Advisors For African - Plate forme Souveraineté Alimentaire

Commentaren

Transcriptie

Advisors For African - Plate forme Souveraineté Alimentaire
Het belang van boerenorganisaties
bij het Belgisch beleid voor
duurzame landbouw en voedselzekerheid
De concrete invulling van beleidsvoorstellen van
NGO’s aan de minister van
Ontwikkelingssamenwerking
Frans van Hoof
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
AFAFO, advisors for African Farmers Organisations
Erica 33
5091 EC Middelbeers
Nederland/Netherlands/Pays-Bas
E-mail: [email protected]
Tel: +31 13 5142075
Fax: +31 13 5142113
2
Juli 2009
De meningen zoals weergegeven in dit rapport worden niet noodzakelijkerwijze gedeeld en onderschreven door de opdrachtgevers
van de missie en zijn dan ook uitsluitend voor rekening van de consultant.
Over de auteur
Frans van Hoof heeft jarenlang vanuit verschillende functies met Afrikaanse boerenorganisaties gewerkt en heeft zich nu gevestigd als onafhankelijk adviseur van deze organisaties
uit Sub-Sahara Afrika. Hij assisteert hen bij strategische planningen, analyseert met hen het
interne functioneren van de organisatie, haar relaties met andere belangrijke spelers in de
agrarische sector, en de kwaliteit van haar dienstverlening aan de leden. Ook ondersteunt hij
ontwikkelingsorganisaties bij ontwikkelen van beleid ten opzichten van boerenorganisaties in
Afrika.
Opdrachtgevers
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Inhoud
Gebruikte afkortingen 4
Samenvatting 5
1. Inleiding 8
2. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking en Landbouw en Voedselzekerheid 10
3. De actoren van de landbouwsector binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking 19
4. Situatie in twee partnerlanden 23
5. De problemen die hebben geleid tot de NGO – aanbevelingen aan minister
Michel 27
6. Referentiekader 30
7. Concretere invullingen van de aanbevelingen 32
8. Actieplan of opvolgingsplan 44
Bijlagen 46
3
Gebruikte afkortingen
4
ACP
ASARECA
BNI
BOF
BTC
CFA
CGIAR
CORAF
CSA
CTB
DGOS
DR
DZG
EAFF
EPA
EU
FAO
FANR
FARA
FWA
FUPRO
HLTF
IAASTD
IFAD
ISP
Afrika, Carraïben en Pacific
Association for Strengthening
Agricultural Research in East and
Central Africa
Bruto Nationaal Inkomen
Belgisch Overlevingsfonds
Belgische Technische Coöperatie
Comprehensive Framework for
Action
Consultative Group on
International Agricultural
Research
Conseil Ouest-africain pour la
Recherche et le Développement
Agricole
Collectif Stratégie Alimentaire
Coopération Technique Belge
Directie -Generaal
Ontwikkelingssamenwerking
Democratische Republiek
Dierenartsen Zonder Grenzen
Easter Africa Farmers Federation
Economic Partner Agreement
Europese Unie
Food and Agriculture Organisation
Food Agriculture and Natural
Resource Department
Forum for Agricultural Research in
Africa
Fédération Wallone de
l’Agriculture
Fédération des Unions de
Producteurs (Bénin)
High Level Task Force
International Assessment of
Agricultural knowledge, Science
and Technology
for Development
International Fund for Agricultural
Development
Indicatief
Samenwerkingsprogramma
ITG
LA
LCD
LDC
MOD’s
MOL
NGO’s
ODA
O.S.
PFPN
ROPPA
SADC
UNCDF
UNHRC
VN
VSF
WB
WECARD
WFP
WSM
Instituut voor Tropische
Geneeskunde
Latijns Amerika
Louvain Coopération au
Développement
Least Developed Countries
Millennium
Ontwikkelingsdoelstellingen
Minst Ontwikkeld Land
Niet-gouvernementele
Organisaties
Official Development Assistance
Ontwikkelingssamenwerking
Plateforme Paysanne du Niger
Réseau des Organisations
Paysannes et des Producteurs
Agricoles de
l’Afrique de l’Ouest
Southern African Development
Community
United Nations Capital
Development Fund
United States Human Rights
Council
Verenigde Naties
Vétérinaires Sans Frontières
Wereldbank
West and Central African Council
for Agricultural Research and
Development
World Food Program
Wereld Solidariteit / Solidarité
Mondiale
Samenvatting
In maart 2008 legde de Coalitie van Belgische NGO’s tegen de honger een serie beleidsaanbevelingen voor aan de federale minister voor Ontwikkelingssamenwerking met als doel de Belgische
inspanningen om de millenniumdoelstellingen in 2015 te halen, op te schroeven en de effectiviteit
van die inspanningen te verbeteren. Een aantal van die aanbevelingen werden vrij snel overgenomen door de minister, anderen lieten echter op zich wachten. Reden voor de NGO’s om nog eens
naar de aanbevelingen te kijken en te proberen om ze nog concreter te maken. Met dit doel kwam
het onderliggende rapport tot stand via een opdracht uitgevoerd door een afhankelijk adviseur.
Tijdens de opdracht werden allerlei referentie documenten doorgenomen en werd vooral met
een groot aantal betrokken personen gesproken om een goed beeld te krijgen van de huidige situatie van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking met betrekking tot het thema “duurzame
landbouw en voedselzekerheid”. De tocht langs deze belangrijke actoren leidde de consultant van
Leuven naar Brussel, Gent, Gembloux en via Rome naar Niamey en Dosso in Niger, en naar Cotonou en Natitingou in Benin. Eén van de centrale vragen was steeds: En hoe zijn boeren en hun
belangrijke organisaties hier bij betrokken? Hoe kunnen zij de formulering en de uitvoering van
de Belgische projecten die boeren als doelgroep hebben, beïnvloeden? Wat maakt dat zij tot nu toe
buitenspel blijven staan?
De Belgische Ontwikkelingssamenwerking voor landbouw en voedselzekerheid bestaat kortweg
uit drie belangrijke kanalen. De bilaterale samenwerking met concentratielanden waarmee twee
concentratie sectoren worden overeengekomen, de multilaterale samenwerking via de VN-instellingen (FAO, IFAD, WFP, CGIAR, …) en de niet-gouvernementele samenwerking via voornamelijk Belgische NGO’s en Universiteiten.
Na een aantal jaren van budgetdaling zit er onder de huidige minister weer een stijgende lijn in de
Belgische ODA. De stijging lijkt echter vooral naar de multilaterale instellingen te gaan waarvan
de effectiviteit echter niet altijd overtuigend is.
Daarnaast dient vastgesteld te worden dat het door de NGO’s gevraagde aandeel van 10% - 15%
voor landbouw in het gehele ontwikkelingsbudget reeds bijna gehaald is en geen werkelijke inspanning is in vergelijking tot de enorme uitdaging die er ligt om de groeiende wereldbevolking de
komende jaren op een rechtvaardige en gezonde wijze te voeden.
Van de 18 concentratielanden hebben slechts vijf landen duidelijk voor landbouw gekozen, in vijf
landen moet binnenkort de keuze nog gemaakt worden. Dit aantal weerspiegelt niet het belang van
een verhoogde landbouwproductie en voedselzekerheid binnen het Belgische beleid.
Dankzij nieuwe instructies binnen DGOS worden Belgische NGO’s en lokale autoriteiten voortaan meer betrokken bij de voorbereiding van de Gemengde Commissies binnen de bilaterale
5
samenwerking. Echter het maatschappelijk middenveld en met name de boerenorganisaties van
het betrokken partnerland blijven de grote afwezigen terwijl zij best geplaatst zijn om de stem van
de doelgroep te laten horen tijdens deze overleggen.
6
De Belgische bilaterale en multilaterale hulpprogramma’s voorzien meestal middelen ter versterking van het maatschappelijk middenveld in de partnerland. Deze steun loopt echter via de overheidsdiensten van dat land waardoor er niet langer sprake is van een onafhankelijk middenveld
tussen overheid en bedrijfswereld dat de belangen van het overgrote deel van de bevolking verdedigt. Te vaak worden telkens opnieuw lokale boerengroepen opgezet in functie van het project en
wordt niet bijgedragen aan het versterken van de bestaande boerenbeweging, die bestaat op alle
niveaus van het land, maar alleen vaak nog tamelijk zwak is.
Van de multilaterale instellingen, heeft in feite allen het IFAD een duidelijk beleid gericht op het
ondersteunen van boerenorganisaties, en beschikt over een consultatieve structuur om haar beleid
door boeren te laten beïnvloeden (Farmers’ Forum). Bij de andere VN-instellingen is de mondelinge wil aanwezig maar vertaalt zich dat nog onvoldoende in concreet beleid en actie in de
landen.
Een groot aantal Belgische NGO’s zijn actief in de sector “landbouw en voedselzekerheid” en vaak
in dezelfde landen, maar van onderling overleg of van overleg met andere actoren ter plaatse is nog
veel te weinig sprake. Ook het aantal NGO’s echt actief binnen de Coalitie tegen de honger is op
dit moment nog beperkt. De manier waarop NGO’s samenwerken met boerenorganisaties en deze
ondersteunen is heel verschillend van NGO tot NGO en vraagt om verbetering en in veel gevallen
om een centralere rol voor de boerenorganisaties op district en nationaal niveau.
De ontwikkelingssamenwerking van de Belgische universiteiten lijkt voor het moment vrij onzichtbaar en op zichzelf staand ten opzichte van de andere kanalen van ontwikkelingssamenwerking. De wijze van administratie van de financiering daarvan door het DGOS draagt hier aan bij.
Sinds 2008 heeft het ministerie een denktank landbouw en voedselzekerheid in het leven geroepen
en ook een beleidsverantwoordelijke voor deze sector benoemd op niveau van DGOS. Deze goede
stap in de richting naar meer overleg en coherentie binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking dient verder verbeterd te worden door de samenstelling en van de denktank nog eens kritisch
te bekijken met het oog op een grotere effectiviteit.
Het ministerie heeft het afgelopen jaar haar strategienota voor landbouw en voedselzekerheid laten evalueren en een nieuwe nota zal de komende maanden het licht zien. Het is van belang dat
deze nota met behulp van een goed consultatie proces, expliciete keuzes maakt die overduidelijk
bijdragen aan het bereiken van de millenniumdoelstellingen.
Belangrijke factoren voor landbouwontwikkeling in elk land zijn: een goed landbouw- en handels
beleid dat haar eigen productie daar waar nodig beschermd; ondersteuning van de wetenschappelijke kennisontwikkeling als basis voor productieverhoging in de landbouw; een democratische
infrastructuur ter ondersteuning van alle aspecten van de voedselketens.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Belangrijkste concrete beleidsaanbevelingen:
• Versterking van het maatschappelijk middenveld moet een onderdeel zijn van alle projecten.
• Deze versterking moet uitgevoerd worden door zusterorganisaties van datzelfde middenveld.
• Georganiseerde doelgroep moet actief zitting nemen in project stuurgroepen.
• Aandeel voor landbouw en voedselzekerheid in Belgische ODA moet groeien naar 25% in
2013.
• Haar Europese voorzitterschap zou door België aangegrepen moeten worden om ook op Europees niveau de aandacht voor landbouw en voedselzekerheid op te schroeven.
• Prioriteit moet hierbij gaan naar voedselproductie en familiale landbouw en met name naar
factoren die invloed hebben op een verhoogde duurzame productie en een eerlijke beloning.
• Naast productieverhoging moeten projecten aandacht hebben voor de toegang tot voedsel
voor zwakkere groepen in de samenleving (voedselzekerheid).
• Zonder tegenbewijs zou landbouw en voedselzekerheid één van de twee concentratiesectoren
moeten zijn in de ontwikkelingssamenwerking met elk de concentratielanden en 50% van het
budget moeten krijgen.
• Coherentiebewaking over de verschillende programma’s en actoren zal op de eerste plaats in
de betreffende partnerlanden moeten gebeuren.
• De Belgische attachés hebben echter een belangrijke rol te spelen in het hoog op de agenda
plaatsen van landbouw en voedselzekerheid, de betrokkenheid van boerenorganisaties en
maatschappelijk middenveld in het algemeen, het kiezen van het type van landbouw dat ondersteund wordt, zonder dat daarbij de principes van de verklaringen van Parijs en Accra
tekort wordt gedaan.
• De nieuwe strategienota moet eenduidig zijn voor alle kanalen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking .
• Zonder de denktank landbouw en voedselzekerheid haar informele karakter te ontnemen
dient haar functioneren verder verfijnd te worden om haar effectiviteit als uitwisselingsinstrument effectiever te maken.
• Vanuit de Coalitie tegen de honger moet er actiever gewerkt worden richting de betrokken
attachés, zowel in Brussel, in de partnerlanden en bij de VN-instellingen, met name om boerenorganisaties centraler te betrekken bij landbouwontwikkeling binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking.
• Maar eerst zullen de NGO’s samen met de Belgische boerenorganisaties zelf verder moeten
nadenken en uitwisselen over hoe boerenorganisaties in de ontwikkelingslanden het best versterkt kunnen worden.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
7
1. Inleiding
8
In 2005 stelden de Belgische NGO’s vast dat nog maar weinig vooruitgang was geboekt met betrekking tot de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen (MOD’s) en besloten tot een speciale
campagne (“2015 De Tijd Loopt” aan Vlaamse kant en “Coalition contre la Faim” aan Franstalige
zijde) om de aandacht te vestigen op deze situatie. Vanuit de beide koepels van NGO’s vormen
sindsdien een achttal geïnteresseerde NGO’s1 een nationale werkgroep die actie voert om het tij te
doen keren en de inspanningen vanuit de Belgische Ontwikkelingssamenwerking voor de MOD’s
te laten verhogen.
In dat kader worden sinds najaar 2007 met enige regelmaat briefings, ronde tafels en colloquia
georganiseerd met als doel meer begrip en betrokkenheid te kweken bij de federale parlementsleden en beleidsmakers voor voedselzekerheid en duurzame landbouw als hefboom voor ontwikkeling. Belangrijke deel thema’s waren: (de visie van) boerenorganisaties in het Zuiden, de Belgische
steun via multilaterale instellingen, de coherentie binnen en tussen verschillende beleidsdomeinen, belangrijke internationale rapporten over het thema (WB, UNHRC, IAASTD).
Tijdens het colloquium van maart 2008 over ondermeer het 2008 Wereldbankrapport Agriculture for Development hebben de betrokken NGO’s een serie aanbevelingen gedaan aan de aanwezige federale minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Deze aanbevelingen behelsden met
name een verhoging van het aandeel voor landbouw in het federale budget voor O.S. in lijn met
het belang van deze sector, in een maximum aantal partnerlanden zou landbouw één van de twee
concentratie sectoren moeten zijn, de nood aan een beleidsverantwoordelijke voor landbouw en
voedselzekerheid bij DGOS, de evaluatie en herschrijving van de betreffende strategienota en een
betere sturing/controle van het beleid op basis van die nota. Daarnaast verzochten de NGO’s dat
het beleid zich meer zou richten op familiale landbouw en zulks via boerenorganisaties, ook voor
wat betreft de Belgische steun aan multilaterale instellingen, en dat er meer coherentie zou zijn
tussen de verschillende actoren en beleidsdomeinen op de verschillende niveaus, en dat die coherentie bewaakt moest worden.
Op een aantal van deze aanbevelingen werd door de minister reeds positief geantwoord: verhoging van het aandeel voor landbouw in het O.S. budget naar 10% in 2010 en 15% in 2015, de
benoeming van een beleidsverantwoordelijke op niveau van DGOS is een feit, de evaluatie van de
vorige strategienota is vergevorderd, een zekere aandacht voor duurzame familiale landbouw in de
algemene beleidsnota van de minister voor 2009, en er is een “denktank” in het leven geroepen die
de belangrijkste actoren van de sector (zowel overheid als niet-gouvernementele actoren) bijeen
brengt om elkaar nuttig te informeren en te bevragen.
Ondanks deze snelle en positieve reactie van de minister zijn de NGO’s van mening dat een
aantal aanbevelingen nog onvoldoende is overgenomen. Om dit laatste te vergemakkelijken is dan
besloten om met name die aanbevelingen verder uit te werken en ze concreter te maken. Hiervoor
werd een beroep gedaan op een externe consultant met ruime ervaring in het werken met boerenorganisaties in ontwikkelingslanden. De referentietermen voor deze opdracht zijn terug te vinden
in bijlage A.
De opdracht is uitgevoerd in een viertal fasen. Gedurende de eerste periode werden, naast een
analyse van een aantal beleidsdocumenten, de belangrijkste actoren uit de sector in België ontmoet met als doel een duidelijk beeld te krijgen van de visie en de concrete rol van deze en gene
1 BOERENBOND, CNCD, CSA, FIAN, OXFAM – SOLIDARITEIT, SOS FAIM, TRIAS, VREDESEILANDEN
binnen de landbouw en voedselzekerheid, alsook om hun mening te kennen over de betreffende
aanbevelingen.
Tijdens de tweede fase werd een bezoek gebracht aan een aantal multilaterale instellingen in
Rome: FAO, IFAD, en CGIAR (Bioversity International), en werd gesproken met een aantal boerenleiders van de subregionale boerenorganisaties uit Afrika (ROPPA en EAFF). Belangrijk aandachtspunt hier was, naast de relatie tussen België en deze instellingen, de betrokkenheid van
boerenorganisaties bij hun landbouwontwikkelingsprogramma’s maar ook bij hun beleidsformulering.
Vervolgens werden door de consultant in een tweetal landen, waar landbouw of plattelandsontwikkeling één van de concentratiesectoren is, Niger en Benin, gesprekken gevoerd met de belangrijkste spelers binnen die sector: ministerie van landbouw, nationale boerenorganisatie, Belgische
attaché, FAO, bilaterale ontwikkelingsprojecten, lokale boerenorganisaties en Belgische NGO’s.
Ook hier was de rol en betrokkenheid van boerenorganisaties bij de Belgische projecten een belangrijk aandachtspunt, maar ook de visie en capaciteit van boerenorganisaties werd bekeken.
Tot slot zijn de belangrijkste (nieuwe) aanbevelingen teruggekoppeld naar de NGO-werkgroep
en gedeeltelijk ook naar een bredere NGO–workshop over de samenwerking met boerenorganisaties. De reacties zijn voor zover mogelijk verwerkt in het onderliggende rapport.
Het initiatief voor deze opdracht werd, namens de Coalitie Tegen de Honger, genomen door
Vredeseilanden, die met financiering van DGOS, ook de kosten droeg, naast een bijdrage van
SOS Faim en Oxfam –Solidariteit. De uitvoering verliep zonder noemenswaardige problemen,
afgezien van de gebruikelijke beperkte beschikbaarheid van sommige belangrijke spelers binnen
de geplande tijdschema’s.
Het belang van de sector (Landbouw en Voedselzekerheid) is nog maar eens onderlijnd door de
voedselcrisis van het afgelopen jaar en de sociale gevolgen die deze heeft gehad met name voor de
zwakkere groepen in de samenleving van de landen in ontwikkeling. Gezien de structurele aard
van sommige van de oorzaken van die crisis, is een allesomvattende, en meer coherente aanpak
van de sector met daarin een centrale plaats voor de producenten van het voedsel: de boeren en
hun organisaties, van cruciaal belang.
Het recent akkoord tussen de federale Minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Belgische NGO’s, waarin eerstgenoemde zich verbindt tot de eerder genoemde budgetverhoging voor
landbouw en de bijzondere steun voor gezinslandbouw en voor boerenorganisaties, vormt een
goed vertrekpunt voor verdere structurele verbeteringen in het beleid en met name ook bij de
praktische toepassing daarvan, niet alleen door de Belgische overheid maar ook bij de NGO’s.
Onderliggend rapport hoopt daarvoor enkele concrete suggesties aan te reiken.
Juli 2009
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
9
2. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking en
Landbouw en Voedselzekerheid
2.1 Algemeen
10
De Belgische Ontwikkelingssamenwerking in het algemeen, en dus ook wat betreft de
sector Landbouw en Voedselzekerheid, vindt plaats langs verschillende kanalen. Het
overgrote deel is zogenaamde Officiële Ontwikkelingshulp (ODA) die na een daling
vanaf 2003, volgens de ramingen vanaf 2008 weer een stijgende lijn vertoont met als
doel in 2010 de internationale norm van 0,7% van het BNI te bereiken.
Een kleine driekwart van die ODA (2,6 miljard euro) moet dan via DGOS lopen, hetgeen slechts een dikke 50% was in 2006. Deze toename is mogelijk gezien het aandeel
van ODA dat naar schuldkwijtschelding gaat, geleidelijk aan afneemt. Naast schuldkwijtschelding gaan er ook ODA middelen naar conflictpreventie, naar de EU, naar
financiële instellingen (FOD) voor leningen, en naar de gewesten voor hun inspanningen op het gebied van O.S.
Het gedeelte dat via DGOS wordt beheerd wordt verdeeld over drie grote kanalen: de
bilaterale samenwerking, de multilaterale instellingen en de niet-gouvernementele sector. In 2007 bedroegen die respectievelijk 25%, 39% en 22% van het DGOS budget en
voorzag de begroting van 2008 een groei van respectievelijk 37%, 53% en 4% voor elk
van de kanalen. De tendens van een grotere groei bij het al grootste kanaal: de multilaterale instellingen zal zich volgens de ramingen ook de komende jaren voortzetten.
Beheersmatig is dat ook de gemakkelijkste vorm van de drie.
2.2 Bilaterale samenwerking
Om haar bilaterale samenwerking efficiënter te doen worden heeft België gekozen voor
concentratielanden en concentratiesectoren. Het beleid en het toezicht op de uitvoering
daarvan is in handen van het DGOS. De uitvoering van de verschillende projecten
valt onder het onafhankelijke agentschap BTC. Het monopolie van deze laatste op
de uitvoering van de Belgische projecten zal volgens verschillende bronnen2 op termijn
verdwijnen, hetgeen al het geval is voor de zogenaamde “gedelegeerde fondsen” waarop ook andere
spelers een beroep kunnen doen.
2 Zowel bij BTC als DGOS/attachés.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Met elk van de concentratielanden wordt een zogenaamd Indicatief Samenwerkingsprogramma (ISP) opgesteld met een gemiddelde looptijd van 4 jaar. Hierin worden de
concentratiesectoren, het soort projecten, en het budget vastgelegd. Aan de ondertekening van het ISP tijdens de Gemengde Commissie gaat een voorbereidende fase aan
vooraf van analyse, evaluatie, prioriteitstelling, enz. In het verleden was dit voornamelijk een zaak tussen de twee overheden. Sinds 2008 maar vooral sinds de nieuwe
instructies van DGOS aan de attachés van begin 2009 worden Belgische NGO’s in het
betreffende land bij deze voorbereiding betrokken. Aan de kant van het partnerland
worden nu ook lokale autoriteiten bij met name de evaluatie van lopende projecten
betrokken. Echter de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld (zoals afgesproken in de Verklaring van Accra) is slechts symbolisch in de vorm van één vertegenwoordiger van een nationale NGO en één vertegenwoordigster van een vrouwenorganisatie3. België beschouwt een bredere deelname van de civiele maatschappij als de
verantwoordelijkheid van het partnerland.
2.2.1 Concentratielanden
Momenteel heeft België 18 partnerlanden waarop zij haar ontwikkelingssamenwerking concentreert. Hiervan behoren er 10 (allemaal in Afrika) tot de zogenaamde ‘minst ontwikkelde landen’4.
Hieronder de lijst van deze landen met ook een indicatie van het budgetaandeel5 van de laatste ISP
voor landbouw of een daaraan verwante sector:
Algerije
Benin
LDC
Bolivia
Burundi
LDC
DR Kongo
LDC
Ecuador
Mali
LDC
Marokko
Mozambique
LDC
Niger
LDC
Palestijnse gebieden
Peru
Rwanda
LDC
Senegal
LDC
Tanzania
LDC
Oeganda
LDC
Vietnam
Zuid-Afrika
Solidariteit/Armoedebestrijding
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Landbouw
Plattelandsontwikkeling/Landbouw
Plattelandsontwikkeling/Voedselzekerheid
Landbouw/Voedselzekerheid
Plattelandsontwikkeling waarvan Landbouw
Plattelandsontwikkeling/Voedselzekerheid
geen landbouw
geen landbouw wel steun plattelandsvrouwen
Plattelandsontwikkeling
geen landbouw
Natuur en milieu/Districtontwikkeling
geen landbouw
geen landbouw
Landhervorming
14%
42%
25%
15%
3,5%
45%
32%
11%
19%
46%
44%
54%
12,5%
2.2.2 Landbouw als concentratiesector
Sinds 2008 streeft België er naar om haar bilaterale samenwerking te beperken tot een tweetal
concentratiesectoren. Bij een aantal partnerlanden die op dit moment nog wel een gedeelte van het
3 In het geval van Senegal.
4 Volgens de door de UNCTAD gehanteerde lijst na de driejaarlijkse review van 2006.
5 Gegevens berekend op basis van de huidige ISP’s en DGOS statistieken
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
11
12
budget aan landbouw besteden moet deze beperking tot slechts twee sectoren nog doorgevoerd
worden (Burundi, DR Kongo6, Rwanda, Tanzania, Zuid-Afrika).
Landen die sindsdien klaar en duidelijk voor landbouw en/of voedselzekerheid hebben gekozen
beperken zich tot de volgende vijf: Benin, Bolivia, Ecuador, Mali, Niger. Gezien het belang van
landbouw voor het halen van MOD 1 lijkt dit een mager aantal op de 18 landen. In verschillende
andere landen wordt dit jaar of volgend jaar echter een nieuw ISP uitgewerkt.
Een andere belangrijke concentratiesector is gezondheid, daarnaast kan ook onderwijs (vb. in
