P.13.0864.N

Commentaren

Transcriptie

P.13.0864.N
26 MEI 2015
P.13.0864.N/1
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. P.13.0864.N
I
1. F J V,
beklaagde,
2. A A C D,
beklaagde,
3. M F H V,
beklaagde,
eisers,
II
1.
A A C D, reeds vermeld,
inverdenkinggestelde,
2.
M F H V, reeds vermeld,
inverdenkinggestelde,
26 MEI 2015
P.13.0864.N/2
eisers,
III
F J V, reeds vermeld,
inverdenkinggestelde,
eiser,
de eisers I, II en III allen met als raadslieden mr. Hans Rieder en mr. Eline Tritsmans, advocaten bij de balie te Gent.
I.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen I zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent,
correctionele kamer, van 19 maart 2013.
De cassatieberoepen II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent,
kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 februari 2010.
Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent,
kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 december 2008.
De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen
aan.
Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.
Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.
De eisers hebben op 22 mei 2015 een replieknota neergelegd.
II.
BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
26 MEI 2015
P.13.0864.N/3
Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II en III
1.
Het arrest van 18 februari 2010 verklaart het hoger beroep van de eisers II
tegen de verwijzingsbeschikking van de raadkamer niet ontvankelijk omdat het
enkel betrekking heeft op de bezwaren, de bewijskracht van de gegevens van het
strafonderzoek en het verzoek tot het verlenen van opschorting aan de eiseres II.1.
2.
Na het eindarrest kan die beslissing niet meer aangevochten worden. Der-
gelijke betwistingen vertonen geen belang meer daar de beklaagden zich voor de
feitenrechter over de gegrondheid van de strafvervolging en de eventuele straftoemeting hebben kunnen verdedigen en het eindarrest daarover uitspraak doet.
De cassatieberoepen II zijn bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
3.
Het arrest van 4 december 2008 verklaart eisers verzoek op grond van arti-
kel 61quinquies Wetboek van Strafvordering gedeeltelijk gegrond en verzoekt de
onderzoeksrechter over te gaan tot het verrichten van bepaalde bijkomende onderzoekshandelingen.
In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep III bij gebrek aan
belang niet ontvankelijk.
4.
Het arrest van 4 december 2008 verklaart eisers verzoek op grond van arti-
kel 61quinquies Wetboek van Strafvordering voor het overige ongegrond.
5.
Na het eindarrest vertoont die beslissing geen belang meer, daar de afgewe-
zen inverdenkinggestelde voor de feitenrechter hetzelfde verzoek kon formuleren
of heeft geformuleerd en daarover met het eindarrest werd beslist.
In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep III bij gebrek aan
belang evenmin ontvankelijk.
De cassatieberoepen I
Eerste middel van de eisers I
6.
Het middel voert schending aan van de artikelen 24, 37 en 40 Taalwet Ge-
rechtszaken: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de hen ten laste gelegde
26 MEI 2015
P.13.0864.N/4
feiten op grond van een redengeving waarin twee zinnen in de Engelse taal worden aangehaald, die de appelrechters uit eigen beweging putten uit de neergelegde
stukken; het arrest geeft van die aanhalingen geen vertaling of zakelijke inhoud in
het Nederlands weer en is bijgevolg nietig.
7.
Een partij heeft geen rechtmatig belang om een schending van de Taalwet
Gerechtszaken aan te voeren die erin bestaat dat een bestreden beslissing citeert
uit een in een vreemde taal gesteld stuk, indien dat stuk door die partij zelf werd
overgelegd tot staving van haar verweer en zijzelf geen vertaling van dit stuk heeft
bijgevoegd of aangevraagd noch aanvoert dat de bewijskracht ervan wordt miskend.
8.
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de eiser I.1 tot staving van zijn verweer een in het Engels gesteld stuk heeft
overgelegd en hij in zijn appelconclusies naar dit stuk verwijst;
- de eisers I.2 en I.3 zich hebben aangesloten bij de in de appelconclusies van de
eiser I.1 ontwikkelde middelen en stukken;
- het arrest uit het door de eiser I.1 overgelegde stuk twee in het Engels gestelde
zinnen citeert.
