Jaarboek 2008 - Vereniging Oud Monnickendam

Commentaren

Transcriptie

Jaarboek 2008 - Vereniging Oud Monnickendam
VOM_jaarboek08_omslag:M'damboek
12-05-2008
16:04
Pagina 1
vereniging oud monnickendam
Vereniging Oud Monnickendam
jaarboek 2008
j a a r b o e k
2 0 0 8
VOM_jaarboek08_TITEL/COL/INH:M'damboek
12-05-2008
15:47
Pagina 1
Vereniging Oud Monnickendam
j a a r b o e k
2 0 0 8
VOM_jaarboek08_TITEL/COL/INH:M'damboek
Vereniging Oud Monnickendam
voorzitter
Jan Konijn
vice voorzitter
Koert Kraak
secretaris
Vincent Keesmaat
Wendelmoet Claesdochterlaan 15
1141 ja Monnickendam
telefoon 0299 6551 67
v.keesmaatAwxs.nl
penningmeester
Jaap Balvers
Rielant 63
1141 re Monnickendam
telefoon 0299 651938
leden
Garrelt Bont
Klaas Roos
Lise Schokking
Ed Willms
Ton Meijer
2
12-05-2008
15:47
Pagina 2
VOM_jaarboek08_TITEL/COL/INH:M'damboek
12-05-2008
17:49
Pagina 3
Inhoud
Voorwoord
4
Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam 2007
6
Verslag algemene ledenvergadering 26 juni 2007
9
Warm om het hart Wil Schackmann
15
De herkomst van Houtzaagmolen ‘De Vriendschap’ J. de Haan/ V.P. Keesmaat
28
Vragen aan de Faam Henk Verhoef
36
Monnickendamse zeehelden Jaap Haag
66
Troeters Siem Koerse
111
Jaartalstenen Siem Koerse
116
Achter een schijnbaar eenvoudige gevel Anne van Rooij -van Wijngaarden
120
Reis naar Zweden, winter 2007 Ton Meijer
130
Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam Ds. C.A.E. Groot
135
Verslag van de penningmeester over het jaar 2007
266
Jaarverslag 2007 van de Stadsgidsen
270
Stichting Museum de Speeltoren – jaarverslag 2007
272
3
VOM_jaarboek08_VOORWOORD:M'damboek
12-05-2008
16:13
Pagina 4
Voorwoord
Het doet ons een genoegen u het Jaarboek 2008 van de Vereniging Oud Monnickendam aan te bieden.
Het is ons dit jaar gelukt het jaarboek op tijd en voor de jaarvergadering uit te
brengen. Tot onze vreugde zijn er vele nieuwe en vooral verrassende artikelen
ingebracht door voor velen nog onbekende schrijvers en onderzoekers. Na het
wegvallen van de heer Leen Appel had iedereen grote zorgen. Hoe moet het nu
verder? Zijn er nog wel mensen die belangstelling hebben om onderzoek te
doen en artikelen te schrijven over de rijke historie van Monnickendam? Wel, u
zult ervaren met het lezen van de vele artikelen, dat zeer interessante onderwerpen met enthousiasme en toewijding op papier zijn gezet.
De vereniging heeft zich met name het afgelopen jaar ingezet voor een nieuw
en voor de oude binnenstad zo belangrijk onderwerp als het verkeerscirculatieplan. Onze voorstellen zijn over het algemeen positief ontvangen door de diverse belanghebbenden en zullen in de komende tijd verder besproken worden.
Ook over de plannen voor een nieuw museum zal in 2008 een doorbraak moeten komen. Na een periode van meer dan 10 jaar zal de gemeente Waterland
kleur moeten bekennen en zullen er besluiten genomen moeten worden. De
Stichting Museum de Speeltoren is met diverse werkgroepen druk bezig structuur en invulling te geven aan de plannen voor nieuwbouw.
De vereniging gaat een nieuw tijdperk in waarbij ruimte is voor nieuwe ideeën
en initiatieven welkom zijn, maar tegelijkertijd de historische rijkdom en de
passie voor onderzoek gekoesterd moeten worden. In de komende jaren zullen
wij trachten jongeren meer te betrekken bij de diversen onderwerpen die voor
onze vereniging belangrijk zijn. Wij roepen leden, die belangstelling hebben
voor historie en de doelstellingen van de vereniging, onze website te bezoeken
en contact op te nemen met één van de bestuursleden.
4
VOM_jaarboek08_VOORWOORD:M'damboek
12-05-2008
16:13
Pagina 5
Ik wil nog graag vermelden, dat de redactie van dit prachtige Jaarboek dit jaar
onder de bezielende leiding stond van Vincent Keesmaat, daarbij daadkrachtig
terzijde gestaan door Lise Schokking. Wij danken hen bijzonder voor de geleverde inspanningen.
Wij hopen dat u dit Jaarboek met veel plezier en genoegen zult lezen en dat het
naast alle andere Jaarboeken in uw boekenkast te vinden zal zijn.
Met vriendelijke groet,
Namens het bestuur van de Vereniging Oud Monnickendam
Jan Konijn, voorzitter
Monnickendam, maart 2008
5
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:25
Pagina 6
Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam 2007
Ontwikkelingen website VOM
Communicatie en informatie naar leden van de vereniging en naar belangstellenden voor Monnickendam in het algemeen is verder ontwikkeld in de vorm
van onze website www.oudmonnickendam.nl. Op de website zijn in de archiefrubriek bijna alle artikelen uit de jaarboeken opgenomen. Ook is de beeldbank
verder uitgebreid met foto’s van de stadsfeesten en met foto’s afkomstig uit de
verzameling van Museum De Speeltoren. In samenwerking met enkele leden
van de vereniging zijn de meeste foto’s voorzien van een onderschrift. Een agenda geeft informatie over activiteiten die zijn gepland en zullen gaan plaatsvinden vanuit de vereniging. Bovendien kunnen de actuele nieuwsfeiten die de
vereniging aangaan worden geraadpleegd in de rubriek ‘actueel’. Een nieuwe
rubriek is het klokkenspel van de speeltoren waarbij u diverse volksliedjes, gespeeld op het klokkenspel, kunt horen.
De website is in juni officieel in gebruik genomen en wordt onderhouden door
onze secretaris.
Nog lang niet alle leden hebben hun e-mailadres doorgegeven aan de secretaris
waarvoor bij deze alsnog de oproep om dit te doen.
Het verkeerscirculatieplan/parkeerproblematiek in de binnenstad van
Monnickendam
Uitgangspunt van de VOM om over deze problematiek na te denken en er een
plan over te schrijven is de zorg over de toenemende overlast van auto’s in de
oude stad. Deze zorg wordt volgens de VOM gedeeld voor veel bewoners van de
binnenstad. De vele geparkeerde auto’s ontsieren het straatbeeld en de rijdende
auto’s zijn vaak een gevaar voor fietsers en voetgangers. De VOM wil de stad, en
met name het oude centrum, mooi/netjes houden en de leefbaarheid voor de bewoners en bezoekers verhogen. Net zoals dat reeds in veel andere oude stadjes
in Nederland gebeurt! De Stadsfeesten in 2005 hebben aangetoond dat een autovrij/-luw Monnickendam wel degelijk mogelijk is. Op grond van dit uit6
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:25
Pagina 7
jaarverslag vereniging oud monnickendam 2007
gangspunt heeft het bestuur van de VOM een aantal ideeën ontwikkeld en vastgelegd in een VerkeersCirculatiePlan(VCP).
Het verkeerscirculatieplan (VCP) is voorgelegd aan de leden van de vereniging
op 24 januari om te polsen of en zo ja welke ideeën/opvattingen bij hen over dit
onderwerp leven. Deze zijn vervolgens door de VOM meegenomen in het uiteindelijke conceptplan. Vervolgens heeft de vereniging de plannen gepresenteerd op 2 oktober in het gebouw Samuel waarna de definitieve plannen zijn
aangeboden aan de gemeente Waterland. In november heeft er een gesprek met
de gemeente Waterland plaatsgevonden en naar aanleiding daarvan is het plan
op de politieke agenda gezet. U wordt over de verdere ontwikkelingen via de
website en middels onze mailings geïnformeerd.
Lezingen
In samenwerking met Areopagus heeft er op 19 maart een lezing plaatsgevonden door Klaas Tolman over de Monnickendamse rokerijen. Hierin werd verteld over de geschiedenis van de rokerijen en rokers in Monnickendam. Door
middel van een presentatie met foto’s en tekeningen werd het een en ander duidelijk in beeld gebracht en riep het nostalgische herinneringen op bij de vele belangstellenden. Deze lezing was voor ons aanleiding om op onze jaarvergadering van 12 juni een groep rokers namelijk Piet de Boer, Ton Miedema, Jan Jonker en Siem Dekker uit te nodigen om te vertellen over het leven in en om de
rokerij. Onder de bezielende leiding van Martin Horjus werden verhalen verteld over hoe het in de rokerijen van vroeger en nu toeging en wat een impact
het had op de gezinnen.
Op 1 November is door Jaap Haag een lezing verzorgd over Monnickendamse
zeehelden – o.a. over de min of meer vergeten Pieter Florisz. – uit met name de
17e eeuw. Jaap Haag is medewerker bij het Waterlands archief en ook bekend
door zij interessante historische artikelen in het Noord Hollands Dagblad.
Najaarsexcursie
De najaarsexcursie vond het afgelopen jaar plaats naar ’s-Hertogenbosch op
22 september.
De excursie was uitermate geslaagd: mooi weer, goede rondleiding, geen overvol programma, gezellige stad. Iedereen was zeer tevreden.
In totaal waren er 67 deelnemers aan de excursie wat veel minder was dan de
laatste jaren. Wellicht dat de korte voorbereiding daaraan debet was.
7
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 8
Waterlandse CANON
In navolging van de landelijke canon, die is opgesteld door de commissie van
Oostrom is er vanuit de regiobijeenkomst aan de historische verenigingen in
Waterland verzocht na te denken over welke personen en gebeurtenissen thuis
zouden horen in een Waterlandse Canon.
Spontaan kwamen gebeurtenissen naar voren als:
Afsluiting Purmer Ee
Slag op de Zuiderzee
Wendelmoet Claesdochter
Jan van Nieuwenhuyzen
Overige activiteiten
De vereniging is met de gemeente Waterland in gesprek over het toezicht op
misstanden en handhaving van (ver)bouwactiviteiten in Monnickendam.
Verplaatsing bedrijventerrein. In het plan van 2 ha. bedrijvenerf bij de Texaco
en 2 ha. in Katwoude kan het VOM-bestuur zich vinden. Verdere ontwikkelingen zullen door de vereniging op de voet worden gevolgd.
Jan Konijn, voorzitter
maart 2008
8
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 9
Verslag algemene ledenvergadering 26 juni 2007
Locatie: het Oude Weeshuis
Aanwezig: 8 bestuursleden en 47 leden;
Afwezig met bericht: mw. H. Slauerhoff, dhr. B. Bosch, fam. Stoffels, mw. Wolf/Buis,
dhr. H.A. Schaaij
1. Opening
De voorzitter, Jan Konijn, heet allen hartelijk welkom op de jaarvergadering.
Hij verontschuldigt zich voor het feit dat het jaarboek niet met de uitnodiging
is meegestuurd. De productie van het jaarboek is vertraagd door het plotselinge
overlijden van de vader van de grafisch ontwerper van het jaarboek. De prognose is dat het jaarboek nu eind juli gedrukt zal zijn. En dan wordt het vanzelfsprekend z.s.m. aan de leden opgestuurd.
2. Notulen jaarvergadering d.d. 26 september 2006
Naar aanleiding van de notulen van de vorige vergadering worden de volgende
opmerkingen geplaatst en vragen gesteld:
– Wat is de stand van zaken betreffende de uitbreiding/verbouwing van het
Museum de Speeltoren?
Antwoord Klaas Roos: Er is nog geen groen licht gegeven door de gemeente
voor de uitbreidingsplannen van het Museum de Speeltoren. Vanwege de complexiteit van het hele verhaal, wordt er slechts stapje voor stapje vooruitgang
geboekt. Maar de realisering van de plannen komen op deze manier toch steeds
dichterbij. De verwachting is dat de besluitvorming in de tweede helft van dit
jaar z’n beslag krijgt. En de kans is groot dat dit goed gaat uitpakken. Er is dus
geen reden voor pessimisme.
– Welk bedrag is, op basis van de verkoop van het boek van Harry Voogel over de
Grote Kerk, afgedragen aan de Stichting Vrienden van de Grote en Lutherse
Kerk, t.b.v. de renovatie?
Koert Kraak antwoordt dat dit in het financieel jaarverslag te lezen valt.
Er is H 398,- afgedragen.
9
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 10
– N.a.v. de door de kascommissie op orde bevonden kas en boeken op 26 september 2006 moet worden vermeld dat aan de penningmeester vervolgens décharge
is verleend.
– In 2005 was dhr. Regeling reservelid van de kascommissie en dit jaar maakte
hij deel uit van de kascommissie. Dhr. Dekkers was in 2006 reservelid.
– Wat is de stand van zaken m.b.t. de paaltjes in de Kerkstraat?
Antwoord Ton Meijer: Er is vorig najaar door het bestuur een brief gestuurd aan
de gemeente met het verzoek te reageren op een aantal geconstateerde misstanden in de oude binnenstad m.b.t. handhaving van (ver)bouwregels en aanverwante zaken, zoals de paaltjes in de Kerkstraat. De gemeente had toegezegd
hier in februari 2007 op te reageren. Toen dat niet gebeurde, heeft het bestuur
wederom een brief doen uitgaan in april jl. Hierop zou voor 6 juli worden gereageerd. Dit wordt vooralsnog afgewacht.
Naar aanleiding van dit antwoord wordt vanuit de zaal de vraag gesteld of het
niet verstandiger zou zijn wat betreft de paaltjes rechtstreeks contact op te
nemen met de dienstdoend politiecommandant. Jan antwoordt dat B&W de
aangewezen instantie is om deze problematiek me te bespreken. Jan benadrukt
nog eens dat het grote probleem in Monnickendam is, dat er te weinig wordt
toegezien op de handhaving van allerlei regels.
Bovendien wordt de Commissie Stads- en Dorpsbeheer, waar de VOM ook een
vertegenwoordiger in heeft, als adviescommissie, te vaak door de gemeente
‘overruled’. Bovendien wordt niet alles wat wordt uitgevoerd aan verbouwingen, in die commissie besproken. Het VOM-bestuur houdt de misstanden
scherp in de gaten en trekt aan de bel, als dit nodig wordt geacht. Maar vooralsnog wordt dit dus niet goed door de gemeente opgepakt.
– Is er verantwoording afgelegd aan de leden van de VOM over de ontwikkelingen rond de mogelijke herbouw van Molen de Vriendschap?
Jan antwoordt dat dit niet nodig is, aangezien het een aparte stichting is die
zich hiermee bezig houdt.
3. Mededelingen van het bestuur
Er blijft reden tot bezorgdheid betreffende de terugloop van het aantal leden
van de Vereniging Oud Monnickendam. Het aanbieden van een gecombineerd
lidmaatschap met de zusterverenigingen Vereniging IJsschuiten Monnicken10
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 11
verslag algemene ledenvergadering 26 juni 2007
dam, Gidsen Historische Binnenstad Monnickendam en Museum de Speeltoren, moet dan ook binnenkort z’n beslag krijgen. Via het museum komt binnenkort ook een combikaart beschikbaar met het Marker museum.
Het bestuur roept leden op die zich zouden willen/kunnen inzetten om de
Monnickendamse jeugd meer te betrekken bij het verenigingsleven en de historie van Monnickendam.
4. Jaarverslag van de Vereniging over de activiteiten in 2006
Naar aanleiding van het jaarverslag over de activiteiten in 2006 worden door de
leden een aantal vragen gesteld:
– Wat is de stand van zaken inzake het vernieuwde Verkeerscirculatieplan?
Jan antwoordt dat na intensieve besprekingen in de betreffende werkgroep het
plan in concept klaar is en dat nu de volgende route zal worden gelopen:
1. Het concept-VCP inclusief bijlagen zal op korte termijn op de website worden
geplaatst, zodat het door iedereen ingezien kan worden. (juli 2007)
2. Er worden aparte avond(en) georganiseerd met betrokkenen (bewoners en
ondernemers) om draagvlak voor het plan te peilen. (augustus/september 2007)
3. Ledenraadpleging vereniging Oud Monnickendam (september/oktober 2007)
4. Presentatie VCP aan de politiek (oktober 2007)
Het is de bedoeling dat het een goed uitgebalanceerd plan wordt, voor zowel de
korte als de lange termijn, dat door het merendeel van de inwoners van de oude
binnenstad en andere belanghebbenden wordt gedragen. Met een zo breed mogelijk draagvlak voor het plan wil het bestuur dan uiteindelijk de gemeente benaderen, die dan met goed fatsoen niet meer om het plan heen zal kunnen.
– Hoe is het gesteld met het ledenaantal en de samenstelling van het bestuur?
Antwoord: Dit staat in het Jaarboek vermeld.
5. Financieel verslag van de penningmeester over kalenderjaar 2006 en
goedkeuring van het budget
Koert Kraak licht één en ander toe:
Er is een nadelig saldo t.o.v. de begroting van H 1648 (1853),- Begroot was een na11
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 12
delig saldo van H 877,- Dit komt hoofdzakelijk door de terugloop van de ontvangen contributie, de afdracht aan de Stichting Vrienden van de Grote en Lutherse Kerk (deze was niet begroot) en de hoger uitgevallen kosten van de productie van het Jaarboek 2006. Dit kwam voornamelijk doordat de omvang van
deze jaargang groter was dan gebruikelijk.
Dick Oosterveld vraagt of de door de VOM aangekochte schilderijen van W. B.
Thoolen niet twee keer hetzelfde onderwerp hebben. Klaas antwoordt dat dit
niet het geval is.
6. Verslag van de commissie van onderzoek van de rekening en
verantwoording (kascommissie)
Dhr. Karmelk en dhr. Regeling hebben op 25 juni 2007 de boeken en bescheiden
op secure en deskundige wijze bij de penningmeester gecontroleerd en deze
volledig in orde bevonden. De penningmeester wordt hartelijk bedankt voor
zijn uitmuntende werk en décharge verleend.
Het bestuur dankt bij monde van Jan Konijn de kascommissie voor hun controle.
7. Benoeming nieuwe kascommissie
Dhr. Karmelk treedt nu af als lid van de kascommissie. De kascommissie zal volgend jaar bestaan uit dhr. Regeling en dhr. Dekkers (die dit jaar reservelid was).
Voor komend jaar stelt dhr. P. Stegeman zich beschikbaar als reservelid.
8. Verkiezing/samenstelling bestuur
Van de bestuursleden zijn dit jaar aftredend: Jan Konijn, Klaas Roos en Garrelt
Bont. Allen stellen zich bij deze herkiesbaar. De ledenvergadering maakt geen
bezwaar tegen de herbenoeming van genoemde personen.
9. Presentatie website Vereniging Oud Monnickendam
Middels een beamerprojectie op de muur presenteert Vincent Keesmaat de website van de Vereniging Oud Monnickendam. De website is vanaf maart 2007 ‘in
de lucht’ en heeft tot nu toe bijna 900 bezoekers (uit binnen- en buitenland) getrokken. Het adres van de site is: www.oudmonnickendam.nl (met introfilmpje) en www.oudmonnickendam.nl/VOM.html (zonder introfilmpje). Natuurlijk wijst de site zich vanzelf maar Vincent toont toch hoe de fotoverzameling
met historische foto’s via de beeldbank benaderd moet worden. Ook de moge12
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 13
verslag algemene ledenvergadering 26 juni 2007
lijkheden van het archief met daarin opgenomen alle jaarboekartikelen vanaf
1974 wordt door hem toegelicht. Deze artikelen zijn door Cees Lagrand in
Word-documenten omgezet, zodat ze nu als zodanig opgevraagd kunnen worden. Vincent verzoekt de leden om, wanneer zij ideeën/suggesties hebben om
de site nog meer ‘aan te kleden’, deze aan hem door te geven. Het bestuur is blij
dat de vereniging nu een eigen website heeft en daarmee een belangrijk middel
om zich naar buiten toe te presenteren.
10. Rondvraag
– Museum de Speeltoren verloot twee deelnamebewijzen aan de najaarsexcursie. De gelukkigen zijn: S. Hammond, Noordeinde 18, 1141 AR Monnickendam
en mw. T. Meenks- Zandstra, Kerkstraat 20, 1141 BH Monnickendam.
– Hoe staat het met de activiteiten van de werkgroep die zich bezighoudt met
het van de grond tillen van bootreistochten vanuit Amsterdam richting Monnickendam?
Antwoord Lise: Er zal komende maand een gesprek plaatsvinden met rederij
Smidtje met de bedoeling te komen tot een rondvaartboottocht vanaf de passagiersterminal in Amsterdam, via Broek in Waterland naar Monnickendam. Er zal worden gepeild of de rederij hier brood in ziet en of zij zelf hieromtrent ook ideeën
hebben. Het bevindt zich nog allemaal in de onderzoeksfase en het gesprek wordt
open ingegaan. Een rondvaart met bv. fluisterbootjes door de binnenstad van Monnickendam samen met een stadsgids, lijkt vooralsnog geen haalbare kaart.
– Wat is de reden van het feit dat het bestuur van de VOM een bezwaarschrift
heeft ingediend tegen het terras van Café 1614 en wat is de stand van zaken nu?
Koert antwoordt dat het duidelijk moet zijn dat het VOM-bestuur niet tegen
terrassen in het algemeen is. Integendeel. De vergunning voor het terras van
Café 1614 zou echter, vanwege de langdurige aanvraagprocedure, mogen afwijken van de kort geleden ingestelde algemene terrassenverordening van de gemeente Waterland. Hiertegen heeft het bestuur bezwaar gemaakt middels een
bezwaarschrift bij de Commissie Beroeps- en Bezwaarschriften. Uitgangspunt
van het bestuur was hierbij: Gelijke monniken, gelijke kappen. Jan voegt hieraan toe dat de kwestie in principe heel gemakkelijk afgehandeld had kunnen
worden als de partijen zich wat inschikkelijker hadden getoond. Het schijnt dat
er op 19 juni een besluit is genomen door genoemde commissie. Hiervan is het
bestuur echter nog niet op de hoogte gesteld.
13
VOM_jaarboek08_JVersl+verg VOM:M'damboek
12-05-2008
16:26
Pagina 14
– Siem Koerse geeft het bestuur een aantal aandachtspunten mee aangaande het
stedenschoon dat beschermd dient te worden: De gang van zaken bij het uitbaggeren van de grachten; de verdwijning van het schelpenpad bij de Grote Kerk;
het fietsenrek bij de Grote kerk dat detoneert met de omgeving. Het bestuur
zegt toe deze punten mee te nemen in haar contacten met de gemeente en roept
de andere leden op geconstateerde misstanden uit het oogpunt van het stedenschoon aan Ton Meijer door te geven.
– Dhr. Karmelk adviseert het bestuur het vaste vermogen van de stichting niet
op een spaarrekening te laten staan maar te beleggen in staatsobligaties. Hierover wordt meer rente uitbetaald. De suggestie wordt door het bestuur ter kennisneming aangenomen.
– pauze –
Het tweede, informele gedeelte van de vergadering, werd gewijd aan de geschiedenis van de Monnickendamse visrokers. De presentatie gebeurde middels
een forum waarbij Marten Horjus als gespreksleider de visrokers Jan Jonker,
Siem Dekker, Piet de Boer en Ton Miedema, ondervroeg en hen herinneringen
liet ophalen. Allen komen uit een rokersfamilie en zijn actief of actief geweest
in het rokersvak. Het werd een buitengewoon boeiend verhaal met veel anekdotes waaruit naar voren kwam dat de kwaliteit van de in Monnickendam gerookte vis zeer hoog was (en is!) maar dat het leven van de visrokers en de visrookfamilies bepaald niet gemakkelijk was. Het was keihard werken onder moeilijke
en zware omstandigheden. Toch werd er met trots teruggezien op dit leven.
Vanwege de terugloop in de visstand in het IJsselmeer, door o.a. het schoner
worden van het water en ook door de strengere Europese regelgeving, zijn er inmiddels niet veel visrokers meer actief in Monnickendam. Dit zou een reden
kunnen zijn om eens serieus na te gaan denken over het gedetailleerd vastleggen van dit belangrijke stuk geschiedenis van Monnickendam!
14
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 15
Warm om het hart
Monnickendam en de landbouwkoloniën
Wil Schackmann
In de jaarboeken 2001 en 2002 heeft ds. C.A.E. Groot een rijk gedocumenteerd overzicht gegeven van de Monnickendammers die naar de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid gingen. Hier ter aanvulling gegevens uit het Drents archief over enkele ‘hoogtepunten’
in de relatie tussen Monnickendam en de Maatschappij:
Monnickendammers zijn geen grote eters, ze ‘komen twee dagen toe’ met de voor één dag bedoelde aardappels, het raadsel van de ‘uitgeperste haring’, een ‘van zijne zuster afgescheiden
meisje’, zodanige verhalen ‘dat het den onderzoeker warm om het hart begon te worden’ en
een geval van overspel.
De armoede in het koninkrijk der Nederlanden is anno 1818 intens. Enkele eeuwen eerder waren we – de Gouden Eeuw – verreweg het rijkste land van de hele
wereld. Maar nu is het niks meer. De beter gesitueerden in de steden moeten de
armenkassen van diaconieën en parochies spekken om regelmatige soepbede-
Gezicht op de proefkolonie Frederiksoord vanaf de Vledderweg, circa 1825, getekend door
H. P. Oosterhuis, gegraveerd door D. Sluijter.
15
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 16
lingen te laten plaatsvinden en dan nog worden ze de hele tijd lastig gevallen
door paupers die vragen om een betaald karweitje of om een aalmoes. Op het
platteland zwerven groepen ‘nachtbidders’ die half bedelend, half dreigend, de
afgelegen boerderijen afgaan. Er moet wat gebeuren.
De Maatschappij van Weldadigheid vraagt de burgers een stuiver per week
opzij te leggen. Met het zo gevormde kapitaal kunnen arme gezinnen worden
overgebracht naar het nog onontgonnen Drenthe om daar te leren de eigen kost
te verdienen. Het initiatief slaat geweldig aan, wat de Maatschappij ook wel
verwacht had gezien het ‘algemeen erkend weldadig karakter onzer natie’. Alle
kranten maken juichend melding van deze ‘verbroedering’, vanaf kansels worden oproepen gedaan, sympathiserende notabelen laten plakkaten verspreiden, in de betere buurten gaat men van deur tot deur, heel Nederland wil dat dit
dorp geopend wordt.
Er wordt besloten nog dit jaar ‘over te gaan tot het nemen eener proeve’. In elke
stad of dorp moet een subcommissie van weldadigheid worden opgericht om
de contributies te innen en alvast armen te selecteren die naar Drenthe gestuurd kunnen worden. Na korte tijd meldt ook de subcommissie van weldadigheid
Monnickendam dat zij haar werkzaamheden is begonnen. Zij kan roemen op zo’n
80 contribuanten ter stede. De Maatschappij wil niet met elke subcommissie in
elk gehucht of elke vlek afzonderlijk corresponderen – niet onterecht, want
binnen twee jaar zijn er over de 700 (!) subcommissies van weldadigheid – en
daarom moet Monnickendam ook de contacten tussen de dorpscommissies in
haar regio en de landelijke leiding onderhouden.
Daardoor kan er toch een gezin uit de regio naar de eerste ‘proeve’ van 52 hoeves. Binnen de stad kan men nog geen gegadigden vinden, maar begin juli had
de burgemeester van Monnickendam een briefje ontvangen uit Broek in Waterland.
‘Nugter en bekwaam’
‘Geachte Neef!’ luidt de aanhef. ‘Volgens afspraak kan ik UE berichten dat Jan
Westerveld genegen is om met vrouw en kinderen naar de colonie te gaan, alzoo
hij in die provincien is geboren en opgevoed en met de gesteldheid der gronden
is bekend.’ Met dat ‘in de provincien geboren’ wordt gedoeld op de herkomst
van de kandidaat. Jan Westerveld kwam ooit in Oost-Groningen ter wereld
onder de naam Jan Krijns van Slochteren. Toen iedereen in 1811 – hij was inmiddels naar Noord-Holland verkast – van Napoleon verplicht een achternaam
moest voeren, werd er moeilijk gedaan over plaatsnamen. Wellicht daarom gaat
hij sindsdien als Jan Cornelis Westerveld door het leven.
16
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 17
warm om het hart
De brief vervolgt met een beschrijving van hem en zijn
gezin: ‘Hij is oud 53 jaaren, nugter en bekwaam, verstaat de
bouwe en boerderij, en zijn
vrouw het spinnen; heeft vijf
kinderen waar van de oudste is
14 en de jongste 2 jaaren.’ Helemaal op de hoogte van de bedoelingen is men nog niet en men
hoopt dat Monnickendam meer
weet: ‘Zoo UE mij van het een en
ander betreffende deze colonie
nog iets nader weet te berichten,
zul ge hem verplichten.’ En ondertekend wordt met: ‘Die de
eer heeft te zijn, UWEdW neef,
Klaas Bakker Harmensz.’
Met de briefdatum van 5 juli
1818 is Jan Westerveld de eerste
in Nederland die als proefkolonist wordt voorgedragen. Het
gezin wordt maandag 26 oktoLijst met in Amsterdam opgevangen kolonisten.
ber in Amsterdam opgevangen
Westerveld is de tweede op de lijst.
in een kazerne ‘aan de Utrechtsepoort’. De volgende avond nemen ze gelijk met de kolonistengezinnen uit
Amersfoort, Gorinchem, Leiden en Zaandam het ‘beurtschip’, dat de geregelde
nachtelijke verbinding onderhoudt tussen Amsterdam en het aan de andere
kant van de Zuiderzee gelegen Blokzijl. Daar stappen ze over op een plat vaartuig dat hen door het Steenwijker Diep naar Steenwijk voert. Na overnachting
daar is het nog twee uur op ossewagens over een ongelijk zandpad voor ze als de
eerste vijf kolonistengezinnen op donderdag 29 oktober bij de kolonie zijn. Die
heeft inmiddels een naam: Frederiks-oord, naar de jongste zoon van koning
Willem I.
‘Ik ben nimmer besluiteloos’
Het leuke is dat de Maatschappij van Weldadigheid vanaf de eerste dagen van
haar bestaan een geweldig goed archief heeft bijgehouden. Dankzij dat archief
zijn de gebeurtenissen op en rond de kolonie bijna van dag tot dag te volgen en
17
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 18
dat is ook wat ik heb geprobeerd
te doen in mijn boek De proefkolonie. Ook op basis van dat archief heeft de Onstwedder landschapsschilder Geert Schreuder
een schildering van de proefkolonie gemaakt, zie illustratie.
Het archief berust, met inventarisnummer 0186, bij het Drents
Archief in Assen.
Westerveld en alle latere kolonistengezinnen worden bij aankomst meteen in de kleren gestoken. Alle kolonisten lopen in
blauwe, uniforme kleding. Daar
zitten twee gedachten achter.
Als mensen nette spulletjes hebben, zullen ze zich automatisch
netjes gaan gedragen. Maar ook:
Impressie van Frederiksoord door Geert Schreuder.
‘De desertie wordt door eene
herkenbaare soort van kleding moeijelijk gemaakt.’
Alle gezinnen krijgen een hoeve, onder van steen, boven van riet, met een houten schuur erachter. Eenvoudige huisjes, niet groot, maar onvergelijkbaar beter
dan de armenhuisvesting in de steden. Wie heden ten dage door Frederiksoord
loopt kan nog een boel van die huisjes in hun oorspronkelijke staat zien. Nou ja,
als je het dubbelglas wegdenkt en de centrale verwarming...
De werkweek beslaat zes dagen. Mannen en oudere jongens werken op het land,
vrouwen en de andere kinderen
spinnen wol en vlas. De bedoeling is dat iedereen met zijn
werk niet alleen de eigen kost bij
elkaar scharrelt maar ook de gedane investeringen terugverdient, zodat met dat oorspronkelijke geld een volgende kolonie gesticht kan worden en nog
een en nog een.
De man achter die ambitieuze
plannen is generaal-majoor Johannes van den Bosch. AchtenGeneraal-majoor Johannes van den Bosch.
18
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 19
warm om het hart
Koloniale kleding mannen.
Koloniale kleding vrouwen en kinderen.
dertig jaar, een self-made man, een charmeur, maar vooral een doener, een aanpakker, een wervelwind: ‘Ik ben nimmer besluiteloos en draal nog minder’.
Een lezeres noemt hem op haar website ‘een negentiende-eeuwse variant op wat
we tegenwoordig een ADHD-er zouden noemen’. Dat is misschien wel een beetje waar. Maar de Volkskrant schreef: ‘Op de keper beschouwd verdient die man
een monument’. En daar ben ik het ook mee eens, het ging niet altijd fijntjes
maar Johannes van den Bosch probeerde tenminste wat tegen de armoede te
doen.
‘Minder groote eeters’
Typerend voor zijn haast is dat de proefneming al na drie maanden als geslaagd
wordt beoordeeld. De Maatschappij van Weldadigheid wil uitbreiden. Ze heeft
haar begerig oog laten vallen op de budgetten voor de opvang van vondelingen
en weeskinderen, en halverwege 1819 komt zij met een aanbieding die je zou
kunnen omschrijven als drie halen, één betalen. Als een subcommissie zes
wezen op een hoeve zet en zestien jaar 60 gulden per wees betaalt, dan mag zij
gratis twee aangrenzende hoeves vullen met gewone kolonisten. Ook de oude19
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 20
re mensen die bij de wezen in huis komen om op ze te passen – huisverzorgers
genaamd – kunnen gratis geplaatst worden. En... na zestien jaar zijn die hoeves
eigendom van de subcommissie.
Zestig gulden per wees per jaar is heel wat minder dan de verzorging in een stedelijke omgeving kost en Monnickendam hapt toe. Er wordt een contract afgesloten voor zes hoeves, dus vier gewone armengezinnen, twee stel huisverzorgers en twaalf weeskinderen, wat dus een jaarlijkse betaling van twaalf maal 60
= 720 gulden vergt.
In de eerste maanden van 1820 stampt Johannes van den Bosch op het Steenwijkerwouder-Heideveld, in de provincie Overijssel, de nieuwe kolonie Willemsoord uit de grond. Na voorbereidende ontginningen wordt begin maart de eerste steen gelegd en begin juni is de nederzetting bijna klaar; een van de voordelen van die tijd is dat er niet op bouwvergunningen of bestemmingsplannen
gewacht hoeft te worden.
Het maandblad van de Maatschappij meldt: ‘De kolonie no. 3, op het Steenwijkerwouder-Heideveld gelegen, grooter dan de twee voorgaande zamen genomen, onderscheidt zich, door hare schoone ligging, op eene zeer verhevene
vlakte; een leemachtige zandgrond belooft met den tijd eene goede vermenging
van aarde te zullen opleveren, ten uiterste voor den landbouw geschikt. Hier
was vóór den tienden maart niets gedaan; en thans ziet men langs den weleer
eenzamen hoefweg van Overijssel naar Vriesland, ongeveer ? uur ver, eene dubbelde rij van zindelijke woningen verrijzen, aan het bovenste einde door een
ruim plein afgebroken, ingesloten door het Direkteurs-huis, en den grond, voor
de spinzaal, school- en onderopzieners-woningen bestemd, welke laatste mede
eerlang voltooid zullen zijn.’
Op 4 juni 1820 meldt Johannes van den Bosch vanuit Steenwijk de aankomst
van de afvaardiging uit Monnickendam (zie voor de namen van de weeskinderen en gezinnen de aan het begin van dit artikel genoemde jaarboeken): ‘De toegezonden huisgezinnen van Kampen en Monnickedam voldoen wat het physieke betreft, ook dat der weeskinderen zeer wel. Veele der hoofden zijn met den
veldarbeid bekend. Hunne zedelijke geaardheid laat zig zo vroeg niet beoordelen. Zij onderscheiden zich reeds daarin voornamentlijk van de eerste kolonisten, dat zij minder groote eeters zijn. Verscheijdene komen twee dagen toe met
de aardappelen die hun volgens het reglement verstrekt worden.’
‘Met een flesje waarin jenever’
Bij huisverzorgers had de Maatschappij gedacht aan ‘bejaarde echte lieden zonder kinderen of brave huismoeders, of bejaarde jonge dochters’. Strikte voorwaarde is dat ze een bewijs van goed gedrag overleggen. Zulke mensen kan
20
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 21
warm om het hart
Monnickendam in de eigen stad niet vinden. Gelukkig heeft de Maatschappij
goede contacten met het Ministerie van Oorlog en kan zij regelmatig beschikken over afgezwaaide militairen. In december 1819 meldt het besluitenlijstje
van de landelijke leiding: ‘Besloten den Heer Direkteur der kol. aanteschrijven,
dat de sergeant Koppens benoemd tot huisverzorger bij de kinderen van
Monnikendam, naar de kol. is opgezonden.’ Enkele dagen later meldt de directeur vam de kolonie ’s mans aankomst, al heeft hij de naam nog niet helder voor
ogen: ‘Ook zijn heden aangekomen de huisverzorgers A. Kock van Wolvega en
den gepensioneerde sergeant – ik meen Kopping – beide van geene papieren
voorzien.’
Dat was een half jaar voor de Monnickendamse wezen arriveerden, maar blijkbaar is de ongeveer 43-jarige Jacobus Koppens er even niet als de kinderen aankomen, want die 4de juni schrijft Johannes: ‘Bij de wezen van Monnickedam
waren geen huisverzorgers. Ik heb die derhalve bij Ruschman en Egberts ingedeeld.’ Met ‘Egberts’ bedoelt hij waarschijnlijk ‘Ebert’, het ging toen niet altijd
even nauwkeurig met naamspellingen.
Een week later meldt hij: ‘Harlot en Koppen zijn aangekomen. Zij doen zich
beiden goed voor.’ Voormalig sergeant Koppens krijgt dan inderdaad een aantal
Monnickendamse wezen in huis, maar niet zo heel erg lang. Hij zal een jaar
later van de kolonie weggestuurd worden, want hij ‘heeft zich meermalen
schuldig gemaakt aan het misbruik van sterke drank’ en er zijn berichten dat hij
‘op deze te vrijer wet zoude leven, met de vrouw van den kolonist Olij’. Naar
aanleiding van dat laatste wordt hij in de gaten gehouden en betrapt met ‘de
verdagte vrouw te zamen met een flesje waarin jenever en een glaasje tusschen
bijde’, Of er verder nu zo veel aan de hand was is onbekend, maar je kunt je wel
afvragen of hij de meest geschikte persoon was om weeskinderen op te voeden.
‘Schrijende bij mij gekomen ‘
Met haar twaalf wezen is Monnickendam nog heilig in vergelijking tot het hiervoor door Johannes van den Bosch genoemde Dordrecht. Dat leegt haar totale
weeshuis en rond deze tijd komt de eerste lading aan. Johannes telt er negenenvijftig.Vergezeld van zegge en schrijve één huisverzorger. En alsof dat niet genoeg is, krijgt hij ook nog een briefje uit Amsterdam: ‘Zo even meld mij Ameshof dat hij dinsdag 120 zielen van Dordrecht mij nog zal toezenden.’ Johannes
heeft de grootst mogelijke problemen met al die loslopende wezen. ‘De duvel is
niet in staat order te houden onder zulk een boel.’
Hij ontdekt dat Monnickendam meer kinderen heeft gezonden dan afgesproken. De stad heeft ook bij de gewone gezinnen ‘twee vreemde kinderen’ ingedeeld. Hij vindt dat ‘onconstitutioneel’ en als hij er op terugkomt noemt hij het
21
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 22
gedrag van subcommissies ‘reprochabel’, laakbaar. ‘Monnickedam bijvoorbeeld
heeft aan deszelfs huisgezinnen bestedelingen toegevoegd waar van in een
huisgezin twee dier beide nog te jong zijn voor eenige arbeid. Op deze wijze
heeft zij ons (...) tien wezen aan de hals gehangen en betaald slechts voor zes.’
Al snel krijgt Johannes greep op de situatie. Hij zet ze aan het werk: ‘Ik heb dadelijk alle jongens met schop-spaden doen manoeuvreren, in zo verre zij daar
toe groot genoeg waren.’ Volgens hem gaat dat ‘uitnemend’ en een week later
meldt hij tevreden: ‘De jongens werken dat het een liefhebberij is.’
Hij zoekt huisverzorgers uit de directe omgeving, ‘daar er veel menschen zijn in
den omtrek die gaarne in de kolonie worden opgenomen. Ik heb dat liever dan
menschen uit Holland gezonden die in het algemeen veel pretentien hebben en
weinig voor de beschikking van huisverzorgers geschikt zijn.’ Hij wil de wezen
volgens zijn eigen inzichten over de huisverzorgers en de hoeves verspreiden,
maar moet daarbij af en toe pas op de plaats maken. ‘Bij de jongste indeeling
zijn de meeste kinderen schrijende bij mij gekomen, hebben verzocht te mogen
blijven waar zij zaten. Ik heb hun hier in zo veel mogelijk genoegen gegeven.’
Toch lukt het hem met veel geschuif en geïmproviseer de Monnickendamse
wezen zo in te delen dat ‘in ieder huisgezin ten minste twee personen gevonden
wierden, in staat om op het veld te arbeiden en twee om te spinnen’. Zelf is hij
tevreden: ‘Er zullen weinig huishoudingen gevonden worden, die met het
einde der maand niet hun hemd verdienen.’ Maar met al dat herindelen schept
hij wel problemen voor de toekomst.Welke hoeve is nu van welke subcommissie? Monnickendam zal er nog op terugkomen.
‘Uitgeperste haring’
In het begin van 1822 doet de subcommissie Monnickendam een schenking aan
de koloniën, een ‘lading uitgeperste haring.’ De verantwoordelijke voor transport binnen de Maatschappij vraagt zich af of hij die tegelijk met andere producten kan verschepen: ‘Aangaande de verzending der door de subk. geschonkene uitgeperste haring, zoude de vraag zijn of dezelve op paardenmest mag
leggen, in welk geval ik een mestschip gedeeltelijk mede kan beladen, en de onkosten niet veel meer als 30 st. per last zullen zijn.’ Het is onbekend hoe hij het
oplost, maar wat later meldt de directeur van de kolonie ‘dat de uitgeperste haring van Monnikendam (...) hier is aangekomen, zullende daar van een doelmatig gebruik worden gemaakt.’
Er zijn van die dingen waar je zo ont-zet-tend nieuwsgierig van kan worden.
Wat in hemelsnaam is uitgeperste haring?? En op welke manier zou je dat ‘doelmatig’ gebruiken?? Als mest op het land? Door de soep? Je zou denken dat het
22
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 23
warm om het hart
misschien ingewanden van vis zijn, maar dat werd in die tijd meestal ‘visgrom’
genoemd.
De uitgever van De proefkolonie lag er ook wakker van en benaderde het Visserijmuseum in Vlaardingen. Daar trof men een mevrouw die net aan een enorm
dik boek over haring bezig was en die dacht het daarin wel te kunnen vinden.
Dat bleek niet het geval, de archivaris werd er bij gehaald en tenslotte waren
daar diverse mensen door hun uitgebreide documentatie aan het zoeken. Tevergeefs, uiteindelijk bleek de uitdrukking ‘uitgeperste haring’ nooit eerder of elders gebruikt te zijn. In het boek heb ik er maar van gemaakt: ‘Zo schenkt de
subcommissie van weldadigheid Monnickendam de kolonie iets onbestemds
dat wordt aangeduid als een ‘lading uitgeperste haring’,’ maar de nieuwsgierigheid is gebleven.
Inmiddels zijn de subcommissie af en toe minder positieve geluiden uit de koloniën ter ore gekomen. Ze vragen zich af hoe het de Monnickendammers daar
vergaat.
‘Bevooroordeelden’
Mensen die kritiek hebben op haar landbouwkoloniën worden door de Maatschappij afgedaan als hetzij ‘onverschilligen’ hetzij ‘partijzuchtigen’ hetzij ‘volstrekt-onkundigen’ hetzij ‘bevooroordeelden’. Die laatste groep is volgens haar
het grootst, maar die vooroordelen zullen vanzelf verdwijnen als de mensen die
ze koesteren zelf een kijkje gaan nemen in het welvarende Frederiksoord. En dus
nodigt de Maatschappij onophoudelijk armbestuurders en subcommissieleden
uit om persoonlijk de stand van zaken op de kolonie te onderzoeken. Op die uitnodiging komt de secretaris van de subcommissie Monnickendam, pastoor Bernardus Josephus Gerving, terug in een brief dd. 25 juni 1822 aan de landelijke leiding. Die laatste heet de permanente commissie, bestaat uit twee jonge honden
en een eminente grijsaard, respectievelijk Johannes van den Bosch, Jeremias
Faber van Riemsdijk en Paulus van Hemert, en die krijgt te lezen:
‘Komt en ziet! Dit was meermalen de uitnodigingsleuze der Perm. Kommissie
van Weldadigheid, waardoor zij al degenen, ‘die op het bestuur van hare kolonien
iets hadden aantemerken of klagten in te leveren wegens eenige daar geplaatste
kolonisten, opriep en uitnoodigde, om zelven te komen zien en onderzoek te
doen naar alles, wat daar plaats heeft. Dit heeft ook ons aangespoord om naar den
staat der van hier daar geplaatste kolonisten, en inzonderheid naar den toestand
der van hier bij kontrakt derwaarts gezondene kinderen met eigen oogen en van
nabij onderzoek te doen. Een namelijk uit ons midden heeft zich derwaarts begeven, en op den 19den dezer al de kolonien van buiten en ook eenige huizen van
binnen vrij nauwkeurig bezien. Voorts heeft hij alle Monnickedamsche kolonis23
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 24
ten, die iets te zeggen mogten hebben, tegen den avond bij zich laten ontbieden.’
Die ‘een uit ons midden’ is Gerving zelf en die avondzitting met alle Monnickendammers is hem bepaald niet meegevallen. Integendeel: ‘Hun verhaal leverde waarlijk geen schoon tafereel op van den toestand, waarin zij zich bevonden:
het was zoodanig, dat het den onderzoeker warm om het hart begon te worden.’
Er volgt een waslijst van klachten.
Een weesmeisje ‘durft zich naauwelijks buiten vertoonen uit hoofde van hare
slechte kleeding’, ook de kleding van een andere wees is ‘niet prijswaardig’, ze
kregen geen ‘bedeeling’ (bijstand) meer maar moesten alles zelf verdienen, wat
niet meeviel omdat zelfs een van de grootste jongens ‘met het kruijen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds toe maar 5 stuivers verdienen kan’. De secretaris snapt
het niet: ‘Of krijgen dan de weezen voor de betaald wordende 60 gl. niet anders,
dan dat zij in de kolonien maar wonen en leven mogen van hetgeen zij bij anderen verdienen kunnen?’
Bij de volwassen kolonisten, die volgens Gerving ‘insgelijks geene geringe klagten hadden intebrengen’, speelt vooral verontwaardiging dat de Maatschappij
voor de ontginning van nieuwe gronden liever arbeiders van buiten inhuurt
dan het aan kolonisten te gunnen. Dat klopt, maar is een gevolg van het handelen van subcommissies, incluis Monnickendam. De jongere, sterkere en arbeidzamere armen houden ze liever in de stad, als een soort arbeidsreserve voorgeval de economie weer aantrekt, en naar Drenthe sturen ze vooral die mensen die
ze het liefst uit het straatbeeld zien verdwijnen. De schoen zou Gerving dus passen, maar hij trekt hem niet aan.
‘Wedervereeniging’
Eén ding raakt de pastoor-secretaris heel in het bijzonder. ‘Hij hoorde onder anderen, niet uit éénen, maar uit alle monden, en hij stond verbaasd, als hij het
hoorde, dat men reeds langer dan een jaar geleden het eene zestal onzer weeskinderen uit elkanderen heeft doen gaan, en bij andere kolonisten verdeeld.’
Daardoor werden ze afhankelijk van de ‘genade dier kolonisten die met zich
zelven genoeg te doen hebben’. De hoeve valt blijkbaar helemaal niet meer
onder Monnickendam. ‘Men heeft nog daarenboven, het huis waarin die kinderen voorheen onder het opzigt van huisverzorgers woonden, aan een anderen
kolonist ingeruimd.’
Ook met het ‘ander zestal weezen’ is gerommeld. Daar heeft men ‘een meisje,
Sijtje of Geertje Zwarteveen geheeten, weggenomen, aan een anderen kolonist
overgegeven en in derzelfde plaats een weeskind van elders gekomen, doen opvolgen.’ De verwarring over de voornaam is begrijpelijk want er zitten twee
meisjes Zwarteveen op de kolonie, Sijtje (nu 13 jaar) en Geertje (nu 8 jaar). Het is
24
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 25
warm om het hart
onduidelijk welk van de twee is verplaatst en door Gerving wordt bedoeld met
‘het aldus van zijne medeweezen en zelfs van zijne zuster afgescheiden meisje’.
Volgens de secretaris is dit allemaal in strijd met het afgesloten contract. ‘Of
blijven den Heeren Regenten van het weeshuis volgens het kontrakt geene
vruchtgebruikers van alle koloniale gronden en huizen, waarvan in het kontrakt gesproken wordt, en mag men die dus maar zoo aan anderen inruimen?
En mogen zij, die toch vaders der weeskinderen blijven, niet eens weten, dat
men zulke schikkingen maakt met kinderen, over welke zij nog altoos onder
zeker bepalingen een vrij opzigt behouden?’ Hij verlangt maatregelen.
Standaard is dat zulke brieven van subcommissies door de permanente commissie worden doorgestuurd naar de directeur van de kolonie om de klachten te
onderzoeken. Die levert nooit half werk, bijvoorbeeld bij kledingonderzoek:
‘Niet te vreden met het uitwendige heb ik de kleding tot op het bloote ligchaam
nagezien, en zelfs het hemd schoon en zonder de minste verzuiming hersteld
gevonden.’ Even standaard is dat hij daarna rapporteert dat de klachten onterecht zijn, wat de permanente commissie dan weer overbrieft aan de subcommissie. Zo ook nu, alleen kan dat verhaal over de verplaatste wezen niet ontkend worden en daarom neemt Johannes van den Bosch zelf op zich een concept-antwoord te schrijven waarin hij uitlegt waarom die verplaatsingen nodig
waren.
Gerving is heel verbaasd dat de klachten over ontoereikende kleding, geringe
verdienste en arbeiders van buiten allemaal niet zouden kloppen. Hij herhaalt
ze in een volgende brief, maar maakt ook duidelijk dat het eigenlijk niet zo heel
belangrijk is en het hem vooral om één ding gaat. Of zoals het brievenboek van
de permanente commissie het formuleert: ‘met verzoek deze zaak nu niet meer
te vervolgen, en om de 7 bij diversen ingedeelde bestedelingen, tot één huisgezin onder huisverzorgers te brengen.’
Het is wederom Johannes van den Bosch die vanuit de kolonie ‘nogmaals heeft
op zich gelieven te nemen, het beantwoorden van den brief des Heeren Sekretaris der subkommissie te Monnickedam’. De Maatschappij zwicht: ‘terwijl ik het
verlangen der gedagte subkommissie, om hunnen wezen tot een huisgezin te
herenigen billijk vindende, tragten zal huisverzorgers tot dat einde te bekomen.’ Voor dat laatste doet Johannes eerst nog een beroep op Monnickendam.
Maar 6 september 1822 maakt die duidelijk dat de Maatschappij het zelf maar
moet oplossen: ‘Op Uwe missive van den 7den aug. moeten wij aan UE berigten
dat wij in deze gemeente geene huisverzorgers voor onze in de kolonien verdeelde weeskinderen vinden kunnen, en laten deze zorg ook nu, als in den
beginne, aan de Perm. Kommissie over, met dringend verzoek, dat de wedervereeniging dier kinderen toch zoodra mogelijk plaats moge hebben.’
25
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 26
‘Touw met knopen’
Ook na de ‘wedervereeniging’ van de kinderen zal er nog een hoop gecorrespondeerd worden over huisverzorgers tussen Monnickendam en de Maatschappij.
Het is leuk bedacht, maar het systeem blijkt in de praktijk zelden te voldoen.
Achteraf zal de Maatschappij toegeven dat ‘kinderen ingedeelt bij liederlijke
huisgezinnen, in plaats van beter, slechter wierden’. Een Monnickendamse,
Lijsbet of Lijsje Karres, heeft als huisverzorger ‘een verlopen schoolmeester’. In
oktober 1822 wordt hij weggestuurd, want hij had ‘een der bij hem ingedeelde
weesmeisjes met een touw met knopen zodanig geslagen dat rug en armen daar
van geheel blauw waren’. Het valt niet te achterhalen of Lijsbet het slachtoffer
was of een ander meisje.
Het kan ook goed gaan. Over de huisverzorger bij wie de meeste Monnickendamse wezen zitten, Johannes Ebert uit Den Haag, is nooit een kwaad woord
vernomen. In 1824 krijgt hij een onderscheiding voor zijn werk, in zijn eigen
woorden ‘ter belooning van iver en vlijt’. En de Monnickendamse wees Hendrik
Meijer schrijft: ‘bevinden mij thans nog ten huize van Jan Ebert, alwaar ik de
minste klagten niet heb in te brengen’.
De door Monnickendam in de begindagen opgezonden gezinnen bevalt het
toch wel zo goed op de kolonie dat ze zich vaak door hun kinderen laten opvolgen. De zoon van Jan Jansz Meij heet ook Jan en wordt kolonist als zijn vader er
te oud voor geworden is. De hoeve van Arie van Galen wordt voortgezet door
zoon Johannes Lambertus. Bij de families Vreeling en Groenewoud ligt het iets
ingewikkelder en daarmee wil ik dit artikel besluiten. Ook om te laten zien dat
er op sommige terreinen niets nieuws onder de zon is.
Overspel
Uit akten van de burgerlijke stand waarbij zij over en weer als getuigen optreden, blijkt dat de Vreelings en Groenewouds elkaar in Monnickendam al goed
kenden. Ze gaan tegelijk naar Drenthe en wonen vanaf juni 1820 bij elkaar in de
buurt op de kolonie. In 1830 overlijdt vader Groenewoud en in oktober 1839
wendt zijn weduwe zich tot de subcommissie Monnickendam. Ze meldt dat
haar enigste dochter van plan is het huwelijk te treden met een zoon van de kolonist Vreeling en ze vraagt of dat jonge stel in haar plaats kolonist kan worden.
Daar heeft niemand iets tegen. In april 1840 trouwen de 26-jarige Jan Willems
Vreeling en de 30-jarige Neeltje Groenewoud, die gezien het tijdstip waarop
hun kind geboren wordt tijdens de trouwerij al een maandje of drie zwanger is.
De hoeve wordt op hun naam overgeschreven. Maar dan... meldt zich een ander
buurmeisje.
26
VOM_jaarboek08_KOLONIEN:M'damboek
12-05-2008
16:32
Pagina 27
warm om het hart
Geertje Atsma is 23 jaar en omdat zij ‘door onzedelijke omgang met den kolonist Jan Vreelink, zich reeds sedert January ll in eenen zwangeren toestand bevindt’ komt zij september 1840 voor de koloniale tuchtcolleges. ‘G. Atsma binnen geroepen zijnde, bekent zij haar misdrijf, daarbij te kennen gevende, dat
hij haar, na alvorens haar in die toestand te hebben gebragt, had verlaten, zich
vervolgens had opgehouden met zijne tegenwoordige vrouw Neeltje Groenewoud, waarmede hij in april jl is gehuwd, en welke zich ook reeds voor het huwelijk in eenen zwangeren toestand bevond.’
Natuurlijk moet dan ook Jan Willems Vreeling verschijnen en uit de verslagen
blijkt dat hij vooral staat te schutteren en weinig talent heeft om zich hier uit te
kletsen. Bij de onderzoekscommissie: ‘Daarna komt J. Vreelink binnen, hem de
verklaring van G. Atsma mede deelende ontkend alles, doch het blijkt uit zijne
verwarde antwoorden; en zijn geheel uiterlijk getuigt genoegzaam dat hij zich
wel schuldig gemaakt heeft aan een onzedelijke verkeering.’
En bij het college dat de straffen uitdeelt, vergaat het hem niet beter. ‘J. Vreelink
binnengeroepen zijnde, wil zich verontschuldigen, ofschoon op eene wijze,
waaruit zijne schuld genoeg blijkt.’
Tegen dergelijke escapades treedt de Maatschappij rigoureus op. Jan Willems
Vreeling wordt voor drie jaar ondergebracht in een ‘strafkolonie’, mét Neeltje
Groenewoud en een zoontje dat drie dagen na de tuchtzitting is geboren. Ook
Geertje Atsma wordt daar gedetineerd en bevalt kort daarop van een dochtertje.
En hoewel iedereen wel beter weet, wordt die bij de burgerlijke stand ingeschreven met de melding ‘vader onbekend’.
Wil Schackmann is schrijver van het boek De proefkolonie, vlijt, vaderlijke tucht en het algemeen
erkend weldadig karakter onzer natie, over de begindagen van de Maatschappij van Weldadigheid,
uitgeverij Mouria, 2006. Net als het boek is ook dit artikel gebaseerd op het archief van de
Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186. Voor dit artikel is met
name de ingekomen post van de permanente commissie gebruikt, de invoernummers 48–73.
Bij het gedeelte over de families Vreeling en Groenewoud is mede gebruik gemaakt van de
gegevens van genealogisch onderzoeker Jan Vreeling en van de verslagen van de Raad van
Politie en Tucht, Drents Archief 0186-1616..
Voor meer informatie: er bestaat een museum gewijd aan de landbouwkoloniën, de Koloniehof
te Frederiksoord.
Enkele nuttige internetadressen: www.drentsarchief.nl – www.mvwfrederiksoord.nl –
www.dekoloniehof.nl – www.deproefkolonie.nl.
27
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
28
12-05-2008
16:38
Pagina 28
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 29
De herkomst van Houtzaagmolen ‘De Vriendschap’
J. de Haan/ V.P. Keesmaat
In het jaarboek van de vereniging Oud Monnickendam van 2003 staat een uitgebreid artikel van de hand van L. Appel met de titel De geschiedenis van houtzaagmolen ‘De Vriendschap’.1 Hierin geeft hij aan dat de vroegste aanduiding van de
molen, die toen nog ‘De Bonsem’ heette, voorkomt in een oud belastingboek
van Monnickendam. Vanaf het jaar 1766 moest door Albert van Wallendal belasting worden betaald voor de houtzaagmolen aan de Kloosterdijk. Gegevens
over de herkomst of het bouwjaar van de molen waren verder niet bekend.
Dhr. J. de Haan uit Ilpendam heeft zo’n 20 jaar geleden archiefonderzoek in de
Ilpendamse belastingboeken gedaan. Hierin vond hij destijds gegevens betreffende een zeskante houtzaagmolen die in Ilpendam ‘bij de brug aan de Jaagweg’ stond. Toen hij kortgeleden het artikel van L. Appel las, ging bij hem een
belletje rinkelen, met name toen zijn oog viel op het jaartal 1766. Hij haalde zijn
oude aantekeningen erbij. Hieruit kwam naar voren dat de zeskante houtzaagmolen die ooit in Ilpendam stond, op 20 december 1765 aan Albertus Wallendal
was verkocht en vervolgens naar Monnickendam was vervoerd. Afgaande op het
artikel van L. Appel kon het niet anders dan om molen ‘De Vriendschap’ gaan.
Deze bleek voordat hij in Monnickendam terecht kwam dus in Ilpendam te
hebben gestaan!
Deze ontdekking wilde dhr. de Haan niet onthouden aan allen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van houtzaagmolen ‘De Vriendschap’ en daarom
volgen hieronder een aantal letterlijke aantekeningen uit de Ilpendamse belastingboeken. De aantekeningen laten zien hoe de molen eind 17e en begin 18e
eeuw al een aantal keren van eigenaar wisselde. De vroegste datum waarin de
molen wordt genoemd is 1648.
In het boek ‘ Rekeninge van 1647 tot 1648’ wordt vermeld dat ‘Hendrik Jeronimus in
Manelingh d.d. 28 April 1648, verkrijgt een saagmeulen en erf te Ilpendam.’
29
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 30
In 1693 wordt de molen door Trijntje Coels aan Gerrit Claesz. Gruijs verkocht.
24-10-1693
Taxatie van de roerende goederen van een Saagmolen tot Ilpendam.
Folio 222-V
Taxatie: Op verzoek van Trijntje Coels, weduwe en boedelhoudster van
wijlen Pieter Coel, te Ilpendam en Gerrit Claesz Gruijs te Oostzaan.
Transactie: de roerende goederen van een zaagmolen te Ilpendam; bij de
brug aan de Jaagweg met desselfs schuijt daartoe behorende. f375,-
24-10-1693
Opdracht van de voorschreeven Saagmolen.
Folio 222-V
Verkoper: Trijntie Coels, weduwe en boedelhoudster van wijlen Pieter Coel,
te Ilpendam
Koper: Gerrit Claesz Gruijs te Oostzaan.
Transactie: Een Saagmolen met zijn erven en loodsen, schuit, en wat er verder bij is. bij Ilpendam bij de brug aan de Jaagweg. f 800,-
1693
Saagmolen te Ilpendam.
’t Oirconde hebben wij, Schout en Schepenen voort ten versoecke van de
Compt, elck onse zegelen hier beneden aengehangen desen 29 October 1693
Op de Kant der acte staat: Coop contant f 800,Gaat af voor roerende goederen volgens de hiervooren staande
Taxatie contant
f 375,blijft contant
f 425,-
In de Oud Rechtelijke Archieven, inventaris nr. 3643 (1686-1694), vinden we ook het
een en ander terug over de verkoop van de molen in 1693 door Trijntje Coels aan
Gerrit Claesz. Gruijs:
Taxatie van de roerende goederen van een zaagmolen te Ilpendam
Wij ondergesz, Schout, Schepenen en Secretaris van de vrije Heerlijkheid van Purmerend
ende Ilpendam, hebben ten versoecke van Trijntie Coels, wed en boedelhoudster van wijlen
Pieter Coel, woonende tot Ilpendam en Gerrit Claesz Gruijs woonende tot Oostzaan, getaxeert de roerende goederen van een Saagmolen staande tot Ilpendam bij de brugh aan de
Jaagweg met desselfs schuijt daartoe behorende, na dat nauw reguard van den inventaris
30
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 31
de herkomst van houtzaagmolen ‘de vriendschap’
derselver goederen hebbende genomen na de juiste waarde op f 375,- enz.
Gedaan 29 October 1693.
Opdraght van de voorz saagmolen.
Wij Olphert Spaniën Schout, Claas Jansz ende Cornelis Claesz Beste Schepenen van Purmerlant en de Ilpendam, doen condt dat voor ons compareerde Trijntie Coels, weduwe en
boedelhoudster van wijlen Pieter Coel, woonende tot Ilpendam, de welcke geliede en bekende voor haar ende haar erven ofte nacomers vercocht, opgedragen en in vrijen eijgendomme
getransporteerd te hebben, gelijk sij doet mits desen aen Gerrit Claesz Gruijs, woonende tot
Oostzaan. een saagmolen met sijn erve, loodsen, schuijt en verders wat daarbij is, staande
en leggende tot Ilpendam bij de brugh aen de Jaaghweg en de dat voor de somme van
aghthondert Car (Carolus) guldens daarvan sij compt ook bekende als voldaan en wel betaald te wesen den laatsten met de eersten penninck, scheldende daeromme de voors molen
ende erven in voegen als vooren mits desen Guijt aen handen voornt belovende deselve te
vrijen ende waaren voor alle nameningen, actiën, opseggen en de oude brieven naar sistantie ende costume onser voors dorpen, onder verbant van haar Compt persoon ende alle haare
goedere ende sonder argh ofte liste.
Detail kaart houtzaagmolen te Ilpendam
31
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 32
In 1722 wordt de molen door de weduwe van Gerrit Claesz. Gruijs verkocht aan
Albert Booker en Claesz. Bon uit Oostzaan.
Verkoop van de Zaagmolen te Ilpendam.
Inventaris. No 3646
12-09-1722
Folio 25. v.
Verkoper: Jan van Keeren uit Oostzaan in opdracht van Wumpje Jans
Weduwe van Gerrit Claesz Gruijs en Guertje Huijgens, weduwe van Claas
Gerritsz Gruijs, beiden te Ilpendam.
Kopers: Albert Booker en Claesz Bon, beide uit Oostzaan
Transactie I:
Transactie II
Een zeskante zaagmolen met een woon en zomerhuisje
en haar erven, de houtloodsen, schuur, schuijten huijs,
en alle verdere gereedschappen.
bewesten de Trekweg bij Ilpendam.
Burgemeester Dirk Goud zijn land ten Zuiden
Wouter Ariaensz van der Meer ten Noorden.
Een erf met daarop staand wagenhuis in het dorp
Ilpendam.
Cornelis Rinkel ten Zuiden – Adam Thijsz Gorter ten
Noorden
Samen f6200,12-09-1722
Hijpotheek op de zaagmolen te Ilpendam.
Inventaris no 3646.
Folio 26-R.
Hijpotheek: f3100,- ten laste van Albert Booker en
Claesz Bon. Beide uit Oostzaan.
Geldschieter:
Wumpje Jans, weduwe van Gerrit Claesz Gruijs en Guurtje Huijgens, weduwe van Claas Gerritsz Gruijs beide te Ilpendam.
Onderpand:
Een zeskante zaagmolen met een woon en zomerhuisje en haar erven de
houtloodsen, schuur en schuijtenhuis en alle verdere gereedschappen, bewesten de Trekweg.
Burgemeester Dirk Gout zijn land ten Zuiden
Wouter Ariaensz van der meer ten Noorden.
Bij akte van 12 September 1722 Kochten Claes Bon en Albert Booker, beide
32
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 33
de herkomst van houtzaagmolen ‘de vriendschap’
wonende te Oostzaan de zeskante houtzaagmolen, houtloodsen en erve, als
mede de gereedschappen, volgens inventaris van Wumpje Jans, weduwe
van Gerrit Claes Gruijs en Geurtje Huijgens, weduwe van Claes Gerritsz
Gruijs, beide wonende te Ilpendam
De Koop van dit huis en erf met de molen enz
f 6200,of de roerende goederen
f 1500,blijft voorhuis, erf en molen
f 4700,De inventarislijst vermeldt:
de As, de Kruk, de ramen, de raderen en 11 zeilen, enige Krui en voortouwen
6 zagen
Lang 5 1/2 voet
23 zagen
Lang 4 1/2 voet
geklust.
26 zagen
Lang 4 voet
2 nieuwe zagen
Lang 4 1/2 voet, ongeklust
2 nieuwe zagen
Lang 4 voet.
1 trekzaag, 1 handzaag, 36 hangelse, 4 zetijzers, 8 balkijzers
4 mokers, 1 koevoet, 1 dommekracht, 3 kettinghaken, 1 stropketting
4 kunste, 2 bijlen, 1 dissel, 1 gootdissel, 1 nijptang, 1 beitel, 1 avegaars,
6 balkrammen, 4 tasthaken, 6 lange balkhaken, 1 lange boom, 1 sleij,
2 Houtschuiten met een zeil en hetgeen er bijhoort, 2 jaaglijnen, 1 jeijn,
voorts touwen, vijlen, klossen, wiggen, schotels en houtjes.
Zeskante Houtzaagmolen te Ilpendam 1753
33
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 34
In 1731 wordt de molen door Krijn Maartensz Louw gekocht van Albert Bookers
en Jacob Bon. In 1728 had de gemeente Ilpendam verboden dat er op het erf of in
de houtzaagmolen werd gerookt. De molen wordt in 1731 ‘de Jonge Boom’ genoemd. Het lijkt voor de hand te liggen dat de naam ‘De Bonsem’2 hier zijn oorsprong vindt. Ook lijkt de naam van de eigenaar Jacob Bon (of Boon) hiermee te
maken te hebben.
13-3-1728
Marijtje Boon bezat 1/4 deel in de Houtzaagmolen tot een bedrag van
f 1000,- blijkens de taxatie van 3 Maart 1728
16-4-1728
In de Vergadering van Bailliuw, schout en Burgemeesteren schepenen en
Vroetschappen van Purmerland en Ilpendam op het Raedhuijs te Purmerland gehouden op 16 April 1728 de willekeur aangevuld met een artikel dat
het een ieder verboden werd op het erf of in de Houtzaagmolen te roken.
02-06-1731
2 Juni 1731 kocht Krijn Maartensz Louw de Houtzaagmolen voor f 5850,van Albert Bookers en Jacob Bon (of Boon).
2-7-1731
Blijkens taxatie akte van 2 Juli 1731 Liet Gerrit Claesz Bon (of Boon) na de
helft in de zeskantige Houtzaagmolen genaamd ‘de Jonge Boom’
toen de Zoon van B(o)on +/- 1730 op de molen kwam.
02-06-1731
Verkoop van een zaagmolen te Ilpendam.
Folio 281-V
Verkoper: Albert Booker en Jacob Bon. beide uit Oostzaan.
Koper: Krijn Maartensz Louw. uit Ilpendam
inventaris no 3646
Transactie: Een zeskante zaagmolen bewesten de Trekweg te Ilpendam.
Het land van Burgemeester Dirk Gout ten Zuiden
f 5850,de Wed van Jan Woutersz van der Meer ten Noorden.
Hijpotheek op een Zaagmolen te Ilpendam.
02-06-1731
Hijpotheek: f 4000,- ten laste van Krijn Maartensz Louw uit Ilpendam.
Folio 282 R
Geldschieter: Mevr: Joanna Hooft vrouwe der Heerlijkheid Purmerland –
Ilpendam.
Onderpand: Een zeskante zaagmolen bewesten de Trekweg bij Ilpendam
34
VOM_jaarboek08_ZAAGMOLEN:M'damboek
12-05-2008
16:38
Pagina 35
de herkomst van houtzaagmolen ‘de vriendschap’
Het land van Burgemeester Dirk Gout ten Zuiden
de Wed van Jan Woutersz van der Meer ten Noorden.
In 1765 wordt de molen verkocht door Krijn Louw aan Albertus Wallendal, regerend burgemeester te Monnickendam. De molen wordt vervolgens naar Monnickendam vervoerd.
Verkoop van een Zaagmolen te Ilpendam
inverntaris no 3679
20-12-1765
Verkoper: Crijn Louw, uit Ilpendam.
Koper: Albertus Wallendal, (regerend Burgemeester te Monnickendam.)
Transactie: Een zeskante zaagmolen met al zijn gereedschappen alsmede
Loodsen en stalling staande op de molenwerf, de houtschuit, en de houtwagen met haar toebehoren en een chais (sjees)
Gelegen tot Ilpendam aan de Jaagweg.
Het land van Willem Gout ten Zuiden
en het huis van de verkoper ten Noorden.
f 4000,Clausule: De koper zal met toestemming van de Heeren gecommitteerde raden, de staten van Holland en West-Friesland, en het NoorderKwartier, de Molen met toebehoren mogen vervoeren van Ilpendam
naar Monnickendam.
Misschien vraagt u zich af hoe zo’n molen vervoerd kon worden? Volgens dhr.
de Haan konden de molens uit die tijd binnen een week tijd gedemonteerd en
daarna dus goed vervoerd worden. Zo werd de Monnickendamse zaagmolen ‘de
Noordstar’, gelegen aan de Noordercingel, in 1799 verkocht door Jacob Teengs
en vervoerd naar Oude Pekela!3
Noten
1
Vereniging Oud Monnickendam, Jaarboek 2003, blz. 92 t/m 99
2
Zie Jaarboek 1999, blz. 110 en Jaarboek 2003 blz. 93 en 99
3
Vereniging Oud Monnickendam, Jaarboek 1999, blz. 110/111.
35
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 36
1. De Faam van de Speeltoren, zoals ze maar door een enkeling wordt gezien.
36
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 37
Vragen aan de Faam
de Speeltoren en zijn geschiedenis tot 1600
i
Henk Verhoef
In 1624 schrijft Constantijn Huygens een aantal lofdichten op de steden en dorpen van Holland, die later zullen worden gepubliceerd als Stede-stemmen en Dorpen. Het is een prachtige verzameling door de klassieken geïnspireerde, hooggestemde poëzie, die eerder werd beschreven in het Jaarboek 2006.ii Huygens laat
Monnickendam over zichzelf zeggen:
’t Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam
Die van een Monick-Meer wel eer sijn Doopsel nam.
Meer eertijds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baeren
Van baeren ingeslockt? als minder Visschen vaeren
Van die haer meerder zijn? En, vraegh ick ’t oock de faem,
’k En leere geen bescheid van d’ouder baeren naem.
Al vult ghy dan mijn’ Schild, staet buyten halve-Paepen:
Om blijven dat ick ben, behoev’ ick meer als ’t gaepen,
Mijn’ Borgers moeten bey Godsdienstigh zijn en koen;
Hun wel-zijn hanght gelijck aen ‘t Bidden en aen ’t doen.iii
Het gedicht is, zoals de traditie van het stededicht het voorschrijft, een ingewikkeld spel met woorden, waarin een aantal regels is gewijd aan de naam van de
stad. Hoe het daarmee zat blijft onduidelijk, want de stad komt er niet achter
hoe het Monnikenmeer vroeger heette, ook al vraagt ze het de faam. Dat laatste
is opvallend. De faam wordt nergens anders in de Steden-stemmen en Dorpen genoemd, en heeft hier zelfs een zekere nadruk. Nu hoeven we bij Huygens niet
aan toeval te denken. Kan hij de Faam bedoeld hebben die op de Speeltoren
ieder uur op haar trompet blaast? Mij lijkt zoiets zeker niet onmogelijk: het
beeldje was, toen Huygens het gedicht schreef, nog geen dertig jaar oud, en het
was een opvallend onderdeel van het uur- en speelwerk van de stadstoren, een
modern en prestigieus ensemble in het hart van de stad.
Fama is in de klassieke mythologie de godin van de roem, het gerucht en de verspreider van het nieuws. Als iemand op de hoogte zou moeten zijn, dan was zij
het wel. Maar helaas, de Monnickendammer Faam spreekt niet, en dus komt
Huygens niet verder. Ook wij zouden wel het een en ander aan de Faam te vra37
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 38
gen hebben, want grote delen van de geschiedenis van de Speeltoren zijn in
duister gehuld. Zou het mogelijk zijn daarin wat meer licht te laten schijnen?
Onderstaand wil ik een bescheiden poging doen. Daarbij wil ik steeds de gegevens die we uit de archieven kennen, in verband brengen met de toren en de
klokken zelf. Ik vraag het als het ware de Faam. Maar anders dan Huygens doe
ik dat als beiaardier, bespeler van het wonderlijke instrument dat de Speeltoren
zijn naam gaf, en daarmee vaste bezoeker van haar verblijfplaats – wie weet wil
zij mij toch iets onthullen.
De Beiaard of het carillon, uitvinding van de Lage Landen
Het idee om melodieën op klokken te spelen is al heel oud. Al meer dan 1000
jaar v. Chr. werden voor dat doel in China bellen in reeksen gemaakt. Maar de
beiaard – een instrument dat bestaat uit in een toren opgehangen klokken, die
worden bespeeld door een automatisch speelwerk of met de hand door middel
van een klavier – is een uitvinding van de lage landen. Hier komt de beiaard in
de veertiende en vijftiende eeuw tot ontwikkeling. Daarbij zijn er twee belangrijke lijnen.iv
De eerste is die van het zgn. automatisch spel. Nadat aan het eind van de dertiende
eeuw het mechanische uurwerk wordt uitgevonden, maakt de uurwerktechniek een snelle ontwikkeling door, en rond 1380 hebben de meeste Nederlandse
steden een uurwerk, dat de officiële tijd aangeeft. Het is geplaatst in een toren, om de hele
stad te kunnen ‘bestrijken’. Er
zijn nog geen zichtbare wijzers; het uursignaal wordt gegeven op een klok.v Een mooi
voorbeeld van zo’n klok is de
uurklok van het stadhuis in ’sHertogenbosch, waarvan het
randschrift luidt: ‘Ic heit Maria
d’oercloc [uurklok] / die lude
staen na mi op / ic werd ghesclaghen van desen werck [= het
uurwerk] / daerom ben ic groet
ende sterc.’ Al in diezelfde tijd
2. Illustratie uit een vijtiende-eeuwse Franse bewerwerden hier en daar aan het
king van het ‘Horologium Sapientiae’ van Henricus
uurwerk een paar kleine klokSuso. Het hier getekende uurwerk heeft naast de
jes toegevoegd, om voorafuurklok twee kleine klokjes voor de voorslag.
