verhalen gebundeld downloaden

Commentaren

Transcriptie

verhalen gebundeld downloaden
Herinneringen
aan
Ravensbos
De persoonlijke verhalen
Herinneringen aan Ravensbos
Peter van Velzen
Willem Reijnders
Chris van der Linden
Wim Tijbosch
Huub Remmel
Paul van de Meulengraaf
Gerard Bouwmeister
Jo Hoen
Toon Maes
Andre van Kempen
Andre van Kempen ‘’De steppe zal bloeien’’
Johan Schepers
Jan de Boer
Kees Schilder
Frans Duijf
Sjef Engering
Toon van Buren Open brief aan Jozef Hoen
Henri van de Werd
Franklin Lafour
Gijs Okhuijsen O.M.I
Kees Braat
Jan Sterenborg
Henk Ganzeboom
Jan Egelmeers
Henk Wijnen
Toon van Buren "De heilige boom van de Bawòng"
Gerrit Damhuis
Willem Theloosen
In memoriam
Frans van Gorkum over zijn broer Henk van Gorkum
Paul van de Meulengraaf spreekt over Tonny Heller
Herinneringen na Ravensbos
Chris van der Linden over zijn periode net na Ravensbos
Peter van Velzen
1961 tot 1969
Leeftijd: 13-19
Ravensbos roept veel discussies en emoties los. Zowel positief als negatief.
Voor mij net als voor anderen waren het de belangrijke jaren van persoonlijke
groei en ontwikkeling. Voor mij is Ravensbos te verdelen in twee periodes van
drie jaar. De eerste drie jaar waren een ramp. Ik had er net drie jaar
kindertehuis ervaring opzitten en was er al enigszins aan gewend om te
verdwijnen in grote groepen. Ik had de wervingspater beloofd om nergens over
te praten en deed dat vervolgens ook niet en dat was makkelijk want niemand
vroeg iets. Maar gelukkig waren er verschillende mogelijkheden om iets te
doen met de eenzaamheid. Allereerst werd ik lid van het koor als sopraan om
het Halleluja van Handel te zingen en dat was een bijzondere ervaring.
Vervolgens probeerde ik de klarinet in de Harmonie. In de vrije uren kon ik
s’avonds in het klaslokaal oefenen. Klarinet of gitaar. Ik kon er van alles in kwijt.
De belangrijkste ervaring was de toneelclub onder leiding van Pater Palm.
Introvert en gesloten als ik was, kreeg ik les in declameren en leerde ik om te
gaan met verschillende uitingen van emoties door middel van spel. Ik kreeg
voornamelijk vrouwenrollen te spelen omdat ik er meisjesachtig uitzag. Dit
optreden voor grote groepen, voor een volle zaal, daar heb ik tot op de dag van
vandaag nog steeds veel profijt van.
In het laatste jaar van de lagere school kreeg ik LBO-advies. De eerste drie jaar
op Ravensbos was een gymnasium opleiding. Weliswaar geen erkende
opleiding, maar toch. Ik was een middelmatige leerling, met veel rode strepen
in mijn schriftjes en tot mijn verbazing kwam ik er elk jaar doorheen en dat was
waarschijnlijk te danken aan de studiestructuur en het strenge toezicht.
Ravensbos was nog in een oude staat. Klas- en studiezalen waren verwarmd.
De rest niet. De slaapzalen waren groot. In mijn herinnering lag ik er met heel
veel. Ik had al geleerd om alleen s’nachts en vooral in stilte te huilen en dat
lukte aardig. Bedplassen ook. Dat deed ik al jaren, maar ik wist al dat je met
handdoeken en lichaamswarmte de boel op tijd droog kon krijgen. Een
belangrijk voordeel: ik kan me niet herinneren dat ik ervoor werd gestraft.
Private vriendschappen waren verboden. Teveel en te vaak met iemand gezien
worden op de cour kon betekenen dat je daarover werd aangesproken. Kort
1
maar duidelijk. Het was ook niet de bedoeling dat je met hogere jaars optrok of
daaronder. Gewoon de eigen leeftijdsgroep.
Ik ging er van uit dat iedereen die daar was , net als ik een roeping had. Dat
betekende priester willen worden en zo werd me snel duidelijk als dit ideaal
onbereikbaar was, kon je ook broeder worden. Dan had je weliswaar geen
diploma's maar je kon je in allerlei vormen nuttig maken bijvoorbeeld op de
boerderij. Die roeping stond niet ter discussie, maar gold als vanzelfsprekend
en gek genoeg het hielp je door de meeste ellende heen.
Aan het eind van die eerste drie jaar kreeg ik een determinatie-gesprek. Ik
kreeg door dat buiten het seminarie nog een wereld bestond die eisen stelde,
zelfs aan de paters. De meesten waren onbevoegd en probeerden dit te
herstellen door zo snel mogelijk een onderwijsbevoegdheid te krijgen zodat de
opleiding op Ravensbos ook maatschappelijk zou worden erkend. Dat was een
inhaalslag die voor mij te laat kwam. Ik kreeg HBS-a advies en kon dit diploma
halen in Heerlen: het sint Bernadinus college.
De geslotenheid van Ravensbos in de eerste drie jaar brokkelde af in de laatste
drie jaar. Ik kreeg steeds meer mogelijkheden om te onderzoeken waar mijn
mogelijkheden en capaciteiten lagen. Redacteur worden bij studentenhaver,
toneelstukken en liedjes schrijven, optredens van de Harmonie hoewel ik nooit
verder ben gekomen dan de derde klarinet, een eigen muziek groepje vormen,
het carnaval en sinterklaasfeest organiseren. Onbegrijpelijke films bekijken van
Zweedse en Franse Cineasten op de filmclub in Heerlen. Mijn eenzaamheid kon
ik bestrijden met een overdosis aan humoristisch gedoe. Geleidelijk aan
sijpelde de wereld naar binnen en werden er meer vragen gesteld dan
antwoorden gegeven. Ik begon door te krijgen dat de wereld om mij heen niet
meer zo vanzelfsprekend was. Er kwamen geen roepingen meer binnen, meer
jongens met gedragsproblemen en/of opvoedingsproblemen thuis. De
toekomst van Ravensbos stond ter discussie, paters gingen weg zonder enige
uitleg, de sfeer werd conflictueus. De verbouwingen hadden veel geld gekost,
hoewel op dat moment een strikt noodzakelijke ingreep voor de continuïteit
van Ravensbos.
Ik heb later nog eens gevraagd wie mijn opleiding betaalde. Ik had OTS tot mijn
zestiende. De kinderrechter had aangeboden om mijn opleiding te betalen uit
een daarvoor bestemd potje bij Justitie. De opleiding koste toen 3000,- gulden
per jaar. Thuis hadden ze dat geld niet, of een beetje. Mijn moeder
accepteerde het geld van justitie niet. Ik ga er nu vanuit dat de oblaten mijn
2
opleiding hebben betaald. Het is nooit een onderwerp van gesprek geweest. De
feitelijke gang van zaken is mij onbekend.
Nu weet ik dat als ik niet naar Ravensbos was gegaan, ik mijn jaren in een
pleeggezin zou hebben doorgebracht met mogelijk een rampzalig perspectief.
Ravensbos was een eigen keus en tot op de dag van vandaag het beste wat me
toen is overkomen.
3
4
Willem Reijnders
Vier cruciale jaren van mijn leven
Bijna 40 jaar geleden inmiddels, in 1963, ik moest nog twaalf jaar worden,
kwam ik intern in Ravensbos, Kleinseminarie van de paters Oblaten van Maria.
Ik zou er bijna 4 jaar blijven. Deze vier intens beleefde jaren zouden de rest van
mijn leven bepalen, hoewel ik daar pas gaandeweg achter kwam.
Waarom ging ik naar deze kostschool?
Ik was op de lagere school getest en geschikt geacht om een gymnasiumopleiding te volgen. Mijn geboortedorp, Evertsoord in Noord-Limburg, was ver
weg gelegen van Venlo en Deurne, de plaatsen waar ik naar het gymnasium zou
kunnen gaan. Tevens was ik misdienaar in het klooster van de Oblaten van
Maria die in Evertsoord hun Noviciaat hadden. De deal was snel gemaakt: ik
kon naar Ravensbos.
Het is niet gemakkelijk geweest. Vooral in het begin had ik veel last van
heimwee, maar ik troostte me met de gedachte dat iedereen er last van had en
dat veel anderen er werkelijk nog slechter aan toe waren, sommige liepen zelfs
weg, naar huis...
Na verloop van tijd ging het beter. Ik had het druk met studeren en men deed
erg zijn best om een surrogaat voor de zo gemiste huiselijke warmte aan te
bieden. Ik sloot me aan bij het Gilde en heb echt veel dingen gedaan waar je als
jongen van 12, 13, 14 jaar aan toe bent: veel sport, spel we gingen op vakantie
naar Frankrijk.
Ik had een fijne klas, er waren veel jongens met wie ik goed overweg kon. Ik
heb veel gelachen met hen en we vormde als klas een hechte eenheid. Veel van
de passies die ik heb, zoals muziek, schaken en fietsen zijn te Ravensbos
geïnitieerd.
Na deze periode van relatieve acceptatie kwam onvermijdelijk de periode van
boosheid en opstand. Ik voelde me beknot in mijn vrijheid en kreeg steeds
meer conflicten met pater Steenbergen, de prefect.
5
Ik accepteerde niet dat er zo veel moest en zo weinig mocht. Ik luisterde
stiekum naar muziek, verborgen onder de dekens. We braken 's nachts uit. We
wilden nooit naar de kapper, de Beatles wezen ons de weg. We pikten appels
bij de buren. En werden daar dan ook voor gestraft, vaak klassikaal.
Ik kreeg ook steeds meer moeite met het feit dat ik op een priesteropleiding
zat. Als ik eerlijk was voelde ik niets van een roeping en ik zat dus met
oneigenlijke bedoelingen op deze school. Van tijd tot tijd werd ons toch wel
stevig op het hart gedrukt dat deze gevoelens eerlijk moesten zijn, vanuit het
klooster gezien terecht natuurlijk. De situatie bleek niet houdbaar te zijn. Toen
mijn vader in 1967 voor zijn werk naar Zaandam moest verhuizen zag ik de kans
schoon en volgde hem nadat ik het lopende trimester had afgemaakt. Ik kwam
op het Zaanlands Lyceum, een school met 1300 leerlingen, jongens maar vooral
ook meisjes. Ik kreeg de verwachtte aanpassingsmoeilijkheden, kwam er door
heen en sloot een bewogen fase in mijn leven, de middelbare school met een
diploma af.
Na mijn overstap hield ik nog even contact met enkele jongens van mijn klas te
Ravensbos. Maar dat verwaterde na enige tijd en hield tenslotte op.
Er volgde een tijd van opluchting en verdringen, opluchting omdat Ravensbos
verleden tijd was en verdringing omdat je niet herinnerd wilde worden aan
deze periode.
Jaren verstreken tot het begon te knagen. Op mijn vele fietstochten kwam ik
regelmatig in de buurt van Valkenburg. Ik begon me af te vragen wat er
geworden was van het mooie witte gebouw. Ik kwam vaak in de buurt, maar
durfde de stoute schoenen niet aan te trekken en aan te bellen.
Tot het moment kwam dat ik wel durfde en aanbelde. Broeder Jan
Schoonenberg deed open, herkende mij tot mijn stomme verbazing en aan de
koffie met vlaai werd ik bijgepraat over alles wat er met het klooster en haar
bewoners was gebeurd. Ik mocht vrijelijk dwalen door de gangen van het
gebouw en alles wat Ravensbos voor mij geweest was. De tijd had stil gestaan,
er was niets veranderd, daar was trouwens ook geen geld voor.
Ik vond het prachtig, ik was blij dat ik de stap gezet had. In de jaren die volgden
heb ik het klooster vele malen bezocht, met vrienden, met mijn vrouw, met
mijn kinderen.
6
Wat ik miste was een echte uitwisseling van lotgenoten. De jongens die het
zelfde hadden meegemaakt, samen met mij. Ik ben op zoek gegaan, maar de
adressen van weleer bestonden niet meer, ze waren verhuisd, kortom: het was
te lang geleden, dacht ik.
Enkele jaren geleden bleek het klooster te zijn verkocht aan een paardenhandelaar. Jomanda maakt gebruik van de kapel om haar spirituele waar aan
de man te brengen. Het klooster is voor mij fysiek niet meer toegankelijk.
Tot ik enige tijd geleden op het onvolprezen internet bij toeval stuitte op een
website die geheel gaat over Ravensbos. www.ravensbos.nl
Het verleden kwam plotseling heel erg dicht bij. De stap die gezet moest
worden was het sturen van een email naar Peter van Velzen, de webmaster van
de site. Aldus geschiedde.
Ik ben er van overtuigd dat er veel jongens van nu 50 met de zelfde
nostalgische gevoelens rondlopen. Ik hoop dat zij op het spoor komen van deze
website zodat een hernieuwde ontmoeting kan plaatsvinden. Misschien valt die
dan tegen, misschien is het een geweldige ervaring. Ik wil het proberen.
7
8
Chris van der Linden
Dag programma Ravensbos 1960 1961
Dagindeling 1960 tot 1961 voor de jongste
jongens
op de maandag, dinsdag, donderdag en
vrijdag
06.15 tot 06.45
06.45 tot 07.15
07.15 tot 07.30
07.15 tot 08.00
07.45 tot 08.00
08.00 tot 08.15
08.20 tot 09.10
09.10 tot 10.00
10.00 tot 10.10
10.10 tot 11.00
11.00 tot 11.50
11.50 tot 12.00
12.00 tot 12.10
12.10 tot 12.30
12.30
12.35 tot 13.25
13.30 tot 14.20
14.20 tot 15.10
15.10 tot 15.20
15.20 tot 16.10
16.10 tot 16.30
16.30 tot 18.00
wekken door prefect of diens hulp, een frater
wassen en aankleden
wachten in de studiezaal en voorbereiden op
dagactiviteiten
vieren van de eucharistie in de kapel en
eventueel mis dienen
ontbijten in de refter; enkelen zetten theekannen
en brood op tafels
dienen van een mis aan een zij of achter altaar in
de kapel
afruimen, schoonmaken en weer dekken van
tafels in de refter
afwassen en afdrogen in de keuken
aardappels pitten op de boerderij
pauzeren
studeren in de studiezaal
les I
les II
kleine pauze
les III
les IV
kleine pauze
bidden rozenhoedje in de buitenruimte van
Ravensbos
warm eten in de refter; enkelen zorgen voor de
bediening van alle tafels
afruimen, schoonmaken en weer dekken van
tafels
afwassen en afdrogen in de keuken
uitdelen op de cour van binnengekomen post
grote pauze
les V
les VI
kleine pauze
les VII
pauze met boterham
studeren in de studiezaal
9
18.00 tot 18.10
18.10 tot 18.45
18.45 tot 19.00
19.00 tot 19.15
19.15 tot 20.00
20.00 tot 21.00
21.00
Voor de woensdag
06.15 tot 12.35
12.35 tot 16.30
16.30 tot 21.00
Voor de zaterdag
06.15 tot 12.35
12.35 tot 16.30
16.30 tot 18.00
18.00 tot 18.45
18.45 tot 19.00
19.00 tot 19.15
19.15 tot 21.30
21.30
Voor de zondag
6.45
07.30 tot 08.30
08.30 tot 09.00
9.00
09.30 tot 10.00
12.00
12.30 tot 13.00
13.00
17.00 tot 18.30
18.30 tot 19.00
19.00 tot 19.30
19.30
kleine pauze
studeren in de studiezaal
lof in de kapel
broodmaaltijd met een warm hapje in de refter;
enkelen zetten thee/melkkannen en brood op
tafels
afruimen, schoonmaken en weer dekken van
tafels
afwassen en afdrogen in de keuken
grote pauze
studeren in de studiezaal
naar bed
zie hiervoor
wandelen en/of speciale programma's
zie hiervoor
zie bij maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag
douchen, vrije tijdsbesteding
studeren in de studiezaal
vrije tijd te besteden in studiezaal of
recreatieruimte of buiten
lof in de kapel
broodmaaltijd met warm hapje in de refter;
afruimen etc.
vrije tijd te besteden in studiezaal of
recreatieruimte of buiten
naar bed
wekken door prefect of diens hulp, een frater
wassen en aankleden
vieren van een hoogmis in de kapel en eventueel
mis dienen
ontbijten in de refter; afruimen etc.
vrije tijd
winkelen van zakgeld bij de prefect voor
tandpasta, potloden etc.
lenen van boeken van de huisbibliotheek
rozenhoedje
warm eten in de refter; afruimen etc.
vrije tijd
verplichte vrije tijdsbesteding in de studiezaal
uitgebreid lof zingen in de kapel
broodmaaltijd met warm hapje in de refter;
afruimen etc.
vrije tijd
10
21.00
naar bed
Valkenburg, september 1960
Ik heb heerlijk geslapen, hoor ergens een
wekker en zie zes uur op het horloge, dat ik
van opa na het hernieuwen van mijn
doopbeloften heb gekregen. Ik ga maar vast
naar de wc. Het is koud met blote voeten.
Wanneer ik terug mijn bed induik zie ik dat
meerdere jongens wakker zijn. Er wordt her
en der zachtjes gefluisterd.
Ik val weer in slaap tot het moment dat een
bel mij ruw tot de werkelijkheid roept.
11
12
Wim Tijbosch
Ravensbos 1964 - 1969 (11 - 16 jaar)
Ravensbos is voorbij. Jaren lang heb ik gehoopt om nog een keer een reünie
mee te maken in het gebouw waar ik mijn jeugd heb doorgebracht.
Herinneringen opdoen met medescholieren, de geur van de studiezalen
opsnuiven, de gangen, de kapel. Na ruim 30 jaar ging ik terug, maar beelden
van mijn jeugd vielen aan duigen.
Na enig zoeken was het statige gebouw van veraf al zichtbaar, maar dichtbij
gekomen bleek het in verval te zijn. Verveloos, daklijsten verrot, bomen
verdwenen, het park verwilderd, de cour vol containers en oud ijzer, de
hoofdingang vol rommel. Verkocht aan een paardenhandelaar; een deel in
gebruik door Jomanda. Thuis ging ik op internet zoeken naar Ravensbos en ik
was verrast toen ik na het intikken van 'Ravensbos' in Google meteen bij de site
www.ravensbos.nl kwam. Ik zag dezelfde foto's als in mijn fotoalbum en las de
verhalen. Ik kreeg een wee gevoel. In een mengeling van jeugdsentimenten
kwamen herinneringen boven.
Aardappels narapen in de brandende zon met de jerrycans limonade op de kar
achter de tractor, de processies door de velden in de frisse voorjaarsochtenden, de wandelingen door het Ravensbos, mijn eerste biertje in een
Valkenburgs café, de wandelingen over de holle weg naar Valkenberg, in de
dichte begroeiing achter de cour zoeken naar boomkikkertjes (die we natuurlijk
nooit vonden), met zijn allen appels plukken in de boomgaard, de ziekenzaal
waar je naar je transistorradiootje kon luisteren, de studiezalen met de
verplichte studie-uren die soms veel te lang duurden, de houten kruisbeeldjes
op de bureautjes, de slaapzalen, het klappen iedere ochtend van pater
Steenbergen, de prefect, om ons wakker te maken, de boerderij waar broeder
Coumans werkte, de harmonie van pater Bauhuis, het Gilde van pater
Lempens, de andere paters (Palm, Kok, Tromp, van Moorsel, Souren, van der
Zee (cicero), woolie boolie), de controle op maandagmorgen of ons haar niet te
lang werd (we drukten ons hoofd in de kraag van de bloes om niet te laten zien
dat de haren al weer te lang waren), iedere ochtend hoopvol kijken naar de
pakjes voor de deur van de prefect (slechts één keer lag er een pakje voor mij),
de eetzalen met de lange tafels en de paters aan de tafel aan het hoofd, de
potjes mosterd die we meesmokkelden naar de eetzaal, de appels die we 's
nachts gingen pikken uit de boomgaard aan de overkant van de weg, het
hostie-afval dat wij haalden uit de juten zakken op de boerderij (bang om
betrapt te worden door de boer of nog erger: de hond), achter de ruiten van
het slachthok van de boerderij kijken naar het slachten van een varken, de Sint
Bernardhond van Zwolsman, de carnavalsfeesten, het bouwen van de blokhut
13
voor het Gilde in het bos bij het kerkhof, de toneelstukken van Kameleon, het
wekelijkse schoenen poetsen, de meisjes die voor het eerst aanwezig waren
met carnaval, de voetbalwedstrijden, het schitterende park met de boksboom.
Natuurlijk, iedereen heeft sentimentele gevoelens bij zijn oude school, maar
Ravensbos was anders. Als kind van 11 jaar weg van je ouders. 1964, nog echte
kinderen waren we. Slechts drie keer per jaar enkele weken met vakantie naar
huis en daarna weer buiten afscheid nemen. De aardige kleine broeder, wiens
naam ik kwijt ben, ving ons op. Mijn ouders, die in Heerlen woonden, kwamen
op zaterdagavond langs om de was op te halen, maar zij mochten niet binnen
komen. In de auto - 's winters met draaiende motor om warm te blijven - las ik
snel mijn briefje voor met alles wat ik wilde vertellen en vragen. Het was een
andere tijd. Veel is nu niet meer voorstelbaar.
Ik ging naar Ravensbos in 1964, de tijd van het rijke roomse leven. Ik herinner
mij goed dat ik worstelde met de vraag: hoe weet je of je priester wilde
worden? Pater Lempens, familie van kennissen van mijn ouders kwam op
bezoek en het was geregeld.
Ik vertrok uit Ravensbos in 1969. De mammoetwet had zijn intrede gedaan..
Daardoor, en door de vele onbevoegde leraren, was het niet meer mogelijk om
op Ravensbos eindexamen te doen. Ik verliet Ravensbos om vanuit mijn
woonplaats, Heerlen, mijn opleiding af te maken. In 1973 behaalde ik mijn
atheneumdiploma op het St. Bernardinuscollege.
Ravensbos is voorbij, jeugdherinneringen blijven. Tijd werkt relativerend en ik
heb uiteindelijk toch vooral dierbare herinneringen aan Ravensbos. Dankzij de
site kwamen deze herinneringen weer boven en ik hoop met deze bijdrage wat
van deze herinneringen met anderen te hebben kunnen delen.
mei 2002
14
Huub Remmel
Mijn levensverhaal
En toen was Hupie Remmel daar geboren op de St. Nicolaasbergweg 11 in
Simpelveld.
De kindertijd was voor hem een eenzaam leven. Hij had geen vriendjes en
vriendinnetjes om mee te spelen. Hij had alleen zijn dierbare zusjes en buurtkinderen om mee om te gaan. Toen hij twaalf was, ging hij voor vier jaar naar
kostschool in Valkenburg. Dat was vooral een tijd van veel heimwee hebben
naar zijn ouderlijk huis.
Toen hij in het ouderlijk gezin terug was, begon de middelbare schooltijd. En
nog steeds geen vriendjes en vriendinnetjes. Hij was best wel een eenzame
jongen.
Dat veranderde toen hij na zij havo-examen naar Sittard vertrok om als student
aan de bibliotheekacademie te gaan studeren. Drie jaar deed hij erover om het
diploma tot assistent-bibliothecaris te halen. Hij maakte kennis met
medestudenten vooral met Toos, met wie hij jarenlang schriftelijk contact zou
hebben tot aan het eind van de tachtiger jaren. Zijn belangstelling voor filosofie
en letterkunde stamde uit deze periode. Ook films waren een doelwit. Hij ging
in die tijd veel naar de cinema en naar de schouwburg. Het zelfstandig wonen
beviel hem wel.
In 1978 studeerde hij af in Sittard en vertrok spoedig naar de grote stad
Amsterdam alwaar hij de vervolgopleiding voor bibliothecaris ging doen. Ja, dat
was het helemaal: Amsterdam. De stad van Sodom en Gomorra. Het wilde
leven! Met de studie wilde het niet vlotten. Op de studentenflat maakte hij
contact met andere studenten.
Daar begon eigenlijk het vormen van een vriendenkring. Ook in die tijd veel
aandacht voor het theaterleven en dat kon in deze grote stad. In 1980 deed hij
eindexamen maar hij slaagde niet en hij rolde meteen de bijstand in. Hij leerde
de scene kennen: de uitgaanswereld. In de tachtiger jaren, durf ik nu wel te
zeggen, drinkt hij inderdaad niet met mate. Hij experimenteerde met drugs en
alcohol. Toen in 1983 en 1984 zijn beide zussen stierven, was dat een grote
klap voor hem. En daar ben ik nog steeds niet overheen. Toen had de ziekte
zich voor het eerst geopenbaard: schizofrenie. Maar hij was nog vrij man. In het
beruchte jaar 1984 werd hij overspannen en hij vluchtte weg uit de stad
Amsterdam. Opeens was hij van stadsmens weer provinciaal geworden. Zijn
ouders konden hem niet opvangen. In 1988 maakte hij kennis met het
psychiatrische circuit. Zestien oktober 1988 was zijn eerste opname in
Welterhof te Heerlen. Sinds die tijd leeft hij als psychiatrisch cliënt.
15
Iedere dag slikt hij pillen. Ook hier maakt hij vrienden en vriendinnen. Oude
vrienden lieten hem stikken, en nieuwe vrienden boden zich bij hem aan. Dat is
leuk! Zeker leuk. Ik kan thans zeggen dat ik, ondanks buitensporig gedrag van
de laatste twintig jaar, een goede vrienden- en kennissenkring hier in Limburg
heb opgebouwd.
Op het moment woont hij op de Hofpoel te Brunssum, dat is een beschermde
woonvorm en let wel sinds 1994. Hier heeft hij het naar zijn zin en hij wordt
hier begeleid en gecontroleerd op buitensporig gedrag.
Voor de toekomst beloof ik mezelf een meer regulier leven en samen met mijn
maatje leuke en vooral leuke dingen te ondernemen.
Reunie
Terug van weg geweest
Achtervolgd en weg gevlucht uit de grote stad Amsterdam terug naar mijn
geboorteland Limburg.
Het dorp S. waar ik geboren ben is al lang niet meer wat het was toen ik mijn
kindertijd daar vertoefde. In 196.. ging ik naar het kloosterinternaat in V. waar
ik vier eenzame jaren verbleef. Leren deed ik er niet. Ik wou gewoon niet leren.
Op een dag toen pap me opzocht, riep ik in een woedeuitbarsting dat ik maar
schilder moest worden. En nog vroeger thuis moest ik naar boven naar bed
omdat ik de sommen maar niet wilde begrijpen. Wat bezielde mijn kindertijd?
Ik had een beschermde jeugd en trok samen met mijn zusjes met de buurtkinderen op. Mijn zusjes pleegden later zelfmoord en ik heb nog contact met R.
en daarmee heb ik nog een goede vriendschap.
Eens op een avond, het was weer zover, had ik weer een huilbui in het
internaat. Ik liep de poort uit en een broeder liep bezorgd een eind mee. Wat
heb je toch ? Kom toch terug! zei hij maar ik liep stug door ik huilde heel heel
hard. Op een gegeven moment was de broeder omgekeerd en ik liep maar
verder richting centrum, naar het station te V. Daar aangekomen ging ik naar
binnen en ik bestelde een kaartje voor S. De trein stond al te wachten. Ik stapte
in en de trein vertrok richting het dorp S. Later belde ik aan bij mijn
geboortehuis en al spoedig was er een grote opwinding binnen in het huis.
Iedereen behalve pap was aan het huilen. Ik was blij dat ik terug was. Pap ging
gauw naar de buren en belde het klooster op en hij kreeg te horen dat ik een
nacht kon blijven en dat ik de volgende dag maar terug naar het internaat
gebracht moest worden. En zo gebeurde. Later mocht ik om de twee weken
naar huis naar S. en daar had ik vrede mee. Elke vrijdagmiddag bracht pater K.
16
me naar het station in V. en zette me op de trein naar S. Tijdens de rit met de
brommer naar het station omarmde ik pater K. en ik voelde me veilig.
Zondagavond bracht pap me weer terug nadat ik een gelukkig weekend thuis
gehad had. Zo gingen de jaren voorbij.
En nu, na mijn studiejaren in Sittard en Amsterdam, was ik teruggekeerd in
Limburg en ik woonde in Br. waar ik een goed toeven had. Heimwee had ik niet
meer.
Huub Remmel
17
18
Paul van de Meulengraaf
Paul heeft een indrukwekkende lijst van vragen en het aardige is dat je hier zelf
een invulling aan kunt geven als je dat wilt, het kan je ook inspireren tot het
schrijven van een eigen verhaal mocht je moeite hebben met de details uit je
bitterzoet verleden op ons klein seminarie. Als je de antwoorden weet, laat het
ons weten.
Ravensbos items:
De bezetting (team)
Wie gaf welke lessen?
Wie gaf muziek?
Ook zij werkten op Ravensbos: Thij van Hout, Cor, Herman, bedrijfsleider
Laeven, tante Hanneke, dhr. Janssen, dhr. Jahai
Wie waren de nymphen?
Wie was de kapper?
Wie was de bibliothecaris?
Wie verzorgde de studieboeken?
Wie was de studieprefect?
Wie was de studiedirecteur?
Wie werden in 1958 op Ravensbos gewijd?
Wie is de famous Dutch-stained-glass-window-artist?
Wie werden bedoeld met "sur le dos" of Pin?
Wie reed de 'bril' zo overladen (en waarmee) dat slechts naar één richting
gestuurd kon worden?
Wat waren de belangrijkste vervoermiddelen en voor wie?
Wat was het huismerk auto en welke types?
Wat was het huismerk brommer / scooter / motor?
Wat maakte het meeste indruk in het museum?
Op wiens kamer werd in de wintermaanden met carnaval toch een vlieg
gevangen?
Wiens peuk werd ogenschijnlijk wel eens in de jus aangetroffen?
Wat is de relatie met de Cathedral in Cap de la Madeleine?
Wie organiseerde de ijsbaan met nachtelijke spuitpartijen?
Wie mende Bello?
Wie leidde Herman?
Wie liep er over de nok van het dak op de studentenvleugel?
Wie verzorgde de kippen; de koeien, de varkens, wie reed de trekker, wie
tuinierde, teelde fruit?
19
Wie bakte, knipte, kookte, slachtte, waste, schilderde, stookte, bouwde,
sloopte, repareerde, renoveerde, smeedde, laste, monteurde, etc. etc.
Wie onderhield de tuin/park?
Wie zorgde voor de centen?
Remember….
Wie waren de monitoren?
Wie waren organist?
Wie "draaide" en 'pitte'de aardappels?
Wie cementeerden de "Duitse vleugel" wit?
Wie waren de prinsen?
De pages?
Wie speelden een bijzondere voetbalwedstrijd ter voorkoming van de bouw
van een hoogspanningsmast op het voetbalveld?
Wie dempte de 'put' naast het kerkhof?
Waar lag het "beloofde land"?
Hoe werden de bieten gedund op "het beloofde land"?
Aardappels rapen op het "beloofde land"
Hooien, met vork en gaffel; geen tractor, dan zelf die grashark trekken.
Hooi binnen doen op de zolder boven de koestal
Kolen binnenrijden in de oude kolenkelder
Wie vingen ratten in het kippenhok (de brandslang)?
Wie losten vaak de Victoria mengvoeders (hoe zwaar waren die zakken ook al
weer?)
De clubs (niet zonder enige onderlinge rivaliteit)
De verkennerij
Het Gilde
De Cercle
De missieclub
De electroclub
De boekbinderij
De toneelclub Kameleon
Studentenhaver.
De wasverdelers
De kleermakerij
Scola Cantorum
Pianolessen
Harmonie, oefening, repetities en uitvoeringen, concoursen
Het koor met de favoriete uitvoeringsnummers
Geestelijke lezing
20
De briefjesronde bij aanvang van de studie
De broodbak
Vermaak op The allweather cour:
Rondjes draaien
Bokbokberrie
Standbal
Basketbal
Volley
Voetbal
Schaatsen (in de winter)
Op zaterdagmorgen verplicht zwemmen in Valkenburg (olv?)
Het rozenhoedje voor het middageten
De oude slaapzalen met hoge ziekenhuisbedden, nachtkastjes met losse emaile
wasbakjes!!
Wandelingen naar Kluis, Willemke , Klimmen, Meersen, in elk geval grote
rondes.
De (nog onverharde) Stoepert af, per fiets zo hard als kon, een krankzinnige
onderneming telkens weer. Ook later nog niet zonder gevaar!
Fietsen pas vanaf leerjaar twee/drie toegestaan.
De eerste rit: de Stoepert af (onverhard) naar de Cauberg!!! Je telde pas een
beetje mee als je in één keer zonder af te stappen boven was (versnelling
kenden we niet!)..
Brandnetelsoep koken en stokbrood bakken in de grindgroeve.
Op zondagmorgen heel vroeg op bedevaartvoettocht naar H. Grardus in
Wittem
Welke tournooien (harmonie) werden bespeeld?
Uitstapjes naar
Schieffbahn
Beauraing /Tournai
Efteling
Welke fout maakte Pipe bij zijn rijdende rentree op Ravensbos in 1958?
Bij welke gelegenheid werd het Frans Canadees volkslied ingestudeerd?
Welke 'renaissance relatie' ligt er tussen Ravensbos en Cap de la Madeleine
(Canada)?
Welke tekst stond er op welke pilaster bij de hoofdingang? Wie maakte deze
uitvoering?
teksten
D'n Bosjuul
Ravensbos een missieschool, voor de ….
Mijn Ravensbos je bent …..
21
Een boekje van Annie Bank
Refterpraktijken
Bestek werd aan tafel afgewassen en onder de tafel op schap bewaard. (oude
refter)
De Limburgers fourageerden
Wie liet de bodem uit een dienblad vol bekers zakken in de noodrefter?
De dienaars in de refter; dien betekende na-tafelen . . . . .
De lectoren
(vrijwel elke morgen "De Kontiki-expeditie-door-Thor-Heijerdahl-hoofdstuk
…………"
Wat werd gesloopt:
Het oude park
De voorgevel en entree
De punten op de torens aan de voorzijde
De bakkerij in de duitse vleugel
De keuken en refter
De kruisgang
De patersgang
De muur / appelhok
Het houten kippenhok
De slachterij
Het oude wc-blok
De oude varkensstallen
De grote koeienstal
De oude douces
De maalderij op de zolder boven de paardenstal
De kassen aan de voorzijde van de duitse vleugel
Het oude 'alchimisten lab'. van P. Lempens
De punten op de trappenhuizen aan de courzijde
De maalderij op de meelzolder boven de oude bakkerij
Wat werd er gebouwd, vernieuwd:
Een nieuwe entree
Het park, voetbalveld
De studentenkamers in de duitse vleugel
De cour verhard met basketbal en volleybalvelden
Een vernieuwing van de koestal met melkruimte , meelopslag, eierkamer,
koffieruimte
Een aanplant bij en rond het kerkhof
Renovatie van de varkensstallen
Een nieuwe slachterij
22
Koelcellen onder de keuken
Nieuwe douces en toiletten
Een afvalwaterzuiveringsinstallatie ("halverwege Schimmert")
Een nieuwe schuur op de boerderij
De kapel vochtvrij en singels ipv leien
Een nieuwe kas en schuur voor de tuinderij
De smederij/werkplaats verhuist naar de overkant, de voormalige zand en
grindopslag
De timmerwerkplaats uit de duitse vleugel naar de voormalige smederij (later
naar de aanbouw van de grote aula)
Een totale vernieuwing van de centrale verwarming met een nieuw centraal
ketelhuis in de ruimte van de oude douces / bakkerij
Grote olietanks op de kop van de duitse vleugel
Vernieuwing van de slaapzalen op de tweede en derde verdieping
Een gezamenlijk recreatie voor paters en broeders in de duitse vleugel
Een nieuwe dagkapel
23
24
Gerard Bouwmeister
Ook zoals jullie de site over het Ravensbos ontdekt . En natuurlijk ga je
nadenken over hoe het vroeger ging en wat kan ik mij ervan herinneren.
Moeilijk, maar ik doe mijn best.
Wie kan zich niet herinneren na de vakantie het vertrek.
Wij uit Arnhem gingen met de bus vanaf Station Arnhem. Daar kwam een
kleine bus ons ophalen naar Valkenburg. In de bus zaten reeds jongens uit de
buurt van Enschede.
In Nijmegen kwamen de jongens uit Lent er bij ,via station Venlo reden we dan
richting
Valkenburg.
Altijd ook na mijn tijd op het Ravensbos , als ik voor mij sport of onze vakantie
over de Napoleonbaan reed dan kwam toch iets nostalgisch naar boven en zei
ik daar gingen wij altijd een drankje nemen bij een cafeetje (ik weet niet welke
naam dat heeft maar het is er nog steeds). Ik heb de voorbereidende klas
gedaan. Ik kan mij daar niet veel van herinneren. Het enige wat mij altijd is
bijgebleven was dat er 's middags om ongeveer 15.00 uur onder de trap een
grote bak stond met brood. Daar mocht je dan 1 dubbele boterham uit nemen.
In 9 van de 10 gevallen was hij belegd met vruchtenhagel. (ik heb dat nooit
meer gegeten maar laatst heb ik dat gekocht.) Ook het appels jatten bij de
buurman vond ik altijd prachtig en hoeveel keer ben ik niet over de muur
geklommen om bij de boerderij afval van het hostiebrood te pikken. Wie heeft
er geen les gehad van Bulletje(Pater Bauhuis.) Cicero (van de Zee) en wie heeft
er nooit een fiets geleend van een van de broeders ook van die kleine met dat
kale bolletje (kikker, broeder van der Meijde dacht ik) en dan naar MVV
,Fortuna '54 en Sittardia om daar naar het voetballen te kijken. Ik was geen
goede student ,tijdens de studie uren stiekem naar de radio luisteren door het
oordopje door de mouw te halen en je draagbare radio onder je trui .Over de
carnaval kan ik heel veel schrijven maar wat mij altijd is bijgebleven dat wij ook
altijd een carnavals avond verzorgden in Wijlre (als ik mij goed herinner.)Daar
ben ik regelmatig mee naar toe geweest. Ik ben ook een keer op vakantie naar
Oostenrijk St.Johan im Pungau geweest ,ik weet niet meer wie er toen bij
waren ik kan me daarbij goed herinneren dat wij een tussenstop maakten in de
buurt van Ulm en daar op een seminarie hebben gegeten en geslapen .
Toen bleek dat ik nooit het gymnasium zou halen hebben de paters mij naar de
Mavo in Schimmert gestuurd om mij voor te bereiden op het broederschap.
Ik fietste elke dag met een meisje uit Valkenburg naar School en er leek iets te
bloeien
25
Op een goede dag moest ik op audiëntie bij Pater Steenbergen en hij vertelde
mij dat als
ik het kloosterleven in wil ik dan mijn contacten met het vrouwelijke geslacht
tot het minimum diende te beperken . In mijn toen nog jeugdige onschuld nam
ik dat maar aan maar het zette mij wel aan het denken. Daar kwam voor mij
het onvermijdelijke, ik moest mijn ouders gaan vertellen dat ik het niet meer
zag zitten op het Ravensbos. Ik heb het daar zeer moeilijk mee gehad omdat
ten eerste mijn ouders trots waren dat een van hun kinderen het kloosterleven
in wilde ( dat was vroeger een hele eer) en mijn ouders toch wel 6 jaar mijn
studie hadden betaald. Na deze mededeling had mijn vader voor mij werk
geregeld en toen ik thuis kwam kon ik direct aan het werk. De kerk zie ik alleen
voor een bruiloft of een begrafenis, ik was het echt zat. Ik ben later met een
stel vrienden nog eens wezen kijken en toen maakte broeder (kikker) de deur
open. Later ben ik er een keer geweest met mij vrouw en kinderen en heb ik
een ontmoeting gehad met Pater Souren, mijn biechtvader, in het ziekenhuis
van Heerlen waar hij rector was. Het was een hele plezierige ontmoeting. Ik
heb bijna 30 Jaar in de detailhandel gewerkt. Sinds 1 maart 2001 beheer ik
samen met mijn vrouw Camping Brockhausen te Stokkum, u kunt onze site
bekijken www.brockhausen.nl.
Gerard Bouwmeister
Ps.Ik kan nog veel meer schrijven maar dan ben ik een paar uur bezig en dan
heb ik niet veel meer te vertellen bij een eventuele bijeenkomst , waar ik mij
graag zal laten zien .
26
Jo Hoen
Herinneringen aan mijn tijd op Ravensbos
1950-1956
Herinneringen aan mijn tijd op Ravensbos 1950-1956
Na zoveel jaren zijn mijn herinneringen natuurlijk nog maar fragmentarisch.
Tussen mijn laatste dag op Ravensbos en nu liggen ruim 53 jaar. Over het
algemeen heb ik een goed geheugen, maar een aantal dingen zijn in de mist
van het verleden verdwenen. Maar bepaalde flitsen staan mij nog levendig
voor de geest. Of de chronologie altijd klopt, weet ik niet zeker. Dat is ook niet
altijd belangrijk, het gaat soms alleen maar om een typerende anekdote. Ik
hoop dat ik ze kan laten lezen aan vrienden en klasgenoten die ongeveer in
dezelfde periode op Ravensbos verbleven. Vooral mijn klasgenoten zouden
eigenlijk veel moeten herkennen. Al ben ik er mij van bewust dat herinneringen
altijd persoonlijk gekleurd zijn.
Op de lagere school was ik geen uitblinker in de doe-vakken zoals zingen,
schrijven, tekenen en lichamelijke opvoeding. Op mijn rapporten stonden
steevast zesjes, vaak zelfs 6-. In de kennisvakken daarentegen was ik een
uitblinker; voor taal, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde en kennis der
natuur had ik nooit minder dan een 8, meestal meer. En voor Katechismus, wat
betekende de antwoorden op de vragen van buiten leren, had ik altijd een 9 of
een 10. In de vijfde klas hadden we een meester die boeiend kon vertellen en
zelf ook kinderboeken schreef. Hij heeft mijn passie voor geschiedenis gewekt.
Omdat ik erg veel las, een eigenschap die ik van mijn moeder heb geërfd, had ik
veel wat ze toen algemene ontwikkeling noemden. Als hij weer eens wat vroeg
en niemand wist het antwoord, klonk het: “laten we het maar eens aan Hoen
vragen”. Ik werd dus als bolleboos beschouwd en moest dus zeker verder gaan
leren.
Dat was zeker niet gebruikelijk. Mijn vader had met moeite klaar gekregen dat
hij de LTS mocht gaan volgen en had zich door zelfstudie langzaam naar boven
gewerkt. De meeste jongens gingen naar de OVS, de Ondergrondse vakschool,
27
waar ze werden opgeleid tot mijnwerker. Een enkeling mocht naar de MULO.
De beste weg was naar een kleinseminarie te gaan. Van mijn klas gingen drie
jongens verder: Nico Beckers naar de HBS, Tonie Smeets naar Cadier en Keer,
bij de paters van de Afrikaanse missiën en ik naar de Ravensbos, bij de paters
Oblaten van Maria. Als voorbereiding kregen we Franse les van meester Meijs.
Het priester worden trok mij wel. Mijn motieven zijn me na zoveel jaren nog
altijd duister. In elk geval kreeg je er - zeker in een katholieke omgeving als de
onze - een bepaalde status door. En ik was ook wel idealistisch ingesteld, al
bleef dat vaag en kwam niet verder dan arme heidenen bekeren zodat ze in de
hemel konden komen. Ik droomde van heldhaftige daden, die natuurlijk goed
afliepen.
Dat de keuze op de Oblaten was gevallen was enigszins toeval. Mijn vader had
geïnformeerd op Rolduc, bij de wereldheren, maar het kostgeld dat die
vroegen, ik meen 600 gulden, en de uitzet die je mee moest nemen, waren
voor hem niet op te brengen. Mijn moeder had een broer die Montfortaan
was, en in 1948 op vakantie was gekomen. Hij raadde hen af mij daarnaartoe te
sturen, want die waren volgens hem te streng. In zijn tijd spraken ze alleen
maar Frans!
De bekende pater Lempens uit Weert, onze latere natuurkundeleraar, reisde de
lagere scholen af om studenten te ronselen. Hij kwam ook bij ons in
Terwinselen, en toen ik blijk gaf van interesse vanwege de verhalen over de
Eskimo’s, bezocht hij mijn ouders en in september 1950 ging ik naar Ravensbos.
Het kostgeld was de helft: 300 gulden en dat was nog te doen, want ik was de
oudste en er bleven nog vier andere kinderen over die ook een toekomst
moesten hebben.
In het begin was het wel aanpassen. Ineens zoveel jongens de hele dag om je
heen. Slapen op een slaapzaal, terwijl ik thuis een eigen kamer had, al was die
dan ook klein. Erg veel aandacht voor religieuze zaken. Ik was nooit misdienaar
geweest. We moesten als lagereschoolkinderen wel elke dag naar de H. Mis,
maar dat was toch anders. Het eten in de refter, waar bij niet gevraagd werd of
je wel iets lustte. En de strikte dagindeling.
Vroeg opstaan: om 6 uur. Wassen en aankleden en dan naar de kapel.
Ochtendgebed en aansluitend de H. Mis. Daarna naar buiten voor de ochtendgymnastiek. Weer of geen weer! Dan naar de slaapzaal voor het opmaken van
je bed en opruimen van de waskom en po. En dan pas ontbijt. Altijd met tien
28
man aan een tafel, op dezelfde plaats die je in het begin van het jaar was
toegewezen. Meestal boterhammen met hagelslag, muisjes of bruine suiker.
Soms kaas, zelden vlees. Je eigen bestek gebruiken, waarin je nummer was
gegraveerd. Ik had nummer 33. De leeftijd waarop Christus gestorven was, dus
makkelijk te onthouden. Na het ontbijt een kwartiertje naar buiten en dan de
ochtendstudie, waarin je de lessen van die dag moest voorbereiden. Daarna
naar je klas. Onze eerste klas had het lokaal dichtbij de refter. Wij bleven daar
zitten, de leraren wisselden van lokaal.
Latijn kregen we van pater Uitterhoeve, die later ook prefect was. We moesten
iedere dag woordjes leren. Ik had al gauw ontdekt dat ik ze wel oppikte als hij
ze aan anderen vroeg. Tegen de tijd dat ik aan de beurt was kende ik ze, dus ik
leerde ze niet meer. Na een paar weken had pater Uitterhoeve dat in de gaten
en hij vroeg mij een paar dagen als eerste af. Zo was hij: hij verweet je niks,
maar keek je met zijn zwarte oogjes aan en dan wist je dat je betrapt was. Van
arren moede ging ik ze maar weer leren.
Nederlands kregen we van pater Piet Verkoelen, die erg betrokken was bij de
toen pas-opgerichte Pax-Christibeweging. Het was een vreemde man. Op zeker
moment brulde hij naar mij: “Hoen, zit stil of ik scheur je doormidden!” Ik was
zeker een woelwater. Hij had een hekel aan de verkennerij, wat duidelijk was
aan de voorbeelden die hij behandelde. Zo legde hij uit dat spellen belangrijk
was want er was een onderscheid tussen een zeeverkenner en een
zeverkenner. Dat zat hem in de “e”. Maar inhoudelijk was het misschien wel
hetzelfde!
Rond Kerstmis behandelde hij een gedicht van Anton van Duinkerken met ons.
Het refrein daarvan was “Kyrie-eleis” en het eindigde met de woorden:
“Misschien worden we nog eenmaal wijs, Kyrie-eleis”. Op zekere dag werd hij
tijdens onze les aan de telefoon geroepen. De telefoon hing bij broeder portier
bij de hoofdingang. Het gesprek duurde nogal lang en wij begonnen te
roezemoezen en propjes te gooien. Hij had de deur open laten staan en hij
hoorde al van verre dat we niet doodstil waren geweest. Ineens stond hij weer
in de klas en wij kregen een ouderwetse donderpreek, die hij eindigde met
“Misschien worden we nog eenmaal wijs” waarop Toon Bredie prompt zei
“Kyrie eleis”. Een voltreffer! Maar de pater kon het niet waarderen en
beloonde hem met duizend keer Kyrie eleis schrijven. We zijn toen met een
paar man naar hem toegegaan met het aanbod om een deel van die straf over
te nemen. Dat mocht niet, maar wel werd de straf teruggebracht tot honderd
keer.
29
Het middageten was warm eten. We zaten weer met dezelfden aan de tafel en
kregen een terrine soep, ieder een soeplepel, uit te delen door de tafel oudste.
Daarna aardappelen, vlees en groente, ook weer te verdelen in gelijke porties.
Als dessert meestal pudding Daarbij ontstond een levendige ruilhandel. Ik at
bijvoorbeeld geen pap of pudding en ruilde dat voor de soep.
Aan tafel werd bediend door leerlingen. Eentje van de zesde klas voor de
paters, eentje van de vijfde klas voor de broeders, en een stuk of vier van de
lagere klassen voor de jongens. Die tafeldienaren moesten dan met de lector
na-eten, wat soms wel interessant was als er lekkernijen overbleven van de
tafel van de paters of broeders. Vooral op zondag kon dat wel het geval zijn.
Met feestdagen was er soms zelfs wat extra’s als cider, maar dat was dan
voorbehouden aan de groten.
Onder het eten heerste vaak silentium, d.w.z. wij moesten stil zijn en er werd
door de tijdelijke lector voorgelezen uit een of ander boek. Lector waren bij
toerbeurt leerlingen vanaf de vierde klas. Het rooster werd gemaakt door de
hoofdlector, een functie die ik op de vijfde klas heb vervuld. Geen onverdeeld
genoegen want als er een uitviel, was ik de automatische vervanger.
Dat lezen moest gebeuren op dezelfde toon en sterkte. Ik vond dat
verschrikkelijk en heb dan ook als lector eens hopeloos in de clinch gelezen met
de overste pater Floris de Grauw, die mij tot vijf keer toe dezelfde passage liet
voorlezen. De maaltijd begon overigens na een stukje uit het Evangelie. Dat
moest je dan voorbereiden en werd je opgedragen door de hoofdlector. Als er
speciale vermeldingen van de Oblaten waren zoals de sterfdag van de oprichter
of de oprichting van de Nederlandse provincie werd dat vermeld, daarna het
gebed voor het eten en dan pas eten.
Als er Deo Gratias was, mochten we praten. Dat was meestal op zondag, maar
ook als er hoog bezoek was, zoals dat van de dikke Voogt, de provinciaal. We
noemden hem de dikke Voogt om hem te onderscheiden van zijn halfbroer, de
kleine Voogt. Die laatste was de organist en leidde ook het zangkoor. Andere
hoge bezoekers waren missiebisschoppen.
Na het middageten hadden we een uur pauze. Natuurlijk naar buiten! Alleen
als het erg slecht weer was mochten we in de recreatiezaal. Daar konden we
kaarten en allerlei spellen doen. Vanaf de vierde klas mocht je dan roken als de
prefect daar toestemming voor gaf. Ik heb vaak moeten gaan vragen en dan
30
moest je altijd een reden opgeven, zoals de sterfdag van Mgr De Mazenod,
Maria Boodschap, de een of andere heilige, de sterfdag van Julius Caesar. Ik
herinner me dat ik eens gevraagd heb en gekregen omdat ik geen reden kon
bedenken. Dat was blijkbaar zo origineel, dat de prefect - dat was toen pater
Janson - ervoor bezweek.
Daarna weer de hele middag les tot een uur of vier. Vervolgens naar de refter
voor boterhammen. We kregen meestal een klodder stroop op een bord voor
ons allemaal en als je dat niet wou of het niet genoeg was deed je maar zout op
je brood. Daarna weer een korte pauze en dan de avondstudie. Van 5 tot 7.
Soms was er daarna lof, zeker in de mei- en oktobermaand. Daarna avondeten,
meestal pap of zoiets dergelijks. Ik had meestal wat brood bewaard van vier
uur omdat ik geen pap lustte
Na het avondeten was er nog een tijdje pauze, voor de kleinen in de
recreatiezaal, voor de groten in het stamlokaal. De kleinen gingen om 9 uur
naar bed, de groten een half uur later. De groten mochten roken in het
stamlokaal en naar de radio luisteren. Natuurlijk de KRO!
Voor het naar bed gaan werden de schoenen gepoetst. In de schoenenzaal had
je ook een vaste plaats waar je je schoenen kon neerzetten en het
poetsmateriaal kon bewaren. Als je klaar was ging je op de gang in de rij staan.
Als iedereen zover was gingen we naar boven en binnen een half uur sliepen
we allemaal of deden tenminste alsof. Want de volgende morgen luidde de
prefect weer de bel en dan moesten we eruit.
De studiezalen waren opgesplitst, een voor de eerste klassen, en een voor de
ouderen vanaf klas 4. Bij de jongsten was altijd toezicht, meestal door een
jongen uit de zesde klas, die voor de hele groep aan een bureau op een
verhoog zat. Bij ons was dat vaak Jacq Tercken, wat een bron van vermaak was
als hij meetkunde moest maken. Hij trok dan de vreemdste grimassen, trok
denkbeeldige lijnen in de lucht, daarna op het papier, draaide zijn schrift
ondersteboven of wierp moedeloos zijn potlood op het bureau. Je mocht
uiteraard niet praten en afkijken was er ook niet bij. Regelmatig kwam een
surveillant eens kijken en als je problemen had kon je die om hulp vragen.
31
Er waren natuurlijk ook allerlei functies te vergeven. Je kon misdienaar worden
bij een van de paters aan een van de kleine altaren achter het hoofdaltaar, of
aan een van de zijaltaren. Omdat ik vroeger niet misdienaar was geweest,
moest ik het vak nog leren en een paar keer proefdraaien bij pater Uitterhoeve.
Toen dat eenmaal gelukt was, vond ik het prachtig om de tweede lichting
achter het hoofdaltaar te dienen, want dan liep je de ochtendgymnastiek mis.
Er waren paters die er een moordend tempo op na hielden, zoals pater Ten
Dam die altijd in 20 minuten klaar was. Als pater Tillemans er was, diende ik
vaker bij hem de mis. Bij het Sanctus draaide hij zich altijd om en zei: “Niet
bellen!” Af en toe klopte hij op het tabernakeldeurtje, schudde zijn wijze hoofd
en zei: “Geen marmer!” het was een artiest die toevallig ook nog pater was. Hij
maakte gebrandschilderde ramen in kerken in Canada.
We hadden dinsdag- en donderdagmiddag vrij. Een van die middagen was er
verkennerij. Dat was zo ongeveer verplicht. De andere middag werd er
gevoetbald of gewandeld. Als het slecht weer was, mochten we in de
recreatiezaal. Het voetballen met zo’n grote groep was geen echt vermaak. Ik
liep maar met een paar lotgenoten wat heen en weer over het veld en trapte af
en toe eens tegen een bal als die bij mij in de buurt kwam. Later werd het wat
soepeler en kwamen er andere vrijetijdsbestedingen. Op de cour werd een
volleybalveld gemaakt, waar fanatiek werd gespeeld. In een bepaald jaar werd
de boomgaard gerooid. Het was hoogstamfruit en als dat werd ingewisseld
tegen laagstam, kreeg Carolinum een behoorlijke subsidie. We hebben toen
een paar weken flink gehakt en gezaagd. Een paar kersenbomen werden naar
de cour gesleept en we konden ons tegoed doen. Uit de takken werden
hockeysticks gefabriceerd en er werd in de pauzes flink op los geslagen.
Meestal Limburg tegen de rest! Af en toe werd er wel wat anders geraakt dan
de bal, maar al gauw werden scheidsrechters aangewezen die al te heftig spel
bestraften met ogenblikkelijk speelverbod.
We moesten ook wel vaker helpen op de boerderij. Vooral het aardappelen
rapen was een jaarlijks festijn. Als het weer te slecht dreigde te worden,
werden de lessen afgeblazen en gingen we met zijn allen rapen. In een paar
dagen was het karwei geklaard en als beloning kregen we film.
32
De verkennerij werd serieus genomen. Ik was thuis welp geweest en wist dus
wel iets van “het spel van verkennen” af. Op 11 februari 1951, de verjaardag
van mijn jongste zusje, werd ik geïnstalleerd. Ik heb het nog tot derde-klasverkenner geschopt. Het paspoort waarop de vereiste prestaties werden
aangetekend, heb ik nog. Veel verder ben ik niet gekomen.
Het voordeel van die verkennerij was dat we op kamp gingen. Het eerste jaar
gingen we naar Ossendrecht in een groot bos, dat het jaar daarna tot
legerplaats werd omgebouwd. Waar we op de tweede en derde klas zijn
heengegaan, weet ik niet meer. In 1953 of 1954 gingen we naar Terschelling.
Vanuit Zuid-Limburg fietsen Willy Houben, Leon Janssen en ik naar Sevenum.
Daar voegden Jène van Moorsel, Piet Kleuskens en Piet van Rengs zich bij ons.
De volgende halteplaats was Duiven, waar we ook weer overnachtten. De
volgende stap was door de Noord-Oostpolder naar Lemmer, waar een jongen
uit Amsterdam (Henri van de Werd ontdekte ik later) die met de boot over het
IJsselmeer kwam, opgepikt werd. In de polder hadden we te maken met een
flinke tegenwind. Beschutting was er nauwelijks, af en toe een paar verdwaalde
boompjes. Door Friesland naar Harlingen, waar ik voor de eerste keer van mijn
leven nieuwe haring aan een karretje heb gegeten. Heerlijk! Verkocht voor de
rest van mijn leven. In Harlingen had pater Rientjes onderdak voor ons
gevonden in een lagere school. We moesten op de grond slapen, maar dat ging
toch. De volgende dag naar Terschelling met de boot. Op het eiland kamperen
in de buurt van een blokhuis van de Reddingsdienst. We hadden pater Tromp
bij ons, die mij daar voor de eerste keer van mijn leven geschoren heeft. We
hebben ook een paar keer in zee gezwommen of beter gezegd pootje gebaad.
We maakten ook fietstochten over het eiland en kwamen bij een kerk die net
geschilderd werd. Pietje Weijs vroeg in zijn onnozelheid aan de schilder of het
een katholieke kerk was, waarop de man vanaf de ladder zei: “Katholieken, die
verzuipen we hier!” Toch was er in het dorp een katholieke schuilkerk, in de
woning van een katholieke middenstander. Pater Rientjes kende die familie en
zo zijn we op zondag daar naar de H. Mis geweest.
Op de terugweg voelde ik mij niet goed en kon niet verder fietsen. Pater
Rientjes heeft mij toen in Meppel op de trein gezet, met fiets en bagage. Ik
moest nogal lang wachten en had me een Prisma’tje gekocht: “De reizende
jongen”, wat een conducteur aanleiding gaf om op te merken dat het een
toepasselijke titel was.
Het jaar daarna maakten we een trektocht door Twente. Die was georganiseerd
door Hans van der Zwaan, wiens familie in Enschede woonde. We sliepen in
33
boerderijen, in het hooi. Ik heb daar geleerd met een elastiekje vliegen af te
schieten. Op een avond zijn we op bezoek geweest bij de familie van der
Zwaan. Hans had een oudere zuster die een vrijer had, die ook aanwezig was.
Tot onze grote verbazing ging op een bepaald moment het licht uit en vader
van der Zwaan meldde: ”Vijf minuten voor de jongelui!” Daarna ging het licht
weer aan en iedereen deed of er niets aan de hand was. Ik snapte er niks van.
Ik ben lang onnozel gebleven.
Bij een van de stoeipartijen in een weide bij een boerderij viel ik in een
koeienvlaai. Ik had een korte manchester verkennersbroek aan. Die was niet
meer bruikbaar en mogelijkheden om hem schoon te maken had ik niet. Ik had
gelukkig een reservebroek bij me, een plusfour. Toen ik daarmee thuiskwam,
was de hele bodem versleten.
Na afloop van de tocht fietsten we weer naar huis. De pleisterplaats was toen
bij Frans den Ouden in Helmond thuis. Zijn ouders waren met vakantie dus hij
kon ons onderbrengen. Ik heb in het bed van zijn zus geslapen. In Helmond was
kermis en daar zijn we ook naar toe geweest. De volgende dag huiswaarts. Bij
de tocht langs het kanaal van Wessem naar Nederweert merkte ik dat het
zitvlak van mijn broek zo goed als verdwenen was, maar er zat niets anders op
dan door te fietsen. Wat was ik blij toen ik thuis was.
De verkenners waren in groepen ingedeeld: de voorbereidende en eerste klas
waren de junioren, de tweede en derde klas de senioren, vanaf de 4de klas de
stam of voortrekkers. Die gingen ook een half uur later naar bed en mochten in
dat half uur in hun eigen lokaal roken. De krant konden we lezen in het
tegenoverliggende lokaal, waar vroeger de eerste klas was geweest. Ook op
zondag kon de stam zich in zijn eigen lokaal terugtrekken en hoefde niet naar
de recreatiezaal. Er werd fanatiek gebridged. Hoewel ik tamelijk jong was, pas
vijftien jaar toen ik aan de vierde klas begon, werd ik toch bij de groten
ingedeeld.
Zondag betekende een andere dagindeling; we stonden een half uur later op en
sloegen de ochtendgymnastiek over. Eerst de vroegmis, daarna ontbijt en
studie, behalve voor de groten; die studeerden de gregoriaanse gezangen in.
Daar waren ze al onder de avondrecreatie mee begonnen, maar nu werden de
puntjes op de i gezet. Om half tien de hoogmis, daarna weer vrije studie
waaronder je brieven kon schrijven of een boek lezen of een of andere hobby
34
uitoefenen zoals postzegels verzamelen. Ik herinner me dat er driftig naar
luchtvaartmaatschappijen werd geschreven, wat vaak prachtig propagandamateriaal opleverde. Daar werd dan weer ruilhandel in gedreven. De missieclub
verzamelde zilverpapier en weekte postzegels af of maakte rozenkransen.
Vooral Gerard van de Beuken was daarin zeer bedreven. Je zag hem altijd bezig
met kraaltjes en draad. Die rozenkransen werden verkocht: aan de
medeleerlingen maar ook tijdens de vakanties aan familieleden en vrienden.
De opbrengst ging in een speciaal potje om missionarissen die op bezoek
kwamen om ons iets te vertellen over hun ervaringen, nog wat mee te geven.
Die voordrachten van missionarissen waren niet altijd even interessant. Er
waren slechte vertellers bij die dan ook nog dia’s vertoonden waarop bijna
altijd hetzelfde stond.
Zondagmiddag hadden we vrij. Je kon dan tot op zekere hoogte zelf bepalen
wat je ging doen. Voetballen of volleyballen, wandelen, knutselen,
toneelspelen, muziek oefenen, enfin van alles als het maar niet luilakken was.
Ik was bibliothecaris, d.w.z. dat er een leerlingenbibliotheek was waaruit de
studenten boeken konden bestellen via briefjes en die ik dan op zondagmorgen
moest uitdelen. Die bibliotheek was op zolder en had een sleutel. Op
zondagmiddag zette ik boeken terug en legde de nieuwe zending gereed. Dat
was gauw gebeurd en ik kon de rest van de middag ongestoord en rustig
heerlijk lezen! Het was natuurlijk over het algemeen ongevaarlijke lectuur,
maar af en toe verdwaalde weleens een boek uit de patersbibliotheek tussen
onze boeken, zoals De Kleine Rudolf, van Aart van der Leeuw, en die werden
door mij natuurlijk eerst gelezen voor ik ze terugbracht.
Lezen werd trouwens wel aangemoedigd, trouwens alles wat bijdroeg aan je
culturele ontwikkeling. Piet Boonman was erg geïnteresseerd in Vlaamse
literatuur en had zelf boeken van bijvoorbeeld Achilles Mussche in zijn bezit.
