Juist omdat er ook leven is na de Calo

Commentaren

Transcriptie

Juist omdat er ook leven is na de Calo
Juist omdat er ook leven is na de Calo
Aanleiding voor dit interview is het afscheid van Evert Kruithof als docent
aan de Calo. Even dacht ik op 7 februari toen we afscheid van hem namen,
dat ik de Calo op haar grondvesten
voelde trillen. Het is ook niet niks.
Nooit eerder is iemands leven zo lang vervlochten geweest met dat van de
Calo. Eerst was Evert vier jaar als student verbonden aan de Calo (19561960), daarna ruim 35 jaar als docent (1962-1998). Bovendien - en daarom
is dit de uitgelezen plaats voor de publikatie van dit interview - is hij een
aantal jaren als eindredacteur
verbonden
geweest aan de Werkgroep
Bewegingsonderwijs.
1. Evert, laten we bij het begin beginnen.
Wil je iets over je jeugd vertellen?
Mijn jeugd? Dat was in Leerdam (later in
Zutphen). 'k Zie mezelf door de stad marcheren in een hagelwit pakje en ik geloof
een lint in m'n handen, als lid van de gymnastiekvereniging
'Voorwaarts',
achter een
groot vaandel en de muziek naar het voetbalterrein voor een demonstratie. Ook zat ik
op kleutergym, maar dat was nog in de oorlog. Iets ouder zwaaide ik over naar voetbal.
Veel meer keuzes had je toen niet. We verloren veel, maar voor mij leek dat erbij te horen, bij een christelijke vereniging. Tenminste, later in Zutphen, bij Wilheimina-SSS,
was dat net zo.
Intussen was ik al gaan volleyballen en tennissen. Maar eigenlijk was schaatsen m'n
sport. Mijn dagboek van toen toont -hoe
arm- bijna uitsluitend
grafiekjes van het
temperatuurverloop
in de wintermaanden. In
de zomer trainde je je ongelukkig om 's winters te kunnen vlammen. Maar er werd natuurlijk alleen nog maar geschaatst op natuurijs. Het hele gezin deed aan sport en m'n'
ouders hadden ook taken in de organisatie
van de verenigingen. Mijn vader was intussen voorzitter van Wilhelmina,
waar Dhr.
Joh. Beltman de verenigingsleider
was. Op
het Baudartiuslyceum
was dat ook mijn
gymleraar. Uiteraard was hij van het oude
turngeslacht, terwijl ik spel veel belangrijker
vond. Pas in de hoogste klas hebben de verschillen van inzicht op dit punt geleid tot
bijstelling van het programma van het weke-
Evert Kruithofop de Calo ('ö2-·9/)
- "Als een VIS in het water' lijkse dubbeluur. En logisch toch: je kunt je
toch niet door de leerlingen het programma
laten voorschrijven ...
2. Hoe komt nu zo'n dondersteen uit
Zutphen, want dat was je denk ik toch
wel, erbij om naar de Christelijke Academie voor Lichamelijke Opvoeding helemaal in Rotterdam te gaan?
Dondersteen ... , zeg je? Gelijk heb je wel. Ik
was een lastige leerling denk ik. Zeker als je
dat afmeet aan de frequentie waarmee ik
naar de rector werd gestuurd. Hij werd altijd
wat verdrietig als ik weer aanklopte en zei
steevast: "Ga het aquarium maar schoonmaken." We mochten elkaar en het aquarium
werd een plaatje.
Omdat ik eigenlijk alleen maar werkte voor
iemand die ik mocht en voor de rest vaak te
lastig was, zakte ik voor het eindexamen. In
die tijd zorgden Dhr. Beltman en m'n vader
er voor dat Piet Meerdink naar de Calo in
Rotterdam kon. Voor mij had mijn vader wat
anders in 't hoofd: naar de MTS in Doetinchem. Pas vlak na mijn s lagen het jaar daarop, terwijl ik al stond ingeschreven.in
Doetinchem, kwam ik bij kennis. Een technisch
vak?, dat wilde ik helemaal niet. Wat dan?
Reclame-ontwerper,
architect, bioloog ... het
was allemaal al te laat. Dan maar de Calo ...
Lekker sporten en een vak in de frisse lucht.
3. Hoe vond je 't daar? Had je het al snel
naar je zin? Wat zijn de belangrijkste
verschillen tussen studeren aan de Calo
toen en nu?
