Bedienings- en montagehandleiding Gas - Uni

Commentaren

Transcriptie

Bedienings- en montagehandleiding Gas - Uni
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Bedienings- en montagehandleiding
Gas/persluchtventiel
EPV(O)...(N)R
Inhoudsopgave
1.0
Algemeen
1.1 Ventielgegevens
1.2 Bedoeld gebruik
2.0
Veiligheidsinstructies
2.1 Veiligheidsrelevante begrippen
2.2 Veiligheidsinstructie
2.3 Gekwalificeerd personeel
2.4 Eigenmachtige ombouw en fabricage van reserveonderdelen
2.5 Niet-toegestane bedrijfsmodus
2.6 Veiligheidsinstructie voor de toepassing op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen richtlijn 94/9/EG
3.0
Omgang
3.1 Transport
3.2 Opslag
3.3 Omgang vóór de montage
4.0
Productbeschrijving
4.1 Functie
4.2 Technische gegevens
4.3 Identificatie
5.0
Montage
5.1 Veiligheidsinstructies bij montage, bediening en onderhoud
5.2 Inbouw
6.0
Bedrijf
6.1
6.2
6.3
6.4
Eerste inbedrijfstelling
Buitenbedrijfstelling
Onderhoud
Opnieuw in bedrijf stellen
7.0
Het lokaliseren en verhelpen van storingen
7.1 Fouten zoeken
7.2 Foutzoekschema
8.0
Demontage van het ventiel
8.1 Het vervangen van slijtdelen
9.0
Garantie
10.0
Uitleg over regelgeving
11.0
Tekeningen
11.1
Flensversie / schroefdraadversie
11.2
Aanzichttekening
11.3
Regelklep
11.4
Stuklijst
12.0
Verklaring van overeenstemming
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 1 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
1.0 Algemeen
Deze bedieningshandleiding bevat de instructies om het ventiel veilig, op de voorgeschreven manier, in te
bouwen en te kunnen gebruiken. Als aanvulling hierop dient u, afhankelijk van elektromagnetische
aandrijving van de regelklep (805), de bijbehorende bedieningshandleiding (BTA) van de fabrikant
in acht te nemen.
Als hierbij problemen optreden die u niet met behulp van de bedieningshandleiding kunt oplossen, moet u
bij de fabrikant meer informatie opvragen.
Bij gebruik van het ventiel buiten de Bondsrepubliek Duitsland moet de exploitant (of degene die
verantwoordelijk is voor het ontwerp van de installatie) ervoor zorgen dat voldaan wordt aan de
betreffende nationale regelgeving. In deze bedieningshandleiding wordt vereist dat de gebruiker
gekwalificeerd is zoals beschreven in paragraaf 2.3 ‘Gekwalificeerd personeel’. Het bedienend personeel
moet conform de bedieningshandleiding worden geïnstrueerd. De bedieningshandleiding moet altijd op
de standplaats van de installatie beschikbaar zijn.
1.1 Ventielgegevens
Fabrikant:
UNI Geräte Mangelmann
Elektrotechnische Fabrik GmbH
Holtumsweg 13
D-47652 Weeze
Telefoon:
+49 (0) 2837/9134-0
Fax:
+49 (0) 2837/1444
E-Mail:
[email protected]
Homepage: www.uni-geraete.de
Omschrijving
Direct reagerend, stroomloos open, onder veerbelasting staand gasafsluiter met persluchtaandrijving.
Typegoedkeuring
DIN EN 161
DIN EN 13611, DIN 3394-1
conform 2009/142/EG
groep 2
klasse 0
Bedrijfsdruk:
1 – 4-EPV(O)…NHR..
3 – 4-EPV(O)…NHR..
5 – 4 EPV(O)…NHR..
6 – 4-EPV(O)…NHR..
10 – 4-EPVO…N(H)-4R
Mediumtemperatuur:
-20 °C tot + 60 °C
Bedrijfsdruk:
63 – 4-EPVO…N-4R..
Mediumtemperatuur:
-20 °C tot + 150 °C
Omgevingstemperatuur:
-20 °C tot + 60 °C
Inbouwpositie:
met staande of liggende aandrijving
Schakelfrequentie:
500 schakelbewegingen/uur
Flensaansluitmaten volgens DIN EN 1092-2 / ANSI
DN-flens
PN
Prod. Id. 15
20 25
ANSI-flens
ANSI CE-0085 1/2" 3/4" 1”
1-4-EPV(O)..NHR..
16
3-4-EPV(O)..NHR..
16
5-4-EPV(O)..NHR..
16
6-4-EPV(O)..NHR..
16
10-4-EPVO..N(H)-4R..
16
AS0513
O
O
X
63-4-EPVO..N-4R..
63
AS0513
X
X
-
40
11/2”
O
O
-
0 - 1 bar
0 - 3 bar
0 - 5 bar
0 - 6 bar
0 - 10 bar
0 - 63 bar
50
2”
X
-
65
21/2”
O
X
-
80
3“
O
O
-
100
4“
O
-
150
6“
O
-
Beproeving
druk (*) PT
PT 6
PT 6
PT 10
PT 10
PT 16
PT 63
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 2 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Flensaansluitmaten volgens DIN 2999 deel 1
G-draad
PN Prod. Id.
1/2
3/4
BeproevingsCE-0085
druk (*) PT
10-4-EPVO..-4R..
16
AS0513
X
PT 16
(*) Beproevingsdruk te controleren de externe lekkage "GEEN PRESTATIE”
X EU-typegoedkeuring conform 2009/142/EG, O keuringscertificaat 3.2 mogelijk, - niet beschikbaar
Stuurmedium:
Stuurdruk:
Elektrische aansluiting regelklep:
lucht, stikstof -20 °C tot + 60 °C
minimale –stuurdruk: tweede cijfer op het typeplaatje.
Maximale. –stuurdruk 10 bar (bijv. 4-10 bar)
zie de gegevens op het typeplaatje van de regelklep.
1.2 Bedoeld gebruik
De gas/persluchtventielen EPV(O)...(N)H))R.. van UNI Geräte worden toegepast om gas-armaturen te
bewaken op lekkage en voor het afblazen van een overschot aan weggelekt gas, bijv. volgens DIN EN
746-2.
De ventielen zijn geschikt voor gassen van categorie 1, 2 en 3 conform G260, en ook voor neutrale
gassen. Een variant van speciaal materiaal is geschikt voor agressieve gassen zoals biogas, rioolgas en
stortplaatsgas conform G262.
Voor andere dan de hier vermelde toepassingen moet de exploitant zorgvuldig controleren of de
uitvoering van het ventiel, de toebehoren en de materialen geschikt is voor de betreffende toepassing.
Het toepassingsgebied van het ventiel valt onder de verantwoordelijkheid van de planner van de
installatie. Die levensduur van het ventiel bedraagt 20 jaar.
2.0 Veiligheidsinstructies
2.1 Veiligheidsrelevante begrippen
De waarschuwingsbegrippen GEVAAR, VOORZICHTIG en AANWIJZING worden in deze
bedieningshandleiding toegepast bij instructies over speciale gevaren en voor buitengewone situaties
waarvoor speciale markeringen vereist zijn.
GEVAAR! betekent dat bij veronachtzaming levensgevaar bestaat en/of aanzienlijke
materiële schade kan optreden.
VOORZICHTIG! betekent dat bij veronachtzaming kans bestaat op persoonlijk letsel
en/of materiële schade.
OPMERKING! betekent dat speciale aandacht wordt besteed aan de relatie tussen
verschillende technische aspecten.
De niet speciaal gemarkeerde andere transport-, montage-, bedrijfs- en onderhoudsinstructies en
technische gegevens (in de bedieningshandleidingen, de productdocumentatie en op het apparaat zelf)
moeten ook in acht worden genomen om storingen te voorkomen die op hun beurt indirect of direct
persoonlijk letsel of materiële schade kunnen veroorzaken.
2.2 Veiligheidsinstructie
Het negeren van de veiligheidsinstructies kan leiden tot verlies van alle rechten op schadevergoeding.
Het negeren van de veiligheidsinstructies kan de volgende gevaren tot gevolg hebben:

het uitvallen van belangrijke functies van het ventiel / de installatie;

gevaar voor persoonlijk letsel door elektrische of mechanische oorzaken;

de aanraakbescherming bij bewegende onderdelen mag nooit worden verwijderd als het ventiel
in bedrijf is;
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 3 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R

(vertaling)
weglekkende gevaarlijke media (bijv. explosieve, giftige of hete media) moeten zo worden
afgevoerd dat geen gevaar voor personen en het milieu ontstaat. De wettelijke voorschriften
moeten worden nageleefd.
2.3 Gekwalificeerd personeel
Personen zijn ‘gekwalificeerd’ als zij ervaring hebben met het opstellen, monteren, in bedrijf stellen,
bedienen en onderhouden van het product, en die beschikken over de voor hun werkzaamheden en
functie vereiste kwalificatie op het gebied van de bedrijfsveiligheid, bijvoorbeeld:

geïnstrueerd zijn over, en verplicht zijn tot het naleven van alle toepassingsspecifieke, regionale
en bedrijfsinterne voorschriften en eisen;

opgeleid of geïnstrueerd zijn volgens de normen van de veiligheidstechniek over de verzorging
en het gebruik van passende veiligheids- en werkvoorzieningen;

een EHBO-training hebben gevolgd..
2.4 Eigenmachtige ombouw en fabricage van reserveonderdelen
Het ombouwen of wijzigen van het ventiel is uitsluitend toegestaan na overleg met de fabrikant. Ten
behoeve van de veiligheid raadpleegt u hierbij de originele tekeningen en gebruikt u door de fabrikant
goedgekeurde toebehoren. Bij gebruik van andere onderdelen en bij eigenmachtig aangebrachte
constructieve veranderingen aan de ventiel door derden is de fabrikant niet aansprakelijk voor de
eventuele gevolgen daarvan.
2.5 Niet-bedoeld gebruik
De bedrijfszekerheid van het geleverde ventiel is alleen gewaarborgd bij bedoeld gebruik volgens
hoofdstuk 1 van de bedieningshandleiding. De op het typeplaatje vermelde toepassingslimieten
mogen in geen geval worden overschreden.
2.6
Veiligheidsinstructie voor de toepassing op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen richtlijn 94/9/EG

De temperatuur van het medium mag niet hoger zijn dan de temperatuur van de betreffende
temperatuurklasse, of niet hoger dan de maximaal toegestane mediumtemperatuur zoals
vermeld in de bedieningshandleiding.

Als de armatuur wordt verwarmd (bijv. met een verwarmingsmantel), moet de temperatuur
binnen de in de installatie voorgeschreven temperatuurklasse vallen.

