RTHD SE/HE/XE/HSE Watergekoelde koelmachines met

Commentaren

Transcriptie

RTHD SE/HE/XE/HSE Watergekoelde koelmachines met
Installatie
Bediening
Onderhoud
RTHD SE/HE/XE/HSE
Watergekoelde koelmachines
met helirotor-schroefcompressoren
500 - 1500 kW
RLC-SVX018A-NL
Oorspronkelijke instructies
Inhoudsopgave
Algemene informatie .......................................................................... 4
Mechanische installatie ..................................................................... 11
Elektrische installatie ........................................................................ 40
Mechanische werkingsprincipes ......................................................... 50
Unit opstarten ................................................................................. 58
Periodiek onderhoud ......................................................................... 63
Onderhoudsprocedures ..................................................................... 66
2
© Trane 2014
RLC-SVX018A-NL
RLC-SVX018A-NL
3
Algemeen
Voorwoord
Aflevering
Deze instructies zijn bedoeld als richtlijn voor de
installatie, het in werking stellen, de bediening en
het onderhoud door de gebruiker van Trane RTHD
koelmachines. Volledige onderhoudsprocedures die
nodig zijn om een goede werking te kunnen blijven
garanderen, zijn hierin echter niet opgenomen. Gebruik
de diensten van een gekwalificeerde servicetechnicus via
een onderhoudscontract met een erkend servicebedrijf.
Lees deze handleiding zorgvuldig voordat u de unit
opstart.
Controleer de unit bij de levering alvorens de
afleveringsbon te tekenen.
De units zijn samengesteld, onder druk getest,
ontvochtigd, gevuld en voor verzending aan een
praktijktest onderworpen.
Waarschuwingen en gevaarmeldingen
Waarschuwingen en Gevaarmeldingen kunnen
in betreffende paragrafen overal in deze
gebruikershandleiding voorkomen. Neem deze
waarschuwingen in acht om uw persoonlijke veiligheid
en een correcte werking van deze machine te
garanderen. De fabrikant sluit elke aansprakelijkheid uit
als het systeem door niet daartoe opgeleid personeel
wordt geïnstalleerd of onderhouden.
WAARSCHUWING: Geeft een mogelijk gevaarlijke situatie
aan die, indien deze niet wordt vermeden, ernstig letsel of
de dood tot gevolg kan hebben.
LET OP: Geeft een mogelijk gevaarlijke situatie aan die,
indien deze niet wordt vermeden, licht of matig letsel tot
gevolg kan hebben. Het kan ook worden gebruikt om te
waarschuwen tegen onveilige praktijken of ongelukken,
waarbij alleen schade aan apparatuur of gebouwen
ontstaat.
Veiligheidsvoorschriften
Om dodelijk of ander letsel of schade aan apparatuur
of gebouwen te vermijden moeten de volgende
aanbevelingen tijdens onderhouds- en servicebezoeken
in acht worden genomen:
1. De toelaatbare maximale drukwaarden voor de
lektests aan hoge- en lagedrukzijde staan vermeld in
het hoofdstuk“Installatie”. Maak altijd gebruik van een
drukregelaar.
Aflevering (alleen voor Frankrijk):
In het geval van zichtbare schade: de geadresseerde
(of zijn vertegenwoordiger ter plekke) moet alle
beschadigingen op de afleveringsbon specificeren
en dit duidelijk leesbaar van datum en handtekening
voorzien. De bestuurder van de truck moet de bon
eveneens ondertekenen. De geadresseerde (of zijn
vertegenwoordiger ter plekke) moet het Trane Epinal
Operations - Claims team informeren en een kopie van
het leveringsformulier naar het team sturen. De klant (of
zijn vertegenwoordiger ter plekke) moet binnen 3 dagen
na aflevering een aangetekende brief naar de laatste
vervoerder sturen.
Opmerking: Voor afleveringen in Frankrijk moet ten tijde
van de aflevering ook naar verborgen beschadiging
worden gezocht en dit moet onmiddellijk worden
behandeld als zichtbare beschadiging.
Aflevering in alle landen behalve Frankrijk:
In het geval van verborgen schade: de geadresseerde (of
zijn vertegenwoordiger ter plekke) moet binnen 7 dagen
na de aflevering een aangetekende brief naar de laatste
vervoerder sturen, waarin de beschreven beschadiging
wordt geclaimd. Een kopie van deze brief moet aan het
Trane Epinal Operations - Claims team worden gestuurd.
Garantie
De garantie is gebaseerd op de Algemene Voorwaarden
en Condities van de fabrikant. Deze garantie vervalt
wanneer de apparatuur wordt gerepareerd of gewijzigd
zonder schriftelijke toestemming van de fabrikant,
wanneer de bedrijfscondities worden overschreden of
wanneer het bedieningssysteem en/of de elektrische
bedrading worden aangepast. Deze garantie is niet
van toepassing op schade als gevolg van onjuist
gebruik, gebrekkig onderhoud of het niet naleven van
de voorschriften of aanbevelingen van de fabrikant.
Indien de gebruiker de richtlijnen in deze handleiding
niet opvolgt, kan de garantie komen te vervallen en is de
fabrikant niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen.
2. Onderbreek de hoofdvoeding naar de unit alvorens
onderhoud uit te voeren.
3. Alle servicewerkzaamheden aan het koelcircuit of aan
het elektrische circuit moeten worden uitgevoerd door
gekwalificeerd, ervaren personeel.
4
RLC-SVX018A-NL
Algemeen
Koudemiddel
Systeemcontrole
Het koudemiddel geleverd door de fabrikant voldoet
aan alle eisen voor onze units. Bij gebruik van
gerecycled of gereconditioneerd koudemiddel wordt
geadviseerd te controleren of dit kwalitatief minstens
even goed is als nieuw koelmiddel. Laat hiervoor een
laboratoriumanalyse uitvoeren. Wanneer dit niet wordt
gedaan, heeft de fabrikant het recht de garantie te
beëindigen.
Controleer bij levering of de juiste unit is geleverd,
met alle bijbehorende uitrustingsdelen.
Onderhoudscontract
Onderdelenlijst
Geadviseerd wordt om een onderhoudscontract met
uw lokale dealer af te sluiten. Dit contract voorziet in
regelmatig onderhoud van de installatie door een in ons
product gespecialiseerd bedrijf. Regelmatig onderhoud
zorgt ervoor dat een onjuiste werking wordt opgemerkt
en gecorrigeerd waardoor de mogelijkheid van ernstige
beschadiging wordt uitgesloten. Tenslotte zorgt
regelmatig onderhoud voor een maximale levensduur
van uw installatie. Wij willen u erop wijzen dat de
garantie komt te vervallen wanneer de instructies m.b.t.
de installatie en het onderhoud niet worden opgevolgd.
Vergelijk alle onderdelen met behulp van de
vrachtbrief. Stromingsschakelaar (optioneel),
waterkast-aftappluggen, isolatieblokken, hef- en
bedradingschema's en onderhoudshandleidingen vindt
u in het starterpaneel.
Opleiding
Om de installatie optimaal te laten werken en gedurende
een lange periode in perfecte staat te houden, kunt u
een speciale training voor deze installatie volgen. Het
doel van deze training is gebruikers en technici meer
kennis te geven over de installatie die zij gebruiken of
onder beheer hebben. Bij de training ligt de nadruk
op het belang van periodieke controles van de
bedrijfsparameters en preventief onderhoud waardoor
de exploitatiekosten van de unit worden verlaagd door
voorkoming van ernstige en kostbare storingen.
RLC-SVX018A-NL
De werking van de koelmachine is getest vóór transport.
De afvoerpluggen van de waterkasten zijn verwijderd
om te voorkomen dat water zich kan ophopen an
kan bevriezen in de buizen. Het is normaal dat er
roestkleurige vlekken zichtbaar zijn, maar deze moeten
bij ontvangst worden weggeveegd.
Beschrijving van de unit
RTHD units zijn watergekoelde vloeistofkoelers met
één roterende schroefcompressor (helirotor) voor
binnenopstelling. Iedere unit is een afgemonteerd
hermetisch geheel en werd in de fabriek voorzien van
de nodige leidingen en bedrading, getest op lekkage,
ontvochtigd, gevuld (koudemiddel R134a of stikstof) en
proefgedraaid. In afbeelding 1 en 2 is een RTHD-unit in
standaarduitvoering met onderdelen te zien. De waterinen uitlaatopeningen zijn voor verzending afgedekt.
De olietank wordt in de fabriek gevuld met de juiste
hoeveelheid koudemiddelolie wanneer de unit in de
fabriek wordt gevuld met koudemiddel R134a.
5
Algemeen
Afbeelding 1 - Locaties van de onderdelen van een standaard RTHD-unit
1 = Start/controlepaneel
8 = Wateruitlaat condensor
2 = Doorvoerplaat voedingskabel
voor bedrading door klant
9 = Waterinlaat condensor
3 = Tracer TD7-interface
11 = Waterinlaat verdamper
4 = Zuigleiding
12 = Gaspomp
5 = Olieafscheider
13 = Vloeistofpeilsensor
6 = Oliecarter
14 = Verdamper
7 = HP overdrukklep
(alleen met optionele
koudemiddelisolatieklep)
15 = Adaptieve frequentieaandrijving (alleen HSEuitvoering)
10 = Wateruitlaat verdamper
16 = Doorvoerplaat externe
besturingskabels voor
bedrading door klant
6
RLC-SVX018A-NL
Algemeen
Afbeelding 2 - Locaties van onderdelen van standaard RTHD-unit (achteraanzicht)
17 = Compressor
18 = Afvoerleiding
19 = Typeplaatje unit (aan zijkant
starter-/regelpaneel)
20 = EXV
21 = Oliecarter (olieverdeelsysteem
bevindt zich tussen condensor
en verdamper)
22 = Serviceklep (alleen
met optionele
koudemiddelisolatieklep)
23 = Condensor
24 = Manometers (optioneel)
25 = Filter warme olie
26 = 2-fasige schakelaar
hogedrukonderbreking
27 = Filter koude olie
RLC-SVX018A-NL
7
Algemeen
Overzicht van de installatie
• Lever en installeer aftapafsluiters op elke waterkast.
In tabel 1 worden de verantwoordelijkheden getoond
die samenhangen met de installatie van de RTHDkoelmachine.
• Lever en installeer, indien nodig, filters aan de voorzijde
van alle pompen en automatische modulatiekleppen.
• Lokaliseer de losse onderdelen en houd ze op die
plaats. De losse onderdelen bevinden zich in het
regelpaneel.
• Installeer de unit op een fundering met vlakke
steunvlakken, binnen 6 mm waterpas en sterk genoeg
voor een geconcentreerde belasting. Plaats de
meegeleverde trillingsdempers onder de unit.
• Installeer de unit volgens de instructies in de
"Mechanische Installatie" sectie.
• Maak alle waterpijpverbindingen en elektrische
aansluitingen af.
Opmerking: Lokale leidingen moeten worden
aangebracht en ondersteund zonder de unit te belasten.
Aangeraden wordt om minstens 1 m speling vrij te
laten tot reeds geïnstalleerde leidingen op de geplande
opstellingsplaats van de unit. Wanneer de unit wordt
geleverd, kan deze dan goed worden geïnstalleerd. Alle
eventuele afstellingen van de leidingen kunnen dan
worden uitgevoerd.
• Lever en installeer ontluchters op elke waterkast.
• Lever en installeer ontlastpijpen voor koudemiddel van
de veiligheidsklep naar de atmosfeer.
• Start de unit onder toezicht van een deskundige
onderhoudsmonteur.
• Lever en isoleer, indien nodig, de verdamper en andere
delen van de unit ter voorkoming van condensvorming
onder normale bedrijfsomstandigheden.
• Voor op de machine gemonteerde starters bevinden
zich openingen voor het aanbrengen van de bedrading
naar de faseaansluitingen aan de bovenzijde van het
paneel.
• Lever en installeer de draadaansluitingen naar de
starter.
• Lever en installeer de lokale bedrading naar de
faseaansluitingen van de starter.
• Indien aangegeven, lever en installeer afsluiters
aan de in- en uittreezijde van de waterkast om de
warmtewisselaars voor onderhoud af te sluiten en het
systeem uit te balanceren / af te stellen.
• Lever en installeer stroomschakelaars of gelijkwaardige
voorzieningen in zowel de gekoeld water als de
condenswater pijpen. Verbind de schakelaars met
de juiste pompstarter en Tracer UC800, zodat de unit
alleen kan functioneren als de waterstroom tot stand is
gebracht.
• Lever en installeer sokken voor thermometers en
manometers in de waterleidingen, bij de in- en
uitlaataansluitingen van de verdamper en de
condensor.
8
RLC-SVX018A-NL
Algemeen
Tabel 1 - Installatieverantwoordelijkheden
Benodigd
Door Trane geleverd
Door Trane geïnstalleerd
Door Trane geleverd
Lokaal geïnstalleerd
- Veiligheidskettingen
- Hefbalk
Hefmaterieel
Isolatie
Elektrische installatie
Lokaal geleverd
Lokaal geïnstalleerd
- Trillingsdempers
- Stroomonderbrekers
- AFD (Adaptieve frequentieaandrijving) op HSEuitvoering
Waterleidingen
- Stroomschakelaars (kan
lokaal geleverd worden)
- Harmonische filters
AHF005 op HSE-uitvoering
(optioneel)
- Stroomonderbrekers of
smeltzekering
- Startpaneel van klant
- BAS-bedrading
- Stuurstroomkabels
- Gekoeldwaterpomp
- Stroomschakelaars (kan
lokaal geleverd worden)
- Thermometers
- Waterdrukmanometers
- Isolatie- en balansafsluiters
waterpijpen
- Ontluchters en
aftapafsluiters
- Drukontlastafsluiters
voor waterkant
Overdrukbeveiliging
- Overdrukkleppen
- Afblaasleiding
Isolatie
- Isolatie (optie)
- Isolatie
RLC-SVX018A-NL
9
Algemeen
Algemene gegevens RTHD SE/HE/XE
Type unit
150 150 175 175 225 225 225 250 250 275 300 300 325 325 350 350 350 375 375 375 400 425
Versie
HE
XE
HE
XE
SE
HE
XE
SE
HE
XE
SE
HE
SE
XE
SE
HE
XE
SE
HE
XE
HE
XE
Compressor
B1
B1
B2
B2
C1
C1
C1
C2
C2
C2
D1
D1
D1
D2
D2
D2
D3
D3
D3
E3
E3
E3
Verdamper
B1
C1
B1
C1
D6
D5
D3
D6
D5
E1
D4
D3
G1
D1
F1
G2
D1
F1
G2
D2
F2
G3
Condensor
B1
D1
B1
D1
E5
E4
E3
E5
E4
F1
E4
E3
G1
E1
F2
G1
E1
F2
G2
E2
F3
G3
Totale
waterinhoud
verdamper
(l)
168 225 168 225 193 220 281 193 220 300 220 281 563 248 394 597 248 394 597 265 417 656
Totale
waterinhoud
condensor
(l)
106 125 106 125 132 148 181 132 148 235 148 181 321 167 224 321 167 224 370 178 240 400
Totaal olievolume
(1)
(l)
Vulling
koudemiddel
R134A
17
(kg)
17
17
17
23
23
23
23
23
38
23
23
42
23
38
42
23
38
42
23
38
42
182 217 182 217 217 217 217 217 217 233 211 211 311 211 278 311 211 278 311 211 278 319
Geluidsvermogen- (dB(A)) 98
niveau (5)
98
98
98
98
98
98
98
98
98
97
97
97
97
97
97
97
97
97
101 101 101
Afmetingen (2)
Hoogte
(mm) 1850 1850 1850 1850 1940 1940 1940 1940 1940 1940 1940 1940 2035 1940 1940 2040 1940 1940 2040 1940 1940 2040
Lengte
(mm) 3170 3640 3170 3640 3290 3290 3290 3290 3290 3670 3290 3290 3850 3290 3690 3850 3290 3690 3850 3290 3690 3850
Breedte
(mm) 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1600 1800 1600 1600 1800 1600 1600 1800 1600 1600 1800
Transportgewicht (3)
(kg)
4090 4410 4090 4410 5570 5670 5900 6300 5670 6300 5970 6150 6110 8070 6140 6940 8280 6250 6980 8420 7120 8690
Bedrijfsgewicht (3)
(4)
(kg)
4361 4756 4361 4756 5891 6030 6355 6833 6030 6833 6335 6612 6522 8951 6553 7558 9196 6655 7589 9384 7767 9741
Algemene gegevens RTHD HSE
Type unit
150
175
225
275
325
350
375
425
Versie
HSE
HSE
HSE
HSE
HSE
HSE
HSE
HSE
Compressor
B1
B2
C1
C2
D1
D2
D3
E3
Verdamper
C1
C1
D3
E1
G1
G2
G2
G3
Condensor
D1
D1
E3
F1
G1
G1
G2
G3
Totale waterinhoud verdamper
(l)
225
225
281
300
563
597
597
656
Totale waterinhoud condensor
(l)
125
125
181
235
321
321
370
400
Totaal olievolume (1)
(l)
18
18
27
42
46
46
46
46
Vulling koudemiddel R134A
(kg)
217
217
217
233
311
311
311
319
Geluidsvermogenniveau (5)
(dB(A))
98
98
98
98
97
97
97
101
Hoogte
(mm)
1850
1850
1970
1970
2040
2040
2040
2040
Lengte
(mm)
3640
3640
3290
3670
3850
3850
3850
3850
Breedte
(mm)
1690
1690
1810
1810
2000
2000
2000
2000
Transportgewicht (3)
(kg)
4520
4520
6080
6480
8260
8470
8610
8880
Bedrijfsgewicht (3) (4)
(kg)
4860
4860
6534
7012
9139
9384
9572
9929
Afmetingen (2) (6)
(1) Als een oliekoeler geïnstalleerd is, moet 1 liter olie bij de olievullingswaarde geteld worden voor de B reeks units en 4 liter voor alle
overige units.
(2) De totale afmetingen zijn gebaseerd op een verdamper met 3 doorgangen/condensor met 2 doorgangen en wateraansluitingen
links en rechts, met uitzondering van DGG/EGG: 4 doorgangen verd/2doorgangen cond. Raadpleeg de maatschetsen voor de exacte
configuratie van het werk
(3) Alle gewichten ±3% en inclusief zwaarste waterkasten.
(4) Bedrijfsgewicht inclusief koelmiddel-, olie- en watervulling
(5) Bij volle belasting en conform ISO 9614
(6) Zonder harmonisch filter
10
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Opslag
Trillingsdempers
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om de unit
minimaal een maand op te slaan vóór de installatie:
• Breng rubberen isolatiemoffen aan op alle
waterleidingen van de unit.
• Verwijder niet de beschermende afdekking van het
elektrische paneel.
• Breng flexibele leidingen aan voor de elektrische
aansluitingen van de unit.
• Sla de koelmachine op in een droge, trillingsvrije,
veilige ruimte.
• Zorg ervoor dat alle ophangbeugels geïsoleerd zijn en
niet op de hoofdbalken rusten, anders kunnen trillingen
in aangrenzende gebieden ontstaan.
• Sluit ten minste iedere drie maanden een
manometer aan en controleer handmatig de druk
in het koudemiddelcircuit. Roep de hulp in van
een deskundige onderhoudsmonteur en uw Trane
verkoopkantoor als de koudemiddeldruk onder 5 bar
komt bij 21°C (3 bar bij 10°C).
OPMERKING: De drukwaarde is ongeveer 1,0 bar als de
unit met de optionele stikstofvulling geleverd wordt.
Geluidstechnische aspecten
• Zie het Engineering Bulletin voor de toepassingen
inzake de geluidsproductie.
• Plaats de unit ver van geluidsgevoelige plaatsen.
• Installeer de isolatieplaatjes onder de unit.
Zie "Unit isoleren".
• Monteer rubberen trillingdempers op alle
waterleidingen.
• Gebruik flexibele elektrische leidingen voor de
aansluiting op de Tracer UC800.
• Dicht alle muurgaten af.
OPMERKING: Vraag in geval van twijfel advies aan een
geluidstechnicus.
Fundering
• Zorg ervoor dat de leidingen de unit niet extra belasten.
OPMERKING: Gebruik geen metaalgaasdempers op de
waterpijpen. Metaalgaasdempers werken niet op de
frequenties die de unit gebruikt.