Oeganda) één van de twee sectoren zijn. Verder zijn er verschillende transversale thema’s zoals
gender, maatschappijopbouw, die in het verleden aparte thema’s waren en nu soms nog verder
gezet worden onder benamingen als sociale economie of plattelandsontwikkeling, waardoor het
transversale karakter van deze thema’s niet altijd goed tot zijn recht komt.
Momenteel laat DGOS de benamingen Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Voedselzekerheid
allemaal vallen onder de toegezegde verhoging tot 10 en 15% van het Ontwikkelingssamenwerkingbudget. Onder plattelandsontwikkeling kunnen echter heel andere deelsectoren vallen zoals
bijvoorbeeld energievoorziening (zoals in Mozambique). Daar staat tegenover dat onder de sector
“water” ook irrigatie ten behoeve van landbouw of watervoorziening voor vee kan vallen.
Het is dan ook moeilijk voor DGOS om precies aan te geven welke bedragen er daadwerkelijk naar landbouw en voedselzekerheid gaan. Dit zou een aandachtspunt moeten zijn voor de
denktank “Landbouw en Voedselzekerheid” om te komen tot een zuiverdere opsplitsing van de
verschillende middelen per sector om de toegezegde 10 en 15% volledig voor de verhoging van de
landbouwproductie en voor voedselzekerheid te kunnen benutten.
2.2.3 BOF – Belgisch Overlevingsfonds
Het Belgisch Overlevingsfonds (BOF) werd op initiatief van het Parlement gestart in 19837 en
vernieuwd in 1999. Op dit moment is een derde fonds voorbereid voor goedkeuring door het
Parlement. Het fonds richt zich uitsluitend op Subsahara Afrika.
Het globale doel van het BOF is “de verbetering van de voedselzekerheid van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen in de armste partnerlanden”. De voorlopige doelstelling voor het nieuwe
fonds legt meer de nadruk op een structurele vermindering van de voedselonzekerheid voor de
kwetsbaarste groepen.
De financiering van de projecten gaat via drie kanalen, zijnde:
• 46% van de 212 miljoen euro in de periode 2000 – 2006 ging8 via vier multilaterale instellingen van de VN: FAO, IFAD9, UNCDF en UNICEF,
• 39% ging via een 18-tal Belgische NGO’s: VIC10, Trias, Caritas, Aquadev, Vredeseilanden,
DZG-B, Bevrijde Wereld, Protos, WSM, Iles de Paix, Oxfam -Solidariteit, SOS Faim, Louvain
Coopération au Développement, ADG, Monde, CDI Bwamanda, Broederlijk Delen en FOS,
• 15% ging ten slotte via het BTC.
Volgens de evaluatoren van het BOF neemt het fonds binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking 40% van de middelen voor landbouw en voedselzekerheid voor haar rekening, en is daarmee dus een belangrijk gegeven binnen deze sector.
In de voorstellen voor het nieuwe fonds is een nog scherpere focus op voedselzekerheid voorzien en zal gezocht worden naar enerzijds een betere integratie van het BOF binnen de bilaterale
6 Volgens de laatste berichten zouden voor DR Congo drie concentratiesectoren gekozen worden: infrastructuur, onderwijs en landbouw
7 Tijdens de eerste fase was het genaamd “Overlevingsfonds voor de Derde Wereld”.
8 Volgens de gegevens in het eindverslag van de ADE-HIVA evaluatie van het BOF
9 IFAD was in de periode 2000 - 2006 met 30% de grootste afnemer van het BOF, UNCDF gebruikte 10%
10 De NGO’s worden genoemd in volgorde van de grootte van het door het gebruikte aandeel van het BOF
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Belgische Ontwikkelingssamenwerking en anderzijds meer synergie tussen de verschillende partners11 van het BOF. Ook zou er meer aandacht moeten gaan naar ondersteuning van lokale instellingen waaronder ook boerenorganisaties tot op bijvoorbeeld districtsniveau. Tot nu toe ging de
institutionele steun (via BTC en de VN -partners) vooral naar overheidsinstanties.
2.2.4 BIO – Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden
BIO heeft, sinds haar oprichting in 2001, als opdracht om de uitbouw van een sterke privésector
te bevorderen in de ontwikkelingslanden en/of de opkomende landen om hen in staat te stellen
toegang te krijgen tot een duurzame ontwikkeling en sociale welvaart en aldus de armoede te verminderen. Zij investeert rechtstreeks in projecten van de privésector en levert zo een structurele
bijdrage tot de sociaaleconomische groei van de landen in kwestie.12 Het gaat om grote, middelgrote en kleine ondernemingen.
Deze ondersteuning gebeurt via directe kapitaal participaties (minderheidsbelang), quasikapitaal (ondergeschikte/converteerbare leningen), leningen, waarborgen ten opzichte van derden, en
tenslotte subsidie voor onderzoek en technische assistentie. Naast directe investering in een bedrijf
investeert BIO ook via lokale financiële instellingen die vaak beter geplaatst zijn dan zijzelf om
kleine bedrijven te bedienen.
Het jaarrapport 2008 toont aan dat recentelijk ook een aantal investeringen in de agrarische sector zijn gebeurd vooral in de verwerkende industrie13. Voor zover wij hebben kunnen ontdekken
zijn hier geen boerenorganisaties bij betrokken. Integendeel in het geval van Senegal betekenen
sommige investeringen zelfs een flinke concurrentie voor de kleine boeren.
Van de investering ging 27% naar Afrika, 20% naar Azië, 20% naar L.A. en 33% ging naar continent overstijgende financiële instellingen.
2.3 Multilaterale instellingen
De multilaterale instanties die de Verenigde Naties in het leven hebben geroepen om
haar specifieke taken vorm te geven en uit te voeren, zijn talrijk maar in het kader van
onze opdracht beperken we ons tot die instellingen die belast zijn met landbouw en
voedselzekerheid, en die allen in Rome gevestigd zijn. Een van de reacties van de VN
op de voedselcrisis was het instellen van een “High Level Task Force” die een breed actie
kader heeft uitgewerkt en daar de uitvoering van coördineert. Deze taakgroep bevindt
zich dan ook boven de betrokken instellingen van de VN.
Daarnaast dient vermeld te worden dat als gevolg van de oproep vanuit de Afrikaanse
Unie en de G8 van 2008 voor een “Global Partnership” om de crisis te beteugelen,
pogingen zijn gedaan om nieuwe initiatieven/mechanismen te ontwikkelen. Hiervoor
werd eind januari 2009 in Madrid een “High Level Meeting” over voedselzekerheid
georganiseerd. Er werd echter geen overeenstemming bereikt over de nieuwe plannen
waarin volgens de Afrikaanse boerenorganisaties14 teveel verantwoordelijkheid en
macht naar grote particuliere spelers zou gaan. De Afrikaanse boerenorganisaties zijn
van mening15 dat er geen nood is aan nieuwe aanvullende instellingen om te komen
11 Er wordt gepleit om het WFP toe te voegen aan de VN -partners van het BOF
12 Opdracht van BIO zoals geformuleerd op haar website.
13 Koffie in Burundi, thee in Rwanda, kruiden in Ecuador, pluimvee in Senegal, tuinbouw in Senegal, deegwaren in Mali.
14 Informatie verkregen tijdens gesprekken met Afrikaanse boerenleiders in Rome en Brussel.
15 Zie Rome declaratie van april 2009: The Farmers Organizations of Africa address the G8.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
13
tot een breed bestuur/beheer van de (wereld) landbouw. Zij vinden dat dit best georganiseerd kan worden binnen het kader van de bestaande democratisch werkende VN
instellingen in Rome, die een doorslaggevende rol in de coördinatie en het beheer van
de benodigde middelen voor voedselzekerheid en verhoogde productie in Afrika zouden moeten spelen. Boerenorganisaties zouden hier echter veel actiever bij betrokken
moeten worden.
14
2.3.1 FAO – De Voedsel en Landbouworganisatie
Om het VN-doel van “Voedselzekerheid voor iedereen” te bereiken speelt de FAO vooral een informerende en adviserende rol in de breedste zin van het woord voor alle aspecten van voeding en
voedselproductie.
De FAO werkt in opdracht van de lidstaten en heeft dus als belangrijkste partner de ministeries
van landbouw. Naast haar grote hoofdkantoor in Rome heeft zij in elk land een operationeel kantoor. Naast en binnen haar hoofdfuncties voert zij projecten uit (waarvan + 1/3 noodhulp) , naar
gelang de specifieke problemen die zich voordoen. Dit lijkt soms overlap te scheppen met de rol
van andere VN -instellingen.
FAO wordt gefinancierd vanuit verplichte en vrijwillige bijdragen van haar lidstaten. Een gedeelte van de bijdragen is onbestemd en kan door de FAO vrij gebruikt worden (o.a. voor haar
functioneringskosten), een ander gedeelte wordt door de betalende lidstaat toegekend aan specifieke projecten waarin het betreffende lid een belangrijke rol speelt (via het verstrekken van projectpersoneel). In de meeste gevallen gaat het om innoverende projecten waarvan de resultaten
gebruikt kunnen worden om het FAO-beleid en dat van de betrokken landen bij te stellen. Huidig
minister voor Ontwikkelingssamenwerking Charles Michel heeft zijn voorkeur uitgesproken om
in de toekomst alleen nog maar “onbestemde” bijdragen te leveren hetgeen ook door de multilaterale instellingen verlangd wordt. Sommige NGO’s zijn bang dat bij het wegvallen van de projectfinanciering de FAO een stuk minder vernieuwend zal worden.
Na een externe evaluatie in 2007 doorloopt de FAO momenteel een reorganisatieproces dat haar
efficiëntie en effectiviteit naar haar leden toe flink moet verbeteren. België ondersteunt dit proces
en in afwachting daarvan heeft zij haar financiële steun aan de instelling nog niet verhoogd.
Hoewel de FAO openstaat voor samenwerking met boerenorganisaties, en zelfs samenwerkt met
Agricord16 om boerenorganisaties te versterken vanuit Rome17, bestaan er nog geen formele institutionele banden tussen de FAO en de nationale en subregionale Afrikaanse boerenorganisaties.
Integendeel, uit gesprekken met de FAO landkantoren en nationale boerenorganisaties blijkt dat
ondanks regelmatige contacten er in de praktijk zelden sprake is van concrete samenwerking. Vanuit haar juridische positie lijkt FAO teveel gebonden aan de nationale overheden. In West-Afrika
heeft de FAO in het verleden een belangrijke rol gespeeld bij het opzetten van de Kamers van
Landbouw naar het Franse voorbeeld. In sommige landen hebben deze Kamers voor spanningen
gezorgd met de bestaande nationale boerenorganisaties.
Er liggen op het hoofdkantoor momenteel plannen om een consultatieve raad van boerenorganisaties op te zetten (zoals het Farmers’ Forum van IFAD).
FAO is op zoek naar simpele maar effectieve oplossingen, ondersteunt “Farmer Field Schools”
en baseert haar plannen op de in een land aanwezige capaciteiten en mogelijkheden. Echter gezien
haar vooral adviserende rol lijkt haar invloed op het nationaal beleid eerder beperkt in vergelijking
tot die van financiële partners, zeker als straks haar specifieke projectfinanciering stopt.
16 Agricord is het internationale netwerk van door Westerse boerenorganisaties opgerichte ontwikkelingsorganisaties
(ook wel Agri-agencies genoemd) die als doel hebben boerenorganisaties in ontwikkelingslanden te versterken.
17 Sinds kort werken op het hoofdkantoor een aantal mensen specifiek ter ondersteuning van boerenorganisaties. Na een
algemene brochure over boerenorganisaties, wil men nu een publicatie gaan maken met succesverhalen van boerenorganisaties.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
2.3.2 IFAD – Internationaal Landbouw Ontwikkelingsfonds
Opgericht als een antwoord op de droogte van begin jaren ‘70 in de Sahel, is IFAD veel meer dan
haar grotere broer FAO, gericht op armoedebestrijding. IFAD heeft als doel de plattelandsbevolking te versterken waardoor deze hogere inkomens en een betere voedselzekerheid kan bereiken.
Haar hoofdfunctie is het verstrekken van leningen tegen een heel lage rentevoet om landbouwontwikkeling met name voedselproductie in ontwikkelingslanden te financieren. Het gaat om projecten die oplossingen moeten bieden voor specifieke situaties in de betrokken landen/ regio’s.
Vaak gaat het daarom om projecten op basisniveau die direct ten goede komen aan boeren en
boerinnen (toegang tot grond, krediet, markt, technologie, etc.), maar ook hier weer is de directe
partner van IFAD in het partnerland het ministerie belast met de sector waarbinnen het project
plaatsvindt. Hier kwam tot voor kort bij dat IFAD in tegenstelling tot FAO geen eigen vertegenwoordiger in de landen had en daardoor volledig afhankelijk was van het betrokken ministerie.
Men gaat nu echter ook landenkantoren inrichten.
Zoals FAO wordt ook IFAD (aanvullend) gefinancierd door verplichte en vrijwillige bijdragen
van de lidstaten. Als enige heeft België echter binnen IFAD een aparte financieringslijn ingericht,
gevoed door het Belgisch Overlevingsfonds. In tegenstelling tot de reguliere financiering door
IFAD, gaat het hier om giften en gaat het meestal om aanvullende sociaal-economische activiteiten
bij een reguliere IFAD financiering in dat land. Vanuit vrijwillige bijdragen van andere landen kan
IFAD ook giften verstrekken aan andere actoren zoals het maatschappelijk veld van een bepaald
land of subregio.
IFAD doet serieuze inspanningen om alle relevante spelers intensief bij haar projecten te betrekken. Maar gezien het echter om een projectbenadering gaat, en er geen IFAD landenvertegenwoordiger was, bleven het toch vaak geïsoleerde initiatieven. De specifieke meerwaarde van IFAD op
nationaal niveau, in vergelijking tot andere kanalen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking,
was daarom volgens mij tot nu toe onvoldoende zichtbaar.
Sinds 2005 heeft IFAD een ‘Boerenforum’ (Farmers’ Forum) ingericht dat tweejaarlijks18 plaatsvindt en boerenleiders uit de verschillende “ideologische” stromingen bijeenbrengt. Het forum
bekijkt de vooruitgang in de samenwerking tussen IFAD en boerenorganisaties, wisselt van gedachten over actuele thema’s van belang voor beide partijen, bespreekt IFAD’s beleid en formuleert aanbevelingen die vervolgens worden gepresenteerd in de Raad van Gouverneurs van IFAD.
Dankzij deze regelmatige overleggen worden boerenorganisaties tegenwoordig actief betrokken
bij de formulering en monitoring van projecten voor landbouw- en plattelandsontwikkeling in
hun land. Ook hebben sommige subregionale en nationale boerenorganisaties rechtstreeks financiering gekregen van IFAD.19 Dit heeft ook geleid tot een vertrouwensrelatie tussen IFAD en
boerenorganisaties, waardoor deze laatste IFAD hebben gekozen als coördinerend tussenpersoon
voor de financiering door de EU van een versterkingstraject van boerenorganisaties in Afrika.
Meer dan FAO lijkt IFAD op één lijn te zitten met de visie van NGO’s en boerenorganisaties op
landbouwontwikkeling en voedselzekerheid. Dit heeft alles te maken met de principes die IFAD
hanteert voor haar projecten (zelfde doelgroep, zelfde belangrijke thema’s) en natuurlijk de openheid die zij aan de dag legt ten opzichte van boerenorganisaties.
2.3.3 WFP – Wereld Voedsel Programma
Tot voor kort was het Wereldvoedselprogramma (WFP) voornamelijk een noodhulpprogramma
dat voedsel verstrekte daar waar dat nodig was (na natuurrampen of oorlogsgeweld). Onder het
huidige strategische plan (2008 – 2011) wil het WFP zich een bredere taak aanmeten waaronder
het verlenen van steun om de afhankelijkheid van voedsel hulp te verminderen en bijdragen aan
18 Heeft plaatsgevonden in februari 2006 en 2008, de volgende bijeenkomst vindt plaats in 2010
19 Een belangrijk voorbeeld is de financiering van de informatie en lobbyactiviteiten van de boerenorganisaties uit de ACP
landen rond de EPA’s (Economic Partnership Agreement) tussen de EU en de subregionale economische gemeenschappen
in de ACP-landen
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
15
16
lange termijn oplossingen. België heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding van deze
heroriëntatie. Sinds 2004 ondersteunt zij het WFP bij het zoeken naar manieren om haar aankopen in de landen zelf te doen. Dit gebeurde uiteindelijk met succes in 2007 ondermeer in de DR
Congo.
Voor haar noodhulpprogramma’s wordt het WFP gefinancierd door vrijwillige bijdragen van de
lidstaten. In 2008 was dat in totaal 5 miljard US$ waarvan 39% in natura.20 Daarnaast ontvangt zij
bijdragen van bedrijven in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen, vaak voor
specifieke programma’s (scholen) of voor specifieke landen.
In DR Congo heeft Vredeseilanden een actieve rol gespeeld om de Congolese boerenorganisaties in staat te stellen om samen te werken met het WFP. Het succes van de lokale aankopen bij
boerenorganisaties is intussen vertaald in een nieuw programma “Purchase for Progress” (P4P)21
dat als doel heeft boeren toegang te verlenen tot landbouwbenodigdheden en hen de technische
capaciteiten te geven om voor de markt te produceren. Het programma omvat momenteel 21 landen22 waarvan 15 in Afrika.
2.3.4 CGIAR – Adviesgroep over Internationaal Landbouwonderzoek
De groep die bestaat sinds 1971 is een samenwerkingsverband dat 1523 centra voor landbouwonderzoek ondersteunt. De leden zijn landen, grote stichtingen (Ford, Rockefeller) en ontwikkelingsbanken/fondsen.
Haar doel24 is het bereiken van duurzame voedselzekerheid en het verminderen van armoede in
ontwikkelingslanden door middel van wetenschappelijk onderzoek en daaraan verbonden activiteiten op het gebied van landbouw, bosbouw, visserij, beleid en milieu. CGIAR vervult daarbij een
coördinerende rol ten opzichte van de aangesloten centra. Een evaluatie in 2008 toonde echter wel
aan dat haar doelmatigheid te wensen overliet. Dat is ook de reden dat België op dit moment (tot
de reorganisatie) geen financiering aan CGIAR zelf verstrekt.
De onderzoekscentra worden rechtstreeks en naar keuze door de leden gefinancierd,hetgeen
meer dan vijfhonderd verschillende programma’s/projectjes tot gevolg heeft. De financiering van
CGIAR zelf gebeurd voornamelijk door de OECD landen.
België ondersteunt een aanzienlijk aantal van de centra (Bioversity International, CIAT, CIP,
ICRAF, ICARDA, ICRISAT, IITA, WARDA en ILRI25) en ondersteunt ook een drietal specifieke
programma’s: het yam-bean project met CIP, een agro-bosbouw project met ICRAF, alsook het
CIALCA. Dit is een samenwerking tussen onderzoekscentra en Universiteiten in Centraal Afrika,
een aantal leden van de CGIAR (CIAT, Bioversity International, KU Leuven, FUSA Gembloux en
de NGO Diobass.
Echter in lijn met het algemene beleid van de huidige minister zullen deze projecten uiterlijk
begin 2010 omgezet worden naar een algemene (ongebonden) financiering voor de centra die deze
projecten op dit moment uitvoeren.
Wanneer de hervormingen bij CGIAR (waarbij de verschillende centra vanuit CGIAR zullen
worden aangestuurd, en inhoudelijke (onderzoekers) en financiële (donoren) belangen gescheiden
20 Van die 5 miljard kwam 2 miljard van de VS, 500 miljoen van Saoedi-Arabië, 300 van de EU en 21 miljoen van België.
21 Dit wordt voornamelijk gefinancierd door de Bill & Melinda Gates en Howard G. Buffett Foundations (17 van de 21
landen) en door België wat betreft de DR Congo.
22 In Afrika: Burkina Faso, DR Congo, Ethiopië, Ghana, Kenya, Liberia, Malawi, Mali, Mozambique, Rwanda, Sierra Leone,
Soedan, Tanzania, Oeganda en Zambia; in Latijns Amerika: El Salvador, Guatemala, Honduras en Nicaragua; in Azië: Afghanistan en Laos
23 Africa Rice Center (WARDA), Bioversity International, CIAT, CIFOR, CIMMYT, CIP, ICARDA, ICRISAT, IFRRI, IITA, ILRI, IRRI,
IMWI, ICRAF, World Fish Center.
24 Bij de hervorming van CGIAR wordt het doel: “het verminderen van de armoede en honger, het verbeteren van de
menselijke gezondheid en voeding, en het verhogen van de weerstand van het ecosysteem door hoogwaardig internationaal landbouwkundig onderzoek, partnerschap en leiderschap”.
25 Met dien verstande dat alle centra dezelfde toelage krijgen van België, behalve Bioversity Int. 2x hoog en ILRI minder
(betreft omzetting kosten TA naar algemene financiering).
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
zullen zijn) voltooid zijn, zal de bijdrage van België voor de individuele centra naar CGIAR gaan
maar voorlopig nog wel de betreffende centra als bestemming hebben.
De meeste onderzoeksstructuren (van CGIAR tot de NARS) hebben vertegenwoordigers van
boerenorganisaties in hun beslissing- of adviesorganen. Echter de effectiviteit van deze vertegenwoordigers is heel verschillend want enerzijds afhankelijk van de capaciteit van deze boerenvertegenwoordigers en de ondersteuning die zij krijgen om hun rol goed te vervullen, en anderzijds de
bereidheid van de verantwoordelijken van de onderzoeksinstellingen om de inbreng van boeren
serieus te nemen.
Ook de betrokkenheid van boerenorganisaties bij concrete onderzoeksprogramma’s is heel verschillend26 maar over het algemeen nog heel beperkt. Een evenwichtige dialoog tussen onderzoeksinstellingen en boeren blijft problematisch.
Naast het CGIAR als wereldwijd samenwerkingsverband tussen gespecialiseerde onderzoekscentra bestaat er op niveau van Afrika ook het FARA (Forum voor Landbouwonderzoek in
Afrika). Dit is de koepel van de subregionale samenwerkingsverbanden van instellingen betrokken bij landbouwonderzoek ASARECA, CORAF/WECARD en SADC/FANR. Tegenwoordig verstrekt België bij gebrek aan (intern) draagvlak daar geen financiering meer aan.
2.4 Niet-gouvernementele samenwerking
De belangrijkste niet-gouvernementele programma’s van het DGOS zijn die met de
ontwikkelings-NGO’s, die met de universiteiten en wetenschappelijke Instellingen, die
met de koepels voor personele assistentie (VVOB en APEFE) en die met specifieke instellingen zoals het Midden-Afrika Museum van Tervuren en het Tropische Instituut
van Antwerpen. Gezien de laatste zich niet specifiek met landbouw en voedselzekerheid bezighouden beperken we ons hier tot de eerste twee groepen.
2.4.1 NGO’s
DGOS beschikt over de volgende financieringsmogelijkheden voor NGO’s:
• Programmafinanciering (cofinanciering 75% of 85%) Slechts 58 van de 135 erkende NGO’s
hebben in 2007 een meerjarige programmafinanciering gekregen. Slechts een gedeelte daarvan is actief in de sector Landbouw en Voedselzekerheid (zie verder onder 3.).
• Overlevingsfonds (zie hierboven)
• Spoedhulp – Rehabilitatie – Voedselhulp27
• Conflictpreventie – Vredesopbouw en Mensenrechten
• Maatschappijopbouw (specifiek voor civiele maatschappij in partnerlanden)
De belangen van de NGO’s worden bij de overheid verdedigt door hun koepels COPROGRAM en
ACODEV. Recentelijk leidde dat tot het eerder genoemde nieuwe akkoord tussen de minister van
Ontwikkelingssamenwerking en de NGO’s.
Op niveau van DGOS zijn ambtenaren belast met de relaties met individuele NGO’s. De NGO dienst maakt geen deel uit van de denktank Landbouw en Voedselzekerheid.
Momenteel zijn onderhandelingen tussen het Kabinet/DGOS en de Belgische boerenorganisaties (Boerenbond en FWA) en hun ontwikkelingsagentschappen28 (TRIAS en CSA), over een
specifieke financiering voor boerenorganisaties in een ver gevorderd stadium.
26 Positieve uitzonderingen zijn de samenwerking tussen ASARECA en EAFF (Oostelijk Afrika) en die in Senegal.
27 Voedselhulp alleen via FAO, WFP en OXFAM.
28 Zij maken deel uit van het internationale netwerk Agricord dat samenwerkt met IFAD, FAO, …
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
17
2.4.2 Universitaire samenwerking
Voor de Belgische Universiteiten heeft DGOS eveneens een aantal financieringsmogelijkheden:
• Opleidingskosten voor studenten uit ontwikkelingslanden
• Via hun koepels VLIR en CIUF kunnen de universiteiten financiering vragen voor voorbereidend onderzoek, internationale cursussen en stages, studiereizen van studenten van Belgische
universiteiten
• Financiering van eigen meerjarige programma’s (onderwijs en onderzoek) van de universiteit
rond strategisch onderzoek ten behoeve van capaciteitsopbouw in partnerlanden
• Steun aan specifieke instellingen in ontwikkelingslanden.
18
Ook hier worden de belangen van de gezamenlijke universiteiten door hun koepels VLIR en CIUF
vertegenwoordigd op niveau van het ministerie van O.S. En ook hier zijn recentelijk nieuwe akkoorden afgesloten met meer nadruk op landenbenadering, geografische concentratie en synergie
met bilaterale samenwerking .
Uiteraard zijn slechts enkele faculteiten actief in de sector Landbouw en voedselzekerheid (zie
verder onder 3.)
Het feit dat NGO’s en Universiteiten afhankelijk zijn van aparte financieringskanalen bij DGOS
maakt volgens sommigen de onderlinge samenwerking moeilijk29.
2.5 Andere vormen van ontwikkelingssamenwerking
Naast de bovengenoemde vormen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking hebben ook de
gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel) hun ontwikkelingssamenwerking. Deze staan volledig
los van elkaar. Wel wordt er getracht niet in elkaars vaarwater te komen. Vlaanderen is actief in de
landbouw (Malawi, Zuid-Afrika) maar doet dat uitsluitend via overheidskanalen van de partnerlanden of via VN-instellingen. Daarbij gebruikt zij ondermeer als richtlijn het landbouwbeleid van