De armatuur moet worden geaard.
Dit is het gemakkelijkst te realiseren via een getande ring onder een buisleidingbout.
Anders moet met andere maatregelen zoals bijv. kabelbruggen de aarding worden
gewaarborgd.

Regelkleppen, elektro- en elektrisch/mechanische aandrijvingen en sensoren moeten aan een
eigen CE-keuring volgens ATEX worden onderworpen. Hierbij moeten de in de betreffende
bedieningshandleidingen vermelde relevante veiligheids- en explosieveiligheidsinstructies in
acht worden genomen.

Elke wijziging van de klep is verboden wanneer er wijzigingen aan de klep (door te schilderen)
zal de ATEX-goedkeuring met onmiddellijke ingang vervallen.

Verandert alleen na overleg met het bedrijf UNI-Geräte.
Daarnaast verwijzen wij u naar de richtlijn 95/C332/06 (ATEX 118a) met de basisvoorschriften ter
bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers die in een explosieve atmosfeer aan
het werk zijn.
3.0 Omgang
3.1 Transport
Bij alle transportwerkzaamheden moeten de algemeen aanvaarde technische voorschriften en de
ongevallenpreventievoorschriften beslist worden nageleefd.
Bij transport, opslag en buitenbedrijfstelling van het ventiel moeten de flenzen met flensbeschermkappen,
of de schroefdraadopeningen met sluitdoppen worden afgedicht.
Behandel de transportgoederen zorgvuldig. Tijdens het transport moet het ventiel tegen schokken, slagen
en trillingen worden beschermd. Het lakwerk mag niet beschadigd raken.
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 4 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
De transporttemperatuur moet liggen tussen –20 °C en +60 °C.
Til het ventiel bij het transport nooit op aan de leidingen of componenten van de
persluchtaandrijving.
Transporteer het ventiel met behulp van een gordel onder de persluchtaandrijving.
Transporteer het ventiel in een krat of op een pallet met een zachte ondergrond en zet deze voorzichtig
op een op een vlakke vloer. Laat het ventiel bij het neerzetten nooit steunen op de buizen of
componenten.
Direct na de goederenontvangst moet de levering op volledigheid en transportschade worden
gecontroleerd. Zie ook paragraaf 9.0.
3.2 Opslag
Als het ventiel bij aflevering niet onmiddellijk wordt geïnstalleerd, moet het op de juiste wijze worden
opgeslagen.

Opslagtemperatuur -20 °C tot +60 °C, op een droge en schone plaats.

Het lakwerk beschermt tegen corrosie in een neutrale droge atmosfeer. kleur niet beschadigen.

Voorkom condensvorming in vochtige ruimtes met een droogmiddel of door verwarming.
Houd u steeds aan de eisen volgens DIN 7716 (voor producten van rubber).
3.3



Omgang vóór de montage
Bij versies met beschermkappen moet u deze kort vóór de inbouw verwijderen.
Bescherm het ventiel tegen weersinvloeden zoals natheid.
Behandeling volgens de voorschriften beschermt tegen beschadigingen.
4.0 Productbeschrijving
Het gas/persluchtventiel EPV(O)...(N)H))R... is een automatisch direct gestuurd, stroomloos open, snel
openend afblaasventiel conform DIN EN 13611 en DIN 3394-1, DIN EN 16678 met persluchtaandrijving.
De aandrijving wordt geactiveerd door een 3/2-weg regelklep met elektromagnetische aandrijving, type
10-EVD 2 of 10-EVD 2/2401.
De ventielconstructie staat afgebeeld in de doorsneetekening, afb. 1 tot afb.4 in paragraaf 11.1.
4.1 Functie
Door de 3/2-weg regelklep (805) te openen, stroomt via aansluiting 3  2 het stuurmedium onder de
aandrijfzuiger (217). Het stuurmedium drukt de aandrijfzuiger (217) tegen de drukveren (503) en sluit via
de klepspil (205) de onder druk staande klepschotel (200). Het ventiel is dan gesloten.
Het ventiel gaat open als de stroomvoorziening voor de regelklep (805) wordt uitgeschakeld, uitvalt of
wordt onderbroken. Het gecomprimeerde stuurmedium in de persluchtaandrijving wordt via de
snelontluchting (601), de geluiddemper (600) en de regelklep (805) afgeblazen. De aandrijving KA70
wordt alleen over het regelklep (805) ontspannen.
4.2 Technische gegevens
Sluittijden:
0,7 - 1 s, afhankelijk van de nominale doorlaat
Openingstijden:
0,3 - 1 s
Typen aandrijvingen en luchtverbruik in standaardliters (NL) per schakeling bij 4 bar stuurdruk
DN-flens
15
20
25
40
50
65
80
100
ANSI-flens
1/2"
3/4“
1“
11/2“
2“
21/2“
3“
4“
KA 70
1-4-EPV(O)..NHR..
1 NL
3-4-EPV(O)..NHR..
-
-
-
KA 70
1 NL
-
-
5-4-EPV(O)..NHR..
-
-
-
-
-
-
KA 120
5 NL
150
6“
KA 120
5 NL
KA 120
5 NL
-
-
-
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 5 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
DN-flens
ANSI-flens
6-4-EPV(O)..NHR..
10-4-EPVO..N(H)-4.R..
63-4-EPVO..N-4.R..
G-draad
10-4-EPVO..-4R..
15
1/2"
20
3/4“
25
1“
40
11/2“
50
2“
-
-
-
-
-
KA 70
1 NL
KA 70
1 NL
KA 70
1 NL
KA 70
1 NL
KA 70
1 NL
KA 120
5 NL
KA 120
5 NL
KA 120
5 NL
KA 120
5 NL
-
-
-
-
1/2
3/4
-
KA 70
1 NL
65
21/2“
80
3“
100
4“
150
6“
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Luchtverbruik voor 10 bar stuurdruk: vermenigvuldig de tabelwaarde met 2,2
Max. ventielbelasting door buisleidingkrachten volgens DIN EN 161
De vermelde aandraaimomenten mogen niet langer dan 10 s worden aangehouden.
DN
15
20
25
32
40
50
65
80
100
50
86
125
160
200 2501) 3251) 4001)
Torsie
Nm
225
340
475
610 1100 1600 2400 5000
Buiging
Nm 105
1)
Niet van toepassing bij ventielen met flenzen
Aandraaimomenten bij gesmeerde buisleidingbouten
DN
15
20
25
32
40
30
30
50
50
Aandraaimoment Nm 30
1)
Niet van toepassing bij ventielen met flenzen
501)
50
651)
50
Aandraaimomenten bij gesmeerde productbouten en -moeren
Bout
M6
M8
M10
M12
5
11
22
39
Aandraaimoment Nm
801)
50
M16
70
125 150
6000 7600
100
80
M20
110
125
160
150
160
M24
150
4.3 Identificatie
Het typeplaatje op de persluchtaandrijving bevat de volgende gegevens:









Fabrikant:
Ventieltype, nominale diameter, druk- temperatuurwaarden, inbouwpositie
Bouwjaar / fabrieksnr.
Product-ID-nr.
na 2009/142/EG
Ventielklasse en –groep
volgens DIN 161, DIN EN 13611, DIN 3394-1
CE-markering en nr. van de aangeduide positie conform 2009/142/EG
Vloeistofgroep en testdruk PT
conform 2009/142/EG
Persluchtaandrijving
Stuurmedium, pmin en pmax voor stuurmedium
Zie voor de afstellingen ook paragraaf 10.0.
5.0 Montage
5.1
Veiligheidsinstructies bij montage, bediening en onderhoud
GEVAAR!
De veilige werking van het ventiel is alleen gewaarborgd als het door gekwalificeerd
personeel (zie punt 2.3 ‘Gekwalificeerd personeel’) correct en met inachtneming van
de waarschuwingen in deze bedieningshandleiding is geïnstalleerd, in bedrijf is
gesteld
en
wordt
onderhouden.
Daarnaast
moeten
of
de
bedrijfsveiligheidsverordeningen worden nageleefd en de gereedschappen en
persoonlijke beschermingsmiddelen vakkundig worden gebruikt. Bij alle
werkzaamheden aan, en de omgang met het ventiel moet de bedieningshandleiding
van het ventiel beslist worden nageleefd.
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 6 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Bij gebruik van het ventiel als eindafsluiter wordt aanbevolen om bij reparatiewerkzaamheden een
veiligheidsvoorziening te gebruiken, bijvoorbeeld een blindplaat, blinde flens enz., zoals aanbevolen door
de beroepsorganisatie voor gas- en waterinstallateurs..
5.2 Inbouw
Naast de algemeen geldende montagerichtlijnen moet op de volgende punten worden gelet:









OPMERKING!
Verwijder de flensafdekkingen of de schroefdraadsluitdoppen.
In het inwendige van het ventiel en van de buisleiding mogen zich geen vreemde
deeltjes bevinden.
Houd bij de inbouwpositie rekening met de doorstroomrichting. Zie de
markeringen op het ventiel.
Centreer de pakkingen tussen de flenzen.
De aansluitflenzen moet goed op elkaar passen.
Zorg voor een spanningsvrije inbouw.
Het ventiel mag niet als vast punt dienen, het wordt gedragen door het
buisleidingstelsel.
Bescherm ventielen tegen verontreiniging, vooral bij bouwwerkzaamheden.
Thermische uitzetting van de buisleiding moet door compensatoren worden
opgevangen.
Volgens DIN 3394-1 en DIN EN 161 moet vóór elk gasafsluiter een vuilvanger worden ingebouwd. De
maasopening van de zeef moet kleiner zijn dan 1,5 mm en mag een teststift van Ø 1 mm niet doorlaten.
De vuilvanger mag niet te ver van het ventiel worden ingebouwd. De vuilvangers uit de serie SFR van
UNI Geräte zijn in combinatie met de gas/persluchtventielen toegelaten voor het gebruik volgens
2009/142/EG.
Het ventiel kan met een staande of liggende persluchtaandrijving worden ingebouwd. Wij adviseren om
een elektromagnetische regelklepaandrijving te combineren met een staande aandrijving. De
persluchtbesturing moet op aansluiting 3 worden aangesloten. Voor de regelklep adviseren wij een
luchtfilter met een maasopening van 40 µm.
OPMERKING!
Neem de bedieningshandleiding (BTA) van de regelklep in acht.
6.0 Bedrijf
GEVAAR!
Vóór elke inbedrijfstelling van een nieuwe installatie en vóór het opnieuw in bedrijf
stellen van een installatie na reparaties of ombouw moeten de volgende punten
worden gecontroleerd:

Zijn alle inbouw- en montagewerkzaamheden correct voltooid.

