4.6 Het was tien uur, en Haresh en de overige jongemannen die in

Commentaren

Transcriptie

4.6 Het was tien uur, en Haresh en de overige jongemannen die in
4.6
Het was tien uur, en Haresh en de overige jongemannen die in de huiskamer van
Sunil Patwardhans woning in de buurt van de universiteit zaten en stonden,
verkeerden in een tevreden roes van alcohol vermengd met uitgelatenheid.
Sunil Patwardhan was wiskundedocent aan de universiteit van Brahmpur.
Haresh en hij waren bevriend geweest toen ze aan St Stephen’s College in Delhi
studeerden; na Haresh’ vertrek naar Engeland om het schoenenvak te leren
hadden ze jarenlang geen contact meer met elkaar gehad en alleen via
wederzijdse vrienden weleens wat van elkaar gehoord. Hoewel Sunil wiskundige
was had hij op St Stephen’s een reputatie als fuifnummer genoten. Hij was groot
en nogal gezet, maar met zijn indolente energie, zijn lijzige humor en de Urdughazelen en Shakespeare-citaten die hij altijd paraat had viel hij bij veel vrouwen
in de smaak. Drinken mocht hij ook graag, en in zijn studietijd had hij Haresh aan
de drank proberen te krijgen; zonder succes, want die was toen geheelonthouder.
Als student vond Sunil Patwardhan het voldoende zich per twee weken één
echt wiskundig inzicht eigen te maken; de rest van de tijd besteedde hij geen
aandacht aan zijn studie, en hij behaalde uitstekende resultaten. Nu hij docent
was viel het hem zwaar zijn studenten een academische discipline op te leggen
waar hij zelf niet aan hechtte.
Hij was opgetogen Haresh na al die jaren weer te zien. Haresh had hem,
geheel in stijl, niet laten weten dat hij voor zijn werk naar Brahmpur kwam, maar
had een dag of drie geleden opeens bij hem voor de deur gestaan, zijn bagage in
de zitkamer gezet, was een halfuurtje blijven praten en had zich toen ergens heen
gespoed, iets onbegrijpelijks mompelend over microfiches en leerbord.
‘Hier, voor jou,’ had hij voor hij wegging nog gezegd, terwijl hij een
kartonnen schoenendoos op de salontafel zette.
Toen Sunil die openmaakte was hij verrukt. Haresh zei: ‘Ik weet dat je nooit
iets anders draagt dan brogues.’
‘Maar hoe wist je mijn maat nog?’
Lachend zei Haresh: ‘Voor mij zijn voeten net auto’s. Ik onthoud gewoon
hoe groot ze zijn; vraag me niet hoe. En jouw voeten zijn net Rolls-Royces.’
Sunil herinnerde zich die keer dat hij en nog een stel vrienden Haresh –
ergerlijk zelfverzekerd als altijd – hadden uitgedaagd om van een afstand het
merk te noemen van alle vijftig auto’s die vanwege een of andere officiële
ontvangst voor het universiteitsgebouw geparkeerd stonden. Haresh had zich niet
éénmaal vergist. Gezien zijn nagenoeg onfeilbare geheugen voor voorwerpen was
het vreemd dat hij met maar een matig gemiddelde voor zijn doctoraal Engels
was geslaagd en zijn scriptie voor poëzie had ontsierd met tal van onjuiste
citaten.
God mag weten, dacht Sunil, hoe hij in de schoenenhandel verzeild is
geraakt, maar het zal hem wel bevallen. Voor de wereld en hemzelf zou het een
drama zijn geweest als hij academicus was geworden, zoals ik. Het is eerder
wonderlijk dat hij überhaupt ooit Engels heeft willen studeren.
‘Mooi! Nu je hier bent gaan we een feestje geven,’ had Sunil gezegd. ‘Net
als in de goeie ouwe tijd. Ik vraag wel een stel oud-stephenianen die in Brahmpur
zitten, en een paar van mijn levendigste universiteitscollega’s. Maar als je
frisdrank wilt zul je die zelf mee moeten nemen.’
Haresh had beloofd dat hij zou proberen te komen ‘als het werk het toeliet’.
Sunil had gedreigd hem in de ban te doen als hij niet kwam.
Nu was hij er dan, alleen praatte hij aan één stuk door geestdriftig over zijn
verrichtingen van die dag.
‘O Haresh, hou toch eens over die chamars en die microfiches van je,’ zei
Sunil. ‘Dat interesseert ons allemaal niet. Hoe is het eigenlijk afgelopen met dat
sikhmeisje waar je achteraanzat toen je je wilde haren nog had?’