Die las ik dan natuurlijk ook, zodat we er dan over konden discussiëren. Hij had
trouwens een voorkeur voor weemoedige verhalen, die een enigszins
depressieve stemming opriepen. Ik was dan ook niet verbaasd toen ik hoorde
hoe hij aan zijn einde is gekomen, door de zee in te zwemmen en niet terug te
keren.
35
Omdat ik een veelvraat was wat lezen betreft, kwam het voor dat ik de boeken
die mijn klasgenoten met Sinterklaas hadden gekregen nog eerder had gelezen
dan zij zelf. Indertijd waren de Prismapockets erg populair, vooral de werken
van Charles Dickens vonden gretig aftrek. Ik heb ze allemaal gelezen, voor zover
ze beschikbaar waren. In de bibliotheek had ik een Franse bijbel ontdekt: ik
smokkelde hem mee naar de kapel en las erin onder de mis en het lof. Met
Sinterklaas had ik de Psalmvertaling van Gabriel Smit gekregen, die ik ook
onder de mis las. Het laatste jaar ging dat niet meer zo goed want ik was tot
claque bevorderd. Dat hield in dat ik op kritieke momenten met een apparaatje
moest klakken om aan te geven dat de menigte moest gaan staan, gaan knielen
of gaan zitten. Dat hield in dat ik goed moest opletten. Achteraf bekeken denk
ik dat de prefect misschien wel in de gaten had dat ik er niet altijd met mijn
hoofd bij was en me op die manier dwong de mis aandachtig te volgen.
In de grote vakantie van 1955 gingen we met een aantal meedoen aan de
Bouworde. In het dorpje Herleshausen, vlakbij het Ijzeren Gordijn. Ja, iedereen
kent de Berlijnse Muur, maar het IJzeren Gordijn, bestaande uit stevig
prikkeldraad kwam in heel Duitsland voor. Er voor was aan Oost-Duitse kant
een flinke strook open veld zodat eventuele vluchtelingen gezien en
neergeschoten konden worden. In een van de nachten hoorden we schoten en
later werd verteld dat in de buurt van het vluchtelingenkamp Friedland 21
mensen hadden geprobeerd over te steken, maar dat er maar een het had
gehaald. Herleshausen lag aan de Werra, die de grensrivier vormde. We gingen
daar weleens in zwemmen maar werden gewaarschuwd: als je per ongeluk aan
de andere kant terecht kwam, was je reddeloos verloren, want je werd of
gearresteerd of meteen doodgeschoten. Omdat de Werra een rare kronkel
maakte liep een Oost-Duitse spoorlijn over West-Duits grondgebied. De treinen
waren dan geblindeerd, zodat de reizigers niet konden kennismaken met de
westerse overvloed en in elk geval niet konden vluchten. Er woonde ook een
spoorwegwachter in het dorp, die in dienst van de Oost-Duitsers was. Op een
avond kwam pater Wilfried Verstraten, de bekende spekpater die inzamelde
voor de Oost-Duitse katholieken, ons wat gruwelverhalen vertellen, o.a, dat de
spoorwegwachter een Oost-Duitse spion was (Stasi dus), die alles wat wij
deden overbriefde. Ze wisten alles van ons, zelfs van onze familie. Ja,
overdrijven kon hij wel.
Onze groep bestond niet alleen uit Ravensbossers, maar kende 3 jongens uit
Heerlen: een zoon van de apotheker Voncken, een jongen Boreas, en eentje die
als ik mij goed herinner een zoon van de toenmalige burgemeester van
Grunsven was, maar ik ben daar niet zeker van. Verder waren er nog twee
36
“kook”meisjes, waarvan eentje Ans heette, en een onderwijzer uit Holland die
voortdurend sjanste met de kookjuffrouwen. Bovendien waren er nog twee
Franciscaner novicen uit Beieren, die pater Vogt eens behoorlijk kwaad hebben
gekregen door de Holocaust te bagatelliseren.
Op een zondag zijn we toen met een bus naar Fulda gegaan, waar een klooster
met zwembad was, ofwel van de Oblaten of van de Capucijnen. We hebben
daar in rondgesparteld en ook door Fulda gewandeld.
Op foto’s kan ik nog zien wie erbij waren van onze kant. Pater Vogt, Leo van de
Berg, Henk de Roo, George Gelauff, Jène van Moorsel, Gerard van Kempen,
André van Kempen. Pater Vogt had een trekharmonica bij zich en er werd dus
gezongen. We sliepen in de school. Overdag moest flink aangepoot worden. Er
moest in dat dorp een soort gezondheidscentrum gebouwd worden, dat ook als
tijdelijk ziekenhuis kon dienen. Wij hebben de funderingen uitgegraven en
beton gestort. Het metselwerk werd door twee bouwvakarbeiders gedaan.
Ik ben een tiental jaren geleden, na de Wende, nog eens in Herleshausen
geweest. Van ons bouwsel was geen spoor meer te vinden en bij navraag op
het gemeentehuis wist men zich nog nauwelijks te herinneren dat zoiets er ooit
was geweest. De brug over de Werra was weer open en de autoweg die
indertijd bij de grens over een lengte van een kilometer was opgebroken, werd
nu weer hersteld en achtbaans gemaakt. Op het kerkhof vond ik het graf van
pater Haimo, de franciscaan die er indertijd pastoor was geweest en de
Bouworde zover had gekregen dat ze aan dit project waren begonnen.
Het regime op Ravensbos was tamelijk streng. De dag was strak ingedeeld en
uitzonderingen waren er nauwelijks. We hadden een prefect die de orde moest
bewaken. De eerste was pater Guus Schlosmecher uit Sittard, die de hele dag
met een fluitje rondliep om daarop te blazen als hij ongerechtigheden zag. Zijn
lijfkreet was “Handenspel!” Je mocht andere jongens niet aanraken. Ook mocht
je in de pauze niet naar de WC. Die lag tussen het gebouw en de recreatiezaal.
Plassen moest op het einde van de pauze onder toezicht. Ik snapte niet
waarom je niet naar het toilet mocht. Later begreep ik pas dat de prefect
gefixeerd was op (homo)seksualiteit.
Pater Uitterhoeve was van een heel ander slag. Die hoefde niet te straffen: hij
had een natuurlijk gezag. Zijn voorbeeld is me later als leraar goed van pas
37
gekomen. Iemand strak aankijken en laten merken dat je weet wat hij van plan
is, hielp uitstekend.
Soms ging het natuurlijk fout: Ik herinner me de verwijdering van Floris Bohan,
een tamelijk brutaal jongetje uit Amsterdam. Hij zal wel weer eens over de
schreef zijn gegaan. We werden in de studiezaal van de kleinen bij elkaar
geroepen en daar werd de banvloek over hem uitgesproken! Ook Toon Bredie
is officieel verwijderd. Maar dat had een andere reden.
Ergens in 1954 was het bij sommigen een sport om ‘s nachts uit te breken en
naar Valkenburg te wandelen. Toon heeft me eens verteld dat ze bij een van
die tochten langs een kerkhof kwamen en dat hij zich doodgeschrokken was,
omdat hij plotseling het gerinkel van een ketting hoorde. Een spook! Bij nader
onderzoek bleek het een koe te zijn die in een naburig weiland met een ketting
was vastgelegd.
We hadden in het lokaal dat in mijn eerste jaar onze eerste klas, was een soort
leeskamer. Een keer per maand kwam daar ook de kapper, een broer van
broeder Brock, die ook uit Terwinselen kwam, net als ik, om onze haren te
knippen. In die leeskamer lagen wat weekbladen en het Dagblad de Tijd. Op
een avond was pater overste laat terug van een van zijn bedelreizen. Hij ging
nog even de krant lezen in de leeskamer. Toon kwam terug van een van zijn
nachtelijke expedities en dacht dat een van zijn kompanen in die kamer was.
Hij ging naar binnen en schrok zich een hoedje. Er ontstond een wilde jacht
over de slaapzaal naar de bovenste verdieping bij de linnenkastjes, waar we
allemaal wakker van werden. Na verloop van tijd werden de bedden
gecontroleerd en was de schuldige gauw gevonden. En dus een openbare
strafzitting in de aula.
Bepaalde spectaculaire verdwijningen herinner ik me nog. Zoals die van Matje
Dabekausen, wiens vader overleed, en Matje werd teruggeroepen om de
leiding van het bedrijf op zich te nemen. Ze hadden een bedrijf voor zwaar
transport in Voerendaal, dat nu gevestigd is in Born en onlangs failliet is
verklaard. Het was overigens al een tiental jaren geleden verkocht.
Een andere was Albert van Dorst, een erkende grappenmaker. Hij werd eens
gehypnotiseerd tijdens een voorstelling van een illusionist, die hem de
opdracht gaf de volgende dag naar de overste te gaan in de refter onder het
middageten en hem om een sigaar te vragen en die aan te steken. Wij allemaal
in spanning, en jawel hoor, hij deed het!
38
Men vond hem blijkbaar niet serieus genoeg en hij ging weg na een uitbundig
afscheid. Hij zou de snelcursus voor onderwijzer gaan volgen. Er was toen ook
al een tekort aan leraren!
Ik ben zelf ook ternauwernood aan verwijdering ontsnapt. Op zondag had de
stam altijd een bijeenkomst in haar lokaal. Dat lag tegenover de al eerder
genoemde leeskamer. Veel rookwolken, maar ook cultuur. Dat hield in dat er
gedebatteerd werd, maar ook dat er versjes werden voorgedragen. Ik heb nog
eens een gedicht in het Latijn gemaakt, met de zinsnede “bos boum duxit” =
het rund der runderen leidt de rest, wat mij de bewondering van pater
Uitterhoeve opleverde. Op een avond dat er geen paters bij waren heb ik toen
een spotdicht op pater Rientjes voorgelezen, dat niet ieders instemming had. Ik
heb het toen verfrommeld en in de prullenbak gegooid. Wie schetst mijn
verbazing toen ik de volgende dag bij pater Rientjes moest komen, die me het
papier onder de neus wreef. Ik was verbouwereerd en wist niet hoe te
reageren. Na een donderpreek moest ik mee naar de overste. Ook daar weer
een donderpreek. Ik kreeg op het kerstrapport een 4 voor gedrag en mijn vader
moest opdraven om te horen dat zijn zoon zich had misdragen. Ik moest
excuses aanbieden en mocht het hele jaar niet meer over de schreef gaan,
anders was het einde oefening. Hoewel ik toen al twijfelde aan mijn roeping liet
ik dat niet op me zitten en leidde een voorbeeldig leven.
Degene die me dat m.i. geflikt heeft, heeft me in het noviciaat ook nog een
keer verlinkt. Ik heb onlangs gehoord dat hij overleden is en ik wens hem
minstens een dag in het vagevuur toe (ook al geloof ik niet in het vagevuur).
Een algemenere zonde was het stiekem roken op de WC. De slaapzaal van de
oudste klassen werd door een trappenhuis gescheiden van de verdieping waar
de paters hun kamer hadden. Aan de andere kant van de slaapzaal was in het
trappenhuis de kamer van de prefect, en daarna de drie slaapzalen voor de
jongste klassen. Halverwege de trappen aan de paterskant was een
toiletruimte met 4 urinoirs en drie hokjes. We slopen daar ‘s nachts naar toe
om stiekem te roken. Het raam moest natuurlijk open, om de rook te
verdrijven. En goed opletten of niet toevallig een pater de trap opkwam. Na het
geval Bredie was deze pret afgelopen: het werd te gevaarlijk.
Onder onze slaapzaal lag de studiezaal voor de ouderen. Ik had de plaats
toegewezen gekregen vlak bij de deur aan de paterskant. Je moest een trapje
op om aan die deur te komen. Pater overste riep vaker onder de morgenstudie
39
jongens op, met wie hij een appeltje te schillen had of die hij iets moest
meedelen. Blijkbaar was ik toen al berucht als degene die iedere leerling bij
naam kende (een eigenschap waar ik later als leraar erg veel plezier van heb
gehad). Hij riep mij dan het trapje op en fluisterde mij de naam van de jongen
die ik moest gaan halen toe.
Op een morgen keek hij per toeval op mijn bureau en zag dat ik in plaats van
lessen voor te bereiden bezig was met mijn postzegelverzameling. Dus ik moest
zelf op het matje komen. Of ik niets te doen had, Nee, zei ik, ik heb alles
geleerd, alle huiswerk gemaakt en alle lessen voorbereid. Ja, dan moesten ze
me maar extra huiswerk opgeven. Dat is een paar keer gebeurd, maar het werd
de leraren al gauw te lastig, dus dat was snel voorbij. Ik was nu wel meer op
mijn hoede en deed of ik studeerde en las ondertussen een boek.
We kenden op Ravensbos ook gevleugelde woorden. Bijvoorbeeld de kreet:
“De avond begint om vijf uur”, waarmee bijzondere gebeurtenissen werden
aangekondigd. Of de lijfspreuk van pater Tromp: “Wat betekent het allemaal in
het licht van de eeuwige zaligheid!” Van een toneelstuk waarbij van alles fout
ging met het decor, deuren die opengingen op de verkeerde momenten,
hielden we de “Geest van Stiebelmeier” over, die een van de spelers al
improviserend had bedacht en die telkens weer opdook als er iets onverwachts
gebeurde. Op de sportdagen had iedere klas een eigen spreuk. Op de vijfde had
George een mooie gevonden in het woordenboek: ”Quos nos!” wat zoveel
betekende als: “we zullen ze!”
Er werd ieder trimester wel een toneelstuk opgevoerd, onder leiding van pater
Tromp. Met Pasen was dat meestal een passiespel, waarin ik eens de rol van
een vertwijfelde Petrus moest spelen: “Ik ken die man niet!” Samen met Jène
van Moorsel heb ik ook eens een revue geschreven, waarbij mijn aandeel
voornamelijk bestond uit het bedenken van rijmwoorden en het ontcijferen
van de aantekeningen van Jène. Ik herinner me dat ik op de wijs van de schöne
blaue Donau moest zingen: “Vooruit daar gaat-ie dan, En het was toch zo’n
goeie man, en zo best voor het personeel, ik krijg potverdrie een prop in mijn
keel.” Dat zingen mislukte volkomen, dus ik heb de tekst maar gesproken!
Ik had blijkbaar een aanstekelijke lach, want een keer hadden mij tafelgenoten
me aan het lachen gekregen en dat ontaardde in de slappe lach. Mijn hele
omgeving lachte mee en natuurlijk ging het belletje van de overste. Iedereen
40
stil behalve ik, ik kon niet ophouden, met als gevolg een lachsalvo van de hele
eetzaal. Ik werd de refter uitgestuurd, en heb die dag honger geleden.
Ik sluit voorlopig af, maar door reacties van tijdgenoten komen af en toe nog
herinneringen boven borrelen. Die zijn dan voor een volgende aflevering. Alles
bij elkaar heb ik over het algemeen goede herinneringen. We kregen een goede
intellectuele ontwikkeling, niet alleen door de studie, maar ook door de
culturele activiteiten Het nadeel was dat ons leven zo strak gereglementeerd
was, dat toen dat wegviel ik me met hart en ziel in de vrijheid stortte en het
lang geduurd heeft voor ik weer de nodige zelfdiscipline hervond. Een ander
nadeel was de wereldvreemdheid die ons werd bijgebracht. Ook daar heb ik
lang last van gehad. Dat er een ander geslacht bestond werd verre van ons
gehouden, trouwens seksualiteit bestond niet en we werden getraind in het
onderdrukken van zondige gedachten. Ik lees het effect ervan in het boek van
Jène van Moorsel.
Ik durf wel te stellen dat ik zonder Ravensbos niet zou zijn geworden wat ik nu
ben, zowel in positieve als in negatieve zin. Wel ben ik mijn geloof in de kerk
kwijt geraakt, misschien wel omdat ik te dicht bij de keuken ben geweest.
Nog wat herinneringen:
We hadden in de tweede klas Grieks van pater Neesen. Zijn bijnaam was "?????
= nèsos" het Griekse woord voor ziekte. Ik herinner me de volgende anekdote.
Hij had klassieke talen gestudeerd en toen hij slaagde voor zijn kandidaats?,
was hij dus bevoegd. Hij werd opgepakt op het spoor. Nee, verklaarde hij, hier
staat "Verboden toegang voor onbevoegden", en ik ben vanaf vandaag
bevoegd! Van Jène van Moorsel hoorde ik dat hij ernstig ziek was geworden en
uiteindelijk vrij jong overleed..
Pater Mullenders, die als bijnaam de “Smuul” had, was een verwoed
kettingroker. Wij veronderstelden dat hij zo doorgerookt was, dat hij op zijn rug
een grote bruine plek had. Hij was een van de weinige bevoegden, want hij had
41
M.O. Frans. Hij is op een bepaald moment uitgetreden en had een
kantoorbaan.
Hij bezocht regelmatig het gezin van onze kok om daar koffie te gaan drinken.
Die woonde met vrouw en twee kinderen in een klein huisje aan de rand van
de cour. Op een nacht hoorden wij op de cour geschreeuw: het bleek zijn
vrouw te zijn die om hulp riep. Haar man had een hartaanval gekregen en was
overleden. Hij is toen bij ons begraven. Ze hadden twee kinderen, een meisje
en een jongen, Benny geheten. We kregen een andere kok die daarvoor
legerkok was geweest. Toen ik hem eens vroeg hoe het toch kwam dat zijn saus
zo’n groene glans had, wees hij naar buiten en vroeg: Wat zie je daar? Bomen
antwoordde ik. En wat zit daaraan? Blaadjes zei ik . Nou, dan heb je je
antwoord!
In verband met onze opleiding voor het staatsexamen Gymnasium werden
twee lekenleraren van buiten aangetrokken, de heer Zijlstra voor de klassieke
talen en Harry Prick voor Nederlands. Het waren beide voortreffelijke jonge
docenten. Mijnheer Zijlstra is later conrector van het Claracollege in Heerlen
geworden. Dat was een middelbare school voor meisjes, gymnasium, HBS en
MMS. Of hij nog leeft weet ik niet. Ik kan me hem nog goed herinneren, vooral
zijn verhaal dat hij toen hij gezakt was voor zijn kandidaats een tijdje naar
Frankrijk trok om daar druiven te plukken. Hij heeft ons ook een verhaal
voorgelezen dat hij geschreven had en dat in een literair tijdschrift was
geplaatst, ik meen in Roeping. Het ging over een gastmaal in Rome. Ik geloof
dat het het Gastmaal van Trimalchio heette. We hebben hem ook eens een
paar benauwde ogenblikken bezorgd. We moesten Herodotos vertalen. Hij had
ons een stuk als huiswerk opgegeven. Daarin beschreef Herodotos de
gebruiken bij de Egyptenaren en vertelde dat sommige balsemers zich
vergrepen aan de lijken van jonge mooie vrouwen. Hij was er erg verlegen mee
dat George, Henk en ik het al vertaald hadden! Hij wilde het overslaan, maar
wij protesteerden dat we er niet voor niks tijd in hadden gestoken. Hij was wel
zo sportief om het toch te behandelen, zij het in hoog tempo. Hij had een heel
knappe vrouw getrouwd, die op een bepaald moment hersenvliesontsteking
kreeg. Hoe dat is afgelopen weet ik niet. Wij waren toen al weg van Ravensbos.
Harry Prick, de grote Lodewijk van Deijsselkenner. Die is nog tamelijk beroemd
geworden met zijn Lodewijk van Deyssel-biografie, in twee kloeke delen. Ik heb
ze indertijd gekocht. Het was een zeer bijzondere figuur die ons prachtige
verhalen wist te vertellen over zijn belevenissen. Hij was door Lodewijk van
Deyssel tot erfgenaam van al zijn papieren benoemd, met de opdracht een
42
biografie te schrijven. Lodewijk bewaarde alles, alle papiertjes, bijvoorbeeld
telefoonbriefjes. Hij kwam zelf niet aan de telefoon maar liet die door de butler
opnemen. Die schreef de tekst op een briefje, Lodewijk las dat en schreef een
antwoord dat de butler dan weer voorlas. Die briefjes werden bewaard.
Tijdens de periode dat hij ons les gaf, had hij een kamer op Ravensbos. Op
zekere dag kwamen met van Gend & Loos grote groene hutkoffers aan met de
nalatenschap. Harry Prick las ons af en toe voor uit die nalatenschap. Hij
vertelde ook andere verhalen zoals de anekdote die ik indertijd in Ravengekras
heb opgenomen. “Nadat pater Neesen ons verteld had dat hij atomen rookte
en zo nu en dan een isotoopje, deelde Dhr. Prick ons vol ontzetting mee, dat hij
door een koe was aangevallen. Dit beest had zich gepermitteerd een agressieve
houding aan te nemen, en hierdoor geïmponeerd voelde dhr. Prick zich
genoodzaakt zich terug te trekken. Na herhaalde pogingen gelukte het hem de
koe te passeren, iets wat ongetwijfeld wel bewonderenswaardig geheten mag
worden.”
Een ander fraai verhaal was dat hij op bezoek was geweest bij de partner van
Boutens in Scheveningen, in de hoop van haar brieven te krijgen die van
Deyssel aan Boutens had geschreven. Ze vertelde hem dat Jezus bij haar in de
keuken was geweest en dat ze de brieven niet afgaf. Ze hadden over de
boulevard gewandeld en Prick zei: Ïk had maar even zo hoeven te doen, en ik
was van haar af geweest. Daarbij maakte hij een sierlijk duwend gebaar!
Hij maakte me een compliment omdat ik blijkbaar accentloos Nederlands
sprak. Hij had pas ontdekt dat ik Limburger was, toen ik in een opstel soms in
de betekenis van misschien had gebruikt.
In de vijfde klas kregen wij drieën les in Latijn en Grieks samen met de vier van
de zesde die werden opgeleid voor het Staatsexamen. We waren eerlijk gezegd
beter en hadden al gauw een voorsprong. Het jaar daarna verdeelden we het
huiswerk onder ons drieën, zodat we enorm opschoten. Voor het examen
moest je opgeven wat je al vertaald had, zodat je een nieuw stuk kon krijgen op
het mondeling. We hadden zoveel doorgewerkt, dat we niet alles hoefden op
te geven en dan ook prompt een stuk kregen dat we al in de les besproken
hadden. Na ons was André van Kempen de eerste die vanaf de vijfde klas naar
het Bernardinuscollege in Heerlen werd gestuurd.
Het was traditie dat de vijfde klas Sinterklaas verzorgde. Die klas moest dan een
spectaculaire binnenkomst verzinnen en begon al maanden van te voren met
43
de voorbereidingen. We konden gebruik maken van de garderobe van de
toneelzaal en van allerlei spullen die we konden vinden. Wij hadden bedacht
dat Sinterklaas dood was. Ik was Sinterklaas en werd in een doodskist
binnengedragen. Er zijn fraaie foto’s van, waar Henk de Roo de dood speelde,
Jène van Moorsel in het zwart, Leo van de Berg in het wit, George Gelauf en
Gerard van Kempen waren zwarte Piet, Willy Houben gendarme en Jans van
der Zwaan plaatsvervangend kardinaal. Door Sinterklaasliederen te zingen
maakten ze me wakker en daar begon het spul.
De benamingen van de klassen waren: 6de klas: Rhetorica, 5de klas Poësis, 4e
klas Syntaxis en 3de klas Grammatica. De 2de klas waren de senioren, de eerste
en voorbereidende klas de junioren. De hoogste klassen waren meestal
tamelijk klein, omdat er nogal wat uitval was. Ook werden contacten tussen
hogere en lagere klassen bepaald niet aangemoedigd. Alleen in de verkennerij
en bij het voetballen werd die strikte scheiding doorbroken. Toch trok je het
meeste met je klasgenoten op. Tenslotte zat je niet alleen in dezelfde klas,
maar ook bij elkaar aan tafel. En ook als we vrij waren, zaten we meestal in
dezelfde groep.
De laatste tijd wordt in de media veel aandacht besteed aan seksueel misbruik
op internaten. Naar eer en geweten durf ik te verklaren dat ik daar op
Ravensbos nooit iets van gemerkt heb. Er bloeiden misschien wel bijzondere
jongensvriendschappen op, maar die kregen niet de kans om effectief te
worden. Misschien was ik te naief om het te merken, maar in elk geval waren
volgens mij geen paters bij iets dergelijks betrokken en broeders kregen al
helemaal geen kans, omdat wij daar nauwelijks contact mee hadden. Ik heb
ook nog niets in die geest gelezen op de website van Willem Reijnders of Peter
van Velzen.
44
Toon Maes
Alle lof aan de leraren van Ravensbos.
De laatste jaren ( 1962-1963) op Ravensbos, in het perspectief van de
introductie in de Oblatenfamilie middels het noviciaat in de peel van
Evertsoord, heb ik vaak een grote bewondering gehad voor de priester-leraren
van het college.
Opgeleid om het evangelie te verkondigen in avontuurlijke omstandigheden,
trotseren van ijsberen, bekeren van polygame zwarte mensen, construeren van
kerken en scholen, arbeiders christianiseren in de armste regios, jongeren
introduceren in het blijde christelijke geloven, en nieuwe volgelingen scholen
en vormen, waren het de pas gewijde idealisten die naar Ravensbos werden
gestuurd om 'een vak waarvoor ze niet gestudeerd hadden' te gaan
onderwijzen; aldus de gehoorzaamheid beoefenend in afwachting van betere
tijden. De geboren priester-leraren waren er ook maar laat ik hier buiten
beschouwing.
De paters Voogd en Uyterhoeven, uitmuntende leraren, konden op latere
leeftijd naar het missiegebied Suriname om daar te doen waarvoor eigenlijke
alles begonnen was: missioneringsarbeid in de geest van 'De Mazenot'. Ik
herinner me nog als de dag van gisteren de lessen Nederlands van pater Voogd
tijdens dewelke hij zo nu en dan liet doorschemeren zijn intens verlangen 'te
vertrekken'. Uiteindelijk heeft de leiding hem daar geroepen waar zijn hart lag:
de missie.
De paters Palm en Cartens, opdracht 'nederlands en duits' onderwijzen op het
klein seminarie van de eigen klup. Cursussen volgen, bijblijven, lessen
voorbereiden, leraar zijn. Hoe kregen deze mensen dat klaar, naast het
brevieren, in de kapel hun ding doen, pedagoog zijn en contacten onderhouden
met confraters en biecht horen. Diep respect.
Pater Koot, ik zou hem willen omhelzen en bedanken voor wat hij me aan
genereuze zelfopoffering heeft gegeven. Ik herinner me dat hij na de wijding
als priester werd aangesteld als docent latijn en grieks. Een energieke
jongeman, wat ouder dan de leerlingen van de hoogste klassen, hij hield ervan
te biljarten en te ontspannen samen met de oudere studenten, gehuisvest in
de duitse vleugel. Tevens had hij de verantwoordelijkheid voor rust en orde,
prefect dus. Vaak zag ik hem 's avonds na de avondrecreatie en het
breviergebed, vertrekken, leerboeken grieks en latijn onder de arm, richting
kamer 'Jan van der Zee', voor bijlessen. In vakken die eigenlijk zijn ding niet
45
waren. Toch deed pater Koot dat allemaal, voor het goede doel en met vol
idealisme. Zijn bijdrage aan een nieuwe generatie paters die er niet meer is
gekomen. Later is hij aalmoezenier geworden op een woonwagencentrum. In
die funktie ben ik hem tegengekomen als initiatiefnemer van
alfabetiseringsprojecten in het woonwagenkamp en heb ik hem nog wat
overheidsgeld mogen toespelen; ik werkte toen bij de afdeling
volwasseneneducatie van het ministerie van cultuur en maatschappelijk werk.
Ik was blij te zien dat pater Koot gearriveerd was waar zijn idealen lagen.
Zo ging dat een vijftigtal jaren geleden en ik was er getuige van. Vandaag de
dag niet meer voor te stellen, destijds heel gewoon. Blijken van de kracht van
de oblatenfamilie, de energie van gedeelde idealen.; ja, dat zal het zijn 'de
energie van gedeelde idealen', iedereen heeft een plek en is onontbeerlijk, en
dus 'gevaloriseerd '. Tegenwoordig terug te vinden in sektes en extremistische
aberraties van uiteenlopende geloven. Dus het bestaat nog altijd, zoals dat
vroeger bestond in, naar mijn idee, een gezonde menselijke omgeving.
Weggelopen vanwege de celibaatsverplichtingen na één jaar theologie in
Venray bij de Franciscanen, hebben velen kennelijk hetzelfde gedaan. Met als
gevolg dat kloostercomplexen werden ingericht als gevangenis, appartementen
of overgegaan zijn in handen van tenoren van 'nieuwe religies'. De starheid van
Rome en haar middeleeuwse theologie, het vermeende auteursrecht op 'de
waarheid' , en de arrogantie boven de burgerlijke wetten te staan, maakten
van de kerk een verdorven fossiel uit tijden die we met blijheid achter ons
weten. De geschiedenis kent zijn eigen loop, niet om over te treuren maar een
zekere nostalgie blijft.
Toon Maes
46
Andre van Kempen
Mannen van Ravensbosch,
Reeds velen hebben getracht een verslag te maken van de gebeurtenissen die
zich onder ons hebben voltrokken, in overeenstemming met wat ons is
overgeleverd door degenen die van het begin af ooggetuigen zijn geweest……
etc. (Lk, 1: 1-2)
Ook ik heb heel veel goede herinneringen aan Ravensbosch, eerst als student
en later een jaar als leraar latijn en Grieks. Toch was ik heel gelukkig dat ik vrij
gauw daarna in de catechese mocht gaan werken. Rome had ons gedurende
de 7 jaren overigens op dat gebied niets bij gebracht. Wel konden wij
Vaticanum II van dichtbij met huid en haar mee beleven. Maar dat is weer een
ander verhaal.
Als ik aan Ravensbosch denk is mijn eerste gedachte heimwee. Tot op de
huidige dag. Het begon met de eerste reis naar Valkenburg. Mijn heeroom
Tonny Evers bracht ons weg: mijn ouders en mij. Pater Uitterhoeve gaf een
plek op de grote slaapzaal ‘waar nog niemand was neergelegd’. Het was daags
voor de grote intocht Zelden heb ik me zo verlaten en machteloos gevoeld.
Het blijft een regelmatig terugkerend thema in mijn dromen. De wekelijkse
brief van thuis heeft in deze heel veel voor mij betekend. Hoewel er toentertijd
uiteraard geen sprake van kinderen kon zijn, wist ik heel zeker dat ik ze nooit
naar een internaat zou sturen. Wat was ik soms jaloers op Willy Houben z.g. die
regelmatig bezoek kreeg van zijn lieve zus Fieny en op Jozef Hoen van wie de
was door iemand van thuis werd gehaald en gebracht..
Naarmate het einde van de vakantie in zicht kwam begon mijn heimwee op te
spelen. Na de eerste kerstmis thuis vertrok ik half ziek naar de trein in
Nijmegen. En het geschiedde dat we de Maas nog niet gepasseerd waren of ik
had de nieuwe grijze overjas van Toon Tonen al gedeeltelijk een nieuwe kleur
gegeven. Het galgenmaal was boerenkool met worst geweest. Dat vloekte
gelukkig niet echt.
Tijdens het rozenhoedje bleef ik lang staan bij de opening in de haag naar het
voetbalveld toe, d.w.z. richting Noorden. Ik bad niet voor een goede uitslag van
de wedstrijd PSV – NEC. Menig Weesgegroetje werd met een intentie gebeden
die afweek van de meeste biddende kameraden in het laantje.
Tijdens de vroege maandagochtend zitting in de grote studiezaal kon pater
overste je en plein publique zo fijntjes te kijk zetten (om niet te zeggen in de
47
vloeistof) omdat je ondeugend was geweest Wat voelde ik me dan eenzaam en
gekleineerd. Discussie en uitleg waren uitgesloten. (In brieven van kinderen
binnen de rubriek “achterwerk” op de achterkant van de VPRO gids staat dan
steevast: ‘zijn er meer die zoiets hebben meegemaakt ? ‘) Ontegenzeggelijk
heeft Pater Floor de Grauw onschatbare verdiensten gehad voor Collegium
Carolinum; zonder zijn voortdurende ‘schooi acties’ hadden we wellicht kou
geleden en weinig te eten gehad. Maar van gezelligheid had hij onvoldoende
kaas gegeten. De sfeer op Ravensbosch in die dagen zal mij mijn leven lang
blijven heugen. Inmiddels weet ik maar al te goed dat er maar één enkel middel
tegen heimwee is. Maar daar was ik nu net niet van gediend.
Toen ik later in zwart pak in Arnhem in mijn eentje de trein nam voor een
zevenjarig scholastikaat zonder onderbreking in Rome, huilde ik als een kleine
jongen. Een wat oudere heer tegenover me vroeg wat er aan de hand was.
Mijnheer, ik moet voor zeven jaar naar Rome, was mijn antwoord. Daar wordt
U toch niet opgesloten, eerwaarde, probeerde mijn reisgenoot bemoedigend.
Hij bood me een sigaar Elisabeth Bas aan. Die dame bracht enige troost, zij het
maar tien centimeter lang.
Mijn heimwee werd extra vergroot door het ‘spel van verkennen’. Uitgerekend
op zondagavond als men thuis gezellig bij elkaar zat en een spelletje deed of
naar mooie muziek zat te luisteren werden wij getrakteerd op een eigenaardig
spelletje. Rond het Joodse kerkhof bij iemand van een andere patrouille een
zakdoek achter uit de broek trekken. Zou er toch een link te leggen zijn tussen
het gedachte goed van de stichter Mgr. De Mazenod en de idealen van Baden
Powell? In elk geval had Father RRRientjes de wind er onder.
En het geschiedde dat zich daaraan vooraf gaand een merkwaardig tafereel
afspeelde. Ondanks onze zondagse outfit werd er tussen 14.00 – 16.00 uur
gedoucht. Naast de bakkerij in de Duitse vleugel was een natte cel met
bijzonder weinig ventilatie. De dienstdoende jonge pater die voor de goede
orde garant stond moest voortdurend zijn bril poetsen om zijn breviergebed te
kunnen voortzetten. Het natte gedeelte was vanzelfsprekend van korte duur –
stel je voor! Toch werd die exercitie voor een deel goed gemaakt door het
brood dat rechts voor ons op schappen in de wachttijd ons uitnodigde om een
stukje van de korst af te knabbelen. Eenmaal terug in de ‘vrije studie’ kon je je
geestelijk alvast voorbereiden op de missionaristraining in het struikgewas.
Voor de vespers of completen moest je je dan weer opfrissen.
Wat me ook altijd bij zal blijven waren de momenten waarop je gesnapt werd.
De prefect had er een handje van om op de hoek van het natuurkundig
laboratorium van pater Lempens je op te staan wachten. Ik kwam met mijn
48
beste vriend uit die jaren, Piet Weijs z.g., de rozenkrans rustig babbelend
aanlopen. We hadden het uitvoerig over een van “de glorievolle of droevige
geheimen”. We liepen pardoes in de fuik. Onbeweeglijk stond/lag Pater
Uyterhoeve op de loer. Het feit dat hij dan niets zei, dát was pas dodelijk. Met
een rooie kop vervolgden we gescheiden ons pad.
Waar ik ook vreselijk het land aan had was te laat de refter binnen te komen.
Iedereen zag je, vooral de overste. Maar daar had ik het volgende op
gevonden, sprak Paul van Vliet ooit. Ik ging eerst rechtsaf via de grote gang
naar het luik in de keuken. Daar werden de verschillende schalen en kommen
uitgereikt aan de ‘dienaren’. Zonder een spier te vertrekken liep ik dan met een
bak stamp naar mijn eigen tafel, zette het eten op tafel en ging rustig zitten.
Daar heeft nooit een haan naar gekraaid.
Binnen de refter hadden wij een bijzonder monetair fonds gecreëerd. Onze
portemonnaies (in Limburg heette zo’n ding voortaan ‘beurs’) dienden we na
elke vakantie in bewaring te geven tot de koffers opnieuw gepakt werden.
Wilde je wedden of iets van iemand voor een ‘zacht’ prijsje overnemen, had je
alleen de pudding. Het gebeurde ooit dat sommigen hun pudding voor de hele
komende maand al van de hand gedaan hadden. We hadden gewoon geen
ander wisselgeld. Kwam er een pakje van thuis met een reep chocolade of een
rol drop, dan lagen die keurig uitgepakt bij het middageten op je bord. Het
voordeel was natuurlijk dat de overige tafelgenoten op hun beurt ook deelden
wanneer er iets bij hun schone was gevonden werd.
In de refter stonden lange tafels met een richeltje eronder waar je je bestek en
servet kon bewaren. Op het einde van elke maaltijd kwamen spoelbakken langs
om het bestek te wassen en schoon te spoelen. Iedere camping met een
dergelijk systeem kan zijn licentie onmiddellijk inleveren als de ANWB langs
komt.
Om de twee jaar gingen we pas op Paaszaterdag naar huis. Als afscheid waren
er dan voor iedereen minstens twee eieren. Menigeen dacht alleen maar aan
thuis en at nauwelijks nog iets. Ik stopte een stuk of vijf eieren in mijn kastje
onder de tafel om het verdriet na de vakantie enigszins mee weg te eten. Bij
terugkeer na de Paasvakantie kreeg Jos Paspont mijn plaats toegewezen, als ik
me nog goed herinner. Hij zal ongetwijfeld nu nog weten welke stank rotte
eieren verspreiden.
Maar Ravensbosch kende ook veel leuke momenten. Want het geschiedde dat
we een nieuwe overste kregen in de persoon van Fons Kusters. Hem ben ik heel
veel dank verschuldigd. En velen met mij. Voor mijn gevoel verdween er toen
veel grauwheid uit mijn jongensleven. Fons verstond de kunst om ons als
49
volwaardige jonge mensen tegemoet te treden. Zijn achterland was ook wel
even anders dan het kloosterleven.
Het buurt- en vormingswerk in Maastricht hadden hem een rompstand
gegeven die voor een andere wind zorgde. Er kwam gezelligheid, een prettige
kleine recreatie kamer, met leuke stoelen en tafeltjes, waar we leerden bridgen
en zelfs een muziekje konden aanzetten. Veel van het Spartaanse leven werd
bijgesteld. We hoefden niet langer “specialisten in alle klimaten te worden”.
Pater Fons Kusters had ook een degelijke bidstoel op zijn kamer staan. Ik weet
nog dat ik me een hele vent voelde toen hij tijdens een gesprek – het was al
laat – de deur van de bidstoel opende en een fles jonge Bokma met twee
glaasjes voor de dag haalde. Fons was een levenskunstenaar, een Limburger uit
het beste bronsgroen eikenhout gesneden. Toen ik later studentenpastor was
ben ik nog vaak bij hem geweest samen met mijn vrouw Joke. Ook toen
verliepen onze gesprekken in dezelfde hartelijke sfeer die hem zo eigen was.
Onvergetelijk blijft voor mij het afscheid een paar weken voor zijn dood. Met
tranen in de ogen hebben we samen psalm 139 gebeden. Ik was dan ook
dankbaar dat ik tijdens de uitvaartmis in Lemiers een eigen in memoriam aan
hem mocht wijden. Ik durf gerust te zeggen dat ik zonder hem nooit priester
geworden was en gebleven.
Dankzij Pater Kusters werd ook Carnaval een integraal onderdeel van het
seminarie leven. Groots werd dat gevierd: met prins, raad van elf en heuse
pronkzittingen. Via Fons luisterden we voor het eerst naar de sublieme
Limburgse liedjes. Voor mij persoonlijk werd het helemaal tof toen ik als eerste
in de Carolijnse geschiedenis mijn gymnasium alfa in Heerlen mocht gaan
afmaken. Ineens Limburgse jongens die me bijles Limburgs gaven. Eerst alleen,
maar later met nieuwe vijfde klassers: op de fiets de Klimmener berg op en
dan via een stukje Amstel Gold race doken we Heerlen in. We hadden een
volkomen dwaze manier om andere mensen onderweg te groeten: “bon
matin”. We noemden ons op een gegeven moment de ‘bonmatinisten’.De
leraren Reus, ten Berge (Teddy) en niet te vergeten Boonenkamp (latijn, grieks
en geschiedenis) zijn voor mij voor altijd in mijn geheugen gegrift gebleven, o.a.
met Boonenkamps zijn veel geprezen filmcursus. En Pater Timmermans (den
Tim) die op de blote voeten in sandalen onvervaard met ons op de cour
voetbalde.
Ook een paar liturgische anekdotes Om de twee jaar bleven we de Goede
Week in Valkenburg en vertrokken de bussen richting Sittard pas na de
Paaszaterdagviering. Daar ben ik nooit rouwig om geweest. De liturgie van die
week is het mooiste van gehele jaar! Laat in de middag zongen we samen de
50
z.g. donkere metten. Telkens waren er jongelui uit de voorbereiding de klos.
Men stookte hen op dat ze voor die viering in het half donker bij pater
Mullenders kaarsen moesten gaan ophalen. En wel vanaf een uur of twee. En
het geschiedde dat die brave borst op dat moment natuurlijk precies bezig was
met een `franse of griekse brief´ (lees dutje) . Er is niet veel fantasie voor nodig
om de paaswensen te bedenken die de jonge knapen te horen kregen.
Het volgende heeft Leo van de Berg me verteld. Of heb ik het zelf gehoord?. Op
een of andere hoogtijdag of was het bij de eeuwige geloften van een van de
broeders, ik weet het niet, Joost weet het, hadden we een plechtige hoogmis
met drie heren. En het geschiedde dat in het tafelgebed “Te igitur…” plotseling
N.N. stond. Het was de bedoeling in die dagen dat de naam van de plaatselijke
bisschop werd ingevuld. De hoofdcelebrant kon niet op zijn naam komen. Er
viel een korte pijnlijke stilte. Toen souffleerde de diaken zachtjes, maar toch
voor menigeen hoorbaar:’Guilelmus, heit de kloewetzak.” In onvervalst
Limburgs.
Nog een historische uitspraak in onvervalst Limburgs kwam regelmatig uit de
mond van broeder Frusch: “Pater euverste, ze bezèke dich allemoal”
Velen van ons denken wellicht niet met weemoed terug aan de vele uren die
we in de studiezaal doorbrachten. We studeerden veel en degelijk. Zelfs in de
gang liepen we met kleine dubbelgevouwen schriftjes – de ene kant b.v.het
latijn, de andere kant het nederlands. Maar we hebben ongelooflijk veel
geleerd op het gebied van talen. Ik heb daar later enorm veel plezier van
gehad. Vooral in Rome en Fribourg. Ik ken nu nog hele rijtjes van buiten: mit,
nach, nebst,seit, samt, bei, zeit, von, zu, zuwider, ausser, aus , gemäss en
gegenüber. En de Schwere Wörter, de groene beul. En niet te vergeten de vele
stamtijden in het Frans, Latijn en Grieks. Ik blijf erbij dat wij een uitstekende
vorming op taalgebied gekregen hebben . Als je het taalonderwijs momenteel
daarmee vergelijkt ben ik soms geneigd te gaan huilen in zes talen. Hulde aan
de leraren van die dagen. Pater Uiterhoeve had ons in de eerste klas in rijtjes,
d.w.z. volksstammen in slagorde opgesteld: romeinen, galliërs, bataven en
friezen. Zo streden we onderling in teamverband om de hoogste score latijn.
Onvergetelijk blijft ook Pater Tromp met zijn geschiedenis onderricht. Zelden
heb ik beseft van hoeveel belang de inzet van een leraar is voor de liefde die
leerlingen voor een vak kunnen krijgen. Nog zo’n self made docent. Geweldig
toch. De rijtjes met jaartallen en korte toelichting zie ik nog op het bord voor
me staan. Soms leefden we ons in in een bepaalde historische periode; Toen de
riddertijd al onze aandacht opeiste spraken ook wij elkaar aan met ‘Heer’. Onze
51
klas werd voor een paar maand bevolkt met Heer Pieter (Boonman), Heer Kleus
(Piet Kleuskens), Heer Dries, etc.
Onder de leraren blijft ook bij mij een heel bijzonder plekje voor Harry Prick.
Het vak nederlands werd met zijn komst een feest. Velen van ons heeft hij tot
fijnproevers gemaakt voor altijd. Orde in het klaslokaal was beslist niet zijn
sterkste kant, maar hij compenseerde dat meesterlijk met hetgeen hij te
melden had. Hij vertelde zo graag en uitbundig over zijn persoonlijke
vriendschappen met schrijvers en literaire grootheden van toen. “Mijnheer,
hoe was het boekenbal eergisteravond?”.” Nou heel gezellig: een kneepje hier,
en een kneepje daar….”. Eens had Prick bergschoenen gekocht. Het advies om
er eerst een paar weken mee rond te lopen alvorens de bergen in te trekken,
volgde hij prompt op. Met zijn boeken onder de arm kwam hij de volgende dag
aanstappen. Alsof de Mont Blanc binnen handbereik lag. Op een dag zorgde
Japie van Buren voor stennis achter in de klas. Iemand had zijn potloot ingepikt.
Jaap wilde het op stip en sprong terug, het conflict dreigde uit de hand te
lopen. Midden in een gloedvol betoog over de tachtigers klonk het plotseling:
“Maar van Buren, van Buren, zo’n potloot is toch geen halszaak.” In zijn
beleving zou Lodewijk van Deyssel daar hooguit een telefoonbriefje aan gewijd
hebben. Zo dacht hij, zo sprak hij, Harrie G.M. Prick..
Pater Pieke Lempens verdient toch ook nog een extra vermelding. Hij zorgde
figuurlijk voor de aanwas van nieuwe junioristen. Nog meer succes oogstte hij
met zijn scheikunde proeven in zijn voor alpha’s mysterieuze lokaal achter de
schoenzaal. Gelukkig lag het laboratorium in een uithoek van het huis want nu
en dan was een mini- non-proliferatieverdrag geen luxe geweest. De ramen
moesten plotseling open. De toekomst van de oblaten dreigde aan
rookvergiftiging ten onder te gaan.
En het geschiedde dat de hoogbejaarde Broeder Urlings zijn zoveelste
kloosterjubileum ging vieren. Ik heb de broeder nooit anders gezien dan in een
rolstoel. Gezien zijn beminnelijke glimlach was hij denk ik niet ongelukkig met
zijn beperkte mobiliteit. Iemand was op het idee gekomen om ons te vragen
waarmee we Broeder Eurlings een plezier zouden kunnen doen. Ton Bredie
kwam op het idee uit te zien naar een paar stevige rolschaatsen. Dit plan werd
allerminst gewaardeerd van hogerhand. En wij vonden het juist zo’n prima
grap.
Op muzikaal gebied heerste er op Ravensbosch een uitgesproken gunstig
klimaat. Toen nog met oude grammofoonplaten en een zelfgebouwde
bandrecorder werden er audities georganiseerd om ons vertrouwd te maken
met klassieke muziek. Veel mensen kregen pianoles en pater Voogt heeft mij
52
ook zo de beginselen van het klavierspel bij gebracht. Zelf was hij een kanjer.
Nauwelijks aangekomen in Valkenburg zat ik al bij het jongenskoor en
zodoende zongen we vaak boven bij het orgel. Voor en na de diensten was het
pas echt feest: We klommen met een aantal op de opstap dicht tegen de
speeltafel aan . Met eigen ogen en oren genoten we van het spel van Pater
Voogt. Met name de Toccata’s en fuga’s van Bach, de koralen van C.Franck en
een fanfare van Flor Peters, die Martien Noordermeer later ook in de vingers
kreeg. Ook het gregoriaans kregen we uitstekend onder de knie. Die
schoonheid is voor mij onaantastbaar gebleven. Oosterhuis, Huijbers, Oomen,
etc. hebben voor prachtige vervanging gezorgd tot in onze dagen. Maar dat
komt ook door het engagement en de eigentijdse vertaling van het bijbels
getuigenis dat er uit spreekt. (zie eventueel bijlage : “de steppe blijft maar
bloeien.”) Later mocht ik in Rome het dirigeerstokje ook voor een paar jaar
hanteren. De basis was gelegd op Carolinum. Ik zie ons nog binnendoor
gewapend met het Liber Usualis helemaal naar Meerssen wandelen om daar in
de basiliek te zingen.
Jaren later kreeg Ravensbosch een eigen harmonieorkest, en van een heel
behoorlijk gehalte. Pater Bauhuis was de leidende kracht, de dirigent was de
heer Janssen. Die kwam niet ver uit de buurt en was door Fons Kusters
binnengehaald denk ik. Hij genoot zelf van onze repetities. Op een hoorn heb ik
zelf nog een tijdje meegeblazen.
Het is inmiddels 1965. Het jaar dat ik opnieuw in Valkenburg belandde,
kersvers uit Rome: leraar latijn en grieks. Het was de tweede keer dat ik de
plaats innam van Ben Annink.
Hoewel in Rome tijdens de colleges bijna uitsluitend latijn gesproken werd,
was dit leraarschap geen succes.
Ik werd al snel leraar catechese in Gouda. Daar heb ik alleen maar goede
herinneringen aan. Minder aan het verblijf op de pastorie van Capelle aan de
IJssel. De charismatische Henk Schram, terug uit Sri Lanka, benaderde mij in
1968 om international chaplain te worden in Fribourg, Zwitserland. Daar was
het hoofdkwartier van de International mouvement of catholic students
gevestigd. Van daar uit ben ik maandenlang getrokken langs studentenpastoraten in alle werelddelen behalve Australië. Onuitwisbare Indrukken en
rijke vriendschappen heb ik eraan overgehouden.
In 1972 zat mijn termijn erop. Een doctoraal studie pastoraal theologie in
Nijmegen maakte me duidelijk dat ik voor het concrete handwerk in het
pastoraat nog heel veel te leren had. Naast allerlei niet strikt theologische
vakken heb een paar jaar mogen smullen bij pater Schillebeeckx. Zijn theologie
is voor mij bepalend geworden tot op de huidige dag. Mijn doctoraal scriptie
53
had als onderwerp: “De vrede zal ons een zorg zijn”, over het vredeswerk in
parochies en gemeenten. Het geschiedde namelijk in die dagen dat er weer
een internationale Pax Christi voettocht werd georganiseerd door Pater Piet
Verkoelen. Ik had me er opnieuw voor aangemeld. In mijn eentje als
leider/aalmoezenier van 50 jongelui uit negen verschillende landen te voet
door Catalonië leek me wat te veel van het goede. Bij de voorbereiding in Den
Bosch nodigde ik Joke Corstens uit als mijn partner voor Spanje. Ik had mij geen
betere voorbereiding kunnen wensen om samen aan een tocht te beginnen.
We zijn nog steeds en route….Joke en ik trouwden op Hemelvaartsdag 1975 op
het kasteel in Gemert. Mijn aanvraag aan Rome was: doorgaan op de eenmaal
ingeslagen weg, Niet langer alleen dus, maar samen met Joke. Voor dit verzoek
was geen laatje in de romeinse burelen. Tant pis. Eerst met haar naar Den
Haag: zij mentrix van aankomende verpleegkundigen, ik als adjunct-secretaris
bij Pax Christi – IKV. Daar heb ik mijn beste beentje voor gezet om samen met
Mient Jan Faber de kernwapens te wereld uit te helpen, om te beginnen uit
Nederland. Dat bracht mij in 1976 voor een preekbeurt op vredeszondag naar
de studentenkapel in Eindhoven, waar men juist op zoek was naar een nieuwe
studentenpastor. Mijn huwelijk hoefde geen bezwaar te zijn. Mgr. Bluyssen
legde me niets in de weg om binnen de studentenkerk te doen wat heilzaam en
nodig was voor het pastoraat. Met een beperkt aantal collega’s in den lande
ben ik zo gelukkig geweest dat ik volledig heb kunnen doorfunctioneren tot op
de huidige dag. En dat in een volstrekt oecumenische setting. Evenals Toon van
Buren heb ik de ervaring dat het prima werkt. De jonge lui vonden ons alleen
maar eerlijk. Nooit heb ik last gehad van enige bisschoppelijke bemoeienis. In
tegendeel. Maar ik heb het dan ook over bisschop Bluyssen. In deeltijd ben ik
toen ook gestart als docent catechese en ethiek aan de Fontys Hogeschool.
Inmiddels geniet ik al weer een aantal jaren van mijn pensioen. Wij hebben
geen kinderen. In mijn vrije tijd ga ik nu en dan nog eens voor of geef een lezing
over religieuze muziek. Om de veertien dagen ben ik beschikbaar op donderdag
in het stilte- en ontmoetingscentrum in Hoog Catharijne. Het kontact met de
mensen die veelal met hun ziel onder de arm komen binnenlopen ervaar ik als
een verrijkende aanvulling met veel voldoening op mijn toch wat eenzijdig
pastoraat in het verleden.
Tot slot moet me nog wel iets van het hart. Vooral de Ravensbosch-verhalen
die intussen zijn binnengekomen bevestigen me opnieuw in mijn overtuiging.
Als er over vijftig jaar het vak kerkgeschiedenis nog bestaat, komt men
misschien wel tot dezelfde overwegingen.
Hoe heeft men toch ooit een selectiesysteem kunnen bedenken waarin
tientallen jonge jongens begonnen aan een seminarieopleiding en dat tenslotte
54
niet meer dan een handvol mensen opleverde voor de priesterwijding. En dan
werd er ook nog doodleuk de kreet op geplakt: velen zijn geroepen, weinigen
uitverkoren. Alsof Jezus dat toen zo bedoeld zou hebben. Mijn hemel !
Hoeveel jongens hadden geen prima functionerende pastor kunnen worden,
als hen niet vroegtijdig de pas was afgesneden door middeleeuwse
verordeningen en regelgeving ? Hun inzet en toewijding voor de Zaak had toch
net zoals bij Toon en mij ook binnen een andere levensstijl vorm kunnen
krijgen? Waren zij zoveel minder geschikt dan wij? Was het onderscheid tussen
ons dan zo groot? Waren zij dan minder geraakt en geboeid door het verhaal
van de Man van Nazareth? Beschikten zij dan over een beperkter
onderscheidingsvermogen als het gaat om de spanning kerkelijk instituut
versus het visioen van Onze Lieve Heer met zijn mensen.-Ik geloof er niets van.
Ik verheug me op een bijzondere Hemelvaartsdag.
André van Kempen.
55
56
DE STEPPE BLIJFT MAAR BLOEIEN….
André van kempen
“Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart, die mij hebt gezien, eer ik werd
geboren…” of “Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld
daagt…” Wie kent het niet? Heel de zondag blijft het in je hoofd klinken, de
grondtoon die je tijdens de viering te pakken heeft gekregen en niet meer los
laat.
En dan lees je een paar dagen later in TROUW dat een enkele kerkelijke leiders
het werk van Oosterhuis afkraken en willen verbieden. Hoezo trouwens ?
Inmiddels hebben de feiten ons weer ingehaald. Een aantal bisschoppen schijnt
nu toch afstand te willen nemen van collega’s. Het blijft een vreemde zaak. Die
willekeur is zeer verwarrend en ook wel ‘een beetje dom.’
Zijn liederen en teksten, tafelgebeden en overwegingen zijn simpelweg niet
meer weg te denken uit de Nederlands talige liturgie en zelfs langzamerhand in
Duitse en Engelse vertaling.
“Wat rond het jaar 900 in het Zwitserse klooster St.Gallen, wat rond 1200 de
school van de Notre Dame in Parijs was en wat in de 17-de en 18-de eeuw de
Europese hofkerken waren - iets dergelijk is in onze grootstedelijke dagen de
Amsterdamse Studentenecclesia: een plek waar geconcentreerd en creatief,
poëtisch en muzi-kaal gewerkt wordt aan de vormgeving van de liturgie".
Zo typeert de Duitse theoloog Alex Stock de invloed van het werk van Huub
Oosterhuis. Bijna 40 jaar is hij nu al bezig en het gaat nog steeds door.
Aanvankelijk moest zij zich noodgedwongen "behelpen" met de klassieke
melodieën, met name uit de reformatie en uit de schat van onze oude liederen
binnen het Nederlandse taalgebied. Maar vrij snel heeft hij zich kunnen
verzekeren van de samenwerking met enkele uitnemende componisten die
haarzuiver de teksten verstonden en aanvoelden. Zij hebben er schitterend
inspirerende muziek bij geleverd. Huybers, Löwenthal, maar vooral natuurlijk
het meest gelukkige huwelijk uit de laatste decennia de samenwerking met
Antoine Oomen.
Gunstige bedding.
Naar mijn mening zijn het vooral drie factoren geweest die het werk van Huub
Oosterhuis een gunstige bedding en een meer dan goede ontvangst hebben
bezorgd. Ik bedoel daar het volgende mee. In de loop der geschiedenis is vaak
gebleken dat het er geweldig toe doet wanneer en hoe je iets nieuws brengt. Er
zijn elementen aan te wijzen waardoor hij de wind mee had.
57
1. Na eeuwenlange schoonheid van Latijnse liturgie, met het onomstreden
gregoriaans tekende zich binnen het levensgevoel van veel godsdienstige
mensen een behoefte af om in de eigen taal - in woord en lied - te mogen
vieren.
Eeuwenlang hebben wij als katholieken liturgisch droog gestaan. Wat tijdens de
liturgie diende plaats te vinden stond tot in de kleinste details tussen de
lezingen en gebeden beschreven en wee je gebeente als je er van af durfde te
wijken. En dit gold voor de gehele wereld. Toen in de zestiger jaren Vaticanum
II deze behoefte serieus nam, kwam er ruimte. Maar de geloofsgemeenschap
beschikte nauwelijks over liturgisch materiaal. Toen Oosterhuis dan ook in de
Studentenecclesia van Amsterdam gewoon heel praktisch aan de gang ging en
hij de ruimte opeiste om te mogen experimenteren vonden zijn tafelgebeden
en liederen (aanvankelijk op losse velletjes) heel snel hun weg. Dwars door
Nederland en Vlaanderen. Hij beantwoordde dus geheel en al aan een
algemeen ervaren behoefte.
2. In 1966 werd het eerste bundel teksten en liederen gepubliceerd en
opvallend genoeg hoef je er geen letter in de veranderen. Het enige wat
aangepast dient te worden zijn de aandachtsvelden waarvoor gebeden wordt.
Uiteraard is de politieke context veranderd. Bid om vrede was binnen de
kortste keren vertaald in meer dan 15 talen. In het frans kreeg het de naam
'Quelqu’un parmi nous'. Iemand in ons midden, temidden van ons. Jezus dus.
En daarmee heeft Oosterhuis exact aangevoeld en vertaald dat ons beeld van
God al aan het verande-ren was en dat wij van een transcendente God (dus een
god ver weg en hoog boven ons) ook steeds meer open kwamen te staan voor
Onze lieve Heer zoals die in Jezus en verder in deze wereld zichtbaar was
geworden.
3. Als gevolg daarvan kwam de sociopolitieke dimensie de kerk binnen en
Ooster-huis vertaalde dat in teksten en liederen die tegelijk bijbels waren, en
zodoende de krant naast die bijbelse traditie in het oog hielden. Zelf was hij
voortdurend in de weer met en voor Chili, met mensen die in Nederland te
kort kwamen en hij oversteeg onmiddellijk en definitief alle conflicten van de
Nederlandse kerkprovincie met Rome, en vooral over hemzelf en zijn werk.
Trouwens, hij kon om zo te zeggen zijn tijd wel beter gebrui-ken.
Gerechtigheid, vrede en solidariteit, dat zijn voor hem de kernwoorden die er
toe doen, waar het om gaat.
58
toegepaste liturgie
Het meeste heeft Oosterhuis wellicht te danken aan zijn Amsterdamse
Studentenecclesia als liturgische werkplaats. Een levendige gemeente, waar
zondag na zondag alles 'uitge-probeerd ‘kon worden. Zijn manier van werken
herinnert aan die van J.S. Bach, die jarenlang wekelijks voor een nieuwe
cantate garant stond. In alle vrijheid en rust hield Huub Oosterhuis vast aan de
klassieke liturgie als grondmodel. Met volle overtuiging staat hij sindsdien in
het spanningsveld van de bijbelse taal en traditie aan de ene kant en de
uitdagingen van onze tijd aan de andere kant. Tastend en zoekend, niemand
uitsluitend noch verketterend, maar trouw op zoek naar de wortels van ons
Joods-christelijk erfgoed en daar nieuwe vormen voor bedenkend. Dat veel
gelovige mensen vandaag de dag zich hierdoor aangesproken voelen is geen
wonder. Hij slaagt er in belijdende christenen van katholieke en protestantse
huize een stem te geven en voor hen een taal te scheppen waarin ze weer van
harte hun geloof kunnen vieren en uitzingen. Zelf zegt hij: “Dé grote utopie, het
visioen van vrede, van een wereld die voor iedereen menswaardig is, die hou je
alleen levend als je erover zingt, als je ook je kinderen erover leert zingen.” (
Bijeen, mei 1999)
vijf aspecten
Oosterhuis’ geestelijk leiderschap zou je vanuit vijf gezichtspunten kunnen
bekijken. Zijn werk nodigt uit de verschillende aspecten van zijn oeuvre met
voorbeelden toe te lichten. Daarvoor is hier geen ruimte op dit moment.
a. Oosterhuis heeft talrijke teksten en essays geschreven die in de liturgie te
gebruiken zijn of die ons gelovig worstelen met de werkelijkheid als
uitgangspunt hebben. Bij hem kan zowel een maatschappelijke gebeurtenis als
een bijbels verhaal inzet en opmaat zijn voor een verhandeling of overweging.
Gedichten, gebeden, maar vooral teksten met een dubbele bodem illustreren
dat keer op keer. Bij de verlening van zijn eredoctoraat zei hij : “De kunst van
de liturgie doet een poging om het veel en slordig gebruikte woord ‘god’ te
genezen van misverstanden, en in lied en voorbeden, schriftuitleg en dienstvan-de-tafel zo uit te spreken en te articuleren dat het wordt opgeladen met de
kracht van bijbelse profetenvisioenen en psalmen.’ Bij alles wat er reeds in
boekvorm bestaat heeft hij een aantal jaren geleden een scheurkalender op de
markt gebracht. Veel vrienden en bekenden hebben me laten weten dat ook zij
zich dagelijks laten inspireren door een korte meditatie of gedicht; sommige
van hen nemen ze op voorhand mee op vakantie.
b. Oosterhuis heeft veel poëzie geschreven. Daar is hij eigenlijk mee begonnen
in zijn Groningse studententijd. Vele dichtbundels blijven getuigen van deze
59
kant van zijn pastoraat, zijn meest karakteristieke wellicht. Want Oosterhuis
noemt zichzelf niet toevallig in de eerste plaats dichter. Hierbij dient wel te
worden opgemerkt dat hij in dichterland nu en dan met minachting wordt
beschouwd. Daar staat tegenover dat het werk van weinig dichters zo vaak en
met zoveel waardering wordt gezongen als zijn gedichten .
c. Huub Oosterhuis heeft als voorganger duidelijk een nieuwe trend gezet en
daar trouw nu al ruim veertig jaar vorm aan gegeven. Hij heeft naar mijn
mening ook de oecumene tot haar recht laten komen. Hij probeert steeds het
beste uit de verschil-lende tradities te benutten en van elkaars rijkdom te
profiteren. Daarmee overstijg je in één beweging al het theologisch gekissebis
dat veel mensen binnen en mis-schien nog meer buiten de kerken alleen maar
als een tegen-getuigenis ervaren.
