op zoek naar de betekenis van wonen

Commentaren

Transcriptie

op zoek naar de betekenis van wonen
Rapport
OP ZOEK NAAR DE
BETEKENIS VAN WONEN
Een verkennend literatuuronderzoek
Bart Claessens, Elias Vlerick
& Pascal De Decker
INWE – Hogeschool Gent
Januari 2009
1
2
DEEL I: INLEIDING
1. DE BETEKENIS VAN WONEN ............................................................. 7
1.1.
1.2.
1.3.
1.4.
ALGEMEEN........................................................................................ 7
PROBLEEMSTELLING ........................................................................... 7
OM MEE TE NEMEN ........................... 11ERROR! BOOKMARK NOT DEFINED.
OPBOUW RAPPORT EN DOELSTELLING ................................................... 14
DEEL II: WONEN ALS BASISBEHOEFTE EN DE BELEIDSCONTEXT
2. WONEN ALS BASISBEHOEFTE ........................................................ 18
2.1.
2.2.
2.3.
2.4.
2.5.
2.6.
WAT IS EEN WOONBEHOEFTE? ............................................................ 18
BENADERINGEN VAN (WOON)BEHOEFTEN .............................................. 20
DE RELATIE TUSSEN WOONWENSEN EN BEHOEFTEN ................................ 25
BELANG VAN EEN VISIE OP BEHOEFTEN VOOR WOONONDERZOEK ............... 28
EEN CATEGORISERING VAN DE MENSELIJKE BEHOEFTEN .......................... 30
CONCLUSIE ..................................................................................... 35
3. DE BELEIDSCONTEXT .................................................................... 37
3.1.
3.2.
3.3.
3.4.
DE BELEIDSVISIE ............................................................................. 37
INGREPEN HEBBEN NIET HET GEWENSTE EFFECT .................................... 38
VISIE OP SOCIALE GROEPEN EN WOONVOORKEUREN SCHIET TEKORT .......... 39
CONCLUSIE ..................................................................................... 41
DEEL III: VAN FEITEN NAAR BETEKENIS
4. KENNISVERWERVING IN DE SOCIALE WETENSCHAP EN ONDERZOEK
NAAR DE ‘BETEKENIS’ VAN WONEN............................................... 44
4.1.
HET POSITIVISME ALS FILOSOFISCHE VOORONDERSTELLING IN HET
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK .................................................................. 45
4.1.1. Het logisch positivisme ........................................................... 46
4.1.2. Ideologische en politieke implicaties van het positivisme ......... 47
4.1.3. Positivisme in de sociologie ..................................................... 47
4.2. BESTAAN ER WEL ‘OBJECTIEVE’ FEITEN? KUHN: PARADIGMA EN NORMALE
WETENSCHAP ............................................................................................ 49
4.3. WOONONDERZOEK ALS DISCIPLINE? ..................................................... 51
4.4. CONCLUSIE ..................................................................................... 53
DEEL IV: EEN NIEUWE BENADERING
5. PARADIGMA’S EN CONCEPTUELE KADERS MET BETREKKING TOT
WONEN.. ...................................................................................... 55
5.1. HET KLASSIEKE WOONONDERZOEK ...................................................... 55
5.1.1. De verschillende benaderingen ............................................... 55
5.1.2. Conclusie ............................................................................... 57
5.2. ONDERZOEK ROND DE BETEKENIS VAN ‘WONEN’ ..................................... 58
5.2.1. Psychologie en fenomenologie ................................................. 59
5.2.2. De sociologie........................................................................... 64
5.2.3. Conclusie ............................................................................... 66
5.3. LESSEN UIT HET VERGELIJKEND HUISVESTINGSONDERZOEK ..................... 69
3
5.3.1. De verschillende benaderingen ............................................... 69
5.3.2. Conclusie ............................................................................... 72
5.4. VOORBIJ HET KLASSIEKE WOONONDERZOEK: EEN NIEUWE BENADERING ..... 72
5.4.1. Sociaal constructivisme in woononderzoek.............................. 72
5.4.2. De context voor een nieuwe benadering: een postmoderne
maatschappij ...................................................................................... 76
5.4.3. Een nieuwe conceptualisering: ‘housing pathways’ ................. 78
5.4.3.1. De ‘life course approach’ en de ‘housing career’ ................ 79
5.4.3.2. De ‘socio-biographic approach’ en de ‘moral career’ .......... 80
5.4.4. .................................................................................................. 82
5.4.5. Conclusie ............................................................................... 82
DEEL V: CONCLUSIE
6. WAT NEMEN WE MEE? ................................................................... 85
7. REFERENTIELIJST ......................................................................... 89
4
Lijst van Tabellen
Tabel 1. Algemene tevredenheid met de woning naar type huurder
en eigendomsstatuut (%), Vlaams Gewest 2005,
p. 10
Tabel 2: theoretische visies op behoeften(-bevrediging),
p. 18
Tabel 3: Verschillende betekenissen van het multidimensioneel concept
‘home’
p. 61
Tabel 4: 10 betekeniscategorieën van het multi-dimensioneel concept
‘home’,
p. 62
Tabel 5: essentiële kwaliteiten van ‘home’ en ‘non-home’ environments, p. 64
Tabel 6: discoursen rond ‘home’,
p. 67
Lijst van figuren
Fig. 1: Behoeftenhiërarchie van Maslow,
p. 30
Fig. 2: Categorieën van behoeften volgens Max Neef (1991, 1992),
p. 31
Fig. 3: Gevoelens gekoppeld aan het al dan niet vervuld zijn van behoeften,
p. 31
Fig. 4: relationeel schema belangrijke concepten in woononderzoek,
p. 85
5
DEEL I.
INLEIDING
6
1. DE BETEKENIS VAN WONEN
1.1. Algemeen
De woningbehoefte wordt in econometrische modellen doorgaans geraamd op basis
van gekende vraagfactoren, zoals inkomen, prijzen, de hoogte van de rente en demografische ontwikkelingen. Demografische prognoses, zoals gebruikt in het kader van
de opmaak van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, baseren zich op
veranderingen in onder andere levensverwachting, huishoudgrootte en emigratie.
Hoe nuttig deze ramingen ook zijn, een beperking van dit type onderzoek is dat
verondersteld wordt dat mensen rationele keuzes maken. Dit is niet noodzakelijk
het geval. Huishoudens die dezelfde objectief meetbare karakteristieken hebben,
kunnen/zullen binnen eenzelfde woningmarkt andere keuzen maken: huishoudens
met hetzelfde inkomen, dezelfde huishoudsamenstelling en dezelfde werkplaats
kunnen verschillende woonvoorkeuren hebben afhankelijk van de betekenis die
‘wonen’ voor hen heeft of afhankelijk van de functie die ‘wonen’ voor hen vervult.
Voor de ene is de woning niet meer dan een dak boven het hoofd, terwijl het voor
het ander een statussymbool is; voor de ene is het een toevallig en tijdelijk verblijf,
terwijl het voor de andere de ultieme verankering van het eigen leven in een
bepaalde omgeving is. Deze verschillen kunnen een grote rol spelen in de keuze van
bijvoorbeeld woonplaats (bijv. stad of platteland, een volksbuurt of een residentiële
woonzone, nabij een spoorwegstation of autosnelweg…) en/of woningtype
(appartement, eengezinswoning, rijwoning…). Genoemd type onderzoek negeert ook
vaak dat voor huishoudens voorkeuren over de tijd kunnen veranderen en dat dit
een effect heeft op de vraag. Zo heeft de opkomst van het tweeverdienergezin
onmiskenbaar de woningvraag beïnvloed, een vraag die bovendien doorheen de tijd
is gedifferentieerd: tweeverdieners zijn vandaag niet langer gedoodverfde ‘suburbanisanten’ of ‘stadsvluchters’, maar kiezen ook woonplaatsen in de centrumsteden
(De Decker, 2006b). Zo zullen toekomstige generaties waarschijnlijk ook lessen
trekken uit de veroudering van hun ouders en op een toename van de zorgen anticiperen, mogelijks met een verhuis naar een woning of appartement die beter
aangepast is aan de ongemakken van de oude dag1.
1.2. Probleemstelling
Genoemd type onderzoek, maar ook rapporten en beschouwingen die gebaseerd zijn
op analyse van een brede waaier van (administratieve) databanken, maken in feite
gebruik van ‘outputdata’ en zijn daarom (vaak onvermijdelijk) blind voor zeer gedifferentieerde processen en beslissingen achter deze data. Er zijn dus een aantal
problemen mee.
In de eerste plaats kan dit er toe leiden dat wordt verondersteld - op zijn minst
impliciet - dat huishoudens als het ware een directe weg naar de gemeten (eind)
toestand hebben afgelegd. Dat dit niet noodzakelijk zo is, toont bijvoorbeeld recent
onderzoek naar dakloosheid aan. Wong (1997) en Wong & Palivin (1997) beschrijven
dakloosheid als gevolg van deze nieuwe inzichten als een dynamisch proces, waarbij
individuen niet noodzakelijk permanent dakloos zijn, maar zich voortdurend
Hypothese gebaseerd op OSIS. OSIS is een onderzoek dat Pascal De Decker in de periode 2003-2006
aan de Universiteit Antwerpen uitvoerde in opdracht van de Europese Commissie (6th framework). Het
onderzoek spitste zich toe op de strategieën van huishoudens in verband met het mogelijke verlies van
de eigen woning. Zie De Decker (2005), De Decker (2006) & De Decker (f2007).
1
7
bewegen tussen echte dakloosheid, verblijf in tijdelijke accommodatie en perioden
van regulier wonen, bijvoorbeeld als particuliere huurder. In plaats van dakloosheid
te zien als een progressieve loopbaan van stabiele accommodatie naar echte dakloosheid – na bijv. een relationele breuk (zie Van Regenmortel e.a., 2006) - wordt
dakloosheid gezien als dynamisch, beweeglijk en verschillende kanten opgaand.
Dakloosheid is dan een uitkomst van een interactie tussen individuele problemen
(bijv. relatiebreuk) en structurele veranderringen (bijv. veranderd opvangbeleid of
inkrimping van de goedkope woningvoorraad). Door dit zo te bekijken, is een
conceptueel kader gegroeid dat probeert de wegen of paden in en uit dakloosheid te
vatten met het begrip ‘homeless career’ (zie bijvoorbeeld box 1). Het begrijpen van
dakloosheid als een carrière, als een loopbaan, contrasteert uiteraard met het
begrip van een loopbaan als een statisch eindpunt. Wong (1997) stelt dat het
‘loopbaan’ concept is gegroeid sinds onderzoeksmethoden meer complex werden en
zich niet langer gingen beperken tot cross-sectionele surveys. Op basis daarvan
kwamen onderzoekers meer en meer tot het inzicht dat individuen vaker in en uit
echte dakloosheid bewogen dan algemeen op basis van cross-sectioneel onderzoek
werd verondersteld. Met daarbovenop de bedenking dat cross-sectioneel onderzoek
de kwantitatieve ernst van de dakloosheid overschat, omdat op elk meetpunt de
chronische daklozen oververtegenwoordigd zijn2. Het spreekt voor zich dat een
analoge conclusie geldt voor wooncarrières op de reguliere markt. De complexe
verhalen uit boxen 2 en 3 illustreren dit.
Een tweede probleem is dat genoemd onderzoek (impliciet) veronderstelt dat wat
gemeten is, het resultaat van een keuze is. Niets is minder waar. Wanneer in 1990
aan mensen die een woning in Gent verlaten of zich in Gent komen vestigen, in een
gesloten vraag gevraagd wordt verschillende redenen aan te duiden waarom ze hun
nieuwe woning en woonplaats hebben gekozen, scoort de reden ‘de woning was
beschikbaar’ – na ‘de woning is geschikt’ – het hoogst (De Decker e.a., 1995). Twee
bedenkingen daarbij. Eén, de betrokken woning is als gevolg van dit antwoord voor
een behoorlijk aandeel van de respondenten meer dan waarschijnlijk niet ‘het
droomhuis’, maar een tussenstap naar een andere woning. Van diegenen die zich in
Gent zijn komen vestigen geeft trouwens bijna 70% aan nog te zullen verhuizen. Dat
surveys niet noodzakelijk de als definitief gepercipieerde woonsituatie vatten blijkt
ook uit het onderzoek van het Kenniscentrum voor een Duurzaam Woonbeleid. Zij
ondervroegen in 2005 een representatieve steekproef van Vlaamse huishoudens.
14% van de respondenten die na 1995 hun woning betrokken geeft aan nog te
zullen verhuizen. Onder huurders is dit 24%; onder eigenaars is dit 5% (Heylen e.a.,
2007).
Twee, heel wat factoren die de oorspronkelijke ‘beslissing’ hebben bepaald, kunnen,
eens de woning betrokken is, wijzigen, wat ofwel kan leiden tot de acceptatie van de
situatie ofwel een verhuizing uitlokt3. De samenstelling van het huishouden zelf kan
wijzigen waardoor de woning niet langer om diverse redenen voldoet (te klein, te
groot, te duur…). De sociale omgeving kan door de inwijking van bepaalde bevolkingsgroepen of door bepaalde bouwprojecten wijzigen met eenzelfde effect. Het is
ook best mogelijk dat een huishouden niet kan aarden in een omgeving en weer
vertrekt4. Of ogenschijnlijk ‘veraf’ liggende externe ontwikkelingen kunnen woonIdem voor armoede. Zie Dewilde & Levecque (2002).
Priemus (1978) ziet wonen als een aanpassingsproces en omschrijft drie mogelijkheden van aanpassen: de woning aanpassen aan de behoeften (verbouwen), verhuizen of zich schikken indien de
twee andere niet haalbaar zijn (aanpassen aspiraties).
4 Makelaars melden dat er huishoudens zijn die met het oog op ‘hun oude dag’ naar een appartement
in de stad verhuisden, maar na verloop van tijd terugkeren, ofwel omdat ze niet kunnen aarden in het
dan ook kleinere appartement (uiteraard zonder tuin), ofwel omdat ze niet omkunnen met de
ongemakken van stedelijk wonen (parkeerproblemen; meer lawaai, drukte). Zie bijv. Cneut e.a. (2007).
2
3
8
beslissingen beïnvloeden. Zo kan een verlaging van de rentevoeten in combinatie
met een subsidieschema een eerder nooit geplande verhuis uitlokken, omdat wat
niet haalbaar was, dit plots wel is.
Box 1
(X is man, geïnterviewd medio 2005)
X is 53 jaar oud en woont in een sociale huurwoning in Gent samen met Y, een vrouw van
49 jaar oud. Ze hebben sinds 15 jaar een af-en-aan-relatie. Beiden hebben een leven van
gebroken relaties achter zich, gepaard gaand met opnamen in psychiatrische instellingen
en perioden van dakloosheid. Beiden hebben ook periodes van begeleid wonen gekend.
X is laag geschoold. Hij werkte een tijd als arbeider waarmee hij goed zijn boterham verdient. Na een als vernedering ervaren echtscheiding raakt hij verslaafd aan alcohol. Dit gaat
van kwaad naar erger, met verlies van zijn baan te gevolg. Hij leeft lange tijd van een
leefloon en wordt geregeld ‘opgenomen’. In 1988 raakt hij er bovenop en gaat opnieuw
werken. Een jaar later wordt hij ziek, waarna hij invalide wordt verklaard. Ook zijn partner
is invalide. Geen van beide maakt kans een kans op een terugkeer naar regulier betaald
werk.
Woongeschiedenis van X
1975:
1976:
1979:
1989:
1990:
huwt en gaat privaat huren op het platteland
verhuist samen met zijn vrouw naar een sociale huurwoning op het platteland
gaat terug thuis wonen na breuk met echtgenoot (op het platteland)
periodes van institutionalisering en begeleid wonen in Gent wisselen zich af
gaat in Gent privaat huren met een nieuwe partner die hij tijdens zijn opvang heeft
leren kennen
1990: periodes van institutionalisering en begeleid wonen in Gent na relatiebreuk
1991: gaat sociaal huren met nieuwe partner
1997: muteert met partner naar huidige sociale woning; de vorige sociale huurwoning
was van slechte kwaliteit
X beseft dat sociaal huren voor hem en zijn partner een goede oplossing is: ze betalen
naargelang hun inkomen, genieten van woonzekerheid en een comfortabele woning met
zicht op de stad. Het laat hen toe om met begeleiding van een CAW de schulden te betalen
en toch nog voldoende over te houden ‘om van te leven’. Tegelijkertijd weegt het stigma van
wonen in een sociale hoogbouwwijk door. X droomt van een kleine eigen woning met een
tuintje en een kleine auto.
Bron: OSIS-onderzoek
9
Box 2
(X is een alleenstaande vrouw, geïnterviewd medio 2005)
X is een 52-jarige kunstenares. Ze woont in een eigen woning in de Gentse 19de-eeuwse
gordel. Ze heeft de woning zodanig verbouwd dat ze een deel van de woning kan onderverhuren. Ze heeft dit geld nodig om de hypotheek te helpen afbetalen. Haar inkomsten
fluctueren sterk en goede en slechte perioden wisselen elkaar af. Vooraleer ze besliste om
als kunstenares door het leven te gaan, had deze hoogopgeleide vrouw verschillende jobs.
Onder andere in een studiebureau. Daar leerde ze verschillende subsidieschema’s kennen.
Ze heeft er dan ook gretig gebruik van gemaakt en combineerde voor de aankoop en
verbouwing van haar woning een lening bij de VHM met een renovatiepremie van de stad
Gent en enkele jaren tussenkomst in de leningslast van de Vlaamse gemeenschap.
Woongeschiedenis van X
1974: gaat met haar man en kind in een studentenhome voor gezinnen wonen
1976: gaat met haar man en kind privaat huren samen met nog enkele anderen “in de sfeer
van de jaren 1960”
1978: verhuist na relatiebreuk met kind naar een andere private huurwoning
1979: gaat bij vrienden inwonen nadat de vorige private woning werd verkocht en
ze werd opgezegd
1983: gaat met kind privaat huren na conflict met die vrienden
1989: verhuist met kind naar andere private huurwoning nadat de vorige woning werd
verkocht en ze wordt opgezegd
1990: verhuist naar een andere private huurwoning omdat de vorige niet langer betaalbaar
is (nu ze beslist heeft om als kunstenares verder te gaan – kind verlaat de woning
1990: koopt haar (huidige) huurwoning zelf nadat ze werd opgezegd. Ze verbouwt de
woning en verhuurt een verdieping
Tussendoor heeft X ook nog bij vrienden ingewoond.
Deze woongeschiedenis speelt zich volledig af in Gent.
Bron: OSIS-onderzoek
Een derde probleem is dat impliciet wordt verondersteld dat elke stap op de
woningmarkt een stap vooruit is en dat er dus een soort ‘ideaal’, een soort
eindtoestand bestaat. Voor Vlaanderen zijn we dan geneigd om te denken aan een
eigen eengezinswoning op een vrijstaande kavel. Op basis van een releverend
onderzoek naar de woonwensen van tieners zou men tot de conclusie kunnen
komen dat dit zo is: een meerderheid van jongeren geeft aan bij voorkeur in een
vrijstaande woning met tuin te willen wonen (Verhetsel e.a., 2004). Het doet de
auteurs dan ook besluiten dat de nieuwe suburbanisanten klaar staan. Enkele
bedenkingen daarbij. Eén, sommigen zullen hun ‘droom’ nooit bereiken (zie box 1).
Twee, de survey van het Kenniscentrum voor een Duurzaam Woonbeleid, bevestigt
dat eigenaars het meest tevreden zijn, maar tegelijkertijd blijken de tevredenheidscores voor andere woonmilieus en andere woningtypes ook behoorlijk hoog te
zijn (tabel 1). Zo zijn 82% van de huurders en 85% van de bewoners van een sociaal
hoogbouwappartement minstens tevreden over de woning. Dit kan er op wijzen dat
eigendom niet voor iedereen het eindstadium hoeft te zijn.
10
Box 3
(X en Y zijn een jong kinderloos koppel, geïnterviewd medio 2005)
X en Y wonen in Gent in de 19de-eeuwse gordel, waar ze een grondig vernieuwde woning
kochten van een projectontwikkelaar. Op het moment van het interview werkte zij in Brussel en hij combineerde een deeltijdse job in Tervuren met een andere in Brussel. Beide zijn
hoog opgeleid. Zij heeft een relatief vaste betrekking bij een onderwijsinstelling; zijn tewerkstelling is zeer gespecialiseerd en daardoor precair. Hij is afkomstig van het West-Vlaamse
platteland.
Woongeschiedenis X
2000: gaat alleen op een kamer n Antwerpen wonen omdat zijn toenmalige vriendin
daar woont en studeert
2001: gaat samen met zijn broer een woning huren in de ouderlijke gemeente; gaat dus
terug naar zijn ‘roots’ en wordt er zelfs gemeenteraadslid
2002: gaat met vriendin (huidige vrouw) in Gent een flat privaat huren; kan niet meer
aarden op het thuisfront
2002: gaan tijdelijk inwonen bij vrienden omdat de gekochte woning nog niet klaar is
2005: verhuist met vrouw naar huidige woning
Verhuisgeschiedenis Y
1997: gaat alleen op een kamer wonen
1999: huurt huis in Gent met toenmalige vriend
1999: gaat na relatiebreuk terug bij ouders wonen in Brugge
2001: huurt in Gent een flat om alleen te gaan wonen
2002: gaat met vriend (huidige man) in Gent een flat privaat huren; kan niet meer
aarden op het thuisfront
2002: gaan tijdelijk inwonen bij vrienden omdat de gekochte woning nog niet klaar is
2005: verhuist met man naar huidige woning
Bron: OSIS-onderzoek
Drie, als we veronderstellen dat Vlaamse huishoudens eigen woningbezit een hoger
doel vinden dan huren – wat onderzoek lijkt te bevestigen (De Decker, 2007) -, dan
stelt onderzoek vast dat bepaalde huishoudens met een terugval geconfronteerd
worden. In de periode 1992-1997 verliet 7,8% van de huishoudens een eigen
woning voor een huurwoning. In 49% van de gevallen was dit een gevolg van een
relatiebreuk. Andere redenen waren ondermeer verandering van werkplaats (17%),
de woning werd te groot (11%), gezondheidsredenen (6%), de woonkosten zijn te
hoog (6%), het huis is te klein (6%) en de buurt is niet aardig (6%)(in De Decker,
2005a).
1.3. Om mee te nemen
Deze korte beschouwing illustreert dat wonen niet alleen met eenvoudig kwantificeerbare eigenschappen als grootte, eigendomsstatuut of type gevat kan worden.
Behoeften, wensen, betekenissen: het zijn vlaggen die verschillende en mogelijks
doorheen de tijd veranderende ladingen dekken. Met als gevolg dat een beleid dat
op eenvoudige concepten gebaseerd is, dreigt te falen5. Zonder de legitimiteit van de
er mee gepaard gaande beleidskeuzen in vraag te stellen – ze zijn legitiem -, geven
we enkele voorbeelden.
5
Zie de publicaties van Saey i.v.m. de ruimtelijke planning ter zake.
11
Tabel 1. Algemene tevredenheid met de woning naar type huurder en eigendomsstatuut (%), Vlaams Gewest 2005
Tevreden
Noch
tevreden/
noch
ontevreden
Ontevreden
Zeer
ontevreden
Totaal
25,5
63,4
6,5
3,8
0,8
100
22,9
57,1
12,2
5,5
2,3
100
Eigenaar
40,8
55,7
2,7
0,5
0,2
100
Huurder
23,6
58,5
10,9
5,1
1,9
100
7,1
2,7
1,0
100
2,5
9,8
0
100
7,5
5,6
0,4
100
5,9
1,4
1,6
100
Type huurder
Sociale
huurder
Private
huurder
Eigendomsstatuut
Zeer
tevreden
Bouwtype sociale huisvesting
Geen
hoogbouw
24,9
64,5
(n=240)
Hoogbouw*
27,0
60,7
(n=47)
Ligging sociale huisvesting
Stedelijk
gebied
23,9
62,5
(n=168)
Buitengebied
28,6
62,6
(n=107)
*vijf of meer bouwlagen
Bron: Woonsurvey 2005 (Winters e.a., 2007)
Een eerste voorbeeld komt uit de sociale huursector. In de loop van de jaren 1990
heeft een zeer negatief discours de kop opgestoken. Sociale woonwijken, inzonderheid hoogbouwwijken, en sociale huurders werden met alle zonden van Israël
beladen (De Decker, 2005b). Maatregelen om hieraan te verhelpen, zoals de
verhoging van de inkomensgrenzen om toegang te verkrijgen en de opmaak van
leefbaarheidplannen om de sociale huursector opnieuw aantrekkelijk te maken voor
huishoudens met een hoger inkomen, werden uitgedokterd. Finaal werd zelfs de
wetgeving (Vlaamse wooncode) aangepast om een kader te creëren voor een
aangepast beleid. De inhoud van het discours dat de aanleiding voor de beleidsmaatregelen betrof, blijkt echter in schril contrast te staan met de bevindingen van
onderzoek. Alle ons bekende onderzoeken tonen immers een hoge en zelfs toenemende tevredenheid van sociale huurders aan (Pannecoucke e.a., 2001; Stoop &
Albertijn, 2003; Heylen e.a., 2007 – zie ook tabel 1).
De problemen van de sociale huisvesting en meer bepaald van de hoogbouwwijken
volgen trouwens uit een deels foute inschatting van de potenties van wat door de
modernistische architecten en stedenbouwkundigen als een ideaal woonmodel werd
beschouwd. Met deze wijken creëerde men als het ware een onwrikbaar ‘eindmodel’.
Men ging ervan uit dat iedereen dit model zou oppikken en afstand zou doen van
het meer burgerlijke woonmodel van de eigen gezinswoning. Dat de modernistische
oplossing voor het woonprobleem de tand des tijds niet heeft doorstaan, lijkt
intussen duidelijk. Fundamentele maatschappelijke veranderingen hebben er toe
geleid dat steeds meer huishoudens eigenaar van hun woning konden worden
waardoor de sociale huisvesting in het algemeen en de hoogbouwwijken in het
bijzonder steeds lager op de woningmarkthiërarchie kwamen te staan. Daardoor
12
zijn ze een steeds armer publiek gaan huisvesten, met alle gevolgen van dien (zie
o.a. De Decker, 1998; De Decker & Pannecoucke, 2002; De Decker, 2004).
Een tweede voorbeeld refereert aan wonen van ouderen. De (impliciete)
beleidsopties en voorstellen van drukkings- en belangengroepen gaan uit van het
gegeven dat ouderen zo lang mogelijk in de woning willen blijven wonen. Is dit zo?
En is dit maatschappelijk gewenst – in de wetenschap dat vaak grote woningen
daardoor niet alleen onderbenut blijven, maar ook slecht worden onderhouden?
Mocht het inderdaad zo zijn dat ouderen vandaag inderdaad zolang mogelijk in
hun woning willen blijven wonen, niets zegt dat dit zo zal blijven. Om te beginnen is
‘oud zijn’ een zeer gedifferentieerd gebeuren (geworden). Perioden van beweeglijkheid wisselen zich af met moeilijke periodes – vaak nog eens verschillend per
partner. Bovendien zullen de aankomende generaties ouderen de ervaring van hun
ouders – de eerste generatie met een zeer hoge levensverwachting - in hun beslissing meenemen. Onderzoek van o.a. De Decker (2005a) doet aannemen dat aankomende ouderen niet per definitie zoals hun ouders in een te grote en daardoor
vaak onaangepaste woning willen blijven. Ze houden de optie om naar een
appartement (wegens geen trap) in de dorps- of stadskern te verhuizen in elk geval
open. Het punt dat we met dit voorbeeld willen maken, is dat een ongedifferentieerde aanpak ter zake er toe kan/zal leiden dat een groot aantal ouderen niet
gelukkig in een als ongepast ervaren woning zal moeten blijven leven. Dit heeft,
zoals we al stelden, bovendien een niet onbelangrijke maatschappelijke kost,
namelijk de onderbenutting met dreigend verval van grote woningen.
In het verlengde hiervan dient o.i. ook een concept als levenslang wonen kritisch
tegen het licht te worden gehouden. We moeten ons afvragen wat de zin is van het
subsidiëren van woningen voor levenslang wonen wanneer we weten (zie o a De
Decker, 2005a), dat weinig koppels een heel leven in een zelfde woning blijven
wonen. En in de wetenschap dat steeds meer koppels minstens één maal in hun
levensloop met een relatiebreuk geconfronteerd worden en dat wonen doorheen de
levensloop bovendien verschillende functies met bijhorende behoeften vervult. Moet
een huishouden als starter, ouder van kinderen en finaal als oud-bejaarde alleenstaande – of als hersamengesteld gezin - in dezelfde woning (kunnen) wonen? En
moet dit door de overheid worde ondersteund?
Nog twee voorbeelden sluiten aan bij de benadering van wonen in de ruimtelijke
ordening en het stedelijk beleid. Eén, sinds het einde van de jaren 1970 gaan er
pleidooien op om de uitbreidingstedenbouw een halt toe te roepen. Dit resulteerde
uiteindelijk in de uitbouw van een stedelijk beleid (De Decker, 2004) en de
goedkeuring van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (1997). Hoewel het niet
met zoveel woorden wordt gesteld (Maes, 2002), is het de bedoeling om meer
mensen in de stad te doen wonen in meer compacte, dense en sociaal meer
heterogene omgevingen (Boudry e.a., 2003). Nog los van het feit dat dit een
omkering is van een trend die reeds voor de Tweede Wereldoorlog startte (Van der
Kerken, 1976), contrasteert deze beleidskeuze met de woonwensen zoals vastgesteld
in tal van onderzoeken6. Zo ook deze van de Woonsurvey waarin slechts 16% van de
kandidaat-verhuizers zegt in het stadscentrum te willen wonen (Heylen e.a., 2007).
Twee, genoemde beleidsomkering volgt op een jarenlang discours waarin begrippen
als ‘leegloop’ en ‘stadsvlucht’ centraal stonden. Het devies luidt dat de tendensen
‘leegloop’ en ‘stadsvlucht’ gekeerd dienen te worden om de leefbaarheid van de stad
te bevorderen en de open ruimte te vrijwaren. De begrippen ‘leegloop’ en ‘stads6
Zie bijv. Verhetsel e.a. (2003); zie ook De Decker (2004) voor een overzicht.
13
vlucht’ zijn echter problematisch. ‘Leegloop’ werd immers uitsluitend ingevuld aan
de hand van de evolutie van de bevolkingscijfers, die voor de centrale steden
inderdaad reeds lang dalen (Van der Kerken, 1976). Andere indicatoren werden niet
in rekening gebracht. De kwaliteit van de administratieve statistieken werd (wordt)
niet in vraag gesteld –, er wonen nogal wat niet-geregistreerde mensen in de stad maar evenmin werd (wordt) de verandering in huishoudenstructuren verrekend. Zo
werd genegeerd dat een bevolkingsdaling gepaard ging met een toename van het
aantal huishoudens. Als we met andere woorden de ontwikkelingen bekijken vanuit
het perspectief van het aantal woongelegenheden, dan was er geen sprake van een
leegloop. Integendeel, het aantal huishouden steeg – en met hen het aantal auto’s,
jobs en diensten. Dit leidt bij De Decker (1993) tot de retorische vraag: hoe kan iets
dat niet leeg is, gevuld worden? Tenzij tegen een inleveren op kwaliteit7? (De Decker,
2001).
Het begrip ‘stadsvlucht’ is dan weer een negatief begrip: vluchten betekent weggaan
(-lopen) van iets dat niet goed is, in casu de stad. Was dat zo? Of zijn de mensen
buiten de stad gaan wonen omdat ze in de stad niet vonden wat ze zochten: een
kwalitatieve woning (met een tuin)? Het onderzoek naar de verhuismotieven van
stadverlaters in Gent toont in elk geval niet aan dat het verlaten van de stad alleen
als een antistedelijke beweging kan worden gezien; niet zelden heeft dit te maken
met het niet vinden het soort woning dat men zoekt en als gevolg daarvan is het
vertrek uit de stad een niet gekozen fenomeen (De Decker e.a., 1995).
1.4. Opbouw rapport en doelstelling
Voorliggend rapport heeft tot doel een overzicht te scheppen in het onderzoek rond
‘wonen’ en ‘huisvesting’ vanuit een sociaal-wetenschappelijk standpunt. Het betreft
een literatuurstudie waarin zowel expliciete als impliciete theoretische aspecten geanalyseerd worden, alsook de gehanteerde concepten in het (klassiek) woononderzoek. Vanuit een kritische reflectie wordt hiervan een evaluatie gemaakt en
tevens een nieuwe holistische benadering vooropgesteld, die peilt naar de achterliggende betekenisgeving – en van hieruit naar verklaringen - van de resultaten
verkregen in klassiek kwantitatief onderzoek. Deze nieuwe benadering zal volgens
een kwalitatieve methodologie - nodig om de vereiste diepgang te bereiken in dit
onderzoek naar de woonconsument - in de praktijk gebracht worden (hiertoe wordt
reeds een aanzet gedaan aan het einde van dit document). De voorliggende studie
gaat uit van de vaststelling dat mensen niet per definitie steeds rationeel handelen,
maar wel steeds op basis van betekenis en dat deze wordt vormgegeven en
geherdefinieerd door sociale interactie. Mensen zijn dus geen passieve receptoren
maar actieve actoren die betekenisvol handelen en verschillend zullen reageren op
problematische situaties. Ze zullen verschillende woonkeuzes maken, ook al hebben
zij dezelfde objectieve karakteristieken. In tegenstelling tot de gangbare veronderstelling zijn het complexe processen waarin een samenspel van tal van factoren
aan de orde is. Doel van de benadering die in dit document vooropgesteld wordt, is
dan ook om hier een eerste zicht op te krijgen en het menselijk (woon)gedrag en de
sociale actie als een complex en variabel gegeven te vatten. Dit kan enkel door
veldwerk te verrichten en te onderzoeken wat er effectief bij de mensen/bewoners
van bepaalde woonmilieus ‘leeft’, i.e. welke discoursen er vastgesteld kunnen
worden en welk woontraject zij inmiddels afgelegd en (eventueel) voor ogen hebben.
Deze holistische kijk moet onze kennis rond ‘wonen’ en de woonconsument
uitbreiden en ons inzicht verdiepen.
De Decker (1993) wijst er op dat het juist goed was dat de woningdichtheid in een aantal dichtbevolkte 19de-eeuwse gordelwijken daalde.
7
14
Hierna volgen drie delen waarin achtereenvolgens wordt ingegaan op:
1. woonbehoeften en woonwensen, de relatie tussen beide en de link met de betekenis van ‘wonen’; in dit deel gaan we ook dieper in op de beleidscontext (Deel
II: Wonen als basisbehoefte en de beleidscontext);
2. een uiteenzetting die de kennisverwerving in de sociale wetenschap behandelt,
nodig voor een inzicht in de onderliggende veronderstellingen van de verschillende types onderzoek rond ‘wonen’ en een aanduiding van de status van woononderzoek als wetenschappelijke discipline (Deel III: Van feiten naar betekenis);
3. een overzicht van de verschillende types onderzoek rond ‘wonen’ en hun conceptuele kaders, alsook de door ons vooropgestelde benadering (Deel IV: Een
nieuwe benadering).
De drie inhoudelijke delen zijn als volgt opgebouwd.
In deel II bespreken we twee zaken: wonen als basisbehoefte en de beleidscontext
van het onderzoek. Beide zaken moeten opgehelderd worden om een kwalitatief
onderzoek naar de woonconsument richting te kunnen geven. Er is een consensus
over het gegeven dat wonen een basisbehoefte is, het belang van degelijk onderzoek
en een doortastend beleid. Tegelijk is er echter onduidelijkheid over wat deze
behoefte precies inhoudt. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk wat de relatie is tussen
woonbehoeften en woonwensen. Dikwijls wordt er geen onderscheid tussen beide
gemaakt. In het hoofdstuk “wonen als basisbehoefte” trachten we de relatie tussen
woonbehoeften en woonwensen op te helderen. We geven een overzicht van de
belangrijkste visies op woonbehoeften die een rol hebben gespeeld in het
woononderzoek. We ontwikkelen ook zelf een visie op woonbehoeften en geven aan
hoe een categorisering van behoeften kan gebruikt worden in een onderzoek naar de
woonwensen en opvattingen over wonen van huishoudens en individuen.
In het hoofdstuk “de beleidscontext” geven we aan binnen welke beleidscontext het
onderzoek moet geplaatst worden. Als we het beleid als vertrekpunt nemen, situeert
ons onderzoek zich op de snijpunten van twee ogenschijnlijke tegenstellingen. De
eerste tegenstelling is – we wezen er al op - de tegenstelling tussen enerzijds de
vaststelling dat het beleid al meer dan 20 jaar de stad als woonplaats promoot,
terwijl anderzijds onderzoek naar woonvoorkeuren aantoont dat een grote
meerderheid nog altijd liever buiten de stad woont. De tweede ogenschijnlijke
tegenstelling is die tussen de vaststelling dat het beleid eveneens al meer dan 20
jaar segregatie tussen verschillende sociale groepen tracht te bestrijden, terwijl
anderzijds onderzoek aantoont dat sociale segregatie op verschillende vlakken blijft
bestaan en lijkt toe te nemen (Kesteloot e.a., 2008).
In hoofdstuk 3 geven we aan hoe de bestaande analyses van genoemde fenomenen
tekortschieten, wat in belangrijke mate een gevolg is van een rigide en stereotiepe
categorisering van sociale groepen die de complexe realiteit onrecht aandoet en door
een gebrek aan inzicht in de dieperliggende woonwensen van huishoudens en
individuen. We geven aan hoe voorliggend onderzoek een aanzet wil geven om tot
een betere weergave van de complexe realiteit te komen.
Deel III plaatst de benadering van voorliggend onderzoek naar wonen binnen een
bredere evolutie in de sociale wetenschappen. Over het onderzoek naar wonen
wordt door een aantal onderzoekers gesteld dat het te positivistisch is. We beschrijven wat precies de kenmerken zijn van dat positivisme, wat de betekenis
15
ervan voor het wetenschappelijk onderzoek was/is en wat de kritieken erop zijn. We
bespreken hoe met betrekking tot kennisverwerving in de sociale wetenschappen
een evolutie kan waargenomen worden van een focus op ‘feiten’ naar een focus op
‘betekenissen’. Op die manier krijgen we ook een beter zicht op wat precies de
relevantie is van een onderzoek naar de betekenis van wonen. We gaan ook even
kort in op wat precies de kenmerken zijn van het woononderzoek. Kan het als een
specifieke wetenschappelijke discipline beschouwd worden? Het onderzoek naar
wonen kan alleszins niet geïsoleerd worden van andere onderzoeksdomeinen. Het
‘wonen’ speelt een belangrijke rol in het maatschappelijke functioneren, het vormt
een tussenschakel tussen het individuele en het maatschappelijke functioneren.
Wonen, ten slotte, verankert de mens ook in de ruimte: het is via de woningmarkt
dat de sociale structuur ruimtelijk ‘vastgezet’ wordt (Pahl, 1975).
Deel III zal ons toelaten een aantal conclusies te trekken met betrekking tot het
beleidsgericht onderzoek naar wonen, in de eerste plaats waarom het belangrijk is
dat beleidsgericht onderzoek de vinger aan de pols houdt van de maatschappelijke
dynamieken en zich niet mag isoleren binnen het keurslijf van kwantitatief
onderzoek.