38
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 39
vragen aan de faam
gaand aan de uurslag enkele tonen te laten horen. Zo’n signaal – de ‘voorslag’ –
waarschuwde de stadsbewoners dat het uur zou gaan slaan; iets waarvan we de
zin nog altijd goed kunnen begrijpen, want ook wij kunnen nog de ervaring
hebben dat we verrast worden door een slaande klok, zodat we te laat zijn om
het aantal slagen te tellen. In de Nederlanden werden voorslagen vanaf ongeveer 1450 algemeen. [afbeelding 2] Dikwijls vinden we een getal van vier klokjes, een quadrille of quadrillon, de oorsprong van het woord carillon. (Een modern,
en zeker het beroemdste voorbeeld van zo’n quadrillon is natuurlijk de Londense
Big Ben!) In de tweede helft van de vijftiende eeuw werd het aantal klokken van
de voorslag geleidelijk groter, en de toonhoogte kon nauwkeuriger worden bepaald zodat ze in plaats van een min of meer willekeurig signaal, een melodie
konden laten horen. Rond 1500 is het aantal tonen gegroeid tot zes, en dertig
jaar later hebben veel voorslagen twaalf tot vijftien klokken. Tegen die tijd is
ook het mechanisme waarmee de melodieën worden gespeeld, verfijnd. Er is
een grote metalen cilinder (een ton of trommel) met pennetjes, die via hefbomen
en draden een aantal aan de buitenkant van de klokken aangebrachte hamers in
beweging brengen – ongeveer zoals een moderne speeldoos. De pennetjes van
de trommel zijn verstelbaar, zodat de beiaard van tijd tot tijd een andere melodie kan laten horen (beiaardiers spreken over het ‘versteken’ van de trommel; de
melodie heet een ‘versteek’). Hoeveel indruk een dergelijk mechaniek maakte,
blijkt uit een bericht uit 1532, toen in Hoorn ‘het Nieuwe Uyrwerk eerst [begon]
te slaen, ook met sijn halfuyren en quartieren: zijnde ’t selve ... seer constelijck
gewrocht en soo gemaekt, dat men daer alderley Voysen op stellen mogt’.vi En
geen wonder; de speeltrommel is een prachtig systeem, verfijnd en robuust tegelijk, dat in de eeuwen erna nog wel werd uitgebreid en vervolmaakt, maar in
wezen tot aan de komst van de computer onveranderd bleef. Naast die van Monnickendam zijn in Nederland nog tientallen oude speeltrommels bewaard en in
gebruik, zoals de beroemde zeventiende-eeuwse trommel op het Koninklijk Paleis te Amsterdam, of die uit de achttiende eeuw in Nijkerk.
De tweede lijn is die van het handspel. In de middeleeuwen werden klokken niet
alleen geluid of aangeslagen, er werd ook op gebeierd. Beieren wil zoveel zeggen
als het tot klinken brengen van een aantal klokken door met een touw de klepels naar de klokkenwand te trekken. Talloze miniaturen laten zien hoe een beierman met touwen aan handen en voeten een aantal klepels bedient, om een ritmisch spel te laten horen op de klokken. Het luisterrijke effect kwam van pas bij
grote feesten, of intochten en processies.vii In de Oosterse kerk bleef het beieren
de normale manier van klokkenluiden, en wie vandaag de dag in Rusland rondreist, kan virtuoos beierwerk tegenkomen. Maar ook in Scandinavië, in Italië of
Portugal wordt hier en daar nog gebeierd.viii Parallel aan de ontwikkeling van
de voorslag zien we dat in onze streken op een zeker moment de beiermannen
39
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 40
herkenbare melodieën laten horen. Zo schrijft
de Excellente cronike van Vlaenderen (1531) bij het
jaar 1478:
In desen tijd woonde een Jonckman te Duynkercke, ende
was daer clockluydere, ghenaemt Jan van Bevere, dye
welcke op syne clocken speilde alle maniere van ghestelde liedekins, ende alle hymnen, ende sequencien, Kyrieleison, ende alle kerckelicke sanghen. Twelcke men daer
te voren noeyt gheoort en hadde, ende was een grote nyeuwicheyt, ter eeren van Gode.ix
De nieuwigheid kan er heel goed in gelegen
hebben, dat Jan van Bevere een mechaniek had
bedacht om de klokken te bespelen, oftewel een
klavier. Het lijkt er sterk op dat inderdaad in die
tijd in de Zuidelijke Nederlanden de eerste beiaardklavieren weren gemaakt. Zekerheid hebben we pas in 1510, toen in Oudenaarde negen
‘weckerkins’ (kleine klokjes) werden voorzien
van een ‘clavier in torrekin om te beyaerden’x –
een klavier dus, en we mogen aannemen dat het
vergelijkbaar is geweest met het nog altijd
gangbare stokkenklavier.
Zo waren rond 1500 het automatisch spel en het
handspel bij elkaar gekomen, waarmee de beiaard een echt muziekinstrument was geworlarités’ van Jacques Cellier (1583).
den. Een instrument dat, zoals uit het bovenstaande blijkt, zowel carillon, beiaard of klokkenspel mag heten. Ontwikkeld
in het zuiden – het toenmalige culturele zwaartepunt van de Nederlanden –
verspreidde het zich snel in alle delen van de Lage Landen. We hebben nog gegevens van een dertigtal beiaarden die tussen 1520 en 1600 voor Noord-Nederlandse steden zijn gegoten. Naast het al genoemde Hoorn zijn dat bijvoorbeeld
Enkhuizen (1524), Haarlem (1526, 11 klokken), Alkmaar (1536 Kapelkerk, 9; 1541
H. Geesthuis, 11; 1543 Grote Kerk, 9), Zierikzee (1554, 14), Edam (1561, 16), Amsterdam (1563 Stadhuis, 13; 1566 Oude Kerk, 13) en Leiden (1585, 14). Zonder twijfel zijn er meer beiaarden geweest dan we nog kunnen achterhalen, en het is aan
te nemen er in de Noordelijke Nederlanden rond 1600 een kleine honderd
waren.xi Aan de jaartallen is te zien hoe de beiaard in de zestiende eeuw geleide3. ‘Recherche de plusieurs singu-
40
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 41
vragen aan de faam
lijk aan was gegroeid naar een omvang van veertien tot zestien klokken. Daarbij
is het opvallend dat juist enkele belangrijke steden relatief laat in de rij verschijnen. De reden is dat daar dikwijls voorslagen uit de vijftiende eeuw aanwezig waren, die natuurlijk niet onmiddellijk werden vervangen; een voorbeeld
van de wet van de remmende voorsprong!xii Anderzijds waren er nogal wat
plaatsen waar men het niet bij een enkele beiaard liet. Zo voorzag Middelburg
in 1594 de Abdijtoren van een ‘zeeker accordt van clocken, zoo de geheele ure,
half ure end voorts omme te baeyeren’. Het was ten minste het derde spel dat
Middelburg aanschafte, en het tweede in die stad dat een ‘steekspel’ kreeg, bestaande uit ‘mannekens ende peerden’.xiii
Het is in deze context dat in de jaren 1590 ook Monnickendam een nieuw carillon kreeg. Een wat uitvoerige schets van die context leek me van belang, om het
Monnickendammer spel beter te kunnen plaatsen. En misschien kunnen we,
door het te vergelijken met andere, een antwoord formuleren op enkele van de
vragen die rond dit spel en de toren waarin het hangt, leven.
De oudste geschiedenis van de
Monnickendammer Speeltoren
4. De Speeltoren vanaf de Middendam, ca. 1990.
Vanaf 1586 spreekt het stadsbestuur van Monnickendam over een
nieuw uurwerk en een nieuwe beiaard, op te hangen in de toren van
het stadhuis.xiv Om het spel te kunnen ophangen, wordt er in 1591 een
nieuwe houten bekroning op de
bestaande torenromp gezet. [afbeelding 4] Hoe de toren er tot die
tijd uitzag, wanneer hij eigenlijk
werd gebouwd, en hoe het zat met
dat stadhuis, is even intrigerend als
duister, want er zijn nauwelijks of
geen geschreven bronnen, en het
stadhuis is in 1814 gesloopt. Algemeen wordt aangenomen dat het
de oude parochiekerk was, die na
de bouw van de Grote Kerk overbodig werd, en op enig moment in gebruik werd genomen als raadhuis.
41
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 42
5. Het middeleeuwse raadhuis van Beverwijk (gesloopt in 1868) was vermoedelijk als gasthuis
gebouwd. Aquarel van De la Chambre, uit 1775.
Dat dat vóór de Reformatie moet zijn geweest, blijkt uit de kaarten van Jacob
van Deventer, die het gebouw op de driesprong van Kerkstraat, Noord- en Zuideinde rond 1560 aanduidt als ‘Civita domus’.xv Omdat we weten dat met de
bouw van de Grote Kerk kort na 1400 is begonnen, zou de oude kerk, en daarmee ook de toren, dateren uit de veertiende eeuw. Appel neemt vervolgens voor
de ingebruikname als stadhuis het jaar 1425 aan.xvi
Vanzelfsprekend moet het veertiende-eeuwse Monnickendam een parochiekerk hebben gehad, en het ligt voor de hand dat het een stenen gebouw is geweest, midden in de stad. Zo’n kerk zal georiënteerd zijn geweest, en inderdaad
was het stadhuis een langgerekt gebouw dat in de richting oost-west stond, met
de toren aan de westkant.xvii Dat een stadhuis werd gevestigd in een bestaand
gebouw was in de vijftiende of zestiende eeuw niet ongebruikelijk, zie bijvoorbeeld de situatie in Hoorn, Amsterdam of Beverwijk.xviii De toren zou al voor die
tijd als stadstoren in gebruik kunnen zijn geweest: er zijn talloze gevallen waarin het stadsuurwerk met zijn slagklokken in een centraal gelegen kerktoren
werd geplaatst.
Toch blijven er ook veel vragen onbeantwoord. Voor een parochiekerk, ook van
een klein stadje, was het eenbeukige gebouwtje dat het stadhuis was, wel bij42
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 43
vragen aan de faam
zonder klein. Het was wel langer, maar niet breder dan een gewoon woonhuis.
Het gebouw paste keurig in het regelmatige verkavelingspatroon en aan de
strakke rooilijn van het Noordeinde, en de kaart van Jacob van Deventer suggereert dat dat halverwege de zestiende eeuw ook al zo was. Maar middeleeuwse
kerken stonden vrij, en het is in allerlei gevallen juist opvallend hoe het stratenen verkavelingspatroon van een stad zich als het ware om zo’n gebouw plooide.xix Hier lijkt het gebouw in een bestaande verkaveling te zijn ingepast. Dat
geldt nog sterker voor de toren, die terzijde van de westgevel is geplaatst, wat
hoe dan ook voor een middeleeuws kerkgebouw ongebruikelijk is. Vreemd is
ook de plaats van de kerk ten oosten van het Noordeinde, dat in de Middeleeuwen een zeedijk was.xx Men zou een kerkgebouw verwachten op enige afstand
van die dijk, en in het westen, de landzijde. Dat is dan nog los van de vraag of
het centrum van het veertiende-eeuwse Monnickendam hier eigenlijk wel
lag.xxi Dan is er de verbouwing tot stadhuis. Zoals gezegd weten we dat stadhuizen nogal eens in bestaande gebouwen werden ondergebracht, bijvoorbeeld een
groot woonhuis, zoals het Raithuijs van Hoorn, of een gasthuis. Dat laatste gebeurde zelfs opvallend vaak: zowel in Amsterdam, Beverwijk [afbeelding 5] als
in Edam.xxii Maar mij is uit de tijd vóór de Reformatie geen geval bekend waarin
er een kerk voor werd gebruikt. Als er al een kerkelijke ruimte werd gebruikt,
was er toch van ontwijding geen sprake, zoals de geschiedenis van het Amsterdamse stadhuis laat zien. Dat werd in 1492 uitgebreid door het naastgelegen St.Elisabethgasthuis erbij te trekken. Hoewel de kapel van het gasthuis in gebruik
kwam als vergaderzaal, werd er tot aan de alteratie van 1578 dagelijks een mis
gelezen.xxiii Een kerk in het centrum van Monnickendam zal dus evenmin zijn
ontwijd, maar zo’n dubbelfunctie valt voor het gebouw dat we op de vogelvluchtkaart van Blaeu zien – in feite niet meer dan een ruim woonhuis – nauwelijks aan te nemen.xxiv
De moeilijkheid is dat de theorie dat de Speeltoren ooit deel uitmaakte van de
eerste kerk van Monnickendam, steunt op niet meer dan één enkele bron, namelijk het rapport uit 1813 over de toestand van het oude raadhuis. Daarin
schrijven de opstellers, Jan Schaap en Pieter Mooij, dat het gebouw ‘ogenschijnlijk van de 14e of 15e Eeuw [is] en wel eer tot een Capel of kerk ingerigt.’ Ook
heeft het gebouw ‘oude glazen aan weerzijden, die daerin zijn na kerksgewijzen’.xxv Dat is natuurlijk erg vaag; waaraan zagen Schaap en Mooij dat het gebouw ooit een kerk was? En wat betekent het dat de glazen ‘na kerksgewijzen’
zijn? De middeleeuwse ziekenzaal van het Amersfoortse St.-Pietersgasthuis
lijkt ook op een kapel of een kerk, en als met ‘na kerksgewijzen’ wordt bedoeld
dat de ramen spitsbogen of stenen harnassen hadden, dan waren ze niet anders
dan de vensters van De Moriaan in Den Bosch of het raadhuis van Gouda.
43
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 44
Mij lijkt dat een aantal vragen kan worden opgelost door er eenvoudigweg van
uit te gaan dat het stenen gebouw waarin tot 1814 het stadhuis was gevestigd,
nooit een kerk is geweest. De noodzaak van een vroege datering vervalt dan, en
de eigenaardigheden van de plattegrond, de inpassing in het verkavelingspatroon, de aanwezigheid van een toren en zijn plaats terzijde van het huis, laten
zich soepel verklaren. Al die gegevens passen immers niet of nauwelijks bij een
kerkgebouw, maar wel heel goed bij een gemiddeld raad- of stedehuis. Zulke
gebouwen zijn in de Hollandse steden
aan te wijzen vanaf ongeveer 1400, en
rond 1460 hadden ook de kleinste stadjes een raadhuis, in de meeste gevallen
een stenen gebouw.xxvi Het Monnickendammer stadhuis voldoet moeiteloos
aan het beeld: een stenen huis met een
langgerekte plattegrond, in lijn met de
overige bebouwing, in het handelscentrum van de stad. [afbeelding 6] We
zouden kunnen veronderstellen dat
het uit 1450 dateerde. De toren zal tegelijkertijd zijn gebouwd, of, als het huis
al ouder was, zijn toegevoegd op het
moment dat het als stadhuis ging dienen. Een toren in de nabijheid van het
stadhuis was immers noodzakelijk om
6. De Speeltoren en het raadhuis van
het officiële uurwerk te kunnen plaatMonnickendam, op de vogelvluchtkaart
sen. En waar geen kerktoren in de
van Joan Blaeu, na 1660.
buurt was, werd een stadhuistoren gebouwd. Als de Speeltoren inderdaad als stadstoren is gebouwd, valt niet alleen
de plaatsing naast de voorgevel van het stadhuis, maar ook de positie in het stratenpatroon veel beter te begrijpen: zichtbaar vanuit de drie hoofdstraten van de
stad, op een restruimte in de verkaveling. De parallel met het Amsterdamse
stadhuis is te opvallend om hier niet te noemen. Het is een parallel die nog
terug zal komen.
Met dit alles ligt natuurlijk wel de vraag naar de oudste parochiekerk weer
open. Maar waarom zou die niet op de plaats van de Grote Kerk hebben kunnen
staan? Die kerk staat weliswaar aan de rand van het zestiende-eeuwse Monnickendam, maar het begin van de nederzetting wordt op goede gronden in de
buurt van de Grote Kerk vermoed, en Addy van Overbeeke noemt de Zarken als
mogelijke plaats voor de veertiende-eeuwse voorganger van de sluis in de Mid44
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 45
vragen aan de faam
dendam.xxvii Een eerste parochiekerk kan dus ook wel in die buurt hebben gestaan. Maar als het een houten gebouw was, zal het niet eenvoudig zijn er iets
van terug te vinden.
De zestiende eeuw
Wellicht komen er in de toekomst nog gegevens boven water die meer duidelijkheid bieden over de geschiedenis van de Speeltoren tot 1500. Tot die tijd
moeten we het doen met veronderstellingen en gissingen. Vastere grond krijgen we in de zestiende eeuw. Het het de moeite ook voor die periode de gegevens die we hebben nog eens tegen het licht te houden. Zo is er de halfuurklok
van Geert van Wou en Johannes Schonenborch, gegoten in 1513. Het ligt voor de
hand een verband te leggen met de grote stadsbrand, die in dat jaar woedde.xxviii
De Speeltoren, temidden van de houten huizen, kan zwaar beschadigd zijn en
de klokken verwoest. Na de brand zal het opbouwen van de toren, met uurwerk
en klokken, prioriteit hebben gehad. En kennelijk hadden de bestuurders van
Monnickendam kennis van zaken; ze wendden zich tot de beroemdste klokkengieter van zijn generatie. De klok verraadt in het randschrift niets over zijn bestemming. Het is zelfs een vrij algemeen randschrift, dat past bij een slagklok,
maar ook bij luidklok. De klok zal dus niet specifiek voor Monnickendam gegoten zijn, en kan uit voorraad gekocht zijn. xxix Maar zou men het bij een enkele
klok hebben gelaten? Van Wou goot allerlei klokken, en maakte ook een heel
aantal voorslagen, in een tijd dat iedere Hollandse stad wel zo’n serie klokken
in de toren had hangen. Zou het niet denkbaar zijn, of zelfs waarschijnlijk, dat
de Van Wou-klok er oorspronkelijk een was van een serie, laten we zeggen twee
slagklokken en een voorslag van zes kleinere klokken, do-re-mi-fa-sol-la?
De gewone plaats voor een voorslag is bovenin de toren, in een bekroning of een
spits met een opengewerkt gedeelte. Het is een type architectuur dat vooral in
de Noordelijke Nederlanden een rijke ontwikkeling heeft gekend. Al in 1929
bracht Ter Kuile die in verband met de grote verspreiding van voorslagen en
beiaarden, in een studie die nog altijd zijn geldigheid niet heeft verloren.xxx Ter
Kuile ziet het begin van de ontwikkeling in de eerste decennia van de zestiende
eeuw, bij de eenvoudige opengewerkte spitsen van de raadhuistorens in Amsterdam, Rotterdam en Schoonhoven. [afbeelding 7] Zulke spitsen zijn tamelijk
algemeen geweest. Een frappant voorbeeld staat trouwens op een steenworp afstand van de Speeltoren, in Broek in Waterland. Hoewel niet ouder dan de zeventiende eeuw, suggereert de stijl dat men bij de bouw het model aanhield van
de in 1573 verwoeste toren. Mij lijkt dat ook de Speeltoren tussen 1513 en 1591
zo’n eenvoudige lantaarnspits had. Ik meen zelfs een afbeelding te hebben ge45
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 46
7. Het oude stadhuis van Amsterdam, op een gravure van Claes Jansz. Visscher,
1610. Zowel de toren als de opengewerkte spits dateerden vermoedelijk uit het
midden van de vijftiende eeuw. In de spits zijn de speel- en slagklokken te zien.
De klokken waren uit 1563, maar al voor die tijd zijn er betalingen aan
‘beiermannen’ bekend, zodat wel vaststaat dat er al eerder een beiaard of
voorslag hing.
46
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 47
vragen aan de faam
8. Uitsnede uit de kaart van de Monnickendammer ban, getekend door Bartelmieus de Vijl (1589).
vonden, namelijk op de kaart van de Munnekedammer Ban Binnen Waterlant, getekend door Bartelmieus de Vijl in 1589.xxxi Hoewel schematisch, tekent De Vijl
duidelijk een spits op de Speeltoren, en dat kan niet de huidige zijn, want die
werd pas eind 1590 aanbesteed. [afbeelding 8]
Als in de spits van de Speeltoren inderdaad een voorslag van Van Wou heeft gehangen, dan waren de klokken er al uitgehaald toen Bartelmieus de Vijl hem tekende. In 1573 besloot het stadsbestuur namelijk, door de oorlogsomstandigheden gedwongen, ‘alle de clocken’ te verkopen. Van het geld legde men ‘twee
hondert gulden’ opzij, en de rest werd ‘van stonden aen [gegeven] om cruyt.’xxxii
Al met al moet er zeker vijfhonderd kilo brons zijn omgesmolten.xxxiii De al genoemde halfuurklok bleef gespaard. Ze heeft de namen IHSUS MARIA IOHANNES, namen die horen bij de grootste klok in een toren, of de laagst klinkende
klok van een serie. Oorspronkelijk zal ze dus als uurklok hebben gefunctioneerd. Het ligt ook voor de hand dat juist die klok werd gespaard; men zal de
tijd toch zo duidelijk mogelijk hebben willen blijven aangeven. Ze zal ook als
brandklok hebben gediend, en kon dus niet worden gemist. Ook de luidklok in
de toren van de Grote Kerk moet aan de smeltkroes zijn ontsnapt, ten minste tot
1590, wanneer men besluit om ‘de groote Clock’ door Thomas Both in Utrecht te
laten ‘vergieten’. Dat het gaat om de klok voor de Grote kerk, blijkt uit het feit
dat de kerkmeesters eraan meebetalen, en uit latere gegevens kunnen we afleiden dat het werkelijk een grote klok was, van bijna 3.000 kilo. xxxiv
47
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 48
Al met al lijkt het er op dat in 1573
de twee grootste klokken van de
stad werden uitgezonderd, en dat
een aantal kleinere zijn omgesmolten. Zo gebeurde het trouwens in diezelfde tijd op allerlei
plaatsen in het Noorderkwartier;
de klokken werden verkocht, of
gebruikt om geschut te maken,
maar steeds bleef er ten minste
één in de toren hangen.xxxv Het is
een gegeven waaruit niet rechtstreeks de aanwezigheid van een
voorslag in de Speeltoren valt af
te leiden, maar dat er in ieder
geval niet mee in tegenspraak is.
Is er dus ten aanzien van de spits
en de klokken weinig zekerheid,
wat betreft het stadsuurwerk
mogen we veilig aannemen dat
het vanaf 1513 in de Speeltoren
stond. Via een kleine omweg le9. De bekende prent van Cornelis Pronk, 1726.
vert de klok van Van Wou daarvoor een aanwijzing. Ze heeft namelijk wel ooit een klepeloog gehad, maar het
ontbreken van sporen aan de slagring bewijst dat er nooit een klepel in heeft gehangen. De klok is, kortom, altijd slagklok geweest, en dus onderdeel van een
uur- of speelwerk. Omdat we ervan mogen uitgaan dat de klok vanaf het begin
in de Speeltoren heeft gehangen, valt daaruit ook de aanwezigheid van een uurwerk af te leiden.
Ten slotte is er nog een bouwkundig spoor dat ik in verband zou willen brengen
met deze periode in het bestaan van de Speeltoren. Daarvoor moeten we kijken
naar de blindnissen van de romp. Die zijn aangebracht aan drie kanten, terwijl
de noordkant helemaal vlak is. Dat is goed te begrijpen, want de zuid- en oostkant zijn zichtbaar vanaf de Haven en de Middendam, terwijl de noordkant altijd schuilging achter een hoog dak. Maar waarom is de meest zichtbare gevel
van de toren, de westkant, bovenaan vlak? We zouden kunnen denken aan een
verbouwing, want Cornelis Pronk tekent in 1726 wel degelijk een nis op deze
plaats. [afbeelding 9] Maar niets in het muurwerk wijst erop dat hier in de achttiende of negentiende eeuw een nis is uitgevuld, en het is ook niet goed te bedenken waarom dat dan zou zijn gebeurd. Mij lijkt dat dit vlakke stuk muur
48
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 49
vragen aan de faam
een spoor kan zijn van het oude uurwerk, dat in 1591 werd vervangen. Als we de
nieuwe torenbekroning uit dat jaar wegdenken, en er een eenvoudige lantaarnspits voor in de plaats stellen, is het vlakke stuk gevel aan de westkant namelijk
een uitgelezen plaats voor een wijzerplaat. Zulke wijzerplaten aan buitengevels
zijn in ons land aan te wijzen vanaf het einde van de vijftiende eeuw, en een tijd
lang werd er niet meer dan één aangebracht, op de romp van de toren aan de
kant die het best zichtbaar was.xxxvi [afbeelding 10] Daarbij is interessant dat bij
bestaande torens de wijzerplaat dikwijls gedeelten van blindnissen of vensters
bedekte – zie bijvoorbeeld het Amsterdamse stadhuisxxxvii – terwijl er bij nieuwe torens in de architectuur rekening mee werd gehouden. Zo bezien kan de
vlakke westkant van de Monnickendammer Speeltoren niet veel ouder zijn dan
de eerste decennia van de zestiende eeuw. Maar moeten we dan het stenen gedeelte als geheel ook in die
periode dateren? Dat hoeft
niet, als we in aanmerking
nemen dat, zoals bij de restauratie van 1976 is ontdekt,
het bakstenen gedeelte van
de Speeltoren een buitenmantel heeft ter dikte van een
halve steen.xxxviii Zou de toren
na de stadsbrand van 1513
kunnen zijn gerepareerd
door er een mantel omheen te
zetten, en dat men bij die gelegenheid het bovendeel van
de westkant vlak heeft gemaakt, om een ondergrond te
hebben voor de eerste wijzerplaat in de Monnickendammer buitenlucht?
10. Op een schilderij uit 1490 van de Meester van de
Lucialegende heeft de stadstoren van Brugge, het
Belfort, een prominente wijzerplaat. Het is een van de
vroegste afbeeldingen van zo’n buitenwijzerplaat.
Al met al kom ik op een scenario waarin de Speeltoren,
gebouwd als stadstoren in de
vijftiende eeuw, tijdens de
grote brand van 1513 zwaar
beschadigd raakte. Bij de herbouw werd de romp ommanteld, waarbij rekening ge49
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 50
11. De torenbekroning van de Amsterdamse
Oude Kerk, het meesterwerk van Joost
Jansz. Bilhamer uit 1566. Bilhamer slaagde
erin het traditionele gegeven van de
lantaarnspits en de moderne vormentaal
van de Renaissance op een overtuigende
manier samen te brengen. De toren werd
het voorbeeld voor een reeks andere; van de
navolgingen is de Monnickendammer
Speeltoren wel de sierlijkste.
houden werd met de komst van een
wijzerplaat. Er kwam een nieuw
uurwerk, met twee slagklokken en
een voorslag, gegoten door Geert
van Wou en diens compagnon Johannes Schonenborch. De voorslag
kwam in een lantaarnspits te hangen, vergelijkbaar met die van het
Amsterdamse stadhuis. In 1573 verkocht men noodgedwongen alle
klokken op één na, en tot de komst
van de nieuwe torenbekroning en de
beiaard van Van den Ghein, hing alleen de uurklok nog in de spits.
De nieuwe torenbekroning,
het uurwerk en de klokken
De houten torenbekroning en de
klokken van Van den Ghein zijn al
eerder besproken in het jaarverslag
van de Vereniging Oud Monnickenxxxix
dam.
Hier wil ik me beperken tot wat losse zaken, die het beeld kunnen vervolledigen. Allereerst is er de bekroning zelf. De al genoemde Ter Kuile heeft op
de verwantschap met de in 1566 gebouwde spits van de Amsterdamse Oudekerkstoren gewezen.xl Die zal in Monnickendam inderdaad wel als voorbeeld
hebben gediend, iets wat zichtbaar is aan de manier waarop de lantaarns, de
tussenverdiepinkjes en de bekronende ui zijn vormgegeven. [afbeelding 11] Een
van de opzienbarende vernieuwingen in de Amsterdamse bekroning zijn de
50
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 51
vragen aan de faam
vier wijzerplaten, die, in aediculae geplaatst, hier voor het eerst prachtig zijn
geïntegreerd in de architectuur van de spits. Ook dat is in Monnickendam nagevolgd, vanzelfsprekend op kleinere schaal. Zoals gezegd was het aanbrengen
van 0wijzerplaten aan vier kanten een betrekkelijke nieuwigheid aan het eind
van de zestiende eeuw. En zoals vaker gingen nieuw en oud hand in hand. Want
hoe revolutionair de plaats van de wijzerplaten in het ontwerp voor de Oude
Kerk in dit opzicht ook was, de beschildering ervan bleef tot ver in de zeventiende eeuw traditioneel: in het midden een zon met afwisselend rechte en golvende stralen, en eromheen een cijferring met gotische cijfers.xli Niet eerder dan het
midden van de zeventiende eeuw komen cijferringen met Romeinse cijfers in
de mode, en dan verdwijnt ook de zon. Maar de kleurigheid blijft, en talloze
schilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw laten zien hoe wijzerplaten
eruit zagen: een zwarte ring, afgebiesd met goud en met gouden cijfers, op een
gekleurde achtergrond. De egaal zwarte platen komen pas in de allerlaatste
jaren van de negentiende eeuw in de mode. Toen dan ook in 2003 de Speeltoren
werd geschilderd, zijn op mijn voorstel de platen kleurig beschilderd. Op grond
van afbeeldingen van torens in Amsterdam en Noord-Holland meende ik dat
voor de achtergrond rood de meest waarschijnlijke kleur was. Pas nadat de wijzerplaten waren geschilderd vond ik een schilderij van Cornelis Springer, die de
Speeltoren inderdaad met rode wijzerplaten afbeeldt.xlii [afbeelding 12] Het
schilderij, uit 1882 laat trouwens ook zien dat de houten balustrade en een deel
van het loodwerk van de bekroning waren geschilderd in een zandsteenkleur.
De nieuwe bekroning werd gebouwd in de loop van 1591. Nog diezelfde zomer
gingen de burgemeesters kijken naar een uurwerk dat in Schoonhoven te koop
was, maar ze gingen niet op het aanbod in en bestelden in Delft een nieuw uurwerk. Een jaar later bleek de uurwerkmaker te zijn overleden. De overeenkomst
werd ontbonden, en de burgemeesters sloten op 4 september 1592 een nieuwe,
met Roeloff Othszn. te Amsterdam.xliii Uit de tekst van de overeenkomst blijkt
dat er al wat onderdelen klaar waren, die mr. Roeloff overnam. Mooi is ook te
zien hoe men rekening hield met de krappe ruimte van de Speeltoren; meteen
na de inleidende zinnen wordt ‘expresselyk geconditioneert dattet werck sal
staen aen twee parthijen, het een bouen t’ander’. Zo kwamen het gaande werk en
de speeltrommel op de tweede verdieping van de toren te staan, en de twee slagwerken op de verdieping erboven – een unieke oplossing, die ik nog nooit ergens anders ben tegengekomen. Mr. Roeloff leverde verder ‘alle appendentien
ende ancleuen’, zoals de hamers voor de klokken en ‘t’clauier voor aende ton
leggende’, dat wil zeggen de rij stalen hefboompjes bij de speeltrommel, die
door de op de trommel gezette stiften in beweging worden gebracht. ‘Ende belooffde mr Roeloff dattet heel uijr, ende halff uijr perfectelijck sal slaen voor Alderheijligen [1 november] xv c, drie en tnegentich toecomende, ende het Voor51
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 52
12. ‘De Waag en de Oude Stadhuistoren te Monnikendam bij zomer’,
schilderij van Cornelis Springer, gedateerd 1882.
slach sal gemaect wesen int voor Jaere Anno xv c vier en tnegentich’. Opmerkelijk is nog dat het contract kennelijk ook buiten Monnickendam bekend was. In
1596 bestelde de stad Utrecht namelijk een nieuw uurwerk voor de Dom bij
Joris Lievensz. in Schoonhoven. Waarschijnlijk was het diezelfde uurwerkmaker waar de Monnickendammer burgemeesters in 1591 waren wezen kijken. Lievensz. moest het uurwerk maken ‘in conformite vant besteck tusschen die van
Munnickendam ende den meester [= Roeloff Othsz.]’xliv
De klokken voor de voorslag of beiaard waren besteld bij Thomas Both in
Utrecht, en bleven buiten de opdracht aan mr. Roeloff. De burgemeesters beloven de uurwerkmaker namelijk dat hij niet op de klokken zal hoeven wachten.
52
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 53
vragen aan de faam
Mochten die onverhoopt toch te laat komen, dan krijgt mr. Roeloff evengoed op
tijd zijn eerste termijn betaald.xlv De clausule bleek niet vergeefs te zijn opgenomen, want begin 1595 was er nog geen klok te bekennen. Inmiddels was de klokkengieter – l’histoire se repète – al sinds 1593 niet meer in leven. In de zomer van
1595 schrijft zijn zoon Hendrik, die de zaak had overgenomen, een brief waarin
hij erop wees dat hij ‘nu geleden twe Jaere’ bezoek had gehad van ‘eenighe heeren’ uit Monnickendam. xlvi Ze hadden beloofd hem te schrijven en het geld te
betalen dat hij nog van de kerk tegoed had. Sindsdien had hij niets meer gehoord, en nu wilde hij het contract dat destijds met zijn vader was gesloten wel
uitvoeren, maar alleen als Monnickendam ‘hondert daelder’ extra zou betalen,
vanwege de gestegen materiaalprijzen. De burgemeesters doen nog een voorstel om eruit te komen, maar uiteindelijk besluit men de overeenkomst te ontbinden.xlvii
Hendrik Both wilde dus de afspraak die met zijn vader was gemaakt niet zonder
meer nakomen, omdat het materiaal duurder was geworden. Dat is op zich niet
onbegrijpelijk, want de bronsprijs steeg in die jaren inderdaad fors.xlviii Maar
wat had dat bezoek van die ‘heeren’ ermee te maken, en hoe zat het met dat geld
van de kerk? Het is interessant dat we uit de archieven weten dat zo’n bezoek inderdaad eind 1592 of begin 1593 kan hebben plaatsgehad. Zoals eerder ter sprake kwam, had Thomas Both in 1590 opdracht gekregen de luidklok van de Grote
Kerk te hergieten. Die was pas in 1592 klaar, en in de vergadering van 21 juli besloot het stadsbestuur de klok te laten halen.xlix De kerkmeesters, die liever helemaal niet hadden willen meebetalen, hebben maar weinig geld in kas; ze ‘sullen opbrengen tgeene zij hebben’ en de burgemeesters schieten de rest voor.
Kennelijk is daarmee naderhand toch iets mis gegaan, zodat de klok in 1595 nog
altijd niet volledig was betaald. Intussen liep de bestelling voor de speelklokken toch ook al sinds 1591, want we mogen ervan uitgaan dat de klokken min of
meer tegelijk met het uurwerk werden besteld. Maar terwijl in de vergadering
van 21 juli wel over het uurwerk werd gesproken, kwamen de speelklokken niet
aan de orde. Dat is ook niet onlogisch; de burgemeesters zullen eerst een oplossing hebben willen zoeken voor de levering van het uurwerk, voordat er eventueel nieuwe afspraken over de speelklokken zouden worden gemaakt. Die oplossing was er al enkele weken later, toen op 4 september een nieuw contract met
mr. Roeloff werd gesloten. Op dat moment was het zinnig een nieuwe termijn
te gaan vastleggen voor de levering van de klokken. Het ligt dan ook voor de
hand dat ook daarover tijdens het bezoek aan Hendrik Both is gesproken, en dat
de brief waar hij vervolgens twee jaar vergeefs op wachtte, ermee te maken had.
Terwijl de geschiedenis met de grote luidklok in feite los stond van de opdracht
voor de speelklokken, bracht de gieter ze, niet onbegrijpelijk, met elkaar in verband, en hij gaf de opdracht terug.
53
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 54
Maar hoe zit het dan met de uurklok in de Speeltoren, ook van Thomas Both?
Minder zwaar dan de klok van de Grote Kerk, is het toch ook een forse verschijning, om en nabij de 2.000 kg. Hoewel daarvan geen archiefstukken bewaard
zijn, meen ik dat die klok in 1591, tegelijkertijd met de nieuwe bekroning in opdracht is gegeven, en nog hetzelfde jaar gegoten en afgeleverd. De logica daarvan is dat de twee grootste klokken, half- en heeluurklok, niet anders dan tegelijk met de bouw van de houten constructie kunnen zijn opgehangen – ze kunnen immers met geen mogelijkheid tussen de stijlen van de lantaarn door. De
halfuurklok was voorhanden, en de heeluurklok moest dus klaar zijn vóór de
bekroning kon worden opgebouwd. Pas nadat Thomas Both de uurklok had gemaakt, begon hij aan de klok van de Grote Kerk, en mede door de moeilijkheden
die daarbij optraden, ging de levering van speelklokken uiteindelijk niet meer
door.
De uurklok van de Speeltoren is de op een na grootste klok die van Thomas Both
bewaard bleef; een prachtige klok met een sonoor geluid. Het lijkt erop dat de
gieter de klok heeft willen aanpassen aan de oude uurklok van Van Wou en
Schonenborch, die nu halfuurklok werd. De diameter van de nieuwe klok is namelijk anderhalf keer die van de oude, wat erop wijst dat het interval tussen de
twee klokken een kwint had moeten worden. Maar door het zware ‘profiel’ van
de uurklok is de toon wat hoger. De slagtoon van de uurklok is d1 (bij a1=440
Hz), terwijl de slagtoon van de Van Wou-klok iets boven gis1 ligt. Het mooie
randschrift – O PASSI GRAVIORA DABIT DEUS HIS QUOQUE FINEMl – had
Both eerder gebruikt, bij de beiaard die hij in 1588 voor de stad Vlissingen had
gegoten. Het stadsbestuur van Vlissingen had bepaald dat die regel op iedere
klok moest komen. De Hoornse beiaardier Jurriaan Spruyt vertaalde het in 1750
als: ‘O gij die veel swarigheeden geleden hebt. God zal van deze Uwe elende ook
een eijnde maken’.li Net als de halfuurklok heeft de uurklok wel sporen van een
klepeloog, maar geen sporen aan de slagring, zodat vaststaat dat ook in deze
klok nooit een klepel heeft gehangen. lii
Uiteindelijk werden de speelklokken in Mechelen gegoten door Peter [Peeter]
van den Ghein, telg uit een trots geslacht van klokkengieters en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de grote Mechelse traditie. Van den Ghein
levert 15 klokken, met als (klavier-)tonen c (slagtoon a1, 440 Hz), d, e, f, g, a, bes,
b, c1, d1, e1, f1, fis1, g1 en a1.liii Ze zijn, zoals gebruikelijk bij Van den Ghein,
prachtig gedecoreerd met bladmotieven, engelenkopjes, cartouches en medaillons. En natuurlijk is er de traditionele letterrand aan de kop van de klok, het
randschrift. Die randschriften zijn de enige bron waaruit we de naam van de
gieter kennen; in de archieven is er niets over te vinden. Maar er is nog meer in
te lezen. Allereerst is het opvallend dat de klokken drie verschillende jaartallen
54
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 55
vragen aan de faam
hebben: er is een klok uit 1595 (klaviertoon d), een uit 1597 (klaviertoon a1), de
overige zijn uit 1596. De klok uit 1595 heeft naast het randschrift, met de naam
van de gieter en het jaartal, op de flank een variant van een van de meest gangbare klok-opschriften: VIVOS VOCO DEFUNCTOS PLANGO FULGURA FRANGO VOX MEA VOX VITE VOCO VOS AD SACRA VENITE. Dat het opschrift zo
algemeen is, maakt het waarschijnlijk dat deze klok, de oudste van de reeks,
niet speciaal voor Monnickendam is gemaakt, maar bij de gieter in voorraad
was op het moment dat het spel werd besteld. Zo niet de grootste klok van de
reeks, klaviertoon c. Die klok heeft op de flank de namen IAN DIRRICK SOEN ·
13. Begin van het opschrift van de klok met klaviertoon g, met onder de tekstrand het
borstbeeld van Sint Pieter.
SIMON HAIT · PIETER CLAESSOEN · IAN SIMON SOEN, een opschrift dat
natuurlijk duidt op een in opdracht gegoten klok. Deze klok is uit 1596, net als
de klokken e tot en met g1. Het lijkt er dus op dat een enkele maanden tevoren
gegoten klok tot uitgangspunt is genomen, die vervolgens werd beschouwd als
tweede klok van de reeks, de d. Er werd een c aan toegevoegd met de namen van
de burgemeesters die de opdracht hadden gegeven, en een aantal kleinere klokken voor de overige tonen. In de reeks die zo tot stand kwam, is de vijfde klok
(met klaviertoon g) een bijzonderheid. Deze heeft als enige een naam gekregen:
PEETER BEN IC VAN PEETER VANDEN GHEIN GHEGOTEN INT IAER ONS
HEEREN MCCCCCLXXXXVI. Bij het begin van het opschrift is onder de rand
een borstbeeld van St. Petrus aangebracht. [afbeelding 13] Een eerbetoon van de
55
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 56
gieter aan zijn patroonheilige? De burgemeesters zullen er niet mee hebben gezeten, net zo min als het medaillon op de klok met klaviertoon e, waar de afgebeelde vorst nauwelijks een ander kan zijn dan Philips II. Dan is er de klok a1,
die uit 1597 is. Ik zou geneigd zijn te denken aan een hergieting. In die tijd was
men wel in staat klokken op toon te gieten, dan wel na het gieten enigszins in
toon te corrigeren, maar de kunst van het klokkenstemmen stond nog in de kinderschoenen.liv Het kwam dus dikwijls voor dat een of meer klokken niet goed
in de reeks pasten, en opnieuw moesten worden gegoten. Dat zou met de a1 heel
goed het geval geweest kunnen zijn, zeker omdat bij speelklokken de kleine
klokjes eerder moeilijkheden gaven dan de grote. Ik zou dus geneigd zijn 1596
aan te houden als jaar waarin de beiaard werd voltooid.
Het ruiterspel en de Faam
De Monnickendammer Speeltoren kreeg niet alleen een nieuw uurwerk en een
beiaard, er werd ook een ruiterspel gemaakt. Zulke automatisch bewegende figuren waren in die tijd niet ongewoon. De al genoemde Middelburgse Abdijtoren had net een jaar eerder een ruiterspel gekregen, en ze zijn ook te zien in Alkmaar,’s-Hertogenbosch, Heusden en Zaltbommel. In Middelburg spreken de
archieven over een ‘steekspel’,lv en inderdaad is het de verbeelding van een zo’n
14. Een van de ruiters, gezien van binnen uit de toren. Links op de vloer ligt de orgelpijp die het
trompetgeluid geeft.
56
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 57
vragen aan de faam
wedstrijd, waarbij twee ridders proberen elkaar uit het zadel te wippen. [afbeelding 14] Maar steekspelen bestonden aan het eind van de zestiende eeuw niet
meer. Misschien moeten we de ruiterspelen dan ook zien als herinnering aan de
kleurrijke wereld van het toernooi, in een tijd dat het oorlogsbedrijf een heel
wat grimmiger gezicht had gekregen.
Veel zeldzamer, en van een wel heel andere afkomst, is de Faam, die al aan het
begin van dit artikel stond. De opvallende verschijning wordt door veel Monnickendammers de ‘engel’ genoemd. Ieder uur blaast ze op haar trompet, om
het aantal uren aan te geven.lvi
Dat de gevleugelde figuur inderdaad vrouwe Fama voorstelt, is te
zien aan haar onmiskenbaar
vrouwelijke trekken. Het geluid
van de trompet komt van een orgelpijp op de bodem van het huisje waarin de ruitertjes draaien,
die lucht krijgt uit een kleine
blaasbalg met een ingenieus mechaniek. De huidige Faam is gesneden door Klaas Roos in 1984,
als kopie van het beeldje dat
tegen het eind van de negentiende eeuw gemaakt moet zijn door
Chris Boerlage, en dat op zijn
beurt wel weer een kopie zal zijn
geweest van een nog ouder exemplaar. lvii De Faam van Chris Boer15. Vrouwe Fama, getekend door Virgil Solis
lage kreeg bij de restauratie van
(1514-1562).
de beiaard in 1976 wel een nieuwe
laag verf, maar was in 1983 al in zo slechte staat dat ze van de toren werd gehaald
en geconserveerd. Ze staat nu opgesteld in Museum De Speeltoren, na haar
trompet ten minste vier en een half miljoen maal te hebben opgetild...
Vrouwe Fama is van hoge geboorte, een dochter van Jupiter. [afbeelding 15] Haar
naam betekent in het Latijn roep, gerucht of ook wel reputatie. Ze woont op
hoge plaatsen en torens. Vergilius benadrukt haar twijfelachtige kanten:
Fama, de snelste van alle plagen ter wereld. Bewegelijkheid is haar kracht, die door het
voortgaan vermeerdert. Aanvankelijk klein door vrees, verheft zij zich snel in de lucht en
gaande over de grond bergt zij het hoofd tussen de wolken. Haar heeft eens, zo vertelt men,
57
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 58
Moeder Aarde, in woede ontstoken tegen de goden, als laatste kind gebaard, een zuster van
Coeus en Enceladus; snel zijn haar voeten, vlug haar vleugels, een groot en gruwelijk monster. Zoveel veren er zijn op haar lijf, zoveel wakende ogen (een wonder om te verhalen)
schuilen daaronder, zoveel tongen en monden praten, zoveel oren spitst zij. ’s Nachts vliegt
zij krijsend door het donker tussen hemel en aarde, niet sluit zij haar ogen in zoete slaap.
Overdag zit zij op wacht op de nok van een dak of op hoge torens; zij verschrikt grote steden,
even verzot op laster en leugen als bereid tot het vertellen van waarheid.lviii
Ook bij Ovidius is haar paleis een plaats waar het niet per se goed toeven is:
Er is een plek die in het midden ligt van zee en aarde
en hemelbanen - een grenspunt van een driegedeeld heelal.
Vandaar wordt alles opgemerkt, hoe ver, hoe afgelegen
dan ook, en holle oorgewelven vangen elk geluid.
Vrouw Fama heerst er in een woonkasteel, dat zij liet bouwen
op ’t hoogste punt, met talloos vele openingen en
duizenden poortingangen, nooit met deuren afgesloten:
het huis is dag en nacht geopend en geheel van brons
dat echoot; alom klinkt het en weerklinkt het en verklankt het
wat het maar hoort. Nooit is er stilte binnen, en nergens rust.
Toch heerst er geen lawaai, ’t is meer geruis van fluisterstemmen,
zoals een golvenzee kan klinken, als je die van ver
beluistert, of zoals de nagalm van een verre donder
wanneer door Jupiter met donkere wolken wordt gedreund.
Binnen zijn volle zalen, schimmig volk, dat in- en uitloopt,
overal rondhangt, duizenden geruchten door elkaar,
valse en ware, die een stroom aan praatjes rond doen waaien.
Een deel van hen vult holle oren met gefluisterd nieuws,
dat dan weer snel wordt doorgegeven met een groeiend aantal
verzinsels; elke nieuwe bron breidt de geruchten uit.
Daar wonen Lichtgelovigheid, het blinde Misverstand,
ijdele Blijdschap en door angst ontketende Paniek,
spontaan Protest en Fluisterpraat van dubieuze afkomst
en dus Vrouw Fama zelf, die al wat zich in lucht, op zee
of aarde afspeelt ziet en nieuws vergaart door heel de wereld. lix
In de Renaissance krijgt vrouwe Fama een wat andere rol. Ze is nog altijd een indrukwekkende figuur, maar de nadruk komt meer te liggen op haar functie als
neutrale brenger van het nieuws, zowel het slechte als het goede. In afbeeldingen is ze altijd gevleugeld, en dikwijls heeft ze twee bazuinen bij zich, als aan58
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 59
vragen aan de faam
duiding van het goede en het slechte nieuws. Ze komt vliegend aangesneld, of
staat met een voet op een wereldbol. Prachtige voorbeelden van zulke afbeeldingen zijn bijvoorbeeld te vinden in de uitgaven van Sigmund Feyerabend,
een drukker uit het Frankfurt van de late zestiende eeuw, die de Faam – een passend symbool voor een uitgever – had gekozen als merk. [afbeelding 16] Het
spreekt vanzelf dat Fama ook een hoofdstuk kreeg in Cesare Ripa’s De Iconologia,
de beroemde gids waarin kunstenaars konden vinden hoe bepaalde zaken
moesten worden afgebeeld. Het werk verscheen in 1593, en had in heel Europa
tot ver in de achttiende eeuw groot gezag. Volgens Ripa wordt ‘Fama of Gerucht’ afgebeeld als:
Een Vrouwe met een dun kleed, dwars over, tottet midden van de beenen opgeschort, als of zy
luchtigh wilde loopen, hebbende twee groote vleugels, en over al sullen pluymen en oogen,
monden en ooren zijn. Zy hout in de rechter hand een Trompet, gelijckse Virgilius
beschrijft.lx
16. Drukkersmerk van Sigmund Feyerabend, gesneden door Jost Amman, ca. 1580.
59
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 60
De trompet, die zien we ook in Monnickendam. Maar de Monnickendammer
Faam heeft bovendien in de linker hand een gebladerde tak, die ook op enkele
van Feyerabends drukkersmerken te zien is. Om de verklaring van dat attribuut
te vinden moeten we Ripa nog wat verder volgen. Nadat hij dezelfde verzen uit
Vergilius’ Aeneis heeft geciteerd die ook boven zijn aangehaald, beschrijft hij
een aantal meer gespecialiseerde gedaanten van de godin, waaronder ‘Fama
Buona, een goed Gerucht of Naem’ en ‘Fama cattiva, de snoode Faeme’. De eerste
wordt afgebeeld als:
Een vrouwe met een Trompet in de rechter hand, en in de slincker een Olijftack, hebbende
aen den hals een goude keeten, alwaer een Hart aenhanght, hebbende witte vleugels aen de
schouderen. Het Trompet bediet het gemeen geroep dat door de ooren van de Menschen gespreyt wort. De Olijftack bediet de goedheyt van ‘t Geruchte, en d’oprechtigheyt van een vermaert Man, door treffelijcke wercken: want de Olijftack mette vruchten wort altijd ten
goede genomen. Want de H. Schriftuyre spreeckende van de Olijf, verstaende Christum,
seght, u Naem is als uytgestorte Oly . En David seght van de Olijven, zy is als een vruchtbaere Wijnstock in ‘t huys des Heeren: en door dese oorsaecke plachten oock de Oude haeren Iupiter met Olijftacken te kroonen, versierende dat hy de aldergoedste en aldervolmaeckste
was. Het hangende Hart aen den hals, bediet gelijck Orus Apollo seght het Gerucht of goede
Naem van een vroom Man. De witte vleugels bedieden de suyverheyd en snelligheyd van een
goede faeme.lxi
Zo begrijpen we dat de tak een olijftak moet zijn, maar ook dat we in Monnickendam te maken hebben met een goedaardig wezen. Geen schrikgodin, maar
een trouwe bode van het uur, en een verkondigster van de goede naam van de
stad en haar bestuurders. Dat mochten we ook eigenlijk wel verwachten – de
Monnickendammer burgemeesters zullen hun klassieken te goed hebben gekend om zich op zo’n belangrijk punt te vergissen.
Het is jammer dat de oorspronkelijke Faam niet is bewaard. We zouden kunnen
vermoeden dat het verfijnder gesneden is geweest dan het sympathieke, maar
eenvoudige beeldje in het museum. Het snijwerk zou geleken kunnen hebben
op dat van de ruitertjes, die voor het grootste gedeelte oud lijken te zijn. Ook
moeten we nu gissen hoe de Faam beschilderd was. Zouden bijvoorbeeld de
vleugels ogen hebben gehad, of waren ze wit geschilderd? Bij de laatste schilderbeurt zijn de aangetroffen kleuren gehandhaafd. Het is een voor de hand liggende kleurstelling, die heel goed terug kan gaan tot de oorspronkelijke. Wellicht dat het beeldje in het museum nog eens precies kan worden onderzocht.
60
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 61
vragen aan de faam
De oudste beiaard ter wereld
In Huygens’ lange leven maakte hij mee hoe de kunst van het klokkenstemmen
door de gebroeders Hemony werd geperfectioneerd. Was de beiaard van Monnickendam toen hij zijn Stede-stemmen en Dorpen schreef nog een modern instrument, aan het eind van zijn leven hadden de Hemony’s een nieuwe standaard
gezet. Hun klokken waren van een ongekende zuiverheid, en van een kwaliteit
die sindsdien wel is benaderd, maar nooit overtroffen. Het was dus niet meer
dan een vanzelfsprekende vooruitgang toen tientallen steden hun klokken
ruilden voor nieuwe. Ook in Monnickendam zijn er plannen geweest voor een
nieuw spel, maar er was uiteindelijk geen geld voor.lxii Zo bleef op meer plaatsen een carillon uit de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw bewaard,
en aan het begin van de twintigste eeuw waren er nog een achttal over, waaronder Zierikzee, Edam, Heusden en Oudewater. In het licht van de latere ontwikkelingen in de beiaardkunst hadden ze dan misschien wel wat van hun glans
verloren, maar het waren toch getuigen van een periode van anderhalve eeuw,
waarin die kunst tot ontwikkeling kwam en een eerste grote bloei doormaakte.
Het is dan ook niet goed te begrijpen waarom ze in de twintigste eeuw alsnog
het veld moesten ruimen, St. Maartensdijk nog in 1981!lxiii Alleen in Monnickendam bleef het ensemble volledig intact: het uurwerk met de speeltrommel en de
slagwerken, de klokken, die behalve door de trommel ook met de hand kunnen
worden bespeeld, alles op de oorspronkelijke plaats, in de toren die vanaf de
zestiende eeuw nooit is gewijzigd. Weliswaar is er van tijd tot tijd gerepareerd,
en af en toe werd een enkel onderdeel van het uurwerk vervangen. Bij een restauratie in 1927 voegde men twee klokjes toe met klaviertonen b1 en c2 (M. de
Haze, 1687).lxiv Al eerder was de poortklok, afkomstig van het oude stadhuis,
aan de noordmuur van de toren gehangen. Maar verdwenen is er niets, en zo is
Monnickendam de enige stad waar we ons nog een idee kunnen vormen over de
eerste bloeiperiode van de beiaardkunst. Over de oorsprong van de naam Monnickendam mag de Faam dan zwijgzaam zijn gebleven, ze verkondigt met
reden de roem van haar Speeltoren, de toren met de oudste beiaard ter wereld.
noten
i Dit artikel is een vervolg op een lezing die ik in januari 2008 voor de Vereniging Oud Monnic-
kendam hield.
ii A. VAN OVERBEEKE ‘Monnickendam in de Stedenatlas, gerijmd en ongerijmd’ in Jaarboek
van de Vereniging Oud Monnickendam 2006, p. 67-78.
iii Geciteerd naar de uitgave door C.W. DE KRUYTER (Zutphen 1981).
iv Over de ontwikkeling van de beiaardkunst A. LEHR, Van paardebel tot speelklok, de geschiedenis
61
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 62
van de klokgietkunst in de Lage Landen (Zaltbommel 1981); A. LEHR e.a., Beiaardkunst in de Lage Landen (Tielt 1991); en G. HUYBENS e.a., Beiaarden en torens in België (Gent 1994).
v Zie voor de geschiedenis van uurwerken en stadstorens G. DOHRN-VAN ROSSUM, Die Ge-
schichte der Stunde, Uhren und moderne Zeitordnungen (Wien 1992).
vi Geciteerd naar C. J. STINS, Geschiedenis van Hoorns klokken en beiaarden (Hoorn 1946), p. 9.
vii Onder andere beschreven door Commelin en Velius, geciteerd in Stins [n. 6], p. 10.
viii Lehr 1991 [n. 4] , p. 90 e.v.
ix Geciteerd naar Lehr 1991 [n. 4] , p. 94.
x Door alle schrijvers over de beiaard geciteerd, o.a. Lehr 1981 [n. 4], p. 163.
xi Lehr 1981 [n. 4], p. 167.
xii Zie bijvoorbeeld Amsterdam, waar vanaf
het begin van de zestiende eeuw van een ‘beyer-
man’ sprake is. B. BIJTELAAR, De Zingende Torens van Amsterdam (Amsterdam 1947), p. 56-57.
Overigens is in de periode erna lang niet altijd duidelijk of er nu wel of geen klavier is, omdat
in beide gevallen de naam ‘beyerman’ kon worden gebruikt. Pas het zeventiende-eeuwse ‘klockenist’ is ondubbelzinnig. Zie bijvoorbeeld de stukken uit Hoorn in C. VLAM en A. VENTE
(ed.) Bouwstenen voor een geschiedenis der toonkunst in de Nederlanden (Utrecht 1965), p. 115 e.v.
xiii A. LOOSJES, De torenmuziek in de Nederlanden (Amsterdam z.j. [1916]), p. 130.
xiv Zie ook ‘Restauratie Speeltoren’ in Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam 1976, p. 30-32; L.
APPEL, ‘De geschiedenis van de raadhuizen en de speeltoren in Monnickendam’ in Jaarverslag
Vereniging Oud Monnickendam 1987, p. 23-67; P. STOFFELS, ‘Het carillon’ in Jaarboek Vereniging Oud
Monnickendam 2001, p. 196-199. Waardevol, en onmisbaar vanwege de nauwgezette transcripties
van de relevante stukken zijn G. VERLOOP, Rondom het grote orgel van Monnickendam I (Schagen
2002) en G. VERLOOP, Rondom het grote orgel van Monnickendam II (Schagen 2003).
xv Appel 1987 [n. 14], p. 30.
xvi Appel 1987 [n. 14], p. 23-65.
xvii Appel 1987 [n. 14], p. 30 lijkt dit tegen te spreken, maar in de passage over de oriëntering
wordt niet duidelijk wat hij precies bedoelt.
xviii C. BOSCHMA-AARNOUDSE, Renaissance-raadhuizen boven het IJ (Zutphen 1992).
xix Zie bijvoorbeeld de Amsterdamse Oude Kerk; significant is ook de Nieuwezijds Kapel, die
juist begon als een niet-vrijstaand woonhuis, en duidelijk laat zien hoe in de veertiende en vijftiende eeuw een stratenpatroon zich aanpaste aan een kerk, in plaats van omgekeerd.
xx A. VAN OVERBEEKE, Monnickendam in Waterland, landschap en stadsbeeld vanaf de Middeleeuwen
(Utrecht 2005), p. 41.
xxi De sluis waarvan in 1316 sprake is lag in ieder geval niet op de plaats van de Middendam, zie
Van Overbeeke 2005 [n. 20], p. 42-43.
xxii Boschma-Aarnoudse [n. 18].
xxiii W. F. H. OLDEWELT, ‘Amsterdams oudste raadhuis’ in Jaarboek Amstelodamum 28 (1931), p.
13-28.
xxiv Een zekere gelijkenis met het Monnickendammer raadhuis had wel de St.-Jacobskapel in
Amsterdam, met name na de verbouwing tot woonhuis, toen de koorpartij was vervangen door
62
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 63
vragen aan de faam
een rechte achtergevel, maar de dakruiter was blijven staan. In die toestand is de kapel onder
andere op de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz. van Berckenrode (1625) te zien. Het feit
dat het gebouw in de huizenrij was opgenomen en aan de zeezijde van de Nieuwendijk stond
(en niet was georienteerd!), moet m.i. worden gezien als consequentie van de relatief late aanleg (1435) en de bescheiden positie van deze min of meer particuliere stichting in het kerkelijk
leven van de stad; zie M. CARASSO-KOK (red.), Geschiedenis van Amsterdam I, tot 1578, een stad uit
het niets (Nijmegen 2004). Die gegevens maken de St.-Jacobskapel fundamenteel verschillend
van de veronderstelde Monnickendammer ‘Kleine Kerk’, zodat de gelijkenis tussen de beide
gebouwen niet voldoende is om ook voor het raadhuis een kerkelijk verleden aannemelijk te
maken.
xxv L. APPEL, ‘Iets voor de opgravingscommissie?’ in Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam
1978. De door Appel van een apart blaadje overgenomen maten van het gebouw – ‘130 voet
breedtje van voren en agteren 250 voet diepte van voren tot agteren’ – zijn niet te begrijpen.
xxvi Boschma-Aarnoudse [n. 18].
xxvii Van Overbeeke 2005 [n. 20], p. 42-43; en Van Overbeeke 2006 [n. 2], p. 76.
xxviii Verloop 2002 [n. 14] noemt dit verband, zonder er consequenties aan te verbinden. Over
het jaar van de brand bestaat trouwens geen overeenstemming. Van Overbeeke 2005 [n. 20], p.
55 geeft 1514, maar in de eerste versie, A. VAN OVERBEEKE Monnickendam in Waterland (Utrecht
1988), p. 49, is dat nog 1513. Voor ons doel is het onderscheid niet wezenlijk, en hier is 1513 aangehouden, het jaar van de halfuurklok.
xxix Zie voor dit randschrift Stoffels 2001 [n. 14].
xxx E. H. TER KUILE, De houten torenbekroningen in de Noordelijke Nederlanden (Leiden 1929).
xxxi Afgebeeld in Van Overbeeke 1988 [n. 28], p. 16. Dezelfde afbeelding in de heruitgave, Van
Overbeeke 2005 [n. 20], p. 17 in kleur.
xxxii Verloop 2002 [n. 14], p. 80-81 n. 46.
xxxiii De prijs van brons steeg in de tweede helft van de zestiende eeuw fors. In Hoorn kreeg
men in 1569 ƒ 15,- voor honderd pond klokkenbrons, maar in 1594 rekende Hendrik Both voor
een nieuwe klok al ƒ 46,-, terwijl hij klokken innam voor ƒ 30,- per honderd pond. Vlam en
Vente [n. 12], p. 117 en 204; en A. LEHR, De prijs door de eeuwen heen van klokken, geschut en bronzen
beelden (Beiaardmuseum Asten, z.j.). Als we voor 1573 ƒ 20,- aannemen, staat ƒ 200,- voor 1.000
pond ingenomen brons.
xxxiv De klok werd, nadat ze was gebarsten, in 1636 hergoten door de Enkhuizer gieter Evert
Splinter. Verloop 2002 [n. 14], p. 28 en p. 66-70.
xxxv Alkmaar al in 1572, zie C.W. BRUINVIS, Hoe de Alkmaarsche Waagtoren zijn Klokkenspel bekomen
heeft (Alkmaar 1889), p. 22; andere plaatsen in Noord-Holland in 1573, zie Stins [n. 6], p. 12-13.
xxxvi G. ROOSEGAARDE BISSCHOP, ‘Wijzerplaten aan oude gebouwen’ in Bulletin K.N.O.B. 64
(1965), p. 142-158.
xxxvii Zie de vele afbeeldingen van dit gebouw; een vergelijkbare oversnijding is te zien bij de
behuizing van het Monnickendammer ruiterspel, dat de top van de blindnis aan de zuidkant
van de Speeltoren bedekt, waaruit kan worden afgeleid dat de nis ouder is dan 1591.
63
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 64
xxxviii Volgens een aantekening in het Jaarverslag 1976 [n. 14], p. 32 is de mantel in 1928 aange-
bracht, als vervanger van een mantel die rond 1860 in een ‘niet passende steensoort’ zou zijn
aangebracht. Maar waarop dit is gebaseerd, blijft onduidelijk. Foto’s uit de eerste jaren van de
twintigste eeuw laten zien dat de stenen buitenkant van de toren tot in de kleinste details gelijk is aan de huidige, zo bijvoorbeeld in Loosjes [n. 13]. De buitenste laag kan dus niet uit 1928
dateren, en van een ‘niet passende steensoort’ is al helemaal geen sprake.
xxxix Zie noot 14.
xl Ter Kuile [n. 30].
xli Te zien bij Claes Jansz. Visscher (ca. 1612), maar ook nog bij Pieter Hendrik Schut (ca. 1660);
beide afgebeeld in H. JANSE, De Oude Kerk te Amsterdam, Bouwgeschiedenis en restauratie (Zwolle
2004).
xlii Afgebeeld in W. LAANSTRA, Cornelis Springer, Geschilderde Steden (Amsterdam 1994), p. 90.
xliii Zie voor transcripties van de stukken Verloop 2002 [n. 14], p. 28 e.v. Overigens is, anders dan
Verloop meent, de uurwerkmaker die in de op p. 31 geciteerde overeenkomst van 17 augustus
1592 wordt genoemd, natuurlijk niet Roelof Othsz. De ‘questie’ die men wil ‘slechten ende aff
maecken’ kan immers geen andere zijn dan de overeenkomst met de inmiddels overleden
meester. Pas nadat dat is gebeurd, komt er een nieuwe aanbesteding, waartoe op 29 augustus
wordt besloten. Er is dus ook geen reden om, zoals Verloop doet (p. 81 n. 5), de juistheid van de
eerstgenoemde datum in twijfel te trekken.
xliv D. VAN DEN HUL, Klokkenkunst te Utrecht tot 1700 (Utrecht 1982), p. 114.
xlv Verloop 2002 [n. 14], p. 32 leest het omgekeerde in het contract, dat m.i. toch duidelijk ge-
noeg is. Ook kunnen de klokken niet, zoals Verloop meent, bij de 8.000 pond zijn inbegrepen.
Het gewicht van brons werd nooit zomaar bij dat van ijzer opgeteld, omdat de prijs van brons
niet dezelfde was al die van ijzer. Bovendien is het gewicht van 8.000 pond (nog geen 4.000 kg)
niet voldoende voor het uurwerk én de vijftien speelklokken, die op zich al ruim 2.100 kg
wegen.
xlvi Verloop 2002 [n. 14], p. 31-32. Anders dan Verloop lees ik in de brief
niets over ernstige finan-
ciële problemen.
xlvii Ook hier lees ik iets anders dan Verloop 2002 [n. 14], p. 32. De burgemeesters besluiten hele-
maal niet ‘tot een resoluut einde van de relatie’. Eerst bieden ze Hendrik Both de 100 daalders,
met daarbij de voorwaarde dat ze de nog uitstaande vordering mogen beschouwen als borg
voor de levering van de speelklokken. Gezien het vervolg heeft Both dat aanbod afgewezen.
xlviii Zie noot 33.
xlix Verloop 2002 [n. 14], p. 28 e.v.
l Zie Stoffels 2001 [n. 14].
li J. SPRUYT, Opschriften der klokken in Noordt-Hollandt (manuscript ca. 1750, Gemeente-archief
Hoorn) geeft dit opschrift bij de beschrijving van Kwadijk, waar een klok uit de Vlissingse beiaard was terechtgekomen. Zie ook Klokken en Klokkengieters, bijdragen tot de Campanologie (Culemborg 1963, Historische Commissie van de Nederlandse Klokkenspel-Vereniging), p. 274.
lii Verloop 2003 [n. 14], p. 42 noemt een resolutie uit 1717, waaruit zou blijken dat de klok kon
64
VOM_jaarboek08_SPEELTOREN:M'damboek
12-05-2008
16:47
Pagina 65
vragen aan de faam
worden geluid, iets wat om allerlei redenen ondenkbaar is en alleen al op grond van de beperkte ruimte in het torentje kan worden uitgesloten. ‘Luijden’ moet hier vanzelfsprekend in de
oude betekenis van ‘klinken’ worden begrepen; de ‘tongh’ is de slaghamer.
liii Er is geen standaardgrootte voor beiaardklokken. In de zestiende en zeventiende eeuw
wordt de grootste speelklok aan de laagste c van het klavier gekoppeld. Die c kan dus op verschillende toonhoogtes klinken, vandaar de gewoonte om bij beschrijvingen van beiaarden de
‘absolute’ toon van de laagste klok toe te voegen. Voor het muzikale gebruik van een klok heeft
de absolute toon minder betekenis dan de toets waaraan ze is gekoppeld, en daarom is hier
steeds uitgegaan van de ‘klaviertonen’.
liv Het stemmen van klokken is een complex onderwerp, en het zou te ver voeren het hier te be-
handelen. In het algemeen houden de handboeken het erop dat de kunst van het klokkenstemmen zo ongeveer vanuit het niets is uitgevonden door de gebroeders Hemony. Doordat er nauwelijks (speel-)klokken van vóór de Hemony’s zijn bewaard, is ook bijna niet meer na te gaan
hoe er in die tijd werd gestemd, en in hoeverre dat succesvol was. De stemsporen aan de klokken van Monnickendam zijn dus wel bijzonder belangrijk; een buitengewoon interessante materie, die een apart artikel verdient.
lv Zie noot 13.
lvi De Alkmaarse Waagtoren heeft een trompetter. Het is daar een soldaat, en hij blaast niet een
enkele toon, maar een melodietje. Voor het geluid is in de toren, achter zijn rug, een klein orgeltje aangebracht. Een Faam als onderdeel van een automatisch spel is, voor zover ik weet, alleen in Monnickendam te vinden.
lvii Mededeling van mevr. Bart-Boerlage, geciteerd in een brief
van de Technische Dienst Kring
Monnickendam aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist dd. 18-11-1983.
lviii VERGILIUS, Aeneis IV: 173-188; vertaling M.A. Schwartz.
lix OVIDIUS, Metamorphosen XII: 39-63; vertaling M. d’Hane-Scheltema.
lx C. RIPA, De Iconologia (Rome 1593); Nederlandse vertaling door D. P. Pers (Amsterdam 1644).
lxi Zie noot 60.
lxii Verloop 2003 [n. 14], p. 37 e.v.
lxiii Ouder dan Monnickendam waren alleen Zierikzee en Edam. In beide gevallen is de band
met de geschiedenis doorgesneden. De klokken van Zierikzee (1550-1554) hangen niet meer op
de oorspronkelijke locatie, en bovendien zijn ze uitsluitend nog automatisch bespeelbaar; men
kan dan ook niet langer spreken van een beiaard, omdat dat woord de mogelijkheid van handspel veronderstelt. In de Speeltoren van Edam hangen nog vier (volgens andere berichten nog
één) van de zestien klokken uit 1561, zij het omgestemd; de overige van de in totaal 37(!) klokken van de beiaard zijn uit 1970. Zie H. VERHOEF.
65
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 66
Portret van Pieter Florisz.
Afbeelding opgenomen in Geeraerd
Brandts Historie der vermaerde Zee- en
Koopstadt Enkhuisen, tweede druk 1747
(collectie Waterlands Archief).
In 1973 werd de slag op de Zuiderzee nagespeeld op de rede van Monnickendam
(foto Theo Kampa).
66
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 67
Monnickendamse zeehelden
Cornelis Dirksz., Pieter Florisz., Jan Mauw en Hermanus Reijntjes
Jaap Haag
Op 8 november 1658 sneuvelde de in Monnickendam geboren admiraal Pieter
Florisz. in de zeeslag in de Sont, bij het Deense Helsingør. Dat is op 8 november
2008 precies 350 jaar geleden. Pieter Florisz. zag rond het jaar 1600 of kort daarna het levenslicht en woonde tot begin 1654 in Monnickendam. Vanwege zijn
benoeming tot vice-admiraal bij de Admiraliteit van West-Friesland en het
Noorderkwartier moest hij in dat jaar naar Hoorn verhuizen. Maar gezien de
vrij korte periode, dat hij daar gewoond heeft, was hij in feite veel méér een
Monnickendammer dan zijn beroemde leeftijdsgenoot Michiel de Ruyter een
Vlissinger was.
Roem en onbekendheid
Anders dan in Vlissingen staat er echter geen standbeeld van Pieter Florisz. aan
de Monnickendamse haven. Er is zelfs geen straat of laan naar hem vernoemd.
Waarom Pieter Florisz. juist in zijn geboorteplaats Monnickendam in de vergetelheid raakte, is niet helemaal duidelijk. Op andere zeehelden is Monnickendam - terecht - trots. Dan gaat het in de eerste plaats om Cornelis Dirksz. Als admiraal van een geuzenvloot versloeg deze Monnickendamse burgemeester in
1573 een Spaans-Amsterdamse vloot op de Zuiderzee. Een overwinning, die van
grote betekenis was voor de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd. De zeeslag
is 35 jaar geleden groots herdacht, waarbij het gevecht werd nagespeeld met
schepen, die tot 16e eeuwse oorlogsbodems waren omgebouwd.
Naar de geuzenadmiraal is ook een straat vernoemd, de Cornelis Dirkszlaan.
Die eer viel ook de wat minder bekende zeehelden Jan Mauw en Hermanus
Reijntjes te beurti. Net als Cornelis Dirksz. liggen ook zij begraven in de Grote
Kerk en wie daar wordt rondgeleid door een Monnickendamse stadsgids zal
hun grafstenen zeker te zien krijgen. Die van Cornelis Dirksz. is eenvoudig,
maar op die van Jan Mauw en Hermanus Reijntjes zijn fraaie lofdichten op hun
heldendaden gegraveerd. Bij Jan Mauw wordt daarbij zijn heldendood in de
slag bij Solebay in 1672 bezongen en bij Hermanus Reijntjes zijn moedige optreden in de slag bij Kamperduin in 1797. Aan de daar opgelopen verwondingen
zou hij korte tijd later overlijden.
67
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
Gewone matrozen kregen meestal minder
aandacht dan hun bevelhebbers. Maar al zijn
zij vaak anoniem gebleven, zij betoonden
evengoed dapperheid en liepen grote risico’s.
Het lot van in de strijd invalide geraakte zee-
16:59
Pagina 68
Maar al zijn er dan straten naar hen
vernoemd, Jan Mauw en Hermanus
Reijntjes hebben tot nu toe veel minder in de historische belangstelling
gestaan dan Cornelis Dirksz. En dat is
jammer, omdat het om zeelieden gaat,
die de geschiedenis van Monnickendam niet alleen extra kleur hebben
gegeven, maar die ook laten zien, hoe
sterk de maritieme oriëntatie van
Monnickendam vroeger geweest is.
Want naast deze zeehelden van naam
waren er nog tal van andere Monnickendammers die naar zee gingen, die
gevaren trotseerden en die in oorlogssituaties evengoed hun leven waagden. Van de meesten van hen zullen
we de namen echter niet in de geschiedenisboeken terugvinden. Om hen uit
de anonimiteit te halen is nader onderzoek nodig maar dat viel buiten
het bestek van deze bijdrage. Hier
richten we ons op de uit Monnickendam afkomstige zeehelden, die naam
hebben gemaakt.
lieden was niet te benijden (illustratie uit:
Het verhaal van Cornelis Dirksz. zal
menige lezer van het Jaarboek wel bekend zijn, maar wilde ik toch niet in
deze portrettengalerij laten ontbreken. Ik heb daarbij dankbaar gebruik gemaakt van eerder onderzoek, onder andere dat van Leendert Appelii. Aan Pieter
Florisz. werd vorig jaar in het Westfries Museum in Hoorn een expositie gewijd. Zijn levensverhaal is daarbij beschreven door John Broziusiii en daaraan
kon ik de nodige biografische gegevens ontlenen. Voor het verloop van de zeeslagen, waaraan Pieter Florisz. heeft deelgenomen, heb ik echter ook uit andere
bronnen geput. Wat het krijgsbedrijf op zee betreft bevond Pieter Florisz. zich
namelijk in een overgangsfase. Daarbij maakte het enteren van tegenstanders
in schip tegen schip gevechten, zoals Cornelis Dirksz. dat in de slag op de Zuiderzee had gedaan, geleidelijk plaats voor artillerieduels tussen tactisch manoeuvrerende, grotere vlootverbanden (eskaders of smaldelen). En waar Pieter
Leuftink, A. E., Chirurgijns Zee-Compas,
Baarn 1963).
68
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 69
monnickendamse zeehelden
Florisz. nog vertrouwd was met de oude strijdwijze, zo werd Jan Mauw als jong
kapitein geoefend in de nieuwe strategische concepten en tactieken. Zijn leermeester was niemand minder dan Michiel Adriaansz. de Ruyter.
Over Jan Mauw viel overigens nauwelijks iets terug te vinden in de bestaande
maritiem- historische literatuur. Nieuw onderzoek leverde een aantal nieuwe
gegevens op, maar zijn levensverhaal is nog allerminst volledig. Over de meer
dan een eeuw later naar voren tredende Hermanus Reijntjes is iets meer bekend. Zij het, dat de voor handen zijnde informatie grotendeels is toegespitst
op zijn optreden in de slag bij Kamperduin in 1797. Ook hier was aanvullend onderzoek nodig. En het moet gezegd: blijft nodig. Want met deze bijdrage aan
het Jaarboek van de Vereniging Oud Monnickendam zijn geen uitputtende biografieën geschreven. Het zijn slechts schetsen, die hopelijk uitnodigen tot nader
onderzoek.
CORNELIS DIRKSZ.
‘1573. Haarlem door de Spanjaarden ingenomen. Ontzet van Alkmaar en de
vloot van Bossu door de geuzen verslagen in de slag op de Zuiderzee. De hertog
van Alva als landvoogd vervangen door
Requesens’.
Portret van Cornelis Dirksz. Het is geen
eigentijds portret en er is zelfs aan getwijfeld
of het bij de afgebeelde persoon wel om
Cornelis Dirksz. gaat en of het niet zijn kleinzoon betreft. Een recente beoordeling door
mw. Anne van Wijngaarden heeft echter uitgewezen, dat het bij dit 18e eeuwse schilderij
wel degelijk om een portret van Cornelis
Dirksz. gaat, dat wellicht geschilderd is naar
een niet meer bestaand ouder portret.
De scheepspasser in zijn hand wijst op zijn
admiraalsschap.
Aldus stampte ik nog anno 1963 mijn
jaartallen vaderlandse geschiedenis in
mijn kop. Voor de opstand tegen koning
Filips II was 1573 een dramatisch jaar, dat
voor de opstandelingen echter hoopvol
eindigde. Alkmaar vormde het keerpunt
(‘van Alkmaar begint de victorie’), maar
de slag op de Zuiderzee was van nauwelijks minder betekenis, omdat de opstand gedoemd was te mislukken als de
Spanjaarden het overwicht op zee zouden herwinnen. In die zin was de overwinning van Cornelis Dirksz. op Bossu
essentieel.
