Het ontstaan van de mens

Commentaren

Transcriptie

Het ontstaan van de mens
MENS
MENS ::
een indringende
indringende
en educatieve
educatieve
visie op
op het
het
leefmilieu
leefmilieu
AFGIFTEKANTOOR ANTWERPEN X P409029
Dossiers
Dossiers en
en rubrieken
rubrieken
didactisch
didactisch gewikt
gewikt
en
en gewogen
gewogen door
door
eminente
eminente specialisten
specialisten
52
Jan-Feb-Maa 2004
Driemaandelijks populair-wetenschappelijk tijdschrift
Het ontstaan van de mens
deel 1. van aap tot aapmens
MilieuEducatie,
Natuur &
Samenleving
Inhoud
Het ontstaan van de mens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
De plaats van de mens in de systematiek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
Indeling van de geschiedenis van het leven . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4
Ontwikkeling van mensaap tot moderne mens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
De geschiedenis van onze kennis over het ontstaan van de mens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Van aap tot aapmens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
Het ontstaan van tweebenigheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
De East Side Story . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Vo o r w o o r d
Child of the pure unclouded brow
And dreaming eyes of wonder !
Though time be fleet, and I and thou
Are half a life asunder,
Thy loving smile will surely hail
The love-gift of a fairy-tale.
A tale begun in other days
When summer suns were glowing A simple chime, that served to time
The rhythm of our rowing Whose echoes live in memory yet,
Though envious years would say 'forget'.
And though the shadow of a sigh
May tremble through the story
For 'happy summer days' gone by,
And vanish'd summer glory It shall not touch with breath of bale
The pleasance of our fairy-tale.
Wijze woorden van Lewis Caroll, in 'Alice Through the Looking-Glass'.
Woorden om u welkom te heten in ons nieuwste dossier, beste medemens. We nemen u
mee door de spiegel van de tijd, en we laten u met verre familie kennismaken. Ooms en
tantes waar u nog nooit van gehoord had, wellicht. En hier en daar een neef, van wie u
misschien dacht dat het uw grootvader was.
Caroll heeft het natuurlijk wel over een fairy-tale - een sprookje. Nee, we gaan u niets op
de mouw spelden. Alles wat u hier leest, is zuivere wetenschap. Maar dat maakt het geheel
niet minder spannend, niet minder mysterieus, niet minder in staat om uw nieuwsgierigheid op te wekken. Het is toch zo - waar komen we vandaan - is een van de oudste
filosofische vragen. Hoe zijn we geworden wat we zijn ? Waarom zijn we wat we zijn ?
Wel, hier leest u het antwoord van de biologie. Of tenminste, het tussentijds verslag. Niet
dat dat iets afdoet aan het resultaat. Want de puzzel zelf is al even indrukwekkend als de
oplossing ervan.
In ieder geval, of u nu zelf op zoek gaat naar de dader, of wacht tot de Poirot van dienst
alle details met zwier voor u uitpluist - geniet van het verhaal. Het verhaal over de eerste
mensen onder de gloeiende zomerzon. Laat u gaan, met ogen die dromen van verwondering. Volg in de voetsporen van Lucy. Laat uw zucht schaduwen doorheen het verhaal.
Welkom aan de andere kant van de spiegel.
De binnenkant.
MENS 52
2
Geert Potters
Hoofdredacteur MENS
MENS is een uitgave van de VVB vzw,
de Vlaamse Vereniging voor Biologie.
In het licht van het huidige
maatschappijmodel ziet zij objectieve
wetenschappelijke voorlichting als één
van de basisdoelstellingen.
www.2mens.com
Onder de auspiciën van:
- Federale diensten voor Wetenschappelijke, technische
en culturele aangelegenheden (DWTC)
- Belgisch Werk tegen Kanker en Vlaamse Kankerliga
- Koninklijke Vlaamse Chemische Vereniging (K.V.C.V.)
- Koninklijke Vlaamse Ingenieursvereniging (KVIV)
- Vereniging Leraars Wetenschappen (VeLeWe)
- Vereniging voor het Onderwijs in de Biologie (V.O.B.)
- Vereniging Leraars Aardrijkskunde (V.L.A.)
- Vlaamse Ingenieurskamer (V.I.K.)
- Water - Energie - Leefmilieu (WEL)
- Centrum voor Milieusanering, U. Gent
- Verbond der Vlaamse Academici (V.V.A.)
- Nederlands Instituut voor Biologen (NIBI)
- Natuur & Wetenschap
- Provinciaal Instituut voor Milieu-Educatie (PIME)
- Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van
Antwerpen (KMDA)
- Zoo Antwerpen en dierenpark Planckendael
- Koninklijk Belgisch Instituut voor
Natuurwetenschappen (KBIN)
- Koninklijk Instituut voor het duurzaam beheer
van de Natuurlijke rijkdommen en de bevordering
van de schone Technologie (K.I.N.T.)
Coördinatie:
Prof. Dr. R. Caubergs
[email protected]
Hoofd- en eindredactie:
Dr. G. Potters
[email protected]
Kernredactie:
A. Van der Auweraert, UA
R. Caubergs, UA
C. Thoen, middelbaar onderwijs
B. Van de Vijver, UA
Info en abonnementen:
C. De Buysscher
Te Boelaarlei 23, 2140 Antwerpen
Tel.: 03 312 56 56 - Fax: 03 309 95 59
[email protected]
Abonnement: 18 € op nr. 777-5921345-56
Educatief abonnement: 10 €
of losse nummers: 3,15 €
(mits vermelding instellingsnummer)
Promotie en externe relaties:
I. Van Herck
GSM: 0475 97 35 27
Fax: 051 22 65 21
[email protected]
Topic and fund raising:
Dr. S. De Nollin
Tel.: 03 609 52 36 - Fax 03 609 52 37
e-mail: [email protected]
Verantwoordelijke uitgever:
Prof. Dr. R. Valcke
[email protected]
Met dank voor de illustraties aan:
Bart Van De Vijver
Inge Van Dyck
Inge Van Herck
Scientific American
© Alle rechten voorbehouden MENS 2004
Het ontstaan van de mens
deel 1. van aap tot aapmens
Dit dossier werd samengesteld door Prof. Dr. Walter Decleir, Universiteit Antwerpen
Met medewerking van: Inge Van Dyck, Universiteit Antwerpen
De overgang van een statisch wereldbeeld naar een dynamisch wereldbeeld liep niet van een leien dakje en
is een boeiend en leerzaam verhaal op
zich. De verklarende kracht die schuilt
in de kennis van het verleden, voor
het begijpen van het heden, drong
traag maar zeker door tot steeds meer
wetenschappers en is heden onverbreekbaar verbonden met het moderne
wetenschappelijk denken. Dit leidde in
de 20e eeuw tot een grote synthese
van alle natuurwetenschappen die wij
het wetenschappelijk scheppingsverhaal kunnen noemen. Dit begint rond
15 miljard jaar geleden met de Big
Bang of Grote Oerknal en eindigt met
alles wat nu bestaat. Heden ten dage
is dit het uitgangspunt bij uitstek geworden van alle natuurwetenschappen,
en in praktisch elk boek of tijdschrift
dat handelt over moderne natuurwetenschappen vindt men wel steeds
een of andere bijdrage tot verbetering
of verdere invulling van dit wetenschappelijk scheppingsverhaal.
Ter illustratie van dit alles zullen wij in
wat volgt een bespreking wijden aan
het ontstaan van de familie van de
mensachtigen (de Hominidae) met als
sluitstuk het ontstaan van de moderne
mens (Homo sapiens). Dit is het laatste
stuk van wat men kan beschouwen als
een rode draad doorheen het wetenschappelijk scheppingsverhaal, die wij
kunnen aanduiden als “de lange weg
van Big Bang tot Mens”.
Van links naar rechts
Lamarck (1744-1829),
Wallace (1823-1913) en
Darwin (1809-1882)
3
MENS 52
De nieuwe inzichten die evolutiebiologen van de 19e eeuw, zoals Lamarck,
Wallace en Darwin naar voor brachten,
vormen wellicht de grootste intellectuele revolutie, die de mensheid ooit
heeft gekend. Zij veranderden een statisch wereldbeeld dat er was en
waaraan niet veel kon veranderd worden, in een dynamisch wereldbeeld,
dat werd gekenmerkt door voortdurende verandering en nieuwvorming.
