De gebroeders Kennis maken reconstructies van mensachtigen

Commentaren

Transcriptie

De gebroeders Kennis maken reconstructies van mensachtigen
Homo antecessor,
500.000 tot
1,2 miljoen jaar oud
Homo neanderthalensis, 28.000 tot
350.000 jaar oud
De gebroeders Kennis maken
reconstructies van mensachtigen
FOTO'S DORLING
KINDERSLEY
PA G I N A 8 - 9
Verwanten verbeeld
Homo floresiensis,
12.000 tot 95.000
jaar oud
eppen
n in
torium
Sahelanthropus
tchadensis,
6 tot 7 miljoen jaar oud
Hoe reconstrueer je een gezicht?
Koppen met karakter
P A L E O N T O L O G IE
Alfons en Adrie
Kennis maken
reconstructies van
vroege mensen. Met
hulp van wetenschap
en verbeelding.
K arel B erkh out
D
e hele menselijke evolutie ligt zo’n beetje op een
tafel van nog geen vierkante meter: tientallen
gereconstrueerde
hoofden
van
mensachtigen, met zwarte haren en
een bruine huid. Een oude Neanderthaler-man heeft een uitgesproken
gezicht met een forse neus. Als mensen hem zien, zeggen ze dingen als
‘Hé, dat is precies oom Jan!’. Of: ‘Net
de Russische generaal Lebed.’
De makers Alfons en Adrie Kennis
vertellen dit heel blij: “We geven een
gezicht altijd een eigen karakter,
want ook vroege mensen waren individuen. Natuurlijk ziet onze reconstructie er anders uit dan degene van
wie de schedel ooit was. Maar dát die
persoon een eigen karakter had, willen we laten graag laten zien. En dus
vinden we het fijn als mensen van nu
iets van zichzelf herkennen.”
De Nederlandse tweelingbroers
Alfons en Adrie Kennis (1966) zijn
toonaangevende paleokunstenaars,
die op grond van wetenschappelijke
kennis verbeelden hoe prehistorische mensen en dieren eruit gezien
kunnen hebben. Ze maakten naam
met (cover)illustraties voor National
Geographic van onder meer een vrouwelijke Neanderthaler (‘Wilma’) en
met de reconstructie van ‘gletsjerman’ Ötzi. Vorige maand haalden ze
in België de voorpagina’s met hun reconstructie van Spy, de Neanderthaler die ruim een eeuw geleden bij Namen werd gevonden: “In de Vlaamse
kranten zag je zijn piemel, in de
Franstalige niet.”
Honderden schedels
Een staalkaart van hun oeuvre
biedt het net verschenen boek Het verhaal van de mens. Dit even gedegen als
toegankelijke overzichtswerk van de
menselijke evolutie staat vol foto’s
van tientallen hoofden die de gebroeders Kennis hebben gemaakt. “We
hadden de afgietsels al”, zeggen de
broers en wijzen op een verzameling
witte hoofden op de vloer in het
rijtjeshuis van Alfons, de oudste, in
Arnhem. “We hoefden die alleen nog
maar uit te voeren in siliconen.”
Voor het Senckenbergmuseum in
Australopithecus
afarensis, 3tot 3,
7
miljoen jaar oud.
Frankfurt maakten ze vorig jaar namelijk een hele serie gereconstrueerde hoofden, in hard plastic. Die witte
hoofden werden ‘zwevend’ gepresenteerd in een zaal: “Bezoekers liepen van de oudste mensachtige naar
de moderne mens, via mensachtigen
van allerlei leeftijden. Je kon de gezichten door de tijd heen zien veranderen, maar zonder een stamboom.”
Die aanpak past in de huidige consensus dat de menselijke evolutie
niet in een rechte lijn maar langs
kronkelpaden is verlopen.
Op de werkzolder puilen de kasten
uit van naslagwerken en meer nog
van honderden afgietsels van mensen- en dierenschedels. De originelen
zijn beschikbaar gesteld door onderzoekers en door musea: “Musea krijgen één reconstructie gratis en dan
mogen we een afgietsel maken van alles wat we interessant vinden.”
Zo kwamen er uit Frankfurt 70
schedels, waarvan in totaal 140 afgietsels werden gemaakt. “Ik maak er
drie per uur”, zegt Alfons, “dus reken
maar uit hoe veel tijd dit heeft gekost”. Waarom alles dubbel? “Omdat
ik ze thuis ook wil hebben”, zegt
Adrie. “Ik lig vaak in bed met schedels van verwante dieren en bekijk
dan uren lang de kleinste verschillen.”
Want de schedels zijn een gezamenlijke preoccupatie van de broers.