het land in kwestie en richt men zich op zwakkere regio’s. In het geval van “Wallonie – Bruxelles
International” is er wel sprake van cofinanciering voor niet-gouvernementele structuren waaronder ook boerenorganisaties (zie voorbeeld Senegal) en is het aantal partnerlanden ook veel groter
(12)30, maar is het beschikbare budget eerder beperkt.
Verder zijn er ook provincies en gemeenten die aan ontwikkelingssamenwerking doen en daarbij ook steun verlenen aan de landbouwsector. Ook hier betreft het naar verhouding kleine budgetten.
29 In financieringsaanvragen van NGO’s waarin een budget wordt voorzien voor het onderzoekswerk door een Belgisch
Universiteit wordt dat gedeelte geweigerd onder verwijzing naar het financieringskanaal voor universiteiten.
30 Algerije, Benin, Bolivië, Burkina Faso, Burundi, DR Congo, Haïti, Marokko, Palestina, Rwanda, Senegal en Vietnam.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
3. De actoren van de landbouwsector binnen de
Belgische ontwikkelingssamenwerking
Teneinde een duidelijk beeld te scheppen van de sector landbouw en voedselzekerheid
binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking, geven we hieronder een beknopt
overzicht van de belangrijkste spelers binnen de sector, elk met hun specifieke kenmerken. Ook geven we kort aan wat de samenstelling is van de betreffende denktank op
niveau van DGOS, alsook die van de Coalitie tegen de Honger als belangrijkste werkgroeprond dit thema binnen de Belgische NGO-wereld.
3.1 Overheid
Op niveau van de overheid hebben we het logischerwijze op de eerste plaats over het federaal
ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Echter binnen haar directie generaal zijn er in elke
directie wel mensen die te maken hebben met landbouw en voedselzekerheid: in D1 vanwege het
feit dat verschillende landen een concentratie sector gekozen hebben die onder dit thema valt; in
D2 vanwege het voedselhulpprogramma met het WFP en vanwege het Overlevingsfonds, in D3
vanwege de NGO’s en universiteiten actief in de landbouw en in landbouwonderzoek, in D4 vanwege de betrokkenheid van de WB, de FAO, IFAD, en andere VN instellingen in de landbouw, dit
geldt eveneens voor de EU; en tenslotte in D5 omdat het thema ook cruciaal is in het sensibiliseren
van het Belgische publiek.
Voor alle duidelijkheid noemen we even apart, de attachés voor ontwikkelingssamenwerking
die gestationeerd zijn op de Belgische Ambassades in de concentratielanden en bij de VN-instellingen.
Hoewel onafhankelijk van het ministerie noemen we hier toch ook de Belgische Technische
Coöperatie (BTC ) omdat zij voorlopig nog het monopolie heeft op de uitvoering van de bilaterale
projecten en daarnaast ook gefinancierd wordt door het BOF, maar ook door andere donoren. Zij
zijn dan ook zeer actief in de landbouw in de brede zin van het woord.
Zoals we in het vorige hoofdstuk al aangaven doen ook de gewestelijke en nog lagere overheden
aan ontwikkelingssamenwerking en zijn dus soms ook actief in landbouw en steun aan boerenorganisaties (Wallonië-Brussel, Oost-Vlaanderen).
Verder moeten we ook noemen de ministeries voor Handel, voor Landbouw, voor Milieu, zowel op federaal als op gewestelijk niveau, die op directe wijze betrokken zijn bij het Europees
landbouw, milieu en handelsbeleid en dus op indirecte wijze ook bij de landbouwontwikkeling in
ontwikkelingslanden. Namelijk besluiten/veranderingen op Europees niveau hebben direct een
invloed op de landbouwsituatie in andere delen van de wereld.
3.2 Boerenorganisaties
Er zijn meerdere boerenorganisaties, zowel in Vlaanderen (Boerenbond, ABS en VAC) als in Wallonië (FWA en FUGEA). Via de Europese en Internationale koepels van boerenorganisaties (IFAP
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
19
en Via Campesina) zijn zij actief betrokken bij de landbouwproblematiek op wereldniveau en ontmoeten zij collega boerenleiders uit ontwikkelingslanden. Via hun eigen ontwikkelingsorganisaties of andere NGO’s onderhouden sommige van hen contacten met een enkele boerenorganisatie
in andere continenten met name Afrika waarbij sprake is van uitwisseling van ervaring, kennis en
ideeën. Van een permanente samenwerking is nog geen sprake.
3.3 Ontwikkelings-NGO’s
20
Een groot aantal Belgische NGO’s is actief binnen de sector duurzame landbouw en voedselzekerheid. De belangrijkste onder hen ontvangen met name financiering van het Belgisch Overlevingsfonds. Dit levert ons volgende lijst op31: ADG, Aquadev, Bevrijde Wereld, Broederlijk Delen,
Caritas, CDI Bwamanda, Dierenartsen zonder Grenzen- B, Iles de Paix, Louvain Coopération au
Développement, Oxfam – Solidariteit, Oxfam-Wereldwinkels, Protos, SOS Faim, Trias, Vredeseilanden, Wereldsolidariteit. Sommige NGO’s werken volgens een holistische benadering, andere
specialiseren zich op bepaalde aspecten van de landbouwontwikkeling; sommige werken uitsluitend op basisniveau, terwijl andere ook actief zijn op nationaal en internationaal niveau. Al met al
betreft het een bonte schakering van organisaties van verschillende grootte, die met vaak verschillende visies en instrumenten, boeren in de ontwikkelingslanden ondersteunen
In de volgende tabel geven we een overzicht van de landen waar elk van de NGO’s actief is in de
landbouw en voedselzekerheid. De tabel laat duidelijk een zekere concentratie (of voorkeur) van
de NGO’s voor bepaalde landen zien. Tegelijkertijd betekent dat een versnippering van de Belgische inspanningen.
NGO
ADG
AQUA
BD
Bevr.W.1
Caritas
CDI-Bw
CSA
DzG-Be2
IdP
LCD
Oxsol3
OWW
Protos4
SOS F
TRIAS
Be
X
VE
WSM5
X
BF
BU
CA
X
CI
ET
Gh
Gu
Ke
X
Ma Mal Mau NI RDC Rw
X
X
Se
X
x
X
X
X
X
X
X
To
TZ
ZA
X
X
X
Oe
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
1 Bevrijde Wereld is ook actief in Gambia en Guinee-Bissau.
2 DzG-B is als enige ook actief in Soedan.
3 Oxfam-Solidariteit werkt ook in Mozambique en Namibië in de landbouw met boerenorganisaties.
4 Protos is ook actief in DR Congo en Madagascar maar uitsluitend in drinkwatervoorziening.
5 WSM werkt in heel wat meer landen maar vooral in andere sectoren (vakbewegingen, microkrediet, …)
31 Sommige belangrijke gebruikers van BOF-middelen zoals FOS en VIC worden hier niet vernoemd omdat zij zich niet
specifiek richten op Landbouw en Voedselzekerheid
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
X
Sommige NGO’s werken rechtstreeks met boerenorganisaties (CSA, SOS Faim), andere doen dat
via locale NGO’s (Caritas, Broederlijk Delen) weer andere hebben eigen personeel/project teams
ter plaatse die samenwerken met boerenorganisaties (Oxfam-Solidarité, Vredeseilanden, Trias,
Louvain Coopération au Développement, …) sommige passen alle drie deze formules toe in functie
van de situatie in een bepaald land.
3.4 Belgische Universiteiten actief in de landbouw en voedselzekerheid
Tijdens de opdracht zijn er gesprekken geweest met een aantal professoren betrokken bij samenwerking met universiteiten in ontwikkelingslanden. Gezien de afwezigheid van overleg laat staan echte
samenwerking tussen de verschillende universitaire instellingen in België, anders dan de algemene
koepels voor ontwikkelingssamenwerking (VLIR en CIUF) , is het onmogelijk om een goed overzicht
te geven. Hierbij de instellingen die tijdens de gesprekken naar voren kwamen.
• KU – Leuven o.a. betrokken bij onderzoek naar bananenteelt
• Universiteit Gent – Faculteit van Bioscience Engineering
• Faculté Universitaire des sciences agronomiques de Gembloux
• ….
Ook hier is sprake van verschillende visies op de landbouw: productie verhoging of landbouw in
functie van de noden van de betrokken boeren. Vaak gaat het slechts om een beperkt aantal onderzoekers en professoren, die meestal op individuele titel, relaties onderhouden met collega’s op universiteiten in ontwikkelingslanden. Hierdoor is de rol van de universiteiten in de ontwikkelingssamenwerking vaak ook minder zichtbaar dan die van bijvoorbeeld de NGO’s. Van samenwerking
tussen deze laatste en de universiteiten is op een enkele uitzondering na ook geen sprake.
3.5 De denktank “Duurzame landbouw en voedselzekerheid”
Als reactie op de aanbevelingen van de NGO’s aan de minister voor ontwikkelingssamenwerking
in maart 2008, heeft het kabinet van de minister het initiatief genomen om een denktank op te
richten rond het thema “Landbouw en voedselzekerheid”.
Van overheidswege hebben daarin zitting : vertegenwoordigers van het Kabinet Ontwikkelingssamenwerking, mensen binnen DGOS belast met instellingen die met de sector te maken hebben: Dienst Verenigde Naties, Dienst EU, ambtenaar belast met FAO en IFAD, ambtenaar belast
met landbouwonderzoek, ambtenaar belast met Voedselhulp-WFP, ambtenaar belast met het BOF,
DG Multilaterale Zaken, hoofd evaluatiedienst, de Adjunct-DG en hoofd Commissie Vrouwen en
Ontwikkeling. Verder is lid de BTC. De denktank wordt gecoördineerd door de vorig jaar aangestelde beleidsadviseur voor landbouw en voedselzekerheid.
Er lijken te ontbreken: de ambtenaren belast met de partnerlanden die landbouw als concentratiesector hebben, alsook de ambtenaren belast met de NGO’s actief in deze sector. Verder is er
geen specifieke taak binnen de denktank voor leden die meer dan anderen permanent betrokken zijn met Landbouw en Voedselzekerheid (bijvoorbeeld BOF, FAO, IFAD, CGIAR, WFP). De
aanwezigheid van DGOS personeel lijkt vaak in functie te zijn van de agenda onderwerpen van
betreffende bijeenkomst.
Grote afwezigen van overheidswege zijn natuurlijk ook de andere ministeries wiens beleid wel
belangrijke gevolgen heeft voor de landbouw in ontwikkelingslanden.
Vanuit de Belgische boerenorganisaties zijn er twee zetels in de denktank, die worden bezet door
de Boerenbond en door Fédération Wallonne de l’Agriculture (FWA).
Voor de NGO’s zijn een zestal zetels voorzien die op dit moment bezet worden door Vredeseilanden, Broederlijk Delen, Oxfam-Solidariteit, SOS Faim, CSA en FIAN.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
21
22
Het is niet duidelijk waarom juist deze 6 NGO’s zitting hebben in de denktank. Zijn zij het
meest actief? Onderhouden zij de beste relaties met de boeren in de ontwikkelingslanden? Werken
zij in de concentratielanden van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking? Hebben zij de meeste
ervaring en expertise opgebouwd? Vormen deze 6 een goed afspiegeling van de visies die er leven
binnen de Belgische NGO’s met betrekking tot landbouwontwikkeling en voedselzekerheid?
Namens de universiteiten nemen ook twee professoren deel aan de denktank.
In deze beginfase is de denktank vooral een instrument geweest om informatie uit te wisselen
tussen de leden van de denktank. In de meeste gevallen ging het om een presentatie van bepaalde
onderdelen van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking aan de niet gouvernementele leden van
de denktank. Het initiatief van de bijeenkomsten en de agendabepaling lag vooral bij het kabinet
en DGOS. De vraag is ook in hoeverre betrokken NGO’s, boerenorganisaties, en universiteiten de
aldus verkregen informatie hebben doorgespeeld naar zusterorganisaties in België en in de partnerlanden.
3.6 De Coalitie tegen de Honger
Zoals gemeld in de inleiding hebben de Belgische NGO’s in 2005 besloten om actie te voeren
ter ondersteuning van de MOD’s. De eerste twee jaar32 ging dat over landbouw en voedselzekerheid waarbij elk gewest haar eigen campagne voerde (in Vlaanderen: “2015 De Tijd Loopt”). Na
de campagne is men gemeenschappelijk verder gegaan binnen de “Coalitie tegen de honger”. De
actieve leden van dit informeel samenwerkingsverband zijn: CNCD, CSA, SOS Faim, SOS FAIM,
FIAN, Trias en Vredeseilanden. Gezien het grote aantal NGO’s actief in de sector duurzame Landbouw en voedselzekerheid, kan men zich ook hier afvragen waarom juist deze samenstelling van
de coalitie. Vormt zij een goede afspiegeling van alle NGO’s actief rond dit thema, gegeven ook dat
sommige zich specialiseren in andere sectoren (water, microkrediet, arbeidersvakbeweging,…)
maar die indirect van cruciaal belang zijn voor een holistische aanpak van het probleem van voedselonzekerheid.
32 De afgelopen twee jaar ging de campagne over de arbeidsomstandigheden in de ontwikkelingslanden.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
4. Situatie in twee partnerlanden
Om de Belgische ontwikkelingssamenwerking nader te toetsen in het veld werden een
tweetal landen gekozen waar landbouw een concentratiesector is, namelijk Niger en
Benin. Hoewel beide zich in West-Afrika bevinden hebben zij gezien hun ligging verschillende contexten. In beide landen werden gesprekken gevoerd met alle mogelijke
actoren betrokken bij landbouwontwikkeling en bij de Belgische ontwikkelingssamenwerking in het bijzonder. Hieronder geven we kort onze bevindingen weer. Voor een
iets uitgebreidere presentatie over de situatie in Niger verwijzen we u naar bijlage 3.
4.1. Niger
De Belgische ontwikkelingssamenwerking in Niger omvat ondermeer volgende vormen:
• De multilaterale hulp via de FAO, IFAD, WFP, en UNCDF
• De bilaterale samenwerking met de Nigerijnse overheid (projecten, microprojecten, studiebeurzen, en via het Fonds voor studie en expertise)
• Steun via Belgische NGO’s (VSF-B, Caritas, Aquadev)
• Het Belgisch Overlevingsfonds (via vooral IFAD, UNCDF en de NGO’s)
• De samenwerking tussen Belgische en Nigerijnse universiteiten
De missie naar Niger leverde volgende bevindingen33 op:
• Een belangrijke verhoging van de algehele Belgische steun aan Niger (50%).
• België is een belangrijke speler in de plattelandsontwikkeling van het land.
• Er is een concentratie van de door België (mede)gefinancierde interventies in bepaalde regio’s
Maradi en Dosso en sinds kort ook Tillabéri.
• Zowel de multilaterale als de bilaterale projecten richten zich op de gemeentelijke ontwikkeling (versterking van capaciteiten voor gemeentelijke organen als ook voor de bevolking).
• Echter het opzetten en versterken van maatschappelijke organisaties gebeurt door of onder
het toezicht van de overheidsdiensten. Hierdoor komt de essentiële34 onafhankelijke status
van het maatschappelijk middenveld ten opzichte van de verschillende autoriteiten35 ernstig
in gevaar.
• Er is een grote coherentie tussen de doelstellingen (voedselzekerheid, verhoging van inkomens),
de werkwijze (opzetten van basisorganisaties om bepaalde functies te vervullen zoals winkels
voor landbouwbenodigdheden, graanbanken, banken voor veevoer) tussen de verschillende
projecten van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, ongeacht het financieringskanaal.
33 Voor meer details zie in bijlage de presentatie « La Coopération belge et les O.P. dans le secteur agricole et la sécurité
alimentaire - le cas du Niger »
34 Hun rol bevindt zich namelijk juist tussen de overheid en de economische actoren om de belangen van de gewone man
en vrouw te verdedigen.
35 Burgemeesters of Raadsleden die boeren of vrouwengroepen kiezen of zelfs opzetten en die beschouwen als het maatschappelijk middenveld van de gemeente.
23
• Enige vastgestelde incoherentie: het WFP koopt ingevoerde rijst en geen lokale productie.
• Behalve in het geval van het FAO project IARBIC36 ontbreken de (belangrijke) boerenorganisaties volledig in de programma’s van de verschillende vormen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking Deze worden uitgevoerd door gedecentraliseerde overheidsdiensten en
door NGO’s.
24
• Echter tijdens de formuleringsfase van deze programma’s worden de boerenorganisaties wel
degelijk geraadpleegd, en dienen de succesvolle ervaringen van deze laatste als inspiratie voor
de nieuwe programma’s.37
• Hoe te verklaren dat ervaren boerenorganisaties niet betrokken worden bij de uitvoering van
Belgische projecten:
–– Een enge interpretatie van de Verklaring van Parijs waar het eigendom/ eindverantwoordelijkheid van projecten bij het partnerland ligt (land = overheid?).
–– Degene die de projecten moeten uitvoeren zijn niet dezelfde als degene die je projecten
voorbereiden, en de boerenorganisaties worden niet opgenomen in de bestuursorganen van
de projecten en kunnen dus niet corrigerend optreden om relevante boerenorganisaties alsnog bij de uitvoering te betrekken.
–– Boerenorganisaties reageren niet op publieke aanbestedingen voor projectactiviteiten door
de projectverantwoordelijken. Vraag is ook of deze aanbestedingen voldoende openbaar
zijn, of dat er sprake is van een beperkt publiek.
• Met betrekking tot het Nigerijnse referentiekader voor plattelandsontwikkeling en de verschillende overlegorganen met donoren, blijkt dat:
–– De SDR (Stratégie de Développement Rural) niet operationeel is, de overheid niet de capaciteit heeft om die verder uit te werken, en de donoren het daarbij laten afweten, en elke donor
verdergaat met het financieren van haar eigen prioriteiten; betrokken partijen overleggen
regelmatig maar ondernemen niets om de impasse rond de SDR te doorbreken.
–– Het overleg tussen de verschillende VN-instellingen in Niger functioneert slecht.
–– Op niveau van sommige regio’s worden overlegorganen opgezet voor betere coördinatie tussen de verschillende ontwikkelingsactoren.
–– De boerenorganisaties zijn de grote afwezigen bij de verschillende overlegorganen (ook bij
die tussen Niger en België), hoogstens een symbolische vertegenwoordiging door de Kamer
van Landbouw en door een vrouwenorganisatie.
• De contacten tijdens de missie tonen duidelijk aan dat men over goede oplossingen beschikt
voor de verschillende specifieke problemen (droogte, uitputting van de grond) van Niger
(meer dan in sommige andere landen), zowel op niveau van de projecten van de Belgische
O.S. als op niveau van de boerenorganisaties die direct met de boeren werken, vaak in dezelfde
regio’s.
• Het is vooral een kwestie om te zoeken naar wegen om synergie te scheppen tussen deze twee
types van interventie, de activiteiten verder te verspreiden en duurzaam te maken.
• Het feit dat er een veelheid aan boerenorganisaties is, verenigd in verschillende koepels, waarvan de operationele capaciteiten heel variabel zijn, belemmert de zichtbaarheid van de boerenorganisaties .
• De capaciteiten van de meeste boerenorganisaties zijn nog beperkt, vooral op het gebied van
formulering en beheer van projecten, interne en externe communicatie, het anticiperen op
belangrijke gebeurtenissen (politieke beslissingen, natuurinvloeden, marktverstoringen).
36 Intensification Agricole par le Renforcement des Boutiques d’Intrants Coopératives is juist gestart en is een vervolg op
een jarenlange steun aan ‘Projet Intrants’ en wordt gefinancierd door België , Luxemburg, Spanje en de EU.
37 Het programma in Tillabéri is daar een duidelijk voorbeeld van waarbij de activiteiten van de grote boerenfederatie
MOORIBEN in dezelfde regio als voorbeeld hebben gediend.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
4.2 Benin
In dit land gebeurt de Belgische ontwikkelingssamenwerking38 via volgende kanalen:
• De multilaterale hulp via UNCDF (ADECOI project in de Borgou) en WARDA Africa Rice
Center.
• De bilaterale samenwerking met de Beninese overheid (projecten, microprojecten, studiebeurzen, en via het Fonds voor studie en expertise)
• Steun via Belgische NGO’s (VE, WSM, PROTOS, LCD39, ..)
• Het Belgisch Overlevingsfonds (via het UNCDF en de juist genoemde NGO’s)
• Steun via CIUF aan landbouwfaculteit van de Universiteit van Abomey-Calavi
De missie naar Benin leverde een aantal bevindingen op die we hier kort weergeven:
• Een belangrijke verhoging van de algehele Belgische steun aan Benin (73%)
• In het nieuwe ISP 2008-2011 gaat hiervan 36%40 naar landbouw dat naast gezondheid één van
de twee concentratie sectoren is.
• De concentratie van de bilaterale Belgische ontwikkelingssamenwerking is in de armste regio’s Atacora/Donga en Mono/Couffo. De NGO’s en UNCDF hebben ook projecten in andere
regio’s.
• Voor landbouw is België de coördinator onder de donoren en technische assistentie (rol wordt
gespeeld door attaché en vooral BTC die een deskundige heeft op het Ministerie van Landbouw41) waardoor België in staat is om invloed te hebben op het Beninse landbouwbeleid.
• Zowel de bilaterale projecten als sommige van de NGO’s (Vredeseilanden, Protos, Iles de Paix,
Louvain Coopération au Développement) richten zich op specifieke gewassen en veeteeltketens (rijst, groenten, cashewnoten, cassave, maïs en konijnen) volgens een ketenbenadering
waardoor verschillende actoren bij de projecten betrokken worden.
• De steun aan de landbouwsector betreft vooral voedselgewassen en een enkel industrieel gewas zoals cashewnoten en garnalen (speciaal visserij project ADEFIH),
• Vooral de NGO’s maar ook het vorige bilaterale landbouwproject in Atacora (PAMRAD) verlenen direct steun aan lokale en regionale boerenorganisaties, hetgeen deze laatste versterkt.
Ook het nieuwe bilaterale FAFA in Mono-Couffo werkt bijvoorbeeld met de regionale koepel
van groentetelers.
• Echter op nationaal vlak bestaat er bij de attaché, als ook bij de BTC, een grote terughoudendheid voor een directe samenwerking met de grote nationale koepels van boerenorganisaties.
Men zou wel willen maar vindt de organisaties en hun huidige leiders onvoldoende geloofwaardig. Ook FAO en de overheid raadplegen de nationale boerenorganisaties niet bij formulering landbouwbeleid.
• De boerenbeweging die in de jaren ‘90 vooral rond de katoen verenigd was en in staat was
beslissingen van de minister van Landbouw te laten terugdraaien, is vandaag de dag verdeeld.
Enerzijds door de ketenaanpak waardoor boeren vooral rond één specifiek gewas georganiseerd zijn, anderzijds omdat met name in de katoensector handelaren en ambtenaren boeren
hebben aangezet om parallelle boerenorganisaties op te zetten. Verder lijken de nationale leiders de band met de basis te hebben verloren omdat er geen interne discussies plaatsvinden
en de interne informatiesystemen niet werken.
38 Naast de hier genoemde officiële O.S. is er ook de NGO ‘Iles de Paix’ die met eigen middelen een gemeentelijke programma uitvoert in de gemeente Toucountouna (Atacora).
39 Louvain Coopération au Développement
40 Uiteraard gaat daarnaast ook een belangrijk gedeelte van de microprojecten, studiebeurzen, en middelen om expertise
beschikbaar te maken, naar de landbouwsector.
41 MAEP Ministère de l’Agriculture, Elevage et Pêche
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
25
26
• Behalve bij specifieke projecten zoals die van LCD en WSM, zijn de projecten meer gericht
op de verhoging van de landbouwproductie, en minder specifiek op voedselzekerheid voor de
betrokken bevolking.
• Overheid speelt weer een toenemende rol in commerciële activiteiten van bepaalde ketens
(rijst, maïs) hetgeen marktverstorend kan werken en een concurrentie kan vormen voor economische activiteiten van de boerenorganisaties.
• Met betrekking tot het Beninese beleid voor landbouwontwikkeling (PRSA)42: onder druk van
de donoren wordt dit beleid, dat door de overheid zonder overleg met andere belangrijke spelers (o.a. boerenorganisaties) werd geformuleerd, op dit moment op een participatieve wijze
geherformuleerd.
• Hoewel er op regionaal niveau koepelorganisaties zijn voor verschillende gewassen, zijn de
capaciteiten van deze koepels en van sommige lidorganisaties nog erg zwak (visionaire leiderschap, financieel management en informatiestroming zijn gebrekkig). Daarnaast hebben zij
onvoldoende financiële middelen om te investeren in infrastructuur, personeel, enz.
• Op advies van de subregionale koepel ROPPA hebben de verschillende nationale federaties
van boerenorganisaties (FUPRO, GEA, …) een nationale koepel opgericht (PNOPPA) die
op dit moment functioneert met een financiering van de overheid (WB). Door deze afhankelijkheid en ook door het feit dat leiders op individuele titel worden gecoöpteerd in bepaalde
overlegstructuren als vertegenwoordiger van de boeren en daarover niet terugkoppelen naar
hun achterban brengt de geloofwaardigheid van de boerenleiders in gevaar.
• Het is daarom hoog tijd voor een kritische zelfreflectie bij de top van de Beninse boerenbeweging. De Belgische actoren zou daarbij een ondersteunende en faciliterende rol kunnen
spelen.
42 Programme de Relance du SecteurAgricole
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
5. De problemen die hebben geleid tot de NGO –
aanbevelingen aan minister Michel
Voor een beter begrip van de rest van dit rapport lijkt het ons verstandig om nog even
in het kort aan te geven hoe de NGO’s in maart 2008 tot hun aanbevelingen aan de
federale minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn gekomen. Het is zo dat een