De eisers hebben in die omstandigheden geen rechtmatig belang om een schending van de artikelen 24, 37 en 40 Taalwet Gerechtszaken in te roepen.
Het middel is niet ontvankelijk.
Tweede middel van de eisers I
9.
Het middel voert schending aan van de artikelen 24, 37 en 40 Taalwet Ge-
rechtszaken: het arrest oordeelt dat het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens de Antigoon-doctrine “bien établi” noemde; het arrest dat van die aanhaling
geen vertaling of zakelijke inhoud in het Nederlands weergeeft, is nietig.
10.
Het arrest oordeelt: “De [eisers] verliezen daarbij uit het oog dat het
EHRM, dat zoals door de [eisers] in hun beroepsconclusie diverse malen aangehaald en tevens onder randnummer 6.3 van onderhavig arrest door het Hof gesteld, een interpretatief gezag heeft eigen aan de uitspraken van de hoogste
26 MEI 2015
P.13.0864.N/5
rechtscolleges, de Antigoon-doctrine 'bien établi’ noemde en verder stelde dat die
leer aan de rechter een ruime appreciatiebevoegdheid laat om de gevolgen van de
begane onregelmatigheden bij de bewijsverkrijging te verzachten of zelfs helemaal teniet te doen (EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies/België, I www.echr.coe.int.,
RABG, 2010/1, p. 6 e.v., met noot M. Rozie).”
11.
Het gebruik van de woorden "bien établi", tussen aanhalingstekens geplaatst
in het arrest, schendt de Taalwet Gerechtszaken niet, vermits de bekritiseerde
overweging waarin dit woord wordt gebruikt, verstaanbaar is blijkens haar context.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Derde middel van de eisers I
Eerste onderdeel
12.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede
miskenning van het vermoeden van onschuld en de bewijslast in strafzaken: het
arrest verklaart de eisers schuldig aan de hen ten laste gelegde feiten op grond van
elementen die niet werden opgenomen in de vordering tot verwijzing van het
openbaar ministerie of in de dagstellingen voor de correctionele rechtbank en het
hof van beroep; de bewijslast met betrekking tot de constitutieve bestanddelen van
het misdrijf en de schuld van de beklaagde rust evenwel op de vervolgende partij.
13.
De uitoefening van het recht van verdediging van de beklaagde, waartoe
zijn recht op tegenspraak behoort, is gewaarborgd doordat hij alle regelmatig aan
de rechter voorgelegde bewijselementen die het onderzoek heeft opgeleverd, vrij
kan tegenspreken.
14.
Geen enkele wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling noch algemeen
rechtsbeginsel verbiedt de rechter zijn oordeel over de schuld van een beklaagde
te steunen op andere uit het strafdossier blijkende bewijselementen dan deze die in
de processtukken van de vervolgende partij uitdrukkelijk zijn aangevoerd. De
rechter die op grond van dergelijke bewijselementen de beklaagde schuldig verklaart aan de hem ten laste gelegde feiten, schendt de regels betreffende de bewijslast in strafzaken niet en miskent evenmin het vermoeden van onschuld.
26 MEI 2015
P.13.0864.N/6
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
15.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede
miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht op tegenspraak en de bewijslast in strafzaken: met het oordeel dat de eisers en hun raadslieden het strafdossier jarenlang ter griffie hebben kunnen inzien, zodat zij het dossier grondig
konden instuderen en hun verdediging adequaat konden voorbereiden en voeren,
stelt het arrest niet wettig vast dat het recht op tegenspraak werd gerespecteerd en
het vermoeden van onschuld niet werd miskend; de effectieve uitoefening van het
recht op tegenspraak, zeker in een omvangrijk strafdossier, vereist dat de vervolgende partij alle tegen een beklaagde ingebrachte bewijzen aan hem voorlegt met
het oog op een tegensprekelijk debat; het arrest verklaart de feiten bewezen zonder een dergelijk debat.
16.
In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs
aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
17.