Dat was natuurlijk heerlijk. Ver van huis en
dus ver van de goedbedoelde
corrigerende
opmerkingen.
Veel geld had je niet. Maar
wat gaf het. Een kamertje van twee bij twee
voor f 25,-. En met de rest van f 100,- moest
je 't de verdere maand doen. 't Meeste geld
kwam in de kas van de sociëteit terecht. Vestuvalo en de disputen namen daarnaast ook
veel tijd in beslag.
Nu: onder het huidige regime van Ritzen's
OV-jaarkaart reizen de meeste studenten op
en neer naar huis. Soms uren. Op kamers is
nu een luxe. Toen was het noodzaak. Hooguit eens in de maand liftte je naar huis. Je eigen voetbalvereniging
moest je opzeggen.
We werden lid van Zwart-Wit '28, met een
stuk of 5 eerste jaars. De training mochten
we laten lopen. Nu hebben veel Calo-ers
drie, soms vier trainingen in de week, nog
steeds bij de club in hun woonplaats. De samenhang binnen de Calo-groepen
is dus
veel losser. Bovendien is de groepssamensteIl ing nu elk jaar heel anders. Vroeger
bleef je als groep vier jaar bij elkaar.
Door dat modulen gedoe van nu kun je ook
veel minder student zijn in de oude zin van
het woord. Je moet telkens in korte tijd tot
prestaties komen. Je kunt amper een keer
geblesseerd zijn, laat staan je een tijdje met
totaal wat anders dan het academieprogramma bezighouden. Het is ook niet verwonderlijk dat de Calo nu vaak weer 'school' wordt
genoemd, dat colleges 'lessen' zijn geworden, en docenten 'leraren'.
Wel vind ik de opleiding in veel opzichten
beter. Veel kinderziektes
zijn overwonnen.
De afzetterige houding van de Calo in gymnastiekersland
is gelukkig verdwenen.
De
waardevolle Calo- visie op het bewegen is
voldoende praktisch uitgewerkt en dat heeft
niet alleen een algemene acceptatie tot gevolg gehad, maar in veel gevallen een openlijke waardering.
Studenten gaan nu naar
mijn mening veel beter voorbereid de praktijk in. Veel minder in de vechthouding ook.
Maar natuurlijk heeft dat ook een andere
kant: minder principiëel misschien, minder
ook met het idee dat er nog veel moet worden ontwikkeld en uitgebouwd.
Natuurlijk ben ik meeveranderd .. Daarom
moet mijn oordeel voorzichtig zijn.
4. Ik kwam ergens iets tegen over studenten uit die tijd die sportkampen van het
Ned. Chr. Gymnastiek Verbond runden.
Het artikel hierover uit Trouw ging over
'ome Evert' en 'ome Piet' (Meerdink).
Hoe kwamen jullie hiertoe?
Was dit eenmalig?
Nee, trouwens niet alleen Piet en ik hebben
meegeholpen
in die sportkampen.
Andere
jaren b.V. ook Siert Huizinga en Oene Loopstra. Verdienen deden we er niet mee. We
voelden ons denk ik verplicht om ja te zeggen als we gevraagd werden. We waren uit-
eindelijk allemaal KNCGV-lid geweest en
de behoefte aan kampleiding was groot. We
hadden tenslotte ook wel bijna drie maanden
zomervakantie!
5. Zeer bekende figuren uit jouw studententijd zijn: 'lange' Jan van As, 'kleine'
Jan van Asch en Rein Bloem. Kun je van
elk van hen iets vertellen, over hoe ze op
jou overkwamen?
Het zijn de reuzen op de schouders waarvan
wij als studenten omhoog klommen.
Bij lange Jan denk ik direct aan z'n bijna
magische rituelen tijdens zijn lesgeven. Aan
de behaarde blote onderarm, die hij regelmatig uit zijn overhemd met korte mouwen
omhoog stak als hij bezwerend de volgende
dans verkocht. Zijn prachtige handen, die
eerst het trommelvel streelden alvorens hij
de strofe liet opklinken. Het maakte een geweldige indruk: lesgeven was niet zomaar
wat ...
Kleine Jan was, denk ik, de enige van de docenten die toentertijd Gordijn durfde bestrijden als dat nodig was. Dan moest je wel wat
in huis hebben! Dat Gordijn dat uiteindelijk
wist te waarderen blijkt uit het feit dat hij
hem vroeg rector te worden: "Jan, doe het
alsjeblieft, je bent de enige die het kan." Ik
vond dat hij het vak 'stelsels van lichaamsoefeningen' uitzonderlijk goed gaf. Hij was
een geboren lesgever. Verder moet ik niet
gaan, denk ik: 't was tenslotte mijn oom.