Sedertdien werd het denken van de
mens in totaal nieuwe banen geleid.
Een statisch wereldbeeld komt overeen
met de wijze waarop onze zintuigen
onszelf en de omgeving ervaren. Daarentegen moet bij een dynamisch
wereldbeeld de mens leren denken in
termen van voor hem onvoorstelbare
dimensies en omstandigheden.
DE PLAATS VAN DE MENS
IN DE SYSTEMATIEK
Sedert het werk “Systema naturae” van
Carolus Linnaeus, dat verscheen in
1758, worden diersoorten wetenschappelijk steeds aangeduid door de
combinatie van een geslachtsnaam
(beginnend met een hoofdletter) en een
soortnaam (beginnend met een kleine
letter). Alleen wanneer soorten nog eens
worden opgedeeld in ondersoorten (of
rassen) wordt hieraan nog een naam
toegevoegd. Een belangrijke stap was
dat Linnaeus ook aan de mens een
plaats in de biologische systematiek (of
taxonomie) toekende en hiervoor de
wetenschappelijke soortnaam Homo
sapiens introduceerde. Dit betekende
dat de mens voor het eerst een plaats
kreeg tussen de levende wezens en met
deze laatste verbonden was door een
min of meer groot aantal eigenschappen. Van het feit dat deze band een
diepere betekenis had en het gevolg was
van een gemeenschappelijke afstamming had men toen echter nog geen
idee, maar de basis voor dit inzicht was
hiermede wel gelegd.
De bovenstaande tabel geeft de belangrijkste taxa (niveau’s in de hiërarchische
opbouw van het taxonomisch systeem)
van hoog naar laag voor het indelen van
de mens in de biologische systematiek.
Een algemeen aanvaard criterium voor
het behoren van twee organismen tot
dezelfde soort, is de mogelijkheid om
onderling vruchtbare nakomelingen te
produceren. Zoals men zich wel kan
voorstellen, is het onbruikbaar om uit te
maken of verwante fossiele overblijfselen
al dan niet tot dezelfde soort behoren.
In de praktijk gaat men na of bepaalde
RIJK :
STAM :
ONDERSTAM :
KLASSE :
ORDE :
ONDERORDE :
SUPERFAMILIE :
FAMILIE :
ONDERFAMILIE :
GESLACHT :
SOORT :
ONDERSOORT :
Animalia (dierenrijk of dieren).
Chordata (chordaten of chordadieren).
Vertebrata (vertebraten of gewervelde dieren).
Mammalia (zoogdieren).
Primata (primaten of opperdieren).
Anthropoidea (alle apen, mensapen en mensachtigen).
Hominoidea (alle mensapen en mensachtigen).
Hominidae (hominiden of mensachtigen).
Homininae (homininen of eigenlijke mensen).
Homo (de mens).
Homo sapiens (de moderne mens als soort).
Homo sapiens sapiens ( de moderne mens als ras)
eigenschappen binnen aanvaardbare
grenzen overeenkomen en dit is niet zo
eenvoudig wanneer het gaat om fossiele
resten. Een even groot probleem is het
opdelen van een soort in ondersoorten.
Vooral wanneer het om de mens gaat is
dit niet alleen moeilijk, maar ook zeer
delicaat gebleken. Dit bleek reeds bij de
problematiek van het al of niet opdelen
van de nog levende mensen. Voorbeelden van ondersoortnamen die aan de
moderne mens werden gegeven zijn
ondermeer Homo sapiens albus (het Kaukasische ras), Homo sapiens asiaticus (het
Mongoloide ras), Homo sapiens afer (het
Negroide ras), Homo sapiens hottentotus
(het Khoisanide ras of de San) Homo
sapiens australasicus (het Australoide ras
of de aborigines), Homo sapiens americanus (het Indianide ras), enz. Na de
Tweede Wereldoorlog werd dergelijke
onderverdeling om ethische redenen
niet meer aanvaard, wegens de misbruiken die in de loop van de geschiedenis
telkens weer opdoken wanneer één volk
zich op basis van verschillen hoger of
beter ging achten dan een ander en zich
zelfs aanmatigen om de laatste te
knechten, in minderwaardige posities te
dringen of zelfs fysisch te liquideren. Het
resultaat van dit alles was dat, hoewel
wel wat kunstmatig, de moderne mens
sedertdien algemeen beschouwd wordt
als behorend tot één en hetzelfde ras,
namelijk Homo sapiens sapiens. Hierdoor
werd het voor de paleo-antropologie
mogelijk om vondsten die van moderne
mensen verschillen maar toch geacht
worden tot dezelfde soort te behoren,
overeenkomstig een andere naam te
geven. Zo worden vroege moderne mensen die grosso modo leefden voor 40.000
jaar geleden heden veelal aangeduid als
Homo sapiens archaicus (de archaische
moderne mens). Een schoolvoorbeeld
van deze problematiek is de discussie
rondom de naam van de Neanderthaler.
Tot de dag van vandaag blijft er onenigheid onder de specialisten of deze een
aparte soort is geweest of wel een ondersoort van de moderne mens. Wat men er
van denkt uit zich dan in de naamgeving.
In het eerste geval moet men spreken
van Homo neanderthalensis, in het tweede
van Homo sapiens neanderthalensis.
DE STUDIE VAN FOSSIELEN
Juist zoals een archeoloog aan de hand
van ruïnes en andere overblijfselen uit
vroegere culturen tracht om zich een
beeld te vormen van vroegere verblijfplaatsen en wijze van leven in
historische tijden, dient de paleontoloog
INDELING VAN DE GESCHIEDENIS VAN HET LEVEN
De geschiedenis van het leven op aarde kan ingedeeld worden aan de hand van biologische tijdperken (in de tabel aangeduid in hoofdletters) die verder onderverdeeld
worden in tijdvakken. De aangeduide tijden kunnen binnen bepaalde grenzen verschillen volgens de auteur. De evolutie van de mensachtigen omvat in essentie twee
biologische tijdvakken, namelijk het Plioceen en het Pleistoceen. Het erop aansluitende, allerlaatste tijdvak is het Holoceen, maar dit behoort reeds tot de historie en niet
meer de prehistorie.
Visfossiel (Perm)
AZOICUM
Het tijdperk zonder leven.
Van 4,6 tot 3,6 miljard j.g.
MENS 52
4
Nota : j.g. = jaren geleden.
PROTEROZOICUM
MESOZOICUM
PALEOZOICUM
Het tijdperk van het
De “Middeleeuwen”
Het tijdperk van de oude levensvormen.
primitiefste leven.
aarde - Van 225
Van 570 tot 225 miljoen j.g.
Van 3,6 tot 0,6 miljard j.g.
Trias - Van
Cambrium - Van 570 tot 500 miljoen j.g.
Jura - Va
Ordovicium - Van 500 tot 440 miljoen j.g.
Krijt
Siluur - Van 440 tot 395 miljoen j.g.
Devoon - Van 395 tot 345 miljoen j.g.
Carboon - Van 345 tot 280 miljoen j.g.
Perm - Van 280 tot 225 miljoen j.g.
Koolstof-14 : geschenk uit de ruimte aan archeologen
De kosmische straling uit de ruimte reageert continu met de stikstof in de atmosfeer. Zo ontstaat er radioactief 15N (7 protonen, 8 neutronen). Dit valt snel uiteen
in 14C (6 protonen, 8 neutronen) en een waterstofatoom (1 proton, geen neutronen). Ook 14C is radioactief, met een halveringstijd van 5730 jaar. Dit wil zeggen
dat als je een 1 gram 14C hebt, dit na 5730 jaar nog maar een halve gram is. Nog
eens 5730 jaar later is er nog maar een kwart gram over. In de atmosfeer komt
ook het veel algemenere (en niet radioactieve) 12C-isotoop voor. Omdat het 14C
continu wordt aangemaakt, is de verhouding 12C tot 14C in de lucht constant. Het
14C vervalt wel, maar de bovengenoemde straling zorgt voor een voortdurend
aanvullen van de 14C pool.