Benodigde ruimte
Laat voldoende vrije ruimte rond de unit zodat alle
onderhoudspunten makkelijk te bereiken zijn voor
installatie en onderhoud. Voor de compressor wordt
een speling van minimaal 1 m aanbevolen voor het
onderhoud en om de deuren van het bedieningspaneel
te openen. Zie afbeelding 3 voor de minimale
speling voor onderhoud aan de condensor- of
verdamperleidingen. De lokale voorschriften gaan in
ieder geval vóór deze aanbevelingen. Roep de hulp in
van uw Trane verkoopkantoor als voor de opstelruimte
van de koelmachine afgeweken moet worden van deze
richtwaarden.
OPMERKING: De benodigde verticale speling boven de
unit is 1 m. Breng nooit leidingen of kabelgoten boven
de compressormotor aan.
OPMERKING: Dit zijn maximale spelingen. Afhankelijk
van de unitconfiguratie hebben sommige units minder
speling nodig dan anderen in dezelfde categorie.
Zorg voor stevige, niet-meegevende montageblokken
of een betonfundering die bestand is tegen het
bedrijfsgewicht (inclusief alle leidingen en de
bedrijfsvulling koudemiddel, olie en water).
Zie de Algemene gegevens voor het bedrijfsgewicht van
de unit.
De opgestelde koelmachine moet in de lengte en breedte
waterpas staan met een maximaal hoogteverschil van
6 mm.
Trane sluit elke aansprakelijkheid uit voor
bedrijfsstoringen te wijten aan een onjuist ontworpen of
gebouwde fundering.
RLC-SVX018A-NL
11
Mechanische installatie
Afbeelding 3 - Aanbevolen speling
1 = Vrije ruimte voor onderhoud
2 = Speling voor verwijderen leidingen
Ventilatie
Toegangsbeperkingen
De unit produceert warmte, ondanks de koeling van de
compressor door het koudemiddel. Neem de nodige
maatregelen om de door de unit voortgebrachte warmte
uit de opstelruimte af te voeren. Zorg voor voldoende
ventilatie om de omgevingstemperatuur beneden
50°C te houden. Ontlucht de verdamper, condensor en
compressoroverdrukkleppen overeenkomstig alle lokale
en nationale voorschriften. Zie "Overdrukkleppen".
Zorg ervoor dat de temperatuur in de ruimte waarin de
koelmachine is opgesteld, niet onder 10°C kan komen.
Deurspelingen voor de RTHD-units staan op bladzijden
19-29. Zie de maatschetsen van de unit voor de
specifieke informatie over de afmetingen.
Aftappen
Plaats de unit bij een afvoeropening die groot genoeg
is om de waterkast te laten leeglopen in geval van
reparatie of buitengebruikstelling van de unit. De
condensoren en verdampers zijn voorzien van
aftappunten. Zie "Waterleidingen". Neem alle lokale en
nationale voorschriften in acht.
12
Hijsvoorschrift
WAARSCHUWING
Zwaar materieel!
Gebruik altijd hijsapparatuur met een hogere capaciteit
dan het totaal op te hijsen gewicht met een voldoende
veiligheidsfactor (+10%). Volg de procedure en schema's
in deze handleiding en op de maatschets. Als dit niet
gebeurt, kan dit leiden tot persoonlijk of dodelijk letsel.
LET OP
Beschadiging aan de installatie!
Gebruik nooit een vorkheftruck om de unit op te heffen.
Het transportpalet is niet bedoeld om het gewicht van
de unit op één punt te dragen en het gebruik van de
vorkheftruck kan de unit beschadigen. Stel de hefbalk
altijd zodanig op dat de kabels de unit niet raken. De unit
kan anders beschadigd raken.
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
OPMERKING: De koelmachine kan, indien absoluut
noodzakelijk, over een glad oppervlak getrokken
of geduwd worden als deze met bouten op houten
transportsteunen bevestigd is.
5. Sluit een anti-rotatieband of -kabel los aan tussen de
hefbalk en de schroefkoppeling of het oog bovenop de
compressor. Gebruik een oogbout of lasthaak om de
band aan de koppeling of het oog te bevestigen.
WAARSCHUWING:
OPMERKING: De anti-rotatieband is geen hijsketting,
maar een veiligheidsvoorziening die ervoor zorgt dat de
unit niet kan kantelen tijdens het hijsen.
Transportsteunen!
De schroefgaten in de compressor mogen niet gebruikt
worden om de unit op te tillen. Hiervoor zijn ze niet
bedoeld. De (optionele) houten transportsteunen mogen
pas verwijderd worden als de unit op de juiste plaats
staat. Als de houten transportsteunen eerder verwijderd
worden, kan dit verwondingen, dodelijk letsel of schade
aan de apparatuur veroorzaken.
1. Verwijder de transportbouten waarmee de unit op
de houten transportsteunen (optioneel) bevestigd
is als de unit op de definitieve opstellingsplaats is
aangekomen.
2. Hef de unit horizontaal of krik de unit op (alternatieve
verplaatsingsmethode). Gebruik de punten
aangegeven op het hefschema dat bij de unit wordt
geleverd, zoals te zien in afbeelding 4. Verwijder de
transportsteunen.
Alternatieve verplaatsingsmethode
Als het niet mogelijk is van bovenaf te hijsen, zoals
te zien is in onderstaande afbeeldingen, mag de unit
worden verplaatst door deze aan elke kant voldoende
op te krikken om een verrijdbaar hefplateau onder de
warmtewisselaarsteunen te plaatsen. Maak de unit
stevig vast aan het verrijdbaar hefplateau en rol de unit
op zijn plaats.
WAARSCHUWING: Sluit een anti-rotatieband aan tussen
de hefbalk en de compressor voordat de unit opgehesen
wordt. Als dit niet gebeurt, kan dit leiden tot ernstig of
dodelijk letsel als een hijskabel breekt.
3. Breng lasthaken aan in de hijsogen op de unit.
Bevestig kettingen of kabels aan lasthaken (afbeelding
4). Elke kabel moet op zichzelf sterk genoeg zijn om de
koelmachine te hijsen.
4. Maak kabels vast aan de hefbalk. Zie het
meegeleverde hefschema en afbeelding 4 voor het
totale gewicht, de gewichtsverdeling en de vereiste
afmetingen van de hefbalk. Monteer de kruisbalken
van de hefbalk zo dat de hijskabels de leidingen of de
ombouw van het elektrische paneel niet raken.
RLC-SVX018A-NL
13
Mechanische installatie
Afbeelding 4.1 De RTHD SE/HE/XE hijsen
M16
CHAINE DE SECURITE
SICHERHEITSKETTE
SAFETY CHAIN
CAVO DI SICUREZZA
VEILIGHEIDSKABEL
CADENA DE SEGURIDAD
Z
A
0
5
Z
X
Y
B
0
C
2
4
1, 2, 3, 4 = Positioneringspunten elastomeren
trillingsdempers (zie Tabel 2.3 voor meer informatie).
3
1
5 = Hijsogen ø55 mm (x4)
D
6 = M16 inwendige schroefdraad
Tabel 2.1 Gewichten en de RTHD SE/HE/XE hijsen
Grootte en
uitvoering
150
HE
Afmetingen
(mm)
ZWAARTEPUNT
(mm)
Op te hijsen
gewicht
(kg)
A
B
C
(D)
X
Y
Z
B1 B1 B1
4090
703
890
2426
2671
1330
420
982
Configuratie
unit*
150
XE
B1 C1 D1
4410
703
890
2946
3133
1777
427
926
175
HE
B2 B1 B1
4090
703
890
2946
3133
1330
420
982
175
XE
B2C1D1
4410
703
890
2946
3133
1777
427
926
225
SE
C1 D6 E5
5570
776
974
2426
2671
1200
557
967
225
HE
C1 D5 E4
5670
776
974
2426
2671
1199
549
971
225
XE
C1 D3 E3
5900
776
974
2426
2671
1198
546
971
250
SE
C2 D6 E5
6300
776
974
2426
2671
1199
559
971
250
HE
C2 D5 E4
5670
776
974
2426
2671
1524
581
976
275
XE
C2 E1 F1
6300
776
974
2946
3136
1524
581
976
300
SE
D1 D4 E4
5970
776
974
2426
2671
1202
547
1008
300
HE
D1 D3 E3
6150
776
974
2426
2671
1202
541
1009
325
SE
D2 D1 E1
6110
776
974
2426
2671
1509
704
1039
325
XE
D3 D1 E1
8070
880
1057
3246
3136
1202
543
1009
350
SE
D2 F1 F2
6140
776
974
2426
2671
1593
594
1154
350
HE
D3 F1 F2
6940
776
966
2946
3136
1510
701
1043
350
XE
D1 G1 G1
8280
880
1057
3246
3136
1202
542
1010
375
SE
D2 G2 G1
6250
776
974
2426
2671
1593
593
1155
375
HE
D3 G2 G2
6980
776
966
2946
3136
1509
712
1040
375
XE
E3 D2 E2
8420
880
1057
3246
3136
1360
559
803
400
HE
E3 F2 F3
7120
776
966
2426
3136
1585
565
975
425
XE
E3 G3 G3
8690
880
1057
3246
3136
1600
721
940
*Benaming komt overeen met karakter 6, 7, 14, 15, 21, 22 van het modelnummer
14
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Afbeelding 4.2 De RTHD HSE hijsen
CHAINE DE SECURITE
SICHERHEITSKETTE
SAFETY CHAIN
CAVO DI SICUREZZA
VEILIGHEIDSKABEL
CADENA DE SEGURIDAD
M16
Z
A
5
Z
X
0
Y
C
2
B
0
4
1, 2, 3, 4 = Positioneringspunten elastomeren
trillingsdempers (zie Tabel 2.3 voor meer informatie).
5 = Hijsogen ø55 mm (x4)
6 = M16 inwendige schroefdraad
1
3
D
Tabel 2.2 Gewichten en de RTHD HSE hijsen
Grootte en
uitvoering unit
Op te hijsen
gewicht
(kg)
Afmetingen
(mm)
ZWAARTEPUNT
(mm)
A
B
C
D
X
Y
Z
150
HSE
4372
703
890
2946
3133
1801
413
933
175
HSE
4372
703
890
2946
3133
1801
413
933
225
HSE
5868
776
974
2426
2671
1232
536
979
275
HSE
6236
776
974
2946
3136
1559
562
988
325
HSE
7960
880
1057
3246
3136
1538
686
1045
350
HSE
8170
880
1057
3246
3136
1537
684
1049
375
HSE
8300
880
1057
3246
3136
1536
694
1049
425
HSE
8549
880
1057
3246
3136
1624
704
951
RLC-SVX018A-NL
15
Mechanische installatie
Trillingsdempers
6. De meegeleverde (standaard) elastomeren dempers
zijn geschikt voor de meeste installaties. Raadpleeg
een geluidstechnicus voor gevoelige installaties voor
meer informatie over trillingsdemping. In het geval
van de HSE-uitvoering is het mogelijk dat sommige
trillingsfrequenties kunnen worden overgedragen op
de funderingen. Dit is afhankelijk van de structuur van
het gebouw. Geadviseerd wordt om in een dergelijk
geval gebruik te maken van neoprenen dempers in
plaats van elastomeren dempers.
7. Plaats de trillingsdempers onder de
warmtewisselaarsteunen van verdamper en
condensor (afbeelding 5) op de definitieve
opstellingsplaats van de unit. Zet de unit waterpas.
8. De unit wordt geleverd met 5 vulplaatjes (3 voor de B
reeks) op de compressorsteun die de trillingsdempers
van de compressor beschermen tijdens transport en
installatie. Verwijder deze vulplaatjes (afbeelding 6 en
7) voordat de unit bediend wordt.
9. Verwijder de transportsteunen van de onderkant van
de olieafscheider(s) (afbeelding 7).
Afbeelding 5
8mm
OPMERKING: Als de transportsteun(en) verwijderd
is (zijn), wordt de olieafscheider alleen ondersteund
door de afvoerleiding.
Afbeelding 6
Afbeelding 7
1= Te verwijderen vulplaatje
1 = Te verwijderen transportsteun
16
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Tabel 2.3 Elastomeren trillingsdempers en hun positie
Punt 1
Punt 2
Punt 3
Punt 4
Type unit
Isolator
450*150
Isolator
225*150
Isolator
450*150
Isolator
225*150
Isolator
450*150
Isolator
225*150
Isolator
450*150
Isolator
225*150
RTHD 150 HE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 150 XE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 175 HE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 175 XE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 225 XE
1
1
1
1
1
0
1
0
RTHD 225 HE
1
1
1
1
1
0
1
0
RTHD 225 SE
1
1
1
1
1
0
1
0
RTHD 250 HE
1
1
1
1
1
0
1
0
RTHD 250 SE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 275 XE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 300 HE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 300 SE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 325 XE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 325 SE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 350 HE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 350 XE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 350 SE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 375 HE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 375 XE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 375 SE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 400 HE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 425 XE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 150 HSE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 175 HSE
1
0
1
0
1
0
1
0
RTHD 225 HSE
1
1
1
1
1
0
1
0
RTHD 275 HSE
1
1
1
0
1
1
1
0
RTHD 325 HSE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 350 HSE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 375 HSE
2
0
1
1
2
0
1
1
RTHD 425 HSE
2
0
1
1
2
0
1
1
RLC-SVX018A-NL
17
Mechanische installatie
De unit waterpas zetten
Waterleidingen
OPMERKING: De 'voorzijde' van de unit is de zijde waar
het bedieningspaneel zich bevindt.
Waterleidingaansluitingen
1. Controleer of de unit over de volle lengte waterpas
staat met behulp van een waterpas boven op de
verdampermantel.
2. Als er door het op de machine gemonteerde
starterpaneel onvoldoende ruimte is boven de
verdampermantel, moet een magnetisch waterpas
aan de onderkant van de verdampermantel bevestigd
worden om de unit waterpas te zetten. De unit moet
over de volle lengte waterpas staan met een maximaal
hoogteverschil van 6 mm.
3. Plaats het waterpas op de warmtewisselaarsteun van
de verdampermantel om te controleren of de unit in
de lengte en in de breedte waterpas staat. De unit mag
waterpas staan met een maximaal hoogteverschil van
6 mm. OPMERKING: De verdamper MOET waterpas
staan voor een optimale warmte-overdracht en
prestatie van de unit.
4. Plaats, indien nodig, vulringen om de unit waterpas te
zetten.
Maak bij gebruik van een zuurhoudend spoelmiddel een
omloopleiding rond de unit om de onderdelen niet te
beschadigen.
Maak waterleidingaansluitingen naar de verdamper en
de condensor. Isoleer en ondersteun de waterleidingen
om de unit niet te belasten. Plaats de leidingen volgens
lokale en nationale voorschriften. Isoleer en spoel de
pijpen door alvorens ze op de unit aan te sluiten.
Sluit alle waterleidingen aan door middel van
leidingverbindingen (zie afbeelding 8). Op de
maatschetsen van de unit zijn de maten en locaties
van de inlaat/uitlaat van verdamper en condensor te
zien. De benaming in de tabellen komt overeen met de
framecode van de compressor, gevolgd door de code
van de verdampermantel, gevolgd door de code van de
condensormantel.
Waterkasten omkeren
Alle waterkasten kunnen volledig worden omgekeerd.
Draai de waterkasten niet. Verwijder de sensoren uit de
hulzen voordat de waterkast verwijderd wordt. Verwissel
de waterkasten en vervang de sensoren. Als de
waterkasten zijn omgekeerd, moeten de sensoren correct
op de bus bedraad worden.
Opmerking: Zet de waterkasten met de juiste zijde naar
boven, zodat de keerschotten in de correcte richting
staan. Gebruik nieuwe o-ringen.
Afbeelding 8 - Afmeting van pijpstomp voor verbinding
18
ØD
A ± 0,8
B± 0,8
C + 0-0,7
E MINI
F
168,3 (6")
15,87
9,52
164
5,56
2,15
219,1 (8")
19,05
11,11
214,4
6,04
2,34
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 150 HE
RTHD 175 HE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
168
213
726
352
163
123
203
203
334
588
21 bar
183
418
711
367
183
148
283
358
348
575
19
Mechanische installatie
RTHD 150 XE
RTHD 175 XE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
20
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
168
213
726
352
163
123
203
203
334
588
21 bar
183
418
711
367
183
148
283
358
348
575
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 225 SE / RTHD 225 HE / RTHD 225 XE
RTHD 250 SE / RTHD 250 HE / RTHD 300 SE
RTHD 300 HE / RTHD 325 SE / RTHD 350 SE
RTHD 375 SE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
201
230
766
378
181
150
199
199
359
657
21 bar
183
418
750
395
183
178
323
398
373
643
21
Mechanische installatie
RTHD 275 XE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
22
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
201
230
766
378
181
150
199
199
359
657
21 bar
183
418
750
395
183
178
323
398
373
643
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 350 HE
RTHD 375 HE
RTHD 400 HE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
218
238
720
288
189
150
199
199
359
657
21 bar
228
458
708
299
228
178
323
398
373
643
23
Mechanische installatie
RTHD 325 XE
RTHD 350 XE
RTHD 375 XE
RTHD 425 XE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1 = Verdamper
2 = Condensor
Links
Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
24
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
10 bar
238
276
860
289
235
184
232
378
734
21 bar
248
458
854
295
248
188
323
375
736
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 150 HSE
RTHD 175 HSE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
915
873
(7)
(6)
(3)
268
(24)
(5)
B
(4)
F
1850
1835
E
(2)
(1)
97
(15)
(20)
50
(21)
1527 B
1690
(13)
3010 A
201
225
(21)
(23)
F
E
468
664
3203 A
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
168
213
726
352
163
123
203
203
334
588
21 bar
183
418
711
367
183
148
283
358
348
575
25
Mechanische installatie
RTHD 225 HSE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1092
1051
(6)
271
318
(24)
(5)
(4)
1970
E
F
1938
(2)
(1)
(20)
50
(15) 76
1575 B
1810
(21)
225
(13)
2490 A
(21)
189
(23)
F
E
468
664
2741 A
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
26
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
201
230
766
378
181
150
199
199
359
657
21 bar
183
418
750
395
183
178
323
398
373
643
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 275 HSE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
(7)
(3)
1092
1051
(6)
(5)
267
141
(24)
F
E
(4)
(2) 1938
1970
(1)
50
(15)
(21)
(20)
76
1575 B
1810
225
(13)
3206 A
3010 A
74
(21)
(23)
F
E
664
468
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
10 bar
201
230
766
378
181
150
199
199
359
657
21 bar
183
418
750
395
183
178
323
398
373
643
27
Mechanische installatie
RTHD 325 HSE
RTHD 350 HSE
RTHD 375 HSE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
1057
(3)
(7)
1015
(6)
(5)
(24)
270
127
(4)
2040
E
F
2034
(2)
(1)
(15)
50
55
(20)
1797 B
(21)
2000
(13)
3310 A
(21)
88
225
(23)
F
E
664
468
3206 A
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
28
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
10 bar
238
276
860
289
235
184
232
378
734
21 bar
248
458
854
295
248
188
323
375
736
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
RTHD 425 HSE
Opmerking: Configuratie voor aansluitingen is links of rechts beschikbaar.
