Gevaar op ongevallen

Commentaren

Transcriptie

Gevaar op ongevallen
EKX 410
Handleiding
51166886
03.10
01.10 -
H
Conformiteitsverklaring
Conformiteitsverklaring
Jungheinrich AG, Am Stadtrand 35, D-22047 Hamburg
Fabrikant of in de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger
Jungheinrich AG, Am Stadtrand 35, D-22047 Hamburg
Fabrikant of in de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger
Type
EKX 410
Optie
Seriennr.
Bouwjaar
Type
EKX 410
Optie
Seriennr.
Bouwjaar
In opdracht van
In opdracht van
Data
Data
H EG-conformiteitsverklaring
H EG-conformiteitsverklaring
Ondergetekenden verklaren hierbij dat het genoemde aangedreven interne transportmiddel voldoet aan de Europese richtlijnen 2006/42/EG (Machinerichtlijn) en
2004/108/EEG (Elektromagnetische Compatibiliteit - EMC), inclusief de wijzigingen
en de betreffende wetgeving voor de omzetting van de richtlijnen in de nationale wetgeving. De afzonderlijke ondertekenaars zijn bevoegd, de technische documenten op
te stellen.
Ondergetekenden verklaren hierbij dat het genoemde aangedreven interne transportmiddel voldoet aan de Europese richtlijnen 2006/42/EG (Machinerichtlijn) en
2004/108/EEG (Elektromagnetische Compatibiliteit - EMC), inclusief de wijzigingen
en de betreffende wetgeving voor de omzetting van de richtlijnen in de nationale wetgeving. De afzonderlijke ondertekenaars zijn bevoegd, de technische documenten op
te stellen.
1009.NL
Aanvullende gegevens
1009.NL
Aanvullende gegevens
1
1
2
2
1009.NL
1009.NL
F
Voorwoord
Voor een veilig gebruik van het interne transportmiddel is kennis nodig, die u in deze
ORIGINELE HANDLEIDING vindt. De informatie is weergegeven in korte,
overzichtelijke vorm. De hoofdstukken zijn alfabetisch gerangschikt. Ieder hoofdstuk
begint met pagina 1. De pagina-aanduiding wordt gevormd door een hoofdstukletter
en paginanummer.
Voorbeeld: pagina B 2 is de tweede pagina in hoofdstuk B.
Voor een veilig gebruik van het interne transportmiddel is kennis nodig, die u in deze
ORIGINELE HANDLEIDING vindt. De informatie is weergegeven in korte,
overzichtelijke vorm. De hoofdstukken zijn alfabetisch gerangschikt. Ieder hoofdstuk
begint met pagina 1. De pagina-aanduiding wordt gevormd door een hoofdstukletter
en paginanummer.
Voorbeeld: pagina B 2 is de tweede pagina in hoofdstuk B.
Deze handleiding beschrijft verscheidene voertuigvarianten. Let er bij de bediening
en de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden op dat u de beschrijving voor het
juiste voertuigtype gebruikt.
Deze handleiding beschrijft verscheidene voertuigvarianten. Let er bij de bediening
en de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden op dat u de beschrijving voor het
juiste voertuigtype gebruikt.
De volgende pictogrammen markeren veiligheidsaanwijzingen en belangrijke uitleg.
De volgende pictogrammen markeren veiligheidsaanwijzingen en belangrijke uitleg.
F
Staat voor veiligheidsinstructies die u moet opvolgen, om gevaren voor mensen te
vermijden.
M
Z
Staat voor instructies die u moet opvolgen, om materiële schade te vermijden.
Staat voor aanwijzingen en toelichting.
Staat voor veiligheidsinstructies die u moet opvolgen, om gevaren voor mensen te
vermijden.
Staat voor instructies die u moet opvolgen, om materiële schade te vermijden.
Staat voor aanwijzingen en toelichting.
t Duidt op de standaarduitvoering.
t Duidt op de standaarduitvoering.
o Duidt op de optionele uitvoering.
o Duidt op de optionele uitvoering.
Onze apparaten worden continu verder ontwikkeld. Wij vragen om uw begrip voor het
feit dat wij een voorbehoud moeten maken voor wijzigingen in vorm, uitrusting en
techniek. Uit de inhoud van deze handleiding kunnen op grond hiervan geen claims
met betrekking tot bepaalde eigenschappen van het apparaat worden afgeleid.
Onze apparaten worden continu verder ontwikkeld. Wij vragen om uw begrip voor het
feit dat wij een voorbehoud moeten maken voor wijzigingen in vorm, uitrusting en
techniek. Uit de inhoud van deze handleiding kunnen op grond hiervan geen claims
met betrekking tot bepaalde eigenschappen van het apparaat worden afgeleid.
Auteursrecht
Auteursrecht
Het auteursrecht voor deze handleiding blijft in het bezit van JUNGHEINRICH AG.
Het auteursrecht voor deze handleiding blijft in het bezit van JUNGHEINRICH AG.
Jungheinrich Aktiengesellschaft
Jungheinrich Aktiengesellschaft
Am Stadtrand 35
22047 Hamburg - DUITSLAND
Am Stadtrand 35
22047 Hamburg - DUITSLAND
Telefoon: +49 (0) 40/6948-0
Telefoon: +49 (0) 40/6948-0
www.jungheinrich.com
www.jungheinrich.com
0108.NL
0108.NL
M
Z
Voorwoord
0108.NL
0108.NL
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
A
Gebruik volgens bestemming
1
2
3
4
5
Algemeen ............................................................................................ A
Gebruik volgens bestemming .............................................................. A
Toegestane gebruiksvoorwaarden ...................................................... A
Verplichtingen van de exploitant ......................................................... A
Aanbouwen van aanbouwapparaten en/of accessoires ...................... A
B
Conformiteitsverklaring
A
Gebruik volgens bestemming
1
2
3
4
5
Algemeen ............................................................................................ A
Gebruik volgens bestemming .............................................................. A
Toegestane gebruiksvoorwaarden ...................................................... A
Verplichtingen van de exploitant ......................................................... A
Aanbouwen van aanbouwapparaten en/of accessoires ...................... A
Beschrijving van het voertuig
B
Beschrijving van het voertuig
1
1.1
2
2.1
3
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
3.7
3.8
3.9
3.10
4
4.1
4.2
4.3
5
Beschrijving van het gebruik ............................................................... B 1
Bepaling van de rijrichting ................................................................... B 2
Beschrijving van bouwgroepen en functies ......................................... B 2
Intern transportmiddel - functiebeschrijving ........................................ B 4
Technische gegevens van de standaarduitvoering ............................. B 7
Vermogensgegevens .......................................................................... B 7
Afmetingen (volgens typeblad) ........................................................... B 9
Hefmastuitvoering ............................................................................... B 12
Standaard hefmastuitvoering met telescoopmast (ZT) ...................... B 12
Motorgegevens ................................................................................... B 12
Gewichten ........................................................................................... B 13
Wielen, chassis ................................................................................... B 16
EN-normen .......................................................................................... B 16
Gebruiksvoorwaarden ......................................................................... B 17
Elektrische eisen ................................................................................. B 17
Gemarkeerde punten en typeplaatjes ................................................. B 18
Typeplaatje, voertuig ........................................................................... B 20
Hefcapaciteitplaatje van het interne transportmiddel .......................... B 21
Hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat (o) ............................ B 22
Stabiliteit .............................................................................................. B 22
1
1.1
2
2.1
3
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
3.7
3.8
3.9
3.10
4
4.1
4.2
4.3
5
Beschrijving van het gebruik ............................................................... B 1
Bepaling van de rijrichting ................................................................... B 2
Beschrijving van bouwgroepen en functies ......................................... B 2
Intern transportmiddel - functiebeschrijving ........................................ B 4
Technische gegevens van de standaarduitvoering ............................. B 7
Vermogensgegevens .......................................................................... B 7
Afmetingen (volgens typeblad) ........................................................... B 9
Hefmastuitvoering ............................................................................... B 12
Standaard hefmastuitvoering met telescoopmast (ZT) ...................... B 12
Motorgegevens ................................................................................... B 12
Gewichten ........................................................................................... B 13
Wielen, chassis ................................................................................... B 16
EN-normen .......................................................................................... B 16
Gebruiksvoorwaarden ......................................................................... B 17
Elektrische eisen ................................................................................. B 17
Gemarkeerde punten en typeplaatjes ................................................. B 18
Typeplaatje, voertuig ........................................................................... B 20
Hefcapaciteitplaatje van het interne transportmiddel .......................... B 21
Hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat (o) ............................ B 22
Stabiliteit .............................................................................................. B 22
C
Transport en eerste inbedrijfstelling
C
Transport en eerste inbedrijfstelling
1
2
2.1
Transport ............................................................................................. C 1
Verladen met een kraan ...................................................................... C 2
Verladen van het basisvoertuig met behulp van kraan,
bij gemonteerde hefmast ..................................................................... C 2
Kraanpunten ........................................................................................ C 3
Verladen van de batterij met een kraan .............................................. C 4
Voertuig vastzetten wanneer het zelf wordt vervoerd ......................... C 5
Transportbeveiliging basistoestel ........................................................ C 6
Transportbeveiliging hefmast .............................................................. C 8
Transportbeveiliging voertuig met gemonteerde hefmast ................... C 10
1
2
2.1
Transport ............................................................................................. C 1
Verladen met een kraan ...................................................................... C 2
Verladen van het basisvoertuig met behulp van kraan,
bij gemonteerde hefmast ..................................................................... C 2
Kraanpunten ........................................................................................ C 3
Verladen van de batterij met een kraan .............................................. C 4
Voertuig vastzetten wanneer het zelf wordt vervoerd ......................... C 5
Transportbeveiliging basistoestel ........................................................ C 6
Transportbeveiliging hefmast .............................................................. C 8
Transportbeveiliging voertuig met gemonteerde hefmast ................... C 10
2.2
2.3
3
3.1
3.2
3.3
1
1
2
2
2
1109.NL
1109.NL
Conformiteitsverklaring
I1
2.2
2.3
3
3.1
3.2
3.3
1
1
2
2
2
I1
4
4.1
4.2
5
Eerste inbedrijfstelling ......................................................................... C 11
Voertuig verplaatsen zonder batterij ................................................... C 11
Hefmast monteren en demonteren ..................................................... C 11
Inbedrijfstelling .................................................................................... C 12
4
4.1
4.2
5
Eerste inbedrijfstelling ......................................................................... C 11
Voertuig verplaatsen zonder batterij ................................................... C 11
Hefmast monteren en demonteren ..................................................... C 11
Inbedrijfstelling .................................................................................... C 12
D
Batterij - onderhouden, opladen, vervangen
D
Batterij - onderhouden, opladen, vervangen
1
2
2.1
3
4
5
6
7
Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen ................. D 1
Batterijtypen ........................................................................................ D 2
Afmetingen van de batterijruimte ........................................................ D 3
Batterij vrijmaken ................................................................................. D 4
Batterij laden ....................................................................................... D 5
Batterij demonteren en monteren ........................................................ D 8
Batterij - toestand en zuurstand controleren ....................................... D 12
Laadindicatie voor batterij ................................................................... D 12
1
2
2.1
3
4
5
6
7
Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen ................. D 1
Batterijtypen ........................................................................................ D 2
Afmetingen van de batterijruimte ........................................................ D 3
Batterij vrijmaken ................................................................................. D 4
Batterij laden ....................................................................................... D 5
Batterij demonteren en monteren ........................................................ D 8
Batterij - toestand en zuurstand controleren ....................................... D 12
Laadindicatie voor batterij ................................................................... D 12
E
Bediening
E
Bediening
I2
1
Veiligheidsvoorschriften voor gebruik van het interne
transportmiddel ................................................................................... E 1
2
Beschrijving van de bedienings- en displayelementen ....................... E 3
2.1 Bedienings- en displayelementen op het bedieningspaneel ............... E 3
2.2 Symbolen en knoppen in het onderste gedeelte ................................. E 10
2.3 Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig .......................... E 14
3
Voertuig in gebruik nemen .................................................................. E 15
3.1 Het interne transportmiddel betreden en verlaten ............................... E 16
3.2 Bestuurdersplaats inrichten ................................................................. E 17
3.3 Bestuurderstoel instellen ..................................................................... E 17
3.4 Neiginstelling van het bedieningspaneel ............................................. E 17
3.5 Hoogte-instelling van het bedieningspaneel ....................................... E 17
3.6 Bedrijfsgereedheid realiseren ............................................................. E 18
3.7 Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra
toegangscode (o) ............................................................................... E 18
3.8 ISM-toegangsmodule (o) ................................................................... E 20
3.9 Controles en handelingen na realisatie van
de bedrijfsgereedheid .......................................................................... E 20
3.10 Afstellen van de hoofdhef en de extra hef ........................................... E 22
3.11 Klok instellen ....................................................................................... E 24
4
Werken met het interne transportmiddel ............................................. E 25
4.1 Veiligheidsregels voor het rijden ......................................................... E 25
4.2 NOODSTOP-schakelaar, rijden, sturen, remmen ............................... E 29
4.3 Rijden in smalle gangen ...................................................................... E 32
4.4 Diagonaal rijden .................................................................................. E 36
4.5 Heffen, dalen, schuiven en draaien buiten de stellingpaden ............... E 37
4.6 Heffen, dalen, schuiven en draaien binnen de stellingpaden .............. E 44
4.7 Orderpicken en stapelen ..................................................................... E 45
4.8 Opnemen, transporteren en neerzetten van lasten ............................. E 48
4.9 Voertuig veilig parkeren ...................................................................... E 53
I2
1109.NL
Veiligheidsvoorschriften voor gebruik van het interne
transportmiddel ................................................................................... E 1
2
Beschrijving van de bedienings- en displayelementen ....................... E 3
2.1 Bedienings- en displayelementen op het bedieningspaneel ............... E 3
2.2 Symbolen en knoppen in het onderste gedeelte ................................. E 10
2.3 Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig .......................... E 14
3
Voertuig in gebruik nemen .................................................................. E 15
3.1 Het interne transportmiddel betreden en verlaten ............................... E 16
3.2 Bestuurdersplaats inrichten ................................................................. E 17
3.3 Bestuurderstoel instellen ..................................................................... E 17
3.4 Neiginstelling van het bedieningspaneel ............................................. E 17
3.5 Hoogte-instelling van het bedieningspaneel ....................................... E 17
3.6 Bedrijfsgereedheid realiseren ............................................................. E 18
3.7 Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra
toegangscode (o) ............................................................................... E 18
3.8 ISM-toegangsmodule (o) ................................................................... E 20
3.9 Controles en handelingen na realisatie van
de bedrijfsgereedheid .......................................................................... E 20
3.10 Afstellen van de hoofdhef en de extra hef ........................................... E 22
3.11 Klok instellen ....................................................................................... E 24
4
Werken met het interne transportmiddel ............................................. E 25
4.1 Veiligheidsregels voor het rijden ......................................................... E 25
4.2 NOODSTOP-schakelaar, rijden, sturen, remmen ............................... E 29
4.3 Rijden in smalle gangen ...................................................................... E 32
4.4 Diagonaal rijden .................................................................................. E 36
4.5 Heffen, dalen, schuiven en draaien buiten de stellingpaden ............... E 37
4.6 Heffen, dalen, schuiven en draaien binnen de stellingpaden .............. E 44
4.7 Orderpicken en stapelen ..................................................................... E 45
4.8 Opnemen, transporteren en neerzetten van lasten ............................. E 48
4.9 Voertuig veilig parkeren ...................................................................... E 53
1109.NL
1
5
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
5.8
5.9
6
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
7
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
Storingshulp ........................................................................................ E 54
NOODSTOP-inrichting ........................................................................ E 56
Nooddalen bestuurderscabine/ extra hef ............................................ E 56
De valketting-beveiliging overbruggen ................................................ E 58
Rijuitschakeling overbruggen (o) ....................................................... E 59
Hefuitschakeling overbruggen (o) ...................................................... E 60
Daaluitschakeling overbruggen (o) .................................................... E 62
Gangeindebeveiliging (o) ................................................................... E 64