Koolstof-14 zit in alle levende wezens
Deze 14C gaat reageren met de zuurstof in de atmosfeer, en zo CO2 vormen. Via
de fotosynthese komt dit terecht in de voedselketen, en dus bij dieren, ook bij ons
mensen. We bestaan dus voor een klein gedeelte uit 14C. De rest van ons koolstof
is het niet-radioactieve 12C. Nu, wanneer een levend wezen afsterft, wordt er geen
koolstof meer opgenomen. De hoeveelheid 12C blijft constant, maar de hoeveelheid 14C begint te vervallen. Door naar de verhouding 12C/14C te kijken, kunnen
de resten van een organisme worden gedateerd. Een formule hiervoor is:
t = ln (Nt/No) x t1/2 / (-0.693)
Hierin is ln de natuurlijke logaritme, Nt/No is de verhouding 14C in het fossiel vergeleken met de hoeveelheid uit levend materiaal en t1/2 is de halfveringstijd van
14C (5730 jaar).
Voor een fossiel dat maar 10 % 14C bevat van wat een levend exemplaar zou
moeten bevatten, wordt dit dus :
t = ln (0.10) x 5730 / (-0.693) jaar
t = (-2.303) x 5730 / (-0.693) jaar
t = 19040 jaar oud
Met de 14C-methode gaan we terug in de tijd tot 50 000 jaar geleden. Met stoffen met een grotere halfwaardetijd kunnen we verder in het verleden kijken.
of meer bepaald de paleoantropoloog
zich aan de hand van fossielen een beeld
te vormen van de prehistorie van de
mens. Het spreekt voor zich dat het niet
eenvoudig is om zich aan de hand van
versteende resten die honderdduizenden
tot miljoenen jaren oud zijn, een beeld
te vormen hoe de mens en zijn omgeving er uit zag, ontstond en evolueerde.
plaatsen met fossiele resten te ontdekken.
Anderzijds kampt men met de fragmentatie en beperktheid van deze vondsten.
Fossielen kunnen bij toeval worden ontdekt of door bewust zoekwerk. Dit
gebeurt bij opgravingen allerhande of bij
vondsten aan de oppervlakte die door
erosie bloot kwamen te liggen.
Een eerste probleem waarmee de
paleontologie te kampen heeft is de
moeilijkheid om enerzijds bereikbare
Een ander probleem is de datering van
de fossiele vondsten. Dit dient bij voorkeur en indien mogelijk te gebeuren
door een combinatie van verschillende
Ammoniet (Krijt)
Mammoettand (Pleistoceen)
Wanneer een fossiel als een nieuwe soort
wordt beschouwd, dan wordt dit slechts
algemeen erkend na een beschrijving
ervan in een erkend wetenschappelijk
tijdschrift. Gezien de opvallende recente
dynamiek van de studie van de mensachtigen gebeurde het bij herhaling dat
gegeven soortnamen nadien gewijzigd
werden en dit kan verwarrend zijn. Wanneer men dit wil vermijden, kan men
andere benamingen gebruiken. Een eerste methode werkt met algemeen
aanvaarde gebruiksnamen zoals bvb. de
vindplaats (de Java-mens, de Heidelbergmens enz.). Een andere mogelijkheid is
om niet te verwijzen naar de soort maar
naar één specifieke vondst die model
staat voor de soort. In de paleontologie
kan elk fossiel ondubbelzinnig aangeduid
worden door de combinatie van het
acronym van een museum en/of van de
vindplaats met een volgnummer. In
tegenstelling tot systematische wetenschappelijke namen zijn de specifieke
vondsten hierdoor ondubbelzinnig en
blijvend vastgelegd. Zo zijn bij voorbeeld
OH 5 (Olduvai Hominid nr. 5) en KNMER 406 (Kenya National Museum – East
Rudolf nr. 406) beide Paranthropus boisei
specimens en is KNM-ER 1470 een
bekend en beroemd specimen dat eerst
Homo habilis maar later Homo rudolfensis
werd genoemd.
NEOZOICUM
Het tijdperk van de nieuwe levensvormen.
Van 64 miljoen j.g. tot nu.
225 tot 190 miljoen j.g.
an 190 tot 135 miljoen j.g.
- Van 135 tot 64 miljoen j.g.
Paranthropus boisei
Paleoceen - Van 64 tot 54 miljoen j.g.
Eoceen - Van 54 tot 38 miljoen j.g.
Oligoceen - Van 38 tot 25 miljoen j.g.
Mioceen = de grote bloeitijd van de mensapen - Van 25 tot 7 miljoen j.g.
Plioceen = ontstaan en evolutie van de aapmensen - Van 7 tot 3 miljoen j.g.
Pleistoceen = ontstaan en evolutie van het geslacht Homo - Van 3 miljoen tot 10.000 j.g
Holoceen = de moderne mens verovert de wereld - Van 10.000 j.g. tot nu.
5
MENS 52
” van het leven op
tot 64 miljoen j.g.
technieken. Bij de relatieve datering
wordt de ouderdom van een bepaald fossiel bepaald ten opzichte van andere
fossielen in de omgeving of van de sedimentgesteenten waarin het is ingebed.
Bij de absolute datering wordt de ouderdom van een bepaald staal rechtstreeks
bepaald. De meest gebruikte techniek is
de 14C (zie kader) dateringsmethode die
geschikt is voor stalen tot zowat 50.000
jaar geleden. Voor oudere stalen gebruikt
men vooral de kalium-argon methode.
DE ONTWIKKELING VAN
MENSAAP TOT MODERNE MENS
De ontwikkeling van mensaap tot moderne
mens gebeurde geleidelijk over een periode
van 7 à 6 miljoen jaar geleden tot nu. Deze
hele periode kunnen wij ruwweg indelen in
twee delen. In het eerste deel van de evolutie gebeurde vooral de overgang van
viervoeter naar tweevoeter en spreekt men
over slanke en robuuste aapmensen. In het
tweede gebeurde vooral een stijging van de
herseninhoud en spreekt men van eigenlijke
mensen (Homo-lijn). Deze evolutie wordt in
zeer grote trekken voorgesteld in de bijgaande figuren.
De algemene kenmerken van deze evolutie
van mensaap naar mens kunnen wij als volgt
samenvatten :
De overgang van een viervoetige naar een tweebenige voortbeweging heeft gevolgen voor praktisch de ganse
lichaamsstructuur. Specialisten zijn om deze reden in de regel
in staat om aan de hand van slechts stukjes van een skelet vast
te stellen of het gaat om al dan niet tweebenige wezens.
De sterke en beweeglijke armen staan niet meer in functie van
de voortbeweging en komen hierdoor vrij om te voelen en
vast te houden. Het werpen met takken of stenen, het kloppen, stompen of grijpen met de handen werden de
belangrijkste middelen van de mensachtigen om zich te verdedigen of aan te vallen.
Het beschikken over handen en geschikt gereedschap maakte
het bezit van dodende en verscheurende tanden minder
belangrijk waardoor het gebit en de kaken gereduceerd werden.
De vroegere buikzijde werd de voorzijde van het lichaam met
alle gevolgen vandien in verband met onder meer de signaalfunctie.
De schedel kwam boven op de wervelkolom te staan. De opening in de schedel waar langs het ruggenmerg de schedel
binnenkomt en overgaat in de hersenen verplaatst zich van de
achterzijde van de schedel naar de schedelbasis. Bij viervoetige
MENS 52
6
Gorilla
Homo erectus
(Sinanthropus)
Homo sapiens
Een sterke groei van de hersenen. Het hersenvolume
bedraagt gemiddeld 200 cc bij apen, 350 à 500 cc bij
mensapen, 1.000 à 1300 cc bij Homo erectus en gemiddeld 1350 cc bij de moderne mens. De variatie van de
herseninhoud bij de moderne mens is zeer groot (van
1200 tot 2100 cc) en dit wordt al dan niet terecht
beschouwd als het nog in volle evolutie zijn van de menselijke hersenen. De gevolgen van de sterk gestegen
herseninhoud zijn niet alleen aanpassingen en wijzigingen
van de schedelvorm maar ook onder meer een stijgende
capaciteit tot culturele evolutie. De fossielen die hier van
getuigen, zijn hoofdzakelijk stenen werktuigen.
primaten hangt de kop als het ware vooraan de wervelkolom.