De inbedrijfstelling mag alleen door ‘Gekwalificeerd personeel’ worden uitgevoerd
(zie paragraaf 2.3).

De aanwezige beveiligingsvoorzieningen moeten weer worden aangebracht of
gerepareerd.
6.1
Eerste inbedrijfstelling
Vóór de inbedrijfstelling moeten de gegevens over materiaal, druk, temperatuur en
stromingsrichting worden gecontroleerd aan de hand van het installatieschema van het
buisleidingstelsel.

Afhankelijk van het toepassingsgebied moeten de lokale voorschriften worden nageleefd,
bijvoorbeeld de bedrijfsveiligheidsverordening.

Achtergebleven deeltjes in de buisleidingen en het ventiel (vuil, lasdruppels, enzovoort) zullen
onherroepelijk lekkages veroorzaken.

Controleer het ingebouwde ventiel op lekkages.

________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 7 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
6.2

(vertaling)
Buitenbedrijfstelling
Afhankelijk van het toepassingsgebied moeten de lokale voorschriften worden nageleefd,
bijvoorbeeld de bedrijfsveiligheidsverordening.
6.3 Service / onderhoud
Gas/persluchtventielen moeten regelmatig op hun juiste werking en op inwendige lekkages worden
gecontroleerd. De intervallen voor periodieke controles moeten aan de hand van de bedrijfscondities door
de exploitant worden vastgelegd.
UNI-Geräte adviseert een revisie om de 2 jaar,
behalve op 63-4-EPVO ... N-4R .. (DN15 en DN20) schrijft UNI-Geräte een revisie van het ventiel een
keer per jaar voor, maar in ieder geval na de volgende perioden:
Gebruikstemperatuur
≤ 25°C
> 25°C
DN ≤ 25
150 000
50 000
≤ DN 80
75 000
25 000
≤ DN 150 > DN 150
25 000
20 000
25 000
5 000
6.4 Opnieuw in bedrijf stellen
Bij het opnieuw in bedrijf stellen van het ventiel moeten steeds alle stappen worden herhaald die worden
aangegeven in de paragrafen 5.2 (inbouw) en 6.1 (eerste inbedrijfstelling).
7.0 Het lokaliseren en verhelpen van storingen
7.1
Fouten zoeken
GEVAAR!
Bij het zoeken naar fouten moeten de veiligheidsvoorschriften beslist worden
nageleefd.
Als u de storingen niet kunt verhelpen aan de hand van de onderstaande tabel ‘Foutzoekschema (7.2)’,
moet u contact opnemen met de fabrikant.
Bij storingen in de werking of het gedrag moet u controleren of de montagewerkzaamheden volgens deze
bedieningshandleiding zijn uitgevoerd en voltooid.
Afhankelijk van het toepassingsgebied moet de bedrijfsveiligheidsverordening worden nageleefd..
De gegevens over materiaal, druk, temperatuur, spanning en stromingsrichting moeten worden
vergeleken met de installatieschema van het buisleidingstelsel. Bovendien moet worden gecontroleerd of
de gebruiksomstandigheden overeenkomen met de in het gegevensblad en op het typeplaatje vermelde
technische gegevens.
7.2
Foutzoekschema
Storing
Geen doorstroming
Te weinig
doorstroming
Lekkage bij klepzitting,
het inwendige is niet
lekdicht
Geen uitwendige
lekdichtheid
Ventiel sluit te traag
Mogelijke oorzaken
Persluchtaandrijving gaat niet open
Flensafdekkingen zijn niet verwijderd
Verstopping in het buisleidingstelsel
Klepschotelpakking (400)
door ongerechtigheden
Maatregel
Regelklep (805) uitschakelen!
Geluiddemper (600) reinigen
Flensafdekkingen verwijderen
Buisleidingstelsel controleren
beschadigd Zie paragraaf 8 of vervang het ventiel
Pakkingen beschadigd
Zie paragraaf 8 of vervang het ventiel
Ontluchtingsgat in de veerdop (112) Gat openen
afgesloten
Te lage stuurdruk
Stuurdruk controleren
Kabeladers beschadigd (te kleine Geknikte besturingskabels vervangen
doorsnede)
Ventiel opent te traag Vuil in de besturingsleiding
Geluiddemper (600) reinigen
Ontluchtingsleiding reinigen
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 8 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
Storing
(vertaling)
Mogelijke oorzaken
Ventiel sluit niet
Regelklep gaat niet open
Vuil in de besturingsleiding
Maatregel
Controleer of er spanning op staat
Eventueel het filter in de besturingsleiding
reinigen
kleine Geknikte besturingskabels vervangen
Kabeladers beschadigd (te
doorsnede)
Bouten aan één kant aangetrokken Buisleiding uitlijnen, nieuw ventiel
(contraflens niet in één lijn)
monteren
Flensbreuk
(ventielbuisleiding)
OPMERKING!
Volg bij montage- en reparatiewerkzaamheden paragraaf 9.0!
Volg bij het opnieuw in bedrijf stellen paragraaf 6.4.
8.0 Demontage van het ventiel
Naast de algemeen geldende montagerichtlijnen en de verordening over de bedrijfsveiligheid moeten de
volgende punten in acht genomen worden:





GEVAAR!
Drukloos buisleidingsysteem.
Afgekoeld medium.
Geleegde installatie.
Bij bijtende, brandbare, agressieve of toxische media het buisleidingsysteem verluchten.
Montagewerken alleen door gekwalificeerd personeel (zie punt 2.3) laten uitvoeren.
8.1 De slijtdelen vervangen
Het ventiel volgens deel 6.2 buiten bedrijf nemen.
Het stuurventiel (805) uitschakelen en de stuurleiding van de pneumatische aandrijving demonteren.
Handleiding voor afb. 1, 2 en afb. 3
In Afb. 3 demontage Eindschakelaar
Eindschakelaars (803) spanning is uitgeschakeld. Open eindschakelaar (120). Draai
de schroeven (941) en verwijder de schakelactor (513) van de eindschakelaar
terspindel (243) en te verwijderen. Verwijder spindelgeleiding (212/4) op te lossen.
Verwijder de eindschakelaar (120) en de ring (906) vanaf het veerhuis (112).
GEVAAR!
De pneumatische aandrijving openen.
De koepel staat onder veerspanning. Minstens twee tapstiften (236) moeten in
de koepel vastgeschroefd blijven.
Open de afsluitkraan en draai deze eruit. Verwijder twee tegenover elkaar liggende tapeinden (236) en
vervang deze door draadeinden (zie tabel).
Aandrijvingsgrootte
Tapstang
KA70
M6 × 250
KA120
M10 × 450
KA 160
M12 × 450
KA200
M16 × 500
KA250
M20 × 750
De tapstangen met de moeren handvast aantrekken en de resterende stiftschroeven (236) losmaken en
verwijderen.
OPMERKING!
De koepel (112) wordt in het begin tegen de moeren van de tapstang gedrukt.
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 9 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
De moeren aan de tapstangen losdraaien zodat de drukveer (503) ontlast wordt.
Tapstangen en koepel (112) verwijderen. Veergeleiding (204), drukveer (503) en pneumatische cilinder
(111) demonteren. De moer (901/x) losdraaien. Veerschotel (216), aandrijfzuiger (217) en dichtstuk (226)
verwijderen.
De cilinderschroeven (910) losdraaien. Afstandstuk (110) en spindelgeleiding (212/x) via de ventielspindel
(205) aftrekken.
Afb. 1 Flensuitvoering tot DN 100
De zeskantschroeven (900) losdraaien. De behuizingsflens (108), met ventielspindel
(205) en ventielschotel (200) compleet uit de ventielbehuizing (100) trekken.
Afb. 2 Flensuitvoering vanaf DN 125
De zeskantschroeven (900) losdraaien. De behuizingsflens (108), met ventielspindel
(205) en ventielschotel (200) compleet uit de ventielbehuizing (100) trekken.
Voor de demontage van de ventielspindel (205) de tapstift (941/1) losmaken. De ventielspindel (205) wordt gedemonteerd door de spindelmoer (219) los te maken.
OPMERKING!
De tweedelige ring (218) valt uit.
Afb.3 63-4-EPV(O)...N-4R Flensuitvoering
Draai de zeskantschroeven (900) en verwijder met veerring (905/1). Behuizing flens
(108) aan de spindelgeleiding (212/1) vanaf het kleplichaam (100) te verwijderen. Het
ventiel (205) en klepplaat (200 *) trek volledig uit het klephuis (100).
OPMERKING!
In de reserveonderdelenkit bevindt zich een complete ventielschotel (200*) resp.
spindelgeleiding (212#).
De met een (* of #) gekenmerkte positienummers worden als complete eenheid geleverd.
Abb. 4 10-4-EPVO...-4R Tapuitvoering
De behuizingsmoer (101) losmaken en verwijderen. De ventielspindel (205) met ventielschotel (200) compleet uit de ventielbehuizing (100) trekken.
OPMERKING!
In de reserveonderdelenkit bevindt zich een complete ventielschotel (200*) resp.
spindelgeleiding (212#).
De met een (* of #) gekenmerkte positienummers worden als complete eenheid geleverd.
Het ventiel in omgekeerde volgorde samenbouwen.
De ventielspindel (205) in het bereik van de lipringen (404) en in het bereik van de tweedelige ring (218)
met smeermiddel Staburags N32 of gelijkwaardig (DVGW-toelating) invetten.
De pneumatische cilinder (111) in het bereik van de aandrijfzuiger (217) met smeermiddel Staburags
NBU 30 invetten.
VOORZICHTIG
De dichtingelementen correct installeren en niet tijdens de montage beschadigen.
Het ventiel volgens DIN 3394-1, DIN EN 16678 op inwendige en uitwendige dichtheid controleren, en aan
een functiecontrole onderwerpen.
9.0 Garantie
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 10 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
De garantiedekking en garantietermijn staan vermeld in de op het moment van de levering geldende
versie van de
‘Algemene voorwaarden van de firma UNI Geräte E. Mangelmann Elektrotechnische Fabrik GmbH’ of in
de koopovereenkomst zelf.
Wij garanderen een foutloze werking bij de meest recente technische inzichten en het aangegeven
bedoeld gebruik.