987
(3)
127
946
(24)
(6)
271
(5)
(4)
2040
(2)
F
2034
E
(1)
(15)
50
(20)
55
(21)
1797 B
2000
(13)
225
3310
A
(21)
88
(23)
E
F
458
664
3206 A
Verdamper 4 doorgangen
(optie) Rechts
Verdamper 3 doorgangen
(standaard) Rechts
Verdamper 2 doorgangen
(optie) Rechts
Condensor 2 doorgangen
(standaard) Rechts
RLC-SVX018A-NL
WATERKASTTYPE
A
B
C
D
E
F
G
H
J
10 bar
238
276
860
289
235
184
232
378
734
21 bar
248
458
854
295
248
188
323
375
736
29
30
B1
B1
Verdamper
Condensor
(mm)
(mm)
4 doorgangen
6 doorgangen
2 doorgangen
Nom. afmeting connector
Manteldiameter
(mm)
(mm)
(mm)
3 doorgangen
Condensor
(mm)
2 doorgangen
Nom. afmeting connector
Manteldiameter
150
476
/
100
150
200
584
B1
Compressor
(mm)
HE
Versie
Verdamper
150
Type unit
150
476
/
100
150
200
584
D1
C1
B1
XE/HSE
150
150
476
/
100
150
200
584
B1
B1
B2
HE
175
150
476
/
100
150
200
584
D1
C1
B2
XE/HSE
175
Tabel 3 - Gegevens verdamper en condensor
200
558
/
150
200
200
673
E5
D6
C1
SE
225
200
558
/
150
200
200
673
E4
D5
C1
HE
225
225
200
558
/
150
200
200
673
E3
D3
C1
XE/HSE
200
558
/
150
200
200
673
E5
D6
C2
SE
250
200
558
/
150
200
200
673
E4
D5
C2
HE
250
275
200
558
/
150
200
200
673
F1
E1
C2
XE/HSE
200
558
/
150
200
200
673
E4
D4
D1
SE
300
200
558
/
150
200
200
673
E3
D3
D1
HE
300
200
654
150
200
250
/
851
G1
G1
D1
SE
325
325
200
558
/
150
200
200
673
E1
D1
D2
XE/HSE
200
558
/
150
200
250
737
F2
F1
D2
SE
350
200
654
150
200
250
/
851
G1
G2
D2
HE
350
350
200
558
/
150
200
200
673
E1
D1
D3
XE/HSE
200
558
/
150
200
250
737
F2
F1
D3
SE
375
200
654
150
200
250
/
851
G2
G2
D3
HE
375
375
200
558
/
150
200
200
673
E2
D2
E3
XE/HSE
200
558
/
150
200
250
737
F3
F2
E3
HE
400
425
200
654
150
200
250
/
851
G3
G3
E3
XE/HSE
Mechanische installatie
RLC-SVX018A-NL
RLC-SVX018A-NL
3
D3
31
23
3
4
2
3
4
3
4
6
3
4
6
3
4
6
F1
F2
F2
F2
G1
G1
G1
G2
G2
G2
G3
G3
G3
24
36
47
21
32
42
20
29
39
46
22
29
43
18
23
F1
3
E1
35
12
4
2
E1
2
4
D6
15
F1
3
D6
23
14
18
27
14
18
27
19
25
37
18
23
35
16
21
32
25
10
E1
4
2
D5
D6
3
D5
D5
4
2
D4
3
2
D3
D4
4
D2
4
3
D2
2
2
D2
D4
4
D1
D3
3
D1
13
4
2
3
C1
C1
2
C1
D1
17
4
B1
13
3
B1
19
2
B1
86
129
172
76
114
152
70
105
140
84
112
168
78
104
156
62
83
124
40
54
81
48
64
97
48
64
97
67
89
134
62
83
124
57
76
114
44
59
88
34
46
69
Verd. Door- Min. Max.
gangen
17
10
28
12
21
21
28
37
15
15
28
24
48
20
36
15
36
15
18
22
25
48
20
62
26
8
20
30
37
43
22
25
36
16
72
30
10
55
23
55
23
28
12
33
14
38
16
71
30
9
92
39
13
25
69
23
91
30
40
53
17
65
29
10
78
34
13
89
39
15
42
52
60
19
31
35
15
50
22
66
21
81
36
13
96
42
16
54
17
66
21
55
18
70
23
56
69
22
79
25
41
23
46
20
66
29
10
58
23
69
27
71
28
56
20
105
34
80
26
80
25
98
43
16
60
22
41
18
65
34
73
32
10
49
22
79
41
11
89
39
13
69
26
82
33
94
37
54
71
65
66
24
40
95
30
95
30
77
28
47
112
35
112
35
54
18
62
21
71
23
88
28
58
26
94
48
13
43
19
42
71
53
53
89
34
63
18
51
23
89
29
71
24
80
27
72
21
81
24
68
30
79
35
90
40
41
18
47
80
60
60
90
27
90
30
60
26
69
31
79
35
48
21
56
25
64
28
51
37
58
74
74
41
64
82
81
52
66
74
95
45
71
57
72
81
33
37
40
44
57
63
70
76
83
100 110 121 132 144
30
49
77
62
79
89
89
40
73
32
50
55
61
67
73
79
82
36
91
41
50
54
59
65
70
86
98
52
58
91
73
94
60
67
85
65
72
92
69
78
74
83
76
93
79
88
84
94
81
87
93
89
100
95
100 106 113 120 127
100 107 115 122 130 139
106 114 123 131 140
56
63
99
79
102
101 111 122 133 145 157 170 183
45
100 112 124 136 150 163 178
45
91
48
54
84
68
87
97
100 105 110 115 120 125 130 135 140 145 150 155 160
101 112 123 136
34
53
67
66
47
60
67
90
102 115 128 142 156 171 187
46
42
107 127 149 172 197 223 251 280
35
15
38
54
60
88
85
100 112
110 127 146 166 186
55
16
48
106 119
43
54
78
80
102 115 130
37
62
47
47
79
30
94
38
109 132 156 183 212 242 275
35
15
48
70
75
108 122
42
62
70
105 123 143 163 185
46
15
89
32
55
41
41
116 136 158
51
19
104 126 149 175
46
16
60
24
117 139 164
51
20
81
32
47
62
60
101 125 151 179 210 243 278
33
14
53
28
59
26
84
37
13
87
28
102 130 161
42
13
40
53
55
104 123
34
44
50
Waterstroomsnelheden (l/s) voor water alleen
111 134 160
48
19
86
28
113
37
45
101 129 161
42
13
51
22
61
26
10
70
31
12
131 168
55
18
72
23
35
100 133 170
42
13
77
32
10
76
32
10
39
17
46
20
53
23
99
41
13
129
55
18
30
Tabel 4 - Drukdaling verdamperwater (kPa)
Mechanische installatie
31
32
27
30
2
2
2
2
2
F3
G1
G2
G3
45
41
34
29
16
19
F2
2
E4
25
2
2
E3
24
22
2
2
E2
F1
2
E1
15
15
E5
2
2
B1
D1
163
148
123
106
97
104
57
67
89
87
80
53
53
Cond. Door- Min. Max.
gangen
10
11
10
15
15
11
19
16
20
22
17
10
10
12
28
24
25
12
14
12
31
23
13
15
17
39
34
30
13
16
18
16
40
31
18
19
22
52
44
35
Tabel 5 - Drukdaling condensorwater (kPa)
17
20
23
20
51
39
22
24
28
66
56
40
13
16
21
25
29
25
63
48
28
30
34
81
70
45
16
19
25
31
35
30
77
58
33
36
41
98
85
50
19
22
30
36
41
36
91
69
40
43
49
55
23
26
35
42
48
42
81
46
50
57
60
26
30
40
49
56
49
94
53
58
66
65
30
34
46
56
64
55
61
66
76
70
34
39
52
63
72
63
69
75
86
75
38
44
58
71
81
70
78
84
97
80
42
49
65
79
90
79
87
94
85
96
95
47
54
72
88
51
59
79
97
100 111
87
90
Waterstroomsnelheden (l/s) voor water alleen
56
65
87
62
71
95
106 116
106
67
77
73
84
78
90
103 112 121
85
97
91
97
104 111 118 125 133
105 112 120 128
100 105 110 115 120 125 130 135 140 145 150 155 160
Mechanische installatie
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Ontluchters en aftappluggen
Monteer pluggen in de aftap- en
ontluchtingsaansluitingen van de waterkast van
verdamper en condensor voordat de watersystemen
gevuld worden. Verwijder de ontluchters en
aftappluggen; plaats een NPT-koppelstuk in de
aftapaansluiting en verbind deze met een slang.
Onderdelen verdamperleidingen
Opmerking: Zorg ervoor dat alle onderdelen tussen
afsluiters zitten, zodat de watertoevoer naar de
condensor en de verdamper kan worden afgesloten.
Onder "leidingonderdelen" vallen alle apparatuur en
regelaars die het watersysteem en de unit optimaal
en veilig laten functioneren. Deze onderdelen en hun
ligging zijn hieronder te zien.
Onderdelen condensorleidingen
Onder "leidingonderdelen" vallen alle apparatuur en
regelaars die het watersysteem en de unit optimaal
en veilig laten functioneren. Deze onderdelen en hun
ligging zijn hieronder te zien.
Condensorwaterinlaatleidingen
• Ontluchters (om het systeem te ontluchten)
• Waterdrukmeters met afsluiters
• Leidingkoppelingen
• Trillingsdempers (rubberen isolatiemoffen)
• Afsluitkleppen (isolatiekleppen)
• Eén voor elke doorgang
• Thermometers
• Ontstoppings-T-stukken
• Leidingfilter
Gekoeldwaterinlaatleidingen
• Stroomschakelaar
• Ontluchters (om het systeem te ontluchten)
Condensorwateruitlaatleidingen
• Waterdrukmeters met afsluiters
• Ontluchters (om het systeem te ontluchten)
• Leidingkoppelingen
• Waterdrukmeters met afsluiters
• Trillingsdempers (rubberen isolatiemoffen)
• Leidingkoppelingen
• Afsluitkleppen (isolatiekleppen)
• Trillingsdempers (rubberen isolatiemoffen)
• Thermometers
• Afsluitklep (isolatieklep)
• Ontstoppings-T-stukken
• Eén voor elke doorgang
• Leidingfilter
• Thermometers
• Ontstoppings-T-stukken
Gekoeldwateruitlaatleidingen
• Hoeveelheidsregelklep
• Ontluchters (om het systeem te ontluchten)
• Overdrukklep
• Waterdrukmeters met afsluiters
De maximale waterdruk voor standaard waterkasten van
10 bar mag niet overschreden worden om schade aan de
condensor te voorkomen.
• Leidingkoppelingen
• Trillingsdempers (rubberen isolatiemoffen)
• Afsluitkleppen (isolatiekleppen)
• Thermometers
• Ontstoppings-T-stukken
• Hoeveelheidsregelklep
De maximale druk voor hogedrukwaterkasten bedraagt
21 bar. Zie de orderbevestiging.
Installeer een filter in de condensorwaterinlaatleiding om
schade aan de leidingen te voorkomen.
• Overdrukklep
De maximale verdamperwaterdruk voor
standaardwaterkasten van 10 bar mag niet overschreden
worden om schade aan de verdamper te voorkomen.
De maximale druk voor hogedrukwaterkasten bedraagt
21 bar. Zie de orderbevestiging.
Installeer een filter in de verdamperwaterinlaatleiding om
schade aan de leidingen te voorkomen.
RLC-SVX018A-NL
33
Mechanische installatie
Condensorwatertemperaturen
Condensorwaterregeling
Bij de RTHD-koelmachine is een regelmethode voor het
condensorwater nodig als de unit start bij intredend
watertemperaturen onder 13°C of tussen 7 en 13°C; als
een temperatuurtoename van 0,6°C per minuut tot aan
13°C niet mogelijk is.
De opvoerdrukregeloptie van de condensor levert
een 0-10 Vdc (maximaal bereik - een kleiner
bereik is af te stellen) uitgangsinterface naar het
condenswaterstroomapparaat van de klant. Met deze
optie kan de Tracer UC800, indien nodig, een signaal
versturen voor het openen en sluiten van een 2-weg of
3-weg klep om de verschildruk van de koelmachine te
handhaven.
Als opstarttemperaturen onder de voorgeschreven
minimale waarden nodig zijn voor een applicatie, zijn
er een aantal opties. Trane biedt een optionele regeling
voor condensorregelkleppen voor de Tracer UC800
regelaars om een 2- of 3-weg klep aan te sturen.
De uittredetemperatuur van het condensorwater moet
binnen 2 minuten na het opstarten 9°C hoger zijn dan de
uittredetemperatuur van het verdamperwater. Daarna
moet het verschil altijd minimaal 14°C zijn.
Trane Series R koelmachines starten en werken
correct en betrouwbaar onder diverse belastingen
met een geregelde temperatuur van het
intredend condensorwater. Het verlagen van de
condensorwatertemperatuur is een effectieve methode
om het opgenomen vermogen van de koelmachine
te verlagen, maar de ideale temperatuur voor het
optimaliseren van het totale stroomverbruik van het
systeem is afhankelijk van de totale dynamica van
het systeem. Systeemtechnisch kunnen sommige
verbeteringen van het prestatievermogen van
het systeem bereikt worden door de verbeterde
koeltorenventilator en pompkosten om lagere
koeltemperaturen te bereiken.
Neem contact op met uw plaatselijke Trane kantoor
voor meer informatie over het optimaliseren van de
systeemprestaties.
Het minimaal toegestane koudemiddeldrukverschil
tussen condensor en verdamper bedraagt 1,7 bar. Het
besturingssysteem van de koelmachine zal proberen
om dit verschil te bereiken en te handhaven bij het
opstarten, maar bij continu gebruik moet het systeem
een verschil van 14°C handhaven tussen de temperatuur
van het uittredend verdamperwater en de temperatuur
van het uittredend condensorwater.
Men kan andere methodes dan hier vermeld toepassen
om dezelfde resultaten te bereiken. Neem contact op met
uw lokale Trane vestiging voor meer informatie.
Neem contact op met de fabrikant van de koeltoren over
compatibiliteit met de variabele waterstroom.
Smoorklep (afbeelding 9)
Bij deze methode worden de condensatiedruk en
-temperatuur gehandhaafd door de waterstroom die
de condensor verlaat te smoren, als reactie op de
condensordruk of de verschildrukken van het systeem.
Voordelen:
• Goede regeling met juiste kleptypes met relatief lage
kosten.
• De pompkosten kunnen worden verlaagd.
Nadelen:
• Snellere vervuiling door lagere
condensorwatersnelheid.
• Er zijn pompen nodig voor een variabele stroom.
Afbeelding 9
3
4
1
2B
CDS
7
4
LET OP! Bij toepassingen met een lage uittredende
watertemperatuur, kan de condensorleiding bevriezen als
geen glycol wordt gebruikt aan condensorkant.
34
5A
6
EVP
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Bypass koelmachine (afbeelding 10)
Condensorwaterpomp met variabele frequentie-aandrijving
(afbeelding 11)
De bypass van de koeltoren is ook een geldige
regelmethode als de temperatuureisen van de
koelmachine kunnen worden gehandhaafd.
Voordelen:
• De pompkosten kunnen worden verlaagd.
Voordeel:
• Goede temperatuurregeling koelapparaat.
• Uitstekende regeling door handhaving van een
constante waterstroom door de condensor.
• Relatief lage opstartkosten.
Nadeel:
Nadeel:
• Hogere kosten door de benodigde pomp voor elke
koelmachine als de condensordruk het regelsignaal is.
• Snellere vervuiling door lagere
condensorwatersnelheid.
Afbeelding 11
Afbeelding 10
3
1
CDS
7
4
2A
5B
CDS
7
4
4
8
5A
6
EVP
EVP
1 = Elektrische of pneumatische klepactuator
2A = 3-weg klep of 2 vlinderkleppen
2B = 2 vlinderkleppen
3 = RTHD-regelaar
4 = Drukleiding koudemiddel
5A = Condensor waterpomp
5B = Condensor waterpomp met VFD
6 = Naar/van koelbelasting
7 = Naar/van koeltoren
8 = Elektrische regelaar
RLC-SVX018A-NL
35
Mechanische installatie
Afstelling condensorwaterregelklep
Waterbehandeling
Een apart tabblad van het instellingenmenu
"Condensorkopdrukregeling - instellen" dat alleen
zichtbaar is als de configuratie geselecteerd is, bevat de
volgende instellingen en handmatige overbruggingen
voor gebruikersinstellingen en inbedrijfstelling:
WAARSCHUWING: Gebruik geen onbehandeld of onjuist
behandeld water. Het gebruik van onbehandeld of onjuist
behandeld water kan leiden tot schade aan de unit.
• "Uit Status "Uitgangscommando (0-10 Vdc, in stappen
van 0,1 V, standaard 2,0 Vdc)
Het gebruik van onjuist behandeld of onbehandeld
water in deze unit kan leiden tot aanslagvorming, erosie,
corrosie, algen- of drabvorming. Roep de hulp in van
een erkend waterbehandelingsspecialist om te bepalen
welke behandeling eventueel noodzakelijk is. Trane sluit
elke aansprakelijkheid voor beschadiging van apparatuur
door corrosie, erosie of verwering uit. Trane sluit elke
aansprakelijkheid voor schade uit als de unit wordt
gebruikt met onbehandeld of onjuist behandeld water of
met zout of brak water.
• Uitgangsspanning @gewenste minimale stroming
(instelb.: 0 tot 10,0 in stappen van 0,1 V, standaard
2,0 Vdc)
• Gewenste minimale stroom (instelb.: 0-100%
doorstroom in intervallen van 1%, standaard 20 %)
• Uitgangsspanning @gewenste maximale stroming
(instelb.: 0 tot 10,0 in stappen van 0,1 V (of minder),
standaard 10 Vdc)
• Aandrijfslagtijd (tijd min. tot max. bereik) (instelb.
1 tot 1000 seconden, in stappen van 1 seconde,
standaard 30 s)
• Dempingscoëfficiënt (instelb.: 0,1 tot 1,8 in stappen
van 0,1, standaard 0,5)
• Persdrukregeling onderdrukking (aanwezigheid van:
uitgeschakeld (auto),"off" status, minimum, maximum
(100%),) standaard: uitgeschakeld (auto). Als deze
instelling op "uitgeschakeld (auto)" staat
• Tijd voor draaien condensorwaterpomp
WAARSCHUWING: Bij gekoeldwatertoepassingen
met lage temperaturen kan de condensor bevriezen
bij stroomuitval. Voor gekoeldwatertoepassingen
met lage temperaturen wordt aangeraden om
vorstbeveiligingsmaatregelen te treffen.
36
Op elke RTHD unit is een aansprakelijkheidsbeperkend
label met de volgende tekst aangebracht:
Watermanometers en thermometers
Installeer ter plaatse geleverde thermometers en
manometers (met verdeelstukken telkens wanneer dit
praktisch is) als weergegeven in afbeelding 12. Breng
manometers of pluggen aan in een recht stuk buis;
vermijd plaatsing vlakbij ellebogen etc. Zorg ervoor dat
de meters op elk mantel op dezelfde hoogte worden
geïnstalleerd indien de mantels wateraansluitingen
aan tegenovergestelde einden hebben. Draai de ene
afsluiter open en de andere dicht om de inlaatdruk van
manometers af te lezen (afhankelijk van de gewenste
aflezing). Hiermee worden afleesfouten voorkomen
door verschillend geijkte manometers op verschillende
hoogtes. Raadpleeg het Technisch Bulletin van Trane
over de geluidsproductie van Serie R-koelmachines
en de Installatiegids voor meer informatie over
geluidstechnische aspecten.
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Afbeelding 12
1 = Waterstroom verdamper
2 = Isolatiekleppen
3 = Afsluitkleppen
4 = Verdeelstuk
5 = Stroomschakelaar
6 = Condensorwaterstroom
7 = Drukverschilmeter
8 = Thermometers
9 = Overdrukklep
RLC-SVX018A-NL
37
Mechanische installatie
Veiligheidsventielen waterdruk
Monteer een wateroverdrukklep in de verdamper- en
condensorwatersystemen. Als dit niet gebeurt, kan de
mantel beschadigd raken.
Monteer een wateroverdrukklep in een van de
aftapaansluitingen van de gekoeld- en koelwaterkast,
of aan de leidingzijde van een afsluiter. Watervaten
met kortgekoppelde afsluitkleppen hebben een hoog
potentiaal voor hydrostatische drukopbouw bij stijgende
watertemperatuur. Zie de betreffende richtlijnen voor het
monteren van overdrukkleppen.
Stroomdetectoren
Monteer lokaal geleverde stroomschakelaars of
verschildrukschakelaars met pompbeveiliging om
de waterstroom van het systeem te detecteren.
De montagepunten van de stroomschakelaars zijn
schematisch weergegeven in afbeelding 12.
Bescherm de koelmachine door stroomschakelaars
in serie te plaatsen en aan te sluiten op de
waterpompbeveiliging zowel voor het gekoeldwater- als
het condensorwatercircuit (zie verderop in het hoofdstuk
"Elektrische installatie". Speciale aansluitbenodigdheden
en bedradingschema's worden bij de unit geleverd.