In deel IV ‘Paradigma’s en conceptuele kaders met betrekking tot wonen’ gaan we
dieper in op de vigerende paradigma’s in het onderzoek rond ‘wonen’, de verschillende benaderingen en hun conceptuele kaders die gehanteerd worden. Hierbij
wordt aandacht besteed aan de manier waarop ‘wonen’ onderzocht wordt, de
tekortkomingen hiervan en hoe dit zijn doorwerking vindt in de verkregen
resultaten. We bespreken in dit hoofdstuk achtereenvolgens: het klassieke woononderzoek en belichten in het bijzonder de wijze waarop het keuzeproces van
huishoudens en individuen geïnterpreteerd wordt; vervolgens het specifieke
onderzoek naar de betekenis van ‘wonen’; we trekken ook voor ons nuttige lessen
uit het vergelijkend huisvestingsonderzoek, dat tracht de verschillen en gelijkenissen tussen landen en hun huisvestingssystemen te onderzoeken; tenslotte
bespreken we de door ons vooropgezette benadering en het conceptueel kader om
onderzoek rond ‘wonen’ te doen, waarbij aandacht uitgaat naar de betekenis van
‘wonen’ in de 21e eeuw.
We ronden deze tekst af met een overkoepelende conclusie, waarin de belangrijkste
bevindingen van deze studie overlopen worden en hoe we deze zullen aanwenden
om het onderzoek verder te zetten.
16
DEEL II.
WONEN ALS BASISBEHOEFTE
EN DE BELEIDSCONTEXT
17
2. WONEN ALS BASISBEHOEFTE
Wonen is een basisbehoefte.8 Maar waaruit bestaat die basisbehoefte eigenlijk?
Gaat het alleen om een dak boven het hoofd hebben? Of gaat het ook over zich
thuis voelen? Of over veiligheid? Is het zich ‘thuis voelen’ onderdeel van deze basisbehoefte? Maakt zelfontplooiing er deel van uit? Wat is het belangrijkste: een dak
boven het hoofd, zich veilig voelen, zich thuis voelen, zichzelf kunnen ontplooien of
nog iets anders?
Een antwoord op deze vragen is om minstens drie redenen belangrijk:
1. Inzicht krijgen in het recht op wonen.9 Dit recht is nauw verbonden met wonen
als basisbehoefte. Een goed inzicht in welke deze behoeften zijn, is belangrijk om
te weten wat het recht op wonen precies inhoudt en wat niet.
2. Inzicht krijgen in woonkwaliteit. Zonder inzicht in de behoeften die samenhangen
met wonen kunnen we ook geen inzicht krijgen in wat woonkwaliteit is, of wat
als woonkwaliteit zal ervaren worden.
3. Inzicht krijgen de ‘woonwensen’ of de verlangens en verwachtingen op het vlak
van wonen. Is elke woonwens ook een behoefte? Hoe kunnen we het onderscheid maken? Wat is de relatie tussen behoeften en wensen op het vlak van
wonen? Opheldering op dit vlak kan ook een dieper inzicht geven in verhuisredenen en beslissingen met betrekkingen tot eigendomsvorm (privé-eigendom of
huur).
Inzicht in basisbehoeften op het vlak van wonen is belangrijk om te weten waar de
overheid stimulerend kan tussenkomen, waar remmend en waar helemaal niet.
Sommige onderzoekers wijzen er bijvoorbeeld op dat de Belgische overheid met haar
systeem van fiscale tegemoetkoming aan eigenaars (‘de woonbonus’) geen
onderscheid maakt tussen woonbehoeften en woonwensen en dus in feite eender
welke woonwens subsidieert (zie bijv. De Decker, 2006). Concreet kunnen we ons
ook afvragen in hoeverre de wens om buiten de stad te gaan wonen te maken heeft
met een sociaal geconstrueerd ideaalbeeld en in hoeverre met reële behoeften. En in
welke mate kunnen beiden – sociale constructie en reële behoefte - van elkaar
onderscheiden worden?
Vooral deze derde doelstelling is in de context van voorliggend onderzoek relevant.
2.1. Wat is een woonbehoefte?
Wat is een behoefte? Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig, vooral omdat
het woord behoefte in verschillende, weliswaar aan elkaar gelinkte, betekenissen geZie bijvoorbeeld het in 1994 opgerichte Platform Wonen – een samenwerkingsverband tussen een 30tal Vlaamse middenveldorganisaties – dat uitdrukkelijk stelt dat wonen prioriteit moet krijgen in het
beleid omdat het een basisbehoefte is (zie: http://www.platformwonen.be/). Ook de minister voor
Huisvesting Marino Keulen noemde in een info-blad van de bouwsector huisvesting naast gezondheidszorg en onderwijs één van de drie basisbehoeften. Zie:Keulen (2007).
9 Opgenomen in de (federale) Grondwet (1994) en het decreet op de Vlaamse Wooncode (1997). Het
'recht op menswaardig wonen, zoals het in de Vlaamse Wooncode heet, wordt er gedefinieerd als: 'de
beschikking hebben over een aangepaste woning van goede kwaliteit, in een behoorlijke woonomgeving
tegen een betaalbare prijs en met voldoende woonzekerheid'. Een recente decreetwijziging vervangt een
behoorlijke woonomgeving door een leefbare woonomgeving.
8
18
bruikt wordt. Gasper (1996) 10 onderscheidt drie verschillende betekenissen. In de
eerste betekenis verwijst ‘behoefte’ naar interne krachten die onze handelingen
sturen en aandrijven. Een behoefte aan veiligheid kan bijvoorbeeld verwijzen naar
de onderliggende drijfveer die mensen hebben om zich te beschermen en de
motivatie die dit met zich meebrengt om huizen te bouwen, kleren te kopen, strafwetgeving op te stellen, enz. Behoeften binnen deze categorie worden verondersteld
te verschillen van verlangens op twee verschillende manieren: ten eerste zijn ze nietnegotieerbaar; ten tweede zal een niet bevredigen van zulk een behoefte schadelijke
gevolgen hebben voor de algemene gezondheid van het individu.
In de tweede betekenis verwijst behoefte niet naar interne kracht, maar juist naar
een externe omgevingsvoorwaarde om een gegeven doel te bereiken. In deze zin is
bijvoorbeeld ‘betaalbaar wonen’ of een ‘betaalbare woning’ een behoefte. Theorieën
die verdergaan op deze betekenis focussen op de voorwaarden waaronder
individuen zich veilig, gelukkig of voldaan voelen.
In een derde betekenis ten slotte verwijst de term naar ‘gerechtvaardigde
verlangens’. De theorie die zich focust op deze betekenis gaat in de eerste plaats
uitspraken proberen doen over welke sociale karakteristieken de morele en ethische
status hebben om te oordelen of verlangens al dan niet gerechtvaardigd zijn. Doyal
& Gough (1991) stellen bijvoorbeeld dat ‘autonomie’ een dergelijke karakteristiek is.
Volgens hen zijn verlangens die als doel hebben de autonomie te vergroten
gerechtvaardigde verlangens11.
In wat volgt, zullen we een overzicht geven van een aantal verschillende tradities in
het onderzoeken van woonbehoeften. Expliciete theorieën over wat de aard is van
woonbehoeften ontbreken in de twee belangrijkste tradities: de ruimtelijke,
fysieknormatieve traditie en de marktgeoriënteerde traditie. We zullen zien dat ook
een recente poging van Ytrehus (2001) om de aard van woonbehoeften en de relatie
tussen woonbehoeften en woonwensen op te helderen voor ons niet volstaat. Om dit
wel te doen, hebben we nood aan een theorie die behoeften verder uitwerkt aan de
hand van de eerste van de drie hier aangehaalde betekenissen: behoeften als
interne krachten die onze handelingen sturen en aandrijven.
We moeten opletten met het begrip ‘woonbehoeften’; het kan gemakkelijk tot verwarring leiden. Het begrip wordt dikwijls als synoniem gebruikt voor woonwensen.
Ze aan elkaar gelijk stellen leidt echter tot een verregaand relativisme waarbij elke
woonwens – hoe veeleisend ook - eenzelfde waarde wordt toegekend.
We moeten ook een onderscheid maken tussen woonbehoeften als ‘behoeften
waarin het wonen voorziet’ (bijv. veiligheid, zekerheid, onderdak) en woonbehoeften
als ‘behoeften op het vlak van wonen’ (bijv. goede isolatie, sanitaire voorzieningen,
grote leefruimte). In het eerste geval gaat het om behoeften in de eerste van de drie
aangehaalde betekenissen: behoeften als interne aandrijvende krachten. In het
tweede geval gaat het om behoefte in de tweede betekenis: behoeften als een
omgevingsvoorwaarde om een gegeven doel te bereiken. In het eerste geval gaan we
meer algemeen het wonen als onderdeel van het menszijn benaderen: mensen
hebben uiteenlopende behoeften, het wonen is een middel om in een aantal van die
behoeften te voorzien. In de tweede betekenis gaat het om de uitwerking hiervan in
concrete woonomstandigheden.
10 D. Gasper (1996), Needs and basic needs. A clarification of meanings, levels and different streams of
work, Working Paper Series Nr. 210, Nederland: Institute of Social Studies, Den Haag, geciteerd door
Jackson e.a. (2004).
11 L. Doyal, I. Gough, A Theory of Human Need. New York: Guilford Press, (1991), geciteerd door Ytrehus (2001). .
19
Om verwarring te vermijden moeten eerst de behoeften waarin het wonen, voorziet
behandeld worden en dan pas daarna de uitwerking daarvan in concrete
omstandigheden. Doen we dit niet, dan bestaat het gevaar dat vanuit bepaalde
vooronderstellingen over de behoeften waarin wonen voorziet, men standaarden
gaat stellen voor concrete woonomstandigheden, zonder dat duidelijk is of de
vooronderstellingen wel overeenkomen met de werkelijkheid. We zullen zien dat
deze opsplitsing in het onderzoek naar woonbehoeften niet altijd gemaakt werd.
2.2. Benaderingen van (woon)behoeften
Geïnspireerd door de Noorse context, onderscheidt Ytrehus (2001) twee tradities die
elk een verschillende houding aannemen ten opzichte van woonbehoeftes innemen
en die ruim verspreid zijn: (1) de ruimtelijke, fysieknormatieve traditie en (2) de
marktgeoriënteerde traditie. Als tegenreactie op deze tradities onderscheidt Ytrehus
twee meer recente invalshoeken: (1) de cultuurrelativistische traditie en (2) de
universele standaarden traditie (zie figuur 1).
2.2.1. De fysieknormatieve traditie
De fysieknormatieve traditie is kenmerkend voor het Interbellum en de periode
onmiddellijk na W.O.II. Ze sluit aan bij de empirisch-positivistische traditie in de
epistemologie en bij de modernistische, rationele of functionele benadering in de
architectuur en ruimtelijke planning (Ytrehus, 2001). Men gaat woonbehoeften
definiëren op basis van ‘zuiver’ of ‘objectief’ wetenschappelijk onderzoek. Woonbehoeften worden gezien als nauw verbonden met de ruimtelijke kenmerken van
een woning. Basisbehoeften op het vlak van wonen worden dan ook in fysische en
ruimtelijke termen gedefinieerd. De nadruk ligt vooral op wat ‘voldoende grootte’ is
voor een woning. Ytrehus beschrijft hoe er in Noorwegen in “woonlaboratoria”
testpersonen werden onderzocht om tot algemene ruimtelijke standaarden te komen
(in de eerste plaats om te gebruiken in de sociale woningbouw). Men gaat dan
bijvoorbeeld de activiteiten gaan onderzoeken die in een woning worden uitgevoerd
en deze ontleden naar tijdsgebruik, frequentie van het gebruik van verschillende
eenheden, frequentie van verplaatsingen tussen de eenheden, fysieke positie bij
bepaalde handelingen enz.
De modernistische traditie wordt in de jaren 1930 gematerialiseerd in de principes
van de CIAM-congressen (Congrès International d’Architecture Moderne). Le Corbusier, voortrekker van de beweging, heeft het over huizen als ‘machine à habiter’
en de ‘existenzminimumwoning’12. Als vertegenwoordiger in België is Renaat Braem
vermeldenswaardig (Uyttenhove, 1989; Loeckx & De Meulder, 2003), maar ook heel
wat andere Belgische architecten dachten na over de ‘wetenschappelijke’ organisatie
van het wonen (Van Caudenberg & Heynen, 2004). In België sijpelden de principes
van deze benadering echter minder direct door dan in sommige andere landen,
12 “The intention the members of the CIAM-group had with the ‘Wohnung für das Existenzminimum’
(Minimum Habitat) was to create an universal house, identical and affordable for everyone; a house that
would express a classless society. By means of scientific analysis, the ‘biological minimum-requirements’
of a person, and resulting from this the dimensions of the house, were determined. In addition, the house
was studied from the point of view of a person as a human being that needs air, light, warmth and rest.
Moreover, the Minimum Habitat would formulate an answer for the exhaustion of the housewife –
resulting from the exertion of the domestic tasks – by means of a good organisation and arrangement of
the house, and a rational kitchen as main requirement. Rationalisation and standardisation were the
key-issues in making all the foregoing possible” (Van Caudenberg & Heynen, 2003, p. 26).
20
omdat woningbouw hier uiteindelijk toch sterk geïndividualiseerd bleef (De Decker,
2004). Toch krijgt het ‘totaalprincipe’ van ‘de moderne stad’ wel enige praktische
uitwerking naar aanleiding van de krotopruimingwet van 1953 en de daaraan
gekoppelde sanering van de binnenstad (Loeckx & De Meulder, 2003). De principes
sijpelden ook door dankzij de promotie door ideologische instellingen en tijdschriften13 en via het commerciële aanbod14 (Van Caudenberg & Heynen, 2004).
Tabel 2. Theoretische visies op behoeftebevrediging
De marktgeoriënteerde
traditie
De ruimtelijke,
fysieknormatieve
traditie
De cultuurrelativistische traditie
De universele
standaarden
traditie
Sociale inclusie
Algemene
“welvaarts”-doelen
(van de
welvaartsstaat)
Experten definiëren
Geen standaarden –
standaarden op basis marktgeoriënteerde
van kennis over
voorkeuren
“objectieve behoeften”
Experten definiëren
standaarden
Worden gedefinieerd
op basis van een
opvatting van
algemene politieke en
maatschappelijke
doelen
Opvattingen mbt
evoluties in behoeften
Behoeften veranderen “Behoeften” wijzigen
wanneer voorkeuren
niet, het zijn
objectieve menselijke wijzigen
eigenschappen
Behoeften wijzigen
naargelang de sociale
en culturele context
De doelen van
behoeftebevrediging
zijn universeel, maar
behoeften zelf
veranderen in relatie
tot de sociale en
culturele context
“Ondergrens” van
behoeftebevrediging?
Ja
Nee
Nee
Ja
Opvattingen over
‘noodzakelijke’
woninggrootte
Standaarden voor
woninggrootte worden
opgesteld door
experten
Wordt gedefinieerd
op basis van
individuele
voorkeuren op de
markt
“Noodzakelijke”
woninggrootte is een
relatief concept
“Noodzakelijke”
woninggrootte wordt
gedefinieerd op basis
van algemene
maatschappelijke
doelen
Doelen van
behoeftebevrediging
Bevrediging van
objectieve behoeften
Hoe komen
standaarden voor
behoeftebevrediging
tot stand
Bevrediging van
subjectieve
voorkeuren
13 Het idee van de ‘rationele’ werkkeuken (versus de traditionele ‘leefkeuken’ waar leven en huishoudelijk werk minder opgesplitst waren) kende bijvoorbeeld verspreiding via de katholieke vrouwenorganisaties van de middenklasse en bourgeoisie (de organisaties voor de arbeidersklassen bleven de
traditionele leefkeuken promoten, een rationele keuken werd voor hen nog niet haalbaar geacht – al
schoven de bourgeoisievrouwenorganisaties dit wel naar voren als het ideaal voor de werkmansvrouw).
Belangrijk om weten is dat veel vrouwen in ongezonde omstandigheden leefden door bijvoorbeeld het
stoken met kolen, ze hadden zeker wel baat bij beter keukenmateriaal (Van Caudenberg & Heynen,
2004; zie ook De Caigny, 2007).
14 De Belgische delegatie van CIAM ging actief op zoek naar fabrikanten om een ‘rationele’ keuken te
produceren. Dit leidde tot de zgn. ‘CUBEX’-keuken, die veel succes kende. Van Caudenberg & Heynen
(2004) spreken over één van de weinige modernistische ontwerpen die wel degelijk de sociale doelstellingen bereikte waar het voor bedoeld was.
21
Een problematisch aspect van deze benadering is dat men er van uitgaat dat woonbehoeften rechtstreeks te koppelen zijn aan een objectieve, biologische basis die kan
onderzocht worden in experimentele situaties. De activiteiten die onderzocht worden
zijn echter niet enkel biologisch noodzakelijke activiteiten, maar ook sociaal en
historisch bepaalde activiteiten. Concrete activiteiten in het kader van het wonen
kunnen, zoals in de inleiding gesteld, verschillen van persoon tot persoon, van
periode tot periode en van plaats tot plaats. Behoeften op het vlak van wonen
vloeien voort uit een combinatie van biologische noodzakelijkheden/mogelijkheden/
beperkingen en complexe contextuele situaties, waarin de betekenis en functie van
wonen kan verschillen en dus ook de opvatting van wat kwaliteitsvol wonen is en
wat de noodzakelijke voorwaarden zijn om kwaliteitsvol te kunnen wonen. Het gaat
er hierbij niet enkel om dat de normen op het vlak van kwaliteit kunnen verschillen
(bijvoorbeeld qua graad van isolatie), maar ook dat wonen heel andere functies en
betekenissen kan krijgen en dat het meten van kwaliteit dus aan de hand van heel
verschillende parameters kan gebeuren.15
De modernisten wilden het wonen op een wetenschappelijke en rationele manier
organiseren; ze onderzochten daarvoor wat de ‘objectieve’ en universele woonbehoeften zijn. Hun onderzoek was echter gebaseerd op een reductie van woonbehoeften tot een aantal contextueel bepaalde praktische taken en functies. De
context is die van een specifieke periode – het Interbellum en de periode net na
W.O.II -, maar dan ook van specifieke maatschappelijke bevolkingslagen – namelijk
de hogere bevolkingslagen van waaruit het woonmodel geconstrueerd werd.
Deze contextuele bepaaldheid uit zich bijvoorbeeld in de visie op de positie van de
vrouw. In het woonmodel dat men voor ogen had speelde de huisvrouw een centrale
rol. In de taakverdeling van de modernisten was het de man die buitenshuis ging
werken en de vrouw die thuis het werk deed. Voor haar werd er een efficiënte en
afzonderlijke ‘werkkeuken’ (versus de traditionele woonkeuken als hart van het
huishouden) ontworpen.
Verder waren de modernistische principes dikwijls wel geschikt voor de middenklassen en bourgeoisie, maar waren ze voor de arbeidersgezinnen veel minder aangepast. Zij bleven bijvoorbeeld veel langer vasthouden aan de ‘woonkeuken’. Hierbij
speelden kosten een rol, maar ook verschillen in activiteitenpatronen (man en
vrouw die beiden moeten werken) en statusoverwegingen (de wens bij arbeidersgezinnen om een nette ontvangstkamer te hebben om hoger geplaatste gasten te
ontvangen).
De kritiek op het reductionisme van de modernisten moeten we ook wel nuanceren.
De modernistische en functionalistische benadering van het wonen was ondanks
‘de gebreken’ een poging om het wonen op een wetenschappelijke manier te
benaderen vanuit sociale overwegingen. De kwaliteitsnormen die werden opgesteld
mogen dan gebaseerd zijn op een reductionistisch woonmodel, tegelijk waren de
normen – mede door hun verankering in regels en wetten - wel degelijk gekoppeld
aan een kwaliteitsverbetering op verschillende vlakken (De Sombere e.a., 1997; De
Decker, 1998; De Decker e.a., 1996).
15 Behoeften zullen bijvoorbeeld verschillen wanneer er al dan niet collectieve voorzieningen (bijv.
collectieve wasruimte) aanwezig zijn, bij veranderingen in huishoudenstructuren, volgens de mate dat
arbeid binnenshuis of buitenshuis wordt verricht, enz.
22
2.2.2. De marktgeoriënteerde traditie
De modernistische benadering van het wonen, waarbij nagedacht wordt over algemene standaarden voor ‘volkshuisvesting’, verdwijnt in de jaren 1970 en 1980 naar
de achtergrond. Onder invloed van de economische crisis en de daaropvolgende
neoliberale antwoorden, krijgt de markt krijgt een grotere rol toebedeeld. Dit noemt
Ytrehus (2001) de marktgerichte benadering. In een marktgerichte benadering
worden behoeften gezien als synoniem van de subjectieve voorkeuren van actoren
binnen een markt.
Binnen dit kader gaan beleidsmakers en onderzoekers woonbehoeften minder
definiëren en beschrijven. De vrije markt wordt gezien als het beste middel om
iedereen in zijn/haar woonbehoeften te voorzien. Iedereen bepaalt zelf wat zijn of
haar woonbehoeften zijn: behoefte komt dus gelijk te staan met de woonwens. Het
onderzoek naar wonen in Vlaanderen van de laatste decennia vertoont een aantal
kenmerken van een marktgerichte benadering. Het wordt in belangrijke mate
gekenmerkt door het gelijkstellen van woonbehoefte aan woonwens. Tenzij het gaat
over specifieke doelgroepen worden woonbehoeften in onderzoek naar wonen in
Vlaanderen meestal gelijkgesteld met ofwel (a) de spanning tussen woonwensen en
de reële woonsituatie (zie bijvoorbeeld Verhetsel e.a., 2003 - dit onderzoek is
sowieso eerder zeldzaam in Vlaanderen), ofwel (b) het verschil tussen de woningvraag en het woningaanbod (zie bijvoorbeeld Meulemans & Willemé, 1999).
Als er gesproken wordt over ‘woonbehoeftenstudies’ dan gaat het, zoals in de
inleiding gesteld, dikwijls over econometrische of demografische modellen die aan de
hand van een aantal variabelen in kwantitatieve termen berekenen wat de toekomstige vraag op de woningmarkt zal zijn en die vervolgens het verschil berekenen
met het woningaanbod. Dit verschil noemt men dan de (kwantitatieve) ‘woonbehoefte’.16
Woonbehoefte wordt in dergelijke studies in feite gekoppeld aan de woningvraag en
houdt geen rekening met het verschil tussen behoeften en verlangens. Over een
behoefte spreken impliceert dat men stelt: “dit is nodig”. Econometrische en
demografische modellen zijn echter een heel beperkte basis om uitspraken te doen
over behoeften. Het laat toe iets te zeggen over de verwachte vraag en of het aanbod
daarop afgestemd is, maar voor inzicht in behoeften is meer en vooral een ander
soort onderzoek nodig. Dat het verschil tussen woningaanbod en woningvraag niet
noodzakelijk gelijk is aan de woonbehoefte, kunnen we verduidelijken met volgend
voorbeeld: een stijging van de vraag naar een tweede woning betekent niet noodzakelijk dat mensen behoefte hebben aan een tweede woning, het betekent wel dat
ze denken bepaalde behoeften te zullen bevredigen door het verwerven van een
tweede woning.17
Op de zuiver marktgerichte benadering werden al verschillende kritieken geleverd
(Ytrehus, 2001; Barlow & Duncan, 1994; De Decker, 1994). In de eerste plaats is er
de kritiek dat mensen niet altijd perfect geïnformeerd zijn en bijvoorbeeld op het
vlak van wonen bepaalde woonwensen hebben die voortkomen uit foutieve opZie bijvoorbeeld Surkyn & Lesthaeghe (1999) en Meulemans & Willemé (1999).
Het maken van een duidelijk onderscheid tussen onderzoeken die de verwachte woningvraag en
woningaanbod berekenen en onderzoeken die uitspraken doen over woonbehoeftes kan o.a. misverstanden ophelderen die soms ontstaan tussen opdrachtgever (beleid) en onderzoekers over hoe een
onderzoek moet gevoerd worden (Bijvoorbeeld de discussie of bepaalde variabelen zoals migratie al dan
niet moeten opgenomen worden in het berekenen van de woningbehoefte).
16
17
23
vattingen. Verder is er de kritiek dat voorkeuren in belangrijke mate een gevolg zijn
van zgn. ‘socialisatie’, ze zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan sociale positie en reflecteren bepaalde maatschappelijke normen en idealen die niet noodzakelijk afgestemd
zijn op de behoeften. Een derde kritiek is dat er psychologische mechanismen
gekend zijn (rationalisatie of cognitieve dissonantie) die ertoe leiden dat wensen
worden aangepast aan mogelijkheden: het is psychologisch moeilijk om wensen aan
te houden wanneer men het gevoel heeft dat die zo goed als onmogelijk te realiseren
zijn (Ytrehus, 2001).
2.2.3. De cultuurrelativistische traditie
Het ontbreken van sociale en culturele aspecten heeft geleid tot de ontwikkeling van
nieuwe benaderingen op behoeften. Ytrehus (2001) beschrijft de ontwikkeling van
de cultuurrelativistische benadering in het onderzoek naar armoede. Deze benadering koppelt behoefte aan de algemeen geldende norm binnen een samenleving
(Ytrehus, 2001).18 Goed wonen is dus wonen op een hetzelfde niveau als de rest van
de samenleving. Deze benadering legt de nadruk op sociale inclusie (het tegengaan
van sociale uitsluiting) en sociale gelijkheid.
De belangrijkste kritiek op de cultuurrelativistische benadering is dat deze benadering impliceert dat armoede of achterstelling kan bestreden worden door de
algemene standaard te verlagen, zonder dat daarbij de ‘objectieve’ situatie van
diegene die het slechtst af zijn verbetert (Ytrehus 2001). Critici van deze benadering stellen dat er nood is aan een duidelijke ondergrens voor wat betreft
behoeftebevrediging - wat niet wil zeggen dat deze ondergrens niet kan verschuiven
(Sen, 1984 & Goodin, 199019).
2.2.4. Universele standaarden voor behoeftebevrediging
Een vierde kijk op ‘behoeftebevrediging’ vertrekt van de normatieve welvaartstheorie. Deze theorie stelt een aantal basisbehoeften voorop die universeel worden
geacht. Deze basisbehoeften identificeert Ytrehus (2001) in navolging van Doyal &
Gough (1991)20 als fysieke gezondheid en autonomie.
De belangrijkste graadmeter of iets al dan niet een basisbehoefte is, is of afwezigheid ervan leidt tot een ‘serieuze schade’ en of dit voor iedereen dezelfde gevolgen
heeft. Serieuze schade wordt gedefinieerd als ‘een fundamentele beperking van de
mogelijkheid tot sociale participatie’ (Doyal & Gough, 1991). Verdere argumentatie
hiervoor is dat fysieke gezondheid noodzakelijk is voor participatie aan het sociale
leven en autonomie noodzakelijk om geïnformeerde keuzes te maken. Sociale
participatie wordt dan weer gelinkt aan het ontwikkelen van een eigen identiteit.
De basisbehoeften laten in principe toe om een onderscheid te maken tussen
behoeften en verlangens. Behoeften worden dan omschreven als die voorwaarden
Ytrehus (2001) verwijst in dit kader naar P. Townsend (1979), Poverty in the United Kingdom: a
Survey of Household Resources and Standards of Living, Penguin, (Harmondsworth.
19 Aangehaald in Ytrehus (2001): Sen, A. (1984) Resources, Values and Development, Blackwell, Oxford en Goodin, R. E. (1990) “Relative needs”, p. 12–34 in Ware, A. and R. E. Goodin (eds), Needs and
Welfare, Sage, London.
20 L. Doyal, I. Gough, (1991), A Theory of Human Need, Guilford Press, New York, geciteerd door
Ytrehus (2001).
18
24
die minimaal moeten ingevuld worden om fysieke gezondheid en autonomie te
bereiken.21 Verlangens die boven deze minimumvoorwaarden uitstijgen zijn volgens
Doyal & Dough geen behoeften (Ytrehus, 2001).
Ook deze benadering heeft verschillende problematische aspecten. Wie gaat
concreet bepalen welke verlangens de minimumvoorwaarden overstijgen? Zullen dit
experten zijn? Vervalt deze benadering dan niet in eenzelfde reductionisme als de
fysieknormatieve benadering? Met dat verschil dat hier geprobeerd wordt een aantal
vooronderstellingen over behoeften expliciet te maken. Wat als basisbehoeften
worden voorgesteld, blijven echter nogal arbitrair en vaag. Uit de stelling dat
autonomie een basisbehoefte is, zou kunnen afgeleid worden dat individualisering
moet gepromoot worden en bijvoorbeeld eigen woningbezit, terwijl de ‘moderne’
individualisering zeker niet onverdeeld positief wordt onthaald (Beck & BeckGernsheim, 2002, p. 42-52). En is ‘autonomie’ belangrijker dan (bijvoorbeeld)
veiligheid of zekerheid wanneer het gaat om woonbehoeften?
De universele-standaardentheorie vertrekt van een waardentheorie om uitspraken
te doen over wat gerechtvaardigde verlangens zijn. Deze gerechtvaardigde verlangens noemt ze behoeften. Deze theorie geeft echter geen inzicht in wat mensen
motiveert en hoe woonwensen ontstaan. Wat afwezig blijft, is een overzicht van de
verschillende behoeften in de betekenis van behoeften als interne krachten die onze
handelingen sturen en aandrijven. Het is op basis van een dergelijk overzicht dat we
kunnen onderzoeken in welke behoeften het wonen concreet voorziet en wat de
implicaties hiervan zijn voor het woongedrag van individuen en huishoudens.
Uit voorgaande kunnen we wel een aantal interessante afleidingen maken. Uit de
kritiek op de modernistische benadering leren we dat behoeften op het vlak van
wonen weliswaar een biologische/natuurlijke basis hebben, maar dat dit niet
betekent dat uit eenvoudige experimentele situaties en empirische waarnemingen,
universele behoeften op het vlak van wonen kunnen afgeleid worden. Behoeften op
het vlak van wonen worden ook bepaald door maatschappelijke activiteitenpatronen, huishoudensamenstellingen en rolverdelingen die kunnen wijzigen doorheen
de tijd en kunnen verschillen van groep tot groep.
Verder leren we dat verlangens niet gelijk zijn aan behoeften en dat verlangens ook
niet noodzakelijk afgestemd zijn op behoeften. Complexe sociale processen, die
Ytrehus omschrijft als ‘socialisatie’ zorgen ervoor dat verlangens op verschillende
manieren bepaald worden door de sociale structuren. Daarnaast zijn er ook
psychologische processen die we kunnen omschrijven als cognitieve dissonantie of
rationalisatie die maken dat mensen hun verlangens aanpassen wat in hun ogen
bereikbaar is, ook al blijven sommige behoeften onvervuld.
2.3. De relatie tussen woonwensen en behoeften
Wat is de relatie tussen woonwensen en behoeften? In wat volgt, geven we drie
verschillende opvattingen. De eerste is die van Clapham (2005). Hij stelt dat
woonwensen in de ‘postmoderne samenleving’ voor de meeste mensen zijn
losgekomen van behoeften: de basisbehoeften zijn voor de meeste mensen ingevuld.
De mensen vormen hun woonwensen op basis van een zelfgekozen levensstijl. De
21 Doyal & Gough noemen dit het ‘minimum optimorum’-niveau: “de minimum kwantiteit van ‘intermediaire’ behoeftebevrediging die nodig is om het optimale niveau van basisbehoeftenbevrediging te
bereiken (in Ytrehus, 2001, zie eerder).
25
tweede is de wat oudere opvatting van Rakoff (1977). Op basis van empirisch onderzoek stelde hij dat woonwensen een afspiegeling zijn van de individualistische
ideologie. Dit is volgens hem treurig aangezien het tot gevolg heeft dat mensen hun
eigen onderdrukking herbevestigden. De derde opvatting is die van Dickens (1990,
1994, 2000). Volgens hem zijn woonwensen nooit zomaar afspiegelingen van een
ideologie, noch kunnen ze louter een afspiegeling zijn van een zelfgekozen
levensstijl. Woonwensen blijven volgens Dickens in belangrijke mate verbonden met
basisbehoeften, zij het op een complexe manier, want ook de organisatie van de
samenleving en maatschappelijke betekenissen die toegekend worden aan
woonvormen spelen een rol in het tot stand komen van woonwensen.
Clapham (2005) stelt dat door de erosie van ‘traditionele instituties’ als kerken en
vakbonden steeds meer mensen in wat hij de ‘postmoderne’ samenleving noemt, in
staat zijn om ‘hun eigen leven te maken’ . Ontdaan van starre structuren, kunnen
ze nu zelf kiezen welke betekenis ze aan het wonen toekennen. Wonen is volgens
Clapham niet langer een ‘doel op zich’; wonen moet niet meer in de eerste plaats
voldoen aan de basisbehoeften; wonen wordt meer en meer een middel voor de eigen
‘zelfcreatie’ in het kader van zelfgekozen leefstijlen. De nadruk komt te liggen op het
individu: ‘zelfcreatie’, ‘zelfvervulling’ en ‘vrije keuze over de eigen leefstijl’ komen
voorop te staan. Clapham (2005) evalueert dit als overwegend positief.
De nadruk op het ‘zelf’ en ‘het individu’ wordt door anderen echter minder positief
geëvalueerd (zie bijv. Beck & Beck-Gernsheim, 2002). Vooral de afwezigheid van
doelstellingen met betrekking tot de leefgemeenschap is problematisch22. In hoeverre is zelfcreatie mogelijk als dit niet gekoppeld is aan controle over de leefgemeenschap? Individualisering is een trend, daarnaast is er echter ook het
individualisme als ideologie. Deze ideologie bevat veronderstellingen die niet noodzakelijk overeenstemmen met de werkelijkheid.
Al in de jaren 1970 gaf Rakoff (1977) een kritiek op de ‘individualistische ideologie’
die volgens hem voorbijgaat aan de nog steeds aanwezige tegenstellingen tussen
maatschappelijke klassen. Door een steeds verdergaande arbeidsdeling verricht een
groot deel van de mensen eenvoudige taken; weinig mensen kunnen in hun
werksituatie hun creatief potentieel tot uiting brengen. Verder zijn er problemen van
werkonzekerheid, weinig controle over het werk en verschillende maatschappelijke
klassengrenzen. De individualistische ideologie doet geloven dat mensen individueel
verantwoordelijk zijn voor de problemen die ze ervaren. Volgens Rakoff leidt dit
ertoe dat mensen die maatschappelijke problemen ondervinden - zoals de moeilijkheid om via de werksituatie maatschappelijk succes te bereiken -, gaan proberen
‘respectabel’ te worden door bijvoorbeeld op het vlak van huisvesting ‘respectabele’
normen na te streven, bijvoorbeeld door het verwerven van een eigen woning.
22 Waarom staat ‘zelfcreatie’ en niet ‘creatie van de gemeenschap’ centraal? Waarom ‘vrije keuze over
de eigen leefstijl’ en niet ‘democratische keuze in de eigen leefgemeenschap’? Dit is niet zomaar spelen
met woorden, maar zal heel concrete gevolgen hebben op het terrein. Wanneer we de ontwikkeling van
het individu centraal stellen, dan wordt de vraag: ‘hoe kan de samenleving elk individu de middelen
geven om in zijn of haar woonwensen te voorzien?’. Als we de ontwikkeling van de leefgemeenschap
echter centraal stellen, dan wordt de vraag: ‘hoe kunnen we elk individu inspraak geven in de
ontwikkeling van de gemeenschap en de verdeling van de beschikbare middelen?’. Belangrijk verschil:
in het eerste geval krijgt het individu enkel zeggenschap over zijn eigen leefstijl, in het tweede geval ook
over de leefstijlen van anderen. In het eerste geval heeft het individu enkel iets te zeggen over zijn/haar
eigen behoeften, in het tweede geval moet er nagedacht worden over wat maatschappelijk gezien als
behoefte aanvaard wordt. Deskundigen worden met andere woorden niet vervangen door een
relativistisch ‘alles kan’, maar wel door een democratische vorm van kennisverwerving en besluitvorming.
26
Rakoff23 wijst op de invloed van het maatschappelijke discours in het tot stand
komen van woonwensen en op het feit dat dit discours misleidend is: mensen
streven naar het voldoen aan de individualistische normen. Daarmee versterken ze
echter alleen maar de structuren die hen onderdrukken. Rakoff herleidt daarmee de
woonwensen van mensen echter volledig tot een reactie op maatschappelijke
normen en de individualistische ideologie. Hij noemt dit ‘treurig’, zowel omdat het
maatschappelijk gezien de structuren bevestigt, als omdat hij uit zijn onderzoek
meent te kunnen afleiden dat het streven naar controle en zelfvervulling via een
eigen woning uiteindelijk weinig mensen echt lukt.
Volgens Rakoff werkt socialisering dus heel ver door: mensen nemen de heersende
ideologie min of meer ‘klakkeloos’ over; ze hebben daarin weinig inbreng. In Rakoff’s
conceptueel kader zijn mensen wat Garfinkel (1967) noemt ‘cultural dopes’, willoze
volgers van de heersende ideologie. Rakoff’s benadering is in die zin een voorbeeld
van wat Clapham (2005) de ‘sociologische’ benadering van wonen noemt, namelijk
de benadering die maatschappelijke structuren als belangrijkste verklarende factor
ziet voor het menselijke handelen
Dickens (1990) stelt eveneens dat mensen op het vlak van maatschappelijk
functioneren problemen ervaren. Hij gelooft echter niet dat mensen zomaar slaafs
de individualistische ideologie navolgen, terwijl deze hen in feite weinig vooruit
helpt. Volgens Dickens hebben mensen wel degelijk goede redenen om individualistische normen na te streven op het vlak van wonen. Het wonen is immers één van
de middelen in de sfeer van de consumptie waar de mensen behoeften kunnen
vervullen waarvoor ze via hun werk (de productiesfeer) geen vervulling weten te
vinden. Het gaat dan voor hem vooral over de behoefte aan veiligheid, zekerheid en
creativiteit (Dickens, 1994, p. 178).
Dickens werpt een heel ander licht op de ‘vrijheden’ en ‘zelfcreatie’ waar Clapham
het over heeft. Mensen zijn niet zomaar vrij om zelf een levensstijl te kiezen en het
wonen daarbij als middel tot zelfcreatie te gebruiken. Ze zijn juist verplicht om hun
natuurlijke behoefte aan zelfcreatie via private consumptie in te vullen. Het is juist
omdat de behoefte aan zelfcreatie in de productieve arbeid voor veel mensen geen
invulling krijgt24 dat ze moeten teruggrijpen naar de sfeer van de consumptie om
deze en andere behoeften in te vullen25. Eigen woningbezit kan zo bekeken wel
degelijk een manier zijn tot (her)bevestiging van de eigen identiteit, maar het is dit
ook omdat huishoudens in feite weinige andere keuzen hebben (De Decker, 2004, p.
130). “The home, the housing estate, and the community can be seen as representing
those spheres of social life in which those aspects of species being which have
become suppressed at the point of production (association with other humans, engagement with nature, self-realization, assertion of personal identity and so on) can be
at least partly restored or realized” (Dickens, 1994, p. 130).
Volgens Dickens heeft wonen in belangrijke mate de betekenis gekregen van
‘afstand nemen’ (“escape attemps”), het zich terugtrekken uit de gemeenschap naar
een sfeer waar huishoudens en individuen het gevoel hebben een zekere mate van
autonomie te bezitten. In de Belgische context is volgens De Decker (2002) iets
gelijkaardigs aan de hand, hij spreekt over een ‘defensieve’ wooncultuur.26
23 Rakoff bouwt voort op Sennett & Cobb (1972) die arbeiders bevroegen. Rakoff bestudeert bedienden
(witte boorden).