Zijn overwegingen en gebeden zijn nooit modieus. Ik zou zijn werk op dit
gebied willen typeren als een poging om de nieuwe levensvragen en
bestaanservaringen van vandaag de dag opnieuw tegen het licht te houden van
ons geestelijk erfgoed dat in bijbel en traditie ligt opgestapeld.
d. Als liturg verricht hij ook baanbrekend werk. Veel teksten die nu helemaal
gemeengoed zijn geworden tijdens veel begrafenis-diensten bij voorbeeld zijn
van zijn hand. Maar het blijft niet alleen bij nieuwe teksten, ook soms wat oude
en versleten symbolische handelingen krijgen weer zeggingskracht door een
enkel woord dat hij een nieuwe lading geeft. De opbouw van vieringen op
Goede Vrijdag en in de Paaswake heeft hij stevig ter hand genomen. Eenmaal
op dat spoor heeft menigeen ontdekt zelf ook tot creatieve liturgie in staat te
zijn. Wat de tafelviering betreft heeft Oosterhuis ook zijn sporen verdiend.
Talloze tafelgebeden heeft hij geschreven . Vaak hebben ze de vorm van
samenzang tussen voorganger, gemeente en koor/cantorij. Hiermee heeft hij
dit hoogtepunt in de katholieke eucharistie ook meteen uit de sfeer van de
magie gehaald en het opnieuw tot een echte communio, een
gemeenschapsgebeuren gemaakt. Zo heeft hij de gemeente haar avondmaal
weer terug gegeven. “Tot zijn gedachtenis nemen wij daarom dit brood en
breken het voor elkaar, om goed te weten wat ons te wachten staat als wij
leven hem achterna”.
e. Oosterhuis dankt ontegenzeggelijk het meest zijn bekendheid aan de vele
liederen die hij samen met echte beroepsmusici gecomponeerd heeft. Het zijn
steeds liederen waarin de muziek dienstbaar is aan de tekst. En zo hoort het
ook. De woorden krijgen reliëf, dankzij de muziek. Sommige zijn zeer
toegankelijk en liggen goed in het gehoor, anderen zijn wat moeilijker van taal
en ook de muziek vereist soms nogal wat deskundigheid van zowel zangers als
60
pianist. Het grote voordeel van de meeste liederen van Oosterhuis is naar mijn
mening dat de liedteksten nooit 'op slot' zitten. Zij zijn eerder suggestief dan
dat ze bewerend of bezwerend van inhoud zijn. Het is geen vertaalde
dogmatiek, op ritme of rijm, op hele en halve noten gezet. Vaak is het
vragenderwijs - zoekend en tastend - en door de veelvuldige beeldrijke taak
ontleend aan de bijbelse visioenen nodigt het uit tot eigen invulling en
actualisering. Zodoende zijn het geen vrijblijvende gezangen, je wordt ook
uitgenodigd, soms zelfs uitgedaagd. Van dit soort kerkmuziek krijg je lucht, het
schept in veel gevallen ruimte.
Kerkelijke censuur.
Op dit moment ken ik niemand die op zo’n suggestieve en inspirerende manier
eeuwenoude bijbelse beelden weet te koppelen aan eigentijdse taal, vol
openheid en ruimte. God, de mens, de schepping en de politieke realiteit van
alle dag houdt hij bij elkaar. Zo zoekt hij naar zinsverbanden. Geen wonder dat
zovelen zich in zijn oeuvre herkennen en er dankbaar gebruik van maken. Zijn
medewerker Kees Kok schreef onlangs: ”De grote verdienste van het liturgisch
werk van Oosterhuis blijft dat hij naar veler ervaring de liturgische
bloedsomloop van ‘gehoord, gevierd en geleefd woord’ heeft hersteld en haar
zo nieuwe levenskansen heeft gegeven.”
De recente poging van vernieuwde kerkelijke censuur moeten we mijn inziens
opvatten als een uitdaging om de liederen van Oosterhuis te blijven zingen en
ervan te genieten. Hoe wij geloven, bidden en zingen in 2010 is toch een zaak
van de gelovigen zelf. De leiding van de kerk heeft altijd veel rekening
gehouden met de ‘sensus fidelium’, het algemeen geloof van de katholieken,
met name als het heiligverklaringen en dogmaontwikkeling betrof. Aan dat
vertrouwen kan toch niet ineens paal en perk gesteld worden. Men zal toch
niet zoveel mensen op hun ziel willen trappen.
Tenslotte : het feit dat talloze mensen binnen de kerken – katholiek en
protestant - nog geloven is te danken aan de visie en het werk van Huub
Oosterhuis. Als geen ander heeft hij in zijn niet aflatende liturgische creativiteit
ons opnieuw woorden en liederen gegeven om samen te vieren en elkaar te
bemoedigen en zodoende het visioen van Onze Lieve Heer, begaan met deze
wereld, levend te houden.
61
62
Johan Schepers
Tussen 1962 en 1966 op Ravensbos.
De gevolgen van het verblijf in Ravensbos op mijn leven.
Het begin.
Als jongentje van 11 jaar stapte ik begin september 1962 in Hengelo (Ov) op de
bus naar het voor mij volledig onbekende en zeer verre Valkenburg (ZL).
Thuis, ergens op het platteland in Twente, had ik al afscheid genomen mijn
ouders, broer en zussen voor enige maanden. Ik ging samen met Theo Kemma
naar Hengelo. Hoe weet ik niet meer, waarschijnlijk dus met de auto van de
ouders van Theo.
Theo woonde aan het andere kant van het dorp en hun boerderij kende ik niet
eens. Ik wist wel, dat hij vlak bij het huis van een oom van mij woonde.
Na Hengelo was alles nieuw voor mij.
Anno 21e eeuw misschien onbegrijpelijk, maar toentertijd normaal in mijn
omgeving. De "stad " (Almelo in ons geval) was voor veel van mijn
leeftijdsgenoten in het dorp vaak de enigste "vreemde" plaats die men
enigszins kende. Ik had het geluk, dat ik familie in Hengelo had wonen en dus
wel eens "ergens anders" kwam.
In deze situatie vertrok ik dus naar het verre Zuid-Limburg om priester te
worden.
Eenmaal op Ravensbos aangekomen werden we snel wegwijs gemaakt.
Natuurlijk zullen de huisregels, naar huidige maatstaven, streng zijn geweest. Ik
heb toen dat niet zo ervaren, dat deze regels strenger waren dan elders in de
maatschappij. Natuurlijk heb ik me ertegen verzet, mijn gedrag was dan ook
volgens Pater Steenbergen altijd onvoldoende.
Ik ben in de voorbereidende klas begonnen, vooral op aandringen van mijn
ouders: ik was een "jonge" leerling.
Over de studie kan ik later alleen maar zeggen, dat door het ontbreken van
echte begeleiding er in mij meer had gezeten, dan het behaalde resultaat.
Dit is nadrukkelijk geen verwijt aan de Oblaten, maar een constatering dat
wanneer er meer en duidelijke studielessen en actieve begeleiding was
geweest, het beter was gegaan. Maar dat was toentertijd in het onderwijs niet
gebruikelijk en de Oblaten hadden wel goede wil en kennis, maar misten
mogelijk wel de benodigde pedagogische kennis. In ieder geval waren het zeker
geen voorlopers op het gebied van pedagogiek.
Achteraf gezien
Natuurlijk had ik in de beginperiode heimwee, maar wie niet?
63
Toch herinner ik me de periode in Ravensbos zeker niet als een onaangename
periode.
In mijn gedachten werd de vrije tijd vooral opgevuld met voetbal, volleybal, de
recreatiezaal (per jaargroep) met schaken, stratego en kaarten, wandelen, het
Gilde en lezen. Daarnaast was er natuurlijk het Carnaval, het zwemmen in het
gemeentebad van Valkenburg. Ook staat me iets bij van concerten,
toneelavonden, voordrachtavonden en dergelijke.
Achteraf gezien, ben ik af en toe erg eenzaam geweest. Je had geen echte
vrienden. Wel kwam ik regelmatig op zondag bij een klasgenoot thuis, wiens
ouders in Valkenburg woonden. Ik dacht dat zijn achternaam Lemmens was.
Hun woonhuis stond schuin aan de overkant van een hotel.
Er is een heel boekwerk te schrijven over mijn periode in Ravensbos, alleen
komen nu na al die jaren slechts, vaak onsamenhangende, flarden boven
water.
Jammer, want deze periode is achteraf van beslissende invloed geweest op
mijn verdere leven.
Beroep
Toen ik in 1966 terug kwam in de "burgermaatschappij" was de vraag: wat
moet er verder gebeuren. Ik werd dus getest op mijn capaciteiten. Volgens de
tester was ik alleen geschikt om grondwerker te worden en was het bezoeken
van welke school dan ook zinloos. Mijn ouders waren het hier niet mee eens en
er werd dus een nieuwe toets afgenomen. Tot verbazing van mijn ouders en
mezelf was het resultaat hetzelfde.
Ik heb dit resultaat lang niet begrepen, totdat ik jaren later de situatie
analyseerde. In die periode stotterde ik zeer erg en tevens was mijn handschrift
nagenoeg onleesbaar.
Doordat ik zowel slecht sprak als schreef, heeft men voor mij waarschijnlijk
geen hoop gehad, dat ik een schoolopleiding tot een goed einde zou kunnen
brengen.
Ik ben toe maar als leerling-carrosseriebouwer gaan werken en naar de avondLTS gegaan. Ik mocht zowaar, na een moeilijk gesprek met de directeur, in de
2e klas beginnen.
Toen ik me een paar jaar later op de avond-MTS melde, mocht ik op basis van
studieresultaten op Ravensbos (na een toelatingstoets in Engels en wiskunde)
hier ook in de 2e klas beginnen. Mensen met dezelfde technische vooropleiding
moesten in de 1e klas beginnen!
Tijdens sollicitaties moest ik altijd mijn schoolloopbaan uitleggen. Echter niet
bij het bedrijf, waar ik nu zo'n 26 jaar werk: de personeelsmedewerker was ook
priesterstudent geweest en had soortgelijke ervaringen gehad. (Incl. de test!)
64
Wat mijn beroepsopleiding betreft, is een en ander uiteindelijk goed afgelopen,
zij dat ik jarenlang 3 avonden per week naar school ging en in de weekeinden
moest studeren. Ook volgde ik jarenlang allerlei andere opleidingen en doe dat
nog steeds.
Persoonlijk
Op het persoonlijke vlak was het veel moeilijker mijn draai te vinden in de
maatschappij.
Toen ik in het dorp terugkwam bleek, dat er zich allerlei vriendengroepen
hadden gevormd, die niet op mij zaten te wachten. Het duurde enige jaren
eerdat ik mijn eigen plaats had gevonden. Ik was zo'n 20 jaar toen ik weer een
beetje ingeburgerd was. Pas toen bleek, dat ik een groot aantal sociale
vaardigheden nog moest leren. Vooral op het gebied van kennis over allerlei
ongeschreven regels rondom persoonlijke contacten en relatievorming had ik
een behoorlijke achterstand opgelopen. Dit zijn zaken die men als puber vaak
automatisch meekrijgt, maar die ik door de periode in Ravensbos gemist heb.
Natuurlijk heeft mijn eigen karakter ook invloed gehad op deze achterstand.
Echter nog steeds ervaar ik, dat ik een belangrijke periode in mijn leven feitelijk
heb gemist. Mijn kinderen zijn nu deze leeftijdsperiode ruim gepasseerd en ik
zie nu wat ik toentertijd heb gemist.
Geloof en Kerk
Ook is de periode van invloed geweest op mijn geloof en de consequenties
daaruit op mijn maatschappijvisie. In tegenstelling tot sommige andere expriesterstudenten, roept deze periode zeker geen negatieve gevoelens ten
opzichte van het geloof en de kerk op.
Wel vind ik, dat de kerk allerlei kansen laat liggen. Ik heb zelfs de indruk, dat ze
de verworven goodwill aan het verkwanselen is.
Volgens mijn visie moet men zich veel meer storten op het geloven en de
gevolgen daarvan op je houding in de maatschappij, dan op de kerkelijke
organisatie. Niet door het voorschrijven van hoe je zou moeten leven, maar
door het aandragen van punten die van belang kunnen zijn bij het vormen van
je visie.
Veel mensen in mijn omgeving geloven nog echt, maar hebben geen hoge pet
op van de kerk als organisatie: ze leeft in het verleden en geeft vaak geen
antwoord op vragen van nu.
Als ik nu naar de kerk ga, hoor ik zelden iets wat mijn kinderen echt zal
aanspreken. Ik vind dit jammer, want ik ben ervan overtuigd, dat de essentie
van het geloof en de bijbehorende spiritualiteit ook in deze tijd van grote
waarde is. Alleen weten de christelijke kerken deze boodschap niet meer over
65
te brengen bij veel mensen. Ze zijn mijn inziens teveel vastgeroest in allerlei
eigen regels en dogma's.
Ik heb geen enkele functie binnen de kerk, maar het doet me wel pijn, dat de
kerk niet meer in staat is een groot aantal mensen echt te bereiken.
Tot slot
Dit verhaal gaat veel over het leven na Ravensbos. Meer dan uit dit verhaal
blijkt bepaalt deze periode nog elke dag mijn leven. In die zin is deze periode,
volgend op mijn lagere schoolperiode, bepalend geweest voor mijn leven.
Dit zowel in negatieve als positieve zin. Ik heb altijd positief teruggekeken op
deze periode. Lang niet alles is rozengeur en maneschijn geweest, toch denk ik
steeds met plezier en dankbaarheid terug aan deze periode en de mensen die
daarin een rol gespeeld hebben.
66
Jan de Boer
Ravensbos sept 1964-juli l968
Na het lezen van de bijdragen, het toch wel nostalgisch gevoel dat de foto's bij
mij opriepen, kon ik het niet laten om achter mijn pc te kruipen om zodoende
met deze pennenvruchten ook een bijdrage aan de Ravensbossite te leveren.
Ontegenzeggelijk schetste Wim Tijbosch in het eerste deel van zijn bijdrage al
met redelijk veel gegevens het sfeertje waarin ook ik als jongetje van 12 terecht
kwam. Ik had hetzelfde geschreven kunnen hebben. Net als zoveel anderen gaf
ik toen het gevolg aan een voor dat moment toch wel avontuurlijke 'uitdaging'
om, ver weg van de geborgenheid van je ouderlijk huis, je eigen toekomst te
verkennen. Of er daadwerkelijk sprake was van roeping, ik denk dat we daar als
kind van twaalf het diepgaande besef niet voor hadden. Was het misschien
voor mijn ouders een kleine verlichting om met zeven kinderen bij ons thuis
een mond en enige zorgen minder te hebben? Nee, het waren andere krachten
die ons dreven om naar het seminarie te gaan. Omdat ik met het Volendams
Jongenskoor al eens eerder op Ravensbos in de zomer een vakantieweek had
doorgebracht, was het gebouw niet onbekend voor ons. In het voorportaal van
een zich versneld ontwikkelend land (denk aan de opkomst van de beat-scene,
economie, politiek, onderwijs, etc) was het, achteraf gezien, helemaal niet
verkeerd dat stukje van mijn puberale jeugd in een zeer beperkte maar toch
wel geregelde 'organisatie' als die van Ravensbos toentertijd te hebben
doorgebracht. Die orde en regelmaat, de gematigdheid en karigheid van het
bestaan aldaar, heb ik niet zozeer ervaren als een harde leerschool maar wel
als een degelijke ondergrond voor het leren, werken, denken en leven dat
daarna nog moest komen. Je was tevreden met weinig of wel het hoogst
nodige.
Samen met Bruin Bont en Onno (nu Sam) van Rijn stortten we ons in
september 1964 in het rijke Roomse leven. Elke ochtend met een nuchtere
maag naar de mis, broodeten met die eeuwige bakjes hagelslag, jam of stroop,
dan de ochtendstudie, de ochtend- en middaglessen, je honger van dat
moment stillen met een boterham uit die houten bak met voorgesneden
boterhammen, weer studie, avondeten en studie en dan naar bed. De eerste
en tweede bel, ja, dat was de sleur van alledag, maar er waren zoveel andere,
ook wel leuke dingen die het 'kloosterleven' enige kleur gaven en bij mii nog in
mijn geheugen zijn gegrift. Op woensdagmiddag gingen we vaak wandelen
onder begeleiding van een pater. Naar het Bos van de Graaf langs de stoffige
67
Holle Weg of gewoon langs de Stoepert naar beneden naar Valkenburg. Soms
ook moest ik in het gebouw een plekje zoeken om mijn muziekstukken klarinet
voor de Harmonie te gaan repeteren. Ook al waren we maar studentjes, we
speelden o.l.v. meneer Jansen wel in de hoogste klasse van Limburg. Op
zondagmorgen schreef ik steevast een brief naar huis met daarin de
belevenissen van de afgelopen week mijn ouders hebben de brieven nog
liggen. In de zomermaanden voetballen tegen andere klassen. Op
zondagmiddag had je dan ook nog de verkennerij, St Gullielmus, met Souren en
Kok, waar ik de kunsten van touwknopen en bruggen bouwen, geleerd in mijn
geboortedorp, kon voortzetten. Stiekem groeven we tunnels bij het kerkhofje,
ons niet bewust wat de gevaren wel konden zijn. Daarnaast had je ook het
Gilde met Lempens die allerlei avontuurlijke uitstapjes regelde. Ik ging later op
Kameleon, om twee keer in een toneelstuk te verschijnen en daarna de
decorbonw van Thij Willems over te nemen. De emmers met stijfsel die ik daar
heb weggeplakt! Bij Thij denk ik meteen ook nog aan de hele families die op
Ravensbos zaten: de drie gebroeders Willems, Hofs, Duijf, miin dorpsgenoten
Bruin, Jaap en later Evert Bont' die twee van Broekman, Wilderbeek, Lermmens
van Valen, Steeghs, Jansink.
Vooral het jaarlijkse Carnavalsfeest was toch wel iets aparts. Het winnen van de
zangwedstijd
met het liedje "Jij en ik in een bootje", samen met Siem Smit en Willy Meekels,
is na al die jaren nog steeds een gedenkwaardige 'mijlpaal', (en de oorzaak dat
ik nadien nog redelijk zingend in het Volendams Operakoor en ons Kerkkoor
miin muzikale weg heb vervolgd en het gezegde "die heeft wierook in zijn
broek gehad" misschien wel werd bevestigd). We werden 14, 15 en 16 jaar,
gingen stiekem roken want dan hoorde je erbij. 's Morgens vroeg na het
broodeten in een run naar de wc's om daar in het geniep een shaggie te paffen.
Hub Boers, de Castelijntjes, Ferry Konijnenberg, Peter Ellenbroek en al die
anderen die het ook niet konden laten. Als pater prefect dan al die jongens
vraagt: Heb jij gerookt ??, volgt steeds een beduusd nee. Misschien om een
discussie op gang te zetten zeg ik dan maar: Ja pater. Ik mag demonstratief
mijn vers gekocht pakkie shag gaan halen. Hij wist niet dat ik nog een half
uitgedroogd pakkie had liggen. De wereld veranderde snel, vanafmedio 1966
denk ik, kwamen er geleidelijk aan veranderingen in het sociale leven,
Steenbergen werd overste, Kok prefect, we mochten wat meer tv kijken, we
konden de krant lezen, ja, er kwamen zelfs meiden van buiten op ons
Carnavalsfeest. We gingen wel eens een biertje drinken, zochten wel eens
heimelijk De Bron op, kortom: we ontgroeiden de beslotenheid, zochten
uitwegen uit een zekere isolatie en richtten onze blikken meer naar buiten.
Deze ontwikkelingen waren geleidelijk aan de voorbode van het einde van veler
68
en ook mijn verblijf op Ravensbos. Van de circa 60 jongens die in 1964 in de
eerste klas a en b zaten, waren er in 1968 nog maar 16 over: Cees Boots, Wim
Jansink, Peter Scheek, Pieter Koch, Henk Wijnen, Henk Mestrom, Willy Hoenjet,
Hans Hofstede, John Verhulst, Peter Vervoort, Herman Vreeburg, Jef van
Gennip, Jos Wilderbeek, Bennie Jurgens, Frans Duijf en ondergetekende over.
Begin 1968 was het besef dus duidelijk dat er wel wat anders was dan
Ravensbos en het vooruitzicht straks na het overgangsexamen elke dag door
regen en wind op de fiets naar het Bernardinuscollege in Heerlen te moeten
fietsen ! Ik zie de oudere jongens in de hertst- en wintermaanden nog dagelijks
verzopen terugkomen. In juli 1968 verliet ik met die andere Volendammers
Sam van Rijn, Ton Klouwer, Jaap Bont en Kees Schilder daarom Ravensbos.
Bruin Bont was een die-hard en bleef er tot ik meen het sluiten van Ravensbos
(1974 ?) hangen. Mijn jongere broer Jos loste mij af om het na een jaar al voor
gezien te houden. Samen met Kees Schilder kon ik me temauwernood nog
inschrijven voor onze vervolgopleiding op de Havo Magister Vocat in
Amsterdam. Met de nodige moeite hebben we het Havodiploma toch nog
gehaald. Kees is zijn andere roeping als onderwijzer gevolgd en geworden, ik
zocht na een paar jaar administratie bij een Groothandel in 1975 mijn
zekerheid bij de Rijkspostspaarbank (nu Postbank) waar ik na meerdere
afdelingen nu in de effectenbusiness werkzaam ben. Meer vertel ik niet, die
stof moeten we maar bewaren voor op een reünie.
Ik hoop hiermee een steentje te hebben bijgedragen aan de site en
herinneringen aan een lang vervlogen periode in ieders leven te hebben
losgemaakt. Positief of negatief, ieder mag ermee doen wat ie zelf wil. Voor jou
lezer positief, anders was je nu niet tot hier gekomen. Verder hoop ik van harte
bij een reünie o.i.d. heel wat oude bekenden te mogen ontmoeten en dat te
delen wat we gemeenschappelijk hebben ervaren.
Jan de Boer
69
70
Kees Schilder
Ravensbos 1966-1968.
RAVENSBOS 1966 - 1968
In de zomer van 1961 reed een veewagen het terrein op van het klooster van
de Oblaten van Maria te Ravensbos. Toen de achterklep omlaag ging stapten er
veertig jongens uit. Onder hen bevonden zich de zangertjes Jan de Boer, Bruin
Bont, Kees Schilder en hun dirigent Evert Beumer. Ze keken verwonderd om
zich heen….het grote witte gebouw, de voetbalvelden, de mooie omgeving. In
1958 had Evert Beumer, afkomstig uit de Rijp, een baan gevonden als
onderwijzer in Volendam. Hij stichtte een jongenskoor dat enkele jaren geleden
landelijke bekendheid kreeg door het succes van Jantje Smit. Het weekje
Valkenburg in 1961 was een groot succes en werd herhaald in de daarop
volgende jaren We wandelden in de mooie omgeving van Valkenburg en
genoten in het zwembad, de speeltuin en de kabelbaan. Gerry en Arnold
Mühren waren ook mee. De oudste van de twee beroemde voetbalbroers
beschikte over een onvoorstelbare conditie. Het was elke dag een strijd wie het
eerst van het klooster bij het zwembad was over de onverharde weg achter het
voetbalveld langs. Gerry won altijd en zou later met zijn onvoorstelbare
techniek en uithoudingsvermogen een belangrijke schakel zijn in het Ajax uit de
jaren zeventig!
In 1964 vertrokken er drie koorleden als priesterstudent naar het Collegium
Carolinum: Bruin Bont, Jan de Boer en Onno van Rijn. Ik had geen roeping en
ging naar de HBS in Amsterdam Noord. Het was geen mooie tijd. Ik herinner me
het garnalen pellen in de vroege ochtend, het staan in de overvolle bussen, het
houten noodgebouw met z'n hoofdpijn veroorzakende asbestwanden en de
studiedruk. Toen Evert Beumer tijdens een repetitie een brief voorlas van Jan
de Boer, waarin deze een aantal leuke voorvallen beschreef uit het leven op
Ravenbos, besloot ik in januari 1966 de overstap te wagen naar Valkenburg. Ik
had een achterstand met Latijn en kreeg enige tijd privéles van een frater. Hij
had een kaakafwijking en moest van de dokter veel kauwgom eten. Na elke les
kreeg ik een staafje Mapple Leaf uit een van de vele dozen, die hij op
doktersrecept had aangeschaft. Op een dag moest ik bij pater Lempens komen.
Hij vertelde mij dat ik op een priesteropleiding zat en vroeg mij hoe het met
mijn roeping stond. Lichtelijk geschrokken beaamde ik dat ik daarvoor naar
Ravensbos was gekomen. De periode tussen Kerst en Pasen duurde dertien
71
weken. Het heimweegevoel maakte zich al spoedig van mij meester. Ik vroeg
pater Lempens, die nog wel eens tussendoor naar Noord Holland ging, of ik een
keer met hem mee mocht om even thuis mijn ouders, broers en zussen te zien..
Hij zou kijken, maar loste zijn belofte nooit in. Gelukkig werden de monotone
weken onderbroken door een prachtig carnavalsfeest. Ik zie Peter van Velzen
nog binnenkomen met zijn prachtige witte prinsenpak. Zijn enthousiasme
werkte aanstekelijk en het werden onvergetelijke dagen.
Op aanraden van een studiegenoot koos ik pater Kok uit als biechtvader. Het
woord dekte de lading niet helemaal, want we spraken meestal over koetjes en
kalfjes. Later stapte ik over naar pater van Moorsel, een sympathieke man met
oprechte belangstelling voor mensen. Hij begon altijd met het opnoemen van
de namen van mijn broers en zussen…Griet, Gerrit, Aagt, Gré, Tiny, Eef, Johan,
Simon, Peter en Anja. De voetbalwedstrijden op zondagochtend tegen de
andere klassen zijn mijn mooiste herinneringen uit die eerste periode. In de
middag bezochten we de verkennerij waar pater Souren, een aardige man, ons
tal van vaardigheden bijbracht. Het kamp met de verkenners in België bij 'Trois
Ponts' in 1966 was onvergetelijk… de nachtelijke tochten door de omgeving ,
de vuurvliegjes, de stoomtreinen, het slapen in een tent en de wilde stroming
van de rivier de Amblaise. In het tweede schooljaar werd ik lid van Kameleon.
De toneelclub werd geleid door pater van Moorsel en pater van der Zee en de
uitvoeringen waren van hoog niveau. We speelden voor de zusters in
Valkenburg en reisden met de trein naar een jeugdgebouw in Maastricht, waar
we de kinderen uit een achterstandswijk een mooie avond bezorgden. In de
zomer van 1967 gingen we met de Kamelonleden op kamp naar Ossendrecht.
We verbleven midden in het bos en aten hutspot uit legerblikken. Als we het
bos uitliepen stonden we voor het stamcafé van wielrenner Jan Jansen. Op een
dag dronken we er een glaasje en keken met belangstelling naar de groene
truien die aan de wand hingen. Huub Broers stak stiekum een mooi bierglas in
zijn binnenzak. We hadden het café net verlaten, toen de eigenaar achter ons
aankwam. Een van de jongens had iets vergeten en de cafébaas was zo aardig
het achter hem aan te brengen!
Huub was op de brommer naar Ossendrecht gekomen en nam mij op een dag
mee naar Antwerpen. Toen we aan de haven een pilsje bestelden, kregen we
een laars met een liter bier. Half beschonken reden we terug naar Ossendrecht.
De sympathieke Van der Zee met z'n rotte tanden en z'n onafscheidelijke pijp
was een uitstekend docent. Tijdens een feestdag in de aula maakte hij grote
indruk op ons door het lied 'Testament' van Boudewijn de Groot te zingen.
Toen ik de school verliet gaf hij mij een pick-up. Hij wist dat ik van muziek hield
72
en zag het als beloning voor mijn prestaties met Grieks. Hij deed er een ook een
plaatje bij van Scott Mackenzie 'If you're going to San Francisco'. Een
onvergetelijke geste! De muziek speelde in die tijd trouwens een zeer
belangrijke rol in mijn leven. Met Jan Egelmeers bekeek ik vaak de
muziekexpress en tijdens een carnavalsoptreden zong ik met Jan en Huub
Broers 'Ring, ring, ring' van Ferry Grignard en 'Ruby Tuesday' van de Stones. Op
zaterdagmiddag luisterden we in een klaslokaal tegen een verwarmingspijp aan
naar de Veronica top 40. Het waren de hoogtijdagen van de Beegees en de
Outsiders, maar ook de palingpop begon een woordje mee te spreken. Op een
avond zagen we in de recreatiezaal de Cats op tv met 'What a crazy life' en '
Sure he's a cat'.
In het eerste jaar moesten we op woensdagmiddag verplicht wandelen door
het Limburgse heuvelland. In de winter zochten we als het vroor naar een
geschikte schaatsplek. We schaatsten het eerste jaar op het meertje in het bos
van de graaf en het jaar daarop bij kasteel Chaloun. In de zomer mochten we
op mooie zaterdagen tussen elf en twee uur zwemmen in het buitenbad in
Valkenburg. Bij de spoorlijn was een tabakswinkeltje, waar ik op de terugweg
altijd een nuts of een mars kocht, die ik in schijfjes sneed en in de studiezaal
onder de studieles verorberde.
Het bureau in de studiezaal was jouw plekje. Hier lagen je privéspullen en stond
een portretje met ouders, broers en zussen. In mijn laatste jaar moest Jan
Kramer de orde in onze zaal handhaven. Hij was twee jaar ouder en stuurde mij
tijdens een onbedaarlijke lachbui de zaal uit. De volgende dag moest ik op het
matje komen bij Steenbergen. Hij sprak mij bestraffend toe en werd kwaad
toen ik terloops zachtjes opmerkte dat lachen gezond was. Later werd ik nog
eens met Ton Klouwer bij de prefect geroepen. We liepen in ons laatste jaar
meestal samen op de cour te praten over een aantal misverstanden op school
en ons verlangen naar vrijheid. Hij wilde ons niet meer samen op de cour zien
wandelen! We besloten toen om af en toe even de vrijheid op te zoeken en
verdwenen dan via een gat in het hek bij het voetbalveld richting restaurant 'De
Bron'om daar even bij te praten en iets te drinken. We besloten ook om druk
uit te oefenen om het carnavalsfeest te mogen vieren met meisjes. Het feest in
de lange zaal achter het basketbalveld, waar in het najaar de appels uit de
boomgaard lagen opgeslagen, was wederom een hoogtepunt in het schooljaar.
Helaas sloot de carnavalsvereniging voor het eerst in haar bestaan haar
boekhouding af met een negatief saldo. Bijna dertig jaar later vertelde Onno
van Rijn mij het volgende. Een van de jongens uit zijn klas was erin geslaagd de
schoolstempel te stelen van de kamer van pater Bouhuys. Hij kocht boekjes
met bonnetjes in Valkenburg, voorzag ze van een stempel en legde de stempel
73
ongemerkt weer terug op de kamer van Bouhuys. Tijdens het feest dronken de
jongens die in het complot zaten, waaronder mijn dorpsgenoot, kratten
frisdrank leeg met vervalste bonnetjes. Na afloop zat de penningmeester met
een voor hem onbegrijpelijk negatief saldo!
Er was op Ravensbos volop gelegenheid voor sportactiviteiten. In de
recreatiezaal stond een Russisch biljart en een tafeltennistafel. Buiten had je
het basketbalveld, het volleybalveld en op de cour werd meestal gevoetbald.
Het volleybalveld was vrij toegankelijk voor iedereen, maar de leerlingen van
het schoolteam hadden privileges. Als zij wilden spelen moesten de jongens
van de lagere klassen het veld ruimen. Ik was er trots op dat ik als tweede
klasser al mee mocht spelen met de grote jongens. Enkele klasgenoten waren
echter niet te spreken over het door mij gebruikte privilege en maakten dit 's
avonds duidelijk met een kussengevecht op de slaapzaal. Het jaarlijkse
volleybaltoernooi in Valkenburg was voor mij het hoogtepunt van het jaar. We
verloren de finale maar het was een fantastische dag. Na afloop dronk ik mijn
eerste pilsje in de recreatiezaal van de hoogste klassers. Toen ik het het
klooster in juli 1968 verliet dacht ik: 'Er is één dag die ik zal missen… de dag van
het volleybaltoernooi'
De refter was een belangrijke plaats in het klooster. We zaten meestal met zes
jongens aan een tafel. Naast hagelslag en jam bestond het beleg uit acht
plakjes vlees of kaas. Voor de snelste eter was er altijd een plakje extra. Ik
schaam me er nog voor dat ik altijd het extra plakje wist te bemachtigen! Later
kregen we gebakken aardappeltjes en marcaroni bij het brood. Als een pater
jubileerde, werd er op op zondagmiddag een diner gegeven en kregen we
kroketten. Tussen de middag stond er altijd een mand met brood in de gang.
Als je de Limburgers vroeg wat het beleg was, zeiden ze: bruoad mit struoap.
Siem Smit haalde zijn boterhammen altijd uit de refter. Hij had een zwakke
maag en moest tussendoor witbrood eten en een glas melk drinken. De schrik
was groot toen hij op tragische wijze om het leven kwam. Siem had een
zachtmoedig karakter en was een vriend voor velen. Tijdens de jaren op de
Kameleon speelden we samen in verschillende stukken. Toen hij na zijn
tragische dood in zijn ouderlijk huis in Heerhugowaard lag opgebaard, heb ik
afscheid genomen van een bijzonder mens.
Het seminarieleven was ondanks de leerzame en mooie momenten geen echt
gelukkig leven. Op mijn bureau in de studiezaal lag een kalendertje. Elke avond
voor het slapen zette ik een kruisje door de dag. Het gaf een prettig gevoel.
Immers, de vakantie kwam dichterbij en je kon weer naar huis. Het gevoel van
heimwee bleef altijd spelen. Als we vanuit Volendam met de bus naar
74
Valkenburg vertrokken voor een nieuwe periode en mijn ouders me
uitzwaaiden, had ik een brok in mijn keel. Als we echter vanuit Ravensbos
richting Volendam vertrokken, kon ik mijn geluk niet op. Ik oktober 1967
kwamen mijn ouders op bezoek. In een emotioneel gesprek met pater van
Moorsel, kwam het hoge woord eruit. Het was mijn laatste jaar! Ik wilde verder
studeren in Amsterdam. De kogel was door de kerk en die wetenschap maakte
het laatste jaar er toch plezieriger door. Sommige paters probeerden mij nog
om te praten. Zo herinner ik mijn een gesprek met Kok, die mij wees op het
belang van het gymnasiumdiploma en de faciliteiten die Ravensbos kon bieden.
Hij had geen schijn van kans. Ik verlangde naar de vrijheid van de grote stad en
naar de mooie dingen die het leven een zestienjarige konden bieden…
popmuziek, vrienden, voetbal, meisjes….
Na het vertrek van Ravensbos brak er inderdaad een periode van ongekende
vrijheid aan. Het was de tijd van de Maagdenhuisbezetting en de
studentenopstanden al was dit nog niet helemaal doorgedrongen tot het
lerarenkorps op de katholieke kweekschool. Op een dag werd ik aangesproken
op mijn lange haar. Ik stond perplex en weigerde naar de kapper te gaan. Een
jaar later liep bijna iedereen met haar tot op de schouders. Contacten met
Oud-Ravensbossers waren er niet meer. Ik schreef nog een keer met Henk
Wijnen en pater van Moorsel, maar daarna werd het stil.
In 1971 was ik weer even terug op Ravensbos. Ik bezocht met mijn huidige
vrouw, waarmee ik toen een jaar verkering had, de plekjes waaraan zoveel
herinneringen kleefden. In 1982 ben ik er nog een keer geweest. Evert Beumer
revalideerde bij de paters na zijn zware hartoperatie. Ik was hem opgevolgd als
directeur van de St.Petrusschool en zocht hem op in het klooster. Toen ik het
gebouw doorliep kwamen de herinneringen weer naar boven. Contacten met
oud-leerlingen waren er niet meer. Tijdens een internationaal voetbaltoernooi
in 1971 in Wychem, werd ik aangesproken door een oud -Ravensbosser
waarvan ik de naam vergeten ben. Hij had maar kort op school gezeten, was
een talentrijke voetballer en herkende mij in het jeugdteam van Volendam. In
1982 stond er plotseling een oude studiegenoot op de stoep: Jan Egelmeers.
Hoewel Jan twee klassen hoger zat, hadden we indertijd veel contact met
elkaar vanwege onze gemeenschappelijke liefde voor muziek en onze onvrede
over tal van situaties op school. We hebben wat bijgepraat over de
Valkenburgse jaren en op de dijk nog wat gegeten. Ik beloofde nog eens langs
te komen en hij gaf mij zijn telefoonnummer. Het kwam er echter niet meer
van. De jongens uit Volendam spreek ik nog regelmatig: Jan de Boer, Jaap Bont,
Evert Bont, Bruin Bont, Ton Klouwer, Jos de Boer en Onno van Rijn. Op internet
75
zocht ik tevergeefs naar nieuws over het klooster in Valkenburg. Onlangs hield
Evert Bont mijn vrouw aan in zijn bakkerswinkel: 'Laat je man kijken bij
'Ravensbos.nl' zei hij. Ik ben hem er dankbaar voor. De herinneringen kwamen
weer naar boven. Ik zocht mijn foto's en besloot een bijdrage te leveren door
het schrijven van mijn verhaal over deze bijzondere periode in mijn leven.
Hopelijk verschijnen er nog meer persoonlijke verslagen. Ik ben benieuwd hoe
het mijn klasgenoten en de andere bekenden is vergaan.
76
Frans Duijf
Ravensbos november 1962 - juli l969
leeftijd 11 t/m 18 jaar
'Helaas, het zijn meestal niet de scherven van het geluk waarmee
herinneringen aan elkaar zijn geplakt.'
MARIJKE HILHORST,
De vader, de moeder & de tijd, (Meulenhoff 1999, druk 3, p. 145)
'Woorden zijn de minst betrouwbare verspreiders van waarheid.'
NEALE DONALD WALSCH
Een ongewoon gesprek met God, (Kosmos-Z&K 2001, druk 22, p. 19)
Inleiding
Van november 1962 tot juli 1969 ben ik bewoner van Ravensbos geweest. Ik
ben er door de jaren heen nog een enkele keer terug geweest, ook met vrouw
en kinderen. In april 2002 stond ik er voor een gesloten poort. Dat trof mij
pijnlijk. Ik begreep van een dame, die daar haar hond uitliet, dat Jomanda het
pand gebruikte voor haar optredens. Het zou blijken nog pijnlijker te kunnen.
In de eerste helft van oktober 2002 was ik weer eens in het zuiden en heb ik
een kort bezoek gebracht aan wat ooit Collegium Carolinum was. Het bleek, in
tegenstelling tot circa een half jaar daarvoor, zelfs mogelijk de kapel te
bezoeken. De rekwisieten van Jomanda, die ik daar aantrof, maakten op mij
een blasfemische indruk.
Ter relativering: zelf kan ik genieten van dingen die 'op het randje' zijn.
Bijvoorbeeld van het lied Waaghals Jezus van de Brabantse nederpopgroep
Met Roosen op de CD Vandiekantwege. Uiteindelijk komt Jezus, waar niemand
naar om kijkt, van zijn sokkel: 'Over Stratum lopen, z'n shirtje open, 'n bietje
blowen. Ja zo ken ik er meer…'.
Goed, nauwelijks een week later - van mijn broer Jos gehoord hebbende dat er
een reisverslag van een vakantie in Zuid-Frankrijk uit de jaren zestig op Internet
zou staan - vond ik bedoeld verslag, het verhaal van Willem Reijnders, en
vervolgens de site ravensbos.nl.
Ik raakte zéér onder de indruk, liet een bericht achter in het gastenboek en
besloot spontaan een bijdrage aan de site te zullen gaan leveren. Daarbij gaat
het zowel om foto's als om een tekstuele bijdrage.
77
Ik beheers de techniek om rustig te gaan slapen. Desalniettemin heeft
Ravensbos mij twee nagenoeg doorwaakte nachten opgeleverd. Ravensbos, en
vooral het perspectief van uitwisseling van ervaringen met lotgenoten en
wellicht ontmoetingen, hernieuwde contacten die daarmee gepaard kunnen
gaan, waren daar debet aan.
In het gastenboek heb ik uiteenlopende reacties gelezen. Zelf gaf ik aan: 'Ik ben
erg prettig verrast door de site; deze überhaupt aan te treffen, maar ook qua
inhoud. De site bevat al een schat aan materiaal, die de herinneringen voedt.
Na ruim dertig jaar ben ik zeer geïnteresseerd te zien, te horen hoe het een
aantal oude bekenden is vergaan.' Inmiddels heb ik een aantal mensen
ontmoet (in café Eylders te Amsterdam) en/of gesproken, e-mails gewisseld.
Zeer plezierig. Een bevestiging dat het leven de moeite waard is.
Ik gaf aan spontaan te hebben besloten tot een bijdrage. De realisering gaat
niet vanzelf. Ik wil laten zien wat de aanleiding of achtergrond is geweest op
elfjarige leeftijd naar Ravensbos te gaan, wat dat met mij heeft gedaan: toen,
later en nu. Of ik daarin zal slagen, weet ik niet. Dat temeer nu ik, anders dan ik
dacht toen ik de site ontdekte, voel dat de situatie dat ik - om met Anja
Meulenbelt te spreken - 'de schaamte voorbij' ben nog niet ten volle heb
bereikt. Daarbij komt dat ik niet alleen te maken heb met mijzelf of mijn
omgeving, maar ook privacyaspecten van oud-Ravensbossers tot prudentie
dwingen. Zie bijvoorbeeld de bijdrage van Hans Perik in het gastenboek. Hoe
dan ook, ik heb nooit actief gecommuniceerd dat ik op een internaat, laat staan
dat ik op een priesteropleiding heb gezeten. Ik heb dat zoveel mogelijk
onbesproken of vaag gelaten.
In de bijdrage van Jan Egelmeers in het gastenboek trof mij dat Jan de reacties
nogal positief vindt en de impliciete boodschap dat hij het moeilijk heeft gehad.
Ik herken en begrijp wel een en ander. Al is er ook een andere kant. Die is
bijvoorbeeld duidelijk aanwezig bij Peter van Velzen, zo blijkt uit zijn bijdrage.
Bij mij ook. Belangrijk is wat het zwaarst weegt.
Ook bij mij is er een 'andere kant'. Die heeft te maken met het feit dat mij en
alle kinderen thuis altijd voorgehouden is dat het belangrijk was goed te 'leren'.
Alleen dan kon je verder komen in het leven. Vooral mijn vader was daarin de
niet-aflatende motor, dit omdat hijzelf kansen niet heeft gekregen. Om kort te
gaan, ik deelde zijn overtuiging. Zie verderop nader.
Als ik aan Ravensbos denk, heb ik gemengde gevoelens. Retrospectief kan ik
zeggen dat de positieve gevoelens overheersen. Het klimaat op Ravensbos is
bijzonder genoeg geweest voor de ontwikkeling van kwaliteiten om het hoofd
78
boven water te houden. Ik heb een passie opgedaan voor literatuur, waarin je
antwoord vindt op alle vragen die ertoe doen. Ik heb een bijzonder gevoel voor
humor ontwikkeld, waar ik dagelijks profijt van heb. Ik geniet van het debat op
de vierkante centimeter. Al waak ik, sinds ik De tao van het gesprek. De kunst
van het luisteren van Michael Kahn gelezen heb, ervoor me niet van
hanengedrag te bedienen. Dat is voor een goede balans ook nodig, want ik kan
onverwacht zeer direct en scherp uit de hoek komen, heb een hoog 'vulkanisch
gehalte'.
Eén van mijn grote ontdekkingen in de vaderlandse literatuur is Jeroen
Brouwers. Ik ben begonnen met zijn De laatste deur met als ondertitel Essays
over zelfmoord in de Nederlandse letteren, dat in 1983 is verschenen. Daarna
ontdekte ik boeken als Bezonken rood, Het verzonkene en Joris Ockeloen en
het wachten. Ik ontdekte iets gemeenschappelijks. De biografie van Jeroen
Brouwers komt met de mijne op een belangrijk punt overeen. Het wordt me
koud om het hart als ik de impact daarvan tot me laat doordringen. Ik heb de
ambitie over het verblijf in een internaat nog eens een essay te schrijven.
Vooruitlopend daarop wil ik met de lezer enkele passages delen die ik ooit
optekende in mijn boekenschrift, al raad ik zonder voorbehoud aan de boeken
zelf te lezen.
Brouwers wordt na de oorlog door zijn ouders in een katholiek internaat
gestopt. Zijn ouders hebben kennelijk niet begrepen dat Brouwers zo
onhandelbaar was door zijn ervaringen in een interneringskamp in Indië. Na
het lezen van Bezonken rood, (De Arbeiderspers, 1983, druk 6) waarin
Brouwers over de relatie tot zijn ouders (vooral tot zijn moeder) schrijft,
noteerde ik onder meer het volgende:
'Het beste dat mensen elkaar kunnen toewensen is: dat ze niet van elkaar
zullen gaan houden.'Zo citeert Brouwers zichzelf op pagina 19. Brouwers houdt
wel van zijn moeder, ondanks alles, denk ik. Hij is alleen 'verkeerd verbonden'
met haar geraakt. Brouwers is met alle (?) vrouwen 'verkeerd verbonden' en
met veel anderen ook. Willem Kuipers formuleert in de Volkskrant van 20-111981 'Hij schrijft zijn moeder uit zich weg, en tegelijk neemt hij wraak op
degenen die zijn geluk, zijn schoonheid, zijn leven hebben verwoest: de
Japanners'. Zie pagina 30 e.v. waar Brouwers vertelt hoe hij als tienjarige
jongen, onhandelbaar als hij was, op een internaat werd gestopt. Brouwers ziet
geen verschil tussen het kamp en het internaat, wel tussen 'deze moeder en de
moeder van amper vijf jaar eerder: deze moeder verraadt mij.' Zij heeft
afgedaan voor Brouwers: 'Voor mij was mijn moeder toen al dood, vanaf toen
heb ik eigenlijk nooit meer intensief aan haar gedacht' (p. 33). Ook was zij in
79
het kamp al gestorven toen de Jappen haar tot bloedens toe in het kruis
hadden geschopt.
Ook aardig is de passage waarin Brouwers vertelt dat bij het afscheid, toen de
moeder zich naar Brouwers toeboog voor een kus, de voile van haar hoed voor
de lippen viel. Prachtig symbool. 'Al dat afscheid nemen is er de oorzaak van
geworden dat mijn moeder en ik ten slotte voorgoed verkeerd verbonden
raakten, en ik heb leren leven met het traliewerk tussen mij en haar, en tussen
mij en de anderen. Mijn liefde gaat verloren'.
Hij is dus 'verkeerd verbonden' geraakt met zijn moeder. 'Wij zullen elkaar niet
verraden, hè mama? Wij zullen elkaar nooit in de steek laten, hè? Hè? Hè
mama?', lezen we op pagina 55. Zie boven de passage over het verraad.
Vergelijk slot pagina 33: 'Weliswaar was zij mijn moeder, weliswaar was zij mijn
moeder niet. Zij was in mijn leven zoals de wind: soms mij aanrakend, maar
overigens niet aanwezig'.
Voor deze bijdrage heb ik het boek nog een keer gedeeltelijk herlezen. Met
genoegen toon ik de lezer deze parel (p. 31): 'Die kloosterling draagt een
meterslange rozenkrans aan het koord om zijn middel. Ik stel mij voor dat er
met zo'n rozenkrans flinke meppen kunnen worden uitgedeeld. Ik begrijp het
principiële verschil niet tussen een Japanse kampbewaarder en zo'n
kloosterling.' De vergelijking van Pater Herman Steenbergen als prefect met de
Kwel uit de strip Billie Turf dringt zich op. De latere prefect, Pater Siem Kok, had
het in mijn herinnering veel moeilijker. Nu zie ik dat hij gewoon aardig
gevonden wilde worden.
Voordat ik fors uitpak, wil ik de lezer graag laten delen in Brouwers definitie
van humor: 'Van humor is sprake wanneer men niettemin lacht' (Vlaamse
leeuwen, De Arbeiderspers, 1994, druk 1, p. 414).
In de Volkskrant van 30 november 2002 lees ik een artikel over de vraag waar
je als ouder terecht moet als die wil weten of een film of tv-programma
schadelijk is voor kinderen. De kop luidt: 'Kind is soms wekenlang ontregeld'.
Nog één citaat uit dit artikel '… in onze samenleving zijn ook veel impulsen
terwijl ouders er niet bij zijn. Dan zou schade kunnen optreden. In Nederland is
geen onderzoek gedaan naar de invloed van beeld op kinderen. Dat zou wel
eens mogen, om met feiten de emoties in dit debat te vermijden.' Volstrekte
nonsens. Een kind kan de was doen, ook hier. Een beetje aandacht,
betrokkenheid en liefde doen wonderen. Op 6 november 2002, in café Eylders
te Amsterdam, noemde ik het een misdaad een kind ongeveer zes jaar op te
sluiten tussen de muren van een klein seminarie. Om bovenstaand artikel te
80
parafraseren: in een klein seminarie tussen vier muren doe je veel impulsen op
terwijl je ouders er niet bij zijn. Onvergelijkbare grootheden? Natuurlijk. Het
gaat echter niet om absolute grootheden. Ik zal nog even doordraven. Het is
duidelijk dat de constructie van een klein seminarie, geleid door mensen die
verplicht zijn celibatair te leven, tot wantoestanden leidt. Nog zo'n misdaad. De
onthullingen van de laatste tijd over escapades van katholieke priesters
spreken boekdelen. Het sacrament van de biecht was bij uitstek geschikt uit te
vissen of je ontvankelijk was voor toenadering. Ik prijs me gelukkig dat ik bij de
keuze van mijn biechtvader, althans wat dat aspect betreft, de juiste antenne
heb gehad. Pikant is sowieso dat een etymologisch verwante betekenis van
seminarie zaad is. Dat mocht nu juist niet 'vloeien', zich niet ontwikkelen.
Recent hebben de bisschoppen het geregistreerd partnerschap voor priester
verboden. Herderlijke bezieling? Dat is zoiets als wat de fiscus doet als hij een
voordeel belast van iets wat hij voor zichzelf niet kan krijgen. In 1983 heeft de
katholieke kerk de vrijmetselarij in de ban gedaan. Terwijl de vrijmetselarij zich
'slechts' bezighoudt met 'werkend aan onszelf, zoekend naar de medemens, de
blik gericht op het waarachtige'. Ja, de vrijmetselarij gebruikt ook nog wat
ritualen en symbolen uit de bouwkunde. Zie nader Vrijmetselarij in dialoog met
andere stromingen, het verslag van een symposium dat de Tilburgse loge De
drie verlichte torens ter gelegenheid van haar tweede lustrum in 1988 heeft
gehouden. Zie ook Mozart in de tempel. Raakvlakken tussen componist en
vrijmetselarij van Bastiaan Blomhert. Wat een angstige kerk.
Twee anekdotes.
• Pater Crousen had in zijn lessen zeer wijze raadgevingen. Zo adviseerde hij de
leerlingen bij het slapen gaan nooit de handen onder de dekens te stoppen,
maar ze omhoog te steken.
• Boudewijn Büch heeft vorig jaar onthuld dat de penis van Napoleon weer te
koop is. Als een stuk van de lijkwade van Napoleon erbij geleverd zou worden,
zou Büch er circa ƒ 50.000,00 voor over hebben gehad. Het bijzondere zit hem
natuurlijk niet in genoemde feiten, maar in het gegeven dat het voorwerp is
afgeknipt door de biechtvader van Napoleon; afgeknipt, door een verknipte.
Het is hier te vermelden dat ik door de jaren heen de gewoonte ontwikkeld
heb, met teksten die ik de moeite waard vind iets te doen. Zo heb ik een eigen
citatenboek. Ik wil op deze plek twee citaten kwijt die ik, binnen de context
waarover deze bijdrage handelt, relevant vind.
• 'Het is heel makkelijk voor iemand die impotent is om de gelofte van kuisheid
af te leggen, en voor de arme om rijkdom af te zweren.' Het betreft een citaat
van Boeddha, zoals door Paulo Coelho geciteerd in het boek van Juan Arias
81
Paulo Coelho. De bekentenissen van een pelgrim (De Arbeiderspers, 2002, druk
1, p. 19).
• Met vilein plezier heb ik destijds, toen ik mij afzette tegen mijn rooms
verleden, een uitspraak van F. Bordewijk genoteerd, die boekdelen spreekt:
'Geloof is en blijft iets voor de massa die aan de ketting ligt van gebrekkige
geestelijke ontwikkeling'; te vinden in Apollyon, Verzameld werk deel 2 (Nijgh
& Van Ditmar, 1982, druk 1, p. 427).
Vertrek van huis / aanleiding daartoe
Op 11-jarige leeftijd ben ik van huis vertrokken om er, afgezien van een half
jaar als overbrugging van de periode na mijn middelbare school en militaire
dienst, nooit meer te wonen.
De aanleiding tot mijn vertrek is gelegen in de omstandigheid dat mij in mijn
woonplaats Horst de kans wordt ontnomen naar de middelbare school te gaan.
De rooms-katholieke jongensschool van Horst kende voor ieder leerjaar twee
klassen. In de twee hoogste klassen, 5 en 6, werd onderscheid gemaakt tussen
kinderen die waren voorbestemd om naar de middelbare school te gaan en
kinderen die waren voorbestemd om naar de ambachtsschool te gaan. Mijn
oudste broer was op grond van prestaties voorbestemd om naar de middelbare
school te gaan. Hij doorliep dan ook de desbetreffende klassen. Toen hij in klas
6 zat, doorliep ik de desbetreffende klas 5, die ertoe zou leiden dat ik zou
kunnen doorleren. In dat jaar gingen er een paar dingen anders dan
redelijkerwijs mocht worden verwacht. Mijn oudste broer kreeg in de slotfase
van klas 6 plotseling lage cijfers voor essentiële vakken. Om kort te gaan, hij
werd ongeschikt bevonden voor de middelbare school. Ook ik kreeg aan het
eind van het 5de leerjaar te horen niet langer voorbestemd te zijn voor de
middelbare school. Ik ga in deze bijdrage niet analyseren of blootleggen, laat
staan bewijzen, wat precies speelde. Ik beperk mij tot de vaststelling dat
daaraan een kongsie ten grondslag lag, waarbij de plaatselijke clerus betrokken
was, dit naast de gangbare opvatting dat arbeiderskinderen waren
voorbestemd voor het 'edele' handwerk, zal ik maar zeggen. In de 5de klas
kreeg ik les in Frans. Ik koester de boekjes (delen 1 en 2) van Les premiers pas
nog steeds. De lessen Frans werden gegeven door hoofdonderwijzer Hermans.
Dit vak behoorde niet tot het curriculum, maar was facultatief, d.w.z. men kon
ervoor intekenen. Er moest ook voor worden betaald. Mijn vader vond het de
investering waard. Deze lessen hebben de basis gelegd voor twee dingen:
• Mijn zuinigheid op en liefde voor boeken. Meester Hermans verbood ons te
schrijven in Les premiers pas. Hij vond dat ongepast.
• Mijn liefde voor de Franse taal.
82
Enfin, mijn vader heeft weten te regelen dat mijn oudste broer op een Klein
Seminarie te Geleen werd geplaatst. Paradoxaal en komisch tegelijkertijd is
natuurlijk dat daarvoor de clerus werd ingeschakeld. Het doel heiligt de
middelen. Hij vertrok dus uit huis. Ik kwam in klas 6 bij meester Van den
Heuvel, een aardige man, maar dat terzijde. Mijn vader heeft vervolgens met
succes geprobeerd ook mij te plaatsen op een Klein Seminarie. Ik kon terecht
op Collegium Carolinum van de paters Oblaten van Maria te Valkenburg, huize
Ravensbos. Ik heb aldus geen 6de klas lagere school gehad, maar kwam in
november, na de herfstvakantie in een voorbereidingsklas voor het
gymnasium. Mijn oudste broer Pierre stapte na zijn 1e jaar over naar
Valkenburg. Mijn vader heeft daarvoor recent als reden opgegeven dat het
eten in Geleen niet zo goed was. Pierre zag er namelijk niet zo gezond uit. Het
is vast niet bij hem opgekomen dat er heel andere oorzaken aan ten grondslag
gelegen kunnen hebben. Te denken valt om maar een simpel voorbeeld te
noemen aan: heimwee. We hebben samen de 1ste klas gedaan, zij het in
verschillende lokalen. Kortom, dat betekende dat mijn broer het niet goed
genoeg had gedaan. Kennelijk had zijn vertrek uit huis hem ook wel wat
aanpassingsproblemen opgeleverd. Daarna bleef ik zitten. Toen mijn broer
Huub aan de middelbare school toe was, kwam ook hij naar Valkenburg. Ik heb
er gezeten totdat ik er af gestuurd werd. Het laatste jaar van mijn middelbare
school, dat ik toen nog moest volbrengen, heb ik doorgebracht in Heerlen, bij
de broeders van de Heilige Jozef, waar mijn broer Martin al zat. Pierre rondde
zijn middelbare school af, ik vertrok naar Heerlen en Huub ging met mij mee.
We woonden daar in een normaal huis, stonden formeel onder toezicht van
een zeer kameraadschappelijke broeder Pius, waar we in de weekends mee op
stap gingen. Hij had een volvo ter beschikking, waarmee hij 180 kilometer per
uur reed. Dat was spannend en onverantwoord tegelijkertijd. Ik ben enkele
keren bij een broer van hem geweest, die elders in Heerlen woonde. Wat me
daar bijzonder is opgevallen zijn twee dingen. Het huis was niet netjes
opgeruimd. Er was een gezellige rommel. Daar werd gelééfd. Het tweede wat
me is bijgebleven, is dat de man (en zijn vrouw) niet alleen eigen kinderen over
de vloer had, maar ook kinderen uit de buurt. Die woonden feitelijk ook bij
hem, vonden daar een thuis. Toen heb ik dat slechts 'geregistreerd'. Met
terugwerkende kracht bewonder ik dat, beseffend dat ik zoiets nooit zou doen.
Ik heb genoeg aan mezelf en de mijnen.
Alleen in de vakanties kwam ik thuis. Verder liep het contact met het thuisfront
(ik heb het vooral over de periode Valkenburg) via zo nu en dan een brief. Ook
ontving ik wel eens een pakje met wat lekkers. Dat was dan geopend! Toen
accepteerde ik dat. Met terugwerkende kracht irriteert me de inbreuk.
83
Ik herinner mij mijn vertrek nog als de dag van gisteren. Met opgeheven hoofd
ben ik thuis weggegaan. Ik heb mijn moeder dat verschillende malen (vol
trots?) horen vertellen. Ik wist heel goed waarvoor mijn vertrek nodig was.
Toen ik mijn eerste vakantie thuiskwam, sprak ik mijn moeder niet in het
dialect, maar in het ABN aan. Dat heeft indruk op haar gemaakt. Ik was daar erg
content mee. Maar dat is maar één facet. Ik heb thuis gemist, nogal. Ik heb
affectie gemist. Ik ben de facto in een belangrijke periode van mijn leven
liefdeloos opgegroeid. Paters kunnen, al betekent dat 'vaders', hooguit als
substituut dienen; het blijft een slap aftreksel. Ik heb veel impulsen opgedaan
terwijl mijn ouders er niet bij waren.
Er is meer. Op een instituut als Ravensbos werd je geacht een roeping te
hebben. Het is mij ingeprent dat te ventileren, althans nooit te zeggen dat je
die niet had. Het doel heiligt de middelen. Ja. Gezond is anders.
Overstap van gymnasium naar HBS
In het najaar 1967 heb ik besloten me niet meer te richten op het gymnasium.
Hoewel ik op mijn eindrapport van de 3de klas een 6 plus voor Grieks scoorde,
had ik twijfels of het verstandig was me te blijven richten op het gymnasium;
dit temeer daar ik voor algebra en meetkunde respectievelijk 4 en 3 scoorde. In
de loop van het 4de jaar heb ik mijn leraar Grieks (zijn naam is me ontschoten)
in vertrouwen genomen, wat vrijwel direct tot resultaat had dat ik Grieks
mocht laten vallen. Het jaar daarvoor had ik hoge cijfers voor Grieks behaald,
gemiddeld hoger dan 7. Dat was dank zij een verkeerd soort slimmigheid. Ik
had namelijk door dat de docent dezelfde proefwerken gaf, als hij het jaar
daarvoor liet maken. Het betrof hier de 'jonge' docent, die al weer weg was.
God weet waarom. De oude, die ik in vertrouwen nam, was hem opgevolgd.
Per saldo ben ik tevreden met mijn besluit. Ik vind de combinatie, gedeeltelijk
klassieke opleiding en gedeeltelijk praktische opleiding HBS, wel een ideale. Het
praktische belang van de HBS zie ik vooral in wat we voor de moderne talen
moesten doen: vertalen naar het Nederlands, brieven schrijven in de vreemde
talen en boeken lezen. Ik heb er met alle liefde voor gekozen alle boeken echt
zelf te lezen en uit te trekken. Daar ben ik trots op. Ik heb er ook erg veel van
geleerd.
In 1968 ga ik naar de HBS te Heerlen. Ik kom er samen met een aantal
kameraden (Cor van der Zwaan, Sjaak Huijsmans en Sjef van Gennip) uit
Valkenburg terecht in de zogenaamde bezemklas. Het St.-Bernardinuscollege
(tegenwoordig heet de school kortweg Bernardinuscollege, zie de recente foto
hiernaast of hieronder) is een zogenaamde experimenteerschool in het kader
van de Mammoetwet. Wij zijn daar goed geland.
84
We krijgen de vakken staatsinrichting en recht. Onder andere daarin was ik erg
goed. Ik scoorde op mijn eindlijst respectievelijk 9 en 8. De vakken werden
gedoceerd door de advocaat mr. Starmans. Een prima man, waarvan ik
bijzonder kon waarderen dat hij uitsprak, dat hij het zijn kinderen nooit en te
nimmer zou aandoen ze op een internaat te stoppen. Mijn besluit rechten te
gaan studeren is mede beïnvloed door die omstandigheden. Daarnaast is die
keuze mede bepaald door een ingebakken rechtvaardigheidsgevoel, gevoed
door mijn historie en mijn verwijdering van Ravensbos. Dat heeft later ook mijn
keuze bepaald een deel van mijn tijd in wetswinkelwerk te stoppen, sterker nog
als tweedejaars student mede aan de wieg te staan van de wetswinkel Den
Bosch.
Het laatste jaar van mijn middelbare school duurde me te lang. Ik herinner me
dat ik er genoeg van had. Ik heb de laatste maanden weinig lessen meer
gevolgd. Ik bereidde me praktisch solo voor op de examens. Toen ik mijn
diploma behaalde, voelde ik een wezenlijke fase in mijn leven te hebben
afgesloten. Ik ben de hele nacht met toenmalige vrienden als Cor van der
Zwaan, Sjaak Huijsmans en Huub Boers, tot zo ongeveer een uur of acht in de
ochtend, op pad geweest om het te vieren.
Verwijdering van Ravensbos
Even terug in de tijd. Aan het eind van het voorlaatste jaar van de middelbare
school ben ik samen met twee andere leerlingen van school gestuurd (namen
noem ik maar niet). Kortom, het leven verliep niet rimpelloos. Wij hadden voor
de 4de klas en hoger een discussieclub. Hoe dan ook, in 'Focus' stelden wij
vrijmoedig allerlei zaken aan de orde. Eén belangrijk onderwerp was omgang
met meisjes. Er was een groot gebrek aan vermogen daarmee voldoende open
om te gaan. Dat heeft tot boosheid, gemok etc. aanleiding gegeven. Wij waren
niet in staat te komen tot een vruchtbare, min of meer volwassen dialoog. Hoe
dan ook, in die tijd zocht ik naar mogelijkheden.
