Lees meer - Anna van Leeuwen

Commentaren

Transcriptie

Lees meer - Anna van Leeuwen
Anna van Leeuwen
Hard//hoofd
28 oktober 2010
de luie
dichter
de luie
dichter
zoekt
inspiratie
dichterbij dan
van elders
en vertrouwd
van dagelijks
bezoek
haar kruidenier
haar blik
glijdt langs
de berichten
snel want niet
op zoek naar
fietsen of
hulp maar
met beknopte
middelen een
heldere boodschap
verdoezeld in
stilistische wanorde
vangt haar
blik
nooit van
plagiaat beticht
welke recensent die
zichzelf serieus
neemt
neemt
de moeite om
daar te kijken
waar
de blik van
de luie
dichter
gleed?
prachtig zo
herkenbaar en
gevat direct en
toch vervuld van
sociale
betrokkenheid laadde
zij de boodschappen
die zij kocht
van haar
bundel
in veelvoud
verkocht in haar tas
terwijl
de schoonmaakster
als nodig dan
kopieert zij wat
zij vindt
weerloos want
haar blik
glijdt
nu eenmaal
Uit de recensie door Roos Verschoor van de bestseller poëziebundel Buiten daar
gelaten de regen:
De atonale schrijfster van dit tricolor heeft veel te raden overgelaten aan
de lezer. De elliptische zinnen van het gedicht lijken mysterieus. De
onoplettende lezer zou het taalgebruik infantiel kunnen noemen. Maar dan
gaat hij voorbij aan de lading van dit terzine. Als we de werkwoorden
nader bekijken, dan zien we dat deze alle vier staan voor noodroepen. “Ik
opzoek”, is waar het begint. Deze vrouw, aan het eind van haar Latijn, is
opzoek naar iets, ze kan de woorden niet meer vinden en in haar paniek
komen de zinnen er slechts in delen uit. Het is belangrijk om te zien dat dit
‘opzoek’ een neologisme betreft: “opzoek” is samengesmolten. Zij is niet
bezig met zoeken, maar zij ís op, leeg, uitgeput en vanuit die emotie
begint het zoeken. Zij is op en zoekt.
Bovendien moet zij oppassen. Er is duidelijk een dreiging. Dit blijkt ook uit
het volgende werkwoord waarin de klinker “AY” is opgenomen. Een
noodkreet (aiaiaiai), op een dringende manier. Aaai als noodzakelijkheid:
Strayken als nodig. Nodig is hier uiteraard een eufemisme. Hier wordt ook
duidelijk gezinspeeld op strijden, als het nodig is moet er gestreden
worden.
Het einde is dan ook des te schrijnender: bel me, roep mij, noem mijn
naam. Bevestig mijn bestaan, voorzie mij van een leven, help me. De
prolepsis waar het gedicht mee begint, schoonmaakster, wordt hier
aangespoord. De dichteres is op zoek naar iemand die haar leven
schoonmaakt, haar redt uit de klauwen van het kwaad. Wie of wat het
kwaad mag wezen, kunnen wij slechts vrezen.