Cornelis Dirkszoon werd geboren in of
rond 1542. Of zijn wieg in Monnickendam stond is niet zekeriv. En ook over
69
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 70
zijn eerste levensjaren is niets bekend. Maar wat hij in zijn jonge
jaren vrijwel zeker bewust moet
hebben meegemaakt is de beroering, die in de Nederlanden ontstond door het tirannieke bewind
van de Spaanse koning Filips II, die
tevens landsheer van de Nederlanden was. Die beroering had een
reeks van oorzaken, waarbij politiek, duurte en religie echter de boventoon voerden. In politiek opzicht was er de onvrede over het
centralistische beleid, dat de regering van Filips II en zijn plaatsvervangers of landvoogden in Brussel
voerden. Dat gaf de lokale overheden steeds minder speelruimte, tot
De Grote Noord in Monnickendam. Op twee
ongenoegen van veel burgers in de
percelen van de huizen links moeten de opeensteden en de adel op het platteland.
volgende woonhuizen van Cornelis Dirkszoon
Wat de religie betreft was er de
hebben gestaan (foto J. Haag).
hardhandige onderdrukking van
elke geloofsopvatting die in strijd was met de leer van de gevestigde rooms katholieke kerk. Dat zette niet alleen kwaad bloed bij de aanhangers van de diverse reformatorische stromingen, maar riep ook bij veel katholieken de nodige
weerstand op. De onvrede in de samenleving werd nog versterkt door de invoering van nieuwe belastingen én door de stijgende graanprijzen, die de mensen
met een smalle beurs natuurlijk het zwaarste troffen. Het verzet tegen de ‘koning van Hispanje’ werd daardoor steeds breder en zou tenslotte uitmonden in
de Nederlandse opstand. Ook in Monnickendam, waar in de jaren ’20 en ’30 van
de 16e eeuw al veel Lutheranen en doopsgezinden woonden, heerste een geest
van verzet.
Wat we wél van Cornelis Dirkszoon weten is, dat hij in 1561, toen hij dus een jaar
of negentien was, in Monnickendam woonde. In een huurhuis aan de noordwestzijde van de Grote Noord. Het moet het zevende huis vanaf de hoek van de
haven (de Gooise kaai), geweest zijn. Het huis bestaat al lang niet meer. Ook in
1572, 1580 en 1588 werd hij ingeschreven als bewoner van een huis aan de Grote
Noord, maar nu twee huizen dichter bij de haven. Al moet het bij de bewoners
in 1588 om zijn nabestaanden zijn gegaan, want Cornelis Dirksz. overleed in
1583v.
70
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 71
monnickendamse zeehelden
Verder mogen we aannemen, dat Cornelis Dirkszoon op zijn minst sympathiek
stond ten opzichte van de reformatie. Dat valt af te leiden uit zijn latere aanstelling als admiraal op de geuzenvloot. Want dat werd je niet zonder protestantse
‘geloofsbrieven’. De geuzen waren voor het merendeel felle protestanten, eensgezind in hun haat tegen de Spanjaarden en hun aanhangers. Gevlucht voor de
geloofsvervolgingen, die onder de Spaanse landvoogd Alva een nieuwe impuls
hadden gekregen, waren de geuzen in 1568 vanuit zee een soort guerilla oorlog
begonnen. Als vrijheidsstrijders riepen zij overigens gemengde gevoelens op,
want hun acties ontaardden nogal eens in ordinaire plundertochten (z.g. landgangen), waarbij niet alleen uit kloosters en kerken geroofd werd, maar ook uit
de huizen van burgers.
Zijn aanstelling als admiraal in 1573 doet vermoeden, dat Cornelis Dirkszoon
zich al eerder bij de watergeuzen had aangesloten. Want die hadden natuurlijk
graag een ervaren en hen vertrouwde persoon als bevelhebber. Een wel heel
sterke aanwijzing hiervoor vond Leendert Appel in de zogenaamde kaperbrief,
die op 23 mei 1572 door geuzenadmiraal Willem van der Marck, baron van
Lumey aan een zekere Cornelis Dircxsoen was afgegeven. Dit in naam van Prins
Willem van Oranje, de leider van de opstand tegen Filips II en diens gehate
landvoogd. Dat was kort na de verovering van Den Briel op 1 april 1572. Met zo’n
kaperbrief was deze Cornelis Dircxsoen gemachtigd om Spaanse schepen aan te
vallen, te veroveren en behalve het schip ook de lading in beslag te nemen. Maar
een naam als Cornelis Dircxsoen (of Cornelis Dirkszoon; men kende geen uniforme spelling in die tijd) kwam natuurlijk wel vaker voor en dat het hier inderdaad om de latere geuzenadmiraal uit Monnickendam ging, viel niet honderd
procent te bewijzen. Maar het is zeer aannemelijkvi. Wat we in ieder geval wél
met zekerheid weten, is dat Cornelis Dirksz. in de jaren vóór 1572 ‘eenige jaren
voor Schipper ter zee gevaren (had), ende sich daer in altyt wel gedragen en
mannelyk gequeten hadde’vii. En als Cornelis Dirksz. in 1572 inderdaad een kaperbrief kreeg uitgereikt dan kan het haast niet anders of hij was toen reeds een
watergeus met een staat van dienst. Mogelijk was hij zelfs betrokken bij de
nachtelijke overval op Monnickendam in maart 1571, waarbij de watergeuzen
niet alleen kostbaarheden uit de kerk roofden maar ook een aantal huizen van
burgers plunderden. Want voor dat soort ‘raids’ deden de geuzen graag een beroep op mensen, die de situatie ter plekke goed kenden.
Opstand in West-Friesland en het Noorderkwartier
Wanneer Cornelis Dirksz. inderdaad op 23 mei 1572 in Den Briel een kaperbrief
ontvangen heeft dan moet hij vervolgens ijlings naar het noorden zijn gezeild.
Daar was op 21 mei de stad Enkhuizen namelijk overgegaan naar de zijde van
Willem van Oranje. Voor de kust van Enkhuizen raakten de watergeuzen op 30
71
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 72
mei slaags met een Spaansgezinde vloot, maar of Cornelis Dirksz. daarbij betrokken was weten we niet. Het gevecht moet in het voordeel van de geuzen zijn
geëindigd, want die blokkeerden sindsdien de Zuiderzee, waardoor de scheepvaart van het nog tot 1578 Spaansgezinde Amsterdam zo goed als stil kwam te
liggen. Op 8 juni werd een poging ondernomen Monnickendam voor Oranje te
winnen. Daarbij gingen vier geuzen aan land, gewapend met de door Willem
van Lumey aan Cornelis Dircxsoen uitgereikte kaperbrief. In de hoop dat die
voldoende indruk zou maken om de stad de kant van de opstand te laten kiezen. Maar zo makkelijk bleek dat niet te gaan. De vier geuzen werden gevangen
genomen en vervolgens naar Amsterdam overgebracht.
Op 18 juni koos Hoorn echter, na een week aarzelen, de zijde van Oranje. Die
stond er overigens op dat in de steden, die zich bij hem aansloten, niet zou worden geduld, dat de gelovigen ‘van de Roomsche Kercke eenich overlast ghedaen
(zou) worde’viii. Hij was een voorstander van verdraagzaamheid en wilde polarisatie tussen de uiteenlopende godsdienstige stromingen in de Nederlanden
juist voorkomen. De bestuurders van een stad als Hoorn dachten daar net zo
over en voor het gros van de bevolking lag het niet anders. Vanuit Hoorn rukte
een geuzeneenheid vervolgens op naar Edam en Monnickendam. Dit machtsvertoon maakte kennelijk meer indruk dan het sturen van vier ordonnansen
met een kaperbrief, ruim veertien dagen eerder. Want op 24 juni sloot Monnickendam zich aan bij de opstand, twee dagen later gevolgd door Edam. Amsterdam bleef Filips II echter trouw. Kort daarop wordt in de Monnickendamse
stadsrekeningen voor het eerst de naam Cornelis Dircxz. vermeld. Als ‘equippagyemeester’ was hij belast met de uitrusting van een nieuwe galei voor de geuzenvloot van de Noordhollandse steden. Die telde op dat moment 9 schepen,
waarvan 3 uit Hoorn, 3 uit Enkhuizen en uit Medemblik, Edam en Monnickendam ieder éénix. Uit Monnickendam kwam daar nu dus nog een galei bij en in
1573 zouden daar nog enkele schepen aan worden toegevoegdx. Op 10 augustus
moet Cornelis Dircxz. vervolgens tot burgemeester zijn benoemd, samen met
Claes Gerretsz Coolman (het burgemeestersambt lag qua functie toen dichter
bij het huidige wethoudersschap)xi.
Al zijn aandacht zal echter zijn uitgegaan naar de strijd tegen de Spaanse overheersing, die in het najaar van 1572 steeds heviger vormen aannam toen een
Spaans leger, na een succesvolle veldtocht door oostelijk Nederland, het beleg
voor Haarlem had geslagen. In het voorjaar van 1573 werden meerdere pogingen ondernomen de stad te ontzetten. Onder meer door de toevoerweg over de
Diemerzeedijk te bezetten en zo de bevoorrading van het Spaanse leger te bemoeilijken. Volgens de geschiedschrijver G. van Zeggelaar heeft Cornelis
Dirksz. zelf deelgenomen aan de gevechten om de schans, die de geuzen op de
dijk hadden opgeworpen en die voortdurend door de Spanjaarden (en de Am72
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 73
monnickendamse zeehelden
sterdammers) belaagd werd. Aan zijn moedige optreden op de Diemerzeedijk
heeft hij mogelijk zelfs zijn aanstelling als admiraal te danken gehadxii.
De pogingen om Haarlem te ontzetten waren echter tevergeefs. De stad moest
zich, door de honger gedwongen, op 13 juli 1573 overgeven en ruim een maand
later begon het Spaanse leger aan het beleg van Alkmaar. En daar bleef het niet
bij, want in Amsterdam werd tevens een vloot uitgerust, waarmee de Spanjaarden de blokkade van de Zuiderzee wilden breken en de heerschappij op zee wilden herwinnen op de geuzen. Voor het Noorderkwartier en West-Friesland was
het nu er op of er onder.
Eerste treffen bij Marken
Op 12 september 1573 lag de Spaansgezinde vloot gereed aan de Amsterdamse
Schreiershoek. Maximiliaan van Hennin, graaf van Bossu, de Spaansgezinde
stadhouder van Holland, voerde zelf het commando. Zijn vlaggenschip was ‘de
Inquisitie’, vernoemd naar de rechterlijke instantie die aanhangers van de reformatie vervolgde. Met 32 stukken geschut en een bemanning van 150 matrozen
en 250 soldaten was dit voor die tijd een indrukwekkend oorlogsschip. Bossu’s
vice-admiraal, Frans van Boshuizen, voerde het commando over ‘de Heilige
Geest’ (115 koppen) en daarnaast telde de vloot nog 10 andere oorlogsschepen
met een bemanning die in grootte varieerde van 100 tot 48 koppen (meevarende
soldaten niet meegerekend) en daarnaast nog 6 jachten met ieder 30 man. Allen
overigens gecommandeerd door Nederlandse kapiteins, wat nog eens aantoont
hoezeer de opstand tegen de Spaanse koning tegelijk ook een burgeroorlog was.
Later gemaakte afbeeldingen laten indrukwekkende schepen zien van een omvang, die doet vermoeden dat de tekenaar of schilder zich iets teveel door zijn
fantasie heeft laten leiden. Maar het aantal bemanningsleden wijst er op dat het
bij de Slag op de Zuiderzee toch om vrij grote schepen moet zijn gegaan.
De vloot van de geuzen lag voor Schellingwoude en Durgerdam op het Buiten
IJ. Admiraal was de toen 31 jarige Cornelis Dirksz. van Monnickendam, ‘een
kloeckmoedich en dapper man’xiii. Zijn vlaggenschip ‘de Eendracht’ telde 200
koppen. Toen het Bossu op 13 september lukte om met zijn vloot de wrakken te
passeren, die de Noord-Hollanders in het IJ bij Nieuwendam als versperring tot
zinken hadden gebracht, besloot Cornelis Dirksz., na overleg met zijn kapiteins, de strijd niet op het buiten IJ aan te gaan, maar zich terug te trekken richting Pampus. Wellicht omdat men de strijd liever op meer open water aanging,
maar mogelijk ook om tijd te winnen. Dit omdat versterkingen op komst
waren. Bossu bleef met zijn schepen echter nog zo’n twee weken bij Durgerdam
liggen, volgens eigen zeggen omdat het water van de Zuiderzee te laag stond
om met zijn grote schepen over Pampus heen te kunnen komen. In die tijd
groeide de geuzenvloot aan tot 24 schepen, waarvan sommige echter onderbe73
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 74
mand en onderbewapend. Of ook Monnickendam nog extra schepen geleverd
had vertelt het verhaal niet. Kwantitatief hadden de geuzen niettemin een overwicht. Maar of deze schepen ieder afzonderlijk waren opgewassen tegen de
meestal grotere en met beter geschut uitgeruste schepen van Bossu was zeer de
vraag.
De geuzenvloot lag inmiddels iets ten oosten van Marken, toen op 5 oktober
Bossu opnieuw onder zeil ging. In de middag kwam het hier tot een eerste treffen, dat tot laat in de avond voortduurde zonder dat dat een van de partijen veel
opleverde. De strijd werd de volgende dag in alle hevigheid voortgezet. De ‘geheelen dach deur scoten (beide vloten) seer vreselijck en liepen met de scepen
dwars deur malcander henen’, aldus de Hoornse geschiedschrijver Theodorus
Velius in zijn Chronijck van de Stadt van Hoorn. De tactiek van de geuzen was er
daarbij op gericht om hun tegenstanders ‘te enteren en haer aen des vyants scepen vast te maecken’ om vervolgens bij de vijand aan boord te springen en het in
een gevecht van man tegen man uit te vechten. Terwijl de Spaansgezinden
‘beter met gescut versien en beseylder scepen hebbende socht niet te boorden
maer meende d’onse sonder klampen genoeg met zijn gescut scadeloos te maeckenxiv. Anders gezegd: het met hun grotere en beter bewapende schepen liever
bij een artillerieduel hielden. Door de harde wind lukte het Cornelis Dirksz inderdaad niet om bij ‘de Inquisitie’ aan boord te komen en bleef het bij een beschieting over en weer. Hij werd daarbij getroffen in zijn rechterarm. De Medemblikse kapitein Taems Frederiksz. Geldzak wist wél een vijandelijk schip te
enteren, maar moest weer losmaken toen hij ingesloten dreigde te worden.
Jacob Til uit Enkhuizen had iets meer succes en wist een van de vijandelijke
schepen van zijn geschut te ontdoen en zijn bemanning gevangen te nemen of
over boord te gooien. Het schip zelf moest hij echter achterlaten. Aan het eind
van de dag dreven de vloten uiteen, de geuzen tot dicht onder Hoorn, waar ze
voor anker gingen. De Spaansgezinden kozen een zuidelijker ankerplaats. De
dagen daarop bleef de wind uit het zuidoosten waaien en dat maakte het voor
beide partijen niet goed mogelijk de strijd te hervattenxv. Het gevaar aan lager
wal te raken was te groot. Maar op 11 oktober draaide de wind, ik vermoed naar
het zuidwesten of westen, al wordt dat nergens goed uitgelegd. Gezien de ligging van beide vloten op dat moment en hun manoeuvres daarna kan het haast
niet anders dan dat de wind naar een meer westelijke richting geruimd wasxvi.
Zoals trouwens ook te zien is op de oudste afbeeldingen van de op deze dag
plaats vindende Slag op de Zuiderzee. Hoe ook, voor de geuzenvloot was de
wind gunstig voor een aanval en Cornelis Dirksz. liet aan het eind van de ochtend dan ook de bloedvlag hijsen. Met ‘ruyme wint’, zo schrijft Velius, zeilde hij
de vijand tegemoet. Nadat hij eerst nog gauw een brief van gouverneur Sonoy
(de geuzenaanvoerder die belast was met het bestuur van Noord-Holland boven
74
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 75
monnickendamse zeehelden
het IJ) had verbrand, omdat hem in dat schrijven werd opgedragen om nog enkele dagen met een aanval te wachten. Nog altijd gehinderd door de verwondingen, die hij in het vorige gevecht had opgelopen werd Cornelis Dirksz. bijgestaan door de Hoornse kapiteins Jan Floor en Claes Wijbrantszoon.
Slag op de Zuiderzee
De strijd ontbrandde rond het middaguur. Cornelis Dirksz. voer met de Eendracht recht op ‘de Inquisitie’ aan. En hoewel Bossu zich verrast wist (achteraf
bleek dat hij juist de middagtafel had laten dekken) zeilde hij op zijn beurt op
de Eendracht aanxvii. Vanaf de Inquisitie werd het vlaggenschip van de geuzen zo
hevig beschoten, dat de stuurman van de Eendrach’ het verstandiger leek om het
roer om te gooien. Maar Jan Floor duwde hem weg van het roer en wist het schip
recht voor de Inquisitie te manoeuvreren. Kort daarop zag Bossu zich aan weerszijden ook nog geënterd door de schepen van Pieter Bak uit Hoorn en Jacob
Slag op de Zuiderzee. Afbeelding in Pieter Bor’s Nederlantsche oorloghen, 1621 (deel VI, f. 336).
Links de Westfriese kust met in de verte Enkhuizen. In het midden de Inquisiti’, het vlaggenschip van Alva’s admiraal Bossu met dwars daarvoor de Eendracht van Cornelis Dirksz., de admiraal van de prins van Oranje. De windrichting op deze afbeelding is onmiskenbaar westelijk.
75
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 76
Trijntjes uit Enkhuizen. Terwijl kapitein De Boer uit Schellinkhout aan de achtersteven probeerde aan te klampen, maar zijn schip bleek daarvoor te klein.
Al vechtende dreven de vier schepen af en achter Nek, niet ver van Wijdenes,
liep Bossu’s schip vast op een zandplaat. Slechts twee schepen uit zijn vloot hadden tevergeefs geprobeerd hem te hulp te komen, waarvan er één in de grond
geschoten werd. De geuzen wisten inmiddels bij Bossu aan boord te komen,
waarbij Jan Haring naar de top van de mast van ‘de Inquisitie’ klom, Bossu’s admiraalsvlag lossneed en een prinsenvlag hees. Toen hij met de buitgemaakte
vlag weer naar beneden klom werd hij echter door een kogel in zijn borst getroffen en viel dood in zee. Zijn moedige daad zorgde echter voor de nodige verwarring op de Spaansgezinde vloot. En in plaats van hun zwaar belaagde admiraal
Slag op de Zuiderzee. Ook hier zien we in het midden de door geuzenschepen van alle kanten
aangevallen en geënterde Inquisitie, het vlaggenschip van Bossu. Op deze tekening is de windrichting eveneens (zuid-) westelijk. Net als op de vorige afbeelding wordt ook hier zichtbaar
hoe een zeeslag toen gevoerd werd als een schip tegen schip gevecht, waarbij in dit geval Bossu
door meerdere schepen belaagd werd. Afbeelding uit: Th. Velius, Chronyk van Hoorn, IIIe
boek, p. 394 (collectie Waterlands Archief).
bij te staan sloeg nu de ene kapitein na de andere op de vlucht. Hun geschut
soms over boord werpende om snelheid te winnen. Op de Inquisitie duurde het
gevecht tot de volgende dag voort. Bossu en de zijnen hadden zich onderdeks
76
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 77
monnickendamse zeehelden
De slag op de Zuiderzee voor de rede van Hoorn tegen Bossu is de titel van het in 1666 voltooide schilderij dat Jan Theunisz. Blanckerhoff (ook genoemd Jan Maat of Jan Maet) in opdracht van de steden van West-Friesland en het Noorderkwartier (Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik,
Edam, Monnikendam en Purmerend) vervaardigde. In het midden de Inquisitie, het vlaggenschip van de Spaansgezinde admiraal Bossu, met daarvóór de Eendracht van geuzenadmiraal
Cornelis Dirksz. Aan bakboord (links) en aan stuurboord (rechts) wordt de Inquisitie aangevallen
door de schepen van de kapiteins Pieter Back en Jacob Trijntjes. Langs de achterzijde vaart het
kleine schip van kapitein De Boer. Het schilderij hangt in het Statenlogement te Hoorn (foto
Westfries Museum).
teruggetrokken en verdedigden zich zeer moedig. Maar moe gestreden en alleen gelaten door de rest van zijn vloot had hij uiteindelijk geen keus meer dan
zich over te geven. Hij werd nog diezelfde 12e oktober naar Hoorn overgebracht
en zou daar nog drie jaar in gevangenschap worden gehouden. Om zich daarna
bij de Prins van Oranje aan te sluiten. Van de Spaansgezinde vloot was tijdens
het gevecht dus één schip tot zinken gebracht en waren verder twee jachten
overmeesterdxviii. De rest had een veilig heenkomen gezocht. De slag op de Zuiderzee was daarmee in een duidelijke overwinning van de geuzen geëindigd.
Die hadden zich de heerschappij op zee niet laten ontnemen.
77
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 78
Bedreven en vertrouwd
Die heerschappij op zee moest overigens nog wel voortdurend gehandhaafd
worden en het is dan ook niet verwonderlijk dat we Cornelis Dirksz. ook na de
slag op de Zuiderzee nog regelmatig op zee vinden. Zo wist hij eind mei 1574
een door Amsterdamse kapers op de rede van Hoorn buitgemaakt korenschip
terug te veroverenxix. In de zomer van dat jaar moet hij in Vlissingen geweest
zijn. Twee jaar later bevond hij zich in het Vlie en bracht hij krijgsvolk van de
Waddeneilanden naar Enkhuizen. Ook leidde hij een aanval op Muiden. En in
het najaar van 1576 escorteerde hij de vrijgelaten Bossu naar Middelburg. In
1578 sloeg Cornelis Dirksz. een benoeming (promotie?) tot vice-admiraal van
Holland af. Waarschijnlijk omdat hij daardoor dan niet meer direct het bevel
kon blijven voeren over ‘het gemeene volck ende zeevarenden man in desen
quartieren’ (West-Friesland en het Noorderkwartier). Want die zeevarende man
legde zijn lijf en koopwaar liever in de waagschaal bij ‘de admiraal, die hij kent
ende opte zee bedreven is, dan bij anderen’. Van Cornelis Dirksz. werd namelijk
gezegd, dat die ‘de humeuren van de Waterlanders ende tscheepsvolck alhier
seer wel kent ende hem daerna weet te accomoderen’, waardoor men ‘hem betrouwt ende oick lief heeft’, zoals de ervaring geleerd had. Aldus verwoordden
de gedeputeerden van het Noorderkwartier hun bezwaren (en die van Cornelis
Dirksz.) tegen deze benoeming bij Prins Willem van Oranje. Het is bijna alsof je
een modern managementboek leest, zoveel oog men toen al had voor de vereiste subtiliteit in de omgang met het scheepsvolk. In 1582 werd Cornelis Dirksz.
lid van de Monnickendamse vroedschap (een voorloper van de gemeenteraad)
en gezien zijn aanwezigheid bij de vergaderingen in de periode september 1582
tot mei 1583 zal hij toen dus niet op zee geweest zijn. Hij stierf in juli 1583 en
zijn grafsteen in de Grote Kerk is het bewijs dat hij daar begraven ligt. Jammer
genoeg ontbreekt een schriftelijke vermelding daarvan.
Grafsteen van Cornelis Dirksz. in de Grote Kerk van Monnickendam (foto H. Voogel).
78
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 79
monnickendamse zeehelden
PIETER FLORISZ. (16.. – 1658)
In zijn geboortestad is hij dan misschien enigszins vergeten, toch weten we van
alle uit Monnickendam afkomstige zeehelden het meeste over Pieter Florisz.
Zijn naam komen we immers vaak tegen in de verslagen van de grote zeeslagen,
waaraan hij tussen 1641 en 1658 als kapitein of eskadercommandant heeft deelgenomen. Van Pieter Florisz. zijn we bovendien een biografische studie rijk, geschreven door John R. Brozius. Terwijl er vorig jaar in het Westfries Museum in
Hoorn ook nog een interessante expositie aan hem gewijd werdxx. Hoorn was
immers de plaats, waarheen Pieter Florisz. moest verhuizen, toen hij in het najaar van 1653 bevorderd werd tot vice-admiraal bij de admiraliteit van Westfriesland en het Noorderkwartier. Deze admiraliteit had daar - in toerbeurt met
Enkhuizen - namelijk zijn bestuurlijke zetelxxi.
Overigens heeft het meeste van
wat over Pieter Florisz. bekend is
betrekking op de jaren na 1640.
Over het eerste deel van zijn
leven weten we maar heel weinig.
Dat heeft wellicht te maken met
zijn tamelijk eenvoudige komaf.
Pieter Florisz. werd geboren in
Monnickendam rond of kort na
het jaar 1600. Op een na zijn dood
vervaardigd portret staat 1606 als
geboortejaar genoemd, maar aan
dat jaartal wordt getwijfeldxxii.
Zijn vader was Floris Florisz
Houtcooper, een houthandelaar,
die ook als scheepstimmerman
werkte en op een gegeven moment ook een eigen werf begonnen moet zijn. Zijn moeder heette Geertje Cornelis en zij hadden
samen minstens vijf zonen en
Portret van Pieter Florisz.
twee dochters. Wellicht dat wanneer de notariële archieven van Monnickendam eenmaal beter ontsloten zijn er
nog wat meer gegevens over die eerste levensjaren boven water komen.
We mogen aannemen dat Pieter Florisz. al op vrij jonge leeftijd naar zee is gegaan. Hij maakte in ieder geval, net als zijn Vlissingse generatiegenoot Michiel
79
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 80
Adriaenszoon de Ruyter, carrière op de koopvaardij. We zullen zien dat hun
loopbanen ook verder opvallende gelijkenissen vertonen. Mogelijk was Pieter
Florisz. als schipper in dienst voor een Amsterdamse rederij, die op West-Indië
voer. En niet onwaarschijnlijk is, dat hij in de Zuid-Amerikaanse en Caraïbische
wateren óók als kaper voer. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
was op dat moment nog in oorlog met Spanje en de kaapvaart was een lucratieve aangelegenheid. Vrijwel zeker ontmoette hij daar in 1640 Michiel de Ruyter,
die voor de Vlissingse rederij van de gebroeders Lampsins voerxxiii.
Zeeslag bij kaap St. Vincent
In 1641 zien we Pieter Florisz., evenals
Michiel de Ruyter, als kapitein op een
van de oorlogsschepen van de vloot,
die was uitgerust om Portugal bij te
staan in zijn strijd tegen Spanje. Portugal wist zich namelijk in 1640 aan een
jarenlange overheersing door zijn
grote buur te ontworstelen en kreeg
daarbij steun vanuit Nederland, want
de vijand van mijn vijand is al gauw
Koopvaardijschip voor de vaart op Westmijn vriend. De vloot onder het bevel
Indië. Het schip, waarop Pieter Florisz.
van luitenant-admiraal Artus Gijsels
kapitein was, zal hiermee de nodige gelijkevan Lier bestond uit 20 schepen, voor
nis hebben vertoond. Ets van Reinier
een groot deel goed bewapende koopZeeman (afbeelding uit P. L. Muller, Onze
vaarders. Die waren ingehuurd, omdat
Gouden Eeuw, deel I, p. 289).
de admiraliteitscolleges zelf over onvoldoende echte oorlogsschepen beschikten. Pieter Florisz. voerde het bevel
over het fregat De Gouden Leeuw, dat over 24 stukken geschut beschikte en een
bemanning van 74 koppen telde. John Brozius vermoedt dat het om hetzelfde
schip ging, waar hij in de jaren daarvoor al op voerxxiv. Ook de toen 34 jaar oude
Michiel de Ruyter commandeerde een koopvaarder: de door de Zeeuwse admiraliteit bij zijn Vlissingse reders, de gebroeders Lampsins, ingehuurde De Haze.
Het was van een vergelijkbare grootte als het schip van Pieter Florisz.
Op 10 september 1641 bereikte de Nederlandse vloot de Portugese wateren, en
na een week in de monding van de Taag te hebben gelegen werd op 18 september weer zee gekozen. Tot de beoogde vereniging met de Portugese vloot en een
Franse vlooteenheid kwam het echter niet. Die hadden zich na een hevig treffen
met de Spanjaarden juist weer in de haven van Lissabon teruggetrokken. Zodat
de schepen, die op 3 november na een maand kruisen voor de Portugese kust bij
Kaap St. Vincent werden waargenomen, geen bondgenoten maar vijanden ble80
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 81
monnickendamse zeehelden
ken te zijn. De volgende dag zetten de Spanjaarden, die met 23 schepen in de
meerderheid waren, onmiddellijk de aanval in. Maar het verband in hun vloot
ging daarbij verloren, waardoor het de Nederlanders lukte een aantal Spaanse
schepen van twee kanten aan te vallen met de bedoeling ze te enterenxxv. Geheel
volgens de beproefde tactiek en net zoals Cornelis Dirksz. in de slag op de Zuiderzee het schip van Bossu had aangevallen. Maar de Spanjaarden verweerden
zich sterk, waarbij hun geschut verwoestingen aanrichtte in de tuigage van een
aantal Nederlandse schepen en sommige met treffers onder de waterlijn zelfs
lek schoot. Over de uitslag van deze zeeslag bestaat geen eenstemmigheid, maar
een Nederlands succes kon het moeilijk genoemd worden. Zowel de Nederlanders als de Spanjaarden verloren elk twee schepen en aan beide kanten hadden
heel wat bemanningsleden het leven gelaten of waren gewond geraakt. Beide
vloten trokken zich na de gevechten terug, de Nederlanders naar de monding
van de Taag, de Spanjaarden naar Cadiz. Tot een nieuw treffen zou het niet
meer komen en begin 1642 besloot de Nederlandse vloot huiswaarts te keren.
Naar de Sont
In 1644 zien we Pieter Florisz. opnieuw op de oorlogsvloot, nu als extra-ordinaris kapitein onder het commando van luitenant-admiraal Witte Cornelisz de
With. Extra-ordinaris kapiteins waren door de admiraliteiten tijdelijk aangetrokken schippers en in die hoedanigheid kreeg Pieter Florisz. het bevel over
een Amsterdams schip van 24 stukken, mogelijk weer De Gouden Leeuw. Met een
vloot van 50 schepen moest Witte de With 900 Nederlandse koopvaarders escorteren door de Sont, het vaarwater tussen Denemarken en Zweden, dat de Denen
en de Zweden elkaar betwistten. In verband met de tolheffing was het voor Nederland van groot belang, dat geen van beide landen zich aan deze toegangspoort tot de Oostzee een al te dominante positie zou verwerven. Witte de With
slaagde er in de Nederlandse handelsschepen door de Sont te loodsen, zonder
dat van Deense zijde getracht werd dat te verhinderen. Het jaar daarop werd
deze actie door Witte de With herhaald, waarna een gunstig tolverdrag kon
worden afgesloten. Dertien jaar later zou Pieter Florisz. opnieuw naar de Sont
gaan, nu om een dreigend Zweeds overwicht te verhinderen. Hij zou het niet
overleven.
In dat zelfde jaar 1645 werd Pieter Florisz. benoemd tot ordinaris kapitein van
de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Zijn schoonvader Pieter Teding van
Berckhout had hem bij de Monnickendamse stadsbestuurders aanbevolen, wat
er ongetwijfeld toe heeft bijgedragen dat hij deze aanstelling verwierf. Als kapitein in vaste dienst kreeg Pieter Florisz. nu het commando over het in 1640 gebouwde fregat Stad Monnickendam. Met een lengte van ongeveer 33 meter, een bewapening van 28 tot 32 stukken geschut en een bemanning van zo’n 140 koppen
81
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 82
was het geen al te groot schip. Maar de Stad Monnickendam zou Pieter Florisz. in
menige zeeslag dienen. Pas in 1654 zou hij een beduidend groter schip krijgen,
de toen net in de vaart gebrachte Josua.
Persoonlijk leven
In zijn persoonlijk leven beleefde Pieter Florisz. vele tegenslagen. Hij is driemaal getrouwd geweest en twee maal weduwnaar geworden. Zijn eerste vrouw
was Luijdewe (Lidwina) Pieters Teding van Berckhout, met wie hij vóór 5 september 1642 (de dag waarop ze samen een testament lieten opmaken) in het huwelijk was getreden. Pieter Teding van Berckhout, zijn schoonvader, was in
Monnickendam hoofdofficier en tevens baljuw en dijkgraaf van Waterland. De
Teding van Berckhout’s vormden een vooraanstaande familie, al stond de Waterlandse tak minder hoog in aanzien dan de Teding van Berckhout’s uit Hoorn.
Niettemin wijst dit huwelijk er op, dat Pieter Florisz. in Monnickendam een
hoge sport op de maatschappelijke ladder had weten te bereiken. Niet onbelangrijk was bovendien dat hij door dit huwelijk aangetrouwde familie werd
van de opperbevelhebber van de Nederlandse vloot, luitenant-admiraal Maarten Harpertsz. Trompxxvi. Dit via diens derde vrouw. Pieter Florisz. en zijn gezin
woonden in een huis aan het Zuideindexxvii. Twee kinderen kregen Luijdewe en
Pieter, maar een lang leven waren ze niet beschoren. Het tweede stierf in 1646 in
het kraambed, waarschijnlijk mét zijn ‘sieckelijck int kinderbedde liggende’
moeder, terwijl de oudste een aantal jaren later moet zijn overleden.
In 1649 trad Pieter Florisz. opnieuw in het huwelijk, nu met de Monnickendamse scheepstimmermansdochter Grietje Pieters Lakeman. Drie jaar later zou de
eerste Engelse zeeoorlog uitbreken, waarmee voor Pieter Florisz. twee roemrijke jaren zouden aanbreken. Maar op het persoonlijke vlak was er opnieuw droefenis. Het enige kind van Grietje en Pieter stierf in 1652. Een jaar later overleed
ook Grietje Pieters Lakeman. Dat was in december 1653, kort na de bevordering
van haar man tot vice-admiraal.
Kort daarop verhuisde Pieter Florisz. naar Hoorn, waar hij in 1654 hertrouwde
met de rijke Immetje Jans Groot, een dochter van Jan Jansz. Groot, oud-burgemeester van Hoorn. Hun in april 1655 geboren dochter Meinoutje stierf al na
een maand. Meer kinderen kwamen er niet, zodat Pieter Florisz. bij zijn sneuvelen in 1658 nog altijd kinderloos was.
Oorlog met Engeland
In het voorjaar van 1652 liepen de spanningen tussen Engeland en de Republiek
hoog op. Dit vanwege het Engelse handels- en scheepvaartbeleid, vastgelegd in
de z.g. ‘Act of Navigation’. Via invoerbeperkingen en andere maatregelen werd
de eigen Engelse koopvaardij bevoordeeld ten koste van andere zeevarende na82
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 83
monnickendamse zeehelden
ties. Bovendien werden volgens die zelfde Akte van Navigatie schepen van andere landen verplicht om op zee Engelse schepen als eerste te groeten door het
strijken van de vlag. Dat riep natuurlijk irritaties op, die gemakkelijk tot conflicten konden leiden, en in die situatie kreeg de Nederlandse vloot de opdracht
om tussen het Nauw van Calais en Texel te gaan patrouilleren. Opperbevelhebber was Maarten Harpertsz. Tromp en de Zeeuwse vice-admiraal Johan Evertsen was zijn plaatsvervanger. Terwijl Pieter Florisz. als schout-bij-nacht zijn
derde man was. Door stormschade, die de Stad Monnickendam had opgelopen,
was Pieter Florisz. echter gedwongen naar Texel terug te keren. Daardoor was
hij er niet bij toen het op 29 mei, na eerdere vlagincidenten, tot een ernstig treffen kwam tussen de vloot van Tromp en die van de Engelse admiraal Robert
Blake. Omdat Tromp zijn vlag niet streek vuurde Blake een waarschuwingsschot af, dat door Tromp met een waarschuwingsschot beantwoord werd. Waarna Blake een gericht salvo afvuurde. Tromp schoot terug en er volgde een tamelijk rommelig gevecht, dat tegen de avond beëindigd werd. Het vlagincident
was voor de Engelse regering aanleiding de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog te verklaren.
Kentish Knock en Dungeness
Nadat Tromp in de zomer van 1652 vergeefs geprobeerd had met de Engelse
vloot slaags te raken en zich daarbij met zijn vloot van liefst 100 schepen (te) ver
van huis had begeven, namelijk tot bij de Shetland eilanden, werd hij als opperbevelhebber vervangen door Witte Cornelisz. de With. Een eveneens zeer ervaren, bekwame en moedige zeeman. Maar als bevelvoerder moeilijk in de omgang en bij de matrozen niet bepaald populair. Anders dan Tromp, die van het
scheepsvolk de koosnaam Bestevaer (goede vader) had gekregen. Op de door
Witte de With aangevoerde vloot voeren Michiel de Ruyter (voorhoede) en Gideon de Wildt (achterhoede) als onderbevelhebbers, terwijl hij zelf het bevel voerde over het middeneskader. Over de positie van Pieter Florisz. heb ik geen duidelijkheid kunnen krijgen, maar vermoedelijk diende hij als Noord-Hollander
in het eskader van Gideon de Wildt. Op 8 oktober 1652 raakte de Nederlandse
vloot (62 schepen) slaags met de Engelse (72 schepen) bij Kentish Knock, in het
zeegebied ten oosten van North Foreland, de oostpunt van Kent. De strijd eindigde op 9 oktober in een Nederlandse aftocht, die overigens bekwaam werd
uitgevoerd.
Voor de Staten-Generaal was deze nederlaag echter aanleiding om Witte de
With als opperbevelhebber weer door Maarten Tromp te vervangen. Die leidde
de Nederlandse vloot op 10 december 1652 naar de overwinning in de slag bij
Dungeness. Tromp had zijn vloot in vier eskaders verdeeld, waarbij hij zelf de
voorhoede aanvoerde en de andere eskaders onder het bevel stonden van Mi83
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 84
chiel de Ruyter, Jan Evertsen en Pieter Florisz. Toen de Nederlanders de Engelsen bij Dungeness, iets westelijk van Dover, in het zicht kregen werd met alle
zeilen bij op de Engelsen aangestuurd. Er stond een harde wind en aan boord
van de Stad Monnickendam vroeg de schipper van Pieter Florisz. zich af of de masten en stengen het met zoveel druk op de zeilen wel zouden houden. Maar Pieter Florisz. zei hem, dat hij die ‘liever over boord’ wilde zeilen, dan deze kans
om de Engelsen te verrassen te moeten missen.
Slag bij Dungeness, 1652. Lithografie door Petrus Johannes Schotel, gemaakt voor J.C. de
Jonge’s Geschiedenis van het Nederlands Zeewezen, 1833-1848 (collectie Marinemuseum
Den Helder).
En die kans werd inderdaad niet gemist. Er ontstond een gebruikelijk schip
tegen schip gevecht, waarbij Tromp en Evertsen elk een tegenstander veroverden. De Engelsen, die in de minderheid waren, leden een gevoelige nederlaag
en zochten na het invallen van de duisternis een veilig heenkomen. Het verhaal
gaat, dat Tromp na afloop van deze zeeslag bij Dungeness, ook wel de slag bij de
Singels genoemd, een bezem in de mast liet hijsen, als teken, dat hij de zee had
schoongeveegd. Pieter Florisz. werd met een aantal oorlogsschepen naar de
westkust van Frankrijk gestuurd om koopvaarders door het Kanaal naar huis te
begeleidenxxviii.
Driedaagse Zeeslag
Erg lang zou aan een ‘Holland beheers de golven’ echter geen gevolg kunnen
worden gegeven. Toen Tromps vloot, die uit 80 oorlogsschepen bestond, met
84
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 85
monnickendamse zeehelden
daarop 2450 stukken geschut en een bemanning van in totaal 8600 koppen, in
februari 1653 een groot konvooi koopvaarders door het Kanaal huiswaarts begeleidde werd hij bij Portland ten westen van het eiland Wight opgewacht door
Blake. Diens vloot bestond eveneens uit 80 oorlogsschepen. Maar met 2800
stukken geschut en een totale bemanning van 12.000 man. De getallen laten
zien, dat de Engelse oorlogsschepen over het algemeen groter waren dan de Nederlandse.
In de driedaagse zeeslag, ook wel de slag bij Portland genoemd, wisten de Nederlanders hun
formatie goed te handhaven en daardoor een zware nederlaag af te wenden. Lithografie door
Petrus Johannes Schotel, gemaakt voor J.C. de Jonge’s Geschiedenis van het Nederlands
Zeewezen, 1833-1848 (collectie Marinemuseum Den Helder).
Tromp had zijn vloot in vier eskaders verdeeld, waarbij hij zelf de voorhoede
aanvoerde, De Ruyter en Evertsen de rechter en linker flank van het centrum,
terwijl Pieter Florisz. op de Stad Monnickendam het bevel over de achterhoede
hadxxix. De Engelse vloot telde drie eskaders, waarvan dat van Blake de meest
noordelijke positie in nam. De strijd ontbrandde op 28 februari 1653. Tromp besloot tot een geconcentreerde aanval op dat eskader, want door de noord-westelijke windrichting konden de zuidelijker varende Engelse eskaders dat van hun
opperbevelhebber in eerste instantie geen hulp biedenxxx. Dankzij Tromps strategie konden de Nederlanders hun aanvankelijke overwicht uitbuiten en de
schepen van Robert Blake kregen er behoorlijk van langs. Pieter Florisz. was
daarbij naar voren gevaren en had zich moedig tussen de eskaders van Blake en
William Penn gemanoeuvreerd om vereniging van beide Engelse eskaders te
85
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 86
voorkomen. Maar hij was te ver vooruit geraakt en kreeg het vervolgens zwaar
te verduren. Schade aan zijn tuigage dwong hem zich enige tijd uit de strijd
terug te trekkenxxxi.
Het aanvankelijke Nederlandse overwicht ging in de loop van de dag verloren
en nog voor het vallen van de avond had ook de Nederlandse vloot stevige klappen moeten incasseren. Acht schepen waren verloren gegaan. De volgende dag
werd de strijd hervat. De Nederlanders waren de Engelse vloot inmiddels gepasseerd en hun oorlogsschepen voeren nu oostwaarts in een beschermende
halve maan-formatie om het konvooi vrachtvaarders. Ze werden voortdurend
aangevallen door de Engelsen en liepen veel schade op. Maar Tromp en zijn
mannen wisten hun formatie te handhaven en de aanvallen telkens af te slaan.
Ook op de derde dag hielden ze op die manier stand, hoewel gebrek aan munitie
hen steeds meer parten speelde en steeds minder Nederlandse schepen nog in
staat waren het Engelse vuur te beantwoorden. Het strijdtoneel had zich op die
2e maart inmiddels veel verder oostwaarts verplaatst, tot vlak bij het Nauw van
Calais. Tromp, die de zandbanken en de stromingen van het Kanaal als zijn
broekzak kende, besloot om in de daaropvolgende nacht gebruik te maken van
het tij om te ontsnappen. In het nachtelijk duister en met zo’n groot aantal
schepen getuigde dat van bewonderenswaardig zeemanschap. Eenmaal achter
de zandbanken van de Vlaamse en Zeeuwse kust wisten de Nederlanders zich
veilig. Pieter Florisz. moest zijn gehavende schip naar Texel op sleeptouw laten
nemen. Dat er een nederlaag was geleden kon niet ontkend worden. Maar door
de behouden thuiskomst van de meeste koopvaarders en door de bekwaamheid
en de moed waarvan blijk gegeven was, werd niettemin gesproken van een
‘roemrijke nederlaag’. De bevelhebbers werden rijkelijk beloond, waarbij Pieter
Florisz. als dank voor zijn ‘loffelijk gedrag’ een bedrag van 1200 gulden werd
toegekend.
Zeeslag bij Nieuwpoort
De driedaagse zeeslag, ook wel de slag bij Portland genoemd, had aangetoond
hoe belangrijk het handhaven van een formatie was. De Engelsen hadden die les
haast nog beter begrepen dan de Nederlanders. In een nieuwe Engelse instructie werd het varen in kiellinie voorgeschreven, omdat dan maximaal nuttig gebruik gemaakt kon worden van het scheepsgeschut, dat bij zeilende oorlogsschepen nu eenmaal hoofdzakelijk in de zijkanten van een schip stond opgesteld. Voor de Engelsen woog dit voordeel nog zwaarder, gezien hun overwicht
in kanons. Op 12 juni kwam het tot een nieuw treffen, nu bij de Gabbard banken
ten westen van het Belgische Nieuwpoort. Pieter Forisz. had thans de rang van
waarnemend vice-admiraal, voerde het bevel over een eskader van 16 schepen
86
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 87
monnickendamse zeehelden
In de slag bij Nieuwpoort (1653), ook wel de slag op de Gabbardbanken genoemd, leed de
Nederlandse vloot een nederlaag. Lithografie door Petrus Johannes Schotel, gemaakt voor
J.C. de Jonge’s Geschiedenis van het Nederlands Zeewezen, 1833-1848 (collectie Marinemuseum Den Helder).
maar moest zich nog altijd behelpen met de Stad Monnickendam als vlaggenschip. Ondanks dat Tromp dit schip van te ‘weinig force’ en daarom een vlagofficier onwaardig had bevonden. Maar een ‘bequaemer’ schip was vooralsnog
niet voor handen. Er is overigens óók informatie, dat hij zijn vlag op de enkele
kanons meer tellende het Wapen van Monnickendam zou hebben gevoerd.xxxii
Opnieuw gingen twee enorme vloten van elk meer dan 100 schepen met elkaar
de strijd aan. De Engelsen handhaafden hun linieformatie beter terwijl de Nederlanders probeerden de Engelse schepen zo dicht mogelijk te naderen en zo
mogelijk te enterenxxxiii. Een tactiek die vooral op de volgende dag desastreus
dreigde te worden toen windstilte de Nederlanders in de problemen bracht.
Want in artillerieduels waren de Engelsen in het voordeel. Hun schepen telden
nu eenmaal meer stukken geschut. Na zware verliezen te hebben geleden wisten de Nederlanders zich met moeite achter de Zeeuwse zandbanken terug te
trekken. De Engelsen hadden een grote overwinning behaald en gingen nu over
tot een blokkade van de Nederlandse kust. Vergeleken met een half jaar eerder
waren de rollen nu geheel omgekeerd en nu was het aan de Engelsen om de golven te beheersen, al dateert de versregel ‘Britannia rule the waves’ overigens pas
van 1740, bijna een eeuw later dus. De nederlaag was voor de Nederlandse vlagofficieren Maarten Tromp, Michiel de Ruyter, Witte de With, Johan Evertsen en
87
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 88
Pieter Florisz. aanleiding om zich in een brandbrief tot de Staten Generaal te
richten en hun beklag te doen over de gebrekkige uitrusting en de onvoldoende
bevoorrading van de vloot. Tromp had daar na de Slag bij Portland ook al op
aangedrongen en inderdaad werd besloten tot een grootschalig aanbouwprogramma. Al zouden de eerste nieuwe schepen pas in het najaar van 1653 gereed
komen.
Nieuw gereedgekomen oorlogsschepen, ca 1653. Het nieuwe schip van Pieter Florisz., de Josua,
was van een min of meer vergelijkbaar type. Ets van Reinier Nooms.
Terheide
Om de blokkade door de Engelse vloot te breken voer Tromp begin augustus
1653 met een vloot van 70 schepen de Maasmond uit. De Engelsen reageerden
onmiddellijk en zetten koers in zijn richting, wat Tromps bedoeling ook was,
want daardoor kon Witte de With met zijn eskader ongehinderd van de rede van
Texel uit varen. Zij slaagden er vervolgens in hun vlootonderdelen met elkaar te
verenigen en op 10 augustus 1653 bevonden de Nederlandse en de Engelse vloot
zich ter hoogte van Scheveningen, waar zij slaags raakten.
De Nederlandse vloot was in vijf eskaders verdeeld. Daarbij voerde Tromp zelf
de rechtervleugel van de voorhoede aan, terwijl Michiel de Ruyter de linkervleugel onder zich had. Johan Evertsen voerde het centrum aan en Witte de
With en Pieter Florisz. de linker en rechtervleugel van de achterhoede. Pieter
Florisz. opnieuw op de Stad Monnickendam. De beide vloten strekten zich uit
over een afstand van zo’n 25 kilometer en het op de duinen samengestroomde
publiek kon de strijd goed volgen. Tactisch opereerden de Engelsen beter en de
Nederlanders kwamen in de problemen toen hun opperbevelhebber, Maarten
88
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 89
monnickendamse zeehelden
Tromp, dodelijk door een musketkogel getroffen was. Pieter Florisz. had kort
daarvoor een tweegevecht met de Engelse Andrew afgebroken om zijn in moeilijkheden geraakte opperbevelhebber te hulp te komen. Tromps dood werd
aanvankelijk geheim gehouden om paniek te voorkomen, maar daardoor wist
zijn plaatsvervanger, Witte de With aanvankelijk niet dat hij nu in feite het opperbevel voerde. Steeds meer Nederlandse schepen raakten zo zwaar beschadigd, dat ze niet meer aan de strijd konden deelnemen, waaronder die van De
Ruyter en Evertsen. Anderen gingen geheel verloren en aan het eind van de dag
waren het vooral Witte de With en Pieter Florisz., die de aftocht van de vloot
naar Texel wisten te dekken. De nederlaag was onmiskenbaar, al was er waardering voor de moed waarmee gestreden was. De Engelsen waren na afloop van de
strijd echter niet meer in staat de blokkade te handhaven en in die zin was hun
overwinning slechts betrekkelijk. In september kon dan ook een groot aantal
koopvaarders onder escorte van Michiel de Ruyter en Pieter Florisz. uit de Oostzee terugkeren.xxxiv Het zou in de maanden daarna niet meer tot gevechtshandelingen komen en moegestreden sloten Engeland en de Republiek in april
1654 vrede.
Zeeslag bij Terheide, 1653. In het midden de Brederode van Tromp. Schilderij van
J.A. Beerstraten (collectie Rijksmuseum Amsterdam).
Naar Hoorn
In het najaar van 1653, toen de staat van oorlog in feite nog voortduurde, werd
Pieter Florisz. door het stadsbestuur van Monnickendam voorgedragen voor de
functie van vice-admiraal van de admiraliteit van West-Friesland en het Noor89
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 90
derkwartier. En hoewel Enkhuizen en Medemblik de voorkeur gaven aan Jacob
de Boer uit Enkhuizen en Hoorn aan Andries Sijbrandts was het toch Pieter Florisz. die benoemd werd. Ongetwijfeld was dat dank zij de grote indruk, die zijn
optreden in de afgelopen zeeslagen met Engeland gemaakt had, want als stad
legde Monnickendam minder gewicht in de schaal dan Hoorn en Enkhuizen.
Zijn bevordering tot vice-admiraal bracht echter met zich mee dat hij van Monnickendam naar Hoorn moest verhuizen. Dit omdat de admiraliteit daar (overigens in toerbeurt met Enkhuizen) zetelde. Pieter Florisz. deed het met tegenzin, omdat hem ter ore was gekomen dat het Hoornse stadsbestuur aan een andere kandidaat de voorkeur had gegeven. Misschien dat ook persoonlijke
omstandigheden een rol speelden. Pieter Florisz. zou immers in december weduwnaar worden en mogelijk was zijn vrouw Grietje Pieters Lakeman toen al
ziek. De Hoornse burgemeester kwam eind december persoonlijk naar Pieter
Model van de Josua, met op de achtergrond een afbeelding van de Slag in de Sont, 1658 (foto
Westfries Museum, Hoorn). De Josua ging ten onder in de zeeslag bij Solebay in 1672.
Florisz. toe om hem te verzekeren dat zijn verhuizing naar Hoorn door het gehele stadsbestuur ‘voor aengenaem’ werd gehouden.xxxv In januari 1654 vestigde de uit Monnickendam afkomstige vice-admiraal zich inderdaad in Hoorn.
Aan de Luyendyck, nu Binnenluiendijk. Het huwelijk van Pieter Florisz. met
90
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 91
monnickendamse zeehelden
Immetje Jans Groot, een dochter
van Jan Jansz. Groot, oud-burgemeester van Hoorn, lijkt bijna
symbolisch voor zijn verzoening met zijn nieuwe woonplaats. Niet, dat hij niets meer
had aan te merken op de Hoornse bestuurders. Hij kreeg in zijn
nieuwe functie weinig te doen
en ook de in gebruikstelling van
zijn nieuwe vlaggenschip, de
Josua, liet op zich wachten. Nog
altijd voerde hij zijn vlag op de
Stad Monnickendam. In april 1655
lichtte hij zijn klachten toe in
een brief aan het stadsbestuur.
Maar dat had eerder al te kenOorlogsschepen van het Noorderkwartier:
nen gegeven dat de bodem van
van links naar rechts: De Maeght van Enckhuysen,
de schatkist bereikt was en dat
de Star en de Edam, geschilderd door Willem van
dientengevolge ook de admiralide Velde de Oude.
teit met een tekort aan financiële middelen kampte. Het verlies van zijn één maand oude dochtertje Meinoutje
in de maand daarop zal hem nog treuriger hebben gestemd. Maar niet lang
daarna moet dan toch eindelijk de Josua gereed zijn gekomen. Een prachtig
schip, zoals iedereen kan bevestigen, die in het Westfries Museum het scheepsmodel ervan gaat bewonderen.
Opnieuw naar de Oostzee
Maar in 1656 kon hij weer het zeegat uit. Op 31 mei van dat jaar vertrok een Nederlandse vloot naar de Oostzee om de stad Dantzig (Gdansk) tegen de Zweden
bij te staan. Luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer-Obdam had het opperbevel en Witte de With, Michiel de Ruyter en Pieter Florisz. waren zijn vice-admiraals. De laatste op zijn nieuwe vlaggenschip Josua. De expeditie had het gewenste effect, want de Zweedse koning sloot vrede met Dantzig. Twee jaar later
voer de Nederlandse vloot opnieuw naar de Oostzee, nu om de Denen bij te
staan in hun strijd tegen de Zweden. Nederland wenste immers niet dat één van
beide landen zich een overheersende positie aan de Sont zou verwerven en besloot daarom het in de verdediging gedrongen Denemarken te helpen. Opperbevelhebber van de 41 oorlogsschepen tellende vloot was opnieuw Jacob van
Wassenaer-Obdam, die tevens het middelste eskader commandeerde. Witte de
91
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 92
Zeeslag in de Sont, 1658. Rechts boven kasteel Kronborg bij Helsingør, links de Zweedse kust
(de situatie is vanuit het noorden gezien). Kopergravure, opgenomen in P. L. Muller, Onze
Gouden Eeuw, deel II, p. 363)
With voerde de voorhoede aan
en Pieter Florisz. op de Josua de
achterhoede. Die bestond uit 11
schepen, waaronder ook de Stad
Monnickendam met de Monnickendammer kapitein Jan Sampelon (of Samson?) en het Wapen
van Monnickendam, met de eveneens uit Monnickendam afkomstige kapitein Claes Arentsz.
Sloot.
Zeeslag in de Sont, 1658. Met op de voorgrond het
zinkende Zweedse schip Pelikaan en daarachter
De Eendragt van admiraal Van Wassenaer in gevecht
met het Zweedse schip Morgenster. Schilderij door
Willem van de Velde de Oude, Rijksmuseum
Amsterdam.
92
Op 3 november bereikten de Nederlanders de ingang van de Sont,
waar het bij Helsingør gelegen
slot Kronborg in Zweedse handen was gevallen. De wind maakte het echter pas op 8 november
mogelijk de zeeëngte binnen te
zeilen. De als altijd onstuimige
Witte de With voer direct op het
schip van de Zweedse admiraal
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 93
monnickendamse zeehelden
Karel Gustaaf Wrangel aan, dat weldra ook door Van Wassenaer werd aangevallen.
Het Zweedse vlaggenschip werd door dit overwicht spoedig buiten gevecht gesteld, maar omgekeerd gebeurde kort daarop hetzelfde met de Brederode, het
schip van Witte de With, dat uiteindelijk zou zinken. De dodelijk gewond geraakte Witte de With was toen al van boord gehaald. Op de Eendracht weerstond
Van Wassenaer diverse Zweedse aanvallen.
De Josua van Pieter Florisz. werd tot twee maal toe geënterd, maar beide aanvallen werden afgeslagen. Daarbij moet Pieter Florisz. echter door een musketkogel zijn getroffen, wat hem het leven kostte. Maar uiteindelijk kregen de Nederlanders toch de overhand en na zes uur strijd trokken de Zweden zich terug. De
Nederlanders mochten zich overwinnaars noemen, want de Zweedse Sontblokkade was gebroken en Kopenhagen kon nu worden ontzet. Maar de
prijs was hoog geweest. Behalve dat
Witte de With en Pieter Florisz. (en
nog tal van anonieme zeelieden)
waren gesneuveld, was er ook het verlies van twee schepen. De gezonken
Brederode en de Stad Monnickendam, die
door de Zweden veroverd was en die
tot haar afdanking in 1676 in Zweedse
dienst zou blijven.
Praalgraf van Pieter Florisz. in de Grote Kerk
van Hoorn, vóór de brand van 1878. Uit: Abbing, C.A., Geschiedenis der stad Hoorn (vervolg
op Velius Chronyk) beginnende met het jaar 1630,
Hoorn 1841 (Collectie Waterlands Archief).
In herinnering
Pas een klein jaar later keerde het lichaam van Pieter Florisz. in een met
zwart fluweel en met zilver beslagen
kist terug naar Nederland. Op 7 november 1659 volgde zijn plechtige begrafenis in de Grote Kerk van Hoorn.
Onder vijfeneenhalf uur klokgelui begeleidde een lange, door de schutterij
aangevoerde rouwstoet Pieter Florisz.
naar zijn laatste rustplaats. Daar werd
door de Vlaamse beeldhouwer Van
Campfoort een indrukwekkend praalgraf opgericht, dat bij de brand van de
Grote Kerk in 1878 echter grotendeels
93
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 94
verloren ging. Alleen het reliëf, waarop de slag in de Sont staat afgebeeld bleef
behouden. Het is te zien in het Westfries Museum. Zijn nagedachtenis werd tevens levend gehouden door de vernoeming van een aantal oorlogsschepen. En
hopelijk is zijn 350e sterfdag voor Monnickendam aanleiding om zijn stadsgenoot te eren.
JAN MAUW (.. – 1672)
Hier rust die grote Mauw
Die Brit en Frans deed vluchten
Doort donderen van cartouw
En andere krygsgeruchten,
Maer wert toen, laas, ontsielt
Doch echter leeft syn naam,
Die hy by ons behield
Door gunste van de Faam
Aldus staat te lezen op de grafsteen van kapitein Jan Mauw: ‘Capitain Jan Mauw
is gequetst den 7 juni, gerust den 14 dito 1672’, zoals rond zijn wapen staat gegraveerdxxxvi. Onder het lofdicht staat de naam van zijn vrouw, die ongetwijfeld
bij hem begraven werd: ‘Nelletien Claas Cortes syn Huysvrou’.
Het gevecht, waarin Jan Mauw gewond raakte, was de zeeslag bij Solebay, die op
7 juni 1672 woedde aan de Engelse oostkust. Dat was de eerste van de vier grote
zeeslagen in de derde Engelse zeeorlog, waarin de Nederlandse vloot onder Michiel Adriaenszoon de Ruyter de gecombineerde Engels-Franse vloot telkens
weer wist de overtroeven. Voor Jan Mauw was het echter zijn laatste strijd.
Monnickendams zeeofficier
Jan Mauw was in 1672 reeds een vlootkapitein met ervaring. De eerste maal, dat
hij in die functie deelnam aan een zeeslag was vermoedelijk in 1666. Dan vinden
we hem onder de kapiteins van de vloot, die op 4 en 5 augustus 1666 met de Engelsen slag leverde in de tweedaagse zeeslag.xxxvii Dat betekent dat hij eerder al
in lagere rangen gediend moet hebben en dus hoogst waarschijnlijk ook aan de
vierdaagse zeeslag heeft deelgenomen, maar informatie daarover ontbreekt
vooralsnog. Zoals we ook verder niets weten over zijn jeugd. Het oudste gegeven dat over hem was terug te vinden betrof de inschrijving van zijn huwelijk
met Nelletje Klaes Karstes op 6 april 1664 (ongetwijfeld gaat het bij Cortes en
Karstes om dezelfde persoon). Beiden waren ‘van Monnickendam’ staat er bij
geschreven, maar de namen van hun ouders staan er niet bij vermeld. Zijn vader
had echter als voornaam Jan, want we komen Jan Mauw in 1667 ook tegen als
94
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 95
monnickendamse zeehelden
Jan Jansz. Maauw. In de doopboeken vinden we verder de geboorten
van de kinderen van Nelletje en Jan
terug. Die kregen de namen Eefje
en Jan.
Kapitein
Over welk schip Jan Mauw in de
tweedaagse zeeslag het commando
voerde viel vooralsnog niet te achterhalen. Daardoor weten we ook
Huwelijksinschrijving van Jan Jansen Mau en
niet tot welk vlootonderdeel hij beNelletje Klaes Karstes in het Trouwboek van
hoorde, maar vermoedelijk diende
Monnickendam, 1664.
hij in die zeeslag in het eskader van
de Amsterdamse vice-admiraal Cornelis Maartensz. Tromp, de zoon van Maarten Harpertsz. Tromp. Die moet namelijk ook de schepen van West-Friesland en
het Noorderkwartier onder zijn bevel hebben gehad.xxxviii
De tweedaagse zeeslag vond amper twee maanden na de roemrijke vierdaagse
zeeslag plaats. Het zou kunnen zijn, dat Jan Mauw een in die zeeslag gesneuvelde kapitein is opgevolgd. Hopelijk kan nader onderzoek daarover meer duidelijkheid verschaffen. In ieder geval moet Jan Mauw als jong zeeofficier en vervolgens als kapitein goed geïnstrueerd zijn in de nieuwe strategieën en tactieken, waarin Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp juist in die tijd de vloot
begonnen te oefenen. Daarbij maakten de entergevechten van afzonderlijke
schepen steeds meer plaats voor artillerieduels tussen in kiellinie met elkaar gelijk op varende vlooteenheden. Dat is weliswaar een tamelijk eenvoudige voor-
De beginfase van de Tweedaagse zeeslag in 1666. De eerste zeeslag, waaraan Jan Mauw als
kapitein deelnam. Op misschien wat overdreven wijze wordt op deze afbeelding goed de
nieuwe linietactiek zichtbaar gemaakt. Gravure door Wenceslaus Hollar (National Maritime
Museum, Greenwich).
95
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 96
stelling van zaken, maar toch wel de meest verhelderende voor ons 20e en 21e
eeuwers, voor wie het moeilijk is zich een voorstelling te maken van vlootmanoeuvres met grote aantallen zeilende oorlogsschepen. De tweedaagse zeeslag
was, zeker in de beginfase, een schoolvoorbeeld van een liniegevecht ‘nieuwe
stijl’.
Hoe Jan Mauw het er in die tweedaagse zeeslag vanaf heeft gebracht weten we
niet. De slag eindigde in een Nederlandse nederlaag, maar dat zegt natuurlijk
niets over het individuele optreden van een afzonderlijke kapitein. We mogen
eigenlijk wel aannemen dat hij het als kapitein goed gedaan heeft, want het jaar
daarop zien we Jan Mauw als kapitein van het fregat Kaleb deelnemen aan de
spectaculaire tocht naar Chatham. Kaleb (letterlijk: hond) is in het Oude Testament één van de verspieders, die de Israëlieten na hun tocht door de woestijn het
land Kanaän hadden laten verkennen. Samen met Josua sprak hij hen moed in.
Naar Chatham
Bij die tocht naar Chatham in juni 1667 werd de Engelse vloot in zijn thuisbasis
aangevallen. Onderzoek in het Instituut voor Militaire Historie wees uit, dat
Jan Mauw zich met zijn Kaleb in de voorhoede van de Nederlandse vloot bevond.
Het was deze voorhoede die het aan de monding van de Medway (een zijrivier
van de Theems) gelegen fort Sheerness aanvielxxxix.
Panoramaschilderij van de tocht naar Chatham in 1667 door W. Schellinks. Links het fort
Sheerness (collectie Rijksmuseum Amsterdam).
96
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 97
monnickendamse zeehelden
De inname van dit fort op 20 juni door een groep van 800 aan land gezette mariniers was essentieel voor de aanval op het stroomopwaarts gelegen Chatham,
waar een aantal kapitale Engelse oorlogsschepen opgelegd lagen. Omdat hun
bemanning voor het merendeel was afgedankt waren deze schepen in feite zo
goed als weerloos. Om te voorkomen dat de Nederlanders die schepen konden
bereiken probeerden de Engelsen de Medway echter ijlings met zinkschepen te
versperren. Bovendien werd nog wat verder stroomopwaarts getracht de doorgang te blokkeren door het spannen van een zware ketting over de rivier.
Het zou niet baten. Bij hoog water zeilde de voorhoede onder Van Ghent verder
stroomopwaarts. De zinkschepen werden gepasseerd. En bij de ketting aange-
Het Engelse vlaggenschip Royal Charles, door de Nederlanders veroverd en met de Nederlandse
vlag aan de achtersteven. Lithografie door Petrus Johannes Schotel, gemaakt voor J.C. de
Jonge’s Geschiedenis van het Nederlands Zeewezen, 1833-1848 (collectie Marinemuseum
Den Helder).
komen enterde kapitein Jan van Brakel het vóór de ketting liggende Engelse
fregat ‘Unity’, terwijl kapitein Jan Daniëls van Rijn met zijn ‘Pro Patria’ de ketting overvoer en de daar achter liggende ‘Matthias’ in brand stak en een andere
oorlogsbodem veroverde. Vervolgens werd met een aantal sloepen naar het nog
iets verder stroomopwaarts gelegen Engelse vlaggenschip ‘Royal Charles’ geroeid. Het handjevol bemanningsleden, dat nog op het schip aanwezig was,
sprong in paniek over boord en het kapitale oorlogsschip, de trots van de Engelse vloot, werd zonder slag of stoot genomen. Dat was op 22 juni. Het schip werd
in triomf naar Nederland gebracht en het wapen op de achterspiegel is nog al97
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 98
tijd te bewonderen in het Rijksmuseum te Amsterdam. Tenslotte werden op 23
juni bij Chatham nog drie grote Engelse oorlogsschepen, de ‘Royal Oak’, de ‘Loyal
London’ en de ‘Royal James’ aangevallen met branders. Branders waren kleinere
schepen vol brandbaar materiaal, die aan een vijandelijk schip vast klampten en
dit in vuur en vlam probeerden te zetten door de op het eigen schip ontstoken
brand te laten over slaan. Inderdaad lukte het de genoemde Engelse schepen te
verbranden. Het was het sluitstuk van deze voor de Engelsen nogal vernederende tocht naar Chatham. Over de verdere rol van Jan Mauw en zijn Kaleb bij de acties op de Medway zijn we vooralsnog niet geïnformeerd, maar hopelijk kan
nieuw bronnenonderzoek daarover meer gegevens boven water brengen. Wat
de tweede Engelse zeeoorlog betreft: deze werd kort na de tocht naar Chatham
beëindigd met de vrede van Breda. Vijf jaar later was het echter weer oorlog.
Zeeslag bij Solebay: Jan Mauws laatste strijd
‘1672. Rampjaar. De Republiek wordt de oorlog verklaard door Engeland,
Frankrijk en de bisdommen Keulen en Münster. De regering leek radeloos, het
volk redeloos en het land reddeloos. Het Franse leger wordt met moeite voor de
Hollandse waterlinie tegengehouden. Raadpensionaris Jan de Wit en zijn broer
Cornelis worden in Den Haag door een menigte vermoord. Willem III wordt
stadhouder.’
Aldus herinner ik me het jaartal 1672 van de geschiedenislessen op de lagere
school. Maar terwijl de militaire situatie op land dus desastreus leek, wist de
vloot goed van zich af te slaan. Onder het bevel van luitenant-admiraal Michiel
Adriaensz de Ruyter waren de Nederlanders zowel in 1672 als het jaar daarop de
gecombineerde Engels-Franse vloot steeds te sterk af. Hoewel qua aantallen
schepen, stukken geschut en opvarenden steeds in het nadeel slaagden De Ruyter en zijn mannen er in om door de juiste strategische keuzes en door goed tactisch optreden van de verschillende vlooteenheden telkens weer een overwicht
te krijgen op hun tegenstanders. Nederland werd daardoor voor een invasie
vanuit zee behoed en het optreden van de vloot laat zich in dat opzicht vergelijken met dat van de Britse Royal Air Force in de Slag om Engeland in de nazomer
van 1940. Het was hun ‘finest hour’. De Monnickendamse kapitein Jan Mauw
mocht delen in de roem, zoals uit de tekst op zijn grafsteen blijkt. Maar hij heeft
er de prijs van zijn leven voor moeten betalen. Bij het uitbreken van de derde
Engelse zeeoorlog was Jan Mauw commandant van het linieschip ’t Noorderkwartierxl. Met 60 stukken geschut was dit een beduidend groter schip dan de 46
kanons tellende Kaleb, waarover hij tijdens de tocht naar Chatham het bevel
voerde. Zo dat al niet met een promotie in rang samen hing, dan toch in ieder
geval met een groot vertrouwen in hem als oorlogskapitein.
98
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 99
monnickendamse zeehelden
Het eerste grote treffen was in de slag bij Solebay, op de Engelse oostkust. De
vloot van De Ruyter telde 75 linieschepen en fregatten, 54 kleinere vaartuigen,
20.700 manschappen en 4500 kanons en was daarmee kleiner dan de EngelsFranse vloot, die begin juni 1672 voor anker lag in de baai van Solebay. De Engelse en Franse opperbevelhebbers, de hertog van York, Edward Montagu (Lord
Sandwich) en Jean d’Estrées, verkeerden in de veronderstelling dat de Nederlandse vloot voor de eigen kust voer. Zij werden dan ook volkomen verrast, toen
de Nederlanders hen in de vroege ochtend van 7 juni 1672 in slagorde tegemoet
zeilden. Tot hun geluk kregen ze enig respijt, want vanwege de westelijke wind
moest de Nederlandse vloot eerst nog een overstagmanoeuvre uitvoeren. In
grote haast werden ankerlijnen gekapt en lukte het de Engelsen en Fransen om
tijdig de baai uit te varen, zij het in wanorde.
Branderaanval op het Engelse admiraalsschip Royal James in de slag bij Solebay in 1672. Schilderij van Willem van de Velde de Jonge (collectie Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam).
De Nederlandse voorhoede onder admiraal Joseph van Ghent raakte in gevecht
met de Engelse voorhoede onder Lord Sandwich. Omdat ook David Vlugh,
schout-bij-nacht van de admiraliteit van West-Friesland en het Noorderkwartier onder admiraal Van Ghent voer, mogen we aannemen dat kapitein Jan
Mauw zich met zijn ’t Noorderkwartier eveneens in dit eskader bevond. Hij raakte
99
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 100
zwaar gewond. Van Ghent zou in deze zeeslag sneuvelen, evenals zijn tegenstander Lord Sandwich, die omkwam toen zijn vlaggenschip, de ‘Royal James’,
door een brander in vuur en vlam werd gezet en uiteindelijk zonk. En terwijl de
Nederlandse achterhoede onder de Zeeuwse admiraal Adriaan Bankcert de achterhoede van de Franse admiraal d’Estrées bezig hield, ontwikkelde zich een
hevige strijd tussen de beide hoofdmachten. Daarbij werd een fel vuurgevecht
geleverd tussen De Ruyter op zijn vlaggenschip De Zeven Provinciën (80 stukken)
en de hertog van York op de Royal Prince (100 stukken). De wind zwakte echter
steeds verder af waardoor manoeuvreren moeilijker werd. Toen de avond viel en
het donker begon te worden kwam er een einde aan de strijd en keerden beide
vloten terug naar hun thuishavens. De Nederlanders mochten van een overwinning spreken, omdat de vloot van hun tegenstanders het dusdanig zwaar te verduren had gehad, dat die de rest van het jaar geen nieuwe invasiepoging meer
zou ondernemen. Maar ook aan Nederlandse zijde waren er de nodige verliezen, zowel aan mensen als aan schepen. Zo ging onder meer de Josua, het vroegere vlaggenschip van Pieter Florisz. verloren.
De ‘gequetste’ Jan Mauw was
intussen overgebracht naar
het schip Pacificatie, dat onder
bevel stond van vice-admiraal
Volkert Schram, de hoogste
vlagofficier van de admiraliteit van West-Friesland en het
Noorderkwartier. Aan boord
van dit schip kwam Jan Mauw
op 14 juni 1672 te overlijden.
Op 22 juni werd ‘kappiteijn
Mauw’ in de grote kerk van
Monnickendam ‘in een eijgen
graf’ begravenxli. De begrafenisplechtigheid werd begeleid door het luiden van de
kerkklok, één uur lang.
Grafsteen van Jan Mauw in de Grote Kerk in Monnickendam (foto Harry Voogel).
100
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 101
monnickendamse zeehelden
HERMANUS REIJNTJES (1744 – 1797)
‘29 maart 1788. Den Heer Harmanus Rijntjes Capiteyn ter Zee in dienst bij de
Admiraliteyt van Amsterdam versogt hebbende zijn inwooning in deze stad,
hetgeenen van zijn wel Ed: gunstig is geaccordeert en heeft als doen in handen
van den heer President Burgemeester den nieuwe Eed gedaan en afgelegt’xlii.
Zeeofficier
Hermanus Reijntjes, naar wie in Monnickendam eveneens een straat is vernoemd, is geen geboren Monnickendammer. Zijn wieg stond in Edam, waar hij
op 4 oktober 1744 werd gedoopt als zoon van burgemeester Frans Reyntjes en
Klaasje Stapert. Eerst in 1788 verhuisde hij naar Monnickendam, zoals we in het
memoriaal van de Monnickendamse burgemeesters kunnen lezen. Maar het
was in zijn Monnickendamse jaren, dat hij roem verwierf.
Over zijn jongste jaren is verder nooit iets uitgezocht, maar in de Edamse archieven is daarover ongetwijfeld nog wel iets terug te vinden. Hermanus Reijntjes moet in ieder geval al op vrij jonge leeftijd naar zee zijn gegaan, want op 9
juni 1761 werd hij, 17 jaar oud, luitenant ter zee. Officier dus. Zestien jaar later,
op 17 november 1777, was hij opgeklommen tot kapitein ter zee (extra-ordinaris)xliii en in de jaren 1782 – 1785 komen we Hermanus Reijntjes tegen als kapitein van de Argoxliv. Met dit fregat maakte hij in de jaren 1783 – 1785 een reis naar
Guinee en West Indië. In het bewaard gebleven archiefgedeelte van de Admiraliteitscolleges bevindt zich zijn rapport over die reisxlv. Toen hij uit Nederland
vertrok was de vierde Engelse zeeoorlog (1780-1784) nog niet beëindigd, hoewel
de gevechtshandelingen grotendeels geluwd waren. Of hij vóór deze reis, dus
tussen 1780 en 1782, zelf nog bij gevechtshandelingen betrokken is geweest
moet nog worden nagegaanxlvi.
Van Edam naar Monnickendam
Sinds april (eind maart) 1788 woonde Hermanus Reijntjes in Monnickendam,
zoals blijkt uit zijn verzoek om inwoning en de aflegging van de eed. Zijn woning stond aan het Noordeinde, maar heeft in de 19e eeuw plaats moeten maken
voor de St. Nicolaas en St. Antoniuskerk en het daarvóór aangelegde plein. Dat
Reijntjes van Edam naar het vrijere Monnickendam verhuisde heeft ongetwijfeld te maken met de moeilijke positie waarin de familie Reijntjes was komen te
verkeren door de betrokkenheid van zijn broer Jan bij de patriotse oppositie
tegen het conservatieve stadsbestuur van Edam. Toen de prinsgezinde regenten
in deze stad hun machtspositie hadden weten te consolideren werd Jan Reijntjes uit de vroedschap verwijderdxlvii. Hermanus Reijntjes zal op zijn minst gesympathiseerd hebben met de ideeën van zijn broer. Dat mag namelijk worden
101
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 102
afgeleid uit zijn opstelling in 1795 en de jaren daarna, toen hij zich duidelijk opstelde achter de in Nederland nieuw gevormde Bataafse Republiek, die de democratische idealen van de Franse revolutie hoog in het vaandel had geschreven. Maar hij zal ook weer niet al te uitgesproken zijn geweest in zijn politieke
opvattingen, want anders was zijn carrière op de vloot in de jaren tussen 1788 en
1795 in moeilijkheden gekomen. En het lijkt er op, dat hij wat dat betreft weinig
problemen heeft ondervonden. Hij was kennelijk een loyaal officier. Van 1788 –
1790 diende hij als kapitein op de Amazoonxlviii. En op 23 oktober 1789 werd Hermanus Reijntjes bevorderd tot kapitein ter zeexlix. In 1794, als de oorlog met het
revolutionaire Frankrijk uitbreekt, zie we hem als kapitein van het linieschip
Admiraal Piet Heijnl. Maar hopelijk kan nader onderzoek nog wat meer informatie opleveren over zijn loopbaan in deze jaren. En over zijn politieke en levensbeschouwelijke opvattingen, want daarin zouden we deze interessante Monnickendammer graag nog beter willen leren kennen.