‘Dat was geen sardarni, dat was de weergaloze Kalpana Gaur,’ zei een
jonge historicus. Hij hield met een zo smachtend mogelijk gezicht zijn hoofd
schuin naar links, in een overdreven nabootsing van de idolate blik waarmee
Kalpana Gaur tijdens de Byron-colleges vanaf de overkant van de zaal naar
Haresh had zitten staren. Kalpana was destijds een van de weinige vrouwelijke
studenten op St Stephen’s.
‘Ach...,’ zei Sunil op de smalende toon van de expert. ‘Jij weet niet van de
hoed en de rand. Kalpana Gaur zat achter hem aan en hij zat achter de sardarni
aan. Die bracht hij serenades voor haar ouderlijk huis en stuurde hij brieven via
een postillon d’amour. Voor die sikhfamilie was het een onverdraaglijke gedachte
dat hun geliefde dochter met een lala zou trouwen. Als je nog meer
bijzonderheden wilt...’
‘Hij wordt meegesleept door zijn eigen stem,’ zei Haresh.
‘Zo is dat,’ zei Sunil. ‘Maar jij zat op een dwaalspoor met de jouwe. Je had
niet het meisje maar de moeder en de grootmoeder het hof moeten maken.’
‘Dank je feestelijk,’ zei Haresh.
‘Heb je eigenlijk nog contact met haar? Hoe heette ze ook weer...’
Haresh hielp hem niet verder. Hij was niet in de stemming om dit stelletje
sympathieke idioten te vertellen dat hij na al die jaren nog steeds smoorverliefd
op haar was... en dat hij naast zijn harde neuzen en contreforts een zilveromlijste
foto van haar in zijn koffer had zitten.
‘Trek die schoenen maar uit,’ zei hij tegen Sunil. ‘Ik wil ze terug.’
‘Varken dat je bent!’ zei Sunil. ‘Alleen omdat ik het even over de heiligste
der heiligen had...’
‘Ezel die je bent!’ antwoordde Haresh. ‘Ik eet ze heus niet op; over een paar
dagen krijg je ze terug.’
‘Wat moet je er dan mee?’
‘Als ik je dat zou vertellen, zou je je maar vervelen. Hup, trek uit.’
‘Hè wat, nu meteen?’
‘Ja, waarom niet? Nog een paar glazen en ik ben het vergeten, en dan lig jij
er straks mee in bed.’
‘O, vooruit dan maar!’ zei Sunil inschikkelijk en trok zijn schoenen uit.
‘Zo mag ik het zien,’ zei Haresh. ‘Ben je weer een centimeter naar mij
afgedaald. Wat een schitterende sokken,’ zei hij erachteraan toen Sunils vrolijke
roodgeruite katoenen sokken vol in het zicht kwamen.
‘Wah! wah!’ Van alle kanten kwamen waarderende kreten.
‘En wat een mooie enkels,’ ging Haresh verder. ‘Kom, geef eens een
voorstelling!’
‘Ontsteek de kroonluchters!’ riep iemand.
‘Breng de smaragden bokalen!’
‘Sprenkel de rozenolie rond!’
‘Leg een wit laken op de grond en hef entree!’
De jonge historicus liet het publiek met de geaffecteerde stembuigingen van
een officiële omroeper weten: ‘De beroemde courtisane Sunil Patwardhan zal ons
nu vergasten op haar eminente vertolking van de kathak-dans. Heer Krishna danst
met de melkmeisjes. “Kom,” zegt hij tot de gopi’s. “Kom tot mij. Wat valt er te
vrezen?”’
‘Tha-tha-thai-thai!’ zei een dronken fysicus, het geluid van danspassen
nabootsend.
‘Niks courtisane, pummel die je bent, artieste!’
‘Artíéste,’ zei de historicus met grote nadruk op de voorlaatste lettergreep.
‘Kom op, Sunil, we wachten.’
En Sunil, gedienstige kerel die hij was, voerde een paar klossende
danspasjes van een quasi-kathak uit terwijl zijn vrienden over de grond rolden
van het lachen. Met een onnozel, gemaakt schuchter lachje liet hij zijn mollige
kolos van een lijf door de kamer wervelen, nu eens een boek omgooiend, dan
weer iemands glas omstotend. Daarna stortte hij zich er helemaal in, en op zijn
uitbeelding van Krishna en de gopi’s – waarbij hij alle rollen speelde – liet hij een
geïmproviseerde scène volgen waarin de rector-magnificus van de universiteit
van Brahmpur (een berucht en allesbehalve kieskeurig rokkenjager) een zalvende
welkomstspeech afstak tegen de dichteres Sarojini Naidu, toen die als eregast
deelnam aan de Dies-festiviteiten. Slap van het lachen smeekten zijn vrienden
hem ermee op te houden ofwel er juist voor eeuwig mee door te gaan.

Vergelijkbare documenten