Als de een enthousiast heeft verteld
over de Ethiopische wolf (“kijk eens
naar die langwerpige bek, helemaal
aangepast om alleen maar die reuzenmolrat te sneppen”), dan vertelt
de ander enthousiast hetzelfde verhaal (“Oh, dat weet je al?”). Als de een
begint over de lengte van een huigbotje, maakt de ander het af met een
betoog over de kromming van voorhoofden. Als de een iets uitlegt, pakt
de ander een schedel erbij ter illustratie. Als de een antwoordt, neemt de
ander het vaak over.
In deze woordenstroom is het onmogelijk om vast te stellen wie wat
zegt. Uit de kast komt De grote encyclopedie van de mens in de oertijd van Jelinek, vol kleurige fantasierijke illustraties van zeer primitieve Neanderthalers met een laag voorhoofd onder
Homo ergaster,
1
,
5tot 1
,
9miljoen
jaar oud.
een sprieterig bloempotkapsel. En
dan hoor je dit over hét boek uit de
kinderjaren van de tweeling. “Dat
was fantastisch!” “Volkomen achterhaald natuurlijk.” “Met die lendendoekjes.” “En die rare koppen.”
“Maar wat een geweldige sfeer.” “Alleen al die schitterende groene bomen.” “Dit leeft.” “Dit is een verhaal.”
Uilenballen
Al vanaf hun kleutertijd tekenden
en kleiden ze oermensen en dieren.
Maar in de weetjesboeken uit die tijd
stond van elke vroege mensachtige
maar één schedel afgebeeld: “Je kon
nooit vergelijken.” Dus toen ze in
hun vroege tienerjaren het boek van
Jelinek ontdekten, was dat een openbaring: “Eindelijk een heleboel Neanderthalerschedels.”
In die tijd waren ze ook een beetje
klaar met het natekenen van muizenschedels uit uilenballen. “Dus gingen we zelf schedels uitkoken, in het
schuurtje achter ons huis. Als er een
dooie kat op straat lag, sneden we de
kop eraf en stopten die in onze
schooltas. In het slachthuis graaiden
we in de ton met afval; moest je met
arm dwars door de darmen om onderin een schedel van een varken of
koe te kunnen pakken.” De uitgekookte schedels tekenden ze na.
De gebroeders Kennis waren graag
paleoantropoloog geworden, “maar
we waren niet goed in rekenen en
taal”. Ze werden tekenleraar en bleven dieren en oermensen tekenen in
hun vrije tijd. Eind jaren negentig
mochten ze kinderboeken over de
evolutie illustreren. Om oermensen
goed te kunnen tekenen (“hoeveel
schaduw hadden ze naast hun
neus?”), reconstrueerden ze hoofden
met de zogeheten ‘Manchester-methode’ (zie kader).
Hun illustraties trokken de aandacht van National Geographic, dat vermogens spendeert aan de verbeelding van prehistorische wezens. Hun
hoofden trokken ook de aandacht
van onderzoekers en musea. “Voor
ons zijn die hoofden oorspronkelijk
modellen voor illustraties, maar de
buitenwereld heeft liever koppen
Homo erectus,
30.000 tot 1
,
8
miljoen jaar oud.
dan tekeningen.”
Op de werkzolder staat een model
van een Neanderthaler, die de broers
nu maken voor het museum in
Frankfurt. Op de schedel zitten houten pinnen van een paar millimeter,
die de huiddikte aangeven. Als deze
reconstructie straks klaar is, lijkt die
dan op de oorspronkelijke eigenaar
van de schedel? Die kans is niet heel
groot, zeggen de broers.
Want iemands uiterlijk wordt
sterk bepaald door het gezichtsvet en
het haar. “Maar hoeveel gezichtsvet
iemand had en wat voor haar, dat is
onbekend.” De broers vertellen over
een experiment waarbij een Britse
hoogleraar het hoofd van een Nederlandse collega reconstrueerde op
grond van foto’s van diens schedel:
“Het ging om een al wat oudere man,
dus de Brit dacht dat de Nederlander
nogal kaal was en dat het gebied rond
de ogen was ingedroogd. Die kaalheid klopte, maar de man had een
beetje uitpuilende ogen.”
De onzekerheid over het realistische gehalte betekent niet, dat de
broers zich alles laten zeggen over
hun reconstructies. Zo had de Amerikaanse paleoantropoloog Erik Trinkaus, dé Neanderthalerkenner, kritiek op hun vrouwelijke Neanderthaler (‘Wilma’) in National Geographic.
“Hij had helemaal niet goed gekeken, zoals wij.” Dat leggen ze even uit
met een kleine demonstratie.