Bataafse omwenteling
Ook 1795 was een van de jaartallen, die kinderen vroeger op school leerden: een
Frans leger onder Pichegru viel Holland binnen, na over de bevroren rivieren te
zijn getrokken. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland en in Nederland
voltrok zich de Bataafse omwenteling. Het volk danste om de overal opgerichte
vrijheidsbomen en er kwamen democratische verkiezingen, eerst voor de gemeentes en in 1796 voor de Nationale Vergadering van de nieuwe Bataafse Republiek.
Hermanus Reijntjes zal de omwenteling hebben toegejuicht, in ieder geval in
zijn hart. Bij de Bataafse omwenteling had hij als officier zijn politieke sympathieën overigens niet hoeven te verloochenen. Want op 21 januari 1795, drie
dagen na het vertrek van Stadhouder Willem V, had de regering in Den Haag de
verschillende vlootcommandanten opdracht gegeven om de Fransen niets in de
weg te leggen en de Franse legereenheden vriendschappelijk tegemoet te treden. Deze opdracht was bekrachtigd door de alom gerespecteerde opperbevelhebber luitenant-admiraal Van Kinsbergenli. Op 23 januari bereikten Franse
troepen zowel Hellevoetsluis als Den Helder. Bij de laatste plaats bevond zich
het grootste deel van de oorlogsvloot. De schepen, die onder het bevel stonden
van Hermanus Reijntjes, lagen ingevroren in het Nieuwediep. Het eskader bestond uit vijftien grote schepen, waarvan elf bewapend en bemand. Op die winterse januaridag reden Franse huzaren te paard over het ijs naar het schip van
Reijntjes, de Admiraal Piet Heyn. Reijntjes zal hun commandant hebben ontvangen en hem zijn instructies hebben toegelicht. In Vlissingen had schout-bijnacht Haringman op vergelijkbare, vreedzame wijze zijn vlooteenheid onder
het gezag van het nieuwe bewind gesteld.
102
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 103
monnickendamse zeehelden
Admiraal
Op de vanouds nogal orangistische vloot leidde de omwenteling overigens tot
de nodige onrust. Onder het meestal sterk prinsgezinde scheepsvolk waren er
velen, die niets van de Bataafse omwenteling moesten hebben. Van hen eisten er
heel wat ontslag en uitbetaling van hun gage. Ontslag konden ze krijgen, maar
voor het uitbetalen van de gages ontbrak vaak het geld. Dat leidde soms tot desertie. De officieren waren verdeeld. Er waren prinsgezinden onder, die zich op
geen enkele manier wensten te schikken, maar die vormden een minderheid. Er
was ook een groep, die positief stond ten opzichte van de nieuwe Bataafse Republiek, maar de meerderheid van de officieren kan gekenschetst worden als afwachtend. Gezien die verdeeldheid besloot de jonge republiek tot een politieke
zuivering van het officierskorps. Op 3 maart kregen de marineofficieren in het
Nieuwe Diep van kapitein Reijntjes te horen, dat zij door het nieuwe Bataafse
bewind en het daardoor ingestelde Comité van Marine waren afgedanktlii. Na
deze z.g. cassatie konden zij opnieuw in dienst treden bij de Bataafse marine,
maar alleen bij voldoende politieke betrouwbaarheid. Voor Hermanus Reijntjes
was dit geen probleem. Zijn trouw aan het nieuwe bewind stond buiten kijf, zozeer zelfs, dat hij op 26 juni werd aangesteld als vice-admiraal. Naast Jan Sels,
Adriaan Braak, Cornelis Hermanus Mulder en Jan Ernst van Raders, en met
Johan Willem de Winter als opperbevelhebberliii. Als vice-admiraal van de blauwe vlag werd Hermanus Reijntjes opnieuw commandant van het eskader in het
Nieuwediep. Daar had hij ook zitting in de nieuw samengestelde zeekrijgsraad,
waarin voor het eerst in de geschiedenis ook onderofficieren en matrozen zitting haddenliv. Een opmerkelijk experiment.
Door het bondgenootschap met Frankrijk raakte de Bataafse Republiek in de
loop van 1795 in oorlog met Groot-Brittannië. Van de vloot werd een actief optreden verwacht, maar gezien de reorganisatie van het officierskorps kwam
daar voorlopig weinig van terecht. Het lukte niet de vloot spoedig gevechtsgereed te krijgen en het gevolg was dat de Britten de Nederlandse kust konden
blokkeren en dat koopvaardijschepen geen of onvoldoende konvooi kon worden geboden. In februari 1796 zeilden eindelijk twee eskaders uit om de Nederlandse koopvaardij in de oost en in de west te beschermen. Maar voor het overige kwam de Bataafse marine nog nauwelijks in actie. Het vergde tijd om de organisatorische problemen de baas te worden, meer tijd dan gedacht. Mogelijk is
Hermanus Reijntjes in deze periode door het Comité van Marine bekritiseerd
wegens ‘eigendunkelijkheid’ en mede tengevolge daarvan een tijdlang overspannen geweestlv. Van de uitgezonden eskaders zou er trouwens één zich in
het najaar van 1796 bij Kaap de Goede Hoop aan een Britse vlooteenheid moeten
overgeven, wat als zeer vernederend werd ervaren. Eerst in de zomer van 1797
was de vloot voor actie gereed. Tegenwind belette enige tijd nog het uitvaren en
103
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 104
van een gezamenlijk met de Franse marine te ondernemen landingspoging op
de Ierse kust kwam niets terecht. Al lag dat laatste óók aan de onvoldoende
voorbereiding door de Fransen zelf. Maar op 7 oktober koos admiraal De Winter
dan toch zee. Op uitdrukkelijk bevel van Den Haag. Zestien linieschepen, drie
fregatten, twee korvetten vier brikken en een adviesjacht telde zijn vloot. Zelf
voerde hij zijn vlag op De Vrijheid, terwijl zijn vice-admiraal Hermanus Reijntjes
de Jupiter als vlaggenschip hadlvi. Op de Noordzee kruiste een Britse vloot onder
vice-admiraal Adam Duncan. Getalsmatig van min of meer gelijke sterkte, maar
in geoefendheid en ervaring onmiskenbaar de meerdere van de Bataafse vloot.
Zeeslag bij Kamperduin (1797)
Na vier dagen op zee kreeg de vloot van De Winter in de ochtend van 11 oktober
de Britse vloot in zicht. De Nederlanders voeren met halve wind in noordoostelijke richting en bevonden zich op dat moment dwars van Kamperduin. De Britten kwamen voor de wind aan gezeild vanuit het noord-westen. Onmiddellijk
gaf De Winter zijn kapiteins het bevel om in ‘lijn der bataille’ (linie) te gaan
varen, maar gebrek aan ervaring en het slecht bezeild zijn van sommige schepen
maakte dat dit veel te lang duurdelvii. De Britten zouden daar handig gebruik
van maken. Zij kozen er voor om niet met hun gehele vloot in een evenwijdige
koers met de tegenstander een liniegevecht aan te gaan maar om een aantal
schepen direct de Nederlandse linie te laten doorbreken, wat gezien de gaten
Slag bij Kamperduin op 11 oktober 1797. In het midden het door twee Britse schepen ingesloten
vlaggenschip van admiraal De Winter. Kopergravure door R. Vinkeles en G. Groenewegen
(collectie Marine Museum, Den Helder).
104
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 105
monnickendamse zeehelden
Slag bij Kamperduin in 1797. In het midden het Britse vlaggenschip Venerable en daarnaast
De Vrijheid van admiraal De Winter, dat al zijn masten heeft verloren. Schilderij door R. Dodd.
(collectie Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam).
daarin ook niet zo moeilijk was. Deze schepen draaiden vervolgens bij waardoor
de Britten een aantal Nederlandse schepen van weerskanten onder vuur kon
nemen (doubleren). De Nederlanders hadden geen afdoende antwoord op deze
tactiek of slaagden er in ieder geval onvoldoende in om de van twee zijden aangevallen schepen te hulp te komen en te ontzetten. Zodra een Nederlands schip
was uitgeschakeld konden de Britten een volgende tegenstander onder handen
nemen.
Maar al schoot de Bataafse vloot als geheel in tactisch opzicht tekort, de afzonderlijke schepen verdedigden zich fel en moedig. Het Nederlandse linieschip
Hercules wist zijn Engelse tegenstander, het linieschip Triumph, zelfs dusdanig
onder vuur te nemen dat het niet veel scheelde of de Triumph had zich moeten
over geven. Door een brand, die aan boord van de Hercules was uitgebroken, ontliep het Britse schip dit lot. Admiraal De Winter zag zich intussen op zijn De
Vrijheid ingesloten worden door twee Britten, waaronder de Venerable van zijn
tegenstander, admiraal Adam Duncan.
Er volgde een hevig, drie uur durend gevecht, waarin De Vrijheid al zijn masten
verloor. Niet meer tot enige manoeuvre in staat hadden de Britten vrij schieten
en had De Winter uiteindelijk geen andere keus meer dan zich over te geven.
Een vergelijkbare strijd werd door de Jupiter van vice-admiraal Hermanus
Reijntjes geleverd. Een van zijn tegenstanders was de Monarch van de Britse
vice-admiraal Richard Onslow. Ook op de Jupiter raakte de tuigage volkomen in
het ongerede. Reijntjes zelf raakte gewond door een schampschot. En nadat de
105
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 106
meeste kanons buiten gevecht waren gesteld en 61 matrozen het leven hadden
gelaten restte ook Reijntjes niets anders dan de overgave. De gewonde Reijntjes
werd per sloep naar de Monarch overgebracht en na afloop van de zeeslag naar
Londen vervoerd, waar hij op 9 november 1797 op 53 jarige leeftijd aan zijn verwondingen zou overlijden. In de achterhoede werden ook de linieschepen
Delft, Alkmaar en Haarlem gedoubleerd en overmeesterd. Het fregat Monnickendam trof het zelfde lot. Maar noch aan de Delft, noch aan de Monnickendam beleefden de Britten veel vreugde. Deze schepen waren in de strijd zo zwaar beschadigd, dat ze op weg naar een Britse haven zijn vergaan.
De strijd was hevig geweest en in een Britse overwinning geëindigd. Dat blijkt
ook uit de slachtofferlijsten of ‘butcher’s bill’. In totaal lieten 540 Nederlandse
opvarenden het leven en raakten er 620 gewond. Daar stonden 203 gesneuvelde
en 622 gewonde Britten tegenover. Maar bovendien waren 3775 Nederlanders
krijgsgevangen gemaakt en hadden de Britten in totaal 9 Bataafse linieschepen
en een fregat veroverd. Daarvan gingen de Delft en de Monnickendam door de opgelopen schade dus alsnog verloren.
De volgende dag vielen de resterende Nederlandse schepen binnen bij Texel en
Hellevoetsluis. De nederlaag kwam hard aan in de Bataafse republiek. Maar
toen duidelijk werd hoe zwaar er gevochten was en hoe moedig er door de Nederlandse vloot gestreden was, vervulde dat de harten van veel Nederlanders
Het mastloos geschoten linieschip De Vrijheid (midden), ingesloten door vier Britse linieschepen. Lithografie door Petrus Johannes Schotel, gemaakt voor J.C. de Jonge’s Geschiedenis van
het Nederlands Zeewezen, 1833-1848 (collectie Marinemuseum Den Helder).
106
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 107
monnickendamse zeehelden
toch met trots. Die trots lezen we ook in het grafschrift van Hermanus Reijntjes,
wiens stoffelijk overschot naar Nederland was overgebracht en op 22 december
1797 in de Grote Kerk van Monnickendam werd begraven:
Hier rust held Reyntjes,
hy, getrouw aant Vaderland
bood Britlands overmagt den stoutsten tegenstand.
Gewond, moest hy zyn kiel, gansch redloos, overgeven.
Die wond ontrukte hem, in Londen,
t dierbaar levenlviii.
Hermanus Reijntjes was een zeeheld, zoals ook Jan Mauw, Pieter Florisz. en
Cornelis Dirksz. dat waren. Moedig stortten zij zich in zeegevechten om het
dreigende onheil van vreemde overheersing van ons land af te wenden. Voor
Hermanus Reijntjes ging het daarbij óók om de verdediging van democratische
beginselen, zoals die in de nog jonge Bataafse Republiek gehuldigd werden. In
die zin was hij óók een held van de democratische lente, die ons land aan het
eind van de 18e eeuw beleefde.
Noten
i Onder de andere grootheden, waar een straat naar vernoemd werd, bevonden zich:
Tedingh van Berkhout, Officier van de stad in 1672 en vriend van de prins van Oranje.
N. B. Er waren in een eerdere generatie ook Tedingh van Berkhouts vlootkapitein.
Pieter Adriaansz. Appel, Directeur van de Groenlandse en Straat Davidse Compagnie 1712;
Hendrik Meyer, Kapitein der schutterij en stadshistorieschrijver;
ii Appel, L. De Slag op de Zuiderzee, Zutphen 1973.
iii Brozius, John R., Het leven en bedrijf van Pieter Florisz, in: De Ruyter, themanummer Levend Verleden,
uitg. Helderse Historische Vereniging , 19e jrg, nr 3, maart 2007.
iv Volledige zekerheid over zijn geboortejaar is er overigens niet. Zie: Appel, L. De Slag op de
Zuiderzee, Zutphen 1973, p. 77. Door C. J.W. van Waning wordt – op gezag van J. Oosterveld sr. in zijn brochure Ter meerdere glorie van Monnickendam (1966), verondersteld, dat Cornelis
Dirksz in Poppendam, ten noorden van Ransdorp geboren is, maar volgens Appel is dit onwaarschijnlijk.
v Appel, L. De Slag op de Zuiderzee, Zutphen 1973, p. 79 en 80.
vi Ibidem, p. 17 en 18.
vii Meyer, H. korte beschryvinge der Stadt Monnickendam (tweede druk), Monnickendam 1757,
p. 22.
viii Appel, L. De Slag op de Zuiderzee, Zutphen 1973, p. 19.
ix Ibidem, p. 34.
107
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 108
x Ibidem, p. 53 en 57. Het ging om vier, vermoedelijk wat kleinere schepen ter oorloge, die ook
op de binnenwateren konden opereren, en daarnaast nog enkele kustvaartuigen.
xi Ibidem. Cornelis Dirksz vinden we pas in februari 1573 voor het eerst als burgemeester ver-
meld, maar we mogen aannemen dat hij reeds op de verkiezingsdag van alle ambten (10 augustus) verkozen werd.
xii Ibidem, p. 47.
xiii Velius, Theodorus, Chronijck van de Stadt van Hoorn, 1979 (reprint van de uitgave van 1604), p. 184.
xiv Ibidem, p. 184.
xv Zeggelaar, Gerrit van,
xvi Volgens Velius was de wind op de 11e oktober naar het zuidoosten gedraaid, waardoor de
geuzen de loef zouden hebben gekregen. Maar als de geuzen inderdaad het dichtst onder
Hoorn lagen en de Spaansgezinden meer zuidwaarts, zoals Velius zelf schrijft, konden ze onmogelijk de loef hebben gehad. Die kregen de geuzen juist door het draaien van de wind naar
een meer (zuid-)westelijke richting.
xvii Zeggelaar, Gerrit van, De opstand en de reformatie, in: Stichting Historisch Centrum Amster-
dam-Noord, Terugblikken op Waterland, Hoofdstukken uit de geschiedenis van Amsterdam-Noord, Amsterdam 2000, p. 23.
xviii Gerrit van Zeggelaar heeft het over vijf
schepen, die op de Spanjaarden veroverd werden,
Leendert Appel, die zich baseert op het ooggetuigenverslag van kapitein Ruijchaver, over twee
buit gemaakte schepen.
xix Appel, L. De Slag op de Zuiderzee, Zutphen 1973, p. 81. Cornelis Dirksz. voerde zijn vlag op
dat moment op de veroverde ‘Inquisitie’, al zal die een andere naam hebben gekregen.
xx Brozius, John R., Strijd voor het vaderland, Pieter Florisz, vice-admiraal van West-Friesland en het No-
orderkwartier, Hoorn 2007.
xxi Het uitrusten van de oorlogsvloot van ons land (het woord marine kwam pas later in zwang)
was de verantwoordelijkheid van vijf admiraliteitscolleges, te weten de admiraliteiten van Rotterdam, Zeeland, Amsterdam, Westfriesland en het Noorderkwartier en tenslotte Friesland. De
laatste twee waren de kleinste en hadden ook de meeste moeite hun eskaders of smaldelen uitgerust te krijgen. Op zee dienden hun smaldelen vaak onder het commando van de admiraal
van de vloot van de Amsterdamse admiraliteit. Want tijdens de Engelse zeeoorlogen was er
steeds vaker sprake van een driedeling, waarbij de voorhoede, de middentocht (of centrum) en
de achterhoede geleverd werden door de grootste drie admiraliteiten: Rotterdam, Amsterdam
en Zeeland.
xxii www.mijnwoordenboek.nl/encyclopedie/NL/Pieter_Florisse
xxiii xxiv Brozius, John R., Het leven en bedrijf van Pieter Florisz, in: De Ruyter, themanummer Levend
Verleden, uitg. Helderse Historische Vereniging , 19e jrg, nr 3, maart 2007, p. 12 en 13.
xxv Brozius, John R., Het leven en bedrijf van Pieter Florisz, in: De Ruyter, themanummer Levend
Verleden, uitg. Helderse Historische Vereniging , 19e jrg, nr 3, maart 2007, p. 13.
xxvi Prud’homme van Reine, rechterhand van Nederland, Biografie van Michiel Adriaenszoon
de Ruyter, Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 39.
108
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 109
monnickendamse zeehelden
xxvii Wikipedia (Website), Pieter Florisse. Zie ook. Doedens, Anne en Like Mulder, Tromp, het
verhaal van een zeeheld, Baarn 1989, p. 107.
xxviii Brozius, John R., Strijd voor het vaderland, p. 3.
xxix Hainsworth, Roger and Christine Churches, The Anglo-Dutch Naval Wars 1652-1674, Glouces-
tershire 1998, p. 56.
xxx Volgens Brozius op het schip De Eendracht (Brozius, J. R., Het leven en bedrijf van Pieter Florisz,
p. 17), maar volgens Roger Hainsworth en Christine Churches op de Monnikendam (The AngloDutch Naval Wars 1652-1674, p, 62).
xxxi Hainsworth, Roger and Christine Churches, The Anglo-Dutch Naval Wars 1652-1674, Glouces-
tershire 1998, p. 62.
xxxii Ibidem, p. 63-64.
xxxiii Wikipedia (Website), Zeeslag bij Nieuwpoort. Volgens Brozius voer Pieter Florisz. echter op
de Stad Monnickendam (Brozius, J. R., Het leven en bedrijf van Pieter Florisz, p. 18).
xxxiv Tunstall, Brian, Naval Warfare in the Age of Sail, the evolution of
fighting tactics 1650-1815 (ed. By
Nicholas Tracy), London 1990, p. 20.
xxxv Brozius, p.18.
xxxvi Brozius, p.20.
xxxvii Voogel, Harry, De Grote Kerk van Monnickendam, Monnickendam 2007 (?), p. 52.
xxxviii Abbing, C.A., Geschiedenis der stad Hoorn (vervolg op Velius Chronyk) beginnende met
het jaar 1630, Hoorn 1841, p. 96 en 97.
xxxix Nispen, Wim van, De Teems in brant: een verzameling teksten en afbeeldingen rond de
Tweede Engelse Zeeoorlog (1665-1667), Hilversum 1991, p. 69.
xl Het verslag van de tocht naar Chatham is grotendeels gebaseerd op Prud’homme van Reine,
Rechterhand van Nederland, Biografie van Michiel Adriaenszoon de Ruyter, Amsterdam/Antwerpen 1996 en op Dirk J. Barreveld, Michiel Adriaenszoon de Ruyter, de Schrik van de Grote Oceaan,
Tilburg 2007.
xli Abbing, C.A., Geschiedenis der stad Hoorn (vervolg op Velius Chronyk) beginnende met het jaar 1630,
Hoorn 1841, p. 111 en 112.
xlii DTB 1672 Monnickendam.
xliii Oud archief
Monnickendam, nr. 38: Memoriaal van burgemeesters.
xliv Eekhout, Luc, Het admiralenboek. De vlagofficieren van de Nederlandse marine 1382-1991,
Amsterdam 1992, p. 84.
xlv Nationaal Archief, inventaris van het archief
van de Admiraliteitscolleges 1586 – 1795, inv.
nr. 2172.
xlvi Ibidem, inv. nr. 2419.
xlvii In ieder geval behoorde hij niet tot een van de kapiteins in de zeeslag bij de Doggersbank
in 1781.
xlviii Smit, P., Edam in de Patriottentijd, p. 71.
xlix Nationaal Archief, inventaris van het archief
van de Admiraliteitscolleges 1586 – 1795, inv.
nr. 2216.
109
VOM_jaarboek08_ZEEHELDEN:M'damboek
12-05-2008
16:59
Pagina 110
l Eekhout, Luc, Het admiralenboek. De vlagofficieren van de Nederlandse marine 1382-1991, Amsterdam
1992, p. 84.
li Nationaal Archief, inventaris van het archief
van de Admiraliteitscolleges 1586 – 1795, inv. nr.
2258.
lii Roodhuyzen, T., In woelig vaarwater, Marineofficieren in de jaren 1779-1802, p. 120 en 121
liii Ibidem, p. 122.
liv Ibidem, p. 200, noot 67.
lv Ibidem, p. 202, noot 114. Op 30 augustus 1796 diende a/b van de Jupiter de zaak Monnicken-
dam.
lvi Zie een artikel van P. Huurdeman over Reyntjes in de Nieuwe Noordhollandsche Courant
van 12 december 1962.
lvii Roodhuyzen, T., p. 149 en 150 en F. J.A. Broeze, J. R. Bruijn en F.S. Gaastra (red.): Maritieme
geschiedenis der Nederlanden, deel 3, Bussum 1977, p. 383.
lviii Het verslag van de zeeslag bij Kamperduin is (mede) ontleend aan de tekst daarover op de
website van het Marinemuseum te Den Helder:
wwww.marine.nl/historie/marinemuseum/Webspecials/Heldendaden/Napoleontischeoorlogen/kamperduin/
110
VOM_jaarboek08_LIEDJES:M'damboek
12-05-2008
17:06
Pagina 111
Troeters
Siem Koerse
Een Troeter van Monnickendam wie wil dat niet zijn! Wat het woord ‘Troeter’
precies inhoudt daar zijn de meningen over verdeeld. Er is één uitleg dat het
woord komt uit de tijd van armoede in Monnickendam, toen werd aan het aller
armste deel van de bevolking Troetpap uitgedeeld onder de Beurs. (Aanbouw
naast het Waeggebouw.)
Een tweede versie is de Engel/Faam op de speeltoren. Als het carillon (Het oudste van Europa en er gaan zelfs stemmen op dat ‘van de wereld’, ja, ja!) was uitgespeeld bracht de Engel/Faam met zijn bazuin een geluid voort dat lijkt op het
geluid dat kan worden uitgelegd als ‘Troet’.
Waarom deze intro? Ongeveer zestig jaar geleden is er op de toenmalige Openbare School op de Beestenmarkt een wondertje gebeurd.
Hoofd van de school was meester Kuikinga. Hij kwam op het idee om een lied te
componeren en te schrijven over Monnickendam. Het moet zijn gemaakt voor
een uitvoering, met de kinderen, in de voormalige Botterzaal van hotel De Posthoorn. De ruimte achter Hotel Posthoorn is nog steeds aanwezig, maar is niet
meer in gebruik als openbare ruimte. De Botterzaal werd ook gebruikt voor toneel, filmvoorstellingen en feestavonden.
Op die uitvoeringsavond moest het gebeuren en voerden de kinderen verschillende stukjes op. Zo ook het lied ‘Een troeter van Monnickendam’.
Het was geen makkelijke weg naar de uitvoering van het lied. In de klas werd
stevig geoefend om het onder de knie te krijgen. Meester Kuikinga bespeelde
namelijk een viool, een instrument dat nou niet zo bekend was in Monnickendam. Voor zover ik mij kan herinneren was er maar een man, die wel eens met
een vioolkoffer door Monnickendam liep, n.l. de heer Leguit Sr., die aan de Zarken woonde.
En zo had onze klas ook het ‘genoegen’ om een meester met een viool te hebben.
We moeten er vanuit gaan dat hij de muziek zelf had gecomponeerd.
De coupletten zaten wel snor, die zongen lekker weg.
Het probleem was het refrein, daar kwam nl. vier keer in voor: ‘Aan de Gouwzee’.
111
VOM_jaarboek08_LIEDJES:M'damboek
12-05-2008
17:06
Pagina 112
De eerste drie keer was het geen probleem. In de vierde en laatste keer moest het
woord Gouwzee langer worden aangehouden. En dat gebeurde niet! De hele
klas zong vier keer Gouwzee hetzelfde. Dat zinde meester Kuikinga niet en hij
tikte dan ook af met de strijkstok op de zijkant van zijn viool. Het geluid van aftikken aan zijn viool en het volhouden van Kuikinga om het er bij de klas in te
heien, heeft naar mijn bescheiden mening ertoe geleid dat dit lied na zestig jaar
nog steeds levendig is.
Het tweede lied ‘Monnickendam’, geheel van de hand van de heer Moorman, is
meer in de vergetelheid geraakt. Toch heeft het historische waarde, het is namelijk gemaakt toen Monnickendam zijn eerste nieuw te bouwen wijken kreeg. In
de tekst komt naar voren om tot elkaar te komen. Toen was dat de vraag, anno
2008 kunnen we constateren dat het allemaal goed is gekomen.
Een troeter van Monnickendam
Geschreven voor feestavond van de Openbare Lagere School
in de Botterzaal van Hotel de Posthoorn, 1950.
1 Aan de oever van het IJsselmeer
daar heeft mijn wieg gestaan
Daar ga ik heen, daar keer ik weer
daar ga ik nooit vandaan
Refrein:
Aan de Gouwzee, aan de Gouwzee,
daar is het leven goed
Aan de Gouwzee, aan de Gouwzee,
krijg ik steeds nieuwe moed
Waar de speeltoren klingelt zijn oude lied
Waar het IJsselmeer golft langs het Galgenriet
Daar leef ik als kind van mijn stam,
een troeter van Monnickendam
Refrein:
2 Ik heb veel vreugd en leed gezien
In het stadje aan de Gouw
112
VOM_jaarboek08_LIEDJES:M'damboek
12-05-2008
17:06
Pagina 113
troeters
Maar wat er ook gebeuren mag
Ik blijf het altijd trouw
Refrein:
3 Nog staan er vele huizen hier
uit een heel oud verle-een
De eeuwen gleden langzaam heen
veel schoonheid ging toen heen
Refrein:
4 Als ik nu aan de Gouwzee sta
luister ik naar de wind
Die mij verteld hoe het eens was
dan huil ik als een kind
Refrein:
5 Dan hoor ik weer die haringbel
en krimp stil in elkaar
En fluister met vertrokken mond
was er die tijd nog maar
Refrein:
Muziek: Kuikinga, hoofd Openbare Lagere School, Beestenmarkt te Monnickendam
Coupletten: 1 en 2: Kuikinga (1948) — 3, 4 en 5: Dhr J. H. Moorman
Refrein: Kuikinga (1948)
Muzikale bewerking voor het fanfarecorps ‘Olympia’: L. Van der Blonk, organist
Monnickendam
Geschreven voor feestavond van het fanfarecorps ‘Olympia’
Tekst: J. H. Moorman
1 Wij wonen in een stad,
omringd door groene dreven.
Die stad heet Monnickendam,
113
VOM_jaarboek08_LIEDJES:M'damboek
12-05-2008
17:06
Pagina 114
Waarin wij allen leven.
Het was voorheen hier klein,
Ik moet daar vaak aan denken.
Zoals het hier toen was,
Dat kan mij vreugde schenken.
Refrein:
En waar ter wereld men ooit ook kwam,
geen plaats is te vinden als Monnickendam.
Deez stad is gezellig al is ze ook klein,
En om hier te wonen vindt iedereen fijn.
2 Maar ja de tijd schrijdt voort,
Daardoor is het gekomen.
Dat hier flink werd gebouwd,
wie had dat kunnen dromen.
Wij vonden het eerst vreemd,
met al die nieuwe mensen.
Maar al gauw toch zeiden wij,
men kon niet beter wensen.
Refrein:
3 Men groeit naar elkander toe,
dat kan niemand verhinderen.
En eens komt er de tijd,
dat enkel nog de kinderen
die hier geboren zijn,
in de schaduw van de toren
van onze oude stad,
leven als ooit te voren.
Refrein:
4 En daarom laten wij,
elkaar de handen reiken.
Wij wonen allen hier,
laat dit door vriendschap blijken.
Laat dit fanfare-feest,
ons ware vriendschap geven.
114
VOM_jaarboek08_LIEDJES:M'damboek
12-05-2008
17:06
Pagina 115
troeters
Waardoor wij met elkaar,
als Monnickendammers leven.
En waar ter wereld men ooit ook kwam,
geen plaats is te vinden als Monnickendam.
Deez stad is gezellig al is ze ook klein,
En om hier te wonen vindt iedereen fijn.
115
Zarken 23
Kerskstraat 7
Kerkstraat 32
Noordeinde 3
116
Kerkstraat 24
Middendam 6
Jaartalstenen
Siem Koerse
Op enkele gevels zijn in oud Monnickendam jaartalstenen te zien. Deze jaartallen geven de ouderdom aan van de panden waarin ze zijn aangebracht.
Het is soms niet zeker of het jaartal ook bij het betreffende huis of gebouw past.
In de loop der eeuwen kan er met deze jaartalstenen zijn geschoven waardoor ze
niet de juiste plaats meer hebben in de gevelwanden van Monnickendam.
Het voorgaande is moeilijk te bewijzen en we gaan er soms ‘gemakshalve’ vanuit dat ze op de juiste plaats zitten of staan. Met staan wordt uitgegaan van geschilderde jaartallen op gevels.
Op de Zarken 23 hebben we te maken met een mooi verzorgde trapgevel met als
jaartal 1908. Het is duidelijk dat we hier te maken hebben met een replica. Een
oude wapensteen uit de binnenkant van de voormalige Noordeinderpoort is
aangebracht in deze ‘moderne gevel’. Er werd veel gesloopt, maar een wapensteen werd niet zomaar weggegooid.
Kerkstraat 24 onze eerste echte jaartalsteen (1638). Een beetje grof en verweerd.
Uit overlevering komt hij van de top van de gevel om daar omgekeerd dienst te
doen als afdeksteen. Bij restauratie van de gevel werd hij gevonden en in de
voorgevel aangebracht. Of het huis inderdaad zo oud is als op de steen staat aangeven valt nog te bezien. Deze jaartalsteen kan overal vandaan komen.
Kerkstraat 32 geeft zijn ouderdom in een keer prijs (1620), met dien verstande
dat het in dit geval alleen voor de bovenkant van deze gevel telt. De onderkant
van deze gevel is in de 18e eeuw vervangen. Aan de rechterzijde van deze gevel,
op de grens 17e/18e eeuw, is de kop van de originele puibalk van de bovenkant
van deze gevel nog waar te nemen.
Voor café 1614, op de Middendam 6, geldt het zelfde verhaal als Kerkstraat 32.
Deze trapgevel is echter weer in ere hersteld en daardoor hoger uitgekomen.
Kijkt men langs de gevel naar de nok van het nu lagere dak dan zie je de oude
aansluiting hoogte tegen de hoger gerestaureerde voorgevel.
117
118
jaartalstenen
Noordeinde 3, (MDCCXLVI) het voormalige Raadhuis van de Stad Monnickendam. Het jaartal staat geschilderd boven de voordeur. Een geschilderd jaartal in
Romeinse cijfers. Bij de volgende schilderbeurt kan dat al problemen geven, een
fout is zo gemaakt. Het pand is nu van Hendrik de Keyzer dus we moeten er van
uitgaan dat het juist is!
Havenstraat 1, woning op de uiterste rand van de 16e eeuw. Met een ingemetseld jaartal 1592 in de top van deze prachtige gevel. Van de topgevel is in de loop
van de tijd metselwerk verloren gegaan. Ook hier weer een onderkant van latere
datum. Volgens overlevering stond de top van deze gevel 80 cm uit het lood.
Maar er is ook zekerheid, dat bewijst een ansichtkaart uit 1930.
Al deze jaartallen zijn duidelijk waarneembaar, er is echter ook één waar je werk
van moet maken om het te vinden. Neem bijvoorbeeld de jaartalsteen met daarin gehakt 1846. Hij zit ten oosten van de binnenhaven, alleen de vraag is waar?
Niet alle jaartalstenen zijn genoemd, maar dat was ook niet de bedoeling. Zelf zoeken naar
andere jaartallen is een optie. Een is het vermelden waard n.l. Zuideinde 3, deze steen, in de
gevel van de toenmalige sigarenzaak van J. Groenewoud, was niet bij iedereen bekend in Monnickendam. Door het aanbrengen van een plaat aan de gevel, voor reclame doeleinden, was hij
aan het zicht ontrokken. In het boek ‘Honderd jaar nering en ambacht in Monnickendam’ uitgave van de Ver. Oud M’dam (1998) is de gevelsteen nog zichtbaar op pagina 179 maar op pagina 185, tweede pand van links, niet meer. Omdat de winkel een andere bestemming kreeg,
kwam de gevelsteen met het jaartal (1567), tot veler verrassing, weer te voorschijn!
119
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
1
120
12-05-2008
17:12
Pagina 120
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 121
Achter een schijnbaar eenvoudige gevel
Kerkstraat 12 te Monnickendam
Anne van Rooij -van Wijngaarden
Vanaf de straat gezien is Kerkstraat 12 ogenschijnlijk een eenvoudig huis. Het
heeft een sobere bakstenen tuitgevel met een weinig opvallende winkelpui (afb.
1). Wie het pand beter bekijkt zal echter rijke details ontdekken. Zo is boven de
deur een fijn geprofileerd deurkalf te zien en wordt de entree geflankeerd door
pilasters op geprofileerde basementen. Deze onderdelen moeten behoord hebben tot een vermoedelijk laatachttiende-eeuwse entreepartij. Deze entreepartij
is nog te zien op een bouwtekening van mei 1944 (afb. 2a) van de architect Jan
Plas uit Purmerend. Op de tekening zijn rechts van de ingang twee vensters
onder een strek getekend. Deze vensters moeten gelijktijdig met de klassieke
entree zijn geplaatst, zij het dat de ramen toen een andere roedenverdeling
moeten hebben gehad. De architect Plas heeft op de tekening duidelijk aangegeven dat deze twee vensters verzakt en zeer slecht waren. Ook de toestand van de
kroonlijst boven het bovenlicht van de entree liet te wensen over. Het is daarom
begrijpelijk dat de eigenaar, Leo Hordijk, destijds een nieuwe onderpui wilde.
De groentehandelaar Hordijk woonde sinds 1935 met zijn gezin in Kerkstraat 12
en had op de begane grond zijn groentewinkel.
2a
2b
121
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 122
Op 27 juni 1946 kreeg Leo Hordijk
toestemming van de gemeente Monnickendam om zijn onderpui te vernieuwen, naar ontwerp van de reeds
genoemde architect Jan Plas (afb. 2b).1
Plas maakte gebruik van een reeds bestaand winkelvenster uit het tweede
kwart van de twintigste eeuw. Boven
dit grote winkelvenster kwam in gietijzeren letters de tekst ‘GROENTEN &
FRUIT’, als verwijzing naar de handel
van Leo Hordijk (afb. 2c). Onder en aan
weerszijden van het winkelvenster
werden natuurstenen banden aangebracht. Verder werd de ingang gewijzigd. Hierbij verdween de vervallen
2c
kroonlijst, werden de pilasters ingekort en kreeg de entree een gebogen
bekroning van kunststeen en een minder hoog bovenlicht. De verbouwing van
de onderpui in opdracht van Leo Hordijk is nu nog grotendeels terug te vinden
in de voorgevel van Kerkstraat 12.
Aardig detail is dat in het ontwerp van Plas uit 1944 reeds een gevelsteen is getekend. De tekst is nog niet te lezen, maar kennelijk was Leo Hordijk toen al van
plan om na de oorlog een gevelsteen te plaatsen, als blijvende herinnering aan
3
122
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 123
achter een schijnbaar eenvoudige gevel
de vijf Joodse landgenoten, aan wie hij tijdens de oorlog een veilig onderkomen
verschafte in Kerkstraat 12 (afb. 3). Door deze moedige daad van Leo Hordijk
neemt Kerkstraat 12 een bijzondere plaats in de geschiedenis van Monnickendam in.
Na de verbouwing bleef het negenruits schuifvenster in de topgevel gehandhaafd. Later in de twintigste eeuw is dit venster, dat vermoedelijk ook uit de late
achttiende eeuw stamt, vervangen. Rond het huidige topgevelvenster bevinden
zich nog steeds, net als op de bouwtekening, muurankers. Enkele muurankers
hebben fraaie bloemmotieven. Vermoedelijk duiden deze op een houten kap uit
de zeventiende eeuw. Is er daadwerkelijk een kap uit de zeventiende eeuw in
Kerkstraat 12? En zijn er nog andere interessante bouwsporen uit voorgaande
eeuwen aan te treffen in dit pand?
Achter de winkelpui: de begane grond
Vanaf de late negentiende eeuw tot in 2005 heeft Kerkstraat 12 een winkelfunctie gehad.2 De laatste winkel was de textielhandel van Karmelk, die vanaf 1965
in Kerkstraat 12 gevestigd was. In de zomer van 2005 stopte Karmelk met de
winkel. De hierop volgende verbouwing van winkel tot woonhuis bood vervolgens een uitstekende kans om het interieur van Kerkstraat 12 nader te kunnen
bestuderen. Bij de verwijdering van het verlaagde plafond op de begane grond,
kwam meteen de eerste verrassing in zicht: een bijzonder balkenplafond met afwisselend brede en smalle balken die rusten op de bakstenen zijmuren van het
pand. Onder de balken zitten versierde sleutelstukken. De smalle balken hebben
4
5
123
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 124
sleutelstukken met een acanthusblad en een halve rozet (afb. 4). De sleutelstukken van de brede balken zijn eveneens gesierd met een gesneden acanthusblad,
maar deze hebben onderaan een zogenaamd kwabornament, met oorschelpachtige vormen en in het midden een soort roggekop (afb. 5). De kwabstijl kenmerkt
zich door plooiende, opzwellende massa’s en maakt veelal gebruik van bekkenen oorschelpachtige vormen.3 Deze opmerkelijke stijl was in de zeventiende
eeuw bijzonder geliefd. Het balkenplafond van Kerkstraat 12, met afwisselend
smalle en brede balken en dit type sleutelstukken, dateert vermoedelijk van het
begin van de zeventiende eeuw.4
De rijk versierde sleutelstukken met acanthusbladen zijn voor Monnickendam
zeldzaam. De enige andere plaats waar een sleutelstuk met acanthusbladmotief –
voor zover bekend – is aan te treffen is het rijksmonument Kerkstraat 9 (afb. 6).
Een belangrijk verschil is dat de balk met dit sleutelstuk in Kerkstraat 9 op houten stijlen rust – en niet op de bouwmuren – en dat onder het sleutelstuk een
zwanenhalskorbeel is aangebracht. Het balkenplafond van Kerkstraat 9 dateert
uit dezelfde periode als die van Kerkstraat 12.
Het balkenplafond met de fijn gesneden sleutelstukken was niet de enige verrassende vondst in het pand Kerkstraat 12, die tijdens de verbouwing in 2005
werd gedaan. Na het weghalen van voorzetwanden op de begane grond kwam
een houten constructie tevoorschijn halverwege het huis. Bij nadere beschouwing bleek het om een achterpuikozijn te gaan, met mooie vlakke profielen, dat
evenals het balkenplafond vermoedelijk uit het begin van de zeventiende eeuw
stamt. De positie van het achterpuikozijn en bouwsporen op het balkenplafond
wijzen erop dat het huis in de bouwtijd op de begane grond enkel een voor- en
een achterkamer heeft gehad. Later, vermoedelijk aan het eind van de zeventiende eeuw, werd Kerkstraat 12 naar achteren toe uitgebreid met een achterhuis.
Tussen voor- en achterhuis werd een
kleine ruimte, een lichthofje, opengelaten. Dit lichthofje is later, vermoedelijk
rond 1700, dichtgezet door het doortrekken van de kap van het voorhuis tot over
het achterhuis.
Op afb. 7 is een reconstructietekening
van het achterpuikozijn te zien. Vanuit
het achtererf gezien heeft rechts een
deur gezeten, die vermoedelijk bekroond werd door een toogje. Boven de
5
deur was een bovenlicht met twee glas124
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 125
achter een schijnbaar eenvoudige gevel
in-loodpanelen. Links van de deur
was een vierlicht, dat eveneens
glas-in-loodramen heeft gehad. Uiterst links was een bakstenen
muur.
De reconstructietekening van het
achterpuikozijn roept meteen de
vraag op hoe de voorpui eruit gezien zou kunnen hebben in het
begin van de zeventiende eeuw. Ge7
lukkig bleek de oorspronkelijke
puibalk nog achter de latere voorgevel aanwezig te zijn. Deze vertoont onderaan sporen van de indeling van de zeventiende-eeuwse
onderpui. Aan de hand van deze
sporen is de reconstructietekening
op afb. 8 gemaakt, waarbij gemeld
moet worden dat de invulling van
de onderpui niet meer exact te achterhalen is en dat de reconstructietekening deels is gebaseerd op de
8
indeling van het achterpuikozijn,
waarmee het voorpuikozijn vaak in
evenwichtige verhouding stond. Op afb. 8 is te zien dat de voordeur in het midden van de pui is gesitueerd, tussen twee stijlen, waarvan de sporen nog te zien
waren op de puibalk. Links van de deur heeft vermoedelijk een kruiskozijn gezeten, rechts van de deur een drielicht. De bovenlichten van de deur en de kozijnen zullen glas-in-loodramen hebben gehad, de openingen onderin het kozijn
werden ofwel afgesloten door luiken ofwel opgevuld door glas-in-loodramen.
Achter het drielicht aan de rechterzijde van de voordeur was waarschijnlijk een
zijkamertje, een vast onderdeel van een voorhuis in de zeventiende eeuw. Op
basis van sporen op het balkenplafond, de puibalk uit de voorgevel en het achterpuikozijn kon tevens een reconstructie gemaakt worden van de begane
grond in de zeventiende eeuw (afb. 9). Deze toont voorin de voorkamer met
rechts het genoemde zijkamertje en links achter een deur naar een lange gang
die naar de achterkamer en het achterhuis liep. In het eigenlijke woonvertrek,
de achterkamer, was een schouw. Dicht bij deze warmtebron moeten de bedsteden hebben gezeten. Vermoedelijk bevonden deze zich tegen de wand die vooren achterkamer van elkaar scheidde. Links van deze bedsteden was vermoede125
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 126
lijk een steektrapje naar de verdieping. De achterkamer werd achterin afgesloten door het reeds genoemde zeventiende-eeuwse achterpuikozijn.
Zoals reeds genoemd kreeg Kerkstraat 12 vermoedelijk aan het eind van de zeventiende eeuw een achterhuis. Op de kaart van F. de Wit uit circa 1680 is dit achterhuis te zien (afb. 10). De voorste balk van het achterhuis heeft aan de linker
zijde een breed sleutelstuk met acanthusbladmotief (afb. 11) en moet een puibalk zijn geweest van een reeds gesloopt huis uit het begin van de zeventiende
eeuw. Omdat onderaan de buibalk geen sporen zijn aangetroffen van een kozijnverdeling, was de voorgevel van het achterhuis vermoedelijk in baksteen opgetrokken.
Achter deze voormalige puibalk is een plafond
met ongeveer even brede balken. In het achterhuis was eveneens een schouw.
Precies ter plaatse van de lichthof tussen vooren achterhuis is een trap naar een kelder. De kelder kan hier pas zijn aangelegd op het moment
dat de kap van het voorhuis werd doorgetrokken over het achterhuis, waardoor het lichthofje werd overdekt. Vermoedelijk geschiedde dit
rond 1700. Het bestaan van de kelder was reeds
voor de verbouwing in 2005 bekend. De meeste
wanden van de kelder zijn bedekt met Delfts-
9
126
10
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 127
achter een schijnbaar eenvoudige gevel
11
12
blauwe tegeltjes, die onder meer dieren, landschappen en bloemenvazen tonen
(afb. 12). De vloer van de kelder is evenals een deel van de wanden bedekt met
oranje en groene plavuizen.
De kapverdieping
Na bestudering van de begane grond die nog veel onderdelen blijkt te hebben
uit de zeventiende eeuw, doet meteen de vraag zich voor hoe de kapverdieping
er uit ziet. Heeft deze, zoals de voorgevel met muurankers doet vermoeden, nog
steeds een zeventiende-eeuwse kap? Jazeker en deze blijkt nog in zeer goede
staat te zijn! Tijdens de verbouwing in 2005-2006, is de kapverdieping ontdaan
van voorzetwanden en kon deze mooi bestudeerd worden. De kapconstructie
van het voorhuis bestaat uit een
aantal eiken en grenen spanten en
vierkant gehakte sporen die samen
het pannen dak dragen (afb. 13).
Het achterhuis heeft duidelijk een
jongere kap die vermoedelijk rond
1700 is opgetrokken, gezien de
vorm van de spanten (afb. 14).
Aan de hand van de bouwsporen in
de kap van Kerkstraat 12 kan de
13
bouwgeschiedenis van dit onder127
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 128
deel herleid worden. In eerste instantie was er enkel het voorhuis met een
zadeldak. Later, vermoedelijk aan het
eind van de zeventiende eeuw, kwam
achter het voorhuis een achterhuis
met hiertussen een lichthof. Om te
zorgen dat er nog voldoende licht
14
door de ramen van het achterpuikozijn kon schijnen, kreeg het achterhuis aan de voorzijde een schuin dakvlak, een afgewolfd dak. Een paar
schuine ribben in het achterhuis wijzen op deze constructie (afb. 15). Hierna, vermoedelijk rond 1700, moet de
kap van het voorhuis zijn doorgetrokken over het achterhuis. Hierdoor
kreeg Kerkstraat 12 een groot zadel15
dak met achterin een schuin dakschild.
Kerkstraat 12 moet met zijn zeventiende-eeuwse balkenplafond en zijn goed bewaarde zeventiende-eeuwse kap een andere topgevel hebben gehad. De huidige
topgevel met tuit is vermoedelijk een versobering uit de negentiende eeuw. Het
is goed mogelijk dat het woonhuis tijdens de bouw in de vroege zeventiende
eeuw werd voorzien van een trapgevel, in de destijds modieuze stijl van het
Maniërisme. Een voorbeeld van zo’n trapgevel is te zien bij het woonhuis
Noordeinde 10 (afb. 16). De natuurstenen dekplaten op de huidige tuitgevel van
Kerkstraat 12 zijn vermoedelijk overblijfselen van een trapgevel. Alhoewel dit
natuurlijk geen garantie is, is Kerkstraat 12 op de plattegrond van F. de Wit uit
circa 1680 (afb. 10) ook voorzien van een trapgevel.
In ieder geval heeft het huis net als Noordeinde 10 een gevelsteen uit de zeventiende eeuw gehad. In 1693 wordt in een verkoopakte namelijk melding gemaakt van een ‘Kadt in de gevel’.5 In dat jaar verkocht Liewtje Jans het huis aan
Jan Jansz. van Neck. Liewtje was de weduwe van Jan Jacobsz. Kat, die raad van de
stad Monnickendam was geweest. De afgebeelde kat verwees derhalve naar de
bewoners van het pand, wat een gebruikelijke functie voor een gevelsteen was.
Het is niet bekend vanaf wanneer het echtpaar Kat in het huis heeft gewoond en
vanaf wanneer derhalve de gevelsteen de voorgevel van het vroeg-zeventiendeeeuwse huis kan hebben gesierd.
Heden heeft Kerkstraat 12, zoals reeds vermeld, weer een markante gevelsteen,
nu als verwijzing naar de vijf Joodse onderduikers, die dankzij de moedige Leo
128
VOM_jaarboek08_KERKSTRAAT12:M'damboek
12-05-2008
17:12
Pagina 129
achter een schijnbaar eenvoudige gevel
Hordijk een veilig onderkomen in het pand kregen en zo de oorlog konden
overleven. Vanwege haar bijzondere geschiedenis en haar zeldzame onderdelen
is Kerkstraat 12 op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. Zo kan dit belangrijke pand voor het nageslacht bewaard blijven.
Tekst en reconstructietekeningen: Anne van Rooij-van Wijngaarden, maart 2008
Noten
1 Archief gemeente Monnickendam, bouwvergunning voor het vernieuwen van de onderpui,
Kerkstraat 12 te Monnickendam, 46/23 en bouwvergunning voor het herstellen van de onderpui, Kerkstraat 12 te Monnickendam, 47/2. Beide bouwvergunningen betreffen dezelfde ingreep. De in 1947 afgegeven bouwvergunning is reeds op 7 mei 1944 aangevraagd. Vermoedelijk is door het verloop van de Tweede Wereldoorlog geen verder vervolg gegeven aan deze aanvraag en heeft Leo Hordijk daarom op 25 mei 1946 opnieuw een bouwvergunning aangevraagd
voor dezelfde werkzaamheden. Voor deze laatste aanvraag kreeg hij op 27 juni 1946 een bouwvergunning. Vervolgens werd aan hem op 21 februari 1947 toch ook nog een bouwvergunning
verleend naar aanleiding van zijn eerdere verzoek van 7 mei 1944. Vermoedelijk is dit gebeurd
om het bouwdossier, dat kennelijk na de oorlog weer is opgedoken, af te kunnen sluiten.
2 L. Appel, Joden in Monnickendam, in: Jaarverslag 1996 Vereniging Oud Monnickendam, p. 94.
3 F. van Burkom, K. Gaillard,
E. Koldeweij, T. Schulte en
J. Willink, Leven in Toen, Zwolle
2001, p. 294.
4 H. J. Zantkuijl, Bouwen in
Amsterdam, Amsterdam 1997,
p. 39.
5 L. Appel, Waar woonde toch
ds. F. J. Domela Nieuwenhuis?,
in: Jaarverslag 1995 Vereniging
Oud Monnickendam, p. 105.
Met dank aan de heer dr.ing.
H. J. Zantkuijl en de heer S.
Koerse.
16
129
VOM_jaarboek08_ZWEDEN:M'damboek
1
2
130
12-05-2008
17:15
Pagina 130
VOM_jaarboek08_ZWEDEN:M'damboek
12-05-2008
17:15
Pagina 131
Reis naar Zweden, winter 2007
Ton Meijer
De winter van 2007 bracht opnieuw geen enkele ijsdag op. Dus werd weer het
idee opgepakt om maar weer eens het ijs op te gaan zoeken in het buitenland.
Tijdens een maritiem evenement in oktober 2006 in Medemblik kwamen we in
contact met een man woonachtig in Rostock, Oost Duitsland. Hij vertelde ons
dat op het meer iets boven Rostock altijd wel gezeild kon worden. In eerste instantie leek het ons het beste om daar maar eens naar toe te gaan. Omdat dit
meer ongeveer 900 km van Monnickendam af ligt en dus in één dag is te rijden
en veel minder geld kost. De faciliteiten zijn daar perfect.
Maar na enig navraag bleek ook op dat meer geen ijs te zijn.
Dus toch dan maar weer richting Zweden. Met ijszeilers uit Roelofarendsveen
en omstreken zijn afspraken gemaakt wanneer we zullen gaan en waar naar toe.
Het werd weer Fiskeboda waar we in 2001 ook al zijn geweest en zouden vertrekken op 23 februari. Daar ligt een prachtig groot meer en de faciliteiten zijn
daar voor een grote groep personen perfect.
Nu is het vervoer van de ijsschuiten altijd onze grootste hobbel. Maar Mart Leek
is al twee keer onze redder wat dat betreft geweest, dus ook nu maar weer Mart
gaan polsen.
Nadat de plannen aan Mart waren voorgelegd, was hij meteen weer enthousiast
en konden zijn Skania Vabis, van weet ik hoe oud, met dichte trailer van 14
meter lang inclusief touringcar van hem mee krijgen.
Op zaterdag 16 februari werd de Scania met trailer opgehaald om de constructie
in de trailer te bouwen voor het vervoeren van de ijsschuiten. Maar tot onze verrassing moest er alleen nog even 3 ton r.v.s.-pijpen uit gehaald worden en 100
meter verderop naar een zolder worden verplaatst!!! Ook moesten op het laatste
moment een paar zaken nog worden gedaan, zoals de laadklep moest gerepareerd worden, er moesten nog sneeuwkettingen worden geregeld en het defect
aan het achterlicht moest worden opgelost (afb. 1).
In de aanloop naar de 23e februari werden de Fram, Hudson I, Poolster, Prins
Hendrik, Willem Barentsz II, IJspegel, Geshe en de Oranje in de trailer geladen
(afb. 2).
De ploeg die naar Zweden afreisde bestond in totaal uit 12 man.
Op vrijdag 23 februari werd vertrokken. Maar omdat de trailer vooruit het
131
VOM_jaarboek08_ZWEDEN:M'damboek
12-05-2008
17:15
Pagina 132
Prooyen in was gereden moest hij nu achteruit het Prooyen af gereden worden.
Toen bleek dat er een probleem was met de oplooprem o.i.d. want na een paar
meter achteruit moest eerst weer even vooruit worden gereden. Al met al duurde het zo’n anderhalf uur voordat het Prooyen was verlaten.
Hans Visser en Henk Kalshoven waren de chauffeurs voor deze rit.
René Beckman reed de touringcar en Marcel Visser reed met zijn eigen auto.
Vervolgens ging de reis via de afsluitdijk naar Groningen, Odenburg, Hamburg, Flensburg en Odense naar Kopenhagen waar de ploeg om ca 22.45 uur bij
het onderkomen aankwam. Helaas was er niemand meer aanwezig en na wat
telefoontjes en steekpenningen kon er toch uiteindelijk lekker worden geslapen. Na een prima ontbijt en extra broodjes en koffie mee- genomen te hebben,
ging de reis verder richting ons doel. De Skania startte in één keer, alleen moest
er nog even een probleem met de remmen worden opgelost. Er zat een ijsprop
in de luchtbediening van de trailerremmen en met wat gebeuk met een grote
hamer werd dit weer opgelost. Op de grote Beltbrug stond een koude storm
recht op de kop van de truck. In de cabine van de Skania werkte de verwarming
slecht en dus werd er door Hans en Henk met dikke truien en jassen aan gereden. Na de brug stak er een sneeuwstorm op met als gevolg veel stuifsneeuwbanken en kon er niet harder dan 50 km/h worden gereden. Diverse auto’s
waren links en rechts van de weg geschoven tegen de vangrail. De temperatuur
in de cabine van de Skania zakte gestaag en de chauffeurs barstten van de kou.
Bij een pompstation werden de luchtgaten zo veel mogelijk gedicht.
3
132
VOM_jaarboek08_ZWEDEN:M'damboek
12-05-2008
17:15
Pagina 133
reis naar zweden, winter 2007
Tijdens het ijsvrij maken van de rechter ruitenwisser door het zijraam werd de afslag naar Helsingborg gemist. Via via toch weer het goede spoor naar Jonköping
gevonden. Vervolgens via Linköping, Norrköping naar het einddoel Fiskeboda.
Het weggetje naar het terrein waar het 5-sterren barak ligt, gaat zo’n 40 meter
schuin naar beneden wat in het donker niet eenvoudig is om te ‘nemen’.
Bij aankomst nog even gauw een dot gas gegeven om onze aankomst te melden
aan de al aanwezige ijszeilers uit Roelofarendsveen.
Zondag 25 februari alle schuiten gelost en naar het ijs vervoerd met een apart
meegenomen karretje wat wel zo handig was. Alleen bleek tijdens het opbouwen van de schuiten de Prins Hendrik van Jaap Mulder geen gaffel bij zich te
hebben!! Foutje bedankt, maar Hans Visser had gelukkig een reserve gaffel mee
zodat dit probleem opgelost kon worden. Nadat alle schuiten erop stonden kon
er laat in de middag toch nog worden gezeild. Er stond een behoorlijke harde
wind en alleen de Fram ging van start (afb. 3). Hans Visser en Maarten Huibregtse gingen zeilen. Al snel bleek dat de wind veel te hard was voor twee man
in de schuit en vloog hij een paar keer flink in de rondte. Op het ijs lag een laagje sneeuw met her en der wat sneeuwbanken. Vervolgens werd Ed Gerritsen en
Ger Wesdorp opgehaald om zo wat meer gewicht in de schuit te hebben. Diverse keren vloog de Fram door de sneeuwbanken en moest telkens weer worden
leeggeschept door de hoeveelheid sneeuw en stukken ijs in de schuit. Maandagochtend was er al veel minder wind. De Fram en de IJspegel hebben gezeild en ’s
middags begon het te sneeuwen. Omdat de Fram vast was komen te zitten in
een sneeuwbank, werd door zes man de Fram uit gegraven en teruggetrokken
naar de thuisbasis.
Er was inmiddels zoveel sneeuw gevallen dat zeilen niet meer kon en ook de
wind was volledig gaan liggen. Heel jammer (afb. 4). Ook de dagen erna was er
steeds wel weer wat sneeuw bij gevallen. Dus werd er van de nood een deugd gemaakt door met z’n allen leuke dingen te doen. Marcel Visser had z’n langlauf
ski’s meegenomen en ging skiën op het meer. Ook werden de voorbereidingen
op de reis terug naar Nederland gedaan. Door de hoeveelheid sneeuw die inmiddels was gevallen moesten de sneeuwkettingen worden aangebracht. Wat
bleek nu, de kettingen waren zo’n halve meter te kort. Maar zo als zo vaak op
deze reis zijn de mannen niet voor één gat te vangen en met behulp van een 22
harpsluitingen werden de kettingen op lengte gebracht.
Met behulp van een meegebrachte dommekracht, je moet er maar aan denken
om dat mee nemen, werden de wielen van de Skania ongeveer 3 cm vrij getakeld
en konden de kettingen worden aangebracht.
133
VOM_jaarboek08_ZWEDEN:M'damboek
12-05-2008
17:15
Pagina 134
4
Op woensdag 28 februari werden alle schuiten van het ijs gehaald en in de trailer geladen.
Donderdag werd er weer afgereisd naar Kopenhagen voor de overnachting. De
reis verliep prima en de wegen waren sneeuwvrij. In Kopenhagen ’s avonds gegeten bij de Turk en daarna lekker op tijd de kooi in. Alleen was Ed Gerritsen
even de tijd volledig kwijt. Nadat hij had was gaan douchen ging hij daarna buiten staan zingen. Hij dacht dat het zeven uur was, maar de klok wees nog maar
vier uur aan!! Markers, je neemt ze mee, maar...
Na een prima ontbijt werd de reis naar Monnickendam aangevat. Behoudens
een kleine file voor de Elbetunnel ging alles heel voorspoedig en kwam de ploeg
’s avonds weer in Monnickendam aan.
Ondanks weer een reis met veel te weinig ijszeiluren heeft de Stichting IJsschuiten Gouwzee er weer een enorme ervaring bij.
Deze reis is weer mogelijk geworden door de medewerking van: Mart Leek, familie Leguit en
Roos, familie Z. van der Lingen en familie Lof.
De ploeg ijszeilers bestond uit: Hans Visser, Henk Kalshoven, Jan Schilder, Martien Verbeek,
Martin Visser, Jan Meijer, Jaap Mulder, Maarten Huibregtse, Marcel Visser, Ger Wesdorp,
Ed Gerritsen en René Beckman.
134
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 135
Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam
Kaarsen, olie-, gaslantaarns en gloeilampen in historisch perspectief (1)
Ds. C.A.E. Groot
‘Dat historisch besef van groot belang is, valt moeilijk te bewijzen, maar het kan wel plezierig
zijn om je te verdiepen in het verleden’ (2).
Licht en donker
Als het donker wordt, flitst in onze steden en dorpen en langs de buitenwegen
de openbare verlichting aan. Komen we thuis, dan is het omzetten van een schakelaar voldoende om één of meerdere kamers van licht te voorzien. Kortom,
kunstlicht hoort bij ons dagelijkse leven.
Hoe anders was dat enkele eeuwen geleden, toen Europa in duisternis was gehuld en de steden van ons continent nauwelijks lichtpuntjes kenden. De nacht
was daardoor niet alleen donker maar ook bedreigend, onheilspellend en beangstigend (3).
Straatverlichting; flitsen uit de geschiedenis
De vraag hoe oud straatverlichting is, valt niet te beantwoorden. Daarvoor
weten we onvoldoende van de geschiedenis in andere werelddelen. Als we het
echter over ons eigen continent hebben, dan blijkt dat in een stad als Pompeï,
verwoest door een uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., straatverlichting
niet onbekend was. Bij opgravingen zijn veel lampjes en bronzen kandelabers
(4) tevoorschijn gekomen, hetgeen betekent dat, tegen of voor de huizen, in het
centrum van dit Italiaanse provinciestadje, honderden, op olijfolie brandende,
lampen moeten hebben gestaan.
Rome, de hoofdstad van het Romeinse Imperium, deed daar niet voor onder. Bij
een tempel voor Apollo bijvoorbeeld, stond zeer waarschijnlijk een kandelaber
in de vorm van een boom, behangen met lichtende appels.
Ook Antiochië in het huidige Syrië, uitvalsbasis van de apostel Paulus voor zijn
zendingsreizen, kende een schitterende straatverlichting. De in deze stad geboren geschiedschrijver Marcellinus (ca. 330-392 na Chr.), noemt het in zijn Historiën ‘de stad waar de glinstering van nachtelijke lampen de zon des daags evenaart’.
Middeleeuwen
Als in 476 na Chr. de laatste keizer van het West-Romeinse Rijk, Romulus Augustulus, wordt afgezet, breekt het tijdperk aan dat de donkere (Middel)eeuwen wordt genoemd. Donker zeker ook in de letterlijke betekenis van het
135
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 136
woord. Over die periode, ruwweg 500 – 1500 na Chr. is, als het om verlichting
gaat, weinig bekend. In kloosters, kapellen en kerken van het ‘Avondland’ (5)
brandden weliswaar kleine olie- of vetlampjes, maar door de smalle vensters
van deze godshuizen werd de omgeving niet verlicht.
Binnen de muren van kastelen en
burchten werden feesten gehouden
waarbij fakkels en toortsen voor de
verlichting zorgden, maar dat licht
was afgeschermd voor de buitenwereld.
Steden en stadsleven
In de zomer van 2006 is op grootse
wijze gevierd, dat Monnickendam
in 1356 het stadsrecht heeft verkregen. Hoe oud de stad werkelijk is,
blijft echter in de nevelen van de
geschiedenis verborgen (6). Wat we
wel weten is dat ‘Monckedamme’
in 1297 al wordt genoemd en volgens het handvest van Monnickendam zelfs al in 1273 (7).
Het ontstaan van steden in Europa
kwam vooral in de late Middeleeuwen (1000-1500 na Chr.) goed op
gang. Steeds meer mensen gingen in ommuurde plaatsen wonen om beschermd
te zijn tegen vijandelijke legers of andere gevaren. Veel steden ontstonden langs
belangrijke handelsroutes, bij een doorwaadbare plaats in een rivier, bij een
kruispunt van wegen of aan een riviermonding of zee. Meer in het binnenland
gelegen steden ontstonden in de omgeving van een kasteel, kerk, kapel of
klooster.
Steden vervulden een centrale rol in de directe of wijdere omgeving. Naast
bestuurlijke bezigheden werden er ook economische (jaarmarkt), juridische
(rechtspraak) en religieuze (kerkbezoek) activiteiten binnen de stadsmuren
ontwikkeld, later gevolgd door onderwijs (scholing) en vermaak (kermis).
Monnickendam aan de monding van drie
veenstromen
Steden in het donker
’s Avonds en ’s nachts waren de steden in een diepe duisternis gehuld, zeker als
de maan door een dik wolkendek werd afgeschermd en in de herfst en winter de
136
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 137
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
steden, vooral bij waterrijk gebied,
omgeven waren door een dikke
mist. Rook, als gevolg van de vele
turfvuren, maakte elk straaltje
licht vrijwel ondoordringbaar.
Evenals de andere steden van Holland (8), was ook Monnickendam
eeuwenlang ’s avonds en ’s nachts
in diepe duisternis gehuld. Soms
probeerde het stadsbestuur daar
wat aan te doen. Op 10 augustus
1572 werd door de magistraat bepaald, dat er na het slaan van de
lantaarns uit 1600
klok ‘oock geen wijfven ende kinderen haer op straete en sullen laeten vinden naer clockgeslach, maer dat sij
eenen lanteerne met (kaars)licht sullen uijt hangen’.
Gevaren
Een stad bood lang niet altijd de gewenste veiligheid. Veel steden bestonden uit
een kronkelige wirwar van nauwe, donkere straatjes en steegjes. Er was geen
straatverlichting, waardoor het ’s avonds en ’s nachts even donker was als in de
natuur buiten de stad. Wie in het donker te dicht langs de huizen wandelde,
liep de kans om in een keldergat te vallen, terwijl men zich gemakkelijk aan
laaghangende uithangborden kon stoten. Ook kon er zo maar een po boven je
hoofd geleegd worden!
Gevaren binnenshuis
De ‘gewone man’ had ’s avonds of ’s nachts weinig of geen behoefte aan verlichting. Hij ging met zonsondergang naar bed en stond bij zonsopgang weer op.
Het enige ‘licht’ waarover hij beschikte was afkomstig van het (smeulend)
haardvuur, waarboven zijn dagelijkse maal werd bereid of een klein olielampje.
Wie midden in de nacht naar het ‘toilet’ (buiten!) moest, deed dat, vaak slaapdronken, op de tast. Lang niet iedereen had een kaars op het nachtkastje staan.
Daarom liep hij/zij grote kans om door een luik van de trap of in de haard te vallen, vooral als er flink gedronken was. Alcohol, het smeermiddel van het
vroegmoderne leven, was een niet onbelangrijke factor in deze huiselijke
onveiligheid. Immers op alle uren van de dag werd er bier geschonken, zowel in
dranklokaliteiten als in privé-huizen.
137
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
man met lantaarn
12-05-2008
17:34
Pagina 138
Gevaren buitenshuis
Er is veel criminaliteit, maar in het pre-industriële
Europa was sprake van vijf tot tien keer zoveel geweldsmisdrijven, moorden, inbraken, diefstallen
en zakkenrollerij dan vandaag. Vooral arme sloebers namen, om te kunnen overleven, hun toevlucht tot zulke praktijken. Dieven stalen vruchten
uit boomgaarden, jatten lood van de daken, pikten
wijnvaten van erven, kleding van bleekveldjes en
vee uit de weilanden. Er waren struikrovers die met
de legendarische woorden ‘je geld of je leven’ nietsvermoedende burgers overvielen.
Moest iemand ’s nachts toch over straat, bv. een
vroedvrouw, dan droeg zij een lantaarn met daarin
een kaars. En als ze buiten de stad moest zijn, deed
ze er goed aan om vooral niet alleen op pad te gaan.
Er was alle reden om deuren en ramen te vergrendelen en af te sluiten. ‘De nacht is niemands vriend’,
was dan ook een bekend gezegde.
I. KAARSEN
Lichtbronnen
Voordat het gebruik van kaarsen in zwang kwam, waren er andere lichtbronnen
zoals fakkels, toortsen en vooral olielampjes. Daarvan zijn er bij opgravingen
heel wat tevoorschijn gekomen, gemaakt van keramiek, aardewerk, messing of
brons. Zo’n olielampje was een soort kruikje met daarin vloeibare brandstof en
een pit voor verlichting. Er bestonden hang- en tafelmodellen in allerlei soorten
en maten, maar velen
waren peervormig. In
Griekenland en Rome
gebruikte men olijfolie
(9) als brandstof, terwijl
in het oude Perzië petroleum werd gebruikt, dat
daar als vanzelf uit de
bodem omhoog kwam.
Een andere belangrijke
lichtbron in huizen en
gebouwen was eeuwenolielampjes uit de oudheid
138
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 139
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
lang de kaars. De Etruriërs, een ontwikkeld volk dat in het huidige Toscane (Italië) woonde, wordt wel gezien als ‘uitvinders’ ervan. Zij gebruikten honderden
jaren voor de geboorte van Christus al touw gedrenkt in pek, olie of vet. Er zijn
echter ook aanwijzingen dat de farao’s van Egypte, zo rond 1350 v Chr. al kaarsen en zelfs kaarsluchters gebruikten.
Kaarsen
De Romeinse wijsgeer en schrijver Lucius Apuleius (123-180 na Chr.) kende in
zijn tijd, zo blijkt uit zijn geschriften, twee soorten kaarsen: sebacei (vetkaarsen) en cerei (waskaarsen).
Constantijn (ca. 280-337 na Chr.), de eerste keizer die het christelijk geloof omhelsde, gebruikte waskaarsen bij o.a. paasplechtigheden.
Koning Alfred de Grote (849-899 na Chr.) liet uit bijenwas tijdmetingskaarsen
vervaardigen. Zes van zulke kaarsen brandden in 24 uur op.
Rond de 12e eeuw na Chr. kregen kaarsen op het altaar in de kerk een vaste
plaats. Paus Pius V (1566-1572 na Chr.) bepaalde dat er tijdens de mis altijd kaarsen moesten branden. Twee rijmdichtjes illustreren dat:
‘Het waslicht in Uw slotkapel, met d’ ochtendglans vereend,
blink’ weergekaatst van de altaarpracht, op ’t grijze muurgesteent’! (10)
’t Waslicht brandt, de belle klinkt en ieder werpt zich neer
en met ’t hoofd in stof gebukt, aanbidt hij onze Heer’ – Tarcisius (11).
Omdat de ramen van de kerken, kloosters en kapelletjes van het zich gestadig
verspreidende christendom hele smalle vensters hadden, viel er nauwelijks
enig licht op straat. Hoe anders was dat in kerkgebouwen van de eerste vijf eeuwen van onze jaartelling. Tijdens de Middeleeuwen werd het licht in gewijde
gebouwen echter gedempt, omdat het mysterieuze en het sacramentele steeds
meer in de belangstelling kwamen te staan.
Talg- en waskaarsen
In de 13e eeuw werd in West-Europa de talg- en waskaars geïntroduceerd. Kaarsen die in de kerk werden gebruikt, brandden op bijenwas. Ze brandden mooier
dan de vetkaarsen. Een vetkaars was zacht, gaf roet, walmde, droop meestal en
gaf een onaangename geur. De pit was gemaakt van getwijnde katoendraden,
waarvan het verkoolde uiteinde regelmatig afgeknipt moest worden. Snuiten
werd dat genoemd. Een snuitschaar en een pittenbakje waren dan ook onmisbaar.
139
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 140
Smeerkaars
Aan het einde van de 17e eeuw waren zeelieden in staat
potvissen te vangen. Vanaf die tijd werden veel kaarsen
gemaakt van de vettige stof uit de kop van deze vis, spermaceti genoemd. Zo ontstond de smeerkaars.
Kaarsenmakers (zie bijlage 1)
Voor gebruik in het maatschappelijke leven waren tot ver
in de 18e eeuw heel wat kaarsen nodig. In de kerken, op
straat, in openbare gebouwen en in de huizen van de bursnuitschaar
gers. Vermoedelijk werden in de vroege Middeleeuwen
(500-1000 v Chr.) de kaarsen in kloosters door monniken vervaardigd. In de late
Middeleeuwen lezen we over kaarsenmakers die in de wat grotere steden verenigd waren in een kaarsenmakersgilde. Ook Monnickendam had zulke
ambachtslieden, maar een kaarsenmakersgilde ben ik in de bronnen niet tegengekomen (12). De kaarsenmakers werden in de 18e eeuw door het stadsbestuur
aangesteld. Een jaar lang leverde die persoon (man of vrouw) kaarsen voor gebruik in lokaliteiten van de stad, waaronder de kerken. Omdat er meer gegadigden waren, was er een soort rouleersysteem, waardoor je om de twee á drie jaar
stadsleverancier was. In de Memorialen van de burgemeesters worden hun
namen genoemd.
‘Straatverlichting’ in Europa
Vanaf de 13e, 14e eeuw was er in Europa sprake van enig licht op straat. In nissen
van kerkgebouwen en op hoeken van straten brandden kaarsen voor beschermheiligen, de zogeheten offerkaarsen. De pitjes waren echter zo klein dat een
voorbijganger er geen profijt van had. ‘Welk een hinderlijken duisternis op de
straat. Gelukkig, dat nog hier en daar een kaarsken brandt, door een dankbaren
of devoten geloovige, een erkentelijk of ook een heiligen dag vierend gilde, of
door gezamendlijke bijdragen eener buurt ontstoken’ (13).
Omdat duisternis in de grote steden van Europa in toenemende mate onveiligheid op straat betekende, werd in 1300 na Chr. te Londen door koning Edward I
een bevel uitgevaardigd dat niemand zich ’s nachts gewapend op straat mocht
bevinden, edellieden, vergezeld van een lantaarnknecht, uitgezonderd.
In 1505 verplichtte het stadsbestuur van Amsterdam mensen die zich na negen
uur ’s avonds op straat begaven, een lantaarntje mee te dragen. Wie geen lantaarn droeg werd geacht onbetrouwbaar te zijn en kon door de nachtwacht worden opgepakt en vastgezet. Andere steden, zoals Keulen, volgden. Parijzenaars
moesten vanaf 1524 lampen voor hun ramen hangen.
140
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 141
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
olieslager
kaarsenmaker
Straatverlichting van enige betekenis moest echter nog komen. Parijs, in de 20e
eeuw wel ‘la ville lumière’ genoemd, deed z’n naam eer aan. In 1558 had deze
stad voor het eerst openbare straatverlichting waarbij olielantaarns werden gebruikt.
Echter, gemeten naar de huidige normen, was de stadsverlichting in de Europese steden vóor het midden van de 17e eeuw uiterst sober en ondoelmatig.
‘Straatverlichting’ in Holland
De tot op heden oudste bekende straatverlichting in ons land dateert van 1544.
In Amsterdam, op de Zeedijk bij de Molensteeg, stond een lantaarn met
kaarsverlichting, weldra gevolgd door andere lantaarns op centrale punten in
de stad. Vermoedelijk ging het om posten van de nachtwacht.
Den Haag, in die tijd een stad van circa 1000 huizen, begon op 14 december 1570
met het aanbrengen van 33 straatlantaarns in de binnenstad.
In 1579 kwam Amsterdam met een verordening dat, zodra het donker werd, alle
lantaarns bij bruggen ontstoken moesten worden. Herbergiers en tappers kregen opdracht om tot tien uur s’ avonds in hun voorhuizen een lamp te laten
141
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
lantaarn
12-05-2008
17:34
Pagina 142
branden, zodat er enig licht op de straten en grachten
zou vallen. Maar de meesten volgden dit bevel niet op.
In 1595 zag de Amsterdamse overheid zich daarom
genoodzaakt te bevelen, dat aan ieder twaalfde huis in
een straat een lantaarn of brandende kaars buiten moest
worden gehangen. Maar de burgers sloegen ook dit
bevel massaal in de wind, met als gevolg dat de vroedschap in 1597 lantaarnopstekers aanstelde en daarvoor
een belasting van de burgerij hief, het zogeheten ‘lantaarngeld’. Dat was het begin van de openbare verlichting waar we ons maar niet te veel van moeten voorstellen. Kaarsen waren onvoldoende om in de winter
het duister van de nacht te verdrijven en bovendien
kostbaar in de aanschaf. Dat laatste zal dan ook wel de
reden zijn geweest om de zojuist genoemde sommatie
van het stadsbestuur massaal te negeren.
II. OLIE
Veranderingen op komst
Tot aan het midden van de 17e eeuw was het in de steden van Holland dus bedroevend slecht gesteld met de verlichting op straat. Veel te weinig lichtpunten
en lantaarns met hoornen ruiten, waarvan het licht door roet vaak niet of
nauwelijks te zien was. Dat moest beter, al was het alleen al om de misdaad
terug te dringen, de veiligheid te vergroten en te voorkomen dat dronkaards in
de grachten vielen en onopgemerkt verdronken.
Jan van der Heijden (1637-1712)
Uit mijn schooltijd herinner ik me zijn naam: Jan van der Heijden, de uitvinder
van de brandspuit. Hij werd op 5 maart 1637 in Gorinchem geboren, was niet alleen werktuigkundige, maar ook een goed landschapsschilder, etser, tekenaar,
schrijver, glazenier, spiegelfabrikant. Een uitblinker in tekenen, techniek en
zaken doen.
Belangrijk echter voor ons verhaal, hij construeerde in 1663 de eerste straatlantaarns die, omdat hij mallen had gemaakt, in serieproductie genomen konden
worden in zijn eigen lampenfabriek. Zijn uitvinding betekende een geweldige
vooruitgang op het terrein van de straatverlichting. Van der Heijden maakte
lantaarns van glas en metaal, waarin afgeschermde luchtgaten zaten. Daaruit
kon rook ontsnappen, maar zonder dat er wind inkwam.
