dat je de eerste 20 minuten van een film
alles kunt uitproberen, daarna wil de kijker dat het begrijpelijk wordt. Vandaar misschien dat
veel experimentele films kort zijn. Naast een economisch aspect: langere films kosten meer
geld en moeten dat terugverdienen met een groot publiek. Experimentele filmmakers houden
zich niet met een toekomstige kijker bezig, maar zijn verdiept in hun spel met het vasthouden
van leven, beweging, licht, al wat de techniek vermag. En de experimentele kijker houdt van
het spel.
Anna Abrahams, Mariska Graveland, Erwin van 't Hart en Peter van Hoof, mm2 Experimentele film in Nederland na 1960, Filmbank/De Balie, 288 pagina's, 35,- euro.

Vergelijkbare documenten