Rein Bloem heeft zelfs mij turnen geleerd.
Hij zei niet veel over je pogingen: meestal
moest je vragen om een aanwijzing. Wat hij
dàn aan leerhulp gaf, was geweldig. Zijn
enorm
relativeringsvermogen
en gevoel
voor humor lagen me bijzonder. Hij gaf me
het gevoel veel wijsheid in huis te hebben.
Ze hebben me enorm beïnvloed toen.
6. Van wie kreeg je zwemmen? Hoe ging
dat in die tijd? Belangrijkste verschillen'
met het zwemonderwijs aan de Calo nu?
De verschillen zijn natuurlijk gigantisch. In
Rotterdam
zwommen we in het Oostelijk
zwembad en later ook in Hilligersberg. Dat
laatste was wel drie kwartier fietsen uit het
centrum (om de lessen te kunnen volgen
fietste je 150 km per week). Het water was
koud, ik denk 20 - 21 graden. Alle studenten
van de academie stonden tegelijkertijd ge-'
pland, anders werd het te duur. De meesten
waren er niet. Van de overigen stond meer
dan de helft voornamelijk onder de douche.
Er waren er veel meer dan nu die amper
konden zwemmen. Maar turnen telde vier
keer zo zwaar als zwemmen, dus wat kon je
gebeuren? Zo fijn was het dus niet voor Verhoef om toen zwemdocent te zijn. Wat dat
betreft werden de randvoorwaarden
later
toch steeds beter.
Nu tellen alle praktijkvakken even zwaar, is
de absentie veel minder, is het water ongeveer 28 graden en is het zwembad inpandig.
De eigen vaardigheid ligt bij het begin al
hoger en aan het leren zwemmen-lesgeven
kan veel meer aandacht worden besteed.
Daar kan ik dus alleen maar positief over
zijn.
7. Kun je iets meer vertellen over de rector uit die tijd: C.C.F. Gordijn. Kregen
jullie als studenten ook iets mee van de
studiegang van Gordijn die juist in jouw
tijd een afronding kreeg in zijn promotie.
Dat laatste was zeker wel een groot evenement?
Hoe wm,louw relatie met Gordijn?
Ik vond hem geweldig als voortrekker voor
de Calo en had een grote bewondering voor
hem. Wat hIj voor elkaar kreeg bij ons! Hoe
hij ons telkens weer, net als we dachten iets
van de theorie te begrijpen, compleet in verwarring bracht. Hij was de revolutionair! En
dat ligt je wel als je jong bent.
Wèl had ik zo m'n kritiek, zeker bij zijn opstelling naar 'de buitenwacht'. Ook t.a.v. de
manier waarop hij almachtig besliste over
het al of niet doorgaan van studenten naar
een volgend studiejaar. Hij alleen wist wat
het beste voor iemand was ... Richtlijnen
voor overgangen waren er niet.
Hij kreeg ons warm voor de gekste dingen:
Toen het eens minder goed ging op de Calo,
met name in het samen-doen, overtuigde hij
ons in een maandagbijeenkomst
dat er door
ons een kapel gebouwd moest worden ... En
we gingen serieus aan het plannen maken.
We stonden ook op zijn initiatief in blauw
pak met stropdas bij het standbeeld van Fanny Blankers-Koen
te demonstreren
tegen
sportverdwazing.
Hij zette je aan het denken en doen, en je
deed het graag voor hem.
Hij gaf je het idee, dat je samen met hem de
theorie ontwikkelde.
Problemen
waar hij
mee zat bij het schrijven van z'n boek
bracht hij zo ter sprake, dat hij van ons de
oplossing verwachtte. We vonden het dan
ook normaal dat we allemaal bij zijn promotie werden uitgenodigd. Dat was echt geweldig toen we zo ongeveer met alle studenten
in bussen naar de Woestduinkerk trokken in
Amsterdam-Zuid.
Apetrots waren we.
Het was een hechte gemeenschap. M'lar niet
iedereen voelde zich er thuis. Er waren duidelijke gedragscodes. Je had je maar aan te
passen, anders viel je er buiten.
Mijn relatie met Gordijn was dus een kritische. Ik bewonderde
hem zeer, maar had
ook grote bedenkingen.