Toeval bestaat niet. Nadat ik het voorgaande heb geschreven, ging ik op 1
december 2002 op zoek naar een krantenknipsel, waarover hierna meer, en
vond een door mijzelf handgeschreven verslag van de discussiemiddag van
zondag 2 maart 1969. Het betreft een verslag van de 'speakerscorner en
forumdiscussie over het door Willy Meekels ingebrachte onderwerp: 'Omgang
met meisjes?'
Ik dacht dat die club 'Cercle' heette. Niet dus, de club blijkt 'Focus' te hebben
geheten.
85
Ter lering en vermaak geef ik het verslag hieronder integraal weer. Ik herinner
me de bijeenkomst op zich, al kan ik me weinig meer van het verloop
voorstellen. Wel zal ik ongetwijfeld een mening hebben uitgesproken, wat
mogelijk heeft bijgedragen aan mijn verwijdering van Ravensbos.
Verslag van de discussie van Focus. Zondag 2-3-'69
(speakerscorner + forum)
Onderwerp: van W. Meekels - Omgang met meisjes?
Waarom niet? Of niet voldoende? Waarom een meisje niet terdege leren
kennen?
Argumentatie: Wij moeten toch kiezen tussen priester of huwelijk en dus
moeten we de kans krijgen voor deze omgang.
Als een jongen een verhouding heeft met één meisje of een groep meisjes,
moet hij dien afbreken wanneer dit de paters ter ore komt.
Waarom eigenlijk?
Pater V.d. Zee: een klas moet een meisje 'en bloc' als vriendin behandelen.
Daarover verschil van mening.
Algemene opinie was: verschil tussen oudere en jongere generaties.
Ook kwam dansles ter sprake. Waarom mogen we niet in Heerlen op de
dansles, die toch van school uit georganiseerd wordt.
Hiervoor is ons nooit een duidelijke reden gegeven.
Pater Overste heeft gezegd dat 'dansen' niet in onze opleiding past.
Argumentering van de jongens: Als je ophoudt met je studies, sta je verlegen in
de wereld. B.v. bij eenn of ander feestje, weet jij je geen houding te geven.
Dansen kan zelfs tot vervolmaking van een priester dienen. De ontwikkeling
van de priester moet niet negatief afgerond zijn. Hij moet een zo ruim
mogelijke kijk op het leven krijgen, hetgeen P.v.d. Zee beaamde.
Men deed een voorstel om een studentenraad in te stellen, om problemen te
bespreken en voor te leggen aan de huisraad.
De jongens hebben in hun eigen zaken te weinig inspraak. Er wordt over hen te
veel om hen heen beslist.
Bespreking van de Ouderraad.
Er zijn voorstellen gedaan, die gewoon absurd zijn. Er zou een studentenraad
bij de ouderraad aanwezig moeten zijn.
Hadden de paters geen te grote stem in de ouderraad?
In de brief, door P. Overste aan de ouders gestuurd, staan weinig dingen, die
voor de jongens acceptabel zijn.
Ter verduidelijking: Brief werd voorgelezen.
86
Het begin van de brief deed iets ontaktvol aan.
[Er zijn ouders die aanstoot hebben genomen aan de wijze waarop de brief was
opgesteld, in het bijzonder het begin]
Sommige ouders zien meer heil in studentenraad, n iet in ouderraad.
HOE KAN EEN GEMEENSCHAP BESTAAN ALS DE LEDEN ZELF NIETS TE ZEGGEN
HEBBEN?
Samen met de leden van de gemeenschap moet men tot een eenheid komen.
Het woord 'POLITIEAGENT' doet ons eerder conservatief dan progressief aan.
Men gelooft dat de voorstellen, in de brief vermeld, eerder van de paters dan
van de ouders afkomstig zijn.
Vele jongens waren niet in kennis gesteld van het plan om een ouderraad te
organiseren.
Ouders moeten de onderwerpen al besproken hebben voor ze met de paters
gaan praten.
Het onderwerp 'Prefekt'.
Frater Scholten wordt niet in de brief vermeld, dat hadden we toch graag
gezien.
Pater Kok neemt te veel zelf in handen. Hij maakt van futiliteiten grote
problemen.
Frater Scholten wordt, hoewel hij pedagogisch gevormd is, onderschat.
Officieel zijn er twee prefekten. In de ogen van de jongens echter is er maar
één.
Voorgesteld werd om twee prefekten aan te stellen. Eén voor derde klas en
lager. Eén voor vierde en hoger.
Er zijn ook mensen die deze 2 categorieën kunnen overzien, er bestaat dus de
mogelijkheid dat één prefekt het ook zal kunnen.
Er zijn twee prefekten, geen van beide weet zijn eigen terrein, dat moet
duidelijk aangegeven zijn.
Frater Scholten bemoeit zich ergens mee in zijn functie als prefekt en pater kok
berispt hem waar de jongens bij zijn.
Deze situatie is foutief.
Studie moet beperkt worden tot de studie-prefekt en niet moet iemand zich
meer functies toeëigenen als hij zelf heeft.
De prefect maakt het zichzelf te lastig.
Naar aanleiding van het woord 'Politieagent' het volgende: dit is een term die
niet meer mag voorkomen.
87
Gebrek van de brief
Zijn de ouders op de hoogte van de activiteiten op creatief gebied??
Jongens van de lagere klassen kunnen zelf voorstellen doen, b.v. Van kwart tot
kwart.
Waarom zeggen de ouders: 'Gilde en verkennerij' zijn ouderwets.'
Men was wel van mening dat er op creatief gebied nog van alles kon gebeuren.
Tafelchefs
Het invoeren van de tafelchefs is een terugvallen in het oude systeem. Hieruit
blijkt toch wel degelijk dat de ouders die er waren invloed hebben gehad op de
gang van zaken.
LAWAAI IN DE REFTER
Ouders komen één zondag hier en ze hebben al meteen een mening over van
alles.
Ouders komen uit een stille huiskamer in het lawaai van de refter.
De jongens zouden stil moeten zijn, omdat de paters anders geen gesprek
kunnen voeren. Is dat juist?
Thuis hoor je ook niet alleen, kuchen, en getik van mes en vork op borden.
Moeten de ouders ervoor zorgen dat er jongens gerecruteerd worden?
(Einde discussie). Het was tijd. Voortzetting 9-3-'69
Ondertekend
FOCUS
De laatste twee jaren van de middelbare school gingen wij als leerlingen (dus)
naar Heerlen, waar we aan het St.-Bernardinuscollege de school bezochten. De
reden daarvoor was dat Collegium Carolinum geen erkende school was, de
opleiding althans niet leidde tot een diploma. Het St.-Bernardinuscollege was
een jongensschool. Niettemin waren er in het voorlaatste jaar beperkt
contacten mogelijk met meisjes van de meisjesscholen (zoals St. Clara) in
Heerlen. Af en toe dansavonden op school etc. Daarnaast ging ik en anderen
naar café De Kegelbaan in Arendsgenhout, dat vlak bij het internaat was
gelegen. Idem naar De Bron. Daar werden we door de plaatselijke, vaste
bezoekers steevast gefêteerd. Kortom, dat was gezellig en dus aanlokkelijk.
Dat kwam uit. Tot voor kort heb ik gedacht dat dat voor mij en twee
kameraden, we zaten in dezelfde klas, leidde tot verwijdering van school. Voor
anderen, die zaten niet in onze klas, niet.
88
Bijzonder is wat ik op 9 november 2002, van mijn zus, hoorde. Er zou op zijn
minst nog een andere reden van mijn verwijdering van Ravensbos zijn, iets wat
ik echt voor het eerst hoorde. Ik zou politiek actief geweest zijn! Waaruit
bestond mijn halsmisdrijf dan wel? Wat was mijn bijdrage? Welnu, we hadden
in de 4de klas van de HBS economie van een bijzondere man, de heer
Moolhuijsen. Deze goede man was lid van de PSP (de Pacifistisch Socialistische
Partij), als zodanig actief, en dat in het door de KVP gedomineerde Limburg.
Wie herinnert zich niet het verkiezingsaffiche van de PSP uit die tijd, de blote
vrouw met de al even blote koe (de liefhebber zou ik hebben willen verwijzen
naar www.omroep.nl/geschiedenis, maar deze site blijkt het affiche op dit
moment goed verstopt te hebben, dus lever ik dit tijdsdocument er maar bij).
Deze goede man, die om een paar voorbeelden te noemen, bij eerste
kennismaking alle leerlingen een hand gaf, heel veel praktische informatie gaf,
werd door het docentenkorps als 'gek' versleten, met de nek aangezien. Tot
overmaat van ramp voor hem kwam hij binnen de partij in moeilijkheden. Om
kort te gaan, de man overkwam een drama. Cor van der Zwaan en ik hebben
het publiekelijk voor hem opgenomen, door een ingezonden stuk in het
regionale dagblad te plaatsen. Tja, dat bleef ook op Ravensbos niet ongelezen.
Veel documentatie heb ik verscheurd, wat jammer is. Ik weet zeker dat ik dit
krantenknipsel heb bewaard. Helaas heb ik het te goed verstopt. Als ik het vind
of kan verkrijgen bij de krant, zend ik het alsnog in voor de site. Wel vond ik
boven weergegeven verslag van de discussiebijeenkomst.
Mijn gevoel voor onrechtvaardige en onredelijke behandeling is zo sterk als het
leerstuk van de pauselijke onfeilbaarheid; heel diep aanwezig. Het verschil is
dat de pauselijke onfeilbaarheid een zwaktebod is. Bovendien is dat
uitgangspunt op slinkse wijze door de toenmalige paus ingesteld om zijn eigen
wereldlijke positie te verstevigen.
Van het adagium 'audi et alteram partem' had pater Steenbergen, die
verantwoordelijk was, kennelijk niet gehoord. Daarbij komt dat ik de indruk
heb (overgehouden) dat mijn ouders, dit in tegenstelling tot ouders van enkele
anderen, zich niet of te weinig te weer hebben gesteld tegen de verwijdering.
Je hebt de gave van het woord of je hebt haar niet.
Boven heb ik al aangegeven dat ik in Heerlen onderdak kreeg bij de broeders
van de Heilige Jozef. Ik kon daar komen omdat mijn broer Martin daar kwam te
verblijven. Mijn ouders waren boos op me dat ik het 'zover' had laten komen. Ik
heb me neergelegd bij het verblijf daar. Het was maar een jaar; dat was te
89
overzien. Ausdauer und Geduld gewinnen des Glückes Huld zegt onze
oosterbuur.
Elders in de bijdragen heb ik gelezen over financiële problemen die Ravensbos
zou hebben gekend. Ik vermoed dat Pater Overste Kusters, de voorganger van
Pater Overste Hendriks, verantwoordelijk moet worden gehouden voor die
problemen. Ik herinner mij dat we in de schoolvakantie geacht werden geld op
te halen voor Ravensbos. Na de vakantie werden de prijzen verdeeld. Pikant
détail is dat ik een berg ondergoed van het merk Zwaluw heb meegekregen van
een plaatselijke modewinkel. Pater Overste heeft dat persoonlijk van mij in
ontvangst genomen. Ik viel één keer, toen, in de prijzen. Maar wat een
teleurstelling werd dat. De grote prijzen waren al weg. Toen ik aan de beurt
was om te kiezen, koos ik een boek. Mijn keuze werd me ontzegd, ik was te
jong (!) voor het boek, dat bedoeld was voor ontluikende volwassenen. Ik werd
afgescheept met een zwemtas.
De liefde voor het boek is gebleven!
Nog een enkele herinnering aan Pater Overste Hendriks. Deze man wist geld te
genereren. Hij kende als geen ander de kinderbijslagwet en spoorde ouders aan
driedubbele kinderbijslag aan te vragen, waar je recht op had als je kind niet
thuis woonde. Toen steeds meer studenten ervoor kozen niet naar het Groot
Seminarie te gaan, fulmineerde hij daar van de kansel tegen. Hij verweet
mensen zat ze 'zo nodig groot moesten worden', doelend op maatschappelijk
succes.
De dood van Siem Smit
In de winter van 1969-1970 werd Siem Smit, jarenlang mijn klasgenoot
geweest, door een vrachtauto doodgereden. Dat was een grote schok. Ik
verbleef niet langer op Ravensbos. Ik mocht voor die gelegenheid met de
leerlingen van Ravensbos wel mee naar Heerhugowaard, waar Siem werd
begraven. Voor zover ik mij herinner, was dat me als een soort
vanzelfsprekendheid aangeboden. Ik ben diep onder de indruk geweest. Na
afloop heb ik, samen met Cor van der Zwaan, in een café aan de Akerstraat te
Heerlen een behoorlijk aantal biertjes gedronken. Wij hebben lang stilgestaan
bij wat dood en begrafenis ons hadden gedaan.
Waardering van mijn Valkenburgse tijd
Ik heb in Valkenburg een goede tijd gehad. Ik heb uitstekend aansluiting
gevonden met de andere leerlingen. Ik had geen probleem met het regiem, dat
90
onder meer bestond uit vaste tijden waarop huiswerk diende te worden
gemaakt, dan wel diende te worden gestudeerd. Ik had structuur, waarvan ik
veronderstel dat die mij te pas is gekomen. Er was volop de gelegenheid tot
sporten (volleybal, voetbal, schaatsen, tennis en atletiek), tot deelnemen aan
activiteiten in clubverband, tot toneel, het vieren van carnaval. Ik heb in de top
van de school volleybal gespeeld (we speelden en gooiden hoge ogen op
externe toernooien), ben lid geweest van de raad van elf, eerst van de 'jeugd'
(Uulebuulen) , later van de ouderen, de Bosjuule (ook met de raad van elf
traden we buitenschools op). Ik ben met veel plezier lid geweest van de
Missieclub, waarvoor ik onder meer veel kleedjes heb geweven en
ijzerdraadfiguren heb gemaakt. We gingen kamperen in Frankrijk (Vogezen).
Later repareerden we veilingkisten en timmerden we een reis naar de
omgeving van Marseille bij elkaar. We bouwden een grote blokhut etc.
Ik houd van mijn ouders. Ik ben hen dankbaar wat ze voor mij aan
mogelijkheden gecreëerd hebben. Het gevoel daarbij is dubbel. Hun
inspanningen hebben me ook wat afgenomen, wat een kras op mijn ziel heeft
opgeleverd en (dus) tot op heden aanwezig is, al heb ik het aanvaard.
Bovendien wat moet het voor mijn ouders betekent hebben vier van hun
kinderen gedurende een belangrijk deel van jeugd kwijt te raken. Dat
vervreemding is opgetreden, hoeft niet te verbazen.
Voor wie dit niet vermag te begrijpen: lees het gedicht Het sterfbed van Jean
Pierre Rawie, dat gaat over het onvermogen van zoon (kind) en vader tegen
elkaar te zeggen dat ze van elkaar houden, iets wat van vader op zoon
overgaat.
Geloof/godsdienst
Gaandeweg heb ik mij van de kerk als instituut afgekeerd. Ook heb ik mij
atheïst genoemd, met genoegen De Antichrist van Friedrich Nietzsche gelezen
etc. Mijn zus herinnerde me onlangs aan één van mijn stellingen: 'Er is geen
enkel wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van God'. Die stelling was
provocatief en voor mij uit de oude doos, niet meer belangrijk. God doet er niet
toe. Dat neemt niet weg dat ik van harte onderschrijf wat Johan Schepers in zijn
bijdrage opmerkt over de essentie van de spiritualiteit. Ik benader dit (echter)
vanuit de antroposofie, die geen standpunt heeft, noch geestelijk, noch
politiek. Voor de antroposofie, zoals geformuleerd door Rudolf Steiner is
kenmerkend dat het gezag in 'mijzelf rust'. Juist omdat je kunt dwalen, kun je
rechte wegen proberen te vinden. Dat levert een vrijheid van
keuzemogelijkheden op, waarin het geheim van het leven en ook het geheim
91
van de ontwikkeling van mens, dier, plant, van de aarde als organisme en van
de mensheid als zodanig zit. Het mensbeeld van de antroposofie is drieledig:
lichaam, ziel en geest. De ziel is eigenlijk de tempel, waarin het gesprek tussen
geest en lichaam plaatsvindt. Of dat zover gaat of kan gaan dat sprake is van
een voorgeboortelijke keuze voor een bepaalde levensweg, met als
consequentie - gesteld dat het geestelijk wezensdeel van de mens van
incarnatie naar incarnatie trekt - elk volgend leven confrontatie plaatsvindt met
de verantwoordelijkheid voor de eigen daden en de gevolgen, ook van de
nalatigheden van vorige levens, sluit ik niet (meer) uit. Velen aanvaarden
zonder meer dat de ziel bij de dood het lichaam verlaat. Waarom zou het
omgekeerde, dat de ziel bij de geboorte het lichaam binnengaat, dan niet even
vanzelfsprekend zijn?
Wat is gebleven is dat ik graag kerken bezoek, bekijk. Ook beluister ik graag
Gegroriaanse muziek.
Nog meer herinneringen?
Er zijn zeer veel herinneringen bij me losgemaakt. Veel laat ik nu onbesproken.
Ik kan niet aan de gang blijven. Eén voorval, waar ik wat van geleerd heb, noem
ik. Op één van onze vakantiereizen, die waar we Würzburg hebben aangedaan,
aten we in een klooster. Op het menu stonden karbonades. Aan het eind van
de maaltijd lag op de schaal nog een eenzame karbonade. Jo Crijns, die
tegenover mij zat, vroeg wie er nog een karbonade lustte. Ik nam de
uitnodiging, op dit punt nog zonder krassen, onbevangen aan. Jo zei vriendelijk:
'Als iemand je dat vraagt, is het niet de bedoeling dat je erop ingaat. Dat hoort
zo niet. Er zijn ook nog anderen…'. De karbonade was een stuk minder lekker.
Besluit
Ik ben een knokker (geen straatvechter), een doorzetter (genetisch bepaald),
ambitieus, hard voor mezelf, uiterst gevoelig. Ik ben per slot een dichter. Ik heb
een bijzonder gevoel voor humor, een hang naar spiritualiteit, gezondheid en
zingeving. Ik heb een bijzondere liefde voor literatuur en taal.
Ik wil graag meegeven twee wijsheden uit Jonathan Livingston Zeemeeuw van
Richard Bach (Strengholt 1975, druk 5, p. 73 en 77), dat is opgedragen aan de
echte Jonathan Zeemeeuw, die in ons allemaal leeft: 'Alles wat ons
beperkingen oplegt moeten we overwinnen' en 'We zijn vrij om te gaan waar
we willen en te zijn wat we zijn.'
92
Tot besluit citeer ik twee regels uit het gedicht De avond van de dichter van
Willem Wilmink (onder meer te vinden in de bundel Ik had als kind een huis en
haard), die voor mij symbool staan voor ouderdom en jeugd: 'De avonden zijn
om te compenseren / wat overdag is verknoeid'.
3 december 2002
93
94
Sjef Engering
Het was 1958 en ik maakte als zestienjarige jongen aan ouders duidelijk dat ik
graag priester wilde worden. Heel even was de schok groot, maar al snel
hadden zij zich met de gedachte verzoend. Een broer van mijn vader en tevens
mijn naamgenoot was in die tijd pastoor in Rotterdam. Dus stiekem waren ze
best trots dat hun zoon priester wilde worden. Mijn heeroom was dominicaan,
maar daar voelde ik mij niet zo happy bij.
De paters Salesianen van Don Bosco spraken meer tot mijn verbeelding tevens
ook omdat ik toch al wat ouder was dan de rest van de eerste klas van het
seminarie, hadden zij daar een zo genaamde BKV klas (staat voor buiten klas
verband).
Hun klein seminarie was gevestigd in 's-Heerenberg, het latere misschien beter
bekende Gouden Handen.
Al snel werd daar duidelijk dat ik dat jaar de enige wat oudere student zou zijn.
Problemen dus. Ik moest alles met de jongens van elf of twaalf jaar meedoen.
Duidelijk niet zo'n succes.
Toch heb ik daar twee jaar met plezier gestudeerd. Na die twee jaar kreeg ik
het advies om naar Duiven te gaan, omdat daar was gevestigd een speciaal huis
voor late roepingen.
Dat was voor mij een grote verandering. Van de studiezalen en slaapzalen naar
een eigen kamer en eigenlijk niemand die je op de vingers keek.
Vier jaar heb ik daar gestudeerd met heel veel plezier. Verschillende akties en
loterijen hebben we daar gehouden. Was het niet voor een nieuw orgel dan
was het wel voor een nieuwe recreatiezaal.
Pater Piet Post was toen onze overste. Een zeer goed mens.
Op het eind van het vierde jaar kwam de kleermaker langs om twee nieuwe
togen aan te meten. Een rib uit het lijf voor mijn ouders heb ik later begrepen.
Zij moesten diep in de buidel tasten.
In september 1964 werd ik, samen met tien andere klasgenoten en nog enkele
anderen van Ravensbos in Sevenum ingekleed zoals dat toen heette. Ik weet
nog wel dat vanuit Ravensbos kwamen Tom Graat en Joep de Vos. De andere
namen ben ik vergeten.
Wij kregen als novicemeester Martien Schram. Voor mij persoonlijk een
topkerel.
Liep wat slungelig door de gangen maar een man met een hart van goud en
strikt eerlijk.
Zoals misschien bekend heel veel appels geplukt, kuikenstallen uitgemest,
kuikens in dozen gedaan en in de diepvries gestopt en voor een erg zieke boer
95
uit de omgeving alle asperges gestoken. Ik weet nog wel dat we heel vroeg uit
bed moesten, want voor zonsopgang moest het steken klaar zijn. Ik heb ook
nog foto's waar we een groot veld bieten moesten uittrekken.
In dat jaar heb ik heel veel van de groep geleerd. Ook beter mezelf leren
kennen.
Ik weet ook nog wel dat ik de eerste was die tijdens het noviciaat naar huis
mocht voor het huwelijk van mijn broer. Was nog nooit eerder gebeurd. Moest
wel in mijn toog naar huis,
Maar ik had stiekem van een van de broeders een zwart pak geleend en ik heb
mij toen in de trein omgekleed.
Op het eind van het jaar konden wij kiezen voor de filosofie-studie in het
Vlaamse of Waalse gedeelte van België. Mij leek het leuk om voor het Waalse
te kiezen omdat je zo nog je frans kon bijspijkeren. De provinciaal besliste
anders . Met drie man werden wij naar Gijzegem gestuurd. Daar begonnen
voor mij de problemen. Ik had het gevoel te zijn teruggeplaatst in de
middeleeuwen. Je had de keuze een geestelijk leidsman te kiezen , maar een
van de jongere paters die ik wilde werd afgewezen omdat hij te jong en te
onervaren zou zijn.
Werkelijk te gek voor woorden. Na twee moeilijke maanden besloten mijn
vriend Henk Kolman en ik het voor gezien te houden. Omdat wij geen geld
kregen hebben wij het voordeel van ons boortje uitgebuit en zijn wij met de
duim omhoog naar Sevenum gelift.
Omdat Martien Schram in Frankrijk zat werden wij door gestuurd naar het
provincialaat.
Wij hadden onze gelofte voor een jaar afgelegd en na overleg werd besloten
dat ik naar Valkenburg zou gaan om daar als assistent van de prefect te gaan
werken.
Niet om te slijmen, maar voor mij was het een topjaar.
Het nieuwe studiejaar zou er een filosofie studie gaan starten in Weert. Een
combinatie met enkele andere orders en congregaties. De studie zou starten in
september 1966.
In augustus had ik mijn koffer gepakt staan in Valkenburg en werd ontboden op
het provincialaat. Ik dacht om verder af te spreken hoe het in Weert zou gaan.
Dat liep dus even anders. De provinciaal verzekerde mij dat na overleg hem
duidelijk was dat de vervolgstudie voor mij toch wel veel te zwaar zou zijn. Hij
zou mij zijn zegen geven, vijf honderd gulden en dan maar terug naar je ouders
in Schiedam.
Mijn wereld stortte in. Het was maar goed dat er net op het traject naar
Valkenburg zelfsluitende deuren zaten, anders zou ik er zijn uitgesprongen.
96
Je kan begrijpen dat ook de schok voor mijn ouders groot was. Dat had
niemand verwacht.
Duidelijk werd wel dat je in die tijd niet te rebels moest zijn, want dan kost dat
je kop.
Na een afkoelingsperiode en na wat jeugdwerk te hebben gedaan, ben ik net
als mijn vader en mijn broers een zaak gestart in ijzerwaren en gereedschappen
in Schiedam.
Vijfendertig jaar heb ik daar met heel veel plezier gewinkeld. Ik ben in 1971
getrouwd, heb een dochter en een zoon en drie heerlijke kleindochters.
Mijn grote hobby is muziek (uit mijn Oblatentijd meegekregen) . Doe wat in
dirigentenwerk en speel twee zondagen per maand in Moerdijk. Tevens ben ik
twee jaar geleden met de vut gegaan en ben met mijn vrouw verhuisd naar
brabant en dat bevalt ons goed.
Nou, dat was mijn Oblatenverhaal. Wrok ken ik gelukkig niet. Ik kijk, ondanks
alles met heel veel plezier en warmte terug aan die tijd en heel vaak vraag ik
me af: wat zou er geworden zijn van al je klasgenoten? Mochten zij dit lezen,
laat dan eens iets van je horen!!
Heel veel groeten,
Sjef Engering
April 2005
97
98
Toon van Buren
Open brief aan Jozef Hoen. Maart 2010
Dag Jozef,
reuze bedankt voor je uitvoerige verslag. Ik herken er allerlei langvergeten
dingen in – en de herinnering doet me deugd. Heerlijk. Ik heb er echter wel een
paar vragen en opmerkingen bij. Mijn situatie op Ravensbos was overigens een
beetje anders dan de jouwe. Toen ik 12 was wilde ik best graag pater worden –
kwestie van roeping dus – maar het celibaat vond ik een malle uitvinding. Ik
heb daarom mijn geheim strak voor me gehouden – vader en moeder mochten
het beslist niet weten, want die zouden zeker geprobeerd hebben mij te
overtuigen om dan maar onmiddellijk naar het seminarie te gaan. Toen ik 16
was las ik, 4e klas gymnasium , Inuk, van Pater Roger Buliard en ik wist
helemaal zeker dat ik dat ook wilde: rond crossen op zo’n arrenslee in het
doodstille sneeuwlandschap, bij volle maan, met mijn liefste sledehond
helemaal voorop. Later hoorde ik dat de Fransen dat de attrape nigaud van de
Oblaten noemden, de valstrik voor de sufferds: we waren toendertijd met een
kleine 7000 man en er was in het hoge Noorden maar plaats voor zo’n 35
missionarissen - en toch meldden zich op alle uithoeken van de wereld
jongetjes van 12.. Het celibaatsprobleem loste ik eigenhandig op: het bleef een
rare zaak, maar OLHeer wist ervan en die zou het wel beter weten. Exact 16
jaar later reed ik op de fiets van het huis van mijn jarige oudste broer naar
Rodichem, waar ik een jaar eerder staflid van het scholasticaat was geworden –
en werd onderweg getroffen door het daverende inzicht dat OLHeer helemaal
niets van het verplichte celibaat afwist. Het waren mensen die dat ingesteld
hadden en van mensen was ik niet bang . Eerder was ik ontzettend boos op ze,
dat ze dat intussen, tegen beter weten in, niet weer afbesteld hadden. De
volgende dag meldde ik me bij pater Wim Cartens, overste van het
scholasticaat, die met veel empathie naar mijn diep pastoraal/theologisch
inzicht luisterde: ik zou gewoon priester blijven, sacerdos in aeternum, wat
zullen we nou krijgen, maar met dat malle gedoe was het gedaan.
Ik kwam dus als 16jarige in de vijfde klas en was daarmee tevens een van de 5
oudste leerlingen. Ik begon zo gezegd achteraan. De 6e klas bestond nog niet of
beter gezegd, bestond niet meer , bij gebrek aan leerlingen. Het jaar daarop
99
kwamen jullie, als 5e klassers, bij ons als 6e klassers om samen van Zijlstra
Latijn en Grieks te krijgen. “We waren eerlijk gezegd beter en hadden al gauw
een voorsprong”. Ik lees het met verbazing, Jozef, ik heb daar eerlijk gezegd
nooit iets van gemerkt. Wat ik zeker wel gemerkt heb, is dat jij toen
onwezenlijk goed in Nederlands was, maar daar stond weer tegenover dat bij
ons Jantje Diederen griezelig goed was in wiskunde. Wat nu dat beter zijn in
Latijn en Grieks aangaat, dat lijkt me eerder een verhaal van de jongere die
graag droomt de oudere voorbij te snellen. Zo werd mij door jullie vol trots
verteld dat wij bezig zouden zijn op een echt gymnasium, met die twee
uitstekende – helemaal mee eens, Jozef – bevoegde lekenleraren en dat was
iets heel anders als die lui van vroeger, die intussen in het noviciaat zaten en
maar wat aangerommeld hadden. Zo had Theo Vernooy op zijn eindexamen
Homerus tevergeefs zitten broeden op de vraag van welk werkwoord
agamemnoon nu eigenlijk het participium praesens was. Ik lees op de nieuwste
belangstellendenlijst dat Piet Haarmans en Martin Vermüe ook komen, ook
twee van die rommelaars , een van hen misschien zelf wel in plaats van Theo,
de echte rommelaar – dus kunnen we hen vragen hoe het nu precies zat.
Het is wel zo, dat van ons 4en enkel Jef Magermans en ik voor het
Staatsexamen zijn geslaagd, zij het ieder met twee herexamens voor Latijn en
Grieks. Jan Diederen slaagde met 9s en 10en voor wiskunde, maar zakte
uiteindelijk voor de klassieken. Matje Habets zakte voor van alles, maar nam
wraak in het noviciaat. We waren met ons 5en: Jan was niet meegegaan naar
het noviciaat en in zijn plaats was Ben de Vries gekomen, die 10 jaar ouder was
dan wij - en verder was er Inno Gijsberts, die in onze klas ziek geworden was en
daarom niet meer had meegedaan voor het Staatsexamen. In het Latijn
reciteerden we ’s middags alternerend de psalmen – in de Kapel.
Geleidelijkaan kwam daar goed de vaart in, totdat tot onze verbazing Matje
opeens weigerde om aan het einde van een psalm het Gloria patri in te zetten.
Het staat er niet, zei hij, en als ze te beroerd zijn om het erbij te zetten, ben ik
te beroerd om het te bidden. We hebben ons slap gelachen – en van het
brevieren is die middag niets meer terecht gekomen. Een poos later is Matje uit
het noviciaat vertrokken; dat komt er nou van. In ieder geval : wij waren voor
50 % geslaagd. Maar Jozef, jullie waren met je 3en, dat betekent dat er al 4
afgestreept waren voor het staatexamen – kleine kunst om dan een beter
gemiddelde te krijgen.
Er is echter nog iets dat ik niet snap: de prefect, pater Uitterhoeve had mij
gevraagd om bij ons afscheidsfeest in de aula een kleine toespraak te houden
voor Zijlstra, die ook zou vertrekken. Ik neem tenminste aan dat ik me dat goed
100
herinner, want ik was niet gevraagd om ook Harry Prick te bedanken. Mijn
toespraak op het toneelpodium voor de volle aula herinner ik me in ieder geval
wel heel goed: die werd een totale flop. Na twee zinnen stokte ik en ik kan
vandaag nog voelen hoe hopeloos dat voelde. Zijlstra redde echter de situatie
- uitstekende man, inderdaad. Hij kwam haastig uit zijn stoel, sloeg een arm om
mij heen en bedankte ons voor de fijne samenwerking; op zich toch niet zo
gemakkelijk: met zo weinigen zoveel lesuren met steeds weer dezelfde leraar;
was je niet aan de beurt, dan had je hem net gehad, of kreeg je hem de
volgende keer. Als Zijlstra toen inderdaad vertrokken is, met wie hebben jullie
3en dan die verdere voorsprong genomen?
Prick is langer gebleven, dat wisten we wel. Die heeft dus nog vaak met die
slungelige armen half over en langs zijn tafeltje bungelend de prachtigste
verhalen voorgelezen. Maar helemaal op mijn gemak had ik me bij hem nooit
gevoeld - en hij waarschijnlijk niet met mij. Ik had toen zo’n naaldjesvulpen, die
even in de mode is geweest. Van Buren, zei hij, volgens mij schrijf jij met een
lucifer - het was geen compliment. In het noviciaat hoorden we bij tijd en wijle
over jullie. Alle vakanties kwam onze mascotte, Harry Bakker, met bolle
wangen en per fiets op bezoek. Die zat in de 1e klas, toen wij in de 6e zaten.
Hij woonde in Helenaveen, juist om de hoek. Ik denk dat hij het was die ons
verteld heeft, dat pater Rientjes hoog bezoek had gehad vanuit Engeland. Trots
had hij de hoogste klas willen laten zien, die zich serieus voorbereidde op het
Staatsexamen. Toen hij opeens de klasdeur opende, lag Leo van den Berg
overlangs boven op de piano – dat studeerde gemakkelijker.
Wat ik ook vreemd vond bij mijn dus latere komst naar Ravensbos was dat van
die groepen, waar jij het over hebt. Ga naar je soort, zeiden de ouderen tegen
de kleintjes en dat deden die dan. Ik zag ze niet morren, maar ik verbaasde me
er wel over. Ik had thuis een jongere broer en een jonger zusje maar ik had
nooit bedacht dat ze een ander soort waren. Dat had die nietsvermoedende
1ste klasser blijkbaar ook niet, die met ons mee stond te luisteren toen wij het
hadden over dat vreselijke ongeluk op het circuit van Le Mans . Ja, zei hij, er
waren 5 kapotte. Om vervolgens onder onze verbaasde ogen naar zijn groep af
te druipen.
Van misdienen had ik ook geen weet. Waar Inno echter wel raad op wist. Die
was koster en ging daar over. Na een grondige spoedcursus stond ik op een
plechtige zondagmorgen als ceremoniarius naast de celebrant. Achter deze,
netjes in het gelid , stond de diaken en helemaal onder aan de subdiaken. De
andere misdienaars leken ook de juiste plaats gevonden te hebben. En toen
101
wist ik opeens absoluut niet meer hoe het verder moest. Totdat mij het
angstige idee bekroop dat ik misschien op de verkeerde plek stond en de
anderen hinderde. Daarom daalde ik zo beheerst mogelijk omlaag - en toen ik
nog geen flauw benul had hoe verder, besloot ik me maar achter een pilaar te
verbergen. Even overwoog ik om via de openstaande deur van de sacristie
maar helemaal te verdwijnen. Maar net voor ik in mijn wanhoop daartoe over
zou gaan, zag ik ineens wat er op dat moment moest gebeuren. Boven
aangekomen maakte ik een eerbiedige knicks naar de diaken en de hele
carrousel ging weer verder. Heel goed gedaan, zei Inno, maar hij begreep niet
wat ik achter die pilaar gezocht had. Toen ik zei dat ik niet geweten had wat ik
in godsnaam had moeten doen, bleek dat te kloppen – ik had al die tijd niets
hoeven doen.
Ik herinner me nog een andere plechtige hoogmis –waar ik mij jarenlang door
geïnspireerd heb gevoeld. Dat was de zondag waarop de provinciaal Jos Voogt
(in Rome heette hij , nadat hij daar overste van het studium generale was
geworden en later assistent generaal, de Ronde van Italië) naar Ravensbos was
gekomen. Met zijn diepe bas las hij de brief voor van de eskimo-missionaris
pater Kees Verspeek, over de plotselinge dood van zijn Nederlandse confrater.
De hele boel was daar weken en wekenlang zo bevroren geweest, dat hij met
geen mogelijkheid de overledene had kunnen begraven. De brief werd al gauw
in de grote kranten gepubliceerd. Een jaar of veertig later heb ik pater
Verspeek in Korbeek-lo nog ontmoet – en heb hem kunnen bedanken; de dank
werd met ontroering –zowel van hem als van mij - ontvangen. Ver in de 90 is
hij een paar jaar geleden gestorven.
De code die ik aanvankelijk ook niet zo goed begreep was het voorbidden op
het einde van een bijeenkomst. Ik had net als jij ook eens op een
zondagmorgen surveillant moeten spelen bij de lagere klassen. Na afloop van
het Onze Vader en Weesgegroet zette ik blijmoedig in: Door uw onbevlekte
ontvangenis, o Maria – verwachtend dat iedereen zou invallen met: zuiver mijn
lichaam en heilig mijn ziel. Maar dat deed iedereen niet, in plaats daarvan
barstten ze allemaal in een hysterisch gelach uit. Hoe kon iemand nou zo stom
zijn om niet te weten dat dit bij het avondgebed hoorde. Ja, bevlekt en zuiver –
inderdaad dat hoorde meer bij het bed. Al vond ik toch dat dat Maria
Immaculata ook wel wat had voor overdag: o.m.i. Maar de bende was niet
meer tot bedaren brengen geweest. Ik heb nooit meer surveillant mogen
wezen.
102
Die Sinterklaasviering van jullie van de 5e daar weet ik nog alles van. Vooral
dat Gerard van Kempen als Zwarte Piet zo onder de schoensmeer had gezeten.
Wij van de 6e hadden wat lopen stangen - dat jullie het niet in je bolle hoofd
moesten halen om iets neerbuigends - dat jullie eerlijk gezegd beter waren bv
- over ons te melden. Juist toen het er naar uitzag dat dit toch ging gebeuren,
was ik opgestaan om een plechtige verklaring voor te lezen over de aloude
traditie en blabla. Gerard die dat niet begreep (??) kwam vervaarlijk op mij af
– met schoensmeer en al. Ik vreesde voor mijn nieuwe pak, maakte een
afwerende beweging, kreeg een klap met de roede en even later rolden we op
de grond. De snerpende fluit van de prefect, pater Uitterhoeve maakte een
einde aan het gestoei en pater overste de Grauw stuurde me zonder pardon en
zeker zonder weerwoord naar de studiezaal. Terwijl het feest beneden nog op
zijn einde liep, kwam hij al naar me toe. Dat ik De kleine Rudolf van Aart van
der Leeuw met aandacht zat te lezen, vond hij een overtuigend bewijs van mijn
onschuld en mijn proclamatie, weliswaar geen literair hoogstandje, maakte dat
hij me terugstuurde om met jullie van de 5e de restjes van de feestmaaltijd te
gebruiken. Aan de kleintjes van toen wil ik bij deze nog mijn excuses aanbieden.
Ik heb het met pater de Grauw altijd goed gehad. Zijn avondlijke pep up talk
kon ik vaak erg waarderen. Hij meende het allemaal echt: dat de pauperes van
heel de wereld nu eindelijk eens geëvangeliseerd moesten worden, dat het
schandelijk was dat de rijke landen veel meer geld uitgaven voor wapentuig,
dan nodig was om al de hongerigen te voeden, of dat je bijvoorbeeld nooit
kwaad zou mogen spreken van een priester – en tot dat gilde zouden wij dan
gaan behoren. Pieter van der Meer de Walcheren was een favoriet - maar
vooral Anton Zischka met zijn boeken over de grote wereldproblemen. De Rijn
vervoerde volgens De Grauw/Zischka net zoveel aarde naar de zee - als
volgeladen vrachtwagens rijdend bumper aan bumper in een file van Basel tot
aan Rotterdam zouden kunnen verslepen. Hoe hard die wagens dan wel reden
is me ontgaan. Als provinciaal heeft hij me later voor een jaar stage naar
Congo gestuurd om me daarna nog een extra jaar bij de stam van de Bawòng
te gunnen, waar ik hem nog steeds dankbaar voor ben. Voor mijn ouders was
hij helemaal top. ‘Pater Overste’ was de enige Oblaat die zij kenden - en hij kon
zo goed bedelen, zei mijn vader, dat je gewoon blij was als je hem wat. liefst
heel wat, kon geven. Toen ik later thuis kwam vertellen dat ik het celibaat voor
gezien hield, vroeg mijn moeder bezorgd wat de Kerk daar van vond. Ja, zie je ,
zei ik, de kardinaal is er voor, pater Overste is er voor, maar de paus is tegen.
Dan ga ik bidden dat de paus gauw mag sterven, zei ze vastberaden. Intussen is
mijn moeder allang gestorven, zijn er al 5 pausen dood gegaan: de een te
vroeg, de ander te laat en weer een ander onder verdachte omstandigheden ,
103
maar het probleem celibaat is nog niet helemaal opgelost. Mijn moeder bidt
verder, dat weet ik zeker, en misschien dat de huidige schandalen wat gaan
helpen...
Van die schandalen heb ik echter ook nooit maar iets ontdekt of vermoed. Dat
kwam niet eens bij je op. Misschien juist omdat er in Ravensbos bij mijn weten
nooit over sexualiteit gesproken werd. Afgezien van die ene keer dat pater
Tromp het er over had. Tegen de tijd dat Wilhelmina bij koningin Emma
verwekt moest worden, was koning Willem III al zo versleten, dat Ruys de
Beerenbrouck dat karwei maar geklaard had. Hij vertelde het op gedempte
toon, met dat hikkende lachje: niet verder zeggen, want het was niet helemaal
bewezen. Willy Tromp heeft ons nog een keer naar een groot café gebracht,
waar we op de T.V. naar een debat van de Tweede Kamer konden kijken. We
zagen praktisch nooit T.V. en nou kregen we die politici er zomaar bij. Die lui,
waar pater Tromp over sprak, bestonden dus echt.
Net zoals die bandrecorder van pater Harry Voogt. Dat was een kast zo groot
als een buffet, met banden die bijna voor een kruiwagen gebruikt hadden
kunnen worden. Maar hij kreeg de boel aan de praat. Reuze knap. Net als
trouwens zijn muzieklessen. Ik heb het eerste jaar pianoles van hem gehad, en
omdat ik al gauw weer weg zou gaan, mocht ik van hem al in mijn tweede jaar
op het orgel. Orgelspelen is al geweldig al doe je het maar met 1 noot en dan
nog heel langzaam. Die ene noot galmde dan dwars door heel je lichaam vooral als je het met het voetpedaal deed.
Met Pater Jan Kuilboer kon ik het ook goed vinden. Die was onze
godsdienstleraar. Maar hij had het nooit over godsdienst; dat hoefde niet, daar
zouden we de komende jaren toch mee dood gegooid worden. Dus hij sprak
over alles en heel de wereld en het kwam allemaal best goed. Jammer dat zijn
gebit niet paste. Hij meende dat al die lesstof van ons eigenlijk ook maar heel
betrekkelijk was. Je zou net zo goed al die boeken dicht kunnen laten en goed
leren schaken. Als die hersentjes maar kraakten. Zijn broer was de
bedrijfsleider van de boerderij en hijzelf was er dan ook vaak te vinden. Je kon
heel goed met hem aardappelrooien. Eens mocht ik van hem op zondagmorgen
de koeien melken: dat was toen broeder Menschink zijn eeuwige geloften
deed. En ’s winters de cour onder water spuiten voor het schaatsen, was ook
zo’n karweitje – even als het schaatsen zelf trouwens . In de laatste weken voor
dat wij Ravensbos gingen verlaten, heeft hij mij nog reuze bemoedigd. Ik liep
wat te somberen over het noviciaat. Daar zouden we weer in een mallemolen
komen - waar OLHeer wel of niet van afwist. En dan leek me het gevaar toch
104
heel reëel dat ik ook zo’n verknipte figuur zou worden als pater Zo en zo - zijn
naam doet er hier niet zo toe. Maar nee, zei Jan, helemaal niet - die man is
gewoon gek; dat telt niet. Ik voelde me echt opgelucht: die paters dachten niet
allemaal hetzelfde, zo zat de club dus niet in elkaar. Maar achteraf besefte ik
dat hij toch wel wat voorbarig was geweest: ik heb in latere jaren heel wat
redelijk verknipte mensen geteld.
Dat bridgen hebben we op de stam van Joop Calis geleerd. Dat was ook echt
geweldig –overdag liep je al het goede openingsbod te bedenken en dan had je
nog die hele avondrecreatie voor je. Joop was na zijn diakenwijding naar
Ravensbos gekomen, waar hij zou blijven tot zijn priesterwijding. Zondags zong
hij het evangelie. Met die prachtige stem van hem klonk het zo fantastisch, dat
hij voor mijn part het hele desbetreffende hoofdstuk secundum Lu-hu-cam had
mogen afzingen. Maar dat was toen helemaal nog niet aan de orde: aan het
Missale Romanum viel absoluut niets te morrelen. Dat veranderde een jaar of
vijf later, toen de goede paus Johannes XXIII koppig doorzette en de naam
Jozef in de miscanon liet zetten. Dat was heel slim van hem: als je er eenmaal
iets in kunt zetten, dan kun je er ook wel wat uit halen - en zo donderde dat
eeuwenoude liturgische bouwwerk uiteindelijk in elkaar. Joop werd gewijd
door een Franse missiebisschop. Zijn naam begon met Br – twee lettergrepen.
Hij vertelde dat hij met zijn bisschopsstaf langs de fietsstang geknoopt de
rimboe in placht te peddelen en dat toen eens een poedelnaakt misdienaartje
zich had aangemeld om te assisteren. Hij had het ventje naar huis gestuurd om
zich om te kleden en even later was deze weer aan komen hollen met een pet
op. Daar hoefde je dus in die onschuldige tijden niets achter te zoeken. Net
zoals je er niets achter hoefde te zoeken, Jozef, dat pater Mullenders zo vaak
bij dat echtpaar Laeven in die kleine bungalow op de hoek van de cour op
bezoek ging. Zij was een zus van Mullenders en beiden waren zij heeroom en
tante Antje van Fons Kusters.
Ik ben op Ravensbos twee jaar lang heel gelukkig geweest. Stapten we uit de
bus van Sittard onder aan de heuvel uit, dan rook ik al die bijzondere geur van
het lössland en voelde me op slag picobello. Lopend naar boven zag je dat
grote witte huis waar we allemaal woonden - een grote groep jongens die
voorbestemd was het verschil in de wereld te maken. In Pilcomayo
bijvoorbeeld of in Japan of liefst nog bij de Eskimo’s: er waren nog heel wat
heidenen die nog van niets wisten, dus wat lette ons. Ik herinner me dat ik met
Jène van Moorsel stond te praten op de cour, bij de grote deur vlak voor het
volleybalveldje. We zijn met meer dan honderd, wat denk je - zei Jène - er zou
toch best een toekomstige bisschop tussen kunnen lopen.
105
Met Leon Janssen – (Weet jij wat er van hem terecht is gekomen?) – had ik het
plan gemaakt om in de grote vakantie na het eindexamen naar Rome te gaan.
Hij deed nog wel geen examen, was wel even oud, maar had enkele klassen
twee keer gedaan. Mijn broer had een Harley Davidson die ik mocht lenen en
Leon zou geld bij elkaar sparen om de benzine te betalen. In de kerstvakantie
nam ik thuis enkele motorrijlessen en in de paasvakantie slaagde ik voor het
rijbewijs. Toen ik terugkwam op Ravensbos wachtte pater Uitterhoeve me op.
Hij had gehoord van ons plan, maar vond het geen goed plan. Leon had te
kennen gegeven dat hij na de grote vakantie niet meer terug wilde komen. Dus
dat kon niet, dat ik voor het noviciaat nog met hem een reis ging maken. Ik
voelde me, niet vanwege Rome, maar vanwege het totaal onverwachte
vertrek van Leon uit de grote cirkel van de uitverkorenen, alsof ik een
doodsbericht had ontvangen. Ik was opeens in de rouw. En dat is me later
vaker gebeurd. We waren niet bij elkaar enkel voor de gezelligheid , maar voor
iets waar je heel je ziel en zaligheid in had gelegd.
Met Rome is het nog best goed gekomen. Na het noviciaat ben ik met Ben de
Vries naar Rome gestuurd. Voor 7 jaar – zonder ooit intussen nog naar huis te
mogen, althans dat was de bedoeling. Met mijn ouders is uiteraard niets
overlegd. In Rome troffen we Ben Annink, die daar al 5 jaar was, alles dus wist
en gelukkig ook nog goed Nederlands sprak. Toen Ben Annink naar Nederland
terugging, kwam André van Kempen, met wie ik in de komende 5 jaar – en
sindsdien nog steeds - meer vertrouwd ben geweest, dan ooit met een van
mijn broers. Tijdens mijn laatste 3 jaar kwam ook Matje Vliegen. Met het Latijn,
Jozef, is het toen helemaal goed gekomen - voorsprong of niet. Op de
universiteit gold enkel Latijn – we lazen St Thomas in het origineel,
debatteerden in het Latijn, alle colleges, alle examens, mondeling, schriftelijk:
Latijn. Zelfs Heidegger lazen we in het Latijn. En de bisschoppen van Jène ben ik
er ook tegengekomen. De eerste weken brachten Ben de Vries en ik door in
Roviano, in de bergen van de Abruzzen ,waar het vakantiehuis was van het
internationale scholasticaat. Tijdens het eerste potje voetbal werd ik bijkans
van de sokken gelopen door een lachende zwarte, Buthelezi heette ie, uit ZuidAfrika . Dus drie dagen later schopte ik hem omver, maar toen ie opstond
bleek het een nieuwe bisschop te zijn, uit Basutoland. Als je voor het eerst
zwarten tegenkomt denk je dat je ze herkent aan het kroeshaar - maar dat is
niet zo. Ik heb jaren in de collegebanken gezeten naast Bernd Mohlalisi goede voetballer ook - die al gauw aartsbisschop is geworden van Roma,
Basutoland, en vorig jaar met pensioen is gegaan. Een andere jaargenoot van
mij, Marcel Dumais, met wie ik de eerste dag in Roviano bevriend was
106
geworden en sindsdien altijd ben gebleven, heeft 12 jaar lang in de Pauselijke
Bijbelcommissie gezeten, waarvan kardinaal Ratzinger voorzitter was. Op weg
terug naar Ottawa vloog Marcel dan over Amsterdam om bij ons thuis te
logeren. Op
de dag van vandaag nog is hij
Generaal Assistent,
verantwoordelijk voor 1200 Oblaten. André heeft nog samen gestudeerd met
de latere oblaten kardinaal van Montreal - en is eens met gejatte paarse sokken
de Sixtijnse Kapel binnen gewandeld om met een hele horde monsignori op de
beste plaatsen te gaan zitten in de Sint Pieter. Toen Matje kwam, kwam er ook
een jonge Canadees mee - een dag voor de sportdag in Roviano. Hij won 7 van
de 8 medailles - hij kon alles, en alles beter. Tot op vandaag is hij nog steeds een vooruitstrevende - bisschop in Kameroen. Jan Kuilboer had gelijk: het
komt allemaal wel goed.
De laatste maanden in Ravensbos waren extra plezierig. We mochten toen
gaan wonen op de bovenste verdieping van de Duitse vleugel. Onze eigen
kamer uitkiezen, buro’s heen en weer slepen, een schemerlamp opduikelen, de
boel weer verzetten en tussendoor de Rientjes-vellen met woorden Duits en
Engels stampen. Heerlijk – ineens helemaal los van de grote groep. Niet meer
in de rij, maar lopen zoals je zelf wilde. Al waren die eindeloze processies in die
hele lange rij, van alle klassen tegelijk - naar de refter, van de refter, naar de
kapel en via de kapel weer naar de refter - niet enkel vervelend. Ik heb
Nicholas Nickleby, David Copperfield en wat nog van Charles Dickens gelezen –
de gang was best goed verlicht - en als het verhaal spannend was, dan hoopte
je eigenlijk dat ze daar voor in de rij, ergens - wij liepen helemaal achter aan wat zouden treuzelen, zodat je het einde van die ene passage uitgelezen had,
voor je de kapel instapte. Anders zat je daar maar over te puzzelen in plaats
van te bidden. Die plotselinge verhuizing naar de Duitse vleugel was om ons
voor te bereiden op de volgende stap in ons leven, want dan moest je tegen de
luxe van de vrijheid bestand zijn. Dat er in het noviciaat en het latere
scholasticaat ook nog allerlei spelregeltjes op ons losgelaten zouden worden,
werd kennelijk niet als daarmee in tegenspraak gezien.
Ik had wel wat met die Duitse vleugel. Toen ik op Ravensbos kwam in 1953
zaten daar nog een paar oude Duitse paters – een beetje als een
bezienswaardigheid. Ik heb eens zo’n bezienswaardigheid aangeklampt om mij
het gothisch schrift te helpen ontcijferen van een boekje dat ik bij hen in de
buurt gevonden had. Maar vooral herinner ik mij die middag, maanden voor
onze verhuizing, dat wij moesten helpen om de Duitse bibliotheek te
ontruimen. Voorzichtig liepen we met die oude folianten naar beneden, totdat
iemand er een liet vallen en toen nog eens een - en die waren dan kapot. Op
107
het laatst werden we zo balorig dat we ze van de trap afsmeten. In mijn
herinnering (verbeelding?) hebben we zo wel een paar kubieke meter van die
boeken de wereld uitgeholpen. Toen Rodichem in 1971 sloot, heb ik uit het
restant van de Duitse vleugel die daar aanbeland was, een paar kloeke delen,
van wel 3 kilo zwaar, gered: met van die namaak leren ruggen. Ze staan nu bij
mij thuis in de kast: de Commentaren van kardinaal Cajetanus op de Summa
van St Thomas. Die hebben wij in Rome in straf tempo moeten doornemen.
Quid dixit Cardinaal Cajetanus in de 16e eeuw over artikel-zoveel van qaestionog-meer uit de Secunda secundae van Sancti Thomae uit de 13e eeuw? Als je
daar een antwoord op wist, was je al weer een stuk dichter bij je licentiaat in
de theologie van de 20e eeuw. Maar het was in feite nog meer om iets anders,
dat ik zo graag die Cajetanus’delen mee naar huis nam. Het was omdat we zo
gelachen hadden om een parroco die in het Vaticaan gevangen was gehouden,
vanwege een kraak die hij had gezet. Hij werd bewaakt door een collegareverendo. Toen deze vroeg of de eerwaarde nog wensen had, verzocht deze
om een deel van Cajetanus, aangaande de Secunda secundae – die veruit het
dikste was. Verder nog iets? Ja, graag een glas water. Toen de cipier dat voor
hem klaarzette, had de pastoor hem met Cajetanus een dreun op zijn hoofd
gegeven – en was vervolgens door de voordeur vertrokken.
’s Zondags mochten we, als Chinese vrijwilligers, op het einde van de morgen
de rozenkrans buiten bidden , ook in de voortuin, waar die prachtige
‘boksboom’ stond, hopelijk nog staat. Dan liepen we in ganzenmars achter
elkaar over de paadjes, in vrome stilte. Opeens hoorden we vanachter de heg
een mevrouw luid roepen: Och, kijk nou eens, wat een arme schapen. Ik
snapte haar wel – maar in feite heb ik me in Ravensbos heel rijk gevoeld.
Jozef, graag tot ziens in mei.
Toon van Buren
108
Henri van de Werd
1951-1954
“Een mens”, herhaalde de worm peinzend,” nooit van gehoord. Wat is dat voor
een insect?”. “Dat is helemaal geen insect”, sprak Erik, “een mens is een
redelijk wezen, naar Gods beeld geschapen, met verstand en vrijen wil. ”Tut,
tut, wat een mond vol,” mompelde de worm, en Erik hoorde hoe hij zich
geërgerd een keer omdraaide,” de een blaast nog hoger van de toren dan de
ander, en het slot is dat ze allemaal voor de wormen zijn”.
Uit ‘Erik of het klein insectenboek’ van Godfried Bomans.
Het bovenstaande citaat dank ik in zekere zin aan Harry G.M. Prick, de
meesterlijke verteller die onze ogen opende voor literatuur, waar hij, zoals hij
zelf ooit schreef, ‘verslingerd aan was”. Ik herinner mij dat op zijn initiatief een
paar maal een klein lokaal werd ingeruimd voor het tentoonstellen van boeken
die hij van een boekhandel voor dat doel in bruikleen had ontvangen. Het was
een feest in die ruimte rond te mogen kijken.
Heel veel herinneringen komen op; proberen ze allen te beschrijven is
ondoenlijk en zou de lezer van dit stukje al gauw vervelen en verwarren. Ik
maak dus een keuze. Dat de chronologie van de impressies die ik weergeef,
juist is, is niet waarschijnlijk want de tijd haalt vaak vreemde toeren uit met ons
geheugen, en zelfs niet alléén wat de volgorde in de tijd betreft.
Bij het lezen van de herinneringen van Jo Hoen en zeker ook bij het lezen van
de namen in de klassenlijsten valt mij op hoe gebeurtenissen daar een andere
plaats in de tijd hebben dan bij mij. Soms ben je er zeker van dat iets zich toen
en daar afspeelde om later te moeten erkennen dat het toch anders was. We
kleuren onze herinneringen voortdurend anders in.
Zeker ben ik ervan, en ik kan dat bewijzen, dat ik september 1951 als
dertienjarige op het Collegium Carolinum aankwam (en niet in enig ander jaar
zoals hardnekkig blijft circuleren op de website van Ravensbos) en er tot de
zomervakantie van 1954 als klein-seminarist heb doorgebracht. De reden om er
weg te gaan was op de eerste plaats dat ik niet ongehuwd wilde blijven en
voorts de dreiging voor voortgezette studie naar Rome te zullen worden
gestuurd, waarmee de kans als missionaris te werken zo goed als verkeken zou
zijn.
Pater Rientjes uitte eens zijn frustratie over het moeten lesgeven en het niet
actief mogen zijn op een missiepost. Pater Kuilboer roerde in een les aan, dat
109
als ons geloof niet op waarheid zou berusten het kiezen voor het priesterschap
een zinloze daad was. Reden temeer voor mij om te overwegen, of ik echt wel
door wilde gaan met de opleiding.
De eerste twee weken op Ravensbosch bleef de koffer waarmee ik gekomen
was onder mijn bed staan. Op de vraag van de prefect, Uiterhoeve, of die
koffer niet naar de zolder kon waar iedereen een kast had om de spullen die hij
niet dagelijks nodig had op te slaan, antwoordde ik steeds: “Ik weet nog niet
zeker of ik wel wil blijven”. Dat schijnt nogal wat hilariteit te hebben
veroorzaakt, hoorde ik later van mijn moeder. Ja, ik wilde wel graag een held
zijn, vrij zijn en avonturen beleven maar dat was toch wat moeilijker dan ik
gedacht had.
Ja, dat verlangen om groot te zijn, een man te zijn. Met afgunst keek ik naar de
ouderejaars die een lange broek mochten dragen, voortrekker of iets van die
aard in de verkennerij waren en meer privileges hadden. Dat was vanaf de
vierde klas. Wij jongerejaars droegen allen plusfours: hoe onrechtvaardig dus
dat er op een goede dag een eerstejaars leerling arriveerde die wél meteen een
lange broek droeg. Wat niet kon met kleding, kon echter wel met roken. Op
mijn verjaardag, in oktober van mijn jaar van aankomst werd mij van thuis als
cadeau een pijp en een pak Douwe Egberts Heerenbaai gestuurd en kon ik, net
als andere veertienjarige jongetjes daar, met een ernstig gezicht op de cour pijp
roken. Mijn eerste pilsje dronk ik in Valkenburg op een dag dat wij als
verkenners de mogelijkheid hadden het schoolterrein te verlaten. Daarna
voelde je nog meer man.
Overigens was ik, zeker in die tijd, erg onzeker van mijzelf en zelfs van de
werkelijkheid van de wereld om mij heen. Dat maakt je nogal kwetsbaar en
overgevoelig voor opmerkingen van anderen. Ik heb in die tijd dan ook veel
moeten leren over mijzelf en over anderen. De drie jaar die ik heb
doorgebracht in het Collegium Carolinum zijn waarschijnlijk van betekenis
geweest voor het devies dat ik steeds heb geprobeerd te volgen en dat
ontleend is aan een uitspraak in Herodotus’ Historiёn: “ Μητε αρχειν, μητε
αρχεσθαι εθελω “ (Ik wil niet heersen, noch overheerst worden).
Van de prettige dingen van Ravensbosch herinner ik mij het dagelijks mogen
opnemen van de minimum en maximum temperaturen ten behoeve van het
KNMI. Pater Kempkes had mij daarvoor gevraagd. Het was een dankbare
gelegenheid om even alleen te zijn. De meet- instrumenten stonden achter in
de tuin in de buurt van de kruisweg, een plaats waar wij gewoonlijk niet
mochten komen. Tegenover de hoofdingang stond ook een reusachtige
‘boksboom’ waar ik een aantal malen met een vriendje zo hoog mogelijk in
geklommen ben tot waar je in de dakgoot van het kloostergebouw kon kijken.
110
Een hoogtepunt waren ook de kerkelijke feestdagen waarop je vrij had en je in
mergel kleurige figuren maakte op de weg waarover de processies gingen.
Verder waren er af en toe uitvoeringen, zoals dat van de Maastreechter Staar,
een pianoconcert door een broer van leraar Nederlands Harry Prick en
natuurlijk ook het optreden van de hypnotiseur die Albert van Dort stijf als een
plank met het hoofd op de leuning van een stoel en met de voeten op de
leuning van een andere liet liggen, hem een liedje uit zijn kindertijd liet zingen
en hem tenslotte na het geven van de opdracht die Jo Hoen al genoemd heeft,
weer wakker maakte. Ik weet nog dat voordat die voorstelling van de
hypnotiseur begon, iedereen gevraagd werd de handen met ineengestrengelde
vingers boven het hoofd te houden waarna sommigen dan hun vingers niet
meer los konden krijgen totdat de hypnotiseur een teken gegeven had. Ik was
vast besloten niet toe te staan dat iemand macht over mij zou hebben. Ja,
hypnose werkt alleen wanneer je dat zelf wilt, maar dat wilde ik dus niet. Albert
van Dort had astma en zag er breekbaar uit. Ook astma had pater Mulders die
Frans gaf en speciale astmasigaretten rookte waarvan hij de een met de ander
aanstak.
Over het dagelijks leven herinner ik mij dat we vroeg opstonden, ons wasten
boven een waskom, ons aankleedden, ochtendgymnastiek deden op de cour
onder leiding van pater Schram, daarna in rijen naar de kapel gingen voor de
ochtendmis en vervolgens naar de refter. Na het ontbijt volgde de
ochtendstudie en het klassikaal onderricht. Onderbroken door het
speelkwartier. ’s Middags opnieuw enkele uren klas, waarna om 16.00 uur een
broodmaaltijd met meestal stroop. Daarna was er vrije studie en om half acht
een avondmaaltijd met vaak een als toetje een waterige vruchtensoep. De dag
werd afgesloten met lof of vespers als ik me goed herinner. We deden ook
corvee, o.a. vegen van gangen of klaslokalen. Soms was er werk op het land,
aardappelen rooien of in de boomgaard werken.
Van de middagmaaltijden herinner ik mij de op gelijke toonhoogte vanaf de
kansel voorgedragen lezingen en het getik van bestek. Ik had uitgevonden dat
het zijn nut had een boterham van het ontbijt te bewaren voor het middagmaal
want dan kon je brood met jus eten. Nu, dat idee vond ruime navolging met als
gevolg dat de kok bij de overste ging klagen dat er zoveel jus gebruikt werd.