Stroomschakelaars stoppen de compressor of
verhinderen dat deze aanloopt bij scherp dalende
waterstroming. Selecteer en monteer deze schakelaars
volgende fabrieksvoorschrift. Hier volgen algemene
richtlijnen voor het monteren van de stroomschakelaars.
Opmerking: De Tracer UC800 zorgt voor een
vertragingstijd van 6 seconden op de ingang van de
stroomschakelaar voordat hij de unit op basis van een
verlies-van-waterstroom diagnostiek uitschakelt. Neem
contact op met een deskundige onderhoudsmonteur als
de koelmachine steeds wordt uitgeschakeld. Regel de
schakelaar zo dat deze open gaat als de waterstroom
onder de nominale waarde daalt. Zie de tabel Algemene
gegevens voor de minimale stromingseisen van
specifieke waterdoorgangen. De contacten van de
stroomschakelaar gaan dicht als waterstroming wordt
gedetecteerd.
De koudemiddeloverdrukkleppen
afblazen
Laat om letsel als gevolg van inademing van R134-gas te
voorkomen geen koudemiddel ontsnappen. Als meerdere
koelmachines zijn geïnstalleerd, moet elke unit een
eigen afblaasleiding voor de overdrukventielen hebben.
Raadpleeg de lokale voorschriften voor eventuele speciale
eisen aan afblaasleidingen.
De installateur is verantwoordelijk voor het afblazen
van de overdrukkleppen. Alle RTHD units gebruiken
condensoroverdrukkleppen die buiten het gebouw
moeten worden ontlucht. De maten en locaties van de
overdrukkleppen vindt u in de gegevens van de unit.
Raadpleeg de nationale voorschriften voor informatie
over afblaasleidingen.
• Monteer de schakelaar rechtop, met aan weerszijden
een horizontaal recht stuk van ten minste 5 keer de
leidingdiameter.
• Plaats de schakelaar niet bij bochten, openingen of
kleppen.
Opmerking: De pijl op de schakelaar moet in de
waterstroomrichting wijzen. Ontlucht het watersysteem
om klapperen van de schakelaar te voorkomen.
38
RLC-SVX018A-NL
Mechanische installatie
Neem de codespecificaties van afblaasleidingen in acht.
Wanneer deze specificaties niet worden opgevolgd, kan
dit leiden tot een lagere capaciteit, schade aan de unit en/
of aan de overdrukklep.
Opmerking: Wanneer een overdrukklep is geopend, kan
deze gaan lekken.
Warmte-isolatie
Alle RTHD-units zijn leverbaar met in de fabriek
geïnstalleerde warmte-isolatie. Op niet in de fabriek
geïsoleerde units moet isolatiemateriaal worden
aangebracht over de gearceerde delen in afbeelding 13.
Opmerking: Filters, koudemiddelvulkleppen,
watertemperatuursensoren, aftap- en
ontluchtingsaansluitingen moeten na isolatie bereikbaar
blijven voor onderhoud. Gebruik alleen latexverf op
waterbasis op in de fabriek aangebrachte isolatie.
Anders kan het isolatiemateriaal krimpen.
Opmerking: Voor units in omgevingen met een hoge
vochtigheidsgraad of een zeer lage temperatuur van het
uittredend water kan een dikkere isolatie nodig zijn.
Afbeelding 13
Locatie
Type
Vierkante meters
Verdamper
19 mm
10
Compressor
19 mm
8
Alle onderdelen en leidingen aan de lagedrukzijde van het
systeem (gaspomp, retourolieleiding, filter van pomp)
19 mm
4
RLC-SVX018A-NL
39
Elektrische installatie
Algemene aanbevelingen
Voor een goede werking van de elektrische onderdelen
moet de unit worden opgesteld in een ruimte zonder
stof, vuil, corrosieve dampen of vocht. Neem de nodige
voorzorgsmaatregelen als de opstelruimte niet aan deze
voorwaarden voldoet.
Verbreek de aansluiting met de elektrische voeding
alvorens onderhoud uit te voeren. Als de voeding niet
losgekoppeld wordt voor onderhoud, kan dit leiden tot
ernstig of dodelijk letsel.
RTHD HSE-uitvoering:
• Tijd voordat werkzaamheden aan het elektrische paneel
van de unit kunnen worden verricht: zodra de AFD is
uitgeschakeld (wat wordt bevestigd door het doven
van het display), moet u één minuut wachten totdat
u werkzaamheden aan het elektrische paneel kunt
verrichten.
• Voor elke vorm van interventie in de AFD moet u de
tijd in acht nemen die op het etiket van de AFD staat
vermeld.
Voordat u de koelmachine met HSE-uitvoering plaatst,
moet de gebruiker potentiële elektromagnetische
problemen in de directe omgeving evalueren. De
gebruiker dient op het volgende te letten:
a) de aanwezigheid boven, onder en naast de unit van
bijvoorbeeld: lasapparatuur of andere stroomkabels,
regelkabels en telefoonkabels;
b) ontvangers en zenders, radio en televisie;
c) computer en andere regelapparatuur;
d) de kritische veiligheidsvoorzieningen, zoals
beveiliging van industriële apparatuur;
e) de medische conditie van personen, bijvoorbeeld het
gebruik van pacemakers of gehoortoestellen;
f) de immuniteit van andere apparatuur in de omgeving.
De gebruiker moet zich ervan verzekeren dat de
overige aterialen die in de omgeving worden gebruikt,
compatibel zijn. Dit kan betekenen dat er aanvullende
beschermende maatregelen moeten worden genomen;
Indien er elektromagnetische storingen worden
gedetecteerd, is het de verantwoordelijkheid van de
gebruiker om de situatie op te lossen.
In elk geval moeten de elektromagnetische storingen
zodanig worden beperkt dat deze niet langer een
probleem vormen.
Alle bedrading moet voldoen aan nationale
voorschriften. De minimale circuitstroom en andere
elektrische gegevens vindt u op het typeplaatje van de
unit. Zie de bestelgegevens van de unit voor de actuele
elektrische specificaties. Bij de unit worden elektrische
specificaties en bedradingschema's geleverd.
Gebruik alleen kopergeleiders! Op de klemmen kunnen
geen andere geleiders worden aangesloten. Anders kan
schade aan de uitrusting ontstaan.
Zorg ervoor dat de kabelbuizen niet in de weg liggen
van andere onderdelen, constructie-elementen of
apparatuur. De kabelgoten moeten lang genoeg zijn om
de compressor en de starter te kunnen demonteren.
Opmerking: Leg laagspanningskabels (<30V) en geleiders
met een stroomvoeringscapaciteit van meer dan 30V niet
in dezelfde kabelgoot, anders kunnen bedrijfsstoringen
ontstaan.
40
Voedingskabels
RTHD-koelmachines zijn ontworpen volgens de
Europese norm EN 60204. Daarom moeten alle
voedingskabels worden gekalibreerd en geselecteerd
door de projectleider.
Waterpompvoeding
Installeer voedingskabels met gezekerde
hoofdschakelaars voor de gekoeldwater- en
condensorwaterpompen.
Voeding van het elektrisch paneel
De voedingskabels voor het starter-/regelpaneel worden
als volgt geïnstalleerd:
Leg de netspanningskabels in kabelbuizen naar de
doorvoeropening(en) op het starter/regelpaneel. Zie
de productcatalogus voor kabelmaten en selectieinformatie en raadpleeg tabel 6 en afbeelding 14 voor
standaardafmetingen en -locaties van elektrische
aansluitingen. Raadpleeg altijd de meegeleverde
maatschetsen voor de actuele specificaties.
Opmerking: Gemarkeerde aansluitingen hebben een
externe voedingsbron nodig. De 115 V transformator is
niet geschikt voor extra belasting.
LET OP
RTHD HSE-units mogen niet worden verbonden met de
neutraalleider van de installatie.
Units zijn compatibel met de volgende schakelingen van
de neutraalleider:
TNS
IT
TNC
TT
Standaard Speciaal
Speciaal
Speciaal
- op aanvraag - op aanvraag - op aanvraag
Fasevolgorde compressormotor
Controleer altijd of de motordraairichting van de RTHD
compressor correct wordt ingesteld, voordat de unit
gestart wordt. De motor draait in de juiste richting als
de voedingsdraden in de juiste fasevolgorde werden
aangesloten. De motor is afgesteld op rechtsom draaien,
waarbij de fasen van de ingangsvoeding worden
aangesloten in de volgorde A-B-C.
Controleer de juiste fasevolgorde (ABC) met een
fasevolgordeaanwijzer.
In principe worden de spanningen, die in elke fase
van een meerfasen wisselstroomgenerator of circuit
worden opgewekt, fasespanningen genoemd. In een
driefasencircuit worden drie sinusvormige spanningen
opgewekt die 120° in fase verschillen. De volgorde
waarin de drie spanningen van een driefasensysteem
elkaar volgen, wordt fasevolgorde genoemd.
Deze wordt bepaald door de draairichting van de
wisselstroomgenerator. Bij rechtsom draaien wordt
de fasevolgorde meestal "ABC" genoemd.
Deze draairichting kan buiten de wisselstroomgenerator
worden gewijzigd door twee voedingsdraden
te verwisselen. Het is daarom dat een
fasevolgordeaanwijzer moet worden gebruikt bij het
verwisselen van de draden voor een snelle bepaling van
de draairichting van de motor.
RLC-SVX018A-NL
Elektrische installatie
Tabel 6 - Elektrische gegevens compressormotor - 50 Hz
Nominale smanning (werkbereik)
380 V
Type
unit
(361V - 399V)
400V
(380V - 420V)
415V
(394V - 436V)
MaxiMaxiMaximaal
maal
maal
opgeopgeopgenomen
Max
nomen
Max.
nomen
Max.
verstroom- Aanloop- Vermoverstroom- Aanloop- Vermoverstroom- Aanloop- Vermomogen sterkte stroom gensfac- mogen sterkte stroom gensfac- mogen sterkte stroom gensfac(kW)
(A)
(A)
tor
(kW)
(A)
(A)
tor
(kW)
(A)
(A)
tor
225 SE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
250 SE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
300 SE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
325 SE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
350 SE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
375 SE
288
488
711
0,90
301
488
748
0,89
306
488
776
0,87
150 HE
139
233
391
0,91
145
233
412
0,90
148
233
428
0,88
175 HE
139
233
391
0,91
145
233
412
0,90
148
233
428
0,88
225 HE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
250 HE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
300 HE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
350 HE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
375 HE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
400 HE
288
488
711
0,90
301
488
748
0,89
306
488
776
0,87
150 XE
139
233
391
0,91
145
233
412
0,90
148
233
428
0,88
175 XE
139
233
391
0,91
145
233
412
0,90
148
233
428
0,88
225 XE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
275 XE
201
349
456
0,88
209
349
480
0,87
213
349
498
0,85
325 XE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
350 XE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
375 XE
271
455
711
0,91
280
455
748
0,89
284
455
776
0,87
425 XE
288
488
711
0,90
301
488
748
0,89
306
488
776
0,87
150 HSE
142
221
< I Max.
0,98
148
218
< I Max.
0,98
150
213
< I Max.
0,98
175 HSE
142
221
< I Max.
0,98
148
218
< I Max.
0,98
150
213
< I Max.
0,98
225 HSE
205
318
< I Max.
0,98
213
314
< I Max.
0,98
217
309
< I Max.
0,98
275 HSE
205
318
< I Max.
0,98
213
314
< I Max.
0,98
217
309
< I Max.
0,98
325 HSE
276
429
< I Max.
0,98
286
421
< I Max.
0,98
290
412
< I Max.
0,98
350 HSE
276
429
< I Max.
0,98
286
421
< I Max.
0,98
290
412
< I Max.
0,98
375 HSE
276
429
< I Max.
0,98
286
421
< I Max.
0,98
290
412
< I Max.
0,98
425 HSE
295
457
< I Max.
0,98
307
452
< I Max.
0,98
311
442
< I Max.
0,98
Gegevens kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Raadpleeg de gegevens op het typeplaatje van de unit.
RLC-SVX018A-NL
41
Elektrische installatie
Tabel 7 - Elektrische aansluitingen
Nominale spanning (werkbereik)
Optionele niet-gezekerde
hoofdschakelaar
Optionele gezekerde
hoofdschakelaar
HoofdschakeOppervlakte Hoofdscha- Maat
laar
voedingskabel
kelaar
zekering
Oppervlakte
voedingskabel
Maat
stroomonderbreker
Oppervlakte
voedingskabel
Optioneel
klemmenblok
Oppervlakte
voedingskabel
(A)
(A)
Min
(mm²)
Max
(mm²)
(A)
Min
(mm²)
Max
(mm²)
Max
(mm²)
240
500
400T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
185
240
500
400T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
150 HE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
175 HE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
225 HE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
250 HE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
300 HE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
350 HE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
375 HE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
400 HE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
150 XE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
175 XE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
225 XE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
275 XE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
325 XE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
350 XE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
375 XE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
425 XE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
150 HSE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
175 HSE
315
150
240
315
250 T2
150
240
400
2x70
2x240
2x300
225 HSE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
275 HSE
400
185
240
500
400 T2
240
240
630
2x70
2x240
2x300
325 HSE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
350 HSE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
375 HSE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
425 HSE
630
2x150
2x300
630
500 T3
2x150
2x300
630
2x70
2x240
2x300
Type
unit
(A)
225 SE
400
250 SE
400
300 SE
630
325 SE
630
350 SE
375 SE
Min
Max
(mm²) (mm²)
Optionele
stroomonderbreker
185
Opmerking: Minimale oppervlakte voedingskabel is een specificatie van de leverancier van het elektrische
component. De elektrische installateur moet de juiste voedingskabel kiezen overeenkomstig de maximale
stroomsterkte.
42
RLC-SVX018A-NL
Elektrische installatie
Aansluitingen module en regelpaneel
Alle aansluitingen kunnen worden losgehaald of de draden kunnen worden verwijderd. Wanneer de volledige klem
wordt verwijderd,moeten de klem en het bijbehorende blok worden gemarkeerd om een juiste bevestiging te kunnen
garanderen.
Afbeelding 14a - Lay-out elektrisch paneel - RTHD SE/HE/XE
OPTIE
ELEKTRISCH PAD
INGANG
ELEKTRA
RLC-SVX018A-NL
43
44
22
1
42
195
195
3X PG13
75
135
POUR LA NOMENCLATURE ,VOIR LE SCHEMA ELECTRIQUE
FUER LEGENDE , SIEHE VERDRAHTUNGSSCEMA
FOR COMPONENTS DESIGNATION , SEE WIRING DIAGRAM
249
81
2
(1Q10 - 1Q10 + 1F10 - 1Q11 - 1X1))
440
1
17
889
ENTREE DE CABLE CLIENT - KUNDEN KABELEINLASS - ELECTRICAL POWER ENTRY
OPTION - ZUBEHOER - OPTION
1200
658
**
12
231
1
**
458
2
1A1
1
1T1
1Q2
1T2
2T4
PE
1A10
1A8
1A7
1A9
5B28
3
1A17
1A16
1A15
1A14
1A13
1A12
1T3-2
1T3-1
UC800
2
1T3-3
1K5
1A3
1A19
1X5
1K12
X
1K11
1A2
1A6
1A5
1A4
1A11
DETAIL MODULES - MODUL EINZELHEIT - MODULE DETAIL
2
IMPLANTATION - INNENANSICHT - IMPLEMENTATION
1Q10
**
Elektrische installatie
Afbeelding 14b - Lay-out elektrisch paneel - RTHD HSE
RLC-SVX018A-NL
Elektrische installatie
Verbindingsbedrading
(lokale bedrading nodig)
Belangrijk: Zet de koelmachine niet aan of uit door
middel van de gekoeldwaterpomp.
Voor het maken van lokale aansluitingen, zie de bij de
unit geleverde situatietekeningen, bedradingschema's,
schakelschema's en besturingsschema's. Voor elke
verwijzing naar een contactuitgang (binaire uitgang)
worden de volgende nominale waarden gebruikt:
Bij 120 VAC
7,2 A weerstand
2,88 A (proefbedrijf)
250 W, 7,2 FLA,
43,2 LRA
Bij 240 VAC
5,0 A weerstand
2,0 A (proefbedrijf)
250 W, 3,6 FLA,
21,3 LRA
Voor elke verwijzing naar een droog-contactingang
(binaire ingang) worden de volgende waarden gebruikt:
24 Vdc, 12 mA.
Voor elke verwijzing naar een
stuurspanningscontactingang (binaire ingang) worden
de volgende waarden gebruikt: 120 Vdc, 5 mA.
Opmerking: Gemarkeerde aansluitingen hebben een
externe voedingsbron nodig. De 115 V transformator is
niet geschikt voor extra belasting.
Regeling gekoeldwaterpomp
De Tracer UC800 heeft een uitgangsrelais van de
verdamperwaterpomp dat sluit als de koelmachine
van een willekeurige bron een signaal krijgt om naar
de AUTO-modus voor de bediening te gaan. Het
contact wordt geopend om de pomp uit te schakelen
bij de meeste diagnoses op machineniveau om de
opeenhoping van pompwarmte te voorkomen. De pomp
wordt altijd gestopt als de koudemiddeldruk dichtbij
de ontwerpdruk van de warmtewisselaar komt om te
beschermen tegen een opeenhoping van pompwarmte
voor diagnoses waarbij de pomp niet gestopt en/of
gestart wordt en tegen een defecte stroomschakelaar.
RLC-SVX018A-NL
Beveiliging gekoeldwaterstroom
De Tracer UC800 heeft een ingang die een
contactuitgang accepteert van een stroomdetectieapparaat zoals een stroomschakelaar. De
stroomschakelaar moet in serie bedraad worden
met de hulpcontacten van de gekoeldwaterpompstarter.
Als deze ingang niet binnen 20 minuten na de overgang
van de stop- naar automodus van de koelmachine
een stroming waarneemt of als de stroming verloren
is gegaan terwijl de koelmachine in de auto-modus
stond, wordt de koelmachine uitgeschakeld door
een niet-blokkerende diagnose. De ingang van
de stroomschakelaar wordt gefilterd voor tijdelijk
openen en sluiten van de schakelaar door turbulente
waterstroom. Dit wordt binnen een filtertijd van
6 seconden bereikt. De detectiespanning voor de
condensorwaterstroomschakelaar bedraagt 115/240 Vac
BELANGRIJK! Schakel de koelmachine NIET aan en
uit door de gekoeldwaterpomp te starten en stoppen.
Hierdoor kan de compressor op vollast uitgeschakeld
worden. Gebruik de externe stop/start ingang om de
koelmachine in en uit te schakelen.
45
Elektrische installatie
Regeling condensorwater
De Tracer UC800 zorgt voor een uitgangssignaal van de
contactuitgang om de condensorwaterpomp te starten
en stoppen. Als de condensorpompen opgesteld zijn in
een rij met een gemeenschappelijke kop, kan de uitgang
gebruikt worden om een isolatieklep aan te sturen en/of
een ander apparaat dat een extra pomp nodig heeft.
De tijd voor het opstarten van de condensorwaterpomp
is toegevoegd als hulp bij problemen met koud
condensorwater. Bij zeer lage buitentemperaturen
zal het koeltorencarter enige tijd na het verstrijken
van de negeringstijd van de beveiliging van de lage
systeemverschildruk de koelmachine bereiken. Dit leidt
tot onmiddellijke uitschakeling en een blokkerende
diagnose. Door de pomp eerder te starten, zodat de
warmere binnenlus kan mengen met het koeltorencarter,
kan dit probleem voorkomen worden.
De compressor kan pas opgestart worden nadat
stroming vastgesteld is. Als de stroming niet binnen
1200 seconden (20 minuten) na bekrachtiging
van het condensorpomprelais tot stand komt,
wordt een automatisch resettende diagnose
"Condensorwaterstroom te laat" gegenereerd
die de modus voor het starten beëindigt en het
condensorwaterpomprelais uitschakelt. Deze diagnose
wordt automatisch gereset als de stroming later alsnog
tot stand komt.
Opmerking: Deze diagnose zou nooit automatisch
gereset worden als de Tracer UC800 de condensorpomp
had aangestuurd via het condensorpomprelais,
aangezien deze een uitschakelingscommando ontving
ten tijde van de diagnose. De diagnose had echter
gereset en de normale werking hervat kunnen worden
als de pomp door een externe bron aangestuurd was.