aantal van hen intussen verwezenlijkt zijn maar daarmee zijn de oorspronkelijke problemen niet automatisch opgelost. Vandaar ook noodzaak aan verdere verfijning van
die aanbevelingen. Hier volgen de oorspronkelijke aanbevelingen.
De grote nood aan meer voedsel en economische activiteit op het platteland
De afgelopen decennia, na de structurele aanpassingsprogramma’s van de WB, was de aandacht
voor landbouw zowel aan de kant van de Afrikaanse overheden als van de donoren ernstig verslapt. Recentelijk met de voedselcrisis en het 2008 ontwikkelingsrapport van diezelfde WB werd
het belang van landbouw nog eens overduidelijk aangetoond. Een goede voeding en gezondheid is
de basis voor elke verdere ontwikkeling van een volk.
Vandaar ook de NGO-aanbeveling van maart 2008: De Belgische ontwikkelingssamenwerking
moet haar bijdrage aan de landbouw geleidelijk aan verhogen, zodat het aandeel van deze hulp het
belang van de sector weergeeft.
Beperkt aantal landen waar landbouw en voedselzekerheid één van de twee
sectoren is
De sector landbouw kreeg in het verleden te weinig aandacht binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Door de recente beperking tot twee concentratiesectoren bestaat het gevaar dat
landbouw en voedselzekerheid niet gekozen wordt, zelfs als één van de twee sectoren een productieve sector moet zijn (zie Oeganda waar toch geen productieve sector gekozen werd)). Dit is op
zich geen ramp indien het betreffende land met andere donoren voldoende aandacht besteedt aan
deze sector, en dat op een manier doet die het partnerland in staat stelt om MOD1 te bereiken.
Deze afwegingen moeten echter wel gemaakt worden tijdens de voorbereiding van de nieuwe ISP.
Vandaar de NGO aanbeveling van maart 2008: Landbouw is een hefboom voor ontwikkeling en
moet in een maximum aantal partnerlanden tot één van de twee prioritaire sectoren van de Belgische
O.S. behoren.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
27
Nood aan een coördinerende beleidsverantwoordelijke voor landbouw en voedselzekerheid
28
Een aantal jaren geleden heeft het DGOS een grondige reorganisatie doorgemaakt, waarbij afgestapt werd van de sectorbenadering. De huidige interne organisatie verloopt via de verschillende
vormen van ontwikkelingssamenwerking en vervolgens per regio of per gefinancierde organisatie.
Hierdoor is er op thematisch vlak binnen DGOS een groot gebrek aan coördinatie en afstemming. Daarnaast is het natuurlijk zo dat ook andere ministeries op federaal of gewestelijk niveau
een beleid (handel, Europese landbouw, milieu) maken en uitvoeren dat ernstige gevolgen kan
hebben voor de landbouw en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden. Gezien DGOS over een
strategienota voor deze sector beschikt, is zij het best geplaatst om het Belgisch beleid op te volgen.
Vandaar ook de volgende twee NGO aanbevelingen van maart 2008: 1) Er is nood aan een beleidsverantwoordelijke binnen DGOS voor het opvolgen, coördineren en versterken van het Belgisch beleid
tegen de honger. 2) De beleidsverantwoordelijke Landbouw binnen DGOS dient interactie tussen
verschillende actoren op te volgen en de coherentie te bewaken.
Strategienota Landbouw en Voedselzekerheid
De huidige strategienota werd geformuleerd in 2002, maar sindsdien is er heel wat gebeurd binnen de sector. Naast de voedselcrisis, zijn er ook de lopende WTO onderhandelingen (vrijhandel
ook voor voedsel), en bestaan er verschillende visies op hoe de voedselproductie verhoogd kan
worden. Daarnaast dient de vraag gesteld te worden of de strategienota wel voldoende en de juiste
strategische keuzes gemaakt heeft. Vandaar de NGO aanbeveling van maart 2008: Het is hoog tijd
om de strategienota “Landbouw en voedselzekerheid” te evalueren en te herschrijven met meer strategische elementen en een actieplan”.
Beleid gestuurd en gecontroleerd aan de hand van strategienota
Over een strategienota beschikken is één zaak, hem operationeel gebruiken is een tweede. Uit de
verschillende contacten op DGOS is duidelijk gebleken dat de strategienota zelden geraadpleegd
wordt. Enerzijds omdat men vindt dat bij nieuwe projecten de attachés in de partnerlanden de
eerste controle/check moeten doen, maar anderzijds ook omdat de huidige strategienota te allesomvattend is, bijna elk redelijk voorstel past erin. Dit gebrek aan controle en sturing draagt er aan
bij dat projecten gefinancierd door verschillende Belgische actoren in eenzelfde land/regio, langs
elkaar heen kunnen werken, o.a. omdat zij niet vanuit eenzelfde beleid worden gestuurd. Vandaar
de NGO aanbeveling van maart 2008: De beleidsvoering moet voortaan gestuurd en gecontroleerd
worden op basis van de strategienota.
Gezinslandbouw produceert voedsel en schept economische ontwikkeling op
het platteland
In verschillende Afrikaanse landen is er de afgelopen jaren een opkomst van grote boerderijen omdat politici en andere goed geïnformeerde personen gemakkelijk toegang hebben tot grond, geld
en technologische kennis, waardoor zij grote stukken grond kopen en met de beste landbouwbenodigdheden aan landbouw doen, en in hun samenwerking met supermarkten een grote concurrentie vormen voor kleine boeren, terwijl hun bijdrage aan de economische ontwikkeling op het
platteland niet vanzelfsprekend is, dit in tegenstelling tot de gezinslandbouw die naast het voorzien
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
in werkgelegenheid ook haar inkomsten op het platteland uitgeeft. Organisaties van kleine boeren
zelf zijn het best geplaatst om via verschillende vormen van dienstverlening de gezinslandbouw te
ondersteunen.
Vandaar de NGO aanbeveling van maart 2008: Beleidsmaatregelen en programma’s moeten tot
doel hebben om de familiale landbouw te versterken zodat zij mee kan spelen op de nationale en
internationale markt. Deze versterking dient te gebeuren via boerenorganisaties.
Een zekere voorkeursbehandeling van de multilaterale instellingen
Bij sommige NGO’s heeft men ernstige twijfels over de prijs/resultaat verhouding bij het functioneren van sommige multilaterale instellingen, terwijl een belangrijk43 gedeelte van het federale
ontwikkelingsbudget voor door België toch via deze instellingen wordt besteedt. De verhoging die
het ontwikkelingsbudget in 2008 en 2009 heeft gekend is bijna volledig naar de multilaterale instellingen gegaan. Officieel gebeurde dit vanwege reeds aangegane internationale verplichtingen. Een
meer pragmatische reden kan zijn dat het beheersmatig gemakkelijker is om grote bedragen via
de VN-instellingen (en de EU) te besteden dan via een veelheid aan bilaterale en NGO-projecten.
Nu de minister ook nog eens wenst af te stappen van specifieke projectfinanciering voor de
multilaterale instellingen en de Belgische bijdragen volledig onbestemd aan hen wil overmaken,
maken de NGO’s zich zorgen over een toekomstig gebrek aan kritische beïnvloeding door België
op de juiste besteding van die middelen.
Vandaar hun aanbeveling van maart 2008: ‘Bij haar steun via multilaterale organisaties moet
België dezelfde beleidsprioriteiten nastreven als die gelden voor de andere kanalen van ontwikkelingssamenwerking”
Andere vormen van controle, sturing van het beleid
Het controleren en het sturen van het Belgische ontwikkelingsbeleid, en het zoeken en waken over
coherentie is niet alleen een zaak van DGOS, maar moet ook gebeuren door betrokkenen in het
partnerland, door het Belgisch maatschappelijk middenveld actief in de sector, alsook door de
politiek.
Vandaar de volgende drie NGO aanbevelingen van maart 2008: 1)“De overheid, NGO’s en andere
actoren dienen specifieke instrumenten te ontwikkelen om coherentie te bevorderen tussen verschillende vormen van ontwikkelingssamenwerking bijvoorbeeld via een gezamenlijk platform”, 2)“In de
partnerlanden is voldoende overleg en afstemming nodig tussen verschillende actoren ter bevordering
van de coherentie”, 3)“In het Parlement zou een werkgroep Landbouw in de commissie Buitenlandse
Zaken deze coherentie kunnen bewaken via debatten en hearings van belangrijke actoren”.
43 In 2005 was dat reeds 42%, met de budgetverhogingen voor ontwikkelingssamenwerking in 2008 en 2009 waarvan de verhogingen bijna volledig naar de multilaterale instellingen gaan, kan dit % zelfs hoger komen te liggen.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
29
6. Referentiekader44
30
De NGO’s van de Coalitie tegen de Honger hebben de afgelopen jaren een aantal documenten en standpunten geproduceerd die we kunnen beschouwen als hun gedachtegoed
of referentiekader. Daarnaast hebben de NGO’s veel ruchtbaarheid gegeven aan een
aantal internationale rapporten zoals hetReport of the Special Rapporteur on the right
to food van Olivier de Schutter van de HRC en het Report of the International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAASTD).
Met name dit laatste document wordt door de Coalitie naar voren geschoven als een
referentiekader dat ook de overheden zouden moeten hanteren.
In de “eigen” documenten zijn er nuances in functie van de betrokken partijen (milieubeweging45,
partners in ontwikkelingslanden46). In de ogen van Afrika-kenners komen sommige analyses en
voorstellen enigszins idealistisch en simplistisch over en zijn vooral gedaan vanuit de situatie in
West-Europa.
Het is gevaarlijk om vanuit de huidige Europese context oplossingen te bedenken voor de voedselcrisis in Afrika. We kunnen echter wel een aantal algemene succesfactoren bepalen vanuit de
landbouwontwikkeling en voedselzekerheid in West-Europa van de afgelopen eeuw, die er voor
gezorgd heeft dat hier het platteland en de landbouw tot ontwikkeling kwamen, de levensomstandigheden van de boerenbevolking zich in alle opzichten steeds verder verbeterde, en de consumenten blijvend werden voorzien van een steeds beter voedselpakket tegen redelijk stabiele prijzen.
– Geen ontwikkeling van de landbouw zonder een landbouwbeleid
Er is in de ontwikkelde landen geen regering geweest, die (voor langere tijd) de ontwikkeling van
zijn landbouw heeft overgelaten aan alleen maar de marktkrachten. Er is altijd een beleid gevoerd
met enige vorm van protectie ten gunste van de eigen landbouwbevolking ten opzichte van buitenlandse concurrenten.
– Toegepaste wetenschap als motor voor de productiviteitsstijging
De motor voor de Westerse landbouwontwikkeling (stijging van de productie per man/vrouw, per
dier, per hectare) is de revolutionaire productiviteitsstijging geweest die gerealiseerd kon worden
door toepassing van de wetenschap en technologie. Steeds minder boeren bleken nodig te zijn om
de bevolking van voedsel en andere agrarische producten te voorzien. In de moderne landbouw
zijn nog maar drie of vier boeren nodig om honderd anderen van voedsel te voorzien.
44 Dit hoofdstuk is tot stand gekomen op basis van een analyse van de betreffende documenten door collega Frans Vader, met
een ruime ervaring in de Nederlandse en Afrikaanse georganiseerde landbouw et met grote belangstelling voor de geschiedenis van landbouwbeleid en landbouwontwikkeling.
45 Gezamenlijke visie van de noord-zuidbeweging en de milieubeweging over het thema ‘landbouw’ door VODO werkgroep
landbouw.
46 De wereldwijde voedselcrisis, en hoe ze te overwinnen, nota van de ngo-coalitie: Landbouw 2015
– Een democratische infrastructuur als voorwaarde voor ontwikkeling
De oprichting en groei van organisaties die de belangen behartigden van de boerenbevolking hebben er voor gezorgd dat er een maatschappelijk middenveld ontstond tussen overheid en markt.
Druk op de overheid om voorzieningen te treffen op het gebied van landbouw- en huishoudonderwijs, onderzoek en voorlichting, bescherming van de pachter. Er ontstonden samenwerkingsverbanden tussen boerenorganisaties, ministeries van landbouw, en de wetenschappelijke wereld.
Naast sterke boerenbonden, waar de meerderheid van de boeren zich bij hadden aangesloten, ontstonden op coöperatieve leest geschoeide ondernemingen als verlengstuk van de kleinschalige gezinsbedrijven. Eerst plaatselijk, gaandeweg door fusie en schaalvergroting regionaal en nationaal.
We moeten niet vergeten dat “het westerse succes” een ontwikkeling is geweest over meer dan
100 jaar en dat het niet alleen een succesverhaal is. De desastreuze gevolgen voor de ontwikkelingslanden (dumpingpraktijken) en op het milieu (ontbossing, vervuiling grond en water) zijn
algemeen bekend.
Ontwikkelingslanden of hun regionale economische gemeenschappen moeten de mogelijkheid
hebben om landbouwpolitieke maatregelen te nemen om zich teweer te stellen tegen dumping en
andere vormen van concurrentievervalsing door andere landen. Zonder dergelijke maatregelen
ontstaan er geen lonende prijzen voor de landbouwproducenten in de ontwikkelingslanden. En
een boer zal pas voor de markt produceren als hij/zij een lonende prijs denkt te kunnen realiseren.
Een lonende prijs die hem/haar zoveel inkomen geeft dat het gezin daarvan kan leven, zijn/haar
kosten worden vergoed, schulden kunnen worden terugbetaald en er geld overblijft om te kunnen
investeren in de ontwikkeling van zijn/haar bedrijf en als reserve voor slechtere tijden.
In de verschillende documenten die door de Belgische NGO’s naar voren worden geschoven als
referentiekader wordt aan sommige van de hierboven genoemde zaken voldoende belang gehecht
(landbouwbeleid, onderzoek en voorlichting) maar wordt slechts in algemene bewoordingen aandacht gevraagd, voor de noodzaak van een democratische infrastructuur. De noodzaak van sterke
boerenorganisaties die nauw samenwerken met andere essentiële actoren in de landbouwsector.
Boerenorganisaties die in staat zijn op alle overheidsniveaus het landbouwbeleid (markt en prijsbeleid, structuurbeleid) continent te beïnvloeden. Boerenorganisaties die samen met wetenschappers in hun land zoeken naar verbeterde gewassen en teelttechnieken. Boerenorganisaties die zorgen dat allerlei nuttige informatie voor boeren toegankelijk wordt. Boerencoöperaties die zorgen
dat boeren minder betalen voor hun landbouwbenodigdheden, en meer krijgen voor hun oogst.
Dit betekent dat boerenorganisaties op alle niveaus waar de Belgische ontwikkelingssamenwerking tussenkomt als een volwaardige gesprekspartner beschouwd dient te worden, en dat gezocht
moet worden naar de juiste versterking van hun huidige beperkte capaciteiten.
Wanneer Afrikaanse boerenorganisaties hun stempel weten te drukken op het landbouweconomisch beleid van hun land, van hun subregio of op het CAADP van de NEPAD, zullen de inspanningen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, die meestal plaatsvinden binnen dat landbouwbeleid, meer duurzame resultaten boeken want beter geënt op de mogelijkheden en wensen
van de boeren. Want laten we duidelijk zijn, ook de Afrikaanse boer zal pas echt gaan investeren in
zijn/haar bedrijf en gaan produceren voor de markt als hij/zij er echt beter van wordt.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
31
7. Concretere invullingen van de aanbevelingen
32
Alvorens over te gaan tot het concreet invullen van de in maart 2008 gedane aanbevelingen aan het adres van de Minister van Ontwikkelingssamenwerking, neem ik de
vrijheid om eerst vanuit een aantal vaststellingen in de twee bezochte landen en breder,
met een paar aanvullende aanbevelingen te komen.
Namelijk naast de vele positieve indrukken die ik kreeg van de Belgische ontwikkelingssamenwerking in Niger en Bénin is er een belangrijk zwak punt in de officiële bilaterale samenwerking,
namelijk de grote afhankelijkheid van België ten opzichte van de overheid van het partnerland.
Hoewel goed bedoeld en geformuleerd vanuit vroegere negatieve ervaringen waarbij de Westerse
donoren onvoldoende rekening hielden met de keuzes, prioriteiten, verantwoordelijkheden van de
overheid van het betreffende land, lijkt de Verklaring van Parijs te eng geïnterpreteerd te worden
(partnerland = partneroverheid). De uitvoering van alle programma’s en projecten van de officiële
Belgische ontwikkelingssamenwerking gaan via de nationale en lokale overheden van het partnerland, of die democratisch en efficiënt functioneren of niet.
We stellen echter vast dat, met name sinds de voedselcrisis, maar in sommige landen al langer, de
overheid (= politieke machthebbers) opnieuw een dominante rol speelt waarbij de algemene belangen van de gewone bevolking op de tweede plaats komen. Door allerlei allianties tussen de politici en grote spelers uit de particuliere sector, waarbij het maatschappelijk middenveld buiten spel
komt te staan, lijkt het echte democratiseringsproces dat begin jaren ‘90 werd ingeluid tot stilstand
te zijn gekomen en eerder op zijn terugweg te zijn. Daar komt bij dat met name de boerenbeweging
in haar snelle opbouw hier en daar de band met haar basis lijkt te hebben verloren waarvan door
sommige politici en ondernemers handig gebruik gemaakt wordt om de leidende boerenorganisaties in diskrediet te brengen of om de oprichting van parallel organisaties te steunen, en daardoor
de boerenbeweging te verdelen. Deze negatieve ontwikkeling zou gekeerd moeten worden.
De bilaterale en multilaterale samenwerking besteden wel middelen aan het versterken van het
maatschappelijk middenveld maar doen dit via de overheidsdiensten van het partnerland waardoor zij vaak niet bijdragen aan het versterken van de bestaande maatschappelijke organisaties
maar nieuwe aan de overheid (=politieke machthebbers)“verbonden” structuren opzetten.
Om te komen tot duurzame ontwikkeling is het van groot belang dat samenlevingen zich op evenwichtige wijze ontwikkelen waarbij elk van de onderdelen: overheid, particuliere sector en het
maatschappelijk middenveld elkaar voldoende weerwoord (kunnen) geven. Dit betekent dat ook
binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking alle drie de onderdelen op de juiste wijze versterkt moeten worden. Dit gebeurt het beste vanuit soortgelijke (zuster)organisaties omdat die
vanuit eenzelfde logica denken en handelen als de te ondersteunen structuren en organisaties van
het partnerland.
De afgelopen periode zijn er lovenswaardige inspanningen gedaan vanuit het kabinet en DGOS
om te komen tot meer coherentie tussen de bilaterale samenwerking en de interventies van de
NGO’s. Nieuwe instructies voor de attachés, betrokkenheid van de NGO’s bij de voorbereiding
van Gemengde Commissies in een aantal landen, en een akkoord tussen de Minister en de Belgische niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties zijn daarvan concrete voorbeelden. Dit
lijkt een goede basis voor verdere coherentie en samenwerking in de verschillende partnerlanden,
niet alleen tussen de Belgische actoren maar met name ook tussen de verschillende actoren van
het partnerland (centrale ministeries, nationale boeren en plattelandsvrouwenorganisaties, lokale
overheden, lokale boeren en plattelandsvrouwenorganisaties,… ).
Versterking van maatschappelijk middenveld vanuit bilaterale en multilaterale
projecten
• Elk bilateraal en multilateraal project dient voortaan een component “versterking van het
maatschappelijk middenveld” te bevatten in functie van de algemene en specifieke doelen van
dat project. Om dit te bewerkstellingen voor landbouw en rurale projecten dienen de boerenkoepelorganisaties die actief zijn binnen de specifieke regio of binnen de specifieke sectoren
van het toekomstige project een actieve rol te kunnen spelen tijdens de gehele voorbereidende
fase van het project. Voor projecten die zich breder richten op voedselzekerheid dient het
begrip maatschappelijk middenveld zich niet te beperken tot boerenorganisaties maar ook
consumentenorganisaties of arbeidersvakbonden te omvatten, gezien de mogelijk tegengestelde belangen tussen producenten en consumenten . In de projectbeschrijving en in de contracten met het partnerland dient voorzien te worden dat de uitvoering van die component
in principe gedaan zal worden door bestaande lokale (boeren)organisaties, daarin eventueel
ondersteund door een nationale of buitenlandse boerenorganisatie of NGO. Dit betekent dat
het betreffende project naast middelen voor de uitvoering van die component ook middelen
voorziet ter versterking van de betrokken locale boerenorganisaties en andere componenten
van het maatschappelijk middenveld, zoals ook de ISP nu reeds institutionele steun voorziet
aan het betrokken ministerie of de lokale overheid.47
• De keuze van de uitvoerende organisaties voor dit luik “versterking van het maatschappelijk
middenveld” zal op een transparante wijze moeten gebeuren, waarbij de verschillende betrokken partijen gehoord worden. Een zekere staat van dienst op dit terrein lijkt echter een
basisvoorwaarde. Verder moet voor alle partijen vermeden worden dat de verantwoordelijken
van de uitvoerende instanties ook zitting nemen in het projectorgaan dat belast is met de algemene besluitvorming van het project en ook de controlerende functie heeft om te zien of het
project in overeenstemming met die besluitvorming wordt uitgevoerd.
• De projecten moeten dan ook worden aangestuurd/gecontroleerd door een democratisch
functionerend orgaan waarin ook het maatschappelijk middenveld (de doelgroep van het
project) op evenwichtige wijze vertegenwoordigd is en daardoor een doorslaggevende rol kan
spelen. Graag verwijzen we hier naar de VN beschrijving van “good governance”.48
• De nieuwe basistoelage voor de bevordering van de samenwerking tussen gouvernementele
en niet-gouvernementele Belgische O.S. actoren, zoals voorzien in punt 3.3. van het 4 mei akkoord tussen de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Belgische NGO’s, zou een
belangrijke rol kunnen spelen bij het (gezamenlijk) versterken van het maatschappelijk middenveld van het betreffende partnerland49.
47 Jammer genoeg beperkt het recente akkoord tussen de Minister en de NGOs zich tot ondersteuning aan boerenorganisaties aan de basis, terwijl deze laatste juist hogere boerenorganisaties nodig hebben om hun stem binnen de verschillende lagen van het overheidsapparaat te laten horen.
48 According to the UN, good governance has eight characteristics, being: Consensus Oriented, Participatory, following
Rule of Law, Effective and Efficient, Accountable, Transparent, Responsive, Equitable and Inclusive.
49 Trias, Vredeseilanden en Oxfam-WereldWinkels willen proberen om in Tanzania met die basistoelage vanaf 2010 een
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
33
De geleidelijke verhoging van het gedeelte van het O.S.-budget bestemd voor
landbouw
34
In het recente akkoord tussen de Minister en de NGO’s heeft de Minister zijn eerdere
toezegging om vanaf 2010 10% van het O.S. budget50 aan plattelandsontwikkeling en
landbouw te besteden met een verhoging naar 15% tegen 2015, herbevestigd. Hier
voegt hij aan toe dat bijzondere steun verleend zal worden aan gezinslandbouw en
aan boerenorganisaties. Dit lijkt een goede basis voor een versterking van de Belgische
steun aan duurzame landbouwproductie en voedselzekerheid, die dringend vereist is
gezien de structurele voedseltekorten die verwacht worden de komende jaren. Wanneer we echter zien dat meer dan de helft van de partnerlanden een MOL is, waar
landbouw nog de basis is van de economie en 80% van de bevolking van de landbouw
leeft, en haar functie als voedselproducent dus dubbel zo belangrijk is, en in die landen
40% of meer van het ISP-budget naar landbouw gaat, kunnen we ons afvragen of 10
tot 15% wel een echte uitdaging is. Uit cijfers van DGOS blijkt overigens dat de 10%
norm reeds bijna bereikt is zonder dat er door het ministerie echt speciale inspanningen zijn gedaan.
Naast een verhoging van de financiële middelen, is ook de keuze en de kwaliteit van de te financieren ontwikkelingsactiviteiten van essentieel belang voor de uiteindelijke impact van de hulp
op de voedselproductie en op de voedselzekerheid. Vandaar de volgende aanvullende concrete
aanbevelingen:
• Om uitdrukking te geven aan de werkelijke bezorgdheid van de Belgische overheid omtrent
de noodzaak aan duurzame voedselproductie en voedselzekerheid in de wereld en in haar
partnerlanden in het bijzonder, zou zij moeten besluiten om het aandeel van deze sector in het
ontwikkelingsbudget te verhogen tot 25% en dat tegen 2013 zodat deze middelen voldoende
kunnen bijdragen aan het behalen van het MOD1 in 2015. Intussen wordt het belang van investeren in de landbouw algemeen (WB, G8) erkend. Het is de meest doeltreffende hefboom
voor armoedebestrijding met name in landen waar landbouw de basis vormt van de economie. Deze extra verhoging moet gebeuren binnen de planning om de 0,7% norm te halen.
• Prioriteit zou gegeven kunnen worden aan programma’s die een duurzaam impact hebben op
de voedselproductie en op de voedselzekerheid . Het gaat dan op de eerste plaats om steun aan