Bij tweebenige primaten komt de kop bovenop de romp te
staan.
De ruggengraat gaat een S-vormige kromming vertonen
waardoor het bekken, de benen en de voeten onder de romp
terechtkomen.
Het bekken werd omgevormd tot een kom als aanpassing aan
het opvangen van een veel groter deel van het lichaam dan
bij viervoeters het geval is. Een aspect van de omvorming van
het bekken tot een kom in combinatie met de grotere schedel
in functie van de grotere hersenen is dat de geboorte-opening
relatief klein werd. Dit verklaart het feit dat de mens gekenmerkt wordt door zo veel voorkomende moeilijke bevallingen.
De cultureel verworven technieken van de geneeskunde waardoor een al te moeilijke geboorte wordt voorkomen door een
keizersnede, maakt dat de natuurlijke selectie hierdoor wordt
teruggedrongen en hierdoor deze eigenschap behouden
blijft.
Van links naar rechts bovenaanzicht van een schedel van een
gorilla, Homo erectus en Homo sapiens.
De vorm van de schedel wijzigt zich onder meer
door inkorting van de kaken, de reductie van de
wenkbrauwbogen en de verhoging van het voorhoofd. Een voor de rest functieloos maar typisch
resultaat van de inkorting van de kaken is het ontstaan bij de moderne mens van een kin.
De typische insnoering van de schedel achter de
ogen verdwijnt.
De evolutie van de schedels wordt getoond aan de
hand van schedels met van links naar rechts deze
van een gorilla, een Pekingmens, een Neanderthaler (alleen in de figuur met 4 schedels) en een
moderne mens.
De opponeerbare grote teen is
bij mensapen zeer beweeglijk
zodat ze er mee kunnen grijpen. Bij het ontstaan van
tweebenigheid gaat deze
steeds meer te samen met de
andere tenen terug parallel
met de voetas komen. Bij
moderne mensen kan hij nog
slechts op en neer bewegen.
7
MENS 52
De evolutie naar het geslacht Homo gaat
gepaard met een vermindering van het
geslachtsdimorfisme. Biologisch duidt dit
op minder onderlinge competitie tussen
de mannen. Dit wijst dan weer op een
evolutieve trend tot paarvorming.
Verminderende rol van tanden als wapen
doen de grote hoektanden verdwijnen. De
kaken worden korter waardoor minder plaats
ontstaat voor de kiezen. Deze worden kleiner.
Het bij vele mensen niet meer doorkomen
van de “wijsheidstanden” wijst op een evolutie naar het verdwijnen er van. De figuur
toont de overgang van U-vormige tandboog
bij mensapen naar de parabolisch tandboog
bij de mens.
DE GESCHIEDENIS VAN
ONZE KENNIS OVER HET
ONTSTAAN VAN DE MENS
MENS 52
8
Een van de meest kenmerkende eigenschappen van de eigenlijke mensen
(Homo-lijn) is de culturele ontwikkeling. Zolang deze alleen maar kan
afgeleid worden uit stenen voorwerpen, wordt de culturele evolutie
ingedeeld in de oude (paleolithicum),
midden (mesolithicum) en nieuwe
(neolithicum) steentijd. Deze komen
grosso modo overeen met drie verschillende technologische stadia. De oudste
steenculturen noemt men de Oldowancultuur en het Acheuleaan en kwamen
voor in het vroeg paleolithicum. De
eerste wordt al dan niet terecht toegeschreven aan Homo habilis en Homo
rudolfensis, de tweede aan Homo ergaster,
Homo
erectus
en
Homo
heidelbergensis. Het midden paleolithicum komt overeen met het
Mousteriaan toegeschreven aan de
Neanderthaler. Cultureel associeert
men het laat paleolithicum (tussen
grosso modo 40.000 en 10.000 jaar
geleden) met de moderne mens. Dit
wordt gekenmerkt door elkaar steeds
sneller opvolgende nieuwe culturele
ontwikkelingen. In die periode gaat de
mens niet alleen steeds gevarieerdere
gebruiksvoorwerpen maken maar hij
wordt ook de eerste om deze te gaan
versieren. Hij begint ook beeldjes te
maken en ontwikkelt een rots- en grottenkunst. Dit alles leidde naar de
middensteentijd tussen 12.000 en
10.000 jaar geleden en tenslotte de
nieuwe steentijd. Deze laatste voor de
mensheid uiterst belangrijke zogenaamde neolithische revolutie waarbij
de mens overgaat van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt en
hierdoor in staat wordt om steeds grotere nederzettingen te maken. Het
neolithicum wordt verder gekenmerkt
doordat de mens stenen voorwerpen
ging polijsten, aardewerk maken, wol
en linnen weven, megalithen (menhirs,
dolmens) ging produceren in Europa,
pyramides in Egypte enz. De steentijd
eindigt met het begin van de metaaltijd en hiermede eindigt de prehistorie
en begint de indrukwekkende en zo
succesvolle historie of geschiedenis van
de moderne mens, die praktisch de
hele aarde zal gaan veroveren en doordringen tot de hoogste bergtoppen, de
diepzee en zelfs de ruimte.
Daar de maatschappij gedurende lange
tijd niet of slechts schoorvoetend wilde
weten van een voorgeschiedenis van de
mens, noch van enige band tussen mens
en dier, evolueerde onze kennis op dit
gebied vooreerst uiterst langzaam. Vanaf
de tweede helft van de 20e eeuw
geraakte het onderzoek en bij gevolg
ook onze kennis over de menswording
in een opvallende stroomversnelling. De
jaren kort voor en na de eeuwwisseling
kenden een sensationele explosie van
nieuwe vondsten en overeenkomstig van
elkaar snel opvolgende nieuwe inzichten
over het ontstaan van de mens. Het stijgend aantal fossiele vondsten bracht
met zich mee dat de menselijke stamboom voortdurend veranderde, nieuwe
soortnamen ontstonden en bestaande
geslachten of soorten hernoemd of
opgesplitst dienden te worden. Dit is
verwarrend en om deze reden is het nuttig om in het kort de geschiedenis van
de voortdurend rijker wordende maar
ook voortdurend wijzigende kennis te
schetsen.
DE TIJD VAN DE PIONIERS:
De periode tot de helft van
de 20e eeuw
Zowel de auteurs van theorieën als de
ontdekkers van fossiele vondsten hadden
tot ver in de 20e eeuw steevast de
grootste moeite om aan de toenmalige
wereld duidelijk te maken dat er ooit
mensachtigen hebben bestaan die voorlopers waren van de moderne mens. Ter
illustratie van de sfeer waarin dit alles
gebeurde vermelden wij het beruchte
"apenproces" in 1924 in Dayton (U.S.A.)
waar een leraar veroordeeld werd voor
het aanleren van de evolutietheorie. Tot
na de tweede wereldoorlog bleef de
band tussen mens en dier dan ook niet
of nauwelijks bespreekbaar. Dit wordt
onder meer geïllustreerd door het feit
dat in de toenmalige leerboeken over
biologie of dierkunde behoudens enkele
hoge uitzonderingen geen enkele verwijzing naar de mens voorkwam.
Toen Charles Darwin in 1859 zijn “Origin of Species” publiceerde, ontstond,
ondanks de hevige weerstand, het
inzicht dat de huidige mens heden ten
dage wel de enige vertegenwoordiger is
van de mensachtigen, maar dat deze
juist zoals de overige levende organis-
men een voorgeschiedenis heeft gehad.