IG-noodbedrijf (error I144) .................................................................. E 66
Het voertuig uit de smalle gang bergen / het voertuig
verplaatsen zonder batterij .................................................................. E 67
De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting .................. E 72
Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine ......... E 73
Inspectie / onderhoud van de reddingsuitrusting ................................ E 73
Gebruiksduur van de reddingsuitrusting ............................................. E 74
Opslag en transport van de reddingsuitrusting ................................... E 75
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (- 07.09) ............. E 76
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (07.09 -) ............. E 91
Optionele uitvoering ............................................................................ E 107
Achteruitkijkspiegel (o) ....................................................................... E 107
Brandblusser (o) ................................................................................ E 108
Meerijmodus (in de bestuurderscabine) (o) ....................................... E 109
Bedrijf met veiligheidskooi (o) ............................................................ E 111
Weegfunctie (o) .................................................................................. E 115
6
6.1
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
7
7.1
7.2
7.3
7.4
7.5
Storingshulp ........................................................................................ E 54
NOODSTOP-inrichting ........................................................................ E 56
Nooddalen bestuurderscabine/ extra hef ............................................ E 56
De valketting-beveiliging overbruggen ................................................ E 58
Rijuitschakeling overbruggen (o) ....................................................... E 59
Hefuitschakeling overbruggen (o) ...................................................... E 60
Daaluitschakeling overbruggen (o) .................................................... E 62
Gangeindebeveiliging (o) ................................................................... E 64
IG-noodbedrijf (error I144) .................................................................. E 66
Het voertuig uit de smalle gang bergen / het voertuig
verplaatsen zonder batterij .................................................................. E 67
De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting .................. E 72
Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine ......... E 73
Inspectie / onderhoud van de reddingsuitrusting ................................ E 73
Gebruiksduur van de reddingsuitrusting ............................................. E 74
Opslag en transport van de reddingsuitrusting ................................... E 75
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (- 07.09) ............. E 76
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (07.09 -) ............. E 91
Optionele uitvoering ............................................................................ E 107
Achteruitkijkspiegel (o) ....................................................................... E 107
Brandblusser (o) ................................................................................ E 108
Meerijmodus (in de bestuurderscabine) (o) ....................................... E 109
Bedrijf met veiligheidskooi (o) ............................................................ E 111
Weegfunctie (o) .................................................................................. E 115
F
Revisie van het interne transportmiddel
F
Revisie van het interne transportmiddel
1
2
3
4
4.1
5
5.1
5.2
6
6.1
Bedrijfsveiligheid en milieubescherming ............................................. F 1
Veiligheidsvoorschriften voor de revisie .............................................. F 1
Onderhoud en inspectie ...................................................................... F 7
Onderhoudscontrolelijst EKX .............................................................. F 8
Smeerschema ..................................................................................... F 11
Bedrijfsmiddelen en smeerschema ..................................................... F 12
Veilig werken met bedrijfsmiddelen ..................................................... F 12
Bedrijfsmiddelen .................................................................................. F 15
Beschrijving van de onderhouds- en revisiewerkzaamheden ............. F 16
Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en
revisiewerkzaamheden ....................................................................... F 16
Bestuurdersplaatsdrager borgen ......................................................... F 17
Onderhoud van de hefketting .............................................................. F 19
Hefkettingen insmeren, loopvlakken in de hefmastprofielen
reinigen en invetten ............................................................................. F 20
Inspectie van de hefketting ................................................................. F 22
Hydraulische slangleidingen ............................................................... F 23
Aandrijvingskap demonteren / monteren ............................................ F 24
1
2
3
4
4.1
5
5.1
5.2
6
6.1
Bedrijfsveiligheid en milieubescherming ............................................. F 1
Veiligheidsvoorschriften voor de revisie .............................................. F 1
Onderhoud en inspectie ...................................................................... F 7
Onderhoudscontrolelijst EKX .............................................................. F 8
Smeerschema ..................................................................................... F 11
Bedrijfsmiddelen en smeerschema ..................................................... F 12
Veilig werken met bedrijfsmiddelen ..................................................... F 12
Bedrijfsmiddelen .................................................................................. F 15
Beschrijving van de onderhouds- en revisiewerkzaamheden ............. F 16
Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en
revisiewerkzaamheden ....................................................................... F 16
Bestuurdersplaatsdrager borgen ......................................................... F 17
Onderhoud van de hefketting .............................................................. F 19
Hefkettingen insmeren, loopvlakken in de hefmastprofielen
reinigen en invetten ............................................................................. F 20
Inspectie van de hefketting ................................................................. F 22
Hydraulische slangleidingen ............................................................... F 23
Aandrijvingskap demonteren / monteren ............................................ F 24
6.2
6.3
6.4
6.5
6.6
6.7
1109.NL
6.5
6.6
6.7
6.2
6.3
6.4
1109.NL
5
5.1
5.2
5.3
5.4
5.5
5.6
5.7
5.8
5.9
I3
I3
I4
1109.NL
6.8 Peil hydraulische olie controleren ....................................................... F 25
6.9 Elektrische zekeringen controleren ..................................................... F 28
6.10 Weer in gebruik nemen van intern transportmiddel
na reinigings- of onderhoudswerkzaamheden .................................... F 30
7
Het interne transportmiddel stilleggen ................................................. F 32
7.1 Maatregelen vóór de stillegging .......................................................... F 33
7.2 Maatregelen tijdens de stillegging ....................................................... F 33
7.3 Intern transportmiddel na de stillegging weer in gebruik
nemen ................................................................................................. F 34
8
Veiligheidstest na een bepaalde tijd en bij buitengewone
gebeurtenissen .................................................................................... F 35
9
Definitief buiten bedrijf stellen, afvoeren ............................................. F 35
10
Meting van lichaamstrillingen .............................................................. F 35
1109.NL
6.8 Peil hydraulische olie controleren ....................................................... F 25
6.9 Elektrische zekeringen controleren ..................................................... F 28
6.10 Weer in gebruik nemen van intern transportmiddel
na reinigings- of onderhoudswerkzaamheden .................................... F 30
7
Het interne transportmiddel stilleggen ................................................. F 32
7.1 Maatregelen vóór de stillegging .......................................................... F 33
7.2 Maatregelen tijdens de stillegging ....................................................... F 33
7.3 Intern transportmiddel na de stillegging weer in gebruik
nemen ................................................................................................. F 34
8
Veiligheidstest na een bepaalde tijd en bij buitengewone
gebeurtenissen .................................................................................... F 35
9
Definitief buiten bedrijf stellen, afvoeren ............................................. F 35
10
Meting van lichaamstrillingen .............................................................. F 35
I4
Bijlage
Gebruiksaanwijzing JH-tractiebatterij
Gebruiksaanwijzing JH-tractiebatterij
Z
Deze gebruiksaanwijzing is alleen voor batterijtypen van het merk Jungheinrich
toegestaan. Indien andere merken gebruikt worden moeten de gebruiksaanwijzingen
van deze fabrikant nageleefd worden.
0506.NL
Deze gebruiksaanwijzing is alleen voor batterijtypen van het merk Jungheinrich
toegestaan. Indien andere merken gebruikt worden moeten de gebruiksaanwijzingen
van deze fabrikant nageleefd worden.
0506.NL
Z
Bijlage
1
1
2
2
0605.NL
0605.NL
A Gebruik volgens bestemming
A Gebruik volgens bestemming
1
1
Algemeen
Het in deze handleiding beschreven interne transportmiddel is geschikt voor het
heffen, neerlaten en vervoeren van lasten.
Het interne transportmiddel moet volgens de aanwijzingen in deze handleiding
worden gebruikt, bediend en onderhouden. Een ander gebruik is niet volgens de
bestemming en kan leiden tot lichamelijk letsel, beschadiging van het interne
transportmiddel of andere materiële schade.
Algemeen
Het in deze handleiding beschreven interne transportmiddel is geschikt voor het
heffen, neerlaten en vervoeren van lasten.
Het interne transportmiddel moet volgens de aanwijzingen in deze handleiding
worden gebruikt, bediend en onderhouden. Een ander gebruik is niet volgens de
bestemming en kan leiden tot lichamelijk letsel, beschadiging van het interne
transportmiddel of andere materiële schade.
2
Gebruik volgens bestemming
2
Gebruik volgens bestemming
Z
De maximaal op te nemen last en de maximaal toegestane lastafstand zijn
aangegeven op het lastdiagram. Deze mogen niet worden overschreden.
De last moet op het lastopnamemiddel liggen of worden opgenomen met een door de
producent toegestaan aanbouwapparaat.
De last moet tegen de rug van de vorkdrager en in het midden tussen de lastvorken
liggen.
Z
De maximaal op te nemen last en de maximaal toegestane lastafstand zijn
aangegeven op het lastdiagram. Deze mogen niet worden overschreden.
De last moet op het lastopnamemiddel liggen of worden opgenomen met een door de
producent toegestaan aanbouwapparaat.
De last moet tegen de rug van de vorkdrager en in het midden tussen de lastvorken
liggen.
– Heffen, neerlaten en orderpicken van lasten.
– De last buiten de smalle gang zo laag mogelijk boven de vloer transporten, daarbij
rekening houden met de bodemvrijheid.
– Vervoeren en heffen van personen is verboden.
– Schuiven of trekken van lasten is verboden.
– Rijden op hellingen is verboden.
– Rijden op laadplatforms/laadbruggen is verboden.
– Slepen van aanhangers is verboden.
– Transporteren van pendelende lasten is verboden.
1109.NL
1109.NL
– Heffen, neerlaten en orderpicken van lasten.
– De last buiten de smalle gang zo laag mogelijk boven de vloer transporten, daarbij
rekening houden met de bodemvrijheid.
– Vervoeren en heffen van personen is verboden.
– Schuiven of trekken van lasten is verboden.
– Rijden op hellingen is verboden.
– Rijden op laadplatforms/laadbruggen is verboden.
– Slepen van aanhangers is verboden.
– Transporteren van pendelende lasten is verboden.
A1
A1
F
Z
Toegestane gebruiksvoorwaarden
3
F
De toegestane vlak- en puntbelastingen van de rijwegen mogen niet worden
overschreden.
Op onoverzichtelijke plaatsen moet een tweede persoon instructies geven.
Z
Het interne transportmiddel mag niet in vuurgevaarlijke, explosiegevaarlijke en
corrosie veroorzakende of zeer stoffige omgevingen worden gebruikt. Bovendien
mag het interne transportmiddel niet in de buurt van onbeschermde onder stroom
staande onderdelen van elektrische installaties worden gebruikt.
–
–
–
–
Gebruik in industriële en bedrijfsomgeving.
Toegestaan temperatuurbereik +5 °C tot +40 °C.
Gebruik enkel op effen vloeren volgens DIN 15185 deel 1.
Veiligheidsafstanden tussen intern transportmiddel en stelling volgens EN 1726-2
punt 7.3.2.
– Ten minste 100 mm veiligheidsafstand tussen railgeleid intern transportmiddel en
stelling.
– Ten minste 125 mm veiligheidsafstand tussen inductief geleid intern
transportmiddel en stelling.
Toegestane gebruiksvoorwaarden
De toegestane vlak- en puntbelastingen van de rijwegen mogen niet worden
overschreden.
Op onoverzichtelijke plaatsen moet een tweede persoon instructies geven.
Het interne transportmiddel mag niet in vuurgevaarlijke, explosiegevaarlijke en
corrosie veroorzakende of zeer stoffige omgevingen worden gebruikt. Bovendien
mag het interne transportmiddel niet in de buurt van onbeschermde onder stroom
staande onderdelen van elektrische installaties worden gebruikt.
–
–
–
–
Gebruik in industriële en bedrijfsomgeving.
Toegestaan temperatuurbereik +5 °C tot +40 °C.
Gebruik enkel op effen vloeren volgens DIN 15185 deel 1.
Veiligheidsafstanden tussen intern transportmiddel en stelling volgens EN 1726-2
punt 7.3.2.
– Ten minste 100 mm veiligheidsafstand tussen railgeleid intern transportmiddel en
stelling.
– Ten minste 125 mm veiligheidsafstand tussen inductief geleid intern
transportmiddel en stelling.
Z
Bij gebruik onder extreme voorwaarden resp. ATEX-zones is voor het interne
transportmiddel een speciale uitrusting en toelating vereist.
Z
Bij gebruik onder extreme voorwaarden resp. ATEX-zones is voor het interne
transportmiddel een speciale uitrusting en toelating vereist.
4
Verplichtingen van de exploitant
4
Verplichtingen van de exploitant
Exploitant in de zin van deze handleiding is iedere natuurlijke persoon of
rechtspersoon die het interne transportmiddel zelf gebruikt of in wiens opdracht het
wordt gebruikt. In bijzondere situaties (bijvoorbeeld leasen of huren) is de exploitant
de persoon die volgens de bestaande overeenkomst tussen eigenaar en gebruiker
van het interne transportmiddel de genoemde verplichtingen tijdens het gebruik moet
waarnemen.
De exploitant moet ervoor zorgen dat het interne transportmiddel uitsluitend volgens
de bestemming wordt gebruikt en dat allerlei soorten gevaren voor leven en
gezondheid van de gebruiker en derden worden vermeden. Bovendien moet hij de
naleving
van
de
voorschriften
voor
ongevallenpreventie,
overige
veiligheidstechnische regels en de gebruiks-, onderhouds- en revisierichtlijnen
bewaken. De exploitant moet kunnen garanderen dat alle gebruikers deze
handleiding hebben gelezen en begrepen.
Exploitant in de zin van deze handleiding is iedere natuurlijke persoon of
rechtspersoon die het interne transportmiddel zelf gebruikt of in wiens opdracht het
wordt gebruikt. In bijzondere situaties (bijvoorbeeld leasen of huren) is de exploitant
de persoon die volgens de bestaande overeenkomst tussen eigenaar en gebruiker
van het interne transportmiddel de genoemde verplichtingen tijdens het gebruik moet
waarnemen.
De exploitant moet ervoor zorgen dat het interne transportmiddel uitsluitend volgens
de bestemming wordt gebruikt en dat allerlei soorten gevaren voor leven en
gezondheid van de gebruiker en derden worden vermeden. Bovendien moet hij de
naleving
van
de
voorschriften
voor
ongevallenpreventie,
overige
veiligheidstechnische regels en de gebruiks-, onderhouds- en revisierichtlijnen
bewaken. De exploitant moet kunnen garanderen dat alle gebruikers deze
handleiding hebben gelezen en begrepen.
Z
Bij het niet naleven van deze handleiding vervalt onze garantie. De garantie vervalt
ook wanneer de klant en / of derden onvakkundige werkzaamheden aan het object
verrichten, zonder toestemming van de producent.
Z
Bij het niet naleven van deze handleiding vervalt onze garantie. De garantie vervalt
ook wanneer de klant en / of derden onvakkundige werkzaamheden aan het object
verrichten, zonder toestemming van de producent.
5
Aanbouwen van aanbouwapparaten en/of accessoires
5
Aanbouwen van aanbouwapparaten en/of accessoires
A2
De aan- of inbouw van extra inrichtingen, waarmee de functies van het interne
transportmiddel worden beïnvloed of waarmee deze functies worden uitgebreid, is
uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van de producent. Eventueel
moet u toestemming van de plaatselijke autoriteiten hebben.
De toestemming van autoriteiten vervangt echter niet de toestemming van de
producent.
1109.NL
De aan- of inbouw van extra inrichtingen, waarmee de functies van het interne
transportmiddel worden beïnvloed of waarmee deze functies worden uitgebreid, is
uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van de producent. Eventueel
moet u toestemming van de plaatselijke autoriteiten hebben.
De toestemming van autoriteiten vervangt echter niet de toestemming van de
producent.
A2
1109.NL
3
B Beschrijving van het voertuig
B Beschrijving van het voertuig
1
1
Beschrijving van het gebruik
De EKX is een meerwegtruck met elektrische aandrijving, voor het orderpicken. Hij is
bestemd voor het transporteren en orderpicken van goederen op een effen vloer,
volgens DIN 15185 deel 1.
De EKX is een meerwegtruck met elektrische aandrijving, voor het orderpicken. Hij is
bestemd voor het transporteren en orderpicken van goederen op een effen vloer,
volgens DIN 15185 deel 1.
U kunt pallets met open bodemsteunen of met dwarslatten buiten het bereik van de
lastwielen of rolwagens opnemen. Er kunnen lasten worden in- en uitgestapeld en
over langere trajecten worden getransporteerd.
U kunt pallets met open bodemsteunen of met dwarslatten buiten het bereik van de
lastwielen of rolwagens opnemen. Er kunnen lasten worden in- en uitgestapeld en
over langere trajecten worden getransporteerd.
De bestuurderscabine wordt daarbij samen met het lastopnamemiddel geheven,
zodat de betreffende vakhoogten dichtbij zijn en u goed zicht op deze vakken hebt.
De bestuurderscabine wordt daarbij samen met het lastopnamemiddel geheven,
zodat de betreffende vakhoogten dichtbij zijn en u goed zicht op deze vakken hebt.
De stellinginstallatie moeten zijn ingericht voor de EKX. De door Jungheinrich
verplicht gestelde en voorgeschreven veiligheidsafstanden (bijv. EN 1726-2
punt 7.3.2) moeten beslist aangehouden worden.
De stellinginstallatie moeten zijn ingericht voor de EKX. De door Jungheinrich
verplicht gestelde en voorgeschreven veiligheidsafstanden (bijv. EN 1726-2
punt 7.3.2) moeten beslist aangehouden worden.
– Bij railgeleide interne transportmiddelen dient er een veiligheidsafstand van ten
minste 100 mm tussen de stelling en het interne transportmiddel te worden
aangehouden.
– Bij inductief geleide interne transportmiddelen mag de veiligheidsafstand van
125 mm tussen de stelling en het interne transportmiddel niet worden
onderschreden. De veiligheidsafstand kan bij gebruik van speciale
aanbouwapparaten echter groter worden.
– Bij railgeleide interne transportmiddelen dient er een veiligheidsafstand van ten
minste 100 mm tussen de stelling en het interne transportmiddel te worden
aangehouden.
– Bij inductief geleide interne transportmiddelen mag de veiligheidsafstand van
125 mm tussen de stelling en het interne transportmiddel niet worden
onderschreden. De veiligheidsafstand kan bij gebruik van speciale
aanbouwapparaten echter groter worden.
Z
De vloer moet voldoen aan DIN 15185 deel 1.
Voor het railgeleidingsysteem (RG) moeten in de smalle gangen geleiderails
aanwezig zijn. De Vulkollan geleidingsrollen die aan het voertuigframe zijn
vastgeschroefd, geleiden het interne transportmiddel tussen de geleiderails.
De vloer moet voldoen aan DIN 15185 deel 1.
