gerard jan schoonenboom

Commentaren

Transcriptie

gerard jan schoonenboom
LITURGIE
voor de gedachtenisdienst van
GERARD JAN SCHOONENBOOM
Den Haag, 26 januari 1938
Den Haag, 27 augustus 2016
op maandag 5 september 2016
in de Maranathakerk te Den Haag
voorafgaande aan de begrafenis
op de Gemeentelijke Begraafplaats aan de Kerkhoflaan te Den Haag
Voorganger: ds. Martine Nijveld
Ouderling: Jan Goossensen
Lector: Hanneke Richter
Organist: Arie Eikelboom
Met medewerking van de cantorij o.l.v. Sarah Mareels
Koster: Marian van Duijvenvoorde
Woorden van welkom
Cantorij:
‘Hebe deine Augen auf zu den Bergen’ – Felix Mendelssohn (1809-1847)
psalm 121
Aansteken van de kaarsen op tafel, onder klokgelui
Bemoediging:
ambtsdrager:
Onze hulp is in de Naam van de Heer
allen: DIE HEMEL EN AARDE GEMAAKT HEEFT
Drempelgebed
Zingen:
psalm 119, vers 42 en 65
Wat Gij be-loofd hebt, is in eeuwigheid
mij
tot een deel en
er-fe-nis ge-ge - ven
waar - in mijn ziel zich dag aan dag verblijdt.
Uw wet, o HEER , staat in mijn hart ge-schreven,
uw wil doen is
U
mijn lust te al - len tijd,
te be-min-nen is geheel mijn le-ven.
Al uw geboden zijn gerechtigheid.
Ik prijs uw woord met juichende gezangen.
Uw rechterhand geleide mij altijd;
naar uw geboden richt ik al mijn gangen.
Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,
het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.
Lezing uit de psalmen:
psalm 139
(uit de Nieuwe Bijbelvertaling 2004)
Voor de koorleider. Van David, een psalm.
H EER , u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten,
ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op,
met al mijn wegen bent u vertrouwd.
Geen woord ligt op mijn tong,
of u, HEER, kent het ten volle.
U omsluit mij, van achter en van voren,
u legt uw hand op mij.
Wonderlijk zoals u mij kent,
het gaat mijn begrip te boven.
Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen?
Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan,
lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar.
Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraard,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.
Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht,’
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn –
de nacht zou oplichten als de dag,
het duister helder zijn als het licht.
U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof u voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.
Toen ik in het verborgene gemaakt werd,
kunstig geweven in de schoot van de aarde,
was mijn wezen voor u geen geheim.
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,
alles werd in uw boekrol opgetekend,
aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.
Hoe rijk zijn uw gedachten, God,
hoe eindeloos in aantal,
ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn.
Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.
God, breng de zondaars om,
– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam.
Zou ik niet haten wie u haten, HEER ,
niet verachten wie tegen u opstaan?
Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.
Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Zingen:
‘Uw woord omvat mijn leven’
lied 119a
(Liedboek 2013)
in wisselzang cantorij en allen
cantorij:
allen:
cantorij:
allen:
Op U laat ik mijn voorstaan,
ik ben aan U gehecht.
Waar Gij betrouwbaar voorgaat
ontvouwt zich weer een weg.
De paden die ik zelf bedacht
zijn doelloos doodgelopen.
Zij voerden in de nacht.
Uw woorden te herhalen
is honing in mijn mond.
Mij raakt niet meer het smalen
dat ik mij aan U bond.
Ik weet dat zwerven bitter smaakt,
maar heel mijn zoekend leven –
Gij hebt het zoet gemaakt.
God, laat mijn nooit verliezen
de vreugde om uw woord,
de moed mijn weg te kiezen
waar ik uw voetstap hoor.
En overtuig mij dag aan dag
dat Gij mij hebt geroepen,
ja, dat ik leven mag!