Toen was het gauw gedaan met dat initiatief. Van die refter herinner ik mij dat
wanneer je de refter binnenkwam, in de linkerhoek van de overliggende zijde
de kansel stond met daarnaast, onder de ramen waardoor je naar buiten keek
en waarlangs soms zwervers liepen om een maaltje te krijgen, stond de
paterstafel en haaks daarop aan de rechterkant de broederstafel. Aan de
rechterkant was ook de toegang naar de keuken waar je als je keukendienst
111
had het eten haalde dat je moest uitdelen. In de keuken was ook een
afwasmachine waar je na het eten de borden en dergelijke mocht plaatsen. De
tafels voor de leerlingen stonden in de binnenruimte van de refter. Ik meen dat
de tafels van de paters en broeders op een verhoging stonden als uitdrukking
van de gezagsverhouding, maar dat kan fantasie zijn. Ik gunde het de paters
best maar ik vond het altijd wat vreemd dat de paters het lekkerste eten
kregen, de broeders iets minder en wij het minst. Erg is dat natuurlijk niet en
het is ook allemaal wel te begrijpen, maar het was alleen zo anders dan dat ik
op grond van mijn opvoeding thuis had verwacht. Als je in de refter bediend
had, had je het geluk dat je ook van dat lekkere eten mocht genieten.
Al schrijvend zie ik steeds meer beelden terug, maar zoals ik al schreef, het is
moeilijk om ze allemaal in een zinvol verband te plaatsen. Ik wil alleen nog een
uitzondering maken voor de godsdienstlessen. Er werd een boek gebruikt met
daarin vragen over wat je als goed christen wel en niet mocht doen. De
bedoeling was ons geweten te helpen vormen. Een vraag die mij altijd is
bijgebleven was: “Als iemand duizend gulden steelt, mag je hem dan
doodschieten”. Het antwoord was nee, maar we maakten een uitzondering; als
een dief er vandoor ging met duizend gulden van een heel zielig, oud vrouwtje,
dan mocht het wel, vonden we.
Pater Rientjes stelde het erg teleur dat ik de zomervakantie van 1954 niet mee
op kamp wilde, omdat ik besloten had na de vakantie niet meer terug te
komen. Later heb ik hem nog eens terug gezien in het Missiemuseum in Bergen
Dal bij Nijmegen. Hij toonde zich erg geïnteresseerd in de cultuur Indianen
maar zelf had hij nooit Indianen ontmoet. Hij maakte een enigszins trieste
indruk op mijn vrouw en mij. De klas waar ik ingezeten had was hem
bijgebleven als een slecht jaar.
Ik kan niet zonder genegenheid en mededogen terugdenken aan al die
idealistische mensen die het allemaal zo goed bedoelden, zich zoveel
opofferingen getroostten, maar in een wereld leefden waarin al de waarden
waar zij zo stevig in geloofden, ter discussie werden gesteld.
Met belangstelling lees ik in de bijdragen aan de website Ravensbos over de
ervaringen van andere oud-seminaristen en over hoe het met hen verder is
gegaan in het leven. Daarom hierbij enige informatie over hoe het mij vergaan
is na het verblijf op Ravensbosch. In Amsterdam ben ik naar het St.
Ignatiuscollege gegaan. De overgang kostte mij een doublure van de vierde
klas. Na het eindexamen gymnasium A in 1958 moest ik in militaire dienst waar
ik in de vrije tijd een schriftelijke cursus aanvullend onderwijs volgde om in
1960 het diploma Staatsexamen gymnasium B te behalen. Ik heb altijd uit
112
Nederland weggewild met de bedoeling er nooit meer terug te komen. Ik vond
Nederland burgerlijk en bekrompen. Tijdens de schooljaren las ik alles wat ik in
de bibliotheek kon vinden over Afrika. Houtvesterij, tropische landbouw e.d.
waren de richtingen waaraan ik dacht, al werden, vreemd genoeg voor iemand
die naar de tropen wilde, ook klassieke talen, filosofie en wiskunde overwogen.
Uiteindelijk is het geneeskunde geworden. In 1970 gingen mijn vrouw en ik met
twee kinderen, meisjes van nog maar 4 en 1 jaar oud, naar Oeganda waar we
samen twee jaar voor Memisa gewerkt hebben. Mijn vrouw was zwanger van
onze zoon die enkele maanden na onze aankomst geboren werd. We zijn
uiteindelijk toch niet in Afrika gebleven maar hebben, - met uitzondering dan
van een jaar in Nigeria (1977/1978) waar ik gewerkt heb op de afdeling
neurologie van het universiteitsziekenhuis van Ibadan en waar onze jongste
dochter geboren werd - , verder altijd in Nederland gewoond. Mijn vrouw heeft
gewerkt als jeugdarts, ik als neuroloog. Onze kinderen zijn katholiek gedoopt
maar hebben geen binding meer met de katholieke kerk. We hebben inmiddels
acht kleinkinderen. Hoewel wij zelf nog elke week naar de kerk gaan en bidden
voor en na het eten, is natuurlijk ook onze kijk op godsdienst en kerk
veranderd. Of ik nu wel of niet geloof, is voor mij niet zo belangrijk, wel dat ik
me verbonden voel met mensen voor wie dat geloof een bron van hoop was en
voor wie het de zin vormde van hun leven. “Dieu ne répond pas”, schreef
Antoine de Saint-Exupéry al.
Het gevoel van het gemis van Afrika, vooral vroeger erg sterk, heb ik enigszins
kunnen verminderen door het bijhouden van het Runyankore, de taal van de
Banyankore bij wie we in Oeganda gewerkt hebben. De hang naar avontuur
heb ik kunnen bevredigen door het samen met onze oudste dochter parachute
lessen nemen bij Paraclub Icarus in Hilversum, als privé-vlieger met twee
vliegmaten van Vliegclub Flevo tochten te maken naar onder andere Finland,
Polen en Schotland en motortochten te maken met de Health Angels. Het
vliegen is inmiddels afgelopen, de motor is verkocht, beide heupen zijn
vervangen door kunstheupen. Mijn vrouw is vrijwilligster bij de Voedselbank
Zaanstad die zij heeft helpen oprichten en zelf doe ik nog wat werk voor de
afdeling neuroanatomie van de VU. Al met al mogen we zeggen dat we gelukkig
met elkaar zijn en met onze kinderen en kleinkinderen. Ben erg benieuwd naar
júllie verhalen. Tot ziens op 13 mei.
Henri van de Werd
Naschrift:
113
Als antwoord op vragen van Jo Hoen het volgende. Harry G. M. Prick is
overleden op 14 september 2006, de dag na zijn tachtigste verjaardag en
slechts enkele maanden nadat bij hem een kwaadaardige ziekte was
vastgesteld. De uitvaartmis op 20 september in de H.Matthias kerk in
Maastricht was indrukwekkend.
Toen Harry als directeur van het Letterkundig Museum in Den Haag werkte,
werden om de paar weken bij de balie enkele flessen wijn voor hem afgeleverd
door iemand die zijn naam niet wilde noemen. Steeds nieuwsgieriger wordend
kreeg Harry een medewerkster zover dat zij de gulle gever volgde en achter zijn
identiteit kwam. Het bleek Léon Janssen te zijn, groot bewonderaar van Prick,
van wie hij les had gehad op het Collegium Carolinum. Léon Janssen, directeur
van een bank, was volgens Harry een echte Bourgondiër die kon genieten van
goed eten en drinken. Harry raakte bevriend met Léon en diens vrouw Hélène.
Léon heeft de foto’s gemaakt die staan afgebeeld op blz. 653 van het eerste
deel van de door Harry Prick geschreven biografie van Lodewijk van Deyssel.
Het zijn de foto’s van het huis in Houffalize waar Van Deyssel een tijd gewoond
heeft.
In zijn antwoord op een brief van mij waarin ik hem geluk wenste met het
verschijnen van het tweede deel van de biografie van Van Deyssel en waarin ik
Léon Janssen noemde, schreef Harry dat Léon Janssen op 23 februari 1997 is
overleden, de nacht na zijn eenenzestigste verjaardag. De allerlaatste woorden
van Léon waren dat hij zeer voldaan terugblikte op de viering van zijn
verjaardag. Terstond daarna was er kwestie van hartstilstand. Het hart van
Léon functioneerde al een tijd niet voldoende, maar hij wuifde dat luchtig weg.
Hij was een enorme levensgenieter. Aldus Harry Prick.
114
Franklin Lafour
Beste Jan,
de verhalen, herinneringen, aanvullingen, loftuitingen en epistels, doen mij,
tegen mijn gewoonte in, mijn werk-discipline tegen beter weten in ,,kort''
onderbreken. Ik ben vandaag naar de praktijk gegaan, niet om patiënten te
ontvangen, maar wel om hun mails te beantwoorden, Hebreeuws te studeren
en mijn Portugees op te halen, aan mijn oratorium ,,Transfiguratie III'' te
werken en als ontspanning wat blokfluit te spelen.
Ik zal het mezelf maar vergeven, want als ik nu niet begin te schrijven hoe
Ravensbos in mij voortleeft, komt het er, denk ik, nooit meer van.
Als jongetje van zeven liep ik bijna dagelijks naar koorrepetities, missen of
lofzingen. Gietbuien, sneeuwstormen, of herfstse windvlagen, deerden me
niet. Zingen voor God, was mij alles. Mijnheer Antoni, de organist en dirigent
van de kerk De Liefde maakte me op een dag solozanger van het koor. Mijn zus
vertelde me later, dat mijn moeder haar tranen niet kon bedwingen als ik solo
zong. Ik zong een tijd in twee kerken; ook in mijn parochiekerk, Sint Augustinus,
waar ik bij Pater Smits in het koor ook solo mocht zingen.
Solozanger zou ik tot mijn zeventiende jaar blijven, zij het, die laatste jaren met
wat techniek. Het breken van mijn stem heeft toen ook mijn hart gebroken. Ik
kreeg er een redelijke bariton voor terug. Het heeft me jaren gekost om mijn
innerlijk gehoor om te stellen. Ik bleef een octaaf te hoog denken.
Mijn natuurlijke godsdienstige aanleg maakte, dat ik met vreugde aan de hand
van mijn vader naar het Benedictijnerklooster in Egmond en later naar
Oosterhout ging. Mijn vader was oblaat van de Benedictijnen..Brevierde
dagelijks en trok zich van tijd tot tijd terug in het klooster voor een kortere of
langere periode. Zo kreeg ik de Benedictijnse discipline met de paplepel
ingegoten. Van vijf uur 's morgens ( Lauden en Metten ) tot negen uur 's avonds
(completen ), volgde ik de Benedictijnse dagorde. Van Oosterhout werd het
later Mamelis. Naar Mamelis liep ik later van Ravensbos met mijn koffertje om
daar mijn korte vakanties door te brengen, als alle jongens naar huis gingen. Na
het verblijf liep ik terug naar Ravensbos, waar ik dan een halve dag te vroeg
aankwam en alleen met de verbaasde paters en broeders in de refter zat. Dat ik
in Mamelis was geweest droeg wel hun goedkeuring weg.
115
Het zal intussen duidelijk zijn, dat ik monnik wilde worden en wel in een
beschouwende orde en wel in de orde van de stichter zelf. Als kind kon ik al de
teksten in de koorboeken vinden en kende ik de Regel van Benedictus tot in de
puntjes.
In Nederland hadden en hebben de Benedictijnen geen eigen seminarie en dat
bracht mij naar Wijnandsrade. Daar zaten de vrolijke paters Franciscanen
Minderbroeders Conventuelen.
Ik was twaalf jaar en het afscheid van mijn ouders, die me daar helemaal uit
Amsterdam brachten, deed me pijn. Ook mijn moeder deed het pijn; ze werd
onwel. Maar ik wist, wat ik wilde, dus weg tranen. Zo gemakkelijk ging dat niet.
Afgezien van de steile en pijnlijke bidstoeltjes, had ik het er volledig naar mijn
zin. Ik hield van de paters en de paters mochten mij ook. Ik had er ook veel
vriendjes. We speelden in de kelder Bokkenrijders. Verder was het een
voortzetting van het Benedictijnse leven.
Ik was in de vijfde klas lagere school al psychisch ziek geworden. Zes weken lag
ik in het Emma Kinderziekenhuis met maag- en darmklachten. Ik, die altijd de
eerste of tweede van de klas was, kon opeens niet meer leren. De oorzaak lag
in familiale omstandigheden enerzijds, waar mijn geliefde zusters het huis
uitliepen vanwege mijn al te strenge vader, die de Fraters van Tilburg volgde in
de aanpak van ,,wie niet horen wil, moet voelen''. Mijn vader sloeg ons met
een ijzeren pook, met een leren riem, met zijn leren pantoffels, of met zijn
sterke boksers-handen. Ik zelf heb veel, maar toch de minste slaag van allemaal
gekregen. Ik was het zevende kind. Na mij kwamen er nog drie.
De andere oorzaak van mijn depressie en van mijn niet meer kunnen leren was
de komst van een onderwijzer uit Brabant, die ons de eerste de beste les
vertelde, dat we niets wisten en dat we totaal verkeerd onderwijs hadden
genoten. Om het te bewijzen had hij zijn zoontje meegenomen, die op alle
vragen het antwoord wist en in alle vakken uitblonk. Ik wist niets meer en leed
eronder, dat ik niet meer in mijn onderwijzers, waar ik dol op was, mocht
geloven.
Om kort te zijn, ik was vanaf de vijfde klas lagere school, psychosomatisch ziek
met huilbuien en maag- en darmklachten. Ik kon niet meer leren. Heb vier
klassen gedoubleerd. Ik kon het toen nog niet formuleren, wat er met mij aan
de hand was.
Op een dag kreeg ik te horen, dat ik niet in Wijnandsrade kon blijven.
Problemen over kostgeld. Mijn vader kreeg van Mamelis de raad om mij naar
Ravensbos te sturen. Een volgende dag bracht Pater Roosen OSB me naar
116
Ravensbos. De Mazenod had voor de OMI de regels van Benedictus
overgenomen. Collegium Carolinum. Ik was er kapot van.
Ravensbos. Een donker hol. Geen chambrettes maar slaapzalen. Pater de
Grauw was overste. Een vroom man. Was bekend als bedelaar. Wist geld bij de
rijken uit de portemonnee te praten. Had toen volgens mij geen kontakt met de
jongens. Was een overste voor de paters en broeders.
Over de jongens ging Pater Jansson. Hij mocht me niet. Vond me een ijdel
jongetje uit Amsterdam. Op een dag stond hij 's morgens naast mijn
onopgemaakt bed. Wij kwamen de slaapzaal binnen om onze bedden op te
maken. Ik zag hem daar staan. Ik wist het meteen. Ik had al een paar maal
gebiecht, met het aantal keren erbij, dat ik mezelf bevredigd had. Pater Jansson
controleerde nou, of mijn lakens ervan konden getuigen. Geen sjoege geven.
Onder zijn spiedend oog gewoon het bed opmaken. De dekens die
teruggeslagen waren aan het voeteneind, sloeg ik terug. Ik moest ze goed aan
beide kanten instoppen, zei hij.
Ik had tijdens de studie in het boek XIJZ der Muziek zitten lezen. Mijn
lievelingsboek, dat ik van mijn spaarcenten gekocht had. Ik las over barok
muziek. Ik speelde blokfluit. Ik las wel vaker tijdens de studietijd in XIJZ. Pater
Jansson liep dan rond om te surveilleren. Een volgende dag, wilde ik weer in
XIJZ tijdens de studie lezen, maar mijn boek was pleite. Wie had het gegapt.
Zou Wim Bovy het gegapt hebben? Hij speelde orgel en had mij het boek eens
te leen gevraagd. Ik stapte verontwaardigd naar Pater Jansson: ,, iemand heeft
mijn boek gejat''. Een gemeen lachje:,,hoe durfde ik dat denken''.
Ik was mijn boek voor goed kwijt.
Mijn vader was voor een gesprek op school geweest. Het werd mij naderhand
medegedeeld. Ik had hem niet te zien gekregen. Pater Jansson vond hem zo
een ,,heilig man''. Ik had net een brief van mijn moeder gelezen, waarin ze
schreef, dat mijn vader mijn zus geslagen had en dat ze uit huis was
weggelopen. Dus ik reageerde, dat mijn vader ons thuis sloeg. ,,Hoe durfde ik
zo iets over mijn vader beweren!'' Einde verhaal.
De enige troost waren de muzikale uurtjes van Pater Voogd, de kleine magere,
afgezien van zijn buikje. In mijn herinnering was het Zondags, dat hij de
langspeelplaten klassieke meesterwerken van inleiding voorzag en na een
zorgvuldig afstoffen op de draaitafel legde en ons liet luisteren. Niet iedereen
117
had er oren naar en soms liet men dat ook merken. Dan keek Pater Voogd in
die richting en zei dan niets, of uitte een zacht afkeurend ts.
Pater Voogd en Pater Uitterhoeve waren vrienden. Ze waren beide klein en
mager, maar Pater Uitterhoeve had geen buikje. Ik weet nog, dat een broer van
Pater Uitterhoeve, een missionaris(?), overleden was en op het kerkhof van
Ravensbos begraven werd. Het was ijzig koud, de wind gierde om de oren.
Pater Uitterhoeve was diep bedroefd en kon zijn tranen niet bedwingen. Pater
Voogd sloeg zijn arm over zijn schouders. Ik zie ze nog samen het kerkhof
verlaten. Pater Uitterhoeve zou ik in 1972 in Coronie terugzien, waar hij mij
gelukkig en trots zijn kerk en missiegebied liet zien. De Zeeuw sprak een aardig
mondje Surinaams. Toen ik op Ravensbos kwam, gaf hij Latijn, als ik me niet
vergis. De reuzel voor onze brood-maaltijden, noemde hij altijd ,,stroopievet''.
Hij had gelijk, want we aten voornamelijk stroop op onze boterham. Volgens
mij zelfs op of onder een snee kaas.
Ik heb op Ravensbos vlees leren eten. Door armoede aten we thuis nooit of
zelden, bij kerkelijke hoogtijdagen, vlees. Spek, een vette plak spek, nasmorend vet spek, bij de warme, of moet ik zeggen arme maaltijd. Met jus
erover. In de hogere klassen zou ik met afschuw moeten zien, hoe een varken
in doodsangst gedood en geslacht werd. Broeder smid, ik weet zijn naam niet
meer, zette een pin op zijn kop tussen zijn ogen. Het dier moest stilstaan, maar
deed dat in zijn zenuwen niet. De veer was afgegaan, maar miste.. Het arme
dier worstelde met de pijn en probeerde radeloos te ontkomen, maar was
vastgebonden aan zijn poot. Het viel, struikelde, stond weer op, schuurde over
het beton, vechtend voor zijn leven. De broeder dood-nerveus, zwetend van de
zenuwen, deed een tweede verwoede poging om snel het dier uit zijn lijden te
verlossen. Het lukte. De hals werd doorgesneden, bloed werd opgevangen. Het
dier werd opengesneden, darmen en ingewanden werden eruit gehaald en
opgehangen aan ijzeren stangen. In mijn verbeelding leek het net een mens die
daar hing.
Ik kwam uit de stad. Ik heb boerenjongens gruwelijke dingen zien doen. Kikkers
met een rietje opblazen, vogeltjes in een keer de kop afbijten.
Als je over Ravensbos schrijft, verval je in associaties. Beelden en belevingen
komen met emoties en al weer terug.
Ik moet stoppen. Ga morgen wel verder. Kan ik er een nachtje over slapen om
er lijn in te brengen.
118
Ik weet niet of ik er goed aan doe, maar na het terug lezen, voelde ik, dat ik
moet verder schrijven, anders, ben ik bang, zal ik morgen alles uitvegen en
overgaan tot mijn gewone taken.
De verkennerij was volgens mij verplicht. Hoe was ik anders bij de verkennerij
gekomen. Ik had een afkeer van wat ook maar naar militaire orde zweemde.
Uniform, salueren, eden afleggen, kampen opslaan, spoorzoeken, knopen
leggen en wat dies meer zij. Dus ik was bij de verkennerij. Ik had al vroeg
geleerd te gehoorzamen en te voldoen. Ik zou er het beste van maken.
Ik had een vriend gevonden in Renee Geerdink. Ik kon goed met hem
opschieten. We hadden jongensachtige gesprekken, spraken over onze kleine
probleempjes, spraken elkaar moed in en ik vond, dat hij alles zo mooi kon
weglachen. Hij was ook bij de verkennerij. Op het kamp in de heerlijkheid
Ossendrecht, sliepen we naast elkaar in de tent. We deden gewoon met alles
mee. Koken, afwassen, spoorzoeken, al die dingen die verkenners plegen te
doen. Het was zeker niet zo, dat we alleen maar met elkaar omgingen. Nee, we
gingen met iedereen om.
Terug op Ravensbos, was er iets mysterieus aan de hand. De een na de ander
moest bij Pater Rientjes komen. Niemand vertelde, waarover gesproken werd.
Er werd wat zenuwachtig gelachen, of onze vragen werden met bravoure
weggewimpeld. Dat verhoogde de spanning. Op een avond werd ik ook
geroepen om naar de geheimzinnige kamer te komen. Het rook er naar astmasigaretten en pijptabak. Pater Rientjes zat in een ruime stoel links van de deur.
Ik stond er naast. Hij stelde ongevaarlijke vragen over het kamp in Ossendrecht,
die ik ook ongevaarlijk beantwoordde, mij zelf intussen afvragend, waar wil hij
naartoe. Op zeker ogenblik trok hij mij op zijn knie en sloeg een arm om mij
heen. Ik wist, nu gaat het komen. En ja hoor. Of ik een speciale vriendschap
had? Hij zei niet met wie. Ik gaf aan dat Renee gewoon mijn vriend was en ging
uit eigen beweging weer naast hem staan. En was er in de tent niets gebeurd?
We hebben met elkaar gebabbeld, verder niets. Ik mocht zijn kamer verlaten. Ik
mocht niets zeggen van het gesprek.
Niets mogen zeggen, heb ik in mijn laatste jaar weer meegemaakt. Maar eerst
een andere ervaring.
Om aan te sterken na de oorlog, mochten kinderen van ambtenaren naar de
boeren om aan te sterken. Mijn vader werkte bij de post en dus mochten mijn
broer Shelton en ik naar Friesland. Friesland was voor mij, een jongetje van vijf,
zo iets als een reis naar de Filipijnen.
119
Met de boot over de toenmalige Zuiderzee. Ik denk van het IJ in Amsterdam
naar Harlingen. We zaten in het ruim van de veerboot op houten banken.
Mensen met dekens om zich heen geslagen. Mijn ouders zaten ook in het ruim,
wat mij een veilig gevoel gaf. Ik keek de hele reis geobsedeerd door de
patrijspoort. Alleen als ik chocolademelk of een eierkoek kreeg, verliet ik mijn
vaste uitkijkpost. In Harlingen aangekomen, begon de avond te vallen. We
reden met de LABO-bus naar Marssum. Uit de bus zag ik hoge bomen in lange
rijen langs de rijweg staan en hun kruinen overkoepelden de weg. We werden
stil, maar allerhartelijkst ontvangen in de ,,upkaemer" en ik keek door het grote
raam en zag in de schemer koeien. Mem drukte me tegen haar boezem en
kuste me welterusten. Ik luisterde in bed naar het tikken van de staande klok
en het snurken van Beppe, de moeder van Mem. De volgende morgen aan het
ontbijt ontmoette ik de zoon, Thijs, en de jongste dochter Hannie. We namen
afscheid van onze ouders. Shelton, mijn grote broer was er, en hij vond het
allemaal goed. Dus vond ik het ook goed. Anneke, een oudere dochter, kwam
met har man, Anne (spreek uit Aonne en flink nasaal ).Ik zou later bij hen thuis
de vakantie doorbrengen, zij hadden kinderen van mijn leeftijd en jonger. Ze
waren communist, maar ik mocht vrij over God praten en naar de kerk gaan.
Vanuit Ravensbos schreef ik de familie brieven.
Op zekere dag moest ik bij Pater Kusters komen. Wie waren die mensen en
waren ze wel katholiek. Nee, ze waren communist, maar lieten mij vrij. En had
ik wat met de oudste dochter, die van mijn leeftijd. Ik beschouw haar als mijn
zusje. Het zou beter zijn als ik die relatie verbrak. Die hele familie was zo goed
voor mij geweest; Mem en Heit waren als een vader en een moeder voor mij.
Anne en Anneke hadden mij overgenomen, omdat ze kinderen hadden. Ik was
er kind aan huis. Als ik naar het noviciaat wilde, zou ik met die heidenen
voorzichtig moeten zijn en beter geen brieven meer schrijven.
Dat bleef ik toch doen. Mijn brieven werden gelezen.
Toen Anneke jaren later op haar ziekbed lag en ik haar bezocht, staarde ze naar
een roos voor haar raam en zei: ,,als God is als die roos, wil ik wel in Hem
geloven ".
Over niets mogen zeggen, zoals ik beloofd heb, de volgende gebeurtenis.
Na jaren te mogen uithuilen bij Pater Martin Schram, wat een lieve man, stapte
ik over naar Pater Palm. Hij werd mijn geestelijke leider en biechtvader.
Naar aanleiding van die geschiedenis met de brieven, was ik beginnen na te
denken, wat ik eigenlijk wilde. Ik had twee voordracht-wedstrijden gewonnen,
de vier studenten van de eindexamen klas van de Toneelacademie waren naar
een toneelstuk komen kijken, waarin ik speelde en vonden, dat ik talent had. Ik
was achter op de motor met pater Palm naar een amateurtoneel-cursus in
120
Bussum bij mijnheer Anton Zweers geweest. Ook mijnheer Zweers pikte mij
eruit. Niet dat ik naast mijn schoenen ging lopen, maar het zette me wel aan
het denken.
Ik vertelde mijn twijfel aan Pater Palm. Ja, Franklin, dat kan ik me wel
voorstellen. Na iets van twee weken vertelde ik hem mijn besluit. Ik wilde
acteur worden. Hij gaf mij alle vertrouwen. Hij zou het voorzichtig aankaarten
bij de overste, Pater Kusters. Ik mocht mijn jaar afmaken, mits ik met niemand
over mijn besluit zou praten. Dat heb ik wijselijk ook niet gedaan. Alles kon
gewoon doorgaan. Zelfs mijn klasgenoot en vriend Ben Tames heb ik niets
verteld, evenmin aan mijn klasgenoten, Siem van Schagen en Jan Hooiveld.
Van Pater Palm vernam ik, hoe ik gewoon op de dag van mijn vertrek naar de
les moest gaan en zogenaamd naar het toilet moest gaan, mijn koffertje
ingepakt klaar moest hebben staan, kort bij Pater overste langs gaan en een
auto, zou me wegbrengen naar Maastricht.
De dag voor mijn vertrek, kreeg ik mijn rapport van Pater Bauhaus, dat moest
gelden als een getuigschrift, dat ik mijn scholing tot de vijfde klas gehaald had.
In de middagpauze mocht ik mijn toog passen voor het noviciaat. Broeder van
der Heide had mijn toog geheel op maat gemaakt. Broeder van Kempen en de
andere broeders jubelden hoe mooi de toog mij stond. Ik lachte wat.
De volgende dag was de vogel gevlogen. Pater Overste vond, dat er een nieuwe
Don Bosco in mij verloren ging. Pater Tielemans stond met de auto klaar en
zette mij bij de Jan van Eijck Academie af, waar ik me moest aanmelden op het
secretariaat voor het toelatingsexamen van de Toneel Academie. De volgende
vier jaar zat ik op de Toneel Academie. Het begin van mijn genezing.
Mijn uiteindelijke genezing was in Amerika, waarvoor ik in 1969 een
Rijksstudiebeurs voor theater kreeg.
Dit heb ik spontaan geschreven en ik ben me bewust, dat het de indruk geeft,
dat ik ongelukkig geweest ben in Ravensbos. Het tegendeel is waar. Ieder die
mij indertijd gekend heeft, weet wel van mijn vrolijke kant, van mijn
initiatieven, organisatievermogen, sportiviteit, artisticiteit, dus daar over hoef
ik niet schrijven.
Ik groet allen
Franklin
121
122
Gijs Okhuijsen O.M.I
VAN ONBESPROKEN GEDRAG
Door ziekte aan huis gebonden had ik alle tijd om alle berichtgeving over onze
RK kerk intens te volgen. Ik voelde een diepe gêne over wat in de kerk
gebeurde en nog gebeurt.
Je droomt weg over je eigen seminarietijd. In alle oprechtheid kan ik zeggen dat
ik daar niets heb gemerkt van seksueel misbruik, wat nu in de publiciteit naar
boven komt. Ik heb er een mooie tijd gehad.
Met Hemelvaart is er dit jaar een reünie van oud-studenten van het vroegere
klein-seminarie Ravensbos in Valkenburg (L.). Rond de zeventig oud-studenten
hebben zich gemeld om hun herinneringen uit die tijd op te halen. In de
aanloop worden herinneringen naar elkaar gestuurd. Een drietal reacties
reageren op de recente publiciteit rond sexueel misbruik in internaten en
zeggen : “Àls het al zou gebeurd zijn – wij hebben er niets van gemerkt”.
Àls . . . misschien dat er best iets gebeurd kan zijn . . . maar dan is het
‘onbesproken’ gebleven.
ONBESPROKEN GEDRAG
Daar droomde ik dezer dagen veel over weg.
De term wordt meestal gebruikt voor onberispelijk gedrag ‘waar nooit iets op
aan ge- merkt is’. Maar het is óók gedrag ‘waarover niet gesproken is’.
Wat wij van elkaar zien, is gedrag. Wij ‘gedragen’ ons. Het is onze buitenkant,
dat wat wij doen. Maar onder die buitenkant zit, een laag dieper, de
binnenkant. Daar leven wij echt . Daar gaat het om gevoelens : blijdschap in
momenten die ons gelukkig maken, onrust en spijt als we mensen pijn hebben
gedaan. Misschien zaken waar we niet zo trots op zijn. “het hart kent zijn
gevoelens die het verstand niet kent”
Niet alleen ons gedrag maar ook deze diepere laag vraagt volgens mij om
bespreekbaarheid. Hoe ga je om met (soms verwarrende) gevoelens? Wat doe
je ermee?
Dat kun je alleen met iemand bespreken die je echt vertrouwt, met wie je kunt
delen wat er in je omgaat. Je moet weten dat je bij die ander veilig bent en dat
hij of zij je ook tegenspel geeft !
123
Over die diepere laag te kunnen spreken, is een grote weldaad. Ik zou het zelfs
genade willen noemen.
In mijn eigen leven heb ik dat mogen ervaren tijdens mijn sabbatjaar in 1981 in
Canada. Met zestien mensen uit vier landen waren we een jaar samen rond een
programma dat gericht was op spiritualiteit. Wij zochten allen een nieuwe
impuls voor ons geestelijk leven. Het overkwam mij tijdens dat jaar dat ik
verliefd werd op een medestudente. Verwarring! Daar was ik immers niet voor
gekomen!
BESPREEKBAAR MAKEN
Gelukkig kon ik mijn gevoelens delen met mijn geestelijk leidsman in wie ik veel
vertrouwen had en met wie ik iedere week alles kon delen wat er in de ’diepere
laag‘ aan de orde was . Door zijn open en wijze reactie leerde ik zien wat me
overkwam. Het werd bespreekbaar zonder restricties mijnerzijds. Ik leerde nog
beter met mijn gevoelens om te gaan en ook opnieuw te kiezen. Beiden kozen
wij opnieuw voor ons religieuze leven.
Dat resulteerde in een kostbare vriendschap en heeft zeker bijgedragen tot een
meer volwassen omgaan met diep menselijke gevoelens als intimiteit en
seksualiteit. In dat verband zijn mij de woorden van de priester-socioloog
Greeley bijgebleven die stelde dat: “mensen respect hebben voor priesters die
óók een goede echtgenoot of vader zouden kunnen zijn maar die ervoor kiezen
om toch als pastor in lief en leed met mensen mee te leven en hun eigen
geloven te delen”. Misschien had veel ellende voorkomen kunnen worden of
bijgestuurd als er een klimaat was geweest waar in mensen wel bespreekbaar
hadden gemaakt wat er in hen omging.
Wat een geluk dat ik, wat mij overkwam, kon delen met mijn geestelijk
leidsman en een aantal goede vrienden. Dat is een zegen geweest. Want niets
menselijks is ook pastores vreemd. Bij alles wat ik in deze weken lees en
bemediteer, komt sterk naar boven dat men in opleidingen en begeleiding tot
religieus leven en celibaat schromelijk tekort geschoten is juist in het delen van
diepere gevoelens – in dat wat echt in mensen omgaat.
Het besef van de noodzaak hiervan wàs er wel. Toen ik nog maar net gewijd
was in 1964, kwam er een notitie uit van de Franciscanen : ’ook religieuzen
moesten zorgen voor een klimaat waarin ruimte is voor affectiviteit,
emotionaliteit en een zekere intimiteit willen zij als celibatair kunnen leven op
een gezonde manier ‘
124
Ik ben dankbaar voor alle goede vrienden die er op hun manier voor mij waren
en nog zijn: voor collega’s van buiten en nadrukkelijk ook binnen de regio
waarin wij werken.
Maar hoe belangrijk is het niet voor iedere mens om te zoeken naar mensen bij
wie je je veilig weet en met wie je kunt bespreken wat er echt in je omgaat, die
ook met respect naar je luisteren en bij wie het veilig is. De
geloofsgemeenschap is op deze wijze nog steeds een plek van
gewetensvorming. Daar heb je anderen bij nodig en liefst ook mensen met wie
je je eigen geloof deelt en die je helpen om uiteindelijk ‘recht voor God te
staan’.
Als ‘onbesproken’ gedrag op die manier besproken is dat een groot goed.
En daarmee is het ook een voorwaarde voor wat wij doorgaans onbesproken
onberispelijk gedrag noemen. Want dan kunnen we elkaar erop aanspreken en
samen wijzer worden.
Tenslotte blijft er toch voor ieder van ons een laatste moment van
eenzaamheid waar ieder alleen voor God staat. Alleen ‘Hij weet alles’ en ik
reken er op dat hij vol begrip en liefde naar ons kijkt.
Pastor Gijs Okhuijsen
125
126
Kees Braat
Ravensbos 1958-1961.
Beste Peter van Velzen,
Ik zat wat te surfen op het net en bij toeval zag ik "Ravensbos" staan. Klikte het
aan en een wereld van herinneringen gingen weer voor mij hopen.
O, ja, Ik ben Kees Braat en kwam op Ravensbos in 1958. Ik denk dat ik de
leerling was die het verste van alle leerlingen naar Ravensbos kwam. Mijn
ouders waren in 1953 geëmigreerd naar Zuid-West-Afrika en ik kwam daar als
jongen van 8 aan. Wij waren een van de weinige katholieke families daar, dus
kwamen wij regelmatig met de Hollandse paters die in Zuid-west-Afrika
werkzaam waren in aanraking. Elke keer als zij in Windhoek waren kwamen ze
wel bij ons langs.
Pater Schram, Pater Mensink, Pater Lam en andere paters wier naam ik me niet
meer kan herinneringen. Ook ben ik als jonge jongen op de missieposten van
met name Pater Schram en Mensink geweest in Ovamboland. Het werk van
de paters maakte op mij een geweldige indruk en als jongen van 11 besloot ik
dat ik ook missionaris wilde worden. De paters in Zuid-West-Afrika regelde dat
wel voor mij dat ik naar Ravensbos kon gaan. Ik was toen als kind aan huis bij
de vicaris en de paters die in Windhoek waren. Het waren Duitse paters van de
Oblaten en die zagen het ook wel zitten. Achteraf waanzinnig, want ik sprak
beter Afrikaans en Engels dan nederlands en met de nederlandse grammatica
was het droevig gestemd. Maar ja voor het vicariaat was het een prestigeobject (hoor ik later) dat ik als eerste roeping uit Zuid-West-afrika een
priesteropleiding in Europa kon gaan volgen.
En daar kwam ik dus aan in september 1985 op Ravensbos. Een grotere wereld
van verschil kan je niet voorstellen. Ik was gewend aan de open ruimtes in
Afrika, de natuur (wij woonden aan de rand van Windhoek en de bavianen
kwamen snachts in onze tuin water drinken)en daar kwam ik dan aan in de
keurslijf van Ravensbos. Ik heb wat afgehuild in de eerste dagen en wilde wel
terugkruipen.
Maar als kind ( want dat was ik nog) kan je heel flexibel zijn en ik paste me zo
goed en zo kwaad aan. Op school in Afrika was een engelse dicipline, dus dat
het streng was op Ravensbos daar had ik geen moeite mee.
127
Maar dat Nederlands. Wat heb ik zitten zweten en zwoegen op die taal.
Afrikaans was zo makkelijk en nederlands was een vreemde taal voor mij. Ik
sprak het en kon het goed lezen, maar grammaticaal was het een puinhoop.
Toen besefte ik het niet, maar opvang en begeleiding was er weinig. De paters
deden hun best, maar wat moesten ze met een vreemde snuiter die gewend
was om afrikaans te praten en zoveel van de natuur en ruimtes hield.
Wat me wel altijd is bijgebleven: de wijze lessen van pater Lempens, die mij
vrijwel als enige begeleidde en inzag dat het met mij wat een priester-opleiding
in Nederland betrof, niks zou worden. Het werd dan ook niks. Later hoorde ik
dat er een competentiestrijd was tussen Ravensbos en Windhoek. Ravensbos
zag wel in dat ik daar niet thuis hoorde op een Internaat in nederland en
Windhoek die hun plannen dan in duigen zag vallen. Maar toen had ik er geen
weet van.
Maar het was niet altijd kommer en kwel daar. Voetballen op het veldje,
prachtige wandelingen naar Valkenburg en omstreken. Met het Gilde,
Sinterklaas en niet te vergeten Carnaval. Deze activiteiten zijn mij altijd
bijgebleven.
Ik heb dan ook gemengde gevoelen over mijn verblijf op Ravensbos. Het heeft
me geleerd om me aan passen aan omstandigheden en hoe raar het ook klinkt,
voor jezelf op te komen.
In 1961 was het duidelijk dat ik het niet redde en ging ik naar Sevenum voor de
broederopleiding, want ik wilde toch als missionaris terug naar Afrika. Daar heb
ik de fijnste tijd in Nederland beleefd. Het was open, met veel ruimte,
moderner en de paters en broeders waren niet zo streng en men ging open
met elkaar om. Ik werkte eerst in de keuken van het klooster en daarna kreeg ik
een koksopleiding in het ziekenhuis van Horst. Elke dag op de fiets naar Horst,
maar ik vond dat prachtig. Fietsen in de vrije natuur die de Peel toen was. Ik
heb dan ook alleen maar fijne herinneringen aan Sevenum.
Maar mijn heimwee naar Afrika was groot en toen ik twijfelde aan mij
"roeping", ik was intussen bijna 18, was er voor mijn geen reden om langer in
Nederland te blijven.
In 1963 ben ik dus teruggegaan naar Windhoek en ben een andere richting
ingegaan. Ik ging werken bij een krantenbedrijf in Windhoek en kreeg een
128
gedegen grafische opleiding. Afrikaanstalig was de krant, maar wij hadden
contacten met de engelstalige en duitstalige kranten van Windhoek.
Na 5 jaar werd mijn vader ziek en moest noodgedwongen naar Nederland
terug. Zes maanden later kwam ik hem achterna, want ik zag dat Afrika aan het
veranderen was en dat een onzekere toekomst voor mij in Namibië in het
verschiet lag.
Kwam dus 1n 1968 terug in Nederland, waar ik dan ook in dienst moest. Kreeg
een ongeluk in dienst (kanon sprong uit elkaar)en daardoor kon ik op de
Staatsdrukkerij een baan vinden.
Parlementair drukwerk deed ik, moties, handelingen en alles wat de Tweede
Kamer aan drukwerk nodig had.
Toen het loodtijdperk voor de grafici afgelopen was ben ik terecht gekomen bij
Geheim en Waardedrukwerk. Paspoorten, rijbewijzen en examenopgaven was
mijn werk. Nu werk ik bij Enschede/Sdu, een volle dochter van de Sdu
(vroegere staatsdrukkerij) in Haarlem en houdt mij vrijwel alleen bezig met het
nieuwe paspoort, nieuwe rijbewijs en uiteraard ook het verzorgen van de
examenopgave VMBO, Havo en VWO.
Mijn verblijf op Ravensbos is mij altijd bijgebleven. Soms was het zwaar,
maar soms was het ook een prettige tijd.
Kees Braat
129
130
Jan Sterenborg
1960-1964
Versie:7-8-2003 10:20
Flarden… herinneringen aan Ravensbosch door Jan Sterenborg 1960-1964
Flard: afgescheurde lap, rafelige strook… een flarde een slonzige vrouw, slons
De raaf staat voor magie; creativiteit; transformatie; schepping; balans;
dualiteit; verbondenheid met de mens.
Voor de indianen van de Noordwestkust van Noord-Amerika was en is de raaf
het belangrijkste schepsel. Het was raaf; de gedaanteverwisselaar; de culturele
held; de misleider die de wereld creëerde. Hij bracht de mensen op de aarde en
gaf hen vuur en water. Hij verdeelde de rivieren, meren en cederbossen over
het land en plaatste de zon, maan en sterren in de hemel, vis in de zee, zalm in
de rivier en voedsel op het land. In het bezit van magie en bovennatuurlijke
krachten, kon raaf zichzelf op elk moment in alles veranderen.
Raaf wordt nog steeds geëerd in kunst op bijvoorbeeld de totempalen van de
Haida stammen.
De Kelten meende dat de raaf profetische gaven had en hij verschijnt in de
gedaante van Badhbh, de raaf van de strijd en als Morigan, de oorlogsgodin.
Volgens de Scandinavische overlevering had de Noorse God Odin twee raven
als zijn boodschappers; Hugin (Kennis) en Mugin (Geheugen). Aldus mag de
raaf gelden als boodschapper van het grote geestelijke rijk.
Bij de Grieken was de raaf de waakzame boodschapper en profeet. Hij
voorspelde de dood van Plato en Cicero
Flarden..wat in me opkomt schrijf ik op en werk ik later uit..dit stuk is dus niet
van boven naar beneden ontstaan zo gauw ik me weer iets herinner of zich een
thema aandient duik ik erin en probeer het zo goed mogelijk uit te werken. Heb
niet de illusie volledig te zijn of het voor anderen te weten…probeer mijn
ervaringen van na Ravensbosch te koppelen aan de beleving van de tijd op
Ravensbosch… alleen maar herinneringen zijn voor mij op dit moment niet
genoeg… het zou een te romantisch beeld oproepen en dat zou ik jammer
vinden want voor mij heeft Ravensbosch een bijzondere waarde en deze
waarde moet, ook al zou het hele gebouw afgebroken worden wat jammer zou
zijn, bewaard blijven als een lichtende ster…. aan de glans van die ster, die ook
straalt in de toekomst daar wil ik aan meewerken. Gelukkig zijn er de twee
131
web-site's van Willem Reijnders en Peter van Velzen waardoor fouten in mijn
geheugen bijgeschaafd kunnen worden…ben hun innig dankbaar voor het
geleverde werk. Verder ontstaan er steeds meer contacten waardoor
aanvullingen en correcties kunnen op treden . Mijn geheugen is ontoereikend,
namen gezichten situaties die ik vergeten ben of liever gezegd, die nog niet
boven zijn komen drijven, want in feite kun je niets vergeten het zit ergens,
alleen je kunt er nog niet bijkomen of je wilt er nog niet bijkomen omdat het
teveel emoties oproept.
Bennie Heller tafeltennis Emmen grote vriend… maatje in het spel ik weet niet
wanneer het startte tussen ons maar een hele periode zeer intensief met
elkaar opgetrokken en met name herinner ik mij het tafeltennissen..eindeloos…
iedere vrije minuut rende wij naar dat gebouwtje achter het basketbalveld en
daar stonden een stuk of 4 a 5 tafeltennis tafels (wat een luxe toch) en 2
voetbalkasten je weet wel met die stangen met voetballertjes erop… balletje
erin en dan met zijn tweeën of vieren een wedstrijd houden ook een hele
periode gedaan… Leo Fober was er erg goed in herinner ik me nu
ineens…knallen van achteruit in een keer het doel in…. je moest wel heel
soepele polsen hebben….maar goed wat wil ik nu duidelijk krijgen….het was
een heerlijk gebeuren want in je eentje tafeltennissen is natuurlijk ook maar
niks..je deed iets samen je overlegde..besprak je eigen probleempjes….je was
niet meer gevangen in jezelf…ook al waren wij in den beginne met zo'n 150
jongens 30? broeders en 40? paters Toch kun je je in zo'n gebeuren behoorlijk
eenzaam voelen… niet dat dat dan aan dat gebeuren ligt maar een mens is vaak
zelf niet, en ik toen zeker niet, in staat naar buiten te treden en wezenlijk
contact te leggen….nu 40 jaar later had ik op een gegeven moment een maatje
in het werk…. ik werkte in een theatertje en in het begin was er genoeg te doen
vooral puinruimen…dit is ook zoiets niemand schijnt tegenwoordig nog te
kunnen of willen opruimen…hercules arbeid overal waar ik kwam het eerste
wat er lag was opruimen…nou ja misschien kom ik hier later nog op terug….er
was genoeg te doen ook op kantoor de verschillende systemen waren niet op
elkaar afgesteld pas een nieuwe website een nieuw kassaprogramma allemaal
uitdagingen….na 6 maanden liep alles op rolletjes en ik had zelf het gevoel wat
doe ik hier nog? Vreselijk, maar ja wat moet je in deze tijd..je hebt geld nodig
om te leven..toch?..het tijdperk van kijk naar de vogels in de lucht ..is allang
voorbij? Voor mij nog niet helemaal al moet ik zeggen, dat het steeds zwaarder
wordt…. ben nu 54 en heb altijd kunnen leven…niet in grote luxe..maar wel in
grote rijkdom als je begrijpt wat ik bedoel…..kom ik hier nog uit?....Peter van
Velzen had het over een virus waarmee je nu besmet bent…ik geloof dat hij
gelijk heeft…..gelukkig had mijn baas nog een bedrijf en nog meer puinhopen
132
maar daar lagen weer nieuwe uitdagingen en daar trof ik mijn maatje in het
werk…. niet meteen maar na verloop van tijd zagen we elkaars capaciteiten en
wonder o wonder het ging lopen als een trein….. de onmogelijkste klussen
konden wij samen klaren de ene verbouwing was nog niet klaar of de volgende
diende zich al weer aan…heerlijk en zou dit niet meer de betekenis zijn van…
het gaat en vermenigvuldigt U? of van het Gestaltprincipe…. het geheel is meer
dan de som der delen? Door echte samenwerking ontstaat er iets, dat niet uit
de afzonderlijke delen te begrijpen of te verklaren is…zelfs het werk waar ik
voor aangenomen was liep gewoon door deed ik er tussendoor…dit was wel
niet hoogverheven werk maar de gewone dingen zoals wc's bijhouden,
reserveringen boeken, website beheer, kassadienst prullenbakken legen
etc….maar dat komt gewoon als je dingen doet die bij je horen waar je zin in
hebt en nog een maatje ook dan kun je bergen verzetten en dat maatje
herinnert mij aan de tekst…. en Hij zond ze uit twee aan twee…niet dat ik nu zo
bijbelvast ben of zo maar bepaalde teksten duiken toch op de wonderlijkste
momenten op…een mens is toch ook niet geboren om alles maar alleen te
doen…dat wil overigens niet zeggen dat je niet heel veel wel alleen moet doen
en ook niet dat iedere combinatie van twee mensen goud oplevert integendeel
vaak meer ellende dan maar langs elkaar heen werken…..wat gebeurt er
nu…alles loopt mi. zeer naar wens…. ik denk zo kan ik het wel volhouden… nee
zegt mijn baas terug in je hok! figuurlijk dan….. terug in mijn hok? Terug naar
het zinloze bestaan zeker nog meer prullenbakken legen in mijn eentje….aan
mijn hoela geen maatje meer…dag baas…je ruimt je eigen rotzooi in het vervolg
maar zelf op….arbeidsvreugde wat een woord van een boer geleerd hij had het
over arbeidsvreugde! Moet even stoppen want anders loopt de harde schijf
vol……..nog even dit en voltrekt zich hier nu niet een andersoortige beweging
dit in tegenstelling tot de vermenigvuldiging…. de baas haalt iets uit elkaar wat
heel goed bij elkaar past… gij zult niet scheiden(delen) wat Ik verbonden
heb?..en probeert het in hokjes te douwen zodat hij er voor zijn gevoel weer
meer greep op heeft…zodat hij de inhoud van die hokjes beter kan
manipuleren (manus) naar zijn hand kan zetten…het verlies van een maatje is
een ernstig iets…zo ook met mijn maatje in het spel Bennie Heller voor mijn
gevoel toen niet goed afscheid kunnen nemen……het verschil van nu met toen
is dat ik mijn werkmaatje nog regelmatig zie en spreek of via e-mail of dat we
bij elkaar langsgaan…we hebben het erover…..groot verschil
Beeld:…moest even naar het arbeidsbureau oftewel het Centrum voor Werk en
Inkomen(CWI)..bij het verlaten van dit bureau staat er een hele file
wachtenden voor de receptie balie met daarachter op een verhoging! één
medewerkster… verder 10 tallen werkzoekenden achter schermen op zoek
133
naar werk……nou ja…wat moet ik er verder nog van zeggen? En dan hebben ze
het over samen-leving maat-schappij gem-een-schap
loze begrippen zijn het geworden hoezo loos? omdat wat ik op Ravensbosch
heb meegekregen aan gemeenschapszin nergens meer terug te vinden is… tot
nog toe tenminste… laat ik mezelf nog een kans geven….ik merk dat het toch
ook een zekere boosheid in me oproept…..of zou ik in therapie moeten?
Johan Meenhuis uit Twente zeer gedegen kon je op bouwen ook een goede
voetballer Hengelo vader was aannemer later afgestudeerd psycholoog(?)
getrouwd door pater Cartens….ook een soort oudere broer voor mij hielp met
huiswerk maken was heel serieus, zei niet veel, werkte zelf heel hard, maar als
je een beroep op hem deed dan was hij er…nu ben ik thuis opgegroeid met 5
zussen….. broers had ik niet maar die kreeg ik toen ik op Ravensbosch kwam
een voor mij zeer verrijkend gevoel.
Jan Wieman toffe gozer werd weggestuurd wegens roken op toilet van de
slaapzaal samen met een kleine Limburger Mathieu Tjeu?....Deze situatie
vraagt om een nadere uitwerking, omdat hij toch wel traumatisch was….hoe
zat eea. voor mij in elkaar… twee jongens, die je al een behoorlijke tijd kent de
een beter dan de ander… met Jan Wieman toch veel opgetrokken was een
soort goedmoedige beer en fysiek sterk uit Utrecht Velox? Niet de stad Utrecht
….er lagen allerlei verbanden….dan toen zonder voorbereiding op een ochtend
in de refter….pater overste en vele andere paters aanwezig…het belletje
gaat…de twee jongens wordt gevraagd op te staan…er volgt een soort
donderspeech(?) over het roken op de toiletten op de slaapzaal…doodse stilte
en de twee jongens worden van Ravensbosch verwijderd! …verbijstering
....dezelfde dag waren ze vertrokken…geen afscheid…ineens weg (nu heb ik
hier niet zozeer een oordeel over…. ben op een gegeven moment ook
(plotseling) weggegaan en dat heeft een aantal vrienden ook pijn gedaan, dat
besef ik maar al te goed…) de verdrijving door de engel uit het paradijs? Als
beeld…maar wat ik mijzelf na jaren nog kwalijk neem is, dat ik niet opgestaan
ben en geprotesteerd heb! Misschien was één woord of een vraag al genoeg
geweest.. misschien had het mijzelf ook de kop gekost....maar dit alles was
beter geweest, dan de beklemmende stilte en de onmacht en het leed dat daar
aangericht werd…dikwijls heb ik tegen mijzelf gezegd je kon er niets aan doen
er was geen voorbereiding (daar heb je het woord weer) er was ook geen
voorbereiding het kwam als de dood… onverwacht ..maar toch…. niemand
heeft ten gunste van deze twee jongens gesproken en dat is traumatisch het
blijft je je hele leven bij….en dit gevoel werd versterkt door de openbaarheid
van het gebeuren …de intimiteit de beslotenheid werd opengebroken (heb dit
134
later zelf ook aan de lijve moeten ervaren….) Er moest een voorbeeld gesteld
worden? De verantwoordelijkheid… het brandgevaar? (de toiletten waren
geheel betegeld?) geen waarschuwing… waarom niet (ik wil niemand
veroordelen begrijp me goed het gaat om een duiding en het contrast van een
voor mij prachtige tijd en dit voorval. Prachtig wil echter voor mij niet zeggen
alles was goed.. alles is roze… sluit Uw ogen als een verliefde kip…. Neen,
prachtig ook als leerzaam, er viel daar veel te leren als mens… wat hebben we
hier van geleerd wat heeft het ons meegegeven……)
Later heeft eens de achterste klas na een vergadering van ik dacht oudere
jaars…in de brand gestaan echt in de brand gestaan laat in de avond toen wij al
sliepen…. gelukkig kon het vuur op tijd gedoofd worden…niemand is verwijderd
en er is weinig of niets over gezegd………
Als je zelf ouder wordt en je meer verantwoordelijkheid krijgt over mensen dan
zie dit soort gevaren natuurlijk beter…. stel je voor de hele vleugel was in de
brand gegaan en wij sliepen met z'n hoevelen daarboven in de
chambrette's……je moet er niet aan denken wat een leed..de ramp in 't
hemeltje te Voldendam (ook een interessant conflict tussen schuld en
verantwoordelijkheid bij eigenaar Veerman)...Enschede…11 september etc
etc…..
Ben er nog niet uit hoe dit alles zinvol te duiden……temeer dat ikzelf door op
een gegeven moment te vertrekken ook leed heb aangericht …ik werd niet
verwijderd uit het paradijs of toch?…. vertrok ik zelf net zoals ik gekomen was
uit eigen vrije wil? Of toch niet? Zat mijn tijd erop….
Maar de verwerking van dit gebeuren aan twee kanten…ik kan nu wel zeggen ik
had signalen genoeg afgegeven…..maar toch ….
Leo Fober een zeer goede werper, sportman, kwa gevoel een oudere broer
voor mij …
Caspari brothers uit Amsterdam Bob en . juist Alex. Lex
Pater Piet`neen Herman (met dank aan pater Ben Annink) weet niet hoe ik aan
Piet ben gekomen maar normaal noemden we pater Steenbergen de prefect…
Herman Steenbergen prefect… een perfecte prefect, streng maar rechtvaardig;
droeg zeer veel verantwoordelijkheid in zijn eentje, zo'n beetje de zwaarste
taak in het geheel. Heb zeer veel respect voor deze mens. Ontroerende foto
van Willem Reijnders van zijn grafsteen……
Pater Wim Cartens Duits Aardrijkskunde biechtvader eerste plechtige heilige
mis te Doesburg 14 juli 1957… zijn ideaal was de groene hel Brazilië later nog in
Afrika geweest. Dit beeld van die groene hel is me ook lang bij gebleven een
135
soort uitdaging een ideaal een onmogelijke taak…zelf ben ik geboren met een
soort innerlijke behoefte of drang om de mensheid te redden…..nu
terugkijkend was het misschien meer mezelf te redden aan de mensheid? We
zijn er nog niet….de balans is nog niet opgemaakt….toch als ik zo terugkijk zie
ik, dat na voor mij het paradijs Ravensbosch ik een weg heb moeten
bewandelen als door een woestijn.. nu was voor mij Ravensbosch meer een
culturele schat dan een religieuze schat, want dat laatste had ik voor mijn
gevoel al van thuis meegekregen..mijn vader..koster in de Sint Walburgis kerk
en later in de H. Geest kerk was een diep religieus mens niet dat hij tegen mij
zei je moet naar de kerk en je moet bidden… helemaal niet je voelde, dat het
bij hem innerlijk zo lag en als wij dan wel eens langs de kerk reden in zijn auto
dan nam hij even zijn hoed af!…..verder kan ik mij niet herinneren, dat hij ooit
met mij gesproken heeft (zwijgen is goud?) hier heb ik lang mee geworsteld,
maar spreekt God de Vader dan zo hoorbaar met ons? Gelukkig las ik eens een
boek van Chaim Potok de Amerikaans Joodse schrijver (kan ik iedereen
aanbevelen die iets meer over de menselijke psyche te weten wil komen)
waarin hij deze zwijgzame verhouding tussen vader en zoon beschreef als
Tjadiek (als ik het goed schrijf) dit gaf me meer houvast.
Ja, dus een klein seminarie als Culturele bron en niet zozeer als een Religieuze
bron? Nu terugkijkend kan ik het misschien zo duiden…een bron kan opdrogen
als er niet meer dieper gegraven wordt….en was dit misschien de oorzaak van
het verval? Er werden wel weer oude vormen van stal gehaald… lof met
completen (koffie met Completa) Completa is melkpoeder zoals U misschien
wel weet en een soort surrogaat koffiemelk dus….let wel ik probeer niet te
veroordelen meer te duiden… het duiden van in eerste aanschouwing
onbegrijpelijke zaken…..maar het dieper graven daar ben ik pas aan toe
gekomen na Ravensbosch en misschien kon het ook niet anders… het paradijs
verliezen en het na bloed zweet en tranen weer terugvinden? De engel met het
brandende zwaard als beeld….. om terug te keren in het paradijs moeten wij als
mens langs de engel met het brandende zwaard! De religieuze verdieping kan
pas tot stand komen door eigen ervaring deze verdieping verkrijg je niet door
de catechismus of bijbel uit je hoofd te leren…. wel kunnen wij deze geschriften
gebruiken als meditatief hulpmiddel, dat is wat anders, want de bijbel bevat
oneindig veel wijsheid als we bereid zijn deze wijsheid ons eigen te maken je
krijgt het niet cadeau..Na Ravensbosch begint het priesterschap pas echt en dat
is geen grap dit is serieus bedoeld je hoeft niet een opleiding te volgen en
gewijd te worden om priester te zijn…. Ravensbosch heeft ons in ieder geval zo
ervaar ik het zelf gewijd tot priester..dikwijls zeiden mensen tegen mij waarom
word je geen priester….en dikwijls dacht ik ik hoef geen priester te worden ik
ben het al en dat was vaak niet simpel want mensen willen je in een hokje
136
douwen ben jij priester (niet dat ik dat naar buiten toe beweerde maar innerlijk
als innerlijke beleving en ik denk meerdere met mij…we zullen het er hopelijk
nog over hebben) dan mag je niet trouwen…alsof het gehuwd zijn niet een heel
zware opgave is.…is niet 1 vrouw 1000 mannen te veel?...is het juist ook geen
goede oefening om van de verleiding af te komen… om tot onderscheid te
komen?..in de Kunst is het toch een grote stap voorwaarts als een kunstenaar
"het naakt" gaat schilderen daarmee geeft hij aan dat hij greep gekregen heeft
op de energie die het echte naakt bij hem oproept en dan niet deze energie
aanwendend voor eigen lust bevrediging maar deze energie gebruikend om het
naakt te schilderen..deze energie creatief, scheppend om te zetten in iets dat
voor velen iets kan betekenen…deze kunstenaar offert iets op tbv. iets dat zijn
eigen directe belangen overstijgt….. en is dit ook niet dat wat ons in de Heilige
Communie voorgehouden wordt… gewoon brood wordt het lichaam van
Christus…er wordt iets geofferd er wordt iets omgezet…..en dan als je je als
priester in deze wereld begeeft……dan moet je dit en dan moet je dat en niet
zus maar zo…je kent het wel de befaamde hokjes geest, die dus niets maar dan
ook helemaal niets met de Geest te maken heeft want die waait waarheen Hij
wil..zelf al meerdere malen getrouwd geweest en weer gescheiden vier
heerlijke kinderen, die nu in België wonen bij hun moeder…….en zo heb ik in
vele verhoudingen zelf kunnen constateren, dat geheimen die binnen onze kerk
besloten liggen op waarheid berusten….. en nu ga ik die waarheid hier niet
verkondigen want dan wordt mijn hoofd er al snel afgeslagen en moet ieder
mens niet in vrijheid "de waarheid" of zijn eigen waarheid kunnen
ontdekken?…het beeld en de gelijkenis…. maar laat ik het zo zeggen er gaat
een voedende werking uit van de mysteries…moeten wij het grootste mysterie
God simplificeren om het te kunnen uitleggen aan onze kinderen? Het breken
van het brood, dat is misschien een mooi voorbeeld …..enige jaren terug dus
zeg maar zo'n 35 jaar na Ravensbosch voor mij deden een aantal kinderen
plechtige communie ja het bestaat nog.. feest… er naar toe en dan hoor je dus
een pastor het verhaal de 5 broden en 2 vissen en de massa mensen die
gevoed moest worden uitleggen aan kinderen van zo'n 12 tot 14 jaar een
leeftijd toen wij al op Ravensbosch vertoefden ver weg van huis en haard ons
voorbereidend op het priesterschap…en dan vertelt deze pastor dat verhaal
alsof het echt zo zou zijn, dat je een massa mensen met 5 broden zou kunnen
voeden, hij probeert het uit te leggen!! Dat gelooft toch geen mens en zeker de
kinderen van vandaag niet en zeker niet als je het mysterie los laat…als je het
mysterie loslaat moet je graven anders krijg je een lege huls, dat verhaal klopt
wel maar het beeld de inhoud niet… verwijst het brood niet naar iets
anders?…..zwijgen moet je dan..de kerk is natuurlijk niet het gebouw…de kerk
is natuurlijk niet Rome is natuurlijk niet……de mensheid wordt zwaar op de
137
proef gesteld… de meesten hebben geen ijkpunt…….en een ijkpunt hebben (
een vergelijkingsmogelijkheid…de gelijkenis) is niet dat het makkelijker wordt
het wordt juist moeilijker….. na Ravensbosch heb ik mij in talloze situaties
begeven en in die situaties bewust dan wel onbewust iets in willen brengen van
wat ik mij herinnerde uit die tijd, maar dat ging niet het ging nooit, die wereld
buiten dat geheel was heel anders en niet ontvankelijk voor de blijde
boodschap die wereld was vaak een soort hel geen groene hel maar een rode
hel rood als kleur van het egoïsme van de hebzucht en misschien ook een
blauwe hel blauw als kleur van de zakelijkheid de kilheid en het egoïstisch
idealisme,,,,, maar een hel is ook een oven…. een louterende oven die de mens
kan zuiveren van verkeerde instellingen…die nedergedaald is ter helle…Een
schrijver die misschien in dit verband zeker te vermelden waard is, is de grote
Nederlandse pedagoog Jan Ligthart uit begin vorige eeuw. Deze man heeft een
zo'n levendige kijk op opvoeding en onderwijs, iedere bladzijde is een genot om
te lezen…..
Het "gaat en vermenigvuldigt U" ook zo'n mooie, wordt vaak meesmuilend
materieel sexueel vertaald als neuk er maar op los…ligt hier echter niet meer
de vraag ter beantwoording: wat wordt er bedoeld met vermenigvuldigen? Zou
er nog een andere betekenis te vinden zijn?
Deze vragen moeten gesteld durven worden om het graven op gang te zetten
om diepere bronnen te vinden waaraan mensen zich kunnen laven……
Ben even de draad van het verhaal kwijt….maar dit thema is voor mijn gevoel
wel heel wezenlijk……Zo ook OMI Oblati Mariae Immacculatae, Het thema van
onze congregatie een zeer inspirerend thema...wie durft er nog over te
spreken?
Zo zie ik op de Duitse tv. Een reportage over een geestelijke, die overal lezingen
geeft en de mensen leert zegenen. Er schijnt een enorme behoefte onder de
mensen te zijn aan rituelen…toch als je het zegenen nader bekijkt dan komen
de Vader(verticaal) en de Zoon(horizontaal) er goed van af maar de Geest(?)?
Hoe zit het met de Geest in de zegening of is dit tevens een teken des
tijds?.......