24 Dickens stelt dat hun identiteit ‘ondermijnd’ wordt door de vervreemding die ze ervaren in hun
productieve arbeid (Dickens, 1994, p. 129, p. 131).
25 Zie ook Blokland (2001) en Dalrymple (2004).
26 Zie infra.
27
Dickens benadrukt wel dat eigen woningbezit niet noodzakelijk in alle bronnen
voorziet die een individu nodig heeft voor ‘zelfrealisatie’. Zo kan een gevoel van
verbondenheid en gemeenschap achterwege blijven. Het is volgens Dickens zeker
ook niet zo dat eigendom noodzakelijk is voor het vormen van een eigen identiteit,
zoals sommige onderzoekers beweren.27 Er zijn tot nu toe noch uit de menswetenschappen noch uit de biologische wetenschappen28 aanwijzingen dat eigendom een
biologische of evolutionaire noodzaak is, ook al is het zo dat bezit inderdaad één van
de dominante manieren is waarop identiteit gevormd wordt in kapitalistische en
marktgeoriënteerde samenlevingen.
Dickens gaat dus niet akkoord met de traditionele Marxistische opvatting dat
zelfverwezenlijking alleen maar mogelijk is door niet-vervreemdende arbeid in het
productieproces en dat het nastreven van een eigen woning alleen maar tot meer
vervreemding zou leiden. Volgens Dickens kan een eigen woning wel degelijk zorgen
voor een (gedeeltelijke) vervulling van de menselijke potenties en van de menselijke
natuur. De verlangens naar een eigen woning zijn dus niet zomaar ‘valse behoeften’
die leiden tot de vervreemding van de mens van zichzelf29. Dickens biedt hiermee
weerwerk tegen de visie dat mensen die eigendom nastreven in een kapitalistische
samenleving willoze slachtoffers zouden zijn van ‘warenfetisjisme’30, mensen
kunnen volgens hem wel degelijk én eigendom nastreven én inzicht hebben in hun
eigen maatschappelijke positie. Eigendom kan wel degelijk voor een gedeeltelijke
zelfverwezenlijking zorgen, al zijn er ook belangrijke problemen aan verbonden
(zoals het gebrek aan gemeenschapsgevoel dat er dikwijls aan gekoppeld is).
2.4. Belang van een visie op behoeften voor woononderzoek
We willen een benadering van het woononderzoek uitwerken die rekening houdt met
de dieperliggende oorzaken van het woongedrag van huishoudens en individuen.
De benadering van Dickens is zowel een interessante aanvulling op de ‘sociologische’ benadering als op ‘sterke’ vormen van sociaalconstructivisme31. Het
sociaalconstructivisme probeert (onder andere) een antwoord te bieden op benaderingen die aan de maatschappelijke structuren te veel verklarende kracht
toekennen. Het stelt dat structuren slechts mogelijk zijn doordat mensen met
elkaar in interactie treden en door deze interactie gedeelde betekenissen en een
gedeelde werkelijkheid creëren, een gedeelde werkelijkheid die op zijn beurt impact
27 Voor een voorbeeld, zie Saunders, P. (1990), A Nation of Home Owners, Unwin Hyman, London.
Aangehaald door Dickens (1994):
28 Dickens verwijst naar de hedendaagse antropologie, de moleculaire biologie en de linguïstiek.
29 Dit is de traditionele Marxistische opvatting. Zie bijv. Du Gay (1996), p. 24.
30 Heel vereenvoudigd kunnen we stellen dat volgens de theorie van Karl Marx warenfetisjisme
ontstaat door de loskoppeling van de ruilwaarde en de gebruikerswaarde van goederen, één specifiek
goed (geld) krijgt de eigenschap dat het kan gebruikt worden om andere goederen op te eisen. De
sociale aard van de samenleving wordt door deze abstractie vernietigd. Producenten en consumenten
hebben geen intermenselijk contact, of bewuste overeenkomst om elkaar te verhelpen: “Their
productions take on a property form, meet and exchange in a marketplace, and return in property form.
Production and consumption are private experiences of person to commodity and material self-interest,
not person to person and communal interest.”
(http://en.wikipedia.org/wiki/Commodity_fetishism). Zie ook Du Gay (1996).
31 Het sociaalconstructivisme stelt dat de realiteit die we waarnemen steeds een gedeelde realiteit is,
een realiteit die ontstaat – of ‘geconstrueerd’ wordt - door interactie tussen mensen. ‘De realiteit’ is in
de eerste plaats een geheel van betekenissen.
28
zal hebben op het handelen van mensen. Een ‘sterke’ vorm van sociaal-constructivisme stelt dat deze gedeelde werkelijkheid de enige werkelijkheid is die er is.
Dickens staat hier uitgesproken kritisch tegenover: “Strong social constructionism is,
at worst, sociology’s form of disciplinary reductionism: an ultimately doomed attempt
to contain all understanding (including those of the sciences) within strict sociological
limits. Another way of making the same point is to say that, while all knowledge is
socially constructed, some knowledge is better than others: referring to an objective
reality” (Dickens, 2000, p. 158).
Om het wonen te onderzoeken moeten we dus meer doen dan het een plaats geven
binnen het maatschappelijke functioneren (cf. ‘sociologische’ benadering), of
verklaren hoe opvattingen over wonen ontstaan door de interactie tussen actoren en
door hegemonische discoursen (cf. ‘sterk’ sociaalconstructivisme). We moeten ook
onderzoeken hoe individuen en huishoudens het wonen gebruiken om in hun
‘natuurlijke’ behoeften te voorzien en hoe dit samenhangt met de algemene
behoeftebevrediging binnen een maatschappelijke context. “While much existing
work on the home concentrates on the social relations and processes affecting people
and households, few studies have examined how these broad constraints and
relationships shape people’s lives, biographies or life courses… [A] first stage must be
to see people’s housing experience in relation to the whole of their lives, in particular
their lives in employment” (Dickens, 1990, p. 119).
Hij voegt hier onmiddellijk aan toe dat mensen niet als louter ‘marionetten’ van de
omstandigheden mogen beschouwd worden: “To a large extent… housing careers
may… be enforced or constrained by market processes or government authorities. But
at the same time, the town chosen or the house actually lived in are still selected by
the households themselves. The house, its form and its location, is a commodity
providing real options as to how some people, at least, choose to live. Such a choice is
made on the basis of how individuals see themselves and wish to be seen by others,
and it is possible to conceptualise a characteristic or typical ‘moral housing career’. It
is one, certainly, shaped by land markets, builders, financiers and the like, but also
one resulting from households and individuals seeking status, respect and security”
(Dickens, 1990, p. 120) 32.
Op basis van de benadering van Dickens kunnen we een link leggen tussen
verlangens en behoeften. Verlangens komen niet zomaar uit het niets of worden niet
zomaar opgedrongen via discoursen. Ze hebben ook wortels in bepaalde onvervulde
behoeften. De manier waarop mensen een invulling zoeken voor hun onvervulde
behoeften zal bepaald worden door sociale en culturele omstandigheden. Het is goed
mogelijk dat deze omstandigheden niet toereikend zijn om de onvervulde behoeften
ook daadwerkelijk een invulling te geven.
32
Voor meer over het concept “moral housing career”, zie verder.
29
2.5. Een categorisering van de menselijke behoeften
Om inzicht te krijgen in behoeften en de manier waarop mensen het wonen
gebruiken om in bepaalde behoeften te voorzien, hebben we een overzicht nodig van
de wat menselijke behoeften zijn en hoe we die kunnen indelen. Waarschijnlijk de
meest gekende van de moderne behoeftetheorieën is de theorie die Abraham Maslow
ontwikkelde in het kader van zijn humanistische psychologie. Deze humanistische
psychologie was een reactie op zowel de psychoanalyse als de behavioristische
psychologie. Ze stelt dat het bewustzijn en de vrije wil de mens uniek maken en dat
de mens dus op een andere manier moet onderzocht worden dan andere dieren.
Mensen hebben een aangeboren drang tot ‘zelfactualisering’; de mens kan verder
kijken dan zijn dierlijke instincten en kan zich engageren in creatieve activiteiten
die zowel zijn welzijn als die van de maatschappij verbeteren. In overeenstemming
met deze overtuiging zag Maslow (1954, 1970)33 een duidelijke hiërarchie in de
behoeften; hij ging er van uit dat hogere behoeften pas een impact hebben op (of
motiverend werken voor) het menselijke gedrag als de lagere (minstens gedeeltelijk)
bevredigd zijn. Maslow hanteerde de volgende indeling van de behoeften, van bodem
tot top (fig. 1): (1) fysiologische behoeften, (2) veiligheidsbehoeften, (3) de behoefte
om ergens bij te horen en geliefd te worden, (4) de behoefte status te verwerven en
verder ook de ‘hogere’ (5) cognitieve, (6) esthetische en (7) morele behoeften. Deze
behoeftecategorieën deelde Maslow nog verder in tot materiële (1 & 2), sociale (3 &
4) en ‘groei-’ of ‘zelfverwezenlijkingbehoeften (5 & 6).
Voor de hiërarchie van Maslow is echter slechts in beperkte mate empirisch bewijs
voorhanden. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat de hiërarchie zeker
niet altijd volledig opgaat. Verder is de hiërarchie ook verbonden met een sciëntistische visie op behoeften, namelijk de visie dat onafhankelijke wetenschappers beter
inzicht hebben in behoeften dat de mensen die ze onderzoeken zelf (Heywood,
2004). Drie centrale kritieken kunnen geformuleerd worden. Ten eerste dat de
hiërarchie suggereert dat materiële behoeften moeten vervuld zijn vooraleer andere
behoeften het gedrag kunnen leiden. Er is echter bewijs voorhanden van het
tegendeel: mensen die de meest fundamentele overlevingsinstincten tegengaan
omwille van morele, psychologische of spirituele behoeften (Jackson e.a., 2004;
Trigg, 2004; Fraser, 1998; Heywood, 2004)34.
Ten tweede laat de hiërarchie toe om behoeftige mensen de bevrediging van hogere
behoeften te ontzeggen (aangezien ze er volgens de theorie toch niets mee zijn). Ten
derde legt de theorie de nadruk op de individualistische aard van behoeftenbevrediging. Behoeften op het niveau van de samenleving, cultuur en het natuurlijke leefmilieu worden gezien als secundair wanneer het gaat om het motiveren van
het menselijke gedrag.
33 Maslow, A. (1954). Motivation and Personality, Harper, New York (2nd edition: 1970), geciteerd door
Trigg (2004) en Jackson e.a. (2004).
34 Voorbeelden die gegeven worden zijn: mensen die zich verhongeren omdat ze het taboe op het eten
van mensenvlees niet willen overtreden, mensen die zichzelf uithongeren om redenen van zelfcontrole
en visuele stereotypen, oorlogsgevangen die voedsel weigeren omwille van behoefte aan zelfwaardering
(Jackson e.a., 2004).
30
Fig. 1. Behoeftenhiërarchie van Maslow
Bron: Jackson e.a. (2004)
Een aantal onderzoekers heeft oplossingen gezocht voor deze problemen. Mallmann
(1980)35 stelde een tweedimensionale typologie voor die tien categorieën van
behoeften op een lijn zet tegenover een drievoudige categorisatie van ‘types’ van
bevrediger: persoonlijke, sociale en ecologische. Dit idee werd verder uitgewerkt
door Max-Neef (1991, 1992)36 die negen categorieën van behoeften – overleven,
bescherming, affectie, begrip, participatie, identiteit, ontspanning, creatie, vrijheid plaatst tegenover vier ‘existentiële’ categorieën van bevrediging van deze behoeften:
zijn, doen, hebben en interageren (fig. 2).
Belangrijk is het onderscheid dat Max-Neef maakt tussen behoeften en ‘bevredigers’. Een behoefte wordt door Max-Neef opgevat als iets dat universeel is voor de
35 Mallmann, C. (1980), ‘Society, Needs and Rights’, in Lederer, K.. (ed) Human Needs – a contribution
to the current debate, Oelgeschlager, Gunn and Hain, Cambridge (Mass), p. 37-54, geciteerd door
Jackson e.a. (2004)
36 Max-Neef, M. (1991), Human-Scale Development - conception, application and further reflection,
Apex Press, Lodon; en Max-Neef, M. (1992). ‘Development and human needs’, in Ekins, P. & M. MaxNeef (Eds.), Real-life economics: Understanding wealth creation, Routledge, London. Beiden
aangehaald in Jackson e.a. (2004)
31
menselijke soort. Behoeften zijn het gevolg van een evolutionair proces. Men kan ze
volgens Max-Neef conceptualiseren als aan de ene kant een tekort en aan de andere
kant een potentie. Het is een tekort in die zin dat het iets is dat ontbreekt; het is
een potentie in die zin dat het iemand kan motiveren of aanzetten tot bepaalde
handelingen (een interne drijfkracht dus, cf. supra). ‘Bevredigers’ zijn verschillende
manieren van ‘zijn’, ‘hebben’, ‘doen’ en ‘wintergroen’ die bijdragen tot de actualisering van de behoeften.37 De categorieën van behoeften staan in de matrix op de
verticale as, de categorieën van bevredigers op de horizontale.
Een belangrijk verschil tussen de behoeftehiërarchie van Maslow en de matrix van
Max-Neef, is dat laatstgenoemde niet uitgaat van een hiërarchie. Het proces van
behoeftebevrediging wordt gekenmerkt door simultaniteit, complementariteit en
wisselwerkingen (Jackson e.a., 2004).
Basisbehoeften veranderen niet doorheen de tijd (tenzij er evolutionaire veranderingen optreden). Wat wel verandert, zijn de manieren waarop een bepaalde
cultuur of sociale groep op een bepaald moment de menselijke behoeften al dan niet
tracht te bevredigen. De specifieke vormen van ‘zijn’, ‘hebben’, ‘doen’ en interageren
kunnen sterk uiteenlopen.
Belangrijk is dat in dit conceptueel kader van Max-Neef een concrete vorm van
behoeftebevrediging een effect kan hebben op meer dan één behoefte. Paradoxaal
genoeg kan op die manier een bevrediger van één bepaalde behoefte ervoor zorgen
dat een andere behoefte juist niet wordt ingevuld. En dit kan doorwerken op
verschillende niveaus. Voorbeelden hiervan liggen voor de hand: een persoon vult
zijn behoefte aan ‘identiteit’ in door een grote wagen te kopen, de uitstoot van deze
wagen kan op termijn het overleven van anderen in het gedrang brengen. In een
versterkte burcht wonen, kan misschien de behoefte aan veiligheid bevredigen,
maar de behoefte aan vrijheid en participatie tegenwerken. Belangrijk is ook dat
niet alle pogingen van een specifieke cultuur of sociale groep om het spectrum aan
behoeften te bevredigen even succesvol zijn.
Max-Neef deelt de behoeftebevredigers op basis van hun kwaliteiten om één of
meerdere behoeften al dan niet te bevredigen op in vijf categorieën:
- vernietigers: deze falen paradoxaal genoeg volledig in het bevredigen van de
behoeften waarop ze gericht zijn;
- pseudo-bevredigers: verwekken een vals gevoel van behoeftebevrediging;
- beperkende bevredigers: bevredigen één behoefte waarop ze gericht zijn, maar
neigen ertoe de bevrediging van andere behoeften te beperken;
- enkelvoudige bevredigers: bevredigen enkel de behoefte waarop ze gericht zijn,
zonder andere behoeften te beïnvloeden;
- synergetische bevredigers: bevredigen tegelijkertijd verschillende categorieën van
behoeftes.
37 De vier categorieën van bevredigers kunnen als volgt nog verder verduidelijkt worden: bij “zijn” gaat
het om de ‘kwaliteiten’ van een persoon, bij ‘hebben’ gaat het om het bezit van al dan niet abstracte
voorwerpen, bij ‘doen’ om het kunnen uitvoeren van bepaalde handelingen, bij ‘interactie’ om het zich
bevinden in een bepaalde omgeving (zie http://www.rainforestinfo.org.au/background/maxneef.htm).
32
Fig. 2. Categorieën van behoeften volgens Max-Neef (1991, 1992)
33
Jackson e.a. (2004) wijzen er op dat veel bevredigers de eigenschap hebben
bepaalde behoeften op korte termijn te bevredigen, maar de bevrediging van andere
behoeften op lange termijn in te perken. Ze noemen zulke beperkende bevredigers
‘gedragsvallen’. Volgens Jackson e.a. (2004) biedt de matrix van Max-Neef een
belangrijke aanvulling op eendimensionale visies op economische groei en op de
conceptualisering van armoede: welzijn kan in dit kader worden gezien als de mate
waarin een gemeenschap erin slaagt behoeften te bevredigen, armoede kan worden
gezien als het falen om behoeften te bevredigen. Dit kader impliceert dat er
verschillende vormen van armoede mogelijk zijn – dit in contrast met benaderingen
die armoede bepalen louter op basis van inkomen. In de benadering van Max-Neef
betekent economische groei (zelf al is die rechtvaardig verdeeld) niet noodzakelijk
een afname van armoede.
Voor Jackson e.a. (2004) werpt het kader van Max-Neef volgende belangrijke vragen
op:
1) ‘Wat is precies de relatie tussen de eindige verzameling objectieve menselijke
behoeften en de potentieel oneindige verzameling van individuele verlangens en
voorkeuren?’,
2) ‘Welke economische goederen en diensten dragen bij tot de bevrediging van
menselijke behoeften en welke zijn louter pseudo-bevredigers of vernietigers van
de bevrediging van behoeften?’
Onze probleemstelling ‘hoe het woongedrag en woonwensen te verklaren?’ sluit aan
bij de eerste vraag. Het is duidelijk dat de behoeften als interne drijfkrachten een
belangrijke rol spelen in het woongedrag en de woonwensen. Het bestaan van
pseudo-bevredigers en vernietigers wijst er echter op dat er ook andere factoren
meespelen, Jackson e.a. (2004): “De keuze voor een specifiek economisch product
geassocieerd met de bevrediging van een individuele behoefte wordt niet alleen
gedetermineerd door het succes of het falen van dat product in het bevredigen van
onderliggende behoeften, maar ook door een complexe variëteit van factoren
waaronder persoonlijke psychologie, sociale waarden en normen, culturele invloeden
institutionele structuren, industriële belangen en marketingstrategieën” (p. 16).
Aan het al dan niet vervuld zijn van behoeften zoals voorgesteld door Max-Neef
koppelen Jackson e.a. (2004) specifieke gevoelens (figuur 3). Dit zijn aan de ene
kant de gevoelens die mensen ervaren wanneer hun behoeften bevredigd worden, en
aan de andere kant de gevoelens die mensen ervaren wanneer de bevrediging
beperkt wordt. Het is via deze gevoelens dat behoeften drijvende krachten zijn. De
negatieve gevoelens zetten mensen ertoe aan om te zoeken naar bevredigers voor
hun behoeften (Jackson e.a., 2004, p. 12).
Deze opdelingen kunnen ons informeren wanneer we de verlangens, gevoelens en de
opvattingen van mensen met betrekking tot het wonen willen onderzoeken. Een
duidelijke visie op wat de (categorieën van) menselijke behoeften zijn moet voorkomen dat we een al te oppervlakkige visie op trends in het woongedrag aannemen.
Als we willen te weten komen wat het woongedrag van mensen motiveert, dan
kunnen we ons niet beperken tot hun verlangens, we moeten ook doordringen tot
de behoeften die aan de basis van deze verlangens liggen en de relatie tussen
specifieke behoeften en specifieke verlangens ophelderen.
34
Fig. 3. Gevoelens gekoppeld aan het al dan niet vervuld zijn van behoeften
Bron: Jackson e.a. (2004)
2.6. Conclusie
Voor een onderzoek naar de woonconsument beschouwen we het als essentieel een
duidelijk inzicht hebben in de relatie tussen ‘woonbehoeften’–‘woonwensen’. We
hebben daarom getracht een overzicht te geven van de verschillende visies op woonbehoeften en proberen aangeven hoe een categorisering van de menselijke behoeften
bruikbaar kan zijn in een onderzoek naar de woonconsument.
Wonen of huisvesting wordt dikwijls aangeduid als een basisbehoefte. Deze stelling
moet het belang van kwaliteitsvolle woonomstandigheden benadrukken. De stelling
bevat echter ook een onduidelijkheid: het is niet duidelijk wat de behoefte ‘wonen’
precies inhoud. Een duidelijker stelling zou zijn dat ‘wonen’ voorziet in bepaalde
behoeften. Dit gebeurt impliciet wanneer er gesproken wordt over ‘woonbehoeften’.
‘Woonbehoefte’ is geen eenduidig begrip. Zoals we zagen heeft het begrip in het
onderzoek naar wonen het doorheen de tijd impliciet en expliciet uiteenlopende
betekenissen gekregen. Binnen het modernisme werden woonbehoeften verbonden
aan een universele menselijke natuur. Woonbehoeften konden volgens deze
opvatting gemakkelijk onderzocht worden door dagelijkse huishoudelijke praktijken
te observeren. Daarbij werden echter met twee essentiële zaken geen rekening
gehouden. Ten eerste werd er geen rekening gehouden met het feit dat
woonbehoeften niet alleen gelinkt zijn aan praktische behoeften, maar ook aan
maatschappelijke behoeften van individuen en huishoudens. Daarnaast werd ook
niet gezien dat zowel de praktische behoeften als de maatschappelijke behoeften
kunnen wijzigen doorheen de tijd.
In een tweede traditie, die deels kan gezien worden als een reactie op de eerste
traditie, deels als een uitvloeisel van sociaal-economische omstandigheden, worden
woonbehoeften gelijkgesteld aan woonwensen. Deze benadering vertoont echter ook
35
een aantel belangrijke tekortkomingen. Woonbehoeften moeten duidelijk onderscheiden worden van woonwensen. Woonbehoefte is een veel dwingender begrip dat
woonwens. Stellen dat iets een woonbehoefte is, vereist sociale actie om die behoefte
te vervullen, een woonwens daarentegen vereist deze actie niet. Een woonwens kan
om verschillende redenen niet in overeenstemming zijn met de behoeften: (1)
mensen zijn niet altijd goed geïnformeerd, ze kunnen verlangens hebben die zonder
dat ze het beseffen niet in overeenstemming zijn met hun behoeften, (2) verlangens
zijn in belangrijke mate ook een afspiegeling van sociale normen en dus niet
noodzakelijk in overeenstemming met individuele behoeften, (3) wanneer mensen
bepaalde behoeften niet kunnen bevredigen dan is het mogelijk dat ze hun situatie
gaan ‘rationaliseren’, zichzelf ervan overtuigen dat ze in feite wel tevreden zijn.
We zagen dat de cultuurrelativistische en de universele standaardentraditie echter
een duidelijk inzicht verschaffen in de relatie tussen woonbehoeften en woonwensen. We stelden dat behoeften op het vlak van wonen niet kunnen vastgesteld
worden op basis van abstracte standaarden, maar dat ook concreet onderzoek naar
de opvattingen van de woonconsument nodig is, het subjectieve aanvoelen kan niet
genegeerd worden. Bij dit concreet onderzoek moet in het achterhoofd gehouden
worden dat mensen niet zomaar zgn. ‘cultural dopes’ zijn, maar dat ze ook handelen vanuit hun behoeften als natuurlijke wezens. Verlangens zijn steeds ook
gebaseerd op aspecten van de menselijke natuur: algemeen menselijke behoeften en
instincten. Mensen zijn echter in belangrijke mate gebonden aan de maatschappelijke organisatie en hun aangeleerde kennis om deze behoeften te
bevredigen. Door gebrekkige kennis, processen van socialisatie en rationalisatie zijn
verlangens niet altijd in overeenstemming met behoeften.
Een onderzoek naar de woonconsument mag zich bijgevolg niet alleen laten leiden
door de verlangens die geformuleerd worden door de bevraagde woonconsument. Er
moet ook rekening gehouden worden met de dieperliggende oorzaken van het
woongedrag van huishoudens en individuen, namelijk hun pogingen om via het
wonen in hun basisbehoeften te voorzien en hoe dit samenhangt met de algemene
behoeftebevrediging binnen een maatschappelijke context. Essentieel is volgens
Dickens (1990) de relatie met de evoluties in de maatschappelijke organisatie van
het werk en de vervreemding en ondermijning van hun identiteit die voor veel
werkende mensen gekoppeld is aan de productieve arbeid die ze moeten verrichten.
Het wonen wordt binnen de visie van Dickens voor veel mensen een poging om de in
het arbeidsproces ondermijnde identiteit te herstellen. Of dit inderdaad zo is kan
één van de onderzoeksvragen zijn in een onderzoek naar het woongedrag van
mensen.
Een overzicht van de menselijke basisbehoeften kan een belangrijk werkinstrument
zijn om linken te leggen tussen de woonbiografieën van mensen, de verlangens die
ze uitspreken en de behoeften die een rol spelen bij hun woongedrag. Wanneer we
categorieën van behoeften opstellen dan is het belangrijk dat er rekening wordt
gehouden met zowel individuele als sociale aspecten van behoeften. In het
voorgaande hebben we al een eerste overzicht gegeven van de categorieën die
kunnen onderscheiden worden in de menselijke behoeften.
36
3. DE BELEIDSCONTEXT
Als we het beleid als vertrekpunt nemen, situeert ons onderzoek zich op de snijpunten van ogenschijnlijke tegenstellingen. Zonder de legitimiteit van de beleidskeuzen in vraag te stellen, geven we twee voorbeelden (zie reeds de inleiding). Een
eerste is de tegenstelling tussen enerzijds de vaststelling dat het beleid al meer dan
20 jaar de stad als woonplaats promoot (De Decker, 2004), terwijl anderzijds
onderzoek naar woonvoorkeuren aantoont dat een meerderheid van de mensen
liever buiten de stad woont (Verhetsel e.a., 2004; Tratsaert, 1998, 1999; Heylen
e.a., 2007). Dit uit zich trouwens ook op terrein, aangezien de suburbanisatie
opnieuw lijkt toe te nemen (Moortgat & Vandekerckhove, 2007; D’hoker, 20062007). Blijkbaar zijn deze woonvoorkeuren niet zo flexibel of is er te weinig kennis
over hoe deze woonvoorkeuren vorm krijgen. De Decker (2004) stelt het als volgt:
“Waarom wenst […] slecht 12% van de bezoekers van Batibouw 2002 in de stad te
wonen? Waarom wil nog steeds drie vierde een volledig vrijstaande woning? Terwijl
genoegzaam bekend is dat – zuiver economisch bekeken – compact wonen in de stad
efficiënter is, zowel voor maatschappij als voor individu. Toch gaat het in Vlaanderen
reeds 40 jaar de massaal de andere kant op. Onderzoekers en beleidsmensen
kunnen zich beperken tot het registreren hiervan. Te vrezen valt echter dat dieper
liggende, onuitgesproken wensen en motieven genegeerd worden en daardoor de
oorzakelijkheid (op zijn minst) gedeeltelijk fout wordt ingeschat. Zonder een beter
inzicht in de diepere fundamenten van individuele woonvoorkeuren, is de kans klein
dat beleidsmaatregelen effectief kunnen zijn” (De Decker 2004, p. 122).
De tweede ogenschijnlijke tegenstelling is in zekere zin gekoppeld aan de eerste. Het
gaat om dat vaststelling dat het beleid eveneens al meer dan 20 jaar segregatie
tussen verschillende sociale groepen tracht tegen te gaan, terwijl anderzijds
onderzoek aantoont dat sociale segregatie op verschillende vlakken blijft bestaan en
zelfs toeneemt (Kesteloot, e.a. 2008).
3.1. De beleidsvisie
De huidige beleidsvisie op woonvoorkeuren en woonbehoeften hangt nauw samen
met het streven naar het opnieuw aantrekkelijk maken van de stad. De analyse die
gemaakt wordt met betrekking tot wonen in de stad kunnen we als volgt omschrijven (De Decker, 2004, Loopmans 2002):
- de stad is geen aangename of aantrekkelijke leefomgeving, daardoor is de beter
gegoede middenklasse weggetrokken uit de stad
- dit heeft geleid tot een gebrek aan leefbaarheid in de steden en een heel ruimte- en
verplaatsingintensieve manier van wonen;
- om de stad opnieuw leefbaar te maken en om tot een meer duurzame vorm van
wonen te komen, is het noodzakelijk dat deze middenklasse opnieuw in de stad
komt wonen;
- dit om minstens drie redenen: a) er wordt een sociale mix gerealiseerd, dit komt de
leefbaarheid ten goede, b) er wordt bespaard op ruimte en verplaatsingen, c) het
fiscale draagvlak van de stad wordt versterkt.
Vanaf de stadsvernieuwingscampagne bij het begin van de jaren 1980 is dit, voor
wat betreft wonen, de centrale visie binnen het stedelijke beleid in Vlaanderen.
Wanneer er in 1995 voor het eerst een ministerportefeuille voor stedelijk beleid in
37
Vlaanderen komt, wordt het aantrekken van “(nieuwe) huishoudentypen, hoog
opgeleid en goed verdienend” heel concreet vastgelegd als een centrale focus van het
beleid: “In de eerste plaats zijn er de (nieuwe) huishoudentypen, hoog opgeleid en
goed verdienend, die voor de organisatie van hun leven beter af zijn mochten ze in de
(binnen)stad leven. Tweeverdienergezinnen hebben er, door hun beperkte tijd, alle
baat bij allerlei functies (winkels, scholen, werk, cultuur) in de nabije omgeving te
hebben. De uitdaging wordt een woonmilieu te ontwerpen die hen in de stad houdt op
een zodanige manier dat ook de kansarme en kwetsbare bewoners er beter van
worden” (Peeters, geciteerd in De Decker, 2004, p. 340).
Men spreekt hier niet expliciet over middenklasse versus een achtergestelde klasse,
maar het is duidelijk dat men een opdeling maakt tussen twee groepen: één groep
die beter af is en buiten de stad woont, een andere groep die kansarm en kwetsbaar
is en binnen de stad woont.
Om de eerste groep opnieuw in de stad te krijgen moeten volgens er volgens de
beleidsvisie ingrepen gebeuren die de stad opnieuw een aantrekkelijke woonomgeving maken. Er wordt bijgevolg nagedacht over nieuwe (of opnieuw uitgevonden)
stedelijke woonvormen zoals waterkantontwikkeling, geconverteerde panden, lofts,
sociaal gemengde en publiekprivate woonvormen. Deze nieuwe woonvormen worden
voorgesteld als de ‘redder’ van de stad (De Decker 2004, p. 138).
3.2. Ingrepen hebben niet het gewenste effect
Verschillende onderzoekers wijzen erop dat deze ‘nieuwe’ woonvormen – zeker die
waar sociale mix wordt beoogd - in de praktijk niet noodzakelijk populair zijn.
Recent onderzoek bij jongeren in Groot-Brittannië en Vlaanderen aan dat de meerderheid van de jongeren in deze landen nog steeds ‘conservatieve’ woonwensen heeft
(Rowlands & Gurney 2000; Verhetsel, e.a. 2004). Uit een onderzoek naar de woonwensen van jongeren in Vlaanderen blijkt bijvoorbeeld dat de meeste jongeren later
een grote eengezinswoning willen met voldoende comfort en met een tuin. Deze
woning moet bovendien gelegen zijn in een landelijke, groene, (verkeers)veilige en
propere omgeving waar voldoende sociaal contact is (Verhetsel e.a. 2003).
Ook gevalsstudies van zogenaamde ‘nieuwe woonvormen’ waar sociale menging
wordt beoogd doen bedenkingen rijzen. De Decker (2002) verwijst naar het
Kortrijkse Prado, waar een combinatie van sociale huurwoningen met sociale koopwoningen werd gerealiseerd. Na de realisatie werd vastgesteld dat de sociale koopappartementen en woningen niet vlot verkochten. Vooral die projecten lijken
succesvol te zijn waar een homogene groep welgestelde huishoudens zich kan
vestigen (Uitermark, 2003b).
Volgens De Decker heeft veel ermee te maken dat de aanwezigheid van sociale
huurwoningen ervaren wordt als een ondergraving van de investering. Maar ook het
feit dat woonkeuzes ‘defensieve’ keuzes zijn geworden, speelt volgens De Decker
mee. ‘Defensief’ betekent dat wonen niet gelijk staat aan zich in een gemeenschap
plaatsten, maar eerder aan het zich terugtrekken uit de (als eerder vijandig ervaren) gemeenschap, naar een sfeer waar men het gevoel heeft een zekere mate van
autonomie te bezitten. In een ‘defensieve’ wooncultuur wordt de woonkeuze afgewogen aan individuele overwegingen met betrekking tot bestendigheid, zekerheid,
orde, continuïteit, fysieke veiligheid, ergens thuishoren, vluchtplaats, persoonlijke
status en succes, controle, positieve (‘vrij zijn om…’) en negatieve (‘vrij zijn van…’)
38
vrijheid (De Decker, 2002).38 Of wonen een defensieve betekenis heeft, in welke
mate en voor welke groepen, is voor België en Vlaanderen nog niet diepgaand
onderzocht; buitenlandse onderzoeken hebben hier meer aandacht aan besteed
(Rakoff, 1977).
Deze onderzoeksresultaten geven aan dat ‘nieuwe woonvormen’ eerder oppervlakkige ingrepen zijn om van de stad een aantrekkelijke woonomgeving maken. Sociale
segregatie en ruimte- en verplaatsingsintensief wonen kunnen moeilijk bestreden
worden binnen een context waarin wonen in belangrijke mate een ‘defensieve’
betekenis heeft. Een onderzoeksvraag die we in ons onderzoek zullen trachten te
beantwoorden is ‘in welke mate heeft wonen een defensieve betekenis en in welke
mate speelt dit mee in woonkeuzes die leiden tot sociale segregatie en tot ruimte- en
verplaatsingsintensief wonen?’
3.3. Visie op sociale groepen en woonvoorkeuren schiet tekort
Een gedeeltelijke verklaring voor het tekort schieten van (bijvoorbeeld) de antwoorden op de problematiek van sociale segregatie en stadsvlucht is dat het beleid
en het onderzoek dat dit beleid informeert, gebruik maakt van een visie op sociale
groepen en hun woonvoorkeuren die niet aangepast is aan de complexe realiteit. Uit
beleidsteksten blijkt meestal een eenvoudige visie op woonvoorkeuren. Men benadert de suburbanisanten als een vrij homogene groep: de middenklasse, de
middengroepen, tweeverdieners met kinderen. Dikwijls worden diegenen die wel in
de stad wonen evenzeer geportretteerd als een homogene groep, maar dan als tegenpool van de suburbanisanten: kansarmen, achtergestelde groepen, lage inkomens
(De Decker 1993; Baeten 2001; Loopmans 2002). Het spreken over middengroepen
of een middenklasse impliceert bovendien dat er zoiets is als een ‘hoogste’ groep of
bovenklasse. Deze groep komt echter zelden ter sprake en is bijna altijd de grote
afwezige in de beleidsanalyses.
Wat opvalt, is dat de middenklasse/groep met hogere inkomens die suburbaniseert
dikwijls wordt voorgesteld als de groep die keuzes maakt, terwijl de achtergestelde
stadsbewoner wordt voorgesteld als diegene die hulp behoeft. De stadsbewoners zijn
diegenen die hulpbehoevend zijn en regulering nodig hebben; de hogere inkomens
zijn diegenen die dat niet behoeven en dus zichzelf kunnen behelpen, zichzelf
kunnen reguleren.39 Dit is echter een al te rigide opsplitsing, waarbij een aantal
opmerkingen kunnen gemaakt worden. We geven eerst een paar voorbeelden van de
opsplitsingen zoals ze gemaakt worden in beleidsteksten, daarna verklaren we
waarom deze problematisch zijn, ten slotte geven we aan hoe voorliggend onderzoek
tot een genuanceerder beeld wil komen.
De rigide tweedeling tussen ‘stad/achtergestelde groepen/onmachtigen’ enerzijds en
‘ommeland/beter gegoede middenklassen/potentiële motor voor maatschappelijke
verandering’ anderzijds is al aanwezig in de teksten die werden opgesteld in het
kader van de stadsvernieuwingscampagne van begin jaren 1980, volgens De Decker
(2004), nog steeds één van de meest intensieve denksessies over stedelijke
vernieuwing in Vlaanderen). Volgens de analyse die werd gemaakt, moesten stede38 Ook andere onderzoekers hebben gelijkaardige observaties gemaakt voor andere Westerse landen,
Dickens (1990) bijvoorbeeld spreekt over ‘escape attempts’.
39 Deze opdeling tussen subjecten die interventie behoeven en subjecten die geen interventie behoeven
is een centraal onderzoeksthema van Foucault en onderzoekers binnen de Foucauldiaanse traditie. Zie
De Decker (2004), p. 132.
39
lijke leefgemeenschappen ‘heropgebouwd’ worden; vooral aan de zwakkere bevolkingsgroepen moest aandacht besteed worden. Het begrip ‘zwakkere bevolkingsgroepen’ wordt ingevuld als: “marginalen en kansarmen: bejaarden, alleenstaanden,
jonge gezinnen met kleine kinderen en vooral gastarbeiders”. Opbouwwerkers
moeten de communicatie tussen overheid en zwakkere bevolkingsgroepen versterken. Daarbovenop moet het evenwicht tussen de verschillende bevolkingsgroepen hersteld worden, sociale menging staat centraal.40
In de teksten opgesteld in het kader van de stadsvernieuwingscampagne werden er
een aantal heel reële problemen onderzocht en veel interessante analyses gemaakt.
Toch is het opvallend dat het vooral de zgn. zwakkere groepen (eigenlijk diegenen
die de stedelijke structuur verder onderhouden) zijn die in deze visie ‘bewust’
gemaakt moeten worden en moeten participeren, terwijl de hogere inkomens (die
eigenlijk de problemen in de hand gewerkt hebben door zich te distantiëren) moeten
‘aangetrokken’ worden.
Ook in het RSV wordt dezelfde rigide tweedeling gemaakt. Dit document maakt een
opsplitsing tussen enerzijds “gezinnen met kinderen” (nieuwe gezinnen en jonge
mensen) en anderzijds “minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen”. Toch een
bijzonder vreemde opsplitsing, ook onder de ‘minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen’ bevinden zich immers ongetwijfeld gezinnen met kinderen.41 Het is vooral
de eerste groep, de zgn. ‘gezinnen met kinderen’ die volgens het RSV in de watten
moet worden gelegd, zij moet goed kunnen wonen in de stedelijke gebieden:
voldoende groot en flexibel, met toegankelijkheid tot een terras/tuin of park,
betaalbaar, verkeersveilig en met een goede bereikbaarheid. Ze moeten na hun
eerste fase van zelfstandig wonen gestimuleerd worden om te blijven wonen in het
stedelijk gebied.
Over de zogenaamde “minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen” stelt het RSV
enkel dat het aantrekken van de “gezinnen met kinderen” voor hen geen sociale
verdringing tot gevolg mag hebben en dat er voor hen betaalbare, kwalitatieve
huurwoningen worden gerealiseerd (Ministerie van de Vlaamse gemeenschap, 1997,
p. 359).
Dat het stereotiepe beeld van jonge gegoede vertrekkers en zwakke, kansarme
blijvers moet genuanceerd worden, bleek al uit een onderzoek toegespitst op Gent
uitgevoerd in 1992 (De Decker, e.a., 1995). Ook toen al werd erop gewezen dat er
niet enkel een stereotiep beeld werd gehanteerd, maar dat er aan de verschillende
sociale groepen binnen dit stereotiepe beeld ook sociale min- en meerwaarden
worden gekoppeld: “Maatschappelijk ‘meer waard’ zijn de jonge, begoede gezinnen
met kinderen; maatschappelijk ‘min waard’ zijn dus de brede waaier van bevolkingsgroepen die door omstandigheden gedwongen worden in de kernsteden te wonen:
bejaarden, etnische minderheden, alleen- of samenwonenden, alleenstaande moeders, starters op de woningmarkt. Er zijn ‘goeien’ nodig om de sociaal ontwrichten op
het pad der sociale conformiteit te houden” (De Decker 1993, p. 75).