Hij vroeg me wel
vaak naar m'n mening, maar ik hoorde toch
niet bij zijn 'clan'. Omdat ik hem bewonderde werkte ik hard voor hem. Ik was b.v. in
het bezit van een bandrecorder,
nam vaak
z'n lezingen op en tikte die daarna uit. Een
heidens karwei, want hij maakte tijdens het
spreken bijna geen zin af.
8. Afgelopen november heb je namens het
personeel van de Calo de 88-jarige Gordijn nog een keer bezocht. Op het gevaar
af dM dit gaat lijken op een sportverslag,
wil ik je toch vragen: Wat ging er door je
heen?
Wat ging er door me heen? Het was met name de confrontatie' met de vergankelijkheid
van alles. Er straalde geen macht meer van
hem af, en er was geen energie meer. Dat
had natuurlijk ook te maken met de fase
waarin ik zelf zat, zo vlak voor m'n FPU [=
Flexibele
Pensionering
en Uittreding,
de
vervangende regeling voor de VUT; PH]. Ik
wist ook dat ik hem waarschijnlijk voor het
laatst zag. Hij, die een groot voorbeeld voor
me was.
9. Uit jouw bijdrage aan het afgelopen
najaar verschenen jubileumnummer van
't WEB maak ik op dat je eigenlijk direct
na je Calo-tijd in militaire dienst moest,
maar dat je nog een
soort docentassistentschap bij de Calo vervulde. Hoe ging dat in
zijn werk? Wie vroeg
je daarvoor en wat
moest je doen? En - zo
zal menig calculerend
lezer zich afvragen "wat zat er voor jou
in"?
Vanuit de luchtmachtkazerne in Schaarsbergen,
waar ik Piet Meerdink
opvolgde als Sportofficier, fietste ik dan 's
avonds - in m'n uniform
-dat moest toen nogheuvel op naar de Calo,
waar ik Ie en 2e jaars
tentamens
afnam voor
Gordijn.
De
opvoedingsboeken
van Waterink en Langeveld voornamelijk. Je vond het
een eer, en dat was genoeg: Gordijn werd zo
ontlast en kon verder
werken aan de theorie
van het bewegingsonderwijs.
10. Dan - in 1962 - word je gevraagd om
per 1 september bij de Calo les te geven.
Hoe ging dat in zijn werk? Stond je van
meet af aan al "boven die chloorbak"
Gouw woorden)?
Net toen ik dacht maar eens te gaan solliciteren (er waren banen zat in die tijd), zei
Gordijn: "Ik wil je hebben als docent, 'k
weet alleen nog niet voor welk vak."
Eerlijk gezegd schrok ik me rot. In mijn idee
moest je toch je sporen in zo'n vak verdient
hebben ... , maar ja, zo'n kans ...
't Werd z;wemmen, en Gordijn zei er bij: "Je
moet in vier jaar op niveau zijn."
Ik begon met 16 uur . De rest van de 40 lesuren gaf ik aan Mulo- en VGLO-klassen
in
Arnhem. Ik wist wel wat me te doen stond!
Veel noodzakelijke
kennis heb ik 'weggehaald' bij de zwemdocenten
van Den Haag
en Amsterdam: de heren Braamzeel en Ouwersloot, en ik ben hen nog steeds dankbaar
voor de manier waarop ze me hebben opgevangen en begeleid.
Die 16 lesuren werden er in de loop van de
volgende jaren 32. Niet allemaal zwemuren:
zoveel studenten waren er nog niet. Ik werd
ook 'uitgeprobeerd' op atletiek en spel.
11. Nadat de Werkgroep Bewegingsonderwijs in de jaren vijftig is begonnen,
verschijnt in januari 1962 de eerste 'Contactbrief' voor medewerkers aan de werkgroep. Van januari 1965 t/m december
1970 is Evert Kruithof redactie-secretaris/eindredacteur. Evert, hoe kwam je erbij om dit te gaan doen? Kun je wat meer
over deze tijd in de redactie vertellen?
Als student werden wij, dacht ik, in het vierde jaar gevraagd lid te worden van de Werkgroep. Met Cors had ik al op de Academie
een goeie relatie. We hadden samen geprobeerd om b.v. zijn sociodrama 'Van de vier
hoeken' als hoogtepunt van een lustrumviering te brengen. Uiteindelijk ging dat spectakei stuk waar grote groep'en studenten aan
hadden gewerkt, niet door vanwege de verhuizing naar Arnhem in 1959. Misschien
ook door dat contact met Cors werd ik een
kleine twee jaar na afstuderen gevraagd om
het redactie-secretariaat
van hem over te nemen.