Evangelielezing: Matteüs 5 : 1 –10
(uit de Naardense Bijbel)
Maar als hij die scharen ziet
klimt hij op naar de berg;
als hij gaat zitten
komen zijn leerlingen tot hem.
Hij opent zijn mond
en is hen gaan onderrichten, zeggend:
zalig wie arm zijn aan de geestesadem,
omdat van hen is
het koninkrijk der hemelen;
zalig wie treuren,
omdat hun troost zal worden toegeroepen,
zalig de zachtmoedigen,
omdat zij de aarde zullen beërven,
zalig wie hongeren en dorsten
naar de gerechtigheid,
omdat zij zullen worden verzadigd;
zalig de ontfermers,
omdat zij ontferming zullen ervaren,
zalig de reinen van hart,
omdat zij God zullen zien;
zalig wie vrede stichten,
omdat zij zullen worden uitgeroepen tot
kinderen van God;
zalig wie worden vervolgd
vanwege gerechtigheid,
omdat van hen is
het koninkrijk der hemelen.
*
(Ps. 34, 19)
(Jes. 61, 2-3)
(Ps. 37, 11)
(Ps. 24, 4; 51, 12)
* of: arm zijn door de Geest
Zingen:
‘Jezus zal heersen waar de zon’
lied 871
(Liedboek 2013)
Het lied in alle talen zal
zijn liefde loven overal,
en uit de kindermond ontspringt
de lofzang die zijn naam omringt.
Zijn rijk is volle zaligheid,
wie was gevangen wordt bevrijd,
wie moe was komt tot rust voorgoed,
wie arm was leeft in overvloed.
Laat loven al wat adem heeft
de koning die ons alles geeft.
O aarde om dit nieuw begin
stem met het lied der englen in.
Overdenking
Orgelspel:
‘Ich ruf zu Dir, Herr Jesu Christ’ – Johann Sebastian Bach (1685-1782)
Zingen:
‘Zing voor de Heer een nieuw gezang!’, lied 655
Hij gaat u voor in wolk en vuur,
gunt aan uw leven rust en duur
en geeft het zin en samenhang.
Zingt dan de Heer een nieuw gezang!
Een lied van uw verwondering
dat nòg uw naam niet onderging,
maar weer opnieuw geboren is
uit water en uit duisternis.
De hand van God doet in de tijd
tekenen van gerechtigheid.
De Geest des Heren vuurt ons aan
de heilge tekens te verstaan.
Wij zullen naar zijn land geleid
doorleven tot in eeuwigheid
en zingen bij zijn wederkeer
een nieuw gezang voor God de Heer.
(Liedboek 2013)
Gebeden
waarbij wij telkens bidden:
voorganger:
allen:
… zo roepen wij U aan:
HEER , HOOR ONS GEBED
We gaan staan
Woorden van uitgeleide
Wij dragen Gerard uit tijdens het zingen van:
‘Jeruzalem, mijn vaderstad, mijn moederhuis’
lied 737
(Liedboek 2013) ,
vers 1, 2, 3, 4, 5, 15, 16, 17, 18 en 21
in wisselzang cantorij en allen
cantorij:
allen:
cantorij:
allen:
cantorij:
Daar is geen pijn en geen verdriet,
geen afgunst en geen nijd,
en angst en armoe zijn er niet
maar altijd vrolijkheid.
Daar is geen zon, daar is geen maan,
geen mist, geen duisternis,
maar 't licht komt van de troon vandaan
waar de Messias is.
En zeker is geen ziekte daar,
geen ongeluk, geen dood,
geen boze duivel, geen gevaar
en geen gebrek aan brood.
God geve mij, Jeruzalem,
dat ik eens op een dag
een pelgrim aan uw poorten ben
en dat ik binnen mag.
allen:
David is daar met harp en al,
koormeester van de stad,
Maria, denkend aan de stal,
zingt het magnificat;
allen:
Simeon heft zijn lofzang aan,
Mirjam en Hanna zijn
bij alle vrolijkheid vooraan
met trom en tambourijn.
allen:
Te Deum zingt Ambrosius
en alle vaders mee,
Johannes en Gregorius,
zingen laudamus te.
allen:
En Luther zingt er als een zwaan
en Bach, de grote Bach,
die mag de maat der englen slaan
de lieve lange dag.
allen:
Jeruzalem, mijn vaderhuis,
mijn moederstad, wanneer
zal ik u zien? Wij zijn op reis
naar u en naar de Heer!
Op de begraafplaats, aan het graf:
Woorden van afscheid en toevertrouwen…
We bidden:
Zegen
Onze Vader die in de hemelen zijt,
uw naam worde geheiligd;
uw Koninkrijk kome;
uw wil geschiede,
gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
en leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van de boze.
Want van U is het Koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid
in eeuwigheid.
Amen.

Vergelijkbare documenten