Beveiliging condensorwaterstroom
Programmeerbare relais (alarm en status) - optioneel
De Tracer UC800 accepteert een geïsoleerd
ingangssignaal van de contactuitgang van een door
de klant geïnstalleerd stroomdetectie-apparaat
zoals een stroomschakelaar en een door de klant
geïnstalleerd hulpcontact voor blokkering met de
condensorwaterstroom.
De Tracer UC800 verzendt een flexibel alarm of een
indicatie van de koelmachinestatus naar een locatie
op afstand via een vast aangesloten interface naar een
droog contact. Er zijn vier relais verkrijgbaar voor deze
functie en ze worden geleverd (normaal gesproken met
een Quad relaisuitgang LLID) als onderdeel van de optie
Alarmrelaisuitgang. De gebeurtenissen/statussen die
toegewezen zijn aan de programmeerbare relais, staan
in de onderstaande tabel.
De ingang wordt gefilterd voor tijdelijk openen
en sluiten van de schakelaar door turbulente
waterstroom, etc. Dit wordt bereikt met een filteringstijd
van 6 seconden. De detectiespanning voor de
condensorwaterstroomschakelaar bedraagt 115/240 Vac.
Bij een verzoek om koeling na het onderbreken van
de herstartblokkeringstimer zal de Tracer UC800
het condensorwaterpomrelais bekrachtigen en de
condensorwaterstroomschakelaar en ingang van de
pompstarterblokkering controleren op stroming.
46
RLC-SVX018A-NL
Elektrische installatie
Tabel 8 - Beschrijving gebeurtenissen/statussen koelmachine
Gebeurtenis/status
Beschrijving
Alarm - blokkerend
Deze uitgang is aanwezig als er sprake is van een actieve diagnose waarvoor een
handmatige reset nodig is om te wissen of die een nadelige invloed op de koelmachine,
het circuit of de compressor heeft. De informatieve diagnose valt niet onder deze
classificatie.
Alarm - Autom. reset
Deze uitgang is aanwezig als er sprake is van een actieve diagnose die automatisch
gewist wordt of die een nadelige invloed op de koelmachine, het circuit of de compressor
heeft. De informatieve diagnose valt niet onder deze classificatie. Als alle automatisch
resettende diagnoses gewist zouden worden, keert deze uitgang terug naar de status
'niet aanwezig'.
Alarm
Deze uitgang is aanwezig als een diagnose invloed heeft op een onderdeel, of dit nu
blokkerend of automatisch wissend is. De informatieve diagnose valt niet onder deze
classificatie.
Waarschuwing
Deze uitgang is aanwezig als een informatieve diagnose invloed heeft op een onderdeel,
of dit nu blokkerend of automatisch wissend is.
Begrenzingsmodus koelmachine Deze uitgang bestaat als de koelmachine de afgelopen 20 minuten continu in een van de
onbelaste modi (condensor, verdamper, stroomlimiet of fase onbalansgrens) in bedrijf
is geweest. Een bepaalde grens of het overlappen van diverse grenzen moet continu
20 minuten lang actief zijn voordat de uitgang aanwezig is. De uitgang is niet aanwezig
als 1 minuut lang geen ontlastingsgrenzen aanwezig zijn. Het filter voorkomt dat korte of
herhalende overgangsgrenzen worden aangegeven. De koelmachine staat alleen in een
begrenzingsmodus voor het display en de aankondigingen op het voorpaneel, alleen als
de koelmachine volledig geblokkeerd wordt voor belasting door in de gebieden "houden"
of "geforceerd ontlasten" van de grensregeling te staan, met uitzondering van het gebied
"beperkte belasting". (Bij vorige uitvoeringen was de zone "beperkte belasting" van de
grensregeling opgenomen bij de criteria voor het grensmodusverzoek op het voorpaneel
en de aankondigingsuitgangen).
Compressor draait
Deze uitgang is aanwezig als compressoren gestart of in bedrijf zijn op de koelmachine
en niet aanwezig als geen compressoren gestart of in bedrijf zijn op de koelmachine.
Deze status kan wel of geen invloed hebben op de werkelijke status van de compressor
in Service Pumpdown als een dergelijke modus bestaat voor een bepaalde koelmachine.
Relais verzoek kopdrukontlasting Deze relaisuitgang wordt telkens bekrachtigd als de koelmachine in de ijsproductiemodus
koelmachine
of de regelmodus van de condensordrukbegrenzing gedurende de tijd aangegeven
door de filtertijd van het koelmachinekopontlastingsrelais. De filtertijd van het
koelmachinekopontlastingsrelais is een onderhoudsinstelpunt. De relaisuitgang wordt
telkens uitgeschakeld als de koelmachine een van bovengenoemde modi verlaat,
gedurende de tijd aangegeven door de filtertijd van het koelmachinekopontlastingsrelais.
RLC-SVX018A-NL
47
Elektrische installatie
Het Tracer UC800 servicegereedschap (TU) wordt
gebruikt om een gebeurtenis of status uit de
onderstaande lijst te installeren en toe te wijzen
aan elk van de 4 beschikbare relais bij de optie. De
standaardtoewijzingen voor de 4 beschikbare relais
staan hieronder.
LLID-naam
Werkingstatus
programmeerbare relais
LLID-software
Relaisaanduiding
Naam uitgang
Standaard
Relais 0
Status Relais 4, J2-1,2,3
Verzoek kopdruk ontlasten
Relais 1
Status Relais 3, J2-4,5,6
Relais begrenzingsmodus
koelmachine
Relais 2
Status Relais 2, J2-7,8,9
Koelmachine alarmrelais
(blokkerend of nietblokkerend)
Relais 3
Status Relais 1, J2-10,11,12
Functierelais compressor
Noodstop
Geleidelijke opstart
De Tracer UC800 biedt extra regeling voor een door
de klant gespecificeerde/geïnstalleerd blokkerende
uitschakeling. Als dit door de klant aangebrachte
afstandscontact wordt geleverd, zal de koelmachine
normaal draaien als het contact gesloten is. Als het
contact open gaat, wordt de unit uitgeschakeld bij een
handmatig te resetten diagnose. Deze conditie vereist de
handmatige reset bij de koelmachineschakelaar op de
voorkant van het bedieningspaneel.
De geleidelijke opstart voorkomt dat de koelmachine
naar vollast gaat tijdens de omlaagbrengperiode. De
Tracer UC800 besturingssysteem heeft twee algoritmen
voor geleidelijke opstart die altijd actief zijn. Dit zijn
geleidelijke opstart met capaciteitsregeling en geleide
opstart met stroomgrens. Deze algoritmen introduceren
het gebruik van een gefilterd gekoeldwaterinstelpunt
en een gefilterd stroomgrensinstelpunt. Nadat de
compressor gestart is, wordt het startpunt van het
gefilterd gekoeldwaterinstelpunt geïnitialiseerd op
de waarde van de temperatuur van het uittredend
verdamperwater. Het gefilterde stroomgrensinstelpunt
wordt geïnitialiseerd op de waarde van het
startpercentage van de geleidelijke opstart met
stroomgrens. Deze gefilterde instelpunten zorgen voor
een stabiel omlaagbrengen waarvan de duur door
de gebruiker ingesteld kan worden. Ze voorkomen
plotselinge overschakelingen door veranderingen
van instelpunt tijdens het normale bedrijf van de
koelmachine.
Externe auto/stop
Als de unit de externe auto-/stopfunctie nodig
heeft, moet de installateur draden leveren van de
afstandscontacten naar de juiste klemmen van de LLID
op het bedieningspaneel. De koelmachine draait normaal
als de contacten gesloten zijn. Als het contact opengaat,
gaat (gaan) de compressor(en), indien in bedrijf, naar
de ontlastingsmodus en wordt(worden) uitgeschakeld.
De werking van de unit wordt geblokkeerd. Door
het opnieuw sluiten van de contacten zal de unit
automatisch terugkeren naar de normale werking.
OPMERKING: Een "paniekstop" (vergelijkbaar met een
"noodstop") kan handmatig opgeroepen worden door
twee keer na elkaar op de STOP-knop te drukken. De
koelmachine wordt onmiddellijk uitgeschakeld, maar
zonder een blokkerende diagnose te genereren.
Er worden 3 instellingen gebruikt om het gedrag van de
geleidelijke opstart te beschrijven. De geleidelijke opstart
kan ingesteld worden met TU.
• Capaciteitsregeling geleidelijke opstarttijd: Deze
instelling regelt de tijdconstante van het gefilterde
gekoeldwaterinstelpunt. De waarde kan ingesteld
worden tussen 0 en 120 min.
• Tijd geleidelijke opstart met stroomgrensregeling:
Deze instelling regelt de tijdconstante van het gefilterde
stroomgrensinstelpunt. De waarde kan ingesteld
worden tussen 0 en 120 min.
• Start % geleidelijke opstart stroomgrens: Deze
instelling regelt het startpunt van het gefilterde
stroomgrensinstelpunt. De waarde kan ingesteld
worden tussen 20 (40 voor RTHD) en 100% RLA.
48
RLC-SVX018A-NL
Elektrische installatie
Externe basisbelasting - optioneel
Bacnet communicatie-interface - optioneel
Voornamelijk voor de procesregeling zorgt de
basisbelasting voor het onmiddellijk starten en
belasten van een koelmachine tot een extern of op
afstand in te stellen instelpunt voor de stroomgrens,
ongeacht het verschil bij het starten en stoppen of de
temperatuurregeling van het uittredend water. Hierdoor
kan een koelmachine flexibeler vooraf worden gestart of
geladen wanneer een grote belasting wordt verwacht.
Hierdoor kan een koelmachine ook de processen
controleren wanneer de temperatuurregeling van de
wateruitlaat normaal in de unit wordt uitgevoerd.
De Tracer UC800 zorgt voor een optionele Bacnet
communicatie-interface (LCI-C) tussen koelmachine en
BAS. Bacnet-communicatiefunctionaliteit is volledig
geïntegreerd op UC800. Zie voor meer informatie de
integratiehandleiding BAS-SVP01G.
Als de optionele basisbelasting geïnstalleerd is met
Tracer TU, kan deze geregeld worden met TD7-scherm/
Tracer TU, een externe hardware-interface of Tracer
(als Tracer geïnstalleerd is). De prioriteitsvolgorde voor
alle instelpunten is als volgt: TD7-scherm/Tracer TU,
extern en Tracer (van laag naar hoog). Als een van de
instelpunten met hoogste prioriteit wegvalt vanwege
een slechte sensor of verbroken communicatie, zal
de basisbelasting naar de volgende, lagere prioriteit
van commando en instelpunt gaan. De commandoinstellingen en regelinstelpunten voor basisbelasting
worden hieronder toegelicht.
Modbuscommunicatie-interface - optioneel
De Tracer UC800 zorgt voor een optionele Modbus
communicatie-interface (LCI-C) tussen koelmachine en
BAS. Modbus-communicatiefunctionaliteit is volledig
geïntegreerd op UC800. Zie voor meer informatie de
integratiehandleiding BAS-SVP01G.
IJsproductiecontact - optioneel
Tracer UC800 accepteert een contactsluitingangssignaal
om de ijsproductiemodus te starten. In de
ijsproductiemodus wordt de compressor volledig
belast (geen laag instelpunt) en blijft hij in bedrijf
totdat de ijscontacten worden geopend of de
retourwatertemperatuur het instelpunt 'beëindigen
ijsproductie' bereikt. Als de werking wordt beëindigd op
basis van de ingestelde retourwatertemperatuur, staat
de Tracer UC800 niet toe dat de koelmachine wordt
gestart voordat het ijsproductiecontact wordt geopend.
Regelinstelpunt basisbelasting
IJsmachineregeling - optioneel
Dit instelpunt heeft drie mogelijke bronnen: een externe
analoge ingang, TD7-scherm/Tracer TU of Tracer.
De Tracer UC800 geeft een signaal van de contactuitgang
dat gebruikt kan worden als signaal naar het systeem
om aan te geven dat de ijsproductie in werking is. Dit
relais wordt gesloten als de ijsproductie in bedrijf is
en geopend als de ijsproductie wordt beëindigd door
Tracer UC800 of een blokkering op afstand. De uitgang
wordt gebruikt om de benodigde systeemwijzigingen
te signaleren als de koelmachinemodus verandert van
"ijsproductie" naar "ijsproductie voltooid".
• TD7-scherm/Tracer TU Regelinstelpunt basisbelasting
Het bereik is 40 -100% compressorbelasting
(max. %RLA). De standaard instelling is 50%.
• Tracer Regelinstelpunt basisbelasting
Het bereik is 40 -100% compressorbelasting
(max. %RLA). De standaard instelling is 50%.
• Extern Regelinstelpunt basisbelasting
Extern gekoeldwaterinstelpunt - optioneel
Dit is een analoge ingang waarmee het instelpunt van de
basisbelasting ingesteld wordt. Dit signaal kan geregeld
worden door een 2 - 10 Vdc of 4 - 20 mA signaal,
afhankelijk van de configuratie. Deze vergelijkingen
tonen het verband tussen de ingang en het percentage
van de compressorbelasting aan:
Tracer UC800 accepteert een 2-10 Vdc of een 4-20 mA
ingangssignaal om het instelpunt voor gekoeld water
van een locatie op afstand af te stellen.
Extern stroomgrensinstelpunt - optioneel
Als de ingang geconfigureerd is als
Tracer UC800 accepteert een 2-10 Vdc of een 4-20 mA
ingangssignaal om het instelpunt stroomgrens van een
locatie op afstand af te stellen.
4 -20 mA: %Belasting =3,75 *(mA ingang)+25
Percentage condensordrukuitgang - optioneel
Als de ingang geconfigureerd is als
Tracer UC800 heeft een 2-10 Vdc analoge uitgang
om het percentage van de condensordruk van de
hogedrukonderbreking (HPC) aan te geven.
2 -10 Vdc: %Belasting =7,5 *(Vdc-ingang)+25
Summit interface - optioneel
De Tracer UC800 zorgt voor een optionele interface
tussen koelmachine en Trane Summit BAS. Er wordt
een LLID communicatie-interface gebruikt als "gateway"
tussen koelmachine en Summit.
LonTalk communicatie-interface - optioneel
De Tracer UC800 zorgt voor een optionele LonTalk
communicatie-interface (LCI-C) tussen koelmachine en
BAS. Een LCI-C LLID wordt gebruikt als 'gateway' tussen
het LonTalk-protocol en de koelmachine.
RLC-SVX018A-NL
Percentage HPC = (condensordruk/ instelpunt
hogedrukonderbreking)*100
Uitgang RLA percentage compressor - optioneel
Tracer UC800 heeft een 0-10 Vdc analoge uitgang
om het %RLA van de gemiddelde fasestroom van de
compressorstarter aan te geven. Een waarde van 2 tot
10 Vdc komt overeen met 0 tot 120% RLA.
49
Mechanische werkingsprincipes
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de werking
en het onderhoud van RTHD koelmachines met
microprocessorgestuurde besturingssystemen.
Daarnaast wordt dieper ingegaan op de
werkingsprincipes van machines met RTHD ontwerp.
Na dit hoofdstuk volgen specifieke bedieningsinstructies,
detailbeschrijvingen van de bedieningsorganen, opties
van de units en periodieke onderhoudprocedures om
de unit bedrijfsklaar te houden. Met behulp van de
diagnose-informatie kan de operator systeemstoringen
opsporen.
Opmerking: Roep voor een vakkundige diagnose en
reparatie de hulp in van een erkende serviceorganisatie.
Algemeen
RTHD-units zijn watergekoelde vloeistofkoelmachines
met één helirotor-schroefcompressor. Op deze units
is een starter-/regelpaneel gemonteerd. Dit zijn de
standaard onderdelen van een RTHD-unit:
• Op de unit gemonteerd paneel met starter en Tracer
UC800-regeling en Ingang/uitgang LLIDS
• Helirotor-schroefcompressor
• Verdamper
• Elektronisch expansieventiel
• Watergekoelde condensor met integrale subkoeler
• Olietoevoersysteem
• Oliekoeler (applicatie-afhankelijk)
• Bijbehorende verbindingspijpen
• AFD (Adaptieve frequentie-aandrijving) op HSEuitvoering
50
Koelcyclus (koeling)
De koelcyclus van de RTHD-koelmachine is in principe
gelijk aan die van andere Trane koelmachines. De
machine maakt gebruik van een verdampermantel en
buizen en koudemiddel dat verdampt aan de mantelzijde
en water dat in leidingen met verbeterd oppervlak
stroomt.
De compressor is een dubbele helirotorschroefcompressor. De compressor gebruikt een
zuiggasgekoelde motor die bij lage motortemperaturen
onder constante volledige en gedeeltelijke belasting
werkt. Een olieregelsysteem zorgt voor olievrij
koudemiddel naar de mantels voor een optimale
warmteoverdracht en smering en afdichting van de rotor
naar de compressor. Het smeersysteem zorgt voor een
lange levensduur van de compressor en draagt bij aan
een stille werking.
Condensatie vindt plaats in een mantel- en
pijpwarmtewisselaar waar het koudemiddel wordt
gecondenseerd aan de mantelzijde en water in de pijpen
stroomt.
Het koudemiddel wordt gemeten via een
stromingssysteem met behulp van een elektronisch
expansieventiel die het koelrendement bij deellast
optimaliseert.
Op elke koeler bevindt zich een starter-/regelpaneel.
Microprocessorgestuurde regelmodules
(Tracer UC800) zorgen voor een nauwkeurige
koelwaterregeling, controle, bescherming en aangepaste
begrenzingsfuncties. De 'adaptieve' aard van de regeling
voorkomt dat de koelmachine buiten de limieten
gebruikt kan worden en compenseert ongebruikelijke
bedrijfsomstandigheden waardoor de machine normaal
door kan werken in plaats van te worden gestopt door
een beveiliging. Als zich problemen voordoen, helpen
diagnostische berichten de gebruiker bij het oplossen
van de storing.
RLC-SVX018A-NL
Mechanische werkingsprincipes
Beschrijving van de koelcyclus
De koelcyclus van de RTHD-koelmachine kan worden
beschreven aan de hand van het druk-enthalpieschema
in afbeelding 15. Belangrijke toestandpunten staan
aangegeven in de afbeelding. Hieraan wordt in de
beschrijving gerefereerd. Een schema van het systeem
met de koudemiddel- en de smeermiddelstroom wordt
in afbeelding 16 getoond.
Verdamping van het koudemiddel vindt plaats in
de verdamper die de warmte-overdracht van de
warmtewisselaar optimaliseert terwijl de hoeveelheid
koudemiddelvulling tot een minimum wordt beperkt.
Een afgemeten hoeveelheid koudemiddel stroomt naar
een distributiesysteem in de verdampermantel en wordt
vervolgens naar de pijpen in de verdamper gestuurd.
Het koudemiddel verandert in gas bij de koeling van
het water dat door de verdamperpijpen stroomt. Het
gasvormige koudemiddel verlaat de verdamper als
verzadigde damp (punt 1).
De koeldamp uit de verdamper stroomt naar de
aanzuigzijde van de compressor waar de damp de
motorruimte van de zuiggasgekoelde motor binnen
gaat. Het koudemiddel stroomt door de motor, koelt
deze en stroomt vervolgens naar de compressiekamer.
Het koudemiddel wordt in de compressor geperst om
de druk af te voeren. Tegelijkertijd wordt er om twee
redenen smeermiddel in de compressor geïnjecteerd:
(1) om de draaiende lagers te smeren en (2) om de
zeer kleine spelingen tussen de dubbele rotors van de
compressor af te dichten.
Direct daarna worden het smeermiddel en het
koudemiddel gescheiden in een olieafscheider. De
olievrije koudemiddeldamp gaat de condensor binnen
bij toestandpunt 2. Meer bijzonderheden over het
smeermiddel en het oliebeheer worden behandeld in de
hierna volgende paragrafen met de beschrijving van de
compressor en het oliebeheer.
RLC-SVX018A-NL
Keerschotten in de condensormantel verdelen de
gecomprimeerde koudemiddeldamp gelijkmatig over
de condensorleidingen. De warmte van dit koudemiddel
wordt opgenomen en gecondenseerd door het door de
condensorleidingen stromende koeltorenwater.