Het was overigens Gordijn die me vroeg.
Op voorwaarde dat niet van mij verwacht
werd dat ik net zo veel artikelen zou bijdragen als Cors had gedaan, nam ik die functie
toen over.
Natuurlijk waren er redactievergaderingen.
De kunst was steeds weer om de 'contactbrief vol te krijgen op voldoende kwalitatief
niveau.
Doordat de werkgroep eind jaren zestig snel
groter werd, kon ook de uitvoering van de
contactbrief wat meer kosten. Vanaf januari
1969 verscheen een gedrukte uitvoering.
Het moest tevens een herstart worden, met
veel elan. Het heette nu ook Tijdschrift voor
bewegingsonderwijs.
Na twee jaar met de nieuwe (gedrukte) opzet bleek het niet meer vol te houden. Er
was gewoon te weinig goede copij. Gordijn
was inmiddels als hoogleraar bezig en ook
van hem kwamen er even geen bijdragen
meer. Het leek wel of het bewegingsonderwijs in zijn ontwikkeling
even pas op de
plaats maakte. Een noo-:zakelijke heroriëntatie, om met name de thèorie-praktijk-kloof
te kunnen dichten.
12. Je noemde het al, in 1969 wordt Gordijn hoogleraar en treedt hij - na 22 jaar terug als rector van de Calo. Het lijkt mij
dat daarmee een geheel nieuwe situatie op
de Calo ontstond. Wat veranderde er?
Dat was een enorme verandering. Eigenlijk
had ik medelijden met Van Asch, dat hij
zich had laten overhalen om de laatste vijf
jaren van zijn Calo-Ioopbaan
rector te zijn
en, wat erger is, Gordijn te moeten opvolgen.
Het charismatisch
en autoritair leiderschap
van Gordijn werd gevolgd door een fase
waarbij zo ongeveer alles weer bespreekbaar
was en besproken werd. De sfeer was ineens
heel democratisch.
De rectors kamer stond
de hele dag open: iedereen kon vrij in- en
uitlopen. Er kwam een algemene heroriëntatie op vrijwel alle opleidingszaken,
maar
ook op de praktische uitwerking van de bewegingsonderwijs-theorie.
In mijn herinnerir.g 'y/aren we er avond aan avond mee bezig - was het niet op de Calo dan was het
wel thuis. 't Was denk ik, mijn meest drukke
tijd. De jaren '70 stonden natuurlijk toch al
bol van de veranderingen.
13. Naast je zwemonderwijs heb je je veel
beziggehouden met de aanvullende eisen
die de Calo mag stellen ten aanzien van
de praktische bekwaamheid van aanstaande studenten ('keuring'). Je hebt
hier een keer een uitgebreide nota over
geschreven, die beroemd is geworden als
de 'eenmansnota van Evert Kruithof' .
Wat heeft jou omtrent de keuring zo beziggehouden?
Daarin vergis je je Peter, denk ik. Ik schreef
toch geen nota over de keuring? Wel een
dikke over 'beoordelen op de Calo'. Daarover had ik een geweldige onvrede. Eigenlijk al toen ik nog student was. Ik vond dat
je in de wijze waarop je studenten beoordeelde (een cijfer gaf), duidelijk maakte wat
zij waarmaakten van wat je redelijkerwijs
mocht verwachten. Mijns inziens werd er
veel te coulant geoordeeld, waardoor het erop leek dat het de docenten nauwelijks interesseerde of er voldoende werd opgepikt
van wat ze zoal gaven. Vervolgens werd er
bij overgangsvergaderingen m.i. nog weer te
veel met eisen gesjoemeld. Ik vond .dat je je
dan vervolgens ook niet zo moest opwinden
over het studentengedrag, omdat dat daar regelrecht mee samenhangt: veellesverzuim,
ongeïnteresseerdheid, te grote relativering,
weinig presteren. Als je ook in je beoordelingsgedrag niet duidelijk maakt wat je eigenlijk van studenten wil, gaan ze meestal
gewoon op de minimale toer presteren. Dat
leek me niet goed voor hun ontwikkeling,
laat staan voor een optimale voorbereiding
voor de latere vakuitoefening.