Een broer toont zijn hoofd en profil, de ander geeft commentaar. “Als
je een denkbeeldige verticale lijn
trekt van de achterkant van de neus
naar boven” – de vinger gaat omhoog
– “kom je uit bij de wenkbrauwboog.
Dat is typisch voor Homo sapiens. Bij
de Neanderthaler eindigt die lijn in
de lucht, want het middendeel van
zijn gezicht, met de jukbeenderen,
de mond en de neus, stond in zijn geheel wat naar voren.”
Trinkaus beweerde dat het middengezicht verder naar voren stond
dan de broers hadden gereconstrueerd met Wilma. “Ja, bij de mánnen
was dat zo, maar bij de vrouwen was
dat minder sterk!” Een broer pakt
een schedel uit de kast: “Zie je dat het
jukbeen niet zo heel ver uitsteekt?”
1
2
De schedel komt uit Spanje, waar
de afgelopen decennia tientallen
schedels van Neanderthalers en hun
voorgangers (Homo heidelbergensis)
zijn opgegraven. “Zoveel dat we nu
weten dat de individuele verschillen
heel groot waren.” Er komt een onderkaak van de plank. “Kijk, je kunt
je vinger achter de achterste kies leggen. Dit geldt als een typisch Neanderthalerkenmerk.” Er komt een andere onderkaak van de plank. “Van
dezelfde plek, deze lag er bij wijze
van spreken naast. Maar hier krijg je
er helemaal geen vinger achter.”
De gebroeders Kennis illustreerden een boek over de ‘Spaanse’ Neanderthalers, met spectaculaire schilderijen van oermensen die hun haar
hoog op hun hoofd hebben opgebonden. “Het is aannemelijk dat toen
mensen zichzelf gingen versieren, ze
begonnen met hun haar. Kelten deden krijt in hun haar voor de strijd
met de Romeinen, de Papoea’s deden
kralen in hun haar voor de oorlog.
Dus waarom zouden de Neandertha-
Homo heid elb ergensis, 200.000 tot
600.000 jaar oud.
5
3
De gebroeders Kennis hanteren de methode die de
Britse forensisch antropoloog Richard Neave heeft
ontwikkeld aan de universiteit van Manchester. Het
bekendste Nederlandse
voorbeeld van de ‘Manchester-methode’ is waarschijnlijk het Meisje van
Nulde. Haar identiteit kon
in 2001 worden achterhaald na een reconstructie
van haar hoofd op grond
van een op het strand gevonden schedel.
Eerst bestuderen de broers
het afgietsel van de schedel (foto 1), onder meer de
ruwe plekken waar ooit de
gezichtsspieren waren aangehecht. Ook bekijken ze
de plek en de vorm van de
neusholte, die veel aanwijzingen geeft over de vorm
van de neus.
Bijzondere aandacht krijgt
het botuitsteeksel onderaan de neusholte, de spina
nasalis. Ze leggen een satéprikker langs dit uitsteeksel
en ook een prikker langs de
neusbrug. “De plek waar
de prikkers elkaar kruisen
is de punt van de neus. Zo
kun je de omvang van de
neus bepalen. Steekt de
spina nasalis wat omhoog,
dan krijg je een klein, beetje Indonesisch neusje.
Steekt de spina meer naar
voren, zoals bij de Neanderthaler dan krijg je een
grote neus.” De vorm van
de neusgaten – “heel karakteristiek voor een ge-
zicht” – is niet te bepalen.
Op de schedel worden pennen aangebracht (foto 2),
die de dikte van de huid
aangeven: dun op het voorhoofd, dikker op de wangen. “De huiddikte is bij alle mensen hetzelfde, daar
zijn gewoon tabellen voor.
Sterker nog, de huid van
chimpansees is even dik
als die van mensen.”
Op de schedel brengen ze
met boetseerklei gezichtspieren aan (foto 3), die zijn
afgeleid van mensen en
mensapen. Daarover komt
een huid van pottenbakkersklei. Daarna brengen
de broers huidtextuur aan
in de klei. “We hebben
huidstempels gemaakt van
chimpansees en van mensen. Zit een mensachtige
nog wat dichter bij de apen,
dan gebruiken we de chimpanseestempel. Zit een
mens al wat dichter bij de
moderne mens, dan gebruiken we de mensenstempel.”
Met siliconenrubber maken ze een flexibele mal,
waaruit het uiteindelijke
hoofd wordt gegoten (foto
4). In hard plastic, als je de
details goed wilt laten zien.
Of in siliconen voor een
compleet hoofd, dat na het
gieten wordt bijgewerkt
(foto 5) – met glazen ogen,
een bruine huid en zwarte
haren. “De haren steken
we haar voor haar met een
naald in het hoofd. Vier dagen werk.”