Voor het railgeleidingsysteem (RG) moeten in de smalle gangen geleiderails
aanwezig zijn. De Vulkollan geleidingsrollen die aan het voertuigframe zijn
vastgeschroefd, geleiden het interne transportmiddel tussen de geleiderails.
Voor het inductieve geleidingsysteem (IG) moet in de vloer geleidedraad zijn gelegd,
waarbij de sensoren in het voertuigframe deze signalen “lezen” en de
voertuigcomputer deze verwerkt.
Voor het inductieve geleidingsysteem (IG) moet in de vloer geleidedraad zijn gelegd,
waarbij de sensoren in het voertuigframe deze signalen “lezen” en de
voertuigcomputer deze verwerkt.
De hefcapaciteit is vermeld op het typeplaatje.
De hefcapaciteit is vermeld op het typeplaatje.
Hefcapaciteit
1000 kg
Lastzwaartepunt
600 mm
Type
EKX 410
0310.NL
Type
EKX 410
Hefcapaciteit
1000 kg
Lastzwaartepunt
600 mm
0310.NL
Z
Beschrijving van het gebruik
B1
B1
1.1
Bepaling van de rijrichting
1.1
De rijrichtingen worden als volgt aangegeven:
Bepaling van de rijrichting
De rijrichtingen worden als volgt aangegeven:
links
links
aandrijfrichting
lastrichting
aandrijfrichting
lastrichting
rechts
2
rechts
Beschrijving van bouwgroepen en functies
2
Beschrijving van bouwgroepen en functies
2
2
1
16 15 14
13
12
3
4
4
5
6
5
6
7
8
7
8
9
9
10
10
11
18
B2
17
16 15 14
13
12
11
0310.NL
17
3
0310.NL
18
1
B2
t
t
t
t
t
t
t
t
9
o
10
11
12
13
14
15
16
17
18
t
o
t
t
o
t
t
t
t
Aanduiding
Hefmast
Extra hef
Beschermdak
Bedieningspaneel
Veiligheidsbomen
Hefbare bestuurderscabine
Dodemansknop
Vorktand
Voorste sensor voor het inductieve geleidingssysteem
(niet getekend)
Lastwiel
railgeleidingsrollen volgens lastwiel
Frame
Batterijdeksel
Railgeleidingsrollen aan aandrijfruimte
Kantelbeveiligingen
Aandrijvingkap
Aandrijfwiel
Achterste sensor voor het inductieve geleidingssysteem
o = optionele uitvoering
t
t
t
t
t
t
t
t
9
o
10
11
12
13
14
15
16
17
18
t
o
t
t
o
t
t
t
t
Aanduiding
Hefmast
Extra hef
Beschermdak
Bedieningspaneel
Veiligheidsbomen
Hefbare bestuurderscabine
Dodemansknop
Vorktand
Voorste sensor voor het inductieve geleidingssysteem
(niet getekend)
Lastwiel
railgeleidingsrollen volgens lastwiel
Frame
Batterijdeksel
Railgeleidingsrollen aan aandrijfruimte
Kantelbeveiligingen
Aandrijvingkap
Aandrijfwiel
Achterste sensor voor het inductieve geleidingssysteem
t = standaarduitvoering
0310.NL
t = standaarduitvoering
Pos.
1
2
3
4
5
6
7
8
o = optionele uitvoering
0310.NL
Pos.
1
2
3
4
5
6
7
8
B3
B3
Intern transportmiddel - functiebeschrijving
2.1
B4
Intern transportmiddel - functiebeschrijving
Veiligheidsvoorzieningen:
– Een gesloten voertuigcontour met afgeronde randen maakt een veilig gebruik van
het voertuig mogelijk.
– Een beschermdak beschermt de bestuurder tegen vallende delen.
– Met behulp van de NOODSTOP-schakelaar worden alle voertuigbewegingen in
gevaarlijke situaties snel uitgeschakeld.
– Veiligheidsbomen aan beide cabinezijden onderbreken alle voertuigbewegingen,
zodra ze worden geopend.
– Rij- of hef- en daalbewegingen kunnen uitsluitend worden geactiveerd, wanneer de
dodemansknop wordt bediend.
– Rij- en zwenkbewegingen kunnen uitsluitend worden geactiveerd, wanneer de
dodemansknop wordt bediend.
– Een gesloten voertuigcontour met afgeronde randen maakt een veilig gebruik van
het voertuig mogelijk.
– Een beschermdak beschermt de bestuurder tegen vallende delen.
– Met behulp van de NOODSTOP-schakelaar worden alle voertuigbewegingen in
gevaarlijke situaties snel uitgeschakeld.
– Veiligheidsbomen aan beide cabinezijden onderbreken alle voertuigbewegingen,
zodra ze worden geopend.
– Rij- of hef- en daalbewegingen kunnen uitsluitend worden geactiveerd, wanneer de
dodemansknop wordt bediend.
– Rij- en zwenkbewegingen kunnen uitsluitend worden geactiveerd, wanneer de
dodemansknop wordt bediend.
Dodemansknop
Dodemansknop
Na de realisatie van de bedrijfsgereedheid (zie paragraaf "Bedrijfsgereedheid tot
stand brengen" of "Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra
toegangscode" (o)" in hoofdstuk E) en het sluiten van de veiligheidsbomen moet de
dodemansknop in de beenruimte:
Na de realisatie van de bedrijfsgereedheid (zie paragraaf "Bedrijfsgereedheid tot
stand brengen" of "Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra
toegangscode" (o)" in hoofdstuk E) en het sluiten van de veiligheidsbomen moet de
dodemansknop in de beenruimte:
– t=
wordt ingedrukt en ingedrukt wordt gehouden, zodat de bestuurder met het intern
transportmiddel kan werken. Als de voet van de dodemansknop wordt genomen,
worden de hef- en rijfuncties geblokkeerd. De stuur- en remfuncties blijven actief.
Na het loslaten van de dodemansknop en stilstand van het interne transportmiddel
wordt de parkeerrem geactiveerd (bescherming tegen ongewild wegrollen).
– o=
één keer worden ingedrukt, zodat de bestuurder met het intern transportmiddel kan
werken. Na het loslaten van de rijregelknop en stilstand van het interne
transportmiddel wordt de parkeerrem geactiveerd (bescherming tegen ongewild
wegrollen).
– t=
wordt ingedrukt en ingedrukt wordt gehouden, zodat de bestuurder met het intern
transportmiddel kan werken. Als de voet van de dodemansknop wordt genomen,
worden de hef- en rijfuncties geblokkeerd. De stuur- en remfuncties blijven actief.
Na het loslaten van de dodemansknop en stilstand van het interne transportmiddel
wordt de parkeerrem geactiveerd (bescherming tegen ongewild wegrollen).
– o=
één keer worden ingedrukt, zodat de bestuurder met het intern transportmiddel kan
werken. Na het loslaten van de rijregelknop en stilstand van het interne
transportmiddel wordt de parkeerrem geactiveerd (bescherming tegen ongewild
wegrollen).
NOODSTOP-veiligheidsconcept
NOODSTOP-veiligheidsconcept
– Zodra er een storing wordt herkend, wordt het interne transportmiddel automatisch
tot stilstand afgeremd. Regelindicatoren op het bestuurderdisplay geven een
noodstop aan. Na het inschakelen van het voertuig voert het systeem altijd een
zelftest uit, die de parkeerrem (= noodstop) uitsluitend vrijgeeft, wanneer de
controle van de bedrijfsgereedheid positief verliep.
– Zodra er een storing wordt herkend, wordt het interne transportmiddel automatisch
tot stilstand afgeremd. Regelindicatoren op het bestuurderdisplay geven een
noodstop aan. Na het inschakelen van het voertuig voert het systeem altijd een
zelftest uit, die de parkeerrem (= noodstop) uitsluitend vrijgeeft, wanneer de
controle van de bedrijfsgereedheid positief verliep.
0310.NL
Veiligheidsvoorzieningen:
0310.NL
2.1
B4
– Staand geplaatste, hoogbelastbare draaistroommotor (asynchroon). De motor is
rechtstreeks op de eenwiel-aandrijving geschroefd, waardoor een probleemloos en
snel onderhoud mogelijk is.
– Staand geplaatste, hoogbelastbare draaistroommotor (asynchroon). De motor is
rechtstreeks op de eenwiel-aandrijving geschroefd, waardoor een probleemloos en
snel onderhoud mogelijk is.
Reminstallatie:
Reminstallatie:
– Het voertuig kan door loslaten van de rijregelknop of door het bedienen in
tegenovergestelde rijrichting zacht en slijtagevrij worden afgeremd. Daarbij wordt
energie in de batterij opgeslagen (bedrijfsrem).
– De elektromagnetische veerdrukrem die op de aandrijfmotor werkt, dient als
parkeerrem en vastzetrem.
– Het voertuig kan door loslaten van de rijregelknop of door het bedienen in
tegenovergestelde rijrichting zacht en slijtagevrij worden afgeremd. Daarbij wordt
energie in de batterij opgeslagen (bedrijfsrem).
– De elektromagnetische veerdrukrem die op de aandrijfmotor werkt, dient als
parkeerrem en vastzetrem.
Stuurinrichting:
Stuurinrichting:
– Bijzonder soepele stuurinrichting met draaistroomaandrijving.
– Het handzame stuurwiel is opgenomen in het bedieningspaneel. De stand van het
gestuurde aandrijfwiel wordt op het display van het bedieningspaneel
weergegeven. De stuurinslag bedraagt +/- 90°; daardoor wordt een optimale
wendbaarheid van het voertuig in smalle kopgangen gegarandeerd.
– Bij mechanische railgeleiding wordt het aandrijfwiel met behulp van een druk op de
knop in de rechtuitstand geplaatst (optie).
– Wanneer de bedrijfsmodus inductieve geleiding is geactiveerd, neemt de
voertuigregeling na de herkenning van de geleidedraad automatisch het sturen
over en het handmatig sturen wordt gedeactiveerd (optie).
– Bijzonder soepele stuurinrichting met draaistroomaandrijving.
– Het handzame stuurwiel is opgenomen in het bedieningspaneel. De stand van het
gestuurde aandrijfwiel wordt op het display van het bedieningspaneel
weergegeven. De stuurinslag bedraagt +/- 90°; daardoor wordt een optimale
wendbaarheid van het voertuig in smalle kopgangen gegarandeerd.
– Bij mechanische railgeleiding wordt het aandrijfwiel met behulp van een druk op de
knop in de rechtuitstand geplaatst (optie).
– Wanneer de bedrijfsmodus inductieve geleiding is geactiveerd, neemt de
voertuigregeling na de herkenning van de geleidedraad automatisch het sturen
over en het handmatig sturen wordt gedeactiveerd (optie).
0310.NL
Rijaandrijving:
0310.NL
Rijaandrijving:
B5
B5
Bedienings- en displayelementen:
– Functies activeren door middel van een ergonomische duimbeweging voor een
moeiteloze bediening zonder belasting van de handgewrichten; fijngevoelige
dosering van de rij- en hydraulische bewegingen teneinde goederen omzichtig te
behandelen en exact te plaatsen.
– Geïntegreerd informatiedisplay, voor de weergave van alle informatie die belangrijk
is voor de bestuurder, zoals de stand van het stuurwiel, totale hef, statusmeldingen
van het voertuig (bijvoorbeeld storingen), bedrijfsuren, batterijcapaciteit, tijd, status
van de inductieve geleiding etc.
– Schakelaarloos concept voor tweehandsbediening voor een hoge mate aan
zekerheid en bedieningscomfort. Sensoren registreren de aanrakingen door de
bediener en geven deze informatie door aan de boordcomputer.
– Functies activeren door middel van een ergonomische duimbeweging voor een
moeiteloze bediening zonder belasting van de handgewrichten; fijngevoelige
dosering van de rij- en hydraulische bewegingen teneinde goederen omzichtig te
behandelen en exact te plaatsen.
– Geïntegreerd informatiedisplay, voor de weergave van alle informatie die belangrijk
is voor de bestuurder, zoals de stand van het stuurwiel, totale hef, statusmeldingen
van het voertuig (bijvoorbeeld storingen), bedrijfsuren, batterijcapaciteit, tijd, status
van de inductieve geleiding etc.
– Schakelaarloos concept voor tweehandsbediening voor een hoge mate aan
zekerheid en bedieningscomfort. Sensoren registreren de aanrakingen door de
bediener en geven deze informatie door aan de boordcomputer.
Hydraulische installatie:
Hydraulische installatie:
– Een onderhoudsvrije draaistroommotor met aangeflensde geluidsarme
tandwielpomp realiseert alle hydraulische bewegingen.
– Magneetschakelventielen verdelen de olie. De verschillende vereiste olievolumes
worden geregeld via het toerental van de motor.
– Bij het neerlaten drijft de hydraulische pomp de motor aan, die dan als generator
werkt (regeneratief neerlaten). De energie die daarbij wordt gegenereerd, wordt
weer opgeslagen in de batterij.
– Een onderhoudsvrije draaistroommotor met aangeflensde geluidsarme
tandwielpomp realiseert alle hydraulische bewegingen.
– Magneetschakelventielen verdelen de olie. De verschillende vereiste olievolumes
worden geregeld via het toerental van de motor.
– Bij het neerlaten drijft de hydraulische pomp de motor aan, die dan als generator
werkt (regeneratief neerlaten). De energie die daarbij wordt gegenereerd, wordt
weer opgeslagen in de batterij.
Elektrische installatie:
Elektrische installatie:
– Elektronica met slijtagevrije sensoren.
– Interface voor het aansluiten van een servicelaptop:
Voor een snelle en eenvoudige configuratie van alle belangrijke
apparatuurgegevens (eindpositiedemping, hefuitschakeling, vertragings- en
acceleratiegedrag, reachsnelheden, uitschakelingen etc).
Voor het uitlezen van het storingsgeheugen voor het analyseren van de
storingsoorzaak.
Voor de simulatie en analyse van programmasequenties.
Eenvoudige functie-uitbreiding door vrijgave van codenummers.
– De regeling is uitgerust met CAN-bus en continu metende sensoren. Alle
bewegingen zijn parametreerbaar. De regeling zorgt voor soepel optrekken en
afremmen van de last in alle eindposities door eindpositie- en tussendempingen.
Met de MOSFET draaistroomregeling kan iedere beweging zonder schokken
worden uitgevoerd.
– De draaistroomtechnologie met hoog rendement en energieterugwinning voor rijen hefmotor maakt hoge rij- en hefsnelheden en een betere energiebenutting
mogelijk.
– Elektronica met slijtagevrije sensoren.
– Interface voor het aansluiten van een servicelaptop:
Voor een snelle en eenvoudige configuratie van alle belangrijke
apparatuurgegevens (eindpositiedemping, hefuitschakeling, vertragings- en
acceleratiegedrag, reachsnelheden, uitschakelingen etc).
Voor het uitlezen van het storingsgeheugen voor het analyseren van de
storingsoorzaak.
Voor de simulatie en analyse van programmasequenties.
Eenvoudige functie-uitbreiding door vrijgave van codenummers.
– De regeling is uitgerust met CAN-bus en continu metende sensoren. Alle
bewegingen zijn parametreerbaar. De regeling zorgt voor soepel optrekken en
afremmen van de last in alle eindposities door eindpositie- en tussendempingen.
Met de MOSFET draaistroomregeling kan iedere beweging zonder schokken
worden uitgevoerd.
– De draaistroomtechnologie met hoog rendement en energieterugwinning voor rijen hefmotor maakt hoge rij- en hefsnelheden en een betere energiebenutting
mogelijk.
B6
Mogelijke aandrijfbatterij, zie hoofdstuk D.
0310.NL
Z
Mogelijke aandrijfbatterij, zie hoofdstuk D.
0310.NL
Z
Bedienings- en displayelementen:
B6
3
Technische gegevens van de standaarduitvoering
3
Technische gegevens van de standaarduitvoering
Z
Technische gegevens volgens VDI 2198.
Technische veranderingen en aanvullingen voorbehouden.
Z
Technische gegevens volgens VDI 2198.
Technische veranderingen en aanvullingen voorbehouden.