Hebben mensen de pech om de stempel van ‘achtergestelde stadsbewoner’ te krijgen
(op basis van inkomen, leeftijd, woonplaats, gezinssamenstelling, afkomst, opleidingsniveau en/of tewerkstelling), dan is de kans groot dat ze op een bepaald
40 Zie Secretariaat Stadsvernieuwingscampagne (1982): Sociale stadsvernieuwing: uitgangspunten,
doelstellingen, knelpunten, Brussel. Geciteerd in De Decker (2004), p. 252. Zie ook Loopmans (2002)
en Baeten (2001).
41 Deze opsplitsing lijkt vooral een beeld te insinueren van de ‘normale’ stadsverlater versus de
‘abnormale’ (alleenstaande/oudere/allochtone) achterblijver.
40
moment zullen geconfronteerd worden met een beleid dat hen als onmondig,
inactief, onvoldoende bewust en/of onaangepast beschouwt.42
De rigide tweedeling kan op drie manieren bekritiseerd worden. Ten eerste doet ze
onrecht aan de diversiteit van de stedelijke bevolking en de suburbanisanten
(Baeten, 2001; De Decker, 1993, 2006). Ten tweede geeft ze ook een bijzonder
statisch beeld van de verhoudingen tussen stad en ommeland. Reürbanisatie en
suburbanisatie zijn trends die samen op het zelfde moment kunnen voorkomen.
Naast de individuen en huishouden die wegtrekken uit de stad, zijn er anderen
groepen die juist de keuze maken om er te blijven wonen, of er terug komen wonen
(De Decker, e.a. 1995). Waar nu op gefocust wordt is vooral de netto-uitkomst van
beide bewegingen. Ten slotte moet ook de klassieke tweedeling tussen stad en
ommeland genuanceerd worden, er zijn meerdere woonmilieus dan enkel ‘stedelijk’
en ‘landelijk’43, ook binnenstedelijke verhuisbewegingen zijn relevant (De Decker,
1993).
Als alternatief voor een al te rigide, stereotiepe en sterk waardegeladen opsplitsing
is er nood aan een meer dynamische visie op de sociale positie van individuen en
huishoudens. Twee personen met eenzelfde leeftijd, inkomen en tewerkstellingstatus kunnen op het eerste zicht een gelijke sociale positie innemen, maar bij
nader inzien toch twee heel verschillende trajecten afleggen en ook heel verschillende levenshoudingen hebben. Daaraan gekoppeld kunnen beiden ook heel
verschillende betekenissen toekennen aan wonen en verschillende woonbehoeften
hebben (Trigg 2004, p. 401). In het vervolg van dit onderzoek zal dit verder uitgewerkt worden met betrekking tot wat we ‘woontrajecten’ zullen noemen (zie infra).
3.4. Conclusie
De pogingen van het beleid om sociale segregatie tegen te gaan en om tot compactere woonvormen te komen lijken slechts in beperkte mate te slagen. De pogingen om van de stad een aantrekkelijke en niet gesegregeerde woonomgeving te
maken lijken naïef. Nieuwe woonvormen worden gepromoot, maar er wordt geen
rekening gehouden met dieperliggende woonwensen die dikwijls ‘defensief’ lijken te
zijn: wonen als het zich terugtrekken uit de (als eerder vijandig ervaren) gemeenschap, naar een sfeer waar men het gevoel heeft een zekere mate van autonomie te
bezitten.
Het woonbeleid lijkt in belangrijke mate te worden geleid door een rigide en
stereotiepe visie op de stedelijke bevolking en de suburbanisanten. De sleutel voor
42 Deze stereotypering geldt niet alleen voor ‘de achtergestelde stadsbewoner’. Er zijn nog mensen die
op basis van een aantal karakteristieken in een stereotiepe categorie ingedeeld werden/worden.
Bijvoorbeeld ‘de behoeftige oudere’. Clapham (2005) wijst op de concrete gevolgen die het stereotiepe
beeld van de ‘behoeftige oudere’ heeft op de manier waarop de samenleving met ouderen omgaat. Hij
wijst erop hoe hen bepaalde behoeftes worden toegeschreven, hoe men hen gaat afzonderen van de
bredere samenleving in ‘beschutte’ woningen. Het vrijmaken van middelen dat hieraan was gekoppeld
had voor velen positieve gevolgen doordat wel degelijk in bepaalde behoeften werd voorzien. Neemt niet
weg dat diegenen die niet behoeftig waren ook als dusdanig gestigmatiseerd werden en bijvoorbeeld
ongewild in een beschutte woning terechtkwamen (Clapham 2005, p. 217-218). Verschillende groepen
hebben echter na jarenlange strijd ook vooruitgang geboekt in het bestrijden van stigmatisering. In de
zorgsector voor mensen met een handicap groeit dankzij een jarenlange strijd bijvoorbeeld het besef
dat ‘zorg op maat’ nodig is (zie bijv. http://www.gripvzw.be/)
43 De Decker e.a. (1995) onderscheidt er voor Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld vijf verschillende (zij het
‘ruwe’, want gebaseerd op gemeentegrenzen): de oude kernstad, de fusiegemeenten, de overige gemeenten van het stadsgewest, de overige gemeenten van Oost-Vlaanderen en elders.
41
maatschappelijke verandering wordt gelegd bij de ‘beter gegoede suburbanisanten’.
De sociale categorieën die worden gehanteerd om suburbanisatie en sociale
segregatie te verklaren (‘de beter gegoede tweeverdieners’ die wegtrekken uit de stad
en ‘de achtergestelde groepen’ die achterblijven’) zijn niet helemaal aangepast aan
de sociale realiteit. Onderzoek toont aan dat deze realiteit complexer is. Aangezien
de ingrepen gebaseerd zijn op een oppervlakkige analyse die gebruik maakt van
achterhaalde categorieën, is het niet verwonderlijk dat het beleid er niet in slaagt
reële oplossingen te bieden voor sociaal segregatie en ruimte- en verplaatsingsintensieve vormen van wonen.
Een beter inzicht in de dieperliggende woonwensen van individuen en huishoudens,
de variaties in deze woonwensen en de oorzaken van deze variaties is dus nodig.
Om dit inzicht te verkrijgen is er nood aan een benadering die sociale posities niet
als een statisch gegeven beschouwd, maar die ook het dynamische aspect van
sociale posities in overweging neemt: er moet ook rekening gehouden worden met de
‘woontrajecten’ die individuen en huishoudens afleggen. Individuen kunnen op het
eerste zicht dezelfde karakteristieken vertonen, maar toch heel verschillende woontrajecten afleggen.
42
DEEL III.
VAN FEITEN NAAR BETEKENIS
43
4. KENNISVERWERVING IN DE SOCIALE WETENSCHAP EN
ONDERZOEK NAAR DE ‘BETEKENIS’ VAN WONEN
We willen komen tot een conceptueel kader dat geworteld is in de conceptuele
kaders die voorhanden zijn in het onderzoek naar wonen en vooral die kaders die
bruikbaar zijn voor ons onderzoek naar de betekenis van wonen. We vertrekken van
de literatuur die eerder theoretische vragen stelt over kennisverwerving in onderzoek naar wonen. Een pionier op dit vlak is Kemeny, die zichzelf in zijn “Housing
and Social Theory’” de opdracht meegeeft de theorie (opnieuw) binnen te brengen in
onderzoek naar wonen (Kemeny, 1992). Zijn stelling is dat onderzoek naar wonen te
empirisch en te positivistisch was/is, met te weinig theoretische zelfreflectie. Mede
dankzij hem en meerbepaald ‘zijn’ tijdschrift ‘Housing, Theory and Society’ is er
ondertussen ook heel wat theoretisch werk verricht. Een richting in dit theoretische
werk is het ‘sociaalconstructivisme’. Een eerste maal vinden we dit terug in een
artikel waarin Kemeny (1984) stelt dat wat als feiten worden beschouwd in
huisvestingsstudies niet onproblematisch zijn. Hij behandeld drie aspecten hiervan:
(1) de constructie van de data die de huisvestingsfeiten onderbouwen, (2) het
gebruik van die feiten om concepten en thema’s samen te stellen, het ‘opbreken’ van
deze concepten en (3) feiten door het onderzoek (dat een machtsstructuur is) om op
die manier een sociaal geconstrueerd patroon te creëren van geaccepteerde
waarheden en hun niet-geaccepteerde tegendelen. Als voorbeeld van de constructie
van data zouden we bijvoorbeeld kunnen verwijzen naar een onderzoek dat het
woongedrag van ‘de ouderen’ onderzoekt. Dit onderzoek vertrekt van een categorie
die in realiteit heel uiteenlopende individuen en huishoudens omvat, ‘de ouderen’ is
niet noodzakelijk een homogene groep. Toch zal op basis van zo’n onderzoek
mogelijks een aantal ‘objectieve’ data over het woongedrag van ‘de ouderen’ als
vaststaande feiten aanvaard worden.
Dat het onderzoek naar wonen nog steeds te empiristisch44 en te positivistisch is, is
een stelling die later door o.a. Clapham (2005) herhaald wordt.
Om de betekenis van de nieuwe benaderingen goed in te kunnen schatten geven we
een korte bespreking van de filosofische en historische betekenis van empirisme en
positivisme en van de sociaal-wetenschappelijke evoluties die de nieuwe benaderingen mogelijk maken.
Deze evoluties kunnen in belangrijke mate beschouwd worden als evoluties waarbij
de focus verschuift van ‘feiten’ naar ‘betekenissen’. Er kunnen een aantal stappen
aangeduid worden in deze evoluties: theoretici die met hun werk een belangrijke
invloed hebben gehad op het onderzoek zoals wij dit willen voeren. Hierna zullen
een aantal van deze stappen besproken worden. Gezien voorliggend onderzoek in de
eerste plaats moet leiden tot praktisch bruikbare instrumenten om het wonen te
onderzoeken, zullen we het wetenschaptheoretische overzicht dat volgt beperken tot
de essentie. Voor een goed begrip van het belang van een nieuwe benadering is dit
overzicht wel essentieel.
44
Empirisch onderzoek zonder een duidelijke explicitering van de aangenomen vooronderstellingen.
44
4.1. Het positivisme als filosofische vooronderstelling in het
wetenschappelijk onderzoek
Vooraleer we verdergaan moeten we een duidelijk onderscheid maken tussen positivisme, empirisme en logisch positivisme.
Positivisme is een term die door August Comte (°1798) is geïntroduceerd. Het is een
verzamelnaam die alle denkrichtingen aanduidt die ten eerste stellen dat ons
kennen alleen beschikt over zintuiglijke verschijnselen en ten tweede dat het ook niet
verder kan gaan dan deze zintuiglijke verschijnselen. De verschijnselen kunnen
volgens een positivist bestudeerd worden met objectieve, universele wetenschappelijke instrumenten en een objectieve, universele wetenschappelijke methode. We
moeten ons volgens Comte’s positivisme houden aan ‘het gegevene’ en dit ‘gegevene’
interpreteren volgens een strikte gemeenschappelijke methode. Het filosofisch
positivisme bestrijdt dan ook de opvatting dat er boven of achter het waarneembare
wezenheden zouden bestaan, vormen of wetten die voor ons kenbaar zijn (Störig
2000, p. 730). Het bestrijdt meer bepaald speculatie over een onkenbare realiteit en
de aard ervan. Een positivist verwerpt metafysica, d.w.z. alle speculatie over
datgene wat niet door directe waarneming kan vastgesteld worden. De eerste
positivist in deze zin was Hume (°1711). Hij stelde dat er niets anders gegeven is
dan zintuiglijke indrukken en voorstellingen (die voortkomen uit indrukken).
Traditioneel betekent positivisme dus iets helemaal anders dan de opvatting dat er
zoiets zou bestaat als een objectieve werkelijkheid. Het klassieke positivisme moet
duidelijk onderscheiden worden van die denkrichtingen die stellen dat er buiten wat
waargenomen wordt ook daadwerkelijk dingen, objecten, processen zijn, dat deze
een bepaalde aard hebben en dat daarover kan gespeculeerd worden. Deze
denkrichtingen worden dikwijls aangeduid als ‘realisme’45. Een voorbeeld van een
dergelijke denkrichting is het empirisme. Een empirist zal bijvoorbeeld stellen dat
kennis weliswaar alleen door waarneming tot stand kan komen, maar dat er buiten
deze waarneming wel degelijk een werkelijkheid bestaat46. Voor een positivist is dit
een onaanvaardbare, want metafysische, stelling.
In het hedendaagse taalgebruik worden positivisme en empirisme dikwijls aan
elkaar gelinkt. Positivisme wordt dan in enge zin geïnterpreteerd als de opvatting
dat kennis moet verworven worden door middel van een strikte rationele en dus
universele wetenschappelijke methode en met strikte rationele en universele
wetenschappelijke meetinstrumenten. In deze interpretatie kan positivisme
samengaan met metafysische veronderstellingen over het bestaan van een
objectieve realiteit die zich uitstrekt buiten de waarneming en over de aard van deze
realiteit (zie bijv. Travers, 2004). Als wij verder over positivisme spreken dan zal het
in deze laatste enge betekenis zijn: de opvatting dat kennis moet en kan verworven
worden door middel van een strikte wetenschappelijke methode en met strikte
wetenschappelijke meetinstrumenten. Positivisme in de brede zin, die elke ‘nietwetenschappelijke’ speculatie over het niet direct waarneembare resoluut naar de
Realisme is doorheen de tijd echter in verschillende betekenissen gebruikt. Realisme wordt meestal
gebruik om een bepaalde opvatting over het bestaan van iets te contrasteren met een andere opvatting
die dit bestaan ontkent. Het middeleeuwse realisme stelde bijvoorbeeld dat ‘ideeën’ een objectief
bestaan hadden, het stond tegenover het nominalisme dat stelde dat deze ideeën louter abstracties
waren van de realiteit.
46 Het empirisme wordt vooral geassocieerd met Locke (°1632). Bekend is Locke’s uitspraak dat zonder
de waarnemingen de geest een ‘onbeschreven blad’ is, dat slechts door de waarnemingen gevuld raakt.
45
45
vuilbak verwijst, blijkt in de praktijk onhoudbaar. Elk onderzoek naar de
werkelijkheid bekijkt deze werkelijkheid door een bepaalde ‘bril’. Men maakt daarbij
veronderstellingen over de werkelijkheid die niet direct te funderen zijn.47 Ook de
grondlegger van het positivisme zelf, Auguste Comte, heeft gezondigd tegen het
principe dat metafysische uitspraken moeten geweerd worden: zijn ‘driestadiumtheorie’ met betrekking tot de evolutie van samenlevingen (theologisch – metafysisch
– positief) kan bezwaarlijk wetenschappelijk genoemd worden. Enigszins ironisch is
wel dat het positivisme in brede zin veel dichter aanleunt bij meer subjectivistische
theorieën (er is niet zoiets als een ‘objectieve’ werkelijkheid) dan de combinatie van
positivisme en empirisme die aanvankelijk de overhand zal halen.
Een belangrijk aspect van het klassieke positivisme is de nadruk op ‘de
wetenschappelijke methode’. De positivisten gaven een specifieke invulling aan deze
methode. Deze speelde een belangrijke rol in het ontwerpen van methodieken voor
de sociale wetenschap en werkt op die manier nog steeds door in veel van het
huidige onderzoek. Vooral de visie op oorzakelijkheid als “constante conjuncties” (of
‘empirische regelmatigheid’) zoals verwoord door Hume is nog steeds zichtbaar in de
methodieken die dikwijls veel belang hechten aan statistisch significante correlaties
tussen ‘variabelen’ (Fitzpatrick, 2005).
4.1.1.Het logisch positivisme
Logisch positivisme, logisch empirisme of neopositivisme zijn min of meer
synoniemen en zijn in tegenstelling tot ‘positivisme’ en ‘empirisme’ geen algemene
termen om denkrichtingen aan te duiden. Ze duiden op een specifieke filosofische
school waarvan de vertegenwoordigers leefden vanaf het einde van de 19de tot
ongeveer het midden van de 20ste eeuw.
In de 19de eeuw werden wetenschappers geconfronteerd met onzekerheden, daar
waar ze tevoren dachten dat er alleen absolute waarheden waren. Zo werd
bijvoorbeeld de niet-euclidische meetkunde ontwikkeld, wat ook gevolgen had voor
de geldigheid van wetten in de natuurwetenschappen. Als reactie op deze
onzekerheid werd een specifieke vorm van positivisme ontwikkeld. Dit ‘neopositivisme’ wou de wetenschap reduceren tot een zo eenvoudig mogelijk systeem een eenheidswetenschap - dat alleen datgene zou bevatten waar men absoluut
zeker van was. Het enige waar men absoluut zeker van kon zijn waren volgens het
neopositivisme de waargenomen of verifieerbare fenomenen. Het tweede belangrijke
aspect van de wetenschap, de wetten, konden echter niet meer beschouwd worden
als absoluut en dus objectief bestaand. Wetten moeten volgens de logische
positivisten beschouwd worden als ‘vondsten’ van de mens. Het zijn echter wel
vondsten die niet zomaar in het luchtledige gemaakt worden, maar een logische
samenhang moeten vertonen.
Omdat wetenschap meer zou zijn dan enkel een beschrijving van de waargenomen
fenomenen, heeft men dus een middel nodig om de waargenomen fenomenen in het
denken een logische samenhang te geven. Dat wil zeggen, men heeft een middel
nodig om afleidingen te kunnen maken, om bewijzen op te kunnen stellen en om
consistente redeneringen te kunnen maken. Dit middel was volgens de logische
positivisten een heel strikte logische taal.
47 De meeste mensen geloven bijvoorbeeld dat er wel degelijk een externe wereld is en niet dat alles wat
ze waarnemen slechts verschijnselen zijn die zich in hun eigen geest afspelen (deze opvatting noemt
men ‘solipsisme’).
46
In de tweede helft van de 20ste eeuw komt het project van de logische positivisten
steeds meer op de helling te staan: zowel de mogelijkheid van een strikte en
consistente logische taal voor de wetenschappen48, als de eenduidigheid van
waargenomen fenomenen worden in twijfel getrokken. Wetenschapsfilosoof Kuhn
(Kuhn, 1970) heeft met zijn soms verregaande relativisme bijgedragen tot dit in
twijfel trekken van de eenduidigheid van de waargenomen fenomenen. We behandelen dit verderop.
De verschillende problemen die de logische positivisten ondervonden, hebben er toe
bijgedragen dat er in de sociale wetenschappen stromingen zoals het sociaalconstructivisme op gang kwamen die in filosofische veronderstellingen en dus ook
in methode en doelstellingen sterk contrasteren met positivisme. Wat precies het
verschil is tussen de nieuwe stromingen en het positivisme bespreken dit op het
einde van dit hoofdstuk.
4.1.2.Ideologische en politieke implicaties van het positivisme
Op het positivisme kwam niet alleen kritiek als filosofische veronderstelling (dat er
zoiets mogelijk is als een eenduidige en consistente methode om tot kennis te
komen). Er kwam ook kritiek op de ideologische en politieke implicaties van het
positivisme. Met het positivisme hangt namelijk ook een wereldbeeld samen dat de
maatschappijvorm waarin de strikte wetenschappelijke kennis overheerst en dus
ook de personen die deze vorm van kennis bezitten, het hoogst waardeert. Volgens
dit wereldbeeld is er duidelijk een vooruitgang zichtbaar, waarbij de wereld
doorheen verschillende stadia geëvolueerd is tot het positieve stadium. Op het
maatschappelijke vlak was dit stadium volgens Comte gekoppeld aan de industriële
organisatie van de arbeid. De epistemologie en het daarmee samenhangende
wereldbeeld van het positivisme krijgt de kritiek (o.a. van de bekende postmarxistische Frankfurter School) dat het politiek conservatisme – kritiekloosheid
tegenover het maatschappelijke systeem - bij academici in de hand werkt (Travers,
2004, p. 15). Een eerste kritiek is dat het positivisme dikwijls gekoppeld zou zijn
aan een soort technocratische visie op maatschappelijke organisatie: experten
moeten het voor het zeggen hebben. Een tweede kritiek – die vooral komt van
Marxistisch en historisch materialistisch49 geïnspireerde onderzoekers – is dat het
positivisme weinig maatschappijtheorie en dus ook weinig maatschappijkritiek zou
toelaten. Aangezien het positivisme alleen kennis toelaat via een specifieke en
strenge wetenschappelijke methode, zal ze volgens deze Marxisten geen visie
kunnen ontwikkelen op de kapitalistische productiewijze en op de ontwikkelingswetten van deze productiewijze.50
4.1.3.Positivisme in de sociologie
Comte is naast diegene die de term ‘positivisme’ bedacht, ook diegene die als de
grondlegger van de sociologie wordt beschouwd. Ook het begrip ‘sociologie’ komt
48 Belangrijk hiervoor was het bewijs van Gödel (1931) dat er zelfs voor de theorie van de natuurlijke
getallen geen sluitend bewijssysteem mogelijk was. Zie Störig (2000), p. 762.
49 De opvatting dat er historische regelmatigheden gekoppeld zijn aan de specifieke organisatie van de
maatschappelijke productiewijze.
50 Voor een voorbeeld van Marxistische kritiek op het positivisme. Zie Novack (1972).
47
van hem (Störig, 2000, p. 513) .51 De sociologie die Comte ontworpen heeft, is niet
verwonderlijk een heel positivistische vorm van sociologie. Meer nog, het is juist
vanuit zijn positivistische gedachtegoed dat Comte de sociologie – ‘de studie van de
verschijnselen in het maatschappelijke leven van de soort’ (volgens de hoogste vorm
van wetenschappelijke activiteit) - ontwikkeld heeft. Ook bij Durkheim, ‘de eerste
socioloog’ en grondlegger van de sociologie als academische discipline, vinden we dit
positivisme terug. Durkheim wou, zoals de logische positivisten, een objectieve
wetenschappelijke taal ontwikkelen die superieur was aan de alledaagse kennis van
gewone mensen en waarmee men ‘sociale feiten’ kon onderzoeken. Zijn statistische
technieken zijn later, in de jaren 1940, ontwikkeld tot gesofisticeerde kwantitatieve
methodes, die nog steeds worden gehanteerd. Volgens Travers (2004) wijst de
manier waarop deze methodes gebruikt worden door hedendaagse beleidsanalyse op
gelijkaardige epistemologische veronderstellingen bij hen: men gelooft dat sociale
processen op een objectieve manier kunnen worden gemeten en beschreven,
waarna de bevindingen worden gepresenteerd en aanbevelingen worden gedaan die
de sociale problemen kunnen verminderen of oplossen (Travers, 2004, p. 15). Kuhn
heeft er echter op gewezen dat er niet zoiets is als een objectieve wetenschappelijke
taal of een objectieve wetenschappelijke methode. Wetenschappelijke methodes zijn
aan verandering onderhevig en zijn afhankelijk van het paradigma waarbinnen men
werkt. Kuhn heeft door een sociologie van de wetenschappen te ontwikkelen het
positivistische idee van een objectieve methodologie, een wetenschap die los staat
van de samenleving, impliciet bekritiseerd.
Anderen gingen meer expliciet specifieke wetenschappelijke ‘methodologieën’ zelf
bekritiseren. Cicourel (1964) wees er bijvoorbeeld op dat de categorieën die
sociologische onderzoekers gebruiken bij hun kwantitatieve methodes afgeleid zijn
uit impliciete theorie. Deze categorieën worden als het ware opgedrongen aan de
data, waardoor ze de waarneming in een bepaalde richting duwen (Kemeny, 1992,
p. 25). Methodologieën die gebaseerd zijn op de veronderstelling dat verschijnselen
zonder meer gemeten kunnen worden, moeten dus met enige omzichtigheid
benaderd worden. Listokin e.a. (2003) tonen bijvoorbeeld aan dat gegevens over de
financiële situatie voor huishoudens heel erg kunnen verschillen afhankelijk van de
databank die gebruikt wordt. Categorieën zijn ook afhankelijk van maatschappelijke omstandigheden en bijvoorbeeld van keuzemogelijkheden. Beck & BeckGernsheim (2002) stellen dat veel van de categorieën die we vandaag gebruiken om
de sociale wereld te beschrijven niet meer aangepast zijn aan de sociale
werkelijkheid. Ze spreken over “zombie categories”: ze zijn dood, maar toch nog
levend. Ze zijn levend in het taalgebruik (zowel het dagelijkse als het wetenschappelijke), maar in de werkelijkheid is er niets dat eraan beantwoord. Voorbeelden van zulke categorieën zijn volgens Beck & Beck-Gernsheim categorieën als
familie, klasse en buurt. De reden waarom deze categorieën ‘zombies’ zijn geworden,
is volgens Beck & Beck-Gernsheim dat het taalgebruik niet is meegeëvolueerd met
het maatschappelijke proces van individualisering. Individualisering is een proces
waarbij individuen steeds meer zelf keuzes moeten/kunnen maken, dit leidt ertoe
dat traditionele familiestructuren, klassenverhoudingen en buurtnetwerken niet
meer bestaan: de categorieën zijn dus achterhaald. In hoeverre de beweringen van
Beck & Beck-Gernsheim met betrekking tot individualisering opgaan bestaat
51 Volgens Comte kunnen de wetenschappen op een hiërarchische wijze worden geordend volgens de
natuurlijke indeling van de gebieden der verschijnselen die ze behandelen. De bestudering van de ene
klasse van verschijnselen vormt de basis voor de bestudering van de volgende klasse. Deze hiërarchie
begint volgens Comte met de wiskunde en eindigt met de sociologie: de bestudering van de
verschijnselen in het maatschappelijke leven van de soort.
48
discussie52. Niettemin is het duidelijk dat categorieën geen absoluut bestaan
kennen en met omzichtigheid moeten benaderd worden.
4.2. Bestaan er wel ‘objectieve’ feiten? Kuhn: paradigma en
normale wetenschap
We hebben in het voorgaande gesproken over nieuwe benaderingen in de sociale
wetenschappen. Soms wordt er ook gesproken over nieuwe paradigma’s in de
sociale wetenschap. Het concept ‘paradigma’ is afkomstig van Kuhn (1970). Of er
daadwerkelijk nieuwe paradigma’s zijn in sociale wetenschappen in de betekenis die
Kuhn eraan gaf is een eerder technische kwestie, die we hier niet verder zullen
uitwerken. Een inzicht in de ideeën van Kuhn met betrekking tot paradigma’s in de
wetenschappen en zijn plaats in epistemologische denkrichtingen (de denkrichtingen die zich bezig houden met de aard van kennis), is wel interessant om te
begrijpen waarom de focus in de sociale wetenschappen is verschoven van ‘feiten’
naar ‘betekenissen’. We verduidelijken dit.
In “The Structure of Scientific Revolutions” ontwikkelt Kuhn het concept paradigma
a.d.h.v. een historisch onderzoek naar de evoluties in de exacte wetenschappen.
Een paradigma ontstaat volgens Kuhn wanneer een ‘wetenschappelijke prestatie’,
zoals Copernicus zijn “Over de omlopen van de hemellichamen” (1543)53 of Newton
zijn “Principia Mathematica” (1689)54, voldoende ‘weergaloos’ is om een groep
blijvende aanhangers aan te trekken, weg van andere vormen van wetenschappelijke activiteit en voldoende openheid laat om allerlei onopgeloste vraagstukken te
gaan onderzoeken. Op die manier ontstaat een activiteit die Kuhn ‘normale
wetenschap’ noemt55. Deze normale wetenschap is niet gericht op het vinden van
nieuwe feiten of theorieën. Normale wetenschap is niet gericht op ‘ontdekking’,
maar op het uitwerken van de problemen (puzzels) die zich stellen binnen een
bepaald paradigma.
Een paradigma of ‘disciplinaire matrix’56 heeft als belangrijke karakteristiek dat het
richtingen aangeeft met betrekking tot onderzoek: het zegt al dan niet expliciet…
-
wat geobserveerd en nauwkeurig onderzocht moet worden,
welke vragen er moeten gesteld worden in relatie tot het onderwerp,
hoe deze vragen moeten gestructureerd worden,
hoe een onderzoek moet uitgevoerd worden en welk instrumentarium daarvoor
beschikbaar is,
hoe de resultaten van wetenschappelijk onderzoek moeten geïnterpreteerd worden.
Voor een discussie zie Brannen & Nilsen (2005). Zie ook Elchardus (2002).
Waarin hij zijn heliocentrisch wereldbeeld uiteenzet.
54 Waarin hij de universele gravitatiewet formuleert.
55 Het concept ‘normale wetenschap’ heeft Kuhn veel kritiek bezorgd van onder andere Feyerabend en
Popper, die hem ervan beschuldigden wetenschappers aan te zetten tot een kritiekloze houding. Zie
Forster (1998).
56 Kuhn gebruikte onder andere de term ‘disciplinaire matrix’ als synoniem voor paradigma: het wijst
een essentieel kenmerk van paradigma’s zoals beschreven door Kuhn, namelijk dat het gaat om een
aantal geordende elementen binnen een specifieke discipline. Deze elementen zijn onder andere
theorieën, maar ook algemene metafysische veronderstellingen, waarden en typische voorbeelden,
exemplarische onderzoeken (exemplars) die gebruikt worden om studenten een discipline aan te leren.
Kuhn kent aan deze laatste veel belang toe, een paradigma is in belangrijke mate afhankelijk van
‘exemplars’. Kuhn relativeert hiermee het belang van uitgewerkte theorieën en wijst op het belang van
eerder praktische kennis (hoe een onderzoek moet uitgevoerd worden).
52
53
49
De reden dat normale wetenschap niet gericht is op vernieuwing, is dat wetenschappers binnen een bepaald paradigma ook bepaalde verwachtingen hebben.
Deze verwachtingen sturen hun perceptie zodat feiten die buiten het verwachtingspatroon vallen minder vlug zullen opgemerkt worden. Deze beperking van de
perceptie is volgens Kuhn een noodzakelijk gegeven om aan normale wetenschap te
kunnen doen. Een belangrijke vraag is of wetenschappers wel aan normale
wetenschap, zoals Kuhn die beschrijft, moeten doen. Waarom wel? Waarom niet?.
Deze vraag heeft ook relevantie voor het voorliggende onderzoek naar wonen: in
hoeverre kunnen gangbare methodes in vraag gesteld worden, zonder daarbij de
centrale doelstelling – kennis verwerven over de diverse aspecten van het wonen –
daarbij uit het oog verloren wordt? Het is een moeilijk evenwicht dat we zeker in de
gaten moeten houden.
Ondanks het feit dat hun perceptie beperkt wordt, kunnen wetenschappers volgens
Kuhn wel geconfronteerd worden met bepaalde afwijkingen, anomalieën, zaken die
ingaan tegen hun verwachtingen maar die ze niet kunnen negeren. Op zich leiden
deze anomalieën niet tot nieuwe paradigma’s - het oplossen van anomalieën door
het afstemmen van theorie en feiten op elkaar is volgens Kuhn een onderdeel van
‘normale wetenschap’57. Een verandering van paradigma en dus de overgang van de
ene normale wetenschap naar de andere, is niet het gevolg van één enkele anomalie, maar wel van een echte crisis in de normale wetenschap, dat wil zeggen een
opeenvolging van anomalieën en de aanwezigheid van een voldoende bruikbaar
alternatief. Is dit het geval dan is er sprake van een wetenschappelijke revolutie:
steeds meer wetenschappers schakelen over op het alternatief, een ‘exemplar’ die
zelf uitgroeit tot een nieuwe ‘disciplinaire matrix’.
Het model dat Kuhn heeft ontwikkeld, is een model waarop heel wat kritiek kan
geleverd worden – bijvoorbeeld dat het een heel rigide opvatting geeft van wetenschapsbeoefening. Het biedt echter ook een aantal heel pertinente vragen voor wie
aan wetenschap (of breder: kennisverwerving) wil doen. Eén van de zaken waarover
veel geschreven is, is de vraag of Kuhns theorie impliceert dat wetenschappers niet
al te kritisch mogen staan tegenover de theorieën waarmee ze werken: moet wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijk onderwijs gedogmatiseerd worden in
functie van ‘normale wetenschap’ zoals Kuhn die beschrijft?
Belangrijk om weten is dat Kuhn de concepten ‘paradigma’ en ‘normale wetenschap’ ontwikkelde nadat hij geconfronteerd werd met de grote onenigheid tussen
sociale wetenschappers over de aard van wetenschappelijke problemen en methodes
en zich als gevolg daarvan afvroeg wat juist het verschil was met exacte wetenschappers (Dogan, 2000, p. 3). Ook al zegt hij dit niet zo expliciet, toch kan verondersteld worden dat Kuhn aan de sociale wetenschappen een voorbeeld wou
geven om tot ’vooruitgang van de wetenschappelijke kennis’ te komen.58
57 Hiermee gaat Kuhn in tegen ‘naïef’ falsificationisme dat stelt dat een theorie niet kan geverifieerd
worden, maar wel moet verworpen worden wanneer de feiten haar tegenspreken. Volgens Kuhn kan
een theorie ook aangepast (aangevuld) worden. Zie Kuhn (1970), p. 68.
Kuhn springt volgens critici soms nogal onzorgvuldig om met het begrip ‘theorie’. Het is duidelijk dat
er verschillende niveaus bestaan. Sommige theorieën zijn essentiëler dan andere, sommige zijn meer
ad hoc en zouden dus wel kunnen aangepast worden zonder voor een wetenschappelijke revolutie te
zorgen. Een mogelijke oplossing voor deze problematiek is het concept ‘theorie’ afbakenen een
opsplitsing te maken tussen theorieën en modellen. Dit is echter een complexe bezigheid waar we ons
hier niet aan zullen wagen. Voor een verdere uitwerking zie Khan (2003) en Forster (1998).
58 Zijn voorzichtige maar toch duidelijke houding blijkt bijvoorbeeld uit volgend citaat: “If I have a
theory about how and why science works, it must necessarily have implications for the way in which
scientists should behave if their enterprise is to flourish. The structure of my argument is simple and, I
50
Kuhn zag de zwakheden van de positivistische pogingen om wetenschap een stevig
fundament te geven. Door de wetenschappelijke activiteit op een sociologische
manier te benaderen heeft Kuhn getracht de wetenschap een beter fundament te
geven. Hij heeft proberen uitleggen hoe wetenschap maatschappelijk werkt en wat
dus de vereisten zijn voor aan wetenschap te doen. Ironisch genoeg heeft Kuhn door
het bestaan van ‘paradigma’s’ bloot te leggen juist bijgedragen aan een stroming die
de filosofische vooronderstellingen van wetenschappers heel kritisch begon te
benaderen. Kuhn’s stellingen met betrekking tot wetenschappelijke kennis zijn dan
op verschillende plaatsen verregaand relativistisch en hebben sommigen ertoe
aangezet elke vorm van wetenschappelijke methode af te wijzen.59 Kuhn stelt
bijvoorbeeld dat een wetenschapper die een ander paradigma aanneemt eigenlijk
ook in een andere wereld leeft. Feiten zijn niet zomaar wat ze zijn, met een ander
paradigma werken betekent niet zomaar dat men feiten anders interpreteert, maar
ook dat er andere feiten zijn. Data zijn dus niet zomaar ‘objectief’: bekeken vanuit
een ander paradigma kunnen dezelfde feiten een heel andere betekenis krijgen.
“Data zijn niet ondubbelzinnig stabiel”, stellen Kuhn.60
Terwijl het positivisme heel sterk focuste op ‘feiten’ en de vraag hoe wetenschap ons
kennis kan geven over de werkelijkheid, verschuift de vraag meer en meer naar hoe
verschillende visies op de werkelijkheid tot stand komen. In deze verschuiving
komen de mensen en hun opvattingen steeds meer centraal te staan. Een positivistische benadering van sociale wetenschap zal mensen eerder als objecten beschouwen van wie de reactie op een bepaalde stimulus relatief eenvoudig kan
voorspeld worden. Nieuwe benaderingen zoals het sociaalconstructivisme daarentegen beschouwen mensen als betekenisgevende subjecten, subjecten die bepaalde
opvattingen over de werkelijkheid ontwikkelen en op basis daarvan keuzes maken
die soms moeilijk voorspelbaar zijn. Om inzicht te krijgen in het menselijk handelen
is dus inzicht nodig in de opvattingen die mensen hebben over de werkelijkheid en
hoe deze opvattingen zich ontwikkelen. Dit geldt natuurlijk ook voor het onderzoek
naar wonen en het woongedrag van mensen. Zonder inzicht in hun opvattingen
zullen uitspraken over ‘de woonconsument’ altijd oppervlakkig en eerder nattevingerwerk blijven.
4.3. Woononderzoek als discipline?
Volgens Kemeny (1992) zijn de meeste disciplines in de sociale wetenschap
gebaseerd op het opdelen van de sociale wereld in een aantal dimensies. Voor
sociologie zijn dit ‘sociale relaties’ (of sociale structuur), voor economie ‘de markt’,
voor psychologie ‘individuele mentale processen’, voor politieke wetenschap ‘macht’
en ‘politieke instituties’, voor geografie ‘ruimte’, voor geschiedenis ‘tijd’ enz… Om
deze dimensies te onderzoeken ontwikkelt elke discipline eigen conceptuele
instrumenten: manieren om theorieën te expliceren en te testen, specifieke vormen
van discours, eigen debatten en controverses. Disciplines zijn gebaseerd op een
proces van conceptuele abstractie. Deze abstractie vormt de basis om kennis te
verwerven voor de discipline, ze zorgt voor een selectief analysekader.
think, unexceptionable: scientists behave in the following ways; those modes of behaviour have (here
theory enters) the following essential functions; in the absence of an alternate mode that would serve
similar functions, scientists should behave essentially as they do if their concern is to improve scientific
knowledge.” Zie Kuhn, Lakatos & Musgrave (1970, eds), p. 237.
59 Zie bijvoorbeeld P. Feyerabend (1975), Against Method, Humanities Press. Geciteerd in Störig (2000)
60 Kuhn (1970), p. 118 en p. 121-122.
51
De mate waarin er binnen een discipline kan getheoretiseerd worden, hangt af van
het referentiekader van de discipline. Bij sociologie is dit heel algemeen ‘sociale
structuur’, wat veel ruimte laat voor theoretiseren. Bij geografie en geschiedenis is
dit al minder het geval: ‘tijd’ en ‘plaats’ zijn al meer bepaald.
Volgens Kemeny zijn de meeste disciplines gebaseerd op een specifiek referentiekader of dimensie, maar er zijn zeker ook disciplines die geworteld zijn in een
specifiek onderwerp of thema, bijvoorbeeld sociaal werk en sociale administratie.
Disciplines zijn in belangrijke mate het product van machtsstrijd zowel binnen de
universiteiten, als tussen de onderzoekswereld en de financiers (bovenal de staat).
Disciplines zijn dan ook niet altijd logische en rationele opgebouwde structuren,
dikwijls ontstaan ze op een eerder organische manier.
Het domein van de huisvestingsstudies is geen discipline in de zin dat het focust op
een specifieke dimensie van de samenleving, noch is het een gevestigde ‘onderwerpgebaseerde’ discipline in de universitaire machtsstructuren. Huisvestingsstudies gaan vanzelfsprekend over huisvesting. Maar wat betekent dat, ‘huisvesting’? In zijn meest simpele vorm gaat het over ‘stenen en constructies’ waar
mensen in leven. Het gaat echter ook over de sociale, economische, politieke en
andere relaties die huisvesting omgeven.