Tot dan toe brandden er talg- of waskaarsen in de lantaarns, maar van der Heij142
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 143
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
den gebruikte raapolielampen met
pitten, lemmetten genoemd, van Cypriotisch katoen. Raapolie, door
windmolens geslagen uit koolzaad,
brandde veel langer dan kaarsen en
had bovendien een veel betere lichtopbrengst. De nagenoeg vierkante
lantaarns, twee voet hoog, waren aan
of op eikenhouten palen van twaalf
voet lang en zes duim dik, maar ook
wel op houten muurarmen bevestigd.
portret Jan van der Heijden
Van der Heijdens uitvinding sloeg
aan. Daarom besloot het stadsbestuur
van Amsterdam tot aanschaf op grote
schaal van deze nieuwe lichtbron.
Toen Rembrandt in 1669 stierf, was de
stad geheel voorzien van dit type lantaarn, 1800 stuks op palen of aan de
muren van openbare gebouwen bevestigd. In 1690 was dat getal opgelopen tot 2400. Het schoonhouden van
de lampen, het aansteken ervan, de
kosten van katoen en raapolie etc.
kostte de stad zo’n 24.000 gulden per
jaar. Een deel daarvan werd geïnd via
het eerder genoemde lantaarngeld.
Organisatie
Die straatverlichting vereiste een
goede organisatie. Daarom schreef
van der Heijden een handleiding, met
als titel: ‘De dienst der StraatlantaarVan der Heijden paal en
nen’. Een aanhaling uit deze handleiarmatuur
ding laat zien wat er van de lantaarnopstekers verwacht werd:
‘De Bedienden der Stads Lantaarnen, die allen door de Heeren
Thesaurieren (14) worden aangesteld, zijn een Opziender, een
Onder-Opziender, een Oliemeester, zeventien Vullers of Bezorgers der Lampen, welke vijf noodhelpers zijn toegevoegd, hon143
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 144
derd vier en dertig Aanstekers en Blusschers, die zeventien Noodhelpers hebben. Zes Nagtronden zien toe of alle lampen wel branden. De Lampbezorgers
voorzien de lampen van Lemmetten (pitten dus, caeg) en van olie, naar de maat
van het Dagregister, dat hun door de Opziender ter hand is gesteld, het nieuwe
Lemmet onder het vullen doorvochtigende met Olie, en als het reeds gebrand
heeft, het zwart met een schaar wegsnijdende. Zij geven van de gebreken, die zij
aan de olie, aan het katoen of aan de lantaarnpalen ontdekken, kennis aan de
Opziender en van ’t gene aan ’t blik der Lantaarnen of Lampen of aan de glazen
ontbreekt, aan den Stadsblikslager of Glazenmaaker, die zorg moet dragen dat
alles hersteld worde. Zij reinigen van tijd tot tijd de glazen en bij ligten maantijd de snuiters en rook- en lugtgaten. In May, July, Augustus, September en Oktober bijzonderlijk zorgdraagende dat de laatsten van spjnnewebben gezuiverd
blijven.
Wanneer zij jagtsneeuw tegemoet zien, moeten zij de lampen niet van nieuwe
Lemmetten verzorgen, dan op dezelfden dag, dat dezelven des avonds zullen
moeten worden aangestoken.
De aansteekers zijn gehouden de Lampen voorzigtelijk te ontsteken, de ladder
zagtelijk tegen de paal te zetten, de kleine deur der Lantaarn alleenlijk openende en de kaars behendiglijk aan ’t lemmet brengende opdat het niet verzet
worde, hetwelk de lampen kwalijk zou doen branden. De vullers moeten hun
nieuwjaarswens lantaarnopsteker
144
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 145
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
eigen gereedschap bekostigen, uitgenomen de Oliekruiken en Oliemaaten die
hun van stadswege gegeven worden. Iedere lantaarnopsteker steekt gemeenlijk
twintig lantaarnen aan, welk meesten tegenwoordig maat agt of tien huizen
van elkaar staan, zodat de Stad in een vierendeels uurs alomme verlicht kan
zijn’.
Elders, waaronder Monnickendam, zal men van de aanwijzingen in deze handleiding vast geprofiteerd hebben.
Er kwam heel wat voor kijken om verzekerd te zijn van een goede straatverlichting. Lantaarnvullers, lampbezorgers en aanstekers stonden onder scherp toezicht van de overheid. Er moest, met name door de vullers, een ambtseed worden afgelegd. De lampbezorgers kregen een uitvoerige instructie van 21 artikelen mee. Wie in gebreke bleef bij het uitoefenen van zijn taak moest een boete
betalen die behoorlijk kon oplopen. Nee, het waren geen lucratieve baantjes,
ook omdat de lantaarnaanstekers hun eigen ladder en kaarsen moesten gebruiken. Geen wonder dat zij op 1 januari een gedrukte en soms fraai geïllustreerde
‘Nieuwjaars-Wensch’ lieten maken die hen bij persoonlijke aanbieding een extraatje opleverde van de kooplieden, burgers en andere inwoners van de stad.
Later gebeurde dat ook wel ten tijde van de jaarlijkse kermisweek die meestal in
augustus gehouden werd. Tot ongeveer het begin van de eerste wereldoorlog
hebben de lantaarnopstekers hun onderdanige ‘poësie’ onder de burgerij uitgedragen. Hiernaast staat een voorbeeld uit Den Haag in 1680.
‘De nare duisternis van Avondstond of nacht, begunstigde teveel ’t geboeft in ’t
stelen, moorden.’ (...)
Tot vrijing van den Haag van deze droeve rampen, deed zij door gansche stad
langs ieder Kaai en Straat,
Lantarenen voorzien met sierlijk’ olielampen, veel honderd in getal oprechten,
die bij dag met olie gevuld, als Phoebus is gedoken weer onder zijne kim, zo
spoedig men vermag, in allerijl door ons dan werden aangestoken.
Dan zijn dees’lichten straks den dieven een verraad, ontdekkers van geweld, beveiligers de wegen, leidsmannen door de li’en waar dat men henen gaat. Geen
jonge meijt staat om ontmoeting nu verlegen.
Zo iemand door de wijn, door ’t Rijns’of Franse vocht te veel beladen is, geen
rechte pas kan houden,
Wien’t hoofd begint rontsom te draven in de loch, dien droncken slingervoet
verstreckens’ tot flambouwen.
Des winters als de straat is glibberig en glad en ieder is beducht voor ’t struikelen van voeten, dan toonens zeer het meest begane pad.
145
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 146
In nat en slorsig weer, wanneer men steeds moet wroeten door vuiligheid, door
slik, tenminste enklauw hoog, als ieder wordt beklad en kiest de droogste plekken, zo wijst dit Lampen-licht die aanstonds in het oog, zo ziet mens’ overal tot
veel geriefs verstrekken.
Haar voordeel is zeer groot voor ieder in den Haag. Zij doen veel fakkels en ontelb’re kaarsen sparen.
De Klerk- en Martgang is bij avond als bij daag. Dit dient de dienstmeyt wel in ’t
schuren der Lantaren, om kort te zijn, de Heer en Vader van het Licht’.
Bij de instelling van de ‘dienst’ (we hebben het nog steeds over Amsterdam) had
elke wijk 160 lantaarns. Iedere lantaarnopsteker had de verantwoording voor
ongeveer 20 lantaarns die om de ca. 8-10 huizen waren aangebracht. (De instructie spreekt over een afstand van 125 tot 150 voet). Zo kon de stad in korte tijd verlicht worden, met als gevolg, een veel betere veiligheid op straat. De lantaarns
brandden van 8 augustus tot 8 mei, dus niet in de zomermaanden.
Hoe dat nieuwe licht op straat werd ontvangen, vertelt ons een klein versje:
‘Als het zonlicht is gegaan, steken we de lampen aan;
men kan daardoor bovendien, zelfs nog in het donker zien’.
De ‘Jan van der Heijdenpaal’ werd een begrip in binnen- en buitenland. Andere
steden volgden Amsterdam. Op 23 januari 1673 kreeg de uitvinder 93 gulden
voor het maken van een ontwerp voor de
Haagse straatlantaarn, maar pas in 1679
stonden er 300, op olie brandende lantaarns,
in de stad.
Een eeuw later, toen vader Leopold Mozart
met zijn twee uiterst begaafde kinderen,
onder wie Wolfgang Amadeus, in september
1765 op concerttournee, in Den Haag logeerde, schreef zijn dochter van elf in haar dagboek dat, naast het zien van een zeehond en
het strand van ‘Chevelingen’, de mooie
straatverlichting haar aandacht had getrokken.
Dordrecht volgde in 1674, Hoorn in 1682,
Den Bosch in 1684. Ook in enkele steden van
Engeland kregen van der Heijdens lantaarns
een plaats, terwijl in 1682 de Duitse steden
Berlijn en Keulen er toe overgingen. Hamburg in 1675 en Wenen in 1687.
Van der Heijden lantaarn close-up
146
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 147
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
(In het Berlijn van vandaag staan 5600 gaslantaarns die nog op gas branden, een
kwart van de gehele straatverlichting, zo las ik op een site).
Van der Heijden, op 75-jarige leeftijd in Amsterdam overleden (28 maart of 28
september 1712), heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan zowel de brandbestrijding als de lichtvoorziening op straat. Zijn uitvinding gaf bovendien werk
aan timmerlieden, blikslagers, glazenmakers en lantaarnopstekers etc.
Het Vaderlandsch Woordenboek van
1788 beschrijft van der Heijden als
volgt: “Jan van der Heijden gebooren
te Gorinchem, in den jaare 1637 verdient, bij de nakomelingschap, in erkentenisse gedagt te worden, van
wegen twee zijner zeer heilzame uitvindingen, om ’t menschdom, in de
ongevallen aan welke het blootstaat
eenig redmiddel of behoeding te brengen. Ik heb het oog op zijne verbetering aan de Brandspuiten en zijne uitbeeld aan het huis van Van der Heijden in
vinding van Lantaarnen om, bij nacht,
Amsterdam
de Straaten te verlichten...’.
In de Koestraat nr. 5 te Amsterdam waar hij van 1681 tot zijn dood in 1712 woonde en werkte is in de gevel een gedenksteen aangebracht, met daarop een olielamp en de slangbrandspuit.
Straatverlichting in Monnickendam (17e eeuw)
De ontwikkeling van de straatverlichting elders, was de Vroedschap van Monnickendam niet ontgaan. Het onderwerp kwam voor het eerst aan de orde tijdens de vroedschapsvergadering van 15 februari 1686: ‘Is in propositie (voorstel,
caeg) gebraght, of niet goedt ende dienstig sijn soude, binnen dese Stadt, naer
soo veel exempelen in de andere steden alreeds gebruijckt, mede te plaetsen
Lanteerns tot het lighten bij avondt ende naghten op de Straaten ende Burgwallen...’
Er werd over gedelibereert (de voor- en nadelen besproken, caeg) met als uitkomst, dat de heren burgemeesters en de commissarissen Ketel, Thamis en van
der Poel dit ‘proposel’ (voorstel, caeg) zullen bestuderen en hun ondervindingen ende consideratien (overwegingen, caeg) aen de agtbare vergadering bekend zullen maken’.
In de resoluties (besluiten, caeg) van de Vroedschap kwam dit onderwerp de
eerstvolgende zes jaar niet meer ter sprake. De heren hielden zich vooral bezig
147
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 148
eerste melding van straatverlichting in Monnickendam
met de plaatselijke belastingen en de nationale en internationale politieke
ontwikkelingen. Ook de verdeling van de (vaak lucratieve) baantjes had hun
aandacht.
Ik vermoed dat, zoals in de 18e eeuw regelmatig gebeurde, de uitvoer van bepaalde besluiten in handen van de burgemeesters werd gelegd (15). Wat dat in
eerste instantie heeft opgeleverd, valt niet te achterhalen, omdat de Memorialen van de burgemeesters van vóor 1692 niet bewaard zijn gebleven. Maar
Monnickendam heeft straatverlichting gekregen! De vroedschapsresolutie van
2 november 1692 bevestigt dat.
In het Monnickendam van de 17e eeuw was een vuilnisman werkzaam. Die was
hard nodig, want ondanks een reeks verordeningen tegen ‘het werpen van allerhande vuijlnis in de graghten en op de straten’ waardoor de stad er ‘heel vuijl en
slordigh komt te leggen’, was het een zootje op de straten en in de stegen. Na
een lang verhaal hoe dat verholpen zou moeten worden, volgt dan een opmerking of het niet goed zou zijn om de vuilnisman, in plaats van losse arbeider, tot
stadsarbeider aan te stellen, zodat hij zich de hele week bezig kan houden met
het schoonhouden van de straten, bruggen, grachten, haven’...(en dan komt
het) ‘alsmede de lanteerns ’s avonds aan te steeken, schoonmaken en houden en
daer omtrent mede verder alles te doen dat tot dien Lanteern dienst sal werden
gerequireert’ (vereist, caeg).
Jasper Carstens Colder
Het Memoriaal van de burgemeesters d.d. 4 november 1692 noemt de naam van
de vuilnisman, annex lantaarnopsteker:Jasper Carstens Colder, die te horen
heeft gekregen dat hij als stadsarbeider was aangesteld en dat ook de verzorging van de lantaarns tot zijn taak zou gaan behoren. Hij ging er financiëel op
148
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 149
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
vooruit, want in plaats van 12 kreeg hij nu 16 stuivers per dag. Jasper was blij
met zijn nieuwe job en bedankte de heren ‘hertelijck voor zijn begunstiging’.
Jasper (16) was al geruime tijd vuilnisman, in ieder geval vanaf 1683. Vermoedelijk is hij de opvolger geworden van Dirk de vuilnisman, die op 14 juni 1678 is
begraven.
In 1692 stonden er dus lantaarns in de stad. Hoeveel en waar wordt niet vermeld, maar het zal wel op strategische plaatsen zijn geweest. Verderop krijgen
we een paar aanwijzingen.
De lantaarns moesten bij zonsondergang worden aangestoken en tegen middernacht worden gedoofd. Nog best een hele klus.
lantaarnopsteker met ladder
Jasper heeft zijn nieuwe taak niet lang uitgevoerd. Op 1 mei 1693 meldt het Memoriaal dat hij ‘zijn dienst heeft gequitteert (afzien van, caeg) met het opsteecken van de lanteerns’. Vermoedelijk was het werk te zwaar, naast zijn dagelijkse
werk als vuilnisman. Hij moest immers tegen middernacht de lantaarns nog
weer doven! Zijn opvolger kreeg dan ook, zoals we nog zullen zien, een helper
en gaandeweg de 18e eeuw zien we twee lantaarnopstekers tegelijk aan het
werk.
149
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 150
Krijn Cornelis Modderwercker
Jaspers opvolger heette Krijn Cornelis Modderwercker. Hij ontving ‘het selve
daghgelt’ als zijn voorganger heeft genoten, mits ‘dat hij hem in sijn voorseide
dienst getrouwelijck sal hebben te dragen, stads beste en menagie (voorzichtig
en met maat, caeg) daer ’t behoort waer te nemen op poene van cassatie’
(ontslag, caeg).
Deze Krijn was in april 1663 al weduwnaar en dus
vermoedelijk zo rond 1635/1640 geboren. Niet
meer zo jong dus. Gelet op de uitgaven van de
stad, is hij een jaar of vier lantaarnopsteker geweest en heeft zijn zoon deze taak overgenomen.
Maar Krijn heeft, voordat hij op 20 april 1713 werd
begraven, volgens het uitgavenboek van de magistraat nog wel een aantal jaren verschillende klusjes voor de stad gedaan.
Cornelis Krijnsz (van Slingerland)
Krijns taak als stadsarbeider en lantaarnopsteker
werd overgenomen door zijn oudste zoon Cornelis, waarschijnlijk in het tweede deel van 1697,
want toen kreeg hij voor het eerst salaris uitbetaald.
In 1707 en ook in 1714 was deze Cornelis Krijnsz
nog steeds verantwoordelijk voor het verzorgen
en opsteken van de lantaarns. Een notitie in de Memorialen van de burgemeesters d.d. 15 oktober 1707 bevestigt dat: ‘Cornelis Krijnsz. met ’t opsteeken van de
lantaarns voort te gaan als voor desen, de olij uijt de seepsiederij te halen’. Die
olie kwam zeer waarschijnlijk uit zeepziederij ‘De Buijnvis’ van Arent Bruijn op
de Nieuwezijds Burgwal (17).
oliekan
Helpers
Omdat het ‘opsteken van de lantaarns’ voor éen persoon te veel bleek te zijn,
kreeg Cornelis hulp van blikslager Willem Alberts Vreling, zo blijkt uit de
betalingen. De laatste was ook verantwoordelijk voor het schoonmaken van de
lantaarns en de lampen en deed de benodigde reparaties. Nadat Willem Alberts
op 30 oktober 1700 is begraven, kreeg Cornelis assistentie van Jan Appel.
Ook dat was maar van korte duur, want Jan Appel werd een paar maanden later
al, 7 februari 1701 begraven.
150
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 151
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Jan Michiels Mobron is de volgende die een aantal jaren achtereen assistentie
verleende. Bij de betalingen wordt zijn naam tot 1715 genoemd. Hij overleed in
1722 en werd de 6e september van dat jaar begraven.
Andere werkzaamheden
Cornelis Krijnsz. stak niet alleen de lantaarns aan, maar deed ook allerlei klussen voor de stad. Puin ruimen aan de Kloosterdijk bijvoorbeeld, modder baggeren uit de grachten en het lossen van schepen met zand in de haven. En elk jaar
maakte hij de rommelpot in of bij de stadsschool van meester Claas Ilp schoon.
Wat we ons bij die ‘rommelpot’ moeten voorstellen, heb ik niet kunnen achterhalen. Het zal niet gaan om een soort ‘muziekinstrument’, zoals verschillende
woordenboeken bij ‘rommelpot’ aangeven. Ik denk meer aan een soort grote
‘vuilnisbak’ of vergaarbak.
In oktober 1707 kregen Cornelis Krijns en een zekere Sijmon Buijs allebei drie
gulden, omdat ze ‘de lijcken in de kisten en van ’t schavot hebben geholpen, die
laatst geëxecuteert zijn’(18).
Beperkte straatverlichting
De lantaarns brandden niet elke avond. Dat blijkt uit de betalingen van de thesaurier. De opstekers van de lantaarns kregen namelijk uitbetaald voor zestien
of zeventien dagen per maand. En dan ook nog alleen in de ‘donkere’ maanden
oktober tot april.
Onderhoud en opslag
Van mei tot augustus werden de lantaarns opgeslagen. Dat blijkt uit de notulering van de burgemeesters d.d. 22 september 1708, waar Cornelis Krijnsz. vraagt
‘of hij de lanteerns in de aenstaende maent niet weder soude opsteeeken en die
dan weder wel diende te werden gerepareert en tegens dien tijt opgeset, is ’t
selve geconsenteert deselve door Dirk Inses (de koper- en blikslager, caeg) en Jan
Brandtz. (smid, caeg) ijder half en half laten repareren’.
De houten lantaarnpalen stonden in weer en wind en hadden dus veel te lijden
van de wisselende weersomstandigheden. Dat betekende het nodige onderhoud. Zo kreeg op 3 augustus 1709 Jan Sem f 28.17.- voor het verven van de
lantaarnpalen en bruggen. Op 1 augustus 1711 ontving koperslager Dirk Inses
f 23.16.- voor ‘verstellen der lantaarns en lampen binnen de stad’ en in 1714 en
f 28.8.- voor dezelfde bezigheden over de periode september 1713 tot augustus
1714. Op 28 juni 1713 kreeg Jan Bolman zijn rekening betaald ‘voor ’t maken van
een nieuwe lantaarn en lampen alsmede voor ’t verstellen van de oude als anders, ten behoeve van de stad’. Een jaar later is er nog zo’n betaling aan Bolman.
151
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 152
Glasemaker Pieter Teerhuijs ontving in augustus 1714 f 11.12.4 ‘voor ’t maken en
stoppen der glazen in de lantaarns en lampen binnen deze stad’ tussen november 1713 en augustus 1714. En de kooplieden Sijmon Muus en Klaas Bruijn kregen f 225,- voor geleverde olie ten behoeve van de stadslantaarns voor de portiers tussen oktober 1708 en augustus 1709.
De straatverlichting was een kostbare aangelegenheid. Daarom betaalden de inwoners van Monnickendam lantaarngeld en bleef de verlichting tot een bepaald aantal dagen en avonduren beperkt.
De stad zonder verlichting?
In de stadsuitgaven werden alle betalingen genoteerd, gedaan aan mensen die
een dienstverband met de magistraat hadden. Maar hoewel Krijnsz. dan nog
niet is overleden, worden er vanaf 1715 geen uitgaven aan een lantaarnopsteker
meer genoemd. Wel meldt het Memoriaal van 29 juni 1715 dat Klaas Sijmons
Oossanen en Mighiel Verstijlen ‘voor het opsteeken van de lanteerns en vullen
van de lampen met olij omtrent de poorten bij de jaegschuiten in de voorlede
winter gedaen, werden toegeleijt ijder vijf guldens’. Klaas was portier, Michiel
boomsluiter, de laatste oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen.
Nieuwe start?
Het is 1727 als Melis Pieters Kojer op 1 maart van dat jaar f 7.16 ontvangt voor ’t
schoonmaken van 16 lantaarns en 18 lampen. Het heeft er alle schijn van dat de
straatverlichting een jaar of twaalf niet heeft gebrand, misschien veroorzaakt
door een krappe stadskas. Ook de grote kerstvloed van 1717, waarbij Waterlandse dorpen geheel of gedeeltelijk onder water kwamen te staan, kan een rol hebben gespeeld..
Overlijden Cornelis Krijnsz.
De man die lange tijd verantwoordelijk was voor het opsteken van de lantaarns,
Cornelis Krijnsz, werd op 29 december 1728 begraven. Zijn schoonzoon Jan
Nannings, die op 20 augustus 1718 ondertrouwde met Cornelis’ dochter Eegje,
betaalde de impost.
Drie lantaarns gelokaliseerd
Eerder merkte ik op, dat het onduidelijk is, waar in de stad de (verplaatsbare)
lantaarns stonden. Maar via de Memorialen van de Burgemeesters krijgen we af
en toe een aanwijzing. Op 17 november 1707 vroeg lijnbaaneigenaar Willem
Klaasz Baan ‘dat de lanteern weder bij zijn baan mag werden geset, dewijl anders van geen lanteern ligt kan hebben’. Zijn verzoek werd ‘in nota genomen’.
Die lijnbaan stond op stadsgrond bij de Zuideinderpoort (19).
152
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 153
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Op 4 oktober 1749 noteert het Memoriaal: ‘Jasper Carstens is op zijn verzoek geconsenteerd een lantaarn bij sijn huijs, mits dat hij deselve sal moeten opsteken’. Deze Jasper, geboren in 1720, was een kleinzoon van de eerder genoemde
eerste lantaarnopsteker Jasper Carstens Colder. In 1748 woonde deze Jasper nog
in bij Hendrik Brands op de Gooijsche Kaaij, maar het jaar daarop bewoonde hij
een huis in de Moordsteeg. Zijn echtgenote, Lijsbet Jacobs Meeuwis, was vroedvrouw (20)
Op 25 juni 1768 vroeg Ernst Nahuijs of de lantaarnpaal op de hoek van de
Niessenoordsteeg weggehaald kon worden. Hij kon anders zijn hooi niet op
zijn berg krijgen. Dat werd goed gevonden. Ook daar stond dus een lantaarn.
Lantaarn op de lange brug
Een belangrijk punt voor vaartuigen was de Lange brug bij de Haven. Op 29 oktober 1752 vroegen de schippers van het oude veer ‘dat de heren burgemeesters
een lantaren op de Langebrugh geliefde te laten stellen om tot dienst van diegene welke des avonds met haare vaartuijgen uijt zee komen te werden aangestoken en te branden, presenterende jaarlijks wel iets daar toe te willen contribu-
Monnickendam sfeerbeeld
eeren’. In dat laatste werd niet ‘geconsenteerd’ (toegestemd, caeg), maar de lantaarn kwam er. Om het financiëel mogelijk te maken, werd gesproken om ‘na
het voorbeelt van andere steden een vuur en havengelt te introduceeren’.
Havenmeester en visafslager Cornelis Blauw werd belast met het opsteken van
deze lantaarn op de Lange brug, zo blijkt uit een instructie van 18 november
1752. Hij moest zijn post getrouwelijk waarnemen en met betrekking tot de lantaarn stond in zijn instructie: ‘De opsteker van de lantaren op de Langebrug sal
gehouden zijn gedurende den tijd van agt maanden, te weten van primo sep153
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 154
tember tot ultimo april alle avonden met ’t 6 uur luijden der poortklok deselve
aan te steken en ook wel van olij en cattoen te besorgen en schoon te maken
opdat deselfe behoorlijk kan branden’.
Lantaarns bij de poorten
Ook bij de stadspoorten en de aanlegplaats van de jaagschuiten, stonden of hingen lantaarns. Die werden aangestoken en gedoofd door de portier en/of de
boomsluiter, zoals we eerder zagen
Dat de portiers zelf verantwoordelijk waren voor de lantaarns, blijkt ook uit een
notitie in het Memoriaal d.d. 27 augustus 1740, waar Cornelis Wijnands Groot
(geen familie, caeg), portier van de Nieuwe Poort sinds 1737, voor een kwart jaar
lamp bij Noorderpoort
twintig liter olie, vier pond kaarsen en 1/4 pond ‘catoen (de pit) krijgt om de lantaarns aan de poort op te steken’. Dat was blijkbaar een jaarlijkse voorziening,
want op 26 augustus 1741 ontving hij opnieuw twintig liter olie en vier pond
kaarsen.
Twee lantaarnopstekers aangesteld
Wie de in 1728 overleden Cornelis Krijnsz. als lantaarnopsteker is opgevolgd,
heb ik niet kunnen vinden. Ik denk niemand, want de aanstelling van een opvolger zou ongetwijfeld in de Memorialen vermeld zijn. Ook de stadsrekeningen hebben vanaf 1728 een reeks jaren geen uitgavenpost voor een lantaarnopsteker. Het feit dat de eerder genoemde Jasper Carstens de lantaarn bij zijn
154
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 155
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
huis zelf moet aansteken en
doven, lijkt deze veronderstelling
te ondersteunen. Ook een notitie
in de Vroedschapsresoluties wijst
in die richting. In de resolutie
d.d. 16 oktober 1756 blijkt de
stadskas er weer wat beter uit te
zien. Daarom kwam de vraag aan
de orde of, als vanouds, de lantaarns kunnen worden gebrand
ten behoeve van de burgerij’. De
kwestie werd doorgeschoven naar
de burgemeesters ‘om soveel
nieuwe lantaarns te laten maken
en die op sodanige plaatsen te
stellen en laten branden als tot
nut van de burgerij vernemens
sullen te behoren’. De burgemeesters hebben er meteen werk
twee lantaarnopstekers
van gemaakt, want al op 28 oktober werden er twee nieuwe ‘stadslantaarns vulders en opstekers aangestelt:
Adriaan Jansz Decker en Jan van Praagh( alias Jan Grouw), elk op een tractement
van 40 gulden per jaar, ‘mits deselve lantaarns te vullen en aansteken volgens
instructie, haar ter hand te stellen’. Het stadsbestuur was er inmiddels wel achter gekomen, dat er voor het aansteken en doven van de lantaarns twee mensen
nodig waren.
De instructie is niet bewaard gebleven maar het zal de nadruk hebben gelegd op
een goede verzorging. Scheve palen rechtzetten, op tijd de pitten vervangen, de
luchtgaten met een ‘ragebol’ reinigen van spinnewebben en/of andere verstoppingen. Kortom, een voorzichtige en secure omgang met palen, lantaarns, olie
en pitten.
Loonsverhoging
Op 12 mei 1759 vroegen Adriaan Decker en Jan van Praagh ‘vermeerderingh van
tractement voor ’t opsteken der lantaarns buijten de Poorten, is goet gevonden
voor een douceur (extraatje, fooitje, caeg) voor dese tijt en ook eens voor al te
geven drie gulden’. Het aansteken en doven van die lantaarns, eerder verzorgd
door de portiers en boomsluiters, was dus ook tot hun taak gaan behoren.
155
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 156
Lantaarn op de Lange brug in slechte staat
De lantaarn die in 1752 op de Lange Brug was neergezet, bleek er op 23 juni 1764
niet best aan toe te zijn. Cornelis Blauw, de visafslager en verantwoordelijk
heeft ‘ter kamer van de heeren burgemeesteren kennisse gegeven dat de Lantaarn op de Langebrug seer oud en slegt is soodat moet vernieuwd worden’.
Wie daarvoor gezorgd heeft? Mogelijk Simon Meet.
Hij krijgt op 28 juli 1764 f 19.7.- voor ’t verstellen der lantaarn en het stoppen
van de glazen. Maar het kan ook zijn dat de opzichter van de stadswerken, Pieter Bleus met zijn knechten, de klus geklaard heeft.
Vijftien december van dat jaar kreeg ene Gillis Pieters f 65.10.- voor geleverde
lantaarns aan de stad. Of het ging om vervanging van oude lantaarns of uitbreiding met nieuwe lantaarns staat er niet bij.
Zo rond 1760 worden lantaarns ‘met fijn glas beglasen’ waar voorheen de ruitjes
van hoorn waren gemaakt.
Reprimande
Op 26 oktober 1765 kregen Adriaan
Decker en Jan van Praagh een uitbrander. ‘De lantaren opsteekers sijn gelast
nauwkeurig op haar lantaarns te passen en sorge te dragen dat se haar tijt
uijt branden of dat burghemeesters anders sodanige maatregelen sullen
nemen die haar niet aangenaam soude
sijn’.
Dat dreigen met straf, kom je in de
Memorialen regelmatig tegen. Je hoefde in die tijd maar weinig fout te doen,
of je werd voor enkele weken uit je
functie gezet, met verlies van inkomen!
lantaarnopsteker (ludiek)
156
Pieter Klaasz Mooij
Op 24 december 1762 werd Pieter
Klaasz Mooij als lantaarnopsteker aangesteld. Hij volgde de overleden Adriaan Jansz Decker op, die op de 21e december van dat jaar was begraven. Op
24 september 1768 verzocht de toen 60jarige Pieter Mooij het stadsbestuur, ie-
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 157
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
nieuwjaarswens kaarsenmaker
mand te mogen vragen ‘om hem in ’t opsteeken van de Lantarens de te helpen, is
hem sulks geaccordeert (toegestaan, caeg), mits daar altoos selfs bij present te
sijn en ook die voor sijn eigen rekeningh te betalen en verder gerecommandeert
(opgedragen, caeg) sijn pligt behoorlijk waar te neemen’.
Nieuwjaarswensen
De stadsvuilnisman had sinds oude tijden een soort privilege. Hij mocht met
oud en nieuw de stadsbewoners huis aan huis, al of niet schriftelijk, een gelukkig nieuwjaar wensen. Daarvoor maakte hij soms een afbeelding van zijn beroep, met daar op een nieuwjaarswens, meestal in kreupelrijm. (In andere steden was dit een gebruik rond de kermisweek, die meestal in augustus werd gehouden).
Op 21 december 1765 probeerden de heren lantaarnopstekers of zij ook niet een
graantje konden meepikken. ‘De Lantaarn opsteekers hebben versogt om tegen
nieuwe jaar de lieden aan de huijsen Nieuwjaar te mogen wenschen, is sulks aan
haare, als een nieuwigheijd sijnde, afgeslagen’. Hun bedoeling was uiteraard
om fooitjes binnen te halen, te vergelijken met wat onze krantenbezorgers
rondom kerst en nieuwjaar doen. Maar nee, van zulke ‘nieuwigheden’ moest
het stadsbestuur niets hebben.
157
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 158
Trijntje Alewijns (Postma)
Het is 17 oktober 1767 als de notulen van het Memoriaal vermelden dat
lantaarnopsteker Jan van Praagh (Jan Grouw) is overleden. Op 8 oktober 1767
was hij begraven. Zijn vrouw Trijntje Alewijns mocht zijn taak overnemen,
waarmee ze verzekerd bleef van het bijbehorende inkomen. Dus hoefde ze niet
haar hand op te houden bij de diaconie of bij de huiszittende armenvoogden. Of
ze het (zware) werk zelf heeft gedaan, wordt niet vermeld.
Anne Willems
Op 31 december 1773 werd door
burgemeester Bruijn gemeld dat
lantaarnopsteker Pieter Mooij de
dag daarvoor is begraven. In zijn
plaats werd Anne Willems aangesteld, getrouwd met Grietje
Thuijn. Op 17 september 1768
had de vader van deze Grietje,
Jan Thuijn, voor zijn dochter inwoning aangevraagd. Dat was
eerst geweigerd, maar later volgde toch toestemming. Grietje
was daarna met deze nieuwe
lantaarnopsteker getrouwd.
Jacob Keleman
Op 26 juni 1775 is de weduwe van
Jan Grouw (= Jan van Praag),
lantaarnopsteker
Trijntje Alewijns, de vrouwelijke
lantaarnopsteekster dus, begraven. Jacob Keleman kreeg deze job, zo melden de
notulen van de burgemeesters op 29 juli 1775.
Stadsverlichting in tijd van nood
Op 1 augustus 1778 kwam het stadsbestuur met een keur, wat te doen in tijden
van nood. Wel, als er sprake was van hoog water of brand dan moest iedere burger een lantaarn aan zijn huis hangen met daarin een brandende kaars ‘om so in
een ogenblik des tijds de geheel Stadt te verligten’, zodat de mensen die aan de
schoeing (stadswal) werken of de brandspuit bedienen hun werk goed kunnen
doen. Wie in gebreke bleef, kreeg een boete van 30 stuivers. Was er sprake van
een calamiteit in de nacht dan zou de poortklok kleppen.
158
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 159
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Jacob Thuijn
Op 17 augustus 1776 bedankte Anne Willems voor zijn post als lantaarnopsteker. Zijn schoonvader, Jacob Thuijn, nam het werk een aantal jaren over,
maar stopte daar mee op 25 mei 1782. Een week later, 2 juni, werd de baan gegeven aan Adriaan Jansz Groot, die daartoe de eed aflegt ‘in handen van de heeren
Burgemeesteren’. Deze Adriaan Groot is een zoon van een voorvader van de
schrijver van dit verhaal.
Twee lantaarnopstekers
Zo waren er in 1782 dus twee jonge lantaarnopstekers, de 26-jarige Jacob Keleman en de 27-jarige Adriaan Jansz Groot. Hun salaris bedroeg in 1782 twintig
gulden voor een half jaar. Bepaald geen vetpot.
Op 19 september 1785 ging het salaris van de heren omhoog van 40 naar 50 gulden per jaar ieder, plus een ‘somma van tien gulden, soo als bevorens genooten
hebben voor ’t poetsen der lantarens als die sullen zijn afgenomen’. De lantaarns werden dus nog steeds in het zomerseizoen opgeborgen, na eerst te zijn
gepoetst.
Nieuwe eed
De jaren 1787 en1788 waren bijzonder onrustig vanwege spanningen tussen de
patriotten en de prinsgezinden (21). Daarom moesten op 5 april 1788 Jacob en
Adriaan, samen met een aantal andere ‘bedienden van de stad’ (22) een nieuwe
eed afleggen in handen van de burgemeesters om daarmee hun loyaliteit aan de
prinsgezinde magistraat te bevestigen. Monnickendam had vertegenwoordigers van beide partijen en je baantje was sterk afhankelijk van loyaliteit aan de
partij die het op dat moment voor het zeggen had.
Varia
Op 2 oktober 1790 werd besloten om binnendijks nog een lantaarnpaal ‘te stellen’ en de paal voor de stal van mej. Claus wat te verplaatsen.
20 augustus 1791 werden ‘de bazen gelast dezen avond te beginnen met het Lantaarn opsteeken’. Het donkere seizoen kwam er aan en dus moeten de lichtpunten in de stad weer worden geplaatst en elke avond aangestoken. De lantaarnopstekers zullen waarschijnlijk onder toezicht en/of verantwoordelijkheid van
de stadsbaas hun werk hebben gedaan. Hun salaris was dat jaar en het jaar daarop nog steeds vijftig gulden elk.
Op het matje
Ook Jacob en Adriaan deden hun werk niet altijd naar behoren. Op 12 mei 1792
lezen we in de notulen van de burgemeesters dat ‘de lantaarnopstekers zijn
159
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 160
gereprimendeerd over de slegte behandeling der lantaarnslampen en hebben
deze lui beterschap beloofd’.
Meer lantaarns
Een klein jaar later is er sprake van een bescheiden salarisverhoging. Op 2 februari 1793 ‘aan de twee Lantaarn Opstekers is op derzelver verzoek geaccordeert een verhooging van tractement van drie gulden eens in ’t jaar voor het
schoonmaken van de lantaarns en het meerdere werk door de vermeerdering
van ’t getal der lantaarns in de stad’. Er waren dus lantaarns bijgekomen. De
heren kregen nu samen 116 gulden per jaar. Het jaar daarop werd dat verhoogd
tot 120 gulden, zestig gulden elk.
Invoerverbod van kaarsen
Op 2 november 1793 vaardigde het stadsbestuur een keur uit om de werkers in
de smeersmelterijen en de kaarsenmakerijen te beschermen. Voor kaarsen die
van buiten de stad werden aangevoerd moest ‘belasting’ betaald worden: 50
stuivers voor 100 pond kaarsen. Maar toen twee jaar later het bestuur van de
stad in handen van de patriotten kwam, werd op 5 juli 1795 deze bepaling ‘ strijdig geacht met de rechten van de mens en burger’. Op verzoek van enkele burgers werd de protectie-maatregel dan ook teruggedraaid, waardoor vrije invoer
van kaarsen in de stad weer mogelijk was.
inval Fransen 1795
160
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 161
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Franse revolutie
De komst van de Fransen in 1795 zorgde voor heel wat maatschappelijke en bestuurlijke veranderingen. De armoede nam sterk toe en daarom moest er op allerlei manieren worden bezuinigd. Belangrijke uitgavenpost was de inkwartiering van Franse soldaten, die de stad handen vol geld koste. Ook de stadsverlichting moest er aan geloven. Op 31 juli 1797 kregen de lantaarnopstekers
Keleman en Groot nog hun tractement van 120 gulden over de periode 1 augustus 1796 tot 31 juli 1797. Maar op 1 november 1797 nog slechts een 1/6 van hun
tractement, dat wil zeggen, samen f 20,-. Eenzelfde bedrag ontvingen de heren
ook op 17 maart 1798, maar daarna waren ze zonder werk. De lantaarns in de
stad zouden een aantal jaren niet meer branden. De lantaarn aan de Nieuwe
Poort bleef wel in gebruik. Portier Jan Meij kreeg op 30 juni 1798 f 5.5.- voor ’t
opsteken van deze lantaarn. Dat zal waarschijnlijk ook wel het geval zijn geweest bij de portiers van de andere poorten, hoewel ik daar geen informatie over
ben tegengekomen.
Monnickendam zonder verlichting
Dat de lantaarns vanaf 1798 niet meer brandden, werd duidelijk toen pastoor
van Munnikreede (23) op 18 januari 1799 aan het stadsbestuur een brief schreef
(24) waarin hij vermeldt dat de ‘lantaarns op de straten al twee winters niet gebrand hebben en alzoo binnen als buijten burgers aan alle ongelukken worden
blootgesteld’. Oorzaak: de slechte situatie van de gemeentekas’. Het gaat om de
jaren 1798 en 1799, maar het heeft er alle schijn van dat de straatlantaarns tot
1808 niet meer hebben gebrand.
Feestdag
Een uitzondering was 19 december 1799. Op deze nationale vierdag waren er om
acht uur, twaalf uur en vier uur telkens 21 schoten met het kanon. De nationale
vlag waaide vanaf de torens en publieke gebouwen als het stadhuis, de Waag, de
scholen en de stadsdoelen. ’s Avonds werden de lantaarns! aangestoken om
mede de speeltoren, de vrijheidsboom en het stadhuis te ‘illumineren’. Ik vermoed dat het om een vierdag van de revolutie gaat, het vijfde jaar van de Bataafse vrijheid. Het feest werd uitbundig gevierd en dat terwijl er een groot kastekort was!Tja.
Lantaarns bij de poorten branden wel
Op 27 februari 1802 werd in de Raad voorgesteld om ’s avonds de lantaarns aan
de poorten te laten opsteken’. Niet lantaarnopstekers maar de portiers van de
verschillende poorten waren daar (weer) verantwoordelijk voor. Zo kregen de
portiers van de Noorderpoort (Jan Meij, in 1804 Arie Lakemond) en de Nieuwe161
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 162
poort (Jan Besem) aan het begin van de 19e eeuw een aantal jaren f 5.5.- uitbetaald voor het aansteken van de lantaarn bij hun poort.
Lantaarnopstekers weer in functie
In de Franse periode kwam er steeds meer overheidsbemoeienis en werd het
plaatselijk bestuur onder controle gesteld van regionaal en landelijk bestuur.
Een briefwisseling tussen de Raad en het Departementaal bestuur van Holland
gaat over de belastingen. Op 12 juni 1806 kwam het lantaarngeld aan de orde:
‘Het Lamptaarngeld zal worden betaald door de bewooners of gebruijkers van
huijzen en gebouwen. Volgens de begroting berekent tot 3 Percent, welk belastingen door den thesaurier dezer stad ingevorderd zullen worden door rondgezonden biljetten, op welk ieders aanslag zal worden uitgedrukt’.
Als je lantaarngeld betaalt, dan behoren die lantaarns ook te branden en dat gebeurde dan ook. Op 12 september 1807 besloot de municipaliteit ‘de vulders en
aanstekers van de lantaarns bij hun aanstelling een gepaste zuinigheid voor te
houden en ook de lantaarns buiten de stadspoorten te laten vullen’. Daarmee
verviel het ‘douceurtje’ dat de portiers/poortwachters tot dan voor hun werkzaamheden kregen. Met deze boodschap van zuinigheid werden in 1808 de
voormalige lantaarnopstekers Adriaan Groot en Jacob Keleman weer in dienst
genomen. Beiden kregen in dat jaar, evenals een jaar of tien eerder, zestig gulden per jaar. Dat bleef zo tot 1811, terwijl hun salaris ‘voor het vullen en aansteken van de lamptaarns’ over het jaar 1812 in franse francs werd uitbetaald. Die
uitbetaling van 252 francs vindt plaats op ‘le 5e Octobre 1813’.
Verandering in 1813
Wat er precies gebeurd is heb ik niet kunnen achterhalen, omdat er over het jaar
1813 geen notulen van de stadsregering bewaard zijn gebleven. Maar uit een
pakket brieven en stukken, ingekomen bij het stadsbestuur en gelet op de
stadsrekeningen van 1813, wordt duidelijk dat het werk van de door de gemeente betaalde lantaarnopsteker voorbij is.
Wel is er in dat jaar nog sprake van levering van vuur en licht aan de nachtwachten, waarbij de aanvraagbriefjes ondertekend worden door wachtmeester Pieter
van Hoorn. Maar voor de lichtvoorziening in de stad is vanaf 1813 éen man verantwoordelijk: Tijmon Cornelisz Kater. We zullen nog veel van hem horen.
Overlijden van de laatste lantaarnopstekers in dienst van het stadsbestuur
Hoe de ontslagen lantaarnopstekers financieel het hoofd boven water hebben
kunnen houden weet ik niet. Jacob Keleman had als turfdrager nog wel wat inkomen, maar Adriaan niet. De laatste is 65 jaar als hij op 25 juli 1821 in het huis
op de Zarken, wijk 1 nr. 132 ’s morgens om zes uur overlijdt. Hij wordt begraven
162
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 163
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
in de kerk, grafrij 28, graf 7, hetzelfde graf waarin zijn vrouw Saartje Pontman
op 10 december 1825 zal worden begraven.
Jacob Keleman overlijdt op 30 september 1830 en wordt 4 oktober 1830 in de
kerk begraven, het laatste jaar dat dat wettelijk nog was toegestaan (25).
The Old lamplighter
Tot ver in de 20e eeuw zijn er in ons land
lantaarnopstekers werkzaam geweest.
Maar omdat, zoals we straks zullen
zien, in steeds meer plaatsen werd
overgegaan op elektrische straatverlichting, is het beroep geleidelijk aan uitgestorven. De laatste lantaarnopsteker van Haarlem ging in 1957 met pensioen
(26).
De ouderen onder ons herinneren
zich misschien nog die country-hit
uit 1960, toen het trio ‘The Browns’
het door hen zeer bekend geworden lied
‘The old lamplighter’ zong, met als refrein:
He made the night a little brighter, wherever he would go,
the old lamplighter of long, long ago.
His snowy hair was so much whiter, beneath the candle glow,
the old lamplighter of long, long ago (27).
We sluiten de eerste periode van de straatverlichting van Monnickendam af.
Voor we verder gaan, kijken we eerst kort naar ontwikkelingen bij de buurgemeenten Edam en Broek in Waterland.
Straatverlichting in Edam (28).
In een artikel over ‘Edams straatmeubilair’ vertelt Corrie Boschma dat er voor
het eerst over straatverlichting in Edam wordt geschreven in een keur van 4 mei
1764. Het vernielen van de ‘nieuwgesette Lantarens’ is verboden. De boete voor
de overtreder bedraagt f 20, - Mevr. Boschma voegt er aan toe: ‘Of de nieuwe
lantaarns een vervanging waren van oudere modellen, valt te betwijfelen. In de
oudere keuren wordt nergens over straatverlichting gesproken’.
Met alle respect, ik heb daar m’n twijfels over. Als Monnickendam al in 1692 lantaarns heeft aangeschaft, zal Edam vast niet achtergebleven zijn. Ik adviseer
163
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 164
leden van Oud-Edam de vroedschapsresoluties en/of de notulen van hun stadsbestuur er eens op na te slaan. Wellicht komt er dan meer duidelijkheid over het
jaar wanneer in Edam de straatverlichting een feit is geworden.
Straatverlichting in Broek in Waterland (29)
In 1785 krijgt het dorpsbestuur van Broek in Waterland een legaat van
f 40.000. De gulle geefster is Geertje Claas Pols (1726-1785), in 1764 getrouwd
met Jacob Cornelisz. Ploeger, lid van de vroedschap en meerdere keren burgemeester tussen 1765 en 1780. Van dat bedrag worden zeventig hardstenen palen
met olielantaarns bekostigd, de eerste straatverlichting van Broek. Ook in Zuiderwoude en Uitdam die onder Broeks bestuur vallen, worden zulke lantaarns
geplaatst. Evenals in Monnickendam branden de lantaarns alleen in de donkere
maanden, van eind september tot eind maart. Jacob Poolman, tevens omroeper
en later ook nachtwacht, is de eerste lantaarnopsteker.
De karakteristieke vierkante (koperen) armatuur is in de loop van de tijden
meerdere keren vervangen, maar de robuuste vierkante lantaarnpalen van
‘Naamse steen’ vormden anderhalve eeuw de basis voor straatverlichting, zoals
uit talloze foto’s en prentbriefkaarten blijkt (30).
lantaarn Broek in Waterland
Helaas heeft de gemeente rond 1920 besloten om deze oude, originele lantaarnpalen niet te vervangen door exemplaren van dezelfde soort, maar door goedkopere, moderne lichtmasten, met een afgeplatte bolle kop, in Broek wel aangeduid als ‘ufo‘s’. De oude lantaarnpalen werden gebruikt als ophoogmateriaal,
straatmarkering en drempels. Gelukkig zijn er nog enkele palen bewaard gebleven, o.a. in het Openluchtmuseum bij Arnhem en het Zuiderzeemuseum in
164
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 165
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Enkhuizen. Jammer, want bij het vaststellen van de verlichtingsinstallatie mag
nooit uit het oog worden verloren dat het aanzien van het dorp op het spel staat.
Maar er is goed nieuws. In 2007 heeft zich een particulier gemeld die, ter verfraaiing van het dorp,150.000 euro uittrekt om de huidige 40 lichtmasten te
vervangen door replica’s van de ‘oorspronkelijke’ hardstenen lantaarns.. Dat
ziet er dus goed uit voor wie het zo karakteristieke Broek in Waterland van
harte liefhebben. De gulle gever(s) zijn de heer (Dirk) en mevrouw (Letty) Broeder, inwoners van Broek. De bedoeling is om een aantal palen in het voorjaar
2008 te plaatsen en die bij het Havenrak begin 2009. De vereniging ‘Oud Broek’
is bijzonder dankbaar voor dit geweldige geschenk. Op 7 april jl. is op ludieke
wijze de eerste paal feestelijk onthuld op een locatie halverwege de Erven. Daarbij was ook een lantaarnopsteker uit’1786’ aanwezig.
Nog een notitie over de verlichting in Broek in Waterland. Mevr. N.C. RümkeBakker, dochter van dr. Bakker, huisarts in Broek in Waterland aan het begin
van de vorige eeuw, schrijft: ‘Als Piet de Wit, gemeentewerkman ’s avonds de
lantaarns kwam opsteken en met zijn laddertje voorbijkwam, mocht de lamp
op en deden we spelletjes. Die lantaarns waren olielampjes en brandden niet
met volle maan, behalve éen bij ons en bij de burgemeester (31).
lantaarn Broek in Waterland
Monnickendam. Tijmon Cornelisz Kater
Terug naar Monnickendam. Het beheer over de straatverlichting is meer dan
honderd jaar in handen van het stadsbestuur geweest. Maar, in navolging van
andere steden, werd in de Franse periode de zorg voor de lantaarns uitbesteed
aan particulieren. In Amsterdam was dat vanaf 1809 een particuliere maatschappij, opgezet door Fréderic Louis Behr, in Monnickendam werd de zorg
165
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 166
voor de straatverlichting toevertrouwd aan één man: Tijmon Cornelisz. Kater,
telg uit een Monnickendamse familie, waarvan de oudste generaties teruggaan
tot circa 1600 (32).
Tijmon Kater, bijgenaamd ‘de
jonge’,ter onderscheiding van
zijn oudere oom, werd op zondag 15 april 1787 geboren en
donderdag de 19e april in de Gereformeerde gemeente van
Monnickendam gedoopt. Hij
was een zoon van scheepstimdoopinschrijving Tijmon Kater
mermansbaas Cornelis Klaasz
Kater, die op 16 februari 1783 trouwde met Sijbrich Cornelis Hoen. Het trieste
einde van Cornelis Klaasz. Kater is elders beschreven (33).
In december 1806 werd Tijmon als lidmaat van Gereformeerde gemeente, de latere Nederlands Hervormde Kerk, aangenomen. Hij was eerst timmerman,
maar werd later aannemer van rijkswerken, aannemer van publieke werken en
in 1839 ingenieur genoemd. Op 12 februari 1809 trouwde hij met Annetje Dirks
Slot, geboren in Edam op 18 mei 1783 en daar de 21e gedoopt, dochter van Dirk
Jansz. Slot, in 1779 te Edam getrouwd met Marie Francoise Cailliau. Annetje
Slot werd in december 1809 als lidmaat van de Hervormde gemeente van Monnickendam ingeschreven. Volgens het lidmatenboek kwam ze toen uit Broek in
Waterland.
Tijmon en Annetje kregen twaalf kinderen waar van er tenminste drie jong zijn
overleden. Bij de geboorte van het laatste kind, op 21 mei 1829, was moeder Slot
46 jaar (34).
Het gezin Kater woonde jarenlang in een groot huis met tuin en vijver op de
Nieuwezijds Burgwal 4/178.
Op maandag 5 maart 1821 lieten beiden, met waagmeester Jan Bloem, chirurgijn
Lodewijk Paulus Schmidt, apotheker Cornelis Westplate en kuiper Johan Hartwigsen als getuigen, bij notaris Age Volkerse een testament opmaken. Tijmen
benoemde Annetje als zijn enige erfgename, maar wel met een deel voor de kinderen, zoals de wet dat voorschreef. Annetje noemde in haar testament, naast
Tijmon, ook haar ouders Dirk Slot en Anna Maria Caillou uit Edam, als die bij
haar overlijden nog zouden leven.
166
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 167
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Tijdsbeeld begin 19e eeuw
Tijmon Kater begon met zijn werkzaamheden voor de stad in een moeilijke tijd.
Vanaf het midden van de 18e eeuw kreeg West-Europa te maken met een omvangrijke armoede, die tot ver in de 19e eeuw heeft geduurd. Verschillende factoren hebben aan deze armoede bijgedragen: een sterk toenemende populatie
in Europa, mechanisatie van de landbouw, opkomende industrialisatie, oorlogen met Engeland met als gevolg bezetting van de koloniën, de opheffing van
de VOC op 31 december 1799 met daarbij kapitaalverlies en (aan het eind van de
18e eeuw) een zware belastingdruk vanwege de ‘broederschap’ met de Fransen.
Frankrijk eiste een ‘schadevergoeding’ van 100 miljoen gulden en daarnaast
diende de Republiek ook nog eens 25.000 franse soldaten te onderhouden. Dat
alles als dank voor vrijheid, gelijkheid en broederschap!
armoede
Lodewijk Napoleon
Om Engeland klein te krijgen werd in 1806, via het zogeheten Continentale
stelsel, alle handel met dat land verboden, hetgeen zeer nadelig was voor de
Noordelijke Nederlanden.
Tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon (1806-1810) zou de staatsschuld onrustbarend stijgen, waardoor de rente niet meer betaald kon worden.
De staatsschuld die in 1805 1 miljard gulden bedroeg, zou in 1815 oplopen tot
1.25 miljard. Hoewel Lodewijk Napoleon het goede voor ons land zocht, heeft
hij vanwege zijn verspilzucht (bv. het enkele keren van residentie veranderen
met grote uitgaven wegens verbouwing en inrichting) de staatskas meer belast
dan nodig was.
Maar vooral de zogeheten tiërcering zorgde voor grote problemen. Keizer Napoleon gaf zijn broer vanuit Frankrijk de raad om nog slechts een derde van de
rente op de staatsschuld uit te keren. Lodewijk Napoleon was daar allesbehalve
blij mee en reageerde: ‘wat voor een voorbeeld zou de staat aan de burgers geven
als zij haar financiële verplichtingen niet meer nakwam’? Van die maatregel
167
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 168
zouden bovendien vooral de kleine spaarders de dupe zijn die vol vertrouwen
hun centjes aan de staat hadden toevertrouwd.
Echter, toen Lodewijk Napoleon in 1810 moest vertrekken, kwam het er toch
van. Van de staatsschuld werd nog maar een derde deel van de rente uitbetaald.
En aangezien de steden overal geld hadden uitstaan, kwam er nog maar een
derde binnen van wat men al die jaren daarvoor had ontvangen aan interest.
Al deze negatieve ontwikkelingen hadden ook ernstige gevolgen voor Monnickendam. Met name de handel, de visserij en de daarbij behorende nijverheid als
visverwerking, zeilmakerijen, scheepsbouw en onderhoud kregen rake klappen
(35).
Réverbères (lantaarns)
In verband met de straatverlichting komen we Tijmen voor het eerst tegen bij
betalingen van het stadsbestuur vanwege ‘respect (aandacht of zorg voor, caeg)
réverbères’ (36).Tijmon bleek in 1813 verantwoordelijk te zijn voor 102 straatlantaarns. Omdat de Fransen het in ons land nog voor het zeggen hadden, werd
hij in franse francs uitbetaald: deux cent vingt francs et cinquante centimes, oftewel 220 en een halve franc per maand gedurende het winterseizoen dat zes
maanden duurde.
réverbère
168
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 169
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
De réverbère, een uitvinding uit 1745! van de Fransen Matherot de Preigney en
Bourgeois de Chataublance, was een nieuw soort lantaarn. Een olielamp in een
glazen kastje, met in plaats van éen, vier pitten aan de zijden van een centraal
reservoir. Een reflector zorgde voor grote lichtopbrengst, terwijl het olieverbruik drie keer minder was dan dat van de oude lantaarns. Zo ‘n réverbère hing
dikwijls aan een touw tussen huizen boven de straat. Als de lamp bijgevuld
moest worden, werd het touw gevierd, zodat deze naar beneden kwam. De réverbère werd in het begin van de 19e eeuw een concurrent, later vervanger van
de tot dan toe gebruikte straatverlichting.
De olie voor de lantaarns kwam uit de zeepziederij. In 1813 kocht Tijmen 9 aam
raapolie en 1 aam lijnolie. Een aam is ongeveer 145,5 liter, dus reken maar uit.
Protest op Overleek
Tot nu toe ging het steeds over de verlichting binnen de stadsmuren, maar hoe
zat dat met de buitengebieden?
Alle inwoners van Monnickendam, ook de mensen buiten de stad, betaalden lantaarngeld. Overleek bijvoorbeeld viel onder de jurisdictie (rechtelijke bevoegdheid, caeg) van Monnickendam. Er was sprake van kerkelijke betrokkenheid; er
moest stedelijke belasting betaald worden en de justitiële regels golden er.
Op 3 augustus 1816 schreven een aantal bewoners van Groot- en Klein Overleek
een brief aan koning Willem I. Jan Plaggenburg, Jaap Smit, Jacob Kroon, Jan
Pietersz. Esselman, Klaas Zinger, Gerrit Oud, Jan Bart, Reijer Oud, Hendrik de
Haas, Dirk Laan, Jan Oderkerk, Bart Wiedemeijer, Pieter Kout, Frederik Springveld en Klaas Pronk deelden de koning mee dat de meeste van hun huizen een
half uur en sommigen zelfs een uur gaans van Monnickendam lagen. Zij klaagden dat zij lantaarnbelasting moeten betalen, terwijl alleen de bewoners van de
stad het voordeel van de straatverlichting hadden. Daartegenover zou moeten
staan, dat de weg naar hun buurtschap goed onderhouden zou moeten worden,
maar het tegendeel was het geval. De weg was zelfs enkele maanden per jaar absoluut onbruikbaar en door het onderlopen van de landerijen was er geen gelegenheid voor de brandspuit om, bij calamiteiten, in actie te komen. Maar zij betaalden wel ieder jaar het brandspuitengeld! Blijkbaar, zo is de conclusie van de
heren, zag de stadsregering op tegen de kosten, die de reparatie van de weg zal
vragen. De magistraat hield hen graag onder hun gezag, omdat zij ‘meestal redelijk welgestelde lieden zijn’, zo laten zij de koning weten.
Zij vragen de koning of Overleek niet van Monnickendam kan wordt ‘afgenomen’ en bij Broek in Waterland gevoegd, temeer daar de meeste landerijen
dichter bij Broek dan bij Monnickendam liggen’. Hun argumenten zijn:
169
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 170
a. het dorp Broek in Waterland zal voordeel van hun betrokkenheid hebben;
b. ze zijn niet zo groot in aantal zijn, dat is dus geen bezwaar voor een gemeente;
c. ze in dat geval het onderhoud van de weg voor eigen rekening nemen, zodat
Broek in Waterland niet voor deze kosten behoeft op te draaien.
Maar – het viel te verwachten – het verzoek van de Overlekers maakte geen
schijn van kans. Zij bleven onder bestuur van Monnickendam en dus meebetalen aan de lichtvoorziening waar ze, het zij gezegd, geen enkel voordeel van ondervonden. Hun bezwaar met betrekking tot het te betalen lantaarngeld was
wel te billijken.
Een eenjarig contract voor Tijmon Kater
Terug naar de straatverlichting in de stad. Op 6 september 1817 notuleert de secretaris van de burgemeesters: ‘Uit hoofde van de behandeling omtrent de verligting van deze stad gedurende het aanstaande saisoen geheel door den Raad
aan Burgemeesteren is overgelaten, zijn hun edelachtbaren ten gevolge daarvan
met Tijmen Cornelisz Kater overeengekomen, om de verligting van deze stad
bedragende uit 105 lantaarns op de oude conditie te besteden voor f 750,- alzo
voor f 125 per maand (zes maanden winterseizoen). De thesauriër zal van deze
resolutie een afschrift ontvangen’. Tijmen Kater heeft dus blijkbaar al enige tijd
een jaarcontract. Omdat er een paar lantaarns zijn bijgekomen, is de vergoeding
voor onderhoud en verzorging wat verhoogd.
Een meerjarig contract
Een jaar later, op 19 september 1818, lezen we in de notulen van de gemeenteraad: ‘Is goedgevonden aan Tijmon Kater de jonge het verligten der lantaarns
op den ouden voet te prolongeren tot ultimo december, terwijl in de maand october zal worden overgegaan tot de aanbesteding voor de tijd van drie jaren.
Deze drie jaar zijn niet lang daarna vijftien jaar geworden, want op 3 april 1819
wordt de volgende overeenkomst opgemaakt tussen het stadsbestuur en Tijmon Kater:
‘Compareerde Tijmon Kater de jonge aan wie als nu finaal is aanbesteed het leveren van het benodigde aantal réverbères tot verlichting van de gehele stad op
de volgende condities:
1. De aannemer zal vijftien jaren achter den anderen de verligting van de stad
doen voor een somma van 1000 gulden ’s jaars.
2. Dezelve zal 15 jaren achter elkanderen moeten zorgen dat alles in een behoorlijke order blijft, zoowel de réverbères, verlichting derzelver, lantaarnpalen etc.
in een (..?) dat de stad geene kosten van wat dan ook heeft dan alleen de jaarlijkse uitkering van f 1000,- waaronder begrepen is de aankoop der réverbères en
alle verdere benodigdheden.
170
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 171
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
3. De tegenwoordige conditie van aanbesteding zal voor zoverre met alteratie
(verandering, caeg) van deze twee artikelen in zijn geheel van kragt blijven, behoudens zoodanige wijzigingen als uit den aard der zaak mogt voorkomen.
4. De registratiekosten bij het maken van het contract, zegels etc. komen alleen
voor rekening van de aannemer.
5. Burgemeesteren geven aan den aannemer de verzekering van onder welke
tijd en regeringen, als anderszinds, deze conditiën in zijn volle kracht zullen
blijven tot expiratie (afloop, caeg) van de termijn van 15 jaren.
En zal van deze bepalingen contract worden opgemaakt, door den aannemer en
burgemeesteren getekend en aan dezelve worden ter hand gesteld en een bij het
archief op de secretarie worden gedeponeerd.
Het verhaal is duidelijk. Tijmen was tot 1834 verantwoordelijk voor de ruim
honderd straatlantaarns die er in de stad stonden.
Straatverlichting in Purmerend (37)
Als Tijmon met het gemeentebestuur van Monnickendam het verlichtingscontract heeft afgesloten, richt hij zijn blik op Purmerend. In deze stad was in 1816
een hoedenmaker uit Zaandam, Hendrik Liwijn (38) (A’dam 1788 – Zaandam
1874), verantwoordelijk voor ‘het onderhouden van alle gewone en buitengewone StadsLamptaarnen (...) met alles wat er toe behoort alsmede de leverantie van
de benodigde olij en katoen’. Voor het vullen, opsteken, schoonmaken en bewerken kreeg hij f 755,- per jaar. De gemeente had in 1816 een uitgebreid bestek
(reglement, caeg) gemaakt, waaraan Liwijn, die van 1809 tot 1816 in Monnickendam woonde, zich diende te houden.
Een nieuw bestek volgde op 30 januari 1820 ten behoeve van de publieke aanbesteding die op 1 maart van dat jaar zou plaatsvinden ‘wegens het plaatsen van
réverbères en het verlichten van dezelve voor de tijd van vijftien jaren, met ingang van 1 oktober van dat jaar en eindigend 30 april 1835. Misschien heeft Liwijn uit Zaandam afgehaakt, of deed hij zijn werk niet naar behoren.
Er waren drie inschrijvers, twee uit Alkmaar en, jawel, Tijmon Kater. Het zegt
iets over de ambities van deze man. Krijn van der Kaaij, aannemer in Alkmaar
zet in op f 2075, Wijnand Hofdijk, eveneens aannemer in Alkmaar op f 2165 en
Tijmon op f 2200,- Je zou zeggen van der Kaaij, met de laagste inschrijving,
kreeg de job. Maar nee, de besteding werd bij opbod geveild, ‘wierd hetzelve op
eene somma van Een Duizen Gulden ingesteld in ’t Jaar en gebleeken zijnde,
dat dezelve door Tijmon Kater, aannemer te Monnickendam, Duizend Zeven
Honderd Gulden in ’t Jaar en dus over de vijftien jaren voor de somma van Vijf
en Twintig Duizend en Vijf Honderd Gulden is gemeind, hebben burgemeeste171
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 172
grondgebied familie Kater
ren gedeclareerd (verklaard, caeg) dat gemelde Tijmon Kater, na bekomen approbatie (toestemming, caeg) van de heren Gedeputeerde Staten (in het vervolg
G.S.) dezer Provincie zal wezen aannemer dezer besteding voor de totale
somma als genoemd’. Getekend door de burgemeesters en Tijmon Kater.
Tijmon had het voor elkaar, zou je denken, maar helaas, het plan werd van hogerhand ‘geïmprobeerd’, (afgewezen, caeg). Het jaarlijkse verschil in kosten (f
800,- eerst, nu f 1700,) vonden G.S. te groot.
Hoe men in Purmerend verder te werk is gegaan moeten de leden van Oud-Purmerend maar eens napluizen. G. van Sandwijk schrijft in zijn kroniek, ‘dat per 1
oktober 1821 de verlichting der Stad zeer is verbeterd, alzo de eerste model lantaarn zijn geplaatst’.
Tijmon lid van de gemeenteraad
Terug naar Monnickendam. Vanaf 11 oktober 1826 maakte Tijmon Kater deel uit
van het gemeentebestuur. Het was wel handig om ‘de man van het licht’ tijdens
de gemeenteraadsvergaderingen direct te kunnen aanspreken. In april 1838
bleek Kater ook (nog steeds?) lid te zijn van de commissie Financiën Stedelijke
Werken. Verderop in de tijd zou die ‘dubbelfunctie’ voor problemen zorgen,
maar vooralsnog was daar geen sprake van.
172
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 173
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Klachten
Het is 1831 als er klachten zijn over de straatverlichting. Daarom gaat er op 21 januari een brief naar dhr. Kater met de volgende inhoud: ‘De menigvuldige klachten welke er tegenwoordig bestaan wegens de ondoelmatige verlichting binnen
deze stad heeft ons, hoe ongaarne ook, doen besluiten Uw edele onze gegronde
ontevredenheid dienaangaande bekend te maken met instantie om ter vermindering van onaangenaamheden hier in te voorzien, hetgeen wij zeker, in overweging nemende uw bijzondere ambitie, met grond dit mogen verwachten’.
Een nieuw contract
Omdat het vijftienjarige contract tussen de gemeente en Tijmen Kater in 1834
afloopt, komt in de Raadsvergadering van 20 december 1834 de stadverlichting
ter sprake. ‘Is gelezen een missieve van de commissie tot de Stadswerken en financiën d.d. 8 december jl. houdende het doen van een voordragt om voor de
tijd van 10 jaren, uit hoofde de tegenwoordige aanbesteding verschenen is, de
stedelijke verlichting te besteden en zulks op zodanige wijze als bij een daarbij
gevoegd consept reglement wordt aangeduid’.
Dat concept reglement is vrijwel gelijk aan het contract dat in 1836 zal worden
opgemaakt. Een verschil is, dat in december 1834 ook wordt gesproken over ‘elf
lampen bij de tekenschool’ die allen op patentolie zullen branden en de aannemer moet zorgen voor de nodige gereedschappen en personen die voor het aansteken en doven van de lantaarns verantwoordelijk zijn.
Vóor dat dit punt in deliberatie (bespreking, caeg) wordt gebracht, stapt de heer
H. J. van Marle naar voren en overhandigt de vergadering een schriftelijk rapport, met daarin zijn gevoelens ‘omtrent de stadsverlichting, als ten aanzien
van het behouden van de oude réverbères, ‘of daar tegen de noodzakelijkheid
tot het aanschaffen van nieuwe lantaarns en verder als daarbij in het brede
wordt vermeld’.
Is goedgevonden, alvorens over dit punt van beschrijving te delibereren en te
besluiten, dit rapport te stellen in handen van voornoemde commissie, met verzoek daar op te dienen van berigt consideratie (er kennis van nemen, caeg) en
advies’.
Proeflantaarn
Dhr. Kater heeft de commissie, belast met de verbetering van de stadsverlichting, in augustus 1835 toegezegd met een nieuwe proeflantaarn te komen. Maar
op 7 september blijkt de levering van die lantaarn aan dhr. Kater en via hem aan
de gemeente, te zijn uitgesteld. Daar kan Kater niets aan doen, het probleem
ligt bij de maker van de nieuwe lantaarn.
173
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 174
Op 12 september 1835 ontvangt de Raad een brief van de stadswerken ‘houdende
kennisgeving wegens de teleurstelling van het zenden van een proeflantaarn
tot verbetering der stedelijke verlichting, dat evenwel deselve dagelijks wordt
tegemoet gezien en alzo in overweging geeft daar de tijd reeds te ver verschenen
is om de besteding te doen het oude contract nog dit jaar te laten doorlopen’.
Het stuk is ondertekend door notaris Age Volkerse, secretaris van de commissie
der stadswerken.
Materiaal
Waren de van der Heijdenpalen nog van eikenhout, latere ontwikkelingen spreken over gietijzeren palen, met daarop koperen lantaarns die, in verband met
diefstal, zijn geverfd. Het gietijzer zou op den duur worden vervangen door getrokken staal en of aluminium, het glas door een slagvaste kunststof.
Verlenging van het contract met een jaar
Op 28 september 1835 besloot het gemeentebestuur om het contract met dhr.
Kater, dat inmiddels verlopen was, nog een winterperiode te continueren, te
weten van 1 oktober 1835 tot 31 maart 1836. Voor een bedrag van f 1000,- zal Tijmon opnieuw de straatverlichting verzorgen. Ook de lantaarns van de Lange
brug en aan het haringhuisje, alsmede de benodigde olie in het wachthuis van
de nachtwachten vallen onder zijn zorg.
Nieuw langdurig contract
Was er in september nog teleurstelling over de vertraagde levering van een
nieuwe réverbère, op 7 december meldt de commissie, dat de beloofde proeflantaarn ontvangen is. Hij hangt aan de speeltoren en ‘zal aldaar, te beginnen
woensdag aanstaande, een week ’s avonds branden en daarna nog een week, met
bij te voegen verandering’.
In dat schrijven wordt ook melding gemaakt van een lantaarn voor het huis van
dhr. Esveldt. Doctor van Beveren Esveld woonde aan het Noordeinde nr. 24-26
(dubbel huis) (39).
Beide lantaarns zullen door de leden van de gemeente goed bekeken worden
‘ten einde nader bij een raadsvergadering, voor de straatverlichting in volgende
jaren te kunnen besluiten.’
De proef met de nieuwe lantaarn is goed bevallen. Daarom wordt op 12 december 1835 besloten om de stadsverlichting opnieuw aan de heer Kater uit te besteden voor de duur van 15 jaar en voor de somma van
f 1000,- per jaar. De oude lantaarns zijn nu eigendom van de stad en worden opgeslagen op de zolder van het stadhuis. Dat blijkt uit een lijst van goederen, be174
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 175
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
horende aan de stad, die op 17 december 1840 wordt opgemaakt. Op die zolder
liggen o.a. de spullen van de schutterij en ‘70 tot 80 lamptaarnen’.
Kater zal voor nieuwe lantaarns zorgen. De commissie van de stadswerken
wordt verzocht om een concept contract op te maken.
Op 16 september 1836 wordt het concept contract door de Raad goedgekeurd en
worden B&W geautoriseerd om met dhr. Kater de verbintenis te sluiten.
Op 31 december 1836 wordt de definitieve overeenkomst tussen het stadsbestuur en dhr. Kater getekend. De volgende bepalingen zijn van kracht:
art.1. Door de aannemer of van zijnentwegen zullen er gedurende de tijd van de
eerstvolgende vijftien jaren ter stedelijke algemene verlichting geleverd, gevuld, gereinigd en opgestoken worden de volgende objecten: 38 réverbères, die
van de Lange brug daar onder geteld; de lantaarn bij het haringhuisje; een lamp
bij de wagt.
art.2. De aannemer zal voor dit alles genieten duizend guldens in het jaar en
alzo voor vijftien jaar vijftien duizend guldens.
art.3. De réverbères zullen branden vanaf het laatste kwartiermaan welke ’t
naast aan de eerste october is, tot den eenendertigste maart, telkens gedurende
de tijd tussen het laatste en eerste kwartier maan, beide dagen incluis van een
uur na zonsondergang af tot middernacht twaalf ure.
art.4. De lantaarn op de Lange brug zal daarenboven, bij elke maneschijn nog
drie dagen eerder en drie dagen later branden dan de andere en telkens tot een
uur voor zonsopgang moeten blijven branden. De lantaarn bij het haringhuisje
en de Lamp bij de Wagt zullen moeten branden als het nodig is.
art.5. De brandstof zal zijn patentolij.
art.6. De wachtronde van elf uur zal nachtelijks aantekenen welke réverbères
door hen brandende en niet brandende zijn bevonden.
art.7. Dit rapport zal dagelijks aan de Policie worden ingezonden.
art.8. Alle reparatie en onderhoud aan al het hier voorengemelde met de daartoe
behorende palen, touwen, katrollen en wat dies meer zij is voor rekening van de
aannemer.
art.9. De nieuwe réverbères worden terstond bij de levering het eigendom van
de stad, zullende de aannemer na expiratie (afloop, caeg) van deze aanbesteding
verpligt zijn de réverbères heel en in goede staat, met alles wat daartoe behoort,
aan de stad over te leveren.
art.10. De aannemer zal ten zijnen kosten moeten zorgen voor de tot executie
dezes, nodige gereedschappen en personen
art.11. De betaling zal geschieden bij zes termijnen, te beginnen met oktober tot
ultimo maart van ieder jaar.
175
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 176
art.12. Heeren aanbesteders reserveren aan zich de uitlegging dezer artikelen,
voor zoo verre daar in eenige duisternisse of verkeerde begrippen mogten voort
komen.
De ondertekening namens het
stadsbestuur wordt gedaan door
burgemeester D. Arbman en wethouder J. Wijndels de Jong. Ook de
aannemer ondertekent de overeenkomst.
handtekening Tijmon Kater
Tot 1851 is de lichtvoorziening op
de straten van de stad dus opnieuw in handen van dhr. Kater. Dat niet altijd alles
naar wens verliep, wordt in het volgende stukje duidelijk.
Klacht van Valentijn over het (te) vroeg doven van de lantaarns
Op 23 december 1837 ontvangt de Raad een brief van Willem Valentijn, een paar
dagen eerder 36 jaar geworden, zoon van deurwaarder Klaas Valentijn, inwoner
alhier. Hij klaagt dat de réverbères ’s nachts om twaalf uur al worden gedoofd
en schrijft: ‘Ik neem de vrijheid bij deze ter kennisse van Uwedelachtbaren te
brengen dat ik heden nacht ten Een ure met mijne hoogbejaarde moeder (Eva
Houting, bijna 70 jaar, caeg) van een partijtje komende, naar huis willende
gaan, het onaangename heb moeten ondervinden, dat op de straat alle de Lantaarns uit waren, zoo dat ik met haar, dan hier dan daar tegen aan lopende en
door dik en dun heen badende, want het regende ook, eindelijk braaf bemorst
ben thuisgekomen. Toen wij ons nog onderweg bevonden hoorden wij aan
voetstappen dat ons iemand naderde; ik riep: ‘zijt gij het Wagt’? en het antwoord was: ‘Ja’.(Ik hoorde aan de stem dat het Hendrik Meijer was). Ik vroeg
hem of het waarheid was dat zijlieden order hadden om des nachts de lantaarns
uit te doen en op welk uur? Zijn antwoord was: ‘ja, om twaalf uur’.
Ik behoef Uwlieden dus niet te zeggen dat met betrekking der Lantaarns ter
deze stede, het ware doel uit het oog verloren wordt, daar men des nachts, even
als des ’s avonds het licht derzelven wel degelijk noodig heeft en daar ook voorheen de lantaarns den gehelen nacht door tot de aankomende dageraad gebrand hebben, zo neem ik de vrijheid Uwedelen te verzoeken dat het daarhenen
mag worden gedirigeerd, dat zulks in het vervolg wederom zal mogen plaats
hebben. Uw dienaar, J. Valentijn’.
De brief wordt bij de griffier gedeponeerd en zal ‘bij een raadsvergadering,
wanneer de betere verlichting dezer stad een onderwerp van deliberatie is
176
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 177
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
zoude uitmaken, voor te lezen’. Helaas, Valentijns brief heeft, zeker op korte
termijn niet het gewenste effect gehad, zoals nog zal blijken.
Kater actief
Dhr. Kater was een belangrijk figuur in de Monnickendamse gemeenschap.
Samen met o.a. notaris Age Volkerse schrijft hij op 19 maart 1836 een brief aan
B&W. Zij zijn leden van de Gereformeerde kerk die overigens al geruime tijd
Nederlands Hervormde kerk heet. Zij achten het plicht de heren op het vriendelijkst te verzoeken het collegie van heeren Regenten van het Gereformeerd
Weeshuis aan te willen vullen of te doen aanvullen’. Dhr. T. Hondius is recentelijk overleden en dhr. A.T. Tinne is wethouder geworden. Het kan, aldus deze
heren, niet zo zijn dat er maar éen regent van het weeshuis is. Ze ondertekenen
met ‘Uw achtbare medeleeden en vrienden’.
Op 20 juni 1836 ontvangen B&W een brief van G.S. Noord-Holland dat Tijmon
Kater benoemd is tot dammeester van de Nieuwendam tussen de Katwouder
zeedijk en Monnickendam. Hij volgt de heer H. J. van Marle op.