de formulering van een goed landbouwbeleid (met daarin ook aandacht voor risicobeheer en
marktregulering), maar ook met name om projecten die als doel hebben om landbouwgrond
te verbeteren of om die aan/terug te winnen (erosiebestrijding, irrigatiewerken, bemesting via
integratie akkerbouw en veeteelt, grondpolitiek/kadaster), projecten die verbeterd en aangepast zaai en pootgoed ontwikkelen/ beschikbaar maken evenals andere landbouwbenodigdheden, projecten die via lichte mechanisatie boeren in staat stellen grotere oppervlaktes te
bebouwen, projecten die als doel hebben een toegevoegde waarde te scheppen voor de verbouwde producten (via opslag, verwerking van producten en verbeterde afzetmarkten, alsook
projecten die boeren via kennisoverdracht in staat stellen tijdig goede beslissingen te nemen
(farmer field schools, goede nieuwsvoorziening, studiereizen).
• Naast de keuze van de activiteiten zijn er nog aspecten die van essentieel belang zijn om de
duurzaamheid en efficiëntie van de projecten te verhogen:
experimenteel project te starten.
50 Het gaat om het DGOS budget dat slechts 60% van de totale publieke hulp bedraagt.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
–– een centrale rol voor voorbeeld boeren (landbouwonderzoek, pootgoed vermeerdering),
voor boerengroepen (arbeid, voorlichting en uitwisseling, gezamenlijk gebruik van landbouwmateriaal) en voor basiscoöperaties (toegang tot landbouwbenodigdheden, krediet,
informatie, opslag, verwerking, en afzet), waardoor boeren grip krijgen op de voedselketen,
–– ondanks het feit dat het om voedselgewassen gaat is het belangrijk dat de productie marktgericht is (in functie van de specifieke eisen van een “gegarandeerde afzet die een betere prijs
oplevert”),
–– naar gelang de voedselzekerheid in het gebied kan de basiscoöperatie een opslagsysteem
ontwikkelen (in functie van de specifieke behoefte van de leden) met daaraan gekoppeld een
warrantage of warehouse-receipt systeem dat de boer(in), waardoor het voedsel (voorlopig)
ter plaatse beschikbaar blijft en de producent toch in staat wordt gesteld om een krediet op
te nemen om aan dringende behoeften te voldoen in afwachting van hogere prijzen.
–– Deze sociaal-economische activiteiten op basisniveau (gehucht/dorp/gemeente) worden
duurzamer (en eventueel rendabeler door schaalvergroting) indien zij ondersteund worden
door een boerenorganisatie op district/provinciaal niveau voor diverse vormen van dienstverlening: marktinformatie, voorlichting, voor contacten met gespecialiseerde instellingen
(onderzoek, financiële instellingen) voor het bundelen van inkopen van landbouwbenodigdheden of voor het zoeken van nieuwe markten, voor belangenbehartiging op provinciaal niveau. In functie van de behoeften die niet op lokaal of provinciaal/regionaal niveau
kunnen worden opgelost dienen nationale of subregionale boerenorganisaties ingeschakeld
te worden. Het is echter essentieel dat het initiatief en de controle van nieuwe initiatieven
op een hoger niveau in handen zijn/blijven van het lagere niveau. Problemen in/met boerenorganisaties in het verleden zijn vaak juist te wijten geweest aan een gebrek aan controle door hun leden: gebrek aan transparantie en inspraak, gebrek aan kennis en aan de
juiste informatie en beslissingsinstrumenten. Daarom dienen programma’s veel aandacht
te (blijven) besteden aan informatie/training van zowel lokale leiders als gewone leden van
boerenorganisaties.
• Naast de hierboven genoemde activiteiten en aanvullende aspecten die ondermeer leiden tot
grotere productie, hogere kwaliteit en betere beschikbaarheid van voedsel is uiteraard ook de
voeding zelf van essentieel belang met name voor de zwakkere groepen van de bevolking. Dit
betekent dat voedselvoorlichting en toegang tot een voldoende diversiteit aan voedsel vaste
onderdelen moeten zijn van programma’s gericht op duurzame landbouw en voedselzekerheid. Naast boeren en plattelandsvrouwenorganisaties kunnen met name ook gezondheidsmutualiteiten via gezondheids- en voedselvoorlichtingscentra een sleutelrol spelen in het organiseren van de juiste voorlichting en het verstrekken van goede informatie over gezonde
voeding. Daarnaast kunnen met name deze laatste extra aandacht besteden aan specifieke
groepen (pasgeborenen, zwangere vrouwen, zogende moeders).
• Gezien de noodzakelijke complementariteit en coherentie tussen de verschillende kanalen
(multilateraal, bilateraal, NGO’s, en de speciale programma’s zoals het BOF en voedselhulp
) en gegeven het feit dat die het gemakkelijkst bereikt wordt op niveau van de individuele
partnerlanden, dient vermeden te worden dat de extra hulp voor landbouw en voedselzekerheid vrij automatisch naar de multilaterale instellingen zal gaan. Zij moet vooral gaan naar
die landen waar de voedselproductie en voedselzekerheid nog steeds problematisch zijn en
zou daar besteed moeten worden aan die programma’s die het best voldoen aan eerdere genoemde aspecten en waarin multilaterale instellingen, overheidsdiensten, boerenorganisaties
en NGO’s elkaar kunnen aanvullen.
• De minister van Ontwikkelingssamenwerking zou van het komende Belgische EU-voorzitterschap gebruik moeten maken om ook andere EU-landen er toe aan te zetten om een groter
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
35
gedeelte van hun ontwikkelingsbudget toe te kennen aan de sector landbouw en voedselzekerheid, om een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en van met name
boerenorganisaties bij strategische discussies over de sector in hun partnerland.
Landbouw als concentratie sector in een maximum aantal partnerlanden
36
De praktijk toont aan dat de vermelding dat minimaal één van de twee concentratie
sectoren een productieve sector moet zijn, niet automatisch leidt tot de keuze voor
landbouw en voedselzekerheid. Ook door plattelandsontwikkeling in zijn geheel als
één sector te zien bestaat het gevaar dat het specifieke belang van de voedselproductie
en de voedselzekerheid verwatert in allerlei deelsectoren en transversale thema’s (gender, sociale economie) die vervolgens in de praktijk eerder op zichzelf functionerende
concentratie sectoren lijken te worden . Daarnaast zijn er verschillende andere sectoren die activiteiten kunnen bevatten die eigenlijk onder landbouw en voedselzekerheid
thuishoren zoals water, stockage, microkredieten, civiele maatschappij.
• Om het belang van duurzame landbouw en voedselzekerheid nog duidelijker te kunnen stellen zou het als specifieke concentratie sector genoemd en gehanteerd moeten worden in de
gesprekken met alle bij de ISP betrokken partijen en als dusdanig ook genoemd moeten worden in de instructies aan de attachés.
• Gezien de urgentie van een structurele verhoging van de voedselproductie in de armste landen, is het niet meer dan logisch dat het ISP dat België met een dergelijk partnerland opstelt,
‘duurzame landbouw en voedselzekerheid’ als concentratie sector heeft en daaraan minimaal
50% van de officiële hulp besteedt. Indien in een bepaald geval het partnerland of België in
samenspraak met andere donorlanden daarvan wenst af te wijken zal duidelijk aangetoond
moeten worden dat het land met andere middelen goed op weg is om het MOD1 te behalen.
Dit laatste zou in een breder representatief forum (met lokale overheden en maatschappelijk
middenveld) in het betrokken land beoordeeld moeten worden.
• Het is wenselijk dat DGOS haar sectorindeling herziet/verfijnt en precies aangeeft wat onder
“Duurzame Landbouw en Voedselzekerheid” valt en wat onder andere sectoren.
De nieuwe strategienota voor Landbouw en Voedselzekerheid moet duidelijke
keuzes maken
Om te vermijden dat ook de nieuwe beleidsnota door niemand wordt geraadpleegd
omdat hij te allesomvattend is dient de nieuwe nota recht te doen aan haar naam:
‘strategienota’, zij moet met haar strategische keuzes een beperkend referentiekader
vormen, richtlijnen aanreiken voor programma’s voor duurzame landbouw en voedselzekerheid. Hier volgen een aantal essentiële keuzes:
• Nationale en bij voorkeur regionale/provinciale boerenorganisaties evenals andere componenten van het maatschappelijk middenveld dienen een sleutelrol te spelen bij de voorafgaande
analyses, de projectformulering, het bestuur van het project en in de uitvoering van bepaalde
onderdelen van het project.
• Het moet vooral gaan om voedselgewassen (75% van de middelen) en de nadruk moet liggen
op inheemse gewassen en gewassen die van belang zijn voor de voeding van een meerderheid
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
van de bevolking en/of bijdragen aan een rijke/voedzame diversiteit voor de zwakkere groepen van de bevolking.
• Hoewel heel wat voedselgewassen intussen ook zogenaamde “cash crops” zijn geworden (rijst,
aardappelen, uien) omdat zij (na een eventuele verwerking of verpakking) vooral afgezet worden in de koopkrachtige grote steden en in de buurlanden, kan het in bepaalde landen wenselijk zijn om ook in te zetten op andere exportgewassen (maximaal 25% van de middelen)
bestemd voor markten in geïndustrialiseerde landen (vanwege beperkte koopkracht in het
land en voor betere diversificatie van inkomsten).
• De steun moet op evenwichtige wijze verdeeld worden over investeringen in menselijk kapitaal, in infrastructuurwerken, en in functioneringskosten.
• Het gaat om familiale landbouw en om gemengde landbouw (akkerbouw, veeteelt, bosbouw,
tuinbouw, visteelt, verwerking van productie, …) waarvan de samenstelling gebaseerd wordt
op de specifieke situatie van de betreffende landbouwecologische zones.
• Vrouwen als belangrijke speler in de voedselproductie en in de voedselbereiding moeten de
meerderheid (75%) van de doelgroep vormen. Tevens dienen zij actief betrokken te worden
bij de voorbereiding en de uitvoering van het project.
• Naast de ketenbenadering die het mogelijk maakt om de projectactiviteiten te richten op de
zwakke schakels in de keten en om marktgericht te opereren is het van essentieel belang dat
ook de voedselzekerheid (voldoende en kwalitatief en divers voedsel) een transversaal thema
is in alle landbouwprojecten.
• Verder dient de nadruk te liggen op duurzame landbouw, niet alleen in ecologische maar
vooral ook in economische zin (geen landbouwmodel dat zichzelf niet kan bedruipen).
• Daarnaast zou gekozen moeten worden voor voedselsoevereiniteit in plaats van voedselzekerheid om landen in staat te stellen hun eigen landbouw- en voedselbeleid te bepalen, zulks
eventueel binnen de subregionale gemeenschappen waartoe zij behoren.
Verder zou het zo moeten zijn:
• Dat de nieuwe strategienota het algemene kader schetst, de hoofdlijnen geeft die vervolgens
in elk van de concentratielanden die landbouw en voedselzekerheid als hoofdsector hebben
gekozen, concreet worden ingevuld in nauwe samenspraak met alle betrokken partijen (lokale
overheden, boerenorganisaties, andere spelers uit de voedselketens, …)
• Dat bovenstaande keuzes zonder uitzondering gelden voor alle vormen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking gefinancierd vanuit de publieke middelen (multilateraal, bilateraal,
niet-gouvernementele,..)
• Dat België een nog actievere rol moet spelen bij het richting geven aan en het opvolgen van
beleid bij de met landbouw en voedselzekerheid belastte multilaterale instellingen van de VN:
FAO, IFAD, WFP, CGIAR.
• Dat gezien het belang van voeding voor kinderen er eveneens meer aandacht en middelen
dient te gaan naar UNICEF, uiteraard binnen het algemene kader van de strategienota.
• Dat de nota verschillende strategieën voorziet voor enerzijds de verhoging van de landbouwproductie door middel van professionele gezinslandbouw en anderzijds de voedselzekerheid
voor zwakkere groepen van de bevolking die (om verschillende redenen) niet actief zijn in de
landbouw of daar geen toekomst in zien.
• Dat de nieuwe strategienota ook aan zal moeten geven op welke onderdelen het ontwikkelingsbeleid kan botsen met ander beleid van België zoals het handelsbeleid (vrije uitvoer of zelfs
gesubsidieerde uitvoer van voedsel naar landen die, die producten zelf ook produceren, mensenrechten (recht op voedsel), … De nota dient te stellen dat basisvoedsel (lijst van gewassen
op te stellen door maatschappelijke middenveld in minst ontwikkelde landen) een speciale status moet hebben binnen de WTA en EPA onderhandelingen, dat de wereldvoedselvoorraden
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
37
38
beheerd moeten worden door een aparte VN-instelling of de High Level Task Force (waarin
de landbouwinstellingen zitting hebben en waarin ook het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigd dient te zijn), en dat dumping van export van Belgische51 voedselgewassen
verboden is.
• Dat de nota eveneens het functioneren, de rol en de samenstelling van de huidige denktank
voor Duurzame Landbouw en Voedselzekerheid dient te duiden.
• Dat de nota het belang en de modaliteiten aangeeft voor het monitoren van haar eigen toepassing. Gezien de complexiteit van de materie dient de monitoring gezien te worden als een
leerproces waar oplossingen steeds opnieuw worden getest en bijgesteld.
• Dat de conceptnota eerst bespreken wordt in de denktank voor Duurzame Landbouw en
Voedselzekerheid alsook binnen de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling alvorens dat
hij naar het federale parlement wordt gestuurd.
Dezelfde beleidsprioriteiten voor alle kanalen van de officiële O.S.
Zoals reeds aangegeven moet de toekomstige strategienota zich beperken tot de grote
lijnen en moet de concrete invulling gebeuren in de betrokken partnerlanden. Hierbij
ligt uiteraard een grote verantwoordelijkheid bij de overheid van dat land om vanuit
haar eigen beleid voor landbouw en voedselzekerheid prioriteiten aan te geven voor
de samenwerking met België en met andere ontwikkelingspartners. Echter samen met
die andere partners heeft België de verantwoordelijkheid om er op toe te zien dat de
beleidsformulering en prioriteitsstelling door het partnerland op democratische wijze
en in het belang van de bevolking en van een duurzame ontwikkeling gebeurt, met een
grote betrokkenheid van de andere sleutelactoren van dat land en die sector: de boerenorganisaties, de private sector, de consumentenorganisaties, …
• In landen waar België van de andere donoren een leidende rol heeft gekregen in de ondersteuning van het partnerland in de landbouw en voedselzekerheid zullen de Belgische attaché(s)
en ambassadeur, een actieve lobby moeten onderhouden bij de betrokken ministeries van
het land en bij de vertegenwoordigers van de VN-instellingen (incluis WB) en bij de andere
donoren, in lijn met de keuzes in de nieuwe strategienota.
• Een belangrijke zorg zal daarbij zijn om alle spelers zowel binnen de donorgemeenschap52 als
binnen de sector landbouw en voedselzekerheid van het land, elk hun specifieke rol te laten
spelen, hun meerwaarde te valoriseren, kennis en ervaring te laten uitwisselen en om de interventies van de verschillende spelers goed op elkaar te laten aansluiten.
• Daarnaast zullen de Belgische attachés bij de VN-instellingen in Rome, in nauw overleg met
haar/zijn collega’s in de betrokken partnerlanden, een actieve lobby moeten onderhouden
bij de betreffende verantwoordelijken van deze VN-instellingen om te zorgen dat hun programma’s in de betrokken landen inderdaad goed ingebed zijn in het lokale beleid en over de
benodigde financiële middelen beschikken om hun specifieke bijdrage in te vullen.
• Ook de nationale (en subregionale) koepels van boerenorganisaties dienen actief te lobbyen
bij de betrokken VN-instellingen, in hun eigen land maar ook in Rome. Een goede (regelmatig en diepgaande) informatie uitwisseling tussen de boerenorganisaties en de verschillende
51 Dit is uiteraard een Europese bevoegdheid en vraagt dus om actie richting EU (bijvoorbeeld tijdens het komende
Belgisch voorzitterschap)
52 Incluis technische assistentie
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
attachés kan hierbij een goede ondersteuning zijn.
• Tijdens de attaché dagen voor ontwikkelingssamenwerking in 2010 zou de rol van boerenorganisaties in de sector voor landbouw en voedselzekerheid in het bijzonder en binnen het
maatschappelijk middenveld van het partnerland, specifiek op de agenda moeten komen.
Hierbij zou een beroep gedaan kunnen worden op gespecialiseerde Belgische actoren zoals
Boerenbond/ TRIAS en FWA/CSA, die zich zouden kunnen laten begeleiden door boerenleiders uit ontwikkelingslanden. Vervolgens zou landbouw en voedselzekerheid minimaal om
het andere jaar op de agenda van de attachédagen moeten staan.
Sturing/Monitoring van het beleid voor duurzame landbouw en
voedselzekerheid
Om coherentie tussen projecten en/of acties van de verschillende actoren binnen de
sector duurzame landbouw en voedselzekerheid te bevorderen en om er op toe te zien
dat het afgesproken beleid ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd worden volgende maatregelen/instrumenten aanbevolen:
• Sinds een jaar is er binnen DGOS een beleidsverantwoordelijke voor landbouw en voedselzekerheid aangesteld.
–– Belangrijke taken binnen deze functie dienen te zijn: voor andere leden van de denktank
interessante informatie te verzamelen en te verspreiden, het doen van voorstellen voor de
nieuwe strategienota op basis van ideeën aangedragen door evaluaties, en denkoefeningen
over deelthema’s, …
–– Hoewel hier vooral een taak ligt voor de attachés en de DG-hoofden in Brussel kan ook
de beleidsverantwoordelijke gevraagd worden om alle nieuwe projecten te toetsen aan de
strategienota.
–– Verder zal hij er op toe moeten zien dat in functie van de agenda van de denktank de juiste
personen binnen DGOS zoveel mogelijk deelnemen aan de bijeenkomsten van de denktank.
• Tegelijkertijd heeft het kabinet Ontwikkelingssamenwerking ook een denktank in het leven
geroepen, met vertegenwoordigers van DGOS, BTC, en vertegenwoordigers van Belgische
boerenorganisaties, en van universiteiten en NGO’s actief in de sector. Het informele karakter
van de huidige denktank dient voorlopig behouden te blijven maar haar functioneren kan
verbeterd worden door:
–– Een actievere rol van met name de ontwikkelings-NGOs en andere niet-gouvernementele
leden van de denktank bij het bepalen van de agenda, en het geven van inleidende presentaties voor bepaalde thema’s.
–– De landenverantwoordelijken bij DGOS (D1) van landen waar landbouw en voedselzekerheid als concentratie sector is gekozen zouden ook systematisch uitgenodigd moeten worden voor de bijeenkomsten van de denktank.
–– Gezien het feit dat beleid van andere (federale of gewestelijke) ministeries belast met landbouw en handel strijdig kan zijn met het (federale) ontwikkelingsbeleid dient het voorkeur
om ook vertegenwoordigers van die ministeries in de denktank op te nemen, om zo tegenstrijdigheden tussen de beleidsdomeinen te vermijden.
–– Om het belang van boerenorganisaties bij de beleidsformulering en bij de uitvoering
van projecten van cruciaal belang is zou de samenwerking met boerenorganisaties een
vast agenda punt voor elke bijeenkomst van de denktank moeten zijn. Door bijvoorbeeld de samenwerkingssituatie in één of twee partnerlanden te bespreken, of specifieke
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
39
40
ondersteuningsprogramma’s voor boerenorganisaties of de uitkomsten van belangrijke internationale bijeenkomsten van boerenorganisaties op de agenda te plaatsen.
–– Naast informatie uitwisseling zou de denktank ook de rol van beleidsvoorbereiding dienen
te spelen, zeker nu de nieuwe strategienota geformuleerd moet worden.
–– Ook zou de denktank na het beschikbaar worden van het jaarverslag van DGOS, dit verslag
kritische kunnen toetsen aan de strategienota, en aan eventueel door de denktank in het
verleden gedane aanbevelingen.
–– Werkgroepjes (met denktankleden van verschillende achtergrond) zouden tussentijds kunnen overleggen over specifieke (deel)thema’s of de volgende bijeenkomst kunnen voorbereiden.
–– Gezien de mogelijke afwezigheid van sommige leden bij de bijeenkomsten van de denktank
is het wenselijk dat zij een beknopt verslag van de bijeenkomst krijgen alsook een kopie van
de tijdens de bijeenkomst verspreide documenten.
–– Het idee van sommige NGO’s om te komen tot een meer politiek onafhankelijke en formele
denktank lijkt enigszins voorbarig, niet op de laatste plaats vanwege de grote diversiteit onder de NGO’s en mogelijke spanningen rond het leiderschap53 van een dergelijk onafhankelijk orgaan. De komende drie jaar zou gebruikt kunnen worden om de huidige denktank
beter te laten functioneren, maar ook om elkaar beter te leren kennen en elkaars specificiteit
te waarderen. Vervolgens kan opnieuw de afweging gemaakt worden of een meer formele
onafhankelijke formule beter zou voldoen.
• Gezien er in het partnerland naast de Belgische projecten ook nog andere projecten in de
landbouw en voedselzekerheid plaatsvinden zal de coherentiebewaking vooral in het land
plaats moeten vinden. Omdat deze functie op de eerste plaats natuurlijk de verantwoordelijkheid is van het betreffende land (ministerie) kunnen de Belgische attachés54 slechts een adviserende en de boerenorganisaties vooral een kritische rol spelen. Door regelmatig onderling
overleg kunnen deze twee uiteraard een grotere invloed op de regering uitoefenen.
Er ligt dus een cruciale rol met name voor de ontwikkelingsattachés.
–– Zij dienen goed op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen in de sector in het betreffende
land. Dat kan niet alleen via het ministerie van landbouw of via de collega’s andere donoren.
Hiervoor zullen zij ook regelmatig contact moeten hebben met de belangrijkste boerenorganisaties in het land.
–– In partnerlanden waar België door collega’s is aangewezen als trekker/coördinator van de
donoren voor de sector dient zij het initiatief te nemen om een soortgelijke denktank als in
België in te richten, waarbij naast de donoren en het betrokken ministerie ook de landbouwfaculteit, belangrijke boerenorganisaties, verantwoordelijken van belangrijke landbouwontwikkelingsprojecten, enz… worden uitgenodigd om op die manier op informele (daardoor
hoeft het niet als storend gezien te worden door het gastland) wijze van gedachten te wisselen over de ontwikkelingen in de sector en om gezamenlijk te zoeken naar oplossingen
voor specifieke problemen die zich stellen, … In partnerlanden waar België die rol niet speelt
kan de attaché voorstellen doen aan haar collega’s om toch een dergelijke denktank op te
zetten.
• In landen waar landbouw en voedselzekerheid één van de concentratiesectoren is, moet het
nieuwe beleid van het kabinet en DGOS om Belgische NGO’s en lokale autoriteiten nauwer te
betrekken bij de voorbereiding van de Gemengde Commissies, verder door worden getrokken
53 Voor andere sectoren bestaan er inderdaad andere vormen van stuurgroepen, zoals voor Gezondheid die wordt aangestuurd door het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen (wereldwijd gezien als een autoriteit binnen deze
sector), en voor tropische diergeneeskunde en veeteelt het: ‘be.troplive’ bestaande uit het BTC, DGOS, 3 universiteiten,
opnieuw het ITG en DZG-B. Dit tweede platform beschouwt zichzelf overigens als informeel.
54 In landen waar België de rol van ‘chef de file’ voor landbouw en voedselzekerheid heeft gekregen zal dat heel gemakkelijk zijn.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
•
•
door zowel op regionaal als op nationaal niveau de belangrijkste boerenorganisaties actief
bij evaluaties, context analyses en projectformuleringen, te betrekken. Ook kan bij dergelijke
workshops het eigen beleid van de boerenorganisaties gekruist worden met de Belgische strategienota voor duurzame landbouw en voedselzekerheid.
De attachés, DGOS en BTC zouden in hun jaarverslag een alinea moeten wijden aan de wijze
waarop de verschillende Belgische projecten/interventies in de landbouw en voedselzekerheid
sector voldoen aan of afwijken van de strategienota en duiden waarom dit laatste gerechtvaardigd is of hoe dit op korte termijn gecorrigeerd zal worden.
Verder dienen alle projectevaluaties ook de strategienota als toetssteen te gebruiken. Maar zoals reeds aangegeven dienen de uitkomsten van de evaluaties er toe om het beleid bij te stellen.
Hier ligt een “wakersrol” voor het DGOS, niet alleen wat haar eigen beleid betreft maar ook
wat het beleid van andere betrokken ministeries betreft. Het toezien op de “policy coherence
for development” zoals voorzien in het verdrag van Maastricht.
Coherentie bewaking door de wetgevende macht