Huisvestingsonderzoek kan volgens Kemeny niet beperkt worden tot de studie van
de relaties en instituties die de zorgen voor de voorziening en het gebruik van
woningen. Met andere woorden de dimensie van de samenleving die te maken heeft
met ‘onderdak’. Dit is volgens hem een typische focus die de wortels van huisvestingstudies in planning en sociale administratie weerspiegelt. Het gaat nog te
veel over de ‘stenen’. Kemeny kan zich echter ook niet vinden in een benadering die
louter focust op ‘het huis’ en ‘het huishouden’ en de sociale processen die daaraan
gekoppeld zijn. Ook deze benadering limiteert het bereik van huisvestingsonderzoek, het focust te veel op het microniveau, de aandacht voor bredere
maatschappelijke processen op macroniveau gaat dikwijls verloren in dit soort
onderzoek. Deze benadering - zoals die van Saunders & Williams (1988) - omzeilt
ook een conceptuele ambiguïteit met betrekking tot de relatie tussen woning en
huishouden – een woning is de entiteit waar een huishouden in woont en een
huishouden is de entiteit die in een woning woont - eerder dan ze op te lossen.
Kemeny wil een benadering die focust op ‘plaats’ en die huisvestingsonderzoek
verbindt met de macroaspecten van de sociale structuur. Hij verwijst naar het grote
sociale belang van huisvesting, bijvoorbeeld wat betreft de ruimtelijke verdeling
ervan en hoe ervoor betaald wordt (de economische verdeling). Volgens Kemeny
biedt een focus op ‘wonen’ (‘residence’) oplossing. Wonen gaat over meer dan enkel
‘de stenen’, het gaat ook over de sociale organisatie van huisvesting, de relatie
tussen huisvesting en welvaart(staat): het omvat ook het hele register aan institutionele en organisationele arrangementen die betrekking hebben om wonen. Wonen
kan volgens Kemeny gezien worden als een centrale dimensie van de sociale
organisatie van de moderne samenleving. Nog volgens Kemeny vormt wonen een
meso-niveau tussen enerzijds grootschalige maatschappelijke processen en
anderzijds micro-interactie op individueel niveau. We kunnen dit verduidelijken met
volgend citaat uit Achterberg & Marcuse (1986): “Wonen is een basisbehoefte en is
daardoor heel wat meer dan het hebben van een dak boven het hoofd. Wonen
voorziet in sociale status, heeft impact op de toegang tot de arbeidsmarkt, het
onderwijs en andere diensten. Wonen is een kader waarbinnen het gezin functioneert
52
en een manier waarop economische, sociale en politieke relaties worden gestructureerd.”
4.4. Conclusie
Verschillende onderzoekers (Kemeny, 1992; Clapham, 2005) hebben kritiek op het
positivisme van het (beleidsgericht) woononderzoek. Om te begrijpen wat hiermee
bedoeld wordt, hebben we in het voorgaande uiteengezet wat precies de kenmerken
zijn van het positivisme en welke kritieken er op geformuleerd worden. Essentieel is
dat het positivisme de werkelijkheid benadert als bestaande uit objectieve feiten die
met een strikt wetenschappelijke methode kunnen achterhaald worden. Kuhn heeft
er echter op gewezen dat de feiten die mensen waarnemen afhankelijk zijn van de
conceptuele ‘bril’ die ze ophebben om de werkelijkheid te aanschouwen.
Een belangrijk aspect van deze bril zijn de categorieën die mensen en in het
bijzonder wetenschappers gebruiken om de realiteit te beschrijven. Dit aspect leidt
tot een eerste heel relevante gevolgtrekking voor de sociale wetenschappen en het
onderzoek naar wonen. We wezen er eerder al op dat veel van de categorieën die
gebruikt worden in het woononderzoek achterhaald zijn – we kunnen met Beck &
Beck-Gernsheim (2002) spreken over ‘zombiecategorieën’ (categorieën die in het
taalgebruik nog bestaan, maar in realiteit niet meer). Nu zien we ook dat er nood is
aan diepgaand kwalitatief onderzoek om tot concepten te komen die aangepast zijn
aan de wijzigende sociale realiteit en dat daarvoor nieuwe methodologieën moeten
ontwikkeld worden.
Een tweede gevolg van de kritiek op de positivistische kennisverwerving binnen de
sociale wetenschappen is de gewijzigde visie op hoe de sociale werkelijkheid vorm
krijgt. Mensen kunnen niet beschouwd worden als ‘objecten’ van wie de reacties op
bepaalde stimuli relatief eenvoudig kunnen voorspeld worden. Ze moeten
beschouwd worden als betekenisgevende wezens, wezens die bepaalde opvattingen
over de werkelijkheid ontwikkelen en op basis daarvan keuzes maken die soms
moeilijk voorspelbaar zijn. Om inzicht te krijgen in het woongedrag is inzicht nodig
in de opvattingen die mensen hebben over het wonen en hoe deze opvattingen zich
ontwikkelen.
We hebben in het voorgaande ook de vraag gesteld naar de precieze kenmerken van
het woononderzoek. Kan het beschouwd worden als een aparte discipline? Slechts
in beperkte mate zo blijkt. Het wonen speelt een belangrijke rol in het maatschappelijke functioneren, het vormt een tussenschakel tussen het individuele en
het maatschappelijke functioneren. Dit geeft ook aan dat beleidsonderzoek naar
wonen geen geïsoleerd onderzoek kan zijn. Wanneer het te veel geïsoleerd wordt
bestaat het risico, zoals we al hebben kunnen waarnemen, dat de categorieën die
gebruikt worden om het wonen te onderzoeken niet meer aangepast zijn aan een
gewijzigde realiteit. Zeker in tijden waarin een aantal traditionele instituties hun
kracht lijken te verliezen en traditionele zekerheden verdwijnen is voor het
beleidsgericht onderzoek een vinger aan de pols van de maatschappelijke dynamiek
een noodzaak.
53
DEEL IV.
EEN NIEUWE BENADERING
54
5. PARADIGMA’S EN CONCEPTUELE KADERS MET BETREKKING
TOT WONEN
Verschillende theoretische en conceptuele kaders kunnen aangewend worden om de
relatie tussen productie, consumptie en distributie van het ‘wonen’ te beschrijven
en te verklaren. Met ‘wonen’ doelen wij hier op de breedst mogelijke omvang van dit
complex begrip, i.e. wat Kemeny (1992) ‘residence’ noemt en Clapham (2005) ‘the
houding field’. Dit reikt dus voorbij het wonen als louter fysieke neerslag en
empirisch vast te leggen menselijke activiteit, maar graaft dieper naar het huis als
‘thuis’, naar de woning als epicentrum van een menselijk bestaan, naar de relatieve
positionering van het ‘gehuisvest zijn’ in een hedendaags krachtenveld. ‘Wonen’ is
meer dan een menselijke activiteit in een bakstenen artefact, het is: “a way of
weaving up a life in particular geographic spaces” (Saegert, 1985, p. 287)61. We
bekijken ‘wonen’ dan ook als een centrale dimensie van de sociale organisatie van
de samenleving, met oog voor de gedifferentieerde betekenis van het wonen en het
daaruit volgend woongedrag van huishoudens.
5.1. Het klassieke woononderzoek
5.1.1.De verschillende benaderingen
Het onderzoek rond wonen lijkt in een stroomversnelling terecht te zijn gekomen. Zij
het met een sterk doorslaande balans naar de empirisch-positivistische zijde
(Kemeny, 1992; Jacobs & Manzi, 2000; De Decker, 2004; Clapham 2005). Het
corpus van het huisvestingsonderzoek is immers grotendeels verricht met het oog
op verbetering van de beleidspraktijk, waarbij de onderzoekspraktijk bestond/
bestaat uit het vaststellen van objectieve feiten en trends via kwantitatieve onderzoeksmethodes. Deze werden/worden afgeleverd in beschrijvende en quasi
onmiddellijk bruikbare beleidsrapporten. Het verwondert dan ook niet dat er binnen
dit empirisch-positivistisch paradigma weinig expliciete theorie omtrent wonen voor
handen is en als dit dan al zo is, is deze logischerwijs ook gebaseerd op een
positivistische epistemologie (Jacobs & Manzi, 2000; Clapham, 2005). Clapham
(2005) ziet deze ‘klassieke’ benaderingen dan ook allen in hetzelfde bedje ziek: ze
hanteren een eenvoudige en vaak eenzijdig veralgemenende visie op de verschillende actoren in ‘the housing field’ en het kader waarbinnen zij handelen. Dit heeft
implicaties voor de visie op woonbehoeften en woonwensen en dus voor de
benadering van de betekenis van ‘wonen’.
Niettemin zijn er duidelijke verschillen te bemerken tussen de klassieke theoretische benaderingen. Met Clapham (2005) delen we ze als volgt in62:
1. De beleidsmatige benadering plaatst de staat in het middelpunt en beklemtoont
het belang van de legislatieve en institutionele structuur van ‘the housing field’.
61 Saeger, S. (1985), The role of housing in the experience of dwelling, in Altman, I., Werner, C. (1985,
Eds.), Home Environments, Plenum, London, p. 287-309, geciteerd door Smith (1994).
62 Deze indeling is vrij ruw van aard en helemaal niet uitputtend. Bedoeling hiervan is een bevattelijk
inzicht te geven in de voor handen zijnde theorie in huisvestingstudies en handvaten aan te reiken
voor het opstellen van expliciete theoretische kaders.
55
Het overheidsbeleid is hier met andere woorden de belangrijkste determinant bij
het kneden van het ‘housing field’;
2. De neoklassieke economische benadering plaatst de markt in het middelpunt en
focust op de structuur en werking van de woonmarkt en de keuzes die huishoudens hierin maken;
3. De geografische benadering plaatst het ruimtelijk voorkomen van ‘the housing
field’ centraal en de betreffende causale factoren. De focus ligt eveneens op de
keuzes die huishoudens maken, zij het vanuit een meer gedragsmatig
perspectief;
4. De sociologische benadering plaatst, voortbouwend op Marxisitische en Weberiaanse tradities, de beperkingen van huishoudens in het keuzeproces centraal.
Macht en structurele ongelijkheden spelen hierbij een belangrijke rol.
De beleidsmatige benadering accentueert dermate het belang van de overheid en het
overheidsbeleid, dat het de rol van de andere actoren in ‘the housing field’
versluiert. Deze laatste zijn echter geen passieve ‘receptoren’ die beleidsbeslissingen van de overheid – lees: de ‘zender’ – ontvangen, maar zijn actief handelende
elementen in die de capaciteit bezitten om het ontvangen signaal te vervormen en
dus het uiteindelijke resultaat van een beleidsbeslissing mee te construeren63. Het
keuzeproces van de huishoudens, de hiermee verbonden woonbehoeften en
woonwensen en dus de betekenis van ‘wonen’ komt in deze benadering niet aan
bod.
De neoklassieke economische benadering accentueert dan weer dermate het belang
van de markt, dat de rol van de overheid wordt versluierd, i.e. gereduceerd wordt tot
‘interventie’ wanneer de markt ter zake faalt (zoals bij het voorzien van publieke
goederen). Hoewel de huishoudens hier niet als passieve receptoren worden aanzien, wordt hen impliciet de notie van ‘homo economicus’ of van universeel geachte
nutmaximalisering opgelegd bij hun keuzeproces. De woonbehoeften en woonwensen worden zuiver rationeel benaderd, de betekenis van wonen wordt dus
gekoppeld aan het streven naar winst- en nutmaximalisering.
De geografische benadering heeft raakvlakken met de neoklassieke economische
benadering, zij het dat menselijk gedrag complexer wordt verondersteld – lees: de
diversiteit van het keuzeproces wordt belicht. Zo worden keuzemomenten in relatie
gebracht tot de levenscyclus, tot bijv. demografische en economische variabelen.
Het is in deze traditie dat men oog heeft voor ‘wooncarrières’ of ‘woongeschiedenissen’64 en ze wordt daarom - hoewel nog te veel a priori generaliserend door Clapham (2005) als waardevol voor een nieuwe benadering beschouwd.
Woonbehoeften en woonwensen worden in deze analyse vooral gekoppeld aan prijs,
fysisch voorkomen en kwaliteit van de woning, die dan ook de betekenis van het
‘wonen’ op een rationele en instrumentele wijze determineren.
De sociologische benadering focust dan weer dermate op de keuzebeperkingen en de
structurele ongelijkheden, dat het keuzeproces zélf onderbelicht wordt. Niettemin
verschaft dit een duidelijk inzicht in de relatie tussen ‘wonen’ en de ruimere
samenleving, tussen wonen en de omkaderende maatschappelijke structuur. Zo
kunnen we woonbehoeften en woonwensen bepaald zien door het accumulatieregime van het kapitalistisch systeem (zie bijv. Kesteloot, 1988, 2003; De Decker,
63 Zie bijv. met betrekking tot ‘welfare policy’ en de ontwikkeling van welvaartsstrategieën: Williams, F.,
Popay, J., Oakley, A. (1999, eds.), Welfare research: A critical review, UCL Press, London. geciteerd
door Clapham (2005).
64 ‘Housing careers’, dit wordt verder in de tekst besproken.
56
2004), waardoor ook de betekenis van ‘wonen’ hieraan eenduidig gekoppeld wordt
geacht. Een accumulatieregime wordt niet alleen gekenmerkt door de manier
waarop kapitaal wordt opgebouwd (type en sectorale samenstelling van de economische groei, productiewijze, consumptiepatronen e.d.), maar ook door de hiermee
verbonden sociaalinstitutionele structuur van het accumulatieregime (instituties,
marktmechanismen, sociale relaties e.d.). Deze logica heeft zijn neerslag in de
ruimte en de verschillende maatschappelijke domeinen, niet in het minst manifesteert zich dit op vlak van ‘wonen’. Er worden, gekoppeld aan de Kondratieffcyclus, vier accumulatieregimes onderscheiden sinds 1850 die telkens met een
welbepaalde functie of betekenis van het ‘wonen’ gepaard gaan. Achtereenvolgens is
dit ‘wonen’ als ‘beschutting’ in de eerste fase van het kapitalisme, i.e. het
‘concurrentieel kapitalisme’ (1850-1896); ‘wonen’ als ‘reproductie’ in de fase van
‘extensieve accumulatie’ (1896-1945); ‘wonen’ als ‘consumptie’ in de fase van
‘intensieve accumulatie’ (1945-1985); ‘wonen’ als ‘middel’ - en niet meer als doel - in
de fase van een globale economie, informatietechnologische ontwikkelingen en de
opkomst van een ‘risicomaatschappij’65. Deze regulatiebenadering maakt de link
tussen economische ontwikkeling en woonmilieudifferentiatie overduidelijk, echter
niet voldoende om een dieper inzicht te krijgen in de hedendaagse complexe ontwikkelingen.
5.1.2.Conclusie
Ondanks het grote nut en de belangrijke inzichten die deze klassieke benaderingen
verschaffen, ontbreekt de focus op het effectieve woongedrag van de huishoudens,
i.e. hoe zij hun leefomgeving percipiëren en hier al dan niet bewust gevolg aan geven
in hun woonbeslissingen. De relatie tussen het aantal vrijheidsgraden en de
structurele beperkingen bij het nemen van (woon)beslissingen is met andere
woorden onderbelicht en daarom ontoereikend bij het zoeken naar verklaringen in
het licht van de huidige samenleving (De Decker, 2004).
Binnen het vigerend empirisch-positivistisch paradigma worden de oorzaken van
bepaalde trends (zoals bijv. ‘stadsvlucht’) niet blootgelegd, waardoor het niet
duidelijk wordt hoe bepaalde trends kunnen gekeerd worden. Niet onlogisch dat
‘wonen’ meestal een éénduidige betekenis toegekend wordt in de klassieke
benaderingen. Anders nog: de betekenis van wonen wordt niet expliciet behandeld,
ze wordt als randfenomeen beschouwd, als logisch gevolg van de woonbehoeften en
woonwensen die universeel verondersteld worden. Dit is gekoppeld aan het geloof
dat wonen in kwantitatieve ‘objectieve’ karakteristieken kan gevat worden,
bijvoorbeeld op het vlak van woonkwaliteit. Dit kan leiden tot beleidsmaatregelen
die blind zijn voor reële woonsituaties en –wensen en residentiële satisfactie, zoals
de massale afbraak van wat men beschouwde als kwalitatief laagwaardige woningen in de jaren 1960 en 1970. De Amerikaanse sociale wijk Pruitt-Igoe die in 1972
werd afgebroken, is hier inmiddels tot een symbool voor geworden. Maar ook in
Groot-Brittannië (zie bijv. Clapham, 2005), in Nederland (zie bijv. Reijndorp, 2004)
en in België (zie bijv. De Decker, 2005a) zijn hier legio voorbeelden van. De afbraak
van deze als ‘slecht’ of ‘problematisch’ bestempelde woningen, meestal ten voordele
van grote stadsvernieuwingsprojecten (i.e. nieuwe woonwijken of infrastructuurprojecten), ging niet zelden gepaard met hevig protest van de oorspronkelijke
bewoners, met onbegrip van het toenmalig stedenbouwkundig of volkshuisvestingsestablishment. Hun professionele kijk op de zaak kon geen plaats geven aan
65
‘Risk society’, zie Beck (1992).
57
het waarom van dit protest tegen de afbraak van wat zij zelf als (niet zelden 19eeeuwse) achterbuurten zagen en dus als afwijkend van de maatschappelijke norm.
Nochtans was dit niet zelden in functie van het ‘algemeen belang’ en kwam dit
‘iedereen’ ten goede volgens bestuurders. Zo ook kaderden deze afbraakprogramma’s van oudere stadswijken in een ‘emancipatorische’ en ‘sociaal-pedagogische’
doelstelling. Ze was in se antistedelijk (Reijndorp, 2004)66.
‘The housing field’, ‘residence’ of ‘wonen’ sensu lato, is met andere woorden tot nog
toe als een objectieve en eenduidige realiteit omschreven die op quasi uniforme
wijze wordt ervaren door de participerende huishoudens. Een subjectivistische
benadering die deze misleidende uniforme verpakking verwijdert en de complexe
diversiteit van de inhoud erkent, zal vanuit dit microniveau tot een betekenisvolle
contextualisering van het wonen kunnen komen. We volgen hiermee de recente
‘qualitative turn’ en theoretische opwelling in het woononderzoek en zijn
onderzoekers. Dit interpretatieve paradigma is gebaseerd op een ‘sociaal
constructivistische’ epistemologie die een basis verschaft om de subjectieve beleving
van de verschillende actoren in ‘the housing field’ te interpreteren en te
contextualiseren. Belangrijke inzichten kunnen hiervoor gehaald worden uit de
etnografie, sociale en culturele antropologie en het symbolisch interactionisme
(Jacobs & Manzi, 2002; Haworth et al., 2004; Clapham, 2005; Franklin, 2006).
Deze nieuwe benadering in het woononderzoek moet gezien worden als een
noodzakelijke aanvulling op het klassieke onderzoek eerder dan als een vervanging,
daar het de tekortkomingen van de klassieke benadering verhelpt en zo de hiaten in
onze traditionele kennis opvult. Onderliggende ratio is dus het uitzetten van nieuwe
richtingen en het uitbreiden van de parameters van het wetenschappelijk onderzoek
ter zake, in plaats van dezelfde paden plat te rijden en de gangbare trends te
bevestigen om courante beleidsaanbevelingen te versterken (Jacobs & Manzi, 2000;
Clapham, 2005).
5.2. Onderzoek rond de betekenis van ‘wonen’
In de ‘klassieke’ literatuur rond de betekenis van ‘wonen’ wordt doorgaans gefocust
op het concept ‘home’, wat betekent dat het hierna volgende overzicht van de
klassieke literatuur rond de betekenis van ‘wonen’, eigenlijk een review is van ‘the
meaning of home’ literatuur67. Onderliggende toon is dat het concept ‘home’ veel
breder geïnterpreteerd moet worden dan ‘house’ (‘woning’). We kunnen in deze
stroming in het woononderzoek grofweg twee types benaderingen onderscheiden: de
psychologische en fenomenologische enerzijds en de sociologische anderzijds68
(Somerville, 1997).
66 Voor inzicht in het verhaal van de bewoners zelf die hun huis verloren, zie bijv De Decker (2005a) of
voor een uitgebreide studie hiervan: Porteous & Smith (2001). Of eerder al Fried (1963), die de ervaringen beschrijft van low-income bewoners die verplicht ‘geherlokaliseerd’ worden. Fried, M (1963),
Grieving for a lost home, in: Duhl, L., (1963, Ed.), The Urban Condition, Simon and Schuster, New
Yorkp. 151-71, geciteerd door Smith (1994).
67 Terugverwijzend naar de inleidende paragraaf van 3.2.2 is de betekenis van ‘wonen’ in de zin van
‘home’ dus verengend.
68 Maar ook in ‘environment-behaviour’ studies, architectuurtheorie, antropologie, filosofie, (sociale)
geografie en ook in geschiedenis en archeologie is de betekenis van ‘home’ bestudeerd.
58
5.2.1.Psychologie en fenomenologie
De psychologie en fenomenologie hebben reeds een lange traditie in het onderzoek
naar de betekenis van het concept ‘home’. Als pionier geldt hier ongetwijfeld de
Duitse filosoof Martin Heidegger wiens initiële interesse in ‘place’ en ‘dwelling’ hem
bracht tot de overtuiging dat ‘wonen’ de uitdrukking is van de ‘existentiële bewustwording’ van de mens69. Baanbrekend in deze traditie is een eerste comprehensieve
oplijsting van betekenissen door Hayward (1975). Deze waren: ‘home’ als fysieke
structuur; ‘home’ als territorium; ‘home’ als plaats in de ruimte; ‘home’ als het ik en
als identiteit; ‘home’ als een sociale en culturele eenheid. Tognoli (1987)70 vestigde
dan weer de aandacht op een aantal ‘general attributes’ die ‘house’ van ‘home’
onderscheiden. Door middel van een review van de voorhanden zijnde literatuur
kwam hij tot: ‘centraliteit’; ‘continuïteit’; ‘privacy’; ‘zelfexpressie’ en ‘identiteit’; en
‘sociale relaties’. Cooper Marcus (1995) focust van haar kant op de symbolische en
representatieve aard van ‘home’ en de betekenis hiervan in het dagelijks leven.
‘Home’ is volgens haar de spiegel van het zelfbeeld.
Op deze onderzoeken is kritiek gekomen. Het betreft het ontbreken van een context
waarin de betekenissen moeten geplaatst worden, de daaruit voortvloeiende aanname van universeel geachte betekenissen71 en het vaak nauwe perspectief op
individuele aspecten van wat dan verstaan wordt als een multidimensioneel concept
‘home’ (zie bijv. Cahill, 1996; Somerville, 1997; Moore, 2000). Belangrijk voor ons is
het werk van enkele auteurs die een holistische kijk op de betekenis van dit
multidimensioneel concept hebben (Sixsmith, 1986; Després, 1991; Smith, 1994).
Sixsmith (1986) concludeert uit haar kwalitatieve empirische studie dat er een
enorm verschil is in het gebruik van de term ‘home’, dat er m.a.w. een duidelijk
verschil is tussen individuen en wat zij als ‘home’ ervaren (i.e. wat voor de ene een
‘home’ is, is daarom nog niet zo voor de andere) en dat ‘home’ zowel vergankelijk als
voortdurend of blijvend kan zijn. Ze onderscheidt ook drie existentiële niveaus van
‘home’:
1. een concreet niveau: duidelijk aan te duiden en materieel te omschrijven (bijv.
een huis, een kamer);
2. een minder concreet niveau: minder precies aan te duiden of materieel te
omschrijven (bijv. een plaats, een omgeving);
3. een abstract niveau: ongrijpbaar en slechts heel vaag te duiden (bijv. een
ideologische of spirituele ‘home’)
Verder onderscheidt ze hierbij nog drie belevingsvormen van ‘home’:
1. ‘personal home’: wijst op een emotioneel en fysiek epicentrum in een menselijk
leven;
2. ‘social home’: wijst op een ‘gedeelde’ plaats, een plaats van relaties en de aanwezigheid van (gewenste) anderen, een plaats van sociale aanvaarding;
Zie bijv. De Visscher & De Saeger (1991, eds.).
Tognoli, J. (1987), Residential environmentals, In: Stokols, D., Altman, I. (1987, Eds.), Handbook of
Environmental Psychology, Wiley, New York, p. 655-690, geciteerd door Smith (1994).
71 Bij Hayward (1975) was bijv. de onderzochte populatie relatief klein en uitsluitend middenklasse (zie
Moore, 2000) en bij Cooper Marcus (1995) was deze hoofdzakelijk samengesteld uit bewoners van met
de hand gebouwde woningen ontworpen door architecten (zie Cahill, 1996).
69
70
59
3. ‘physical home’: wijst op het fysiek aspect van ‘home’, i.e. de architecturale
vormgeving, morfologie, comfort en voorzieningen die hiermee verband houden
In tabel 3 worden de 20 verschillende betekenissen van het concept ‘home’ volgend
uit de studie van Sixsmith (1986) opgelijst (tabel 3).
Després (1991) produceerde de meest exhaustieve lijst van betekenissen. In haar
onderzoek ondernam ze een kritische herlezing van de literatuur van 1974 tot 1989.
Ze onderzocht zes empirische studies die d.m.v. interviews gezocht hadden naar een
aantal attributen van het concept ‘home’. Després (1991) onderscheidde hieruit tien
betekeniscategorieën (tabel 4).
Smith (1994) voerde een kwalitatief empirisch onderzoek naar de essentiële
kwaliteiten van ‘home environments’ en ‘non-home environments’, waarbij ze de
attributen van Tognoli (1987)72 herneemt en toetst. Ze vond empirische bewijskracht voor ‘continuïteit’, ‘privacy’, ‘zelfexpressie’ en ‘identiteit’ en ‘sociale relaties’.
Voor ‘centraliteit’ echter vond zij weinig empirische onderbouwing73, hoewel tal van
voorgaande onderzoeken dit wel deden. Sixsmith (1986) stelde bijv. bij haar
respondenten een ‘preference to return’ vast, een voorkeur om steeds terug te keren
naar hun huis als een plaats in de ruimte waar zij thuishoorden (cf. punt 11 in
tabel 1). Dovey (1978)74 stelt m.b.t. ‘home’ een betekenis als ‘rootedness’ of ‘verankerd zijn’ vast die sindsdien veel weerklank vond. Hier bovenop vond Smith nog een
aantal andere essentiële kwaliteiten, die ook reeds voorheen door andere onderzoekers (waaronder Sixsmith, 1986) vastgesteld werden. We bespreken ze hieronder
kort en vatten ze samen in tabel 5.
Continuïteit. Gevoelens van ‘stabiliteit’, ‘permanentie’ en ‘continuïteit’
onderscheiden ‘home’ duidelijk van ‘non-home environments’. Dit hangt in
grote mate samen met gevoelens van ‘ergens geaffilieerd zijn’, ‘ a sense of
belonging’ en dus een plaats te hebben naar waar men steeds kan
terugkeren (cf. de ‘centrality’ van Tognoli). Dit gaat niet zelden gepaard met
gevoelens van ‘veiligheid’. Terugverwijzend naar wat hierboven aangehaald
is (in 6.1), stelt Fried (1963)75 dat bij gedwongen ‘personalisatie’ naar een
andere woning dit belangrijke aspect van ‘continuïteit’ teniet gedaan wordt.
Privacy. Gevoelens van ‘privacy’ en ‘toevlucht’ zijn essentiële kwaliteiten
van ‘home environments’. ‘Home’ is een plaats waar ‘exclusieve controle’
kan uitgeoefend worden – en dit is niet zelden ondersteund door de wet.
Wanneer men het gevoel heeft deze controle te kunnen uitoefenen en
daardoor in zijn noodzakelijke privacy kan voorzien, dan is er sprake van
‘comfort’ en ‘vrijheid’.
Tognoli, J. (1987), Residential environmentals, in Stokols, D., Altman, I. (1987, Eds.), Handbook of
Environmental Psychology, Wiley, New York, p. 655-690, geciteerd door Smith (1994).
73 Dit wijt ze evenwel zelf aan haar eigen vraagstelling.
74 Dovey, K. (1978), Home: an ordering principle in space, in Landscape, 22(2), p 27-30, geciteerd door
Smith (1994).
75 Fried, M (1963), Grieving for a lost home, in: Duhl, L., (1963, Ed.), The Urban Condition, Simon and
Schuster, New York, p. 151-71: geciteerd door Smith (1994).
72
60
Tabel 3. Verschillende betekenissen van het multidimensioneel concept ‘home’
P
E
R
S
O
N
A
L
H
O
M
E
S
O
C
I
A
L
P
H
Y
S
I
C
A
L
1. Happiness - the experience of happy events and general feelings of happiness are
an integral part of home.
2. Belonging - comfort, relaxation, familiarity contribute to a sense of belonging to
home
3. Responsibility - stability arising from ownership and responsibility for the home
4. Self-expression - behaviour in and manipulation of the place are closely tied to
ideas of home.
5. Critical experiences - learning to be independent, formative experiences, lived
through stressful periods generate deep associations with home.
6. Permanence - the continuity of home.
7. Privacy - being able to control your interpersonal world by having the level of
privacy desired.
8. Time perspective - places exist as home whether in the past, present or future.
9. Meaningful places - because of specific but not necessarily critical events taking
place there.
10. Knowledge - tied to familiarity, this aspect of home emphasises physical and
social knowledge.
11. Preference to return - i.e. in terms of a locus in space.
12. Type of relationships - type of relationships and personal choice over being with
particular people is the essential focus of this category.
13. Quality of relationships - the quality of relationships.
14. Friends and entertainment - people visiting the home who form the core of
social entertainment in the home.
15. Emotional environment - a place where there is love often signifies a home.
16. Physical structures - enduring physical characteristics.
17. Extent of services - lighting, heating, household equipment, garden,
telecommunications, etc., are sometimes seen as a necessary part of home.
18. Architectural style - some homes were meaningful because of their architectural
style.
19. Work environment - working at home is sometimes a defining aspect of home.
20. Spatiality - spatial properties, the activities that those spaces allow, and their
location, are an important aspect of home for some people.
Bron: naar Sixsmith, 1984
Zelfexpressie en identiteit. Eén van de belangrijkste eigenschappen van
‘home’ is de mogelijkheid tot het uitdrukken van de eigen identiteit via de
woning. Hoe meer betekenisvolle plaatsen/ruimtes in een woning, hoe
belangrijker de woning is in de zelfexpressie voor individuen. De gevoelens
van ‘vrijheid’ bevorderen deze mogelijkheid tot zelfexpressie. Er is een
dialectisch verband te merken tussen de identiteit van een individu en de
woning, i.e. de woning beïnvloedt enerzijds de identiteit van de bewoner,
maar geeft er anderzijds ook uitdrukking aan. Fried (1963)76 beschrijft het
verlies van de woning (i.e. ‘home’) als gepaard gaande met o.a. gevoelens
van depressie, woede en diepgaand verlies. Dit kan opgevat worden als een
verlies van een deel van het ‘zelf’.
76
Fried, M (1963, o.c.).
61
Tabel 4. 10 betekeniscategorieën van het multi-dimensioneel concept ‘home’
1. Security and control: in the sense of the individual’s feeling in control of the
area and physically secure.
2. A reflection of one’s ideas and values: How people see themselves and want to
be seen by others.
3. Acting upon and modifying one’s dwelling: The extent to which the home
provides a sense of achievement, a place for self-expression and/or freedom of
action.
4. Permanence and continuity: This meaning marries the concept of home with
the time dimension whereby home may be a place of memories or an
environment which has become intimately familiar over a period.
5. Relationships with family and friends: a place to strengthen and secure the
relationship with the people one cares for. Home is perceived and experienced as
the locus of intense emotional experience, and as providing an atmosphere of
social understanding where one’s actions, opinions, and moods are accepted.
Ideas such as a place to share with others, to entertain with relatives and friends,
and to raise children, are related to this dimension.
6. Centre of activities: These activities may be related to simple physiological
needs such as eating or they may include pastimes or the support of other
activities conducted away from the home such as work or sport.
7. A refuge from the outside world: This relates to the need for privacy and
independence; the need to “get away” from external pressures and seek solace or
at least be able to control the level and nature of demands upon one.
8. An indicator of personal status: “Although ranked among the least important
categories of meaning for the home, it is relatively important for people that their
home show their economic status, status being mostly understood by individuals’
socio-economic position” (p. 99).
9. Material structure: including not only consideration of the physical attributes of
the actual dwelling and its aesthetic features, but also the physical characteristics
of its surrounds and the neighbourhood.
10. A place to own: Ownership is imbued with connotations of freedom,
permanency, pride and significant economic investment.
Bron: naar Després, 1991
Sociale relaties. Het sociale of interpersoonlijke aspect van ‘home’ is zeer
belangrijk, meer bepaald het type en de kwaliteit van de relaties en de
resulterende emotionele omgeving. Het gaat hierbij hoofdzakelijk over
familie en geliefden. Doch, net zoals de woning het centrum is van een
ruimtelijk netwerk - waarin de werkplaats, school, winkels e.d. zijn
opgenomen - zo ook is dit het centrum van een sociaal netwerk, dat ook de
relaties buiten de woning omvat – vrienden, buren, lokale winkeliers e.d.
Warmte. Zowel in sociale als psychologische zin is warmte, te verstaan als
‘vriendelijkheid’ en als ondersteuning voor het ‘zelf’, een belangrijk
onderscheid tussen ‘home’ en ‘non-home environments’. ‘Gezelligheid’ en
‘zorg’ zijn eveneens twee hieraan gelinkte betekenissen. Met ‘warmte’ wordt
eigenlijk direct verwezen naar de huiselijke ‘atmosfeer’.
62
Fysieke structuur. Het fysieke aspect van een woning is een belangrijk
onderdeel van de betekenis die aan ‘home environments’ toegekend wordt.
‘Home’ als ‘schuilplaats’ en ‘bescherming’ hangt samen met deze fysieke
kwaliteit. Zowel architectuur, als verlichting en verwarming, telefoon/
internet en een tuin, kunnen belangrijke onderdelen zijn van de fysieke
dimensie van de betekenis van ‘home’. Algemeen wordt soms gesteld dat
wanneer basiscomfort en gerelateerde fysieke veiligheid van tel zijn, elk
type huis een ‘home’ kan worden. De fysieke dimensie wordt in deze zin
dus niet zelden als ‘basisingrediënt’ van ‘home environments’ gezien.
Verder is een ‘gebrek aan eigendom’ of ‘gebrek aan eigenaarschap’ en de hiermee
samenhangende ‘verantwoordelijkheid’, een zeer belangrijk aspect van ‘non-home
environments’, zo bleek uit Smith’s studie. ‘Eigenaarschap’ moet zowel in fysieke als
psychologische termen begrepen worden, i.e. in reële en in ingebeelde of sociaal
geconstrueerde zin. Deze bevinding ondersteunt de algemene opvatting dat ‘fysiek
eigenaarschap’ noodzakelijk is voor het bereiken van een ‘ontological security’ (zie
verder), hoewel zij tegelijkertijd ook aantoont dat ‘psychologisch eigenaarschap’ –
zonder effectieve eigendomsverwerving – ook de mogelijkheid tot het bereiken van
een ‘ontological security’ inhoudt. Doch, in de overgrote meerderheid van de
gevallen wordt hier wel degelijk met ‘lack of ownership’ het gebrek aan ‘fysiek
eigenaarschap’ bedoeld.
Tabel 5. Essentiële kwaliteiten van ‘home’ en ‘non-home’ environments
‘home environments’
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Positive social relationships;
Positive atmosphere engendering feelings of warmth, care and
cosiness;
suitable physical environment;
Personal privacy and freedom;
Opportunities for self-expression and development;
Sense of security; and,
Sense of continuity.
‘non-home environments’
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
Lack of personal freedom and privacy,
Dissatisfaction with the internal social relationships,
Poor physical environment,
Negative atmosphere within the home,
Lack of personalisation,
Lack of permanence,
Lack of security, and,
Lack of ownership.
Bron: naar Smith, 1994
Smith (1994, p.33) concludeert: “in the minds of its users, a home is a complex multidimensional concept, which is experienced simultaneously as a physical environment,
a social environment, and a place for the satisfaction of personal needs.”
Algemeen kan gesteld worden dat de studies uit deze onderzoekstraditie focussen
op de persoonlijke beleving van ‘home’ en de diepere menselijke ervaring van dit
63
multi-dimensioneel concept. Hierdoor wordt evenwel de bredere socio-culturele
context versluierd die een belangrijke factor is bij de totstandkoming van de
individuele conceptualisering van ‘home’. Dit mondt uit in resultaten in de vorm
van ‘checklists’ van betekenissen van ‘home’ die universeel geldend worden geacht
(cf. supra). Dit impliceert met andere woorden dat al deze betekenissen op eenzelfde wijze en in een gelijke mate ervaren worden door elk individu, ongeacht de
geldende sociale, culturele en politieke context. Differentiatie en verklarende
potentie zijn met andere woorden afwezig, alsook vaak een theoretische basis.
Doorgaans wordt ook een algemeen positief beeld opgehangen van ‘home’ en wordt
een middenklassenpopulatie onderzocht. Ook een temporele referentie en aan
‘home’ gerelateerde causale aspecten (zoals werk en vrije tijd bijv.) ontbreken
nagenoeg. Logischerwijs wordt hierdoor dus een statisch en gedecontextualiseerd
beeld van ‘home’ verkregen.
Niettemin zijn deze studies belangrijk voor ons, daar zij een goede basis verschaffen
voor verder onderzoek. Hun nadruk op zaken als territorialiteit, psychologische
behoeften en fenomenologische verbondenheid (Dovey, 1985)77 geven fundamentele
inzichten prijs. Een vergelijkende analyse van deze literatuur geeft tevens een goed
beeld van de mogelijke betekenissen, de steeds terugkerende categorieën of kernbegrippen, de tekortkomingen (cf. supra) en de problematieke de belangrijke
belevingsaspecten van ‘home’ die in de verschillende studies steeds naar voren
komen. Deze worden aan het eind van dit hoofdstuk besproken, in combinatie met
de bevindingen van de sociologische traditie.
5.2.2.De sociologie
In de ‘meaning of home’ literatuur uit de sociologische traditie zien we in grote mate
dezelfde betekenissen terugkeren, zij het dat hier wel de nadruk gelegd wordt op de
sociale variabiliteit (Somerville, 1997). Deze betekenissen worden met andere
woorden geïnterpreteerd in termen van klasse, geslacht, leeftijd en occupatie
(eigendom/huur). Er is evenwel één nieuwe betekeniscategorie die we in de
sociologische traditie voor het eerst zien opduiken met Saunders (1989), nl.
‘ontological security’. Deze reikt verder dan de gangbare ‘sense for security’ en
‘control’. Het betreft een algemene stabiele mentale staat, een persoonlijk welzijn
verkregen door een zekere regelmatige orde en continuïteit in iemands ervaringen
en zijn sociale en materiële omgeving. Hierdoor ontstaat een solide basis voor
zelfactualisering en de ontwikkeling van identiteit en is dus gerelateerd aan de
mogelijkheid om betekenis te geven aan het eigen leven78. Eenvoudig gesteld betreft
het een duidelijk en positief besef van wie men is en waar zijn plaats is in de
maatschappij. Zo stelt Saunders (1989) - en ook Hiscock et al. (2001) - dat
eigendomsverwerving gepaard gaat met een grotere ‘ontological security’ dan het
huren van een woning.