Het koudemiddel stroomt uit de condensor aan de
onderzijde (punt 3) en gaat naar een tussenkoeler
waar het gekoeld wordt voordat het naar de
elektronische expansieklep (punt 4) wordt geleid. Het
proces veroorzaakt een drukval waardoor een kleine
hoeveelheid vloeibaar koudemiddel verdampt. Het
mengsel van vloeibaar en gasvormig koudemiddel komt
dan in het verdeelsysteem van de verdamper terecht
(punt 5). De smoordamp van het expansieproces wordt
intern naar de compressoraanzuigleiding geleid, terwijl
het vloeibare koudemiddel over de leidingbundel in de
verdamper wordt verdeeld.
De RTHD-koelmachine optimaliseert de
warmteoverdracht terwijl de koudemiddelvulling
tot een minimum wordt beperkt. Dit wordt bereikt
door de vloeibare koudemiddelstroom naar het
distributiesysteem van de verdamper met behulp van
het elektronisch expansieventiel te meten.
Een relatief laag vloeistofniveau wordt in de
verdampermantel behouden dat een weinig
koudemiddel en smeermiddel bevat. Dit peil
wordt bewaakt door een vloeistofpeilmeter die
feedbackinformatie naar de Tracer UC800-unitregelaar
stuurt die de elektronische expansieklep, indien nodig,
een verplaatsingscommando geeft.
Als het peil stijgt, wordt het expansieventiel
geleidelijk gesloten en als het peil daalt, wordt het
ventiel geleidelijk geopend, zodat een constant peil
gehandhaafd wordt.
51
Mechanische werkingsprincipes
Afbeelding 15 - Druk-/enthalpiecurve
Druk
Vloeistof
Gas
Enthalpie
Afbeelding 16 - Koudemiddelstroomschema
1 = Verdamper
2 = Condensor
3 = Gaspomp
4 = Compressor
5 = EXV
6 = Olieafscheider
7 = Dubbele afvoerleidingen alleen op compressoren
met C, D en E frame
52
RLC-SVX018A-NL
Mechanische werkingsprincipes
Afbeelding 17 - Beschrijving compressor
Mannelijke rotor
Vrouwelijke rotor
Lagers
Solenoïde
ontlasten
Solenoïde
belasten
Motorhuis
Rotorhuis
Zuigerhuis
Lagerhuis
Ontlastregelklep
Regelklep
Ontlastzuiger
Motorstator
Ontlastplenum
Olieregeneratiepoort
Ontlastregelklep
Smeeropening
lager
RLC-SVX018A-NL
Inspuitopening
rotor
Primaire
bevestigingsgaten
53
Mechanische werkingsprincipes
De compressor (afbeelding 17) die wordt gebruikt door
de RTHD koelmachine bestaat uit 3 afzonderlijke delen:
de motor, de rotors en de lagerbehuizing.
Compressormotor
De compressorrotors worden direct aangedreven door
een tweepolige hermetische kooianker-inductiemotor.
De motor wordt gekoeld door vloeibaar koudemiddel
van de verdamper, dat via de het uiteinde van het
motorhuis binnenstroomt.
Compressorrotors
Elke Series R koelmachine gebruikt een semihermetische direct aangedreven helirotorschroefcompressor. Met uitzondering van de lagers
heeft elke compressor slechts drie bewegende delen:
2 rotors - "male" en "female" - voor de compressie en
een schuifklep die de capaciteit regelt. De mannelijke
rotor is gekoppeld aan de motor en wordt hierdoor
aangedreven; de vrouwelijke rotor wordt aangedreven
door de mannelijke rotor. Aan de uiteinden van beide
rotors zitten apart behuisde lagers. De schuifklep zit op
(en beweegt langs) de onderzijde van de rotors.
De helirotor-schroefcompressor is een
verdringercompressor. Het koudemiddel van de
verdamper wordt aangezogen in de aanzuigopening
aan de onderzijde van de motor. Het gas wordt door
de motor geleid, koelt deze en wordt vervolgens
naar de rotors geleid. Daar wordt het koudemiddel
gecomprimeerd en direct naar de uitlaatkamer gevoerd.
Er is geen fysiek contact tussen rotors en
compressorhuis. Aan de onderzijde van de
compressorrotor ingespoten olie zorgt voor een
oliefilm op beide rotors en de binnenzijde van het
compressorhuis. Hoewel de hier ingespoten olie de
rotors smeert, is de primaire taak ervan het afdichten van
de ruimte tussen de rotors en het compressorhuis. De
effectieve afdichting tussen deze inwendige onderdelen
vergroot het prestatievermogen van de compressor door
lekkage tussen hoge- en lagedrukruimten te beperken.
De capaciteitsregeling vindt plaats door middel
van een schuifklep in de rotor/het lagerhuis van de
compressor. De aan de onderzijde van de rotors
aangebrachte schuifklep wordt aangedreven door een
zuiger/cilinder langs een as parallel met de rotoras. De
belastingstoestand van de compressor wordt bepaald
door de stand van de schuifklep over de rotors. De
compressor is volledig belast als de schuifklep volledig
over de rotors is uitgeschoven. Het ontlasten vindt
plaats als de schuifklep weg van de aanzuigzijde van
de rotors wordt bewogen. Door het ontlasten van de
schuifklep wordt het koelvermogen verlaagd, doordat
het compressievlak van de rotors kleiner wordt.
Verplaatsing schuifklep op uitvoeringen SE/HE/XE
De verplaatsing van de schuifklepzuiger bepaalt
de positie van de schuifklep waardoor het
compressorvermogen wordt geregeld. De
gecomprimeerde damp in en uit de cilinder bepaalt de
zuigerverplaatsing en wordt geregeld door belastingsen ontlastingssolenoïdes. De solenoïdes (beide normaal
gesloten) ontvangen belastings- en ontlastingssignalen
van de Tracer UC800 op basis van systeemkoelingseisen.
Om de compressor te belasten opent de Tracer UC800 de
belastingssolenoïde. De onder druk staande dampstroom
stroomt dan in de cilinder en duwt de zuiger naar de
rotors met behulp van de lagere aanzuigdruk op het
vlak van de schuifklep. De compressor wordt ontlast
als de ontlastingssolenoïde open staat. In de cilinder
"opgesloten" damp wordt in het aanzuiggedeelte van de
compressor gezogen. Als de onder druk staande damp
de cilinder verlaat, beweegt de schuifklep langzaam weg
van de rotors. Als beide solenoïdes gesloten zijn, wordt
het huidige compressorbelastingsniveau gehandhaafd.
Bij het uitschakelen van de compressor wordt de
ontlastingsklep bekrachtigd. De schuifklep wordt door
een veer weer in de volledig ontlaste stand gestuurd,
zodat de unit altijd volledig ontlast wordt gestart.
Verplaatsing schuifklep op HSE-uitvoering
De schuifklep wordt in HSE-uitvoeringen gecoördineerd
door AFD. Het algoritme van Tracer UC800 stuurt het
compressorvermogen met een hoger vermogen van de
schuifklep en een lagere AFD-frequentie met het oog op
meer efficiëntie.
Belastingproces
Schuifklep
Min. capaciteit
60%
capaciteit
100%
capaciteit
60%
capaciteit
100%
capaciteit
Ontlastingproces
Schuifklep
Min. capaciteit
Dit schema voor belasten en ontlasten is een
algemene afbeelding, het kan variëren indien de
bedrijfsspecificaties ineens veranderen. Ook de start-/
stopmodus is hierin niet meegenomen.
54
RLC-SVX018A-NL
Mechanische werkingsprincipes
Olieregelsysteem
Olieafscheider
De olieafscheider bestaat uit een verticale cilinder
over een uitgaande doorgang. In de compressorrotors
ingespoten olie mengt zich met de gecomprimeerde
koudemiddeldamp en wordt direct naar de olieafscheider
gevoerd. Het koudemiddel-/oliemengsel wordt in de
olieafscheider geperst, waarbij de olie naar buiten wordt
geslingerd, zich op de cilinderwanden verzamelt en door
de onderzijde van de cilinder de olieafscheider verlaat.
De verzamelde olie stroomt uit de cilinder en wordt
opgevangen in een oliecarter aan de bovenkant, tussen
de verdamper- en condensormantels.
Olie die in het oliecarter verzameld wordt, staat tijdens
de werking van de compressor onder condensatiedruk
waardoor de olie voortdurend naar delen met lagere
druk gaat.
Afbeelding 18 - Oliestroomschema
Primair oliesysteem
koudemiddel en olie
Oliedruk transducer
Afvoerleiding
Olieafscheider
Olieleiding
Compressor
Naar rotors
Naar lager
Begrenzer
Olieterugwinningssysteem
Overige
Afvoerleiding
Afblaasleiding
Condensordruktransducer
Drukleiding
Condensor
Elektronisch
expansieventiel
Vloeistofleiding
EXV
Verdamperdruktransducer
Compressor
uitlaattemperatuur
sensor
Olieafscheider
Mengsel vloeibaar/dampvormig
koudemiddel
Afblaasleiding
Zuigleiding
Solenoïde
hoofdolieleiding
Oliecarter
Verdamper
Vulsolenoïde
Handmatige
serviceklep
Optische oliedetector
Olieverwarmingen
Handmatige
serviceklep
Olieretourfilter
RLC-SVX018A-NL
Oliefilter
Olieterugwinning
gaspomp
Optionele oliekoeler
Olie/koudemiddel olieterugwinningssysteem
Aftapsolenoïde
55
Mechanische werkingsprincipes
Oliestroombescherming
De olie stroomt via het smeercircuit van het oliecarter
naar de compressor (afbeelding 18). Als de olie het
oliecarter verlaat, passeert deze een serviceklep, een
oliekoeler (indien gebruikt), oliefilter, de hoofdsolenoïde
en nog een serviceklep. De olie stroomt vervolgens
via twee afzonderlijke wegen, die elk een aparte
functie hebben: (1) lagersmering en -koeling, en (2)
compressorolie-inspuiting. De oliestroom en -kwaliteit
wordt aangetoond door een combinatie van sensoren,
met name een druktransducer en een optische
oliepeilsensor.
Als de oliestroom gehinderd wordt door een verstopt
oliefilter, gesloten serviceklep, defecte hoofdsolenoïde
of een andere bron, leest de oliedruktransducer een
extreem hoge drukdaling (t.o.v. de totale systeemdruk)
in het oliesysteem af en schakelt de koelmachine uit.
Op dezelfde manier kan de optische oliepeilsensor een
tekort aan olie in het primaire oliesysteem constateren
(veroorzaakt door een verkeerde olievulling na
onderhoud of ophoping van olie in andere delen van het
systeem). Deze sensor zorgt ervoor dat de compressor
pas kan starten of draaien als er voldoende olie aanwezig
is. De combinatie van deze twee sensoren, alsmede de
diagnoses voor langdurig lage systeemverschildruk en
lage oververhittingsomstandigheden, kan de compressor
beschermen tegen schade veroorzaakt door zware
bedrijfsomstandigheden, defecten in onderdelen of
verkeerde bediening.
Als de compressor om welke reden dan ook stopt, gaat
de hoofdsolenoïde dicht. Hierdoor wordt de olievulling
in het carter geïsoleerd bij stilstaande compressor.
De olie die efficiënt opgeslagen is in het oliecarter,
is meteen beschikbaar voor de compressor bij het
opstarten. Dergelijke stromen zouden anders ongewenst
olie onttrekken aan leidingen en oliecarter.
56
De Tracer UC800 probeert een minimale
systeemverschildruk te leveren en te bewaken, zodat
de benodigde systeemverschildruk voldoende is om
olie naar de compressor te brengen. Afhankelijk van
de waarden van de druktransducers in verdamper
en condensor wordt de EXV gemoduleerd om de
verdamperdruk te handhaven op minimaal 1,7 bar onder
de condensordruk. Zodra deze minimale waarde bereikt
is, keert de EXV terug naar normale vloeistofpeilregeling
(zie het hoofdstuk "Beschrijving cyclus"). Als het
verschil aanzienlijk lager is dan voorgeschreven,
activeert de unit de betreffende diagnoses en voert
een afkoelingsperiode voor de compressor uit. Aan
de onderkant van het oliecarter zijn verwarmingen
gemonteerd voor een goede smering en minimalisering
van koudemiddelcondensatie in het oliecarter. Een
hulpcontact van de compressorstarter bekrachtigt deze
verwarmingen tijdens de uitcyclus van de compressor
voor een correcte verhoging van de olietemperatuur. Het
verwarmingselement wordt continu bekrachtigd terwijl
de compressor uit is en schakelt onafhankelijk van de
temperatuur.
Oliefilter
Alle Series R koelmachines zijn voorzien van een
oliefilter met verwisselbaar patroon. Het filter houdt
vuildeeltjes tegen die de inwendige olietoevoerleidingen
van de compressor kunnen verstoppen. Het filter
voorkomt bovendien overmatige slijtage van de
compressorrotor en lagervlakken en zorgt voor
een lange gebruiksduur van de lagers. Raadpleeg
het hoofdstuk "Onderhoud" voor het aanbevolen
filtervervangingsinterval.
Olietoevoer compressorlager
De olie wordt ingespoten in het rotorhuis van waaruit de
olie naar de lagergroepen in de motor- en lagerhuizen
wordt geleid. Elk lagerhuis heeft een opening naar de
compressoraanzuigzijde, zodat de olie uit de lagers via
de compressorrotor naar de olieafscheider terugstroomt.
RLC-SVX018A-NL
Mechanische werkingsprincipes
Olietoevoer compressorrotor
De door dit circuit stromende olie komt aan de
onderzijde het compressorrotorhuis binnen. Daar wordt
olie via de rotors ingespoten om de ruimten tussen de
rotors af te dichten en de raaklijn tussen de mannelijke
en vrouwelijke rotors te smeren.
Afbeelding 19 - Gaspomp
Oliekoeler
De oliekoeler is een roestvrijstalen warmtewisselaar
bij het oliefilter. De koeler is ontworpen om ongeveer
3,5 kW warmte van de oliezijde naar de aanzuigzijde
van het systeem over te dragen. Als koelbron wordt
tussengekoelde vloeistof gebruikt. De oliekoeler is nodig
op units die werken met hoge condensatie- of lage
aanzuigtemperaturen. De hoge uitlaattemperaturen in
deze toepassingen verhogen de olietemperatuur tot
boven de aanbevolen grenzen voor correcte smering
en verminderen de viscositeit van de olie.
Terugwinning van smeermiddel
Ondanks het hoge rendement van de olieafscheiders
kan een klein percentage olie doorstromen naar
de condensor en uiteindelijk naar de verdamper.
Deze olie moet worden teruggewonnen en naar het
oliecarter worden teruggeleid. De functie van de
actieve olieterugwinning wordt ondersteund door een
drukpomp ('gaspomp'). De gaspomp net onder de
verdamper is een cilinder met 4 openingen die door
2 solenoïdes wordt geregeld. De pomp zorgt voor de
olieterugwinning in de verdamper naar de compressor
met regelmatige tijdsintervallen. Als het koudemiddel-/
oliemengsel vanaf de onderzijde van de verdamper de
gaspomp binnenkomt, opent een vulsolenoïde zodat de
koudemiddeldamp naar de bovenzijde van de verdamper
kan ontsnappen en vervolgens sluit de solenoïde.
Een tweede solenoïde opent om koudemiddel op
condensordruk naar de gaspomp te sturen. Gelijktijdig
voorkomt een regelventiel dat het mengsel terug kan
keren naar de verdamper. Een vloeibaar koudemiddel/
oliemengsel ontsnapt van de gaspompcilinder en
wordt via een filter naar de compressor geleid. De olie
komt dan samen met de olie die in de compressor is
ingespoten en keert terug naar het oliecarter via de
olieafscheiders.
RLC-SVX018A-NL
57
Opstartprocedures van de unit
Inschakelen
In afbeelding 20 worden de schermen getoond die te
zien zijn tijdens het inschakelen van de hoofdprocessor.
Dit proces duurt 30 tot 50 seconden, afhankelijk van
het aantal geïnstalleerde opties. Bij alle inschakelingen
zal het softwaremodel altijd overschakelen naar de
softwarestatus 'Gestopt', ongeacht de laatste modus
voor uitschakeling. Als de laatste modus voor het
uitschakelen 'Auto' was, wordt overgeschakeld van
'Gestopt' naar 'Starten', maar dit is niet zichtbaar voor
de gebruiker.
Afbeelding 20 - RTHD werkvolgorde: Inschakelen
Er is een geldige
configuratie aanwezig
Applicatie aanwezig.
Zelftest uitvoeren
Tracer UC800
Zelftest afsluiten
(12 seconden)
Toepassen
van
stuurstroom
58
Zelftest
Applicatie starten
(10 - 20 seconden)
Applicatie starten
Laatste
modus, bijv.
'Auto' of
'Gestopt',
zoals
getoond
RLC-SVX018A-NL
Opstartprocedures van de unit
Inschakelen naar starten
Afbeelding 21 toont de tijdsduur van het inschakelen
tot het bekrachtigen van de compressor. De kortste
toelaatbare tijd, 95 seconden, is mogelijk onder de
volgende omstandigheden:
1. Geen blokkering motorherstart
2. Verdamper- en condensorwater stroomt
3. Instelpunt inschakelstartvertraging ingesteld op
0 minuten
4. Instelbare stop-naar-start timer ingesteld op
5 seconden
5. Noodzaak tot koelen
Afbeelding 21 - Inschakelen naar starten
Laatste modus
was 'Auto'
Inschakelen
Voeding
ingeschakeld
UC800
opstarttijd
(25 sec)
Verzoek
om koeling
Wachten
op Start
Auto
Bevestig
verdamper
waterstroom
(6 seconden
filter)
Timer inschakelstartvertraging
uitvoeren (030 min)
Forceren van
Herstart Onderdrukkingstimer
(0-30 minuten)
Wachten
op Start
Wachten
op Start
Condensorwaterstroom
bevestigen
(6 s filter)
Condensorwaterpomp
voordraaien
"Condensorpompstartvertraging"
(0-300 s)
Verdamperwaterpomprelais
bekrachtigen
Condensorwaterstroom
bevestigen binnen
20 minuten
(6 sec. filter)
(0-30 min.)
Condensorwaterpomprelais
bekrachtigen
Condensorwaterstroom
bevestigen binnen
20 minuten
(6 sec. filter)
Wachten op
Start
Wachten op
Start
Start
compressor
"Compressor- Aanwezigheid
van olie
startvertraging "
bevestigen
Startvertraging
met optische
(0-300 sec.)
oliesensor
(0-2 min.)
Bekrachtiging
ontlastklep
EXV voorinstellen
Olieverwarming is
altijd ingeschakeld
als compressor is
uitgeschakeld
Overdrive EXV
open
RLC-SVX018A-NL
59
Opstartprocedures van de unit
Gestopt naar Starten
Het schema 'Gestopt naar starten' toont de tijdsduur
van de modus 'Gestopt' naar het bekrachtigen van de
compressor. De kortste toelaatbare tijd, 60 seconden, is
mogelijk onder de volgende omstandigheden:
1. Geen blokkering motorherstart
2. Verdamper- en condensorwater stroomt
3. Timer inschakelstartvertraging is afgelopen
4. Instelbare stop-naar-start timer is afgelopen
5. Noodzaak tot koelen
Afbeelding 22 - Gestopt naar starten
Koelmachinemodus
ingesteld op AUTO
Verzoek
om koeling
Wachten
op Start
Auto
Gestopt
of bedrijf
verhinderd
Bevestig
verdamper
waterstroom
(6 seconden
filter)
Forceren van
Herstart Onderdrukkingstimer (0-30
minuten)
Wachten
op Start
Bevestig
verdamper
waterstroom
(6 seconden
filter)
"Condensorpompstartvertraging"
(0-300 s)
Verdamperwaterpomprelais
bekrachtigen
Condensorwaterstroom
binnen 20 min
bevestigen (6 s filter)
Wachten
op Start
Condensorwaterpomp
voordraaien
Wachten op
Start
"Compressorstartvertraging "
Startvertraging
(0-300 sec.)
Wachten op
Start
Start
compressor
Aanwezigheid van
olie bevestigen
met optische
oliesensor
(0-2 minuten)
(0-30 min.)