Eén voorouder had men echter reeds
gevonden maar de betekenis ervan nog
niet ingeschat. Dit was de Neanderthaler
waarvan de eerste vondst gebeurde in
1856 in het Neanderdal nabij Dusseldorf
(Duitsland). Onder de vele latere vondsten vermelden wij slechts twee bijna
volledige skeletten in 1886 in de grot van
Spy (België). Het zou echter tot de
tweede helft van de 20e eeuw duren
vooraleer de Neanderthaler algemeen
aanvaard werd als onderdeel van de prehistorie van de mens en mede hierdoor
het imago van een dom, wild, behaard
en vervaarlijk uitziend wezen kwijt raakte.
Met het idee om de “missing link” of
ontbrekende schakel te vinden ging de
Nederlandse arts Eugeen Dubois op zoek
in Java in zuidoost Azië en vond in 1891
in een opgraving aan de Solo-rivier nabij
Trinil (Midden-Java) een schedeldak van
een mensachtige die primitiever was dan
de Neanderthaler. Hij noemde zijn
vondst Pithecanthropus erectus (de rechtopstaande aapmens). Onder de latere
vondsten op Java vermelden wij deze in
1936 in Modjokerto (oorspronkelijk Pithecanthropus modjokertensis genoemd)
en in 1937 nabij Sangiran. Deze behoren allemaal tot dezelfde soort en
worden tegenwoordig gebundeld onder
de benaming “Java-mensen”.
In de jaren 20 leverden de opgravingen
in de Zhoukoudian-grot in de “heuvel
van de drakenbeenderen” nabij Peking
het eerste exemplaar op van wat toen
Sinanthropus pekinensis werd genoemd.
Nadien werden op deze en andere plaatsen in China nog vele tientallen andere
fossielen gevonden. Deze behoorden tot
dezelfde soort als de “Java-mensen” en
geraakten bekend als de “Peking-mensen”. In december 1941 werden de
toenmalige fossielen uit angst voor de
oorlogsomstandigheden ingepakt en
naar veiligere oorden gezonden maar
deze werden sedertdien nooit meer
teruggevonden. Men beschikt heden
alleen nog maar over de afgietsels ervan
naast de nieuwere latere vondsten.
De aandacht van de paleo-antropologie
ging voor het eerst naar Afrika toen in
1924 Raymond Dart het “kind van
Taung” beschreef, afkomstig van een
kalksteengrot nabij Taung in Zuid-Afrika.
Hiermede ontstond voor het eerst het
inzicht dat er ooit nog veel primitievere
mensachtigen hebben geleefd dan tot
dan toe bekend. Dart noemde zijn
vondst Australopithecus africanus (de Zuiderse aap van Afrika). In de jaren 30 en
40 ontdekte R. Broom de eerste volwassen exemplaren van deze soort maar gaf
deze wel andere namen zoals Plesianthropus transvaalensis (“de bijna mens van
Transvaal”). Broom vond ook nog een
andere soort die veel robuuster was en
door hem Paranthropus robustus genoemd.
DE WETENSCHAPPELIJKE
AANPAK:
de 2e helft van de 20e eeuw
De Y-vormige stamboom van
de mens
Daar zowat elke auteur zijn eigen naam
had bedacht voor de door hem gedane
vondsten van vroege mensachtigen was
er rond de helft van de 20e eeuw een
chaos van mensachtigen ontstaan, die
algemeen als zeer verwarrend werd ervaren. In de zestiger jaren werd om deze
reden terug orde in de chaos gebracht
door alle toen gekende mensachtigen
onder te brengen in slechts twee evolutielijnen met elk slechts één geslacht,
namelijk Australopithecus en Homo. Hierbij werden bijvoorbeeld de Java- en
Peking-mensen ondergebracht onder de
soort Homo erectus. Dit ging gepaard
met een stijgende belangstelling voor
opgravingen en onderzoek naar vroege
mensachtigen. In 1964 werd in Olduvai
in Tanzanië een schedel ontdekt, die
Homo habilis werd genoemd (de handige mens). Deze kreeg een sleutelpositie
op de menselijke stamboom, die wegens
zijn rechtlijnigheid en eenvoud een snelle verspreiding kende, en mede aan de
basis lag van de grote mate van populariteit die de studie van het ontstaan van
de mens in die tijd kreeg. Dit zogenaamde Y-type stamboom wordt hierboven
weergegeven (overgenomen uit “Lucy –
het begin van de mensheid” van Johanson en Edey). Het toont de 2 vermelde
evolutielijnen. De Australopithecus-lijn
De Y-type stamboom (overgenomen uit “Lucy – het begin
van de mensheid” van Johanson en Edey).
begint tussen 5 en 4 miljoen jaar geleden met de slanke aapmensen en
eindigt grosso modo 1 miljoen jaar geleden met de robuuste aapmensen. De
plaats waar de Homo-lijn aftakt van deze
Australopithecus-lijn is steeds een punt
van discussie geweest.
Sommigen plaatsen deze aftakking na A.
africanus, andere doen dit na A.
afarensis, zoals op de bijgaande figuur
en nog andere wijzen op het mogelijk
bestaan van een aftakking uit nog onbekende gemeenschappelijke voorouders
van beide evolutielijnen.
Parallel met onze snel stijgende kennis
over het ontstaan van de mens in de
loop van de tweede helft van de 20e
eeuw evolueerde ook de plaats waar de
wieg van de mensheid heeft gestaan.
Tot na de Tweede Wereldoorlog dacht
men aan Azië en verwees hier voor naar
de ontdekkingen van de Java- en Pekingmensen. Toen het bestaan van de
aapmensen bekend geraakte, verplaatste
deze zich vooreerst naar Zuid- en OostAfrika en na de vondst van Lucy en haar
verwanten ook naar Ethiopië. Het debat
hierover is duidelijk nog niet gesloten.
De stam vertakt zich :
Stijgende kennis leidt ook tot
meer vraagtekens
Met het sedertdien voortdurend en in
van
het
versneld
tempo stijgen
aantal
vondsten van mensachtigen ontstond
rond de jaren 90 steeds meer de overtuiging dat het Y-type stamboom van de
menswording een te grote vereenvoudiging was. De grote diversiteit van
fossielen bracht met zich mee dat men
verplicht werd om zowel nieuwe
geslachten te definiëren als bestaande
soorten op te splitsen. De stamboom op
pagina 10 (overgenomen uit Scientific
American) toont een voorbeeld van een
stamboom van de mens zoals deze rond
de eeuwwisseling gangbaar werd. Deze
nieuwe en moderne visie wordt gekenmerkt door:
1. Het aantal erkende geslachten steeg
van 2 naar 4 en het aantal soorten
van 6 naar bijna 20. Zo werd de oorsponkelijk
als
Homo
habilis
aangeduide soort opgesplitst in Homo
habilis en Homo rudolfensis, de als
Homo erectus aangeduide soort in
Homo ergaster en Homo erectus en
tenslotte ook Homo sapiens in Homo
sapiens en Homo neanderthalensis.
Recente ontdekkingen werden daarenboven beschreven als nieuwe
soorten, zoals Australopithecus bahrelghazali en Homo antecessor. Er
ontstond ook een nieuw geslacht,
namelijk Ardipithecus. Tenslotte werden alle robuuste aapmensen, in het
9
MENS 52
De eerste fossiele overblijfselen van de
moderne mens (Homo sapiens) vond
men nabij een heuvel met de naam CroMagnon (“grote gat”) in Les Eyzies
(departement Dordogne - Frankrijk) in
1868. Men vond er de resten van een
vuurhaard, stenen werktuigen en vijf skeletten. Sedertdien duidt men de
moderne mens in Europa tussen 40.000
en 10.000 jaar geleden aan met de
term Cro-Magnon.
Al deze en andere vondsten uit de 19e
en de eerste helft van de 20e eeuw
deden zeer langzaam de idee ontwaken
en verspreiden van een voorgeschiedenis
van de moderne mens.
Homo sapiens (wereldwijd)
H. neanderthalensis
(Europa en West-Azië)
nen artefacten (Oldowan-cultuur) die
tot dan toe aan hen werden toegewezen. Mede hierdoor ontstond het
voorstel om deze beide soorten niet
meer onder de genusnaam Homo te
brengen zoals wel het geval is in het vermelde Y-vormig evolutiemodel.