In deze traditie wordt duidelijk gefocust op de sociale, culturele en politieke context
waarin de verschillende betekenissen tot stand komen, dus op ‘home’ als een
sociale en politieke constructie (zie bijv. Rakoff, 1977; Saunders, 1989; Somerville,
77 Dovey, K. (1985), Home and homeless, in: Altman, I., Werner, C. (1985, eds.), Home environments,
New York: Plenum, geciteerd door Somerville (1997)
78 Zie bijv. Giddens, A. (1991) Modernity and Self Identity: self and society in the late modern age.
Polity Press; Laing, R.D. (1965), The divided self: an existential study in sanity and madness, Pelican
Press. Laatste auteur introduceerde de term ‘ontological security’ om de toestand van personen met
ernstige mentale stoornissen te beschrijven (beiden geciteerd door Padgett (2007).
64
1997; Chapman et al., 2002). Echter, meer recent is ook in deze traditie meer en
meer gefocust op psychologische belevingsaspecten, i.e. de ‘meaning of home’ wordt
ook beschreven als resultante van de wisselwerking tussen het persoonlijke en het
culturele aspect (Gurney, 199079; Somerville, 1992, 1997). Veelal komt het hierdoor
ook tot ‘oplijstingen’ van betekenissen of essentiële dimensies van ‘home’. Zo komt
Somerville (1992) in zijn poging tot het samenbrengen van alle betekenissen van
‘home’ tot volgende zes geabstraheerde categorieën:
1.
2.
3.
4.
‘beschutting’: bescherming, onderdak,
‘haard’: gezelligheid, fysieke warmte, rust, comfort,
‘hart’: emotionele ervaringen, tederheid, familiale relaties, affectie,
‘privacy’: toegeëigende plaats waarvan anderen kunnen uitgesloten worden,
exclusieve controle, los van toezicht,
5. ‘verblijfplaats’: een plaats om naar terug te keren, ergens thuishoren,
6. ‘oorsprong’: waar het allemaal begint/eindigt, individuele bron van identiteit,
plaats van waaruit de wereld begrepen wordt.
Gurney (1996)80 komt tot 12 categorieën in zijn empirische studie waarin hij eigenaarbewoners vroeg naar het verschil tussen ‘house’ en ‘home’. Ook hij kwam tot
een aantal reeds gekende categorieën. Hij noemt deze categorieën ‘discoursen’, die
hij aantrof bij de bewoners (zie tabel 6).
Niettemin kunnen belangrijke nieuwe inzichten verworven worden uit deze
‘oplijstingstudies’. Gurney laat bijv. zien dat ‘home’ niet altijd gepaard gaat met
positieve ervaringen of ophemelende omschrijvingen, cf. het discours ‘negatief/
instrumenteel’ dat enkel ‘home’ omschrijft in materiële of negatieve termen. Kenyon
(1999)81) leidt bijvoorbeeld uit zijn studie de 4 aspecten van ‘home’ af en hier bij het
fysieke, persoonlijke en sociale aspect (cf. Sixsmith, 1984; Smith, 1994) nog het
belangrijke ‘temporele’ aspect toevoegt. Zoals we reeds zagen was dit laatste aspect
(of belevingswaarde) een tekortkoming in de studies uit de psychologische en
fenomenologische traditie.
In de sociologische traditie wordt de ‘meaning of home’ dus geïnterpreteerd in
termen van de klassieke sociologische categorieën. Verdere variabiliteit of verklarende differentiatie wordt gemaakt door de huishoudelijke structuur en de
internhuishoudelijke relaties uit te spitten (zie bijv. Somerville, 1989; Chapman et
al., 2002), of door een toepassing van andere categorieën zoals etniciteit en nationaliteit (Somerville, 1997). Niettemin komt men in deze studies slechts net voorbij
de loutere ‘checklists’ van betekenissen uit de psycho-fenomenologische traditie,
omdat deze studies vaak losstaan van een duidelijke theoretische benadering en
dus niet tot een systematische verklaring komen van de resultaten.
79 Gurney, C. (1990), The meaning of home in the decade of owner occupation: towards an experiential
perspective, Working Paper 88, School for Advanced Urban Studies, Bristol, geciteerd door Moore
(2000)
80 Gurney, C. (1996), Meanings of home and home ownership: myths, histories and experiences,
Unpublished PhD thesis, University of Bristol, geciteerd door Clapham (2005).
81 Kenyon, L. (1999), A home from home: students' transitional experience of home, In: Chapman, T.,
Hockey, J. (1999, Eds), Ideal Homes? Social Change and Domestic Life, Routledge, London, geciteerd
door Moore (2000).
65
Tabel 6. Discoursen rond ‘home’
Discours
Emoties
‘Back-region’82
Negatief/instrumenteel
Relaxatie
Comfort
Veiligheid
Eigenaarschap
Personalisatie
Autonomie
‘Front-region’83
‘Wat je er zelf van maakt’
Andere
Gebruikte woorden door de respondenten
Familie, aanverwanten, huwelijk, relaties, kinderen,
emotionele veiligheid en stabiliteit, ‘waar het hart is’
Terugkeren naar, privaat, privacy, toevluchtsoord,
alleen, vrede, bescherming, eenzaamheid, op zichzelf,
onafhankelijk, jezelf zijn
Dak boven je hoofd, last, schuld, zorg, een plaats om te
eten en te slapen, mijn echte thuis is het huis van mijn
ouders, onmogelijk om tot rust te komen, het maakt
geen verschil om eigenaar te zijn, huiswerk, hard werk
Ontspanning, rustig aan doen, rust
Comfort, gezelligheid, warmte
Zich veilig voelen, veiligheid, beveiliging
Trots, succes, het bereiken/behalen, investeren in de
toekomst van ons en van de kinderen, er hard voor
werken, van mij/van ons persoonlijk, financiële
veiligheid, ander gevoel als het van jezelf is
Plaats om in te richting, eigen smaak, persoonlijke
spullen, meubels
Doen wat je wil, eigen regels, vrijheid, zeggen wat je wil,
je eigen wereld, ‘iemands (t)huis is zijn kasteel’
Mensen inviteren, onthalen, vermaken, buren, buurtof leefgemeenschap
‘home’ is wat je er zelf van maakt
Woorden die niet pasten in de andere discoursen, zoals:
tuin, zeer belangrijk, alles, een basis
Bron: naar Gurney, 199684
5.2.3.Conclusie
Zowel in de psycho-fenomenologische als in de sociologische ‘meaning of home’
literatuur vinden we in grote lijnen dezelfde betekeniscategorieën terug van ‘home’,
i.e. als:
1.
2.
3.
4.
5.
6.
het centrum van familieleven en sociale relaties,
een plaats om zich terug te trekken, van comfort en rust,
vrijheid en onafhankelijkheid,
een plaats van fysieke veiligheid en controle,
zelfexpressie, identiteit en status,
een plaats van totale privacy,
82 Naar analogie met wat Goffman (1971) onderscheidt als ‘front’ en ‘back region’. De ‘front regions’ zijn
plaatsen waar de connectie gemaakt wordt met de buitenwereld, waar de identiteit, persoonlijke
smaak en sociale status getoond wordt, zoals de ontvangkamer of de inkomhal van typisch
Victoriaanse huizen of herenhuizen. De ‘back regions’ zijn plaatsen waar door afsluiting van de
buitenwereld de meer persoonlijke aangelegenheden plaatsvinden, waar privacy van tel was en het ik
kon getoond en ten volle beleefd worden, zoals de eigenlijke familiekamer of de keuken in de
Victoriaanse huizen, maar ook de badkamer of slaapkamer bijv. in huizen vandaag. Goffman, E.
(1971), The presentation of self in everyday life, Pelican, Harmondsworth, geciteerd door Clapham
(2005).
83 Idem Goffman (1971).
84 Gurney, C. (1996), Meanings of home and home ownership: myths, histories and experiences,
Unpublished PhD thesis, University of Bristol: geciteerd door Clapham (2005)
66
7. continuïteit en standvastigheid/duurzaamheid,
8. een financieel-economisch goed, een investering,
9. een drager/ondersteuning van werk en vrije tijd.
Deze categorieën houden betekenissen in die naargelang hun materiële en ruimtelijke ‘lokaliseer- of grijpbaarheid’ op een concreet, abstract of semi-concreet niveau
gesitueerd kunnen worden. Sixsmith (1986) onderscheidde deze drie niveaus uitdrukkelijk, maar ook in de andere studies kunnen we deze drie niveaus (onrechtstreeks) herkennen, zij het m.b.t. types betekenissen. In dit verband is het
verduidelijkend te verwijzen naar Rapoport85 (1988) die drie niveaus onderscheidt in
de betekenis van de gebouwde omgeving:
1. ‘high level meanings’ zoals kosmologische betekenissen, wereldbeschouwingen
en levensopvattingen;
2. ‘middle-level meanings’ zoals identiteit, privacy, status, rijkdom, macht;
3. ‘lower-level meanings’ zoals veiligheid, toegankelijkheid, comfort, maar ook
organisatie van meubels en zitgelegenheid, keuken e.d.
Er zijn tevens duidelijk een aantal verschillende aspecten of belevingswaarden van
‘home’ vast te stellen, die betekenissen helpen vormgeven:
1.
2.
3.
4.
5.
fysiek,
sociaal,
persoonlijk/psychologisch,
temporeel,
cultureel/symbolisch.
Met Rapoport (1981)86 kunnen we ten slotte nog drie verschillende elementen van
een woning (‘dwelling’) onderscheiden waardoor betekenis zichtbaar kan gemaakt of
gecommuniceerd kan worden:
1. ‘fixed features’: zijn elementen die een intrinsieke grote permanentie hebben, die
weinig of traag veranderbaar zijn, zoals architecturale of structurele elementen.
Deze zijn in moderne maatschappijen meestal onderhevig aan regulering en
specifieke bouwcodes. Vermeerderd met de fysieke, economische en politieke
obstakels waarmee een individu geconfronteerd wordt bij het aanbrengen van
verandering of persoonlijke ‘touch’ in deze elementen, wordt hier vaak geargumenteerd dat ‘fixed features’ veeleer sociale, culturele en institutionele betekenissen weergeven dan individuele (Ahrentzen, 200287),
2. ‘semi-fixed features’: zijn elementen die geen intrinsieke permanentie hebben en
die snel en gemakkelijk veranderbaar zijn, zoals elementen om de woning in te
richten. Deze elementen hebben sociale en persoonlijke betekenis omdat zij de
bewoners helpen hun ‘stempel’ of identiteit op een plaats te drukken (Becker &
Coniglio, 197588) en hiermee ook verwijzen naar vrienden, familie en andere
Die uit de antropologische en ‘environment-behaviour’ traditie komt.
Rapoport, A. (1981), Identity and environment: A cross-cultural perspective, in: Duncan, J.S. (1981,
ed.), Housing and Identity: Cross-cultural perspectives, Croom Helm, London, p. 6-35, geciteerd door
Coolen & Ozaki (2004).
87 Ahrentzen, S. (2002), Socio-behavioral qualities of the built environment, In: Dunlap, R., Michelson,
W. (2002), Handbook of Environmental Sociology, Greenwood Press, Westport, geciteerd door Coolen &
Ozaki (2004).
88 Becker, F., Coniglio, C. (1975), Environmental messages: Personalization and territory, Humanitas,
11, p. 55 – 74, geciteerd door Coolen & Ozaki (2004).
85
86
67
sociale engagementen. Deze elementen worden bij uitstek gebruikt om zich
ergens ‘thuis’ te voelen (Després, 1991),
3. ‘non-fixed features’: zijn gedragselementen, zoals activiteiten, kledij en taal die
plaatsvinden in specifieke delen van de woning.
‘Home’ bestaat ten eerste zowel in ‘reële’ als in ‘ideële’ termen (zie bijv. Chapman &
Hockey, 2002) en is in deze zin dus zowel een psychologische, een fysieke als een
sociale constructie (Somerville, 1997). Ten tweede zijn vaak belangrijke spanningen
van kracht tussen de ‘reële’ en ‘ideale’ vormen van ‘home’, maar die worden doorgaans over het hoofd gezien omdat steeds een eenzijdig positief beeld opgehangen
wordt van ‘home’ in de literatuur. ‘Home’ kan namelijk evengoed negatief ervaren
worden, als “a prison or a place of terror” (Moore, 2000). Voor werklozen89,
daklozen90, ouderen91 en jongeren92 houdt bijvoorbeeld een eenzijdig positief beeld
van ‘home’, als een geliefkoosde en veilige plaats om zich terug te trekken, vaak
geen stand. De ‘meaning of home’ literatuur vanuit een sociaal constructivistisch
standpunt kan hierbij evenwel verdere inzichten geven, bijvoorbeeld over
dakloosheid. Zo beargumenteren Jacobs et al. (1999)93 dat ‘dakloosheid’ een sociale
constructie is, onderhevig aan verschillende conflicterende (politieke) interpretaties.
Dakloosheid moet dan niet zozeer begrepen worden in materiële termen van ‘zonder
dak’, maar in bredere subjectieve termen van ‘zonder thuis’ en alles wat hier mee te
maken heeft zoals privacy, (ontologische) veiligheid, warmte e.d. Deze benadering
van dakloosheid vanuit de betekenis van ‘home’ toont met andere woorden vanuit
een andere hoek hoe dakloosheid tot stand komt, wat de oorzaken hiervan zijn en
hoe het gevoerde beleid hier al dan niet mee strookt94. Verder wordt ook gesteld dat
vele vormen van accommodatie en steun voor daklozen gebaseerd zijn op
professionele definities van ‘behoeften’ die voortvloeien uit hun eigen expertise dan
uit de omschrijving van de eigenlijke behoeften van de dakloze (Hutson, 1999)95.
Tot slot is het nog nuttig te wijzen op het gebruik en de interpretatie ‘home’ in de
‘meaning of home’ literatuur. ‘Home’ en ‘house’/‘dwelling’ zijn vergelijkbaar, maar
niet identiek, in die zin dat ‘home’ en ‘house’/’dwelling’ kunnen samenvallen, maar
‘home’ kan ook breder zijn dan ‘house’/’dwelling’ en minder scherpe grenzen
hebben (cf. Sixsmiths drie existentiële niveaus van ‘home’). Vaak worden echter
‘home’ en ‘house’/’dwelling’ door elkaar gebruikt of al dan niet bewust inwisselbaar
89 Sixsmith, J. (1992), Person Place Transactions: A study of Place Meanings and Usage in Unemployment, PhD.Thesis. University of Surrey, geciteerd door Moore (2000).
90 Dovey, K. (1985), Home and homelessness, in: Altman, I., Werner, C.M., (1985, Eds), Home
Environments, Plenum Press, New York, geciteerd door Somerville (1997); Somerville, P. (1992),
Homelessness and the meaning of home: rooflessness or rootlessness?, International Journal of Urban
and Regional Research, 16, p. 529-539, geciteerd door Somerville (1997); Jacobs, K. et al (1999), The
struggle to define homelessness: a social constructionist approach, in: Hutson, S., Clapham, D. (1999,
eds), Homelessness: Public policies and private troubles, Cassel, London, p. 11-28, geciteerd door
Clapham (2005); Fitzpatrick, S., Clapham, D. (1999), Homelessness and young people, in: Hutson, S.,
Clapham, D. (1999, eds), Homelessness: Public policies and private troubles, Cassel, London, p. 173190, geciteerd door Clapham (2005).
91 Deem, R. (1986), All Work and no Play: The Sociology of Work and Leisure, Open University Press,
Milton Keynes, geciteerd door Clapham (2005).
92 Moore, B. (1984), Privacy: Studies in Social and Cultural History, Sharpe, Armonk NY, geciteerd
door Moore (2000).
93 Jacobs, K., Kemeny, J., Manzi, T. (1999), The struggle to define homelessness: a constructivist approach, p. 11–28, in: Hutson, S., Clapham, D. (1999, eds), Homelessness: Public Policies and Private
Troubles, Cassell, London, geciteerd door Clapham (2005).
94 Zo zullen de oorzaken van dakloosheid niet per definitie bij de persoonlijke tekortkomingen en
mislukkingen van de dakloze zelf gelegd worden.
95 Hutson, S. (1999), The experience of ‘homeless’ accommodation and support, in Hutson, S.,
Clapaham, D. (1999, eds), Homelessness: public policies and private troubles, Cassell, London, p.
208-225, geciteerd door Clapham (2005).
68
geacht (cf. het gros van de psycho-fenomenologische studies en ook Rapoport, die
vaak ‘home’ gelijkstellen aan ‘house’). Rapoport maakt bovendien een duidelijk
onderscheid tussen een ‘object’ enerzijds (‘house’/’dwelling’) en de betekenis die het
kan hebben voor iemand anderzijds (‘home’). ‘Home’ is dus volgens Rapoport de
betekenis die een individu aan ‘house’ of ‘dwelling’ geeft. In deze zin is ‘the meaning
of home’ dus onbestaande; ‘home’ is op zich al een verwijzing naar de betekenis van
de woning of ‘dwelling’ (Meesters, 2006) en dus is ‘the meaning of home’ een
tautologie. Hier komt bovendien nog bij dat ‘home’ en ‘dwelling’ synoniem zijn, maar
met ‘dwelling’ dan weer zowel ‘woning’ (substantief) als ‘wonen’ (infinitief) bedoeld
wordt, al naargelang de auteur. Er heerst bovendien een grote conceptuele
onduidelijkheid rond ‘home’ (zie bijv. Mallet, 2004) en niet vaak worden hierdoor
belangrijke dimensies niet meegenomen in het onderzoek of bewust weggelaten (cf.
de kritiek op zowel de psychologische en sociologische traditie in de ‘meaning of
home’ literatuur).
Om onszelf niet in deze Babylonische spraakverwarring te verliezen is ons onderzoeksobject dus de betekenis van ‘wonen’, naar analogie met ‘housing’ (cf. Clapham,
2005) en ‘residence’ (cf. Kemeny, 1992) in het Engels. ‘Wonen’ wordt dan in zijn
meest brede en dynamische zin begrepen waarbij zowel het fysieke, het sociale, het
culturele, het psychologische en het temporele aspect in hun onderling verband
worden betrokken. De betekenis van ‘home’ vormt hier vanzelfsprekend onderdeel
van die, zoals we zagen, ge(re)produceerd wordt door individuen tijdens hun leven,
maar tevens ook door normatieve discoursen en ideologieën. Het is noodzakelijk om
al deze dimensies van ‘home’, dus van de woning en wat het betekent zich ergens
thuis te voelen, te vatten om ons kennisveld verder uit te breiden op zoek naar de
betekenis van ‘wonen’ in de 21e eeuw. Hierbij wordt de diversiteit in de ‘meaning of
home’ gezocht door deze te linken aan andere aspecten van het leven zoals werk, de
middelen van het huishouden (soorten kapitaal), opvattingen over familie en het
gezin, tijdsbestedingen en dus de ‘leefstijl’ van een individu/huishouden96. Dit
evenwel vanuit een longitudinaal perspectief, met aandacht voor de biografie van
individuen en hun afgelegd sociaal traject.
‘Wonen’ is een werkwoord en slaat dus op hoe mensen dit doen, wat de relaties zijn
met andere activiteiten en welke invloeden en krachten hierop inwerken.
5.3. Lessen uit het vergelijkend huisvestingsonderzoek
5.3.1.De verschillende benaderingen
Vergelijkend huisvestingsonderzoek, waarbij nationale huisvestingsystemen onderzocht worden door middel van internationale vergelijking, is ter zake leerrijk.
Kemeny & Lowe (1998) maken een indeling97 van de verschillende benaderingen op
basis van de mate van generalisering die zij onderscheiden.
Ze onderscheiden een continuüm met aan de ene zijde de sterk particularistische
benaderingen die elk huisvestingsysteem als uniek zien en geen poging tot verklaring van de verschillen ondernemen, de mate van generalisering is met andere
woorden nihil, evenals de theoretisering (ofwel is deze impliciet). Aan het andere
Zie de ‘non-fixed’ features van Rapoport (1981).
Ook hier is het niet de bedoeling om een indeling te maken ‘om de indeling’, wel om de fundamentele
standpunten te verhelderen zodat de vaak impliciete theorie duidelijk wordt en om expliciete
theoretisering en conceptualisering aan te moedigen.
96
97
69
uiteinde van het continuüm bevinden zich de universalistische benaderingen die op
de onderliggende gelijkenissen wijzen tussen verschillende landen en dezelfde
drijvende krachten achter de verschillende huisvestingsystemen. Ze nemen aan dat
alle moderne maatschappijen in dezelfde richting evolueren door onderliggende
economische logica’s98. Het globaliseringdiscours waarin uitgegaan wordt van een
zogenaamde ‘sterke globaliseringthesis’ (Doling et al, 2003) zal hier in belangrijke
mate toe bijdragen. De mate van generalisering is dus (quasi) totaal. Hierdoor wordt
de verschillen tussen landen geminimaliseerd tot ‘variaties’, ‘historische
contingenten’ of ‘uitzonderingen’. Dit impliceert een vorm van ‘unilineair’ ontwikkelingsdenken – waarin landen niet enkel convergeren in hun evolutie, maar hierbij
ook geacht worden hetzelfde traject af te leggen. Niet zelden is er ook een vorm van
etnocentrisch denken omdat vaak het eigen land als vertrekpunt genomen wordt of
de eigen situatie als empirisch referentiepunt (waardoor universalistische en
particularistische benaderingen vaak dicht tegen elkaar aanleunen). Er wordt met
andere woorden een gietvorm geconstrueerd die beantwoordt aan het eigen land
waarin alle andere landen en hun huisvestingsystemen gegoten – lees: geforceerd –
worden. Die gietvorm zal bovendien een eigentijds karakter hebben, in die zin dat
hij zal geconstrueerd worden in het licht van de dominante trend, zoals de opkomst
en uitbouw van de welvaartstaat in de jaren 1960 en de afbouw van diezelfde
welvaartsstaat in de jaren 1990. Hierdoor is deze universalistische convergentieanalyse eerder kneedbaar in de gewenste vorm dan geconceptualiseerd uit een
expliciet theoretisch referentiekader. Kemeny en Lowe (1998) stellen dat algemeen
genomen deze beide types benaderingen (i.e. de particularistische en de
universalistische) in hetzelfde bedje ziek zijn, hoofdzakelijk te wijten aan de
gehanteerde methodologie: ze zijn gebaseerd op de empirische traditie, hanteren
kwantitatieve methodes en zijn quasi ongevoelig voor kwalitatieve dataverzameling.
Beide auteurs zien dan ook heil in de benaderingen die zich in het midden van het
continuüm bevinden: de divergentiebenaderingen of de ‘theories of the middle
range’.
Deze ‘theories of the middle range’ hanteren een meer kwalitatieve, cultuurgevoelige
benadering die ondermeer focust op de historische ontwikkeling van het huisvestingssysteem van een land. Er wordt met andere woorden een zekere ‘padafhankelijkheid’ in rekening gebracht die bepalend geacht wordt voor de
toekomstige ontwikkeling en specificiteiten van het nationaal huisvestingssysteem
(in tegenstelling tot het ‘unilineair’ ontwikkelingsdenken), dit vermijdt evenzeer een
impliciet etnocentrisch denken. Hierbij komt niet zelden de maatschappelijke
betekenis van ‘wonen’ naar voren, als ingebed in de culturele en historische context
van een land (zie bijv. Mandric & Clapham, 199699; Doling e.a., 2003).
Deze ‘middle range’ is ook niet a priori gebonden aan een bepaalde methodologie,
i.e. er worden zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethodes gebruikt.
Vermeerderd met de noodzakelijke aandacht voor de historische gegroeide en
culturele context, vereist dit een expliciet referentiekader gebaseerd op de theoretische grondslagen van de ruimere sociale wetenschappen. Het dwingende
keurslijf dat de verplichte link vormt tussen de mate van generalisering en de
methodologische onderzoeksinstrumenten, is echter minder uitgesproken (cf. supra)
en laat dus een conceptueel meer vrijdenkende benadering toe, waarbij zowel
98 Zoals de logica van industrialisering, welvaartsstaatontwikkeling, privatisering, deregulering van de
markt e.d.
99 Mandric, S., Clapham, D. (1996), The meaning of home ownership in the transition from socialism:
the example of Slovenia, Urban Studies, 33, 1, p. 83– 97, geciteerd door Kemeny & Lowe (1998).
70
elementen van ‘boven’ als van ‘beneden’ gehaald kunnen worden100. Er wordt
geargumenteerd dat deze divergentiebenadering en ‘theories of the middle range’,
die de tekortkomingen en moeilijkheden van de andere benaderingen verhelpt, in
belangrijke mate moet putten uit een sociaal constructivistische epistemologie
(Haworth et al, 2004).
De mate van generalisering krijgt in deze divergentiebenadering vorm in het
opstellen van typologieën van huisvestingsystemen, waarbij groeperingen van
landen gemaakt worden die eenzelfde type huisvestingsysteem hebben. Hierbij
wordt de algemenere welvaartsstatentheorie van Esping-Andersen (1990) aangewend101, die bepalend wordt geacht voor toekomstige ontwikkelingen van het
huisvestingsysteem. In navolging van deze types huisvestingsystemen kunnen we
meer specifiek spreken van een ‘woonmodel’ of ‘huisvestingsmodel’ eigen aan een
land of regio, wanneer een verdere analyse gemaakt wordt tegen de specifieke
historische, maatschappelijke en politieke achtergrond (zie bijv. De Decker, 2002,
2004; Hoekstra, 2002). Zo ook zal dit gelden voor de verdere decentralisatie en
ontplooiing van stedelijke governancemodellen (Beaumont, 2005), de genese van
een stedelijk beleid (Uitermark, 2003; De Decker et al, 2005) en de planningscultuur (De Vries, 2002). Dit zijn allen belangrijke vaststellingen die de betekenis
van ‘wonen’ in tijd en ruimte bepalen. Zo zal wonen in een (politiek) antistedelijk
klimaat een duidelijke invloed hebben op de betekenis ervan (dit is bijv. zo in
Vlaanderen en meer uitgesproken in de V.S. waar een nefast stigma kleeft aan
‘inner city’ bewoners, ongeacht blank of zwart); wonen in een sociale huurwoning
waar een geïndividualiseerd en eigendomsgericht woonmodel van kracht is, zal een
navenante betekenis krijgen voor de huurders (vergelijk bijv. het aandeel huur in
Vlaanderen en Nederland – zie o.a. Elsinga e.a., 2007); wonen in een sterk
gedecentraliseerde context waar bewonersverenigingen rechtsreeks inspraak
hebben in het beleid in hun woonbuurt door erkenning als ‘self-governance’lichaam (via zogenaamde ‘home owners associations), zal er een duidelijke relatie op
na houden met hun betekenis die zij aan ‘wonen’ toekennen; wonen in een ‘cohousingverband’ zal eveneens samengaan met andere betekenissen dan wonen
langs een Vlaamse steenweg; wonen in een ‘gated community’ zal dan weer een
andere betekenis hebben dan wonen in ‘co-housingverband’. Dit zijn echter
veronderstellingen die we zuiver logisch redenerend kunnen stellen, onderzoek ter
zake zal dit nog moeten aantonen.
Wat voorgaande drie benaderingen wel gemeenschappelijk hebben is hun macroinsteek, i.e. de natiestaat als eenheid van analyse (cf. types nationale huisvestingsystemen of specifieke nationale woonmodellen). Recent is er de overtuiging dat dit
voor een lacune gezorgd heeft in het vergelijkend onderzoek en wordt meer en meer
het microniveau - met zijn bewust en intentioneel handelende individuen en
organisaties – op de voorgrond gebracht (zie bijv. Matznetter, 2006)102. Ook Oxley
(2001) beschouwt het microniveau en zijn gerelateerde onderzoeksmethodes als een
Of waarbij zowel uit ‘universalistische’ als uit ‘particularistische’ benaderingen en zowel uit ‘macro’
als uit ‘micro’ theorieën kan geput worden.
101 Esping-Andersen onderscheidt drie types welvaartsstaten, naargelang hun welvaartsregime
(waarvan huisvesting onderdeel is) en onderliggende machtsverhoudingen: dit zijn het liberale
verzorgingsstaatregime (zoals Groot-Brittannië en Ierland (ook de V.S. en Australië)), het
corporatistisch verzorgingsstaatregime (zoals België, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Italië) en het
sociaal-democratisch verzorgingsstaatregime (de Scandinavische landen). Kruisbestuivingen zijn
eveneens mogelijk, i.e. waarbij voor verschillende sectoren verschillende kenmerken van welvaartsregimes gelden, zoals voor Nederland bijvoorbeeld.
102 De aandacht voor het microniveau moet dan eveneens in territoriale termen verstaan worden en in
dit verband kunnen we wijzen op het belang van de regionalisering van woonmarkten waarbinnen een
woonmilieudifferentiatie optreedt (Van Nuffel, 2005; Van Nuffel & Saey, 2006).
100
71
potentiële meerwaarde: “More attention to micro-scale comparative studies with
associated primary data collection could also potentially provide break-throughs in
understanding” (Oxley, 2001, p. 104). Een veelheid aan benaderingen en methodologieën, die afgesteld zijn op het vooropgestelde doel van de studie, waardoor
casestudies op een meer verantwoorde met elkaar te vergelijken vallen, zullen een
beter begrip van ‘the housing field’ teweeg brengen. Zo kan bijv. een duidelijker
inzicht verkregen worden in de impact van macro-economische veranderingen op
lokale en regionale woonmarkten. In deze vergelijkende studies op microniveau
wordt doorgaans uitgegaan van een constructivistische epistemologie en wordt een
kwalitatieve methodologie gehanteerd. Lokaal discours en woongedrag van
individuen zijn hier hoekstenen van. Reeds enkele studies die deze microbenadering
hanteerden in vergelijkend onderzoek gaven interessante nieuwe inzichten (zie
Matznetter, 2006).
5.3.2.Conclusie
Voorgaande maakt dus het belang duidelijk van een contextualisering van het
‘wonen’, waarbij we de lijn van de divergentiebenadering kunnen doortrekken naar
het microniveau van de betekenis van ‘wonen’ (al dan niet in vergelijkend onderzoek103). De primaire focus van het woononderzoek wordt hierbij verlegd van
woonbeleid naar ‘wonen’ als een activiteit ondernomen door huishoudens en
individuen. De mate van generalisering zal afhankelijk zijn van de betreffende conceptualisering, zo kunnen we bijv. met betrekking tot de dynamische trajecten van
dakloosheid (cf. inleiding), ‘homeless pathways’ onderscheiden die frequenter
afgelegd worden en andere ‘pathways’ in en uit dakloosheid die veel minder vaak of
zelfs maar door enkelen gevolgd worden104. Expliciete theoretische kaders en
conceptualiseringen met betrekking tot ‘wonen’ zullen dus noodzaak zijn bij een
contextuele (subjectivistische) benadering die de betekenis van ‘wonen’ centraal stelt.
Zoals reeds aangehaald zal het sociaal constructivisme hierbij een belangrijke rol
spelen. De klassieke benaderingen zullen dus verrijkt of in bepaalde mate
gecombineerd worden vanuit dit ‘middle range’ perspectief. Essentieel is dat microen macroniveau op elkaar betrokken worden, wonen constitueert immers een mesoniveau tussen enerzijds grootschalige maatschappelijke processen en anderzijds
micro-interactie op individueel niveau (Kemeny, 1992), als een kanaal om tot de
ontwikkeling van een ‘ontological security’ te komen door mensen te helpen om
antwoorden te vinden op existentiële vragen in hun dagdagelijkse activiteiten
(Saunders, 1989).
5.4. Voorbij het klassieke woononderzoek: een nieuwe benadering
5.4.1.Sociaal constructivisme in woononderzoek
Een sociaal constructivistische epistemologie, waarvan Berger & Luckman (1967)105
de grondleggers zijn, gaat niet uit van eenduidig en objectief vast te leggen sociale
feiten, maar ziet de maatschappij en het beleid als kneedbaar en onderhevig aan
In deze studie zal dit enkel toegepast worden op Vlaanderen.
Clapham (2005) haalt in dit verband de metaforen ‘small tracks’ en ‘motorways’ aan. Hij heeft dit
echter veel algemener uitgewerkt en niet enkel beperkt tot dakloosheid. Zijn onderzoek, dat we
uitermate nuttig achten in het kader van onze studie, komt verder uitgebreid aan bod.
105 Berger, P. & T. Luckmann (1967), The social construction of reality, Penguin Press, Harmondsworth, geciteerd in Jacobs & Manzi (2000) en Clapham (2005)
103
104
72
conflict en machtsstrijd. De beleving van een individu in deze maatschappij is
veeleer een kwestie van actieve interpretatie dan van passief materieel begrip van
een externe fysieke wereld. In het onderzoek zullen de actoren dus niet geacht
worden van objectieve beschrijvingen te geven van bepaalde zaken en gebeurtenissen, maar beschouwd worden als zijnde zelf essentieel (re)producerend element
van bredere discoursen en conflicten. Taal, discours en retoriek zijn belangrijk om
te begrijpen hoe we onze sociale omgeving opvatten en construeren106. Positivisten
en realisten argumenteren dat er een objectieve realiteit bestaat buiten taal en
discours. Het is echter niet noodzakelijk om een materiële wereld enerzijds en
sociale interactie anderzijds als twee aparte zaken te definiëren, sociale relaties
tussen individuen zijn immers onafscheidbaar van relaties tussen individuen en
hun ‘natuurlijke’ omgeving (Gergen, 1999)107. Genoemd dualisme is onhoudbaar,
want vanaf het moment we pogen om te beschrijven wat er rondom ons is – dus wat
‘echt’ of ‘objectief’ in de realiteit waar te nemen valt – komen we in een wereld van
discours terecht, van traditie, van levenswijze en van een set subjectieve waarden
en gerelateerde voorkeuren (Clapham, 2005). Taal is dus geen losstaand medium
om de realiteit te beschrijven. Observatie gebeurt immers steeds binnen dit
taalmedium, waardoor taal dus een essentiële bondgenoot is in de productie en
constructie van de realiteit (Hastings, 2000): “Whatever does exist, we can only
know by way of constituting it through discourse” (Grint, 1995, p. 8)108.
Het sociaal constructivisme gaat met andere woorden uit van verschillende naast
elkaar bestaande ‘realiteiten’ en biedt daarom een goede basis voor alternatief
onderzoek naar de betekenis van wonen, dat focust op de context en de begeleidende processen.
Grote aandacht gaat hierbij uit naar ‘reflexiviteit’, waarbij de subjectiviteit, de al
dan niet bewuste selectie, geïdealiseerde assumpties en vooroordelen in het onderzoek worden erkend. Hierdoor kan dus het etnocentrisch denken in vergelijkend
huisvestingsonderzoek of de zelfperceptie in het algemeen in de onderzoekspraktijk
in belangrijke mate opgeheven worden. Het toenemende belang van ‘reflexiviteit’
heeft veel onderzoekers er reeds toe aangezet expliciet te zijn over de eigen onderzoekspositie en -methodes (zie bijv. Wacquant, 1989; Beck et al., 1994).
Sociaal constructivistisch onderzoek zal niet op zoek gaan naar dé oplossing en
algemeen geldende regels, maar veeleer trachten een zo goed mogelijke verklaring te
vinden. Vanzelfsprekende of ‘common sense’ verklaringen van de realiteit zal het
veelal in vraag stellen. Als problemen gedefinieerde zaken zullen niet zomaar
aangenomen worden als de afspiegeling van een onderliggende sociale realiteit,
maar onderzocht worden waarom ze nu net als probleem gedefinieerd worden en
welke strategieën ontwikkeld zijn om deze ‘problemen’ te verhelpen of te bestrijden.
Problemen op vlak van wonen worden dus in grote mate beschouwd als sociale
constructies, als resultaat van onderlinge belangenconflicten tussen verschillende
partijen om één bepaalde omschrijving aanvaard te krijgen en dus alle andere te
Vooral Michel Foucault’s visie op taal en zijn focus hierbij op sociale relaties, identiteit, het
verwerven van kennis en uitoefenen van macht via discours en retoriek interesseren ons hier.
Foucault, M. (1980), Two lectures, p. 78-108 in Gordon, C. (ed.), Power/knowledge: selected interviews and other writings 1972-1977, Harvester Wheatsheaf, Brighton, geciteerd door Jacobs & Manzi
(2000).
107 Gergen, K. (1999), An invitation to social construction, Sage Publications, London, geciteerd door
Clapham (2005).
108 Grint, K. (1995), Management: a sociological introduction, Polity Press, Cambridge, geciteerd door
Jacobs & Manzi (2000).
106
73
verwerpen109 (Kemeny, 1992; Sahlin, 1996; Jacobs et al, 2003). Bovendien kan dit
leiden tot: “[a]… public definition of housing problems [that] is partly independent of
what residents think” (Sahlin, 1996).
De essentie van een sociaal constructivistische benadering is dus dat de sociale
wereld geconstrueerd is/wordt door individuen door interactie. Het is door deze
interactie, waarin taal een belangrijke rol speelt, dat individuen zichzelf definiëren
én de wereld rondom hen heen.
Er zijn globaal gezien drie kritieken op het sociaal constructivisme vast te stellen.
Met Jacobs & Manzi (2000) bespreken we hierna kort: sociaal constructivisme is
relativistisch en ontkent een objectieve meerwaarde van bepaalde claims; sociaal
constructivisme focust eenzijdig op ‘agency’ en laat de sociale structuren ongemoeid; sociaal constructivisme promoot een gratuite en vage vorm van academisch
schrijven die moeilijk overdraagbaar of te verspreiden is qua inhoudelijke kennis.
1. Relativisme. Sociaal constructivisme wordt bekritiseerd omwille van zijn
ontkenning van enige vorm van objectiviteit, implicerend dat het onmogelijk is
om verschillende claims te ordenen ten opzichte van elkaar of de belangrijkste
van twee rivaliserende claims eruit te halen. Als alles relatief is, wiens versie van
de ‘feiten’ is dan nog het meest accuraat? Er zijn evenwel verschillende vormen
van sociaal constructivisme te onderscheiden. Een ‘gematigd sociaal constructivisme’ (Sayer, 2000)110 zal stellen dat de realiteit een sociale constructie is
terwijl het wél nog een objectieve waarheid erkent. Zo zullen ideeën en concepten
sociaal geconstrueerd zijn, in tegenstelling tot sociale en ruimtelijke processen
die een materieel en dus objectief bestaan hebben (zonder de tussenkomst van
‘menselijke gedachte’ of ‘betekenis’). Op die manier wordt het sociaal constructivisme gered van een bestempeling als extreme idealistische epistemologie die
aanneemt dat de materiële wereld op zich ook een sociale constructie is want
uitsluitend berustend op onze perceptie. Een gematigde vorm van sociaal
constructivisme, die wij in deze studie aannemen, erkent dus een realiteit die
bestaat uit sociale handelingen en gemedieerd wordt door taal, maar die evenwel
niet geheel arbitrair is. In ‘ons’ gematigd sociaal constructivisme berusten
sociale feiten dus niet uitsluitend op individuele perceptie, want ze vinden steeds
plaats binnen een bepaalde context van sociale instituties en overeenkomsten.
“Social facts essentially involve human thought (or ‘meaning’) as a component or
an aspect, which implies that human thought generates social fact by being a part
of it” (Collin, 1997, p. 219)111.
2. Focus op agency. De aandacht voor subjectiviteit en voor de kneedbaarheid van
het beleid overdrijft het belang van de individuele wils- en beslissingskracht bij
het tot stand brengen van politieke verandering. Het verwaarloost de materiële
en praktische beperkingen, de institutionele regels en middelen die de capaciteit
van een individu beïnvloeden om verandering teweeg te brengen. Het belang van
structurele aspecten wordt met andere woorden verwaarloosd. In Berger &
Luckmann’s analyse112 is ‘macht’ bijvoorbeeld geen prominente rol toebedeeld,
waardoor het niet duidelijk is waarom bepaalde sociale constructies het halen
Zoals we reeds zagen werkten Jacobs et al (1999) dit uit voor ‘dakloosheid’, geciteerd door Clapham
(2005).