Kater is ook rentmeester van de huiszittende armenkas. In die positie vraagt hij
op 13 mei 1837 of de gewone Pinkxter Collecte aan de huizen van de inwoners
van de stad gehouden mag worden. Een dag later meldt hij dat deze collecte f
59,10 heeft opgebracht.
Overal kwam trouwens wel geld vandaan. Op 26 augustus 1837 schrijft Tijmon
dat de inzameling van gelden aan het hek van het land, waar een harddraverij is
gehouden, f 35,05 heeft opgebracht.
Meer dagen en/of uren licht
Dat de gemeenteraad nog niet helemaal tevreden is over de lichtvoorziening op
straat, blijkt op 16 januari 1838. Er ligt een voorstel ter tafel ‘hoe wenschelijk het
zoude zijn, wanneer een langere tijd van verlichting bij den avond plaats had,
zoo, dat in plaats van 16 nu 20 dagen en een maand langer in het voorjaar de réverbères konden branden. Kater wordt gevraagd wat de meerprijs is. Een antwoord volgt schriftelijk op 22 november van dat jaar: Voor zeven lantaarns meer
dan het aangenomen getal en het extra aantal uren komt hij uit op een jaarbedrag van f 1634,Twee dagen later schrijft de gemeentearchitect, Cornelis Tijmensz. Kater (inderdaad de zoon van) aan B&W. Hij heeft een plan tot betere verlichting van de
stad. Er ontbreken zeven ‘lamptarens’:
1. in het Noordeinde
2. voor de Damsluis over het Zand
177
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 178
3. in de Smidssteeg
4. op de Zarken
5. op het Padje keer weder
6. in het Beemsterste
7. op het Nieuweland
‘De verlichting zou vier avonden, in iedere donkere maand meerder moeten geschieden, evenwel niet langer dan tot middernacht. Thans branden de 35 Lamptarens in een winter 19440 uur; met 43 lamptarens en 24 avonden meer zal dat
getal tot 29412 uren vermeerderen’. Het geheel zou dan f 1513, moeten kosten.
Gelet op wat volgt, zal het stadsbestuur dat echter te duur hebben gevonden.
Elf december 1841 wordt besloten om een voorstel van de heer J. Nooij, waarnemend commissaris van politie, te honoreren. Tijdens de langste winternachten
zal de réverbère voor het wachthuis van de ‘wachts des nachts’ moeten
doorbranden. De lampen zullen door de ‘nachtwachts’ worden uitgedaan.
Aannemer T. Kater zal worden kennisgegeven om zich daarnaar te gedragen.
Lantaarn en baken in de Gouwzee
Een apart verhaal is de lantaarn en het baken in de Gouwzee.
Tijdens de watersnood van 1825 stonden grote delen van Waterland onder
water. Daarom gaf koning Willem I, nadat in 1824 het Noord-Hollands Kanaal
was klaargekomen, in april 1825 opdracht tot afdamming van het IJ en de aanleg
van het zogeheten Goudriaan-kanaal. De inspecteur-generaal van Waterstaat,
Adrianus Francois Goudriaan maakte tekeningen voor een kanaal van ca. 150
meter breedte door Waterland, van IJdoorn (Durgerdam) via de af te dammen
kribdam in de Gouwzee
178
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 179
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Gouwzee naar de oostkant van Marken. In 1826 werd met de werkzaamheden
begonnen, maar in 1828 gestaakt (40).
Belangrijk voor ons verhaal is, dat, in verband met deze werkzaamheden, er een
kribdam werd gelegd tussen de noordpunt van het eiland Marken en de vaste
oever bij Katwoude, de Noord genoemd. Die kribdam, gemaakt van samengevlochten rijshout en daarom een rijzendam genoemd, had in het midden een
doorgang. Voor de veiligheid van de schepen was op het uiteinde een baken met
lantaarn geplaatst.
Op 12 december 1826 stuurt de Gouverneur van Noord-Holland een brief aan
B&W waarin hij zegt ‘dat door mij eene voordragt aan het Gouvernement gedaan is tot het plaatsen van eenen lantaarn op het rijswerk ter afsluitjng van de
Goudzee, mij vleijende dat daaraan spoedig gevolg zal gegeven worden’. (Terzijde, in allerlei stukken wordt de Gouwzee vaak Goudzee of Goutzee genoemd).
Twee jaar later, op 3 november 1828 schrijven B&W een brief aan de Gouverneur
met een contract ‘wegens het branden van eene lamptaarn en het onderhouden
van een baken op den gelegden dam in de Goudzee, ten behoeve van de scheepvaart’. De werkzaamheden aan het eerder genoemde Goudriaankanaal waren
inmiddels gestaakt. B&W zien ‘de noodzakelijkheid van de opgelegde dam in
de Goudzee ter vereeniging van het Eiland Marken met den vaste wal, eene lantaarn en een baken te onderhouden, ter aanwijzing der opening die in gelegden
dam voor de scheepvaart behouden is’. De kosten worden bepaald op f 800,- per
jaar. Als de dam er na drie jaar nog ligt, zal een nieuw contract worden opgemaakt.
Dat laatste gebeurt op 3 november 1831. Het gaat om een nieuw, door de koning
goedgekeurd, contract ‘wegens het branden van een lantaarn en het onderhouden van een baken op de kribdammen in de Goudzee’. Het stadsbestuur verbindt zich om van 1 september 1831 tot 1 september 1834 de lantaarn en het
baken te onderhouden ‘op de uiterste einde van den dam bij de daar gelaten
opening’. Drie jaar later volgt opnieuw zo’n contract voor drie jaar, lopend tot 1
september 1837.
Deze dam heeft er gelegen tot na 1850, want op de kadasterkaart van dat jaar
staat hij nog aangegeven, zoals de illustratie laat zien. Maar op een kaart van
1865/1870 is geen dam meer getekend.
Tijmon verantwoordelijk
Uit een brief van 10 december 1832 blijkt dat Tijmon Kater verantwoordelijk is
voor de lantaarn en het baken. Hij maakt B&W er op attent dat de betalingster179
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 180
mijn al lang is overschreden en heeft een bedrag van f 1400,- tegoed. Dat geld
heeft hij hard nodig in verband met andere projecten.
Tijmen Kater heeft ruim tien jaar de zorg voor lantaarn en baken gehad. In 1838
en 1841 wordt een nieuw driejarig contract opgemaakt. Op 29 januari 1841
schrijft Tijmon Kater ‘dat het Hoofd op de Rijzendam in de Goudzee door zware
steenen, betreizeringen met palen en planken samengesteld, door de ijsschuiving geheel is weggeschoven in de avond van den 27 dezer’. Of B&W dat de
hoofdingenieur van de provincie willen laten weten.
Twee jaar later, op 1 september 1843, schrijft het stadsbestuur een brief aan de
Staatsraad van de provincie met het verzoek om ontslagen te worden van het
steeds weer een contract met Kater te moeten sluiten, met betrekking tot dat
baken en die lantaarn. Kater zou bereid zijn om dat werk in plaats van 800,voor 600 gulden te doen. Het provinciebestuur vraagt twee weken later om de
beweegredenen van dit verzoek en ook of er bij het stadsbestuur de zekerheid
bestaat of het werk voor het verminderd bedrag evengoed als voorheen zal worden gedaan.
Over het functioneren van de werkzaamheden aan baken en lantaarn zijn regelmatig klachten, aldus dhr. de Kruijf, hoofdingenieur van Waterstaat in de provincie Noord-Holland. Op 11 december 1843 schrijft hij een brief aan Zijne Excellentie den Heere Staatsraad Gouverneurs etc.
‘Daar nu de regering van Monnickendam verlangt van die zorg te worden ontheven en dhr. T. Kater als de persoon aanwijst met wie tegen een verminderde
jaarlijksche prijs van f 600,- (was f 800,-) zoude kunnen worden gecontracteerd,
doch daar die heer als nu achterlijk in het voldoen aan zijn verpligtingen was
gebleven, heb ik enige informatie genomen of er niet directelijk met een der inwoners van het eiland Marken, van waar het licht dagelijks moet worden ontstoken en waar vandaan de baak ook het best kan worden onderhouden, dienaangaande een overeenkomst te sluiten zoude zijn’.
De brief van de dhr. de Kruijf zegt verder dat er een vertrouwd persoon is, die
‘bij aldien het licht gebrand wordt van den 1e Augustus tot eind maart – zoo als
tot nu toe vanwege Monnickendam heeft plaatsgehad – zich tegen f 400 a f
500,- jaarlijks met de zorg en tevens die van de baak zou willen belasten’.
Het voorstel van de ingenieur is:
dat B&W dhr. Kater verzoeken om de lantaarn tot 31 december te doen branden
dhr. Kater voor die vier maanden (1.9.-31.12) f 300,- krijgt
dhr. de Kruijf permissie krijgt om met de door hem geschikte persoon op Marken een contract te sluiten voor een jaar (1844). Daarna kan er met dezelfde persoon of een ander een nieuw contract gesloten worden, naar gelang of deze per180
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 181
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
soon al of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal hebben voldaan. De Staatsraad Gouverneur van de provincie Noord-Holland die de brief van dhr. de Kruijf
meestuurt met een eigen schrijven, is het met de inhoud eens. Belangrijk is wel
dat dhr. Kater genegen zal zijn om voor het branden van die lantaarn tot 31 december zorg te dragen, tegen de voorgestelde vergoeding.
Op 26 januari meldt de Staatsraad Gouverneur dat die persoon op het eiland
Marken een contract zal worden aangeboden voor onderhoud van het licht en
de baak. Kater krijgt een schadeloosstelling van f 300,Straat
Dat Kater ook oog had voor andere zaken dan de verlichting, blijkt uit een briefwisseling over de straat voor zijn huis. Die zou vernieuwd en gerepareerd worden maar dat is nog steeds niet gebeurd. Kater vraagt of een aannemer de zaak
gaat verhelpen of hij toestemming krijgt om dat, voor eigen kosten, zelf te
doen. Het probleem is dat de straat veel lager ligt dan de stoep en dat wil Kater
graag veranderd zien.
De straat is gemaakt, maar niet overeenkomstig de bepalingen van het bestek,
zo moet Kater in juni van dat jaar helaas constateren, Hij is zelfs over de hele
lengte 30 duimen minder breed geworden als in dat bestek is bepaald. Met klem
vraagt hij dan ook dat de straat voor zijn woning op het Nieuweland gemaakt
mag worden zoals het behoord.
Een nieuwe ontwikkeling: gasverlichting
De straatlantaarns van Monnickendam brandden op (dure) raapolie, maar er
was verandering op komst: gasverlichting. Het zou echter nog een aantal jaren
duren voordat de lantaarns de binnenstad van Monnickendam zouden verlichten op ‘pijpgaz’. Een factor van belang om te zoeken naar nieuwe vormen van
verlichting was, vanwege de oorlogen van Napoleon met Rusland, dat land voor
een groot deel uitviel als talgleverancier, de belangrijkste grondstof voor het
maken van kaarsen voor alledaags gebruik
III. GAS
Al in 1659 deed de Engelsman Chirley proeven met gas, verkregen uit steenkool.
In ons land was de in Maastricht geboren apotheker, later leraar in natuur- en
scheikunde, Jan Pieters Minckelers (1748-1824) de eerste die onderzoek deed
naar het winnen van gas. Minckelers ontdekte o.a. het lichtgevend vermogen
van steenkoolgas. In 1785 zag hij kans om zijn ‘çollegezaal’ in Leuven, waar hij
professor was, met gas te verlichten. Het licht van de nieuwe gasvlam zorgde er
voor dat de belangstelling voor dit fenomeen snel groeide.
181
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
J. P. Minckeler
12-05-2008
17:34
Pagina 182
verhandeling Ds. Koning
Ook de Nederlandse predikant Bernardus Koning (1778-1828) (41), in 1807 dominee in Akersloot, maakte zich verdienstelijk voor de gasverlichting. In zijn ‘Verhandeling’ schrijft hij dat de nevenproducten van steenkoolverlichting zeer
waardevol zijn. Cokes is een prima brandstof voor ijzer-, glas- en steenbakkerijen. Steenkolenteer was een middel om de beruchte paalworm te doden (42).
Het stadje Freiburg in Saksen/Duitsland was het eerste met openbare gasverlichting. Londen (Pall Mall) volgde in 1812, Parijs in 1819 en Berlijn in 1826. Elf
jaar later stonden er in Londen al een kleine 40.000 van deze gaslantaarns.
Voor gasverlichting was heel veel steenkool nodig. In 1840 werd voor de stadsverlichting van Londen 180.000 ton steenkool gebruikt. Maar Groot-Brittannië
had voldoende kolen ter beschikking.
De nieuwe lichtvoorziening zorgde voor heel wat werkgelegenheid. Er moesten
gasleidingbuizen worden aangelegd en gazometers (gashouders) aangesloten,
werk dus voor de metaalnijverheid. Honderden mijnwerkers waren nodig voor
de winning van de benodigde steenkool. Ook de chemische industrie profiteerde, omdat steenkoolgas gezuiverd moest worden. Het gebruik van gas uit olie
stimuleerde de landbouw omdat oliegas o.a. uit koolzaad werd gewonnen.
Daarnaast was er behoefte aan meteropnemers, administratief personeel en andere hulpdiensten.
182
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 183
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Verzet
Nieuwe ontwikkelingen worden meestal met argusogen bekeken. De kerken
bijvoorbeeld, zagen hun stemmige illuminatie met kaarslicht veranderen in
verlichting ‘nieuwe stijl.’ Veelzeggend is het volgende vers: (43)
‘Och arme gemeente, och dwaze predikant,
uw woord is enkel gas, uw zinnen zijn verduistert,
geheel de kerkenraad is van haar eer ontluistert,
die vrijheid gave om gas in ’t Heiligdom te planten,
de eer van God is weg, dat blijkt van alle kanten’.
Maar niet alleen vanuit de kerk klonk kritiek. De gasverlichting zou de gezondheid ernstig schaden, zo schreef in 1819 een Keulse krant. Wandelen in de
avondlucht werd daarom ten sterkste afgeraden. Ook zou het licht paarden
schuw maken. En toen er in 1836 een onbekende iepenziekte ontdekt werd, veroorzaakt door een soort wormen, werd dat ‘kwaad’ aan het gas toegeschreven.
Gas uit Engeland
Een grote Britse maatschappij, de Imperial Continental Gas Association
(I.C.G.A.) sloot overal in Europa contracten af voor de levering van kolengas. In
1834 kreeg deze Maatschappij toestemming om ook in ons land gas uit steenkool en hars te stoken. Maar van openbare verlichting middels gas was voorlopig nog geen sprake. Veranderingen kosten nu eenmaal tijd.
Nadeel van deze Engelse Maatschappij was, dat er veel geld naar het buitenland
verdween en dat de gasbuizen, lantaarns, kandelabers en lampen uitsluitend
door Engelse fabrieken werd geleverd, waar Nederlandse bedrijven ook zeker in
licht en donker naast elkaar
183
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 184
staat waren die te fabriceren. Vandaar dat er gaandeweg de 19e eeuw overal
eigen gasfabrieken werden opgericht.
De op olie brandende lantaarns verspreidden een mooi licht, hoewel, het zij
herhaald, raapolie duur was.
In 1840 nam Amsterdam een proef met gasverlichting op straat. Daar was men
zo enthousiast over dat er een netwerk van buizen de grond in ging en het aantal lantaarns gestadig toenam. In 1849 werd de hele binnenstad van Amsterdam
gasfabriek Amsterdam rond 1840
door gaslampen verlicht. De ontwikkeling van op gas brandende verlichting
was niet meer te stuiten. Ook Monnickendam zou er kennis mee maken. Maar
niet iedereen was even enthousiast zoals blijkt uit een rijmpje:
‘Toen het licht stond op de palen, kon iedereen het nog betalen,
toen het licht hing aan de touwen, was het nog goed uit te houwen,
maar nu het komt uit de grond, is het allemaal str...’.
Gas in Monnickendam
In 1844 draagt dhr. Kater nog steeds de verantwoording voor 38 lantaarns, die 16
dagen in de maand tot middernacht branden. Zijn contract loopt tot oktober
1851. In een request d.d. 4 juli 1844 merkt hij op ‘dat dikwerf voorkomt het getal
van 16 dagen verlichting te kort is en wenschelijk zoude zijn dat zulks op 20
dagen wierd gebragt’. De heer Kater doet vervolgens de stadsregering een voorstel ‘om met hem in overleg te komen om voortaan de stadsverlichting in plaats
van olij en lampen met GAS te doen, door ijzeren pijpen in de straten te leggen’.
Kater ziet, met hulp van de regering, daartoe alle mogelijkheid. Hij stelt voor:
a. te helpen regelen aan welke huizen de te maken fraije ijzeren armen gemaakt
zullen worden in de straten, voor zover dit niet door palen geschieden kan, om
een goede verdeling te krijgen, terwijl op de gragten in een geregelde orde
palen gesteld worden.
b. Zal het getal lichten op 38 blijven of dit getal op 40 brengen en zal men 16 of
184
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 185
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
20 dagen in de maand de stad verlichten’. Mochten die twee extra lantaarns er
komen en er vier dagen verlichting bijkomen dan zal dat hoogstens 200 gulden
per jaar meer kosten, boven de gebruikelijke 1000 gulden.
c. ‘Alle kosten van de ijzeren buizen, armen, lantaarns en palen, alsook het
maken van een locaal waarin de gas, gasmeter en verdere toestellen benodigd
zijn, zullen door hem betaald worden, zonder dat de stad hoegenaamd in gene
kosten zal behoeven te dragen, doch het contract dient voor twintig jaren aangegaan te worden om de aanzienlijke kosten te overwinnen’.
Als Kater, nog steeds lid van het gemeentebestuur, de vergadering heeft verlaten ‘delibereert’ de Raad uitgebreid over het voorstel en komt tot het besluit om
het verzoek bij alle Raadsleden ter bestudering rond te sturen en bij een volgende vergadering een besluit te nemen.
Op 3 augustus 1844 hebben de leden van de raad de tijd gehad om het voorstel te
bestuderen.
‘Brengt de heer Kater in het midden, dat aangezien zedert het door hem
gepresenteerde request tot heden de tijd van ruim een maand is verlopen, hij
zich alzo buiten de mogelijkheid bevindt de gasverlichting, indien zulks aangenomen mogt worden, op den eerste october in gereedheid te hebben, doch daarmede zo veel spoed zal maken als het in zijn vermogen is’.
Kater geeft verder aan dat, als het plan van de gasverlichting niet aangenomen
mocht worden, de stad op de oude voet, met olie dus, zal verlicht worden maar
‘dat hij echter in gemoede en in het belang van de ingezetenen de vergadering
in overweging geeft om bij deliberatie over dit onderwerp in aanmerking te
nemen dat de verlenging van de dagen en uren van de verlichting met gas, de
stadskas jaarlijks de geringe som van tweehonderd guldens zal kosten, een som
zo gering, naarmate daar van een algemeen genot wordt verkregen’.
Opnieuw verlaat Kater de vergadering waarna er druk wordt overlegd. Zorgvuldig wordt alles afgewogen met als conclusie ‘dat de stad voor het vervolg, indien
zulks aan het oogmerk voldoende wordt bevonden, met gas zal worden verlicht
en de heer T. Kater Cz op de oude voet aannemer zal worden, dat echter geen
verlenging van de dag noch ure als mede vermeerdering van réverbères zal
plaats hebben en hij alzo, gelijk als voorheen, daarvoor jaarlijks duizend guldens zal ontvangen, terwijl, wanneer hij met de verlichting en desselfs toestellen in gereedheid zal zijn, als dan daarvan een contract in forma zal worden opgemaakt en behoorlijk geregistreerd aan partijen zal worden ter hand gesteld’.
185
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 186
Nieuw voorstel van Kater: Hallogas
Ondanks het feit dat het stadsbestuur, zo lijkt het toch, akkoord is met het verlichten van de stad door gas, komt Tijmon Kater een jaar later, op 24 juli 1845,
met een nieuw voorstel, nl. om de stad te verlichten met een nieuw soort lampen: hallogaslampen (44). Dat zal een grote verbetering van de stadsverlichting
betekenen, zoals een proef heeft uitgewezen. Zijn voorstel betekent een meerprijs van ongeveer 65 gulden.
Dhr. Kater vraagt of zijn eerdere voorstel van 3 augustus 1844 ‘buiten effect gesteld mag worden’. Dat laatste gebeurt en aannemer Kater mag, met ingang van
october 1845, voor eigen rekening, drie maanden een proef doen met een hallogaslantaarn aan de toren. Als dat tot ieders tevredenheid is, dan zal de hele stad
hallogaslantaarns
met dit soort gas en bijbehorende lantaarns verlicht worden, maar wel voor het
eerder overeengekomen bedrag van f 1000,- per jaar.
Als de proef met hallogas echter niet slaagt, dan zal Kater verplicht zijn het contract van 1836 tot 1851 op de destijds afgesproken manier na te komen en per 1
oktober 1851 alle réverbères heel en in goede staat met de olielampen en alles
wat daarbij hoort aan de stad moeten overdragen.
186
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 187
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
De hallogasverlichting, hoe goed ook, gaat niet door. Op 23 augustus 1845 haakt
Kater af. Het was hem, volgens zeggen, niet bekend dat de extra kosten van f
65,18 niet zouden worden uitbetaald, waarvan de Raad zegt dat ze hem uitdrukkelijk zijn meegedeeld. Kortom, alles blijft bij het oude.
Nee, het stadsbestuur liep niet voorop als het om nieuwe ontwikkelingen ging.
Ze hield de hand, al of niet gedwongen door de economische omstandigheden,
stevig op de knip.
Vakkennis
Dhr. Kater was goed op de hoogte van de ontwikkelingen op zijn vakgebied,
want pas een jaar later kreeg het stadsbestuur van van Gelder & Comp. uit Amsterdam een aanbieding om de stad te gaan verlichten met hallogas. Proeven in
Vlaardingen en Woerden waren uitstekend geslaagd en er waren al verschillende aanvragen bij hen binnengekomen. Een gedrukte brochure + drie voorbeelden van een model hallogas-lantaarn werd meegestuurd. Artis bijvoorbeeld,
toen nog Natura Artis Magistra geheten, had zulke lampen aangebracht in de
tuin bij de hoofdingang.
‘De gaskaars geeft van alle kaarsen het goedkoopste en beste licht voor de ogen.
Het Hallo-Gas is op den duur goedkoper dan olie, kaarsen of ander gas; geeft
hoegenaamd geen gemors of vlekken, zoals de olie en het schoonmaken der
Hallo-Gaslampen is eenvoudiger en minder kostbaar dan die van olielampen’,
aldus de brochure.
Dubbele functie
Al eerder schreef ik dat Tijmon Kater lid was van het stadsbestuur. Hij zat daar
dus met ‘twee petten’ op. Dat had zowel voor- als nadelen. Voordeel was dat hij
ter plekke in de Raad een mondelinge toelichting kan geven en vragen van collega’s kon beantwoorden. Zo bijvoorbeeld op de vraag dat, als de nieuw aan te
schaffen gaslantaarns i.p.v. 16 nu, 20 dagen gaan branden, tot welk uur dat dan
zal zijn. Het antwoord van Kater: 1 uur in de nacht, een uur langer dus dan tot
heden het geval is. De jaarlijks kosten zouden in dat geval van f 1000,- nu naar f
1200, - gaan.
In de Raad ontstond echter meer en meer verzet tegen de dubbelfunctie van dhr.
Kater. Een nieuw reglement steunde hen daarin (45). Een aannemer van de stad
kon niet tegelijk lid van de Raad zijn.
Contractoverdracht?
Op 20 januari 1847 horen we opnieuw van Tijmen Kater. Hij vraagt de Raad of
het contract met betrekking tot de verlichting overgeschreven mag worden op
zijn zoon Cornelis Tijmonsz. Kater. Dat kan, maar dan moet er een nieuw contract worden opgemaakt. De overschrijving is niet doorgegaan. Wel wordt de
187
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 188
overeenkomst op 24 oktober 1847 aangepast omdat er een lantaarn is bijgekomen. Ook het aantal branduren wordt iets uitgebreid. Kater krijgt hiervoor 100
gulden extra, die elk jaar op 31 maart wordt uitgekeerd.
Kaarsenmaker
In 1847 heeft Monnickendam nog steeds een kaarsenmaker. Op 30 december
van dat jaar schrijft Pieter de Wit, commies bij de Stedelijke Accijns en belasting
alhier een brief aan B&W. Hij heeft zich in de morgen van den dertigste december 1847 ‘des morgens sirka zes uren op een suveljanse begeven naar de buitenboom langs de Haven en zag daar eene kruiwagen afkome van het locaal of kaarsenmakerij van Joh. W. Hartwigsen, staande op de Gooische Kaaij nr. 15, dewelke door mij werd vervolgd en gearresteerd nabij de Damsluis, De voornoemde
wagen werd vervoerd door de twee zoons van voornoemde Hartwigsen, genaamd Daniel en Andries en was beladen met bijna 150 lange turven met het
voornemen om dezelve naar hunne woning te brengen, hetwelk ik hun aanzegde, zij fraudeleus handelden, waar over ik hen bekeurde. Uit hoofde mij bekende heeft de voornoemde J.W. Hartwigsen een vrijdom van vier of vijfduizend
lange turven ten behoeve van zijn kaarsenmakerij en deze turf niet te mogen
vervoeren zonder aangifte na zijn woning. De wagen met de turf heb ik ten mijnen woning geborgen, tot nadere orders van UwEd.Achtbaren Heeren Burgemeesters en Wethouders.’
Onderaan staat vermeld dat Hartwigsen zich schuldig heeft gemaakt aan de stedelijke wet nr. 99, waarop een boete staat van minimum f 50, en maximum f 200,Voorstel voor pijpgasverlichting
Vier jaar later, op 11 januari 1851, schrijft dhr. Kater een brief aan de gemeenteraad: ‘Sedert jaren is de ondergetekende Tijmon Kater Czn werkzaam geweest,
om te weten te komen of ook onze stad met pijp- gaz verlicht kan worden en of
de kosten ook te groot zouden zijn van een gazfabriek, het leggen der pijpen
onder de straten, het stellen van Lantaarnpalen en al dat geen wat tot een goede
en duurzame verlichting nodig is. Ik heb naar veel moeite en kosten gedaan te
hebben, de nodige kennis van een en ander verkregen en ben in staat U die inlichtingen te geven die tot die zaak nodig zijn. Mocht u mijnen arbeid in overweging nemen en aan mij de noodige hulp verleenen kunnen, zo als die in bijgaand stuk (Memorie van Toelichting) verzocht en voorgesteld wordt, dan bestaat er groote kans dat onze stad en ingezetenen van het pijp gaz te gebruiken,
dat nut en voordeel betekenen, wat in veele plaatsen reeds met goed gevolg genooten wordt. Met hoogachting teken ik mij Uwachtbare onderd; dienaar’.
188
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 189
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Uit de Memorie van toelichting blijkt dat zijn voorstel is: een vooruitbetaling
gedurende vier jaar tot een totaalbedrag van f 5800,-, wat er op neer komt dat de
verlichting met pijpgas de stad jaarlijks zo’n f 1450,- zal kosten.
Op 30 januari wordt zijn brief en de Memorie van toelichting in de Raad besproken. Nadat dhr. Kater de vergadering heeft verlaten, bekijkt de Raad het plan
zorgvuldig met het oog op de doelmatigheid van de stadsverlichting, de stadsfinanciën en het belang van de ingezetenen en konkludeert ‘dat, hoezeer men
ook mogt erkennen dat het pijpgas een buitengewoon helder licht geeft, nogthans de behoefte hieraan minder noodzakelijk voor de bevolking van deze gemeente geacht wierd, aangezien een goede aangebragte verligting met patentolij lampen toerijkend was bevonden om des avonds de stad te verlichten, daarbij
den avond geen koopmanschappen of andere bedrijven alhier worden uitgeoefend, waarbij een zoodanig buitengewoon licht gevorderd word’.
De conclusie is simpel: alles blijft bij het oude, waarbij de hogere uitgaven voor
dit afwijzende besluit ongetwijfeld een belangrijke factor zijn.
Kater wordt van het besluit in kennis gesteld ‘echter onder dankzegging voor
de moeite welke hij tot het ontwerp dezes heeft gehad’. Opnieuw dus een beleefd ‘neen’.
1851 Het contract loopt af
Omdat het lopende contract (van 1836) bijna ten einde is, vraagt Kater op 22 mei
1851 aan de Raad ‘dat met hem opnieuw een contract van die verlichting voor
een of meerdere jaren mag worden aangegaan, op voorwaarde nader met elkander overeen te komen’.
Het antwoord van de Raad is ‘dat door de adressant niets bepaaldelijks is uitgedrukt, voor hoe veel minder hij zulks zoude willen aannemen en dat alzoo om
nader op dit verzoek terug te kunnen komen, door den adressant zal behooren
opgegeven te worden voor welke som hij als nog aannemer van deze verlichting
wil worden’.
Nee, het boterde niet meer tussen de Gemeenteraad en Tijmon Kater. Het lijkt
er op dat de raad wel graag van Kater af wilde. Het zou inderdaad op een breuk
uitlopen.
Op 13 juni 1851 stuurt Kater een brief waarin hij meedeelt bereid te zijn om de
verlichting van de stadstraten weer voor 1000 gulden per jaar uit te voeren, in
plaats van de in 1847 overeengekomen f 1100,-. Het aantal jaren is aan de Raad,
maar niet langer dan vijf graag.
Maar de Raad, die op 17 juni over het voorstel vergadert, is met dat verschil van f
100,- niet tevreden, mede ook, omdat de aannemer zich verplicht heeft, bij beëindiging van het contract, de réverbères nieuw op te leveren, hetgeen volgens
zijn eigen verklaring een aanzienlijke som zou hebben gekost.
189
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 190
Enfin, het komt er op neer dat geen nieuwe overeenkomst met dhr. Kater wordt
afgesloten, waardoor er een einde komt aan 38 jaar dienstverlening van Tijmon
aan de stad, voor wat betreft de lichtvoorziening op straat.
Aanbesteding
Op 23 augustus 1851, om 12 uur, gaan B&W over tot aanbesteding van het onderhoud en de verlichting van de straatlantaarns in de stad gedurende drie jaar:
van 1 september 1851 tot 30 augustus 1854. De inschrijvers moeten aan een groot
aantal voorwaarden voldoen. Daartoe wordt een contract met veertien artikelen
opgesteld, dat door de laagste inschrijver moet worden ondertekend. Een paar
notities uit deze voorwaarden:
* Er zijn 41 lantaarns te verzorgen, inclusief die bij de lange brug, een lamp bij
het haringhuisje en bij het wachthuis.
* Het gaat om de periode 1 september – 30 april.
* De lantaarns moeten tot één uur ’s nachts branden op patentolie en zijn voorzien van een katoenen pit.
* Bij vorst moet patent lijnolie worden gebruikt.
* Als een lantaarn, om welke reden ook, een bepaalde tijd niet brandt, dan kost
dat de aannemer 25 cent. * De nieuwe aannemer zal de lantaarns en toebehoren
overnemen in de staat zoals ze zich nu bevinden. Wat herstelt moet worden,
komt voor zijn rekening.
* De betaling zal in drie gedeelten plaatsvinden: in december, februari en in
mei. De aannemer moet voor twee borgen zorgen.
Er wordt ook een nauwkeurige omschrijving gegeven van de palen waarop de
lantaarns moeten worden geplaatst. Ze moeten zijn van eikevezelsche roeden,
vierkant beslagen met vellingkant van 4 duim lang. De palen moeten gemiddeld acht el lang zijn en behoorlijk geschaafd. Elke paal dient twee steunpalen
te hebben.
U ziet, de gemeente had z’n zaakje goed voorbereid, misschien wel ook een en
ander geleerd van de voorgaande jaren. Er zijn zes inschrijvers:
Aris Middelbeek - f 3591,Joost de Moes - f 3450,Jan van der Linden f 3408,60
Cornelis Blankevoort f 3405,Cornelis Tijmonsz. Kater (de zoon van) 3132,Cornelis Gras - 3089,-
190
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 191
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Cornelis Gras (46)
Cornelis Gras krijgt, als laagste inschrijver, het onderhoud van de stadsverlichting toegewezen. Hij heeft twee borgen: zeepzieder Pieter Leonard Thierens en koopman Aris Middelbeek, die beiden door het stadsbestuur worden
geaccepteerd.
Blijkbaar heeft Gras z’n werk goed gedaan, want ik ben geen melding tegengekomen van enig falen.
Rijmpje
Een aardig rijmpje uit deze tijd:
‘Lantaarnopsteker, het helderste waslicht, of dat van een lamp
moet wijken voor ’t gaslicht,uit steenkolendamp,
men bezigt dit in huis en op straat
en ik ga het ontsteken, als ’t avonduur slaat’.
Nieuwe aanbesteding
Op 11 augustus 1854 notuleert de secretaris van de Raad: ‘In overweging genomen hebbende dat met 1e september de tijd van aanbesteding der stadsverlichting expireert (vervalt, caeg), is na deliberatie goedgevonden B&W machtiging
te verstrekken deze besteding bij vernieuwing te doen plaats hebben voor de
tijd van drie jaren en zulks op dezelfde conditiën en voorwaarden als bij de vorige besteding heeft plaats gehad’. Er zijn dit keer drie inschrijvers:
Cornelis Blankevoort - f 3177,Klaas Klaver - f 2985,Cornelis Gras - 2978,Opnieuw is Cornelis Gras de laagste inschrijver. Hij krijgt de job weer voor drie
jaar, met dezelfde twee borgen als tevoren. Hoewel er geen wijzigingen zijn,
wordt er een nieuw contract opgesteld. Het zal de laatste periode zijn dat de
straatlantaarns van Monnickendam op olie branden.
Gasfabriek in Monnickendam
Was in 1844 een voorstel van Tijmon Kater, om de stad met op gas brandende
lantaarns te verlichten, nog verworpen, in 1857 doet zich een geheel nieuwe ontwikkeling voor. Het driejarige contract met Cornelis Gras loopt op 31 augustus
1857 af en zal niet verlengd worden.
Begin 1856 ontvangt het stadsbestuur namelijk een verzoek van dhr. Pieter
Schellinger (47), ondernemer uit Nieuwendam, of hij in de stad een gasfabriek
mag bouwen.
191
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 192
lijnbaan naast de gasfabriek
Schellinger heeft op zeventien oktober 1855 een stuk grond gekocht dat in het
kadaster bekend staat onder nummer A18 (bos) en A 19 (huis en erf). Het is een
terrein op het Binnencingeltje (Nieuwe Zijds Burgwal), later meer bekend
onder de naam ‘de Krim’. De koop wordt namens de heer Schellinger gesloten
door mr. timmerman Johannes Nicolaas Arnoldi. Het terrein wordt gekocht van
de Lutherse predikant Johan Philip Wagner. Daarvoor was het eigendom van de
Amsterdamse kaarsenmakers Gerrit Brass en Gerrit Graas die deze grond voor f
750,- kochten. Het gaat om een terrein binnen de stadsmuren op de Westervesting waarop ook de lijnbaan ‘Amsterdam’ van de familie Arbman stond. (48).
Schellinger betaalt op tien november f 200,- voor het ‘erf met de gronden en de
overblijfselen van de daar op gestaan hebbende gebouwen en getimmerten en
het bos’ aan dhr. Arnoldi.
‘De koper zal zijn gekochte dadelijk kunnen aanvaarden en daarvan voortaan
alle belastingen moeten betalen’.
Dat verzoek van Schellinger heeft heel wat op gang gebracht. Voor het gemeentebestuur was een gasfabriek binnen de muren een onbekend fenomeen. Daarom vroeg men op 5 mei 1856 allereerst advies bij B&W van Amsterdam. Na wat
inleidende zinnen lezen we: ‘Alvorens deze consessie (toestemming, caeg) te
verlenen zijn wij uitgenodigd op te geven de voorwaarden, welke het gemeente192
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 193
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
bestuur verplicht is zich voor te behouden met het toestaan van het leggen der
gaspijpen in de stadstraten (...) Daar nu zodanige fabriek bij ons een nieuwe en
enigszins onbekende zaak is, nemen wij de vrijheid U met de meeste bescheidenheid uit te nodigen ons medewerking te willen geven op welke voorwaarden uwerzijds zodanige fabrieken in Amsterdam zijn of worden gebouwd’.
Amsterdam heeft direct gereageerd, al bleef de vraag over de voorwaarden
waarop de vergunningen tot het leggen van gasbuizen in stadsgronden mag
plaatsvinden, op 13 mei nog onbeantwoord.
Omdat de gemeente toestemming nodig heeft van G.S. gaat er op 26 mei een
brief naar Haarlem, waarin wordt vermeld welke eisen er aan dhr. Schellinger
zijn gesteld bij de bouw van de gasfabriek. De gebouwen en de gaskuipen moeten op een behoorlijk geheide fundering staan; de rompmuren moeten van
minstens 1,5 mopsteen worden gebouwd, de daken met pannen afgedekt, doorgaande ankers gebruikt en de fornuizen moeten minstens 1,5 palm vrij van
muur of houtwerk staan.
Het retortenhuis mag niet hoger dan 12 el zijn, de gashouders niet hoger dan 7 en
de overige gebouwen mogen niet hoger dan 9 ellen boven de grond opgetrokken
worden. De schoorsteen mag niet meer dan 2 el boven de nok van de gebouwen
uitsteken. Ook moeten alle stedelijke verordeningen in acht genomen worden
en de bouw zal plaatsvinden onder toezicht van de opzichter van de stad.
Blijkbaar is dat schrijven niet voldoende duidelijk geweest, want op 4 juni 1856
lezen we: ‘Onbekend met de plaats waar men de bedoelde fabriek wenscht op te
rigten geven wij ons de eer U nogmaals te verzoeken ons onder overlegging
eener schetstekening van terrein en fabriek, te willen melden of bij de oprigting
der fabriek de zekerheid en veiligheid van eenig werk, onder beheer en toezigt
van het Rijk of der provincie in aanmerking kunnen komen’.
Deze tekening is op 11 juni verzonden. ‘Uit deze schets zal blijken dat bij de oprigting der fabriek de zekerheid en veiligheid van enig werk onder beheer en
toezigt van Rijk en der Provincie in geene aanmerking komen kan, die trouwens hier ter stede niet bestaan’. Toegevoegd wordt dat ‘geen andere gebouwen
in de omtrek der voorgenomen stigting bestaan dan die de aanvrager toebehoren, met uitzondering van de opstand eener lijnbaan’.
Op 24 juli ontvangen B&W een brief van G.S. dat volgens een afschrift van het
Koninklijk Besluit d.d. 14 juli 1856 nr.84 P. Schellinger vergunning wordt verleend tot het oprigten van een gasfabriek te Monnickendam, kadaster A nr. 18
(49). Hij mag ‘buizen in de stad leggen voor desselfs gazfabriek gedurende de
tijd van 33 jaar met uitsluiting van alle anderen’.
U merkt, men ging niet of éen nacht ijs.
193
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
194
12-05-2008
17:34
Pagina 194
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 195
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
(links en boven:) gasleiding in de grond
De 25e december 1856 krijgt Schellinger de gevraagde vergunning, uiteraard
voorzien van een aantal bepalingen, waarbij het risico en de kosten vooral op
zijn bordje worden geschoven. Ook de eventuele schade, die het leggen van buizen in de grond aan bomen, kelders, riolen, bruggen etc. veroorzaakt, komt
voor zijn rekening. De gemeente heeft zich goed ingedekt. De stadsarchitect zal
er op toezien dat alles correct verloopt.
De gasfabriek is er vlot gekomen, heeft een lengte van 30 ellen, breedte 20 ellen
195
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 196
en hoog 12 ellen. De schoorsteen heeft een hoogte van 8 ellen boven de nok van
de fabriek. Er volgt een overeenkomst met het stadsbestuur. Zoals een luchtfoto
uit 1905 laat zien, was de fabriek omgeven door bomen, in het kadaster ‘bos’ genoemd.
Maar dan doet zich de volgende vraag voor: Wat moet er in een contract staan?
Opnieuw wordt raad gevraagd aan Amsterdam. Op 12 februari 1857 schrijven
B&W: ‘Vermits genoemde fabriek gereed is en de ondernemer zich geadresseerd
heeft tot het verlichten der stadsstraten in plaats van de tegenwoordige stadsverlichting, nemen wij andermaal de vrijheid Uw tussenkomst in te roepen en
de gasfabriek in 1905
ons de inlichtingen te verstrekken, welke nodig zijn tot het opmaken van een
contract en wel bepaaldelijk omtrent de daarin op te nemen verpligtingen van
de contractant leverancier’. Opnieuw reageert Amsterdam vlot waardoor de
B&W van Monnickendam op 2 maart reageren erkentelijk te zijn voor het afschrift van het bestek en de voorwaarden van de onderhandsche aanbesteding’.
De heren bedanken in een overvloed van vriendelijke woorden B&W van Amsterdam en sluiten af met ‘mogt het kunnen gebeuren dat wij met ons gering
vermogen U van eenige dienst zouden kunnen zijn, zal het ons aangenaam zijn,
zulks ten uitvoer te mogen brengen’.
Op 16 maart 1857 leest notaris Merens de door hem gemaakte conceptvoorwaarde voor ‘in verband met de onderhandse aanbesteding van de openbare verlichting van de openbare straten der stad Monnickendam d.m.v. uit steenkolen gestookt pijpgas gedurende de tijd van 33 achtereenvolgende jaren, aanvangende 1 september 1857 tot 30 april 1890 en zulks met de heer P. Schellinger,
notaris te Nieuwendam als eigenaar van de gazfabriek binnen deze stad opgerigt’.
196
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 197
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Met Schellinger wordt het contract doorgenomen, waarna ondertekening
volgt. Schellinger zal de komende 33 jaar, dat wil zeggen tot 30 april 1890, pijpgas leveren voor de openbare straatverlichting van Monnickendam. En dat voor
f 1000,- per jaar! Je zou zeggen, een koopje voor B&W. G.S. wordt een week later
van de overeenkomst op de hoogte gesteld. Het contract bevat de volgende bepalingen:
1. Dat met het leggen der buizen of pijpen binnen de stad geen aanvang mag
worden gemaakt, voor en aleer met de oprigting der gazfabriek, ten genoegen
woonhuis gasfabriek Heerengracht met de fabriek op de achtergrond
van B&W een aanvang is gemaakt.
2. Dat het leggen der buizen, zoo wel wat eerste aanleg als onderhoud betreft,
zonder uitzondering zal komen ten laste en risico van de consessionaris (aanvrager, caeg) zonder dat bij het eindigen der consessie daarvoor eenige vergoeding van het stedelijk bestuur zal kunnen worden gevorderd.
3. Dat daardoor niet worden benadeeld de eigendommen der stad of van derden; dat dan ook de buizen nimmer door riolen onder huizen, door kelders of
gewelven of kort langs bomen zullen mogen worden gelegd, en de adressant zal
zijn aansprakelijkheid voor alle schaden, die op enigerlei wijze uit verzuim of
contrarie handeling zoude kunnen ontstaan.
4. Dat de pijpen worden gelegd door de gehele stad, zoodra en waar B&W zulks
mogten verlangen, doch achter een volgende, onder nadere goedkeuring van
B&Wen met kennisgeving aan de stedelijke architect.
5. Dat bij het leggen van buizen over vaste houten bruggen de buizen zullen
moeten worden gelegd en vastgemaakt worden aan en tusschen twee leggers,
zonder de breedte van de doorvaart te vernauwen.
Dat bij vernieuwing of verandering van bruggen, het wegnemen, verleggen en
197
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 198
opnieuw weder leggen der pijpen, indien dit vereischt wordt, door en ten koste
van de consessionares moet geschieden.
6. Dit artikel geeft aan dat er toestemming van B&W nodig is als de bouw of exploitatie in andere handen overgaat.
7. Deze consessie zal moeten worden beschouwd te zijn vervallen bij aldien
a. binnen een jaar na het verkrijgen van de Koninklijke vergunning tot oprigting der gazfabriek deze niet zal zijn volbouwd en in exploitatie gebracht
b. de consessionaris zijne bij deze verkregen consessies geheel of gedeeltelijk
mogt hebben verkocht, verpand of overgedragen, zonder daarbij in acht te
nemen, hetgeen hierboven onder zes is bepaald.
Monnickendam is daarbij de eerste gemeente in de regio die op gasverlichting
overgaat. Purmerend volgt in 1859, Edam in 1863.
Kolenaanvoer
Het gas werd gewonnen uit kolen, die over het water werden aangevoerd, immers de gasfabriek lag dicht bij water. Als zo’n schip met kolen arriveerde,
waren er altijd wel van die losse arbeiders die, tegen betaling uiteraard, bereid
waren om een handje te helpen. Het is uiteraard ook mogelijk dat de directeur
van de gasfabriek daar zelf mensen voor had of inhuurde.
Gasfabriek gekocht door Tijmon Kater
Schellinger heeft de levering van gas slecht een maand of vier volgehouden. Een
goed notaris is niet automatisch een goed fabrikant, technicus of directeur van
een gasfabriek. Op 28 maart 1857 is hij genoodzaakt om de gasfabriek, nabij de
touwslagerij, onder goedkeuring van het stadsbestuur, met het bijbehorende
woonhuis, de bergplaats, smederij, grote stenen loods en gashouder te verkopen. Koper is, jawel, de dan 70-jarige Tijmon Cornelisz. Kater, die de gasfabriek
op 1 april voor f 18.000,- ten eigendom krijgt.
Notities uit het contract: ‘De koper zal het recht hebben tot het vrije gebruik en
genot der regenbak, staande bij het
woonhuis, ten deele op de bij deze
acte verkochte grond en ten deele op
de grond welke eijgendom van den
verkoper is gebleven’.
‘Onder de verkoop zijn mede begrepen de aanwezige voorraad steenkolen, de gazometers die in het magazijn’ voorhanden en bij de verschillende particulieren in gebruik zijn’
kolen
198
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 199
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
‘Het moet Tijmon, ondanks zijn leeftijd, een oneindige vreugde hebben gegeven (...) toch zijn doel bereikt te hebben tegenover het zo krenterige en weinig
meewerkende stadsbestuur. Werd de rijk geworden aannemer wel zo geaccepteerd in de kring van notabelen en academici van de stad’? (50).
Voor de heer Schellinger kreeg zijn betrokkenheid als voormalige eigenaar van
de gasfabriek twee jaar later nog een staartje. Het stadsbestuur deed in 1859
moeilijk over een stukje grond van de stadsvesting dat, volgens hen ten onrechte, bij het terrein van de gasfabriek zou zijn getrokken. Echter, bij de start van
de gasfabriek was dat niet aan de orde geweest en ook de stadsarchitect had er
nooit aanmerkingen over gemaakt (51).
Gasverlichting in Monnickendam
Dacht men in 1851 van de heer Kater af te zijn, nu moet de Raad opnieuw met de
ingenieur om de tafel gaan zitten. Op 15 augustus 1857 wordt er een contract opgemaakt, bestaande uit 14 artikelen, dat op 1 september zal ingaan en een looptijd kent van 33 jaar. Dat contract omvat de verlichting met gas van 41 lantaarns
binnen de stadsmuren, met inbegrip van de lantaarn op de lange brug. Daarnaast de lantaarn bij het haringhuisje en een goede gaslamp in het lokaal van de
nachtwacht. Ook voor het onderhoud is dhr. Kater geheel verantwoordelijk. Er
is ook een nieuw model lantaarn die niet meer op houten, maar op ijzeren palen
staat. Op het Weezenland heeft er één proefgedraaid, met goed resultaat.
Evenals dhr. Schellinger krijgt ook Tijmon Kater jaarlijks f 1000,- voor zijn
werkzaamheden betaald.
Het werk zelf wordt uitbesteed aan lantaarnopstekers. Zij moeten overdag de
ruitjes van de lantaarns poetsen, de gasbranders reinigen, gaskousjes verwisselen en gebroken lantaarnruiten vervangen (baldadigheid). Om hun handen te
beschermen, dragen de heren polsmoffen.
Ondanks verzoek geen dubbelfunctie
U las het al eerder, de heer Kater had jarenlang twee petten op. Hij was lid van de
Raad geweest en tegelijk aannemer met werk voor de stad. Volgens de nieuwe
wet der Gemeentebesturen was het echter niet langer mogelijk, vanwege belangenverstrengeling, die twee functies te verenigen. Op 1 september 1857 vraagt
Kater aan G.S. om dispensatie van art. 24 van deze Gemeentewet, maar het verzoek wordt afgewezen. Het wetsartikel kent geen uitzonderingen. Kater wordt
dus niet (opnieuw) toegelaten tot de Raad.
199
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 200
Vernieuwingen in en aan de gasfabriek
In juli 1858 stuurt de Heer Kater een brief naar B&W waarin hij aangeeft dat de
door hem overgenomen fabriek ‘gebrekkig’ was. ‘Thans zijn alle gebreken hersteld en door de Engelsche Ingenieur John Brijcan geheel gereconstrueerd’. Er is
een nieuw zuiveringstoestel geplaatst, de teerleiding is veranderd, er is een
nieuwe condenser en pijpen gesteld. Dat alles is zodanig ingericht dat alle toevoerpijpen gemakkelijk schoongemaakt kunnen worden’. Dhr. Kater nodigt
B&W uit om de fabriek (na een afspraak) te komen bezichtigen.
Gas in het weeshuis
Zo is Monnickendam dus in 1857 het ‘gastijdperk’ binnengegaan. Zowel buitenals binnenshuis werd gasverlichting gebruikt. Dhr. Kater zorgde er bijvoorbeeld ook voor, dat het weeshuis door ‘pijpgaz’ werd verlicht. Op 17 augustus
1857 hadden de regenten daartoe besloten.
overzicht openbare straatverlichting door gas
Varia
De veertien bepalingen bij de overeenkomst met dhr. Kater leren ons hoe de
stadsverlichting er destijds bij stond. Gesproken wordt over verlichting met uit
steenkolen verkregen pijpgas. De gaslantaarns hebben ‘zogenaamde vleermuis
vleugels’ en staan op ijzeren palen of kandelabers. De, op het moment van het
afsluiten van het contract, nog gebruikte réverbères met houten palen en ijzeren armen worden het eigendom van de heer Kater.
De nieuwe gaslantaarns moeten om het jaar worden geschilderd met goede
olieverf in een kleur die het stadsbestuur zal bepalen. Alle palen hebben een
duidelijk zichtbaar nummer. Een en ander dient goed onderhouden te worden.
Werkzaamheden van Kater in mei 1858, ten behoeve van de verlichting van het
haringhuisje en de daarop gevolgde rekening zorgen ook voor heen en weer geschrijf. Het gaat zover dat B&W op 22 maart 1859 Kater er aan herinneren ‘wanneer de afrekening op 1 juni e.k. niet heeft plaatsgehad, die rekening overeenkomstig de wet vervallen is. Nog steeds zijn de goede verhoudingen blijkbaar
200
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 201
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
ver te zoeken tussen het stadsbestuur en dhr. Kater.
Op 19 april 1858 verzoekt Tijmon Kater om de stadsstraten ook in de maanden
mei en augustus geheel of gedeeltelijk met gas te verlichten. Dat gaat op jaarbasis f 78,- meer kosten, maar B&W wijzen het voorstel af.
Stadsburgerschool
Dhr. Kater heeft er ook voor gezorgd dat de StadsBurgerschool gaslicht heeft gekregen. Op 15 december 1859 wordt aan hoofdonderwijzer Andries Lodewijk
Schmidt geschreven ‘dat het gaslicht niet langer zal mogen branden dan de
schooltijd duurt, in geen geval later dan 61/4 uur des avonds van die dagen wanneer er school gehouden wordt.
Ontevredenheid
In januari van dat jaar was Kater door het gemeentebestuur op de vingers getikt. ‘Bij een nauwkeurige aanschouwing van de door u aangenomen straatverlichting door middel van gas, moeten wij, bij de uitvoering daarvan, u onze ontevredenheid kenbaar maken daar overeenkomstig art. 5 van onze voorwaarden
geenszins gevolg wordt gegeven. Immers de vlammen welke tien duimen breed
moeten zijn en zeven duimen hoog hebben over het algemeen dat caliber niet
en zijn veel kleiner, terwijl de rode gloed van de vlammen ook in strijd is met genoemd artikel daar deselve wordt geschreven te moeten zijn zuiver wit zonder
schakering. Aangenaam zal het ons zij te mogen ondervinden dat deze kennisgeving de strekking zal hebben dat dergelijke aanmerkingen geen plaats meer
zullen hebben, daar wij ongaarne de daar op staande boeten van toepassing
zouden willen brengen’.
Verkoop van de gasfabriek
In 1860 vraagt Tijmon Kater, inmiddels de 70 ruim gepasseerd, of hij het verlichtingscontract mag overdoen aan zijn zoon Cornelis. Maar de Raad geeft
geen toestemming, met als gevolg dat Tijmon op 30 oktober de gasfabriek aan
de Heerengracht met bijhorend woonhuis, bergplaats, smederij en gashouder
voor f 21.500,- verkoopt aan architect Pieter Hendrik Peletier (52). De Raad had
daar op 25 september toestemming voor gegeven.
Peletier krijgt in diezelfde maand van het stadsbestuur toestemming om de
taak van Kater als aannemer van de straatverlichting over te nemen. Ook zijn
verzoek om ‘vrijgesteld te mogen worden van de verpligting om borgen te stellen in betrekking als aannemer der straatverlichting dezer stad’ wordt gehonoreerd.
Op 29 december 1860 ondertekenen Kater en Peletier het contract dat de overname van de straatverlichting regelt. Op diezelfde dag wordt ook het contract ge201
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 202
tekend tussen B&W en de heer Peletier. Tot 1867 is hij de nieuwe man voor de
stadsverlichting.
De jaren Peletier
Op 19 maart 1861 stuurt de stadsarchitect, de heer Jan van Leeuwen Azn een
brief met aandachtspunten. Peletier moet de straat in het Zuideinde en de
Haven boven de gaspijp aan het profiel brengen. Hij krijgt daarvoor acht dagen
de tijd. Vermoedelijk gaat het om het om een verzakking in de weg.
Een lantaarn aan een van de huizen van de Nieuwezijds Burgwal heeft al enige
tijd niet gebrand.
Volgens de overeenkomst moet de vlam in de lantaarns te allen tijde een breedte van tien en een hoogte van zeven duimen hebben. Dat is de laatste tijd niet
het geval geweest (een duim is ongeveer 2,5 cm). Er is dus sprake van een behoorlijk vlam!
Peletier wordt ook verzocht ‘de gaz zoodanig en zoodikwijls te zuiveren, dat zij
zonder dwaling, rook en stank is en een helder wit licht verspreidt’.
Als laatste moet Peletier, gelet op de overeenkomst, de lantaarns schilderen en
nummeren. Dat moet klaar zijn voor 1 mei 1861.
OverlijdenTijmon Kater
Op 1 augustus 1863 stuurt Tijmon Kater een brief naar B&W waarin hij, vanwege
zijn hoge leeftijd, vraagt ontslagen te worden als commissaris van de Stadstekenschool. Tegelijk schuift hij dhr. Peletier als opvolger naar voren, maar hij
heeft daar niet tevoren met de gasfabrikant over gesproken, noch hem gevraagd. Volgens Tijmon is Peletier echter een uitmuntend tekenaar.
echtpaar Kater/Slot tijdens hun 55-jarig
huwelijksfeest
202
Op 12 februari 1864 viert het echtpaar Kater/Slot hun 55-jarig huwelijksverbintenis. De foto is op die
heugelijke dag gemaakt. Het is de
laatste grote gebeurtenis in het
leven van Tijmon en zijn vrouw,
want veertien dagen later, 26 februari 1864 ’s avonds om half tien, overlijdt de 76-jarige Kater op de
Nieuwezijds Burgwal wijk 4 nr. 178.
Drie dagen later maakt vrouw Annetje bij notaris Merens een (nieuw)
testament op, met Klaas Houtman
en Andries Strubbe als getuigen.
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 203
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Het gereformeerd weeshuis krijgt duizend gulden, vrij van kosten en haar zoon
Jan in Zwolle (53) wordt aangesteld als executeur van de boedel.
Annetje Slot is dusdanig verzwakt dat ze, hoewel ze heeft leren schrijven, niet
in staat is om de acte te ondertekenen. Op diezelfde dag! 29 februari (1864 was
een schrikkeljaar) overlijdt ‘des namiddags tien uur’ de 80-jarige Annetje. Haar
laatste woorden zijn: ‘ik ga vader na...’
Daarmee komt er een einde aan ongeveer vijftig jaar straatverlichting in Monnickendam waar Tijmon Kater verantwoordelijk voor is geweest. Een bekwaam
man met visie en ambitie, zo mag je deze telg uit de Kater-familie toch wel typeren, was niet meer.
Verbetering van de lichtvoorziening
De stadsarchitect zat ook niet stil. Op 20 januari 1865 doet hij een aantal aanbevelingen om de straatverlichting uit te breiden en te verbeteren. Hij schrijft:
‘Het zou beter zijn als de lantaarns tot vijf uur ’s morgens zouden branden. Het
blussen kan dan nog door de nachtwacht plaatsvinden. Hij vestigt de aandacht
ook op weinig verlichte plaatsen. Op de Binnendijk is de afstand tussen de lantaarns te groot. Er zouden er twee bij moeten komen. Op de Heerengracht, in
het Zuideinde bij het dijkmagazijn en in de Roozendaalstraat (Beemstertje) kan
volslagen duisternis heersen. De verlichting op de laatstgenoemde plaats is van
nut bij het bezoeken van de kerk, terwijl een verlichting op de beide laatstgenoemde plaatsen wenselijk is, wanneer gedurende de kermisweek, de passage
met rijtuigen langs deze weg is’.
Of een en ander verwezenlijkt is ben ik niet nagegaan, maar dat het stadsbestuur over de financiële consequenties heeft gesproken, blijkt uit een brief van
de stadsarchitect van 29 november van dat jaar.
Belasting voor onderhoud lantaarns
Elk jaar stelde het gemeentebestuur de hoogte van het te betalen lantaarngeld
en dat voor de nachtwacht vast. Je moest wel een bepaalde ondergrens als inkomen hebben om die belasting te hoeven betalen. Op 27 september 1865 lag die
grens op f 31,- ‘Zij van wier woning de huurwaarde volgens de Personele Belasting minder dan f 31,- bedroeg zijn vrij van deze belasting’. Zo werden dus de allerarmsten ontzien.
Onrust wegens diefstallen
Op 13 maart 1866 klimmen drie notabelen in de pen, P. L. Thierens, N. Costerus
en J. Boerlage. Wat is het geval? Er worden ‘bij herhaling diefstallen gepleegd’
en dat vraagt om maatregelen. De drie heren doen verschillende aanbevelingen:
203
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 204
Meer ‘blauw op straat, d.w.z. een verdubbeling van de plaatselijke nachtwacht;
vier patrouilles tegelijk door de stad tussen zonsondergang tot zonsopgang;
verdachte personen nauwkeurig in de gaten houden; een geldelijke beloning
‘voor ‘wie een dief of dieven, zelfs poging tot diefstal, weet aan te wijzen of te
ontdekken. Daartoe zal langdurige straatverlichting behulpzaam zijn’. Als B&W niet
met spoed maatregelen nemen, zullen de heren zich ‘direct met de bevolking
verstaan omtrent de noodige maatregelen ter herkrijging van veiligheid en rust
onzer inwoners’.
B&W hebben van zich laten horen en ‘nemen tijdelijke maatregelen ter verbetering van de policie’. De door de drie voorgestelde maatregelen worden echter
niet gehonoreerd ‘uit hoofde dat de financiële toestand van de gemeentekas de
vereischte uitgaven niet toelaten’.
Maar de drie mannen hebben ‘zich verpligt geacht, niet lijdelijk in dit besluit
van den Raad te berusten’. Op de 18e is een adres de inwoners ter tekening aangeboden, waarin uitdrukkelijk op het nemen van betere voorzorgsmaatregelen
bij de Policie alhier aangedrongen wordt’. Een handtekeningen-actie dus. Hoe
het afliep?
Nieuwe eigenaar van de gasfabriek
Op 16 april 1867 vertrekt het echtpaar Peletier naar Hilversum. Zes weken eerder, op 28 februari 1867, had Pieter Peletier de gasfabriek voor f 22.000,- verkocht aan Willem Carel Ross-Vosmaer (54), die niet lang daarvoor was teruggekomen uit Nederlands Indië, waar hij geruime tijd heeft gewoond. Vosmaer is
op 1 mei 1867 in Monnickendam ingeschreven op adres Nieuwezijds Burgwal.
Pieter Hendrik Peletier was een vermogend man. Dat bleek toen er op 6 december 1869, door notaris Merens, een
openbare verkoping plaatsvond van
negen percelen onroerend goed ‘in de
Krim’, te weten zeven huizen, een stuk
moesgrond en een strook grond langs
de touwbaan van de gebr. Jacobus en
Cornelis Groenewoud. Peletier heeft
deze percelen op 25 oktober 1867 gekocht, hetgeen het aardige sommetje
opleverde van f 3982,- . Daarbij zijn de
panden 6 en 7 niet inbegrepen.
terrein gasfabriek, plattegrond
204
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 205
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Waarnemers
Het werk gaat echter door. Er komen twee waarnemend pijpgasfabrikanten, die
verantwoordelijk zijn voor het runnen van de gasfabriek: apotheker Adrianus
Franciscus Pieter van Son (55) en notaris Dirk Costerus (56). Samen met een zus
van Vosmaer, Guillomine Caroline Vosmaer als erfgename, zijn zij verantwoordelijk voor de gaslevering.
Overlijden Adrianus van Son
Dhr. van Son is echter maar korte tijd medeverantwoordelijk voor de gasvoorziening. Hij overlijdt op 5 juni 1874, 41 jaar oud. Zijn vrouw is dan net in verwachting van hun derde kind, William Hendrik, dat op 23 februari 1875 geboren zal worden.
Op 20 november 1874 schrijft mevrouw van Son een briefje aan de controleur en
het ‘collegie van Zetters der gemeente Monnickendam’ en zegt: ‘geeft bij deze te
kennen dat, tengevolge van het overlijden van haar echtgenoot, het door dezen
uitgeoefende bedrijf van Pijpgasfabrikant is overgegaan op den mede ondergetekende Dirk Costerus, candidaat notaris mede te Monnickendam woonachtig’.
Beiden verzoeken dat ‘het patent van genoemde heer van Son, voor zover betreft het bedrijf van Pijpgasfabrikant, word overgeschreven ten name van voornoemde Dirk Costerus’. Met de drie, nog jonge, kinderen Wilhelmina Elisabeth,
Adrianus François Pieter en William Hendrik vertrekt Elisabeth naar Haarlem.
Poging tot verkoop van de gasfabriek
In dat zelfde jaar, op 15 october 1874, is notaris Arnout Vosmaer uit Zeist in
Monnickendam, in zijn hoedanigheid als schriftelijk gevolmachtigde van de
zus van wijlen de heer Vosmaer, Guillelmine Jacoline Vosmaer. Hij is gekomen
om de gasfabriek te verkopen met alles wat er toe behoort. Een reeks artikelen
stellen de voorwaarden van de koop vast. De prijs is bepaald op f 1625,Het woonhuis is tot 1 mei 1875 verhuurd aan dhr. J.C. Kremer, daarna kan het
vrij bewoond worden.
Maar de verkoop lukt niet. ‘En is het genoemde perceel na opbod en afslag afgehouden’, zo moet notaris Vosmaer, zijn collega Cramer uit Edam Merens uit
Monnickendam, in gezelschap van logementhouder Dirk Klaver constateren.
Tien jaar later zal dat anders blijken te zijn.
IJken
Op 21 november 1879 stuurt de Raad de chef van het ijkbureau in Hoorn een
(antwoord)brief ‘dat blijkens informatie bij de directeur der gasfabriek, er kort
na het in werking treden der wet, een aanvang is gemaakt met de in gebruik
zijnde gasmeters aan de ijk te onderwerpen; dat op heden 59 dier gasmeters ge205
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 206
ijkt zijn en nog 34 stuks geijkt moeten worden en dat de gasfabriek in deze gemeente gedurende het hele jaar werkzaam is’.
Wat is het geval? In 1869 is er, bij het in werking treden van de nieuwe ijkwet,
een verplichte keuring van alle toestellen. Het toezicht op de ijkwet is overgenomen door landelijke in plaats van stedelijke ijkers. In 1882 is die verplichting
overigens alweer afgeschaft en dat is zo gebleven tot 1937.
Verlichting laat te wensen over.
Op 30 oktober 1880 ligt er een rapport van de stadsarchitect met de mededeling
‘dat de gazlantaarns vuil, het gazlicht niet zuiver en niet wit is en de vlam niet
voldoet aan de bestaande voorschriften’. De Raad zal den Directeur der gazfabriek aan de bepalingen uit het betreffende contract herinneren, met het verzoek tot verbetering.
Op 18 december antwoordt Dirk Costerus, directeur der gazfabriek, ‘dat ingevolge ontvangen schrijven d.d. 13 december het opsteken der straatlantaarns
thans meer geregeld gaat dan vroeger en voor de grootte der gazvlam en de helderheid reeds is gezorgd’.
Onderhandeling over de verkoop van de gasfabriek
Op 1 april 1881 overlijdt in Leiden Guillemine Caroline Vosmaer, de eerder genoemde zus en erfgename van Willem Carel, weduwe van mr. Lambert van
Meerten (57).
De erfgenamen, over wie verderop meer, vragen aan het gemeentebestuur of er
onderhandeld kan worden over de verkoop van de gasfabriek. De Raad is daartoe wel genegen, zo blijkt op de 24e november 1881. Maar er is geen overeenstemming bereikt. Ik vraag me wel af wat we ons bij die onderhandelingen
moeten voorstellen, immers de fabriek was particulier eigendom!
Gas in de Grote kerk
We gaan nog even terug naar het jaar 1857. Niet alleen het weeshuis, ook de Nicolaaskerk is door Tijmon Kater van gaslicht voorzien. Niet zo eenvoudig om
een zo grote hallenkerk als die van Monnickendam goed verlicht te krijgen. Er
waren voor de diensten jarenlang tientallen kaarsen nodig in de kroonluchters,
op de banken en de preekstoel.
Op 21 april 1857 schrijft Tijmon Kater een brief aan de kerkvoogden, waarin hij
voorstelt om de kerk, middels zestig branders, met pijpgas te verlichten. Een
commissie van zes leden buigt zich over het plan en het wordt metterdaad uitgevoerd. Op 2 oktober 1857 vermelden de notulen van de Kerkvoogden dat de
gasverlichting in de kerk voor 1253 gulden zal worden aangelegd. Deze zal be206
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 207
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
staan uit hoofdbuizen en pijpen,
zeven kronen met kandelabers,
waarvan ieder met 32 lichten zullen hangen in het schip van de
kerk. De noord- en zuidzijde zullen verlicht worden door in ieder
twee kronen, elk van 24 lichten, te
plaatsen. Boven de kap van de
preekstoel zal een gasvlam worden
aangebracht.
Er is vlot gewerkt want op 27 november van dat jaar blijkt dat de
nieuwe verlichting al een paar keer
gebrand heeft. Een eerste voordeel
kroonluchter kerk
is, dat er nu ook weer kerkdiensten
op donderdagavond gehouden kunnen worden. Die hadden, vanwege een te
hoog kostenplaatje, geruime tijd stil gelegen.
Niet alles gaat meteen goed. In de laatste maand van dat jaar vinden de kerkvoogden de verlichting onvoldoende. Dat wordt in februari 1858 verholpen,
doordat men, in plaats van ijzeren, porseleinen branders gaat gebruiken.
Met dhr. Kater wordt een verlichtings- en onderhoudscontract aangegaan voor
tien jaar. De overeenkomst eindigt op 31 december 1867, maar dan is er, zoals we
zagen een andere verantwoordelijke gasleverancier.
Voordat de heer Ross-Vosmaer een nieuw contract met de kerkvoogdij aan wil
gaan, moet eerst de hoofdgasleiding vanuit de toren naar de kronen vernieuwd
worden, want die is in slechte staat. Dat gebeurt en een nieuw tienjarig, vrijwel
ongewijzigd, contract wordt op 1 januari 1868 van kracht.
Als de Heer van Son, na het overlijden van de heer Ross-Vosmaer, de nieuwe verantwoordelijke man voor het gas is, krijgt hij begin 1874 een brief van de kerkvoogden dat de verlichting behoorlijk te wensen overlaat omdat de kranen niet
voldoende gas aangevoerd krijgen. Dat wordt verbeterd.
Het volgende contract, gesloten met de heer Costerus, wordt 1 juli 1878 van
kracht. Het gaat nu om zes, in plaats van tien jaar, maar met de mogelijkheid
van verlenging. Dat laatste gebeurt ook (58).
Tot 1895 wordt alleen de kerk met pijpgas verlicht. De bijruimten en de woning
van de koster worden echter dat jaar ook voorzien van gas.
207
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 208
Inmiddels had het gas- of gloeikousje (59) z’n intrede gedaan en dat gaf een veel
beter licht dan wat men tot dusver gewend was. Kortom, er komt gasgloeilicht
in de kerk dat bovendien minder zal gaan kosten.
Weer een klacht over de verlichting
Dat het met de straatverlichting niet altijd naar wens ging blijkt ook op 14 januari 1883. De gemeentearchitect heeft een lijst van gebreken opgesteld en
daarom stuurt de Raad de heer Costerus een brief met een klacht over de slechte
verlichting en de manier waarop deze lantaarns onderhouden worden. Alle
klachten hebben tot dusver echter niet tot een gewijzigd beleid omtrent het onderhoud van de lantaarns geleid. Er zitten in een aantal lantaarns gebroken ruiten en in sommigen ontbreken ruitjes. De vlam heeft zelden de vereiste hoogte
vanwege te weinig gasdruk, er is sprake van oxydatie, vervuiling van de opstaande pijpjes, de branders en de kraanopeningen. Ook een lekkende pijp
wordt gemeld. Kortom, een en ander beantwoordt niet aan wat er destijds in het
contract (1857) is afgesproken.
Costerus krijgt te horen dat de bepalingen van het contract ‘stiptelijk moeten
worden opgevolgd en dat wat de veiligheid aangaat, door te nemen maatregelen, het gevaar moet worden afgewend’.
Het rapport van de gemeentearchitect liegt er niet om.
Het blijkt nodig om dhr. Costerus op 2 februari nog eens te herinneren aan de
brief van 14 januari. Hem wordt gevraagd ‘om met enige spoed te willen berichten welke maatregelen door u genomen zijn of genomen zullen worden en in
het laatste geval, wanneer tot opheffing van het gevaar, welke de gashouder of
stolp van de gasfabriek alhier voor de openbare veiligheid oplevert en waarop
gedoeld wordt in het slot van bovengenoemde missieve’.
Uit een schrijven van de Commissaris van de Koning in Noord-Holland
d.d.19.1.1883 blijkt dat men advies heeft gevraagd, hoe te handelen in verband
met de veiligheid van de fabriek. Het antwoord daarop is:
‘dat het doen instellen door een bevoegd deskundige, van een onderzoek naar
de toestand van de verschillende toestellen, tot de gasfabriek behorende, dus
ook van de gashouder, staat aan het gemeentebestuur, aan hetwelk de wet van 2
juni 1875 het toezigt op inrigtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, is opgedragen’. Mocht de oplegging van nieuwe voorwaarden nodig
zijn, dan kan dat op grond van de laatste wijzigingen van dat voornoemd besluit, d.d. 3 augustus 1876.
208
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 209
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Antwoord van Costerus
Op 6 februari schrijft Costerus een brief met vier kantjes tekst om de klachten te
ontzenuwen. Omdat deze brief een goed inzicht geeft hoe de gasfabriek en de
straatverlichting in de praktijk functioneerde, zal ik er enkele belangrijke gedeelten uit citeren.
Costerus begint met de opmerking dat de geuite klachten niet geheel ongegrond zijn, maar noemt vervolgens een aantal redenen die de problemen veroorzaken. ‘Het stormachtige weer in de laatste maanden zo dikwijls voorgekomen, heeft werkelijk vele lantaarnruiten doen breken, doch tot mijn genoegen
kan ik u melden, dat reeds op 11 en 12 januari jl. op mijne orders, alle gebroken
lantaarnruiten door gave waren vervangen, terwijl ook voor het vervolg omtrent dit punt aan mijn ondergeschikten de kansen op vervuiling der branders,
door het inwaaien van stof de strengste bevelen heb gegeven’.
Over de vlam zegt Costerus het volgende: ‘Het zij verre van mij te willen beweren, dat alle lantaarns te allen tijde branden met een vlam ter hoogte van zeven
en ter lengte tusschen de uiteinden van tien centimeters; plotselinge verstopping van een brander, het breken van een ruit, waardoor de wind vrij spel krijgt
met de vlam enz. zijn oorzaken dat werkelijk niet iedere lantaarn altijd aan dat
voorschrift voldoet, ja zelfs voldoen kan. Het verschil in mening betreft dus niet
het feit zelf, hetwelk ik erken, als wel de veelvuldigheid daarvan. De buitengewoon hooge drukking toch, die reeds sinds geruime tijd wordt gegeven wanneer de lantaarns branden is oorzaak dat, gemiddeld genomen, meer lantaarnvlammen boven de vereischte maat branden dan daar beneden’.
Een derde klacht gaat over de helderheid en kleur van de vlam. Costerus zegt
daarover dat de bepaling in het contract geen andere kan zijn dan dat de aannemer zich verplicht tot het leveren van zo zuiver mogelijk goed lichtgevend gas.
Hij voegt daar aan toe dat ‘geen steenkolen-gasvlam zuiver wit kan zijn, daar
een blauwachtige kern een kenmerkende eigenschap is, terwijl evenmin het
steenkolen-gas, in de praktijk, zó zuiver kan worden geleverd, dat alle aanslag
vermeden wordt’. Er worden prima Engelse gaskolen gebruikt en ook op de zuivering van het gas wordt nauwkeurig toegezien.
Belangrijk punt van kritiek was ook de veiligheid. ‘Tegen de grief omtrent een
lek in de gasleiding zij het mij vergund in te brengen 1. dat mij nimmer van lekkage of storing in den gas-omloop is gebleken, of ik heb zo spoedig mogelijk
door opgravingen naar de oorzaken gezocht en de bevonden gebreken doen
herstellen; 2. dat mij uit de in November of December jl. gedane opgraving en
herstelling, door niets het vermoeden is gegeven dat hier of daar lekkage bestaat’.
De Raad heeft in hun schrijven ook opmerkingen gemaakt over ‘het veronder209
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 210
gashouder
stelde gevaar, dat de toestand van den gasfabriek oplevert’. Costerus schrijft: ‘In
’t algemeen genomen zal wel elke gasfabriek gevaren opleveren; althans de mogelijkheid van ontploffingen bestaat, hoewel ik vermeen dat dergelijke ongelukken aan de gasfabriek zelve, slechts zeer zelden voorkomen. Hoe nu echter
de bij het rapport beweerde slechte toestand van den gashouder alhier het gevaar
voor de bewoners in de nabijheid zou kunnen vermeerderen, begrijp ik niet. Dit
gevaar bestaat toch bij een ouden gashouder in geen meerdere mate dan bij een
nieuwen en ijzersterke het geval zou zijn. Immers tegen ontploffing, waarop
het rapport dan toch zeker doelt, is niets bestand. De onjuiste onderstelling dat
een gashouder, lek wordend, daardoor ontploffing zou veroorzaken, kan m.i. alleen tot deze vrees voor gevaren geleid hebben. Ik noem deze onderstelling onjuist, daar zij alle grond mist. Zodra toch een gashouder, oud of nieuw, lek
wordt, stroomt het gas naar buiten en stijgt onmiddellijk naar de bovenste
luchtlagen. Ontploffing kan daardoor, zonder invloeden van buiten af, niet ontstaan (...). De reden waarom ik mijn principalen steeds heb gewezen op de noodzakelijkheid der bijbouwing van een tweede gashouder was dan ook niet de zorg
210
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 211
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
voor de publieke veiligheid, doch de zorg voor het bestaan der aan mijn administratie toevertrouwde fabriek die met geheelen financieelen ondergang bedreigd wordt, indien de ene gashouder, te eeniger tijd de levering van gas, bij
gebrek aan een tweede gashouder, onmogelijk zou zijn’. Alle pogingen van Costerus om gelden te verkrijgen voor een tweede gashouder, waarbij de eerste gewoon door zou functioneren, zijn mislukt ‘evenzoo alle pogingen tot verkoop
van de fabriek, publiek en uit de hand, tot zelfs voor uiterst lage prijs. In het belang van de eigenaresse (zie bij de verkoop van de fabriek verderop) zal ik echter
nogmaals de aandacht op dit voor haar zo gewichtige punt vestigen’.
Als laatste tekent Costerus protest aan tegen de beschuldiging dat hij ‘alle waarschuwingen of verzoeken, klachten, officieus en zoo welwillend mogelijk ter
kennis gebracht’ in de wind zou hebben geslagen. Het stadsbestuur mag hem
‘op gebreken wijzen, opmerkingen maken, verzoeken of waarschuwingen
doen’. Maar de gasfabrikant verklaart ‘dat geen opmerking, klacht, waarschuwing of verzoek betreffende de stadsverlichting te mijner kennis is gebracht na
de opmerkingen, mij dienaangaande in het verlichtings-saizoen van 1881/82 gemaakt’.