3.1
Vermogensgegevens
3.1
Vermogensgegevens
Aanduiding
Q (t) Hefcapaciteit (bij c = 600 mm)
c / D* Lastzwaartepuntafstand
Rijsnelheid zonder last (RG)
Rijsnelheid met last (RG)
Rijsnelheid zonder last (IG)
Rijsnelheid met last (IG)
Rijsnelheid zonder last (VV)
Rijsnelheid met last (VV)
Hefsnelheid zonder last
Hefsnelheid met last
Daalsnelheid met / zonder last
Extra hef - hefsnelheid zonder last
Extra hef - hefsnelheid met last
Extra hef - daalsnelheid zonder last
Extra hef - daalsnelheid met last
Reachsnelheid met / zonder last
Draaien zonder last
Draaien met last
Bedrijfsrem
Parkeerrem
Wijze van rijregeling
Aanduiding
Q (t) Hefcapaciteit (bij c = 600 mm)
c / D* Lastzwaartepuntafstand
Rijsnelheid zonder last (RG)
Rijsnelheid met last (RG)
Rijsnelheid zonder last (IG)
Rijsnelheid met last (IG)
Rijsnelheid zonder last (VV)
Rijsnelheid met last (VV)
Hefsnelheid zonder last
Hefsnelheid met last
Daalsnelheid met / zonder last
Extra hef - hefsnelheid zonder last
Extra hef - hefsnelheid met last
Extra hef - daalsnelheid zonder last
Extra hef - daalsnelheid met last
Reachsnelheid met / zonder last
Draaien zonder last
Draaien met last
Bedrijfsrem
Parkeerrem
Wijze van rijregeling
RG:
IG:
VV:
EKX 410
1000
kg
600
mm
9
km/h
9
km/h
7
km/h
7
km/h
8
km/h
8
km/h
0,40
m/s
0,36
m/s
0,40
m/s
0,37
m/s
0,32
m/s
0,29
m/s
0,31
m/s
0,25
m/s
15
s/180°
15
s/180°
Tegenstroom /
generatorisch
Elektrische
veeraccumulator
AC-aandrijfregeling
railgeleiding
inductieve geleiding
vrij verrijdbaar
0310.NL
railgeleiding
inductieve geleiding
vrij verrijdbaar
0310.NL
RG:
IG:
VV:
EKX 410
1000
kg
600
mm
9
km/h
9
km/h
7
km/h
7
km/h
8
km/h
8
km/h
0,40
m/s
0,36
m/s
0,40
m/s
0,37
m/s
0,32
m/s
0,29
m/s
0,31
m/s
0,25
m/s
15
s/180°
15
s/180°
Tegenstroom /
generatorisch
Elektrische
veeraccumulator
AC-aandrijfregeling
B7
B7
h4
h4
h15
h15
h1
h1
h12
h12
h10
h10
h3
h3
h6
h6
h9
h9
h7
s
x
m1
h7
y
z
s
m2
x
l1
m1
r
b8
b14
r
b8
b1 b2 b6 Ast
l8
I10
b9
c
b1 b2 b6 Ast
Wa
b7
l
l6
l6
e
e
b5
b3
b12
x
0310.NL
x
0310.NL
b5
b3
b12
B8
b14
Wa
b7
l
m2
l2
b9
c
z
l1
l2
l8
I10
y
B8
Afmetingen (volgens typeblad)
Aanduiding
c / D Lastzwaartepunt
Afmetingen (volgens typeblad)
EKX 410
Aanduiding
600
mm
c / D Lastzwaartepunt
EKX 410
600
mm
x
y
Lastafstand
Wielstand
428
1780
mm
mm
x
y
Lastafstand
Wielstand
428
1780
mm
mm
z
h1
Midden aandrijfwiel / contragewicht (voertuigcontour)
Hoogte hefmast ingeschoven
255
3100*)
mm
mm
Midden aandrijfwiel / contragewicht (voertuigcontour)
Hoogte hefmast ingeschoven
255
3100*)
mm
mm
h3
Hef
4000*)
z
h1
mm
h3
Hef
4000*)
mm
h4
h6
Hoogte hefmast uitgeschoven
Hoogte beschermdak
*)
6550
2550
mm
mm
h4
h6
Hoogte hefmast uitgeschoven
Hoogte beschermdak
6550*)
2550
mm
mm
h7
Zit-/stahoogte
395
mm
h7
Zit-/stahoogte
395
mm
h9 Extra hef
h10 Totale hef (h3 + h9)
1750
5750*)
mm
mm
h9 Extra hef
h10 Totale hef (h3 + h9)
1750
5750*)
mm
mm
h12 Stahoogte geheven
h15 Orderpickhoogte (h12+1600)
4395
5995*)
mm
mm
h12 Stahoogte geheven
h15 Orderpickhoogte (h12+1600)
4395
5995*)
mm
mm
Ast Werkgangbreedte bij pallets 1200 x 1200 in dwarsrichting
b1/b2
b3
b5
b6
b7
b8
b9
b12
b14
1640
Totale breedte
1210/1450
Breedte vorkdrager
880
Vork-buitenafstand (PAL-breedte 1200)
793
Breedte over de geleidingsrollen
1620
Schuiven, zijwaarts
1295
Schuiven, zijwaarts vanuit midden intern transportmiddel
490
Breedte bestuurdersplaats buiten
1440
Palletbreedte
1200
Breedte zwenkschuifmast
1440
Ast Werkgangbreedte bij pallets 1200 x 1200 in dwarsrichting
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
b1/b2
b3
b5
b6
b7
b8
b9
b12
b14
Z
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
Z
3.2
1640
Totale breedte
1210/1450
Breedte vorkdrager
880
Vork-buitenafstand (PAL-breedte 1200)
793
Breedte over de geleidingsrollen
1620
Schuiven, zijwaarts
1295
Schuiven, zijwaarts vanuit midden intern transportmiddel
490
Breedte bestuurdersplaats buiten
1440
Palletbreedte
1200
Breedte zwenkschuifmast
1440
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
3.2
B9
B9
h4
h4
h15
h15
h1
h1
h12
h12
h10
h10
h3
h3
h6
h6
h9
h9
h7
s
x
m1
h7
y
z
s
m2
x
l1
m1
r
b8
b14
r
b8
b1 b2 b6 Ast
l8
I10
b9
c
b1 b2 b6 Ast
Wa
b7
l
l6
l6
e
e
b5
b3
b12
x
0310.NL
x
0310.NL
b5
b3
b12
B 10
b14
Wa
b7
l
m2
l2
b9
c
z
l1
l2
l8
I10
y
B 10
Aanduiding
l2
Lengte inclusief vorkrug (PAL-breedte 1200)
l6
l8
Palletlengte
Afstand draaivork-draaipunt
675
190
mm
mm
l8 -x Afstand draaivork-draaipunt - tandheugel
l10 Breedte arm
40 x 120 x
1200
mm
s/e/l Vorktandafmetingen
2035
75
mm
mm
Wa Draairadius
m1 Bodemvrijheid met last onder hefmast
m2 Bodemvrijheid midden wielstand
s/e/l Vorktandafmetingen
Wa Draairadius
m1 Bodemvrijheid met last onder hefmast
m2 Bodemvrijheid midden wielstand
3577
Aanduiding
Totaallengte zonder last (PAL-breedte 1200)
l8 -x Afstand draaivork-draaipunt - tandheugel
l10 Breedte arm
EKX 410
mm
l1
Totaallengte zonder last (PAL-breedte 1200)
3273
mm
l2
Lengte inclusief vorkrug (PAL-breedte 1200)
3273
mm
1200
1103
mm
mm
l6
l8
Palletlengte
Afstand draaivork-draaipunt
1200
1103
mm
mm
675
190
mm
mm
40 x 120 x
1200
mm
2035
75
mm
mm
3577
mm
80
mm
80
mm
r
--
Afstand draaivork-draaipunt - draaipunt
Breedte "Instap bestuurderscabine"
136
450
mm
mm
r
--
Afstand draaivork-draaipunt - draaipunt
Breedte "Instap bestuurderscabine"
136
450
mm
mm
--
Plafondhoogte bestuurderscabine
2140
mm
--
Plafondhoogte bestuurderscabine
2140
mm
Z
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
Z
EKX 410
l1
B 11
B 11
3.3
Hefmastuitvoering
3.3
Hefmastuitvoering
3.4
Standaard hefmastuitvoering met telescoopmast (ZT)
3.4
Standaard hefmastuitvoering met telescoopmast (ZT)
Aanduiding
Aanduiding
h1 Bouwhoogte ingeschoven
2550 - 4100
mm
h1 Bouwhoogte ingeschoven
2550 - 4100
mm
h3 Hef
2500 - 6000
mm
h3 Hef
2500 - 6000
mm
h4 Bouwhoogte uitgeschoven
h6 Hoogte boven dak
5050 - 8550
2550
mm
mm
h4 Bouwhoogte uitgeschoven
h6 Hoogte boven dak
5050 - 8550
2550
mm
mm
h9 Extra hef
h10 Totale hefhoogte (h3 + h9)
1750
4250 - 7750
mm
mm
h9 Extra hef
h10 Totale hefhoogte (h3 + h9)
1750
4250 - 7750
mm
mm
h12 Stahoogte geheven
2895 - 6395
mm
h12 Stahoogte geheven
2895 - 6395
mm
h15 Orderpickhoogte (h12+1600)
4495 - 7995
mm
h15 Orderpickhoogte (h12+1600)
4495 - 7995
mm
Motorgegevens
Aanduiding
Rijmotor vermogen bij S2 60 min
3.5
EKX 410
4,4 kW
Motorgegevens
Aanduiding
Rijmotor vermogen bij S2 60 min
9,5 kW
0,9 kW
Hefmotor, vermogen bij S3 25 %
Stuurmotor, vermogen bij S3 20 %
0310.NL
Hefmotor, vermogen bij S3 25 %
Stuurmotor, vermogen bij S3 20 %
B 12
EKX 410
EKX 410
4,4 kW
9,5 kW
0,9 kW
0310.NL
3.5
EKX 410
B 12
3.6
Gewichten
3.6
3.6.1 Leeg gewicht van het interne transportmiddel / aslasten
Aanduiding
3.6.1 Leeg gewicht van het interne transportmiddel / aslasten
EKX 410
Aanduiding
EKX 410
Eigen gewicht met batterij, zonder last
5218
kg
Eigen gewicht met batterij, zonder last
5218
kg
Batterijgewicht
1011
kg
Batterijgewicht
1011
kg
4207
kg
4207
kg
4811 / 1407
kg
4811 / 1407
kg
Aslast zonder last
vooraan / achteraan
3168 / 2050
kg
Aslast zonder last
vooraan / achteraan
3168 / 2050
kg
Batterijtype
6 EPzS 690
Batterijtype
6 EPzS 690
Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij,
zie "typeplaatje"
Aslast met last
vooraan / achteraan
Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij,
zie "typeplaatje"
Aslast met last
vooraan / achteraan
Z
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
De in de tabel aangegeven gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en
gewichten) hebben betrekking op een intern transportmiddel met 400 ZT-hefmast (*).
De gegevens (vermogensgegevens, afmetingen en gewichten) van het geleverde
interne transportmiddel staan vermeld op het typeplaatje / gebruiksset.
0310.NL
Z
Gewichten
B 13
B 13
3.6.2 Gewicht basisvoertuig / hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
1
3.6.2 Gewicht basisvoertuig / hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
12
1
Gewicht van het basisvoertuig
Gewicht van het basisvoertuig
Z
Het gewicht van het basisvoertuig (12) is vermeld in de onderstaande tabel.
Intern transportmiddel
EKX 410
Gewicht van het basisvoertuig
2150 kg1)
Intern transportmiddel
EKX 410
1)
inclusief het gewicht van de extra gewichten 300 kg, die afhankelijk van de
constructie worden ingebouwd in het interne transportmiddel
0310.NL
1)
B 14
Het gewicht van het basisvoertuig (12) is vermeld in de onderstaande tabel.
Gewicht van het basisvoertuig
2150 kg1)
inclusief het gewicht van de extra gewichten 300 kg, die afhankelijk van de
constructie worden ingebouwd in het interne transportmiddel
0310.NL
Z
12
B 14
Gewicht hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
A
B
Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij
Gewicht hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
Het gewicht van de hefmast inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat (1) kan
met de volgende formule worden berekend. De benodigde gegevens zoals leeg
gewicht (totaal gewicht) van het interne transportmiddel zonder batterij zijn vermeld
op het typeplaatje.
A
B
Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij
Gewicht hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
Formule voor de EKX 410:
Formule voor de EKX 410:
B = A - 1850 kg
B = A - 1850 kg
Voorbeeld:
Voorbeeld:
Benodigde gegevens:
(zie typeplaatje van het interne transportmiddel)
Benodigde gegevens:
(zie typeplaatje van het interne transportmiddel)
– Type intern transportmiddel = EKX 410
– Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij = 4207 kg
– Type intern transportmiddel = EKX 410
– Leeg gewicht van het interne transportmiddel zonder batterij = 4207 kg
Formule:
B = A - 1850 kg = 4207 kg - 1850 kg = 2357 kg
Formule:
B = A - 1850 kg = 4207 kg - 1850 kg = 2357 kg
Z
Het gewicht van de hefmast inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat
bedraagt 2357 kg.
0310.NL
Z
Z
Het gewicht van de hefmast inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat (1) kan
met de volgende formule worden berekend. De benodigde gegevens zoals leeg
gewicht (totaal gewicht) van het interne transportmiddel zonder batterij zijn vermeld
op het typeplaatje.
Het gewicht van de hefmast inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat
bedraagt 2357 kg.
0310.NL
Z
Gewicht hefmast inclusief hefmast en aanbouwapparaat
B 15
B 15
3.7
F
Wielen, chassis
3.7
F
Gevaar op ongevallen door verkeerde de-/montage van de wielen
Alleen de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de producent mag
de lastwielen en/of het aandrijfwiel monteren en/of demonteren. Bij wijze van
uitzondering mag deze taak door een door de producent goedgekeurde
klantenservice worden uitgevoerd.
EKX 410
EKX 410
Aanduiding
EKX 410
Banden
Wielen, vooraan (lastwiel)
Vulkollan
295 mm x 144 mm
Banden
Wielen, vooraan (lastwiel)
Vulkollan
295 mm x 144 mm
Wielen, achteraan (aandrijfwiel)
343 mm x 140 mm
Wielen, achteraan (aandrijfwiel)
343 mm x 140 mm
Wielen, aantal vooraan (lastwiel)
Wielen, aantal achteraan (*=
aangedreven)
2
Wielen, aantal vooraan (lastwiel)
Wielen, aantal achteraan (*=
aangedreven)
2
1*
EN-normen
3.8
Gemiddeld geluidsdrukniveau:
Z
Gevaar op ongevallen door verkeerde de-/montage van de wielen
Alleen de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de producent mag
de lastwielen en/of het aandrijfwiel monteren en/of demonteren. Bij wijze van
uitzondering mag deze taak door een door de producent goedgekeurde
klantenservice worden uitgevoerd.
EKX 410
Aanduiding
3.8
Wielen, chassis
1*
EN-normen
Gemiddeld geluidsdrukniveau:
61 dB(A)
61 dB(A)
volgens EN 12053 in overeenstemming met ISO 4871.
volgens EN 12053 in overeenstemming met ISO 4871.
Z
Het gemiddelde geluidsdrukniveau wordt bepaald op basis van de normgegevens en
omvat het geluidsdrukniveau bij het rijden, heffen en stationair draaien. Het
geluidsdrukniveau wordt gemeten bij het oor van de bestuurder.
Het gemiddelde geluidsdrukniveau wordt bepaald op basis van de normgegevens en
omvat het geluidsdrukniveau bij het rijden, heffen en stationair draaien. Het
geluidsdrukniveau wordt gemeten bij het oor van de bestuurder.
Trilling:
0,79 m/s2 volgens EN 13059
Trilling:
0,79 m/s2 volgens EN 13059
Trilling stoel:
0,56 m/s2
Trilling stoel:
0,56 m/s2
Z
De interne nauwkeurigheid van de meetketting ligt bij 21 °C bij ± 0,02 m/s². Verdere
afwijkingen zijn vooral mogelijk door de positionering van de sensor en verschillen in
gewicht van de bestuurder.
Z
De op het lichaam van een bestuurder in bedieningspositie werkende
trillingsversnelling voldoet aan de voorgeschreven normen voor lineaire
geïntegreerde, gewogen acceleratie in het verticale vlak. Dit resulteert uit een meting
waarbij op constante snelheid over drempels werd gereden. Deze meetgegevens
worden één keer voor het voertuig gemeten en mogen niet worden verwisseld met de
lichaamstrillingen van de richtlijn "2002/44/EG Trillingen“ die geldt voor exploitanten.
Voor de meting van deze lichaamstrillingen biedt de producent een bijzondere
service, zie de paragraaf "Lichaamstrillingen" in hoofdstuk F.
Z
De op het lichaam van een bestuurder in bedieningspositie werkende
trillingsversnelling voldoet aan de voorgeschreven normen voor lineaire
geïntegreerde, gewogen acceleratie in het verticale vlak. Dit resulteert uit een meting
waarbij op constante snelheid over drempels werd gereden. Deze meetgegevens
worden één keer voor het voertuig gemeten en mogen niet worden verwisseld met de
lichaamstrillingen van de richtlijn "2002/44/EG Trillingen“ die geldt voor exploitanten.
Voor de meting van deze lichaamstrillingen biedt de producent een bijzondere
service, zie de paragraaf "Lichaamstrillingen" in hoofdstuk F.
B 16
0310.NL
De interne nauwkeurigheid van de meetketting ligt bij 21 °C bij ± 0,02 m/s². Verdere
afwijkingen zijn vooral mogelijk door de positionering van de sensor en verschillen in
gewicht van de bestuurder.
0310.NL
Z
B 16
Elektromagnetische comptabiliteit (EMC)
Elektromagnetische comptabiliteit (EMC)
De producent bevestigt het naleven van de grenswaarden voor elektromagnetische
storingsemissie en storingsimmuniteit evenals de controle van het ontladen van
statische elektriciteit volgens EN 12895 en ook de daar aangegeven normatieve
verwijzingen.
De producent bevestigt het naleven van de grenswaarden voor elektromagnetische
storingsemissie en storingsimmuniteit evenals de controle van het ontladen van
statische elektriciteit volgens EN 12895 en ook de daar aangegeven normatieve
verwijzingen.
Z
Elektrische of elektronische onderdelen mogen uitsluitend worden gewijzigd of
verplaatst met schriftelijke toestemming van de producent.
Z
Elektrische of elektronische onderdelen mogen uitsluitend worden gewijzigd of
verplaatst met schriftelijke toestemming van de producent.