110 Sayer, A. (2000), Realism and social science, Sage Publications, London, geciteerd door Clapham
(2005) en Somerville & Bengtsson (2002).
111 Collin, F. (1997), Social reality, Routledge, London, geciteerd door Jacobs & Manzi (2000).
112 Geciteerd door Jacobs & Manzi (2000)
109
74
van andere – lees: hun weg naar een hoger algemener (beleids)niveau halen113.
Om deze kritiek te verhelpen, wordt veelal gebruik gemaakt van Giddens’
structuratietheorie, die de ‘sociale praktijk’ – wat, hoe en waarom mensen
dingen doen, i.e. ‘social practices’ – analyseert in zowel agency als structuralistische termen.
“The basic domain of study of the social sciences, according to the theory of
structuration, is neither the experience of an individual actor, nor the existence of
any form of societal totality, but the social practices ordered across timespace”
(Giddens, 1984, p. 2),
De actie van een individu, zo wordt geargumenteerd, wordt ingeperkt door de
bredere sociale structuren en houdt deze tegelijkertijd ook in stand door deze
ergo te reproduceren (en kan deze dus logischerwijs ook beïnvloeden of veranderen).
“Social structure has always to be conceived of as a property of social systems
‘carried’ in reproduced practices embedded in time and space” (Giddens, 1984, p.
170).
Omgekeerd wordt de focus van Giddens op de actie van het individu verlegd
naar de interactie tussen individuen door de toepassing vanuit een sociaal
constructivistisch perspectief, waardoor ook de notie ‘macht’ geïncorporeerd
wordt. Haugaard (1992)114 stelt dat structuren slechts gereproduceerd worden
“wanneer een gedeelde perceptie van een regel door verschillende actoren
bevestigd wordt”. Of met andere woorden: reproductie van structuren gebeurt
door interactie (zie ook Rakoff, 1977). Hierin past eveneens de relationele
benadering van ‘macht’ die een contextualisering van ‘macht’ beoogt, i.e. ‘macht’
bestaat enkel in relatie tussen actoren en in een specifieke context en werkt dus
met andere woorden van onder naar boven. Een individu op zich is noch
machtig, noch machteloos, aangezien gedecontextualiseerde ‘macht’ betekenisloos is (Clegg, 1989)115.
3. Intellectuele gratuïteit. Onderzoek gebaseerd op sociaal constructivisme wordt
vaak beweerd zich bezig te houden met esoterische en abstracte concepten,
waardoor een zekere vaagheid en gratuïteit ontstaat. Door zich bezig te houden
met theoretisering rond wonen, neemt men afstand van de eigenlijke ‘kerntaak’
van woon- of huisvestingsonderzoek wordt soms gesteld. Het is echter belangrijk, vermits alle onderzoek op zijn minst impliciete epistemologische assumpties in zich draagt, deze duidelijk en expliciet te stellen zodat helderheid kan
leiden tot een gepaste evaluatie en adequaat begrip van de resultaten. Verder is
huisvestingstheorie belangrijk om de ideologische assumpties die het woonIn dit verband is het interessant te verwijzen naar het werk van Uitermark (2003), waarin hij de
totstandkoming van een stedelijk beleid onderzoekt in Vlaanderen en Nederland en een vergelijking
maakt met de V.S. Hij maakt hierbij gebruik van twee verschillende benaderingen om de
tekortkomingen van beide - het negeren van ofwel structuren ofwel human agency - te overbruggen,
i.e. de politiek-economische en de neo-Foucauldiaanse benadering. ‘Macht’ conceptualiseert hij in
navolging van Foucault als tot stand komend in lokale contexten en dus van onder naar boven
werkend, discours is hierbij speerpunt. Deze benadering laat het echter niet toe om na te gaan
waarom sommige discours het tot beleidsthema schoppen en andere niet, hiervoor hanteert Uitermark
de politiek-economische benadering die focust op de institutionele structuren en hoe deze de ‘gepaste’
discours eruit filteren.
114 Haugaard, M. (1992), Structures, restructuration and social power, Avebury, Aldershot, geciteerd
door Clapham (2005)
115 Clegg, S. (1989), Frameworks of power, Sage Publications, London, geciteerd door Clapham (2005)
113
75
onderzoek doordringen in een helder daglicht te stellen en de politieke context
waarin het onderzoek gebeurt te bevestigen.
Het laatste decennium is meer en meer woononderzoek gebeurd dat expliciet
binnen een sociaal constructivistisch (of symbolisch interactionistisch) kader kan
gesitueerd worden116. De verdienste ligt in het feit dat zij conflicten tussen de
verschillende actoren op de voorgrond brengen en de rol van macht in bepaalde
situaties duidelijk maken en hoe dit tot bepaalde resultaten leidt in een gegeven
sociale en politieke context.
Zoals reed gesteld willen wij een gematigd sociaal constructivistisch kader hanteren,
waarin vertrokken wordt van empirisch onderzoek op het microniveau, terwijl hier
tevens structuralistische elementen in betrokken worden. Bij ons is dergelijk
onderzoek minder omvangrijk, doch enkele belangrijke onderzoeken die aandacht
hebben voor de betekenis van hedendaags wonen en agency en structuralistische
elementen combineren117, kunnen onderscheiden worden118.
5.4.2.De context voor een nieuwe benadering: een postmoderne
maatschappij
Een ‘qualitative turn’, waarbij aandacht wordt besteed aan het individu, zijn keuzevrijheid en –beperkingen door de betekenis van ‘wonen’ centraal te stellen, sluit
aan bij de sociale context waarin we vandaag terecht gekomen zijn, i.e. een postmoderne119 maatschappij. Een pijler hiervan is de globalisering, die in belangrijke
mate de manier waarop mensen leven beïnvloed heeft (zie bijv. Giddens, 1990;
Beck, 1992; Savage et al. 2006) en dus ook hoe mensen wonen vandaag.
In de klassieke opvatting over globalisering, die veelal niet empirisch onderbouwd is
en dus ruimte laat voor clichés, wordt vaak zonder meer gesteld dat overheden zich
meer en meer terugtrekken uit de huisvestingssector en meer en meer overlaten
aan de private markt. Hierbij moet evenwel opgemerkt dat een eventueel terugtreden in belangrijke mate politieke beslissingen zijn. Overheden kunnen met
verschillende graad van autonomie op verschillende manieren reageren op de
risico’s waarmee zij zich geconfronteerd zien in een globaliserende wereld. Er is wel
degelijk de Washington Consensus, met een gamma aan politiek-economische richtlijnen voor privatisering, deregulering en bezuiningen op overheidsuitgaven (Hertz,
2002; Klein, 2007). Maar dat overheden hierdoor zonder meer hun greep verliezen
op de woningmarkt is dan weer vrij algemeen en kort door de bocht120. Ze kunnen
immers hun ‘oude’ greep aanpassen en op andere manieren ingrijpen om resultaat
Zie Kemeny (1984, 1988); Hastings (1996, 1998, 1999a, 1999b, 2000); Sahlin (1996); Allen (1997);
Clapham (1997); Clapham et al. (2000); Franklin (1998); Franklin & Clapham (1997); Gurney (1999a,
1999b); Haworth & Manzi (1999); Jacobs et al. (1999); Jacobs & Manzi (2000); Jacobs et al. (2003);
Jacobs et al. (2004).
117 En dus al dan niet impliciet sociaal constructivistische of symbolisch interactionistische aspecten
incorporeren.
118 Zie De Decker (2005a, 2005b); De Decker & Pannecoucke (2004a, 2004b); Meert et al. (2004);
Meert & Bourgeois (2005a, 2005b); Reijndorp et al (1998); Reijndorp (2004); Karsten et al. (2006).
119 Of volgens sommigen ‘laat-moderne’ maatschappij. Hiermee wordt geduid op het feit dat individualisering, waardoor mensen meer hun eigen lot in handen kunnen nemen, eigenlijk het resultaat is
van het modernisme. Bauman (2000) spreekt bijvoorbeeld over ‘liquid modernity’. We houden het in
deze paper voor de eenvoud op de courante term ‘postmoderniteit’.
120 Het is natuurlijk wel een feit dat door de privatisering van de woningmarkt de overheid moeite heeft
om zijn greep hierop te houden, maar aan de basis van deze privatisering liggen in belangrijke mate
politieke beslissingen.
116
76
te bekomen. Dit is dus in bepaalde mate afhankelijk van hoe overheden zichzelf
wensen te positioneren en dus welke beslissingen zij nemen. Wel sijpelen professionalisering en competitie door in alle sectoren van het dagelijkse leven en zullen
die mee de manier waarop en de reden waarom bepaalde beslissingen genomen
worden, beïnvloeden. Zaken als de flexibilisering van de arbeidsmarkt (en een
diepere dualisering), grotere werkonzekerheid en een consequent grotere noodzakelijke geografische mobiliteit zijn wel degelijk een feit en zullen ook hun invloed
hebben in ‘the housing field’. Veranderingen in het leven van een mens voltrekken
zich wel degelijk in sneller tempo, waardoor het gevoel ontstaat minder controle en
kennis te hebben over de zaken die het eigen leven beïnvloeden (Giddens, 1990).
Logischerwijs gaat dit gepaard met een perceptie van een groter risico dat men loopt
in het alledaagse leven, waardoor de recente postmoderne maatschappij ook als
‘risk society’ kan geduid worden (Beck, 1992). Dit zijn vrij algemene stellingen die,
hoewel ze plausibel aandoen en bepaalde concrete voorbeelden voor ogen kunnen
roepen, veelal niet empirisch onderbouwd zijn. Wanneer nu onderzoek gedaan
wordt naar de effecten van deze globaliseringtendensen in het dagelijks leven van
mensen, bijv. via kwalitatief onderzoek aan de hand van diepte-interviews, komt een
veel genuanceerder beeld naar voren. Zoals bijv. uit de studie van Savage et al.
(2006) in verschillende delen van Manchester naar gevoelens van ‘belonging’ en wat
dit betekent m.b.t. ‘wonen’ in een globaliserende wereld. Hierin wordt het beeld van
de kosmopolitische wereldburger in een totaliserende globale leefomgeving,
bijgesteld door een belangrijke, zo niet nog steeds belangrijkere, lokale of regionale
component van het dagelijkse leven. Een globale leefomgeving slaat hier dan nog op
het feit dat technologische vooruitgang, bijv. internet en andere telecommunicatie,
het toelaat om met verschillende delen van de wereld in contact te staan en van
hieruit impressies en invloeden te ondervinden, die evenwel neerslaan in een
typische ‘levensechte’ lokale/regionale context waarin de ‘gewone’ burger ingebed is.
Wat hierboven kort uiteengezet is, zijn de zogenaamde ‘strong’ en ‘weak globalisation thesis’ (Doling et al., 2003). Zoals duidelijk werd, ontkennen beide thesissen
niet het bestaan van globaliseringprocessen en hun invloed op overheidsbeslissingen, maar is in het eerste geval wel sprake van een ‘absolute’ interpretatie
van deze invloed, terwijl dit in het tweede geval een ‘relatieve’ interpretatie is. We
kunnen deze interpretaties respectievelijk koppelen aan de ‘universalistische’
benadering - en het unilineair ontwikkelingsdenken - enerzijds en de ‘divergentiebenadering’ anderzijds uit het vergelijkend huisvestingsonderzoek (cf. supra). De
‘weak globalisation thesis’ heeft oog voor lokale institutionele padafhankelijkheid en
agency en sluit dus aan bij ons vertoog in deze tekst en het type onderzoek dat wij
wensen te doen. Men moet er zich dus van bewust zijn dat ‘globalisering’ niet het
primaat heeft als het op verklaring van fenomenen, de gebruikelijke gang van zaken
in het hedendaagse leven of bepaalde wendingen in het beleid aankomt, er is hier in
belangrijke mate ook een heel discours met clichés en algemene veronderstellingen
rond opgebouwd.
Niettemin zijn de algemene trends indicatief en dus gepast om een hedendaagse
sociale context te schetsen die het vertrekpunt vormt voor verder onderzoek. De
teloorgang van traditionele instituties zoals familie en kerk, een aftakeling van het
gemeenschapsleven, een verzwakking van het belang van de traditionele klassen,
een sterke stijging van het aantal eenpersoonshuishoudens en een toenemende
vergrijzing zorgen ervoor dat het individu meer dan ooit in staat om eigen keuzes te
maken en een eigen identiteit op te bouwen. Het is hier dat het concept ‘leefstijl’ als
identiteitsverschaffer op de voorgrond komt en zijn belang voor ‘wonen’ duidelijk
maakt, waarbij ‘wonen’ eerder een middel wordt in plaats van een doel op zich
(Clapham, 2005). Het verhoogde risico zorgt er echter voor dat niet iedereen dezelfde
77
leefstijlkeuzes kan maken, zo zal een zwakke positie op de arbeidsmarkt niet alleen
een zwakke positie m.b.t. inkomen inhouden, maar ook andere opties om een
gewenste leefstijl te construeren.
Om Savage et al (2006) aan te halen, gaat dit alles gepaard met een andere
perceptie van ergens thuishoren, van ergens ‘geaffilieerd’ zijn. Ze omschrijven het
als volgt: “Belonging should be seen neither in existential term… nor as discursively
constructed, but as a socially constructed, embedded process in which people
reflexively judge the suitability of a given site as appropriate given their social
trajectory and their position in other fields” (Savage et al., 2006, p. 12). De woning en
de woonomgeving eisen hierbij een centrale plaats op, zij het op een paradoxale
manier, i.e. enerzijds als een toenemende plaats van stabiliteit en constantheid in
een veranderlijke turbulente ‘globale’ leefomgeving, anderzijds als onderhevig aan
een toenemende temporele instabiliteit wegens voorwerp van reflexiviteit (i.e.
waarbij mensen in toenemende mate de woning en de woonomgeving toetsen op
hun mogelijkheid om te fungeren als een ‘passende thuis’). In een sterk
veranderlijke globale omgeving zal de plaats in de fysieke (residentiële) ruimte in
belang stijgen bij het genereren van een zekere ‘sociale distinctie’ (Savage et al,
2006). ‘The housing field’ of de residentiële ruimte zal met andere woorden een
‘sleutelveld’ worden om de eigen identiteit en sociale positie te definiëren en dus ook
om toegang te genereren tot andere domeinen121 zoals opleiding, tewerkstelling en
culturele domeinen. Savage et al. (2006) concluderen dat zij heil zien in het
onderzoeken van de totstandkoming van sociale identiteiten in relatie tot residentiële locatie, eerder dan traditiegewijze tot tewerkstelling.
5.4.3.Een nieuwe conceptualisering: ‘housing pathways’
De toepassing van de structuratietheorie van Giddens (1984) - die eigenlijk voortbouwt op de ‘time (space) geography’ van Torsten Hägerstrand (Pred, 1981) - in het
onderzoek rond ‘wonen’, vindt zijn motief in het benadrukken van de aspecten ‘tijd’
en ‘ruimte’. Hierdoor wordt de aandacht gevestigd op de sociale praktijk van verschillende huishoudens bij het afleggen van een zeker traject doorheen ‘the housing
field’ - of meer concreet op de woonmarkt – gedurende hun leven122 en dus op de
eigenlijke plaats waar deze sociale praktijk m.b.t. ‘wonen’ plaatsvindt, i.e. de woning
en de onmiddellijke woonomgeving of buurt.
Zoals we hierboven zagen, hebben we een solide (theoretische) basis door in een
gematigd sociaal constructivistisch perspectief de ideeën van ‘relationele macht’ en
‘structuratie’ op te nemen om een nieuw type woononderzoek te beoefenen123. Doch,
tot nog toe bleef dit alles vrij abstract, er is met andere woorden een concept nodig
dat pregnant vat wat voorheen is uiteengezet en dus de kloof dicht tussen algemene
theorie en de toepassing ervan in de praktijk. Dit concept is de ‘housing pathway’
(Clapham, 2005). Het gaat uit van de huidige context waarin de nadruk ligt op de
mogelijkheid om door individuele keuzes het eigen leven vorm te geven waardoor
een differentiatie van leefstijlen tot stand komt. Clapham (2005) definieert een
‘housing pathway’ als volgt: “Patterns of interaction (practices) concerning house and
home, over time and space. (…)The housing pathway of a household is the continually
changing set of relationships and interactions that it experiences over time in its
Of ‘fields’ in de zin van Bourdieu.
Hier kan de link gelegd worden met de levensweg die huishoudens afleggen en zich afspeelt op vele
andere domeinen dan ‘the housing field’, maar hier een directe relatie mee onderhoudt.
123 Naar analogie met de redenering van Clapham (2005).
121
122
78
consumption of housing. These may take place in a number of locales such as the
house, the neighbourhood or the office of a landlord or estate agent” (Clapham, 2005,
p. 27)
Dit ‘housing pathway’ concept is een analysekader; het is geen theorie, noch een
methodologie. Doch bij operationalisering in de onderzoekspraktijk (of via een
zuivere analytische redenering) kan het concept aanleiding geven tot theorievorming rond ‘wonen’. Clapham (2005) blijft hierover echter aan de oppervlakte: een
ontmanteling van het concept in zijn samenstellende delen, een effectieve
operationalisering, de verschillende mogelijkheden die zich hierbij voordoen en de
ontwikkeling van een methodologie blijven uit124.
Het ‘housing pathways’ concept zien we voortbouwen of zelfs dicht aanleunen bij
twee andere concepten die hun oorsprong vinden in de sociologische notie van
‘career’ of ‘carrière’, i.e. de ‘housing career’ die geconceptualiseerd is vanuit de ‘life
course approach’ en de ‘moral career’ vanuit wat we kunnen noemen de ‘sociobiographic approach’.
5.4.3.1. De ‘life course approach’ en de ‘housing career’
De ‘life course approach’ focust op de manier hoe een individu evolueert doorheen
verschillende fases van ‘carrières’ in het leven, meer bepaald op de combinatie of
opeenvolging van een aantal verschillende gebeurtenissen en hoe deze de verdere
evolutie van het leven en de keuzes die hierin gemaakt worden beïnvloeden (Clark &
Dieleman, 1996; Mulder, 1993)125. Centraal hierbij is de vraag hoe de wooncarrière
(‘housing career’) verbonden is met de andere carrières in het familieleven of op de
arbeidsmarkt (Clark et al, 2003). De ‘life course approach’ incorporeert dus de
longitudinale notie van een zeker ‘traject’ dat een huishouden/ individu aflegt aan
de hand van gebeurtenissen op vlak van huishoudensamenstelling, opleiding,
tewerkstelling, pensionering e.d. en hoe dit concreet het woongedrag en de woonkeuzes die gemaakt worden, beïnvloedt. Een ‘housing career’ is dus: “The sequence
of dwellings that a household occupies during its history” (Pickles & Davies, 1991, p.
466).
Deze definitie houdt dus niet in dat hier per se een stijging op de woningmarkt mee
samengaat, in de zin dat een ‘housing career’ steeds een toename in kwaliteit, of in
grootte, of van huur naar eigendom impliceert. Wel gaat het dus steeds om aspecten
van residentiële mobiliteit. De algemene teneur is evenwel dat dit in het gros van de
gevallen zo is, i.e. dat een stijging op de woningmarkt kan vastgesteld worden, dit is
meermaals bewezen in grootschalig onderzoek (Clark et al, 2003). Verschillende
onderzoekers maakten reeds gebruik van het ‘housing career concept’ en de ‘life
course approach’ om motieven voor verhuisbewegingen te onderzoeken (Clark &
Dieleman, 1996, 2003, 2006; Özüekren & Van Kempen 2002; Heylen, 2007).
Het gros van het ‘housing career’ onderzoek heeft steeds vooral gefocust op
relationele aspecten van timing tussen de verschillende ‘carrières’, i.e. op hoe bepaalde gebeurtenissen in andere carrières een verhuisbeweging of een verandering
Een belangrijke eerste stap hierbij zal de analyse zijn van studies die dit concept reeds hanteerden
en hiermee de vergelijking maken met de eigen onderzoeksvraag – en doelstellingen. In de
internationale onderzoekswereld rond ‘housing’ wordt vooralsnog vol spanning afgewacht op de eerste
resultaten van toegepast onderzoek.
125 Geciteerd door Meesters (2006).
124
79
van een woonkeuze initiëren (Clark et al, 2003). Zo zal de geboorte van het eerste
kind of de komst van een tweede kostwinner in het huishouden, die een significante
inkomensstijging teweegbrengt, vaak samengaan met de overgang van huren naar
kopen (Clark et al, 1994; Deurloo et al, 1994). Andere onderzoeken die het ‘housing
career’ concept hanteerden, probeerden een zicht te krijgen op een zo lang mogelijke
opeenvolging van verschillende woonstadia van huishoudens in termen van
occupatie, kwaliteit en prijs terwijl ze parallelle carrières maakten op vlak van
familie en werk, in plaats van te focussen op timing en dus slechts een klein aantal
verhuisbewegingen in acht te nemen (Clark et al, 2003; zie ook bijv. Myers, 1999;
Feijten & Mulder, 2002). In recenter onderzoek wordt ook gefocust op de
woonomgeving, op de kwaliteit van de buurt waarin de woning gelegen is. Hierbij
wordt vastgesteld dat sommige huishoudens bij verhuis niet stijgen op de
woningmarkt, maar wel in termen van buurtkwaliteit. Verschillende afwegingsmechanismen tussen woning- en buurtkwaliteit worden vastgesteld, waaruit het
belang van de woonomgeving blijkt, onafhankelijk van de woning. Hierdoor wordt
het nuttig om een ‘housing career’ op te delen in een ‘dwelling career’ en ‘neighbourhood career’ (Clark et al, 2006).
Hoewel uit dit (kwantitatief) onderzoek belangrijke lessen kunnen getrokken
worden, focust dit dus enkel objectief op zaken als prijs, occupatie, kwaliteit van de
woning en buurt. Kwaliteit is hierbij steeds objectief gedefinieerd en de prijs op de
woningmarkt zal vaak als indicator gebruikt worden. Ook wordt steeds gedacht over
de consumptie van de woning in termen van residentiële mobiliteit en vaak wordt
hierbij een universele set van voorkeuren en een zuiver rationele manier van
handelen aangenomen (Clapham, 2005). Discoursen rond wonen, de sociale
betekenis van wonen, de interactie tussen verschillende actoren, het dagelijks
activiteitenpatroon waarin bijv. vrije tijd meer en meer een prominente rol speelt en
concepten als ‘identiteit’ en ‘leefstijl’ worden hierbij over het hoofd gezien. Er wordt
met andere woorden te weinig ruimte gelaten voor differentiatie en te veel gedacht in
stereotypen. Niettemin is dit vaak grootschalig kwantitatief onderzoek dat in
belangrijke mate richtinggevend is voor verder kwalitatief onderzoek en ruimere
trends kan aanduiden126.
5.4.3.2. De ‘socio-biographic approach’ en de ‘moral career’
Voeling krijgen met wat de mensen denken en doen, met hoe zij reageren op
bepaalde situaties en waarom zij dit zo doen, kan enkel door op het terrein zelf
onderzoek te doen (i.e. door veldwerk). De ‘civil society’ kan effectief bestudeerd worden op de schaal van de woning (zoals bijv. door Saunders, 1989). We volgen hierbij
Dickens (1990) die stelt dat: “A sociology of civil society [that can be studied on the
scale of the home…] needs to take far more seriously people’s own understandings
and self-conceptions” (Dickens, 1990, p. 118).
Dickens (1990) heeft het hierbij over de ‘expressive order of the home’, waarmee hij
bedoelt dat de woning en de woonlocatie een consumptieartikel is dat reële en verschillende opties inhoudt voor verschillende mensen naargelang de wijze waarop zij
wensen te leven. De keuze tussen die opties wordt gemaakt op basis van een zeker
zelfbeeld, i.e. hoe iemand zichzelf ziet én wenst gezien te worden door anderen.
Dit duidt tevens op het belang van combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methodologieën en
dus op dieper inzicht in de ‘housing career’ via het ‘housing pathway’ concept.
126
80
Verder stelt Dickens (1990) dat ‘housing career’-studies individuen en huishoudens
te veel behandelen als ‘people to whom things happen’. ‘Housing careers’, stelt hij,
zijn inderdaad voor een groot deel beïnvloed en mee vormgegeven door (woning)
marktprocessen en overheden, maar terzelfder tijd zijn de uiteindelijke locatie en de
woning in grote mate afhankelijk van het individu/huishouden zelf. Dickens
spreekt in dit verband over een ‘moral housing career’, die overigens voortbouwt op
het ‘moral career’ concept van Goffman (1959)127. Een ‘moral career’ is, kort gesteld,
de opeenvolging van veranderingen die zich voordoen in iemands identiteit of ‘selfconcept’ als resultaat van een afgelegde levensweg doorheen verschillende sociale
posities, rollen en leefstijlen. Onderliggende ratio is dat iemands zelfbeeld of ‘selfconcept’ gestalte krijgt door interactie met anderen in tal van sociaal gestructureerde situaties. Goffman128 bespreekt bijvoorbeeld de reacties van inwoners van
twee gestigmatiseerde buurten en vat deze samen in vier ‘moral careers’: de
‘unawares’, de ‘failures’, de ‘achievers’ en de ‘activists’. Het socio-biografisch
onderzoek, dat niet enkel de biografie van de verschillende individuen onderzoekt,
maar hierin ook focust op de sociale netwerken met anderen, wordt hierbij
toegepast. De bekomen types ‘moral careers’ hebben veel weg van de leefstijlcategorieën die vaak bekomen worden uit het klassieke cross-sectionele leefstijlonderzoek, alleen zijn ze hier het resultaat van longitudinaal onderzoek en
ontbreekt een expliciete link met ‘wonen’ of ‘the housing field’.
Passen we dit subjectivistisch concept nu verder concreet toe vanuit een ‘life course’
benadering en combineren we dit dus met de ‘housing career’, dan komen we tot
wat Dickens (1990) een ‘moral housing career’ noemt. Hij stelt hierover dat deze
zoals een ‘housing career’ gevormd wordt door woningmarktprocessen, projectontwikkelaars, banken ed., maar dat deze ook het resultaat is van de individuen en
huishoudens zelf die ‘status’, ‘respect’ en ‘veiligheid’ zoeken. Hoewel Dickens hierbij
nog indirect elementen van sociale distinctie en cultureel kapitaal aanhaalt, alsook
indirect Maslowiaans stelt dat pas wanneer emotionele veiligheid en economische
stabiliteit bereikt zijn de zelfexpressie, respect en zelfontplooiing aan de beurt zijn,
blijft hij hierover verder aan de oppervlakte. Een concrete uitwerking ontbreekt, de
koppeling met andere literatuur is afwezig en aspecten als ‘leefstijl’ of ‘social
meaning’ zijn niet opgenomen.
De ‘moral housing career’ leunt het dichtst aan bij de ‘housing pathway’, we zouden
zelfs kunnen stellen dat een ‘housing pathway’ eigenlijk een expliciete postmoderne
‘moral housing career’ is. Hierna worden voorgaande concepten voorgesteld in een
relationeel schema (fig. 4).
127
128
Zie ook Goffman (1959).
Goffman, E. (1963), Stigma, Prentice-Hall, Englewood Cliffs, NY, geciteerd door Krase (1982).
81
Fig. 4. Relationeel schema belangrijke concepten in woononderzoek
Moral housing career
Lifecourse approach :
housing career
Dwelling
career
+
neighbourhood
career
Socio-biographic
approach : moral career
(Social)
meaning of
home
Pathways approach :
housing pathways
Leefstijl &
identiteit
5.4.4.Conclusie
Clapham (2005) schetste de contouren van een concept om aan een nieuw type
woononderzoek te doen. Het kon op een grote appreciatie rekenen in de wetenschappelijke wereld en werd als veelbelovend bestempeld. Doch enkele kritieken –
evenwel steeds eigen aan een exploratieve uiteenzetting – zijn wel op hun plaats.
Vooreerst waren er op een eerdere versie drie grote kritieken (zie Bengtsson, 2002;
Börgerard, 2002; Dieleman, 2002; Jacobs, 2002; King, 2002; Somerville, 2002):
1. de focus op het huishouden, ten koste van het individu, was onterecht, een
‘housing pathway’ is immers evenzeer een individuele aangelegenheid (zoals
reeds bleek);
2. de rol van de verschillende middelen van het huishouden, de ‘household resources’, is onduidelijk of afwezig. Naast economische middelen, zijn dit ook
cognitieve en sociale middelen; naar analogie met economisch, cultureel, sociaal
en symbolisch kapitaal van Bourdieu. Dit zal bovendien van belang zijn voor de
operationalisering van elementen van de ‘housing pathway’;
3. de sociaal constructivistische basis die niet duidelijk uitgewerkt is, in de zin dat
er steeds een mate van objectieve realiteit zal blijven bestaan
Deze kritieken werden door Clapham (2005) in een latere publicatie behandeld en
hebben tot een herwerking van enkele standpunten geleid. Zo is er nu sprake van
een gedeelde focus op huishouden en individu, i.e. zowel de pathway van het
individu als van het huishouden is belangrijk, in die zin dat de focus op het
huishouden als eenheid van de analyse blijft, maar tevens aandacht gaat naar de
intrahuishoudelijke relaties en beslissingsmechanismen. Hoe Clapham (2005) de
derde kritiek i.v.m. de sociaal constructivistische basis incorporeerde, kwam reeds
82
eerder naar voren in deze paper, i.e. een ‘gematigde’ sociaal constructivistische
basis. De tweede kritiek blijft vrijwel onbesproken, er wordt enkel op economische
middelen ingezoomd.
Een andere belangrijke kritiek is het feit dat ‘leefstijl’ en ‘identiteit’ als twee
belangrijke concepten aangehaald worden voor de ‘housing pathway’, maar een
bespreking van bijv. de verschillende benaderingen van ‘leefstijl’, het belang ervan
voor onderzoek rond ‘wonen’ en een operationalisering aan de hand van belangrijke
elementen, ontbreekt nagenoeg totaal. Alsook, zoals reeds eerder vermeld, een
duidelijke conceptualisering van de ‘housing pathway’ waarbij samenvattend de
samenstellende delen en hun onderlinge relatie duidelijk worden gesteld en hoe zich
dit methodologisch vertaald, zou een hele stap vooruit zijn. Buiten een aantal
studies die Clapham aanhaalt die het ‘pathways’ concept gebruiken – die overigens
niet echt representatief zijn voor hetgeen Clapham beoogt - blijft alles met andere
woorden nogal op een abstract niveau hangen. De link naar de praktijk, een
methodologische uitwerking en een operationele concretisering is dus een minstens
even omvangrijke taak, van primordiaal belang voor verder – en dus voor ons –
onderzoek.
83
DEEL V.
ALGEMENE CONCLUSIE
84
6. WAT NEMEN WE MEE?
De doelstelling van dit rapport was een overzicht te geven van het onderzoek rond
‘wonen’ en huisvesting. Het betreft een literatuurstudie waarin zowel expliciete als
impliciete theoretische aspecten geanalyseerd worden, alsook de gehanteerde
concepten in het (klassiek) woononderzoek. Vanuit een kritische reflectie was het de
bedoeling hiervan een evaluatie te maken en tevens een eerste aanzet te geven tot
een nieuwe benadering die de resultaten verkregen in dit klassiek kwantitatief
onderzoek kan verklaren vanuit de beweegredenen van de woonconsument en die
daarnaast ook nieuwe concepten voor het kwantitatieve onderzoek kan ontwikkelen.
De literatuurstudie werd opgebouwd aan de hand van drie centrale inhoudelijke
delen. Uit elk van deze delen kunnen we een aantal conclusies trekken en zaken
meenemen naar een verdere uitwerking van de methodologie.
Uit Deel II kunnen we een aantal conclusies trekken die aangeven waarom een
kwalitatieve benadering belangrijk is en wat de richting is dat het onderzoek moet
uitgaan.
Het overzicht van de verschillende visies op woonbehoeften leert ons dat er nood is
aan een duidelijk onderscheid tussen woonbehoeften en woonwensen en dat er
aandacht moet besteed worden aan de relatie tussen behoeften en woonwensen.
Woonwensen kunnen niet louter beschouwd worden als een afspiegeling van de
heersende maatschappelijke normen, noch kan simpelweg gesteld worden dat ze
een afspiegeling zijn van een zelfgekozen leefstijl. Woonwensen zijn ook in
belangrijke mate verbonden met menselijke basisbehoeften. Deze behoeften kunnen
we beschouwen als de interne drijfveren van het menselijke handelen. Of deze
behoeften bevredigd worden en op welke manier ze bevredigd worden hangt in
belangrijke mate af van de maatschappelijke organisatie. Zo zal de aard van de
woonbehoeften in belangrijke mate ook bepaald worden door bijvoorbeeld de
behoeftebevrediging in de sfeer van het werk. Een aantal onderzoekers (Rakoff,
1977; Dickens, 1994) stellen dat vervreemding en ondermijning van identiteit in de
sfeer van het werk ertoe leidt dat veel mensen zich gaan terugplooien op het wonen
als een sfeer waar ze het gevoel hebben nog een zekere autonomie te bezitten.
Mensen trekken zich volgens deze stelling terug uit een als relatief vijandig ervaren
gemeenschap. De Decker (2002) spreekt in dit kader over een ‘defensieve’
wooncultuur. Dit woongedrag zal gekoppeld zijn aan specifieke woonwensen die
geleid worden door de opvatting dat wonen een sfeer is waar men ‘autonoom’ is.
Ons onderzoek moet toelaten af te toetsen in hoeverre deze overwegingen inderdaad
hebben meegespeeld in het woongedrag van individuen en huishoudens, in hoeverre
deze overwegingen al dan niet woontrajecten mee hebben vormgegeven en vooral, in
hoeverre ze dit ook in de toekomst zullen doen. Een beter inzicht in de dieperliggende oorzaken van de woonwensen kan belangrijke implicaties hebben voor
bijvoorbeeld het beleid met betrekking tot het bestrijden van sociale segregatie en
het nastreven van compacte woonvormen.
Naast de behoefte aan een duidelijke identiteit en autonomie zijn er ook andere
behoeften die via het sociale functioneren en geleid door maatschappelijke
discoursen over wonen, een impact kunnen hebben op het woongedrag. Als eerste
aanzet tot een meer uitgewerkte methodologie om dit te onderzoeken hebben we een
mogelijke categorisering van de menselijke basisbehoeften voorgesteld129.
129
Dit zal verder uitgewerkt worden in een methodologische paper.
85
Deel III geeft ons inzicht in waarom onderzoek naar de betekenis van wonen
belangrijk is. Veel van het klassieke kwantitatieve onderzoek naar wonen berust op
een aantal veronderstellingen die teruggaan op het positivisme. De kritieken op dit
positivisme leren ons dat voorzichtig moet omgesprongen worden met wetenschappelijke ‘feiten’. Wetenschappelijke feiten zijn altijd ook afhankelijk van de
categorieën die gehanteerd worden om de werkelijkheid te onderzoeken. Verschillende van de categorieën die in het sociaal-wetenschappelijk onderzoek gehanteerd
worden, noemen Beck & Beck-Gernsheim (2002) ‘zombiecategorieën’, categorieën
die wel nog in het taalgebruik bestaan, maar niet meer in de sociale werkelijkheid.
Dat deze categorieën niet (meer) overeenstemmen met de sociale werkelijkheid heeft
onder andere te maken maatschappelijke processen zoals het verdwijnen van
traditionele instituties als de kerk. Beck & Beck-Gernsheim (2002) spreken over
‘individualisering’. Om niet opgesloten te geraken in het keurslijf van achterhaalde
categorieën is het belangrijk dat ook het beleidsgerichte onderzoek naar wonen de
vinger aan de pols houdt van deze maatschappelijke processen en dus ook van het
bredere sociaal-wetenschappelijke onderzoek naar deze processen.
De kritiek op het positivisme heeft naast de vaststelling van het bestaan van
‘zombiecategorieën’ nog een tweede belangrijke implicatie voor het onderzoek naar
wonen. Het leert ons dat mensen niet zomaar kunnen beschouwd worden als
objecten die op een voorspelbare manier zullen reageren op bepaalde stimuli. Ze
moeten daarentegen beschouwd worden als betekenisgevende wezens, wezens die
bepaalde opvattingen over de werkelijkheid ontwikkelen en op basis daarvan keuzes
maken die soms moeilijk voorspelbaar zijn. Om inzicht te krijgen in het woongedrag
is inzicht nodig in de opvattingen die mensen hebben over het wonen en hoe deze
opvattingen zich ontwikkelen.
Deel IV bouwde verder op de vaststellingen uit deel III en het ging dieper in op de
literatuur die een antwoord probeert te bieden op de tekortkomingen van een
positivistische benadering en een eerste aanzet werd gegeven tot een nieuwe
benadering.
Het klassieke positivistisch onderzoek rond ‘wonen’ hanteert een vaak eenzijdig
veralgemenende visie op de verschillende actoren in ‘the housing field’ en het kader
waarbinnen zij handelen. In het bijzonder is er een hiaat in de kennis over de
perceptie van de woonconsument, bredere en diepgaandere verklaringen voor zijn
gedrag op de woningmarkt en zijn reactie op de verschillende beleidsdiscoursen en –
maatregelen. Ondanks het grote nut en de belangrijke inzichten die deze klassieke
benaderingen verschaffen, ontbreken ze focus op de relatie tussen het aantal
vrijheidsgraden en de structurele beperkingen, dus op structure-agency verhoudingen, van de woonconsument bij het maken van woonkeuzes en zijn daarom
ontoereikend bij het zoeken naar verklaringen in het licht van de huidige
samenleving. De betekenis die huishoudens aan wonen toekennen en dus hun
attitudes en resulterend effectief woongedrag zijn de focus van een nieuwe
benadering die onze kennis moet uitbreiden en verdiepen, voorbij het traditionele
geloof dat wonen uitsluitend in kwantitatieve ‘objectieve’ karakteristieken kan gevat
worden (bijv. op het vlak van woonkwaliteit).
Het corpus van de ‘meaning of home’ literatuur is echter op zich ontoereikend, in
die zin dat het ofwel slechts bepaalde dimensies van de woning130 belicht, ofwel
steeds tracht een exhaustieve lijst van betekeniscategorieën – zoals bijv. ‘continuïteit’, ‘privacy’, ‘zelfexpressie’, ‘identiteit’, ‘(ontologische) veiligheid’ – te maken.
Ook al wordt ‘home’ als een multi-dimensioneel concept beschouwd, de toegekende
betekenissen worden universeel verondersteld en kunnen dus niet betekenisvol
130
Woning in de zin van ‘home’.
86
aangewend worden bij het verklaren van individueel woongedrag. De ‘meaning of
home’ wordt ge(re)produceerd door individuen tijdens hun leven, maar tevens ook
door normatieve discoursen en ideologieën. Er moet met andere woorden naar de
diversiteit in de betekenis van ‘wonen’ gezocht worden, waarbij ‘wonen’ in zijn meest
brede en dynamische zin begrepen wordt, i.e. zowel het fysieke, het sociale, het
culturele, het psychologische als het temporele aspect moeten in hun onderling
verband worden betrokken. Een veelbelovend concept, waarop tevens onze nieuwe
benadering steunt, dat de capaciteit heeft deze diversiteit te vatten en tot een
contextualisering van het ‘wonen’ te komen, is de ‘housing pathway’131.