Thema's in overvloed…vind het fijn om te schrijven maar er moet wel een
thema zijn en dat is er vaak niet…nu Ravensbosch opduikt na zoveel jaren
komen de thema's in overvloed………Twijfel nu of ik mijn hoofd er maar niet
moet laten afslaan perslot is het hart niet veel wijzer dan het hoofd? En mijn
naamgenoot Johannes de Doper moest hij zijn hoofd ook niet verliezen? Ik lees
in Over en Weer dat pater Cartens het heeft over dat de wereld op alle
mogelijke fronten weer opnieuw aan het beginnen is en dit is misschien wel
een vruchtbare gedachte in die zin, dat we dan makkelijker onleefbare
verhoudingen kunnen loslaten, aan de andere kant smacht de mensheid toch
138
ook naar een teken God's een wonder misschien? Als teken van het
verbond…..of staan we nu echt alleen? Het is toch ook wel moeilijk te
verkroppen om 2000 en soms wel 4000 jaar beschaving te zien
wegsmelten…….maar misschien kan het ook niet anders dan dat we door deze
crisis heen moeten opdat het nieuwe op de juiste grondvesten staat…….nieuwe
grondvesten waar komen die vandaan…in de tijd na Ravensbosch voor mij de
tijd in de woesternij heb ik een mens ontmoet Frans Coppelmans, kunstenaar
en deze mens was voor mij de enige mens die in staat was een nieuw
fundament voor de mensheid te leggen…het gaat misschien te ver hier nu
dieper op in te gaan… ik zal kijken of ik op een andere wijze iets meer over deze
mens kan vertellen…
Pater Bouwhuis ..Bauhuis? Wiskunde Harmonie Zang 4 stemmig koor,
fantastische leraar
Piet Hein Kölmann uit Alkmaar
Pater Ben Annink hulp-prefect zachtaardig persoon
Jean Jansen begaafd musicus
Pater van der Zee…heb hem nog niet op foto's kunnen ontdekken maar ook
een bijzonder mens niet veel woorden zeer bescheiden maar een levende
betrokkenheid…dacht dat hij Latijn gaf maar hij had ook een enorme inbreng in
het toneelgebeuren van Kameleon… kan het allemaal niet meer precies
aangeven wat hij deed maar dat was mi. ook zijn grote kracht hij schiep een
sfeer van waaruit alles als vanzelf ontstond zonder zichzelf op de borst te slaan
van kijk mij eens….zulke mensen heb ik buiten Ravensbosch hoogst zelden
aangetroffen…..
Broeders......typisch dat ik weinig namen herinner terwijl zij veel voor het
geheel betekenden een lange broeder die mi. op de boerderij werkte een
kleine broeder die in de keuken werkte….. vind dit wel beschamend… het doet
mij denken aan de uitzetting van de Turkse familie Gümus uit Amsterdam enige
jaren geleden… een gezin, dat in Amsterdam een kledingatelier had hun eigen
kost verdiende handwerkers waren…gelukkig gaat het die mensen beter dan
ooit…maar het beeld dat die uitzetting opriep…het handwerk en ik koppel, dat
aan de broeders omdat zij het zichtbare handwerk verrichtten, had voor de
Nederlandse samenleving geen waarde en zit dat ook niet een beetje in de
anonimiteit van de broeders….waarom worden de Nederlandse kinderen nog
steeds opgevoed vanuit de idee, dat het hoofd van grotere waarde is dan de
handen? Moet je tegenwoordig eens iets laten repareren…..en het paradoxale
van deze maatschappij is, dat als je je hoofd gebruikt als je zelfstandig nadenkt
en vandaaruit handelt dat dat je dan niet in dank afgenomen wordt…….
139
Broeder Pierre Gielen eeuwige professie 8 december 1960 groot feest
Uit Den Haag van de chocolade fabriek jongen met blond haar…Gerard
Geenen?
Gebr Klinkers uit Heerlen van de steenfabriek. Mocht een keer mee achter op
de fiets naar Heerlen heerlijk veel koekjes gehad van hun zus
Jos uit Vaals zeer belezen iemand
Houben Jan? oet Weert? CV de Roggestaekers neen uit Sevenum
Henk Bueters uit Weert een zeer levenslustig iemand lachen! Was dit niet
Cupers? Nu de klassenlijsten compleet zijn zie ik twee namen Henny Cuppen en
Jacques Cuypers
Lavaleye emotioneel? Guido
Albert Theunissen uit Brabant de krachtpatser
Frans van Spanje Amsterdam? Lent?
Pater van der Zee Latijn toneel zeer fijn mens 't Funske verwijzend naar pater
overste
Pater Piet(je) Palm Nederlands las zeer veel voor
Pater Defever Belgische pater verloor een broer in de Belgische Congo
vermoord las voor uit de Witte van Sieghem een heel gevoelig mens
Pater Timmermans neen Tillemans glazenier Charles Eyck
Pater Econoom redde mij financieel uit de nood…. iedereen mocht 5 gulden
zakgeld per trimester meebrengen maar je had rijke en arme studenten….
Pater Steenbergen verkocht op zondagochtend zeep of tandpasta a 10 cent,
ook schoenveters en schriften en potloden in de kast rechts……
Pater Overste
Pater Schram?
Pater Koot?
Cees van der Linden uit Gouda? een sportmens en geweldig voetballer! lustte
geen kaas veel geruild met hem tegen boter 1 achtste van een half pakje
Liefhebber van Roy Orbeson Pretty Woman
Pater Lempens ronselaar nieuwe studenten natuur en scheikunde pijproker
met 1 long leider gipsclub hem dank ik mijn verblijf op Ravensbosch toen hij bij
een buurjongen van mij Herman Saayer uit Arnhem dia's vertoonde…..
Harry Geelen uit Weert voetballer schieten op het hukske
Peter Saers uit Zweden zeer aimabel en wijs iemand toneel
Kees Zwemmer uit Amsterdam via mijn zus??? moet hem eerst ontmoeten
Jan Derix buutreedner lachen poep-chinees
Pater Jene van Moorsel Nederlands heeft ons Nederlands geleerd West Side
Story in de klas!
140
Pater Piet Koot? Neen Pater Piet Souren Nederlands een zeer schuchtere
Limburger? Goede wandelaar kende de omgeving erg goed
Pater ....gaf engels en verzamelde stenen en postzegels
Pater Wientjes? Engels en stenen verzamelaar of postzegels
3 poetsvrouwen... behoudens Maria de enige vrouwelijke inbreng....
Pater Piet Souren (hele schuchtere limburger een goede verteller en
wandelaar)..maar ook iemand die aan het religieuze aspect aandacht gaf…ben
lang aan het zoeken geweest maar toch…hij legde de volgende situatie aan ons
voor…er was een man getrouwd en een aantal kinderen..en die man was
drukker…op een dag zegt de baas tegen hem dat hij iets onoorbaars..weet niet
meer wat het was moest drukken..iets dat tegen zijn geweten in ging…moest
hij het doen of moest hij het weigeren met de kans op ontslag en met vrouw en
kinderen op de achtergrond……een gigantische discussie brak los…moet je
nagaan wij waren een jaar of 12 a 13 en een gigantische discussie brak los..ik
weet ook niet hoe pater Souren zich eruit gered heeft maar ik weet wel dat hij
de oplossing niet gaf!....dit probleem speelt voortdurend tenminste in mijn
leven tot op de dag van vandaag het morele dilemma…..
Herman Kötte heeft meegedaan aan een declamatiewedstrijd, hoofdrollen bij
toneelclub
Een jongen die heel goed kon tekenen affiches maakte hij altijd die dan bij de
refter hingen vader was geloof ik appel-teler Thij Willems
Pater Tromp geschiedenis…verhaal over de verdwenen carnavalsstaf (hoe heet
dat ding) met de uil erop……
Pater Overste.... peugeot 404? 204?
Het voorlezen in de refter door een oudere jaars omdat het te lawaaiig
was..Dorp in de Peel…toen pater Jan…moest op een bepaalde toon en in een
bepaald ritme gelezen worden
Tafeloudste zoek nog naar zijn naam uit Utrecht (staat op een foto)
Het belletje in de refter op de tafel van de paters, paters frontaal broeders bij
binnenkomst links! vanwege het onderscheid?
Dagritme
We moesten onze kleren nummeren ivm de was ik had nummer 136 vergeet
het nooit….later mijn vader herbegraven en die had als grafnummer 135……
141
Het verplichte bedelen en de uitreiking van prijzen, wie het meeste opgehaald
had mocht het eerste kiezen….pater Wim Cartens heeft me nog eens gered… ik
had die herfstvakantie niets opgehaald en ik zat al in de bus richting
Ravensbosch en dan moest je bij pater overste komen om het opgehaalde
bedrag in te leveren….een enorme spanning bouwde zich op tot ik plotseling bij
pater Cartens moest komen en die had voor mij wat geld opgehaald! Een
wonder ik was gered..later dacht ik, dat mijn moeder achter de schermen wat
bekokstooft had…ben er nooit achter gekomen..het versterkte wel de
vertrouwensband met Cartens....de moeilijkheid waarvoor ik stond, maar dat
wie kon dat weten? was dat na de dood van mijn vader, mijn moeder nog maar
heel weinig geld had en zij had ook nog de zorg voor mijn 5 zusjes!…ik werd
erop uitgestuurd om bij een tante geld voor mijn studie te vragen en naar mijn
oma gestuurd om geld voor de huishouding te vragen……het daarbovenop nog
geld inzamelen voor een soort wedstrijd, die ik bij voorbaat al verloren had was
net iets teveel van het goede (zelfs fietsen werden uitgereikt aan de jongens
met de rijke connecties? Er waren natuurlijk ook jongens die serieus hun best
hadden gedaan… alleen moest de kwantiteit hier weer boven de kwaliteit
staan?......een dubieuze wending...en een voorbode van wat wij later op de t.v.
in zijn volheid over ons heen kregen..hier zette het verval zich al in samen met
de komst van de tv....de Beatles en radio Luxemburg te beluisteren iedere
zondagmiddag na het eten om 13.00 ? met de top 30 of 10 niet dat ik de
Beatles de schuld wil geven van het verval want ik was gek op die lui als
voorboden van de nieuwe tijd het was meer het aangeven van synchroniteit
het verval had andere oorzaken) toch zocht Bennie Heller op een keer twee
tafeltennis badjes uit en wat we daar niet een plezier aan beleeft hebben valt
niet te beschrijven..de wedstrijd was dus nog niet verloren, dat leer je er dan
weer van als je iets krijgt wat bij je hoort……via de web-site's kom ik erachter
dat het kostgeld 300 en later 600 gulden op jaarbasis was…dat was toch relatief
laag…jammer dat ik deze bedragen niet kende het geeft een andere kijk op
zaken..roept ook vragen op..hoe kon alles ronddraaien…we zaten toch met 150
jongens en 30 broeders en 40 paters zo ongeveer…kinderen worden vaak
onderschat of hoe moet ik het zeggen?...voor sommige kinderen is het goed
dat ze sommige dingen weten…..
Met onze harmonie, eerst hoorn toen alto, op concours in Kerkrade? Neen
Ulestraten
en we promoveerde naar de 2de klasse onder directie van de heer Janssen?
Toen was het feest pater Overste nam ons overal mee naar toe....
142
In het begin moesten wij aan pater overste toestemming vragen als wij een
krant in de recreatiezaal wilden het werd vervolgens altijd het Limburgs
Dagblad.....
Roken werd aangemoedigd(om de sex-drive te beteugelen?) niet op de WC!
maar wel in de recreatiezaal de paters rookten ook enorm het was een gekuch
van je welste als je over de gang van de paters liep....
Toch heb ik persoonlijk helemaal niets van seksuele intimidatie of wat dan
ook(je leest er wel anders over) meegekregen ik vond de sfeer zeer prettig en
liberaal...er was sprake van intimiteit zonder dat daar misbruik van werd
gemaakt.
De 4 de klassers en hoger sliepen in de andere vleugel en hadden daar ook hun
eigen recreatiezaal met een waar biljart...in onze eigen recreatiezaal; iedere
klas had zijn eigen home stond een biljart met rubberen knoppen erop en twee
gaten weet niet meer hoe dat ding heette verder heel veel spelen en spelletjes
en we hebben zelfs toen al gebridged ik weet nu niet meer hoe en toepen het
oeroude Limburgse kaartspel.
Rond de cour had je twee volleybal velden en een basketbal veld een donkere
oudere jaars heeft ons toen lesgegeven later is hij naar de toneelacademie in
Maastricht vertrokken en weer later heeft hij ons wel eens een toneelles
gegeven.....daarachter een soort kantine met daarin een aantal
tafeltennistafels en twee voetbal-kasten.
Er is ook een tijd geweest dat die jongen uit Utrecht een voetbaltoto
organiseerde daar kon je aan meedoen voor 10 cent en ik heb wel eens een
aantal gulden gewonnen.
Dan de overheerlijke boterhammen om 16.00 uur, die vergeet ik nooit bruine
boterhammen met hagelslag en/of jam in een grote houten kist...'s middag na
de 2 lesuren spelen op de cour en boterhammen en daarna naar de
huiswerkstudie tot het avondeten in de refter.
Zondags hadden we in het begin 's avonds lof later toen wij een andere overste
kregen kwamen daar de completen bij! de teloorgang was al gaande....
De Post! ik weet niet meer of het 's middags na het eten was of om 16.00 uur
dat pater Steenbergen de post kwam uitdelen een heel bijzonder moment..ik
zat altijd in spanning of er iets voor mij bij was....
Pater Steenbergen de naam zegt het al, deze man kon (onzichtbare) bergen
verzetten...had ook altijd een indrukwekkende sleutelbos bij zich.
Sint Nicolaas in de refter......een oudere jaars....
Dan de feesten... alle Maria -feesten Carnaval....de geloftes... de generaal?
opperhoofd van de congregatie heeft ons zelfs een vrije middag opgeleverd
De vakanties met de bus naar huis altijd bijzonder...een Limburgse vlaai mee
naar huis meestal kruimelvlaai….
143
Pater Rientjes niet Wientjes Engels Once upon a time there was a king in
Brittain and his name was Lear.......
Pater Schram...de naam komt steeds terug maar ik kan hem nog niet plaatsen
Pater Almoezenier (naam?) Hij ging met het Nederlandse leger naar Nieuw
Guinea tijdens de crisis met Indonesië en hij stuurde brieven over de toestand
daar en deze brieven werden voorgelezen in de refter en dat was heel
bijzonder vond ik in het begin (1960) hadden wij geen krant geen radio geen
televisie..maar door deze brieven bleven we op de hoogte van het
wereldgebeuren….
Ik meen in 1961 kregen we bezoek van een pater uit Canada en wij leerden het
Canadese volkslied..Oh Canada terre de nos ajieu..ton fron et chien de fleuron
glorieux )ik weet niet of dit helemaal klopt maar de klanken wel) pater Defever
leerde het ons...
waarom schrijf ik dit op omdat het laat zien, dat als iets vanuit een gebeuren
ontstaat het leren van voor ons iets volkomen nieuws heel erg eenvoudig was
en het zo goed beklijft dat het 40 jaar na dato er nog inzit..nu heb ik na
Valkenburg nog heel wat bijgestudeerd maar het meeste ben ik weer
vergeten.....
Zo ook heeft pater van der Zee (heb hem inmiddels teruggevonden op een van
de foto's nr 59 van..) eens een pater in Japan, die hij kende, gevraagd om een
Japans lied, dat toen populair was in Nederland in fonetisch schrift te zetten
zodat wij het konden instuderen en inderdaad hebben we het ook opgevoerd
voor welke gelegenheid weet ik niet meer...Ohweh Oh su oe hoe wie 2x a ki sa
na go ohrhe tahi johokomini...namakitasu na suh hoe wie sito no sohori
nomori.......
ja, ja hoe meer er naar boven komt hoe meer de waarde van een dergelijke
gemeenschap voor mij naar boven komt..de zingeving het verband alles wat we
nu maatschappelijk kwijt zijn was in het Collegium Carolinum...op Ravensbosch
ruimschoots aanwezig..en hoewel het dagelijkse leven gestuurd werd door een
strenge orde...nu dit dan dat etc...was er toch in mijn beleving zoveel
mogelijk..zo ontzettend veel mogelijk...
met de toneelclub Kameleon (was die naam kwijt..en toevallig of niet net nu
deze zomer gaat de jeugdfilm De Schippers van de Kameleon in première)
hebben we tal van stukken gespeeld: Een Kerstspel van Felix Timmermans
prachtig de decors maakten we zelf een heel groot doek hebben we
gerestaureerd om het wisselen van scènes te vergemakkelijken met oersterke
144
lijm van onze schoenmaker(de schoenen werden gewoon gemaakt ik kan mij
niet herinneren er ooit een rekening van gezien te hebben) Hurkmans.. had zijn
zoon bij ons...De 10 kleine negertjes van Agatha Christie met Herman Kötte in
de hoofdrol een doorslaand succes ook nog een keer voor de ouders
opgevoerd. Voor het feest van pater Overste(naam?) zijn we naar Heerlen
gefietst daar wist pater van der Zee een fietsenmaker die nog wel oude
fietswielen had en toen hebben we een draaiorgel ('t Funske heb er nog een
foto van) gebouwd van oude nachtkastjes en die op de melkkar gezet en
middels een touw konden we de fietswielen laten draaien waar allerlei
versieringen aanhingen en zodoende het decor van een kermis realiserend...
en alles verliep in de opperste harmonie (of ik moet me vergissen?)
Ik herinner me ook een keer we waren een stuk aan het voorbereiden en toen
kwam er een overste op bezoek en moeten wij het stuk in de refter tijdens het
diner opvoeren....geen nood er werden wat tafels tegenelkaar aan geschoven
en daarbovenop werd het stuk opgevoerd.....
de harmonie werd opgetrommeld en die speelde een aantal stukken.....
American Patrol Oh When the Saints etc. een het leuke was je deed soms zowel
mee met het toneel als met de muziek als met het opruimen van de refter.....
Zelf heb ik een hoofdrol gehad voor het feest van onze paterOverste en pater
van der zee had een stuk geschreven of was het Jene voor mij Jene van
Moorsel dat heette de danser van OL Vrouw op muziek van Brahms schreef hij
mij onlangs!...weet niet veel meer van de inhoud van dit stuk maar het werd
zeer gewaardeerd dat kon je voelen.....
Er is ook eens een woordkunstenaar uit België bij ons op bezoek geweest en die
droeg gedichten voor van Guido Gezelle 'het schrijvertje' en anderen was zeer
indrukwekkend
Wat een rijk leven...later in de schraalheid van ons huidige maatschappelijke
leven is dit leven op Ravensbosch de verbondenheid, een bron geweest
waaraan ik mij gelaafd heb en nog...Ravensbosch herinnert mij eraan, dat het
kon dat je met meerdere mensen kunt samenleven…..dat je je geborgen kunt
voelen, dat je met al je beperkingen mee mag doen.....nu terwijl we wereldwijd
in een recessie zitten wordt er gesproken van ontkoppeling……
Herinner me ook nog een toneelspel toen was ik zelf nog niet bij het toneel,
Bloed en Liefde (zie foto website) geschreven door Godfried Bomans toen hij
zelf nog op de middelbare school zat
een prachtig stuk vol historische figuren die asynchroon bij elkaar komen en er
vervolgens allerlei komische en romantische en bloedige taferelen ontstaan zie
het nog zo voor me...de vijand naakt!
145
Er is ook nog eens een toneelstuk opgevoerd door een club van buitenaf over
een kardinaal die gevangengenomen was in het Oostblok speelde zich dit af
een nog al zwaar stuk .....
En een film herinner ik me ook nog over zeemannen en romantiek! waarvan
later in de refter tegen ons gezegd werd dat dat toch niet de bedoeling
geweest was.....
Ook hebben we eens voor bejaarden met de harmonie gespeeld in de
toneelzaal eerst de gebruikelijke stukken en toen een aantal carnavalslagers!
de hele zaal begon te hossen...
Om 12.00 het rozenhoedje was ook nog in mijn tijd
En twee processies herinner ik me nog vaag een in Valkenburg waarin we zelf
meeliepen en eentje in Maastricht of Meersen vlg Willem Reijnders weet ik niet
meer in Meersen zijn wij ook wel eens geweest maar of dat met een processie
samenhing? waarnaar we gingen kijken...
De oudere jaars gingen voor hun studie op de fiets naar Heerlen en ze
verzamelden zich voor bij de poort en vertrokken dan richting Heerlen...dat
was iets waar je naar verlangde op een dag zou jij ook met die club
meegaan......en soms zongen ze bij het vertrek Close your eyes...van de Beatles
uit volle borst….
Ik geloof dat we net op het breekpunt zaten van de oude tijd en de nieuwe tijd
een of twee jaar voor mij was de voertaal bv. nog Frans...net
afgeschaft...jammer.....er was geen tv. geen krant en met veel moeite het
Limburgs Dagblad....je schreef brieven..telefoon alleen in noodgevallen….
Alois Segers een gevoelige Limburgse? Jongen sopraan
Theo Wösting woesting......
Je had de Gilden (gipsclub, missieclub nog een aantal rozenkransen gemaakt….)
olv pater Lempens de Verkennerij pater Rientjes en de toneelclub Kameleon
pater van der Zee en later Jene van Moorsel
De Gilden gingen altijd vrij luxe op vakantie met de bus naar Duitsland
Frankrijk….de verkennerij met legertenten naar Ossendrecht (foto) heel erg
leuk op primitieve vuurtjes eten koken nachtelijke droppings de regenbuien
een dagje naar de Zoo van Antwerpen heerlijk in de bossen met een
uitkijktoren…waar bovenin het huisje een telefoon stond onder een krant en
wij even contact konden leggen met het thuisfront…….
146
Nu ik de foto's teruggevonden heb zie ik dat we ook eens met de toneelclub op
vakantie gegaan zijn ergens in Utrecht Jene van Moorsel kwam mij met de fiets
in Arnhem ophalen en samen zijn wij ernaar toe gefietst! In die vakantie kreeg
mijn grootvader een hersenbloeding…. We zijn toen ook nog naar de dom in
Utrecht geweest zie foto daar staat ook onze tafeloudste op rechts achter van
Moorsel… zelf sta ik net voor van Moorsel vooraan links Ton of Tom….uit
Amsterdam kwam plotseling midden in het jaar op Ravensbosch terecht en had
voor onze verhoudingen zeer hippe (nozem) kleren aan…dat heeft echter niet
lang geduurd…tweede van links Herman Kötte en rechts voor ook een echte
artiest naam? Evenals tweede links?
Toen ik op Ravensbosch kwam in 1960 hadden we slaapzalen voor mij was alles
nieuw de eerste keer want ik was hoewel het de bedoeling was van te voren
een kijkje te nemen, nog niet op Ravensbosch geweest. Herinner me dat ik in
Nijmegen door een pater getest ben of ik wel geschikt was cognitief want mijn
Nederlands was nogal zwak ik was meer een beta dan een alpha klant….met
mijn vader en een paar zusjes (ik had er 5) een dagje uit. Het testgebeuren was
prettig maar dat lag zeker aan de pater die mij de testen afnam…later tijdens
mijn studie psychologie had ik grote moeite met het test gebeuren het werd
mi. te absoluut gezien allemaal….er werd mij gezegd dat als mijn Nederlands
nog wat zou verbeteren in de 5de klas ik naar Valkenburg mocht….of het echt
verbeterd was weet ik niet maar ik ging naar Valkenburg naar de voorbereiding
(wat een naam waar vind je dat tegenwoordig nog…voorbereiding……dat is
toch niet meer digitaal in te passen)
Gelukkig had ik nog mijn buurjongen Herman Saayer achter de hand, die zat er
al een paar jaar mi. een echte pater of misschien meer priester, hoewel hij op
een gegeven moment weg moest waarom? mysteries …heb hem daar ook
verder nooit meer iets over horen zeggen..
Met zo'n 30 man op een slaapzaal een oudere jaars erbij om de orde te
handhaven…ging toch bijzonder goed en pater Annink er tussenin..net als pater
Steenbergen in een kamertje in mijn beleving een heel klein kamertje….2 jaar
later werden de zalen verbouwd door de broeders en kregen we luxe kamers
chambrette's met 4 of 8 bedden en ieder zijn eigen kast en wastafel. Er
kwamen ook nieuwe douches… de oude douches waren in de
ouderjaarsvleugel achteraan en op zaterdag moesten we douchen en dat kon je
al ruiken want de waterketel werd met hout warm gestookt…pater erbij (was
dat pater Schram…) om te controleren of je het wel goed gedaan had…. de
nieuwe douches kwamen in de eerste vleugel achteraan in de gang rechts ik
geloof dat ik daar niet veel meer gebruik van gemaakt heb….
147
Toch veel investeringen voor iets dat al gaande was te verdwijnen…. een soort
paradox? je wilt niet, dat het verdwijnt, dat het ophoudt maar wat dan…een
zwart gat?
In het begin(1960-61) gingen we 's ochtends naar de kapel voor de Mis en vaak
was er zang olv pater Bouwhuis met stemvork (kwam uit Duitsland en is later
een tijd lang pastoor in Duitsland geweest). Vooraan had je 2 bij-altaren en
achter het hoofdaltaar waren ook nog een aantal bij-altaren (3 of 5) nu was er
een tijd, dat er twee paters (weet niet meer wie) 's ochtends als wij de mis
volgden op het hoofdaltaar, zij de mis opdroegen aan de twee zijaltaren en die
konden wij direct zien eerst hadden we het niet zo in de gaten maar na verloop
van tijd bemerkten wij dat er een soort rivaliteit tussen de twee paters aan de
zij-altaren was…zij hielden elkaar in de gaten op welk punt van de mis de een
gekomen was en het deed zich voor dat als de ene pater zag dat bv op het
andere altaar het boek al verwisseld was, dat hij zelf (dus niet zoals gebruikelijk
door de misdienaar) even zijn eigen boek van rechts naar links verplaatste om
zo de achterstand in te lopen….aan het einde van de twee missen was het het
spannends want wie zou als eerste de sacristie binnengaan….het is dikwijls
gebeurd dat het knielen overgeslagen werd om maar als eerste in de sacristie
te zijn…..voor ons als jonge apen uit de voorbereiding op de eerste rijen een
zeer aangenaam schouwspel.
Tijdens feestdagen zongen we met het 4 stemmig mannen en knapenkoor
achterin bij het orgel bv. het Halleluja van Händel in mijn beleving nog steeds
indrukwekkend alle stemmen aanwezig van sopranen(Alois Segers hoogste
sopraan?) tot bassen en het machtige orgel erachter…kippenvel
Later werd het allemaal minder…maar misschien is deze uitspraak wat gekleurd
door mijn eigen beleving…..
Onder de slaapzalen op de 2de verdieping waren de studiezalen gelegen.
Enorme zalen met achterin op een verhoging een ouderejaars om de orde te
handhaven hetgeen toch bijzonder goed ging hoewel ik zelf bv ook niet een van
de makkelijkste was zeker niet, achteraf heb ik vaak gedacht hoe ze het met mij
hebben kunnen uithouden….er was wat dat betreft zeer veel tolerantie…en af
en toe pater Steenbergen met brevier of pater Annink die heen en weer liep ter
ondersteuning van de oudere jaars…de studiezalen werden veel gebruikt…'s
ochtend voor de lessen na de ochtendmaaltijd een half uur
's middags na de lessen en het spelen op de cour tot het avondeten met het
accent op huiswerk maken en 's avonds na het avondeten en de recreatie voor
148
de jongeren tot 21.00 uur en de ouderen 21.30 of 22.00 je kon dan nog
studeren of een boek lezen brieven schrijven later radiootje luisteren..
Als je ergens niet uitkwam met je huiswerk mocht je het aan de ouderejaars
vragen of aan de surveillerende pater en zelfs maar dat weet ik niet helemaal
zeker meer aan je buurman…een tijd lang was mijn achterbuurman Johan
Meenhuis en die heeft me vaak zeer vaak geholpen hij had met mij erbij een
dubbele taak zijn eigen huiswerk en het mijne…nooit heeft hij er iets over
gezegd…kan me nu niet meer voorstellen, dat hij het altijd leuk gevonden
heeft…het was voor mij vaak een kwelling, dat lange stilzitten maar Johan was
altijd serieus bezig en vele anderen met hem hij besefte al meer waar het om
ging zo waren er wel meer mensen bv Piet-Hein Kölmann, Leo Fober en Peter
Saers, die waren voor mijn gevoel als mens al verder volwassener
's ochtends na de studie stapeltje boeken onder je arm de trap af stormen
(rustig aan!) en de klas in……..
Bij het nazoeken van de foto's nog een naam tegengekomen Theo Kuypers en
er was vlg mij ook nog een Hennie Kupers?….Samen met Theo
(postzegelverzamelaar.. zijn vader werkte bij de Mosa? ) vele goocheltrucs
geoefend en eenmaal tijdens een zitting van het Carnaval mochten wij samen
een act opvoeren met hoge hoed toen nog zonder konijn maar wel sigaretten
uit de lucht plukken en achter de oren vandaan halen…..hij heeft me nog eens
opgezocht toen ik al weg was (evenals Johan Meenhuis en Cees van der
Linden? Of iemand anders uit Twente….…)en een aantal kaarten van hem
ontvangen..contact verwaterde snel pater Cartens is ook nog eens geweest
…mijn moeder inmiddels zonder man (mijn vader was overleden) wist zich in
den beginne toen ik uit Ravensbosch terugkwam ook geen raad..ik was
helemaal de draad kwijt mijn oude vrienden van vroeger was ik kwijt en mijn
vrienden in Valkenburg ook en de aansluiting naar een andere school werkte
helemaal niet …. gelukkig heeft ze me maar gelaten en langzaam maar zeker
vooral langzaam heb ik toen de draad weer opgepakt. Met die goochelact was
er ook nog iets vervelends aan de hand want Bennie Heller wilde graag
meedoen en waarom ook niet maar om de een of andere reden mocht hij dat
niet van ons? Terwijl wij toch zo'n beetje de beste vrienden waren een raar
iets…. Kan dat gebeuren nog niet helemaal plaatsen. Pater Cartens kwam er
zelfs bij om te bemiddelen en zei dat ik maar eens uit die ivoren toren moest
komen…op dat moment snapte ik daar niets van later wel meer? eigenlijk had
hij het misschien op dat moment door moeten drukken, dat we met zijn drieën
iets zouden doen of dan maar helemaal niet? Teveel vrijheid misschien?
Misschien dat Bennie of Theo zich nog iets herinneren?
149
Van de lessen zelf kan ik me niet veel meer herinneren wel bv. dat ik pater
Bauhuis een geweldige wiskunde leraar vond omdat hij een droog vak zo wist
te brengen dat je er enthousiast van werd gaf ons ook onmogelijke uitdagingen
op zoals het delen middels constructie van een hoek door drieën, hetgeen
onmogelijk is maar daar kwamen wij pas veel later achter….muziekles hebben
we ook gehad vond dat wel moeilijk geloof ik maar vond het jammer dat we
het maar 1(?) jaar hadden…zo ook gaf pater Rientjes schoonschrift oefeningen
letters met krullen zeg maar is geen routine geworden….het voorlezen van
pater Palm en het contrast met pater Jene van Moorsel toen moest er gewerkt
worden…met dictee één schrijffout 2 punten eraf! Het regende 3-en en 4-en
…wij op hangende pootjes naar hem toe en hij stelde ons gerust dat het wel
goed kwam…en het kwam ook goed want in korte tijd ging het niveau met
sprongen omhoog….
Pater Cartens Duits mit nach nächst bei….etc. Latijn ben tot de Viris Illustribus
gekomen meer zat er niet in...Grieks alle rijtjes en uitzonderingen, geschiedenis
pater Tromp maakte er veel werk van…. eens hebben we een touwtje van de
ene klas naar de andere gespannen het was mooi weer en de ramen stonden
open en vervolgens de proefwerkvragen door gemailed naar de andere klas die
het volgende uur hetzelfde proefwerk zouden krijgen….voor het echte leerwerk
stond ik toen niet zo open
Maar als ik terugkijk weet ik eigenlijk van andere lessen ook niet veel meer
lagere school…de bijbelverhalen…2de klas liedjes… kleuterschool…
blokkendozen die je moest inpakken van makkelijk naar moeilijk…de overgang
van de ene kleuterschool naar de andere maar lesinhoudelijk….magertjes later
na Ravensbosch verschillende scholen doorlopen weinig van blijven hangen…….
Jan Sterenborg
PS: Naar aanleiding van de Website heeft Jan geweldig veel werk gemaakt van
een eigen Website. Frans Coppelmans is een bijzondere figuur die op het
gebied van Psychologie en Wiskunde baanbrekend werk heeft verricht. Jan
biedt ons de mogelijkheid om kennis te nemen van zijn werk en denkwijze.
www.franscoppelmans.nl
150
Henk Ganzeboom
1969-1971
Net als vele anderen ben ik opgegroeid in het katholieke stramien. Mijn ouders
waren blij verrast toen ik op 11-jarige leeftijd aangaf graag pater te willen
worden of nog beter missionaris. In overleg met de pastoor in
Borne (Tukkerland) beleefde ik een korte studie-introductie bij de paters Mill
Hill in Tilburg. Ik was onmiddellijk genezen van mijn ideeën ... het was er streng,
onpersoonlijk, koud en vreemd. Gelukkig heb ik dat goed
kunnen communiceren thuis en dus zochten mijn ouders naar een ander
seminarie: Ravensbos in Valkenburg.
In augustus 1969 werd ik door mijn ouders, zusje en broertje voor het eerst
met de auto gebracht. Het voelde als een groot avontuur en de reis naar
Valkenburg had ook een reis naar een ander continent kunnen zijn.
Pater Steenbergen ving mij/ons op en pater Scholten leidde mij al snel naar de
studiezaal waar een briefje bij de deur hing met de namen van alle nieuwe
studenten en hun respectievelijk plaats/bureautje aangaf. Gelijk was er
hilariteit, want er stond "Ganzenbord, Henk" in plaats van Ganzeboom. Mijn
studiebureau stond naast het bureau van Erik Polman (nog steeds mijn meest
dierbare vriend). Ik vond het geweldig en de weken verstreken als dagen. De
onderlinge sfeer tussen de jongens was prima en ook de paters waren
vriendelijk. Ik werd lid van het Gilde en de harmonie (je mocht er roken!).
Maar de late zomer ging over in de herfst en de winter. De kerstvakantie thuis
was een groot warm bad en mijn moeder probeerde mij zoveel mogelijk
huiselijke warmte te geven. De vakantie was ten einde en ik zou voor het eerst
alleen met de trein en de bus terug naar Ravensbos. De treinreis duurde bijna 5
uren en eindelijk was ik in Sittard. Met de bus het laatste stuk naar Schimmert.
Het was al donker en terwijl ik de laatste kilometer, langs de boomgaarden,
naar het witte gebouw liep, overviel mij plotseling een enorme angst, een
onzeker gevoel .... heimwee!
Met tranen in de ogen ging ik 's avonds naar bed en ik kon mij de daarop
volgende weken maar moeilijk concentreren op de studie. Maar gelukkig
heelde de tijd het gevoel en samen met Erik Polman raakte ik geïnteresseerd in
chemie/techniek en het experimenteren met allerlei stoffen. Pater Scholten
had dit in de gaten en hij kreeg het voor elkaar dat wij beiden, in een van de
torenkamertjes, een eigen laboratorium konden beginnen. Pater lempens gaf
151
ons dozen met chemicaliën, retorten en allerhande attributen. Scholten
regelde een oude tafel en zo konden we aan de slag. Tijdens de
natuurkundelessen van pater Lempens hadden we gezien hoe je met behulp
van
elektrolyse water kon scheiden in waterstof en Zuurstof. Dat was interessant
en wij zouden het ook zelf proberen. We kochten in Valkenburg een grote
plastic kledingzak die we over het bakje water plaatsen. De zak was heel erg
groot en het duurde wel een volle dag eer hij gevuld was met waterstof .... en
zuurstof!!! Op het einde van de dag hing de zak tot aan het plafond en konden
we 'm afbinden met een touw. Een kaartje eronder gebonden met "De
groeten van Henk en Erik" en ermee naar buiten. Midden op de cour steeg het
gevaarte op en belande in een oogwenk tussen de takken van de beuken. Een
korte reis die echter, zonder ons medeweten werd gadegeslagen door een van
de paters. We waren nog maar een week bezig met onze proeven of de eerste
(terechte) berisping konden we in onze zak steken. "Het hele gebouw had
kunnen ontploffen!"
We lieten ons niet ontmoedigen en experimenteerden als snel verder. En toen
naderde de jaarlijkse sportdag, georganiseerd door pater Kok (dacht ik). Hij gaf
ons de eerste commerciële opdracht: "open de dag met iets
spectaculairs!" Wij hadden gelijk een soort bom in gedachten, een luide knal.
Maar het moest
wel veilig zijn, natuurlijk. In Valkenburg werden enkele grootverpakkingen met
lucifers gekocht en die werden door ons in het lab (zo noemden we ons
kamertje) afgeschraapt en verpakt in een plastic doosje. Daar liep een dun
koperdraadje doorheen dat we met behulp van een grote batterij aan het
gloeien brachten. Het resultaat was een prachtig knalletje en veel rook, maar te
klein voor de opening. Het moest groter en aldus waren we dagen
bezig met het afschrapen van duizenden lucifers. Er was een enorme berg
zwavel ontstaan die we in een grote houder stopten. Toen kwam de dag van
het gebeuren. Naast het Mariabeeld in de tuin lag onze bom. De koperdraad
die er doorheen liep was met twee draden van ongeveer 10 meter verbonden
met een grote schakelaar op een paaltje en die weer met een peloton
batterijen. Die ochtend stonden alle paters en studenten (ook van andere
scholen in de omgeving) opgesteld rondom de bom. We hadden een oude
Tommyhelm op een kussen liggen en brachten deze naar pater Kok. Hij zette de
helm op z'n hoofd en liep naar de schakelaar ... iedereen was doodstil. "Hierbij
open ik de sportdag", zei hij en haalde de schakelaar over. Ook wijzelf wisten
niet precies hoe zwaar de bom was en zochten maar wat beschutting achter de
rug van pater Kok. Een enorme knal volgde ... een witte rookwolk van tien
152
meter hoog steeg op ... zandkluitjes daalden neer op de aanwezigen. Applaus
volgde. Het was gelukt!
Zondagavond kwam "Van kwart tot kwart" er nog op terug door het geluid van
een doortrekkende wc te laten horen.
Natuurlijk zij er ook vele minder plezierige herinneringen ( zoals de dood van
Siem Smit) maar ik wil toch de positieve benadrukken omdat ik nog altijd zo op
terugkijk.
In de verhalen van andere studenten (en dan vooral in de lichtingen van voor
1969) lees ik ook de negatieve ervaringen en dat verwondert mij. Waarschijnlijk
is '69 het scheidingsjaar geweest tussen de oude en de nieuwe wereld. Ik heb
ervaren dat wij gemotiveerd werden om ook de andere kant van het leven te
ervaren. Een keurslijf het ik niet gevoeld ... normale vriendschappen tussen de
jongens werden niet verboden of afgewezen en nieuwe initiatieven werden
gewaardeerd. In de vrijetijdsruimten draaiden we de muziek van Dylan en Led
Zeppelin. In het tweede jaar ben ik een stripbibliotheek begonnen waarvoor
ook de paters een bijdrage hebben gegeven en er werd een boekenkast
beschikbaar gesteld. Pater Scholten is naar mijn mening de initiator geweest
voor deze vernieuwingen maar misschien was het ook wel de tijdsgeest.
Heimwee naar thuis (het warme nest) , naar Borne heeft me tenslotte
gebroken en in 1971 ben ik er weggegaan. Uit de resten heb ik heb ik mijn
verdere leven gebouwd en de jaren in Zuid-Limburg koester ik met heel mijn
hart.
Na enkele jaren op personeelszaken bij PTT telecom gewerkt te hebben ben ik
nu geworden wat ik wilde: fotograaf en schrijver. Telkens merk ik dat er in mijn
werk flarden uit die tijd op Ravensbos insluipen. Alsof het verleden
zich ook in het heden wil manifesteren. Mijn eerste roman "Lapis" gaat over
een priester die leraar is aan het seminarie Ravensbos en een zoektocht maakt
naar het raadsel van goed en kwaad. Hij stuit op een wereldwijd
politiek complot en ervaart een verboden liefde. Verschillende passages in de
roman (fictie en non-fictie) spelen zich af op "ons" seminarie. Wel heb ik
namen verdraaid maar dat moge duidelijk zijn.
Op dit moment werk ik aan een nieuwe roman, nu over de gevolgen van een
dictatuur van liefde. Ongetwijfeld put ik opnieuw uit de herinneringen aan
Ravensbos.
153
Ook in mijn vrije fotografische werk komt het thema geloof en mystiek telkens
weer terug.
Ik groet iedereen en hoop jullie nog eens te ontmoeten.
Henk Ganzeboom
154
Jan Egelmeers
Lang getwijfeld of ik met mijn verhaal ook naar buiten zou komen. Maar het is
toch goed dat mensen ook weten hoe het een jongen als ik is vergaan op
Ravensbos.
In 1962 werd ik van de 5e klas lagere school geplukt. Pater Lempens deed het
voorwerk terwijl ik buiten speelde, en voordat ik er goed en wel erg in had zat
ik in de VK van Ravensbos. Natuurlijk wilde ik missionaris worden en dus was
dit een logische stap. Of niet? Ik was nog zo groen en zo verlegen, niet
weerbaar. Het nieuwe leven viel in veel opzichten nogal rauw op mijn dak. Een
aantal onschuldige opmerkingen van medestudenten hadden zo'n impact dat
ze mijn leven flink hebben beinvloed. Ik kan het me niet meer voor de geest
halen, maar er is bijvoorbeeld gelachen om mijn toen nog hoge stem en
Limburgse tongval, ik werd nagedaan en dus keek ik wel uit om me veel te
uiten, iets wat ik toch al niet gemakkelijk deed.
Iemand maakte in het zwembad een opmerking over mijn buik, wat aanleiding
was om me niet meer te tonen, er alles aan doen om niet in situaties te
geraken waarin blouse of hemd uitmoesten. Op de foto's die op internet staan
van de vakantie in Velaux zie ik me met blouse aan en met angst in mijn ogen
zitten temidden van de andere jongens in zwembroek.
Bij de geringste tegenslag (bijv. iets niet weten in de les of als er een rolletje
drop was gestolen) kon ik mijn tranen niet bedwingen. Dat was lastig voor de
anderen, maar vooral voor me zelf een bron van schaamte. En zo waren er nog
een aantal problemen, angsten, waar ik het hier niet over wil hebben.
Ik behoorde meteen al tot het kleine groepje dat niet goed kon voetballen en
viel buiten de boot. Van klasgenoten kreeg ik stompen tijdens de pauzes en kon
daar aanvankelijk weinig tegenover zetten.
Ik wilde graag een muziekinstrument bespelen. 's Avonds oefende je dan in een
klaslokaal. Bij iedereen kwam de pater die dat organiseerde regelmatig kijken,
bij mij nooit. Dus ben ik er -spijtig genoeg- maar mee gestopt.
Door allerlei veranderingen aan mijn lichaam (puberteit) heb ik doodsangsten
uitgestaan en durfde of kon er met niemand over praten. Ik had geen idee wat
er met me gebeurde
Dit zijn zo een paar feiten ter illustratie dat ik me erg geïsoleerd en eenzaam
gevoeld moet hebben. De biechtvader die ik gekozen had en bij wie je
regelmatig op de kamer werd verwacht (die je dus eigenlijk moest begeleiden)
had geen enkele interesse, kende na een jaar mijn naam nog steeds niet,
noemde me Piet.
155
Van de volgende biechtvader kreeg ik meer aandacht, maar deze wist
waarschijnlijk ook niet goed om te gaan met mijn verlegenheid. Als sexuele
voorlichting kreeg ik een boek met de beeltenis van Michelangelo's David voor
me. De pater ging een kwartier weg en ik moest er naar kijken.
Ik ben geïnteresseerd geraakt in popmuziek, kreeg een transistorradiootje, en
dat werd mijn beste vriend. Met een paar jongens wisselde ik toptienen uit e.d.
Daar ging de meeste tijd in de studiezaal inzitten.
Op de lagere school kon ik goed leren, maar gaandeweg op Ravensbos werd dit
minder. De concentratie was er niet om de hele avond in de studiezaal te
zitten. Je mocht geen boek lezen als je klaar was met studeren, dus je zat de
tijd uit tot bedtijd (21.15 in het eerste jaar). Ik ontdekte dat je met spiekbriefjes
ook een eind kon komen.
Toen ik na een week griep in de eerste klas bij een bepaald vak uitleg vroeg
(weliswaar na de les, want in de les durfde ik dat niet) aan de leraar wilde deze
die niet geven. Gevolg was dat ik sindsdien achterop raakte, uiteindelijk de
proefwerken niet meer maakte, geen beurten meer kreeg in de les maar….
eerst nog wel een vijf op mijn rapport kreeg voor dat vak, maar gaandeweg
helemaal geen punt meer. En er is nooit een woord over gesproken!!!
In de vakanties thuis zat ik ook vooral bij de radio. In het dorp durfde ik nergens
naar toe, durfde mensen niet aan te kijken als ik ze voorbij fietste, was
mensenschuw. In het eerste jaar (en misschien ook het tweede) zie ik mezelf
nog in de vakantie met een brief langs de deuren gaan om geld op te halen, in
een ander dorp dan waar mijn ouders woonden. Ik overhandigde de brief en
vroeg of degene die de deur opende hem wilde lezen. Het had nog resultaat
ook.
In de hogere klassen kwam ik wat meer uit mijn schulp, maar bleef op de
achtergrond. De verveling uit die tijd blijft me wel bij. Die lange avonden in de
weekends dat er tv gekeken werd en ik op de achtergrond wat stond te
biljarten. Ik hield nou eenmaal niet van dr. Finley of Stiefbeen en zoon.
Naar mijn idee is er in de jaren op Ravensbos iets grondig fout gegaan. Er is
niemand geweest die zich echt om me bekommerd heeft, die eens een arm om
me heen heeft geslagen, die iets van opvoeding op me heeft losgelaten. Dat
doet me nog steeds zeer. En mijn ouders hebben het natuurlijk ook niet
opgepakt, gingen er waarschijnlijk uit dat dat op Ravensbos wel gebeurde (?).
Na een paar jaar ben ik beter mijn draai gaan vinden, maar bleef een
teruggetrokken jongen (denk ik).Mijn kontakten met andere jongens hadden
veelal met popmuziek te maken. In de recreatiezaal bij de wat ouderen zat ik er
graag bij als anderen moppen vertelden, onder het genot van een liter Caplimonade, of als liedjes van Boudewijn de Groot werden opgedreund. Heel erg
vond ik het als ik muziekervaringen wilde uitwisselen met een jongen die twee
156
klassen lager zat dan ik, en dan door zijn klasgenoten werd weggestuurd
vanwege dat klasseverschil.
De carnaval vond ik echt geweldig en die bracht me er zelfs toe om meerdere
malen een optreden met anderen te verzorgen. Later heb ik nog vaak op
personeelsfeestjes e.d. opgetreden.
De sportdag vond ik qua sfeer wel leuk. Voor het sporten zelf hoefde het van
mij niet. De muziek van Mario Lanza (Trink, trink….) blijft me in dit verband bij.
In de derde/vierde klas werd het goed merkbaar dat er minder leerkrachten
waren. Er was maar een pater met een MO-akte. Er kwamen enkele lekenleraren. De Mammoetwet begon in werking te treden en dus moest er een
vakkenpakket gekozen worden. Het moest wel een A-pakket worden. Exacte
vakken was niet aan mij besteed en ze werden m.i. ook niet (meer)allemaal
gegeven. Alle talen mocht ook niet, wat achteraf jammer was. Het niveau van
de opleiding daalde naar mijn idee (parallel met de neergang van het rijke
roomse leven) schrikbarend. Na de vierde klas op Ravensbos moesten we naar
de HAVO op het Bernardinuscollege te Heerlen, wederom de vierde klas. De
overgang was erg groot (mijn "normale" leeftijdgenoten bleken vriendinnetjes
te hebben, iets waar ik nooit bij stilgestaan had). Mijn niveau was bedroevend,
ik kon me niet concentreren etc., met spreekbeurten kwam ik keer op keer vast
te zitten. Gevolg: nog eens de vierde klas overdoen. Toen ik de vijfde eindelijk
bereikte heb ik die ook nog maar eens gedubbeld voordat ik mijn diploma had.
Ondertussen was ik toen al een jaar bij mijn ouders, die me tijdens de
kerstvakantie voor het eerst hadden gevraagd of ik het nog wel leuk vond op
Ravensbos. Ik durfde het uit me zelf niet te zeggen, uit angst om hen teleur te
stellen, maar nu was dus het moment en bleef ik meteen thuis. Gevolg was dat
ik ook in militaire dienst moest. Om deze te ontlopen was ik ook nog maar op
Ravensbos gebleven, hoewel het groot-seminarie niet echt lokte.
Afijn, toen begon het leven pas echt. Veel geworstel om er nog iets van te
maken, om aan de maatschappij te wennen en daarin mee te komen. Het is
wonder boven wonder gelukt, al houd ik wel wat littekens waar ik nog
regelmatig last van heb.
Hoe het gegaan zou zijn als ik niet op Ravensbos was geweest, is natuurlijk de
vraag. Een positief effect van de Ravensbostijd is dat ik gemakkelijker mijn
vleugels heb kunnen uitspreiden, niet vastgebakken ben gebleven in een
Limburgs dorp waar weinig te beleven was.
Zoals ik nu van meerdere studenten gehoord heb, was het feit dat je op een
seminarie gezeten hebt lang iets waar je niet mee te koop liep. Alleen als er
expliciet naar gevraagd werd en het "veilig" was, vertelde je dat aan anderen.
157
Er zijn natuurlijk nog een hoop herinneringen, beelden uit die tijd. Tot slot hier
nog een kleine selectie:
In het eerste jaar werd er tijdens het eten voorgelezen uit Don Camillo.
Een keer in de week op zaterdagmorgen renden we naar het
openluchtzwembad in Valkenburg om een uurtje te zwemmen. In plaats van
douchen.
Douchen gebeurde een keer per week onder het toeziend oog van pater
prefect. Je had vijf minuten de tijd. Het douchelokaal was een groot stoombad.
Blij dat er later moderne douches kwamen.
Aan tafel moest je je haasten met eten, want dan had je kans op het negende
plakje vlees of kaas (met z'n achten aan tafel, met een tafelchef in ons midden).
Een half pakje boter om met z'n achten te delen. En altijd weer die gekleurde
muisjes.
Zonder jas naar buiten in weer en wind, tijdens de pauzes. Niet te veel
samenscholen, in beweging blijven, en niet te veel met de hogere klassen in
kontakt.
Als je ziek was, kreeg je standaard een pilletje en moest je jezelf tempen, onder
de arm.
De studenten zorgden in toerbeurt voor de bediening van de paters an
broeders aan tafel.
's Morgens gewekt worden: eerst een paar voetstappen die de slaapzalen
binnenkwamen, waarna het geklap begon.
De vakanties in de Vogezen en de Provence, de bezoeken aan de grotten etc.
Het verzamelen van vanalles, van postzegels tot speldjes, en deze ruilen.
De boeken van Suske en Wiske, Pietje Bell en Arendsoog die van hand tot hand
gingen.
Het streng verboden blad "Muziekexpress" dat in Valkenburg na een wandeling
stiekem toch gekocht werd.
Stevig "studeren" met het geluid van de transistor (in je bureau) via een
draadje door je mouw naar je oor.
Tikkertje doen tijdens het rozenkransbidden door het park.
Appels jatten (met zwaar vegif gespoten, stond erbij) of hosties uit grote
zakken bij de boerderij.
158
Henk Wijnen
Herinneringen aan Ravensbos.
De waarheid van onderstaande herinneringen zal zeker aangetast zijn door de
tijd.
Ik wil daarom de lezer ook vragen dit dan ook als mijn waarheid te zien, tevens
ingekleurd door mijn recht van bestaan.
Hoe ben ik op Ravensbos terecht gekomen?
Komend uit een arbeidersgezin van 12 kinderen uit het Brabantse Heesch was
het een redelijk gewoon wanneer iemand goed kon leren dit vaak gebeurde op
een internaat. Dat was in die tijd dè mogelijkheid om kinderen betaalbaar door
te laten studeren.
Deze internaten waren van de geestelijkheid. Vaak hadden deze tot doel het
werven van nieuwe aanwas.
Jongens uit Heesch die priester wilden worden, gingen dan of naar het kleine
seminarie in Haaren (de wereldheren of wel de kapelaans), of naar Oosterhout
bij de kapucijners. (paters of monniken).
Maar ik zelf wou persé naar Ravensbos. Ik wou naar Groenland bij de eskimo’s.
Hoe ik tot die keuze ben gekomen weet ik tot op de dag van vandaag nog niet.
En dan te bedenken dat ik een hekel heb aan kou. Het enige wat ik kan
verzinnen is dat er een pater met mooie dia’s op school is langsgekomen.
Verder heb ik al van jongs af aan een hekel met de meute mee te lopen.
Combineer dat met mijn permanente zucht naar het onbekende en de teerling
is geworpen.
Daarom was ik ook de enigste jongen uit Heesch en verre omstreken.
Op station ’s Hertogenbosch kwam er dan een grote bus langs die overal in den
lande de jongelui op kwamen halen.
159
In mijn herinnering ging mijn vader de eerste keer mee tot ’s Hertogenbosch,
daarna werd geacht op eigen benen te staan.
Ook gingen we volgens mij maar drie keer per jaar naar huis. Bij Kerstmis,
Pasen en de zomervakantie.
Voor mijn ogen staat de volgende prent ingebrand.
Een klein jongetje met een veel te grote koffer voor zijn lengte stilstaand voor
de poort, denkend: wat doe ik hier.
Dat jongetje was ik. Maar ook toen won de nieuwsgierig het al vlug van
heimwee en hang naar huis. Kan we niet herinneren ooit heimwee gehad te
hebben.
Er was voor mij zeer veel te beleven en dat was interessant.
De eerste jaren.
Ik merkte dat er verschil in hiërarchie was tussen de verschillende leerjaren
met dien verstande dat de hogere wel eens taakjes oplegde aan de lagere.
Een keer moest ik van iemand (weet echt niet wie) schoenen halen. Hoop niet
dat hij nu nog staat te wachten, want ik heb ze niet gebracht. Schatte op de
trap in hoe vlug ik weg kon en dat is met mijn rapte goed uitgepakt.
Ik heb vooral de kat uit de boom gekeken en niet meteen over te gaan tot
handelen. En hoogstwaarschijnlijk om te overleven.
Wat dat betreft heb ik een goeie leerschool gehad met negen broers.
Verder had ik het met leren niet gemakkelijk. Moest hard werken, maar dat
was niet voldoende voor de tweede klas. Deze moest ik over doen.
Tijdens die jaren ben ik ook nogal eens ziek geweest. Ook op de ziekenzaal
gelegen. Had een onduidelijke ziekte, maar zal wel te maken hebben gehad
met dat die opleiding eigenlijk een maatje te groot was.
160
Toch heb ik dat niet als vervelend ervaren, dus zo’n ramp was dat op zo’n
moment niet.
Alles wat ik me van de franse les kan herinneren is het boekje Tatarin de
Tarascon. Wat meer latijn en één jaar grieks.
En desondanks heb ik van die talen nu nog veel plezier.
161
162
Toon van Buren
"De heilige boom van de Bawòng"
In Afrika had ik mensen getroffen, die zich moeiteloos naar een tweede
dimensie konden verplaatsen - en terug. En in de psychiatrie op de Willem
Arntsz Hoeve had ik patiënten leren kennen, die mij voorkwamen als
drenkelingen die uit de tijd gevallen waren; vrezers en zieners in onbekende
verten, die bij terugkomst verteld werd dat zij nergens waren geweest.
In het onderzoek waarvan ik hier verslag wil doen, ging ik uit van de hypothese,
dat beide groepen mensen dezelfde tijd/ruimteloze werkelijkheid betraden als
waar de westerse en oosterse mystiek van spreekt. In de Zen-meditatie vond ik
een bijna fysieke weg, die mij leidde naar die overkant, en aldus een
bevestiging vormde van mijn hypothese. Mijn reis naar binnen en naar buiten
voerde mij langs de drie stappen van de mystieke weg, en wil een bijdrage zijn
aan wat Merleau-Ponty eens noemde: de opdracht van onze eeuw, de poging
het irrationele te exploreren en het te integreren in een verbrede rede.
Toen ik al bijna een jaar bij de Bawòng woonde en mijn tijd bij hen begon op te
raken, bedacht ik, dat ik nog nooit hun busake-boom gezien had. De busakeboom is de heilige boom bij uitstek. De medicijnmannen schieten er hun pijl op
af tijdens de initiatie, en van het sap van zijn schors en van de wortels wordt
het dodelijke gif gemaakt, dat gebruikt wordt voor het godsoordeel. In het
toepassen van het godsoordeel waren de Bawòng, tot de tijd dat de Belgen het
verboden, erg actief. Zij gebruikten er het busake-gif voor in de meer ernstige
gevallen. In kleinere gevallen, om bijvoorbeeld enkel maar een oog uit te laten
branden – of niet natuurlijk - gebruikten ze het gif van de ipwueme.
Ik had daarom een van de oudere leden van de stam verzocht mij naar de
boom te vergezellen.
Het bleek een enorme boom waarin duidelijk zichtbaar pijlen te zien waren,
hele pijlen en verschillende metalen pijlpunten waar het houten pijlgedeelte uit
gevallen was. Generaties lang hadden hier de nieuwe medicijnmannen hun
opwachting gemaakt – ik bevond me op heilige bodem.
Of het daardoor kwam of doordat ik al de cadeautjes aan het verzamelen was
geweest om mee naar huis te nemen, wist ik achteraf niet meer, maar wel dat
ik, terwijl mijn begeleider even niet oplette, een pijlpunt uit de boom heb
163
gewrikt en in mijn zak laten verdwijnen. Als een wel heel bijzonder souvenir.
We waren echter nog maar enkele tientallen meters van de boom verwijderd
of ik besefte dat er iets volkomen fout was. Teruggaan durfde ik niet, want ik
wilde mijn gids en via hem alle anderen niet teleurstellen; zij hadden een
grenzeloos vertrouwen in mij gehad en nu dit. Later nog eens in mijn eentje de
pijlpunt terugbrengen was geen optie: met geen mogelijkheid zou ik de weg in
het bos kunnen vinden. Ik zat er danig over in, voelde me schuldig. Het eerste
dat ik dan ook deed zodra ik in het dorp kwam, was Mpeemp, de jongere broer
van stamhoofd Jokomakari raadplegen. Mpeemp was de belangrijkste
medicijnman van de stam, priester en profeet, hij zou weten hoe mij te helpen.
Ik vroeg: ‘Mpeemp, waarom schieten de medicijnmannen op de busake-boom,
de heilige boom in het grote bos?’
Mpeemp antwoordde: ‘Wij heten medicijnman-die-op-de-busake-boom-heeftgeschoten, en daarom schieten wij er op. Zodat iedereen kan weten, dat wij
terecht zo heten.’ Meester Eckhardt, ook van het gilde van de priesters, zo
herinnerde ik mij, sprak in zijn preek over de armoede juist zo: ‘Ik doe het
omdat ik het doe; dat is het antwoord van een rechtschapen werker, als hij het
goede antwoord geeft.’
Wij schieten, omdat wij schieten. We heten zo, omdat we het doen. We doen
het, omdat we zo heten. Maar voor mij was de zaak daarmee nog niet
geregeld. Ik vroeg daarom verder: ‘Maar stel nu dat die pijl er uit valt?’
Mpeemp: ‘Als die pijl er uit valt, gebeurt er niks’
Mantoine (zo noemde men mij): ‘Maar veronderstel dat iemand de pijl er nu
eens uit zou halen.? ‘ Ik vroeg het heel bedeesd.
Mpeemp: ‘Dat doet niemand, dus dat hoeven we niet te veronderstellen.’
Mantoine: (als goed zoon van Abraham blijf je aandringen) ‘Ja, maar als iemand
toch de euvele moed zou hebben, die pijl uit de heilige boom van het
Godsoordeel te trekken?’
Mpeemp: ‘Hij krijgt de schurft.’
Ik, hogelijk verbaasd, krabde me verlegen achter het oor. Als priesters onder
elkaar die aan een half woord genoeg hebben, besloot ik verder niets meer te
zeggen of te vragen. ’s Avonds had ik schurft achter mijn oor. Het zat op de
rechteroorschelp en liep langs de nek tot in mijn baard.
Twee jaar eerder was ik naar Congo (Zaïre) gekomen, om, als toekomstig staflid
van het grootseminarie van de paters Oblaten (o.m.i.) een jaar stage te lopen in
het bisdom Idiofa, provincie Kikwit. Na een jaar het werk van de missionarissen
te hebben bestudeerd door er actief aan deel te nemen, had ik mijn religieuze
oversten verlof gevraagd enige tijd te mogen wonen bij de stam van de
Bawòng, aangezien deze van heel de streek de minste invloed van de blanken
164
had ondergaan. Van september 1967 tot augustus 1968 deed ik er
antropologisch onderzoek.
Jarenlang liet ik de resultaten van mijn onderzoek liggen, aangezien ik er niet in
slaagde het materiaal zó weer te geven, dat ook de Bawòng zelf – gesteld dat
zij zouden kunnen lezen – er zich in zouden hebben herkend. Zo meenden zij
dat ik een teruggekomene was, een gestorven voorvader die weer naar zijn
dorp was teruggekeerd. Eveneens waren zij er van overtuigd dat ik een echte
medicijnman/waarzegger was, bekwaam om de grote dromen te duiden. Wat
betekende dat ik kon zien met behulp van de strijkpop of het waar was, dat die
en die ongevraagd in de grote droom van een ander was binnen gedrongen;
kwestie van huisvrede breuk, waar ofwel grote zegen ofwel grote rampspoed
uit voort kwam. Dat ik dus ook invloed had op boze geesten, geesten van
levenden of van doden, dat deed er niet toe, geesten sterven niet. En dat er
van mij, als van een echt stamhoofd een zegenrijke werking uitging op mensen
en dieren en planten.
Ik was mij ervan bewust, dat als ik deze opvattingen ter zijde schoof als niet ter
zake doende, ik in hun ogen een geheel onjuist beeld zou schetsen van mijn
verblijf onder hen. Het was of zij over mijn schouder bleven mee kijken:
Mantoine, die in Europa aan de mensen zou gaan vertellen wie wij zijn, wat
beweert hij nu?
1e stap: voorbij het denken
Zes jaar later veranderde de situatie opeens drastisch. Ik was intussen als
pastor gaan werken in het psychiatrisch ziekenhuis de Willem Arntsz Hoeve.