M
Storing van medische apparaten door niet-ioniserende stralen Elektrische
uitrustingen van het interne transportmiddel die niet-ioniserende stralingen uitstralen
(bijv. draadloze gegevensoverdracht), kunnen de werking van medische apparaten
(pacemakers, gehoorapparatuur e.d.) van de bediener storen en een verkeerde
werking veroorzaken. Met een arts of de producent van het medische apparaat moet
worden vastgesteld, of een dergelijk apparaat in de omgeving van het interne
transportmiddel kan worden gebruikt.
M
Storing van medische apparaten door niet-ioniserende stralen Elektrische
uitrustingen van het interne transportmiddel die niet-ioniserende stralingen uitstralen
(bijv. draadloze gegevensoverdracht), kunnen de werking van medische apparaten
(pacemakers, gehoorapparatuur e.d.) van de bediener storen en een verkeerde
werking veroorzaken. Met een arts of de producent van het medische apparaat moet
worden vastgesteld, of een dergelijk apparaat in de omgeving van het interne
transportmiddel kan worden gebruikt.
3.9
Gebruiksvoorwaarden
3.9
Gebruiksvoorwaarden
Omgevingstemperatuur: in bedrijf 5 °C tot 40 °C
Z
3.10
Omgevingstemperatuur: in bedrijf 5 °C tot 40 °C
Z
Bij continu gebruik onder extreme verandering van temperatuur of luchtvochtigheid is
voor interne transportmiddelen een speciale uitrusting en toestemming vereist.
Bij continu gebruik onder extreme verandering van temperatuur of luchtvochtigheid is
voor interne transportmiddelen een speciale uitrusting en toestemming vereist.
Gebruik in koelhuizen is niet toegestaan.
Gebruik in koelhuizen is niet toegestaan.
Het voertuig mag uitsluitend in gesloten ruimtes worden gebruikt. Daarbij geldt het
volgende:
Het voertuig mag uitsluitend in gesloten ruimtes worden gebruikt. Daarbij geldt het
volgende:
– Omgevingstemperatuur in 24-uurs gemiddelde: max. 25 °C
– Maximale luchtvochtigheid in binnenruimtes 70 % niet condenserend.
– Omgevingstemperatuur in 24-uurs gemiddelde: max. 25 °C
– Maximale luchtvochtigheid in binnenruimtes 70 % niet condenserend.
Elektrische eisen
3.10
De producent bevestigt de naleving van de eisen voor het ontwerp en de
vervaardiging van de elektrische uitrusting bij gebruik van het interne transportmiddel
volgens de bestemming op grond van EN 1175 "Veiligheid van gemotoriseerde
transportwerktuigen - Elektrische eisen".
0310.NL
0310.NL
De producent bevestigt de naleving van de eisen voor het ontwerp en de
vervaardiging van de elektrische uitrusting bij gebruik van het interne transportmiddel
volgens de bestemming op grond van EN 1175 "Veiligheid van gemotoriseerde
transportwerktuigen - Elektrische eisen".
Elektrische eisen
B 17
B 17
4
Gemarkeerde punten en typeplaatjes
4
Gemarkeerde punten en typeplaatjes
F
Waarschuwings- en aanwijzingsborden zoals lastdiagrammen, bevestigingspunten
en typeplaatjes moeten altijd leesbaar zijn, vervang ze eventueel.
F
Waarschuwings- en aanwijzingsborden zoals lastdiagrammen, bevestigingspunten
en typeplaatjes moeten altijd leesbaar zijn, vervang ze eventueel.
h3 (mm)
Q (kg)
h3 (mm)
D (mm)
20
22
21
Q (kg)
D (mm)
20
22
21
24
24
25
23
26
27
28
25
23
26
27
28
28
mV
35
1,5 V
28
mV
23
35
1,5 V
34
23
34
33
33
20
20
32
32
20
31
29
29
29
0310.NL
30
0310.NL
30
B 18
20
31
29
B 18
Pos.
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
Aanduiding
Bevestigingspunten voor verladen met een kraan
Typeplaatje intern transportmiddel
Plaatje Hefcapaciteit
Plaatje „afdaal-apparaat“
Verbodsbord „Meerijden verboden“
Goedkeuringsplaatje (o)
Plaatje „Handleiding lezen“
Waachuwingsplaatje "Attendering op gevaren in smalle gang"
Plaatje “Niet op en niet onder last staan; plaats met gevaar voor beknelling”
Bevestigingspunten voor krik
Serienummer (in het frame onder het rechter batterijdeksel ingeslagen)
Plaatje „Hydraulische olie bijvullen“
Aanduiding van onderneming en type
Plaatje „Noodaflaat“
Plaatje „Sleutel noodaflaat“
Waarschuwingsplaatje „Voorzichtig: elektronica met lage spanning“
0310.NL
Aanduiding
Bevestigingspunten voor verladen met een kraan
Typeplaatje intern transportmiddel
Plaatje Hefcapaciteit
Plaatje „afdaal-apparaat“
Verbodsbord „Meerijden verboden“
Goedkeuringsplaatje (o)
Plaatje „Handleiding lezen“
Waachuwingsplaatje "Attendering op gevaren in smalle gang"
Plaatje “Niet op en niet onder last staan; plaats met gevaar voor beknelling”
Bevestigingspunten voor krik
Serienummer (in het frame onder het rechter batterijdeksel ingeslagen)
Plaatje „Hydraulische olie bijvullen“
Aanduiding van onderneming en type
Plaatje „Noodaflaat“
Plaatje „Sleutel noodaflaat“
Waarschuwingsplaatje „Voorzichtig: elektronica met lage spanning“
0310.NL
Pos.
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
B 19
B 19
Typeplaatje, voertuig
47
36
47
37
46
37
46
38
45
38
45
39
44
39
44
40
43
40
43
36
37
38
39
40
41
Type
Serienummer
Nominaal hefcapaciteit in kg
Batterijspanning in V
Leeg gewicht zonder batterij in kg
Logo van de producent
42
42
41
41
Pos. Aanduiding
42
43
44
45
46
47
Pos. Aanduiding
Producent
Batterijgewicht min/max in kg
Aandrijfvermogen in kW
Lastzwaartepuntafstand in mm
Bouwjaar
Optie
36
37
38
39
40
41
Z
Vermeld bij vragen over het interne transportmiddel of bij het bestellen van
onderdelen het serienummer (37) aangeven. Het serienummer (37) van het interne
transportmiddel is aangegeven op het typeplaatje (21) en in het voertuigframe (30)
ingeslagen (zie paragraaf "Gemarkeerde punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B).
0310.NL
B 20
Typeplaatje, voertuig
36
Pos. Aanduiding
Z
4.1
Type
Serienummer
Nominaal hefcapaciteit in kg
Batterijspanning in V
Leeg gewicht zonder batterij in kg
Logo van de producent
Pos. Aanduiding
42
43
44
45
46
47
Producent
Batterijgewicht min/max in kg
Aandrijfvermogen in kW
Lastzwaartepuntafstand in mm
Bouwjaar
Optie
Vermeld bij vragen over het interne transportmiddel of bij het bestellen van
onderdelen het serienummer (37) aangeven. Het serienummer (37) van het interne
transportmiddel is aangegeven op het typeplaatje (21) en in het voertuigframe (30)
ingeslagen (zie paragraaf "Gemarkeerde punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B).
0310.NL
4.1
B 20
4.2
Hefcapaciteitplaatje van het interne transportmiddel
4.2
Hefcapaciteitplaatje van het interne transportmiddel
M
Gevaar op ongevallen door vervanging van de vorktanden
Bij het vervangen van de vorktanden wijzigt de hefcapaciteit.
M
Gevaar op ongevallen door vervanging van de vorktanden
Bij het vervangen van de vorktanden wijzigt de hefcapaciteit.
– Bij het vervangen van de vorktanden moet een extra hefcapaciteitplaatje worden
aangebracht op het interne transportmiddel.
– Interne transportmiddelen, die zonder vorktanden worden geleverd, krijgen een
hefcapaciteitplaatje voor standaardvorktanden (lengte: 1150 mm)
– Bij het vervangen van de vorktanden moet een extra hefcapaciteitplaatje worden
aangebracht op het interne transportmiddel.
– Interne transportmiddelen, die zonder vorktanden worden geleverd, krijgen een
hefcapaciteitplaatje voor standaardvorktanden (lengte: 1150 mm)
22
22
h3 (mm)
Q (kg)
h3 (mm)
D (mm)
D (mm)
Het hefcapaciteitsplaatje (22) geeft de hefcapaciteit (Q in kg) van het intern
transportmiddel aan. In tabelvorm wordt weergegeven, hoe groot de maximale
hefcapaciteit is bij een bepaalde lastzwaartepunt D (in mm) en de gewenste
hefhoogte h3 (in mm).
Z
Het hefcapaciteitsplaatje (22) geeft de hefcapaciteit (Q in kg) van het intern
transportmiddel aan. In tabelvorm wordt weergegeven, hoe groot de maximale
hefcapaciteit is bij een bepaalde lastzwaartepunt D (in mm) en de gewenste
hefhoogte h3 (in mm).
Z
Het hefcapaciteitplaatje (22) van het interne transportmiddel vermeld de hefcapaciteit
van het interne transportmiddel met de vorktanden in de uitlevertoestand.
Voorbeeld voor het berekenen van de maximale hefcapaciteit:
4250
3600
2900
Q (kg)
850
1105
1250
850
1105
1250
600
850
850
500
600
700
Het hefcapaciteitplaatje (22) van het interne transportmiddel vermeld de hefcapaciteit
van het interne transportmiddel met de vorktanden in de uitlevertoestand.
Voorbeeld voor het berekenen van de maximale hefcapaciteit:
4250
3600
2900
850
1105
1250
600
850
850
500
600
700
Bij een lastzwaartepunt D van 600 mm en een maximale hefhoogte h3 van 3600 mm
bedraagt de maximale hefcapaciteit Q 1105 kg.
0310.NL
0310.NL
Bij een lastzwaartepunt D van 600 mm en een maximale hefhoogte h3 van 3600 mm
bedraagt de maximale hefcapaciteit Q 1105 kg.
850
1105
1250
B 21
B 21
5
F
4.3
B 22
Hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat (o)
Het hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat geeft de hefcapaciteit Q [in kg]
van het interne transportmiddel in combinatie met het betreffende aanbouwapparaat.
Het serienummer dat in het lastdiagram voor het aanbouwapparaat is aangegeven,
moet overeenstemmen met het typeplaatje van het aanbouwapparaat, omdat de
speciale hefcapaciteit meestal wordt aangegeven door de producent. Deze wordt op
dezelfde manier aangegeven als de hefcapaciteit van het interne transportmiddel en
moet op dezelfde wijze worden berekend.
Het hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat geeft de hefcapaciteit Q [in kg]
van het interne transportmiddel in combinatie met het betreffende aanbouwapparaat.
Het serienummer dat in het lastdiagram voor het aanbouwapparaat is aangegeven,
moet overeenstemmen met het typeplaatje van het aanbouwapparaat, omdat de
speciale hefcapaciteit meestal wordt aangegeven door de producent. Deze wordt op
dezelfde manier aangegeven als de hefcapaciteit van het interne transportmiddel en
moet op dezelfde wijze worden berekend.
Bij lasten met een lastzwaartepunt van meer dan 500 mm naar boven wordt de
hefcapaciteit evenredig kleiner met het verschil van het veranderde zwaartepunt.
Bij lasten met een lastzwaartepunt van meer dan 500 mm naar boven wordt de
hefcapaciteit evenredig kleiner met het verschil van het veranderde zwaartepunt.
Stabiliteit
5
F
Gevaar op ongevallen door verminderde stabiliteit
De stabiliteit volgens het lastdiagram is enkel met de componenten (batterij, hefmast)
volgens typeplaatje gegarandeerd. Er mogen enkel door de producent toegelaten
batterijen worden gebruikt.
Stabiliteit
Gevaar op ongevallen door verminderde stabiliteit
De stabiliteit volgens het lastdiagram is enkel met de componenten (batterij, hefmast)
volgens typeplaatje gegarandeerd. Er mogen enkel door de producent toegelaten
batterijen worden gebruikt.
De stabiliteit van het interne transportmiddel is op basis van de actuele stand van de
techniek gecontroleerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de dynamische en
statische kiepkrachten, die bij gebruik volgens bestemming kunnen ontstaan.
De stabiliteit van het interne transportmiddel is op basis van de actuele stand van de
techniek gecontroleerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de dynamische en
statische kiepkrachten, die bij gebruik volgens bestemming kunnen ontstaan.
De stabiliteit van het interne transportmiddel wordt onder andere beïnvloed door de
volgende factoren:
De stabiliteit van het interne transportmiddel wordt onder andere beïnvloed door de
volgende factoren:
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
batterijmaat en -gewicht
wielen
hefmast
aanbouwapparaat
getransporteerde last (grootte, gewicht en zwaartepunt)
bodemvrijheid, bijv. aanpassing van de kantelbeveiligingen.
M
Gevaar op ongevallen door verlies van stabiliteit
Een wijziging van de vermelde componenten leidt tot een wijziging van de stabiliteit.
0310.NL
M
Hefcapaciteitplaatje van het aanbouwapparaat (o)
batterijmaat en -gewicht
wielen
hefmast
aanbouwapparaat
getransporteerde last (grootte, gewicht en zwaartepunt)
bodemvrijheid, bijv. aanpassing van de kantelbeveiligingen.
Gevaar op ongevallen door verlies van stabiliteit
Een wijziging van de vermelde componenten leidt tot een wijziging van de stabiliteit.
0310.NL
4.3
B 22
C Transport en eerste inbedrijfstelling
C Transport en eerste inbedrijfstelling
1
1
F
Transport
Transport
Het transport kan afhankelijk van de bouwhoogte van de hefmast en de plaatselijke
omstandigheden op twee verschillende manieren worden uitgevoerd:
Het transport kan afhankelijk van de bouwhoogte van de hefmast en de plaatselijke
omstandigheden op twee verschillende manieren worden uitgevoerd:
– staand, met gemonteerde hefmast en lastopnamemiddel (bij kleine bouwhoogten)
– staand, met gedemonteerde hefmast en lastopnamemiddel (bij grote
bouwhoogten)
– staand, met gemonteerde hefmast en lastopnamemiddel (bij kleine bouwhoogten)
– staand, met gedemonteerde hefmast en lastopnamemiddel (bij grote
bouwhoogten)
Veiligheidsaanwijzingen voor de montage en inbedrijfstelling
Veiligheidsaanwijzingen voor de montage en inbedrijfstelling
F
Gevaar op ongevallen door verkeerde montage
De montage van het interne transportmiddel op de plaats waar hij wordt gebruikt, de
inbedrijfstelling en de instructie van de bestuurder mogen alleen worden uitgevoerd
door de klantenservice van de producent die getraind is om dergelijke taken te
verrichten.
– Nadat de hefmast op de juiste wijze is gemonteerd, mogen de hydraulische
leidingen worden aangesloten op het verbindingspunt op basisvoertuig / hefmast
en het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Daarna mag het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Wanneer meerdere voertuigen zijn geleverd, moet erop worden gelet, dat
uitsluitend lastopnamemiddelen, hefmasten en basisvoertuig met steeds hetzelfde
serienummer worden samengebouwd.
1109.NL
1109.NL
– Nadat de hefmast op de juiste wijze is gemonteerd, mogen de hydraulische
leidingen worden aangesloten op het verbindingspunt op basisvoertuig / hefmast
en het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Daarna mag het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Wanneer meerdere voertuigen zijn geleverd, moet erop worden gelet, dat
uitsluitend lastopnamemiddelen, hefmasten en basisvoertuig met steeds hetzelfde
serienummer worden samengebouwd.
Gevaar op ongevallen door verkeerde montage
De montage van het interne transportmiddel op de plaats waar hij wordt gebruikt, de
inbedrijfstelling en de instructie van de bestuurder mogen alleen worden uitgevoerd
door de klantenservice van de producent die getraind is om dergelijke taken te
verrichten.
C1
C1
2
F
Verladen met een kraan
2
F
Gevaar op ongevallen door onvakkundig verladen met een kraan. Door het gebruik
van ongeschikte hefgereedschappen en het onvakkundige gebruik ervan kan het
intern transportmiddel bij het verladen met een kraan vallen.
– Intern transportmiddel en hefmast bij het heffen niet stoten en geen
ongecontroleerde bewegingen veroorzaken. Indien nodig, intern transportmiddel
en hefmast met behulp van geleidingstouwen vasthouden.
– Alleen personen die getraind zijn in het werken met bevestigingsmiddelen en
hefwerktuigen mogen het interne transportmiddel en de hefmast verladen.
– Bij het verladen met een kraan veiligheidsschoenen dragen.
– Niet onder zwevende lasten gaan staan.
– Niet in de gevarenzone komen en niet in de gevarenzone blijven staan.
– Uitsluitend hijsgereedschappen met voldoende hefcapaciteit gebruiken
(zie typeplaatje voor gewicht van het interne transportmiddel)
– De hijsmiddelen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten bevestigen en
tegen verschuiven borgen.
– Bevestigingsmiddelen uitsluitend in de voorgeschreven belastingrichting
gebruiken.
– Bevestigingsmiddelen van de hijsmiddelen zodanig aanbrengen, dat ze bij het
hijsen niet in contact komen met aanbouwdelen.
2.1
Verladen met een kraan
Gevaar op ongevallen door onvakkundig verladen met een kraan. Door het gebruik
van ongeschikte hefgereedschappen en het onvakkundige gebruik ervan kan het
intern transportmiddel bij het verladen met een kraan vallen.