Wat betreft de laatste NGO aanbeveling, om een speciale werkgroep Landbouw te organiseren binnen de commissie Buitenlandse Zaken voor de bewaking van de coherentie
van het O.S. beleid, stel ik voor om deze aanbeveling te herformuleren. Gezien het feit
dat het beleid van meerdere ministeries zowel op federaal als op gewestelijk niveau ernstige gevolgen kan hebben voor de landbouw en voedselzekerheid in ontwikkelingslanden zou een werkgroep op alleen federaal niveau voor één bepaald ministerie (BuZa)
waarschijnlijk onvoldoende impact hebben. Temeer daar de gelegenheden waarbij die
werkgroep haar mening zou kunnen laten horen, eerder beperkt zijn (jaarlijkse begroting, aanvaarden strategie nota).
• Er dient nagedacht te worden over de noodzaak en de mogelijkheden om een breder orgaan
in te richten dat alle parlementen (gewestelijk, federaal, Europees) kan beïnvloeden of namens
hen op dit specifieke beleidsterrein van duurzame landbouw en voedselsoevereiniteit, de uitvoerende machten verantwoordelijk kan houden voor een juiste toepassing/uitvoering van de
strategienota, voor de coherentie tussen de verschillende beleidsdomeinen, voor voldoende
betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld zowel in België als in de partnerlanden.
De vraag is echter of er niet al een dergelijk orgaan bestaat dat met enige aanpassing deze rol
zou kunnen spelen?
• In afwachting van een goed voorstel in die richting, lijkt het efficiënter dat de betrokken NGO’s
(elk volgens haar eigen politieke geaardheid) zich richten op de verschillende politieke partijen. Zij zijn het tenslotte die vanuit hun politieke visie op specifieke vraagstukken hun vertegenwoordigers in de verschillende parlementen aansturen. De partijen zouden vanuit hun
eigen beleid moeten zorgen voor coherentie in het beleid van de verschillende ministeries op
de verschillende niveaus en daarover tijdens de verkiezingscampagnes verantwoording moeten afleggen. Daarnaast kan de Coalitie tegen de honger verder gaan met het organiseren van
hearings/colloquia over cruciale onderwerpen in relatie tot landbouw en voedselzekerheid.
Daar zouden alle partijwoordvoerders voor Ontwikkelingssamenwerking, dus niet alleen de
federale parlementsleden maar ook die van de gewestelijke parlementen, uitgenodigd moeten
worden.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
41
Ondersteuning van boerenorganisaties Welke rol voor de verschillende actoren?
42
Vanuit de vaststelling dat er op dit moment bijna geen rechtstreeks contact is tussen
de Belgische attachés en de verantwoordelijken van nationale en regionale boerenorganisaties, dat de attachés maar ook de verantwoordelijken van bepaalde Belgische
NGO zelfs een negatief beeld hebben van de grotere boerenorganisaties, dat in heel wat
landen de boerenorganisaties door hun overheid niet serieus worden genomen, maar
gezien ook een aantal belangrijke tekortkomingen bij vele boerenorganisaties doen we
de volgende aanbevelingen .
• Per land zou één Belgische NGO het initiatief moeten nemen om meer begrip te kweken bij
collega NGO’s, bij de CTB en bij de attachés voor het belang van boerenorganisaties (ook op
hoger niveau) voor boeren en dus ook voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking alsook
voor de huidige tekortkomingen van die organisaties55. Dit zou vooraf in de Coalitie Tegen
de Honger en eventueel in de denktank gecoördineerd dienen te worden. Gezamenlijke kennismakingsbijeenkomsten (NGO – boerenorganisaties – Attaché) en vervolgens periodieke
overleggen/wederzijdse uitnodigingen bij belangrijke denkoefeningen/ vergaderingen kunnen een middel zijn om wederzijds begrip en waardering te kweken.
• Tussen de verschillende actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking kan een soort
taakverdeling afgesproken worden voor de ondersteuning van boerenorganisaties in een bepaald land (uiteraard rekening houdend met eventuele andere dienstverleners op dat terrein).
Trekker/Chef de file zou kunnen zijn één van de NGO’s gespecialiseerd in boerenorganisaties
(CSA,TRIAS). Gezien hun huidige werkwijze zijn NGO’s beter geplaatst om boerenorganisaties op provinciaal en lager niveau te ondersteunen/versterken. Per regio zal met betrokken
boerenorganisaties een SWOT - analyse gemaakt moeten worden en een versterkingsplan
uitgestippeld. Voor de uitvoering van deze versterkingsplannen zou DGOS financiële middelen beschikbaar kunnen maken op niveau van de Ambassade (via bestaande budgetlijnen of
vanuit een nieuw te creëren budgetlijn specifiek ter versterking van boerenorganisaties). Wat
de ondersteuning van de nationale en supranationale boerenorganisaties betreft, dit gebeurt
het best door middel van één van de gespecialiseerde NGO’s of door de BTC in de vorm van
een adviseur of door een andere gerenommeerde dienstverlener. Sommige van de multilaterale instellingen beschikken op hun hoofdkantoren wel over expertise met betrekking tot
boerenorganisaties maar niet in de betreffende landen en hebben op dit gebied als dusdanig
dus geen meerwaarde voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking.
• Een van de grote tekortkomingen bij vele boerenorganisaties is het gebrek aan menselijk kapitaal. Door de snelle groei van de organisaties en het gebrek aan voldoende financiële middelen is er onvoldoende geïnvesteerd in training van leiders, medewerkers en leden, en in
kennisopbouw (kapitalisatie van voorbije ervaringen, uitwisselingen met andere organisaties),
en aan visieontwikkeling. Gezien de grote behoefte op dit gebied is het belangrijk dat DGOS
financiële ruimte schept voor de financiering gedurende minimaal 10 jaar van allerlei trainingsprogramma’s voor boerenorganisaties.
• In sommige landen is sprake van een zekere wildgroei aan boerenorganisaties op tussenliggend niveau (vanuit de ketenbenadering, vanuit de wens van donoren om hun eigen boerenorganisaties te hebben, vanuit opportunisme onder boerenleiders). Hoewel dit tekenend
is voor een zeker dynamisme kan het anderzijds voor verdeeldheid in de boerenbeweging
55 Afrikaanse boerenorganisaties zijn nog jong in vergelijking tot die in Europa, deze bestaan al meer dan honderd jaar.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
zorgen en voor een slecht imago bij de donoren. NGO’s zouden na een voorbereidende studie
die de belangrijkste boerenorganisaties goed in kaart brengt, deze organisaties kunnen ondersteunen in een gezamenlijk proces van zelfanalyse, zoeken naar complementariteit, synergie,
naar betere vertegenwoordiging van de basisgroepen in de hogere niveau organisaties en naar
meer efficiency in het functioneren van de verschillende organisaties in het algemeen.
Mogelijke speerpunten voor eventuele profilering van België in de sector landbouw en voedselzekerheid op internationaal vlak
Tijdens de gesprekken die gevoerd zijn in het kader van deze opdracht is geen duidelijk
beeld ontstaan rond een mogelijke profilering van België op basis van haar huidige
expertise in de sector. Uiteraard hebben sommige personen voorgesteld om hun eigen
deelterrein deel te laten zijn van die profilering. Door andere werd echter aangegeven dat het Belgisch beleid in een bepaald land (ISP) ingegeven moet worden door
de specifieke situatie in dat land en niet door de eventuele expertise waarover België
zou beschikken. Daarnaast zou verdere profilering op deelaspecten binnen ”duurzame
landbouw en voedselzekerheid” het gevaar met zich meebrengen dat men het overzicht
op de globale landbouwproblematiek verliest omdat men te zeer gefocust gaat zijn op
die eigen deelexpertise.
• Dit gezegd zijnde is het natuurlijk aan elke speler om zich eventueel te specialiseren op een
bepaald aspect/deelsector/niveau binnen de sector Duurzame Landbouw en Voedselzekerheid, zoals dat reeds door sommigen is gedaan: Protos: Water, SOS Faim en TRIAS: microfinanciering en boerenorganisaties, CSA: lobby en boerenorganisaties, Iles de Paix die alleen op
dorpsniveau werkt, …
• Een zekere vorm van ‘Belgische’ profilering kan ook zijn dat alle Belgische actoren zich gezamenlijk gaan inzetten (bovenop hun normale activiteiten) om bepaalde actuele problemen
die de voedselzekerheid en economische ontwikkeling op het platteland ernstig belemmeren
op verschillende niveaus hoog op de agenda te krijgen. Het gaat hier om de opkoop van grote
oppervlaktes landbouwgrond door multinationale bedrijven en andere ‘niet boeren’, de klimaatsveranderingen, …
• Daarnaast is het van het grootste belang dat er expertise in de partnerlanden wordt opgebouwd voor de verschillende schakels in de landbouwketens (van landbouwonderzoek tot
marketingstrategieën via grondeigendomsystemen, kredietverlening, verwerkingseenheden)
en dat deze (locale) expertise uitgewisseld wordt tussen partnerlanden.
• Gezien de nog maar heel beperkte samenwerking tussen Belgische en andere NGO’s in termen van specialisatie en complementariteit, synergie met name wat betreft het werken met
boerenorganisaties in de landen in ontwikkeling, kunnen er door de Coalitie tegen de honger
(die momenteel vooral bestaat uit de politieke medewerkers van de betrokken organisaties)
inspanningen gedaan worden tot uitwisseling van kennis en ervaring en afstemming op elkaar
van bepaalde activiteiten (trainingen, workshops, informatievoorzieningen. Dit moet echter
niet leiden tot gedwongen samenwerking tussen de partners van de in België samenwerkende
organisaties.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
43
8. Actieplan of opvolgingsplan
44
Om de concrete aanbevelingen uit het vorige hoofdstuk zo veel mogelijk werkelijkheid
te laten worden stellen we volgend actieplan voor:
A. Op niveau van de Coalitie tegen de Honger
• Bespreking en adoptie van de aanbevelingen van dit rapport. Voor deze bespreking zouden
ook de NGO’s uitgenodigd kunnen worden die wel actief zijn binnen voedselzekerheid maar
normaal niet deelnemen aan de coalitie activiteiten, dit om meer draagvlak voor de aanbevelingen te krijgen (of om de aanbevelingen te verbeteren).
• Een identificatie/inventaris van de leden van de Coalitie: Wie doet wat in elk partnerland? Wat
is de specifieke meerwaarde/eigenheid van elke deelnemende organisatie binnen duurzame
landbouw en voedselzekerheid? Op welke wijze draagt zij bij aan de versterking van de boerenbeweging in dat land? Deze inventaris zou niet moeten gebeuren door een consultant maar
door middel van een gezamenlijke workshop van de verantwoordelijken van de NGO voor de
activiteiten in de partnerlanden. De workshop moet de lidorganisaties in staat stellen elkaar
beter te leren kennen, maar ook om elkaar op een opbouwende wijze kritisch te bevragen, en
op die manier elkaars meerwaarde zo helder mogelijk in beeld te krijgen, en zo ook gemeenschappelijke waardering voor elkaars eigenheid te scheppen.
• Binnen de coalitie dient nog eens goed gekeken te worden naar de verschillende aspecten van
voedselzekerheid, en hoe elk van hen het beste worden aangepakt (zonder noodzakelijk voor
elk aspect met dezelfde doelgroep te werken). Er is tenslotte een zekere tegenstelling tussen
het doel de voedselproductie te verhogen en het toegankelijk maken van voedsel voor kwetsbare groepen (zonder grond of werk).
b. Op niveau van de individuele Belgische NGO’s/boerenorganisaties actief binnen duurzame landbouw en voedselzekerheid
• De aanbevelingen bevatten ook een aantal voorstellen die verder gaan dan de oorspronkelijke NGO-aanbevelingen van maart 2008 (zoals het optrekken van het budgetaandeel van
Ontwikkelingssamenwerking voor landbouw en voedselzekerheid naar 25%, het geven van
prioriteit aan voedselgewassen, en aan productie verhogende activiteiten, etc.). Hiervoor zal
dus politiek draagvlak gecreëerd moeten worden, eerst binnen de individuele deelnemende
NGO’s en vervolgens binnen de NGO - koepels COPROGRAM en ACODEV. Deze laatste
zijn het tenslotte die de meer algemene politieke onderhandelingen voeren met de overheid
en dus geen tegenstrijdige signalen moeten afgeven.
• Verder zal binnen de NGO’s ook visie besproken moeten worden die ontwikkeld is/zal worden
binnen de Coalitie over “hoe werken met boerenorganisaties” evenals de visie op de verschillende aspecten van voedselzekerheid.
• Uitwerken en uitvoeren van een lobby plan t.o.v. bepaalde politieke partijen met betrekking
tot coherentie tussen beleid voor landbouw en voedselzekerheid en beleid voor andere sectoren die impact hebben op de kleine boeren in Afrika.
c. Op niveau van de denktank
• Bespreking van de aanbevelingen van dit rapport, eventueel aangepast door de Coalitie, samen met de uitkomst van de inventaris van de lidorganisaties van de Coalitie. Dit zou moeten
leiden tot een soort plan van aanpak voor de denktank (punten die in de toekomst verder
uitgediept/ besproken/opgevolgd moeten worden).
• Mogelijke punten zijn: aanvullende instructies voor attachés, agendapunten voor de volgende
attachédagen, verfijning van de sectorindeling, het werken met/het versterken van boerenorganisaties en de daarvoor benodigde middelen, speciale aandacht voor informatie/lobby
richting attachés in Rome, coördinerende en sturende rol voor de beleidsmedewerker, rol,
samenstelling en functioneren van de denktank, het opbouwen van expertise op verschillende
niveaus rond landbouwbeleid, marktorganisatie, risicobeheer, strategische graanreserves, …
• De Coalitie kan onderliggend rapport zo snel mogelijk naar het kabinet van de minister van
O.S. en naar de beleidsmedewerker landbouw op DGOS sturen, dit in verband met het schrijven van de nieuwe strategienota.
d. Op niveau van de partnerlanden
• Een inventaris maken van de boerenbeweging in elk partnerland, alsook van de rol die Belgische NGO’s en andere actoren in dat land spelen/gespeeld hebben bij de versterking van
de betreffende boerenorganisaties op de verschillende niveaus. De inventaris moet duidelijkheid geven over de specifieke rol/meerwaarde van elke organisatie, zijn representativiteit, zijn
“track record”, … Het BTC als uitvoerder van bilaterale projecten zou actief bij de inventaris
betrokken moeten worden.
• Deze inventaris zou uit kunnen monden in een zekere taakverdeling en harmonisatie tussen
verschillende actoren belast met het versterken van boerenorganisaties, en ook in het opzetten
van verschillende trainingsprogramma’s voor bestuurders en medewerkers van boerenorganisaties op verschillend niveau.
• Leerprocessen organiseren met de boerenorganisaties en andere componenten van het maatschappelijk middenveld rond de verschillende aspecten van voedselzekerheid.
• Belgische NGO’s samen met nationale boerenorganisaties dienen te lobbyen voor goede samenwerking en informatie uitwisseling tussen attachés en nationale boerenorganisaties en
tussen projectverantwoordelijken en relevante boerenorganisaties, en voor actieve betrokkenheid van boerenorganisaties bij gemengde commissies, alsook bij evaluaties van projecten en
context analyses.
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
45
Bijlagen
46
1. Referentietermen
2. Lijst met personen ontmoet tijdens de opdracht
3. Terugkoppeling bezoek aan Niger
4. Bijdrage aan workshop “Hoe te werken met boerenorganisaties zonder hen
te instrumentaliseren?”
Bijlage 1: Referentietermen
47
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
48
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Bijlage 2: lijst van personen ontmoet tijdens de opdracht
Nr.
01
02
03
04
05
06
07
08
09
10
11
12
13
14
15
16
17
Naam en voornaam
Adamou, Taminou
Aertsen, Jan
Ahouanvoedo, Augustin
Ahoumenou, Félicienne
Akadiri, Falilou
Akali Ango, Oumarou
Akoyi, Teopista (Kevin)
Akpoe, Athanase
Allaro, Eustache
Alou, Bachirou
Audinet, Jean - Philippe
Bagna, Djibo
Bennegouch, Nedjma
Bonte, Stefaan
Bosman, Gerrit Johan
Boutsen, Saartje
Casal, Telma
18
Combassel, Ouma
Organisatie/struktuur
URPA Atacora/Donga
Vredeseilanden
PNOPPA
PNOPPA
FAO - Bénin
Région de Dosso
Vredeseilanden
PNOPPA
PNOPPA
REMAD
IFAD
PFPN
SOS Faim - Luxemburg
Trias
SNV - Bénin
Vredeseilanden
Louvain Coopération au
Développement
Ministère de l’Agriculture
19
20
21
22
Cornet d’Elzius, John
Croes, Silvia
Daba, Idrissou
Dandakoye, Illiassou
Kabinet OS
DGOS
URP Atacora/Donga
MOORIBEN
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
Debrabandere, Régine
Delbare, Lode
Delmasse, Patrick
Delvaux, Patrick
Demeuse, Francoise
Deschuytener, Florence
Destrait, Freddy
De Wolf, Bart
Diallo, Amidou
Diallo, Fatouma
Ditti, Alexandra
BTC
Trias
Chambre d’Agriculture Niger
BTC
Kabinet OS
DGOS
SOS Faim
DGOS
Vredeseilanden
PFPN
Iles de Paix
34
35
36
Djagoudi, Moussa
Duvieusart, Florence
El Assaoui, Zohra
37
38
39
40
41
42
Engelen, Gert
Englebert, Patrick
Fall, Ndiogou
Frison, Emile
Gaona Sãez, Susana
Gnimadi, Jérémie
43
Govaerts, Mieke
FAO - Niger
Kabinet OS
Vlaams Agentschap voor Int.
Samenwerking
Vredeseilanden
DGOS
ROPPA
Bioversity International
FAO
Louvain Coopération au Développement
Vlaamse Gemeenschap
44
Grodent, Jean-Jacques
SOS Faim
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Functie
Voorzitter
Strategisch Adviseur (ex-directeur)
Secrétaire général adjoint
Présidente Collège des Femmes
Assistant Représentant
Adjunct Algemeen Secretaris
Programma directeur Afrika
Algemeen secretaris
Algemeen penningmeester
Voorzitter
Directeur a.i. Policy Division
Coordonnateur National
Programma verantwoordelijke
Diensthoofd Noord
Regionale coördinator Natitingou
Medewerker Beleidsbeïnvloeding
Project veratnwoordelijke LISA II
Plaats
Natitingou - Bénin
Leuven
Cotonou - Bénin
Cotonou - Bénin
Cotonou – Bénin
Dosso - Niger
Leuven
Cotonou - Bénin
Cotonou - Bénin
Natitingou - Bénin
Rome
Niamey – Niger
Per telefoon
Brussel
Natitingou - Bénin
Leuven
Natitingou - Bénin
Directrice Action Coopérative et Promotion O.P.
Adjunct directeur
Attaché voedselhulp
Permanent secretaris
Chargé de Programme « Sécurité Alimentaire »
Coordinator International Services
Directeur
Conseiller technique
Technisch Assistent MAEP Benin
Conseillère Cellule stratégique
Attaché D1 voor Niger
Algemeen secretaris
Beleidsverantwoordelijke landbouw
Regio Coordinator West- Afrika
Trésorière adjointe
Conseillère technique Agro à IDP Toucountouna
Cadre Associé
Collaborateur Cellule stratégique
Verantwoordelijke voor Malawi
Niamey - Niger
Hoofd Beleidsbeïnvloeding
Attaché Ambassade Benin
Voorzitter
Algemeen Directeur
Gender Equity
Représentant Bénin
Leuven, Rome
Cotonou – Bénin
Rome
Maccarese - Rome
Rome
Cotonou - Bénin
Beleidsmedewerker Dep. Intern. Vlaanderen
Responsable Service Information
Brussel
Brussel
Brussel
Natitingou - Bénin
Niamey - Niger
Brussel
Brussel
Niamey - Niger
Brussel
Brussel
Brussel
Brussel
Brussel
Cotonou - Bénin
Niamey, Dosso - Niger
Natitingou - Bénin
Niamey – Niger
Brussel
Brussel
Brussel
49
50
45
46
47
48
49
50
Hassane, Mamadou
Hassane, Moussa
Herbel, Denis
Hima, Abdou
Hlannon, Jacques
Hodonou, Assogba
MOORIBEN
INRAN
FAO
PFPN
URP
MAEP - Bénin
51
Issaou, Karim
CeRPA – Atacora/Donga
52
Kadri, Maktar
PAMED - Dosso
53
54
Kalders, Jos
Kesteloot, Thierry
DGOS
Oxfam - Solidariteit
55
56
Kouagre, Mathieu
Kourna, Aboubacar Mamadou
Kouton, Tiburce
Lambiliotte, Philippe
Lawani, Arouna
Lietar, Carlos
Lokossou, Léopold
Mahaman, Sani Abdou
Marchal, Daniel
Mersadier, Gilles
Morel, Dominique
Nassourou, Moussa
URPR Atacora/Donga
Ministère de l’Agriculture
ASPRODEB
CNCR
WSM - Afrika
UCPM
REMAD
DGOS
73
74
75
76
Ndiaye, Ousmane
Ngom, Baba
Ngongang, Ilère
Nongouté, Augustin
Ntoukou, Vincent
Nyirarukundo, MarieGoretti
Onyo
Paradis, Anne-Françoise
Poznanski, Marek
Price, Thomas
77
78
Provot, Roland
Renault, Véronique
DGOS
VSF-Belgium
79
80
81
82
83
84
85
86
Röling, Niels
Roussel, Aymeric
Samba Bio Tobou, Adam
Sani, Rigo
Schalenbourg, Wim
Seydou, Mariama Altiné
Sezibera, Annick
Sido, Amir
Wageningen Universiteit
EU - Niger
Protos
Dosso Ma Za’ada
Broederlijk Delen
IFAD - Niger
CAPAD - Burundi
INRAN
87
Sneesens, Jean - François
88
Somers, Marc
FUSA Gembloux /Federatie
Suikerbietentelers
Caritas - International
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
AFAFO
FUPRO-Bénin
DGOS
PNOPPA
DGOS
PNOPPA
FAO - IARBIC
FAO - IARBIC
FAO - IARBIC
BTC
MOORIBEN
UNFFE - EAFF
DGOS
CSA
FAO
Advisors For African
Farmers Organisations
Uitvoerend secretaris
Directeur général
Farmers Organisations
Coordonnateur Technique
Animateur
Directeur de la Programmantion et de la
Prospective
Dir. Promotion Filières et Sécurité Alimentaire
Chargé de mission - gestionnaire base de
données
D4 CGIAR
Onderzoeker Voedselsoevereiniteit en
Landbouw
Directeur général de l’Agriculture
Niamey - Niger
Niamey - Niger
Rome
Niamey – Niger
Natitingou - Bénin
Cotonou – Bénin
Natitingou - Bénin
Dosso – Niger
Brussel
Brussel
Natitingou - Bénin
Niamey - Niger
Permanent secretaris
Attaché Ambassade Niger
Responsables des Filières
Attaché D4 FAO - IFAD – UNCDF
Voorzitter
Directeur National
Conseiller Technique Principal
Conseiller Technique “Capitalisation”
Verantwoordelijke krediet programma’s
Chargé de Progr. “Renforcement des capacités »
Directeur
Algemeen secretaris
Programma verantwoordelijke
Beheerder
Secrétaire exécutif
Attaché Ambassade Senegal
Bohicon – Bénin
Niamey – Niger
Cotonou - Bénin
Brussel
Cotonou - Bénin
Niamey - Niger
Niamey - Niger
Niamey - Niger
Brussel
Niamey - Niger
Bestuurslid
Attaché D1 voor Benin
Coordinator
Senior Programme Officer Strategic Planning
Diensthoofd D2.2 BOF
Regionaal vertegenwoordigster WestAfrika
Emeritus hoogleraar
Programma verantwoordelijke
Verantwoordelijke Antenne Natitingou
Project verantwoordelijke
Beleidsmedewerker
Responsable Bureau de Liaison
Voorzitster
Chef de Département “Cultures irriguées »
Hoogleraar / Algemeen secretaris
Rome
Brussel
Brussel
Rome
Verantwoordelijke Dienst Buitenland
Brussel
Dakar - Senegal
Dakar - Senegal
Cotonou - Africa
Toucountouna - Béni n
Natitingou - Bénin
Dakar - Senegal
Brussel
Niamey - Niger
Leuven/Brussel
Niamey - Niger
Natitingou - Bénin
Dosso - Niger
Brussel
Niamey - Niger
Rome
Brussel
89
90
91
92
Somville, Yves
Standaert, Jean - Yves
Tchomi Tantougouté, Marcellin
Tiousso, Halima
93
94
95
96
97
98
99
100
101
Tocloe, Richard
Tollens, Eric
Toto, Bernadin
Twagirimana, Uzziel
Vader, Frans
Van Damme, Patrick
Van Uytvanck, Marc
Van Waeyenberge
Van Wielendaele, Frank
102
103
104
105
Verbeke, Luk
Verlé, Paul
Vermeir, Jan
Volckaert, Kristof
106 Wyatt, Matthew
107 Yombo, Joseph
108
109
AFAFO
FWA
DGOS
UCPM
AREN – PFPN - ROPPA
Directeur Studiedienst
BOF
Voorzitter
Déléguée régional Niamey - Collège des
Femmes
CeRPA – Atacora/Donga
Directeur général par intérim
KU Leuven
Hoogleraar
PNOPPA
Permanent secretaris
Wereldsolidariteit
Regionale vertegenwoordiger Afrika
Frans Vader Infodiensten
Onafhankelijk adviseur
Universiteit Gent
Prof. Plant Production
IFAD - BOF
Programme Manager
BTC
Verantwoordelijke landbouwprogramma’s
Broederlijk Delen
Programma verantwoordelijke West - Afrika
Broederlijk Delen
Regio vertegenwoordiger West Afrika
BTC
Diensthoofd beleidsdienst
DGOS
Attaché voedselhulp
Boerenbond
Stafmedewerker landbouwbeleid ontwikkelingslanden
IFAD
Assistant President External Affairs Departm.
URPA Atacora/Donga
Secrétaire exécutif
ARMFD
Coordinatrice du projet
Alternatives / Consortium Droit Voorzitter
à l’Alimentation et Souveraineté Alimentaire
Advisors For African
Farmers Organisations
Gembloux
Brussel
Toucountouna - Bénin
Rome, Niamey
Natitingou - Bénin
Leuven
Cotonou - Bénin
Cotonou - Bénin
Per telefoon
Gent
Rome
Brussel
Brussel
Dakar, Brussel
Brussel
Brussel
Leuven
Rome
Natitingou
Dosso - Niger
Niamey - Niger
51
Bijlage 3: Terugkoppeling bezoek aan Niger (powerpointpresentatie)
Structure de la présentation
La Coopération belge et les
O.P. dans le secteur agricole et
la sécurité alimentaire
52
Le cas du Niger
Objectifs de l’étude
• Rendre opérationnel les propositions de politique
des ONG belges dans le domaine agricole et
sécurité alimentaire faites au Ministre belge de la
Coopération au Développement en mars 2008
– Donner des propositions concrètes pour une bonne
utilisation des moyens accrus du secteur
– Comment veiller à une meilleure cohérence entre les
différentes politiques (coopération, commerce,
agriculture européenne, environnement) et entre les
différents canaux de financement de la coopération
belge
La Coopération belge au Niger
Elle comprend notamment:
- Les institutions multilatérales: FAO, FIDA,
PAM, FENU
- La Coopération bilatérale comprenant des
projets entre Etats, des microprojets, des
bourses d’études, et Fonds d’études/expertise
- La coopération à travers les ONG belges (VSFB, Caritas, Aquadev)
- Le Fonds Belge de Survie (FBS)
- La coopération à travers les universités
Coopération multilatérale (2)
•
•
•
•
Objectifs de l’étude
Présentation de la Coopération belge au Niger
Présentation du Mouvement Paysan au Niger
Cadres stratégiques du Niger pour le
développement agricole et la sécurité