Een ‘housing pathway’ of ‘woontraject’ heeft aandacht voor de diversiteit in de
betekenis van ‘wonen’ door deze te linken aan andere domeinen van het leven zoals
werk, de middelen van het huishouden (economisch, cultureel, sociaal en
symbolisch kapitaal), opvattingen over familie en het gezin, tijdsbestedingen en de
‘leefstijl’ en ‘identiteit’ van het betreffende individu/huishouden. Dit evenwel vanuit
een longitudinaal perspectief, met aandacht voor de biografie van individuen en hun
afgelegd sociaal traject. Kort gesteld, een ‘housing pathway’ is het woontraject dat
men aflegt op de woningmarkt en co-evolueert met een loopbaantraject en huishoudentraject, waarbij ‘identiteit’ en ‘leefstijl’ twee kernbegrippen zijn. De
ruimtelijke component van een ‘housing pathway’ (cf. het traject op de woningmarkt) is belangrijk in de zin dat een woning in grote mate betekenis ontleent aan
haar fysieke en sociale context en dus van belang is voor de ‘identiteit’ en ‘leefstijl’
van de bewoner. De buurt of het woonmilieu binnen de betreffende woningmarkt
verdient met andere woorden evenveel aandacht als de woning zelf.
Al deze elementen en bevindingen nemen we mee bij het opzetten van de hierop
volgende empirische studie132. Verschillende studiegebieden, i.e. buurten of
woonmilieus met een uitgesproken different karakter zullen geselecteerd worden
binnen een regionale woningmarkt. Hiervan zal vervolgens een analyse gemaakt
worden, waarin zowel de fysiekruimtelijke als sociaal-maatschappelijke componenten van het studiegebied aan bod komen. Dit is een noodzakelijke eerste stap,
die overigens in de loop van het verdere onderzoek nog dieper kan uitgewerkt
worden, in de contextualisering van het ‘wonen’ die we in deze studie willen
bereiken. Vervolgens zullen we binnen dit studiegebied op zoek gaan naar
respondenten bij wie we onze diepte-interviews kunnen afnemen. Hierbij streven we
naar een variëteit aan informatierijke personen in plaats van naar statistische
representativiteit133. Bij deze semi-gestructureerde diepte-interviews zal gebruikt
gemaakt worden van een topiclijst, waarrond open vragen gesteld worden. Deze
topics zijn nodig om het interview minimaal te sturen om de nodige informatie te
verkrijgen: verder wordt een grote vrijheid aan de respondent gelaten om zo een
goed zicht te krijgen op de verschillende discoursen en terugkerende thema’s. De
eenheid van analyse is het individu134, maar zijn positie binnen het huishouden en
de huishoudelijke aangelegenheden worden evenwel niet uit het oog verloren. Rond
het topic ‘herkomst’ zal bijv. gesproken worden over de ouderlijke woonplaats (waar
opgegroeid), de kenmerken hiervan, de eerste zelfstandige woonervaring en waarom
men verhuisd is (werk, school, gezinssituatie e.d.). Bij het topic ‘huidige woonplaats’
Zie Clapham (2005).
Een verdere uitwerking van de kwalitatieve methodologie die we zullen gebruiken en deze
empirische studie nog voorafgaat, is voorwerp van een volgende paper.
133 Dit is eigen aan de gehanteerde kwalitatieve methodologie.
134 Omdat een ‘housing pathway’, de betekenis van ‘wonen’ en ‘identiteit’ en ‘leefstijl’ in de eerste
plaats een individuele aangelegenheid is. Hierrond zullen echter wel afwegingen gemaakt worden binnen het huishouden, dus de focus zal op bepaalde momenten tevens moeten verbreed worden van het
individu naar het huishouden.
131
132
87
wordt bijv. gevraagd waarom men in dit studiegebied is komen wonen (werk,
partner, op zoek naar specifiek woonmilieu…), als dit aanvankelijk de bedoeling was
(zoekprocessen), als de verwachtingen ingelost zijn en wat dit betekent voor de
toekomst. Bij sommige respondenten kan de eerste zelfstandige woonervaring
tevens de huidige woonplaats zijn, bij andere kunnen een vijftal verhuisbewegingen
vastgesteld worden (zie bijv. box 1), vervolgens kan hier dan dieper op ingegaan
worden. Dit toont de openheid en flexibiliteit aan van het afnemen van kwalitatieve
diepte-interviews, die aangepast kunnen worden aan specifieke situaties en waarbij
kan ingegaan worden op bijzonderheden. Zaken die doorgaans niet binnen het
bereik liggen van klassiek surveyonderzoek, dat daardoor vaak aan de oppervlakte
blijft. Hiernaast zullen tevens de nodige objectieve karakteristieken - zoals
opleiding, werk, inkomen, leeftijd, e.d. – opgevraagd worden.
Hoewel we met deze studie een contextualisering van het wonen bepleiten, is het de
bedoeling om bij de verwerking van de diepte-interviews135 wel degelijk een mate
van generalisering te bekomen, via de constructie van categorieën volgens bepaalde
thema’s136. Van hieruit komen we dan via combinatie van bepaalde variaties in deze
categorisering tot een aantal verschillende ‘housing pathways’. Deze ‘housing
pathways’ zullen gekoppeld zijn aan types bewoners en bepaalde woonmilieutypes
of opeenvolgingen hiervan. Tevens kan op basis hiervan een eerste aanzet gedaan
worden tot het vormgeven van een theorie rond ‘wonen’, die tot nog toe ook in de
internationale literatuur quasi ontbrekend is. Belangrijk is het feit dat dit een
‘grounded’137 theorie zal zijn, i.e. een theorie en haar concepten die rechtstreeks
gebaseerd zijn op data en empirische bevindingen, systematisch verzameld en
geanalyseerd tijdens het onderzoeksproces (mogelijks in een combinatie met andere
data van kwantitatief onderzoek, bijv. van de Woonsurvey). Dit is niet alleen
belangrijk voor de ontwikkeling van een (woon)discipline, maar ook als basis voor
sociale actie (Strauss & Corbin, 1998) en dus voor het beleid.
135
136
137
Welke in tegenstelling tot kwantitatief onderzoek ongestructureerde data opleveren.
Waardoor het nominale data worden i.p.v. ongestructureerde data.
Zie Strauss & Corbin (1998).
88
7. REFERENTIELIJST
Achterberg, E.P. & P. Marcuse (1983), Towards the decommodification of housing, in: Bratt,
R.G., Hartmann, C. & A. Meyerson (1986), Critical perspectives on housing, Temple Univ.
Press, Philadelphia.
Allen, C. (1997), The policy and implementation of the housing role in community care – a
constructionist theoretical perspective, in Housing Studies, vol. 12, p. 85–110.
Baeten, G. (2001), Clichés of urban doom. The Dystopian Politics of Metaphors for the
Unequal City: a View from Brussels, in International Journal of Urban and Regional
Research, vol. 25, nr. 1, p.55-69.
Barlow, J. & S. Duncan (1994), Success and failure in housing provision. European systems
compared, Pergamon, Oxford.
Bauman, Z. (2000), Liquid Modernity, Polity Press, Cambridge.
Beaumont, J. (2005), 'Governance', decentralisatie en de opkomst van de lokale democratie?, in Agora, jg. 21, p. 42- 44.
Beck, U. (1992), Risk society: towards a new modernity, Sage, London.
Beck, U. & E. Beck-Gernsheim(2002), Individualisation, Athenaeum Press, Gateshead.
Beck, U., Giddens, A. & S. Lash (1994, eds), Reflexive modernisation: politics, tradition and
aesthetics in the modern social order, Polity Press, Cambridge.
Bengtsson, B. (2002), Promising but not postmodern, in Housing , Theory & Society, vol. 19,
p. 69-70
Blokland, H. (2001): De modernisering en haar politieke gevolgen: Weber, Mannheim en
Schumpeter. Een rehabilitatie van de politiek 1, Boom, Amsterdam.
Börgerard, L. (2002), A geographer’s view, in Housing , Theory & Society, vol. 19, p.71-72
Bourdy, L., Cabus, P., Corijn, E., De Rynck, F., Kesteloot, C. & A. Loeckx (2003), De eeuw
van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden, Witboek in opdracht van P. Van
Grembergen, Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en
Ambtenarenzaken en bevoegd voor Stedenbeleid, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,
Brussel.
Brannen, J. & A. Nilsen (2005), Individualisation, choice and structure: a discussion of
current trends in sociological analysis, in The sociological Review, vol. 53, p. 412–428.
Cahill, D. (1996), Review of house as a mirror of self: exploring the deeper meaning of home,
in Environment and Behaviour, vol. 28, p. 559-562.
Chapman, T. & Jockey (2002), Ideal Homes? Social Change and Domestic Life, Routledge,
London.
Chapman, T., Hockey, J. & M. Wood (2002), Daring to be different? Choosing an alternative
to the ideal home, in, Chapman, T. & J. Hockey (2002, eds), Ideal Homes? Social Change
and Domestic Life, Routledge, London.
Cicourel, A. U. (1964), Method and Measurement in Sociology, Free Press, New York.
89
Clapham, D. (1997), The social construction of housing management research, in Urban
Studies, vol. 34, p. 761–774.
Clapham, D. (2005), The meaning of housing. A pathways approach, Policy Press,
Cambridge.
Clapham, D., Franklin, B. & L. Saugères (2000), Housing Management: the social
construction of an occupational role, in Housing, Theory and Society, vol. 17, p. 68–82.
Clark, W. & F. Dieleman (1996), Households and Housing; Choice and Outcomes in the
Housing Market, Center for Urban Policy Research, New Brunswick NJ,
Clark, W. , Deurloo, M. & F. Dieleman (1994), Tenure changes in the context of micro-level
family and macro-level economic shifts, in Urban Studies, vol. 31, p. 137– 154.
Coolen, H. (2006), The meaning of dwellings: an ecological perspective, in Housing, Theory
and Society, vol. 21, p. 185-201.
Coolen, H. & R. Ozaki (2004), Culture, lifestyle and the meaning of a dwelling, paper
presented at the ISA International Housing Research Conference, Toronto, 24-27 June.
Cooper Marcus, C (1995), House as a mirror of self. Exploring the deeper meaning of home,
Conari Press, Berkely (Cal.).
Cneut, C., Houthaeve, R., Durgun, S., De Rycke, P. De Decker, P., Loopmans, M.,
Claessens, B., De Bevere, S., De Geyter, X., Schmitz, D. & Y. Igodt (2007), (Her)bruik van de
bestaande woning-voorraad in de klassieke woonwijken uit de jaren 1960-1980. Een
verkennend onderzoek naar de ruimtelijke mogelijkheden en de uitdagingen voor het
ruimtelijke beleid, Grondmij/ Hogeschool Gent/WES/XDGA m.m.v. de KU Leuven in
opdracht van de Vlaamse overheid, Departement RWO, Afdeling Ruimtelijke Planning, Gent
(niet gepubliceerd).
Dalrymple, T. (2004), Leven aan de onderkant, Het Spectrum, Utrecht.
De Caigny, S. (2007), De tuin als kamer van het huis, in Segers, Y. & L. Van Molle (red.),
Volkstuinen. Een geschiedenis, Davidsfonds, KADOC-KU.Leuven & Provincie Oost-Vlaanderen, Leuven/Gent.
De Decker, P. (1993), De stad is vol, in Ruimtelijke Planning/Feiten, kritieken, perspectieven, jg. 1, katern 3, Kluwer, Zaventem, p. 63-82.
De Decker, P. (1995), Minder markt, betere huisvesting? Drie huisvestingsmodellen onder de
loep, in Ruimtelijke Planning/Feiten, kritieken, perspectieven, jg. 3, katern 3, Kluwer,
Zaventem, p. 83-106.
De Decker, P. (1998), De woontorens worden gesloopt. Utopia is veroordeeld. Over kind en
badwater in de sociale huisvesting, in Samenleving & Politiek, jg. 5, nr. 9, p. 32-43.
De Decker, P. (2001), Dient de Vlaamse gaai het RSV te lezen? Over duurzaamheid, sociale
bijziendheid en eenheidsdenken in de Vlaamse ruimtelijke planning, in Ruimte & Planning,
jg. 21, nr. 1, p. 73-105 (met erratum in Ruimte & Planning, jg. 21, nr. 2).
De Decker, P. (2002), De kracht van de context. Of waarom stadswensen zelden goede
voornemens zijn, in Ruimte en Planning, 22, p. 77-88
De Decker, P. (2004), De ondraaglijke lichtheid van het beleid voor de stad in Vlaanderen.
Van een geïndividualiseerd woonmodel tot stedelijke crisis: een sociologische visie, Proefschrift tot het behalen van de graad van doctor in de politieke en sociale wetenschappen,
Universiteit Antwerpen
90
De Decker, P. (2005a), Belgium. Household interview report, report for the project OSIS.
Origins of security and insecurity: the interplay of housing systems with jobs, household
structures, finance and social security, report for the European Commission, OASeS,
Universiteit Antwerpen, Antwerpen
De Decker, P (2005b), “In sommige sociale woonblokken zou ik mijn konijnen nog niet
durven steken”. Over sociaal verhuren, de creatie van, een reputatie en haar gevolgen, in:
De Decker, P., Goossens, L., Pannecoucke, I. (2005, eds), Wonen aan de onderkant, Garant,
p. 283-319.
De Decker, P. (2006). Iedereen heeft het recht op een redelijke woonst. Interview met Dirk
Verhofstadt, http://www.liberales.be.
De Decker, P. (2006): Is the Belgian housing model crumbling?, paper for the workshop
“Home ownership in Europe: policy and research issues”, Delft, 23-24 Nov. (org TU Delft in
samen-werking met de University of Birmingham).
De Decker, P. (2007): Belgium: between confidence and prudence, in Elsinga, M., De
Decker, P., N. Teller & J. Toussaint (2007, eds), Home ownership beyond asset and security.
Perceptions of housing related security and insecurity in eight European countries, IOS
Press, Amsterdam.
De Decker, P. & I. Pannecoucke (2004a), The creation of the incapable social tenant in
Flanders, Belgium. An appraisal, in Journal of Housing and the Built Environment, vol. 19,
p. 293–309.
De Decker, P. & Pannecoucke, I. (2004b), Bad news for satisfied tenants. On the social
construction of social rented housing as dreadful enclosures, in Ethique et économique/Ethics and Economics, nr. 2 (http://Ethique.economique.org).
De Decker, P., Kesteloot, C., De Maesschalck, F. & J. Vranken (2005), Revitalizing the city in
an anti-urban context: Extreme right and the rise of urban policies in Flanders, Belgium, in
International Journal of Urban and Regional Research, vol. 29, p. 152-171.
De Decker, P., Teerlinck, P. & W. Vandendriessche (1995), Patronen en motieven van
verhuizers. De resultaten van een onderzoek in het Gentse, in, Planologisch Nieuws, jg. 15,
nr. 2, p. 147-158.
De Decker, P., Teerlinck, P. & W. Vandendriessche (1995), Stad uit, stad in. Motieven van
verhuizers in het Gentse, in Ruimtelijke Planning/Feiten, kritieken, perspectieven, jg. 3,
katern 3, Kluwer, Zaventem, p. 19-56.
Desombere, P., Spitaels, K., & K. Herregodts (1997), Architectuur, n: Bouwstenen van
sociaal woonbeleid. De VHM bekijkt 50 jaar volkshuisvesting in Vlaanderen, Deel
1.,Vlaamse Huisvestingsmaatschappij, Brussel.
Després, C. (1991), The meaning of home: literature review and directions for future
research and theoretical development, in The Journal of Architectural and Planning
research, nr. 2, p. 96-115
Deurloo, M. , Clark, W. & F. Dieleman(1994), The move to housing ownership in temporal
and regional contexts, in Environment and Planning A, 26, p. 1659–1670.
De Visscher, J. & R. De Saeger (1991, eds.), Wonen. Architectuur in het denken van Martin
Heidegger, SUN, Nijmegen.
De Vries, J. (2002), Vlaanderen en Nederland: een gepolitiseerde versus een gedepolitiseerde
planningscultuur, in Ruimte en Planning, jg. 22, p. 233-243
91
Dewilde, C. & K. Levecque (2002), De mobiliteit in en uit armoede: ‘Wie is arm en voor
hoelang?’, in Vranken, J. e.a. (red), Armoede en Sociale Uitsluiting. Jaarboek 20022, Acco,
Leuven.
Dickens, P. (1990), Urban Sociology. Society, locality and human nature, Billings and Sons
Ltd, Worchester.
Dickens, P. (1994), Modernity, Alienation and environment: some aspects of housing tenure,
design, and social identity, in Danermark, B. & I. Elander (ed.), Social rented housing in
Europe: policy, tenure and design, Delft Univ. Press, Delft.
Dickens, P., (2000), Society, space and the biotic level: an urban and rural sociology of the
new Millennium. In: Sociology, vol. 34, nr. 1, p. 147-164.
Dieleman, F (2002), An additional or an all-encompassing analytical framework?, Housing ,
Theory & Society, vol. 19, p. 73-74
D’hoker, N. (2005-2006), Analyse van de stadsgewestelijke en stedelijke migratiestromen in
Vlaanderen tussen 1993 en 2004, scriptie Geografie, Faculteit Wetenschappen, Universiteit
Gent, Gent.
Dogan, M. (2000), Are there paradigms in social science?, in Revista de cercetäri sociale, nr.
1-2. p. 3-9.
Doling, J., Ford, J. & N. Horsewood (2003), Globalisation and home ownership, in: Doling,
J. and Ford, J. Globalisation and Home Ownership, DUP, Delft.
Du Gay, P. (1996), Consumption and Identity at Work, Sage Publications, London.
Duyvendak, J.W. & J. Uitermark (2005), De opbouwwerker als architect van de publieke
sfeer, in Beleid & Maatschappij, nr. 32, p. 76-89.
Esping-Andersen, G., (1990). The three worlds of welfare capitalism. Polity Press,Cambridge.
Elchardus, M. (2002), Onderwijs in de symbolische samenleving: zijn individualisme en
meritocratie nog zinvol?, Uitgeverij Boom, Amsterdam.
Elsinga, M., De Decker, P., N. Teller & J. Toussaint (2007, eds): Home ownership beyond
asset and security. Perceptions of housing related security and insecurity in eight European
countries, IOS Press, Amsterdam.
Feijten, P. & C. Mulder (2002), The timing of household events and housing events in the
Netherlands: A longitudinal perspective, in Housing Studies, vol. 23, p. 773–792
Fitzpatrick, S. (2005), Explaining Homelessness: a Critical Realist Perspective, in Housing,
in Theory and Society, vol. 22, p. 1–17.
Forster, M.R. (1998), Guide to Thomas Kuhn’s The Structure of Scientific Revolution
(http://philosophy.wisc.edu/forster/220/kuhn.htm).
Franklin, B. & D. Clapham (1997), The social construction of housing management, in
Housing Studies, vol. 12, p. 7–26.
Franklin, B. (1998), Constructing a service: context and discourse in housing management,
in Housing Studies, vol. 13, p. 201–217.
Franklin, B. (2006), Housing transformations. Shaping the space of 21st century living,
Routledge, New York
92
Fraser, I. (1998). Hegel and Marx: The Concept of Need, Edinburgh University Press,
Edingburgh.
Garfinkel, H. (1967), Studies in ethnomethodology, Prentice Hall, Englewood Cliffs, NY.
Giddens, A. (1984), The constitution of society: Outline of the theory of structuration, Polity
Press, Cambridge.
Giddens, A. (1990), The consequences of modernity, Polity Press, Cambridge.
Goffman, E. (1959), The moral career of the mental patient, in Psychiatry, nr. 2, p. 123-142.
Goffman E.(1959), The Presentation of Self in Everyday Life, Doubleday, New York.
Gurney, C. (1999a), Pride and prejudice: discourses of normalisation in public and private
accounts of home ownership, in Housing Studies, vol. 14, p. 163–183.
Gurney, C. (1999b), Lowering the drawbridge: a case study of analogy and metaphor in the
social construction of home ownership, in Urban Studies, vol. 36, p. 1705–1722.
Hastings, A. (1996), Unravelling the process of ‘partnership’ in urban regeneration policy, in
Urban Studies, vol. 33, p. 253–268.
Hastings, A. (1998), Connecting linguistic structures and social practices: a discursive
approach to social policy analysis, in Journal of Social Policy, vol. 27, p. 191–211.
Hastings, A. (1999a), Discourse and urban change: Introduction to the special issue, in
Urban Studies, vol. 36, p. 7–12.
Hastings, A. (1999b), Analysing power relations in partnerships: is there a role for discourse
analysis?, in Urban Studies, vol. 36, p. 91–106.
Hastings, A., (2000), Discourse Analysis: What Does it Offer Housing Studies?, in Housing,
in Theory and Society, vol. 17, p. 131–139.
Haworth, A., Manzi, T. (1999), Managing the ‘underclass’: interpreting the moral discourse
of housing management, Urban Studies, vol. 36, p. 153–165.
Haworth, A., Manzi, T. & J. Kemeny (2004), Social Constructionism and International
Comparative Housing Research, in Jacobs, K., Kemeny, J. & T. Manzi, T. (eds), Social Constructionism in Housing Research, Ashgate, Aldershot,.
Hayward, G. (1975), Home as an environmental and psychological concept, in Landscape,
vol. 20, p. 2-9.
Hertz, N. (2002), De Stille overname, Contact, Amsterdam.
Heylen K., Le Roy ,M., Vanden Broucke, S., Vandekerckhove B. & S. Winters S. (2007),
Wonen in Vlaanderen. De resultaten van de Woonsurvey 2005 en de Uitwendige Woningschouwing 2005. Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed,
Brussel
Heylen, K. (2007), Residential mobility in Flanders: determinants of mobility and transitions
in housing tenure. Paper presented at the ENHR conference Rotterdam 2007
Heywood, F. (2004), Understanding Needs: A Starting Point for Quality, in Housing Studies,
vol. 19, nr. 5, p. 709–726.
93
Hiscock, R., Kearns, A., Macintyre, S. & A. Ellaway (2001), Ontological Security and PsychoSocial Benefits from the Home: Qualitative Evidence on Issues of Tenure, in Housing, Theory
and Society, vol. 18, p. 50–66.
Hoekstra, J. (2002), Over verschil en convergentie in beleid. Een vergelijking tussen de
Nederlandse en Belgische (Vlaamse) volkshuisvesting, in Ruimte en Planning, jg. 22, p. 304317
Jackson, T., Jager, W. & S. Stagl (2004), ‘Beyond Insatiability’: Needs theory, consumption
and Sustainability-, Working paper series 2, Economic and Social Reseacrh Council, Centre
for Environmental Studies, University of Surrey, Guilford.
Jacobs, K (2002), Useful in some approaches but not others?, in Housing, Theory & Society,
vol. 19, p. 74-75
Jacobs, K. & T. Manzi (2000), Evaluating the social constructionist paradigm in housing
research, in Housing, Theory and Society, vol. 17, p. 35-42.
Jacobs, K., Kemeny, J. & T. Manzi (2003), Power, Discursive Space and Institutional
Practices in the Construction of Housing Problems, in Housing Studies, vol. 18, p. 429–446.
Jacobs, K., Kemeny, J., Manzi, T. (2004, eds), Social Constructionism in Housing Research,
Aldershot, Ashgate.
Kemeny, J. (1984), The social construction of housing facts, in Scandinavian Housing and
Planning Research, nr. 1, p. 149–164.
Kemeny, J. (1988), Defining housing reality, in Housing Studies, vol. 3, p. 205–218.
Kemeny, Jim, (1992), Housing and Social Theory, Routledge, London.
Kemeny, J. & S. Lowe (1998), Schools of Comparative Housing Research: From Convergence
to Divergence, in Housing Studies, vol. 2, p. 161–176.
Kesteloot, C. (1988), Accummulation regimes, reproduction of labour force and the
organization of urban residential space: the case of Belgium, paper presented at the International Conference on the Theory of regulation: present situation and future prospects,
Barcelona, 16-18 June.
Kesteloot, C. (2003a), Urban socio-spatial configurations and the future of European cities,
Paper prepared for the Eurex on line seminar 2003, 5-20th February.
Kesteloot, C. (2003b), Verstedelijking in Vlaanderen: Problemen, kansen en uitdagingen voor
het beleid in de 21ste eeuw, in Boudry, L. e.a. (red), De Eeuw van de Stad. Over
stadsrepublieken en rastersteden. Voorstudies in opdracht van de Administratie
Binnenlandse Aangelegen-heden Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
Kesteloot, C. m.m.v. S. Meys (2008), Achtergestelde buurten in Vlaanderen en Brussel,
Instituut voor Sociale en Economische Geografie, KU Leuven, Leuven.
Keulen, M. (2007): In Vlaanderen is het beter wonen dan in Nederland, www.livios.be,
geraadpleegd op 20 aug.
King, P (2002), Who needs postmodernism?, in Housing , Theory & Society, vol. 19, p. 76-78
Khan, H.A. (2003), On Paradigms, Theories and Models, in Problemas del Desarrollo, vol.
34, p. 149-155
Klein, N (2007), De Shockdoctrine, De Geus, Breda.
94
Krase, J. (1982), Self and community in the city, University Press of America, Lanham MD.
Kuhn, T.S., (1970), The Structure of Scientific Revolutions, 2nd ed., Univ. of Chicago Press,
Chicago.
Kuhn, T.S., (1970). Reflections on my Critics, in Kuh, T., Lakatos, I. & A. Musgrav (eds.),
Criticism and the Growth of Knowledge, Cambridge University Press, Cambridge.
Leidelmeijer, K. & I. Van Kamp (2003), Kwaliteit van de leefomgeving en leefbaarheid, naar
een begrippenkader en conceptuele inkadering. RIGO Research en Advies, Bilthoven.
Listokin, D., Wyly, E.K., Voicu, I. & B. Schmitt (2003), Known Facts or Reasonable
Assumptions? An Examination of Alternative Sources of Housing Data, in Journal of
Housing Research, vol. 13, p. 219-251.
Loeckx A. & B. De Meulder (2003), Wonen op zoek naar stedelijkheid, dichtheid en
duurzaamheid, in Boudry, L. e.a. (red),De Eeuw van de Stad. Over stadsrepublieken en
rastersteden. Voorstudies in opdracht van de Administratie Binnenlandse Aangelegenheden
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
Loopmans, M. (2002), From hero to zero: armen en stedelijk beleid in Vlaanderen, in Ruimte
en Planning, jg. 22, nr. 1, p.39-49.
Maes, P. (2002), Afbakenen van stedelijke gebieden in Vlaanderen. Een doorslag van het
compacte stadsmodel?, in Ruimte & Planing, jg. 22, nr. 4, p. 334-338.
Mallet, S. (2004), Understanding home: a critical review of the literature, in The Sociological
Review, nr. 1, p. 62-89
Maslow, A. (1954), Motivation and Personality (2nd edition: 1970), Harper, New York.
Matznetter, W. (2006), Quo vadis, comparative housing research? Paper presented at the
ENHR conference "Housing in an expanding Europe: theory, policy, participation and
implementation", Ljubljana, Slovenia, 2 - 5 July 2006.
Meulemans, B. & P. Willemé (1999), Wonen becijferd. Woonbehoeften in Vlaanderen 1991 –
2010, in: De Decker, P. (red.), Wonen onderzocht 1995-1999, Ministerie van de Vlaamse
Gemeenschap, Brussel.
Meert. H. & M. Bourgeois (2005a), Marginale woonvormen: Een drieledig interpretatiekader,
in: De Decker, P., Goossens, L. & I. Pannecoucke, (2005, eds), Wonen aan de onderkant,
Garant, Antwerpen.
Meert, H. &M. Bourgeois (2005b), Between Rural and Urban Slums: A Geography of Pathways Through Homelessness, in Housing Studies, vol. 20,, p. 107–125
Meert, H., Cabrera, P., Christensen, I., Koch-Nielsen, I., Maas, R., & E. Maurel (2004), The
changing profiles of homeless people. Homelessness in the written press, a discourse
analysis, Feantsa: European Federation of National Organisations Working with the
Homeless, Brussels.
Meesters, J. (2006), Finding the meaning of dwelling in everyday activities, Paper presented
at the ENHR conference "Housing in an expanding Europe: theory, policy, participation and
implementation", Ljubljana, Slovenia, 2 - 5 July 2006
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, (1998), Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Leefmilieu en Infrastructuur, Admi-
95
nistratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen, Afdeling
Ruimtelijke Planning, Brussel.
Moore, J. (2000), Placing home in context, in Journal of Environmental Psychology, vol. 20,
p. 207-217
Moortgat, W. & B. Vandekerkchove (2007), Ruimtelijke analyse van de migratie in en naar
Vlaanderen, in Ruimte & Planning, jg. 27, nr. 4, p. 6-17.
Mougenot, C., (1988), Promoting the single-family house in Belgium: the socialconstruction
of model housing, in International Journal of Urban and Regional Research, vol. 12, p. 531547.
Myers, D. (1999), Cohort longitudinal estimation of housing careers, in Housing Studies,
vol. 14, p. 473–490.
Novack, G.(1972), Understanding History, Pathfinder Press, New York.
Ozüekren, S. & R. Van Kempen (2002), Housing careers of minority ethnic groups:
experiences, explanations and prospects, in Housing Studies, vol. 17, p. 365-379
Oxley, M. (2001), Meaning, science, context and confusion in comparative housing research,
in Journal of Housing and the Built Environment, vol. 16, p. 89–106.
Pahl, R.E. (1975): Spatial and social constraints in the city, in The Geographical Journal, nr.
141, p. 386-387.
Padgett, D. (2007), There’s no place like (a) home: ontological security among persons with
serious mental illness in the United States, in Social Science & Medicine, vol. 64, p. 1925–
1936.
Pannecoucke, I., Geurts, V., Van Dam, R., De Decker, P., Goossens, L. & B. Cantillon
(2001), Profiel van de sociale huurder en subjectieve beleving van de realisaties van de
sociale huisvesting, OASeS/CSB, UFSIA, Antwerpen.
Pickles, A., Davies, R. (1991), The empirical analysis of housing careers: a review and a
general statistical framework, in Environment and Planning A, 23, p. 465–484.
Porteous, D., Smith, S. (2001), Domicide. The Global Destruction Of Home, McGill-Queen's
University Press, Montreal.
Priemus, H. (1978), Volkshuisvesting; begrippen, problemen en beleid, Alphen aan de
Rijn/Brussel.
Pred, A. (1981), Space and Time in Geography. Essays Dedicated to Torsten Hägerstrand,
Institute of Geography/CWK Gleerups, Lund.
Quilgars, D., Jones, A., Elsinga, M. & J. Toussaint (2005), Qualitative, comparative housing
research: Some reflections on methodology, Paper presented at the ENHR conference in
Reykjavik, Iceland, June 2005
Rakoff, R. M. (1977), Ideology in everyday life: the meaning of the house, in Politics and
Society, vol. 7, p. 85-104
Rapoport, A. (1988), Levels of meaning in the built environment, in: Poyatos, F. (1988, ed),
Cross-cultural perspectives in nonverbal communication, C.J. Hogrefe, Toronto,
Reijndorp, A. (2004), Stadswijk. Stedenbouw en dagelijks leven, NAi Uitgevers, Rotterdam
96
Reijndorp, A. e.a. (1998), Buitenwijk. Stedelijkheid op afstand, NAi Uitgevers, Rotterdam
Rowlands, R. & C.Gurney (2000), Young people’s perceptions of housing tenure: a case
study in the socialisation of tenure prejudice, in Housing Theory and Society, vo1. 17, p.
121–130.
Saey, P. (1988), De zelfperceptie voorbij: ruimtelijke ordening als praktisch project, in Planologisch Nieuws, jg. 8, nr. 2, p. 54-66.
Saey, P. (1988), De zelfperceptie voorbij: ruimtelijke ordening als praktisch project, in Planologisch Nieuws, jg. 8, nr. 4, p.180-194.
Saey, P. (1989), De zelfperceptie voorbij: ruimtelijke ordening als praktisch project, in
Planologisch Nieuws, jg. 9, nr. 2, p. 18-30.
Saey, P. (1990), De zelfperceptie voorbij: ruimtelijke ordening als praktisch project, in
Planologisch Nieuws, jg. 10, nr. 2, p. 97-109
Saey, P. (1993), De maatschappelijke situering van de structuurplanning, in Planologisch
Nieuws, jg. 13, nr. 3, p. 230-236.
Saey, P. (1994), Kan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gerealiseerd worden?, in
Planologisch Nieuws, jg. 14, nr. 2, p. 90-101.
Saey, P. (1995), Omtrent de maakbaarheid van de samenleving door ruimtelijke planning,
deel 1, in Planologisch Nieuws, jg. 15, nr. 2, p. 159-167.
Saey, P. (1995) Omtrent de maakbaarheid van de samenleving door ruimtelijke planning,
deel 2, in Planologisch Nieuws, jg. 15, nr. 4, p. 279-299.
Saey, P. (2001) Listen very carefully, I’ll say it once again, in Ruimte & Planning, jg. 21, nr.
3, p. 252-256.
Saey, P. (2003) Voorbij de zelfperceptie? Over het geïntegreerd gebiedsgericht beleid, in
Ruimte & Planning, jg. 23, nr. 1, p. 43-60.
Sahlin, I. (1996), From deficient planning to ‘incapable tenants’. Changing discourses on
housing problems in Sweden, in Scandinavian Housing and Planning Research, vol. 13, p.
167–181.
Saunders, P. (1989), The meaning of home in contemporary English culture, in Housing
Studies, vol. 4, p. 177-192
Saunders, P. & Williams, P. (1988), The Constitution of the Home: Towards a. Research
Agenda, in Housing Studies, vol. 3, p. 81 - 93.
Savage, M., Bagnall, G. & B. Longhurst (2006), Globalization and belonging, Sage Publications, London
Sennett, R. & J. Cobb (1972), The hidden injuries of class, Norton, New York.
Sixsmith, J. A. (1986), The meaning of home: an exploratory study of environmental
experience, in Journal of Environmental Psychology, vol. 6, p. 281-298
Smith, S. G. (1994), The essential qualities of a home, in Journal of Environmental
Psychology, vol. 14, p. 31-46
Somerville, P. (1989), Home sweet Home: a critical comment on Saunders and Williams, in
Housing Studies, vol. 4, p. 113-118.
97
Somerville, P. (1992), Homelessness and the meaning of home: rooflessness or
rootlessness?, in International Journal of Urban and Regional Research, vol. 16, p. 529539.
Somerville, P. (1997), The social construction of home, in Journal of Architectural and
Planning Research, nr. 3, p. 226-245
Sommerville, P. (2002), But why social constructionism?, in Housing, Theory & Society, vol.
19, p. 78-79
Somerville, P. & B. Bengtsson (2002), Constructionism, Realism and Housing Theory, in
Housing, Theory and Society, vol. 19, p. 121–136.
Soper, K. (1993). A Theory of Human Need, in New Left Review, nr. 197, p. 113-128.
Stoop, R. & M. Albertijn (2003), Beter een goede buur dan een verre vriend. Bewoners van
Antwerpse sociale woning over de leefbaarheid van hun omgeving, Stad Antwerpen.
Störig, H.J. (2000), Geschiedenis van de filosofie, Het Spectrum, Utrecht.
Strauss, A. & J. Corbin (1998), Basics of qualitative research. Techniques and procedures
for developing grounded theory, Sage Publications, Thousand Oaks.
Surkyn, J. & R. Lesthaeghe (1999), Een raming van de socio-demografische woningbehoefte
in Vlaanderen aan de hand van de LIPRO-huishoudensprojectie (1996-2016), n: De Decker,
P. (red.), Wonen onderzocht 1995-1999. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel.
Tratsaert, K. (1998): Stads(v)lucht maakt vrij. Analyse van de verhuisstromen en een
bevraging van de verhuismotieven en woonwensen van jonge gezinnen in het Leuvense,
HIVA, Leuven.
Tratsaert, K. (1999), Stadvlucht maakt vrij, in, Planologisch Nieuws, jg. 19, nr. 2.
Tratsaert K. & S. Winters (2006). Onderzoek in Vlaanderen 1995-2005 en databanken met
perspectieven voor verder onderzoek met betrekking tot de woonconsument, kenniscentrum
woonbeleid. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Woonbeleid, Brussel.
Travers, M. (2004), The Philosophical assumptions of Constructionism, in Jacobs, M., 2004
e.a., Social Constructionism in Housing Research, Ashgate Publishing, Aldershot.
Trigg, A. B. (2004), Deriving the Engel Curve: Pierre Bourdieu and the Social Critique of
Maslow's Hierarchy of Needs, in Review of Social Economy, vol. 62, p. 393 – 406.
Uitermark, J. (2003a), De sociale controle van achterstandswijken. Een beleidsgenetisch
perspectief, KNAG, Utrecht.
Uitermark, J. (2003b), Beheersing door verweving, in Ruimte en Planning, jg 23, nr. 3, p.
177-196.
Uyttenhove, P., (1989), Architectuur, stedebouw en planologie tijdens de Duitse bezetting: de
moderne beweging en het Commissariaat-Generaal voor ’s lands wederopbouw (1940-1944),
in Belgisch tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, vol. XX, p. 465-510.
Van Caudenberg, A. & H. Heynen (2004), The rational kitchen in the interwar period in
Belgium: Discourses and Realities, in Home Cultures, nr.1, p. 23-50.
98
Vander Kerken, H. (1976), Het verloren gaan van de woonfunctie in de kerngemeenten van de
stedelijke agglo-meraties, in Bekaert, G., Van Reeth, B. & E. Van Broekhoven (red.): Omtrent
Wonen, SESO, Antwerpen, p. 179-231.
Van Nuffel, N. (2005), Regionalisering van de woonmarkt. Een onderzoek naar de ruimtelijke
structurering van het nederzettingspatroon in Noord-België 1990/91-1995/96, Proefschrift
Doctor in de Geografie, Universiteit Gent.
Van Nuffel, N. & P. Saey (2006), Geografen gaan vreemd. Regionale woonmarkten en
ruimtelijke planning, in Ruimte en Planning, jg. 26, p. 9-21
Van Regenmortel, T. e.a. (2006), Zonder (t)huis. Sociale biografieën van thuislozen getoetst
aan de institutionele en maatschappelijke realiteit, Lannoo Campus, Leuven.
Verhetsel, A., Witlox, F. & N. Tierens (2003), Jongeren en wonen in Vlaanderen.
Woonsituatie, woonwensen en woonbehoeften, De Boeck, Antwerpen.
Verhetsel, A., Wtilox, F. & N. Tierens, (2004). Woonbehoeften en woonwensen van jongeren
in Vlaanderen en Brussel, in Ruimte & Planning, jg. 24, nr. 1, pp. 18-46.
Wacquant, L. (1989), Towards a Reflexive Sociology: A Workshop with Pierre Bourdieu, in
Sociological Theory, nr. 1, p. 26-63.
Wong, Y.I. (1997), Patterns of homelessness: a review of longitudinal studies, in Culhane,
D.P. & S.P. Hornburg (eds) Understanding homelessness, Fannie Mae Foundation,
Washington.
Wong, Y.I. & I. Paliavin (1997), A dynamic analysis of homeless-domicile transi-tions, in
Social Problems, vol. 44, nr. 3, p. 408-123.
Ytrehus, S. (2001), Interpretation of Housing Needs – a Critical Discussion, in Housing,
Theory and Society, vol. 17, p. 166-174.
Electronische bronnen
http://en.wikipedia.org/wiki/Commodity_fetishism. Geraadpleegd op 25/10/07
http://www.rainforestinfo.org.au/background/maxneef.htm. Geraadpleegd op 26/11/07
http://www.gripvzw.be
99
100

Vergelijkbare documenten