Voor schade als gevolg van een verkeerde bediening, van het negeren van deze bedienings- en
montagehandleiding, en van het negeren van de veiligheidsvoorschriften en de normen EN, DIN, VDE en
andere voorschriften, kan geen aanspraak worden gemaakt op garantie en/of schadevergoeding.
Schade die tijdens het gebruik ontstaat als gevolg van toepassingsomstandigheden die afwijken van het
gegevensblad of van andere afspraken, valt eveneens buiten de garantie.
Gerechtvaardigde klachten zullen achteraf door ons (of door een door ons aangewezen gespecialiseerd
bedrijf) worden verholpen.
Aanspraken die buiten de garantievoorwaarden vallen, zijn uitgesloten. Er kan geen aanspraak gemaakt
worden op een vervangende levering.
Onderhoudswerkzaamheden, de inbouw van onderdelen die gemaakt zijn door andere fabrikanten,
wijziging van de constructie en natuurlijke slijtage vallen buiten de garantie.
Mogelijke transportschade moet niet bij ons, maar onmiddellijk bij uw verantwoordelijke
goederenontvangststation, bij de spoorwegmaatschappij of bij de expediteur worden gemeld, omdat
anders uw aanspraken op garantie bij deze bedrijven komen te vervallen.
10.0
Uitleg over de regelgeving
De Raad van de Europese Unie heeft voor het vrije goederenverkeer binnen de EU gemeenschappelijke
richtlijnen uitgevaardigd waarin minimumeisen voor de veiligheid en de bescherming van de gezondheid
zijn vastgelegd. Met de CE-markering wordt bevestigd dat producten voldoen aan de EU-richtlijnen, dat
wil zeggen dat ze voldoen aan de betreffende, en met name aan de geharmoniseerde normen. Voor het
gas/afblaas/persluchtventiel gelden de richtlijnen 2009/142/EG en 97/23/EG.
Informatie over richtlijn 2009/142/EG (gasverbruikinrichtingen):
De ventielen werden met inachtneming van de geharmoniseerde norm DIN EN 161 (DIN EN 13611, DIN
3394-1) ontwikkeld, gebouwd en getest en voldoen aan de betreffende eisen van de richtlijn
2009/142/EG. Dit werd, voor zover niet apart gedocumenteerd, door een typekeuring bevestigd.
Informatie over richtlijn 97/23/EG (drukapparatuurrichtlijn):
Aan de fabrikant UNI Geräte E. Mangelmann Elektrotechnische Fabrik GmbH werd bevestigd dat de
kwaliteitszorg bij het ontwerpbeheer, de fabricage en de eindcontrole voldoet aan de eisen van 97/23/EG
Bijlage III, module H. De gas/persluchtventielen voldoen aan de algemene eisen van richtlijn 97/23/EG.
Ventielen met een toegestane bedrijfsdruk van ≤ 0,5 bar, DN ≤ 25, en ook conform categorie I en conform
94/396/EEG gecertificeerde producten vallen niet onder 97/23/EG. De markering ‘conform 97/23/EG’ mag
alleen bij producten worden toegepast die onder de Europese richtlijn voor drukapparatuur vallen en die
in categorie I of hoger geclassificeerd werden. Tot vloeistofgroep 1 behoren explosiegevaarlijke,
ontvlambare en giftige media. Vloeistofgroep 2 bevat media die buiten vloeistofgroep 1 vallen.
Opmerking bij richtlijn 94/9/EG (explosieveiligheidsrichtlijn ATEX):
Het product valt niet onder de richtlijn 94/9/EG omdat bij de in de praktijk optredende belastingen ook bij
eventuele fouten geen effectieve ontstekingsbron ontstaat. Dit geldt ook voor onder veerspanning
staande componenten zoals de persluchtaandrijving. Bij elektrische aandrijvingen, sensoren en andere
elektrische componenten moet de toepassing ervan apart worden getest conform 94/9/EG.
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 11 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
11.0
Tekening
11.1
Afb. 1 Flensversie 1/3/5/6/10-4 EPV(O)...N(H)R..
= set reserveonderdelen
X = optionele eindschakelaaraanbouw
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 12 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Afb. 2 Klepschotels vanaf DN 125 Flensversie
Afb. 3 Flensversie 63-4-EPVO..N-4R..
A
941
513
212/4
403/7
906
204
112
243
097
943
503
905/4
236
216
246
217
226
403/1
805
403/2
111
905/3
403/3
901
205*
505
110
212/3#
404/2#
403/5#
910
212/2#
905/2
403/8#
403/4#
100
405/1#
400*
200*
405/2
116.001.765
212/1
403/6
108
404/1
905/1
966
900
A
= set reserveonderdelen
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 13 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Afb. 4 Schroefdraadversie 10-4-EPVO...-4R..
= set reserveonderdelen
X = optionele eindschakelaaraanbouw
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 14 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
11.2
(vertaling)
Aanzichttekening
Flensversie
Afb. 1 1-10-4-EPV(O)..N(H)R..
Afb. 3
63-4-EPVO..N-4R...
C
F
E
B/B`
D
A
Schroefdraadversie
Afb. 4 10-4-EPVO 7-4R..