H. heidelbergensis (doorheen de Oude Wereld)
H. erectus
(Oost-Azië)
H. antecessor
(Spanje)
P. robustus
(Zuid-Afrika)
P. boisei
(Oost-Afrika)
H. habilis
(Afrika Sub-Sahara)
H. rudolfensis
(Oost-Afrika)
DE NIEUWE ONTDEKKINGEN
KORT VOOR EN NA DE
EEUWWISSELING:
Explosieve ontwikkeling van
onze kennis
Miljoen jaren geleden
H. ergaster
(Oost-Afrika)
A. garhi
(Etiopië)
Paranthropus
aethiopicus
(Oost-Afrika)
A. africanus
(Zuid-Afrika)
A. bahrelghazali
(Tjad)
A. afarensis
(Etiopië en Tanzanië)
Ardipithecus ramidus
(Etiopië)
Australopithecus
anamensis
(Kenya)
Voorstelling van de menselijke stamboom
(Scientific American)
Y-type stamboom ondergebracht bij
het geslacht Australopithecus, herdoopt en ondergebracht bij het
geslacht Paranthropus, overeenkomend met de allereerste beschrijving.
2. Het inzicht ontstond dat verschillende
soorten mensachtigen ooit samen
geleefd hebben en wellicht ook met
elkaar gewedijverd in de strijd om het
bestaan. Dit leidde ook tot stijgende
onzekerheid aangaande de rechtstreekse afstamming. De rechtlijnigheid
die het Y-vormig model kenmerkte
verdween hierdoor. Stambomen worden sedertdien gekenmerkt door
kromme verbindingslijnen met veelal
ook de nodige vraagtekens.
MENS 52
10
Ten gevolge van het stijgend onderzoek
met stijgend aantal nieuwe ontdekkin-
De wetenschap is er echter nog niet van
overtuigd dat deze voorstellen juist zijn.
We zullen deze voorstellen dus ook niet
volgen.
gen ontstonden ook nieuwe voorstellen
of ideeën die nog niet door alle specialisten aanvaard worden.
Enkele voorbeelden hier van zijn:
DNA-studies leidden tot de vaststelling
dat chimpansees biologisch meer verwant zijn met mensen dan met
mensapen waarbij zij totnogtoe werden
ingedeeld. Dit leidde tot het voorstel om
chimpansees bij de familie van de
mensachtigen op te nemen. Het probleem is uiteraard dat het zeer kleine
verschil in DNA leidde tot een enorm
verschil dat vooral de capaciteit tot culturele evolutie met zich mee bracht.
Het blijkt nog niet echt bewezen dat de
huidige vroegste eigenlijke mensen
(Homo-lijn) zoals Homo habilis en Homo
rudolfensis de makers waren van de ste-
De jaren vlak voor en kort na de eeuwwisseling brachten ons een stel van
sensationele nieuwe vondsten en nieuwe
discussies over het ontstaan van de
mens. Het aantal soorten mensachtigen
steeg dermate dat het niet meer mogelijk is geworden om de rechtstreekse
voorouder van de moderne mens ondubbelzinnig aan te duiden, zoals wel
het geval was in de Y-vormige stamboom. Hierbij werd tevens het ontstaan
van de mensachtigen teruggebracht van
4,4 miljoen naar 7 miljoen jaar geleden.
Dit alles leidde tot een nieuwe manier
om de menselijke stamboom voor te
stellen. Dit wordt geïllustreerd door de
volgende stamboom. Hier worden alle
op dit moment bekende mensachtigen
voorgesteld door een lijn of blokje waarvan de plaats en de lengte overeenkomt
met de tijd waar in de soort voorkwam.
Verbindingen door middel van rechte of
kromme lijnen, zoals in vorige stambomen, zijn er niet meer. Het wordt aan de
inzichten en de interpretatie van de
lezer overgelaten hoe deze de verwantschappen inschat. De bijgaande
stamboom is zo opgesteld dat hij nog
extra informatie geeft. Hoe meer naar
links geplaatst, hoe meer eigenschappen
de soort met de moderne mens gemeen
heeft en omgekeerd, hoe meer naar
rechts hoe meer eigenschappen de soort
met mensapen deelt.
Ten einde de volgende tekst zo comfortabel mogelijk te kunnen lezen is het
nuttig om deze tabel van alle heden
bekende soorten mensachtigen steeds in
gedachten te houden. Dit geldt ook
voor de afbeeldingen op blz. 12 en 13.
De eerste toont de belangrijkste vindplaatsen van mensachtigen in Afrika
vooraleer de mens Afrika verliet. De
5
10
3
4
5
15
20
6
25
7
30
voor- ouder hebben. Deze splitste zich
op waarna de mensapen bleven leven
in een milieu waaraan zij goed aangepast
waren
en
hierdoor,
in
tegenstelling tot de mensachtigen,
slechts geringe evolutieve veranderingen ondergingen. Hierdoor komt het
dat de gemeenschappelijke voorouders van “de mens en van de huidige
mensapen” eveneens aangeduid worden als mensapen. Men drukt het ook
zo uit dat de mensachtigen een aftakking vormen van de lijn van de
mensapen. En zo kunnen wij steeds
verder in het verleden doordringen.
De vraag naar de voor- geschiedenis
van de mensachtigen wordt hierdoor
ook de vraag naar de geschiedenis van
de mensapen.
11
MENS 52
0
Miljoen jaren geleden
Apen uit de oude wereld
Siamang Gibbon
Gewone Gibbon
De uitdrukking “de mens stamt af
van de aap” is niet juist. De huidige
mensen stammen niet af van de huidige apen noch de huidige
mensapen. Deze leven alle in dezelfde tijd en ondergingen bij gevolg
een even lange evolutie. Het is wel
zo dat de huidige “mens en mensapen” een gemeenschappelijke
2
Oerang-oetang
1
Gorilla
WAT VOORAFGING
Mens
0
% verschil in DNA
VAN AAP TOT AAPMENS
Bonobo
Evolutieve stamboom van de mens
gebaseerd op modern DNA-onderzoek.
Chimpansee
tweede toont de weg van de mensachtigen na de eerste uittocht van
mensachtigen uit Afrika met de
belangrijkste gebieden met vindplaatsen in groen of rood
weergegeven.
Overzichtskaart met de vindplaatsen
van menselijke fossielen in Afrika voor
de mensachtigen voor het eerst dit
continent verlieten. De Grote Riftvallei
is aangeduid in het bruin.
Dryopithecus proconsul
Naast de studie van de fossiele restanten
is er heden ten dage ook het belangrijke
middel om stambomen op te stellen
door erfelijk materiaal (DNA) met elkaar
te vergelijken. Op deze wijze ontstond
de stamboom zoals voorgesteld in de
figuur hiernaast.
Die schetst wat voorafging aan het ontstaan van de mens, vanaf de splitsing
van de apen in apen van de oude wereld
en mensapen.
MENS 52
12
Heden wordt algemeen aangenomen
dat grosso modo 7 miljoen jaar geleden
de tijdgrens is waar op de overgang van
mensaap naar mensachtige moet plaats
gegrepen hebben. Dit brengt ons op de
grens van het Mioceen en het Plioceen.
Een probleem in dit verband is dat de
gesteenten uit de periode tussen 10 en 6
miljoen jaar in de gebieden waar de
menswording moet plaats gegrepen
hebben diep onder het oppervlak zitten.
Hierdoor weten wij niet welke Miocene
mensapen de gemeenschappelijke voorouders waren van de huidige Afrikaanse
mensapen (gorilla, chimpansee en bonobo) en de mens (of de mensachtigen).
Wij kunnen echter wel trachten uit te
maken welke eigenschappen van mens
en mensapen wijzen op een gemeenschappelijke afkomst en op zoek gaan
naar Miocene mensapen die de meeste
van deze “vooroudereigenschappen”
vertonen. Deze zijn dan de meest waarschijnlijke voorouders.