Voor het overige verantwoordt het arrest dat op grond van de omstandighe-
den die het vaststelt, oordeelt dat de eisers in staat waren de door het gerechtelijk
onderzoek opgeleverde gegevens tegen te spreken, de beslissing naar recht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
18.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede
miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht op tegenspraak en de bewijslast in strafzaken: het arrest verwerpt de verweermiddelen van de eisers over
de samenstellende bestanddelen van de hen ten laste gelegde misdrijven zonder
vast te stellen dat zij kennelijk ongeloofwaardig zijn, op grond van een niet aan
tegenspraak onderworpen eigen redengeving, selectie en interpretatie van stukken,
waarover de eisers niet werden uitgenodigd zich te verdedigen en zonder dat het
openbaar ministerie die bewijsmiddelen heeft tegengesproken.
26 MEI 2015
19.
P.13.0864.N/7
Het onderdeel dat niet preciseert welke verweermiddelen het arrest aldus
verwerpt, is onduidelijk, mitsdien niet ontvankelijk.
Vierde onderdeel
20.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede
miskenning van het recht op tegenspraak en de bewijslast in strafzaken: het arrest,
dat ten onrechte oordeelt dat de beklaagde enkel het recht heeft getuigen te verhoren om gelijke tred te houden met de vervolgende partij, steunt voor eisers’ schuldigverklaring op verklaringen van getuigen en op processen-verbaal, terwijl de getuigen en de verbalisanten op de rechtszitting niet werden gehoord, zodat de eisers
nooit de mogelijkheid hebben gehad de getuigenissen en vaststellingen van de
verbalisanten tegen te spreken of ze op hun geloofwaardigheid te testen; in principe moeten alle elementen à charge aan de beklaagde worden voorgelegd met het
oog op een tegensprekelijk debat en moet hij de mogelijkheid krijgen getuigenverklaringen à charge tegen te spreken en de auteurs ervan te ondervragen.
21.
Krachtens artikel 6.3.d. EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit
wordt vervolgd, ten minste het recht de getuigen à charge te ondervragen of doen
ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen
geschieden op dezelfde voorwaarden als dit het geval is met de getuigen à charge.
Dit recht is evenwel niet onbeperkt. Mits eerbiediging van het recht van verdediging oordeelt de rechter onaantastbaar of een getuige dient te worden gehoord en
of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid. Het feit dat
het verhoor van bepaalde getuigen voorheen in een procedure op grond van artikel
61quinquies Wetboek van Strafvordering is geweigerd of dat de beklaagde getuigen ter rechtszitting heeft gedagvaard, doet daaraan geen afbreuk.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar
recht.
22.
Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en met eigen re-
denen verwerpt het arrest eisers’ verweer en oordeelt het onaantastbaar dat de getuigen en de verbalisanten niet op de rechtszitting dienen te worden gehoord voor
het achterhalen van de waarheid. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.
26 MEI 2015
P.13.0864.N/8
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
23.
In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat
een beklaagde enkel het recht heeft getuigen te verhoren om gelijke tred te houden
met de vervolgende partij, heeft het betrekking op een overtollige reden die de beslissing niet schraagt.
In zoverre is het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, bij gebrek aan belang
niet ontvankelijk.
24.
Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel ver-
geefs aangevoerde onwettigheid en is het in zoverre evenmin ontvankelijk.
Vierde middel van de eisers I
Eerste onderdeel
25.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede
miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en
het recht van verdediging: het arrest dat vaststelt dat de eisers tijdens het strafonderzoek werden gehoord zonder bijstand van een advocaat en zonder te zijn gewezen op hun zwijgrecht en het recht zichzelf niet te incrimineren, spreekt ten onrechte niet de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit.
26.
De omstandigheid dat een beklaagde tijdens het gerechtelijk onderzoek ver-
klaringen heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat en zonder te zijn gewezen op zijn zwijgrecht en het recht zichzelf niet te incrimineren, leidt niet tot de
niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting van het door die verklaringen verkregen bewijs.
Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
27.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede
miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en
het recht van verdediging: het arrest weigert de verklaringen die de eisers tijdens
het gerechtelijk onderzoek hebben afgelegd zonder bijstand van een advocaat en
26 MEI 2015
P.13.0864.N/9
zonder te zijn gewezen op hun zwijgrecht en het recht zichzelf niet te incrimineren, als bewijs uit te sluiten, maar steunt integendeel de schuldigverklaring van de
eisers op die verklaringen.
28.
Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM,
zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat
er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat,
tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak
dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een dergelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rechten van de beklaagde zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.
29.
Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals
uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat
een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door
de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt, wat onder meer het geval is wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is.
In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte bij zijn verhoor steeds
bijstand moet hebben van een raadsman, faalt het naar recht.
30.
Het arrest stelt vast en oordeelt onder meer dat:
- de eisers nooit van hun vrijheid werden beroofd;
- de eiser I.1 volgend op de huiszoekingen van 19 januari 2006, waarbij hij kennis kreeg van de huiszoekingsmandaten, meerdere malen en met een ruime tussenperiode werd verhoord, waarbij hij inzage kreeg van stukken en een kopie
kreeg van zijn verhoren;
- de eiseres volgend op de huiszoekingen van 19 januari 2006 en 5 maart 2007,
waarbij zij kennis kreeg van de huiszoekingsmandaten, meerdere malen en met
een ruime tussenperiode werd verhoord, waarbij zij een kopie kreeg van haar
verhoren;
- er inmiddels een advocaat tussenkwam;
- de eiser I.3 volgend op de huiszoekingen van 19 januari 2006, waarbij hij kennis kreeg van het huiszoekingsmandaat, meerdere malen en met een ruime tus-
26 MEI 2015
P.13.0864.N/10
senperiode werd verhoord, waarbij hij inzage en kopie kreeg van stukken en
een kopie kreeg van zijn verhoren;
- bij alle verhoren, voor zover zij konden worden afgenomen, alle eisers op de
vlakte bleven wat de grond van de zaak betreft;
- de afwezigheid van de mogelijkheid om een advocaat voor de eerste verhoren
te consulteren en de afwezigheid van een advocaat bij die verhoren, niet belette
dat het recht zichzelf niet te incirmineren en het zwijgrecht van de eisers werden gevrijwaard;
- de eerste rechter zich niet enkel gesteund heeft op de verklaringen van de eisers, maar zich integendeel op doorslaggevende wijze heeft gesteund op andere
bewijselementen, waaronder de in beslag genomen stukken en processenverbaal.
31.
Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat de afwezigheid van bij-
stand van een advocaat bij de verhoren van de eisers niet heeft geleid tot een aantasting van hun recht op een eerlijk proces en hun recht van verdediging in het
strafproces dat in zijn geheel moet worden beschouwd. Aldus verantwoordt het
de beslissing dat er geen reden is hun verklaringen uit te sluiten, naar recht.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
32.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, alsmede
miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en
het recht van verdediging: op grond van de redenen die het bevat, kan het arrest
niet afleiden dat het recht van de eisers op een eerlijk proces niet werd miskend en
kan het hun verklaringen die zonder bijstand van een advocaat en met miskenning
van de cautieplicht werden afgelegd, niet als bewijs in rechte gebruiken, temeer
daar de eisers in conclusie hebben aangevoerd dat hun verklaringen onder druk
van de onderzoeksrechter en van de verbalisanten werden afgelegd omdat zij
dreigden met het aanstellen van een psychiater indien de eiser I.1 het onderzoek
verder zou “dwarsbomen” of niet zou antwoorden op de vragen.
26 MEI 2015
33.
P.13.0864.N/11
Op grond van de concrete redenen, vermeld in het antwoord op het tweede
onderdeel, oordeelt het arrest dat het recht van de eisers op een eerlijk proces niet
werd miskend, onder meer omdat hun zwijgrecht en hun recht zichzelf niet te incrimineren werden gevrijwaard ter gelegenheid van hun tijdens het gerechtelijk
onderzoek afgelegde verklaringen. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat
eisers’ verklaringen in casu niet onder druk van de onderzoeksrechter of van de
verbalisanten werden afgelegd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
34.
Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het tweede onderdeel
vergeefs aangevoerde onwettigheid.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
Vierde onderdeel
35.
Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-
antwoordt niet eisers’ in conclusie aangevoerde verweer dat hun verklaringen en
die van hun medebeklaagden onder druk werden afgelegd omdat de onderzoeksrechter en de verbalisanten dreigden met het aanstellen van een psychiater indien
de eiser I.1 het onderzoek verder zou “dwarsbomen” of niet zou antwoorden op de
vragen, zodat zijn recht op een eerlijk proces effectief werd aangetast.
36.
Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel, beant-
woordt het arrest het bedoelde verweer van de eisers. Het dient niet in het bijzonder te antwoorden op de argumenten die de eisers aanhalen tot staving van hun
verweer dat hun recht op een eerlijk proces is miskend, maar die geen zelfstandig
middel uitmaken.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Vijfde middel van de eisers I
37.
Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en de artike-
len 87, 88 en 89bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: uit de redenen die het bevat, kan het arrest niet wettig afleiden dat de huis-
26 MEI 2015
P.13.0864.N/12
zoekingsbevelen regelmatig zijn wegens het bestaan van ernstige aanwijzingen
van schuld in hoofde van de eisers; de huiszoekingen vormden een “fishing expedition (snuffeloperatie)” van de onderzoeksrechter, zodat de tijdens die huiszoekingen in beslag genomen stukken als bewijs moesten worden uitgesloten.
38.
Het verlenen van een huiszoekingsbevel vereist niet het bestaan van ernstige
aanwijzingen van schuld, maar wel van het bestaan van ernstige aanwijzingen dat
het te onderzoeken misdrijf werd gepleegd.
In zoverre faalt het middel naar recht.
39.
Het staat aan de rechter in feite te oordelen of er op het ogenblik dat de
huiszoeking werd verricht, ernstige aanwijzingen waren van het bestaan van het in
het huiszoekingsbevel bedoelde misdrijf.
In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van feiten door
het arrest, is het niet ontvankelijk.
40.
Met de redenen die het middel aanhaalt, verantwoordt het arrest naar recht
de beslissing dat vooraleer de huiszoekingsbevelen werden verleend, er ernstige
aanwijzingen van misdrijven waren, zodat de huiszoekingsbevelen regelmatig zijn
en er geen reden is die bevelen, de resultaten ervan en de erop gesteunde bewijselementen uit het debat te sluiten.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Zesde middel van de eisers I
41.
Het middel voert schending aan van de artikelen 193, 196 en 197 Strafwet-
boek: het arrest stelt niet vast dat de in de telastlegging A vermelde facturen door
de wet beschermde geschriften uitmaken doordat de controle van de van valsheid
betichte vermeldingen door de bestemmeling onmogelijk was of deze controle
door toedoen van de uitreiker onmogelijk werd gemaakt, zodat het de eisers niet
kon veroordelen voor de telastleggingen A en de erop gestoelde telastleggingen.
42.
Een factuur die wordt voorgelegd aan een derde, voor wie het in de regel
onmogelijk is om ze op haar juistheid te controleren, strekt in zekere mate tot bewijs van wat erin wordt vermeld of vastgesteld.
26 MEI 2015
43.