Met de keuring heb ik natuurlijk wel veel te
maken gehad. De verantwoordelijkheid
daarvoor kreeg ik bij het vertrek van Gosse
Hofstra. Feitelijk is in de wijze van selecteren niet zo veel veranderd, althans niet op
mijn initiatief. Veranderingen konden er ook
niet zijn: we mogen alleen maar selecteren
op de eigen bedrevenheid. Dat is overigens
ook precies wat me geweldig stoort. Niet dat
ik die bedrevenheid niet belangrijk zou vinden, in tegendeel, maar de docenten zijn
goed genoeg om je op dat punt voldoende
bij te leren als je niet al te onhandig bent. De
'al te onhandigen' vormen echter nog geen
10 procent van degenen die zich aanmelden.
Van de overigen worden de beste bewegers
aangenomen, en vele, iets minder goede afgewezen. Misschien hadden juist zij meer
leidinggevende capaciteiten, meer studiezin,
een bredere interesse en b.v. een betere sociale interactie. Ik had graag vorm willen
geven aan een vorm van selecteren waarbij
meerdere aspecten die te maken hebben met
toekomstig leraarschap, een rol zouden hebben gespeeld. Overigens zou dat een zware
klus zijn geweest.
14. Ik wil - bijna aan het einde het einde
van dit interview - niet nalaten een 'oude
rot' als jij bent te vragen, wat naar jouw
mening de belangrijkste bedreigingen en
kansen voor de Calo op dit moment zijn?
Op dit moment liggen de grootste bedreigingen natuurlijk in de financiën, in de ingrijpende bezuinigingsrondes die keer op keer
worden afgekondigd.
Hierdoor wordt b.v. het benoemingsbeleid
van docenten teveel bepaald. Kwaliteit van
buiten Windesheim kan niet meer voldoende
worden aangetrokken.
Een ander gevolg van de ingrijpende bezuinigingen is de vermindering van het aantal
contacturen: "De computer zal steeds meer
taken van de docent overnemen." Oké, dat
zal wel. De herinnering aan mijn eigen opleiding is dat deze in hoge mate werd bepaald, niet door wat men mij liet leren, maar
van wie ik het leerde!
Ik denk trouwens niet dat die andere ontwikkeling tegen te houden is. We kunnen ons
dus beter richten op de mogelijkheden die àl
die nieuwe technieken geven en dat zijn er
veel.
Nog een derde bedreiging wil ik noemen:
dat is de grootte van de Calo. Ook te veel uit
nostalgie misschien geredeneerd, maar laat
de Calo niet nog groter worden. Massaliteit
en anonimiteit hebben teveel kwalijke gevolgen voor een instituut als de Calo.
De invloeden van buiten, van ministeriële
zijde, zowel als van Windesheim, hebben
een hausse aan veranderingen veroorzaakt.
Het zal nog wel enige tijd vergen voor er
weer voldoende structuur is gevonden.
Vroeger kwamen herstructureringen meer
uit de eigen koker, vap.binnenuit, nu worden
ze opgelegd en is de grote opgaaf je zo goed
mogelijk en zo snel mogelijk in en aan te
passen. Gezamenlijk werken aan een verdere uitbouw van het theoretisch kader van de
opleiding. tenm~nste dezelfde taal blijven
spreken op dat punt, is zeer noodzakelijk en
te lang naar de achtergrond gedrukt.
15. Prachtige logo's, grafische ontwerpen
en karikaturen (spotprenten) hebben we
aan jou te danken. Is dit een hobby die nu
meer aandacht gaat krijgen? Met andere
woorden: Is er leven nà de Calo voor
Evert Kruithof?
Maar ik begin maar eens met buiten die
drukke vakanties om naar de wintersport te
gaan, om op die manier wat af te kicken van
de Calo. Want het was toch een heel groot,
heel waardevol stuk van m'n leven.
Mooi toch, dat je tot de weinigen behoort
die zelf kunnen bepalen of ze ophouden met
hun beroepswerk?
Niet gedwongen
door
slechte gezondheid,
geen gedwongen ontslag, niet omdat je het plezier erin allang
verloren hebt. Toch stop ik, juist omdat er
ook leven is na de Calo. Er zijn nog zoveel
mooie dingen te doen. Reizen natuurlijk,
maar b.V. ook het maken van glas-in-Iood
ramen.
Bedankt, Evert, voor alles! Het ga je, samen
met Dieta, goed!

Vergelijkbare documenten