– Intern transportmiddel en hefmast bij het heffen niet stoten en geen
ongecontroleerde bewegingen veroorzaken. Indien nodig, intern transportmiddel
en hefmast met behulp van geleidingstouwen vasthouden.
– Alleen personen die getraind zijn in het werken met bevestigingsmiddelen en
hefwerktuigen mogen het interne transportmiddel en de hefmast verladen.
– Bij het verladen met een kraan veiligheidsschoenen dragen.
– Niet onder zwevende lasten gaan staan.
– Niet in de gevarenzone komen en niet in de gevarenzone blijven staan.
– Uitsluitend hijsgereedschappen met voldoende hefcapaciteit gebruiken
(zie typeplaatje voor gewicht van het interne transportmiddel)
– De hijsmiddelen aan de daarvoor bestemde bevestigingspunten bevestigen en
tegen verschuiven borgen.
– Bevestigingsmiddelen uitsluitend in de voorgeschreven belastingrichting
gebruiken.
– Bevestigingsmiddelen van de hijsmiddelen zodanig aanbrengen, dat ze bij het
hijsen niet in contact komen met aanbouwdelen.
Verladen van het basisvoertuig met behulp van kraan, bij gemonteerde hefmast
2.1
Verladen van het basisvoertuig met behulp van kraan, bij gemonteerde hefmast
1
6
5
1
4
6
5
4
2
2
3
3
7
7
C2
1109.NL
8
1109.NL
8
C2
M
Uitsluitend hijsgereedschap met voldoende hefcapaciteit gebruiken (zie het
typeplaatje voor het gewicht van het voertuig. Zie hoofdstuk B).
M
Uitsluitend hijsgereedschap met voldoende hefcapaciteit gebruiken (zie het
typeplaatje voor het gewicht van het voertuig. Zie hoofdstuk B).
F
Het voertuig mag enkel zonder batterij door de kraan worden gehesen, zie paragraaf
"Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
F
Het voertuig mag enkel zonder batterij door de kraan worden gehesen, zie paragraaf
"Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
2.2
M
– Voertuig veilig parkeren, zie paragraaf "Intern transportmiddel veilig parkeren" in
hoofdstuk E.
– Intern transportmiddel met wiggen tegen wegrollen borgen!
– Voertuig veilig parkeren, zie paragraaf "Intern transportmiddel veilig parkeren" in
hoofdstuk E.
– Intern transportmiddel met wiggen tegen wegrollen borgen!
Hijsmiddelen op de bevestigingspunten (1-3) zo bevestigen, dat ze in geen geval
kunnen wegglijden! Bevestigingsmiddelen van de hijsmiddelen zodanig bevestigen,
dat ze bij het heffen niet in contact komen met aanbouwdelen.
Hijsmiddelen op de bevestigingspunten (1-3) zo bevestigen, dat ze in geen geval
kunnen wegglijden! Bevestigingsmiddelen van de hijsmiddelen zodanig bevestigen,
dat ze bij het heffen niet in contact komen met aanbouwdelen.
Kraanpunten
2.2
– De kraanpunten (1) zijn de ogen aan het bovenste uiteinde in de hefmast.
– Om toegang te krijgen tot de kraanpunten (2), moeten de batterijdeksels (4) en de
aandrijvingskap (8) eruit getild worden. Bovendien moeten de zijdelen (6) worden
gedemonteerd. Zowel boven (5) als aan de binnenkant (7) bevinden zich twee
bouten, die verwijderd moeten worden.
– De kraanpunten (3) zijn de onderste bevestigingspunten van de hefmast aan het
frame.
– De kraanpunten (1) zijn de ogen aan het bovenste uiteinde in de hefmast.
– Om toegang te krijgen tot de kraanpunten (2), moeten de batterijdeksels (4) en de
aandrijvingskap (8) eruit getild worden. Bovendien moeten de zijdelen (6) worden
gedemonteerd. Zowel boven (5) als aan de binnenkant (7) bevinden zich twee
bouten, die verwijderd moeten worden.
– De kraanpunten (3) zijn de onderste bevestigingspunten van de hefmast aan het
frame.
Voor het verladen met een kraan moeten de volgende kraanpunten worden
gebruikt:
Voor het verladen met een kraan moeten de volgende kraanpunten worden
gebruikt:
M
Uitsluitend een hijsgereedschap met voldoende hefcapaciteit gebruiken.
Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“ randen worden
gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal, bijv. schuimplastic.
– Kraanpunten voor compleet apparaat met gemonteerde mast:
punten (1) en (2)
Z
M
F
Z
M
Totaal gewicht zonder batterij, zie typeplaatje van het interne transportmiddel.
Het basistoestel met gemonteerde hefmast mag enkel zonder batterij door een kraan
worden gehesen, zie paragraaf "Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
Totaal gewicht zonder batterij, zie typeplaatje van het interne transportmiddel.
Het basistoestel met gemonteerde hefmast mag enkel zonder batterij door een kraan
worden gehesen, zie paragraaf "Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
– Kraanpunten voor het basistoestel:
punten (2) en (3)
Het basistoestel mag enkel zonder batterij door de kraan worden gehesen, zie
paragraaf "Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
Z
M
Erop letten dat de inbusbouten „mastbevestiging bovenste halve schalen“ met het
benodigde aanhaalmoment van 205 Nm worden aangedraaid.
F
Gewicht van het basistoestel, zie paragraaf "Gewichten" in hoofdstuk B.
– Kraanpunten hefmast inclusief cabine en lastopnamemiddelen:
punten (1) en (3)
Gewicht van het basistoestel, zie paragraaf "Gewichten" in hoofdstuk B.
Het basistoestel mag enkel zonder batterij door de kraan worden gehesen, zie
paragraaf "Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
Erop letten dat de inbusbouten „mastbevestiging bovenste halve schalen“ met het
benodigde aanhaalmoment van 205 Nm worden aangedraaid.
– Kraanpunten hefmast inclusief cabine en lastopnamemiddelen:
punten (1) en (3)
Z
Gewicht van de hefmast, inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat, zie
paragraaf "Gewichten" in hoofdstuk B.
1109.NL
Gewicht van de hefmast, inclusief bestuurderscabine en aanbouwapparaat, zie
paragraaf "Gewichten" in hoofdstuk B.
1109.NL
Z
Uitsluitend een hijsgereedschap met voldoende hefcapaciteit gebruiken.
Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“ randen worden
gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal, bijv. schuimplastic.
– Kraanpunten voor compleet apparaat met gemonteerde mast:
punten (1) en (2)
– Kraanpunten voor het basistoestel:
punten (2) en (3)
Z
M
Kraanpunten
C3
C3
F
2.3
F
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
C4
Verladen van de batterij met een kraan
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
– Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
– Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
– Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
– Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
– Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
– Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
– De wettelijke voorschriften in acht nemen.
– Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
– Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
– Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
– Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
– Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
– Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
– De wettelijke voorschriften in acht nemen.
• Batterij uit de batterijruimte van het intern
transportmiddel demonteren, zie paragraaf
"Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
• Batterij uit de batterijruimte van het intern
transportmiddel demonteren, zie paragraaf
"Batterij demonteren en monteren" in hoofdstuk D.
Z
Het gewicht dat het verladen met een kraan de
batterij in acht moet worden genomen staat op het
typeplaatje van de batterij.
Het gewicht dat het verladen met een kraan de
batterij in acht moet worden genomen staat op het
typeplaatje van de batterij.
• Verladen van de batterij met hijsmiddelen:
• Hijsgereedschap aan de vier ogen van de
batterijtrog bevestigen (zie typeplaatje voor
gewicht batterij).
• Verladen van de batterij met hijsmiddelen:
• Hijsgereedschap aan de vier ogen van de
batterijtrog bevestigen (zie typeplaatje voor
gewicht batterij).
De batterij kan nu met een kraan worden opgetild en
worden verladen.
De batterij kan nu met een kraan worden opgetild en
worden verladen.
• Verladen van de batterij op een pallet:
• Batterij op een pallet plaatsen.
• Batterij met twee sjorgordels/spangordels aan
de pallet bevestigen.
• Verladen van de batterij op een pallet:
• Batterij op een pallet plaatsen.
• Batterij met twee sjorgordels/spangordels aan
de pallet bevestigen.
De batterij kan nu met een heftruck worden opgetild en worden verladen.
De batterij kan nu met een heftruck worden opgetild en worden verladen.
1109.NL
Z
Verladen van de batterij met een kraan
1109.NL
2.3
C4
3
F
Voertuig vastzetten wanneer het zelf wordt vervoerd
3
F
Ongecontroleerde bewegingen tijdens het transport
Ondeskundige borging van het interne transportmiddel en de hefmast tijdens het
transport kan tot ernstige ongevallen leiden.
Ongecontroleerde bewegingen tijdens het transport
Ondeskundige borging van het interne transportmiddel en de hefmast tijdens het
transport kan tot ernstige ongevallen leiden.
– Vakpersoneel dat speciaal daarvoor is opgeleid, moet het voertuig laden volgens
de aanbevelingen in de richtlijnen VDI 2700 en VDI 2703. De juiste dimensionering
en de realisering van veiligheidsmaatregelen voor het verladen gedetailleerd
vastleggen.
– Bij transport op een vrachtwagen of aanhanger moet het interne transportmiddel
vakkundig worden vastgesjord.
– De vrachtwagen of aanhanger moet sjorogen hebben.
– Intern transportmiddel met behulp van wiggen tegen onbedoeld wegrollen
beveiligen.
– Enkel spangordels en sjorgordels met voldoende nominale sterkte gebruiken.
1109.NL
1109.NL
– Vakpersoneel dat speciaal daarvoor is opgeleid, moet het voertuig laden volgens
de aanbevelingen in de richtlijnen VDI 2700 en VDI 2703. De juiste dimensionering
en de realisering van veiligheidsmaatregelen voor het verladen gedetailleerd
vastleggen.
– Bij transport op een vrachtwagen of aanhanger moet het interne transportmiddel
vakkundig worden vastgesjord.
– De vrachtwagen of aanhanger moet sjorogen hebben.
– Intern transportmiddel met behulp van wiggen tegen onbedoeld wegrollen
beveiligen.
– Enkel spangordels en sjorgordels met voldoende nominale sterkte gebruiken.
Voertuig vastzetten wanneer het zelf wordt vervoerd
C5
C5
3.1
Transportbeveiliging basistoestel
3.1
Transportbeveiliging basistoestel
M
Uitsluitend het bevoegd servicepersoneel van de producent mag de hefmast
demonteren / monteren.
M
Uitsluitend het bevoegd servicepersoneel van de producent mag de hefmast
demonteren / monteren.
Gebruik de aangegeven bevestigingspunten voor sjorgordel / snelspangordel, voor
een veilig transport van een gedemonteerde EKX.
Gebruik de aangegeven bevestigingspunten voor sjorgordel / snelspangordel, voor
een veilig transport van een gedemonteerde EKX.
Z
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
M
Bij transport moet altijd het aandrijfwiel (11a) worden ontlast door een houten
balk (11b) over het gehele vlak onder het contractgewicht (minimaal framebreedte)
te leggen! Indien aanwezig de achterste sensor voor het inductieve
geleidingssysteem demonteren. Bovendien moet u de lastwielen (13b) borgen met
een wig (13a).
M
Bij transport moet altijd het aandrijfwiel (11a) worden ontlast door een houten
balk (11b) over het gehele vlak onder het contractgewicht (minimaal framebreedte)
te leggen! Indien aanwezig de achterste sensor voor het inductieve
geleidingssysteem demonteren. Bovendien moet u de lastwielen (13b) borgen met
een wig (13a).
M
Wanneer een voertuigbatterij in het frame wordt meegeleverd, moet de
batterijstekker worden losgehaald!
M
Wanneer een voertuigbatterij in het frame wordt meegeleverd, moet de
batterijstekker worden losgehaald!
C6
1109.NL
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
1109.NL
Z
C6
De sjorgordels / snelspangordels moeten aan minimaal 4 verschillende sjorogen (12)
worden bevestigd.
De sjorgordels / snelspangordels moeten aan minimaal 4 verschillende sjorogen (12)
worden bevestigd.
C
9
C
9
A
A
10
13a 13b
B
12
11a
11b
13a 13b
12
B
12
11a
11b
Om het basistoestel veilig te transporteren moeten de volgende voorgeschreven
bevestigingspunten voor de sjorgordels / snelspangordels worden gebruikt:
Om het basistoestel veilig te transporteren moeten de volgende voorgeschreven
bevestigingspunten voor de sjorgordels / snelspangordels worden gebruikt:
– Sjorgordel / snelspangordels (C) aan het achterste voertuigframe aan de bovenste
gaten van de bevestiging (10) van het contragewicht en aan de sjorogen (12)
bevestigen.
– Sjorgordel / snelspangordel (B) boven beide wielarmen leiden en bevestigen aan
de sjorogen (12).
– Sjorgordel / snelspangordel (A) over de bovenste frameopbouw, door de beide
mastbevestigingen (9) leiden en aan de sjorogen (12) bevestigen.
– Sjorgordel / snelspangordels (C) aan het achterste voertuigframe aan de bovenste
gaten van de bevestiging (10) van het contragewicht en aan de sjorogen (12)
bevestigen.
– Sjorgordel / snelspangordel (B) boven beide wielarmen leiden en bevestigen aan
de sjorogen (12).
– Sjorgordel / snelspangordel (A) over de bovenste frameopbouw, door de beide
mastbevestigingen (9) leiden en aan de sjorogen (12) bevestigen.
M
Op de ligging van de kabels letten en scherpe randen afdekken met geschikt
materiaal.
1109.NL
Op de ligging van de kabels letten en scherpe randen afdekken met geschikt
materiaal.
1109.NL
M
12
10
C7
C7
3.2
Transportbeveiliging hefmast
3.2
Transportbeveiliging hefmast
M
Bestuurderscabine (21) met behulp van een transportbeveiliging (20) tegen
verschuiven borgen!
M
Bestuurderscabine (21) met behulp van een transportbeveiliging (20) tegen
verschuiven borgen!
M
Z
De vorkdrager (14) tegen verschuiven borgen!
M
Z
De vorkdrager (14) tegen verschuiven borgen!
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
Wanneer de hefmast op (een) pallet(s) wordt geplaatst, moet u deze met sjorgordel
/ snelspangordel (18) stevig vastsjorren aan de hefmast.
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
Wanneer de hefmast op (een) pallet(s) wordt geplaatst, moet u deze met sjorgordel
/ snelspangordel (18) stevig vastsjorren aan de hefmast.
14
14
D 16
21
D 16
21
15
20
15
20
E
17
18
E
17
17 G 19
C8
F
17
18
E
17
1109.NL
F
1109.NL
17 G 19
E
C8
Bevestigingspunt „Hefmast onder“
– Sjorgordels / snelspangordels (F,G) aan de bevestigingsbeugel (19) van de
hefmast en aan de sjorogen (17) bevestigen.
– Sjorgordels / snelspangordels (F,G) aan de bevestigingsbeugel (19) van de
hefmast en aan de sjorogen (17) bevestigen.
Bevestigingspunt „Hefmast boven“
Bevestigingspunt „Hefmast boven“
– Eventueel
meegeleverde
delen
(vorktanden,
geleidingsrollen etc.) slipvast op een pallet (16)
verstouwen. De pallet (16) op het bovenste deel van de
hefmast leggen en bevestigen. Daarvoor sjorgordels /
snelspangordels (E) boven de pallet (16) en om de
hefmast leiden en vastsjorren. Vervolgens sjorgordel /
snelspangordel (D) over de pallet (16) leiden en aan de
16
sjorringen (17) bevestigen.
– Zonder pallet (16), de sjorgordel / snelspangordel (D) over de hefmast (boven)
leiden en aan de sjorogen van de vrachtwagen (17) bevestigen.
– Eventueel
meegeleverde
delen
(vorktanden,
geleidingsrollen etc.) slipvast op een pallet (16)
verstouwen. De pallet (16) op het bovenste deel van de
hefmast leggen en bevestigen. Daarvoor sjorgordels /
snelspangordels (E) boven de pallet (16) en om de
hefmast leiden en vastsjorren. Vervolgens sjorgordel /
snelspangordel (D) over de pallet (16) leiden en aan de
16
sjorringen (17) bevestigen.
– Zonder pallet (16), de sjorgordel / snelspangordel (D) over de hefmast (boven)
leiden en aan de sjorogen van de vrachtwagen (17) bevestigen.
M
Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“ randen worden
gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal, bijv. schuimplastic.
1109.NL
Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“ randen worden
gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal, bijv. schuimplastic.
1109.NL
M
Bevestigingspunt „Hefmast onder“
C9
C9
3.3
Transportbeveiliging voertuig met gemonteerde hefmast
3.3
Transportbeveiliging voertuig met gemonteerde hefmast
M
Wanneer een voertuigbatterij in het frame wordt meegeleverd, moet u de
batterijstekker loshalen!
M
Wanneer een voertuigbatterij in het frame wordt meegeleverd, moet u de
batterijstekker loshalen!
M
Bij transport moet altijd het aandrijfwiel (11a) worden ontlast door een houten balk
(11b) over het gehele vlak onder het contractgewicht (minimaal framebreedte) te leggen! Indien aanwezig de achterste sensor voor het inductieve geleidingssysteem demonteren. Bovendien moet u de lastwielen (13b) borgen met een wig (13a).