4
lers het niet zo hebben gedaan?” Het
wijkt af van het gangbare beeld met
het steile haar. “Deze Spaanse professor was jong en zei ‘doe maar’.”
De tweeling heeft de Spaanse schedels wel meegekregen, waar veel
niet-Spaanse wetenschappers ze niet
krijgen. Dat is in het algemeen zo.
“Onderzoekers geven hun spullen
makkelijker aan ons dan aan hun collega’s, omdat wij er toch niet over
kunnen publiceren.” Het verklaart
dat de broers bijvoorbeeld tientallen
schedels hebben van Homo erectu s, een
miljoen jaar oude voorganger van de
moderne mens.
D e Hobbit
Ze hebben ook de piepkleine schedel van Homo floresiensis, die maar enkele tienduizenden jaren oud is. Over
deze Indonesische ‘Hobbit’ zegt een
minderheid van experts wel dat het
een Homo sapiens is met een schedelafwijking. De broers geloven er niets
van: “De onderkaak van de Hobbit is
die van Homo erectu s, maar dan klei-
ner. Wij zien dat doordat we tientallen erectus-kaken naast kunnen leggen. Weinig wetenschappers hebben
zoveel kaken.”
De waarheid hebben ze niet in
pacht, benadrukken de broers: “We
zijn geen wetenschappers en de evolutie is heel complex.” Ze pakken vier
schedels van mensachtigen, een in elke hand: “Deze vier soorten woonden
anderhalf miljoen jaar geleden in de
Afrikaanse savanne, naast elkaar. Zie
je hoe ze verschillen? Elke soort was
aangepast aan wat-ie at. De een noten, de ander planten. Wie is onze
voorouder? Dat weten we niet. We
vermoeden deze.” Een schedel gaat
de lucht in: “Homo ergaster!”
Nu pakken ze weer allebei twee
schedels, nu van hedendaagse zeehonden. “Deze vier soorten wonen in
hetzelfde gebied bij de Zuidpool,
maar kijk eens naar de verschillende
kaken en tanden: deze eet vis, deze
pinguïns, deze inktvis en deze krill.
Wat een variatie, ongelooflijk. Net als
bij de vroege mensachtigen.”
Homo sapiens
(man), maximaal
200.000 jaar oud.
Om de kennis van dieren te vergroten, ontleden de broers geregeld kadavers uit dierentuinen. “Dan zetten
we eerst een paar pinnen in de huid
om de dikte te meten. Dan bekijken
we hoe de spieren lopen, hoe groot ze
zijn. Uiteindelijk snijden we de spieren eraf en maken daar afgietsels van.
Dan gieten we de rest af.”
De anatomische kennis over de hedendaagse leeuw gebruikten ze bijvoorbeeld voor een reconstructie van
de buidelleeuw in National Geographic. “Een paleontoloog had kritiek
op onze tekening, omdat de onderkaak niet zou kloppen met de muil.”
Meteen komt een leeuwenkop tevoorschijn. “Kijk, bij een leeuw vallen de bovenlippen heel ruim over de
onderkaak. Daardoor lijkt de onderkaak niet gelijk te lopen met de
mond. Deze paleontoloog heeft
nooit echt goed gekeken.”
De beperkingen van hun reconstructies zijn groot, beseffen de gebroeders Kennis. “De werkelijkheid
is altijd veel verrassender dan je
denkt. Als een giraf niet bestond zou
je hem niet kunnen verzinnen. Met al
die gekleurde vlekken.” Of een zebra.
“Een wit paard met zwarte strepen.
Dat kún je niet bedenken.”
Maar binnen die beperkingen willen ze wel het maximale uit hun reconstructies halen. “Amerikanen
brengen op mensenschedels vaak
geen aparte spieren aan. Die gaan uit
van een standaard dikte van spier, gezichtsvet en huid. Dat werkt prima
hoor. Alleen niet als je het gezicht een
bepaalde uitdrukking wil geven.”
Ze wijzen op een mannelijke A u stralopithecu s afarensis – zeg maar de
man van de 3,2 miljoen jaar oude
Lucy – die een soort grijns op zijn gezicht. heeft. “Alleen als je weet hoe
een gezichtspier loopt, kun je zo’n
gezichtsuitdrukking maken en een
hoofd een eigen karakter geven.”
Het verhaal van de mens. Door Alice
Roberts met 3D-illustraties van Alfons en Adrie Kennis. Uitgeverij
Winkler Prins. 256 blz. €29,99
Homo sapiens
(vrouw).
FOTO'S DORLING KINDERSLEY