B`= maat voor de keuring van de veerdop.
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 15 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
11.3
(vertaling)
Regelklep
Aansluiting 1 = ontluchting
Aansluiting 2 = aandrijving
Aansluiting 3 = besturingsperslucht
11.4
Afzonderlijke onderdelen
Pos./ item
Stuks/ Qty
Omschrijving
097
1
Eindschakelaar
100
1
Ventielhuis
101
1
Behuizingsmoer
108
1
Behuizingsflens
110
1
Afstandsstuk
111
1
Pneumatische cilinder
112
1
Veerdop
200
1
Klepschotel
201
1
Schotelschijf
202
1
Ventielstuk
204
1
Veergeleiding
205
1
Klepspil
212
1
Spilgeleiding
212/1
1
Spilgeleiding
212/2
1
Spilgeleiding
212/3
1
Spilgeleiding
212/4
1
Spilgeleiding
216
1
Veerschotel
217
1
Aandrijfzuiger
218
1
Tweedelige ring
219
1
Spilmoer
226
1
Pakking
236
4
Tapeind
241
1
Klepschotelophanging
242
1
Schotelaanslag
243
1
Eindschakelaar spindel
400
1
Klepschotelpakking
402
1
Pakking
403/1
1
O-ring
403/2
1
O-ring
403/3
1
O-ring
403/4
2
O-ring
403/5
1
O-ring
403/6
1
O-ring
403/7
1
O-ring
Description
Limit switch mounting
Valve chamber/ housing
Housing nut
Housing flange
Spacer
Pneumatic cylinder
Spring cap
Valve disk
Disk plate
Valve piece
Spring guide
Valve spindle
Spindle guide
Spindle guide
Spindle guide
Spindle guide
Spindle guide
Spring disk
Drive piston
Two-piece ring
Spindle nut
Sealing piece
Stud
Valve disk mounting
Plate notice
Limit switch spindle
Valve disc sealing
Flat gasket
O-ring
O-ring
O-ring
O-ring
O-ring
O-ring
O-ring
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 16 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
Pos./ item
403/8
Stuks/ Qty
1
404/1
1
404/2
2/4
405/1
1
405/2
1
503
1
505
8
513
2
600/1
1
600/2
1
601
1
805
1
900
4/6
901/1
1
901/2
8
905/1
4/6
905/2
4
905/3
8
905/4
1
910
4
913
1
914/1
1
914/2
1
915
1
941/x
1
943
1
966
1
983
1
2)
Vervalt bij de KA 70
Reserveonderdelen
Versie
Flensversie
Schroefdraadversie
Afb.
Afb. 1
Afb. 3
Afb. 4
Afmetingen flensventielen
Bouwserie
DN
1-4-EPV(O)..NHR..
80
150
3-4-EPV(O)..NHR..
40
100
5-4-EPV(O)..NHR..
80
6-4-EPV(O)..NHR..
65
10-4-EPVO..N(H)-4R.
15
20
25
40
50
65
63-4-EPVO…N-4R..
15
20
(vertaling)
Omschrijving
O-ring (alleen bij uitvoeringen
zonder non-ferrometaal)
Lipring
Lipring
Schraapring
Schraapring
Drukveer
Beschermkap
Schakelactor
Geluiddemper
Geluiddemper
Snelontluchting
Regelklep
Zeskantbout
Zeskantmoer
Zeskantmoer
Borgring
Borgring
Borgring
Borgring
Cilinderkopbout
Rechte inschroefverbinding
Rechte opsteekadapter
Rechte opsteekadapter
Haakse inschroefverbinding
Schroefdraadpen
Spanstift
DU-bus
Ontluchtingsplug
Description
O-ring (only non-ferrous free metal
type)
Lip-ring
Lip-ring
Scraper ring
Scraper ring
Pressure spring
Protective cap
Switch actuator
Sound absorber
Sound absorber
Quick-venting mechanism
Control valve
Hex. head screw
Hex. nut
Hex. nut
Lock washer
Lock washer
Lock washer
Lock washer
Cylinder screw
Linear threaded screw connection
Linear put on adapter
Linear put on adapter
Angle threaded screw connection
Setscrew
Spring dowel sleeve
DU-liner
Exhaust plug
Type
1 bis 10-4-EPV(O..) DN15 – DN150
63-4-EPVO ..N-4R.. DN15, DN20
10-4-EPVO 7-4R...
A1) A*)
310
480
200
350
310
290
130
150
160
200
230
290
210
230
ANSI
3”
6”
11/2”
4”
3”
21/2”
1/2"
3/4"
1”
11/2”
2”
21/2”
1/2"
3/4"
B
420
600
390
570
540
520
355
355
360
480
490
525
354
354
B`
620
870
550
830
800
770
515
515
520
730
740
780
514
514
ØC
105
170
105
170
170
170
105
105
105
170
170
170
105
105
Reserveonderdeel
Set reserveonderdelen
Set reserveonderdelen
Set reserveonderdelen
D
150
230
150
230
230
230
150
150
150
230
230
230
144
144
E
225
350
175
320
290
270
165
165
165
250
260
300
135
135
F
145
220
110
155
145
125
82
82
90
110
115
125
89
89
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 17 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
Afmetingen schroefdraadventielen
Bouwserie
G
A
B
B`
ØC
D
E
F
105
320
480
105
150
135
60
10-4-EPVO..-4R..
3/4
A1) = bouwlengte volgens DIN (bijv. ANSI-flens en bouwlengte DIN, of flens en bouwlengte DIN)
A*) = bouwlengte volgens ANSI 150 lbs (zie blad lengte 225 100 026 armaturen op onze website)
B` = maat voor de keuring van de veerdop
12.0 Verklaring van overeenstemming
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 18 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 19 /20
uitgave 05/2014
Bedienings- en montagehandleiding
EPV(O)...(N)R
(vertaling)
________________________________________________________________________________________________________
220.100.127-18
TM 3381
Pagina 20 /20
uitgave 05/2014

Vergelijkbare documenten