Getrouwd en wel lag ik eind januari 1974 te slapen toen Jokomakari en zijn
vrouw Butuk mij verschenen in de grote droom. Zij bevonden zich rond de
lampenkap boven ons bed, en even later voegde ik me bij hen. Van bovenaf
kon ik mijn vrouw Janny heel duidelijk zien liggen en mijzelf, iets minder
duidelijk, naast haar. Maar ik kon ook even gemakkelijk kijken tot in Itunda, het
dorp van de Bawòng. Tijd en ruimte bleken inderdaad, zoals ik van Immanuel
Kant had geleerd, vormen a priori van het verstandelijk/zintuiglijke kennen. Dat
wil zeggen dat zij niet echt bestaan, maar enkel optreden als wij ons verstand
gebruiken. Ze bestaan zoals de boeggolven achter een varend schip: ligt het
schip stil dan zijn de golven weg. Ligt het verstand stil - en dat deed het – dan
zijn tijd en ruimte opgelost tot één aanwezig Nu. Van dit laatste was Kant niet
zo overtuigd, maar ik zag het. Even daarna lag ik weer gewoon in bed, om
vervolgens me opnieuw bij mijn visite rond de lampenkap te voegen. Dit heeft
uren geduurd. Uiteindelijk ben ik in een diepe(re) slaap gevallen om bij het
wakker worden met een schok te beseffen: hier hadden de Bawòng het dus
165
over. Dit is een echte bawòng ervaring, zij hadden gelijk. En als dit waar is, wat
was er dan waar van die andere zaken? Teruggekeerd stamhoofd? Op dat
moment realiseerde ik me dat we in de stamtaal moesten hebben gesproken,
urenlang, omdat Butuk ook aan het gesprek had deelgenomen. De Bawòngvrouwen zaten namelijk opgesloten in de stamtaal Kiwòng, een toontaal die ik
verwoed maar vruchteloos geprobeerd had te leren spreken. Wel had ik de
voertaal Kikongo vloeiend leren spreken in het stage-jaar voor mijn komst bij
hen. Maar vrouwen spreken geen Kikongo. Ik was me er wel van bewust dat
het niet helemaal logisch was om te veronderstellen dat we in de droom
Kiwòng hadden gesproken, omdat je zoals bekend in dromen zelfs met een
doofstomme Chinees ongehinderd kunt communiceren. Maar ik was zo onder
de indruk van de droom, dat ik bedacht: als ik half wakker het Kiwòng beheers,
dan moet ik dat zeker kunnen als ik bij mijn volle verstand ben. En dat kon ik.
Zie je wel, teruggekeerd stamhoofd: ik had daar als een afasie-patiënt
hartstochtelijk naar elk woord lopen zoeken.
Ineens kon ik beschrijven hoe de visie van de Bawòng ook waar was. Als ik
vragen had, hoefde ik enkel maar niet-te-denken, zoals ik sinds enkele
maanden via de Zen-meditatie had geleerd, en dan opende er zich een
tijd/ruimteloos gewelf boven(in) mijn hoofd, en daar voegde dan vanzelf het
antwoord zich bij mijn vraag. Alles was immers één. En soms kon ik van
bovenaf op mijn gedachten kijken en zien hoe ikzelf het was die de twee
eindjes aan elkaar knoopte. Ik deed dat omdat ik het deed, want alle redenen
om te doen lagen daar beneden onder mij. Mpeemp had inderdaad gelijk:
vanuit deze ruimte werkten de medicijnmannen.
Zes weken lang kon ik deze ervaring zo maar op roepen: even innerlijk stil zijn
en de werkelijkheid lag open. Ik heb vervolgens twaalf jaar gewacht totdat ik zo
over de Bawòng wist te vertellen dat dit door Europese oren kan worden
gehoord en begrepen. En gemediteerd. En gelezen over andere mensen die
soortgelijke ervaringen hadden gehad. Zo las ik tot mijn grote troost bij Sri
Aurobindo, dat mijn ervaring ‘daarboven’ een duizenden jaar oude naam had:
advaita: niet-twee. Ik had al die jaren nodig, niet om te weten wat me toen was
overkomen, maar om het te kunnen herhalen. Niet in diezelfde heftigheid,
maar voldoende om voor mijzelf te weten, dat mijn droom toch niet slechts
maar een droom was geweest, wat je onder het geweld van het gezonde
verstand toch telkens weer geneigd was aan te nemen. Ik schreef toen, onder
het vage licht van de lampenkap, het uiteindelijke verslag. En nadat dit met nog
weer veel vertraging was uit gekomen, toog ik naar Jokomakari in Itunda, maart
1990, met het eerste exemplaar van Laat de boomstam maar liggen. Ik had aan
zijn verzoek voldaan: de mensen in Europa vertellen wie zij waren.
166
Ik ging met vragen: zou ik de taal nog weer kennen, zoals tijdens die zes weken
dat de droom als een deken om mij heen gehangen had? Had Jokomakari
werkelijk gemeend dat ik een stamhoofd was? En hoe zouden ze reageren als ik
mijn heilige boom debacle opbiechtte? Het stond in mijn boek dus vroeg of laat
zou het toch uitkomen.
Wat het Kiwòng betrof: tot mijn eigen ontroering verstond ik wat men zong ter
ere van mijn aankomst. Toen ik daar vragen over kreeg en ik zei dat ik
gedroomd had en dus.. - zeiden zij: oh ja dus. De trommels roffelden, de
vrouwen gilden, iedereen extatisch en ik met hen: het was of ik in die hogere
innerlijke ruimte geduwd werd waarin ik opeens het Kiwòng had leren
verstaan. Jokomakari, inmiddels 82 jaar oud, voorkwam mijn vraag over mijn
titel, door, toen heel het dorp zich verzameld had, een indrukwekkend lied te
zingen over de komst van het stamhoofd. Het lied van ‘De adelaar en de
leerling-tovenaar’ mocht enkel door een stamhoofd gezongen worden, en wel
ter ere van de komst van een collega. En mijn derde vraag: mijn biecht over de
gestolen pijlpunt had een volkomen onverwachts effect. Nadat ik verteld had
hoe ik daarom zo haastig na drie dagen geheel verslagen was vertrokken naar
Idiofa, en hoe ik weer vier dagen later, het leefgebied van de Bawòng echt
verlatend in het vliegtuig naar Kinshasa merkte, dat de schurft even plotseling
was verdwenen als het voorheen was gekomen, barstte iedereen in een
homerisch gelach uit. Ik had tot mijn eigen verbazing maar weer eens
aangetoond hoe groot medicijnman ik was: om zo iets dwaas te durven wagen
en er nog goed van af te komen ook. Het was een variant van ons gezegde,
begreep ik: je moet wel ontzettend geleerd zijn om zo stom te kunnen wezen.
Mijn reputatie had er enkel maar door gewonnen. Toen iedereen uitgelachen
was vroeg men, enkele dagen later, wat ik met die pijlpunt gedaan had. Ik
vertelde dat ik hem netjes bewaard had in een doos samen met de andere
cadeautjes, en dat op zekere dag de pijlpunt weg was. Ik had het als een
opluchting ervaren, een genoegdoening, alsof de pijl op eigen kracht weer
teruggegaan was naar het bos. ‘Dat is ook zo’ zei Jokomakari met
overdonderende zekerheid, ’wat van het bos is keert terug naar het bos.’
Hierop lachte niemand, ik al helemaal niet.
Jokomakari vroeg of ik de strijkpop, die hij voor mij had ingezegend, vaak
gebruikt had. Ik antwoordde van niet, maar ik verzekerde hem dat ik er wel
vaak in Europa over had verteld..
Een strijkpop is een beeldje van dertig, veertig centimeter lengte en vijf, zes
centimeter hoogte. Iedereen die een beetje handig is kan zo'n pop snijden uit
om het even welke houtsoort. Voorschrift is echter dat het vier poten heeft en
een staart, en dat het hoofd van het beestje - meestal een mensenhoofd, soms
167
ook een dierenkop - achterom kijkt. Het heeft de kop dus achterstevoren
gedraaid, zodat het gezicht aan de kant van de gladde, platte rug is. Over die
rug wordt een dop gestreken. Blijft de dop bij het strijken stilstaan, dan
betekent dat, dat de waarzeggerspop beet heeft, en het antwoord 'ja' is; glijdt
de dop door, dan is het antwoord 'nee'.
De medicijnman zit plat op de grond, beeldje voor zich, en maakt zijn riem los.
Het raffiakleed, dat de Bawòng als een badhanddoek om de lendenen dragen,
trekt hij daarmee ritueel uit. Hij zit naakt op moeder aarde, om de geest van
Vader daar boven, ver boven de lampenkap uit, te raadplegen. “Vader ben je
daar? “ is de eerste rituele vraag. Het is daarbij zaak dat hij niet de dag/nacht
tevoren geslachtsgemeenschap heeft gehad. Is dat wel het geval, dan zal hij de
cliënt heen sturen en vragen morgen terug te komen.
Deze onthouding was heel essentieel - en iets dat mij, celibatair priester van de
RK kerk bijzonder interesseerde. De Bawòng hadden namelijk een zeer
gevarieerd seksleven. Polygamie in de beide varianten: polygynie (veelwijverij)
en polyandrie (veelmannerij), plus de bedvriendschap (vrienden ruilen alles,
ook hun vrouwen - tenminste als deze laatsten het er mee eens zijn) , plus de
Zus-van-de-Leeuw (werd door het stamhoofd bij zijn intrede aan het volk
geschonken), plus (deze laatste variant was een vinding van de vrouwen ) de
vriendin-in-het-bos.
Dat in deze uitbundig levende maatschappij onthouding werd gepredikt was
voor mij een verademing. Hier kon je niemand ervan verdenken seksualiteit
van minder waarde te achten, althans als te weinig van waarde om het hogere
en heiligere te naderen. Integendeel, het ging erom juist zoveel mogelijk
seksualiteit te hebben – in die gevallen dat je de grenzen van het gewone leven
wilde verleggen. Zoals het geval was met de strijkpop. Of ook als men op jacht
ging, een onderneming op leven en dood. Dan werd in het hele dorp
afgeroepen: mannen slapen vannacht op de divan, de vrouwen op bed, want
morgen gaan we het gevaar tegemoet. De onthouding had een functionele
waarde.
De strijkpop, zo heette het, was een pijl die je afschoot op een everzwijn. Soms
raak, soms mis. De Bawòng die toch zo ervaren waren in het hanteren van de
strijkpop, waren bescheiden in het claimen van resultaat. Het betekende
namelijk twee keer mis, één keer raak.
2e stap: voorbij het voelen
Terug in Nederland viel me pas in: ze hadden natuurlijk de pijl in het busake-gif
gedoopt, en na jaren had ik de punt beetgepakt, om via Mpeemp me achter
het rechter oor te krabben. Het deed er niet meer toe. Wat er wel toe deed
168
was mijn pastoraal werk temidden van de psychiatrische patiënten, die ook de
grenzen van tijd en ruimte vaak wisten te overschrijden, maar niet wisten waar
zij aan toe waren Naar mijn vaste overtuiging verkeerden zij dan in de grote
tijd/ruimteloze ruimte, welke ik had ontdekt, en die sinds eeuwen de
eeuwigheid wordt genoemd
De brug tussen de wereld van de Bawòng en die van de patiënten werd
geslagen door de strijkpop: die keek naar achter, zag met de rug. De
medicijnmannen van de Hoeve wisten mij te vertellen dat het ongetwijfeld te
maken moest hebben met het hersen-ruggenmerg zenuwstelsel. Dat is één
doorlopend circuit. Het dagbewustzijn kent met het hoofd, het nachtbewustzijn
met de rug. De patiënten zakten onbewust in de rug en leden dan aan
paranoia, dat begon met achterdocht, en verhevigde tot achtervolgingswaan:
dan dacht je het niet enkel, maar wist je het zeker. En dat is ook zo, want in die
tijdloze ruimte gebeurt alles. Zij konden echter niet op tijd terugschakelen naar
hun hoofd, om daar te weten, dat datgene wat echt aan het gebeuren is, nog
vele jaren later pas zal plaats vinden.
Zij wisten niet wat er speelde, maar ik wist het ook niet. Want mijn advaitakennis was slechts lege kennis. Ik zag wel mijn eigen gedachten, ik beheerste de
taal voor zover ik hem geleerd had ( en niet verder!), maar ik kon niet zien wat
anderen zagen of dachten. Ik had slechts de eerste stap gezet op de weg naar
de verlichting. Het ging er nu om de tweede stap te zetten door alle gevoelens
ook zo los voor je te zien liggen. En weer hielp de strijkpop. Het was een dier
dat achterom keek, en wrijvend over haar rug, leerde je kijken via je eigen rug.
Het was het dier in ons dat moest ontwaken.
Ik droomde dat ik op een kameel reed, een kameel met een vrouwenhoofd, dat
heel zachtjes in mijn voorhoofd beet, op de plaats waar de Hindoes de heilige
stip zetten, en tegelijk voelde ik achter onder op mijn rug, daar waar het
strijkpopdier haar staart droeg, de vitale energie, de ki – opgewekt door
jarenlang zen-meditatie. (Dit Japanse ki-woord niet verwarren met de ki van de
Bawòng, dat ‘taal’ betekent). De verbinding tussen de twee punten voelde ik
echter niet. Ik begreep opeens: door dat wrijven verbindt de medicijnman alle
cakra’s, die van boven het gewone bewustzijn tot die van onder dat bewustzijn.
Ik had het totemdier ontdekt: je hoeft het je maar te visualiseren en alle
gevoelens verenigen zich!
Met dat magische beest kon je zo maar rondrijden in die lege ruimte van de
advaita. Anderhalf jaar was zij steeds weer bij me: in dromen, tijdens de
meditaties waarin ik de ki in haar cadans voelde kloppen, en éénmaal in de
auto. In het verkeer rond Hilversum voelde ik zomaar een aanwezigheid, rechts
naast me. Ik keek tersluiks naar haar (zag niets) maar de stomme dialoog deed
169
me goed. Ter hoogte van Bunnik ontsnapte me de vraag: ‘Wat zou jij dan
willen?’ En ze antwoordde bijna net zo duidelijk (een echte ‘stem’ dus, foei, en
dat nog wel voor een pastor werkzaam in de psychiatrie) : 'Ik zou met je willen
spelen; ik barst van de energie en weet alles en zou je dat in een
liefdesomhelzing willen geven; jij zit maar achter die mentale plaat te denken
en te peinzen; we zouden leuke dingen kunnen doen in de wereld om ons
heen; maar als jij niets vraagt gebeurt er niets.' Er ging een golf van energie
door me heen, vreugde, dankbaarheid, onoverwinne-lijk-heid.
Het deed me dan ook bijzonder genoegen toen ik later las dat het paard van
Mohammed waarop hij naar Jeruzalem reed, ook een vrouwenhoofd had. Het
moest zo zijn, want hij reed naar Al Aqsa, dat Het Einde betekent, net zoals
Itunda, het dorp van de Bawòng. Maar een andere ziener hielp mij nog meer op
weg. Nietzsche vertelt in Also sprach Zarathustra dat de mens die op weg gaat
naar ‘het worden die hij is’ drie transformaties ondergaat: eerst is hij een
kameel, vervolgens een leeuw en tenslotte een kind. De kameel verdraagt alles,
maar dan ontwaakt de leeuw die brullend zich verzet, om uiteindelijk in een
kind te veranderen, dat zelfs zijn eigen ik heeft overwonnen en aldus één wordt
met heel de werkelijkheid.
Dat ervoer ik na een daverende botsing met mijn collega pastor Hanna, begin
1994. De schok maakte dat de ki niet enkel intra- , maar nu ook inter-psychisch
werkte, met een bijna orgastische intensiteit. We hoefden er enkel maar
aandacht aan te schenken, of niet, en de ki trad in werking, of niet. Zomaar, op
afstand. Tussen ons voelde het dan als een liefdevolle aanwezigheid bij de
ander zonder enige begeerte, wat het kuise, heilige, zusterlijke karakter, zoals
wij het ervoeren, ervan verklaarde. Het was niet-twee zijn. Wat je bent, daar
kun je niet naar verlangen. Het was ontzagwekkend, verheven, genadevol en
tegelijk heel knus en huiselijk gewoon. En het was echte energie –
levensenergie, prana, stiltekracht, ki, bunono volgens de Bawòng - die ook
werkte op grotere afstand. Eens ‘lukte’ het me om op die stroom me
lichaamloos mee te laten dragen naar haar huis, twintig kilometer verder.
Volkomen bewust en klaar wakker was ik daar in hun hal aanwezig met het
heldere besef: ik ben nu hier en mijn lichaam is daarginds thuis, en een
moment later was ik weer bij mijn lichaam thuis, om deze manoeuvre daarna
nog twee maal te herhalen. We noemden het gloeien.
De energie die tussen Hanna en mij heen en weer golfde, was er ook tussen mij
en de patiënten, zij het dat de energie nu een volkomen neutrale kleur had. Ik
wilde persé eenrichtingsverkeer, omdat zelfs de schijn van ongewenste
intimiteiten in de psychiatrie zeer onaangenaam kan uitpakken. Dat nam niet
weg dat het bonafide energie was. Zat Herman, een deerniswekkende
schizofrene man, te jeremiëren over de stemmen die hem zeiden dat hij toch
170
naar de hel zou gaan, de schunnige woorden die als hij zat te bidden zo maar
uit zijn mond dreigden te rollen, dan humde ik wat van oh, en ach, maar
ondertussen stuurde ik, me concentrerend op mijn eigen hart en buik, de ki op
hem af. En al gauw zei hij dan met verbazing: ‘Als ik bij u zit ben ik helemaal
genezen.’ Maar hij had de deur van de pastoraatskamer nog niet achter zich
gesloten, of al zijn ellende stortte zich weer op hem. Hij was zo lek als een
mandje.
Het kwam doordat de drie transformaties van Nietzsche, de kameel, de leeuw
en het kind, slechts stap twee van de mystieke weg vormden: de Leegte waarin
alle gevoelens in volkomen harmonie worden gebracht en ‘los’ voor je liggen en
zich van tijd en ruimte niets meer aantrekken. Nodig was stap drie: dat al je
handelen en willen in de Leegte worden geplaatst. En dit bracht mij terug naar
de heilige boom van de Bawòng.
3e stap: voorbij het doen
Op zich is het helemaal niet logisch dat jagers op een boom schieten: je breekt
er je pijl mee en raakt zeker niet het everzwijn. Het was een daad als die van de
boogschutter van de do-technieken van Zen: judo, kado, kyudo. Die mikt niet
op iets buiten zich maar op zichzelf. De medicijnman zat naakt op de grond met
zijn strijkpop tussen de dijen, nadat hij zich van seks onthouden had en zijn pijl
van liefde niet op een ander, maar terug in de boom, die hij zelf was, had
geschoten. Zodat de ki van zijn kruin tot in het wortelcakra kon heen en weer
golven. Het ging er dus om het motorisch zenuwstelsel van het vegetatieve los
te koppelen, het dier in ons van de boom. Die niet beweegt omdat hij
geworteld is in heel de aarde: hij staat stil en doet door niet-doen. Wie de
boom in zichzelf realiseert, door alle ki te verzamelen, zodat wat overblijft in
hout verandert, wordt katatoon. De patiënt per ongeluk, de medicijnman met
opzet, iedereen in de rigor mortis. Daar achter ligt de vrijheid, niet door als een
‘gloeiend’ kind heel de rest te vergeten en overal juichend door heen te suizen
(stap 2), maar door heel de rest in verantwoordelijkheid in zich op te nemen en
te transformeren. Want terwijl zijn losgekomen ki-lichaam naar overal-en-altijd
uitstraalt, staat het hout als een raster van tijd en ruimte om de medicijnman
heen, zodat hij de boze geesten hun plaats kan wijzen en de verloren
voorwerpen op de juiste coördinaten van tijd en plaats weet te vinden.
Waar die heilige boom zich bevond, ontdekte ik toen ik midden 2003 – na 30
jaar zen-meditatie, 32 jaar huwelijk, 34 jaar werkzaamheid in de psychiatrie –
als een leerling-tovenaar in mijn eigen grote droom binnendrong.
Er lag een Douglasspar in onze achtertuin, zo'n reus als die welke ik twee jaar
eerder in Canada had gezien. Die bomen waren wel 100 (honderd) meter hoog
171
en 800 (achthonderd) jaar oud. Dat je zo’n boomstam moet laten liggen,
behoeft geen betoog. Ik wandel erlangs en besef dan dat het huis wel geplet
moet zijn, maar dat is toch niet zo. Als ik dichter bij het huis kom – “in het
lichaam of buiten het lichaam, ik weet het niet, God weet het”, zeg ik Paulus
van de Corinthiërs na - zweef ik verder het beeld inen zie dat de boom haar
energie vermengd heeft met de energie van het huis, zodat ze één geworden
zijn. Ik voel het daarop rond mijn heupen – ik ben kennelijk wakker, ook al
droom ik - en ik weet, dat dat mijn eigen energieën zijn: de energie van mijn
bewuste lichaam, de energie van ons huis, van mijn leven met Janny en de
eeuwige energie van de ki. Die eeuwige energie heeft zich zo door heel mijn
bewuste werkelijkheid heen geboord, dat het zich nu aan de andere kant, aan
de kant van het dagelijkse leven heeft gemanifesteerd. Van binnen naar buiten,
zoals dat heet, en van buiten naar binnen. Ik bevind me tussen de kruin van de
boom boven het huis en kan zo maar het dak van het huis aftillen.
Het Chinees/Japanse pictogram van de Leegte – Sanskriet Sunyatta, Japans Ku –
waar het allemaal om begonnen is, is een huis waar het dak van af is, zodat je
van binnenuit de grote leegte van de luchten, waarin alles zich afspeelt, kunt
zien.
De heilige boom van de Bawòng groeit in ieders achtertuin.
Toon van Buren
172
Gerrit Damhuis
1957-1965
Ten behoeve van de reünie op 13 mei 2010 Hemelvaartsdag!!
Van Gerrit Damhuis
Zat van 1957 tot 1965 op Ravensbos
Woont nu 36 jaar in Oirschot
Getrouwd met Gerry Toenders (we vierden vorig jaar ons 40-jarig huwelijk)
Heeft zoon en dochter en twee kleinkinderen
Is partner/adviseur bij DamhuisElshoutVerschure in ’s-Hertogenbosch
In februari 2003 was ik mijn spullen aan het opruimen toen ik een brochure
tegen kwam van De Oblaten van Maria. Ik kwam op het idee om deze term bij
Google in te voeren en zie daar : een rijk aan adressen waaronder Ravensbos.
Ik heb geruime tijd zitten kijken en lezen. Verrast dat je foto's ziet van jezelf die
je nog nooit gezien had. Het smaakte naar meer en ik stuurde mijn foto’s op en
een mailtje dat ik nog verder van me zou laten horen. Dat laatste kwam er niet
van. Dus nu maar onderstaande tekst ingestuurd die ik reeds in 2003 schreef.
Hoe ik de afgelopen jaren erover sprak.
In veel gesprekken is het natuurlijk aan de orde gekomen dat ik op het
seminarie heb gezeten en meestal kijken de mensen je dan een beetje met
mededogen aan : "God , wat sneu dat dat jou is overkomen !"
Mijn reactie was altijd : "helemaal niet" . "Ik heb op een prima open seminarie
gezeten en ik had nooit die opleiding kunnen volgen als ik thuis gebleven was."
Ik vertel dan enthousiast dat het een "open "seminarie was waar letterlijk de
heggen erom heen waren weggehaald , het heel rijk was aan talloze activiteiten
van sport tot toneel, dat we er vaak werkten op een boerderij , dat je er veel
spannende verhalen hoorde van missionarissen die langs kwamen, dat we met
het toneel en carnaval ook elders optraden, dat ik naar Bernadinus in Heerlen
ging voor de laatste twee jaar , etcetera. Kortom een loflied. Zo voelde ik het
ook en nog steeds.
Wat ik niet leuk vond was dat je geen vriend mocht hebben. Ze lieten je dat
meteen merken. Zo van anders wordt je homofiel, hoewel ik in het begin niet
wist wat dat was . Evenzeer als toen je voorlichting kreeg, je niet bezig was met
sex en zo. Dat kwam pas later.
173
Ja en dan de regels en het strakke ritme van de dag. Dat had twee kanten. Ik
dacht voor me zelf dat het wel goed was geweest om tot studie resultaten te
komen en je leerde er ook mee omgaan. Het is voor een deel ook een spel.
Ik had daarbij een hele goede band met pater Kusters, de overste, die ik als een
soort vader ervaarde en die me altijd positief benaderde om het beste uit me
te halen. Ook Pater Palm was zo'n figuur waar ik het goed mee kon vinden.
Toen de meisjes interessant werden, wilde ik ook dat verkennen en deed datna enige aarzeling dan ook. Mijn moeder zei daarbij : "jongen, als je pater wil
worden prima, maar je moet het niet om mij doen. Dus als je met meisjes om
wil gaan om te ontdekken wat dat betekent, dan moet je het doen". Dat gaf me
altijd een goed gevoel van kunnen kiezen.
De doorslag om niet meer pater te worden, kwam met het vertrek van pater
Kusters en de komst van pater Hendriks. Dat vond ik een nare dogmatische
man die de weg blokkeerde die sinds het Vaticaanse Concilie met paus
Johannus de 22e was gevolgd. Je zou nu zeggen: het werd Gijzen direct na
bisschop Bekkers. Je mocht tegen die man niet eerlijk zeggen wat je ervan
dacht. Iets dat juist in de jaren daarvoor tijdens de "geestelijke lezingen" zo
nadrukkelijk je was voorgehouden. Ik heb toen aan het begin van de laatste
twee jaar besloten om niet door te gaan maar wel de HBS af te maken. Een
kerk die de regels benadrukt en niet de missie, daar voelde ik me niet thuis. En
dat is later overigens alleen maar sterker geworden. Terug naar Leeuwarden
was toen gezien de situatie thuis geen optie. Dus blijven en elke dag op de fiets
naar Heerlen. Op de HBS ontmoette ik aardige mensen , zoals Peer Willekes,
René Haijen en Budje Magermans. Ik kwam ook veel thuis bij Peer Willekes
waar ik me enorm thuis voelde. Ik had toen al afscheid genomen en toen ik
mijn papiertje had in 1965, was het ook over met Ravensbos.
Jaren later heb ik me altijd wat schuldig gevoeld dat ik verder niets van mij liet
horen. Een aantal keren ben ik nog wel eens langs Ravensbos gereden en vorig
jaar heb ik de wegjes die ik veel fietste en liep naar Valkenburg nog eens langs
gereden. Een fries die weer Friese hengsten zag.
Gevoel van een leuke, voor mij waardevolle tijd zijn dan aan de orde.
Ik ben van plan om de acht jaren op Ravensbos nog eens uit te schrijven. Hier
het eerste begin.
Het begin : september 1957
Ik was elf jaar toen mijn oudste en enige broer Bertus ( toen 21 jaar) mij met de
trein van Leeuwarden naar Sittard bracht en vandaar met de bus via Schimmert
174
naar de halte voor aan de weg. Tom Graat en zijn moeder ( uit Rrrrrotterdam)
zaten ook in die bus en we liepen met ons vieren naar dat grote gebouw in de
verte.
Het was warm en ik zie nog dat het wat stofte op de weg met bruine klei en
kiezels.
Maanden aan voorbereiding waren daar aan vooraf gegaan. Alle spulletjes in
gekocht en mijn moeder en mijn zussen hadden nummertje 17 in al mijn
hemden, onderbroeken , lakens genaaid..
Ik kwam nog een brief van mijn moeder tegen aan een van mijn oudere zussen
die wel illustratief is :
(4 september 1957 brief van mijn moeder aan veronie.)
"Onze Gerrit is vanmorgen met Berthus naar Valkenburg gegaan. Berthus komt
vanavond weer thuis. Ja er is heel wat geld voor uit gegeven buiten 't
linnengoed wel 75 gulden en dan 't reisgeld nog. Hij heeft alleen zijn overal bij
Werkman gekocht . 9,25 en naar het consultatie bureau 3,50 voor doorlichten
dan toilet en schoolartikelen dat was f 25,- reparatie schenen met crème f 10
en ga zo maar door. Hij heeft jou tas mee , Veronie"
Waarom naar Valkenburg ?
Dat ik helemaal van Leeuwarden naar Valkenburg ging kwam als volgt. Mijn
vader en moeder waren goed katholiek en hadden zeven dochters en twee
zonen. Ik hoorde bij "de drie kleintjes" die na de oorlog werden geboren. Mijn
vader was heel blij met mijn komst : toch een zoon na al die meiden en ik heb
nog vaak van mijn zussen de wat pesterige ( ik zei dan jaloersige) opmerkingen
moeten horen dat mijn geboorte met een dure advertentie in de Volkskrant
werd aangekondigd. Ik was een zondagskind : geboren op drie koningen 1946.
Wij waren een katholieke familie in een gereformeerde/hervormde enclave in
Leeuwarden. We hadden in Leeuwarden een katholieke bakker, katholieke
slager, katholieke groenteboer en ik zat natuurlijk op een katholieke school ( de
Sint Bonifatius -school) aan de Voorstreek.
Bij ons in de straat ( de Auke Stellingwerfstraat) was een openbare school waar
je steeds langs kwam. Als je 's-morgens naar kerk ging ( ik was misdienaar)
werd je nogal eens uitgescholden voor "roomse paap". Daar wordt je dus
fanatiek van. Als ik in de vakanties bij familie in Eindhoven en Eersel kwam, was
ik verrast van het relativerende bij hen. Achteraf had ik dus wel een tik van het
gereformeerde gekregen.
175
Mijn vader werkte bij de gemeente als magazijnmeester, was timmerman
geweest, zat in de vakbond Katholieke Arbeiders Beweging Overheid. Omdat
een broer van mijn moeder in Leeuwarden een strijdbare vakbondsman was ,
ging het nogal eens over dat soort zaken. Het feit dat mijn vader ooit de kerk
was uitgelopen toen door de bisschoppen werd verkondigd dat een katholiek
niet lid mocht zijn van de PvdA ( ik denk toen SDAP ?) , gaf mij een trots gevoel.
Ik bewonderde hem zeer. Elke dag stond ik tussen de middag op hem te
wachten op de hoek van de Groninger straatweg en de Bleek-laan en kon dan
al mijn verhalen kwijt.
Maar goed, ik zat dus op de Bonifatius- school vlak naast de kerk. Op school
deed ik het aardig en herinner me dat ik extra klusjes mocht doen van Juffrouw
Poederdoos ( haar echte naam weet ik niet meer) en ook bij “master’ de Haan (
die moest je met de Friese titel aanspreken) kreeg je weekopdrachten en was
ik vaak op dinsdag al klaar. Ik kon redelijk leren , hoewel ik al vroeg door mijn
zussen ( die in het onderwijs zaten) blijkbaar al vroeg was getraind in rekenen
enzo.
Voor dat de school begon moest ik vaak misdienaar zijn , soms in de kerk en
soms in het St. Josef bejaardenhuis dat er langs lag. Pastoor Dierkens praatte
op mij in of ik niet priester wilde worden. Hij regelde voor mij en een paar
andere jongens een bezoek aan het seminarie in Apeldoorn ( dat is de pendant
van Rolduc : de wereldheren).
In diezelfde periode bezocht mijn zus Thea , die inmiddels in IJmuiden vree en
daar later ging wonen, een tentoonstelling van de paters Oblaten van Maria.
Het ging met name over de Eskimo’s. Ze liet daar vallen dat ze een broertje had
die ook priester wilde worden en niet lang daarna stond pater Lemmens bij ons
in Leeuwarden op de stoep.
Mij spraken de verhalen enorm aan en ik vond het veel leuker om naar een
missie te gaan en pater te worden dan bij die wat stijve en bekakte
wereldheren. Ik vond dat vooruitzicht wel mooi en natuurlijk wilde ik mensen
op tijd dopen . Stel je voor dat ze zonder doopsel zouden sterven en zo in de
hel kwamen !.
Dus het werd de paters , ook al probeerde pastoor Dierkens mij en mijn
moeder te overtuigen om toch naar Apeldoorn te gaan. Wat bij de keuze zeker
meespeelde was dat in die periode mijn vader net was overleden ( februari
1957) en mijn moeder ook nog drie jonge kinderen had en er bepaald niet
breed bij zat. Zeg maar gewoon elk dubbeltje drie keer om moest draaien.
Ik was een goede leerling en zo werd geregeld dat ik de zesde klas niet meer
hoefde te doen en meteen naar het voorbereidende jaar op Ravensbos kon
gaan.
176
De eerste maanden.
Toen ik aangekomen was op Ravenbos heb ik niet lang daarna een brief aan
een van mijn zussen geschreven (onze Veronie) die goed het strakke ritme van
het seminarie aangeeft.
Ik typ deze brief uit september 1957 (ik was elf jaar) over met spellingsfouten
en al.
"Lieve Vroon,
hier de eerste brief van mij ja je hebt het geraden hoor
ik zat op post te wachten.nou en je zult wel benieuwd wezen
hoe het hier is en uitziet nou en ik zal je het ook schrijven
reglement is zo : kwart over 6 opstaan. kwart voor 7 : H.Mis. Half acht:
ontbijt. kwart voor 8 : bedopmaken en Recrajacie. 8.15. Studie 9 uur 1 les.
9.50 tweede les. 10.40 Recrajacie.11 u. 4de les. 11.50 5de lis. 12.40. handwerk
dat is je opgegeven werk bijv. Gang vegen. Trap dwijlen w.c. schoonmaken enz.
1 u.eten. 2 u.Recrajacie. 2.30 Rozenhoedje. 2.45 5e les: 3.35.6e les:4.25 breng
je de boeken terug naar de studie. 4.30 boterham die wij krijgen en buiten in de hand opeten. 5 u studie je werk maken die je die dag op heb
gekregen. 21/2 u studie ja het is een lange tijd maar, het vliegt zo om. 7.30
avondeten. 8.20 schoenen poetsen.8.30 Vrije Studie dan mag je je werk als je
het nog niet af heb af maken. 9u naar bed. ja het is een heel regelement. Ja we krijgen al heel wat vakken en het Latijn is nog wel
de moeilijkste ik ken het al wat maar toch heb ik liever wat anders
maar we hebben volop recrajacie dat ja , dan ben je vrij dan
ken je doen wat je wil. Nou en je schreef mij dat wij hier ook de
A.Griep hadden nou volop. we hebben al 4 dagen vrij gehad. ja
de laatste twee dagen hebben we aardappelen rapen gehad.
er zijn 75 van de 108 ziek geweest en nou is het weer wat gezakt
ik heb van dinsdag tot zaterdag in bed gelegen nou ik had
er genoeg van. Hier is een hele boerderij er zijn 400 kippen
en 98 varken en 36 koeien, ik kom net van de Boerderij
want ik ben bij het melken geweest en toen ben met de
tractor naar het aardappelen veld geweest en heb wat met
de tractor gereden nu hebben we vrije stdie 6 – 7 u dus kort en
schrijf ik jou meteen maar een brief maar ik schei uit
wat het is bijna 7 u nu dag vroon een dikke tuut van
Mij
177
Tot zover dit eerste begin. Er zal nog het nodige volgen
Gerrit Damhuis
178
Willem Theloosen
ROEPING
Komt van het werkwoord roepen. Ja toch! Wanneer het roepen beantwoord
wordt, is er contact tussen twee personen en communicatie.
Ik had grote twijfels over mijn roeping,60 jaar geleden. Stel je voor Wimke
Theloosen naar het “Simmenarie “, geen haar op mijn hoofd die daar aan
dacht. Ik kwam uit een warm nest,had vele vriendjes en vriendinnetjes, en was
nog al avontuurlijk ingesteld,door mijn vele bezoeken aan de boerderij van mijn
grootouders van moeders kant, een gemengd bedrijf ,van ca 30 hectaren, waar
Ome Toon en Ome Rinus hun roeping volgden.
Welleswaar noodgedwongen, omdat Ome Toon het liefst veearts was
geworden, maar zijn broer een echte boer was. Heel mijn jeugd heb ik daar
doorgebracht, na schooltijd en vacantie. De boerderij en omgeving lag in 19441945 in het oorlogsgebied rondom Arnhem. Allerlei wapentuig lag er verspreid
en ik was een echte verzamelaar van schiettuig en minutie. Toen ik bij de
demontage van een stuk oorlogstuig bijna mijn vingers kwijt was, ben ik er mee
gestopt. Wanneer mijn grootouders mij zagen aan komen, op de fiets van mijn
moeder, uiteraard met houten klossen op de trappers, dan riepen ze :”Lucifers
weg, daor kum Wimke aon”. Dit deden ze niet zonder reden, omdat ik van
jongs af aan gefascineerd was door vuur.
Om helemaal eerlijk te zijn, die fascinatie deelde ik ook met mijn neven en
mijn vrienden, maar ik was wel hun leermeester. Wat we wel in brand mochten
steken, was het strooisel dat achter bleef op de akkers, wanneer het koren
gedorst werd. Dat liep eens totaal uit uit de hand, omdat we geen rekening
hadden gehouden met de windrichting, waardoor een klein korenveld van de
buren ook in vlammen opging. Ik de oudste kreeg de schuld, maar het werd me
vergeven ,omdat een jerrycan vol benzine in een aanpalende droge sloot
verborgen lag, en met een luide knal en vuurwerk de lucht invloog. Een
overblijfsel van de oorlog, De waarheid gebood te zeggen, dat die jerrycan met
voor bedachte rade door mij in die in die sloot was verstopt.
Ik had er ook een handgranaat in kunnen verstoppen, maar dat durfde ik niet
aan. U vraagt zich natuurlijk af, wat heeft dat allemaal met roeping te maken?
Helemaal niets natuurlijk. Eigelijk wilde ik het liefst toneelspeler worden. Dat
had alles te maken met veelvuldig bezoek van acteurs en actrices van
toneelgroep “Theater “uit Arnhem, die op de boerderij producten kwamen
kopen, zoals eieren, melk, groente, fruit en vlees.
179
Daar waren beroemde namen bij, zoals Rob de Vries en Ton Lensink, Bernard
Droog en natuurlijk Hans Tiemeijer een grote forse man. En die laatste las ons
voor uit een boek van Ome Toon, met alle kruistochten er in en prachtige
gravures van Gustaaf Doree. We luisterden ademloos. Acteur dus!!
“Allemaal armoe jungske” zei opoe, en die kon het weten, want de heren
vonden alles te duur. Wel mijn eerste contact met theater.
Vanaf de vierde klas op de lagere school kregen sommige jongens franse les, als
voorbereiding voor het hogere onderwijs. Al mijn vrienden zaten ook in dat
clubje van ca 15 jongens. Daar kwam natuurlijk ook ter sprake, wat je wilde
worden. Nou, de animo om priester te worden was erg hoog. Van die 15
hadden zeker 5 of 6 het plan om naar het seminarie te gaan. Ik wist het nog
niet. Zeeman leek mij ook wel wat, of boswachter. Maar toen we in de zesde
klas zaten werd er vaak over gesproken. Joop Molenaar, a.s. OMI, woonde bij
ons in de buurt, en via zijn broer Eddy kwam ik in contact, en hij vertelde mij
over zijn opleiding bij de Paters Oblaten van Maria in Valkenburg. Vincent van
de Loo, een broer van mijn vriend Paul, studeerde daar ook. Paul had ook al
eens door laten schemeren, dat hij” roeping” had. En ja, er bleken nog anderen
met het zelfde idee te lopen. Uiteindelijk gingen er 6 jongens naar een
seminarie. En het werden er 7,want ik sloot me ook aan. Ja, en toen stond
Pater de Grauw al vlug bij ons op de stoep en was er geen ontkomen aan.
Ik kreeg allerlei informatie, folders, boekjes om eens door te lezen. Ondertussen ging hij met mijn vader naar een rijke katholiek (handelaar in oud ijzer)
en met veel zilverlingen kwam hij weer terug. Glunderend: ”En wat dacht je er
van, Wim?” Ik aarzelde met mijn antwoord, waarop mijn vader zei: ”doe het nu
maar” en ik was overgehaald. De papieren zouden opgestuurd worden, en ook
verdere informatie. Natuurlijk bracht ik mijn vrienden op de hoogte.
Die reageerden erg verbaasd en konden er met de pet niet bij. Uitgerekend jij!!
Op mijn reactie van: “En hij dan” Ja, hij is misdienaar, en hij ook.
Uiteindelijk gingen drie jongens naar Ravensbosch. Paul v.d.Loo, Henry Polman,
en ik. En enkele jaren later zaten we met zeker 10 mensen uit Elst in
Valkenburg, en als we Lent(Gem.Elst) er ook bij rekenden, dan zaten we wel
met 20 studenten alleen uit de gemeente Elst.
Het begin was voor mij erg moeilijk, dat idiote reglement, die beknotting van
de vrijheid. Was dit nu “ roeping”? Waar ben ik aan begonnen? “Roeping” En
de antwoorden dan? Maar de vriendschap met andere lotgenoten maakte veel
goed, en je wende aan het regime van De Grauw, zeker niet mijn favoriet. Ook
het leren ging me goed af. Behalve wiskunde! Ik snapte er niets van. We kregen
wiskunde van Pater Bauhuis, wiens bloed ik wel kon drinken, want hij heeft me
verschillende keren voor Piet Snot voor de klas laten staan, met wiskundige
vragen. Natuurlijk bracht ik er geen steek van te recht. Hij was wel een kei in
180
sporten, en voetballen kon hij als de beste, maar als ik de kans kreeg trakteerde
ik hem op een tackle.
Later leerde ik hem beter kennen als ziekenpater. Hij verzorgde je heel goed en
was heel alert op koorts en andere ziektebeelden.
Uit medelijden kreeg ik later beurtelings een 2 en 3 voor algebra en meetkunde
en heb ook nooit een proefwerk gemaakt. Met meer paters had ik een goed
contact, zo heb ik honderden courtjes gelopen met pater Uiterhoeve, een
echte Zeeuw, al zou je dat niet zeggen, wat betreft zijn postuur. Pater Voogd,
die me kennis liet maken met de klassieke muziek, en mijn eeuwige liefde voor
de oude componisten. Ik zal nooit die middag vergeten, waarin uit enkele
houten kastjes, waarin spoelen ronddraaiden en celluloid zich om schijven
wikkelde, prachtige klanken kwamen. Dat mirakel was in elkaar geflanst door
Pater Lempens, meen ik en dat het zo goed functioneerde had te maken met
het weer die dag. Het was niet vochtig en de zon scheen en haar stralen
werkten mee aan het grote wonder wat we aanschouwden en waar we vol
verwondering naar luisterden. Pater Schram, die ons in Wijlre kennis liet maken
met Limburgse vlaai. Pater Willie Tromp uit Hatert, jarenlang mijn biechtvader.
Die het ook op zich nam, om mij seksuele opvoeding te geven, doch daar had ik
door mijn jarenlange verblijf op de boerderij, geen behoefte meer aan. Alleen
ons taalgebruik verschilde wel. Dan was er ook nog Pater Rientjes, hij gaf
engelse les, en door zijn Friese afkomst had hij geen problemen met de
uitspraak, maar wij wel. Hij was ook hopman bij de verkennerij en fanatiek. We
werden meegevoerd naar Idar-Oberstein in de IJffel, daar lagen de edelstenen
voor het oprapen. Ook het slijpen werd ons gedemonstreerd. Ik had goed
toegekeken en besloot de opgedane kennis thuis op de elektrische slijpmachine
in de praktijk te brengen, met als gevolg een uit elkaar spattende agaat en mijn
vingers flink ontveld.
We gingen ook op kamp bij paal 8 op het mooie Terschelling. Daar maakten we
voor het eerst kennis met het fenomeen Hudo (houdt uw darmen open) Dat
was een diep gat in een duinkom, waarover een constructie bevestigd was van
aangespoeld hout, met in het midden een opening, waarop je ging zitten en je
ontlasting de vrije loop liet. Het was meen ik ook afgezet met stukken zeil, voor
een beetje privacy. Ik zal niet de avond vergeten dat ik op de Hudo zat en een
Latijnse psalm zong, waarvan ik de melodie zo mooi vond. De woorden van die
psalm ben ik nooit vergeten: “ In Manus tuas Domine, commendu spiritum
meum.” s’Avonds bij het kampvuur vond hij het nodig, om het uitgebreid te
vertellen. Iedereen lag in een deuk, doch er werd geen naam genoemd. Ik heb
me later afgevraagd, wat hij daar bij die Hudo te zoeken had.
Natuurlijk trok mijn hart ook naar de boerderij, waar pater Jan Kuilboer de riek
zwaaide. Een echte westfries met zijn blonde kuif. Broeder Mensink was dacht
181
ik, zijn eerste assistent, of was het broeder Jungslaeger? Pater Tillemans, de
heeroom van Loekie Linnartz die wel veel werk maakte van zijn mis, die dus ook
langer duurde dan bij anderen. Er was een pater, wiens naam ik niet meer
weet, waarbij iedereen graag wilde dienen, omdat hij als een sprinter door de
dienst flitste Pater Boers, bij wie niemand misdienaar wilde zijn, vanwege zijn
geur van heiligheid. Man, wat stonk die man uit zijn mond. Pater Keizer, die uit
de missie van Ceylon kwam en prompt mijn naam veranderde in Bill. Ook
kwamen er veel missionarissen langs, om te vertellen over hun werk in verre
landen. Afrika en Ceylon leek mij wel wat, lekker warm. Ook kwam er wel eens
een bisschop op bezoek, dat was feest, met extra lekker eten, glaasje cider, en
s’avonds een filmvoorstelling in de aula. Ook bij het bezoek van de GeneraalOverste was het helemaal een groot feest, ook bij jubilea van paters en
broeders. Ik kan me nog herinneren dat broeder Urlings zijn jubileum vierde
70jaar in t klooster??
Maar mijn meeste aandacht ging uit naar de komst van missionarissen uit de
koude streken in het hoge Noorden en hun dappere bewoners.
Indianen en Eskimo’s. Echte natuurvolken, voortdurend in strijd met de barre
natuur van ijs en extreme kou.
Het werd helemaal te gek, toen een Belgische missionaris buiten op de cour
een demonstratie gaf met een hondenzweep. Hij legde een lucifersdoosje op
zeker 6 meter afstand, zwaaide vervaarlijk met de zweep naar achter en sloeg
het doosje dwars door midden. Ook het eten bij de Eskimo’s trok mij wel aan.
Elke dag vlees. Dat waren we zeker niet gewend op Ravensbosch. Het volgende
haalde mij helemaal over. Ik had toen s’winters erge last van wintervoeten.
Hele erge jeuk tussen mijn tenen, die uiteindelijk blaasjes kregen en uiteindelijk
vol rode uitslag zaten. Ik vroeg of dat bij de indianen en Eskimo’s ook
voorkwam. ”Zeker” antwoordde hij: ’Daar hebben ze een uitstekende remedie
voor” Natuurlijk vroeg ik hem wat de oplossing was.
Hij keek even om zich heen of er niet te veel jong grut bij stond en toen gaf hij
mij de oplossing. ”Ge moet bij het krieken van de dag over uw blote voeten
plassen en meteen daarna met blote voeten door de sneeuw hollen, vervolgens
spoelt ge uw voeten af met koud water en droogt ze stevig met een ruwe
handdoek. Dan de sokken en de schoenen aan. Mits natuurlijk, pater Prefect er
toestemming voor geeft. Ik keek naar pater Uiterhoeve en die knikte, dat het
goed was. ”Maar maak er geen circus van” Dus de volgende morgen vroeg, ging
ik in mijn korte broek en trui naar buiten, naar het rozenkranslaantje, deed vlug
mijn schoenen en sokken uit en pieste over mijn blote voeten en toen als een
gek door de sneeuw met mijn sokken en schoenen in de hand, en vlug naar de
schoenenzaal om mijn voeten af te spoelen. Ik had geen gevoel in mijn voeten,
dat kwam later. Sodeju!! Maar ik heb nooit geen wintervoeten meer gehad. Na
182
deze heldhaftige volkomen onbekende therapie, gingen de luiken op de
slaapzaal zachtjes dicht. Voieurs!
Ook had ik eczeem aan mijn handen, vooral met schraal weer. Pater Tromp,
mijn biechtvader had daar een biologisch middel voor: ”Notensap”. De schil van
walnoten en water bewaarde hij in een grote glazen stolpfles. Jarenlang,
volgens mij. Die oplossing kreeg uiteindelijk een donkere, geheimzinnige kleur.
Na de biecht bespraken we mijn probleem en kreeg ik een klein scheutje van
dat notensap in de kom van mijn handen, om ze in te smeren. Het hielp,want
de exeem verdween onder die laag van zwarte smurrie, maar zodra Pater
Janson, de nieuwe prefect, mijn zwarte (klauwen) zag, stuurde hij me naar de
dichtstbijzijnde wasgelegenheid om mijn handen te wassen. Daar kwam veel
vim bij te pas, wat natuurlijk funest was voor het genezingsproces van mijn
eczeem.
Natuurlijk was er naast discipline en studie ook tijd voor cultuur. Pater Voogd
richtte een jongenskoor op, Pater Palm regisseerde toneel, o.a. de klassieker:
Arsenicum en oude kant, waarin de twee oude damesrollen, perfect vertolkt
werden door Piet Wijs en Gerard van der Beuken. Jene van Moorsel schreef
ooit een parodie op “Willem Tell” Ik mocht toen de proloog doen. Gekleed als
een dikke, bolle Engel, moest ik toen voor het voetlicht treden. Ik heb er toen
zonder zijn instemming en afspraak, een ludiek gebeuren van gemaakt. Ik had
me van te voren verborgen op de balustrade welke boven het toneel
hing. Terwijl iedereen zijn plaats zocht in de aula, maakte de acteurs zich klaar
voor hun optreden. Alleen waar was Wim, waar was de engel? Men besloot het
toen maar zonder engel te doen. Op het moment dat het toneeldoek open
ging, klom ik langs een touwladder naar beneden en las de proloog voor. Het
publiek in de zaal wist niet beter, of het hoorde zo. Ik weet niet meer, hoe je
reageerde Jène. Was je kwaad, of kon je er om lachen?
Ook kregen we op bepaalde dagen een filmvoorstelling. Heel wat films van de
Dikke en de Dunne en ooit een prachtige film: Grazige weiden” een gezongen
vertolking van het scheppingsverhaal en meer uit het oude testament. Vertolkt
door negers en negerinnen, en prachtige negerspirituals. Vol humor. Opvallend
was, dat God d e Vader en engelen blank waren.
De tremesters en vakanties wisselden elkaar af, en ik begon me echt thuis te
voelen op Collegium Carolinum. We hadden een hele fijne klas, welke gelukkig
al die jaren bij elkaar bleef, al werd het aantal klasgenoten allengs minder. Heel
veel namen van die klas zijn voor altijd opgenomen in mijn geheugen.
Ik denk ook dat onze klas als eerste een reünie georganiseerd heeft op
Ravensbosch. Een prachtig weekend, al weer zo lang geleden.
Gelukkig zie ik op 13 mei weer enkele van mijn klasgenoten terug. Ik verheug
me er op.
183
De beginjaren onder het regime van Overste De Grauw en dat gruwelijke
reglement waren moeilijk. Vooral de maandag! Dan werden de tekortkomingen
op dit reglement uitvoerig besproken, en overtredingen werden per persoon af
gehandeld. Mijn naam werd vaak genoemd. Ook op de diverse rapporten
kwamen mijn tekortkomingen op het gebied van Gedrag, Orde, Netheid, en
Vlijt aan de rechterkant in beeld, onder opmerkingen. Thuis keek mijn vader
eerst naar die opmerkingen, las ze vaak niet eens, smeet het rapport op de
tafel en beende met grote passen uit de huiskamer naar de werkplaats achter
ons huis. Daar zette hij de machine welke het meeste lawaai produceerde aan,
om zich af te reageren. Heel zelden stond er ook wel eens een positieve
opmerking, dan ging mijn moeder naar de werkplaats, zwaaiend met mijn
rapport, zette de machine af en hield mijn vader het rapport onder zijn neus,
zonder iets te zeggen. Mijn vader las dan, wat de overste geschreven had. Ja,
bromde hij dan, maar zijn gedrag dan. Kijk ook eens naar de rapportcijfers, zei
mijn moeder. Die waren meestal voldoende, al werd het totaal van de cijfers
wel erg beïnvloed door de 2 en 3 voor Algebra en Meetkunde. Om nog even op
dat gedrag terug te komen. Dat heeft niemand bij me kunnen veranderen.
Speels en onbekommerd leefde en leef ik.
Nog steeds, en dat blijft zo. Niets en niemand krijgt mij er onder. Mijn
lijfspreuk. En reken er op dat ik in mijn leven het een en ander heb mee
gemaakt.
Maar ik ben dit jaar al weer 40 jaar getrouwd met Bernadet, heb een pracht
zoon, Jeroen en een eigen huisje in het mooie IJsselstein(U)En wat dat gedrag
betreft, Bernadet was de dochter van een drs.Pedagogiek en een
onderwijzeres. Ook zij hebben mijn gedrag maar met mate kunnen
beïnvloeden. Wel heb ik vader diverse vloeken en uitdrukkingen geleerd, die in
zijn dagelijks taalgebruik niet voorkwamen. Ook de borrel leerde hij waarderen.
Heb een fijne schoonvader aan hem gehad Hij ruste in vrede. Een maand
geleden is moeder overleden, 91 jaar.
Een van de grootste gruwelen in het reglement was voor mij het Corvee. U
herinnert zich dat ongetwijfeld. Gangen, trappenhuizen, toiletten, klaslokalen,
studiezalen, alles moest schoon zijn en blinken. Ik zelf vond, dat ik vaak de
ondankbaarste taken op me kreeg. Neem nu het kleedlokaal voor de sporten.
Die zweetlucht, modder en vocht op de vloeren, soms grote pollen gras van het
voetbalveld. En allemaal handwerk, niks geen stofzuigers en boenmachines.
En waar ik het meest een hekel aan had, dat was de afwas in de keuken na het
eten. Vreselijk vond ik dat. Ik schepte er een groot genoegen in, om de kratten
met bestek van een zekere hoogte in de lege afwasbak te kieperen. Een
heerlijke symfonie van rondwentelende lepels, messen en vorken.
184
En dan de gloeiend hete kraan er op en die metaalmassa met een bezemsteel
door elkander roeren om de vette hap te verwijderen. Vooral het bestek van
George en Theo Janssen uit Harderwijk had extra aandacht nodig, want zij
gebruikten bij alle maaltijden grote scheppen sambal, zelfs in de soep. Toen ik
trouwde met Bernadet, heb ik haar meteen verteld, dat ik alles in huis wilde
doen, maar absoluut geen afwas. Tot mijn grote vreugde was dat geen punt
voor haar, en toen Jeroen groter werd, schepte hij er een groot genoegen in,
om samen met zijn moeder af te wassen. Mijn taak in onze keuken beperkte
zich tot koken, een plezante hobby. Thuis ben ik de chef in de keuken, ik kook
elke dag.
Uiteindelijk kreeg ik taken opgelegd, die niets met water te maken hadden.
Geen schrobben, dweilen, afwassen, omdat ik in het bezit was gekomen van
een briefje van onze huisarts uit Elst, een persoonlijke vriend van mijn ouders.
“In verband met het exeem van mijn patient W.J.Th.Theloosen is het niet goed
dat hij veelvuldig met vocht in aanraking komt, ook niet met rubber
handschoenen aan.” Met vriendelijke groeten, Dr.Jaspers huisarts te Elst(O.B.)
Vervolgens kreeg ik de opdracht om de toiletten van W.C-papier te voorzien.
Het was voor mij een uitgelezen kans om uitgelezen kranten uit de
recreatiekamer van de paters en broeders te lezen, alvorens ze voor te
bereiden op hun belangrijke werk op de toiletten. Ik settelde me dus in het
keldertje onder het laboratorium, en daar vouwde ik de kranten en tijdschriften
tot handzaam A4-formaat en sneed die vervolgens tot kleine pakjes
W.C.Papier, die in houten bakjes op de W.C terecht kwamen. Wel werd mij op
het hart gedrukt alle advertenties van dameslingerie uit de kranten te
verwijderen, omdat deze een gevaar zouden betekenen voor de studenten. Je
begrijpt dat ik daar geen moeite mee had, vooral toen ik merkte dat er
leerlingen waren, die interesse hadden voor deze plaatjes, en ze gaven me de
opdracht, om de advertenties zo compleet mogelijk te verwijderen en te
bewaren. Later kwam ik er achter dat het ook een gewild ruilmiddel was, om
mijn postzegels op voorraad te houden. Ooit zat er een exemplaar tussen van
De Lach. Die heb ik zelf gehouden, dat snappen jullie wel. Dat bleef natuurlijk
niet goed gaan. Verraderswerk of afgunst, ik weet het niet. Of het had te
maken met de komst van Pater Kusters, de nieuwe overste en de aanleg van
nieuw sanitair met echt wc-papier. Ja,hij was mijn favoriete pater, die door zijn
werk in Maastricht onder de arme arbeiders, met beide benen op de wereld
stond. Een geweldige harde werker, met heel veel nieuwe ideeën en
hervormingen. Alles werd geleidelijk aan gemoderniseerd. Ik vond hem een van
de fijnste mensen, die ik in mijn leven ben tegengekomen. Wat een verschil
met zijn voorganger. In een mum van tijd veranderde hij het huis in een Thuis.
185
Ander meubilair in de klassen, fijne douches en toiletten, ook de recreatiezaal
werd aangepast. En de keuken en refter. Ik meende dat hij ook dames in dienst
nam als huishoudelijke hulp, hai nymphai, en deze dames namen het betere
schrobben en boenen voor hun rekening. Gelukkig maar.
Ook kwamen er leken lesgeven, Drs.Zijlstra en de legendarische Harry
G.M.Prick. Eerstgenoemde voor de klassieke talen en de laatste leraar
nederlands.
Hij bracht ons in contact met de Nederlandse letterkunde en natuurlijk de
Tachtigers, met als hoofdfiguur Lodewijk van Dijssel. Zijdelings werden de
anderen ook behandeld in zijn lessen. Maar hij had vele eigenaardigheden over
genomen van zijn grote leermeester. Hij bracht wel eens voorwerpen mee naar
de klas, als relikwieën werden ze behandeld. Zo ook kwam hij eens in de klas
met de wandelstok van Lodewijk van D. Hij ging even de klas uit voor een
sanitaire stop, en Charles Kappen had de euvele moed om dat ding ter hand te
nemen en mee te paraderen voor de klas. Uitzinnig van woede was
Mnr.Prick. Hij woonde meen ik in Vaals en kwam met een Vicky
(Victoria)bromfiets naar school. Op een dag kwam hij veel te laat op school,
spierwit en bezweet kwam hij het lokaal binnen en hing zijn lange lederen jas
aan de kapstok. We maakten ons wel erg ongerust, want hij kon nog amper
ademhalen.
Wat bleek nu. Mnr.Prick was onderweg, bergopwaarts, gepasseerd door
wielrenners op racefietsen. Dat vond hij buiten proporties, zodat hij op een
volgend ontmoetingspunt ruilde van vervoermiddel en zijn tocht vervolgde op
de racefiets van de stomverbaasde wielrenner. Ik weet niet meer of hij lang
gebruik gemaakt heeft van die manier van vervoer. Ook kon hij smakelijk
vertellen over zijn ontmoetingen met Godfried Bomans in Haarlem, en las ons
voor uit diens werk: Erik en het klein insectenboek” De komst van beide
gediplomeerde heren had alles te maken met de veranderingen die er aan
kwamen, wat betreft de opleiding. Al die jaren vooraf kregen wij les van
goedwillende paters, waarvan niemand de bevoegdheid had. Er werden dus
ook een soort examens afgelegd, of je in aanmerking kwam voor gymnasiale
opleiding buitenshuis, n.l. Heerlen. Daardoor kwam er ook een scheiding in de
klas. Jongens, die toegelaten werden, fietsten elke dag naar Heerlen, heerlijk
los van regels en zeden, want naar mijn weten is er niemand van gewijd.
Al kan ik me hier ook in vergissen. Ja, en degenen welke achterbleven, werden
aan hun lot overgelaten. Die indruk had ik, en anderen misschien ook.
Ik heb het hun nooit gevraagd. Wij werden nu ook meer ingezet in
werkzaamheden op de boerderij, boomgaard, park, kwekerij. Ook op de
klassenlijsten komen onze namen niet meer voor. Alleen de alpha’s en betha’s
186
werden nog vermeld. Ik zelf vond die veranderingen niet erg, omdat ik toch al
geen echte serieuze student was, meer een boemelstudent. Ik leerde de
vakken, welke me interesseerden, en daarvoor deed ik ook extra mijn best. Ook
werkte ik graag op de boerderij. Die stond toen onder leiding van Men.Laeven,
Ome Andree en zijn lieve vrouw. Heel wat uren heb ik met hem doorgebracht,
in zijn witte huisje aan de andere kant van de cour. Ook toen duidelijk werd,
dat het woordje ”Roeping“ duidelijk een andere betekenis kreeg, dan waarvoor
het bedoelt was, had ik een uitstekende raadgever aan hem en zijn vrouw. Met
hen kon ik over mijn twijfels praten, en zeker op een andere manier dan met de
paters. Ook met mijn vrienden en klasgenoten heb ik er nooit over gesproken.
Op het laatst wel met Henry Polman, die ook vraagtekens had, over doorgaan
of stoppen.
De familie Laeven stelde voor om eens met Fons te gaan praten. Pater Kusters
was hun neef. Na lang aarzelen heb ik dat dan ook gedaan. Gelukkig maar.
We hadden een fijn gesprek samen. Hij had heel veel begrip voor mijn
problemen, maar moedigde mij wel aan om het nog enige tijd aan te kijken en
de paasvakantie nog te vieren, thuis in Elst. Dan kon ik alsnog een besluit
nemen. We spraken ook nog ,of broeder worden niets voor mij was, omdat ik
een gewaardeerde kracht was op de boerderij en boomgaard en akkers. Daar
voelde ik niets voor. Ik wilde vrij zijn en niet gebonden aan regels en wetten.
Hij wist ook dat ik vroeger altijd graag naar de Eskimo’s wilde. Hij kon zich dat
niet voorstellen en vroeg me ook waarom, juist die Eskimo’s.
Ik vertelde hem toen ,dat wanneer je bij dat volk te gast was, de vrouw des
huizes tot plezier aan de gast werd aangeboden ,en het weigeren van dit
geschenk een belediging was, welke met de dood bestraft werd. Hij keek me
ongelovig aan en begon toen enorm te lachen. Ik zat er beteuterd bij, want ik
meende het bloedserieus. Toen hij uitgelachen was voegde ik er nog aan toe,
dat je dan ook weinig keus had en je rustig de gelofte van zuiverheid kon
vergeten. Opnieuw een lachsalvo en van de weeromstuit kon ik me ook niet
meer houden en lagen we allebei dubbel van het lachen..
We besloten, om nog op vakantie te gaan. Dat heb ik toen gedaan, en er na
weer terug op Ravensbosch. Maar toen het bericht kwam, dat onze maat
genomen moest worden voor de zwarte kleding van het noviciaat in Sevenum,
krabde ik eens achter mijn oren, omdat ik toch een besluit genomen had en
mijn ouders niet verder op kosten wilde jagen. Ik overlegde met Pater Kusters
en hij smeedde het volgende plan. We zouden met klasgenoten gaan fietsen
naar een Waals klooster van de Oblaten. Ik zou dan een eind mee rijden en dan
ineens tot de ontdekking komen, dat ik mijn paspoort vergeten had en ik dus
terug moest. Ik had mijn koffer al stiekem gepakt en mijn fiets zou na gestuurd
worden. Zo is het gegaan, dus zonder afscheid te kunnen nemen van mijn
187
vrienden, ben ik uit hun zicht verdwenen. Pater Kusters heeft mij toen naar
Sittard gebracht, en mijn ouders waren door hem ook op de hoogte gebracht.
Later nog gevolgd door een hele mooie brief, gericht aan mijn ouders, welke ik
jarenlang bewaard heb, maar die ik 3 jaar geleden samen met de wederzijdse
correspondentie tussen mij en familie en vrienden, vernietigd heb. Na een
gesprek met mijn zwager, ook een oud-seminarist, die stervende was aan
kanker en ook al zijn correspondentie verbrand had.