Costerus sluit af met de verzekering ‘dat ik naar een eerlijke uitvoering van het
contract zal blijven streven, terwijl ik voor de Gasfabriek dezelfde welwillendheid inroep die het Gemeentebestuur daaraan tot heden heeft bewezen’.
Lantaarns bij de Noorderpoort
We zijn twee jaar verder als er op 12 maart 1885 een schrijven van de directie van
de zes steden (60) wordt gelezen, waarin bezwaar wordt gemaakt ‘omtrent de
verplaatsing der lantaarns buiten de gewezen Nieuwe Poort; dat evenwel met
de verplaatsing van de lantaarns buiten de Noorderpoort genoegen wordt genomen, voor rekening van de gemeente Monnickendam en dat van deze verandering een begroting van kosten zal worden ontvangen’.
3 juli 1885. Brief van de stadsarchitect d.d. 30.6. inhoudende een vergelijkende
begroting voor het onderhouden en branden van ‘gazlantaarns’ en petroleumlantaarns buiten de Noorderpoort en buiten de voormalige Nieuwe Poort.
Na voorlezing van deze begroting adviseert de voorzitter van de Raad namens
B&W voor te stellen, ‘om zich te blijven bepalen bij gazverlichting vanwege het
betrekkelijke geringe verschil in kosten’. Daar komt bij dat de directeur van de
gasfabriek te kennen heeft gegeven een som van f 10,- te willen laten vallen op
de post arbeidsloon, hetgeen dan zou neerkomen, op 86,80 in plaats van 96,80.
Aldus wordt besloten.
Ook wordt voorgelezen een opgaaf van kosten van gasverlichting voor de gemeente Monnickendam gedurende de maanden mei, juni, juli en augustus,
211
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 212
waaruit blijkt dat de prijs der verlichting met inbegrip der kosten van opsteken
en blussen is als volgt: Indien er minstens 8 en hoogstens 16 lantaarns branden 3,1/4 ct per uur; van 17-30 lantaarns 3,1/8 ct per uur en meer dan 30 lantaarns 3 ct
per uur.
Langer verlichting tijdens de kermis
Op 14 augustus 1885 wordt besloten vanaf zaterdag 15 augustus t/m donderdag
20 augustus de ‘gazlantaarns’ buitengewoon te doen branden en in geval zulks
blijken zal noodzakelijk te zijn, ook de volgende dagen, gedurende de kermis.
De gasfabriek krijgt een nieuwe eigenaar: N. Blankevoort
Op 19 maart 1886 wordt door het stadsbestuur een schrijven van de heer D. Costerus besproken, ‘houdende verzoek om goedkeuring van de overdracht van het
contract der straatverlichting door
middel van pijpgaz, wegens verkoop
der gazfabriek aan de heer N. Blankevoort’ (61).Tijdens diezelfde vergadering wordt ook de brief van de heer
Blankevoort besproken, inhoudende
verzoek als boven en verlenging of continuering van het bestaande contract
met een termijn van 20 jaar.
Het gemeentebestuur gaat accoord met
de overdracht. Gewacht wordt op de
acte van overname tussen de verkoper
en de koper. De Raad is dus akkoord
met een nieuwe eigenaar als leverancier
van het benodigde gas.
Blankevoort is verplicht alle eerder gemaakte afspraken met betrekking tot
het leveren gas na te komen. Daaronder
uiteraard het gemeentebestuur, maar ook de Directie over de wegen en vaarten
tussen de Zes Noord-Hollandse steden; met de heren kerkvoogden van de Gereformeerde gemeente en, dat hadden we nog niet gehoord, met de Doopsgezinde
gemeente van Monnickendam.
Willem en Nico (re) Blankevoort
Kop van de fabriek
Op 1 juni 1886 wordt de gasfabriek verkocht. De enige erfgename van Willem
212
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 213
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Carel Ros Vosmaer, te weten zijn zuster Guillemine Caroline Vosmaer, weduwe
van Lambert van Meerten, was op 1 april 1881 in Leiden overleden, Haar vijf ongehuwde dochters zijn de enige erfgenamen: Dionisia Catharina (Leiden); Jacoba Maria (Velp); Hubertine Elise (Utrecht), Guillemine Caroline (Leiden) en Antonette Mara (Doorn). Via Arnout Vosmaer, notaris in Zeist, die door de vijf
dames in maart van dat jaar gemachtigd is, wordt de fabriek, met woonhuis,
tuin, bergplaatsen en gashouder voor f 8000,- verkocht aan Nicolaas Blankevoort (62). Notaris Dirk Costerus en de stadsbode Pieter Aafinus Werndly zijn de
getuigen. Een koopje lijkt me, want de overleden oom van deze dames, Willem
Carel Vosmaer, had destijds f 22.000,- voor de gasfabriek betaald!
In het woonhuis van de gasfabriek aan de Heerengracht woont rijksontvanger,
dhr. P. Altena, die zich op 1 maart 1882 in Monnickendan vestigde. Hij huurt het
huis voor f 200,- per jaar en mag er blijven wonen omdat het echtpaar Blankvoort het huis van schilder Arie Oosterveld aan het Zand betrekt, in 1889 een
huis aan de Nieuwezijds Burgwal en pas in 1895 het huis van de fabriek aan de
Heerengracht.
Lening
Om de gasfabriek te kunnen kopen moet de
25-jarige Blankevoort een lening afsluiten.
Op 8 juli 1886 tekent hij bij notaris Merens
een schuldbekentenis vanwege zo’n lening,
gedaan door fabrikant Jacob Johannes Korthals (63), in 1814 te Amsterdam geboren.
handtekening Nico Blankevoort
Deze geldschieter woont in 1886 te Schoten
onder Haarlem in huize ‘het Klooster’. Het gaat om een bedrag van f 8000, tegen
een rente van 5% per jaar. De gasfabriek met woonhuis, tuin, bergplaatsen,
gashouder etc. dient als onderpand.
Huwelijk
Het jaar daarop, 12 juni 1887, trouwt Nicolaas met 23-jarige Elisabeth Klomp,
geboren in Katwoude op 26 januari 1864, dochter van Dirk Klomp en Neeltje
Brommersma.
Op 1 mei 1886 vraagt dhr. Blankevoort ‘of de acht lantaarns die het vorige jaar,
gedurende de zomermaanden, buitengewoon hebben gebrand, ook in het a.s.
zomersaison zoo nodig zullen moeten worden verlicht’. Dat is akkoord.
213
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 214
kantoor gasfabriek uiterst links
Personeel van de gasfabriek: Hendrik Klaver, Andries de Wijs
In de gasfabriek werkten twee gasfitters, twee stokers en een lantaarnopsteker
(64). Eén van die gasfitters was Hendrik Klaver, geboren op 8 januari 1840 (65).
Hij was ook klokopwinder van de stad. Een andere Monnickendammer, Andries
de Wijs (66), alias ‘koppie de weerlicht’ werd op 21 februari 1868 geboren, zoon
van Christoffel de Wijs en Maria Booij. Hij haalde elke maand de muntjes op,
die in de gasmeter gedraaid moesten worden. Het gas werd voor meer doeleinden gebruikt dan alleen de straatverlichting, zoals voor kooktoestellen en verlichting binnenshuis. Andries was gasmeter maar had bijna geen reukvermogen. Hij is in 1942 overleden.
Gas- of gloeikousjes
Rond 1885 kwam de Oostenrijkse scheikundige dr. Auer von Welsbach met een
uitvinding die gas- of gloeikousjes zouden gaan heten (zie noot 55). Die kousjes
A. von Welsbach
214
gloeikousjes
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 215
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
waren erg kwetsbaar. Bij het minste of geringste braken ze en moesten dus vervangen worden. Een nogal prijzige aangelegenheid. Maar ze gaven wel een
mooi en helder wit licht. In 1891 werden ze op grote schaal gebruikt.
Toen in 1896 de Nederlandse Gasgloeilicht Maatschappij werd opgericht, met
het hoofdkantoor in Amsterdam, kreeg deze Mij de opdracht om alle gevangenissen en belangrijke treinstations van de Staat van dit licht te voorzien.
De uitvinding van deze gloeikousjes heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat
gasvoorziening tot ver in het elektriciteitstijdperk gehandhaafd bleef.
Petroleum of gas
Op 23 september 1887 spreekt de Raad over de aanbesteding van het schoonhouden van verschillende schoollokalen. Met name gaat het over de school aan de
voormalige Waterlandsche werf. In de begroting wordt ook gekeken naar de
verlichting. Verlichting met petroleum kost f 64,- Maar Blankevoort kan die
verlichting, inclusief gasleiding, verzorgen voor f 60,- De keus is niet moeilijk,
immers elke financiële meevaller was welkom.
Contract loopt af
Het contract dat in 1857, met betrekking tot de gasverlichting van de stad was
gesloten, liep op 30 april 1890 af.
Op 19 februari 1889 ‘compareert ter vergadering dhr. N. Blankevoort, directeur
der gazfabriek, met wie een voorlopige bespreking wordt gehouden over het
kontrakt der gazverlichting dat met 30 april 1890 expireert (afloopt, caeg). Na
enige gedachtewisseling wordt goedgevonden wederzijds de voorwaarden op
te maken, die bij eventuele vernieuwing van het contract wenschelijk zullen
worden geacht, en waar later op terug zal worden gekomen.
Op 9 april wordt een en ander verder uitgewerkt. De Raad besluit om advies in te
winnen bij de heer D. Costerus, als vroegere administrateur der alhier bestaande
gazfabriek. Ook in naburige gemeenten, waar een dergelijke fabriek in gemeente-exploitatie is, gaat men te rade. Twee maanden later wordt bovendien
besloten informatie in te winnen met betrekking tot de toestand en de werking
van gazfabrieken’ in plaatsen die met de gemeente Monnickendam overeenkomen zoals Bodegraven, Beverwijk en Oudewater. Burgemeester Jacobus M. Lamaison, stelt
zich daarvoor beschikbaar.
Blijkbaar heeft men ook gezocht naar een nieuwe
gasleverancier, want op 9 juli 1889 wordt in de Raad
gerapporteerd dat er zich, ondanks een advertentie,
nog geen nieuwe gasleverancier gemeld heeft.
beeldmerk gasfabriek
215
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 216
Besloten wordt om in Krommenie te gaan kijken hoe daar de gasexploitatie van
gemeentewege plaats vindt.
In diezelfde periode wordt er ook informatie ingewonnen bij de maatschappij
Electra te Amsterdam, omtrent een eventuele elektrische verlichting in Monnickendam. Het tijdperk van de elektriciteit kwam er aan.
Op 8 oktober 1889 is dhr. van der Horst, directeur van de gasfabriek in Leiden, te
gast, wiens bemiddeling is gevraagd ter zake de regeling van gasverlichting in
de gemeente, waarvan, zoals gezegd, het contract eind april 1890 afloopt. Na inzage van bedoeld contract en na een inspectie betreffende de toestand van de fabriek, rapporteert dhr. v.d. Horst dat een en ander zich in goede toestand bevindt en er voor de gemeente drie mogelijkheden zijn:
1. gemeentelijke exploitatie, ’t zij door het stichten van een nieuwe fabriek, of
overname van de bestaande
2. contractverlenging voor een korte termijn
3. openbare inschrijving of aanbesteding der verlichting
Dhr. v.d. Horst heeft wel enkele vragen over o.a. de kredietwaardigheid van de
eigenaar en de brandveiligheid.
Uiteindelijk neemt de Raad het besluit om verder te gaan met dhr. Blankevoort.
Op 25 maart 1890 wordt in de Raad de conceptovereenkomst voorgelezen die
aan de directeur/eigenaar van de gasfabriek zal worden voorgelegd. Het nieuwe
contract moet op 1 mei 1890 ingaan. Men heeft dus nog een week of vijf om
eventuele wijzigingen aan te brengen.
Op 1 april maakt Nicolaas Blankevoort kenbaar, na enige aanmerkingen op art.
5, 8 en 10 van de aangeboden gewijzigde overeenkomst inzake de gazverlichting gemaakt te hebben, dat hij bereid is een contract te sluiten:
* voor een jaar - f 1900,* voor vijf jaar – 1700,* voor 25 jaar - f 1600,terwijl bovendien het daarstellen van meerdere lantaarns, palen etc. voor de gemeenterekening komen en in ieder geval voor verlichting f 25,- per lantaarnpaal zal moeten worden betaald.
Een beslissing over dit voorstel volgt in de volgende vergadering.
Op 22 april 1890 krijgt dhr. Blankevoort te horen dat B&W gemachtigd zijn tot
het sluiten van een overeenkomst voor de straatverlichting gedurende twee
216
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 217
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
achtereenvolgende jaren tegen een vergoeding van f 1100,- per jaar, volgens de
bepalingen en voorwaarden, neergelegd in het voorlopig opgemaakte contract,
voor 50 lantaarns, terwijl voor de lantaarns die boven dit getal voor rekening
van de gemeente komen f 20,- per lantaarn in rekening zal worden gebracht. De
prijs van het te leveren gas aan particulieren wordt aan de directeur overgelaten
tot een maximum van f 15,- per 100 m3
Dhr. Blankevoort vraagt een week bedenktijd, maar laat vervolgens het gemeentebestuur weten niet akkoord te gaan met het gedane voorstel. Hij neemt
echter een aanbod van f 1300,- per jaar voor twee achtereen volgende jaren aan,
op de vroeger gemaakte voorwaarden. De drie meerdere lantaarns komen voor
rekening van de gemeente. Een paar maanden later, 28 oktober 1890, wordt besloten om drie ontbrekende lantaarns te plaatsen. Blankevoort wordt gevraagd
om op te geven wat de uitgaven zijn voor elk van de drie lantaarns afzonderlijk
a. op de Binnendijk bij de steeg van J. Boerlage
b. in de Oudemanshuissteeg oftewel het ‘Beemstertje’
c. aan de Buitendijk in de nabijheid van de korenmolen
Het contract
U merkt hoe moeizaam deze besprekingen verliepen. Beide partijen wilden een
zo gunstig mogelijk accoord sluiten. Het ging natuurlijk wel om een belangrijke zaak. Maar men heeft elkaar gevonden. Op 6 mei 1890 zal het definitieve contract worden opgemaakt voor de periode 15 mei 1890 tot 15 mei 1892. Het contract, getekend op 1 juni 1890, bevat 15 bepalingen. De kosten van de registratie
van het contract komen voor rekening van de gasfabrikant.
Problemen door strenge winter
Op 13 januari 1891 blijkt bij een onderzoek dat de straatlantaarns, 32 in getal,
onlangs niet hebben gebrand. De directeur wordt daarover onderhouden. Dat
de lantaarns enige tijd niet hebben gebrand heeft als oorzaak de strenge en
aanhoudende vorst. Hij is echter dagelijks met zijn personeel aan het werk om
verberingen aan te brengen. Er zijn al enkele lantaarns hersteld. Hij zal zijn
best doen, als de omstandigheden het toelaten, alle lantaarns zo mogelijk weer
in orde te brengen.
IV. ELEKTRICITEIT
Het vierde en laatste deel van het verhaal over de straatverlichting van Monnickendam. Let er op dat vanaf nu het verhaal over gas en elektriciteit door elkaar
heen loopt.
217
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 218
Gaslicht en elektrisch licht bestaan in het eerste kwart van de 20e eeuw lange
tijd naast elkaar. Ondanks de uitvinding van de gloeilamp bleven straatlantaarns nog jarenlang op gasverlichting branden. In Amsterdam bijvoorbeeld
stonden in 1910 nog 9500 gaslantaarns. Uiteindelijk zou echter elektriciteit de
‘strijd’ winnen.‘Prometheus (67) heeft ons mensen het vuur geschonken; aan
Faraday danken wij de elektriciteit’, aldus sir William Bragg, winnaar van de
Nobelprijs voor natuurkunde in 1915. Michael Faraday, geboren in Londen in
1791, moest al vroeg werken om het bescheiden gezinsinkomen aan te vullen.
Hij was boekbinder maar het was een ommekeer in z’n leven, toen hij de scheikundige sir Humphry Davy een lezing hoorde geven over ‘natuurfilosofie’.
Davy had in 1807 de mijnwerkerslamp uitgevonden. Faraday werd zijn assistent
en tijdens gezamenlijke reizen ontmoette Faraday mensen als de fransman
Andre Marie Ampère (1775-1836).
In oktober 1831 lukte het Faraday om een inductiestroom op te wekken. Daarbij
maakte hij gebruik van de door Allessandro Volta (1745-1827) uitgevonden elektrische batterij, de zogeheten Voltazuil. Hij liet een staafmagneet bewegen bin-
M. Faraday
A. Volta
zuil van Volta
nen een strak gewonden spoel (denk aan zoiets als een grote klos garen). Een
galvanometer, verbonden met de uiteinden van de draad, sloeg uit, telkens als
hij de magneet bewoog, maar gaf geen uitslag als de magneet ophield. Faraday
had elektriciteit opgewekt uit magnetisme: de eerste dynamo. Zijn naam zou
bekend blijven in de ‘farad’ de eenheid voor elektrische capaciteit.
Het was in 1861 de Engelse ingenieur Joseph Swan die in de Noordengelse havenstad Newcastle een elektrische lamp liet zien. Zonder dat de toeschouwers
zich dat bewust waren, waren zij getuige van het begin van een nieuw tijdperk.
218
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 219
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
De uitvinding van Joseph Swan ontwikkelde zich tot een echte kooldraadlamp
die in 1878 in massaproductie kon worden genomen.
Kort daarna was het de beurt aan de Amerikaan Thomas Alva Edison (1847-1931),
uitvinder van o.a. de grammofoon en de film. Hij gaf op oudejaarsavond 1879
een demonstratie van de eerste bruikbare elektrische kooldraadlamp. Gewoon,
gelijkmatig licht, zonder geknetter, vlammen, roet of rook. New York liep massaal uit om dit ‘wereldwonder’ te bewonderen. In Parijs 1881 werd tijdens de
Elektriciteitstentoonstelling de eerste gloeilamp geïntroduceerd.
In 1884 was Timisoara, destijds Oostenrijks, nu Roemeens, de eerste Europese
stad met elektrische straatverlichting.
In ons land werd op 29 april 1886 de eerste openbare elektriciteitscentrale in bedrijf gesteld, de N.V. Elektrische Verlichting Kinderdijk. De installatie werd verzorgd door de fa. Willem Smit & Co te Slikkerveer. Willem Benjamin Smit wordt
wel gezien als de belangrijkste pionier op het gebied van elektriciteit in Nederland. Hij was het ook die in 1883 het Rotterdamse Grand Hotel Coomans groots
verlichtte met 130 gloeilampen en een
koolbooglamp op straat. Ook zorgde hij
voor de eerste elektrische straatverlichting in Nijmegen. Hoge booglampen die,
om onderhoud mogelijk te maken, voorzien waren van een tuimelmechaniek.
Een meer algemeen gebruik zou nog wel
een aantal jaren op zich laten wachten.
In 1892 begon Philips & Co met de productie van gloeilampen. In 1910 was het
bedrijf één van de grootste lampenproducenten van de wereld. Met de titel van
een boek: ‘Gloeilamp grote overwinnaar
van de duisternis’.
J. Swan
In 1914 verwachtte de staatscommmissie
van IJsselsteijn een grote toename van de behoefte aan elektriciteit. Deze Commissie was voorstander van regionale centrales met een beslissende rol voor de
provincies. In dat jaar telde Nederland 82 centrales, waarvan er 24 door gemeenten werden geëxploiteerd en 44 door particulieren. Ongeveer 1400 bedrijven
zorgden voor hun eigen elektriciteit.
De commissie meende dat de grote centrales, die tegen lage kosten elektriciteit
konden aanbieden, de concurrentie met de stoommachines wel aankonden In
de kleinere bedrijven zou de elektromotor de dieselmotor, die zeven keer zo
duur was, gaan vervangen. Ook voor de tractie van treinen en trams werd elek219
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 220
triciteit een grote toekomst voorspeld, aldus een krantenbericht in 1914. (De
eerste tram reed op 1 juli 1899 van Haarlem naar Zandvoort).
Het was waar, in hoog tempo werden de walmende olie- en gaslampen vervangen door helder elektrisch licht, dat gemakkelijk te bedienen was en alle hoeken
van het huis kon bereiken. De kolenschaarste aan het eind van de eerste Wereldoorlog betekende ook een stimulans om van gas op elektriciteit over te gaan.
In 1930 bleken 1011 van de 1079 Nederlandse gemeenten (zo’,n 90%) voorzien
van centrales en behoorde Nederland tot de meest geëlektrificeerde landen van
Europa. Allerlei elektrische apparaten zoals strijkijzers, theelichtjes en stofzuigers vonden een plek in menig huishouden, terwijl ook de binnen- en buitenverlichting aan een geweldige opmars begon.
T.A. Edison
een led
Een nieuwe ontwikkeling was de fabricage van natriumlampen in 1932. In dat
zelfde jaar werd de eerste weg ter wereld met deze lichtbron verlicht. Limburg
had deze primeur op 1 juli: Beek – Geleen.
De ontwikkelingen stonden sindsdien niet stil. De kwikdamplamp kwam.
In Ede is in 2005 een proef gestart met lantaarnpalen die voorzien zijn van leds
(68) als lichtbron. Het is echter nog een vrij nieuwe ontwikkeling. Het grootste
voordeel ten opzichte van natriumlampen is de levensduur en de kleur. Enfin,
de zoektocht naar vooral energiezuinige verlichting zal vast nog wel een tijdje
doorgaan.
220
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 221
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
De Raad van Monnickendam denkt na over elektriciteitsvoorziening
De landelijke ontwikkelingen waren ook B&W van Monnickendam niet ontgaan. In 1889, zo zagen we eerder, vroegen zij de maatschappij ‘Electra’ in Amsterdam of men genegen was de gemeente elektrisch te verlichten en zo ja,
onder welke voorwaarden. Op 7 november 1891 wordt dat verzoek nog eens herhaald.
Twee weken later laat deze maatschappij weten, dat zij bereid is te onderhandelen over het verzoek tot elektrische verlichting. Zij vragen een plattegrond van de gemeente met daarop aanduiding van plaatsen waar de straatlantaarns staan en een opgave hoe lang deze lantaarns jaarlijks branden. De stadsarchitect van Monnickendam zal hen de gevraagde informatie verschaffen.
Omdat de tijd ging dringen wordt op 2 februari 1892 de maatschappij in Amsterdam nog eens gevraagd om een reactie. Het tweejarig contract met de heer
Blankevoort loopt eind mei af.
De gasfabriek in de verkoop
Op 15 maart 1892 laat dhr. Blankevoort de Raad weten dat hij terugkomt op zijn
verzoek om het contract met twintig jaar te verlengen omdat hij van plan is de
fabriek van de hand te doen. Op de vraag van de Raad wat de fabriek moet kosten, zal hij nog terugkomen.
Een week later deelt de Raad aan Blankevoort mee dat zij de fabriek niet zal
overnemen of die in eigen exploitatie zal nemen. Blankevoort verklaart echter
bij zijn plan tot liquidatie te blijven. Daarom besluit de Raad om een advertentie te zetten in het Algemeen Handelsblad, de Nieuwe Rotterdammer en de Nederlandse Industrie, om gegadigden op te roepen die genegen zijn bij het einde
van het contract op 1 juni a.s. de gemeente van gaslicht te voorzien. Ondertussen
zullen er (nood)maatregelen worden genomen om in de straatverlichting te
voorzien met behulp van petroleumlampen.
Op de advertentie komt een reactie uit Maassluis. Een zeker heer C. Klaver
vraagt op 24 maart inlichtingen over de gasfabriek. De heer Blankevoort, die
zijn hulp heeft aangeboden, zal de brief beantwoorden.
‘Niets veranderlijker dan de mens’, is een bekend gezegde. Op 29 maart deelt de
heer Blankevoort de vergadering mee, dat hij bereid is om een contract met de
gemeente af te sluiten voor 25 jaar tegen een vergoeding van f 1500,- per jaar.
Maar daar gaat de Raad niet mee akkoord.
Het is net een schaakspel en wie zal als winnaar uit de bus komen?
Op 5 april 1892 blijkt dat ook een gasfabrikant uit Steenbergen informatie heeft
gevraagd omtrent de exploitatie van de fabriek. Ook deze brief gaat voor beantwoording naar Blankevoort.
221
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 222
Op 12 april komt de directeur van ‘Electra’ te Amsterdam, de heer Boeiing in de
vergadering. Hij legt, naar aanleiding van de ontvangen gegevens, een uitgewerkt plan voor aangaande de exploitatie en begroting voor elektrische verlichting van de stad en geeft daar een toelichting op. De kosten van aanleg en exploitatie bedragen ca. f 20.000,- De gasprijs is 10 cent per kubieke meter, 2,5
cent per uur voor de lantaarns. De Raad gaat het plan bestuderen.
Ondertussen herhaalt Blankevoort op 26 april zijn aanbod van f 1500,- met een
contract van 25 jaar. Maar de vraagprijs ligt te hoog. De Raad laat doorschemeren dat een bedrag van f 1300,- per jaar vermoedelijk wel door B&W zal worden
geaccepteerd. Na wat heen en weer gepraat verklaart de directeur genoegen te
nemen met dat lagere bedrag.
Op 3 mei 1892 verschijnt de heer Blankevoort in de Raad en vraagt of zijn aanbod van f 1300,- gedurende 25 jaar is goedgekeurd. Maar het antwoord van de
Raad is opnieuw nee. Men wil een contract voor 20 jaar tegen een vergoeding
van f 1000,- per jaar! Dus is Blankevoort weer aan zet.
Tien dagen later is Blankevoort bereid een contract aan te gaan voor 25 achtereenvolgende jaren ad f 1250, - per jaar. De door B&W gestelde voorwaarden zijn,
wat hem betreft, akkoord. Die voorwaarden zijn o.a. dat ‘in de wijze van verlichting verandering wordt gebracht, nl. gedurende de winter 20 lantaarns nader
aan te wijzen, blijven doorbranden tot des morgens, de overigen ’s nachts om
twaalf uur worden gebluscht; de zomerverlichting in plaats van met 12 met 20
lantaarns moet geschieden, waarvan er tien op voormeld tijdstip worden uitgedaan, de overige tien moeten blijven doorbranden tot een uur voor zonsopgang, de laatste blussching zal vanwege de gemeente geschieden’.
Blankevoort kan bovendien nog toezeggen dat, als de steenkolenprijs 60 ct. per
hl bedraagt hij dan f 50,- op de aannemingssom zal laten vallen. Bedraagt de
prijs 56 per hl dan gaat hij akkoord met een aannemingssom van f 1100,-. Die
prijzen zullen worden geconstateerd, bij ’t elkenjare door directeur bij publieke
inschrijving te houden aanbesteding van de benodigde hoeveelheid steenkolen
gedurende een jaar’.
De aannemer stelt zich voor bij meerder gasverbruik, de prijs van het gas voor
particulieren op 10 cent per kubieke meter en voor fabrikanten en instellingen
van weldadigheid op 6 cent per kubieke meter te brengen.
Maar de Raad is nog niet tevreden. Tot dinsdag 17 mei heeft Blankevoort de tijd
om zich te beraden over een contract met een jaarprijs van f 1200,-
222
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 223
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Nieuw contract
Na lang onderhandelen is er dan eindelijk op 19 mei 1892 een nieuw contract dat
in de Raad wordt besproken en goedgekeurd. Blankevoort krijgt de gas-straatverlichting gedurende 25 jaar tegen f 1200,- per jaar. Een lijst waar de lantaarns
staan is bijgevoegd.
Vijf dagen later vraagt Blankevoort de Raad of hij ontheven kan worden van de
betaling van de registratierechten, maar hij krijgt nul op het request. Dat soort
kosten komen altijd voor rekening van de aannemer, is het antwoord. En inderdaad, bij voorgaande contracten was dat het geval.
Het concept-contract wordt op 19 juli met Blankevoort doorgenomen. Behoudens enkele kleine wijzigingen wordt het goedgekeurd.
Op 26 juli maakt de heer Blankevoort in de vergadering bezwaar ‘betreffende de
plaatsing voor zijn rekening van nog twee gazlantaarns en palen, terwijl die
vroeger voor rekening van de gemeente waren’. Besloten wordt om die bepaling
uit het contract weg te laten en de plaatsing van die twee lantaarns pro memorie
te houden.
Op 16 augustus wordt in de Raad meegedeeld dat de 2e blussching van de gaslantaarns (’s morgens vroeg) gedurende de maanden april t/m september aan de
nachtwacht is opgedragen, Die nachtwacht, Willem Kwakman, heeft geen bezwaar gemaakt en krijgt voor zijn extra werk een tegemoetkoming van
f 25,- Dat blijft zo tot 1 juli 1907. Op die datum krijgt hij het door gevraagde ontslag, met een pensioen van de gemeente van f 4,- per week.
48 lantaarns
Een overzicht van de lichtpunten in de stad per 1 juli 1892: (de wijknummers
geven de belendende percelen aan).
1. Aan de steenwal buiten de Broekerpoort
2. Op het stationsplein bij de aanlegsteiger, wijk 1/1
3. Op het stationsplein bij de kerktoren, wijk 1/2
4. Doelenplein, wijk 1/27
5. Kerkstraatbrug, wijk 4/1
6. Kerkstraat, hoek Schoolsteeg, wijk 2/89
7. Kerkstraat, hoek Wagenpad, wijk 4/22
8. Speeltoren, wijk 3/4
9. Noordeinde bij de RK-kerk, wijk 4/42
10.Noordeinde, hoek Wijdesteeg, wijk 4/48
11.Noordeinde, wijk 4/29
223
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
lantaarn bij de Waag
12.Noordeinde, wijk 4/69
13.Noordeinde, wijk 3/57
14.Noordeinde bij voormalige Noorderpoort, wijk 3/73
15. Bij de Grafelijkheidssluis, wijk 5/62
16.N.Z. Burgwal, wijk 4/176
17.N.Z. Burgwal, wijk 4/171
18.N.Z. Burgwal bij de Tuinstraat, wijk 4/157
19.N.Z. Burgwal (Krim), wijk 4/141
20.O.Z. Burgwal bij de Heerengracht, wijk 4/2
21. Rosendaal, wijk 1/45
22. Rosendaal, wijk 1/58
23. Bloemendaal, wijk 1/67
24. Bloemendaal bij de voormalige brug, wijk 1/73
25.Niessenoordburgwal bij de Isr. begraafplaats
26.Zuideinde, wijk 1/115
224
Pagina 224
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 225
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
lantaarn Kerkstraat/Smidsteeg
lantaarn Noordeinde
27.Zuideinde, wijk 1/124
28. Buitendijk bij de bokkingsteiger, wijk 1/121
30. Damsluis
31. Haven, wijk 3/126
32. Havenstraat hoek Lange Brugsteeg, wijk 3/105
33. Havenstraat bij de scheepswerf, wijk 3/91
34. Drilveld, wijk 3/82
35. Drilveld, wijk 3/83
36.O.Z. Burgwal, wijk 4/96
37.O.Z. Burgwal, hoek 3e Molensteeg, wijk 4/107
38.O.Z. Burgwal, hoek Wijdesteeg
39.O.Z. Burgwal bij ’t Wagenpad, wijk 4/117
40.Wezenland, wijk 2/49
41.Wezenland bij Doopsgezinde kerk, wijk 2/37
42.Niessenoortsteeg hoek, ged. Niessenoort Burgwal, wijk 1/87
43.Groote Noord, wijk 3/142
44.Gooische Kade, wijk 3/146
45. Langebrug
46.’t Zand, hoek Kalversteeg, wijk 2/55
47. Fluwelen Burgwal, hoek Smidsteeg, wijk 2/63
48. Lindengracht (Zonnepad), wijk 2/77
Op 6 september geeft de Raad aan welke lantaarns ’s nachts moeten blijven
doorbranden in de maanden mei tot augustus: de lantaarn bij de toren van de
Grote Kerk, bij de Kerkstraatbrug, de Speeltoren, Noordeinde bij Bakker, voor225
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 226
malige Noorderpoort, Stal van C. Nienhuis, einde Bloemendaal, Zuideinde/
GrooteNoord, Haven bij Glandorf, Binnendijk, hoek Wijdesteeg, Niessenoordsteeg bij de wed. W. Visser.
Daar komen nog bij voor de maanden september-april: de lantaarn midden in
de Krim, Zuideinde bij de Lutherse kerk, Havenstraat bij Heijnis, op het Drilveld, bij Jan Boerlage op de Binnendijk, Binnendijk hoek Wagenpad, op het
Wezenland, op de Langebrug en het Zand, hoek Kalversteeg.
Onvoldoende verlichting bij de haven
Zo is dan eindelijk in 1892 de straatverlichting weer geregeld, maar niet tot ieders tevredenheid. Op 8 december 1893 schrijven een kleine twintig inwoners
een brief aan B&W met de volgende inhoud:
‘Geven te kennen, de ondergetekenden, allen burgers dezer gemeente en voor
hunne zaken het eiland Marken bezoekende. Dat zij reeds meermalen des
avonds naar huis komende, de steg (aanlegsteiger) geheel met vaartuigen bezet
vonden, waardoor zij, om de wal te bereiken, genoodzaakt waren, bij een onvoldoende verlichting, over die vaartuigen te moeten klouteren, op ’t gevaar af, armen
of benen te breken of te water te vallen. Dat nog dezer dagen van de eerste ondergetekende (P. Witmond, caeg), toen de steg weder door vaartuigen ingesloten lag, een zak met manifacturen te water is geraakt, waardoor hij belangrijke
schade heeft geleden. Dat wat nu met kopwaar gebeurd is, ook hunnen personen kan overkomen en zij niet wenschen, tegen hun wil, in den winter een koud
bad te nemen. Weshalve zij u verzoeken zoodanige maatregelen te willen
lantaarn Fluwelen burgwal
226
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 227
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
lantaarn op de lange brug
nemen dat er steeds een plaats aan de steg openblijve, waar de Marker veerlieden hunnen passagiers en goederen kunnen laden en lossen, zonder hen aan gevaar bloot te stellen en tevens dat de steg bij hun aankomst des avonds voldoende verlicht worde’. Volgt ondertekening.
Varia
Op 23 juli 1895 vraagt Cornelis Bootsman aan de Raad of de lantaarn aan het
einde van de Binnendijk, voor zijn rekening, tien meter verder mag worden geplaatst. Er zal een onderzoek worden ingesteld. Eind juli komen Jacob Klaver
en Hendrik Winkel met een dringend verzoek een lantaarn te willen doen plaatsen op het midden gedeelte van ’t Zand. Het zal worden onderzocht. Op 20 augustus is er weer een verzoek om meer licht. Dirk Voogd en Pieter Klaver, bewoners van Bloemendaal, vragen om een lantaarn aan het einde van genoemde
gracht.
Nieuwe buizen
2 juni 1896 meldt de heer Blankevoort dat er in de Kerkstraat vanaf de Schoolsteeg tot aan de Speeltoren nieuwe gasbuizen in de grond moeten worden gelegd, hetgeen op enkele plaatsen langs en onder de tramweg moeilijkheden kan
veroorzaken. Hij moet contact opnemen met de gemeenteopzichter en ook
overleg plegen met de directie van de tramwegmaatschappij.
227
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 228
Lantaarns met gloeilicht
U las het al eerder, de gloeikousjes hadden hun intrede gedaan. De gasfabriekdirecteur is bereid, zo blijkt op 20 december 1896 om twintig straatlantaarns
van zulk gasgloeilicht te voorzien. De aanlegkosten daarvan bedragen f 7,50 per
lantaarn, waarvan f 2,50 voor rekening voor de aannemer. Het kost de gemeente
dus f 100,Nog voor 10 januari 1897 zullen de lantaarns met de nummers 3 ,4, 7, 10, 11, 14,
19, 37, 38 en 39 (de nummers corresponderen met de bovengenoemde lijst van
1892) van zo’n gloeikousje voorzien zijn. Na tien januari komen de lantaarns
nummers 22, 24, 27, 29, 31, 32, 34, 40,
42 en 46 aan de beurt.
Varia
30 november 1897 wordt besloten om
de lantaarn op de vesting voor het koffiehuis van Brinkkemper te verplaatsen naar het einde van Bloemendaal,
tegenover de woning van J. Lakeman.
Op 4 oktober 1898 worden opnieuw
tien lantaarns van gloeilicht voorzien.
Het gaat om lantaarns op de Binnendijk achter Harmen Kool, de Krim bij
F. Karmelk, de Burgwal bij J. Maas, de
lantaarn op het Zand
Lindegracht bij J.N. Steur, de Fluwelen burgwal bij G. Lenior, ’t Zandt bij H. Winkel, de Damsluis, Zuideinde, bocht
Lutherse kerk,’t Weezenland tussen Doopsgezinde kerk en H. L. Borgman.
3 april 1900 meldt de heer Blankevoort dat hij, vanwege de hoge steenkolenprijzen, genoodzaakt is om vanaf 1 april tot nader bericht de verschillende
gasprijzen met een cent te verhogen.
Op 16 december 1901 ontvangen B&W een brief van commissie van onderzoek
uit Hillegom. Deze Commissie onderzoekt in hun eigen plaats de verbetering
van de verlichting door gas. Om die reden vragen zij informatie aan Monnickendam, wat hun bevindingen zijn. De leden van de Commissie zouden ook
graag de gasfabriek eens komen bekijken.
228
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 229
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Kwajongensstreek
Op 12 januari 1904 worden de gasrekeningen over 1903 bekeken. De voorzitter
van de Raad merkt op dat volgens het meterbriefje in de Openbare School over
de maand augustus ruim 90 kubieke meter gas is verbruikt. Onderzoek heeft
aangetoond dat de leiding was doorgesneden, waardoor er een hoeveelheid gas
is ontsnapt. Een kwajongensstreek, maar niet ongevaarlijk, lijkt me zo.
In de vergadering van 6 september 1904 krijgt dhr. Blankevoort de door hem gevraagde vergunning om een nieuw retortenhuis (69 te bouwen op het door hem
genoemde perceel. Voorwaarde is wel ‘dat de inrichting voltooid en in werking
gebracht moet zijn voor 1 januari 1905’.
Blankevoort verlaat
Monnickendam
Twee maanden later, op 15 november, krijgt Nicolaas Blankevoort eervol ontslag als gemeente-architect ‘wegens verandering van werkkring en dientengevolge vertrek naar elders’. Blankevoort had die job op 1 januari 1899 gekregen,
als opvolger van dhr. J. van Leeuwen Azn tegen een salaris van f 300,- per jaar.
Zijn opvolger is de heer Martens (70)
Op diezelfde dag vraagt Blankevoort ook om ontheven te worden van zijn post
als brandmeester 1 van Spuit 1. Hij was ook secretaris van het college van brandmeesters, maar aan al die nevenfuncties kwam nu een eind.
Hoewel Nicolaas Blankevoort
eigenaar van de gasfabriek
blijft, vertrekt hij op 12 november met zijn vrouw en vijf kinderen de Frans Halsstraat in
Haarlem.
familie Blankevoort, vlnr Willem, Nico en Pieter en
Zijn zwager Pieter van Zalinge, neemt de leiding van de fabriek over en gaat wonen in het
directiewoonhuis aan de Heerengracht, wijk 4 nr. 138. Hij
vervult die functie totdat de
gemeente in 1917 de gasfabriek
overneemt.
moeder Grietje Blankevoort
229
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 230
Van Hattum en Blankevoort
Nicolaas had een oudere broer, Willem, geboren op 24 februari 1859 en een jongere broer Pieter, geboren op 9 februari 1862, beiden in Monnickendam.
Willem en zijn broer Piet, beiden aannemers, raakten betrokken bij een groot
waterleidingproject. Het plan was zo groots dat de broeders contact zochten
met de fa. van Hattum in Beverwijk om elkaar te steunen. Er werden degelijke
afspraken gemaakt.
Grote projecten volgden, zoals bijvoorbeeld de uitbreiding van station Haarlem
in 1903 en in dat zelfde jaar een tweede schutsluis in het Merwedekanaal bij
Utrecht. Al die werkzaamheden vroegen om meer kader. Daarom trad ook broer
Nicolaas in 1904 tot het bedrijf toe. In 1905 volgde de verbintenis met het aannemersbedrijf van Hattum. Ze gingen samen verder onder de naam van Hattum
en Blankevoort.(71).
In 1919 trokken Nicolaas en zijn broer Pieter zich terug uit het samenwerkingsverband. Wat Nicolaas betreft, had dat zeer waarschijnlijk te maken met gezondheidsproblemen. In mei 1910 had hij een ernstige operatie ondergaan, die
echter goed was verlopen. Maar zijn lichaam had wel zeer te lijden gehad.
Overlijden van Nicolaas Blankevoort en
zijn broers Willem en Pieter
In 1919 sterft op 7 oktober te Haarlem
Willem Blankevoort. Zijn vrouw, Johanna de Moes heeft hem 18 jaar overleeft, als ze op 27 augustus 1937, eveneens in Haarlem overlijdt.
Pieter, sinds november 1937, weduwnaar van Grietje Klaver waarmee hij in
1889 getrouwd was, overlijdt op 16 februari1946 in Bloemendaal.
Nicolaas woont vanaf 1922 nog enige
tijd in Heemstede, maar is weer naar
Haarlem teruggekeerd.
overlijdensadvertentie N. Blankevoort
230
In 1937 lijdt hij aan een hartzwakte en
heeft last van een behoorlijke bronchitis. De omstandigheden zijn wisselend, dan is hij weer wat beter, dan
weer verslechterd zijn toestand. Op 24
januari 1939 is zijn gezondheid van
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 231
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
dien aard, dat hij per auto op felicitatiebezoek bij zijn kinderen kan. Later in het
jaar gaat het echter niet meer zo goed. Nicolaas is bijna 78 jaar als hij op 26 juli
1939 op de Zonnekade 15 in Haarlem overlijdt en op de 29e onder grote belangstelling begraven wordt. Zijn vrouw, Elisabeth Klomp, was hem op 31 mei 1934
voorgegaan.
Varia
Op 28 mei 1907 vraagt de heer P. van Zalinge Jzn, om, met overlegging van de
vereiste tekeningen, op het terrein van de gasfabriek een houten loods te mogen
oprichten. Dat is akkoord, met inachtneming van de bepalingen der verordening op het bouwen en bewonen van woningen.’
31 oktober 1912 sturen een aantal bewoners van de Nieuwezijds Burgwal een
briefje naar B&W met het verzoek ‘wegens de aanbouw van zestien woningen
op genoemde Burgwal het noodzakelijk is geworden dat dier plaatse een gaslantaarn worde geplaatst. Dat adressanten vermeenen dat zulks gevoeglijk kan
geschieden door lantaarn nr. 27, staande aan het einde van de Molensteeg, te
verplaatsen’.
De gaskraan dicht
Begin 1916 werd Waterland getroffen door een grote overstroming. In de nacht
van 13 op 14 januari steeg het water van de Zuiderzee zo snel, dat dijkdoorbraken het gevolg waren. Vanwege het water in de straten van de stad was de gastoevoer afgesloten, zodat Monnickendam wekenlang zonder gasverlichting
zat. Na een nieuwe storm, halverwege februari, kon de gaskraan pas op 7 maart
weer open.
Opnieuw elektriciteit in beeld
Het kwam al eerder aan de orde, de elektriciteitsvoorziening had de aandacht
van het stadsbestuur. Op 23 november 1914 schrijft de Raad aan Gedeputeerde
Staten van Noord-Holland:
‘Door onze inlichtingen daartoe in staat gesteld, heeft de Kennemer Elektriciteits Maatschappij (K. E.M.) een rapport opgemaakt inzake elektrificering
onzer gemeente. Door die elektrificering is het volgens de maatschappij mogelijk een uitbreiding van de gasfabriek, waarvan de concessie in 1917 vervalt, en
het buizennet, tegen te gaan, welke anders noodzakelijk zou zijn.
Het gasdebet zal zich dan bepalen tot de straatverlichting, de kook- en verwarmingstoestellen en dat deel der particuliere verlichting, welke zich niet bij het
elektrische net aansluit.
De maatschappij meent dat het voordeliger zal zijn daarvoor het benodigde gas
van een grote fabriek te betrekken, dan het zelf te fabriceren, waardoor de ge231
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 232
meente uit de gas- en elektriciteitsvoorziening een, steeds toenemende bron
van inkomsten kan verkrijgen. Uit het rapport blijkt dat de gemeente, om in de
gasbehoefte van haar inwoners te blijven voorzien
1. of het gas zelf zal moeten fabriceren, hetzij het betrekken van een naburige
gasfabriek
2. of zal moeten zorg dragen voor distributie van de elektrische stroom door de
Maatschappij en gros aan de gemeente geleverd.
Voor dat het gemeentebestuur zaken zal doen met de K. E.M. zal er eerst een
deskundige commissie naar kijken.
Gasverordening
Terwijl er nagedacht wordt over het gaan gebruiken van elektriciteit in de stad,
wordt er op 21 december 1916 nog een verordening bekendgemaakt tot beperking van het gebruikt van gas in de gemeente Monnickendam.
Elektrische verlichting in de stad
Op 28 april 1917 komt het er dan toch van. De Raad besluit: ‘Overwegende, dat
het wenschelijk is over te gaan tot de elektrificatie van deze gemeente door aansluiting aan het hoogspanningsnet
van het Prov. Elektriciteitsbedrijf
van Noord-Holland (de P.E.N.) (72);
overwegende dat de gelegenheid
bestaat om dit net van koperdraad
gebouwd te krijgen;
gezien de door de heer Directeur
van het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland overlegde begroting van kosten van bovengrondsch net;
gelet op de bepalingen der Gemeentewet en in het bijzonder op
art. 194 dier wet
BESLUIT
a. op te richten een gemeentelijk
elektriciteitsbedrijf door aansluiting aan het hoogspanningsnet van
het Prov. Elektriciteitsbedrijf van
Noord-Holland
b. B&W te machtigen met het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf een
verordening gas
232
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 233
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
gebouw P. E.N.
stroomleveringscontract overeenkomstig het in 1914 door de K. E.M. ingediende concept af te sluiten voor de tijd van vijf en twintig achtereenvolgende jaren;
c. B&W te machtigen met hetzelfde Provinciale bedrijf een exploitatiecontract
af te sluiten, voorlopig voor den tijd van twee jaren;
d. de straatverlichting in de bebouwde kom der gemeente te doen plaatsvinden
door middel van elektrisch licht;
e. het Gemeentelijk Bedrijf in werking te doen stellen voor of op 1 Januari 1918
en
f. het bouwen van het plaatselijk net op te dragen aan het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland voor f 17.400,-, het leveren der elektriciteitsmeters der gewone lichtaansluitingen tegen f 15,- grootere meters tegen kostprijs
plus tien procent en het maken der huisaansluitingen (van koperdraad) tegen f
10,- per gewone aansluiting’.
Uiteraard moet er een goede overeenkomst worden opgemaakt die er, na wat
‘gesprek’ op onderdelen al snel komt.
Gratis lichtpunten
Om het gebruik te stimuleren wordt besloten dat alle ingezetenen die zich voor
1 juli 1917 voor aansluiting aan het plaatselijk electriciteitsnet aanmelden, drie
gratis lichtpunten of twee gratis lichtpunten, geheel compleet zullen krijgen.
Tijdens een openbare aanbesteding is het leveren van deze gratis lichtpunten
gegund aan de NV Electrotechnische Installatie Maatschappij, voorheen ’van
Vrede en Bais’ te IJmuiden. Een gewoon lichtpunt kost f 9,25 en twee lichtpun233
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 234
ten geheel compleet f 24,25. Waar bij het nemen van het leveringsbesluit nog
niet precies kon worden opgegeven hoeveel percelen er zouden worden aangesloten, blijken dat er op 9 augustus 477 te zijn. Dat heeft de verwachting ver
overtroffen en daarom wordt er besloten een lening aan te gaan van f 40.50,-.
Elke aansluiting kost de gemeente f 25,- waar nog eenzelfde bedrag bijkomt
voor de tariefmeters en de huisaansluitingen.
Het bedrijf komt op gang
De overeenkomst tussen de gemeente en de P. E.N, van 23 november 1917 is door
G.S. van Holland op 12 december goedgekeurd. De bijbehorende ‘Verordening
op de inrichting en het beheer van het elektriciteitsbedrijf der gemeente Monnickendam’ bestaat uit vijftien artikelen die het bedrijf in goede banen moeten
leiden. In die artikelen is er o.a. aandacht voor wie welke verantwoordelijkheden heeft en het te volgen financiële beheer. Als het bedrijf winst
maakt, wordt dat bedrag gereserveerd. Is er verlies dan wordt het verlies door de gemeente aangevuld.
muntgasmeter en
gasmuntje
Op 21 november 1917 ontvangt de
Raad een briefje van de P. E.N: ‘Ingevolge de met u afgesloten stroomleveringsovereenkomst hebben wij de eer
U beleefd mede te deelen dat de
stroomlevering aan uw gemeente op
15 november jl. een aanvang heeft genomen en verzoeken wij U beleefd
ons deze datum per aangetekend
schrijven te willen bevestigen. Ondertekend door de directeur van de
P. E.N., ingénieur électricien F.A.
Smit-Kleine. Die bevestiging volgt op
21 november. Zo gaat Monnickendam,
net als talloze andere gemeenten, een
nieuw tijdvak in.
Stroomstoring
Dat er ook toen al wel eens stroomstoringen waren, blijkt uit het notulenboek
van het weeshuis. Op 22 maart 1918 zal de installatie plaatsvinden van een
234
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 235
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
nieuw benoemde regent en regentes. Regent Oosterbaan, inmiddels op hoge
leeftijd, neemt na 21 jaar afscheid. Klaas Strubbe is zijn opvolger, terwijl regentes van der Zwaal wordt opgevolgd door mej. Lakeman-Klomp. Als het officiële
gedeelte voorbij is ‘worden er enige versnaperingen rondgedeeld en nuttige gesprekken gevoerd. Maar geheel onverwacht valt het licht uit en bevonden wij
ons in een zwarte duisternis. Na tevergeefsch op terugkeer van licht te hebben
gewacht, moesten we ’t verdere van de avond met een paar kaarsjes tevreden
zijn. In weerwil van het weinige licht werd toch nog eenige tijd gezellig gepraat
en werd tenslotte de vergadering met dankgebed besloten’. Leuk toch?
Het contract met Blankevoort loopt af
Hoe ging het ondertussen met de gasvoorziening? Op 1 juli 1917 loopt de
overeenkomst met dhr. Blankevoort af. De Raad staat voor een moeilijke keus:
de fabriek overnemen of verlenging van de concessie. En dat in het licht van de
elektrificatie van de stad.
Besloten wordt een adviseur in de arm te nemen. Het wordt voor een jaar de
heer J. H. Boeseman (73), directeur van de gemeentelijke gasfabriek in Enkhuizen aan de Oosterhaven en oud-directeur van de gasfabriek te Edam aan het
Oorgat. Hij krijgt voor zijn adviezen een honorarium van f 250,- zo wordt op 3
augustus 1917 genotuleerd.
De gasfabriek aangekocht door de gemeente
Op 29 juni 1917 blijkt echter, aldus de voorzitter, dat de Raad, reeds vroeger, in
een geheime zitting, in beginsel besloten had om, afgaande op een rapport dat
de heer Bakhuis, directeur van de gasfabriek in Den Haag destijds had uitgebracht, de gasfabriek van Blankevoort zo mogelijk over te nemen. Dat laatste
gebeurt. De gemeente koopt van dhr. Blankevoort de gasfabriek met loodsen en
toebehoren, benevens de woning met erf, het buizennet en alle roerende goederen, met uitzondering van de kolenvoorraad, cokes en ammonia, voor 20.000
gulden. Een lening van f 21.000 op 21 juni 1917 maakte de betaling mogelijk.
Afgesproken wordt dat Blankevoort de fabriek tot eind van het jaar 1917 zal blijven exploiteren onder de in 1892 afgesproken voorwaarden. Per 1 januari 1918
zal de fabriek dan definitief overgaan naar de gemeente.
Personeel voor de gasfabriek
De gemeente moet nu de gasfabriek runnen. Om de fabriek draaiende te houden is bekwaam personeel nodig. De Raad zet daarom een advertentie voor een
gasmeester die de technische leiding van de fabriek zal krijgen. Het wordt de
heer Johannes Zweers te Heusden (74), die op 23 november door de Raad wordt
benoemd als gasmeester van de gasfabriek. Hij begint zijn werk op 1 januari
235
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 236
5e van links de heer Zweers
1918 en krijgt f 1100,- per jaar salaris met vrij wonen in de dienstwoning aan de
Herengracht (75), met een pensioengrondslag van f 1250,-. Een jaar later wordt
zijn salaris met f 100, - verhoogd.
Er werd nog meer personeel aangetrokken. Dhr. Andries de Wijs, ook werkzaam
tijdens de periode Blankevoort, wordt, samen met twee andere stokers, A. Borst
(76) en F. Verhagen (77), per 1 januari 1918 aangenomen, zo heeft de Raad op 29
december 1917 beslist.
De heren De Wijs, Borst en Verhagen hadden kort daarvoor gezamenlijk een
brief aan B&W geschreven:
‘daar de overgang van de Gasfabriek van de heer N. Blankevoort aan de Gemeente Monnickendam eerdaags zal plaats
hebben, en wij met 1 januari 1918 buiten betrekking geraken, wenden ondergetekenden zich hiermede tot het
Gemeentebestuur, met het beleefd
verzoek, om ons, in onze bestaande
functiën aan de gasfabriek te willen
handhaven. Informatie over ons wil
handtekeningen werkers in de fabriek
236
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 237
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
den tegenwoordigen beheerder U
gaarne verstrekken. In de hoop op een
gunstig antwoord van U te mogen
ontvangen’, volgt
ondertekening. Hun verzoek is gehonoreerd. Het waren ervaren mensen
en dat was, denk ik, belangrijk voor
de gemeente.
Op 11 december 1918 schrijft de heer
Zweers een briefje aan het gemeentebestuur: ‘Door de tijdsomstandigheden gedwongen kom ik namens het
Personeel der Gemeente Gasfabriek
met een beleefd verzoek tot u om
loonsverhoging. Hopend op een gunstig antwoord’
Zijn briefje heeft geholpen want de
personeelsleden krijgen, zoals u hieronder leest, het jaar daarop allemaal
een loonsverhoging van f 100,werkbriefje A. Borst
Andries de Wijs ( u las zijn naam al
eerder) had in 1918 een salaris van f 850,- gulden. Een jaar later is daar f 100,- bij
gekomen. Van dat salaris betaalde hij jaarlijks 8% pensioenbijdrage.
Personeel voor het Gemeentelijk Elektriciteits Bedrijf (G.E.B.)
Ook het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf had mensen nodig. Op 20 december
1919 wordt Jacob Bakker (78) tot lijnwerker benoemd.
Als administrateur van het G. E. B. wordt Jan Bootsman aangesteld, geboren op
29 oktober 1892. Op 1 januari 1924 krijgt hij eervol ontslag en gedurende anderhalf jaar, dus tot 1 mei 1925 wachtgeld.
Elektrisch licht in de kerk
Eerder in dit verhaal las u, hoe de grote kerk zondags en op doordeweekse avonden door gas en gasgloeilicht werd verlicht.
Het is Ds. J. H. Vaandrager, sinds 1922 Hervormd predikant in Monnickendam,
die in september 1922 tijdens een vergadering van kerkvoogden en notabelen
vraagt, of het niet goed zou zijn het kerkgebouw elektrisch te gaan verlichten.
Maar hij vindt geen gehoor. Pas zeven jaar later, op 27 september 1929, wordt
het besluit genomen om de grote kerk van elektrisch licht te voorzien. Jacob
237
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 238
Stam deelt mee dat de aanleg ervan ongeveer 350 gulden zal bedragen. Het was
een hele vooruitgang, zeker ook vanwege het gemak dat er bij kwam kijken. Dat
een en ander door de jaren die volgden verbeterd is, moge duidelijk zijn.
Pieter van Zalinge
Belangrijk voor de energie-voorziening is ook Pieter van Zalinge (79). In
een briefje d.d. 10 januari 1918 schrijft
hij: ‘Hiermede hen ik de eer U mede te
mogen delen dat ik de benoeming
voor het beheer van Gas en Elektriciteit volgens Uw Raadsbesluit van 29
december gaarne aanvaarden wil,
dankzeggend voor het vertrouwen in
mij gesteld’. Hij heeft de aanstelling
maar drie maanden volgehouden,
want op 18 februari volgt een tweede
brief: ‘Hoewel nog onder de indruk
van het vertrouwen door U in mij gesteld, kom ik thans tot U met het beleefd verzoek, mij met 1 maart a.s. van
de functie als administrateur van het
gas en elektrisch bedrijf te willen ontPieter Jansz van Zalinge
heffen. Daar het Elektriciteitsbedrijf
in wording is, eischt dit naar mijn mening een flinke kracht voor dit beheren en
voel ik mij, op mijn leeftijd, daar niet meer toe geschikt. Tot mijn leedwezen
richt ik dit verzoek tot u, maar meen het in het belang der goede zaak te moeten
doen’.
Overeenkomstig een besluit van de gemeenteraad krijgt hij op 1 april 1918 eervol ontslag als administrateur van zowel de gasfabriek als het gemeentelijk
electriciteitsbedrijf.
Pieter van Zalinge was ook secretaris/boekhouder van het Burgerlijk Armbestuur. Hij vertrekt naar Apeldoorn, woont in bij zijn dochter Grietje van Zalinge, in 1910 in Monnickendam getrouwd met notaris Cornelis Knook uit Fijnaart
en overlijdt aldaar op 25 november 1937, 85 jaar oud. Pieter wordt begraven in
het familiegraf op de begraafplaats van de Hervormde gemeente, waarin ook
zijn vrouw in 1917 en een twaalfjarige dochter in 1892 een plekje hadden gekregen.
Hoe de gasfabriek de eerste jaren heeft gedraaid is niet duidelijk. De 1e Wereld238
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 239
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
oorlog was gaande en hoewel Nederland neutraal bleef, zullen economische gevolgen niet uitgebleven zijn.
Een verzoek uit Den Haag van het bestuur der verenigde gasfabrikanten in
Nederland ‘tot het verlenen van een
jaarlijkse subsidie ter bestrijding van
koolen, van werkzaamheden en bemoeingen welke strekken ten bate
van de gasbedrijven’ wordt afgewezen.
Het gaat niet goed met de gasfabriek
De exploitatie van gasfabriek na de 1e
Wereldoorlog staat sterk onder druk,
omdat het verbruik te wensen overlaat. Nee, het gaat niet goed met de
gasfabriek. Als in 1922 de winst- en
grafsteen fam. Van Zalinge
verliesrekening van zowel het elektriciteitsbedrijf als het gasbedrijf worden opgemaakt, blijkt de eerste een winst
gemaakt te hebben van f 1816,43 maar kent het gasbedrijf een verlies van f
3057,50. Daarom treedt het stadsbestuur in overleg met Edam over leverantie
van gas door de gasfabriek aldaar. Allerlei voorstellen passeren de revue.
Het Provinciaal Bestuur bericht op 2 januari 1924 dat een overeenkomst met
Edam geen verlaging van de kosten met zich meebrengt en dat een overeenkomst wordt afgeraden, tenzij op een bepaald moment de eigen Monnickendamse capaciteit te laag zou zijn. In dat geval zou Edam het tekort kunnen aanvullen.
De gasfabriek in Edam (80)
De Edamse gasfabriek lag aan het Oorgat, een goed bevaarbaar water, belangrijk
voor de aanvoer van steenkool. De fabriek is in 1863 gebouwd door de Hilversumse civiel ingenieur Jan Hendrik van Kooten. In 1868 werd voor het eerst gas
geleverd. Het zal aan het Oorgat een klein fabriekje zijn geweest, waar de mensen hard gewerkt hebben om de kolen met handkracht uit de schepen te lossen.
Met lorries en/of kruiwagens werden de kolen naar de ovens gebracht. Opslag
van het verkregen gas was nauwelijks aanwezig en het verbruik van de gaslantaarns, zowel van de straatverlichting als van de openbare gebouwen en woningen was voor onze begrippen laag.
De gemeenteraad van Edam was er niet zo gelukkig mee, dat de gasproductie in
239
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 240
gasfabriek Edam
handen was van particulieren. Er werden besprekingen gevoerd om daar op termijn veranderingen in aan te brengen. In 1887 werd de gasfabriek door de gemeente aangekocht voor f 10.000,- waardoor deze vanaf 1 januari 1888 eigenaar
was van de rechten, de grond en de gebouwen. Twee jaar eerder had de gemeente de straatverlichting uitbesteed aan de gasfabriek, die tot 1952 heeft bestaan.
In augustus 1952 besloot de gemeenteraad toe te treden tot het gasbedrijf Zaanstreek-Waterland, waarna niet lang daarna de fabriek aan het Oorgat werd afgebroken.
Terug naar Monnickendam
De administratie van de gasfabriek werd op 1 januari 1924 overgedragen aan de
gemeente-ontvanger, Jan Mol (81), tegen een jaarwedde van f 300, Maar ondanks de inzet van deze ongetwijfeld bekwame gemeenteontvanger,
werd het verlies van de gasfabriek elk jaar groter. In 1926 verloor het bedrijf op
elke kubieke meter gas 8 cent. Dat werd mede veroorzaakt door een staking in
Engeland, waardoor men gedwongen was om dure Duitse kolen te kopen, maar
waaruit men maar weinig gas kon produceren.
Het stadsbestuur keek rond of er gegadigden waren die de gasfabriek over zouden willen nemen. Maar noch de Ned. Continental Gas Mij, de Mabeg in Urecht,
de Ned. Indische Gasmij te Rotterdam of de Noorse Gas Mij te Den Haag zagen
240
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 241
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
iets in het noodlijdende bedrijf van Monnickendam. Ook contact met de gasfabriek van Amsterdam haalde niets uit. Daarom werden er opnieuw onderhandelingen met Edam gevoerd.
Moeilijke positie
Hoe moeilijk de gemeentegasfabriek van Monnickendam het had, blijkt bv. op
21 juni 1927. In een vergadering van de lichtcommissie wordt de toestand van de
fabriek besproken. ‘Eene blijvende expoitatie der bestaande fabriek wordt ondoenlijk gevonden, de kosten van interest en afschrijving voor ovenbouw, verbouwing, nieuwe gasketel, buizennet etc, gevoegd bij de bestaande kosten,
moeten een groot verlies blijven opleveren’. De directie van de gasfabriek dringt
daarom aan op een overeenkomst met Edam.
De Raad stuurt opnieuw een brief naar Edam met het verzoek om ‘billijker
voorwaarden dan destijds (verwezen wordt naar de concept overeenkomst d.d.
22 mei 1923) werden aangeboden. Met het oog op de toestand van de Monnickendamse gasfabriek, wordt aangedrongen op een spoedig antwoord.
Op 10 oktober 1927 komen vertegenwoordigers van Edam en Monnickendam in
het stadhuis bijeen voor een nieuw, intensief overleg. Gesproken wordt over een
looptijd van 25 jaar, de levering, de prijzen. Ook leverantie aan Katwoude komt
aan bod. Edam is bereid het buizennet over te nemen en ook de meters, maar
niet het personeel van de Monnickendammer gasfabriek.
Geen doorbraak
Ook dit gesprek levert echter geen echte doorbraak op in de ontstane impasse.
Ondertussen heeft het Gemeentebestuur op 10 maart 1928 de Vereniging van
Nederlandsche Gemeenten (advies- en organisatiebureau voor gemeentebedrijven) om advies gevraagd. Een antwoord volgt op 29 maart dat echter voor
het gemeentebestuur niet echt soelaas biedt. Er zijn wel wat wijzigingen in het
Edamse voorstel aangebracht, maar het leidt nog steeds niet tot een werkbare
overeenkomst.
Op 23 april gaat er een ‘brandbrief’ naar G.S. van Noord-Holland: ‘Herhaaldelijk
wordt door ons bij Edam op spoed aangedrongen tot het sluiten van een overeenkomst te geraken, temeer ook daar onze fabriek in zodanige toestand komt te
verkeren, dat plotseling stopzetten van gasleverantie niet uitgesloten is’.
U ziet, de nood was hoog. Het is niet ondenkbaar dat Edam opzettelijk lang
wachtte met een nieuw voorstel, om een zo gunstig mogelijke onderhandelingspositie te verkrijgen. Maar een spreekwoord zegt: wie het onderste uit de
kan wil hebben krijgt het lid op de neus. Het lijkt me toe dat dat van toepassing
is op de besprekingen tussen Monnickendam en Edam. Wel waren er op 8 mei
241
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 242
1928 door het gemeentebestuur van Edam een aantal veranderingen aangebracht in een soort concept-overeenkomst, verband houdend met opmerkingen
en voorgestelde wijzigingen die door Monnickendam waren geuit, maar tot definitieve afspraken was het nog steeds niet gekomen.
Gas uit Purmerend
Plotseling is er een nieuwe ontwikkeling. Op 20 juli 1928 komt er een brief van
de gemeente Purmerend over gaslevering door het hoogovenbedrijf te Velsen,
waar zij gas van betrekken.
Met het gemeentebestuur van Purmerend wordt geheim overleg gevoerd, om te
zien, of er via die weg een voordeliger aanbod is. Dat blijkt inderdaad het geval
op 14 september, gevolgd door een verdere uitwerking op 8 en 17 oktober, doet
Purmerend een aanbieding die in Monnickendam met twee handen wordt aangegrepen. Op 23 oktober gaat er een brief naar Purmerend met de volgende inhoud: ‘In een donderdag jl. gehouden geheime vergadering van de gemeenteraad is in behandeling genomen uw aanbieding tot het leveren van gas aan deze
gemeente op basis van distributie, vervat in uw brieven van 8 en 17 oktober jl.
Met algemene stemmen besloot de Raad in principe bereid te zijn op uw aanbod
in te gaan’.
Dat besluit wordt, dezelfde dag nog, meegedeeld aan het stadsbestuur van
Edam, waar dat wel met gemengde gevoelens zal zijn ontvangen, zo is mijn inschatting.
Maar het Stadsbestuur van Monnickendam ziet plotseling een weg om uit de
slechte economische omstandigheden te geraken.
Purmer
De volgende stap is het overleg met het dagelijks bestuur van het Waterschap
‘de Purmer’ vanwege de noodzaak om een gasleiding vanuit Purmerend, via de
Purmer, naar Monnickendam te leggen. Het Waterschap geeft toestemming
voor een persleiding, mits de bewoners van de wegen waarlangs de leiding zal
worden gelegd in de gelegenheid worden gesteld hiervan ook gas te betrekken
op dezelfde voorwaarde als de bewoners van Monnickendam, aldus een brief
van 15 maart 1829.
Voor er een definitief besluit is genomen om met Purmerend in zee te gaan,
komt er een verzoek binnen van de directie van de NV Nederlandsche Continental Gasmij te Oosterbeek betreffende overname van de gasfabriek van Monnickendam als de onderhandelingen met Edam niet door zouden gaan. Maar Oosterbeek is te laat, de onderhandelingen met Purmerend zijn al in een ver gevorderd stadium.
242
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 243
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Laatste poging van Edam
Op 23 juli 1929 doet Edam nog een laatste poging om met Monnickendam verbonden te raken. In een eerder gesprek hadden zij gemeend aangetoond te hebben, goedkoper te zijn dan Purmerend. En, niet onbelangrijk, de fabrieksbaas
van Edam heeft om zijn ontslag gevraagd, waardoor de weg vrij zou komen, om
de gasmeester van Monnickendam aan te nemen als zijn vervanger.
Maar het is te laat. Op 12 augustus 1929 schrijft de Raad aan het bestuur van
Edam dat Monnickendam definitief met Purmerend in zee gaat. Men had weinig keus. De kolen werden alsmaar duurder, terwijl de inkomsten sterk achter
bleven. Bovendien was het in februari 1929 bar koud en moesten er extra kosten
gemaakt worden om kolen te krijgen. De opbrengt uit gaslevering bedroeg in
1929 f 2800, - minder dan in 1928.
Gasfabriek gesloten; personeel ontslagen
Vier dagen later wordt aan Edam geschreven dat het overleg definitief wordt gestopt. Op dezelfde datum, 16 augustus worden beide beslissingen meegedeeld
aan G.S. van Noordholland.
Op 29 augustus 1929 is de overeenkomst (19 artikelen) met Purmerend rond en
wordt de overeenkomst door beide partijen ondertekend.
Een en ander loopt zo voorspoedig, dat de gemeenteraad op 16 mei 1930 kan besluiten om de gasfabriek van Monnickendam per 1 juni van dat jaar te sluiten.
Alle bezittingen van de gasfabriek worden verkocht.
Het voltallige personeel wordt ontslagen. Gasmeester J. Zweers wordt met
f 6000,- afgekocht en krijgt op 1 juni 1930 eervol ontslag. Bovendien krijgt hij over
een periode van 6 jaar en 8 maanden wachtgeld. Dat is eerst f 2170 per jaar, maar
zal terugvallen tot f 1726 per jaar. Hij vertrekt op 14 juni 1930 naar Amsterdam.
Fitter Andries de Wijs wordt eveneens afgekocht. Op 13 november schrijft hij
een briefje waarin hij het gemeentebestuur vraagt de toegezegde f 2500,- bij afkeuring en f 3000,- bij goedkeuring. Hij wordt ongeschikt verklaard voor zijn
baan met de aantekening dat zijn ziekte niet het rechtstreeks gevolg is van de
uitoefening van zijn dienst. Bij zijn eervol ontslag op 15 mei 1930 krijgt hij derhalve het lagere bedrag f 2500,Stoker Borst schijft op 13 november 1929 een soortgelijk briefje: ‘Volgens ons
onderhoud over de wachtgeld regeling, zou ik gaarne de afkoopsom ineens
hebben en wel bij afkeuring f 3000,-, zo ik goed gekeurd mag worden f 4000,Op 13 februari 1930 krijgt hij te horen dat ‘de Raad hem voor verdere waarneming van zijn betrekking ongeschikt acht maar dat zijn ziekte niet het rechtstreeks gevolg is van het uitoefenen van zijn dienst. Als hij per 15 mei 1930 eervol ontslagen wordt krijgt hij geen 4000, maar f 3000,- gulden mee.
243
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 244
Dhr. J. Mol wordt op wachtgeld gesteld en P. Hogetoorn krijgt een plek bij de
gemeente-reiniging.
De elektriciteitsvoorziening
Eindelijk was het gemeentebestuur van het verlieslijdende gasbedrijf af. Maar
hoe zat met de elektriciteitsvoorziening van de stad?
Het gemeenteverslag over 1930 meldt dat de politie elke avond de straatverlichting controleert om te voorkomen dat zich, door onvoldoende verlichting, ongelukken zouden kunnen voordoen. Dat zal de volgende jaren zo blijven. Maar
er gaat wel wat veranderen.
Op 7 mei 1931 wordt het overnamecontract getekend waarbij de gemeente het
complete laagspanningsdistributienet, met inbegrip van het straatverlichtingsnet, armaturen, aansluitingen, elektriciteitsmeters, gereedschappen, het
kassaldo, banksaldo, vorderingen etc. aan de Directie van het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf Noord-Holland, de P. E.N. Zij zullen in het vervolg de stadsverlichting gaan verzorgen. Hier volgen een paar belangrijke bepalingen uit de
overeenkomst:
overnamelijst van de gemeentelijke electr. bedrijven
244
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 245
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
art. 1. De Provincie (de PEN dus) neemt de zorg op zich voor de elektrische
straatverlichting binnen de gemeente, waaronder verstaan wordt het onderhoud van het bestaande straatverlichtingsnet en de aansluitingen der lantaarns
en eventueel het onderhoud van de op het straatverlichtingsnet aangesloten
lantaarns en lichtpunten, benevens de levering van de voor de openbare straatverlichting benodigde elektrische energie, op de in deze overeenkomst vervatte
voorwaarden
art. 2. De Provincie heeft het recht tot het leggen, maken, hebben, herstellen,
verwijderen van leidingen en andere voor de straatverlichting nodige werken
op, over, in, van en uit de aan de gemeente toebehorende wegen, straten, wateren en andere eigendommen.
De richting en de plaats dezer leidingen en werken worden door de Directie in
gemeen overleg met B&W van de gemeente vastgesteld
De artikelen 3 en 4 gaan over het onderhoud, met onder art. 4 de bepaling dat
defecte lampen en smeltzekeringen door de gemeente worden uitgewisseld; de
kosten daarvan, waaronder de aanschaf van nieuwe lampen en zekeringen
komt voor rekening van de gemeente.
Art. 5 gaat over de tarieven. De gemeente betaalt ieder jaar voor elk bovengronds aangesloten lichtpunt
f 6,50 en voor een ondergronds f 9,- Deze vergoedingen vervallen als de lantaarns het eigendom zijn van de gemeente.
Om de elektriciteit op te wekken zijn kolen nodig. Ook daarover worden afspraken gemaakt. Die kolen komen van de staatsmijnen Wilhelmina, Hendrik en
Emma in Limburg.
Volgen er nog wat artikelen over schade, storingen etc. waarbij wordt genoemd
dat de gemeente regelmatig controle zal uitoefenen op de straatverlichting.
Alle lantaarns zullen vanwege de provincie genummerd worden om een eventuele storing gemakkelijk te kunnen doorgeven.
In de Gemeentelijke Elektriciteits Bedrijf werkte al heel wat jaren assistentlijnwerker J. Stam. Vanwege overdracht van het G. E. B. aan de gemeente NoordHolland krijgt hij op 1 augustus 1931 eervol ontslag.
Het buitengebied
Ook buiten de stad komt, zij het nog op bescheiden schaal, een ‘netwerk’. Op 4
februari 1931 wordt gesproken over een bovengronds laagspanningsnet langs
de Purmerenderweg voor de stroomlevering aan twee percelen en idem in de
Monnickemeerpolder voor de aansluiting van vijf percelen. Elke aansluiting
krijgt twee lichtpunten en een stopcontact.
245
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 246
Het bovengrondse net langs de Kloosterdijk zal worden vervangen door een ondergronds net, in plaats van het verbeteren van het bovengrondse.
Ook komt er een lantaarn voor de verlichting van de Kloosterbrug en aan de
Purmerenderweg bij de viersprong.
Gedeeltelijke sloop gasfabriek
Ondertussen heeft de sloop van een deel van de oude gasfabriek plaats, met
name de voormalige stokerij en loodsen. De directeur der Technische Gemeentebedrijven Purmerend, belast met gas en elektriciteit, vraagt op 6 november
1931 of het mogelijk is ‘om de toegang naar het meter- en regulateurgebouwtje
te doen verbeteren door het aanbrengen van een bestrating’. De gasfabriek zelf
vindt z’n einde in 1950.
Nieuwe contracten
Als een en ander een jaar of vijf gedraaid heeft, volgt er op 20 februari 1936 een
nieuw straatverlichtingscontract tussen de PEN en de gemeente Monnickendam, dat voor het stadsbestuur ca. f 400,- voordeliger uitpakt. Wel is de kolenprijs behoorlijk gestegen. Die ligt boven f 8,50 per ton
Op 5 april 1940, net voordat de tweede Wereldoorlog uitbreekt, wordt een vernieuwd contract met de P. E.N. in Bloemendaal afgesloten.
Over de straatverlichting (want daar gaat het in dit artikel immers vooral om)
wordt gezegd dat de provincie die zorg op zich neemt. Het gaat om aanleg, onderhoud, van de aansluitleidingen naar en van de lichtpunten, benevens de levering voor de straatverlichting benodigde elektrische energie. Onder lichtpunten worden verstaan: lantaarns op paal, wandarmen, overhanglampen.
Het zijn de ‘lichtpunten’ in de stad tot op vandaag, zij het dat er gedurende de
voorbije 65 jaar de nodige modernisering heeft plaatsgevonden. En of straatverlichting in de huidige vorm zo blijft, zal de tijd leren. De ontwikkeling van de
(verlichtings)techniek gaat zo snel dat er vast nog heel wat veranderingen op
komst zijn.
Ik vermeld voor de volledigheid de oprichting van het gasbedrijf ZaanstreekWaterland in 1951, een samenwerkingsverband tussen een groot aantal NoordHollandse gemeenten, waaronder ook Monnickendam. Gas werd ingekocht bij
Hoogovens IJmuiden. Het gasbedrijf is in 1973 opgeheven.
Aardgas
Op het gebied van gas was er een ontwikkeling die een aantal van ons zich nog
wel herinneren.
Op 17 juni 1948 was er bij Coevorden op 2785 meter diepte een aardgas vondst,
geëxploiteerd door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (N.A.M.). Maar meer
246
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 247
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
in de herinnering is wellicht de ontdekking van de grote aardgasbel bij Slochteren. In 1963 werd de Nederlandse Gasunie opgericht.