M
Bij transport moet altijd het aandrijfwiel (11a) worden ontlast door een houten balk
(11b) over het gehele vlak onder het contractgewicht (minimaal framebreedte) te leggen! Indien aanwezig de achterste sensor voor het inductieve geleidingssysteem demonteren. Bovendien moet u de lastwielen (13b) borgen met een wig (13a).
Z
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
Z
Uitsluitend sjorgordels / snelspangordels met een nominale sterkte van > 5 ton
gebruiken. Sjorgordels / snelspangordels die over hefkettingen en/of „scherpe“
randen worden gelegd, moet worden beschermd met geschikt onderlegmateriaal,
bijv. schuimplastic.
Er moeten ten minste vier gordels,
steeds twee links en twee rechts (23,
24) aan de hefmast en aan de
sjorogen (17) worden bevestigd.
22 23
Er moeten ten minste vier gordels,
steeds twee links en twee rechts (23,
24) aan de hefmast en aan de
sjorogen (17) worden bevestigd.
24
Zorg dat de afstand tussen hijsarm
en
de
kopzijde
van
het
transportvoertuig is opgevuld met
houten
balken,
pallets
of
rubbermatten (22).
22 23
24
Zorg dat de afstand tussen hijsarm
en
de
kopzijde
van
het
transportvoertuig is opgevuld met
houten
balken,
pallets
of
rubbermatten (22).
17
11a 11b
17
C 10
13a 13b
11a 11b
1109.NL
13a 13b
1109.NL
17
17
C 10
4
Eerste inbedrijfstelling
4
Veiligheidsaanwijzingen voor de montage en inbedrijfstelling
F
Eerste inbedrijfstelling
Veiligheidsaanwijzingen voor de montage en inbedrijfstelling
F
Gevaar op ongevallen door verkeerde montage
De montage van het interne transportmiddel op de plaats waar hij wordt gebruikt, de
inbedrijfstelling en de instructie van de bestuurder mogen alleen worden uitgevoerd
door de klantenservice van de producent die getraind is om dergelijke taken te
verrichten.
– Nadat de hefmast op de juiste wijze is gemonteerd, mogen de hydraulische
leidingen worden aangesloten op het verbindingspunt op basisvoertuig / hefmast
en het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Daarna mag het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Wanneer meerdere voertuigen zijn geleverd, moet erop worden gelet, dat
uitsluitend lastopnamemiddelen, hefmasten en basisvoertuig met steeds hetzelfde
serienummer worden samengebouwd.
Gevaar op ongevallen door verkeerde montage
De montage van het interne transportmiddel op de plaats waar hij wordt gebruikt, de
inbedrijfstelling en de instructie van de bestuurder mogen alleen worden uitgevoerd
door de klantenservice van de producent die getraind is om dergelijke taken te
verrichten.
– Nadat de hefmast op de juiste wijze is gemonteerd, mogen de hydraulische
leidingen worden aangesloten op het verbindingspunt op basisvoertuig / hefmast
en het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Daarna mag het interne transportmiddel in bedrijf worden genomen.
– Wanneer meerdere voertuigen zijn geleverd, moet erop worden gelet, dat
uitsluitend lastopnamemiddelen, hefmasten en basisvoertuig met steeds hetzelfde
serienummer worden samengebouwd.
Intern transportmiddel uitsluitend met batterijstroom rijden! Gelijkgerichte
wisselstroom beschadigt de elektronische onderdelen. Kabelverbindingen naar de
batterij (sleepkabels) moeten korter zijn dan 6 m en moeten een leidingdoorsnede
van minimaal 50 mm2 hebben.
M
Intern transportmiddel uitsluitend met batterijstroom rijden! Gelijkgerichte
wisselstroom beschadigt de elektronische onderdelen. Kabelverbindingen naar de
batterij (sleepkabels) moeten korter zijn dan 6 m en moeten een leidingdoorsnede
van minimaal 50 mm2 hebben.
4.1
Voertuig verplaatsen zonder batterij
4.1
Voertuig verplaatsen zonder batterij
M
Uitsluitend een deskundige onderhoudsmonteur die is opgeleid in de bediening mag
dit doen.
M
Uitsluitend een deskundige onderhoudsmonteur die is opgeleid in de bediening mag
dit doen.
M
Z
Deze bedrijfsmodus is verboden op hellingen (geen rem).
Deze bedrijfsmodus is verboden op hellingen (geen rem).
Zie ook paragraaf „Het interne transportmiddel uit de smalle gang bergen / het interne
transportmiddel verplaatsen zonder batterij“ in hoofdstuk E.
M
Z
4.2
Hefmast monteren en demonteren
4.2
Hefmast monteren en demonteren
M
De hefmast mag alleen door de speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice
van de producent worden gedemonteerd en gemonteerd. Bij wijze van uitzondering
mag deze taak door een door de producent goedgekeurde klantenservice worden
uitgevoerd.
M
De hefmast mag alleen door de speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice
van de producent worden gedemonteerd en gemonteerd. Bij wijze van uitzondering
mag deze taak door een door de producent goedgekeurde klantenservice worden
uitgevoerd.
M
Extra beknellingsgevaar bij het schuiven en zwenken in het zwenk- en schuifbereik
van het aanbouwapparaat.
M
Extra beknellingsgevaar bij het schuiven en zwenken in het zwenk- en schuifbereik
van het aanbouwapparaat.
Zie ook paragraaf „Het interne transportmiddel uit de smalle gang bergen / het interne
transportmiddel verplaatsen zonder batterij“ in hoofdstuk E.
1109.NL
1109.NL
M
C 11
C 11
5
Inbedrijfstelling
5
Inbedrijfstelling
M
Voertuig uitsluitend op batterijstroom rijden! Gelijkgerichte wisselstroom beschadigt
de elektronische onderdelen. Kabelverbindingen naar de batterij (losse
aansluitkabels) moeten korter zijn dan 6 m en moeten over een leidingdoorsnede van
minimaal 50 mm2 beschikken.
M
Voertuig uitsluitend op batterijstroom rijden! Gelijkgerichte wisselstroom beschadigt
de elektronische onderdelen. Kabelverbindingen naar de batterij (losse
aansluitkabels) moeten korter zijn dan 6 m en moeten over een leidingdoorsnede van
minimaal 50 mm2 beschikken.
Om het voertuig na de levering of na transport bedrijfsgereed te maken, moeten de
volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
Om het voertuig na de levering of na transport bedrijfsgereed te maken, moeten de
volgende werkzaamheden worden uitgevoerd:
– de
voor
het
transport
geborgde
afleidingskettingen (29) losmaken.
– Batterij monteren en opladen, zie paragraaf „Batterij
demonteren en monteren“ en „Batterij laden“ in
hoofdstuk D.
– Voertuig op de voorgeschreven wijze in gebruik
nemen, zie paragraaf „Intern transportmiddel in
bedrijf nemen“ in hoofdstuk E.
– de
voor
het
transport
geborgde
afleidingskettingen (29) losmaken.
– Batterij monteren en opladen, zie paragraaf „Batterij
demonteren en monteren“ en „Batterij laden“ in
hoofdstuk D.
– Voertuig op de voorgeschreven wijze in gebruik
nemen, zie paragraaf „Intern transportmiddel in
bedrijf nemen“ in hoofdstuk E.
Z
29
De EKX 410 wordt afhankelijk van de kanteltest met
kantelbeveiligingen (31) geleverd. De kantelbeveiligingen (31) zijn rechts en links aan het achterste voertuigframe gemonteerd. Bij gebruik van een kantelbeveiliging (31) wordt rechts onder het batterijdeksel na het
serienummer een "X" in het voertuigframe (30) geslagen (zie paragraaf „Gemarkeerde punten en typeplaatjes“ in hoofdstuk B).
Z
29
De EKX 410 wordt afhankelijk van de kanteltest met
kantelbeveiligingen (31) geleverd. De kantelbeveiligingen (31) zijn rechts en links aan het achterste voertuigframe gemonteerd. Bij gebruik van een kantelbeveiliging (31) wordt rechts onder het batterijdeksel na het
serienummer een "X" in het voertuigframe (30) geslagen (zie paragraaf „Gemarkeerde punten en typeplaatjes“ in hoofdstuk B).
Z
De afstand van de kantelbeveiliging (31) tot de vloer moet bij een nieuw aandrijfwiel
10 mm tot 12 mm bedragen.
Z
De afstand van de kantelbeveiliging (31) tot de vloer moet bij een nieuw aandrijfwiel
10 mm tot 12 mm bedragen.
M
Voordat de voertuigen in bedrijf worden gesteld worden, moet worden gecontroleerd
of de kantelbeveiligingen (31) aanwezig zijn.
M
Voordat de voertuigen in bedrijf worden gesteld worden, moet worden gecontroleerd
of de kantelbeveiligingen (31) aanwezig zijn.
M
Controleer of alle veiligheidsinrichtingen aanwezig zijn en of ze functioneren.
M
Controleer of alle veiligheidsinrichtingen aanwezig zijn en of ze functioneren.
30
30
C 12
1109.NL
31
1109.NL
31
C 12
C 13
C 13
1109.NL
1109.NL
C 14
C 14
1109.NL
1109.NL
D Batterij - onderhouden, opladen, vervangen
D Batterij - onderhouden, opladen, vervangen
1
1
M
Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen
Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen
Voor alle werkzaamheden aan de batterijen eerst het interne transportmiddel veilig
parkeren (zie hoofdstuk E).
Voor alle werkzaamheden aan de batterijen eerst het interne transportmiddel veilig
parkeren (zie hoofdstuk E).
Onderhoudsmedewerkers: Het opladen, onderhouden en vervangen van batterijen
mag uitsluitend door hiervoor opgeleide medewerkers worden uitgevoerd. Bij het
uitvoeren van de werkzaamheden deze handleiding en de voorschriften van de
producent van de batterij en het batterijlaadstation in acht nemen.
Onderhoudsmedewerkers: Het opladen, onderhouden en vervangen van batterijen
mag uitsluitend door hiervoor opgeleide medewerkers worden uitgevoerd. Bij het
uitvoeren van de werkzaamheden deze handleiding en de voorschriften van de
producent van de batterij en het batterijlaadstation in acht nemen.
Brandpreventiemaatregelen: Bij het werken met batterijen mag er niet gerookt
worden en er mag geen open vuur in de buurt zijn. In de buurt van het voor het
opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen zich op een afstand van
minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende bedrijfsmiddelen bevinden.
De ruimte moet geventileerd zijn. Brandblussers klaarzetten.
Brandpreventiemaatregelen: Bij het werken met batterijen mag er niet gerookt
worden en er mag geen open vuur in de buurt zijn. In de buurt van het voor het
opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen zich op een afstand van
minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende bedrijfsmiddelen bevinden.
De ruimte moet geventileerd zijn. Brandblussers klaarzetten.
Onderhoud van de batterij: De celdeksels van de batterij moeten droog en schoon
gehouden worden. Klemmen en kabelschoenen moeten schoon, met weinig poolvet
ingesmeerd en stevig vastgeschroefd zijn. Batterijen met niet-geïsoleerde polen
afdekken met een slipvaste isoleermat.
Onderhoud van de batterij: De celdeksels van de batterij moeten droog en schoon
gehouden worden. Klemmen en kabelschoenen moeten schoon, met weinig poolvet
ingesmeerd en stevig vastgeschroefd zijn. Batterijen met niet-geïsoleerde polen
afdekken met een slipvaste isoleermat.
M
Voor het sluiten van het batterijdeksel eerst controleren of de batterijkabel niet kan
worden beschadigd. Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
Afvoeren van de batterij: Het afvoeren van batterijen is uitsluitend toegestaan onder
naleving van de nationale milieuvoorschriften of wetten voor het afvoeren van afval.
De aanwijzingen van de producent voor de afvoer moeten absoluut worden
opgevolgd.
1109.NL
1109.NL
Afvoeren van de batterij: Het afvoeren van batterijen is uitsluitend toegestaan onder
naleving van de nationale milieuvoorschriften of wetten voor het afvoeren van afval.
De aanwijzingen van de producent voor de afvoer moeten absoluut worden
opgevolgd.
Voor het sluiten van het batterijdeksel eerst controleren of de batterijkabel niet kan
worden beschadigd. Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
D1
D1
Algemene opmerkingen over het werken met batterijen
F
F
2
Algemene opmerkingen over het werken met batterijen
F
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
• Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
• Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
• Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
• Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
• Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
• De wettelijke voorschriften in acht nemen.
F
Gevaar voor ongevallen door gebruik van ongeschikte batterijen
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit en de hefcapaciteit van het interne transportmiddel. Verandering van de
batterijuitrusting is alleen toegestaan met toestemming van de producent, aangezien
door de inbouw van kleinere batterijen compensatiegewichten nodig zijn. Bij het
vervangen / monteren van de batterij erop letten dat deze goed vastzit in de
batterijruimte van het interne transportmiddel.
Batterijtypen
2
U kunt de EKX uitrusten met verscheidene typen batterijen. Alle batterijtypen voldoen
aan DIN 43531-A. De onderstaande tabel toont onder vermelding van de capaciteit,
welke combinaties als standaard zijn voorzien.
Spanning
Capaciteit
Batterijtype
48 V
48 V
48 V
460 Ah
575 Ah
690 Ah
4EPzS460
4EPzS575
4EPzS690
Uitvoering van
de batterij
eendelig
eendelig
eendelig
Batterijtypen
Gewicht
Spanning
Capaciteit
Batterijtype
709 kg
856 kg
1011 kg
48 V
48 V
48 V
460 Ah
575 Ah
690 Ah
4EPzS460
4EPzS575
4EPzS690
Uitvoering van
de batterij
eendelig
eendelig
eendelig
Gewicht
709 kg
856 kg
1011 kg
Het batterijgewicht is vermeld op het typeplaatje van de batterij.
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit van het intern transportmiddel. Vervangen van de batterijuitrusting is enkel
toegestaan met toestemming van de producent.
1109.NL
F
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit van het intern transportmiddel. Vervangen van de batterijuitrusting is enkel
toegestaan met toestemming van de producent.
1109.NL
D2
Gevaar voor ongevallen door gebruik van ongeschikte batterijen
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit en de hefcapaciteit van het interne transportmiddel. Verandering van de
batterijuitrusting is alleen toegestaan met toestemming van de producent, aangezien
door de inbouw van kleinere batterijen compensatiegewichten nodig zijn. Bij het
vervangen / monteren van de batterij erop letten dat deze goed vastzit in de
batterijruimte van het interne transportmiddel.
U kunt de EKX uitrusten met verscheidene typen batterijen. Alle batterijtypen voldoen
aan DIN 43531-A. De onderstaande tabel toont onder vermelding van de capaciteit,
welke combinaties als standaard zijn voorzien.
Het batterijgewicht is vermeld op het typeplaatje van de batterij.
F
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
• Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
• Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
• Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
• Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
• Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
• De wettelijke voorschriften in acht nemen.
D2
2.1
Afmetingen van de batterijruimte
2.1
Afmetingen van de batterijruimte
L
L
H
H
B
Voertuigtype
EKX 410
Breedte (B)
635 mm
Hoogte (H)
690 mm
Voertuigtype
EKX 410
Maximale hoogte van de batterij = 650 mm
F
Lengte (L)
1075 mm
Breedte (B)
635 mm
Hoogte (H)
690 mm
Maximale hoogte van de batterij = 650 mm
Bij het vervangen van de batterijuitrusting moet erop worden gelet, dat de
batterijafmetingen, -typen en -gewichten van de vervangende batterijen identiek is
aan de daarvoor gebruikte batterij.
– Verandering van de batterijuitrusting is alleen toegestaan met toestemming van de
producent,
aangezien
door
de
inbouw
van
kleinere
batterijen
compensatiegewichten nodig zijn.
– Bij het vervangen / inbouwen van de batterij erop letten dat deze goed vastzit in de
batterijruimte van het interne transportmiddel.
1109.NL
Bij het vervangen van de batterijuitrusting moet erop worden gelet, dat de
batterijafmetingen, -typen en -gewichten van de vervangende batterijen identiek is
aan de daarvoor gebruikte batterij.
– Verandering van de batterijuitrusting is alleen toegestaan met toestemming van de
producent,
aangezien
door
de
inbouw
van
kleinere
batterijen
compensatiegewichten nodig zijn.
– Bij het vervangen / inbouwen van de batterij erop letten dat deze goed vastzit in de
batterijruimte van het interne transportmiddel.
1109.NL
F
Lengte (L)
1075 mm
B
D3
D3
3
Batterij vrijmaken
M
Beknellingsgevaar
Bij het sluiten van het batterijdeksel
bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel
mag er niets tussen het batterijdeksel
en het interne transportmiddel zitten.
F
2
Gevaar op ongevallen door een niet
geborgd intern transportmiddel
3
Plaatsing van het interne transportmiddel
op hellingen of met omhoog gebrachte
last
cq.
omhooggebracht
lastopnamemiddel is gevaarlijk en is niet
toegestaan.
• Intern transportmiddel alleen op een
vlakke ondergrond parkeren. In
bijzondere gevallen moet het interne
transportmiddel
met
bijvoorbeeld
wiggen worden geborgd.
• Hefmast en lastvork altijd volledig
neerlaten.
• Parkeerplaats zodanig kiezen dat
niemand letsel kan oplopen aan de neergelaten vorktanden.
3
Batterij vrijmaken
M
Beknellingsgevaar
Bij het sluiten van het batterijdeksel
bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel
mag er niets tussen het batterijdeksel
en het interne transportmiddel zitten.