alimentaire
• Analyse rapide de la Sécurité Alimentaire
• Grands constats de la mission
• Recommandations
Objectifs de l’étude (2)
– Donner les éléments clés pour une nouvelle note
stratégique pour l’agriculture durable et la sécurité
alimentaire du Ministère de la Coopération et préciser
la fonction et les modes d’emploi de cette note
– Décrire les rôles des différents acteurs (institutions
multilatérales, coopération bilatérale, ONG,
universités, O.P. belges) par rapport aux O.P. des pays
partenaires
– Donner les éléments phare/de lance, autour desquels
la Belgique pourrait se profiler sur le plan international
(ex. achat locaux par le PAM)
Coopération multilatérale
FAO
• IARBIC Intensification Agricole par le
Renforcement des Boutiques d’Intrants
Coopératives vient de démarrer – fait suite à
plusieurs années de « Projet Intrants », financé
par la Belgique, Luxembourg, Espagne, et EU
• Complété par un projet sous-régional de
capitalisation des expériences des boutiques
d’intrants, du mécanisme de warrantage et des
champs école. (financement belge)
Coopération multilatérale (3)
FIDA
- PPILDA : Promotion de l’Initiative locale pour le
développement à Aguié (6 communes de Maradi)
- IRDAR: Initiative de réhabilitation de développement agricole
et rurale à Maradi (clôture anticipée décidée par FIDA Rome
suite au manque d’actions et résultats concrets)
- ARRDI-ISC : renforcement des capacités des communes de
Maradi (fait partie du PAC-II)
- Les deux premiers projets sont cofinancés par le FBS sousforme de don, lequel financement est focalisé sur l’accès aux
services socio-économiques: éducation, santé et nutrition,
eau
- Un don de 190.000 USD pour 18 mois à été donné aux
plateformes paysannes: PFPN, CASPANI, CAPAN, CONACOOP
sous la coordination du RECA (en cours d’exécution)
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
PAM
• Nouveau programme pour le Niger 2009 -2013
• Appui aux secteur de l’éducation (55%), du
développement rural (33%), de la santé (12%)
• Du développement rural: 29% ira au Banques
Céréalières, et 4% Aliments contre des Formations.
• Appui à 300 BC/an, en collaboration avec autres
institutions/projets des NU, BM, FAD pour la
construction des BC, la formation et le suivi.
• La Coopération belge contribue à hauteur de ?????
Coopération multilatérale (4)
Coopération bilatérale
FENU
• Nouveau PIC 2009 - 2012: deux secteurs de
concentration (santé et développement rural),
augmentation de 50% de l’enveloppe budgétaire par
rapport au PIC précédent.
• Projets de développement rural (élevage):
• Projet d'Appui au Développement Local (PADL) de
Mayahi (Maradi) 2000 – 2008 : 26,5% financement FBS
• Projet d'Appui au Développement Local (PADL) de
Nguigmi terminé en 2007 : 32,7% financement FBS
• Un nouveau Projet d'Appui au Développement
Economique Local de la Région de Maradi (PADEL II) est
en cours d'approbation.
• Thèmes des projets: appui à la décentralisation,
infrastructures communales, des actions touchant à la
productivité agro-pastorale et à la génération de revenus
Coopération bilatérale (2)
• Projets de développement rural (genre):
– Projet d’Amélioration des Revenus monétaires des
Femmes dans la Région de Dosso (phase II en élaboration)
– Appui institutionnel au Ministère de la Promotion de la
Femme et de la Protection de l’Enfant
• Projets de développement rural (hydraulique rurale)
– Lutte contre l’insécurité alimentaire par le
Développement de l’irrigation dans la région de Tillabéri
• Programme d’Appui au Dispositif National de
Prévention et de Gestion des Crises Alimentaires
Coopération à travers les ONG belges
• Il s’agit soit des cofinancements de la DGCD ou bien du
FBS (alimenté par la loterie nationale)
• Les ONG belges sont peu nombreuses au Niger: VSF-B,
Caritas, Aquadev, SOS Faim
• Le premier travaille dans l’élevage (santé animale par
services vétérinaires privés, formation techniques,
promotion banque d’aliments bétail, activités
féminines, renforcement des capacités)
• Le deuxième travaille à travers Caritas – Niger,
• Aquadev intervient dans la micro-finance et le
développement rural
• Sauf SOS Faim elles n’appuient pas réellement les O.P.
existantes mais créent de nouvelles structures de base.
– Appui à l’élevage des bovins de race Azawak
– Appui à la sélection, à la promotion et à la diffusion de
la chèvre rousse de Maradi
– Ces projets s’intégreront dans un nouveau Projet
d’Appui à l’Aménagement pastoral et à la sécurisation
des systèmes pastoraux
– Appui institutionnel au Ministère de l’Elevage
Coopération bilatérale (3)
Outre ses grands projets, la Coopération bilatérale
dispose également des lignes budgétaires suivantes:
- Programme de bourse hors-projets: 1 million EUR/an
dont 50% pour secteurs prioritaires; la moitié des
bourses est réservée aux femmes
- Programme de microprojets: projets de max. 10.000
EUR qui vont surtout aux groupements de femmes
- Fonds d’études et d’Expertises: pour des études
sectorielles, des réflexions, voyages d’études (max.
10%), appui mise en œuvre déclaration de Paris
Coopération à travers
les universités belges
• Les O.P. réfèrent à une coopération entre l’UCL
et l’université de Niamey (des informations
restent à chercher) où les O.P. étaient
impliquées
Fonds Belge de Survie
Cadres stratégiques du Niger
• Le FBS se situe en dehors du budget du Ministère de la
Coopération car il dépend directement du Parlement belge et
est alimenté par la loterie nationale belge.
• Toutefois le Fonds est géré par une équipe spécifique au sein de
la DGCD (Administration du ministère).
• Il y a trois catégories de bénéficiaires/ exécutants de projets :
les institutions multilatérales, les ONG (acteurs non-étatiques)
et la Coopération Technique Belge (CTB).
• Au Niger toutes les trois catégories de projets sont présentes:
la CTB avec PAMED à Dosso, les projets du FIDA et FENU à
Maradi, VSF-B et Caritas au niveau des ONG
• D’une façon générale les financements par le Fonds visent
avant tout la sécurité alimentaire.
• SRP: Stratégie de Réduction de la Pauvreté de 2002 et
actualisée en 2008
• La politique de décentralisation politico-administrative
• SDR Stratégie de Développement Rural adoptée en 2003,
avec 3 axes stratégiques et 10 programmes
« structurants » et 4 programmes sectoriels prioritaires
• Le Code rural qui comprend notamment les aspects:
foncier, eaux, gestion des ressources naturelles
• SIAD Stratégie décentralisée et partenariale
d’approvisionnement en Intrants pour une Agriculture
Durable qui date de 2008
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
53
Mouvement Paysan du Niger
Mouvement Paysan du Niger (2)
• La CONACOP (Confédération Nationale des
Coopératives) qui est l’héritage du mouvement
coopératif mis en place par l’Etat dans les années 60 ,
regroupe les fédérations régionales des coopératives
• La Plateforme Paysanne du Niger qui regroupe 27 O.P.
de dimensions et secteurs très divers dont les 4
grandes fédérations (AREN, FCMN-NIYA, FUCOPRI et
AREN) avec des coordinations régionales, plus ou
moins opérationnelles. Grâce à plusieurs PTF elle s’est
dotée d’une équipe exécutive opérationnelle. Elle a
également un collège de femmes et un autre de jeunes
• CAPAN est un réseau d’association d’éleveurs, mais qui
est peu opérationnel. Par ailleurs les éleveurs
appartiennent également à un réseau sous-régional:
Billital Maroobe (section Niger)
• CASPANI est une plateforme dont la composition
ressemble beaucoup à celle de la Plateforme Paysanne.
Elle a été créée dans une période où la PFPN était
paralysée par une crise de leadership et qu’un
financement français a permis la création d’une
plateforme alternative, qui aujourd’hui est peu
opérationnelle
54
•
Mouvement Paysan du Niger (3)
• Le Réseau des Chambres d’Agriculture existe depuis
2006. Il est peu opérationnel mais est considéré par les
services étatiques comme l’interface entre eux et les
paysans
• Depuis quelques mois un appui danois est disponible
et pour le RECA et les autres O.P. (ancien
coordonnateur Inter-réseaux et ancien délégué AFDI
Afrique de l’Ouest) .
Analyse Rapide Sécurité alimentaire
Faiblesses/Contraintes identifiées par les leaders paysans
• Pluviométrie insuffisante et mal repartie
• Les sols sont épuisés
• Faible pouvoir d’achat paysans pour acquérir intrants
• Semences non-performantes (vieilles/non-adaptées)
• Insuffisance de terres cultivables/surpopulation
• Faible équipement des producteurs
• Insuffisance d’appui-conseil agricole
• Exode rural des bras valides (restent enfants + vieux)
• Taux élevé d’analphabétisme
• Enclavement des zones de production
• Faible valorisation de la production agricole primaire
• L’aide alimentaire crée une attitude attentiste auprès des paysans
• Faible appui au secteur agricole par l’Etat nigérien
Analyse Rapide Sécurité Alimentaire (2)
Analyse Rapide Sécurité Alimentaire (3)
Forces/Acquits identifiées par les leaders paysans
• Culture de contre-saison
• Techniques de conservation des produits
• Enorme potentiel de terres à irriguer
• La complémentarité entre Agriculture – Elevage
• Sites de multiplication des semences
• Appui aux initiatives de base (ex. 1000+)
• Dispositif National de Prévention et de Gestion des Crises
Alimentaires avec nombreuses Banques Céréalières
• Décentralisation de l’administration/Renforcement des
communes
• Début de contrepouvoir des O.P. au niveau de certaines
communes/ gestion de conflits agriculteurs – éleveurs
Filières contribuant à la sécurité alimentaire (par
ordre de priorité)
1. Mil
2. Lait
3. Riz
4. Niébé
5. Sorgho
6. Arachide
7. Maraichage (feuilles, choux, tomates, pdt, …
8. Tubercules
Analyse Rapide Sécurité alimentaire (4)
Solutions proposées par les leaders paysans réunis à Dosso (et enrichies par les responsables de la
Plateforme Paysanne)
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Récupération de la terre (beaucoup de techniques sont disponibles)
Valorisation des retenus d’eau (pour pisciculture, maraichage, fourrage/eau animaux)
Etendre les superficies irriguées
Développer des semences adaptées/améliorées en quantité suffisante
– Rôle pour le Conseil National de Recherche Agronomiques du Niger – ICRISAT et INRA (y
augmenter le nombre de producteurs au moins un homme/une femme par soussecteur) pour fixer les priorités de recherche
– Multiplication des semences améliorées dans toutes les régions/départements/
communes (approche paysans – multiplicateurs)
Rendre disponible l’engrais à temps
– Rôle pour la Centrale d’Achats (y prévoir la participation des O.P.)et les Boutiques
d’Intrants Coopératives pour une bonne planification et des intrants de qualité
Rendre disponible l’eau pastorale
Créer des Banque d’Aliments pour Bétail
Créer des Boutiques d’Intrants Zootechniques
Promouvoir la culture attelée
Etendre le système de champs écoles
Intégrer la Plateforme Paysanne dans le Cadre de Concertation SDR entre l’Etat et les PTF (au
besoin prévoir un concertation limitée (Chef d’Etat – EU (chef de fil) – Coordonnateur PFPN
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Grands constats
• Augmentation très significative de l’aide belge (50%), acteur
très important dans le développement rural!!!
• Concentration des interventions (co)financées par la Belgique
dans certaines régions: projets FBS surtout Maradi, projets
bilatéraux Maradi et Dosso et depuis peu aussi Tillabéri
• Les projets multilatéraux et bilatéraux sont orientés vers les
communes et visent le renforcement des capacités aussi bien
structures communales que de la population.
• Toutefois la création et le renforcement des structures
populaires se fait par/sous la tutelle/contrôle des services
techniques étatiques d’où une grande risque d’une société
civile dépendant principalement des autorités communales,
départementales, régionales, nationales
Grands constats (2)
• Grande cohérence entre les objectifs (sécurité alimentaire,
augmentation des revenus), des approches (création des
groupements à la base pour assurer de certaines fonctions:
BIC, BC, Banque d’Aliments Bétail, …) des différents projets de
la Coopération belge (tous les canaux de financement
confondus)
• Incohérence: le PAM achète du riz importé (sur dotation
belge) plutôt que le riz local .
• Sauf dans le projet IARBIC, les Organisations Paysannes du
Niger sont complètement absentes dans les programmes de la
Coopération belge, qui sont exécutés par les services
étatiques décentralisés et par des ONG de développement.
• Or lors de la formulation des projets les O.P. sont consultées,
et les projets sont inspirés de leurs expériences qui ont réussi.
Grands constats (3)
• Comment expliquer cette absence d’O.P. expérimentées
dans les projets belges:
• L’interprétation limitative de la Déclaration de Paris ou la
propriété des projets revient au pays partenaire = Etat
nigérien tout court!
• Ceux qui exécutent les projets ne sont pas ceux qui les ont
conçu, et les O.P. ne font pas partie des Comités de
Pilotage pour pouvoir orienter les responsables des projets
vers les O.P. intervenant déjà dans la même zone avec les
mêmes activités.
• Les O.P. ne répondent pas aux appels d’offres que les
projets lancent pour l’exécution de leurs activités.
Toutefois selon les O.P. ces appels se font en circuits
fermés (cadre de concertation Etats - PTF) où les O.P. sont
absentes.
55
Grands constats (4)
Grands constats (5)
• Par rapport aux cadres stratégiques et institutionnels on constate que:
– la SDR n’est pas du tout opérationnel et reste assez théorique
– l’Etat nigérien n’a pas les capacités humaines pour faire avancer la
SDR et les bailleurs n’y mettent pas les moyens nécessaires mais
interviennent chacun dans leurs secteurs prioritaires
– Le secrétariat de la SDR est logé dans le MDA, donc n’est pas audessus des ministères qui se font la concurrence des moyens prévus
dans les différents programmes
– Le cadre de concertation de la SDR se réunit régulièrement mais
n’entreprend rien face à l’impasse
– Le Cadre de concertation des institutions des NU au Niger ne
fonctionne pas bien
– Au niveau de certaines régions (Dosso) un cadre de concertation des
intervenants se met en place (services techniques et projets)
– Les O.P. sont encore les grandes absentes dans les cadres de
concertation: tout au plus un représentant du Réseau des Chambres
d’Agriculture, une représentante d’une association de femmes sont
invités pour une présence symbolique.
• Toutefois les O.P. ayant des Banques Céréalières participent
dans des concertations liées à la Gestion et la Prévention des
Crises Alimentaires
• Par contre la société civile est complètement absente dans le
Comité des Partenaires de la Coopération Belgo - Nigérienne
• Les bonnes solutions aux problèmes sont disponibles au Niger,
que ce soit au niveau des projets de la Coopération belge que
ce soit au niveau des Organisations Paysannes intervenant
directement à la base, souvent dans les mêmes régions
• La question est plutôt de chercher les voies et moyens pour
créer des synergies entre ces deux types d’intervention et
d’augmenter et étendre les actions et de les rendre durables.
Grands constats (6)
Recommandations 1
• Le fait qu’il y a une multitude d’O.P. réunies dans
différentes plateformes, et dont les capacités d’agir
efficacement varient beaucoup l’une de l’autre, nuit
à la bonne visibilité des O.P. au niveau des PTF
• Les capacités de la plupart des O.P. restent limitées
spécifiquement dans certains domaines clés:
élaboration et gestion de projets, la communication
interne et externe, l’anticipation à des événements
importants (décisions politiques, aléas climatiques,
perturbation des marchés)
Recommandations 2
• A l’intention de la Coopération belge (suite):
Pour créer une société civile indépendante et forte nous
proposons, que désormais tout projet de développement
rural comprendra deux volets séparés mais qui se complètent:
la première portant sur le renforcement des structures
publiques et la deuxième sur le renforcement de la société
civile. Ce deuxième volet devra être exécuté par des
associations de la société civile du niveau régional ou national
spécialisées dans les domaines concernés: Organisations
Paysannes, Organisations d’artisans, Organisations de Femmes
de Rurales, … Au besoin celles-ci feront appel à des
techniciens externes pour des études ou des formations
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
• A l’intention de la Coopération belge:
Pour permettre un développement équilibré et durable à la base
(niveau communal), la bonne gouvernance au niveau de
l’administration décentralisée est cruciale. Certes pour obtenir
une gestion transparente et démocratique des autorités
communales une société civile forte est indispensable.
L’approche actuelle de la coopération belge de créer cette
société civile à la base par le biais des services étatiques
décentralisés crée plutôt des éléments (éparpillés) d’une
société civile qui dépend de la commune (donnant lieu à du
clientélisme et du favoritisme).
Recommandations 3
• A l’intention de la Coopération belge (suite):
En outre les projets belges devront désormais avoir une
représentation significative (quantité et qualité) de la société
civile concernée dans leur comité de pilotage tout en veillant
que le comité ne soit pas dominé par les instances mêmes qui
exécutent le projet (conflit d’intérêts).
Un bon manuel de procédures pourra bien préciser les rôles des
uns et des autres, les circuits de décision et d’information, (voir
projet italien département de Loga).
La coopération belge pourra à travers l’EU, les institutions des N.U.
etc. œuvrer pour que dans toute Cadre de Concertation entre
les PTF et l’Etat Nigérien, les organisations professionnelles du
monde rural (suivant les domaines concernés) soient
significativement représentées.
Recommandations 4
56
• A l’intention de la Coopération belge (suite):
Examiner avec le PAM, la Centrale d’Achat, FUCOPRI, et MOORIBEN les
critères de décision pour l’achat de soit des produits locaux ou de
produits importés pour la distribution des vivres.
Examiner avec les Organisations Paysannes, les ONG belges
spécialisées dans le renforcement des O.P. , le FAO, le FIDA, … le
financement d’un programme de longue durée de renforcement
des capacités du mouvement paysan au Niger, depuis la base
jusqu’au sommet
De concert avec d’autres états membres actifs dans le secteur rural
faire comprendre à l’UE ses responsabilités de chef de file pour la
SDR et examiner avec le plus haut niveau de l’Etat nigérien un
déblocage rapide de l’impasse actuelle de cette même SDR
(Respect de la Déclaration de Paris ne peut pas signifier « ne pas
montrer au partenaire les importantes failles constatées »)
Recommandations (6)
• A l’intention des Organisations Paysannes du Niger:
La non-visibilité des O.P. par les PTF ou l’image confuse que ces
derniers ont des O.P. nigériennes est partiellement dû à la
multiplicité des O.P., à dimension «nationale » actives dans le même
secteur, et de leurs plateformes, dont la représentativité et le
fonctionnement efficient sont très variables. Egalement l’existence
d’un réseau des Chambres d’Agriculture mis en avant par les
services étatiques trouble la perception que se font les PTF du
mouvement paysan nigérien.
Il s’avère urgent que les plateformes paysannes entament une réflexion
commune sur une structuration plus efficiente et plus
représentative du mouvement à partir des groupements de base à
fonctions très diverses, qui respecte le principe de subsidiarité et
qui valorise les expériences et les capacités existantes à différents
niveaux et qui dépasse les éventuelles querelles de leadership.
Recommandations (5)
• A l’intention de la Coopération belge (suite):
Examiner avec les différents acteurs concernés (O.P., centres de
recherche agronomiques/facultés agronomiques, ministères, les
possibilités de valoriser au Niger les riches expériences de la
Coopération belge dans les recherches agronomiques en Afrique.
Cela pourrait se faire à travers un programme multi-acteurs, à
l’intérieur ou à l’extérieur (coopération indirecte ONG/Universités
ou multilatérale FAO/CGIAR) du PIC.
Recommandations (7)
• A l’intention des Organisations Paysannes du Niger:
Développer des programmes de renforcement des capacités des
plateformes paysannes à tous les niveaux: communal,
départemental, régional, national, et (sous) sectoriel (élevage,
céréale, maraichage, riz, semences, …) selon les fonctions clés
qu’elles exercent; capacités d’analyse, d’anticipation, de
formulation des propositions, de lobbying et de négociation, de
gestion financière et administrative, d’élaboration de projets, de
planifi-cation, de suivi et évaluation, de capitalisation, de
communication, …
Développer au niveau des platformes paysannes à tous les niveaux
(du bas vers le haut) une vision et des stratégies communes du
développement agricole et de la sécurité alimentaire et
économique, partant des potentialités spécifique de la zone, en
respectant les rôles dévolus à chacun des acteurs, ainsi que le
Recommandations (8)
Recommandations (9)
• A l’intention des Organisations Paysannes du Niger (suite):
principe de la subsidiarité.
Ces visions et stratégies constitueront le cadre de référence pour
les projets des O.p. membres et pour les négociations avec les
autres acteurs de développement.
Négocier une représentation plus forte dans les divers cadres de
concertation, veillant à ce que, l`où nécessaire les différents (sous)
secteurs agricoles soient représentés et que l’équilibre hommefemme soit assurée.
Déléguer dans les différents cadres de concertation des personnes
capables et engagées qui, tout d’abord consultent leur structure
avant les rencontres du cadre de concertation, et qui après
rendent bien compte des résultats des rencontres. Des mandats
clairs et modalités de fonctionnement transparentes doivent être
convenus avec ces représentants/délégués.
• A l’intention des Organisations Paysannes du Niger (suite):
Développer des cadres d’échanges professionnelles autour des
fonctions ou thématiques transversales à différentes O.P. afin de
capitaliser et de diffuser les expertises réussies, de valoriser les
expertises (endogènes) développées par certaines, au profit des
autres, et de chercher et de tester des solutions adéquates à des
problèmes ou opportunités communes.
Développer des systèmes d’information interne et externe au niveau
des différents plateformes en fonction des besoins en information
des organisations membres.
Faire appel à des assistants techniques expérimentés qui utilisent des
pédagogies participatives et responsabilisant, mettent en avant le
« faire faire », stimulent l’échange entre les personnes concernées,
…
Recommandations (10)
• Spécifique par rapport à la cohérence entre différentes
politiques belges/européennes:
Les effets positifs (synergies) et négatifs (contradiction) des
différents politiques belges et européennes doivent être
constatés et signalés par les O.P. des pays partenaires;
Ces dernières doivent analyser les causes de ces effets et la
part de responsabilités des différents acteurs (Govt. du
pays/CEDEAO, celui de la Belgique/Union Européenne, et
proposer des mesures pour éliminer les effets négatifs ou
pour renforcer les effets positifs
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Recommandations (11)
Les ONG belges/européennes peuvent aider les O.P.
africaines à concevoir des outils permettant à relever et à
analyser correctement les effets des différentes politiques
Les plateformes nationales des O.P. des pays africains
devraient constituer ou/et renforcer un groupe d’analyse
et de lobbying politique dans lequel sont représentés les
principales O.P. par grands sous-secteurs agricoles.
Le groupe serait appuyé par un analyste/lobbyist
professionnel et pourrait être appuyé selon leurs besoins
par leur plateforme sous-régionale ou par des partenaires
européens.
Recommandations (12)
Pour des effets dont la responsabilité ou les voies de solution
se trouvent surtout auprès du Govt. National, le groupe
mènera des actions de lobbying dans ce sens.
Le groupe aura également un rôle informateur à jouer,
d’abord vis-à-vis de sa base paysanne, ensuite vis-à-vis de
ses alliés dans la société civile nationale, du grand public
et puis vis-à-vis de ses partenaires européens pour que ses
constats et propositions d’action soient bien connus et
puissent être soutenus.
57
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Bijlage 4: Bijdrage aan workshop “Hoe te werken met boerenorganisaties zonder hen te instrumentaliseren?”(powerpointpresentatie)
Comment d’avantage impliquer les O.P.
dans la coopération belge
Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud

Contribution à l’atelier “Comment
travailler avec les O.P. sans les
instrumentaliser?”
58

Bruxelles – 18-06-2009 – Frans van Hoof
Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud (2)


Que ce soit les différentes catégories d’agents
du Nord ou les différents types d’O.P., dans leurs
réflexions chacun se laisse guider par un cadre
de référence, une réalité de terrain, des objectifs
différents.
Le résultat d’une concertation dépend donc
largement du cadre de référence des participants
et ensuite de la capacité/volonté des participants
de faire valoir leur point de vue.

Théoriquement les acteurs du Nord devraient
seulement s’occuper des questions que le
mouvement paysan du Sud n’arrive pas à
résoudre à lui seul et pour lesquelles il fait appel
aux acteurs du Nord.
Malheureusement le mouvement paysan du Sud
n’est pas encore suffisamment bien organisé, il
diffère d’une sous-région à un autre, voir d’un
pays à un autre, et ne parle donc pas avec une
voix unique.


Etant donné toutes ces différences comment se
concerter entre acteurs du Nord, où et sur quoi et
comment y faire dominer les avis du mouvement
paysan du Sud?
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
En fait le résultat d’une concertation est largement
influencé par la préparation de la concertation.
Qui propose l’ordre du jour, qui rédige les
documents (analyse, conclusions/
recommandations) préparatoires?
Est-ce que le principe de la subsidiarité que les
O.P utilisent au sein de leur mouvement ne
devrait pas valoir dans les relations entre les
acteurs du Nord et le mouvement paysan du Sud?
Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud (5)


Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud (6)

Questions de clarification:
 De quels acteurs du Nord parlons nous: de ceux qui
informent/conscientisent le public ou de ceux qui
accompagnent/conseillent les O.P.?
 De quelles O.P. du Sud parlons nous: des O.P. sousrégionales, nationales, ou locales?
Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud (3)
Concertation acteurs du Nord <->
position O.P. du Sud (4)

Comment éviter qu’une concertation entre
acteurs de coopération du Nord
n’affaiblisse le rôle des O.P. du Sud?
Les acteurs du Nord entretient des relations avec
des O.P. de différents niveaux et de différents
coins du monde et entendent donc des visions
parfois assez divergentes.
De leur coté, face à leurs principaux bailleurs de
fonds, les ONG du Nord doivent montrer leur
valeur ajoutée, leur spécificité par rapport à leurs
consœurs, et se dotent des visions et instruments
propres à elles pour se faire valoir
Les Commissions Mixtes et les O.P.
Constats:
Depuis cette année une amélioration sést réalisée: les
autres acteurs (non-étatiques) sont impliqués dans la
préparation, mais cela reste toujours une affaire belgobelge!

Selon leur volonté, les ONG essaient d’impliquer leur
partenaires O.P. dans les ateliers préparatoires de la
C.M.

Le Gouvernement belge considère la société civile du
pays partenaire, comme étant de la responsabilité du
gouvernement partenaire (relation égale)

Les Commissions Mixtes et les O.P. (2)


Certes tout Etat comprend les composantes
clés: les instances politico-administratives, le
secteur commercial, la société civile, … Elles
constituent un tout, nécessaire pour un
développement équilibré de la société entière
Il est donc logique que dans une coopération
entre deux pays ces composantes clés des
deux pays soient activement impliquées.
Les Commissions Mixtes et les O.P. (3)



Les Commissions Mixtes et les O.P. (4)


Dans ces cas l’attaché à la coopération devrait
entretenir des relations actives avec la structure
nationale des O.P. mise en place par ces dernières
pour se tenir informés mutuellement.
Il va de même pour les responsables des projets de la
Coopération belge. Leur interlocuteur paysan serait
soit la structure paysanne représentant la zone
géographique d’intervention ou celle regroupant les
producteurs d’une filière ou sous-secteur auquel
s’adresse le projet plus particulièrement.
Les Commissions Mixtes et les O.P. (5)


Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge

Pour tous les canaux de la coopération actifs
dans le développement agricole, «Principes »:
 Pour des raisons de durabilité des actions il
vaut mieux partir de ce qui existe déjà et de le
développer suivant les possibilités des
concernés + des potentialités dans le contexte
 D’une façon générale les producteurs
agricoles sont déjà organisés, même si cela
laisse à désirer, et pourraient donc jouer un
rôle actif dans toutes les phases du projet.
La coopération bilatérale (suite)
Selon leurs fonctions habituelles/expertise
disponible les O.P. peuvent jouer un rôle dans
l’exécution des projets bilatéraux/multilatéraux
en sous-traitant certaines activités/volets.
 Les PIC et les projets devraient prévoir des
lignes budgétaires spécifiquement pour le
renforcement institutionnel des O.P. nationales,
sectorielles ou provinciales/communales
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Lors des concertations préparatoires des C.M. aux
différents niveaux il est important d’avoir une
représentation équilibrée des différentes composantes de
la société (pour le moment un paysan et une femme
symbolique). Egalement la fixation de l’ordre du jour et la
préparation des documents à discuter nécessitent une
implication équitable des différentes composantes
Egalement lors des pourparlers en Belgique, relatifs à la
coopération entre les deux pays, le secteur privé et la
société civile devraient être présents et pouvoir participer
équitablement.
Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (2)
La coopération bilatérale
Les principales O.P. du rayon d’action ou du
secteur couvert par le projet devraient être
valablement représentées dans les comités
de pilotage/gestion des projets;
 Ces représentants/O.P. devraient disposer
des instruments/moyens logistiques pour bien
préparer les réunions/consulter leur base.

Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (3)

Dans les pays partenaires la coopération belge se
fait à différents niveaux: national, provincial, local
Il va donc de soi qu’à chaque niveau le secteur privé
et la société civile soient impliqués et renforcés au
même titre que les structures étatiques.
Dans les pays où l’agriculture ou le développement
rural sont choisis comme domaine de concentration
le rôle de la société civile revient aux O.P. étant la
structure qui représente les premiers concernés: les
producteurs et productrices agricoles
Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (4)
La coopération non-gouvernementale – constats
Peu de concertation entre ONG sur le terrain
(au Bénin il a fallu la visite parlementaire …)

Trop peu de concertation avec les O.P. existantes
(surtout les faîtières), chaque ONG aime avoir ses
groupements, qu’elle façonne suivant ses visions et
besoins pour réaliser son projet. Ainsi elle contribue
trop peu à construire un mouvement paysan solide/uni
(pas uniforme) endogène.

L’ONG garde la régie du projet, le fait exécuter.

59
Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (5)
La coopération non-gouvernementale – étapes



Identification d’une O.P. d’un certain niveau intervenant
dans le domaine de l’ONG pour être partenaire égal dans
des projets communs
Diagnostic conjoint/mutuel de l’O.P./ONG ce qui permet
de se connaître mutuellement (ses forces et ses
faiblesses, ses particularités, avantages comparatifs)
Analyse conjointe du contexte et formulation d’un projet
à partir des acquits de l’O.P. et avec le défi de valoriser
des potentialités identifiées, dans l’intérêt des paysans
faibles.
60
Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (7)
La coopération non-gouvernementale – étapes


Il est important à ce que le projet soit bien internalisé
par tous les organes de l’O.P. (C.A. et A.G.) et que
d’autres mécanismes de consultation des bénéficiaires
soient mis en place.
Autres aspects devant systématiquement faire partie
des projets avec les O.P.:


Développement des systèmes adéquates d’information internes
et externes
Programme de formation des leaders paysans locaux et des
agents dans les différents aspects de gestion, leadership, esprit
entrepreneurial, orientation vers les résultats, …
AFAFO
Advisors For African
Farmers Organisations
Les O.P. et les processus de développement de la coopération belge (6)
La coopération non-gouvernementale – étapes



Bonne définition du rôle de l’ONG (valeur ajoutée) et
identification d’autres acteurs pouvant apporter leur
expertise/exécuter certaines activités/volets du projet.
Le projet comprend un volet de renforcement
institutionnel pour l’O.P. et éventuellement pour l’ONG et
autres acteurs identifiés
L’O.P. garde la régie du projet. L’ONG joue le rôle de
conseiller critique. (Le document de projet accepté par le
bailleur reste le cadre de référence, de même qu’une
convention de coopération).