Laatste notities
Wat betreft de ontwikkelingen met de P. EN. Op 22 oktober 1955 komt de straatverlichting op de agenda van de Gemeenteraad. Opgemerkt wordt dat op verschillende plaatsen binnen de bebouwde kom verbetering van de straatverlichting dringend nodig is. Gedacht wordt om de 99 lichtpunten in de bebouwde
kom te vervangen door 199! lichtpunten met TL-buizen. De P. E.N. kan nog geen
bedrag noemen dat daar mee gemoeid is, maar heeft wel een opgaaf van de gemiddelde kosten per lantaarn bij gebruik van TL-buizen. De gemeente berekent
dat dan de jaarlijkse lasten, tot dusver ongeveer f 5800,- dan ongeveer f 7200,zullen bedragen. Maar, zo redeneert men, voor de gemeente Monnickendam,
met haar vele grachten en kaden en met haar bedrijvigheid – ook bij avond en
nacht – in de visrokerijen, vereist de openbare veiligheid een belangrijke verbetering van de straatverlichting. U merkt, een heel ander geluid dan halverwege
de 19e eeuw!
‘Uit de demonstratie van het P. E.N. op 21 oktober j.l. is u wel gebleken dat de
TL-verlichting een zeer goede oplossing zal betekenen’.
Mei 1956 is er een kostenraming van de P. E.N. voor 190 lantaarns, waarvan 104
binnen de bebouwde kom en 51 in het ‘buitengebied’ waaronder de Purmer,
Oosterweg, Oudelandsdijkje, Monnickenmeer en Overleek. Totaal gaat het om
een bedrag van ruim f 5100,In 1958 komt er ook aandacht voor de veiligheid op de provinciale weg Broek in
Waterland – Edam. Er is veel gevaar voor de wielrijders vanwege het ontbreken
van verlichting bij oversteek gelegenheden. In 1959 wordt een en ander verbeterd.
Permanente verlichting op de Langebrug komt 16 maart 1967 aan de orde. Op de
begroting van dat jaar wordt bovendien geld uitgetrokken voor feestverlichting
ter bevordering van het toerisme.
Daarmee sluit ik het verhaal over de straatverlichting af. Lang niet alles wat over
dit onderwerp na 1811 is opgeschreven, heb ik in dit verhaal kunnen verwerken.
Maar wat U las geeft een indruk van wat door de eeuwen heen gedaan is om
Monnickendam tot een ‘verlichte’ stad te maken. De huidige bewoners kunnen
zelf beoordelen of de lichtvoorziening in hun stad voldoet aan de eisen van deze
tijd.
247
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 248
Besluit
Het was een lange weg van de 17e naar de 20e eeuw. Via kaarslicht, olielampen,
gaslantaarns en gloeilampen kwamen we in het ‘heden’. Vergelijken wij ons
leven met dat van onze verre voorouders, die met kaars en olielamp hun weg
door de duisternis moesten zoeken, dan is de conclusie zeker gewettigd, dat de
gunstige ontwikkeling van het economische leven voor een belangrijk deel
mede te danken is aan de moderne lichttechniek. Was de wereld eeuwenlang in
het donker gehuld, vandaag laten satellietfoto’s gebieden zien (Noord-Amerika, West-Europa) waar het altijd licht is’. Zoveel licht zelfs dat er gesproken
wordt over lichtvervuiling! Regeringspartijen dringen aan op duurzamer
straatverlichting die op een aantal plaatsen eerder uitgaan. Zonder dat dat overigens ten koste mag gaan van de verkeersveiligheid. Maar onze voorouders
hadden daar geen weet van.
Het moet gezegd, het stadsbestuur van Monnickendam liep meestal niet voorop als het ging om veranderingen. Dat zal dikwijls veroorzaakt zijn door gemis
aan financiële armslag (de 19e eeuw staat bekend als een eeuw van armoede)
maar m.i. soms ook wel eens door gebrek aan visie en durf en misschien wel vanwege persoonlijke controverses.
Tijdsomstandigheden echter ‘dwingen’ soms tot het maken van keuzes, waar je
op een later tijdstip alleen maar dankbaar voor kunt zijn.
Het gaat in dit artikel over ‘licht in de duisternis’ Dat heeft in mijn denk- en belevingswereld normaliter een geestelijke dimensie, maar mag het verhaal in dit
jaarboekje op een andere manier ‘lichtgevend’ zijn.
Reacties en aanvullingen kunt u mailen naar: cae-grootAzonnet.nl
Actualiteit
Tijdens het schrijven van dit verhaal kreeg ik artikelen uit het Noord-Hollands
Dagblad onder ogen met het verhaal dat het terrein, waar voorheen de gasfabriek van Monnickendam heeft gestaan, sterk is verontreinigd. Ruwweg de
grond tussen de huidige Tuinstraat, de Burg. Versteegstraat en de Nieuwezijds
Burgwal. Na de sloop van de fabriek, zo rond 1950, zijn er op het terrein huizen
gebouwd, zonder dat de grond is gesaneerd. Bodemonderzoek heeft sterke verontreiniging van de grond en het grondwater aangetoond. Dat stemt overeen
met de bevindingen in Enkhuizen. In 2002 werd daar begonnen met de sloop
van de gasfabriek, waarna in 2003 de grondsanering een aanvang nam, zo lees ik
248
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 249
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
op de site van Oud-Enkhuizen. Er werden teerputten aangetroffen die in de
loop van dat jaar zijn geruimd. Men ging diep, zeer diep, zelfs tot zo’n acht
meter. De erfenis van het verleden werd per schuit afgevoerd.
Ook Purmerend heeft een paar jaar geleden zo’n sanering van haar gasfabriek
gekend, zo leren sommige internetsites.
Midden vorige eeuw was men, zo kort na de 2e Wereldoorlog, volop bezig met
de wederopbouw van ons land. Milieugroepen waren een onbekend fenomeen
en de kennis omtrent vervuilde grond had op geen stukken na het niveau als
vandaag.
Gelukkig heeft het ministerie van V. R.O.M. de sanering van voormalige gasfabriekterreinen hoog op de agenda staan. Mogelijk kan ook Monnickendam
daarvan profiteren.
Bronvermelding
Algemeen:
* Geschiedenis der gasverlichting in Nederland, 1809-1850, Dr. Ir. J. Mac Lean, Walburg Pers,
Zutfen, 1977
* Van toen naar nu, D. Kerssens, Zaandam
* Een halve eeuw PEN, 1917-1967
* Nederland, honderd jaar geleden. L.A. van Heiningen, Elmar, Rijswijk.
* Het licht der Lamp-Lantaren, Kleine geschiedenis van de straatverlichting, H. Besselaar,
Eindhoven, Eidor 1969
249
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 250
* Het oude licht, Antoinet van de Linde, Bura boeken, Eindhoven 1980
* Monnickendam in Waterland, Addy van Overbeeke, stichting Matrijs,Utrecht 2005.
* Van Monnikenwerk naar Parochiekerk, eigen
uitgave van de Antoniusparochie, 2000.
* Herinneringen aan Oud-Monnickendam, J.
Veltrop, 1975
* Rondom het grote orgel van Monnickendam,
dl. 1-8, G. Verloop, Schagen
* Internetpagina’s op trefwoord.
Bronnen Monnickendam voor 1814:
* Vroedschapresoluties 1623-1795
* Memorialen van de burgemeesters, 1692-1795
* Resoluties van de Representanten van het
volk, van de Municipaliteit en de Raad, 17951811
* Stadsrekeningen 1674-1813
* Inkomsten en uitgaven van de kerkvoogdij
van de Gereformeerde gemeente 1607-1811.
Bronnen Monnickendam na 1814:
* Notulen van de vergaderingen van de Gemeenteraad Monnickendam en B&W 1814-1943
* Ingekomen en uitgaande brieven van het gemeentebestuur
* Gemeenteverslagen Monnickendam 1889-1935
* Rekeningen van inkomsten en uitgaven van de gemeente Monnickendam
* Instructies voor de ambtenaren, in dienst van de gemeente Monnickendam
* Persoonsdossiers van gemeentepersoneel1892-1943
Dank aan:
de medewerkers van het Waterlands archief, Purmerend
mevr. J.S. D. Blankevoort – van der Lem
dhr. G. J. Kater
dhr. A. van Zalinge
dhr. E.C. de Vries van Oud-Enkhuizen
informanten van de diverse genealogische groepen op Internet
250
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 251
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Noten
1. * Deze bijdrage aan het jaarboekje 2008 gaat over de straatverlichting van Monnickendam
vanaf ca. 1690 tot halverwege de 20e eeuw. Het verhaal is over vier (energie)perioden verdeeld:
I. Kaarsen, II. Olie, III. Gas en IV. Elektriciteit. Elk deel begint met een stukje geschiedenis,
waardoor de ontwikkelingen van de lichtvoorziening in Monnickendam deel uitmaakt van de
Europese geschiedenis.
* Er zijn twee bijlagen:
de namen van kaarsenmakers uit de 17e en 18e eeuw
personalia van de lantaarnopstekers uit diezelfde periode.
* Van de historische verenigingen van Broek in Waterland, Edam en Purmerend heb ik informatie uit hun periodieken toegestuurd gekregen. Daarvan is een gedeelte in dit verhaal verwerkt.
* De betekenis van vreemde woorden staan tussen haakjes, gevolgd door mijn initialen caeg.
2. Erfgoed, de Nederlandsche geschiedenis in 100 documenten, Elsevier.
3. Nacht en ontij. Geschiedenis van het duister, blz. 41vv. Roger Ekirch. Uitg. De Bezige Bij,
2006. Oorspronkelijke titel: At Day’s Close: Night in Times Past. Ekirch is Amerikaans historicus en hoogleraar aan de Virginia Tech Universiteit, VS.
4. Het woord kandelaber is afgeleid van het
latijnse candela dat kaars betekent. Een kandelaber is een bouwelement in de vorm van
een kandelaar met meerdere armen, dragend, maar vaak ook decoratief bedoeld en
soms uitgewerkt als zuil (zie afbeelding hiernaast).
5. Met het ‘Avondland’ wordt het continent
Europa bedoeld. Het woord ‘Europa’ is vermoedelijk afgeleid van het Fenicische ‘ereb’
dat zonsondergang betekent. Vanuit Fenicië
gezien gaat de zon boven Europa onder. Vandaar dus de naam ‘Avondland’ (Bron: Wikipedia).
6. Zie Monnickendam in Waterland, Addy
van Overbeeke, blz. 35vv.
7 ‘De eerste vermelding van Monnickendam
dateert uit de tijd toen deze plaats al decennia lang was bewoond. Dan wordt Monnickendam
genoemd in een kroniek, geschreven door Melis Stoke, een laat-13e eeuws historieschrijver van
Holland. Als ambtenaar op de grafelijke kanselarij van Floris V en Willem III schreef hij een
rijmkroniek die de geschiedenis van Holland behandelde tot 1305. In het zesde boek van deze
kroniek staat vermeld dat de Friezen de bisschop van Utrecht, Willem van Mechelen, te hulp
251
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 252
wilden komen in zijn strijd tegen Jan, de graaf van Holland. Met hun leger kwamen ze over zee
en landden in 1297 bij Monnickendam, waar ze door de Waterlanders verslagen werden’. Uit:
‘Van Monnikenwerk naar Parochiekerk’,uitgave van het Parochiebestuur van de H. H. Nicolaas- en Antoniusparochie, Monnickendam 2000, blz. 20. Zie ook ‘Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, deel 28 uit 1904., blz. 129.
8. Holland (het woord wordt voor het eerst in 1064 gebruikt) staat hier voor latere de Noordelijke Nederlanden die via de Republiek der zeven verenigde Nederlanden en de Bataafse Republiek zijn geworden tot het Koninkrijk der Nederlanden van vandaag. De provincie Holland
werd in 1840 verdeeld in Noord- en Zuid-Holland.
9 Olijfolie, al zo’n 4000 jaar v. Chr. gebruikt, is een plantaardige olie, geperst uit olijven, de
vrucht van de olijfboom. Het is niet alleen een voedingsmiddel, maar ook, toen er nog geen
elektriciteitscentrales en gasleidingen bestonden, ook een energiebron voor warmte en licht.
De olijfboom werd in 1200 v Chr. door de Feniciërs naar Italië gebracht.
10. Een gedeelte uit een gedicht van A.C.W. Staring ter gelegenheid van het huwelijk van Reinoud den Tweeden, hertog van Gelre, die in het Valkhof te Nijmegen trouwt met Eleonora van
Engeland. Verzamelde gedichten, 1981, herdruk van een volksuitgave in 1869 door A. P. ten
Bosch, uitgever te Zutphen.
11 Tarcisius is een jongen uit Rome die in de 3e eeuw na Chr. stierf vanwege zijn geloof. Hij is de
patroon van de misdienaars en wordt in de RK –kerk op 15 augustus als heilige geëerd.
12. Volgens het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, uitgegeven tussen 1839 en
1851 door A. J. van der Aa, had Edam in die tijd een smeersmelterij en een kaarsenfabriek.
13. Uit: Ons voorgeslacht, W. J. Hofdijk, dl. 5, 1875 blz. 202
14. De Thesaurier is de man die voor 1811 de stadsfinanciën beheerde. Zeg maar de penningmeester van het stadsbestuur.
15. Monnickendam werd tot het eind van de 18e eeuw bestuurd door vier burgemeesters, waar
van er éen als president-burgemeester fungeerde. De burgemeesters werden elk jaar op 9 augustus (St. Laurensdag) gekozen. Hoe dat gebeurde kunt u lezen in het jaarboekje 1981 blz. 29;
1993 blz. 70; 2005 blz. 84-86. In juni 1795 is de kiesdatum verschoven naar 31 juli, zie jaarboekje 1999 blz. 92.
16. De persoonsgegevens van de lantaarnopstekers vind u in bijlage 2.
17. Meer over de zeepziederij in OM 1985 blz. 38vv.
18. Het betrof de executie van een oma en haar nichtje in 1707. Zie mijn verhaal over de vroedvrouwen van Monnickendam in het jaarboekje 2006 blz. 105, 106.
19. OM 94 blz. 125vv
20. Ik heb over haar geschreven in het jaarboekje 2006 blz. 116.
21. Dhr. Appel heeft uitgebreid over de Franse tijd geschreven in de jaarboekjes 1999, 2001 en
2002
22. Voorbeelden: hooistekers, schuitschippers, orgeltreders, portiers, nachtwachten, turf- en
bierdragers, varkensschouwer, vuilnisslepers, stadswerkers, lantaarnopstekers.
23. Pastoor Paulus van Munnikreede is in Leiden geboren. Hij was pastoor in Monnickendam
252
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 253
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
van 1795 tot 1802 en maakt tijdens de Bataafse Republiek de scheiding mee tussen kerk en
staat. Hij kwam krachtdadig op voor het recht van de katholieken in de stad en stelde de ijdelheid van de adel aan de kaak. Van Munnikreede zat in het bestuur en de schoolcommissie van
de Mij tot Nut van het Algemeen en gaf lezingen over de noodzaak en het nut van de christelijke godsdienst. Hij is op 31 mei 1826 in Haarlem overleden
24 Van Monnikenwerk naar Parochiekerk ,blz. 74
25. Zie het artikel over graven en begraven in OM 1999
26. Wie nog wat meer wil weten over het beroep en de werkzaamheden van de lantaarnsopsteker verwijs
ik naar het boek ‘The Lamplighter uit 1854 van Maria Susannah Cummins. De Nederlandse
vertaling heet, hoe kan het ook naders, ‘De Lantaarnopsteker’, uitg. C. Misset, Doetinchem.
Wist u trouwens, dat de stichter van de tweedehands boekenzaak ‘De Slegte’ vanouds lantaarnopsteker was?
27. Als u via Google de woorden ‘Old lamplighter’ intikt, kunt u de tekst en de melodie van
deze song niet alleen lezen maar ook beluisteren.
28. Oud-Edam jaargang 24 nr. 1: ‘Edamse gasfabriek startte in 1868 met productie’, J. Molenaar.
Idem: ‘De historische glans van straatlantaarns’, C. Boschma.
29. Broeker bijdragen blz. 184 en 449; Noordhollands Dagblad d.d. 29.10.2007 en 3.12.2007.
Mailverkeer met dhr. W. Husslage van Oud Broek.
In het tekst- en prentenboek van Cornelis Schoon (A. P. Bruigom, Canaletto 1979 Alphen aan
den Rijn) wordt op blz. 182 een bedrag van f 20.000,- genoemd als legaat van Geertje Claas Pols!
Ook valt het op dat er op al de prenten van Schoon nergens iets van externe verlichting is getekend.
30. De schrijver van dit artikel is een afstammeling van de familie Groot die begin 1900 op de
Dorpsstraat naast Stöve woonde. Dat huis (zie foto) wordt in de boekjes meestal aangeduid als
het kroegje van Wum (Wiebrecht, zij staat in de deuropening) van Daan (Daniël Groot). Het
huis heeft in 1938 plaats moeten maken voor de provinciale weg. Op de foto een voorbeeld van
zo’n mooie hardstenen lantaarn.
31. Mijn jeugd in Broek in Waterland, 1890-1916, N.C. Rümke-Bakker, bew. A. P. Bruigom.
Repro-Holland, Alphen aan de Rijn, 1991.
32. In het jaarboekje 1989 heeft dhr. Appel een bijdrage geschreven over Tijmon Cornelisz.
Kater. In dat artikel komt ook de straatverlichting aan de orde (blz. 18-24). Daarin wordt echter
niet vermeld dat dhr. Kater al vanaf 1813 belast is geweest met de verlichting van de stad en niet
pas vanaf de dertiger jaren.
In mijn verhaal ga ik niet op Katers andere waterbouwkundige activiteiten, waarover dhr.
Appel in het zojuist genoemde artikel de nodige aandacht schenkt.
33. Zie het verhaal van de prinsgezinde man in jaarboekje OM 1975 blz. 23vv en 1976 blz. 53vv.
In ORA 3569 (Examinatiën (verhoren, caeg) van 12 en 14 november 1795 kunt u lezen wat er precies is gebeurd, inculsief het vonnis (d.d. 21.november) dat over deze Kater-telg is uitgesproken).
253
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 254
Zie voor Tijmon Kater ook OM 1988 blz. 66 vv en OM 84 blz. 95, waar hij wordt genoemd als
voorzitter van de ‘Maatschappij tot nut van ’t algemeen’.
34. Een dochter van Tijmen en Annetje, Sybrich Kater, trouwt in 1837 met de onderwijzer
Adolph Frederik Meijer. Zij zijn de grootouders van een bekend musicus, de componist, pianist en publicist over muziek Bernhard van den Sigtenhorst Meijer (1888-1953).
Een andere dochter, Klaziena, wordt in het boek ‘Klop op de deur’ , geschreven door Ina Boudier-Bakker, beschreven als Fransje Stevensen die trouwt met Sijtse Goldeweijn (in werkelijkheid de heel- en vroedmeester Sijtse Holm). Zie ees OM 1988 blz. 71-74.
35. Hoe rampzalig de situatie in de eerste 10 jaar van de 19e eeuw in Monnickendam was heeft
de heer Appel beschreven in het jaarboekje 2002, blz.. 87vv. Zie ook de inleiding van mijn artikel over de Kolonie van Weldadigheid in het jaarboekje 2001 blz. 127vv.
36. Data van de betalingen: 1.3.1813; 31.10.1813; 7.12.1813; 31.12.1813.
37. Oud-Purmerend, september 1998 ‘Verlichting van straten in de Purmerendse binnenstad’,
B. de Lange. Zie ook het dossier ‘Openbare Verlichting gemeente Purmerend’,archief-invoernummer 61/5 en 61/6.
38. Hendrik Liwijn is, samen met zijn vrouw Catharina Offenberg, in juni 1809 vanuit Westzaandam naar Monnickendam gekomen. Zij wonen in de Kerkstraat 120, waar tussen 1809 en
1816 vier kinderen worden geboren. Hendrik is dan stadsomroeper. In 1816 vertrekt hij met zijn
gezin naar Zaandam.
Het is heel goed mogelijk dat Tijmon Kater en Hendrik Liwijn elkaar kenden. Als de oom van
Tijmon (ter onderscheiding meestal Tijmon Kater de Oude genoemd), in mei 1913 een huis op de
Haven koopt, is Hendrik Liwijn nl. een van de getuigen tijdens het opmaken van de koopacte.
39. Zie voor dr. van Beveren Esveld OM 1990 blz. 68-70.
40. Meer hierover in het jaarboekje 1989 blz. 24vv.
41. Meer over Ds. Koning in ‘Geschiedenis der gasverlichting’, blz. 8-15. Zie Bronvermelding.
42. De paalworm is een weekdier dat in de 18e eeuw door de scheepvaart met Oost-Azie in Europa terecht is gekomen. Het is een worm die enkele tientallen centimeters lang kan worden en
een bedreiging vormt voor houten dijkbeschoeiingen, sluisdeuren en houten schepen. Rond
1730 zorgden deze paalwormen voor veel overlast.
43. Het licht der lamplantaren, blz. 23
44. Hallogas is een vinding van dhr. Franciscus Johann Hallo, geboren te Amsterdam in 1808,
overleden te Coburg (Duitsland) in 1879. De productie ervan vindt plaats door een firma in Amsterdam, Nederlandse nijverheid dus. Het gas is ook in de winter prima van kwaliteit, gemakkelijk in gebruik, zowel voor straatlantaarns als binnenshuis. De lantaarns hebben bijna geen
onderhoud nodig en zijn op de duur goedkoper dan de tot dan toe gebruikte lantaarns. De fa.
van Gelder en Comp. kan lantaarns leveren aan kerken, grote lokalen, schouwburgen, magazijnen etc. De productie betreft kandelabres, gaskronen en consoles, maar ook biljartlampen,
ganglantaarns, scheeps- en rijtuiglantaarns en een groot assortiment gaslampen en gaskaarsen
van metaal, brons of kristal.
45. Het gaat om de wet die op 29 juni 1851 was aangenomen onder de titel: ‘Wet Regelende de
254
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 255
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der Gemeentebesturen’, artikel 65 in het bijzonder.
46. Cornelis Gras is timmerman, later aannemer, geboren in Ransdorp op 14 april 1821 waar
zijn vader Pieter Gras, schippersknecht op de jaagschuit, in 1815 trouwt met Lea Tromp, die, inmiddels weduwe, op 29 december 1869 overlijdt.
Kort na de geboorte van Cornelis is het gezin Gras in Monnickendam komen wonen. Het lidmatenboek van de Hervormde Kerk meldt de attestatie van Lea Tromp, afgegeven door de gemeente Holysloot in september 1822. Cornelis Gras was geen lid van een kerk. In Monnickendam worden nog enkele kinderen geboren.
Cornelis heeft drie echtgenotes overleefd. Op 16 juli 1843 trouwt hij met Hendrikje van Meerbeek, dochter van Arie van Meerbeek en Neeltje Karmelk. Maar Hendrikje overlijdt kort na
haar huwelijk op 9 november 1843, 23 jaar oud.
Cornelis trouwt vervolgens op 16 augustus 1846 met de uit Edam afkomstige Maritje van der
Poorte. Er zijn vier kinderen geboren als ook Maritje op 22 september 1853 overlijdt. Als Cornelis in september 1851 de nieuwe man van het licht wordt, wordt in diezelfde maand een zoon
geboren, Pieter. Het jongetje overlijdt echter twee weken later.
Het derde huwelijk vindt plaats op 12 maart 1854 met de uit de Rijp afkomstige Jansje de Ruiter, overleden in Monnickendam op 7 maart 1890. Cornelis zelf overlijdt op 20 november 1900,
79 jaar oud.
47. Fabriekseigenaar dhr. Schellinger was notaris, eerst in Broek in Waterland, later in Nieuwendam. Hij is geboren in Hoorn op 1 maart 1795 en op 6 juni 1886 in Nieuwendam overleden.
Op 22 februari 1824 trouwt hij in Broek in Waterland met Maretje Bakker, geboren 5 februari
1803 aldaar, overleden in Nieuwendam op 13 maart 1858, dochter van Jan Harmensz Bakker en
Grietje Compaan, notabelen in Broek in Waterland.
48. Jaarboekje OM 1994 blz. 85vv.
49. De oude kadasternummers zijn vervangen. Het perceel van de gasfabriek staat op een later
tijdstip bekend onder 1001 (directie en woonhuis), 1002 (bergplaats), 1003 (smederij), 1004 (gasfabriek), 1005 (bergplaats als erf), 1006 (timmerschuur en bergplaats), 1007 (erf). Die nummers
blijven ook bij een volgende verkoop staan.
Als later de gasfabriek wordt overgenomen door dhr. Blankevoort is 1001 nog steeds het huis
met de tuin en 1331 de gasfabriek + het erf er omheen. Het laatste nummer 1331 wordt in 1906
nr. 1877.
50. Jaarboekje OM 1989 blz. 23
51. De (lange) brief van Schellinger, waarbij allerlei aantijgingen ontzenuwt worden,is te vinden in het gemeentearchief (ingekomen stukken) d.d. 18 maart 1859.
52. Koopacte d.d. 30.10.1860, nr. 5208 not. Merens
Pieter Hendriks Peletier is een telg uit een Hugenoten familie waarvan de oudste bekende gegevens teruggaan tot de 16e eeuw. De familie kwam uit het zuiden van Frankrijk, Montpellier.
Hij is op 9 november 1828 geboren in Strijen en op 17 januari 1889 in Vreeswijk overleden. Is
het tweede kind (van vijf) van Hendrik Peletier, geboren in Haaften en Everdina Boonzaayer,
geboren in Arnhem. Pieter, nog ongetrouwd, komt vanuit Amersfoort naar Monnickendam. In
255
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 256
het register van de Ned. Herv. Gemeente wordt hij op 14 september 1860 ingeschreven, met attestatie van Amersfoort. Hij trouwt op 27 februari 1862 in Utrecht met Janna Adriana Venis, op
27 augustus 1821 in Sliedrecht geboren. Het echtpaar gaat wonen op de Nieuwezijds Burgwal
1/125. In Monnickendam wordt op 12 oktober 1866 een doodgeboren kindje begraven.
53. Deze Jan Tijmensz. Kater was een knappe kop. Dhr. Appel heeft daar in het jaarboekje 1988,
blz. 74 een en ander over geschreven.
54. Koopacte d.d. 28.02.1867, nr. 6486 not. Merens.
Willem Carel Vosmaer is op 11 maart 1821 in Utrecht geboren, zoon van medicinaal doctor Jacob
Vosmaer, geboren in 1783 te Den Haag, overleden Utrecht 1824, die op 22 februari 1916 in Zutfen trouwt met Carolina Johanna Pauline Ross, de laatste geboren te Batavia in 1792. Willem
Carel Vosmaer is vernoemd naar zijn grootvader, president van het Hooggerechtshof van Financiën. Hij kwam dus uit een gegoede, tevens bekende familie. Willems broer, Carel Vosmaer
(1826-1888), is de bekend geworden dichter, schrijver, kunsthistoricus en vertaler van Homerus.
(Op internet veel informatie over deze familie).
Willem Vosmaer, niet getrouwd, heeft helaas maar enkele jaren zijn functie als directeur van de
gasfabriek kunnen uitoefenen. Hij is vijftig jaar als hij op 17 november 1871, op het adres
Noordeinde 44, overlijdt. Zijn zus, Guillemine Caroline Vosmaer, geboren in 1797 in den Haag
is de enige erfgename en daarmee eigenaresse van de gasfabriek.
55. Adrianus F. P. van Son is op 15 december 1832 geboren in O
verzande, een plaatsje in Zeeland, zoon van Pieter Nicolaas Alexander van Son en Frederika
Louisa Wilhelmina ’t Hooft. Van Son is op 2 juni 1865 vanuit Harderwijk naar Monnickendam
gekomen. Op 28 juli 1870 trouwt hij met Elisabeth Burck, in Monnickendam geboren op 28
april 1840, dochter van Pieter Jan Burck en Wilhelmina Elisabeth Costerus. Zij krijgen drie kinderen in het gehuurde huis van de vader van zijn vrouw, Pieter Jan Burck die in juni 1865 naar
Haarlem vertrekt. Dat huis stond op het Noordeinde nr. 24 (naast ‘De Bonte Os’).
56. Dirk Costerus is op 4 november 1849 in Monnickendam geboren, zoon van Nicolaas Costerus en Anna Geertuida Frederica Merens, een dochter van notaris Meijnard Cornelis Merens, de
laatste werkzaam in Monnickendam van 1837-1886. Notaris Dirk Costerus overlijdt op 28 april
1908 in Monnickendam in een huis op het Noordeinde.
57. Lambert van Meerten, geboren in 1792 is op 8 april 1847 in Jutphaas overleden. Een zoon,
tevens naamgenoot Lambertus Anthony, 1842-1904, is de stichter van het van Meertens Museum aan de Oude Delft 199 in Leiden. (Voorheen heette dat herenhuis ‘Oud Holland’). Het heeft
een tegelcollectie, Delfts aardewerk, oosters porselein, glas, meubels, houtsnijwerk en schilderijen. De fam. van Meerten had ook een distilleerderij, gist- en spiritusfabriek. Die werd gerund door een ander familielid.
58. Rondom het grote orgel van Monnickendam, G. Verloop, Schagen, dl. 1 t/m 8. Eigen uitgave.
59. Een gloeikousje is een netje, gemaakt van materiaal dat bij verhitting helder wit oplicht.
Daardoor wordt het licht van een gaslamp, dat normaliter geel is, witter. Gloeikousjes nog gebruikt in kampeerlampen.
60. Purmerend, Edam, Monnickendam, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik
256
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 257
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
61. Nicolaas is een zoon van Cornelis Reijersz Blankevoort, die op 6 november 1856 trouwt Jannetje Kater, een zus van zijn eerste vrouw Grietje Kater, die op 31 juli 1855 was overleden. Hij
had aanleg voor muziek maar een leermeester zei tegen zijn vader: ‘Meneer Blankevoort, laat
uw zoon niet doorgaan in de muziek, een meester zal hij niet kunnen worden en voor een middelmatige is de toekomst armoede lijden’. Nicolaas’ vader nam deze opmerking serieus en
daardoor ging leerde zijn zoon timmeren en tekenen.
Dhr. Veltrop vertelt op blz. 12 dat hij als jongen met Nicolaas Blankevoort speelde die toen in
de Kerkstraat woonde.
Nicolaas wordt op 10 april 1881 als lidmaat van de Hervormde gemeente bevestigd, Elisabeth
op 18 maart 1883. Nicolaas trouwt op 12 juni 1887 met Elisabeth Klomp, geboren te Katwoude
op 26 januari 1864. Zij krijgen tussen 1888 en 1902 vijf kinderen, twee meisjes en drie jongens.
Vanaf 1886 is Nicolaas ook nog een aantal jaren opzichter van de polder Katwoude.
62. Acte 2385 Albertus Hendrik Cramer, notaris in Edam, opgemaakt 1.6.1886 in het bijzijn van
een neef van de fam. Vosmaer, notaris Arnout Vosmaer en met getuigen notaris Dirk Costerus
en dhr. Pieter Aafinus Werndly.
63. Korthals is een vermogend man die, als makelaar en grondeigenaar, op 22 december 1839
in Broek in Waterland trouwt met Jannetje Ditmarsch Muller, in 1821 aldaar geboren. Na haar
overlijden trouwt Korthals op 11 december 1863 in Schoten (Haarlem) met de 32-jarige Duitse
Anna Maria Gross uit Hanau. Hij is dan kassier van de bank van lening.
Jacob Johannes Korthals is voor 1900 overleden want op 22 september van dat jaar wordt zijn
tweede vrouw in een notarieel stuk ‘weduwe’ genoemd en woont in Amsterdam
64. Herinneringen aan Monnickendam, Veltrop blz. 82v
65. Hendrik Klaver is geboren op 8 januari 1840, zoon van Adam Klaver en Lijsbet Keesmaat.
Hij woont op de Nieuwezijds Burgwal en is op 18 november 1866 getrouwd met Neeltje Koedijk, geboren op 30 september 1842, dochter van Joost Koedijk en Annetje Slot. Als Neeltje op 4
mei 1873 is overleden, trouwt Hendrik Klaver een jaar later, op 24 mei 1874, met Jannetje
Groot, dochter van Jan Groot en Trijntje Fortuin.
Op 14 juni 1873 vraagt Hendrik, gepatenteerd hersteller van uurwerken, aan B&W, of hij ook
benoemd mag worden tot gemeenteklokopwinder. Hij krijgt te horen dat hij als sollicitant
voor deze post is aangemerkt; de Raad zal later beslissen. Dat hij de functie heeft gekregen
blijkt in 1905, als hij op 1 oktober van dat jaar eervol ontslag krijgt als klokkenist. Daar was wel
wat aan voorafgegaan. In augustus 1905 stuurt hij een briefje met de volgende inhoud: ‘De ondergetekende H. Klaver geeft bij dezen kennis dat hij door een ongeval hem op 15 mei jl. in de
gasfabriek overkomen, genoodzaakt is, deze gemeente te moeten verlaten, verzoekt beleefd
hem van de betrekking als klokopwinder, die hem bij raadsbesluit van november 1873 is verleend, tegen 1 october 1905 wel te willen ontslaan. Dat gebeurt. Horlogemaker en goudsmid
Cornelis Michiel Kroone, geboren in Schagen en getrouwd met vroedvrouw Alida Roeper,
neemt op 22 september zijn functie over.
66. Andries de Wijs trouwde op 7 juni 1894 met Johanna Hendrika Kasper uit Barneveld,n geboren 10 juni 1869, in Monnickendam overleden op 21 maart 1899.
257
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 258
Andries trouwt dan opnieuw, op 29 oktober 1903 met Catharina Johanna Cobelens, geboren in
Monnickendam op 10 mei 1865. Zij woonden eerst in de Kerkstraat, wijk 4 nr. 12, daarna op de
Oudezijds Burgwal wijk 4/131. Andries is in 1942 overleden. Testament d.d. 4.5.1909 nr. 83, notaris de Koe, M’dam.
67. Volgens de Griekse mythologie stal Prometheus, een broer van Atlas, het vuur van de Olympische goden om het aan de mensen te geven. Die leerden zo metaal te bewerken en een technische beschaving te ontwikkelen. Zijn daad riep echter de wraak van Zeus op. Voor straf werd hij
opgehangen aan een rots, Kaukasus en elke avond kwam er ene vogel zijn lever uit zijn lichaam
eten, die echter elke ochtend weer aangroeide. Prometheus werd later bevrijd door Herakles.
68. Een led (light emitting didde) is een elektrische component, een diode (een soort elektrisch
ventiel) die licht uitzendt, als er een stroom in doorlaatrichting doorheen wordt gestuurd.
69. Volgens van Dale’s woordenboek gaat het om een toestel voor droge distillatie, bv. de ijzeren of stenen buizen in een gasfabriek, waarin men de steenkool uitgloeit om het gas er uit af
te zonderen.
Misschien is een retortoven bedoeld, opnieuw volgens van Dale, een oven waarin de retorten
ingemetseld zijn en verhit worden. Dhr. Veltrop vertelt op blz. 48 dat, als de jongens van de
stad ’s winters wel eens door het ijs waren gezakt, de arbeiders van de gasfabriek hun kleren
droogden door deze op de retort te leggen.
70. Cornelis Martens, geboren 22 december 1863, tot dan opzichter van het Hoogheemraadschap van Waterland, wordt per 1 januari 1905 de nieuwe gemeentearchitect, eveneens tegen
een vergoeding van f 300,- In 1910 wordt hij ook ‘schatter van onroerende goederen’, makelaar
dus. Beide werkzaamheden heeft Martens tot 1 januari 1929, als hij eervol ontslag krijgt, verricht.
71. Meer daar over in: ‘Bewoonbaar voor de mens.150 jaar van Hattum en Blankevoort in ‘natte
en ‘droge aannemerij, K. Stiksma, Beverwijk 1982. Dhr. Appel heeft in OM 1986 blz. 122 en 123
gewezen op enkele genealogische fouten in het boek.
72. De P. E.N. - het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland - werd op 1 januari 1917
door particulieren gesticht met het doel het gehele vasteland van de provincie Noord-Holland met uitzondering van Amsterdam en enkele randgemeenten - van elektrische energie te voorzien.
De P. E.N. had enkele voorlopers (E.N. E.M. en K. E.M.) maar voorzag gaandeweg steeds meer
Noordhollandse gemeenten van elektriciteit. , waaronder in 1931 Monnickendam en Broek in
Waterland.
73. Jan Hendrik Boeseman werd op 5 november 1874 in Zwolle geboren en doorliep daar de
HBS met 5-jarige cursus. Hij werd opzichter bij het gasbedrijf van Leeuwarden en had daarna
dezelfde functie in den Haag. Hij trouwde op 27 november 1902 in Leeuwarden met Sijtska Berendina Bartholda Beijl, geboren in Alkmaar op 20 juni 1878.
In datzelfde jaar 1902 wordt hij benoemd tot directeur van de gasfabriek te Edam, waar hij op
25 september werd 1902 ingeschreven, gekomen van Den Haag. Zijn vrouw volgde op 4 december 1902, gekomen van Leeuwarden. Op 5 oktober 1912 wordt hij uitgeschreven wegens vertrek
258
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 259
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
naar Enkhuizen. Daar was hij op 20 september 1912 aangesteld tot directeur van de nieuwe gemeentelijke gasfabriek. Tragische bijzonderheid is, dat een zoontje verdronk in het bassin van
een in aanbouw zijnde gashouder.
Dhr. Boeseman was een bekend publicist voor het vaktijdschrift ‘Ons Gas’. Hij overleed
op 24 maart 1924 aan de gevolgen van longontsteking, slechts 49 jaar oud en is in Enkhuizen
begraven. Bronnen: Bev. Reg. Enkhuizen 1910-1920; Enkhuizer Courant 24 maart 1924. Bev. Register Edam.
74. Johannes Zweers, zoon van Gerrit Zweers en Willemina Paarhuijs, is op 27 maart 1886 in
Hardenberg geboren. Hij trouwt op 19 juni 1914 in Heusden met Jacoba Cornelia de Bruijn, geboren op 7 augustus 1888 aldaar. Het echtpaar komt op 29 december 1917 vanuit Heusden naar
Monnickendam
75. Zie ook blz. 22 van ‘Honderd jaar nering en ambacht in Monnickendam, H. Voogel, die
schrijft dat Jan Pottegieter de laatste bewoner van deze woning was, bij wie je o.a. terecht kon
voor gasmuntjes en gaskousjes. De woning werd in 1955 gesloopt.
76. Adrianus Borst, geboren op 16 januari 1875 in Monnickendam, is de zoon van bakker Willem Borst en Niesje Hammes. Hij was niet getrouwd maar woonde in bij zijn zusters Antje en
Hendrika Margaretha, Zuideinde 52. Hij is op 11.3.1908 in M’dam komen wonen, kwam van
toen van Marken. Borst was lid van de Lutherse gemeente. In 1918 is zijn salaris f 850 per jaar,
in 1919 is f 950,77. Franciscus Hubertus Verhagen is op 17 februari 1886 in Middelburg geboren. Hij was getrouwd met Jacoba Margaretha Camper, geboren in Baarn op 27 maart 1883. Franciscus kwam
op 30 september 1916 vanuit Amsterdam naar Monnickendam, Jacoba op 24 augustus 1817 vanuit Baarn.
Ze hebben maar kort in Monnickendam gewoond, want op 20 november 1819 worden ze uitgeschreven, wegens vertrek naar Baarn, ndat Verhagen op 13 december eervol ontslag had gekreben wegens vertrek naar elders. Hendrik Prins zal Verhagen tijdelijk als gasstoker opvolgen.
Maar op 6 maart 1919 al vraagt Hendrik Prins om hem op 22 maart van dat jaar ontslag te willen verlenen. P. Hogetoorn, alias Piet de Brode, wordt per 1 januari 1920 de nieuwe stoker in de
gasfabriek.
78. Jacob Bakker, elektriciën van beroep, is op 14 juni 1894 in Kwadijk geboren. Op 2 augustus
1917 trouwt hij met Neeltje Raggers, in Monnickendam geboren op 4 januari 1892.
Jacob verdient het eerste jaar f 1250, een jaar later f 1350,-. Op 1 januari 1931 zal hij eervol ontslagen worden.
79. Pieter van Zalinge is op 19 mei 1852 in M’dam geboren, zoon van Jan Pieters van Zalinge en
Alida van der Molen. Op 27 juli 1879 trouwt hij in Monnickendam met Grietje Cornelis Blankevoort, geboren op 14 oktober 1854 en overleden te Monnickendam op 8 januari 1917. Hij was
dus een zwager van Cornelis Blankevoort. Het echtpaar had drie kinderen.
Pieter was oorspronkelijk broodbakker en woonde in de Kalversteeg (1879), maar moest dat
werk om gezondheidsredenen opgeven. Op 1 januari 1890 wordt hij in het Bev. Register nog
kruidenier genoemd, maar kort daarna gaat aan de slag bij de firma Boerlage. Vervolgens
259
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 260
neemt hij het directeursschap van de gasfabriek op zich, een post die hij vervult tot de gemeente de gasfabriek van Blankevoort koopt.
Op 6 juli 1912 is Pieter gemachtigd door Jan Roelof Boerlage, koopman te Haarlem, om voor f
1000,- een pakhuis, koetshuis en erf te verkopen aan vishandelaar Jacobus Pieters Neijzen.
Hij is al 65 wanneer hij op 1 januari 1918 wordt benoemd tot administrateur van de gasfabriek
tegen een salaris van f 150,- per jaar. Op diezelfde datum wordt hij ook bedrijfshoofd van het
Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf. Hij volgt de heer ter Cock op als administrateur en beheerder van de financiën. Het levert hem een jaarsalaris van f 250,- op. Maar na een paar weken al
vraagt hij en krijgt hij ontslag van beide functies.
Volgens een dagoek van Pieter Blankevoort, de jongere broer van Nico, was van Zalinge administratief zeer goed onderlegd. Hij is jarenlang werkzaam geweest op het kantoor van de handelsfirma F. F. Boerlage, was ook heel wat jaren penningmeester van het armbestuur (opvolger
van Tijmon Kater) en bovendien bestuurslid van verschillende liefdadige- en andere colleges.
Een zeer geacht burger, door iedereen vertrouwd en gewaardeerd. ‘Had de tobberij met huishoudsters en pensions (na de dood van zijn vrouw in januari 1917) hem er niet toe genoodzaakt, dan was hij nimmer uit Monnickendam vertrokken. Het Bev. Reg. geeft aan dat hij, voor
hij op 17 februari 1933 naar Apeldoorn vertrekt, woonde op de Middendam, wijk 2 nr. 144 bij
W. J. de Wit en daarna Noordeinde, wijk 3 nr. 9 bij J v Geijtenbeek.
Financiële zorgen zijn hem gelukkig gespaard gebleven. Met een pensioen van Nico, de familie
Boerlage en het Burgerlijk Armbestuur kon hij fatsoenlijk rondkomen’, aldus Pieter Blankevoort. Een testament bij notaris de Koe op 4.7.1912, nr. 561.
Pieters naam staat op een tableau in de hal van het weeshuis, zo liet dhr. A. van Zalinge mij
weten.
80. Gegevens voor een deel ontleend aan informatie van de vereniging Oud-Edam
81. Jan Mol, geboren 6 maart 1891 te Monnickendam, eerst boekhandelaar, later gemeente-ontvanger, trouwt op 3 augustus 1916 met Guurtje Scheel, geboren op 14 maart 1894 te Warder.
260
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 261
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Bijlage 1. Kaarsenmakers
Een overzicht van de mannen en vrouwen die verantwoordelijk waren voor het leveren van
kaarsen in Monnickendam, zowel voor de stad als voor de kerk, te beginnen in de 17e eeuw.
Sommigen worden een enkele keer genoemd, anderen kom je vaker tegen.
Kaarsenmakers in de 17e eeuw
Voor de invoering van de burgerlijke stand hadden veel mensen nog geen achternaam. Ze stonden bekend onder een patroniem, bv. Jan Klaasz, d.w.z. Jan, de zoon van Klaas die op zijn beurt
bv. weer Klaas Pietersz. heette. Vooral in de 17e eeuw zie je achter zo’n patroniem een beroep
genoemd: slotemaker, kistemaker, besemaker, glasemaker, schuitemaker, gravenmaker, stoelemaker en ook keersemaker.
Jan Claesz. keersemaker (begin 17e eeuw)
Hij is de oudst bekende kaarsenmaker van Monnickendam die ik heb gevonden. Daarom wat
meer gegevens over deze man.
Jan Klaasz. Keersemaker, lid van de Vroedschap van Monnickendam van 1 augustus 1610 tot
8 augustus 1623, was getrouwd met een zekere Neeltje, maar over het huwelijk valt verder niets
te melden wegens gebrek aan gegevens.
Bij de laatste datum gaat het om zijn opvolger want Jan was in december 1622 al overleden.
Misschien op dezelfde dag of heel kort daarvoor is ook een zoon begraven, 23 december 1622.
De begraafkosten voor vader en zoon zijn 2.10.-, waarschijnlijk betaald door echtgenote Neeltje. Wanneer zij een jaar later op 25 december 1623 wordt begraven heet ze ‘keerssemakers
weduwe’. Haar begraafkosten bedragen 6 gulden. Bij het overlijden van Jan en Neeltje wonen
zij in de Kerckstraat.
Jan Klaasz. keersemaker is ouderling van 1606-1622 en kerkmeester in 1613/1614,1614/1615 en
1622/1623.
Naamloze kaarsenmakers
Kijken we naar de betalingen van de kerkmeesters en de thesaurier, dan komen we in de 17e
eeuw lange tijd geen namen meer tegen. Alleen de aanduidingen ‘op rekening’ of volgens
‘kwitantie’ kom je dan tegen. Kaarsenmakers zijn er al die jaren ongetwijfeld geweest, maar
pas in het laatste kwart van de 17e eeuw worden er een aantal met naam en toenaam genoemd.
De volgende kaarsenmakers komen voor de in de betalingen van de kerkmeesters of in de rekeningen van de stadsthesaurier, vaak ook in beide. Van de meesten is nog wel wat meer te vertellen dan hier wordt aangegeven.
Mannen en vrouwen, meestal echtgenotes
1671 Trijntje Pieters
1673 Trijntje Dirks
261
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 262
1677 Pieter, de Keersemaker
1679 Dirck Sijmonsz Visser (= Dirck Sijmonsz Buijs, zie onder),
1680, 1686, 1690 Lobberig Pieters
1681 Grietje Hendriks
1682 Dirck Sijmonsz Buijs.
1683 Pieter Willems Oossanen
1684 - 1708 Pieter Frederiks Bakker
1685 Joosje Cornelis Cliemers, wed. Dirk Sijmonsz Buijs
1687 Jannetje Jans
1689-1709 Jan Jansz Bakker. In het lidmatenboek van de geref. Gemeente wordt hij in 1688 ingeschreven, is dan kaarsenmaker.
1691 Dirk Pont
1692 Jannetje Geerlofs, 1693, 1698
1695 Jan Carsten Bruijn
1688-1708 Pieter Frederiks backer
Kaarsenmakers in de 18e eeuw
1704-1727 Gerrit van Thiel, in 1710 kaarsenmaker genoemd
1729 wed. G. van Thiel = Geertje Geerlofs Gruijs, 1731 Ook de zus van Geertje, Jannetje, maakte
kaarsen.
1712-1732 Klaas Dirksz Mooij,
1733-1738 wed. Klaas Dirks Mooij = Trijntje Pieters Bakker
1742, 1744, 1746 Dirk Klaas Mooij (zoon)
1732 Jan Everts Pelt of Spelt, 1735. 1738, 1741
1734 Cornelis van der Wart, 1737, 1740, 1743, 1745
1749 Jan van (der) Holk. Hij had een kaarsenmakerij op het Noordeinde, buitendijkszijde.
1762, 1763 Dirk Deugt
1764-1776 Jan Bulthof uit Hookziel
1767 Cornelis van Holk, in het lidmatenregister van de Geref. gemeente in 1767 kaarsenmaker
genoemd.
1780, 1781 Mens Schaap
1781-1790 Lijsbet Modeus (weduwe van Jan Bulthof)
Kaarsenmakers in de 19e eeuw
1804 Cornelis v Holk, hij zal z’n vader Cornelis opgevolgd zijn.
1805-1820 Willem Pieters Makkes. De Makkessen zaten helemaal in het kaarsenmakersbedrijf,
want ook Willems vader (Pieter Jacobsz Makkes, getrouwd met Susanna Swart) en twee jongere
broers, Cornelis en Jan waren kaarsenmaker in Purmerend. Willem Makkes was diaken in de
Doopsgezinde gemeente.
Op 30 juli 1808 wordt in het overzicht van bedrijven en beroepen gemeld dat er in Monnicken-
262
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 263
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
dam een kaarsenmakerij is. Dat zal die van Makkes zijn. Op de staat der fabrieken en trafieken
van diezelfde periode wordt gesproken over een smeersmelterij., vermoedelijk een andere
naam voor de kaarsenmakerij. De mensen hadden voorheen een goed bestaan, maar dat is veranderd in een middelmatig bestaan. Men ondervindt veel nadeel van kaarsen die van buiten de
stad worden binnengebracht. Het tegengaan daarvan zal de smelterij ten goede komen.
1809 G. de Melleville, de organist, 1811
1816 juffr. Horst, de echtgenote van de weeshuisvader
1817 Trijntje Brand
1820 de weduwe Makkes = Trijntje Vels. Ze wordt na de dood van haar man winkelierster genoemd.
1847 Johan W Hartwigsen, kuiper), maakte ook kaarsen in een ‘kaarsenfabriekje’. Hij kwam uit
Braderup, Duitsland, geboren 12 december 1788, overleden Monnickendam op 19 maart 1868.
Hij trouwde op 10 december 1816 met Mietje Tieman, geboren 11 janauri 1798, overleden in
1856, dochter van Daniel Tieman en Hilletje Keijzer. Zij woonden op de Middendam, maar het
‘kaarsenfabriekje’ stond op de Gooijsche Kaaij 15.
Bijlage 2: Lantaarnopstekers
17e eeuw
Jasper Carstens Colder
Jasper Carstens Colder wordt vóor 1665 geboren, zeer waarschijnlijk als zoon van weduwnaar
Carsten Jaspers die op 4 januari 1660 trouwt met Lijsbet Jacobs uit Edam. Het gezin woont aan
het Zuideinde.
Jasper trouwt rond 1682 met ene Jannetje Cornelis. Als Jannetje op 25 oktober 1693 wordt
begraven, een week na de geboorte van haar laatste kind, is er van de acht kinderen nog maar
één in leven, zoon Karsten.
Op 15 mei 1694 trouwt Jasper Colder voor de tweede keer, nu met Trijntje Karstens. Uit dat
tweede huwelijk worden nog eens zes kinderen geboren, waarvan ook de meesten vroegtijdig
overlijden. Jasper zelf wordt op 14 april 1716 begraven als ‘Jasper de vuilnisman’.
Krijn Cornelisz. Modderwercker
Modderwercker is een ‘bijnaam’ want Krijn heeft later als achternaam ‘van Slingerland’. Hij
komt uit Nieuwveen en is al weduwnaar als hij op 8 april 1663 in Monnickendam trouwt met
Nantje Jacobs. Het paar krijgt vijf kinderen.
Cornelis Krijnsz. van Slingerland
Cornelis Krijnsz, zoon van de zojuist genoemde Krijn Cornelis, is op 31 mei 1668 in M’dam gedoopt en op 5 mei 1691 getrouwd met Trijntje Frans. Samen met zijn echtgenote wordt hij in
1692 als lidmaat van de Gereformeerde gemeente ingeschreven.
263
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 264
Wanneer Cornelis zijn vader als lantaarnopsteker is opgevolgd, wordt in de Memorialen niet
vermeld. Het zal ergens in de tweede helft van 1697 zal zijn geweest, want op 16 november van
dat jaar krijgt hij voor het eerst als opsteker van de lantaarns en vuller van de lampen met olie f
14.8.- door de stadsthesaurier uitbetaald
18e eeuw
Adriaan Jansz. Decker
Adriaan Jansz Dekker, RK gedoopt op 30 juli 1691, begraven 21 december 1762 ondertrouwt op 1
juli 1713 met Neeltje Jans Groot. Zij krijgen negen kinderen.
Adriaan is een zoon van Jan Klaasz Decker, op 29 december 1686 ondertrouwt met Grietje Adriaans.
Jan Juriaans Grouw, alias Jan van Praag
Jan van Praag is niet zijn officiële naam. Deze lantaarnopsteker heet officiëel Jan Juriaans
Grouw, op 8 oktober 1767 begraven. Als hij op 23 april 1746 in ondertrouw gaat met Trijntje
Alewijns (Postma) uit Drachten, begraven op 26 juni 1775, wordt Jan ‘jonge man van Praag’ genoemd. Hij kwam dus waarschijnlijk uit het toenmalige Bohemen.
Jan en Trijntje krijgen zeven kinderen, waarvan de eerste in de Gereformeerde kerk wordt gedoopt en de volgende zes in de RK-kerk.
Pieter Klaasz. Mooij
Pieter Mooij, op 18 december 1708 gedoopt, is gereformeerd lidmaat in 1732 en wordt op 30
december 1773 begraven. Hij is een zoon van Klaas Dirks Mooij en Trijntje Pieters Bakker. Pieter gaat op 18 mei 1737 in ondertrouw met Niesje Klaas Schut, gedoopt op 12 januari 1713, gereformeerd lidmate in 1739 en begraven op 6 maart 1766, dochter van Klaas Lowijs Schut en Jannetje Dirks Pont.
Anne Willems
Anne Willems was getrouwd met Grietje Thuijn, dp. 30 augustus 1742. Op 17 september 1768
had de vader van Grietje, Jan Thuijn, voor zijn dochter inwoning aangevraagd. Dat was eerst
geweigerd, maar later volgde toch toestemming. Grietje is daarna met deze nieuwe
lantaarnopsteker getrouwd
Trijntje Alewijns Post (wed. van Jan Juriaans Grouw). Zie boven.
Jacob Keleman
Jacob Keleman, op 29 januari 1756 gedoopt, zoon van IJsbrand Jansz. Keleman, die op 28 mei
1746 ondertrouwt met Geertje Jacobs Meet.
264
VOM_jaarboek08_STRAATVERLICHTING:M'damboek
12-05-2008
17:34
Pagina 265
drie eeuwen straatverlichting in monnickendam
Jacob Tuijn
Jacob Tuijn, doop 8 november 1744, begraven 10 april 1797, zoon Van Jan Jacobs Tuijn en Grietje Klaas Boot, ondertrouwt. 7 juni 1771 Jannetje Veen.
Adriaan Jansz Groot
Adriaan Jansz. Groot wordt op 16 november 1755 gedoopt en aangenomen als gereformeerd
lidmaat in 1789. Hij ondertrouwt op 3 juni 1786 met dienstbode Saartje Cornelis Pontman, geboren in Durgerdam op 16 mei 1754, op 19 mei van dat jaar in Ransdorp gedoopt, dochter van
Cornelis Bartels Pontman en Dingenom Houtingh. Saartje wordt in 1777 als gereformeerd lidmate van Monnickendam ingeschreven. Ze overlijdt op 7 december 1825 in Monnickendam en
wordt op de tiende in de kerk begraven.
265
VOM_jaarboek08_PENNINGM:M'damboek
12-05-2008
17:38
Pagina 266
Verslag van de penningmeester over het jaar 2007
Rekening van baten en lasten over 2007
2007
H
Baten
Contributies
Subsidie Gemeente Waterland
Giften
Interest
Winst op verkopen
Totaal baten
begroting
2007
H
2006
H
12.478,58
–
105,00
2.020,52
2.120,02
16.724,12
12.500,00
–
–
1.700,00
1.000,00
15.200,00
12.414,80
–
338,08
1.655,03
2.580,01 11.827,90
4.143,88
4.278,90
481,50
4.000,00
5.500,00
500,00
4.085,97
5.334,42
481,50
3.177,00
3.177,00
3.177,00
32,00
398,00
398,00
Ontwikkelkosten Website
349,36
Kosten Verkeerscirculatie en parkeren 545,65
Totaal lasten
13.008,29
1.000,00
1.500,00
16.075,00
–
–
13.476,89
De baten bedroegen
De lasten bedroegen
Voordelig saldo
15.200,00
16.075,00
875,00 -
11.827,90
13.476,89
1.648,99 -
Lasten
Algemene kosten, zoals drukwerk,
portikosten, ledenvergaderingen
en lezingen
Drukkosten jaarboek
Assurantie
Donatie Stichting Museum
de Speeltoren
St. Vrienden van de Grote en
Lutherse Kerk
266
16.724,12
13.008,29
3.715,83
VOM_jaarboek08_PENNINGM:M'damboek
12-05-2008
17:38
Pagina 267
verslag van de penningmeester over het jaar 2007
Toelichting
De winst op verkopen is in 2006 nadelig uitgekomen wegens de uitgave van het
boek ‘De Grote Kerk van Monnickendam’. Het merendeel van de aangeschafte
boeken was eind 2007 nog niet verkocht.
De bijdrage aan de Stichting Vrienden van de Grote en Lutherse Kerk betreft een
gift van H 1,00 per verkocht boek.
Balans per 31 december
Voorraden
Vorderingen
Kas en Bank
Vermogen
Fonds ‘Museum de Speeltoren’
Fonds ‘Gouwzeewerf’
Schulden
31-12-2007
H
1,00
3.501,24
106.890,54
110.392,78
31-12-2006
H
1,00
3.313,33
103.858,19
107.172,52
69.162,31
20.874,92
10.602,37
9.753,18
110.392,78
65.446,48
20.880,29
10.284,85
10.560,90
107.172,52
2.982,67
518,57
3.501,24
2.557,72
755,61
3.313,33
79,27
3.513,29
684,96
102.613,02
106.890,54
117,68
3.277,99
407,22
100.055,30
103.858,19
Toelichting op de balans per 31 december 2007
Vorderingen
Interest
Verkopen
Kas en bank
Kas
Postbank
Rabobank
Rabobank rendementrekening
›
267
VOM_jaarboek08_PENNINGM:M'damboek
12-05-2008
17:38
›
Pagina 268
31-12-2007
H
Vermogen
Per 31 december 2006/2005 bedroeg het vermogen
Bijgeboekt het voordelig/nadelig saldo 2007/2006
Het vermogen per 31 december 2007/2006
31-12-2006
H
65.446,48
3.715,83
69.162,31
67.095,47
1.648,99 65.446,48
20.880,29
26.558,08
Fonds aankopen ‘Museum de Speeltoren’
Per 31 december 2006/2005 bedroeg dit fonds
Aankoop schilderij W. B. Tholen, ‘Twee botters op
helling te Monnickendam’
Zwarte krijttekening voorstellende Speeltoren van
Monnickendam door A. Colnot
Bijgeboekt aan rente
Per 31 december 2007/2006 bedroeg dit fonds
6.332,89
–
650,00
644,63
20.874,92
–
655,10
20.880,29
Fonds ‘Gouwzeewerf’
Per 31 december 2006/2005 bedroeg dit fonds
Bijgeboekt aan rente
Per 31 december 2007/2006 bedroeg dit fonds
10.284,85
317,52
10.602,37
10.037,26
247,59
10.284,85
3.236,58
1.859,60
1.000,00
3.177,00
450,00
30,00
1.154,42
9.753,18
2.811,08
2.020,40
1.000,00
3.177,00
Schulden
Ontvangen in 2007/2006 aan contributie 2008/2007
Overschot excursies 1985 t/m 2007
Algemene onkosten
Stichting ‘Museum de Speeltoren’
Te betalen vergaderkosten
Stichting Vrienden van de Grote en Lutherse Kerk
Te betalen drukkosten jaarboek 2006
268
398,00
10.560,90
VOM_jaarboek08_PENNINGM:M'damboek
12-05-2008
17:38
Pagina 269
verslag van de penningmeester over het jaar 2007
Begroting 2008
2008
H
2007
H
Rekening van baten en lasten
Baten
Contributies
Interest
Winst op verkopen
Totaal baten
12.000,00
1.500,00
1.500,00
15.000,00
12.500,00
1.700,00
1.000,00
15.200,00
Lasten
Algemene kosten, zoals drukwerk,
porti, kosten ledenvergadering,
lezingen enz.
Drukwerk jaarboek
Stichting restauratie Grote Kerk
Verzekering premies
Kosten website
Kosten Verkeerscirculatie en parkeren
Bijdrage in exploitatie ‘Museum de Speeltoren’
Totaal lasten
4.500,00
4.500,00
100,00
500,00
300,00
500,00
3.177,00
13.577,00
4.000,00
5.500,00
398,00
500,00
1.000,00
1.500,00
3.177,00
16.075,00
De baten worden begroot op
De lasten worden begroot op
Begroot nadelig/voordelig saldo
15.000,00
13.577,00
1.423,00
15.200,00
16.075,00
875,00 -
Toelichting
Voor 2008 verwachten we geen nieuwe boeken uit te geven. Vandaar dat een positief resultaat wordt begroot.
De kosten ‘website’ betreft het onderhoud van de website van de vereniging.
De kosten verkeerscirculatie en parkeren betreft te maken kosten voor het ontwikkelen van een alternatief plan voor een aantrekkelijk, veilig en bereikbaar
Monnickendam.
269
VOM_jaarboek08_JV STADSGIDSEN:M'damboek
12-05-2008
17:42
Pagina 270
Jaarverslag 2007 van de Stadsgidsen
Het jaar begon met de overdracht van het voorzitterschap door Harry Voogel
aan Greetje de Haan. Samen met Joop Klaver als penningmeester behartigde zij
dit jaar de belangen van de stadsgidsen.
In de wintermaanden zijn er een aantal bijspijkeravonden gehouden in de kosterij van de Grote Kerk waarvoor steeds twee mensen 30 vragen maakten. De
thema’s kerken en kerkelijk leven (Marten en Wim), bestuur en handel (Pieternel en
Greetje) en oorlogszaken en schutterij (Ed en Luit) kwamen aan de orde. Niet eenvoudig maar wel heel nuttig en ook gezellig. We zijn van plan om de eerste
maanden van 2008 weer een drietal avonden te organiseren.
Op 14 april brachten we een bezoek aan het Waterlands Archief, waar we van
Jaap Haag een uitgebreide lezing en rondleiding kregen.
Voor 8 december staat een bezoek aan het Amsterdams Historisch Museum op
het programma waar Peter Wagemakers ons een rondleiding zal geven over het
ontstaan en de geschiedenis van Amsterdam.
Luit ontwierp een nieuwe folder die op verschillende plaatsen verspreid werd,
o.m. het nieuwe gezondheidscentrum, de bibliotheek, de camping Uitdam, de
VVV Amsterdam en die ook op aanvraag gestuurd werd. Verder hebben we regelmatig gepubliceerd in de huis- aan huisbladen en hadden we een interview
met het Witte Weekblad.
Voor de website van de Vereniging Oud Monnickendam hebben we een stukje
geleverd (zie www.oudmonnickendam.nl). Het is de bedoeling dat aanmeldingen die via deze site binnenkomen naar ons doorgestuurd worden en men kan
via de site ook contact opnemen per e-mail:
rondleidingenAoudmonnickendam.nl
Voor publiciteit missen we overigens beslist een VVV in Monnickendam en we
moeten erover nadenken hoe we aan publiciteit meer vorm kunnen geven.
270
VOM_jaarboek08_JV STADSGIDSEN:M'damboek
12-05-2008
17:42
Pagina 271
jaarverslag 2007 van de stadsgidsen
De meeste aanvragen voor een rondleiding waren in de maanden april en mei en
vanaf half augustus tot eind september. Er waren in verhouding veel aanvragen
in combinatie met een boottochtje wat er toe leidde dat er in september in verband met slecht weer ook een aantal afzeggingen waren.
In totaal hebben we, tot eind oktober 955 mensen rondgeleid. Er zijn nog een
paar aanvragen voor november en december.
De vrijdagavonden zijn redelijk goed bezocht met in totaal 44 bezoekers.
Er hebben zich een paar mensen aangemeld die in de toekomst graag stadsgids
willen worden.
Greetje de Haan
9 november 2007
271
Werk van Lies van der Sluis (foto Thijs Quispel)
272
Stichting Museum de Speeltoren – jaarverslag 2007
Tentoonstellingen in 2007
Historie en hedendaagse kunst in Museum de Speeltoren
Op de inspraakavond in de Lutherse Kerk over de nieuwe behuizing in september 2005 gaf een groot deel van de aanwezigen aan dat zij graag ook hedendaagse kunst in het nieuwe museum wilden zien. Het bestuur geeft daar graag invulling aan en om eens de proef op de som te nemen hadden we besloten dit als
experiment op te pakken. Wij hebben samenwerking gezocht met Stichting
Kunst Kijken Monnickendam, bekend van de tweejaarlijkse Kunst Kijk-dagen.
Door kunstenaars de gelegenheid te bieden hun werk te tonen, hebben wij gastvrij onze deuren opengezet voor een nieuwe tijd en nieuwe bezoekers. De bovenverdieping bleef exclusief voor de historie gereserveerd en ook beneden zijn
verschillende stukken historie blijven staan. We hadden één affiche en allesomvattende titel voor het hele seizoen Historie en hedendaagse kunst in Museum de
Speeltoren. Dit om aan te geven dat er dit seizoen iets geheel nieuws stond te gebeuren in het museum.
Traditioneel openden we in het museumweekend (14/15 april). De aftrap van het
experiment werd gedaan door twee Waterlandse kunstenaars: Lies van der Sluis
en Theo Koeten.
Lies van der Sluis toonde monumentale beelden, weliswaar abstract maar geïnspireerd door de natuur. Van Theo Koeten, prijswinnaar van de Kodak Camera
d’Or prijs hingen enkele straatfoto’s op groot formaat in de benedenzaal.
In de tweede periode vulden de grote kleurrijke landschappen van Marie-José
Robben de benedenzaal.
Medio september, tijdens Kunst Kijken Monnickendam, was de bekende Broeker fotograaf Olaf Klijn onze gast. Het thema van KKM was dit jaar architectuur, Olaf Klijn exposeerde dan ook architectuurfoto’s. Deze foto’s waren niet
allemaal gemaakt in Waterland. Wel werd in deze tijd het nieuwe fotoboek van
Olaf Klijn over Waterland gepresenteerd. Het museum heeft in dit (gratis)
273
weekend erg veel bezoekers getrokken. Dit werk is tot de sluiting van het museum op 14 oktober blijven hangen. Mede door deze grote interesse – zie ook de
bezoekcijfers - hebben we toch een succesvol museumseizoen achter de rug.
Onbekend maakt onbemind en iets nieuws introduceren is niet altijd gemakkelijk. Naast enthousiaste reacties hebben we veel kritische opmerkingen ontvangen. In de bijeenkomst met suppoosten van 20 november 2007 hebben we de
tentoonstellingen en de reacties geëvalueerd. Uitkomst was dat in een nieuwe
behuizing hedendaagse kunst zeker in De Speeltoren geëxposeerd moet worden, maar dat in de huidige opzet het te overheersend is. Het museum is er nu
eenvoudigweg te klein voor. Bezoekers verwachten historische kunst en schrikken als zij dan geconfronteerd worden met een beperkt aantal moderne kunstwerken op de benedenetage. De foto’s van Olaf Klijn zijn toegankelijker en hebben een link met Waterland. Zij konden op bijval rekenen.
Nieuwbouw Museum de Speeltoren: de stand tot nu toe
Voor de trouwe volgers van ons nieuwbouwnieuws eindelijk eens geen klaagzang hoe traag het loopt en hoe we wachten op ambtelijke beslissingen. Als bestuur hebben we ons in 2007 rekenschap gegeven van de procesgang tot dan toe
en van de obstakels die ons nog wachten. We hebben ons het nieuwbouwproject
van Museum In ’t Houten Huis in de Rijp tot voorbeeld gesteld. Dat leverde het
inzicht op dat we als bestuur te klein zijn en daardoor te weinig slagvaardig
kunnen opereren. In de Rijp werd het project gedragen door een brede groep uit
de bevolking die in allerlei werkgroepen hun tanden zetten in de diverse aspecten van een museaal nieuwbouwproject. Er waren in de Rijp professionals bij op
juridisch en financieel gebied, gemotiveerde vrijwilligers en er was een sterke
betrokkenheid vanuit de gemeentelijke en provinciale overheid. Met die ervaringen zijn een aantal bestuursleden van Oud-Monnickendam en de Speeltoren
nieuwe vrijwilligers gaan werven. Dat heeft in november geleid tot een drukbezochte bijeenkomst waaraan behalve de leden van beide besturen een vijftiental
enthousiaste Monnickendammers heeft deelgenomen. Later hebben zich nog
enkele enthousiaste mensen gemeld. Er zijn een aantal werkgroepen opgericht
met elk een ‘voorzitter’. Deze voorzitters vormen de Stuurgroep welke in 2008
regelmatig bijeen zal komen. Dit brede maatschappelijke draagvlak en daarmee
de toevloed aan deskundigheid op juridisch, bouwkundig, financieel en communicatief gebied hebben bij het bestuur van De Speeltoren het vuur opnieuw
doen opvlammen, onze motivatie is weer terug op het oude niveau. De eerste
sessies met de stuurgroep hebben inmiddels plaatsgevonden en begin 2008
wordt er eerst gewerkt aan een goed stappenplan, gefundeerde begrotingen,
exploitatieberekeningen en een communicatieplan. Dan volgt de eerste zeer be274
stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2007
langrijke fase: een heldere overlegstructuur met de gemeente en daaruit volgend besluitvorming over gemeentelijke participatie op financieel gebied en
over de eigendom- cq. beheersvormen van het nieuwe pand. Want alleen na
overeenstemming over die fundamentele zaken kunnen de werkgroepen de
wijde wereld van sponsors, subsidiënten, museumdeskundigen en aanbevelingscomités intrekken. En, nieuwe deelnemers aan dit proces zijn nog steeds
welkom: aanmelden bij Frans Fontaine infoAdespeeltoren.nl.
Wat ons betreft moet 2008 het jaar van de waarheid worden, het is nu of nooit
meer!
Aanwinsten
Door de Vereniging Oud-Monnickendam is een kunstwerk aangekocht, vervaardigd door de schilder A. Colnot. Het is een afbeelding van de Waag en Speeltoren.
De heer J Lambalk gaf ons een drietal flesjes en twee kruikjes die waren opgebaggerd uit de gracht langs de Zuidervesting ter hoogte van het Schapenweitje.
Mevrouw S. Duif schonk een fragment van een pijpaarden beeldje dat was gevonden achter de Grote Kerk.
En van de heer D. Oud uit Barendrecht kregen we een in 1901 uit Meppel verzonden ansichtkaart met daarop een foto van de toenmalige draaibrug aan de zuidelijke ingang van Monnickendam. Dit was de voorloper van de in 1903 gebouwde draaibrug die oudere Monnickendammers nog kennen als de ‘brug van
Reijer Oud’.
Uit de nalatenschap van Jan Groot kregen wij een doos met krantenknipsels en
enkele documenten waaronder een weegregister (Monnickendam, 1896-1899)
en kiezerslijsten (Monnickendam, 1905 en 1914).
Schenkers hartelijk dank.
Bezoekers
Het totaal museumbezoek in 2007 was in vergelijk met voorgaande jaren vrij
hoog. Het aantal bezoekers gedurende het seizoen viel wat tegen maar tijdens het
weekend van ‘Kunst Kijken Monnickendam’ mochten we ruim 800 bezoekers begroeten en ook tijdens het naseizoen werd ons museum redelijk goed bezocht.
De aantallen bezoekers die wij dit jaar en in voorgaande jaren mochten verwelkomen zijn:
Jaar
Bezoekers
2007
2249
2006
1464
2005
1689
2004
1279
2003
1488
2002
1127
2001
1501
275
Stichting Museum de Speeltoren – financieel verslag 2007
Balans
31-12-07
H
Activa
Inventaris
Voorraden
Vorderingen
Subtotaal
31-12-06
H
1
1
3.651
3.653
1
1
3.476
3.478
Liquide middelen
43.070
38.481
Totaal activa
46.724
41.959
Passiva
Vermogen
13.653
13.514
Voorzieningen
Gebouw en inventaris
Collectie
Totaal voorzieningen
19.097
13.931
33.028
16.197
12.131
28.328
43
117
46.724
41.959
Kortlopende schulden
Totaal passiva
276
stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2007
Exploitatierekening
Baten
Entreegelden
Subsidie gemeente Waterland
Bijdragen Vrienden van het museum
Donaties en bijdragen
Verkoop artikelen
Rentebaten
Diverse baten
Totaal baten
Lasten
Presentatiekosten
Bureaukosten
Collectie
Gebouw en inventaris
Aankoop artikelen
Vaste lasten
Diversen
Totaal lasten
Exploitatiesaldo
2007
H
2006
H
958
250
6.050
3.716
383
835
84
12.276
1.028
250
6.407
3.632
555
617
66
12.554
1.652
317
1.800
2.960
59
5.349
0
12.137
741
585
2.460
3.779
0
4.791
57
12.412
139
143
Toelichting algemeen
De grondslagen voor de waardering van de activa en de passiva en de bepaling
van het exploitatieresultaat zijn gebaseerd op historische kosten.
Voor zover niet anders is vermeld, worden de activa en de passiva opgenomen
tegen nominale waarde. De baten en lasten zijn zoveel mogelijk toegerekend
aan het jaar waarop zij betrekking hebben.
Inventaris en voorraad
De inventaris en de voorraad zijn gewaardeerd op het symbolische bedrag van
H 1,-. De baten worden verantwoord op het moment van verkoop. De kosten zijn
ten laste van het resultaat gebracht op het moment van inkoop.
277
Toelichting op de balans
H
Vorderingen
Vereniging Oud Monnickendam
Te vorderen BTW
Overige vorderingen w.o. rente
Liquide middelen
Kas
Rabobank
Postbank
2.658
158
835
3.651
197
41.479
1.395
43.070
Vermogen
1 januari 2007
Dotatie exploitatieresultaat 2007
31 december 2007
13.514
139
13.653
Voorzieningen voor gebouw en inventaris
1 januari 2007
Dotatie 2007
31 december 2007
16.197
2.900
19.097
Voorzieningen voor collectie
1 januari 2007
Dotatie 2007
31 december 2007
12.131
1.800
13.931
Bij de gedane dotaties is, in verband met onze plannen voor het bouwen en inrichten van een nieuw museum, sterk de nadruk gelegd dat zij gebruikt worden
voor voorzieningen voor gebouw en inventaris.
Toelichting op de exploitatierekening
Entreegelden
Van de 2249 bezoekers die het museum gedurende het jaar 2007 hebben bezocht
is een bedrag ad H 958 aan entreegelden geïnd.
De toegangsprijzen bedroegen gedurende 2006 H 1,50 voor volwassenen en
H 0,50 voor kinderen. De toegang is gratis voor houders van een museumkaart
278
stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2007
en voor de Vrienden van Stichting Museum De Speeltoren met hun introducés
(zie voor informatie elders in dit jaarboek). Ook is dit jaar aan een groot aantal
bezoekers gratis toegang verleend door onze deelname aan de manifestatie
‘Kunst Kijken Monnickendam’.
Subsidie
Van de gemeente Waterland heeft de Stichting in 2007 een bijdrage van ontvangen van H 250. Deze subsidie is door de gemeente vastgesteld als een ‘waarderingssubsidie’ die jaarlijks wordt verstrekt mits aan een aantal voorwaarden
wordt voldaan.
Donaties en bijdragen
Vrienden van het museum (zie apart hoofdstuk)
Vereniging Oud Monnickendam
Stichting Museumkaart
Gift
Totaal
H
6.050
3.177
339
200
9.766
De vriend van ons museum Jan Meijer, die ons ook regelmatig als suppoost behulpzaam is, heeft ter gelegenheid van zijn 50e verjaardag een geldinzameling
gehouden. De opbrengst had hij deels bestemd voor de Grote Kerk en deels voor
ons museum. Wij mochten een gift van H 200 in ontvangst nemen. Nog heel
hartelijk bedankt Jan, we vinden het een idee dat navolging verdiend. Het bedrag is toegevoegd aan de voorziening voor gebouw en inventaris.
Verkopen
De verkopen via de museumwinkel hebben gedurende 2007 geleid tot een bate
van H 383.
Presentatiekosten
Suppoosten
Publicatie, presentatie en website
Diversen
Totaal
Bureaukosten
Telefoonkosten
Diversen
Totaal
›
H
376
478
798
1.652
248
69
317
279
›
Vaste lasten
Gas, water en elektra
Huur
OZB, rioolrecht, verontreinigingsheffing
Diversen
Totaal
H
1.618
2.568
399
764
5.349
Vrienden van Museum De Speeltoren
Dit jaar mochten we van 595 Vrienden van Stichting Museum de Speeltoren een
bijdrage ontvangen, in de jaren’06, ‘05 en ‘04 waren dit er resp. 709, 757 en 669.
Het totaal van de ontvangen bijdragen was H 6.050 (’06 H 6.407, ‘05 H 6.618 en
‘04 H 5.562).
Vrienden hartelijk dank. Helaas hebben we moeten constateren dat het aantal
vrienden iets is verminderd t.o.v. de voorgaande jaren. Uw bijdragen zijn heel
hard nodig voor behoud en uitbreiding van de collectie en de exploitatie van
het museum.
Men kan vriend van Museum De Speeltoren worden door minimaal H 5,00 over
te maken op giro 4461088 t.n.v. Vrienden van Museum De Speeltoren te Monnickendam, of door middel van de acceptgirokaart die de Vereniging Oud Monnickendam bij de rondzending toevoegt.
Men krijgt dan voor het volgende jaar een vriendenkaart die een jaar lang gratis
toegang geeft tot ons museum voor de vriend en zijn/haar introducés.
280

Vergelijkbare documenten