In het Eoceen ontstaan de eerste vertegenwoordigers van de halfapen. Men
noemt ze oerhalfapen. Hun hedendaagse nakomelingen zijn de lemuren, lori’s
en spookdiertjes. In het Oligoceen ontstaan hier uit de echte apen maar reeds
op het einde van dit tijdvak ontstaan de
eerste dieren met kenmerken die wijzen
op een overgang naar mensapen. Dit
wordt geillustreerd door Egyptopithecus
zeuxis uit het Fayoum-gebied in Egypte
gedateerd op 28 miljoen jaar geleden.
Zowat 8 miljoen jaar later ontstaat Dryopithecus proconsul, vaak kortweg
Proconsul genoemd, (naar de legendarische chimpansee van de Londense
dierentuin, Consul genaamd) die al dan
niet terecht beschouwd wordt als de eerste echte mensaap. De figuur toont het
skelet met in stippellijn de ontbrekende
skeletdelen. Het was een kleine boombewonende viervoeter, die rond 20 miljoen
jaar geleden in de tropische wouden van
Kenya leefde, en als typische mensaapkenmerk geen staart meer had. Daar
deze bij de apen een rol speelt bij het
lopen en springen in de bomen, blijkt
hieruit alleen reeds dat de afwezigheid er
van iets te maken moet hebben met een
andere manier van voortbewegen. De
evolutie van de mensapen van Proconsul
tot modernere mensapen zoals deze zich
in de loop van het Mioceen ontwikkelde
wordt inderdaad gekenmerkt doordat de
beenderen en gewrichten van de armen
steeds flexibere bewegingen in meer
richtingen mogelijk maakten. Hierdoor
werden de dieren in staat om zich met
de handen naar boven aan hogere takken vast te grijpen, zich zo te laten
hangen of van tak tot tak te slingeren.
Dit verschijnsel dat bij de huidige mensapen sterk ontwikkeld is noemt men
brachiatie. Dit ging gepaard met het
ontstaan van een breder wordende
borstkas, schouderbladen die meer naar
de rug toe gingen liggen en lange
armen. Bij deze evolutie ontstonden
geleidelijk grotere dieren met een tragere en langere ontwikkeling en een
grotere herseninhoud ten opzichte van
het lichaamsgewicht, wat een maat is
voor grotere intelligentie.
De uittocht van de mensachtigen vanuit Afrika.
melde Dryopithecinen ook de minder
talrijke Oreopithecinen en Ouranopithecinen. Oreopithecus bambolii werd
gevonden in Toscanië, dat in die tijd een
uitgebreide archipel was en bewoond
door diersoorten die zowel in Afrika als in
Europa thuis hoorden. Ouranopithecus
macedoniensis werd gevonden in Griekenland en leefde in een savannegebied
dat toen zeer gelijkend was op dit van
het huidige Oost-Afrika. Zij allen zijn
voorlopig de laatst gekende, het sterkst
met de mens verwante wezens vooraleer
de mensachtigen op het toneel verschenen. Vermeldenswaard is nog de
ontdekking in 1935 in China van kaken
en tanden van een uitzonderlijk grote
primaat, die Gigantopithecus blacki werd
genoemd. De eerste ontdekking gebeurde in een Chinese apotheek, waar de
tanden verkocht werden als "drakentanden". Het wezen toont verwantschap
met de Hominoiden en wordt al dan niet
terecht in verband gebracht met de
overlevering van het bestaan van een
zogenaamde Yéti in Tibet.
Zowat 10 tot 8 miljoen jaar geleden
vormde zich de 6000 km lange riftvallei,
die het begin betekent van het opsplitsen van de betreffende continenten.
Deze vallei begint aan het meer van Galilea en de Jordaanvallei en loopt verder
via de Dode Zee, de golf van Akaba en
de Rode Zee om het Afrikaanse continent in te dringen via de Hadar en de
Omo-vallei in Ethiopië. De riftvallei splitst
zich vervolgens op in een westelijke en
oostelijke riftvallei. De twee takken
komen vervolgens weer samen en volgen dan het Malawi-meer om via
Mozambique de Indische Oceaan te
bereiken. Dit opvallend tectonisch
gebeuren ging gepaard met het optillen
van Oost-Afrika waarbij de hedendaagse
Oost-Afrikaanse hoogvlakten ontstonden. De vochtige van west naar oost
over Afrika waaiende winden verliezen bij
het stijgen hun water. Hierdoor wordt de
koudere Oost-Afrikaanse hoogvlakte ook
nog droger en ontstond het typische
Oost-Afrikaanse ecosysteem. Dit wordt
gekenmerkt door een typisch afwisselend
landschap van bosjes en open savanne
dat naar men algemeen aanneemt een
sleutelrol heeft gespeeld in de evolutie
van de mensachtigen. Ten westen van de
riftvallei bleef het regenwoud behouden.
De hieraan goed aangepaste mensapen
evolueerden er traag verder met een
opsplitsing, rond 3 miljoen jaar geleden,
in enerzijds de chimpansee (Pan troglodytes) en anderzijds de bonobo (Pan
paniscus). Ten Oosten van de riftvallei
was er het reeds vermelde mozaïeklandschap met een koeler en droger klimaat.
Dit vereiste een snelle aanpassing aan
nieuwe omstandigheden. Mensapen
werden aapmensen die rondtrokken over
de vlakte (savanne), maar zich met het
oog op hun veiligheid bij gevaar of om
te slapen terugtrokken in de bomen.
13
MENS 52
Rond 17 miljoen jaar geleden liet de
noordwaartse continentendrift Afrika en
Indië tegen Eurazië aanbotsen. Hierdoor
ontstonden zowel de Alpen als de Himalaja, en dit maakte een einde aan de
isolatie van Afrika dat tot dan toe de
wieg was geweest van de mensapen.
Deze migreerden via de zo ontstane
landbruggen en kenden daarna op het
Euraziatische continent een dergelijke
succesvolle ontwikkeling dat men heden
meent dat de voorouders van de huidige
mensapen en mensachtigen gedurende
enkele miljoenen jaren op dit continent
evolueerden. De twee veruit talrijkste
groepen van toenmalige mensapen
waren in de eerste plaats de Dryopithecinen (of bosapen) die gevonden werden
in Frankrijk, Spanje, Frankrijk, Duitsland
en Hongarije, maar ook, zij het in mindere mate, in Azië en Afrika en in de
tweede plaats de Sivapithecinen (of Sivaapen) die leefden in Voor-, Zuid- en
Oost-Azië. Na een grote bloeitijd kenden
de Euraziatische mensapen een terugval,
die waarschijnlijk te wijten was aan de
temperatuurdaling op het einde van het
Mioceen. Er gebeurde toen een explosieve ontwikkeling van grasvlakten en hier
aan aangepaste dieren die stilaan een
modern uiterlijk kregen. Het gevolg voor
de mensapen was dat de Sivapithecinen
naar het Zuiden van Azië trokken en er
zeer waarschijnlijk de voorouders werden
van de Orang-Oetang en de Dryopithecinen naar Afrika terugkeerden. Mede
door het ontbreken van belangrijke Afrikaanse vondsten blijven de voorouders
van de mensachtigen voorlopig onzeker.
Kandidaten hier voor zijn naast de ver-
Skeletresten van Orrorin tugenesis
Dergelijke nog primitieve vorm van
tweebenigheid noemt men ook wel
facultatieve tweebenigheid. Dit scenario
geraakte algemeen bekend als de “East
Side Story”.
MENS 52
14
HET ONTSTAAN VAN
TWEEBENIGHEID
In tegenstelling tot wat men ooit heeft
gedacht, is de eigenschap die leidde tot
het ontstaan van de mensachtigen niet
de vergroting van het hersenvolume
maar het ontstaan van de tweebenige
voortbeweging. Deze kan beschouwd
worden als een verdere evolutie van de
brachiatie van de mensapen. De romp
en armen werden daarbij krachtiger en
de armen en handen konden voor steeds
meer doeleinden worden gebruikt. Dit
liet hen toe zich rechtop te houden in de
bomen, maar leidde ook tot de capaciteit om over korte afstanden met twee
voeten op de begane grond te lopen. Bij
mensapen die viervoeters bleven kan
deze voortbewegingswijze slechts over
korte afstanden worden volgehouden.