P.13.0864.N/13
Het arrest oordeelt onder meer:
- voor wat de onder de telastleggingen A.1 tot A.19 vermelde facturen betreft,
dat de eiser I.1 het onrechtmatig voordeel op het oog had dat Vartec nv of Bikit
vzw zou verkrijgen door de valse facturen en het gebruik ervan tegenover de
betoelagende overheden, voordeel dat die rechtspersonen niet zouden verworven hebben indien deze bewijsstukken niet waren ingediend, en dat de facturen
werden opgesteld om nadeel te berokkenen aan de subsidiërende overheid en
ten overstaan van deze uitwerking te hebben (ro 25.5, 26.4, 27.4, 31.5, 32.3,
33.4, 34.3 en 35.5);
- voor wat de onder de telastleggingen A.20 en A.21 vermelde facturen betreft,
eensdeels dat de factuur maatschappelijke bewijswaarde bezit wanneer de controlemogelijkheid van de valse vermeldingen wegvalt omdat de bestemmeling
in de onmogelijkheid is ze te controleren of de controle door toedoen van de
opsteller onmogelijk is gemaakt en wanneer de factuur ten aanzien van een
derde wordt gebruikt, anderdeels dat de bestemmeling Fama bvba in de onmogelijkheid was de valse vermeldingen te controleren, gelet op de verwevenheid
van de rechtspersonen onderling en met de eisers (ro 36.1 en 36.4);
- voor wat de onder de telastleggingen A.22 tot A.39 vermelde facturen betreft,
dat die facturen maatschappelijke bewijswaarde verwierven doordat zij aan een
derde, zijnde de fiscale controle-instantie, werden voorgelegd en dat de bestemmeling Fic vzw in de onmogelijkheid was de facturen op hun waarachtigheid te controleren wegens de voormelde verwevenheid en omdat de facturen
en creditnota’s waren opgesteld door één van haar leden (ro 37.2).
Het arrest dat op die gronden oordeelt dat de bedoelde facturen door de wet beschermde geschriften uitmaken, verantwoordt de beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Zevende middel van de eiser I.1
44.
Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 245
Strafwetboek: het arrest verwerpt op grond van een tegenstrijdige motivering eisers verweer dat hij niet kan schuldig verklaard worden aan het onder de telastleg-
26 MEI 2015
P.13.0864.N/14
ging C vermelde misdrijf van belangenneming omdat hij zijn private belangen
niet kon bevorderen en openlijk heeft gehandeld.
45.
Het arrest oordeelt dat:
- de eiser, door bestellingen te plaatsen bij Vartec nv, zijn eigen financiële belangen kon bespoedigen via zijn echtgenote, zijn kinderen kon bevoordeligen
en zowel de materiële belangen als de naam en faam van Vartec nv, waarvan
hij het feitelijk beheer had, kon bespoedigen,
- de eiser niet openlijk handelde omdat hij verzweeg dat hij bij Vartec nv de
touwtjes in handen had, wat onder meer blijkt uit het feit dat de decaan van zijn
faculteit aanvankelijk dacht dat Vartec nv het bedrijf was van zijn zoon.
Die redenen zijn niet tegenstrijdig.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Zevende middel van de eiseres
46.
Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek, alsmede mis-
kenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en het
rechtsbegrip “feitelijk vermoeden”: het arrest leidt de schuld van de eiseres als
deelnemer van de haar verweten misdrijven ten onrechte af uit haar functies, bevoegdheden en taken binnen Vartec nv en Fama bvba; zodoende stelt het arrest
niet wettig het bestaan vast van het moreel en materieel element van de deelneming aan elk van die misdrijven en miskent het het vermoeden van onschuld; door
uit de vastgestelde feiten een gevolg te trekken dat daarmee geen enkel verband
houdt, miskent het arrest ook het begrip “feitelijk vermoeden”.
47.
Het feit dat de rechter op grond van de door hem vermelde gegevens van het
strafdossier een beklaagde schuldig verklaart, levert geen miskenning van het
vermoeden van onschuld op.
In zoverre faalt het middel naar recht.
48.
Het arrest dat de schuldigverklaring van de eiseres steunt op de gegevens
van het strafdossier, leidt haar schuld niet af uit een feitelijk vermoeden.
In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
26 MEI 2015
49.
P.13.0864.N/15
Mededaderschap in de zin van artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mede-
dader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent,
hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en hij het opzet heeft daaraan
zijn medewerking te verlenen. Niet is vereist dat alle bestanddelen van de misdaad of het wanbedrijf begrepen zijn in de deelnemingshandelingen. Wel is vereist dat de mededader kennis heeft van alle omstandigheden die aan de handeling
van de hoofddader het kenmerk van een misdaad of wanbedrijf verlenen.
50.