.Slechts enkele brieven van jongens die me extra dierbaar waren heb ik nog in
mijn bezit. Ook nog al wat foto’s en documentatie van toen heb ik nog, zelfs
nog dat verdomde reglement. Dit alles wil ik aan Jozef Hoen geven op de 13de.
Na mijn mysterieus vertrek van Ravensbosch kwam ik weer thuis in de normale
gezinssituatiestaat, dat viel me erg zwaar. Mijn vader heeft tot zijn dood in
1969 nooit begrip gehad voor mijn beslissing om te stoppen en liet me vaak
weten, dat het weggegooid geld was. De laatste jaren van zijn leven werd onze
verhouding beter, en hij kreeg meer begrip voor mijn besluit van 1957, maar
we hebben ook heel vaak woorden gehad. Jammer! Gelukkig moest ik in
januari 1958 in militaire dienst, eerst bij de hospikken en 12 maanden bij de
Garde Jagers in Schaarsbergen, waar ik de verantwoording kreeg over de
uitrusting van een geneeskundig peloton, met een complete operatiezaal ter
velde. Het was toen de koude oorlog, en inspecties waren de orde van de dag.
Ik kreeg dus te maken met voorraden die up to date moesten zijn. En daar
zorgde ik wel voor. Voor een doosje aspirine schreef ik een vervoersbewijs en
liet me dan door een chauffeur in een Jeep naar een centraal magazijn rijden.
Fluitend sloot ik mijn diensttijd af, solliciteerde bij een houthandel, waar ik het
tot bestekzoeker bracht. Ik heb toen ook direct afgerekend met mijn vader en
alles tot de laatste cent terug betaald, maar het waren centen verdiend door
zwaar lichamelijk werk, zoals het lossen van coasters, afgemeerd aan de
Rijnkade, volgeladen met hout uit Zweden, Finland en de Archangel. En
sindsdien hoefde niemand bij mij te zeuren over zwaar werk, want, dat heb ik
daar geleerd. Ik kon toen vertegenwoordiger worden, maar het werd een baan
bij het grootste steigerbouwbedrijf van Nederland. Eerst in Lent en later naar
Utrecht, waar ik de chef werd over het grootste magazijn, met een 20 mensen
in dienst. We leverden toen de steigers aan de grote scheepswerven, zoals
Verolme en de NDSM. Ik ben aan boord geweest van supertankers, heb de
machinekamer bezocht met zijn ontzagwekkende scheepsmotor en blinkende
schroefas. Ik stond ook op de brug en keek dan uit over het immense dek met
zijn labyrint van golfbrekers. Ik maakte diverse tewaterladingen mee. En als
toetje op de maaltijd vloog ik met een helikopter over de Noordzee naar een
booreiland. Dit was wat ik wilde, vrij zijn en pionieren. Kortom, ik had het
geweldig naar mijn zin. Daarna kreeg ik de kans om hoofd te worden van de
188
materieeldienst van een groot bouwbedrijf. Omdat de materieeldienst van
verschillende bouwbedrijven ging samenwerken, om de kosten te drukken,
werd ik overbodig. Ik heb daarna nog drie jaar gewerkt bij een ex-collega, die
een eigen bedrijf startte. En toen ontmoette ik weer een andere collega van dat
steigerbouwbedrijf, welke ook voor zich zelf begonnen was en bij haar heb ik
16 jaar gewerkt, want ik ben tot en met mijn 68ste doorgegaan. Zij, Winny had
een verhuurbedrijf voor rioolbekistingen en damwanden. Ik werd instructeur,
die stad en land afreisde om de bedrijven, welke ons materiaal gehuurd
hadden, uitleg te geven over de diverse methodes van inbouwen. Ik kwam
overal in de Benelux, Frankrijk, Duitsland, Portugal, later naar Turkije, Israel, en
de top was mijn werkbezoek aan de Gazastrook, waar we een groot project
hadden, dat gefinancierd werd door Saoedi-Arabië en ik ook nog de hand
geschud heb met Mister Arafat. Het jaar daar op zat ik in Texas, in Houston. Ja,
dat waren geweldige jaren. Ik kijk dan ook met trots terug naar mijn
arbeidsverleden. Ik geniet nu samen met Bernadet van mijn oude dag, we
fietsen veel, reizen met de trein, we hebben zeker 30 jaar lang gekampeerd,
altijd in Frankrijk, en altijd met de tent. Dat ging op het laatst niet meer i.v.m
rugklachten. Nu huren we een huisje of chalet, of brengen onze vakantie door
in een hotel, ergens in Nederland. Ik zing in een mannenkoor, en daarvoor in
een gemengd koor. Bernadet bridget tweemaal per week in clubverband. Ook
de museumkaart is bij ons wel besteed. Zo twee tot driemaal per jaar bezoeken
we het Concertgebouw voor een mooie uitvoering. Ik heb 6 jaar van mijn leven
doorgebracht op Collegium Carolinum, een fijne tijd met mooie herinneringen,
ik heb er geen spijt van, zeker geen zonde van de tijd. De fundering was in orde,
je kon verder gaan met bouwen, dat heb ik ook gedaan, proberen een goed
mens te zijn. Ik ben niet ontevreden, t is goed zo.
Willem Theloosen
Hallo Wim,
Wat een pracht verhaal van jou met de titel Roeping! Ik dacht dat ik me veel
herinnerde maar jij hebt nieuwe herinneringen bij me opgeroepen. Het verhaal
over de HUDO met het prachtige gezang “in manus tuas commendo spiritum
meum” heb ik vaak verteld, maar ik wist niet dat jij dat was. Wel zie ik pater
Tromp nog voor me die dat met zijn hinnikende lachje vertelde.
189
Broeder Urlings laat je wel erg lang in het klosster zijn. Ik dacht dat het zijn
diamanten feest was en dat is 60 jaar. Hij staat op een van de foto’s van
“onze”(de vijfde klas) Sinterklaas van 1955. Ik wist nog dat Jène van Moorsel
een soort operette geschreven had, omdat ik er aan meegewerkt had, maar ik
wist niet meer dat het Willem Tell was. Ik speelde de rol van de gehate
landvoogd, herinner ik me nu. We speelden trouwens veel toneel, met kerstmis
een kerststuk, met Pasen een Passiespel, waarin ik een Petrus speelde en
moest schreeuwen “ik ken die man niet!”
Ja, die sambal van de gebroeders Janssen. Wij kenden dat spul helemaal niet en
als je al eens mocht proeven, snapte je niet hoe zij die hoeveelheden konden
verwerken. Maar zij waren nog niet lang uit Indië (zoals het toen nog heette)
terug..
Je voornemen om je documenten op de 13de mei aan mij te geven, kan ik
alleen maar toejuichen. Ik ben van plan om een boek of een CD te maken met
de verzamelde informatie en met alle foto’s waar ik de hand op kan leggen. Ik
ben tenslotte gediplomeerd uitgever (niet lachen svp), en heb al heel wat
boeken uitgegeven en een aantal zelf gemaakt. Vooral op genealogisch of
geschiedkundig gebied.
Jij hebt een heel andere levensweg gekozen als ik. Na Sevenum ben ik in
Nijmegen Nederlands gaan studeren maar een conflict met de taalkundeprof
maakte daar een einde aan. Ik ben toen gaan werken bij uitgeverij De
Spaarnestad, eerst als corrector, toen als revisor. Haalde intussen mijn M.O.
Nederlands en het uitgeversdiploma, ging toen naar Kluwer in Deventer als
boekvoorbereider en daarna als produktiechef. Werd weer teruggevraagd door
de Spaarnestad, nu als eindredacteur van de Libelle. Had intussen mijn vrouw
Ine ontmoet, ook een Limburgse die als diëtiste werkte in het SintGeertruidenziekenhuis in Deventer. Kreeg een baan in Heerlen als bedrijfsleider
bij een kleine uitgeverij die het bekende tijdschrift “Natuur en Techniek” uitgaf.
Daarna werd ik leraar Nederlands aan de MTS te Sittard, en vanaf 1986
adjunct-directeur. In 1991 stortte ik voor de tweede keer in en werd afgekeurd.
Ik hield mij allang bezig met genealogie en het uitgeven van
familiegeschiedenissen. Daar kon ik mij vanaf toen met hart en ziel aan wijden.
Momenteel ben ik op dat terrein nog zeer actief, al word het tempo wel wat
langzamer. Ik heb drie kinderen, een zoon en twee dochters, en vijf
kleindochters, en daar genieten we van.
Ik verheug me erop jou en anderen weer eens terug te zien. Het zal wel moeite
kosten om in die grijsaards de jongetjes van toen te herkennen.
Jo Hoen
190
In Memoriam
Frans van Gorkum over zijn broer Henk van Gorkum
Henk H.M. van Gorkum (1953-2002)
In augustus 1965 vertrekt de tweeling Henk en Frans van Gorkum op 11-jarige
leeftijd naar het klein-seminarie Collegium Carolinum van de Paters Oblaten te
Valkenburg (L.). Kapelaan Weghorst probeert de jongens nog naar de
wereldgeestelijken te trekken, maar vader Van Gorkum laat zich niet in met
koopmanschap. Hij wil ook niet afhankelijk zijn van de penningen van de
katholieke kerk. In die dagen is het nog gebruikelijk, dat de kosten van de
opleiding van 'priesterzonen' gedeeltelijk met zondagse collectes van de
plaatselijke parochiekerk worden betaald. "Ik wil niet, dat men later zegt dat
mijn jongens van andermans centen hebben kunnen studeren, als ze geen
priester worden".
De jaren zestig zetten onder invloed van Paus Johannes XXIII en zijn Vaticaanse
Concilie het religieus denken en voelen in Nederland op zijn kop. Henk start na
het seminarie en de militaire dienst in 1975 met de studie theologie aan het
HTP te Heerlen. Het is een links en afvallig bolwerk in de ogen van de
toenmalige bisschop Gijsen van Roermond. Over zijn verzet tegen de
traditionele opvattingen van Gijsen bestaat een anekdote die hem als mens
precies tekent. In die tijd verkondigt Gijsen, dat mensen slechts de H.
Communie kunnen ontvangen, als dit op waardige wijze geschiedt. Wie niet
knielt tijdens het in ontvangst nemen van het 'lichaam van Christus' ontvangt
volgens hem slechts een stukje brood. In Zuid-Limburg ontstaat veel commotie
over deze opvatting. Tezelfdertijd kan met een prijsvraag één minuut spreektijd
bij radio-omroep Zuid (ROZ) worden gewonnen. Henk wint zo'n minuut. Als de
presentator van het programma hem de microfoon geeft, kondigt Henk aan,
dat hij een litanie wil bidden voor mensen met één been, mensen met een
korset, mensen met een kunstbeen, mensen met een zware hernia. De
presentator fronst zijn wenkbrauwen en vraagt zich af, waar de spreker heen
wil. Henk praat zo de minuut vol. Op het eind komt de aap uit de mouw. Henk
bidt, dat ook deze mensen die niet kunnen knielen toch het Corpus Christi
mogen ontvangen ondanks de Leer van Gijsen. De presentator kan van
verbazing geen woord uitbrengen. Het blijft enkele seconden radiostil, waarna
de presentator uitroept: "Geweldig, geweldig!"
191
Nog tijdens zijn studententijd-voetnoot 1, wordt Henk in 1980 leraar catechese
op het Sint Servaascollege in Maastricht, de Gerberga-mavo in Meerssen en
voor even op het Eijkenhagecollege in Landgraaf. Ook zal hij daarna korte tijd
les geven aan zijn eigen middelbare school, het Sint Bernardinuscollege in
Heerlen. Hij wil in eerste instantie het basispastoraat in, maar omdat de
bisschop van Roermond geen HTP-studenten in de parochies wil, stapt Henk
over op katechese-voetnoot 2.
In 1987 wordt Henk aan het Sint Servaascollege benoemd tot adjunct-directeur
van de afdeling administratie. In 1992 volgt zijn benoeming tot directeur van
het MTRO, dat later opgaat als unit toerisme en recreatie in de Leeuwenborgh
Opleidingen in Maastricht, een MBO-scholengemeenschap van circa 11.000
leerlingen.
Henk trouwt in 1978 met Gertie Ruwette die hij heeft leren kennen tijdens de
wekelijkse zangrepetities van het jongerenkoor van de St. Clemensparochie in
Hulsberg. Bij het koor zijn de seminaristen graag geziene gasten. Het stel gaat
in Hulsberg wonen. In dit forenzenplaatsje wordt de Liemerse jongen die ooit
vol godsbesef in een bus van De Valk uit Valkenburg stapte om zijn roeping te
volgen Limburger met de Limburgers. In de jaren zeventig en tachtig is hij met
zijn theologische achtergrond politiek zeer actief. In Hulsberg staat hij eerst
voor de PPR en later voor de PvdA op de bres. Voor het IKV trekt hij met zijn
gitaar het land in om de kernbommen uit de wereld te bannen. Hij introduceert
in de gemeente Nuth, waaronder Hulsberg inmiddels gemeentelijk is ingedeeld,
politieke discussies tijdens onder meer de vierjaarlijkse gemeenteraadsverkiezingen.
Voor het Hulsbergs weekblad Hulsberg Info gaat hij de redactie voeren,
waardoor deze uitgave uitgroeit tot een veelgelezen dorpskrant. Ook brengt hij
een aantal jaren het semi-literaire tijdschrift Adem uit.
Onder zijn leiding wordt het MBO-college voor toerisme en recreatie in
Maastricht in didactische zin een landelijk voorbeeld. Zijn school wordt de
beste van Nederland genoemd. Als jongeling gevormd door de paters Oblaten
van Maria te Valkenburg wordt hij zelf een leken Oblaat, een toegewijde aan
jonge mensen die toegerust worden om de maatschappij te kunnen intrekken.
Hij leert hen vooral de deugden rechtvaardigheid en oprechtheid na te streven.
In zijn dorp Hulsberg wordt hij bestuurslid van de Koninklijke Fanfare Sint
Caecilia. Het lukt hem een brug te slaan naar harmonie Sint Martinus uit zijn
geboortedorp Oud-Zevenaar, wat uiteindelijk in 2001 uitmondt in muzikale
192
samenwerking. Op 21 oktober 2001 wordt in theater Bommersheuf te
Zevenaar met groot succes een gezamenlijk concert gegeven door harmonie
Sint Martinus en de Koninklijke Fanfare Sint Caecilia.
Als zanger en tekstschrijver vergeet hij de banden met de Liemers niet. Vanaf
1975 treedt hij vele jaren samen met zijn tweelingbroer Frans onder de naam
Dubbeldoyer op tijdens de pronkzittingen van CV De Nachtuulen in OudZevenaar. Daar heeft Frans als oud-president van CV De Bosjule diverse
gebruiken van de CV uit zijn studententijd geïntroduceerd- voetnoot 3.
Met zijn liedjes, die een overduidelijke Limburgse inslag hebben, maakt Henk
van Dubbeldoyer een begrip. Hij schrijft in 1977 op een bekend Venloos
vastelaovendlied 'Als de sterren baoven Old-Zaender'. Het lied groeit uit tot
een heuse evergreen. In 1983 brengt hij samen met zijn broer Frans en
harmonie Sint Martinus een LP uit met dialectliedjes over het sociale leven in
de jaren twintig en dertig in de Liemers. De LP is een succes en wordt nadien
een voorbeeld voor diverse lokale dialectzangers. Als Frans in 1994 op verzoek
van De Nachtuulen de CD Kattekwaod uitbrengt met poëtische dialectliedjes,
levert Henk een bijdrage met een aantal prachtige verzen. In zijn zang- en
dichtkunst weet hij de volkscultuur op treffende wijze te typeren. Eind jaren
tachtig neemt hij afscheid van de Oud-Zevenaarse podia (om daarna regelmatig
met veel succes terug te keren) en gaat hij samen met twee vrienden op in het
Limburgse Trio Kwakkerzak, waarmee hij in Zuid-Limburg maar ook in OudZevenaar veel succes oogst. Met zijn baritonstem, zijn creatieve teksten en
liedjes, het losse gitaarspel en zijn innemende, bescheiden presentatie bindt hij
menig muziekliefhebber aan zich.
Op donderdag 10 januari 2002 sterft hij plotseling thuis aan de Kerkheuvel 12,
een voormalige kapelanij, in Hulsberg. Op 48-jarige leeftijd komt veel te vroeg
een abrupt einde aan een leven vol toewijding aan leerlingen, leraren en de
gemeenschap van vooral dorpsmensen. Op maandag 14 januari 2002 wordt in
de aula van zijn school een bijzondere herdenkingsdienst gehouden. In verband
hiermee verschijnt in februari 2002 het boekje 'wij herinneren ons Henk..',
waarin de teksten zijn opgenomen, die tijdens deze bijeenkomst werden
uitgesproken. Ook dan wordt bekend, dat het College van Bestuur heeft
besloten de collegezaal van de unit toerisme en recreatie naar hem te
vernoemen en tot "Henk van Gorkum zaal" om te dopen. Op dinsdag 15 januari
2002 wordt hem tijdens een indrukwekkende uitvaartdienst in de Sint
Clemenskerk te Hulsberg, die wordt bijgewoond door circa 1100 mensen,
postuum de gouden speld van Leeuwenborgh Opleidingen uitgereikt, waarna
193
Henk wordt begraven op de algemene begraafplaats aan de Wissengracht te
Hulsberg.
Op zaterdag 16 oktober 2004 houd Kwakkerkzak in zaal Op De Trepkes in
Hulsberg de CD Onbetaalbaar ten doop. Willem Claessens en Jo Gijzen, de
andere leden van het Trio Kwakkerzak, presenteren tijdens een druk bezocht
live-concert dit muzikale album, dat is opgedragen aan Henk. Dochter Jolien en
zijn tweelingbroer Frans verlenen medewerking aan het concert. Op de CD
staan dertien liedjes in het Hulsbergs dialect, waaronder 'es Henk de gitaar
haolt', een prachtige ballad die verhaalt over Henk en zijn muzikale activiteiten.
Kwakkerzak maakte de CD met hulp van diverse Hulsbergse muzikanten, die op
de een of andere manier een speciale band met Henk hadden. Het concert
wordt in mei 2005 met veel succes herhaald, maar dan in het Sint Anna
schuttersgebouw in Oud-Zevenaar.
Frans van Gorkum
1. Zijn afstudeerscriptie heet 'Van geloven krijg je vuile handen' (1982).
2. Vraaggesprek met Henk in het weekblad Hulsberg Info van 12 augustus 1987,
Willem Claessens.
3. In 1974 hernoemde hij de hoogste onderscheiding bij CV De Nachtuulen 'de
Smaragdogige Nachtuul'. Bij de Bosjule heette deze onderscheiding de
Smaragdogige Bosjuul.
194
In Memoriam Tonny Heller door Paul van de Meulengraaf
Aan het begin van het schooljaar 1958 kwam Tonny Heller in de
Voorbereidende klas op Ravensbos in Valkenburg.
Geboren en getogen in het Drentse Barger-Compascuum werd hij als dertienjarige knul bijna letterlijk uit het Drentse veen getrokken en na een lange
dagreis, ver van huis in de Limburgse löss gepoot. De familie Heller heeft een
familieband met de paters Herman en Ben de Vries, die van origine ook uit die
omgeving komen en zo is het heel goed verklaarbaar dat Tonny de weg naar
Ravensbos heeft weten te vinden.
De eerste vier jaar op Ravensbos verliepen ogenschijnlijk voor ieder die hem
kende, heel gewoon. Hij deed overal aan mee en was een vrolijke klasgenoot
die met iedereen goed overweg kon en veel plezier beleefde aan o.a.
toneelspelen.
Toen kwam er een kentering. Na een vakantie is hij een hele poos thuis
gebleven met vage en onduidelijke klachten. Doktersbezoeken, ook in het
Emmense ziekenhuis, leverde geen duidelijk beeld of diagnose op. Thuis werd
hij in het gezin opgevangen en door broer en zwager meegenomen naar hun
dagelijkse werkzaamheden in de bouw. Het was misschien wel goed als hij zich
lichamelijk eens flink kon inspannen en zijn gedachten kon verzetten.
Tonny wilde echter terug naar Valkenburg en zo kwam hij na een
trimestervakantie weer op Ravensbos onder zijn klasgenoten die van hem
hoorden dat hij zich weer helemaal oké voelde. De paters zullen van hem
ongetwijfeld hetzelfde gehoord hebben en verder was er niets om zich
ongerust over te maken.
Het gewone alledaagse leven hernam zijn loop maar in het laatste schooljaar
op Ravensbos 1964 – 1965 ging het helemaal mis. Tonny kreeg meer en meer
last van evenwichtstoornissen. Aanvankelijk probeerde hij dat te camoufleren
of met een kwinkslag weg te wuiven. Hij wilde het voor zichzelf en vooral voor
zijn klasgenoten niet weten en als die er al iets van zeiden werd Tonny heel
boos. Of Tonny zelf met klachten naar de “zieken”-pater is gegaan of dat hij
met zijn oncontroleerbare bewegingen de aandacht van één van de paters
heeft getrokken, is niet duidelijk maar Tonny kwam onder doktersbehandeling
en uiteindelijk voor onderzoek in het Heerlense ziekenhuis. Daar kreeg hij
enkele keren bezoek van zijn broers en zussen die op een zaterdagochtend
vanuit Barger-Compascuum met een huurauto vroeg op pad gingen naar het
Heerlense ziekenhuis. Een lange dag onderweg om Tonny tijdens het
middagbezoek even te kunnen bezoeken (er waren stipte bezoektijden!). Een
andere zus met zwager deden het nog een keer per openbaar vervoer. Dat
195
hield in dat ze ’s-ochtends in alle vroegte per fiets 15 km van BargerCompascuum naar het station in Emmen fietsten, daar de eerste trein namen
en afreisden naar Heerlen om Tonny daar in het ziekenhuis nauwelijks een
uurtje te kunnen bezoeken. Ook
voor hen gold natuurlijk de stipte bezoektijd. Zij konden precies binnen het NSdienstrooster met de laatste trein in Emmen terugkomen om tenslotte per fiets
in het holst van de nacht door het pikdonkere en uitgestrekte veengebied naar
huis te trappen, terug naar Barger-Compas.
Na een paar onderzoeksweken in het ziekenhuis was de diagnose bekend: MS.
De leiding van Ravensbos werd hiervan op de hoogte gesteld en zij trok haar
conclusies. De paters hoorden dat Tonny een ongeneeslijke ziekte had, zijn
klasgenoten en andere leerlingen hoorden NIETS.
Tonny werd uit het ziekenhuis ontslagen en . . . . . ook op Ravensbos. Hij kon
naar huis vertrekken. Niet om te herstellen maar het was duidelijk dat er voor
hem geen
OMI-toekomst was weggelegd en dan hoorde je op Ravensbos niet meer thuis.
Tonny kwam thuis met de boodschap dat één van de paters langs zou komen
om zijn ouders te informeren. Een broer, zwager en twee zussen beweerden
nog niet zo lang geleden dat die pater-boodschapper ruim 6 weken na
thuiskomst van Tonny, zijn ouders op de hoogte kwam stellen van wat er met
Tonny aan de hand was en dat daarom door de leiding van Ravensbos was
besloten dat hij vanwege die ziekte niet meer op Ravensbos kon / mocht zijn.
Daarmee begon voor Tonny eigenlijk een dubbele lijdensweg. Zijn ideaal,
priester worden, wilde hij niet loslaten en hij zou graag doorgaan op die weg
zodra hij weer beter was. Maar zijn fysieke kwaal MS had zijn verwoestende
werking als een onontkoombaar proces in gang gezet. Tonny bleef optimistisch,
hij geloofde vast dat hij toch wel weer beter zou worden …….
Vijf jaar duurde zijn strijd en het proces van afnemende mobiliteit en steeds
meer uitvalsverschijnselen van lichaamsfuncties. Geheel aangewezen op de
verzorging door zijn ouders, broers en zussen met aanhang en andere
familieleden is Tonny na een lang ziekbed tenslotte overleden op 28 november
1970. Hij ligt begraven op het kerkhof in Barger-Compascuum, het Drentse
veendorp waarover hij met trots kon vertellen tegen zijn klasgenoten op
Ravensbos.
Tijdens zijn hele ziekteperiode heeft hij één keer, een paar maanden voor zijn
overlijden, bezoek gehad van een klasgenoot, Jos van Neer. Tonny
correspondeerde een enkele keer met Jos en zo kwam er van zijn situatie toch
196
nog iets naar zijn klasgenoot(-en) doorsijpelen. Van Ravensbos heeft de familie
Heller niets of niemand meer gezien of gehoord.
In het voorjaar van 1980 kwam ik toevallig door Barger-Compascuum en bij het
binnenrijden van het dorp passeerde ik het kerkhof. Ik kon het niet laten en
moest even kijken; het is niet zo groot en het graf van Tonny was dan ook snel
gevonden. Naast hem lag zijn vader begraven.
Bij het verlaten van het kerkhof kon ik iemand aanspreken en vragen naar
Mevrouw Heller, Tonny’s moeder. Die woonde vlak bij. Toch even van de
gelegenheid gebruikmaken om een bezoekje te brengen aan de moeder van een
oud-klasgenoot. Zij bleek echter op dat moment niet aanspreekbaar
te zijn en lag te rusten. Aangezien ik een paar ongeduldige kinderen in de auto
had zitten moest ik verder, misschien een volgende keer . . . . . . .
10 Jaar later ben ik voor de tweede keer in Barger-Campascuum geweest en
heb opnieuw een bezoekje aan het graf van Tonny Heller gebracht. Ook zijn
moeder bleek inmiddels overleden.
Medio 2006 kreeg ik een mailtje van Arnoud Langen, een neef van Tonny
Heller. Hij had in familiekring verhalen over zijn oom opgevangen en daarin
kwam vaak de naam Ravensbos voor. Op internet werd de website
“Ravensbos” gevonden. Dat werd een eye-opener voor de familie die het
Ravensbos alleen maar kenden van enkele foto’s in Tonny’s foto-album en van
zijn verhalen.
Ergens op de site is ook mijn emailadres te vinden en zo kwam ik alsnog in
contact met de fam. Heller en de fam. Langen-Heller.
Begin november 2007 stond ik samen met zijn broer, 2 zussen, zwager en
schoonzus, voor de 3e keer op het kerkhof van Barger-Compascuum bij het graf
van Tonny Heller en zijn ouders.
De familie Heller heeft een aantal foto’s uit het foto-album van Tonny uit zijn
Ravensbos-periode gedigitaliseerd en voor de site beschikbaar gesteld. Ook het
gedachtenisprentje aan Tonny Heller is hierbij gevoegd.
197
198
Een verhaal van Ravensbosstudent Chris van der Linden over de periode net na
zijn verblijf op Ravensbos.
Deel 1
Een paar maanden na het afbreken van mijn wereld vreemde opleiding op het
kleinseminarie krijg ik oproep voor militaire keuring. Ik ben bijna negentien,
veer op. Er staat iets te gebeuren wat het saaie en doffe van elke dag
doorbreken gaat.
Naar de kerk gaan doe ik al lang niet meer. Met vragen komen mijn ouders
niet. Ik ga er vanuit dat ze begrijpen dat ik totaal uit het lood geslagen ben.
Behalve piekeren werk ik in een warenhuis. Voorts eet, leer, fiets en lees ik. Na
ruim zes jaar kan ik zonder censuur en toezicht eindelijk krant en weekblad
lezen, gewoon in de woonkamer. Echter een boek lees ik op mijn kamer om me
vrij en veilig te voelen. ‘Ik, Jan Cremer’, ‘Kort Amerikaans’, ‘Het stenen
bruidsbed’, ‘Jamaica In’ zijn enkele van die verhalen. Soms begrijp ik er de
ballen van. Dan leg ik het boek even terzijde, lees opnieuw, blokkeer, vraag me
af wat er scheelt en stuit op jaren achtereen lezen van en opgaan in verhalen
van ‘Ome Keesje Vertelt’, ‘Bartje’, ‘Arendsoog en Witte Veder’, ‘Hollands
Glorie’, ‘Jerry Cotton’ en ga zo maar door. Nu ben ik een dromer, die schrikt
van elk contact.
Bang ben ik voor het echte leven en zonder onderbreking kwaad. Waarom en
op wie? Op vader en moeder die enkel ruziën, op vertegenwoordigers van de
katholieke kerk, op paters of op mijzelf? Ik moet verder zoeken!
Ik schud mijn hoofd, sta niet stil, pak de draad van lezen op en raak verzeild in
een overweldigende opgewondenheid. Nog eens en nog eens lees ik de
bladzijden waarin ontmoeting van twee jonge mensen eindigt in vrijen en een
neukpartij van jewelste. Mijn lijf is opgewonden en tussen mijn oren krijgt iets
onbekend kleur en betekenis.
Reeds in januari 1967 stelt de Militaire Bloedtransfusiedienst mijn bloedgroep
en resusfactor vast. Per briefkaart ontvang ik dit bericht.
Mijn werk als verkoper bij een warenhuis loopt eind februari 1967 ten einde. In
maart van datzelfde jaar sluit ik oefenen op een typemachine af met een
geslaagde toets. Gelijktijdig doe ik nog een poging voor de aantekening
sneltypen maar in het zicht van de finish kom ik verdomme enkele aanslagen
per minuut tekort.
199
Leren voor boekhouder of administrateur is een martelgang. Aanmoedigingen
van moeder kunnen dan ook niet verhinderen dat ik in maart 1967 met de
schriftelijke cursus van het LOI stop. Eigenlijk wil ik direct met iemand praten
over mijn onzekerheid, verwarring en hoe ik nu verder moet. Maar ik ken
niemand, kan dit verlangen niet uitspreken, weet me geblokkeerd.
Naar mensen om me heen doe ik afstandelijk, houd me groot en verstop me op
mijn kamertje. Daar somber ik, doe dingen die God en zijn hele klerezooi
verboden hebben en kijk uit op de rk lagere school voor jongens aan de
overzijde van de straat. Mijn jongste broer zit er in de vijfde en vader, die met
zijn hartkwaal al lang dood had moeten zijn, staat er voor de klas. Hij voert een
kruisvaardstrijd tegen een collega die stelt dat onderwijzers medeverantwoordelijk zijn voor liturgische zielzorg in de parochie en daartoe ook
taken moeten vervullen. Vader vindt dit veel te ver gaan. Deze zielzorg is zaak
van de pastoor. Hij doet niet mee aan carnavalesk theater in de kerk en zeker
niet op het altaar. Dit verschil van opvatting loopt zo hoog op dat dit tot
rumoer binnen de parochie leidt. Vader neemt, na overleg met een vriend uit
de straat, contact op met een geestelijke. Van die krijgt hij een instemmend en
meevoelend maar o zo diplomatiek antwoord en het advies om voorlopig maar
af te zien van werkzaamheden voor de liturgische zielzorg.
Voor uitgaan op vrijdag en zaterdag heb ik voldoende geld. Mijn iets jongere
broer juicht als ik eindelijk eens meega om te feesten. Hij vindt dat ik teveel
thuis zit. Voor hem ben ik een rare snijboon maar toch ook en bovenal zijn
broer. Hij is jonger maar in het dagelijks leven heel anders en verder dan ik. Hij
lijkt zijn leven uitbundig te verkennen en naar zijn hand te zetten. Hij noemt mij
zijn broertje.
Contacten met leeftijdsgenoten van het seminarie, uit het dorp of van elders
heb ik niet. Feitelijk ben ik alleen, leef geïsoleerd en sluit me af. Net als mijn
broer heeft moeder dat goed in de smiezen en om dat aan te pakken duwt ze
mij een dansschool in. Wekelijks draai ik daar met vele meisjes allerlei figuren.
Bij aanvang van een les moeten jongens zich aan de ene en meisjes aan de
andere zijde van de dansvloer opstellen. De jongens moeten vervolgens een
meisje ophalen. De eerste keer is dat een rommeltje. Heeft elke jongen een
meisje naar keuze dan volgen instructies over houding, leiden en bewegen.
Engelse wals en foxtrot zijn de dansen die elke week op het programma staan
met liedjes van Cliff Richard, Roy Orbison, Elvis Presley en The Beatles. Ook de
vogeltjesdans wordt druk geoefend. Dansen is pure ontspanning, zo houdt de
leraar voor. Echter ik begin daar na verloop van tijd toch iets anders over te
denken. Zeker als ik enkele eenvoudige danspassen denk te beheersen, deze
vanzelfsprekend dien uit te voeren en van ‘au’ bij mijn meisje hoor. Oefenen
helpt geen donder. Ik moet alsmaar bij de les blijven en dan is het nog
200
oppassen om mezelf niet te schoppen en verstrikken. Stijldansen betekent
immer koppie erbij houden. Op deze wijze vrij en ongekunsteld met mijn lijf
draaien, keren, zwieren is niet leuk. Zonder allerlei regeltjes dansen lijkt me
leuker en prettiger.
In mijn kop nestelt verkeerd gebakken te zijn. Geen nieuwe gedachte omdat in
1959 tijdens afzwemmen mijn been- en armbewegingen bij school- en rugslag
verkeerd zijn terwijl ik dan reeds jaren in lente en zomer drie tot vier keer per
week met veel plezier in het diepe zwem, speel en ravot. Voor de zwemproef is
dat niet in orde. Bij het examen moet ik mij in het water volgens de regels
voortbewegen. Eenmaal zover gaat het weer verkeerd. Op dubieuze gronden
krijg ik toch een zwemdiploma maar mijn plezier in en rond het water is weg,
hoeft voor mij niet meer.
Het is zaterdag rond zevenen in de avond. Ik ga uit! De temperatuur is
aangenaam. Ik fiets en aangekomen loop ik vol verwachting een feesttent in.
Buiten is het nog volop licht maar binnen in een ruime zaal draaien en zwiepen
lichtbundels in vele kleuren. In het midden van de zaal staat mijn broer, zeer op
zijn gemak. Mij ziende komt hij naar me toe, zegt ‘hallo, broertje’, bestelt pils
en drukt een glas in mijn hand. ‘Kom!’ en neemt me mee naar vrienden en
vriendinnen. ‘Dit is nou mijn broertje!’ en hij stelt iedereen aan me voor. Ik heb
direct contact en waardeer deze begroeting. Als een band het podium betreedt
en de eerste klanken komen trek ik me terug. Mijn broer zwaait nog even,
wenst me plezier en gaat zijn eigen weg.
Ik zie jongens meisjes het hof maken, de een doet dat gemakkelijker dan de
ander.
Groepjes flinke boerenjongens overal. Jeetje, wat een pukkels, gelukkig heb ik
daar geen last van. Ze drinken bier, veel bier, het ene nog in de hand wordt het
nieuwe glas al aangereikt. Op de een of andere manier ben ik jaloers op hen,
maak het moeilijk voor mijzelf, voel ook zo iets van niet bij hen te passen.
Ik bestel een pils, draai een sjekkie en zie geregeld twee of meer meisjes het
toilet bezoeken. De meeste zien er heel gelukkig uit. Als ze wederom passeren
aanschouw ik opgemaakte ogen, felrode lippen, wild, opgestoken en gewaaierd
haar, ruik lekkere luchtjes en kijk geboeid naar loop en bewegingen die mijn
zinnen prikkelen. De meisjes zijn zeer aantrekkelijk!
Kleurrijke lichtbundels, popmuziek en dansende jongens en meisjes zetten mij
aan mee te doen. Dat gaat niet vanzelf. Van spontaan overgeven is geen
sprake. Met pils en sigaret blijf ik aan de kant. Is dit nou uitgaan? Wil ik alleen
maar drank? Nog een pils en nog een, dan is daar mijn eerste stap. Hè, hè, ik
ben vrij.
Even later heb ik contact, doe mee met een swingende en onstuimige massa,
vergeet te denken, zie prachtig opgemaakte ogen, voel zacht drukkende
201
tepeltjes op mijn lijf en wordt meegenomen in ongekende sferen waarin mijn
lul dik en patserig de broek uit wil. Fantastisch! Even na enen een laatste dans.
In mijn lijf is het overal feest. Ik wil meer en loods mijn meisje mee, naar
buiten. Onhandig mag ik haar ontdekken. Al gauw zit ik in een innig vuur.
Nauwelijks te blussen hijg ik na. En dan, dag schat, dag, tot de volgende keer.
Geen overgang, nee, abrupt. Niet van het meisje. Nee, nee, van mij!
Na afloop op de fiets slingerend terug. Niet zo heel ver, wel over dijkjes. Een
half uurtje verder rijd ik beneveld door het bier maar intens tevreden het
achterpad van de ouderlijke woning op. Een thuis? Nee, geen sprake van.
Eerder een pension zonder kosten waar ik hoop snel weg te zijn.
Deel II
Eind maart ’67 is de keuring voor militaire dienst. In een beste stemming
vertrek ik naar de legerplaats Ossendrecht.
Gedachten zoeken naar overeenkomsten tussen klooster- en kazerneleven.
Het zijn mannenbolwerken waarin belangen van de gemeenschap altijd
voorgaan op die van de enkeling. Vrouwen zijn er veelal ongewenst.
Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en toewijding zijn vanzelfsprekend. Een
hoger geplaatste in de organisatie beslist altijd legitiem en met volmacht over
ondergeschikten. Onderlinge loyaliteit is méér dan een waarde en een zeer
belangrijk goed. De militaire dienstplicht is maatschappelijke moeten, echter
het moeten in het leger verwacht ik minder en anders dan binnen het internaat
van de patersorde in Zuid - Limburg. Ik heb verder het idee dat het leger een
bijzonder bedrijf is. En dat verlof betekent: ‘Eigen tijd zonder toezicht!’.
Ik vind het niet te geloven dat vrijheid van bewegen in vaders tijd nog meer is
ingeperkt dan nu. Geboren in mei 1915 hoeft hij als oudste zoon en opvolgend
kostwinner van een brood- en banketbakker niet in dienst. Echter hij ervaart al
zeer jong wat oorlog betekent omdat zijn vader, zoon van een spoorwegman
en zelf broodbakker, verdriet en elk ongenoegen genadeloos juist op hem
afreageert. Wat een aanvang neemt na het overlijden van diens vrouw, vaders
moeder, aan de Spaanse Griep in oktober 1918.
Een zusje van twee en een broertje van tien maanden delen hetzelfde lot als
vader. Hij is op dat moment een ventje van drie en een half die liefdeloos en
zonder aanleiding van zijn vader slaag, straffen en tuchtigingen te verduren
202
krijgt. Voorts krijgt hij nog voor zijn tiende levensjaar te horen, als
eerstgeborene, priester te moeten worden. Een offer aan God uit dankbaarheid
voor het leven. Daarop dient hij zich voor te bereiden, zegt zijn vader.
Met elf jaar komt vader tegen zijn zin op een privéschool van broeders. Een
internaat voor jongens waar ook een rooms katholieke bisschoppelijke
kweekschool gehuisvest is, tevens bedoeld als een kweekvijver voor
toekomstige religieuzen. Slechts op vijf minuten loopafstand ervan staat het
ouderlijk huis. Nog niet eens puber moet vader tijdens vakantie en vrije tijd in
de bakkerij meehelpen. Al snel maakt hij zijn vader duidelijk beslist geen
priester te willen worden. Die is zo in zijn eer gekrenkt dat elke redelijkheid in
bejegening als sneeuw voor de zon verdwijnt.
Vaders zusje komt na de lagere school op een meisjespensionaat voor betere
standen te Brussel. Zij moet tijdens vakanties dweilen, poetsen, in de winkel
helpen.
En zijn broertje gaat naar het lyceum welke scholing hij op last van zijn ouders
dient af te breken voor de opleidingen bakkerijbekwaamheid en handelskennis.
Onderling contact van de drie kinderen is minimaal. Over moeder wordt niet
meer gesproken. Haar leven is voorbij hun vader wil en gaat voort!
Vaders vader trouwt in mei 1921 opnieuw. Vlot na elkaar zien nog eens negen
kinderen, vier zonen en vijf dochters, het levenslicht. De oudste van deze reeks
is een jongen.
Als eerstgeborene uit dit huwelijk krijgt ook deze oudste van zijn vader te
horen dat hij voorbestemd is om priester te worden. Deze zoon heeft hiermee
geen moeite, zegt reeds op zeer jonge leeftijd zich tot het religieuze leven
aangetrokken te voelen en gaat tot grote vreugde van zijn ouders naar het klein
- seminarie.
Thuis zijnde wordt de positie van vader, zoon uit het eerste huwelijk, er niet
benijdenswaardiger op. Zelfs een eigen kamer wordt hem afgenomen. Toch
slaagt hij met zeventien jaar voor godsdienstkennis diploma A. In die tijd een
voorwaarde van de rooms katholieke kerk voor toekomstige onderwijzers. Kort
nadien haalt hij ook de akte van bekwaamheid als onderwijzer.
Vader krijgt echter geen kans om zijn opleiding tot hoofd-onderwijzer volledig
af te ronden omdat hij nauw betrokken is bij het aftuigen van een broeder, die
steeds maar weer onzedelijke handelingen pleegt.
203
Er wordt geklikt!
De directe gevolgen voor vader zijn stopzetting van studie voor aantekening
hoofdonderwijzer, verwijdering van het internaat, slaag en vernedering thuis
en het als meester op een katholieke school voorlopig zeker niet aan de slag
geraken. Via het bisdom ’s Hertogenbosch van de rooms katholieke kerk wordt
hij voor de functie onderwijzer in de ban gedaan.
Voor onbepaalde tijd moet vader nu, thuis, genadebrood eten, leven en slapen
als een hond en werken gelijk een slaaf.
De dag en nacht brood- en banket uitbrakende bakkerij gaat het steeds beter.
Het bedrijf draait als een tierelier. Vader heeft zich vereiste
bakkersvaardigheden snel eigen gemaakt en op grond daarvan midden jaren
dertig afspraken over verdiensten met zijn vader kunnen maken. Van vader
wordt verwacht dat hij niet alleen in de bakkerij werkt maar ook met de
bakfiets brood en bestellingen bezorgt. Uitbetaling van zijn loon zal
plaatsvinden bij voortzetting van vaders bedrijf, start eigen zaak, loopbaan in
het onderwijs of huwelijk. Wel wordt door zijn vader de voorwaarde gesteld
dat hij bij een voorgenomen trouwerij vóór zijn dertigste eerst toestemming
vraagt. Sinds die afspraak geeft vader zelfstandig, roulerend met zijn broer, die
brood- en kleingoedbakker is, leiding aan het personeel. Allebei zijn mede kostwinners in de zaak. Maar anders dan deze broer wordt vader door zijn
vader in de gaten gehouden en op weinig subtiele wijze gedwongen kamer en
bed af te staan als de eerste halfbroer en priesterstudent aanwezig is. Vader
vindt zijn vader een schoft maar weet niet hoe hij hem benaderen en bestrijden
moet.
Aan het met z’n tweetjes runnen van de bakkerij komt tegen het einde van de
dertiger jaren een abrupt einde. Z’n broer wordt opgeroepen voor militaire
dienst. Amper onder de wapenen ziet deze ’s nachts twee dienstplichtigen een
onzedelijke daad stellen en meldt het voorval bij zijn meerderen, die hem
publiekelijk prijzen. De broer van vader wordt daarna vrij snel bevorderd tot
dienstplichtig sergeant. Dan slaat het noodlot toe. In een vuurgevecht met de
Duitsers op 11 mei 1940 te Zijtaart bij Veghel krijgt hij, schietklaar, een kogel op
zich afgevuurd. Zijn helm en schedel scheuren en vaders broer sneuvelt in de
leeftijd van 22 jaar. Vader is zijn echte maatje kwijt!
Onder bezetting van de Duitsers moet de bakkerij doordraaien met weinig
knechten en voortdurende onzekerheid in het aanbod van grondstoffen. Vader
204
is voor hen een goede en inspirerende meesterbakker, die het verlies van zijn
iets jongere broer niet echt kan verwerken. Zijn vader laat dat ook niet toe. Hij
is een gewiekste zakenman, weet zijn magazijn vol te houden, overvleugelt de
concurrentie met zeer scherpe prijzen, reclame - folders en goede lonen voor
het personeel. Daarbij buit hij de afhankelijkheid van zijn zoon volledig uit. Zo
laat hij vader de overeenkomst over perspectief, loon en extra verdiensten,
midden dertiger jaren gemaakt, herbevestigen hoewel de relatie zeer te
wensen over laat. Vader schijnt geen kant op te kunnen!
Wat vader toen zelf wilde en wenste is bij zijn zoon op weg naar de legerplaats
Ossendrecht niet duidelijk.
Deel III
Inmiddels ben ik bijna bij het NS station en zie de nagebouwde Sint Pieter van
Rome voor mij opdoemen. Een grote groep bezoekers wordt voor de ingang
toegesproken door een gids. Ik hoor vertellen over het unieke van deze kerk,
voel opkomende wrok, loop snel door terwijl gedachten blijven steken in het
feit dat ik mijzelf zo voor de gek gehouden heb. Het beeld van een jongetje, die
zegt een priester wens te hebben, wordt opgenomen in een veel omvattender
beeld. Jongetjes, die zich tot God geroepen weten, na keuring en instemming
een speciale opleiding volgen, Hem daarboven van alles en nog wat beloven,
zich na jaren uiteindelijk priester mogen noemen en vanaf dat moment voor
altijd deel uit maken van het Leger van de Goddelijke Orde.
Velen in het Leger van de Goddelijke Orde zijn meesters in het zwijgen over,
ontkennen, verwijderen en kleuren van gebeur-tenissen. Deze methode wordt
ook toegepast tijdens lessen op het kleinseminarie.
Voor geschiedenis heb ik altijd al veel belangstelling. Kwesties over leven,
dood, ernstige voorvallen die vaak door mijn hoofd tollen en welke ik in vragen
aan de orde stel krijgen slechts sporadisch antwoorden.
Zo wordt op het kleinseminarie het Nederlandse leger, vanaf begin van de 2e
wereldoorlog, afgeschilderd als nietszeggend en lachwekkend.
Vragen over hoe paters van Hollandse en Duitse komaf tijdens de tweede
wereldoorlog binnen de kloostermuren met elkaar omgingen en samenleefden
blijven onbeantwoord. Dát prikkelt meer en meer, houdt mij voortdurend bezig
205
en is begin jaren zestig aanleiding de nieuwe overste van het klooster en het
kleinseminarie op dit onderwerp stoutmoedig aan te spreken.
In vrije tijd zie ik hem. Met kloppend hart loop ik op hem toe, houd stil voor
hem en wacht op een teken te kunnen spreken. Ik begin te stamelen, kom bijna
niet uit mijn woorden en voel mijn bloed lopen. Dan hoor ik mijzelf zeggen, u
bent Duitser en ik zou zo graag eens willen weten hoe de Nederlandse en
Duitse paters ten tijde van de wereldoorlogen met elkaar zijn omgegaan. De
overste kijkt mij aan, drukt een hand pijnlijk hard op een van mijn schouders,
bukt zich enigszins voorover, houdt een mond met dikke lippen voor mijn neus,
haalt diep adem en zegt dat hij deze vraag niet gepast vindt waarna hij zich
omdraait en spoorslags verdwijnt.
Dáár is het NS station!
Een treinritje naar Roosendaal duurt slechts kort. Ik neem plaats op een
klapstoeltje en denk aan moeder, die in februari 1921 te Groningen ter wereld
komt.
Ze is het derde kind. Twee broers zijn haar voorgegaan. Haar vader is ambitieus
ambtenaar in het gevangeniswezen, haar moeder een zorgzame en trouwe
huisvrouw. Het gezin heeft niets te klagen, vindt houvast in het rooms
katholieke geloof en is plichtsgetrouw. De kinderschaar van het gezin breidt
zich binnen zes jaar verder uit met een meisje, een jongetje en nog een meisje.
Haar vader gaat het goed. Opeenvolgende bevorderingen en detacheringen
maken deel uit van zijn werk. Elke promotie betekent verhuizen! Om die reden
volgt moeder lager onderwijs in enkele grote steden.
In het gezin wordt geen onderscheid gemaakt in kansen voor jongens en
meisjes. Na de lagere school gaat moeder, evenals haar broers, naar een Rijks
HBS. Daar ontmoet ze op de allereerste schooldag een hartsvriendin voor het
leven.
Geïnspireerd en vooral aangemoedigd door vader gaat ze zich ook meer bezig
houden met tekenen, schilderen en scheppende kunst. De leerroute van de
HBS sluit moeder in de tweede helft van 1937 met opvallend mooie cijfers af.
Moeders moeder denkt haar dan te kunnen inzetten voor de huishouding maar
haar vader wil dat ze de kans krijgt zich verder te ontwikkelen. De twee
echtelieden zijn het niet direct met elkaar eens maar boven een behoudende
206
beslissing krijgt uiteindelijk het vooruitstrevende de voorkeur. Zo geschiedt dat
moeder na het behalen van het HBS-B-diploma ingeschreven wordt aan de
Academie van Beeldende Kunsten. Ze volgt de avondopleiding tekenen.
Helemaal opgaand in haar creatieve bezigheden wordt ze begin 1939 lid en
leidster van ‘De Kruisvaart’. Ze maakt tevens kennis met katholieke massa
spelen, de Heilige Graal en het karakter van deze jonge damesclub. Om mee te
doen aan manifestaties en bepaalde activiteiten moet ze zich in uniform
kleden. Daar houdt ze niet van en ze laat haar lidmaatschap verlopen.
De teken opleiding aan de ABK te ’s-Gravenhage moet moeder na ruim twee
jaar afbreken daar vader in december 1939 elders in het land tot directeur
gevangenissen benoemd wordt. Niet veel later breekt de oorlog uit.
Beelden en verschrikkingen van dodelijk geweld verwarren moeder, ze raakt de
kluts kwijt en wordt ziek. Ze vertoeft enige tijd in een tehuis. Na herstel vindt er
wederom verhuizing plaats. In het nieuwe ouderlijk huis, naast de
gevangenissen en het paleis van justitie in ’s-Hertogenbosch, verricht ze
betaald huishoudelijk werk. Verder houdt ze zich voornamelijk bezig met
tekenen en schilderen en volgt lessen bij een bekende kunstschilder.
In de loop van 1941, bij bezorging brood aan huis, neemt moeder een
bestelling in ontvangst en ziet wel wat in een verhouding met de bezorger. De
ouderlijke woningen van de geliefden liggen op korte loopafstand.
De relatie houdt stand. Ze hopen dat de oorlog snel ten einde is om daarna te
trouwen.
Deel IV
De leeftijd van dertig gepasseerd kan vader zonder toestemming trouwen. Hem
wacht meer dan tien jaar loon en het kindsdeel van eigen moeder dat vader in
de bakkerij gestoken heeft. Het is heel veel geld waarmee het aanstaande paar
makkelijk een eigen bestaan kan opbouwen.
Maar vaders vader keurt de beslissing te trouwen zonder hem daarin te kennen
niet goed, ervaart dit als verlies van ouderlijk gezag en de ondergang van de
zaak.
207
Vader reageert verbaasd, zegt zijn werk in de bakkerij gewoon voort te zetten
en benadrukt dat zijn vader ook in de toekomst op hem zal kunnen blijven
rekenen. Voor zijn besluit te trouwen, de dertig gepasseerd, vraagt hij enkel
begrip. Eens moet hij op eigen benen staan. Dat moment is nu aangebroken.
Juist om die reden wil hij nu het door hem verdiende geld voor een eigen
woning, de inrichting ervan, een spaarpot en een mooie bruiloft.
Amper uitgesproken vliegt een asbak door de lucht en beent zijn vader
dreigend op hem af, probeert hem een doodschop te verkopen maar mist.
Schielijk loopt zijn zoon naar de deur en zorgt dat hij wegkomt zijn vader hevig
vloekend en tierend achterlatend.
Weer aan het werk in de bakkerij verneemt hij nergens recht op te hebben en
niets verdiend te hebben als hij zonder vaders instemming nu in het huwelijk
treedt. Ook verneemt hij zijn werk in de bakkerij te zullen verliezen en dat hij
thuis niet meer welkom is.
De gelieven besluiten toch te trouwen, in februari 1946. Het is een feest zonder
familie van vaders kant. Het paar betrekt twee kamers in een dorpje. In
pension!
De wittebroodsweken gaan nog wel maar het verleden laat vader niet los. Het
ontwricht de zo prille relatie. Werkloos, hoort hij dat zijn vader de bakkerij
verkocht heeft. Zijn vader besteelt hem niet alleen van heel veel geld maar ook
en vooral van rechten en waardigheid. Vader gaat kopje onder! De draad van
het nieuwe leven pakt hij niet op. In plaats daarvan reageert hij op anderen
woede af en ventileert bekrompen en onderdrukkende opvattingen over
vrouwen.
Liefde en warmte voor moeder verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Inkomsten uit werkzaamheden als testpatroon voor vak-opleidingen in het
bakkersbedrijf zijn veel te weinig om pension te kunnen betalen. Hij wentelt
zich in onmacht. Dat gaat moeder te ver en al binnen enkele maanden na hun
huwelijk zet ze vader voor het blok.
Moeder gaat eigen teken- en schilderwerk exposeren en verkopen. Vader is
razend, vindt dat ze achter het aanrecht hoort en haar positie dient te kennen.
Toch komt er een tentoonstelling, die geld oplevert om tijdelijk vooruit te
kunnen. Moeder verwerft ook opdrachten echter ze moet met de uitvoering
208
ervan voorzichtig zijn daar vader onberekenbaar kan reageren. Een deel van
het binnengekomen geld is voor vaste lasten. De rest wordt opzij gelegd.
Dan is daar het wonderlijke moment dat vader eindelijk eens iets zinnigs zegt.
Hij praat over het weer oppakken van zijn bakkers vak. Hij heeft weet van een
te huur staand pand met woning, winkel- en bedrijfsruimte. Moeder, in
verwachting, is blij, wil een man met werk en zo snel als mogelijk weg uit het
pension. Na maanden klikt het tussen beiden. Geld uit de verkoop van tekenen schilderwerk komt nu goed van pas. Voldoende voor huur van het gewenste
pand plus de aanloopkosten voor de inrichting van bakkerij en winkel.
Vader veert op! Eind november ’46 krijgen ze een dochter. Ze wonen dan nog
in pension maar kort daarop verhuizen ze naar een kleine gemeente waar
vader zich als bakker vestigt. Eenmaal een behoorlijke klantenkring heeft vader
geen plezier meer in het bakkerswerk. Hij geeft er blijk van niet met geld om te
kunnen gaan, onttrekt zich aan het samenleven en houdt zich niet aan
afspraken met klanten en afnemers.
Geen liefde wel kinderen.
Ik in ‘47, een zoon in ‘49 en een dochter in ‘50. Vader heeft dan al lang en
breed besloten zijn bakkerij op te geven. Hij gaat op zoek naar een baan in het
onderwijs.
Eind 1950 gaat de bakkerij van de hand. Vader begint als onderwijzer.
Na enige omzwervingen krijgt hij een vaste betrekking in Friesland. Daar ziet
een nieuwe zoon in ’52 het daglicht. Korte tijd later volgen nog een dochter en
een zoon, die in een klein dorp in het hart van Zuid-Holland ter wereld komen.
Moeder zegt dat vader zijn werk om redenen van gezondheid halverwege ‘61
beter elders kan voortzetten. Het wordt een plaatsje in Noord-Brabant. Ten
zuiden van de grote rivieren is het altijd een paar graden warmer. Goed voor
hem! Maar ik, reeds op het kleinseminarie, vind deze verandering raar.
Deel V
In Roosendaal aangekomen stap ik uit de trein. Een luid en dwingend
sprekende militair wijst bij de uitgang van het station naar een legergroene
209
bus. Instappen! Tien minuten later is bijna elke plaats bezet. De chauffeur mag
vertrekken.
De rit voert door Brabants landschap bestemming legerplaats Ossendrecht.
Daar uitgestapt zie ik vierkante borden met grote alfabetische letters. Deze
verwijzen naar de beginletter van een achternaam. Op zo een plaats is het
opstellen in rijen van twee. Zonder poespas wordt meegedeeld dat vanaf nu de
regels der krijgstucht van toepassing zijn. Een aanwezige militair stelt zich voor
als sergeant en geeft aan hem te volgen naar een grote hal, met schotten
verdeeld in afzonderlijke ruimtes. In een ervan moet ik me uitkleden,
onderbroek aanhouden, vervolgens achter een lange rij aansluiten, schuifelen
richting keurende en metende functionarissen in allerhande uniformen, terug
naar de kleedruimte, aankleden en weer naar de plaats met de grote letter L.
Na de lichamelijk (medische) keuring en het opnemen van kledingmaten volgen
boterhammen in een kolossale kantine. Enkele militairen verstrekken algemene
legerinformatie. Ik moet, zoals iedereen die opgeroepen is, formulieren
invullen met gegevens over afkomst, geloof, scholing, beroep. Om vier uur ‘s
middags is de keuring ten einde en stap ik in de legerbus. Naar huis!
Doelloos vul ik mijn tijd. Af en toe biljarten met vader, uitgaan, soms dronken
worden en vooral veel chagrijn en ontoegankelijkheid laten zien.
Niets doe ik met mijn gevoel van ongenoegen. Steeds weer denk ik over wat
komen gaat. En iedere keer komt bovendrijven de vraag wat ik wil. Waarop
mijn antwoord “Ik weet het niet. Echt, ik weet het niet!”
Oproep voor actieve dienstplicht ontvang ik kort na de keuring. In mei ‘67 moet
ik mij melden in Ossendrecht, Depot Artillerie. Een vervoersbewijs is
bijgevoegd.
Vanaf aankomst op de legerplaats is duidelijk dat elke nieuwkomer, dus ook ik,
als een jan lul gezien en benaderd wordt. Ik moet mijn bek houden, doen wat
opgedragen wordt en ontvang een dik boek met krijgstuchtinformatie. De
inhoud ervan hoef ik niet van buiten te leren wel wordt verondersteld dat ik die
na korte tijd ken.
Het leger, zo wordt meegedeeld, is geen speeltuin maar een bedrijf voor de
verdediging van het land, vrede elders in de wereld en hulp in bijzondere
omstandigheden zoals bij rampen. Het is een direct inzetbare en goed geoliede
machine onderverdeeld in land- en luchtmacht en marine.
210
Als ik de militaire sprekers goed begrepen heb geeft een generaal, de
bevelhebber, leiding aan de landmacht.
Behalve beroepskrachten kent dit onderdeel duizenden dienstplichtigen,
waaronder ik. De detachering in Ossendrecht zal ongeveer twee maanden
duren, welke periode benut wordt om een echte kerel van mij te maken en
voor het bijbrengen van militaire basisvaardigheden. Na afloop hiervan wordt
per dienstplichtige bepaald welke functie het best passend is en op welke
locatie die uitgevoerd moet worden.
Vervolgens krijgt iedereen een slaapplaats toegewezen. Degenen met wie ik
het verblijf deel vormen een peloton. We zijn vanaf dat moment maten die,
eenmaal een plek in de barak, weer naar buiten geschreeuwd worden. Niet
vlug genoeg, teruggejaagd en opnieuw naar de exercitieplaats bevolen. In vier
rechte rijen opstellen en meelopen naar de magazijnen voor militaire kleding,
uitrusting en het wapen. Alles compleet dan tekenen voor ontvangst!
Terug in de barak volgen instructies hoe het bed op te maken en de kast in te
richten. Voor het verstrekte wapen zijn aparte richtlijnen. Al deze activiteiten
zijn zo goed georganiseerd dat ik tegen het einde van de dag in overall
dienstplichtig soldaat ben met legeridentiteit 47.12.08…. .
Wat ik wil is niet aan de orde.
In dienst dien ik, zoals al geleerd bij het Leger van de Goddelijke Orde, uit te
voeren wat opgedragen is. Ik ontvang ook een identiteitsplaatje aan een
kettinkje wat de volle diensttijd om mijn nek dient te hangen.
Is meedoen de eerste paar dagen nog even wennen al gauw is de legersfeer
gekend. Dat moet ook wel want bijbrengen van militaire basisvaardigheden zijn
van levensbelang en gaat van godver hier en klootzak daar. Duurt
groepsuitvoering om onder prikkeldraad door te kruipen of via touw een
houten wand te beklimmen te lang dan opnieuw, soms wel drie maal.
Bij deze oefeningen ben ik als drager van een bril, een zogeheten dienstfiets,
niet te benijden. Zo’n ding met helm laat staan met gasmasker gaan niet samen
ten minste niet bij stevige training en sport. Beslagen en vuile glazen, ene glas
op de wang ander op het oog, kapot neusvel, bloedend oorlel, verwrongen
montuur.
211
Mijn dienstwapen is de FAL met bajonet. Na een uurtje theorie in onderdelen
uit elkaar halen, alles invetten en het wapen weer gebruiksklaar maken.
Inspectie van het wapen is iedere dag.
Schietoefeningen, wel leuk, zijn er niet zo vaak evenals wedstrijden om
geblinddoekt het wapen uiteen te halen en weer in elkaar te zetten. Oefenen in
exerceren leidt bij mij, linkshandig en rechtsbenig, wel eens tot verwarring
zeker wanneer drillen in bepaalde patronen langer dan enkele minuten duurt
ben ik geheid de weg kwijt. Zo hoor ik op het exercitieterrein dat Van der
Linden niet meer dan een zak stront is als hij rechts in plaats van links omdraait.
Een andere dienstplichtige hoort kaaskop moet een stap naar voren doen en
zich kaaskop noemen. Hij doet dat niet voldoende luidt en dient zich twintig
keer op en neer te drukken.
De eerste weken krijgen rekruten, waaronder ik, geen weekendverlof en
verblijven verplicht op de legerplaats. Dat betekent enkel bewegingsvrijheid op
het kazerneterrein en de aanpalende christelijke militaire tehuizen KMT en
PMT. Degenen, die daar moeite mee hebben zijn zij met een lief en gehuwden.
De leeftijden van mijn maten vallen tussen de achttien en dertig jaar. Ik ben
een van de jongeren en beleef sowieso veel plezier aan vrije tijd op de kazerne.
Vooral om onder dak zijn, per maand geld te ontvangen en zonder toezicht
vrije tijd zelf in kunnen vullen vind ik fantastisch. De mogelijkheden voor vertier
in de kantine zijn bier, kaarten, tafelvoetbal en -tennis, leestafel. Er is twee keer
per week film. Er kan ook gestudeerd worden!
Op het basisprogramma staat ook de niet verplichte geestelijke verzorging.
Kiezen tussen meedoen of corvee is niet moeilijk. Mijn ongeloof zet ik opzij en
ik laat me in met zalvend kwezelen over eventjes tot rust of tot God komen. De
eerste keer bezoek ik een katholieke geestelijke, de tweede maal een
protestantse dominee en tenslotte breng ik ook nog een bezoekje aan de
humanistische raadsman. Kennismaking met Katholiek of Protestants Militair
Tehuis is weer eens wat anders maar ik vind de militaire kantine op het
kampement gewoon beter. Het verschil wordt bepaald door sfeer.
Of je bent gewoon van God los, of je bent katholiek, of je bent protestant. Een
humanist is iets vreemds.
Kort voordat de rekrutenperiode afloopt wordt iedereen met het oog op de
vervulling van de diensttijd een lijst met baantjes voorgelegd. Chauffeur lijkt
212
me wel wat en er volgt een testje achter een autopaneel met rode en groene
knoppen en richtingwijzers. Plaatsgenomen moet ik simpele instructies
uitvoeren wat ik zonder fouten doe totdat het repeterende me begint te
vervelen. In gedachten geniet ik al van het vooruitzicht op een militair rijbewijs
dat, weer terug in de burgermaatschappij, makkelijk om te zetten is. Het effect
van mijn dromen laat niet lang op zich wachten. Ik wissel links voor rechts en
druk groen in plaats van rood. Klaar ben ik. Verknald! Tweede kans komt er
niet.
213
214