Bij de stap naar de eerste mensachtigen
werd de tweebenige voortbeweging de
gewone wijze van verplaatsen over de
begane grond. In den beginne ging het
steeds om facultatieve tweebenigheid
waarbij de capaciteit om zich eventueel
in de bomen terug te trekken bij gevaar
of om te rusten of te slapen behouden
bleef. De stap van viervoetige naar tweebenige mensaap maakt van deze laatste
per definitie een mensachtige.
Het beeld van de eerste mensachtige
zoals dit tot het begin van de jaren 90
stand hield, steunde vooral op de volgende twee vondsten.
Om te beginnen zijn er de beroemde
fossiele voetsporen die in 1978 door een
team onder de leiding van Mary Leakey
waren gevonden in Laetoli in Tanzanië.
Het gaat blijkbaar om twee volwassenen
en een kind (of twee mannen en een
vrouw in geval van sterk seksueel dimorfisme), die hier in vulkanische as en
modder, gedateerd op 3,6 miljoen jaar,
onbetwistbaar menselijke sporen nalieten. Men weet heden nog niet welke
soort deze voetstappen veroorzaakte en
wijst naar Australopithecus afarensis
(zie verder) als meest waarschijnlijke kandidaat. Schuin naar rechts weglopend
ziet men op de foto sporen van twee
Hipparions (primitieve nog drietenige
paardjes).
Daarnaast is er Lucy - de tot het begin
van de jaren 90 oudste gekende en totnogtoe ook best gedocumenteerde
aapmens, in 1973 ontdekt en Australopithecus afarensis gedoopt. In 1994
ontdekte men een nog oudere aapmens
die Australopithecus anamensis werd
genoemd maar hier van zijn slechts
enkele beenderen bekend. De eerste
leefde tussen 4 en 3 miljoen jaar geleden, de tweede tussen 4,2 en 3,9
miljoen jaar geleden. Beide waren
ondubbelzinnig aapmensen en geen
mensapen maar waren wel nog aangepast aan zowel het rechtop lopen op de
vlakte als het schuilen bij gevaar of om te
slapen in de bomen.
Het beeld van de australopithecuslijn als
het aan open landschap aangepaste
begin van de menselijke stamboom
diende gewijzigd te worden door een
stel van recente sensationele ontdekkingen van mensachtigen uit vroeger tijden
dan tevoren vermoed. Deze hadden alle
de grootte van een chimpansee en leefden in een rijk boslandschap en niet op
de open savanne.
In 1993-1994 vond een team onder de
leiding van Tim White nabij het dorp
Aramis in de Awash-vallei in Ethiopië
fragmenten van een 17-tal individuen
van een nieuwe aapmens. Deze was
mensaapachtiger dan de hoger vermelde
Australopithecinen en werd Ardipithecus
ramidus gedoopt. De beenderen en
gewrichten wezen op tweebenigheid.
De soort leefde rond 4,4 miljoen jaar
geleden in een rijk boslandschap dat
nadien geteisterd werd door vulkanische
erupties en vervolgens miljoenen jaren
later overging in het huidig steenachtig
woestijnlandschap.
Eind 2000 ontdekten Martin Pickford en
Brigitte Senut in de Tugen heuvels in het
Westen van Kenya fragmenten van een
20-tal individuen (zie figuur bovenaan
de pagina) die leefden tussen 6,1 en 5,6
miljoen jaar geleden en iets meer dan
1 meter groot en zowat 40 kg zwaar
moeten geweest zijn. Deze nieuwe soort
werd vooreerst Millennium ancestor (de
Millennium-mens) genoemd maar deze
naam werd later gewijzigd in Orrorin
tugenensis. De eigenschappen van armen vingerbeenderen enerzijds en van het
dijbeen anderzijds wijzen op een levenswijze van viervoetigheid en klimmen in
de bomen en rechtop lopen (tweebenigheid) op de begane grond. De vinders
stellen dat Orrorin de eigenlijke voorouder is van de mens en dat zowel de
Ardipithecinen als de Australopithecinen
doodlopende zijtakken zijn van de evolutiestamboom, maar dit wordt dan weer
door anderen betwist. Belangrijk is dat
Orrorin in een toenmalig bosrijke omgeving moet geleefd hebben, en niet in de
savanne, die de huidige opgravingssite
Toumai (Sahelanthropus tchadensis)
kenmerkt.
Enkele maanden na de Orrorin vond een
Amerikaans-Ethiopisch team onder leiding van Yohannes Haile-Selassie een stel
van beenderen, afkomstig van een 5-tal
individuen in het Midden-Awash gebied
in Ethiopië (zie figuur bovenaan). Ook
hier wezen de eigenschappen van het
skelet op een gecombineerde levenswijze van viervoetigheid en klimmen in de
bomen met tweebenigheid op de grond.
Het ging om een wezen dat leefde tussen 5,8 en 5,2 miljoen jaar geleden. De
soort werd geklasseerd als een ondersoort van de reeds vroeger in de
nabijheid ontdekte maar veel minder
oude Ardipithecus ramidus en werd Ardipithecus ramidus kaddaba gedoopt.
Mede gezien het grote tijdsverschil is de
kans groot dat het gaat om een aparte
soort en de naam later zal omgevormd
worden tot Ardipithecus kaddaba. Volgens de vinder zijn de Ardipithecinen de
voorouders van de eveneens talrijk in
Ethiopië ontdekte Australopithecinen
zoals Lucy en verwanten. De Midden
Awash is heden een onherbergzame
woestijn maar was in de tijd van de nieuwe soort een bosrijk gebied waar veel
wild voorkwam.
Tot slot kwam nog een vondst de sensationele postmillennium-oogst verrijken.
In 2001 vond een Franse onderzoeksgroep onder de leiding van Michel
Brunet een bijna volledige schedel, kaakbeen en tanden (zie foto voor een
reconstructie) in de Djurab woestijn in
het Noorden van Tchaad (Zuid-Sahara)
die gedateerd werden op grosso modo
7 miljoen jaar geleden. Het fossiel kreeg
de bijnaam Toumai en de wetenschap-
pelijke naam Sahelanthropus tchadensis.
Het werd, na Australopithecus bahrelghazali de tweede vondst van een mensachtige ten Westen (de plaats is zowat
2.500 km er van verwijderd) van de
Oost-Afrikaanse riftvallei. Daar er nog
geen postcraniale beenderen gevonden
werden van deze soort kan nog niet uitgemaakt worden of deze tweebenig was.
Brunet argumenteert echter dat de tanden wijzen in de richting van een
evolutie naar de mensachtigen en dat
het gaat om één van de allereerste
mensachtigen.
Zoals te verwachten was, leidden al deze
vondsten van zeer vroege mensachtigen
tot de nodige discussies betreffende de
tijd van het ontstaan van de mensachtigen, de omgeving waarin dit gebeurde
en welke vroegste mensachtigen nu de
echte voorouders waren van de moderne mens. Een fundamenteel nieuw
gegeven was niet alleen het aantal en de
hoge ouderdom van de nieuwe vondsten maar ook het feit dat de nieuw
ontdekte vroegste mensachtigen leefden
in een bos- en waterrijk gebied. De
stimulus voor het ontstaan van tweebenigheid kan hierdoor niet de klimaatswijziging geweest zijn waardoor oerwoud overging in savanne, zoals tot dan
toe algemeen aangenomen werd. Naast
de vele vondsten ten Oosten van de riftvallei zijn er nu ook de twee vondsten
ten Westen van de riftvallei bijgekomen.
Al deze vondsten van zeer vroege mensachtigen kunnen wij beschouwen als
“het grote experiment van de evolutie
met tweebenigheid”. Hiermede ontstond de familie van de mensachtigen.
15
MENS 52
Skeletresten van Ardipithecus ramidus kadabba
SYM P O S I U M
Dit dossier kwam tot stand
dankzij de steun van het
Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
en de
Universiteit Antwerpen.
Dierenwelzijn
is een werkwoord!
23 APRIL 2004
V L A A M S PA R L E M E N T
info op www.2mens.com
O•DEVIE 03 322 08 60
www.natuurwetenschappen.be
www.ua.ac.be