Condensorwaterpomprelais
bekrachtigen
Condensorwaterstroom
binnen 20 min
bevestigen (6 s filter)
Bekrachtiging
ontlastklep
EXV voorinstellen
Olieverwarming is
altijd ingeschakeld
als compressor is
uitgeschakeld
60
RLC-SVX018A-NL
Opstartprocedures van de unit
Beperkingen
De Tracer UC800 beperkt automatisch bepaalde
parameters tijdens het starten en bedrijfsmodi om
optimale prestaties van de koelmachine te kunnen
garanderen en diagnoses voor lawaai te voorkomen.
Deze beperkingen zijn te zien in tabel 9.
Tabel 9 - Begrenzingen
Draaien - beperkt
Koelmachine, circuit en compressor werken, maar de werking van de
koelmachine/compressor wordt actief begrensd door de regelingen. De
submodus geeft meer informatie.
Cap. begrensd door hoge cond. druk
Het circuit ervaart condensordrukken op of vlakbij de begrenzingsinstelling
van de condensor. De compressor wordt ontlast om het overschrijden van de
grenzen te voorkomen.
Cap. begrensd door lage verd. koudem. tmp. Het circuit heeft een verzadigde verdampertemperatuur op of bij het lage
koudemiddeltemperatuur uitschakeling instelpunt. De compressor wordt
ontlast om uitschakeling te voorkomen.
Capaciteit beperkt door laag vloeistofpeil
Het circuit ontdekt een laag koudemiddelvloeistofpeil en de EXV (bijna)
volledig open. De compressor wordt onbelast om uitschakeling te
voorkomen.
Cap. begrensd door hoge stroom
De compressor is in bedrijf en de capaciteit wordt begrensd door hoge
stroomsterkten. De stroomgrensinstelling is 100 % RLA (om uitschakeling
door overstroombeveiliging te voorkomen).
Cap. begrensd door fase-onbalans
De compressor is in bedrijf en de capaciteit wordt begrensd door een
overmatige fasestroomonbalans.
Opmerking: RTHD-units zijn niet ontworpen om langdurig onbelast te werken vanwege de koeling van de motor.
Dit zou kunnen leiden tot blokkerende uitschakeling door de veiligheidssystemen van de motor en de compressor
waarvoor TRANE niet aansprakelijk is.
Seizoengebonden opstartprocedure
van de unit
1. Sluit alle ventielen en breng de pluggen in de
verdamper- en condensatorkoppen weer aan.
2. Onderhoud de randapparatuur volgens de opstart/
onderhoudsvoorschriften van de betreffende
fabrikanten.
3. Ontlucht en vul de koeltoren (indien gebruikt),
alsmede de condensor en leidingen. Zorg ervoor
dat alle lucht uit het systeem is verwijderd
(inclusief elke doorgang). Draai de ontluchters in de
gekoeldwatercircuits van de verdamper dicht.
LET OP: Beschadiging aan de installatie!
Zorg dat de carterverwarming minstens 24 uur in bedrijf
is voordat de unit gestart wordt. Bij het achterwege laten
hiervan kan de installatie worden beschadigd.
6. Controleer de afstelling en werking van de
beveiligingen en bedieningsorganen.
7. Sluit alle hoofdschakelaars.
8. Zie de dagelijkse opstartprocedure voor het vervolg
van de seizoenstart.
4. Draai alle kleppen in de gekoeldwatercircuits open.
5. Als de verdamper eerder werd afgetapt, ontlucht en
vul de verdamper en het gekoeldwatercircuit. Plaats
ontluchtingspluggen in de gekoeldwaterkasten van
de verdamper nadat het systeem volledig ontlucht is
(inclusief elke doorgang).
RLC-SVX018A-NL
61
Opstartprocedures van de unit
Normale uitschakeling naar Gestopt
Het overzicht Normale uitschakeling toont de overgang
van Draaien naar Normale (indirecte) uitschakeling. De
streepjes (------) bovenaan tonen de laatste modus als u
de stop binnenkomt via diverse ingangen.
Afbeelding 23 - Normale uitschakeling (van toepassing op alle uitvoeringen behalve HSE)
EXV gesloten en verdamperpomp
uitschakelvertraging beëindigd
Lokale stop
Gestopt
Normale blokkerende diagnoses
Normale niet-blokkerende diagnoses
Tracer Stop
Bedrijf
verhinderd
Externe auto stop
Voorbereiden stoppen
Uitschakelen
Gestopt
of bedrijf
verhinderd
Uitschakelen
Bedrijf
Bekrachtiging ontlastklep
(40 sec.)
EXV openen
(0-20 sec.)
Bekrachtiging
ontlastklep
EXV openen
(20 sec.)
Uitschakeling
compressor
EXV sluiten
EXV openen
Uitschakeling
condensorwater
pomprelais
Uitschakeling
Uitschakeling solenoide hoofdolieleiding
Bekrachtiging
ontlastklep gedurende
60 min.
Bekrachtiging olieverwarming
Verdamperpomp uitschakelvertragingstijd (0-30 min.)
Uitschakelprocedure bij seizoenstart
Uitschakeling verdamperwaterpomprelais
1. Voer de normale stopprocedure uit met de <Stop>
toets.
3. Tap de condensorleidingen en de koeltoren af, indien
nodig, als vorstbeveiliging. Aangeraden wordt om
een antivriesoplossing (bijv. glycol) te gebruiken als
vorstbeveiliging.
OPMERKING: De hoofdschakelaar op het starterpaneel
mag niet geopend worden. Deze moet gesloten blijven
om stuurspanning van de vermogenstrafo naar de
oliecarterverwarming te leveren.
4. Als voor aftappen gekozen wordt, moeten de aftapen ontluchtingspluggen van de condensorkoppen
verwijderd worden om de condensor te kunnen
aftappen.
2. Zorg dat de gekoeld- en condensorwaterpompen
uitgeschakeld worden. Open, indien nodig, de
hoofdschakelaars naar de pompen.
5. Controleer of de carterverwarming werkt.
62
6. Voer de in de volgende hoofdstukken beschreven
onderhoudswerkzaamheden uit nadat de unit
bedrijfsveilig is.
RLC-SVX018A-NL
Periodiek onderhoud
Overzicht
In dit hoofdstuk worden de preventieve
onderhoudsprocedures en het onderhoudsinterval
van de Series R koelmachine beschreven. Volg het
preventieve onderhoudsprogramma om de units
bedrijfsklaar te houden en optimaal te laten presteren.
Een belangrijk aspect van het onderhoudsprogramma
van de koelmachine is het regelmatig invullen van
het bedieningslogboek. Dit logboek is een waardevol
hulpmiddel om het verloop van bedrijfsomstandigheden
van de koelmachine te volgen.
Wekelijks onderhoud en controle
Controleer de bedrijfsomstandigheden en voer
onderstaande procedures uit nadat de unit ongeveer
30 minuten heeft gewerkt en het systeem is
gestabiliseerd:
OPMERKING: De condensordruk hangt af van de
condensorwatertemperatuur en moet gelijk zijn
aan de verzadigingsdruk van het koudemiddel bij
temperaturen 1 tot 3°C boven de temperatuur uittredend
condensorwater op vollast.
Maandelijks onderhoud en controle
• Controleer het testrapport.
• Reinig alle waterfilters in zowel de gekoeld water en
condenswater buissystemen.
• Meet de drukval over het oliefilter. Vervang het oliefilter
indien nodig. Zie “Serviceprocedures”.
• Meet en noteer de waarden van de subkoeling en de
superverwarming.
• Als de bedrijfsomstandigheden een tekort aan
koelmiddel aangeven, controleer de unit dan op
lekkage met behulp van zeepbellen.
• Vul het testrapport van de koelmachine in.
• Repareer alle lekken.
• Controleer de verdamper- en condensordrukken
met manometers en vergelijk deze met de waarden
op het Clear Language Display. De drukaflezing
moet liggen binnen de grenswaarden in de tabel
Bedieningsvoorwaarden.
• Vul koudemiddel bij in de unit tot deze werkt onder de
condities die in de noot hieronder staan vermeld.
Opmerking: Condensorinlaatwater: 30/35°C en
verdamperwater: 12/7°C.
Tabel 10 - Bedrijfsomstandigheden bij vollast
Beschrijving
Voorwaarde
Verdamperdruk
1,8 - 2,7 bar
Condensatiedruk
8 - 8,5 bar
Afvoer superverwarming
10°C
Subkoelen
3 - 5°C
Percentage expansieventiel open
40 - 50% open in Auto-modus
Alle hierboven beschreven bedrijfsomstandigheden
zijn gebaseerd op een unit die op vollast en
bovengenoemde omstandigheden draait. Als niet
aan de vollastvoorwaarden kan worden voldaan, zie
onderstaande opmerking om de koudemiddelvulling te
corrigeren.
Opmerking: Intredend condensorwater: 30°C en
intredend verdamperwater: 12°C.
RLC-SVX018A-NL
63
Periodiek onderhoud
Tabel 11 - Bedrijfsomstandigheden bij Minimale Belasting
Beschrijving
Voorwaarde
Aanstroomtemperatuur verdamper
*< 4°C (applicaties zonder glycol)
Aanstroomtemperatuur condensor
*< 4°C
Subkoelen
1-2°C
Percentage expansieventiel open
10-20% open
* 0,5°C voor nieuwe unit.
Jaarlijks onderhoud
WAARSCHUWING: Gevaarlijke spanning!
Koppel de elektrische voeding, inclusief hoofdschakelaars
op afstand, los voordat onderhoud uitgevoerd wordt. Volg
de correcte blokkeringsprocedures om te zorgen dat de
voeding niet per ongeluk ingeschakeld kan worden. Als
de voeding niet wordt uitgeschakeld voordat onderhoud
wordt uitgevoerd, kan dit ernstig of dodelijk letsel tot
gevolg hebben.
• Schakel de koelmachine eens per jaar uit en controleer
het volgende:
• Voer alle wekelijkse en maandelijkse
onderhoudsprocedures uit.
• Controleer de koudemiddelvulling en het oliepeil. Zie
“Onderhoudsprocedures”. Het vervangen van olie is
niet nodig in een gesloten systeem.
• Laat een erkend laboratorium de olie analyseren om
het vochtgehalte en de zuurgraad te bepalen.
BELANGRIJK: Vanwege de hygroscopische
eigenschappen van de POE olie moet deze in metalen
bakken bewaard worden. De olie zal water absorberen
als deze in een plastic bak bewaard wordt.
• Controleer de drukval over het oliefilter.
Zie “Onderhoudsprocedures”.
• Vraag een erkend servicecentrum de koelmachine
op lekkages te testen, de veiligheidsinrichtingen en
elektrische onderdelen na te zien.
• Reinig en lak alle delen die tekenen van corrosie
vertonen.
• Controleer de afblaasleidingen van alle
overdrukventielen op resten van koudemiddel voor de
vaststelling van onjuist afgedichte overdrukventielen.
Vervang lekkende overdrukventielen.
• Controleer de condensorleidingen op vervuiling; reinig
deze indien nodig. Zie “Onderhoudsprocedures”.
• Controleer of de carterverwarming werkt.
Overige onderhoudswerkzaamheden
plannen
• Onderwerp de condensor- en verdamperpijpen iedere
drie jaar aan een niet-destructief onderzoek.
OPMERKING: Afhankelijk van de toepassing van de
koelmachine kan het wenselijk zijn dit onderzoek vaker
uit te voeren. Dat geldt in het bijzonder voor kritische
procesapparatuur.
• Vraag een erkend servicecentrum of het, afhankelijk
van de belasting van de koelmachine, nodig is een
volledige revisie van de unit uit te voeren om de
conditie van de compressor en inwendige onderdelen
na te gaan.
• Neem nationale voorschriften in acht voor specifieke
aanwijzingen.
• Controleer alle onderdelen van de leidingen op lekkage
en/of schade. Reinig alle binnenfilters.
64
RLC-SVX018A-NL
Periodiek onderhoud
Bevestigingsblad leverancier
Dit blad moet worden ingevuld door de leverancier en
worden ingestuurd voordat opstartondersteuning aan
Trane Service wordt gevraagd. Het controleblad bevat
een lijst met items die moet worden ingevuld voordat de
machine wordt opgestart.
Bevestigingsblad leverancier
Geadresseerd aan het Trane servicekantoor in:
Projectnaam:
Projectlocatie:
Modelnummer:
Verkoopopdrachtnummer:
Unit
Koelwater
❏ Unit geïnstalleerd
❏ Aangesloten op unit
❏ Trillingsdempers aangebracht
❏ Aangesloten op de koelinstallatie
Gekoeld water
❏ Aangesloten op pompen
❏ Aangesloten op unit
❏ Systeem gespoeld en gevuld
❏ Aangesloten op luchtbehandelingsunit
❏ Werking van de pomp en ontluchting
❏ Aangesloten op pompen
❏ Filters gereinigd
❏ Systeem gespoeld en gevuld
❏ Stromingsschakelaar geïnstalleerd en
gecontroleerd/ingesteld
❏ Werking van de pomp en ontluchting
❏ Afsluiters geïnstalleerd in uittredend water
❏ Filters gereinigd
❏ Thermometers geïnstalleerd in uittredend/
intredend water
❏ Stromingsschakelaar geïnstalleerd en
gecontroleerd/ingesteld
❏ Manometers geïnstalleerd in uittredend/
intredend water
❏ Afsluiters geïnstalleerd in uittredend water
❏ Koelwaterregeling operationeel
❏ Thermometers geïnstalleerd in uittredend/
intredend water
❏ Waterbehandelingsapparatuur
❏ Manometers geïnstalleerd in uittredend/
intredend water
Bedrading
❏ Voedingsspanning aangesloten en beschikbaar
❏ Externe beveiliging aangesloten
Belast
❏ Systeem kan worden gebruikt onder belaste
condities
Daarom vragen wij u om technische ondersteuning ter plaatse d.d.*_____________________.
Checklist ingevuld door____________________________________________________.
Datum____________________________________________________________________.
* Stuur dit ingevulde controleblad zo snel mogelijk naar uw Trane servicekantoor zodat het opstartbezoek kan
worden ingepland. Houd er rekening mee dat vooraf moet worden gemeld wanneer het bezoek zou moeten
plaatsvinden zodat het bezoek zo dicht mogelijk bij de aangevraagde datum kan worden ingepland. Als er meer tijd
nodig is voor het opstarten en instellen als gevolg van een onvolledige installatie zal dit tegen het betreffende tarief
in rekening worden gebracht.
RLC-SVX018A-NL
65
Onderhoudsprocedures
De condensor reinigen
LET OP: Correcte waterbehandeling!
Het gebruik van onbehandeld of onjuist behandeld
water in een RTHD unit kan leiden tot aanslagvorming,
erosie, corrosie, algen- of drabvorming. Er wordt
geadviseerd om de hulp in te roepen van een erkend
waterbehandelingsspecialist om te bepalen welke
waterbehandeling eventueel noodzakelijk is. De fabrikant
sluit elke aansprakelijkheid voor schade uit als de unit
wordt gebruikt met onbehandeld of onjuist behandeld
water of met zout of brak water.
De condensorleidingen zijn vuil als de
“aanstroomtemperatuur” (dit is het verschil
tussen de koudemiddel-condensatietemperatuur
en de wateruittredetemperatuur) groter is dan de
ontwerpwaarde. Standaard watertoepassingen werken
met minder dan 5°C aanstroomtemperatuur. Als de
aanstroomtemperatuur hoger is dan 5°C en nietcondenseerbare stoffen aanwezig zijn in het systeem,
wordt aangeraden om de condensorleidingen te
reinigen.
OPMERKING: Glycol in het watersysteem verdubbelt de
standaard aanstroomtemperatuur.
Als de jaarlijkse controle van de condensorleidingen
uitwijst dat de leidingen vuil zijn, kunnen vuildeeltjes op
twee manieren worden verwijderd. Deze manieren zijn:
De methoden zijn:
Mechanische reiniging leidingen. Deze methode wordt
gebruikt om drab en andere losse materialen uit de
condensorleidingen te verwijderen.
1. Verwijder de bouten van de waterkasten aan
weerszijden van de condensor. Til de waterkasten op
met een hijstakel.
2. Haal een ronde nylon- of koperborstel (aan een stang)
door de waterleidingen van de condensor om het vuil
los te halen.
3. Spoel de condensorpijpen grondig met schoon water.
(Gebruik een bidirectionele borstel of roep de hulp in
van een erkend servicecentrum om inwendig verwijde
leidingen te reinigen)
66
Chemische reinigingsprocedure
Ketelsteen laat zich het best chemisch verwijderen.
Vraag een erkend leverancier van chemicaliën die
op de hoogte is van het gehalte aan mineralen /
chemicaliën van het lokaal toegevoerde water, welke
reinigingsoplossing het meest geschikt is. (Een
standaard condensorwatercircuit bestaat alleen uit
koper, gietijzer en staal.) Onjuiste chemische reiniging
kan de buiswanden beschadigen.
Alle in de reinigingsopstelling gebruikte materialen, de
hoeveelheid reinigingsoplossing, de reinigingsduur en
eventuele voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen moeten
worden goedgekeurd door het reinigingsbedrijf of de
leverancier van de chemicaliën.
OPMERKING: Na de chemische reiniging moeten de
leidingen altijd mechanisch worden gereinigd.
De verdamper reinigen
De verdamper maakt deel uit van een gesloten
gekoeldwatercircuit, zodat drab- of aanslagvorming
minimaal blijft. Als reiniging toch noodzakelijk
blijkt, ga dan op dezelfde manier te werk als voor de
condensorleidingen.
Compressorolie
LET OP: Beschadiging aan de installatie!
Zet de hoofdschakelaar uit alvorens olie uit de
compressor af te tappen, anders kan de carterverwarming
doorbranden.
Trane polyolesterolie is goedgekeurde olie voor de
RTHD units. Polyolesterolie is bijzonder hygroscopisch,
d.w.z. dat de olie snel vocht aantrekt. De olie kan niet
worden opgeslagen in kunststof containers vanwege de
hygroscopische eigenschap. Als er water in het systeem
komt, vormt dit samen met de olie zuren. Gebruik tabel
12 om de juiste olie te bepalen. Trane goedgekeurde
olie voor SE, HE, XE is OIL 048E en OIL 023E, voor
HSE (met AFD) OIL00317. De juiste vulhoeveelheden
staan vermeld op pagina 10. Opmerking: Gebruik een
olieopvoerpomp om de olie te verversen, ongeacht de
koelmachinedruk.
RLC-SVX018A-NL
Onderhoudsprocedures
Tabel 12 - Eigenschappen POE olie
Beschrijving
Aanvaardbare Niveaus
Vochtgehalte
minder dan 300 ppm
Zuurgehalte
(mg KOH/g)
minder dan 0,5 TAN
De minerale olie die gebruikt wordt in RTHA en RTHB units heeft andere toegestane niveaus
(<50 ppm vocht en < 0,05 mg KOH/g)
Oliepeilcontrole
Het oliepeil in het oliecarter kan worden gemeten
voor een indicatie van de systeemolievulling. Volg
onderstaande procedures voor de oliepeilcontrole.
1. Laat de unit 20 minuten lang op vollast draaien.
Opmerking: Als de unit op minimale belasting werkt,
kan het oliecarterpeil dalen tot 50 mm, ver onder het
normale peil van 120 tot 150 mm. Dit komt doordat de
verdamper meer olie vasthoudt bij minimale belasting.
Controleer het oliepeil eerst met de unit draaiend op
vollast voordat olie toegevoegd wordt.
2. Zet de compressor uit.
LET OP: Olielekkage!
De compressor mag nooit bediend worden met de
servicekleppen van het peilglas geopend. Er zal dan
ernstige olielekkage optreden. Sluit de ventielen nadat het
oliepeil gecontroleerd is. Het carter bevindt zich boven de
condensor en de olie kan afgetapt worden.
Afbeelding 24 - Oliepeil in carter bepalen
RLC-SVX018A-NL
67
Onderhoudsprocedures
3. Sluit een 3/8 " of 1//2 " slang met een peilglas (1) in het
midden aan op de olievulklep en het 1/4 " schraeder
ventiel op de bovenkant van de afvoerleiding. Het
proces kan versneld worden door een hogedrukslang
met geschikte fittingen te gebruiken.
4. Nadat de unit 10minuten lang uitgeschakeld is, moet
u het peilglas (1) langs de zijkant van het oliecarter
bewegen.