Het staat aan de rechter in feite te oordelen of een beklaagde heeft deelge-
nomen aan een misdrijf in de zin van vermeld artikel. Het Hof gaat enkel na of de
rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband
houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
51.
Het arrest stelt vast en oordeelt onder meer dat:
- de eiseres bestuursmandaten bekleedde bij Vartec nv en Fama bvba, zij de contactpersoon was met de betoelagende instantie en zij niet louter als administratieve kracht facturen opstelde en inschreef, betalingen verrichtte en nauwgezet
de facturen- en betalingsstroom opvolgde;
- een aantal wijzigingen in de door de eiseres bijgehouden schriftjes en de overschrijvingen door de onderzoekers konden gelinkt worden aan van valsheid betichte facturen, waaruit volgt dat zij op de hoogte was van de onderliggende
transacties, voorwerp van de facturen, en het waarheidskarakter ervan.
Op grond van die redenen kon het arrest oordelen dat de eiseres met kennis van
zaken onmisbare hulp verleende tot het plegen van de misdrijven waarvoor zij
werd vervolgd en dat zij bijgevolg deelnemer is aan die misdrijven in de zin van
artikel 66 Strafwetboek. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
Zevende middel van de eiser I.3
52.
Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek, alsmede mis-
kenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld en het
rechtsbegrip “feitelijk vermoeden”: het arrest leidt de schuld van de eiser als deelnemer van de hem ten laste gelegde misdrijven ten onrechte af uit zijn functie, be-
26 MEI 2015
P.13.0864.N/16
voegdheden en verantwoordelijkheden binnen Vartec nv; zodoende stelt het arrest
niet wettig het bestaan vast van het moreel en materieel element van de deelneming aan elk van die misdrijven in de zin van artikel 66 Strafwetboek en miskent
het het vermoeden van onschuld; door uit de vastgestelde feiten een gevolg te
trekken dat daarmee geen enkel verband houdt, miskent het arrest ook het begrip
“feitelijk vermoeden”.
53.
In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het zevende middel van
de eiseres, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
54.
Het arrest stelt vast en oordeelt onder meer dat:
- de eiser in de misdrijfperiode COO, later CEO, vicepresident en bediende was
van Vartec nv, waarvan hij, ook wat het financiële aspect betrof, de dagelijkse
leiding in handen had;
- de eiser nauw betrokken was bij de projecten Covar en ‘Opleiding Hybride Interface technieken’;
- gelet op die omstandigheden en de substantiële geldsommen die het voorwerp
van de valsheden uitmaken, de eiser moet geweten hebben dat de facturen vals
waren;
- de eiser kennis had van onjuiste informatie aan de betoelagende instantie en
aan die instantie ook onjuiste informatie verstrekte;
- de eiser het onrechtmatig voordeel op het oog had dat gepaard ging met de valse facturen en het gebruik ervan;
- de eiser noodzakelijke hulp verleende wat de feiten van de telastleggingen
A.22 tot A.39 betreft doordat hij het mogelijk maakte dat de eiser I.1 kon gebruik maken van de diensten van zijn voltijdse secretaresse bij het opstellen
van de valse facturen.
Op grond van die redenen kon het arrest oordelen dat de eiser met kennis van zaken onmisbare hulp verleende tot het plegen van de misdrijven waarvoor hij werd
vervolgd en dat hij bijgevolg deelnemer is aan die misdrijven in de zin van artikel
66 Strafwetboek. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
P.13.0864.N/17
26 MEI 2015
Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
55.
In zoverre zij thans nog op ontvankelijke wijze aan de beoordeling van het
Hof kunnen worden voorgelegd, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid
voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun respectieve cassatieberoepen.
Bepaalt de kosten in het geheel op 735,42 euro waarvan de eisers I 525,64 euro
verschuldigd is, de eisers II 142,84 euro en de eiser III 66,94 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren
Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de
openbare rechtszitting van 26 mei 2015 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc
Van hoogenbemt, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc
De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
F. Adriaensen
E. Francis
A. Lievens
A. Bloch
F. Van Volsem
L. Van hoogenbemt