5. Het peil moet tussen 50 mm en 125 mm van de
onderkant van het oliecarter liggen. Als het peil boven
200 mm lijkt te liggen, is het oliecarter volledig gevuld.
Er is waarschijnlijk nog meer olie aanwezig in het
systeem en er moet wat olie verwijderd worden totdat
het peil daalt tussen 50 en 125 mm in het oliecarter.
6. Wanneer het peil lager is dan 50 mm, is er niet genoeg
olie in het oliecarter. Dit kan veroorzaakt worden
doordat er niet genoeg olie in het systeem zit of dat
olie naar de verdamper is weggelekt. Het weglekken
van olie kan veroorzaakt worden door een lage
koudemiddelvulling, een storing in de gaspomp, etc.
OPMERKING: Controleer de werking van de gaspomp als
de olie in de verdamper zit. Als de gaspomp niet correct
werkt, zal alle olie in de verdamper terecht komen.
7. Nadat het oliepeil bepaald is, moeten de
servicekleppen gesloten en de slang/peilglas
verwijderd worden.
Er mag geen olie verwijderd worden totdat het
koudemiddel geïsoleerd of verwijderd is.
8. Sluit een leiding aan op de olieaftapkraan.
9. Draai de kraan open en laat de gewenste hoeveelheid
olie in de opvangbak wegstromen en draai de vulklep
dicht.
10. Meet de juiste hoeveelheid olie die uit de unit is
verwijderd.
Olie bijvullen
Het is van belang de olieleidingen naar de compressor
te vullen tijdens het vullen van een systeem met olie.
De diagnose “Olieverlies wanneer de compressor
stilstaat” wordt gegenereerd wanneer de olieleidingen
bij opstarten niet volledig gevuld zijn.
Volg onderstaande stappen om het systeem correct met
olie te vullen:
1. Plaats de 1/4" schraderklep tussen de kogelklep en
het oliefilter (of de kogelklep en de oliekoeler indien
aanwezig).
2. Sluit de oliepomp losjes aan op de schraderklep zoals
beschreven bij stap 1.
3. Gebruik de olievulpomp totdat olie bij de
vulklepaansluiting verschijnt; haal vervolgens de
aansluiting aan.
Aftappen van de Compressorolie
Opmerking: De vulklepaansluiting moet luchtdicht zijn
om te voorkomen dat lucht in de olie terecht komt.
De olie in het compressoroliecarter staat onder een
constante positieve druk bij omgevingstemperatuur.
Open het serviceventiel aan de onderzijde van het
oliecarter om de olie te verwijderen en tap de olie af in
een geschikte opvangbak met behulp van onderstaande
procedure:
4. Sluit de kogelklep net boven de schraderklep op de
oliepomp. Hierdoor stroomt de olie eerst door de
olieleidingen naar de compressor in plaats van eerst
naar het oliecarter.
LET OP: POE olie!
Vanwege de hygroscopische eigenschappen van de POE
olie moet deze in metalen bakken bewaard worden. De
olie zal water absorberen als deze in een plastic bak
bewaard wordt.
68
5. Bekrachtig de hoofdsolenoïde.
6. Hierdoor stroomt de olie van de schraderklep naar
de compressor. De leidingen kunnen met ongeveer
7,5 liter olie worden gevuld.
7. Schakel de hoofdsolenoïde uit nadat de eerste 7,5 liter
toegevoegd zijn.
8. Open de kogelafsluiter net boven de schraderklep op
de oliepomp. Hierdoor stroomt de resterende vulling
in het oliecarter.
RLC-SVX018A-NL
Onderhoudsprocedures
9. Controleer de status van de "Oliepeil verliessensor
in het TD7 onder Status compressor. Dit scherm laat
zien of de optische sensor olie waarneemt (nat) of niet
(droog).
Zie Algemene informatie en het typeplaatje van de unit
voor informatie over de olievulling.
OPMERKING: De resterende olievulling kan worden
bijgevuld in de 1/4" service-afsluiter aan de onderzijde
van het carter als een grotere aansluiting wordt gewenst.
2. Haal de druk van de hydraulische leiding met behulp
van de 1/4" schraderklep tussen de kogelafsluiter en
het oliefilter (of de kogelafsluiter en de oliekoeler,
indien aanwezig).
Hoofdoliefilter vervangen
(warme oliefilter)
Het filterelement moet vervangen worden als de
oliestroom voldoende geblokkeerd is. Er kunnen twee
dingen gebeuren: ten eerste kan de koelmachine
vanwege een diagnose “Lage oliestroom” tot stilstand
komen, of de compressor kan via een diagnose
“Olieverlies bij compressor (draait)” stil worden
gezet. Als een van beide diagnoses optreedt, moet het
oliefilter waarschijnlijk worden vervangen. Het oliefilter
is meestal niet de oorzaak van olielekkage bij een
compressordiagnose.
Het filter moet specifiek worden vervangen indien
de drukval tussen de twee servicekleppen in het
smeercircuit het maximale niveau als aangegeven
in afbeelding 25 overschrijdt. Deze grafiek toont het
verband tussen de drukval die wordt gemeten in het
smeercircuit ten opzichte van het werkdrukdifferentieel
van de koelmachine (zoals gemeten door druk in de
condensor en verdamper).
1. Isoleer het oliefilter door de 2 kogelkleppen voor en
achter het filter te sluiten.
3. Gebruik een rubberen hamer om de moer los te halen
die het oliefilterelement op de olieverdeelleiding
bevestigt.
4. Draai de moer in de richting van de klok totdat het
filterelement van de verdeelleiding loskomt.
5. Verwijder het filterelement en meet de exacte
hoeveelheid olie in de filterbak en het element.
6. Plaats de cartridge in de moer nadat de bak met de
juiste hoeveelheid koudemiddelolie is gevuld (zie stap
5). Draai de nieuwe moer linksom en haal deze correct
aan.
7. Sluit de inlaatdrukmeter aan op de olievulklep en
ontlucht het filter tot 500 micron.
8. Vul de olieleiding met de hoeveelheid verwijderde
olie. Open de isolatiekleppen naar het
olietoevoersysteem.
Normale drukverliezen tussen de serviceventielen van
het smeercircuit worden afgebeeld door de onderste
curve. De bovenste curve staat voor de maximaal
toegestaan drukverlies en geeft aan wanneer het
oliefilter moet worden vervangen. Drukverlies dat tussen
de onderste en bovenste curve ligt, wordt als acceptabel
beschouwt.
Indien de koelmachine is voorzien van een oliekoeler, telt
u 35 bar op bij de waarden die worden aangegeven in
afbeelding 25. Als de systeemdruk bijvoorbeeld 550 kPa
bedraagt, is de drukval van het schone filter ongeveer
100 kPa (70 kPa voor een koelmachine met oliekoeler en
een vuil oliefilter; de max. toelaatbare drukval is 190 kPa
(van 160 kPa).
Bij normale bedrijfsvoorwaarden moet het element
worden vervangen na het eerste jaar en vervolgens
indien nodig.
RLC-SVX018A-NL
69
Onderhoudsprocedures
Drukval over het filter
(kPa)
Afbeelding 25 - Grafiek oliefilter vervangen
HP/BP verschil (kPa)
A = Maximale drukval
B = B compressoren
C = C compressoren
D/E = D en E compressoren
70
RLC-SVX018A-NL
Onderhoudsprocedures
Oliefilter gaspomp vervangen
Het filterelement in het gaspompcircuit moet vervangen
worden als de gaspomp de olie niet meer kan
terugbrengen naar de compressor.
Een verdamper die volzit met olie, zal een hoog
vloeistofpeil, lage aanzuigdruk en een hogere dan
normaal aanstroomtemperatuur op de verdamper
hebben als naar de vloeistofpeilsensor gekeken wordt.
Zodra de olie in de verdamper verzameld is, moet deze
handmatig verplaatst worden naar het oliecarter om
lekkages in de hoofdolieleidingen te voorkomen.
Koudemiddelvulling
Bepaal eerst de oorzaak van het koudemiddelverlies
als een lage koudemiddelvulling wordt vermoed. Volg
onderstaande procedures voor het ontluchten en vullen
van de unit als het probleem is opgelost.
Koudemiddelterugwinning
1. Zorg ervoor dat de waterstroom tijdens het gehele
terugwinningsproces in stand blijft in de condensor en
de verdamper.
2. Er zijn aansluitingen op verdamper en condensor
verkrijgbaar om het koudemiddel te verwijderen.
Weeg het verwijderde koudemiddel.
VOORZICHTIG!
Er mag nooit koudemiddel teruggewonnen worden zonder
een nominale waterstroom op de warmtewisselaars
te handhaven tijdens het terugwinningsproces. De
verdamper of condensor kunnen dan namelijk bevriezen.
Dit kan tot ernstige schade aan de unit leiden.
Ontluchten en ontvochtigen
1. Schakel de spanning UIT voor en tijdens het
ontluchten.
2. Sluit de vacuümpomp aan op de 5/8" stekkoppeling
onder aan de verdamper en/of condensor.
3. Verwijder het vocht uit het systeem en breng het
systeem onder 500 micron zodat de unit lekvrij is.
4. Voer minimaal een uur een test uit nadat de unit is
ontlucht. De druk mag niet meer dan 150 micron
bedragen. Als de systeemdruk meer dan 150 microns
bedraagt, is er een lekkage of is er nog steeds vocht in
het systeem.
OPMERKING: Deze test is moeilijker als er nog olie in het
systeem zit. De olie is aromatisch en geeft geuren af die
de druk in het systeem.
Koudemiddel bijvullen
Gebruik de 5/8” stekkoppelingen aan de onderkant van
de verdamper en condensor om koudemiddel bij te
vullen zodra het systeem lekkage- en vochtvrij is. Zie
tabel 2 en het typeplaatje van de unit voor informatie
over de koudemiddelvulling.
Vorstbeveiliging
Neem de juiste beschermende maatregelen
tegen vorst bij bedrijf in een omgeving met lage
temperaturen. Aangepaste instellingen en aanbevolen
ethyleenglycoloplossingen vindt u in tabel 13.
3. Gebruik een "koudemiddel vulmachine" en passende
service cilinders om het teruggewonnen koudemiddel
in op te slaan.
4. Gebruik, afhankelijk van de kwaliteit, het
teruggewonnen koudemiddel om de unit te vullen of
stuur het naar de koudemiddelfabrikant voor recycling
of afvoeren.
RLC-SVX018A-NL
71
Onderhoudsprocedures
Tabel 13 - Lage koudemiddeltemperatuur, ethyleenglycol en instellingen voor vorstbescherming
Onderbreking
uitlaatGekoeld- waterwaterin- tempestelp.
ratuur
BBB, CDE, DDE, EDE*
BCD, CEF, DFF, EFF*
DGG, EGG*
Onderbreking
lage
koudemiddel- EthyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
Onderbreking
lage
koudemiddel- EthyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
Onderbreking
lage
koudemiddel- EthyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
4,4
1,1
-1,9
0
0,0
-1,9
3,9
0,6
-2,7
2
-0,8
-2,4
3,3
0,0
-3,5
4
-1,6
-3,1
2,8
-0,6
-4,3
6
-2,4
2,2
-1,1
-5,2
8
1,7
-1,7
-6,1
1,1
-2,2
0,6
0,0
(°C)
0
0,0
-1,9
0
0,0
1
-0,4
-2,3
0
0,0
3
-1,1
-2,7
2
-0,5
-3,7
5
-1,7
-3,1
3
-1,0
-3,3
-4,3
6
-2,4
-3,5
4
-1,5
11
-4,2
-5,0
8
-3,1
-3,9
6
-2,1
-6,6
12
-4,7
-5,5
10
-3,6
-4,4
7
-2,6
-2,8
-7,1
13
-5,2
-6,1
11
-4,2
-5,0
8
-3,1
-3,3
-7,7
15
-5,8
-6,6
12
-4,7
-5,6
10
-3,7
-0,6
-3,9
-8,3
16
-6,4
-7,3
14
-5,4
-6,3
12
-4,4
-1,1
-4,4
-8,9
17
-7,1
-8,0
15
-6,1
-7,1
13
-5,2
-1,7
-5,0
-9,6
18
-7,7
-8,6
16
-6,7
-7,6
14
-5,7
-2,2
-5,6
-10,2
20
-8,3
-9,2
17
-7,3
-8,1
15
-6,2
-2,8
-6,1
-10,9
21
-9,0
-9,8
18
-7,9
-8,7
16
-6,8
-3,3
-6,7
-11,6
22
-9,7
-10,4
20
-8,5
-9,2
17
-7,3
-3,9
-7,2
-12,3
23
-10,4
-11,1
21
-9,2
-9,8
19
-7,9
-4,4
-7,8
-13,0
24
-11,1
-11,7
22
-9,8
-10,4
20
-8,6
-5,0
-8,3
-13,7
25
-11,8
-12,4
23
-10,5
-11,1
21
-9,2
-5,6
-8,9
-14,5
26
-12,6
-13,1
24
-11,2
-11,7
22
-9,8
-6,1
-9,4
-15,3
27
-13,4
-13,8
25
-11,9
-12,4
23
-10,5
-6,7
-10,0
-16,1
28
-14,2
-14,6
26
-12,7
-13,1
24
-11,2
-7,2
-10,6
-16,9
30
-15,0
-15,3
27
-13,4
-13,7
25
-11,8
-7,8
-11,1
-17,7
31
-15,8
-16,1
29
-14,2
-14,4
26
-12,6
-8,3
-11,7
-18,6
32
-16,7
-16,9
30
-15,0
-15,2
28
-13,3
-8,9
-12,2
-19,4
33
-17,5
-17,7
31
-15,8
-15,9
29
-14,1
-9,4
-12,8
-20,3
33
-18,4
-18,5
32
-16,6
-16,7
30
-14,8
-10,0
-13,3
n.v.t.
34
-19,3
-19,3
33
-17,4
-17,4
31
-15,6
-10,6
-13,9
n.v.t.
35
-20,2
-20,2
34
-18,3
-18,2
32
-16,3
-11,1
-14,4
n.v.t.
36
-21,2
n.v.t.
34
-19,2
-19,1
33
-17,2
-11,7
-15,0
n.v.t.
37
-22,1
n.v.t.
35
-20,1
-19,9
34
-18,0
-12,2
-15,6
n.v.t.
38
-23,1
n.v.t.
36
-20,9
-20,7
34
-18,8
* Zie modelnummer unit, karakters 6, 14, 21
n.v.t. = koelmachine mag niet worden gebruikt bij temperaturen uittredend verdamperwater, wat resulteert in een
LRTC instelling lager dan die in de tabel staan.
72
RLC-SVX018A-NL
Onderhoudsprocedures
Tabel 14 - Lage koudemiddeltemperatuur, propyleenglycol en instellingen voor vorstbescherming
Onderbreking
uitlaatGekoeld- waterwaterin- tempestelp.
ratuur
BBB, CDE, DDE, EDE*
BCD, CEF, DFF, EFF*
DGG, EGG*
Onderbreking
lage
Terugkoude- win %
middel- propyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
Onderbreking
lage
Terugkoude- win %
middel- propyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
Onderbreking
lage
Terugkoude- win %
middel- propyVriestempe- leengly- punt opratuur
col
lossing
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
(°C)
4,4
1,1
-1,9
3,9
0,6
-2,7
0
0
-1,9
3
-0,8
-2,3
3,3
0
-3,7
6
-1,8
2,8
-0,6
-4,7
9
2,2
-1,1
-6
1,7
-1,7
1,1
-2,2
(°C)
0
0
-1,9
0
0
2
-0,4
-1,9
0
0
-3,1
4
-1,2
-2,4
2
-0,5
-2,8
-3,7
6
-1,8
-2,8
3
-0,9
12
-4,1
-4,6
9
-2,7
-3,3
5
-1,4
-7,2
15
-5,3
-5,4
10
-3,5
-3,9
7
-2
-7,7
17
-5,8
-5,9
12
-4
-4,4
8
-2,5
0,6
-2,8
-8,1
18
-6,2
-6,5
14
-4,6
-4,8
10
-2,9
0
-3,3
-8,8
20
-6,9
-7
16
-5,1
-5,5
11
-3,6
-0,6
-3,9
-9,4
21
-7,5
-7,8
17
-5,9
-6,3
13
-4,4
-1,1
-4,4
-10,3
23
-8,4
-8,7
19
-6,8
-7,4
16
-5,5
-1,7
-5
-10,9
24
-9
-9,3
21
-7,4
-7,8
17
-5,9
-2,2
-5,6
-11,5
25
-9,6
-9,9
22
-8
-8,2
19
-6,3
-2,8
-6,1
-12,4
27
-10,5
-10,6
23
-8,7
-8,9
20
-7
-3,3
-6,7
-13,2
28
-11,3
-11,2
25
-9,3
-9,3
21
-7,4
-3,9
-7,2
-14,1
30
-12,2
-12,1
26
-10,2
-10
22
-8,1
-4,4
-7,8
-14,9
31
-13
-12,7
27
-10,8
-10,8
24
-8,9
-5
-8,3
-15,8
32
-13,9
-13,6
29
-11,7
-11,5
25
-9,6
-5,6
-8,9
-16,8
33
-14,9
-14,4
30
-12,5
-12,1
26
-10,2
-6,1
-9,4
-17,9
34
-16
-15,3
31
-13,4
-13
28
-11,1
-6,7
-10
-18,9
36
-17
-16,3
32
-14,4
-13,8
29
-11,9
-7,2
-10,6
-19,9
37
-18
-17,1
34
-15,2
-14,4
30
-12,5
-7,8
-11,1
n.v.t.
38
-19,1
-18,2
35
-16,3
-15,5
32
-13,6
-8,3
-11,7
n.v.t.
40
-20,3
-19,2
36
-17,3
-16,3
33
-14,4
-8,9
-12,2
n.v.t.
41
-21,4
-20,3
38
-18,4
-17,4
34
-15,5
-9,4
-12,8
n.v.t.
42
-22,6
n.v.t.
39
-19,4
-18,2
35
-16,3
-10
-13,3
n.v.t.
43
-23,9
n.v.t.
40
-20,5
-19,3
36
-17,4
-10,6
-13,9
n.v.t.
44
-25,1
n.v.t.
41
-21,7
-20,1
37
-18,2
-11,1
-14,4
n.v.t.
46
-26,6
n.v.t.
43
-23
-21,4
39
-19,5
-11,7
-15
n.v.t.
47
-27,8
n.v.t.
44
-24,2
n.v.t.
40
-20,5
-12,2
-15,6
n.v.t.
48
-29,2
n.v.t.
45
-25,2
n.v.t.
41
-21,5
* Zie modelnummer unit, karakters 6, 14, 21
n.v.t. = koelmachine mag niet worden gebruikt bij temperaturen uittredend verdamperwater, wat resulteert in een
LRTC instelling lager dan die in de tabel staan.
Opmerking 1: deze waarden gelden alleen ter informatie en kunnen verschillen naargelang de configuratie en de
bedrijfsomstandigheden van de unit.
Opmerking 2: Bij het instellen van een ijsproductiesysteem, is het instelpunt van de beëindigen ijsproductie het
intreewater. Trek 3,4°C af van het instelpunt om bovenstaande tabel te gebruiken: Instelpunt gekoeld water (ijsmaken
alleen) = Instelpunt beëindigen ijsproductie - 3,4°C.
RLC-SVX018A-NL
73
Aantekeningen
74
RLC-SVX018A-NL
Aantekeningen
RLC-SVX018A-NL
75
Trane verbetert de prestaties van woningen en gebouwen over de hele wereld. Trane, een onderdeel van Ingersoll
Rand, de marktleider op het gebied van ontwikkeling en handhaving van veilige, comfortabele en energiebesparende
omgevingen, levert een breed aanbod van geavanceerde regelingen en HVAC-systemen, totaaloplossingen voor
gebouwen, diensten en onderdelen. Ga voor meer informatie naar www.Trane.com
Het beleid van Trane richt zich op een continue product- en productgegevensverbetering en Trane behoudt zich het recht voor om
het product te allen tijde zonder voorafgaande kennisgeving te wijzigen.
© 2014 Trane. Alle rechten voorbehouden
RLC-SVX018A-NL mei 2014
Nieuw
Wij drukken milieuvriendelijk op
kringlooppapier om verspilling tegen te gaan.

Vergelijkbare documenten