1
F
4
– Intern transportmiddel veilig parkeren
(zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E).
– Lastopnamemiddel tot aan de vloer neerlaten.
– Contactslot (2) in de stand „0“ (nul) draaien.
– NOODSTOP-schakelaar (1) naar onderen drukken.
– Batterijdeksels (4) omhoog klappen (zie pijlrichting).
D4
Gevaar op ongevallen door een niet
geborgd intern transportmiddel
3
Plaatsing van het interne transportmiddel
op hellingen of met omhoog gebrachte
last
cq.
omhooggebracht
lastopnamemiddel is gevaarlijk en is niet
toegestaan.
• Intern transportmiddel alleen op een
vlakke ondergrond parkeren. In
bijzondere gevallen moet het interne
transportmiddel
met
bijvoorbeeld
wiggen worden geborgd.
• Hefmast en lastvork altijd volledig
neerlaten.
• Parkeerplaats zodanig kiezen dat
niemand letsel kan oplopen aan de neergelaten vorktanden.
1
4
– Intern transportmiddel veilig parkeren
(zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E).
– Lastopnamemiddel tot aan de vloer neerlaten.
– Contactslot (2) in de stand „0“ (nul) draaien.
– NOODSTOP-schakelaar (1) naar onderen drukken.
– Batterijdeksels (4) omhoog klappen (zie pijlrichting).
Gevaar op letsel en ongevallen door niet gesloten afdekkingen
De afdekkingen (batterijdeksel, zijbekledingen, afdekking van de aandrijfruimte, etc.)
moeten tijdens het bedrijf gesloten zijn.
1109.NL
M
Gevaar op letsel en ongevallen door niet gesloten afdekkingen
De afdekkingen (batterijdeksel, zijbekledingen, afdekking van de aandrijfruimte, etc.)
moeten tijdens het bedrijf gesloten zijn.
1109.NL
M
2
D4
4
F
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
De batterij geeft bij het opladen een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af.
De gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
• Het aansluiten en loskoppelen van laadkabels van het batterijlaadstation met de
batterijstekker mag alleen plaatsvinden als het laadstation en interne
transportmiddel is uitgeschakeld.
• Lader moet zijn afgestemd op de spanning en de laadcapaciteit van de batterij.
• Voor het laden eerst alle kabel- en stekkerverbindingen controleren op zichtbare
beschadigingen.
• Voor voldoende ventilatie zorgen van de ruimte waarin het interne transportmiddel
wordt opgeladen.
• Batterijdeksel moet geopend zijn en de oppervlakken van de batterijcellen moeten
tijdens het laden vrijliggen, om voldoende ventilatie te garanderen.
• Als er met batterijen wordt gewerkt, mag er niet worden gerookt en mag er geen
open vuur worden gebruikt.
• In de buurt van het voor het opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen
zich op een afstand van minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende
bedrijfsmiddelen bevinden.
• Brandblussers klaarzetten.
• Geen metalen voorwerpen op de batterij plaatsen.
• De veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation moeten
beslist worden nageleefd.
• Batterij vrijmaken (zie paragraaf „Batterij vrijmaken“ in dit hoofdstuk).
1109.NL
F
Batterij laden
Batterij laden
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
De batterij geeft bij het opladen een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af.
De gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
• Het aansluiten en loskoppelen van laadkabels van het batterijlaadstation met de
batterijstekker mag alleen plaatsvinden als het laadstation en interne
transportmiddel is uitgeschakeld.
• Lader moet zijn afgestemd op de spanning en de laadcapaciteit van de batterij.
• Voor het laden eerst alle kabel- en stekkerverbindingen controleren op zichtbare
beschadigingen.
• Voor voldoende ventilatie zorgen van de ruimte waarin het interne transportmiddel
wordt opgeladen.
• Batterijdeksel moet geopend zijn en de oppervlakken van de batterijcellen moeten
tijdens het laden vrijliggen, om voldoende ventilatie te garanderen.
• Als er met batterijen wordt gewerkt, mag er niet worden gerookt en mag er geen
open vuur worden gebruikt.
• In de buurt van het voor het opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen
zich op een afstand van minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende
bedrijfsmiddelen bevinden.
• Brandblussers klaarzetten.
• Geen metalen voorwerpen op de batterij plaatsen.
• De veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation moeten
beslist worden nageleefd.
• Batterij vrijmaken (zie paragraaf „Batterij vrijmaken“ in dit hoofdstuk).
1109.NL
4
D5
D5
– Intern transportmiddel veilig parkeren,
zie paragraaf „Intern transportmiddel
veilig parkeren“ in hoofdstuk E.
– Batterij vrijmaken, zie paragraaf
„Batterij vrijmaken“ in dit hoofdstuk.
– Lader uitschakelen.
– Correct laadprogramma op lader
instellen.
– Batterijstekker (3) eruit trekken.
F
Z
Bij het laden van de batterij moeten de
oppervlakken van de batterijcellen
vrijliggen, om voldoende ventilatie te
garanderen. Geen metalen voorwerpen
op de batterij leggen. Voor het laden eerst
alle kabel- en stekkerverbindingen op
zichtbare beschadigingen controleren.
– Intern transportmiddel veilig parkeren,
zie paragraaf „Intern transportmiddel
veilig parkeren“ in hoofdstuk E.
– Batterij vrijmaken, zie paragraaf
„Batterij vrijmaken“ in dit hoofdstuk.
– Lader uitschakelen.
– Correct laadprogramma op lader
instellen.
– Batterijstekker (3) eruit trekken.
2
1
F
3
Z
De lader moet zijn afgestemd op de
spanning en het laadvermogen van de
batterij.
– Laadkabel van het batterijlaadstation
4
met de batterijstekker (3) verbinden.
– Lader inschakelen.
– Batterij opladen volgens de voorschriften van de producent van de batterij en het
laadstation.
D6
1
3
De lader moet zijn afgestemd op de
spanning en het laadvermogen van de
batterij.
– Laadkabel van het batterijlaadstation
4
met de batterijstekker (3) verbinden.
– Lader inschakelen.
– Batterij opladen volgens de voorschriften van de producent van de batterij en het
laadstation.
Beslist de veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation
naleven.
1109.NL
F
Beslist de veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation
naleven.
1109.NL
F
Bij het laden van de batterij moeten de
oppervlakken van de batterijcellen
vrijliggen, om voldoende ventilatie te
garanderen. Geen metalen voorwerpen
op de batterij leggen. Voor het laden eerst
alle kabel- en stekkerverbindingen op
zichtbare beschadigingen controleren.
2
D6
F
M
F
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
De batterij geeft bij het opladen een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af.
De gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
• Het aansluiten en loskoppelen van laadkabels van het batterijlaadstation met de
batterijstekker mag alleen plaatsvinden als het laadstation en interne
transportmiddel is uitgeschakeld.
M
Beknellingsgevaar
Bij het sluiten van het batterijdeksel bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel mag er niets tussen het batterijdeksel en het
interne transportmiddel zitten.
– Lader uitschakelen nadat de batterij volledig is opgeladen.
– Laadkabel van het batterijlaadstation losmaken van de batterijstekker (3).
– Alle kabel- en stekkerverbindingen op zichtbare schade controleren.
M
Beknellingsgevaar
Bij het sluiten van het batterijdeksel bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel mag er niets tussen het batterijdeksel en het
interne transportmiddel zitten.
– Lader uitschakelen nadat de batterij volledig is opgeladen.
– Laadkabel van het batterijlaadstation losmaken van de batterijstekker (3).
– Alle kabel- en stekkerverbindingen op zichtbare schade controleren.
M
Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Batterijstekker(3) aansluiten op het interne transportmiddel.
Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Batterijstekker(3) aansluiten op het interne transportmiddel.
M
Gevaar op letsel en ongevallen door niet gesloten afdekkingen
De afdekkingen (batterijdeksel, zijbekledingen, afdekking van de aandrijfruimte, etc.)
moeten tijdens het bedrijf gesloten zijn.
Gevaar op letsel en ongevallen door niet gesloten afdekkingen
De afdekkingen (batterijdeksel, zijbekledingen, afdekking van de aandrijfruimte, etc.)
moeten tijdens het bedrijf gesloten zijn.
– Batterijdeksels (4) sluiten.
Als de batterij is geladen is het interne transportmiddel weer bedrijfsgereed.
Als de batterij is geladen is het interne transportmiddel weer bedrijfsgereed.
1109.NL
– Batterijdeksels (4) sluiten.
1109.NL
M
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
De batterij geeft bij het opladen een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af.
De gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
• Het aansluiten en loskoppelen van laadkabels van het batterijlaadstation met de
batterijstekker mag alleen plaatsvinden als het laadstation en interne
transportmiddel is uitgeschakeld.
D7
D7
5
Batterij demonteren en monteren
5
Batterij demonteren en monteren
M
Gevaar op ongevallen bij het uit- en inbouwen van de batterij
Door het gewicht en de batterijzuren, kan er bij het uit- en inbouwen van de batterij
letsel ontstaan.
• De paragraaf „Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen“ in dit
hoofdstuk in acht nemen.
• Bij het uit- en inbouwen van de batterij veiligheidsschoenen dragen.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met geïsoleerde cellen en geïsoleerde
poolconnectoren.
• Batterij het vervangen van de batterij mag alleen een identiek exemplaar in de
batterijruimte worden geplaatst. Extra gewichten moeten niet worden verwijderd of
verplaatst.
• Intern transportmiddel horizontaal zetten, om te voorkomen dat de batterij eruit
glijdt.
• Batterij enkel vervangen met hijsmiddelen met voldoende hefcapaciteit.
• Alleen goedgekeurde hulpmiddelen voor het vervangen van de batterij gebruiken
(batterijwisselframe, batterijwisselstation, etc.).
• Erop letten, dat de batterij stevig in de batterijruimte van het interne transportmiddel
is geplaatst.
M
Gevaar op ongevallen bij het uit- en inbouwen van de batterij
Door het gewicht en de batterijzuren, kan er bij het uit- en inbouwen van de batterij
letsel ontstaan.
• De paragraaf „Veiligheidsvoorschriften bij de omgang met zuurbatterijen“ in dit
hoofdstuk in acht nemen.
• Bij het uit- en inbouwen van de batterij veiligheidsschoenen dragen.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met geïsoleerde cellen en geïsoleerde
poolconnectoren.
• Batterij het vervangen van de batterij mag alleen een identiek exemplaar in de
batterijruimte worden geplaatst. Extra gewichten moeten niet worden verwijderd of
verplaatst.
• Intern transportmiddel horizontaal zetten, om te voorkomen dat de batterij eruit
glijdt.
• Batterij enkel vervangen met hijsmiddelen met voldoende hefcapaciteit.
• Alleen goedgekeurde hulpmiddelen voor het vervangen van de batterij gebruiken
(batterijwisselframe, batterijwisselstation, etc.).
• Erop letten, dat de batterij stevig in de batterijruimte van het interne transportmiddel
is geplaatst.
2
2
1
1
5
5
6
6
3
3
7
7
8
8
D8
1109.NL
4
1109.NL
4
D8
Batterij met batterijtransportwagen demonteren:
– Intern transportmiddel veilig parkeren
(zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E).
– Contactslot (2) op „0“ (nul) draaien en NOODSTOP-knop (1) indrukken.
– Batterijdeksels (4) omhoog klappen en batterijstekker (3) eruit trekken.
– Batterijdeksels (4) eruit tillen.
– Batterijborging (5) losmaken door de hendel (6) om te leggen en eruit nemen.
– Batterijwisselframe vóór de batterijruimte plaatsen, zodat de batterij (7) veilig op het
batterijwisselframe kan worden geschoven.
– Trek de batterij (7) zijwaarts op de gereed staande batterijtransportwagen.
– Intern transportmiddel veilig parkeren
(zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E).
– Contactslot (2) op „0“ (nul) draaien en NOODSTOP-knop (1) indrukken.
– Batterijdeksels (4) omhoog klappen en batterijstekker (3) eruit trekken.
– Batterijdeksels (4) eruit tillen.
– Batterijborging (5) losmaken door de hendel (6) om te leggen en eruit nemen.
– Batterijwisselframe vóór de batterijruimte plaatsen, zodat de batterij (7) veilig op het
batterijwisselframe kan worden geschoven.
– Trek de batterij (7) zijwaarts op de gereed staande batterijtransportwagen.
F
Op de correcte vergrendeling van de batterijtransportwagen letten!
Op de correcte vergrendeling van de batterijtransportwagen letten!
– Batterij (7) op het batterijwisselframe tegen bewegingen borgen.
1109.NL
– Batterij (7) op het batterijwisselframe tegen bewegingen borgen.
1109.NL
F
Batterij met batterijtransportwagen demonteren:
D9
D9
Batterij met batterijtransportwagen monteren:
M
F
Gevaar op ongevallen door niet geplaatste batterij
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit en de hefcapaciteit van het interne transportmiddel. Werkzaamheden met
het interne transportmiddel zonder dat de batterij in de batterijruimte is geplaatst, is
verboden. Bij wijze van uitzondering is kort rangeren toegestaan, bijvoorbeeld voor
het vervangen van de batterij.
Daarbij moet het volgende gelden:
• sleepkabels moeten korter zijn dan 6 m en ten minste een leidingdoorsnede van
50 mm2 hebben.
• Hefmast volledig neergelaten.
• Geen last opgenomen.
• Enkel korte rangeerritten uitvoeren met kruipsnelheid.
• Extra oplettenheid van de bediener.
M
Bij het sluiten van het batterijdeksel en bij het plaatsen van de zijbekledingen,
batterijborging, batterijvergrendeling en batterij bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het plaatsen van de batterij, batterijborgingen en zijbekledingen mag er niets
tussen de genoemde onderdelen en het interne transportmiddel zitten.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel mag er niets tussen het batterijdeksel en het
interne transportmiddel zitten.
Gevaar op ongevallen door niet geplaatste batterij
Het gewicht en de afmeting van de batterij hebben een aanzienlijke invloed op de
stabiliteit en de hefcapaciteit van het interne transportmiddel. Werkzaamheden met
het interne transportmiddel zonder dat de batterij in de batterijruimte is geplaatst, is
verboden. Bij wijze van uitzondering is kort rangeren toegestaan, bijvoorbeeld voor
het vervangen van de batterij.
Daarbij moet het volgende gelden:
• sleepkabels moeten korter zijn dan 6 m en ten minste een leidingdoorsnede van
50 mm2 hebben.
• Hefmast volledig neergelaten.
• Geen last opgenomen.
• Enkel korte rangeerritten uitvoeren met kruipsnelheid.
• Extra oplettenheid van de bediener.
Bij het sluiten van het batterijdeksel en bij het plaatsen van de zijbekledingen,
batterijborging, batterijvergrendeling en batterij bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het plaatsen van de batterij, batterijborgingen en zijbekledingen mag er niets
tussen de genoemde onderdelen en het interne transportmiddel zitten.
• Bij het sluiten van het batterijdeksel mag er niets tussen het batterijdeksel en het
interne transportmiddel zitten.
2
2
1
1
5
5
6
6
3
3
7
7
8
8
4
4
Z
De batterijborgingen (5, 8) kunnen van plaats worden gewisseld. Dat wil zeggen: ze
kunnen zowel in de linker als rechter zijde van het voertuigframe worden gestoken.
Z
De batterijborgingen (5, 8) kunnen van plaats worden gewisseld. Dat wil zeggen: ze
kunnen zowel in de linker als rechter zijde van het voertuigframe worden gestoken.
M
Om ervoor te zorgen dat bij de montage de batterij (7) er niet doorgeschoven kan
worden, moet eerst de batterijborging (8) tegenover de inschuifzijde zijn ingestoken.
M
Om ervoor te zorgen dat bij de montage de batterij (7) er niet doorgeschoven kan
worden, moet eerst de batterijborging (8) tegenover de inschuifzijde zijn ingestoken.
D 10
– Batterijwisselframe inclusief batterij (7) voor de batterijruimte plaatsen, zodat de
batterij (7) veilig in de batterijruimte van het interne transportmiddel kan worden
geschoven.
1109.NL
– Batterijwisselframe inclusief batterij (7) voor de batterijruimte plaatsen, zodat de
batterij (7) veilig in de batterijruimte van het interne transportmiddel kan worden
geschoven.
D 10
1109.NL
F
Batterij met batterijtransportwagen monteren:
– Batterijborging (8) tegenover de inschuifzijde plaatsen en vergrendelen, zodat de
batterij (7) bij het inbouwen niet door de batterijruimte wordt geschoven.
– Batterijvergrendeling van het batterijwisselframe losmaken.
– Batterij (7) van het batterijwisselframe tot aan de aanslag in de batterijruimte van
het interne transportmiddel schuiven (zie pijlrichting).
– Batterijborging (5) in het voertuigframe plaatsen en door het omleggen van de
hendel (6) vergrendelen.
F
M
– Batterijborging (8) tegenover de inschuifzijde plaatsen en vergrendelen, zodat de
batterij (7) bij het inbouwen niet door de batterijruimte wordt geschoven.
– Batterijvergrendeling van het batterijwisselframe losmaken.
– Batterij (7) van het batterijwisselframe tot aan de aanslag in de batterijruimte van
het interne transportmiddel schuiven (zie pijlrichting).
– Batterijborging (5) in het voertuigframe plaatsen en door het omleggen van de
hendel (6) vergrendelen.
F
Na het vervangen / inbouwen van de batterij (7) erop letten dat de batterij (7) stevig
in de batterijruimte van het interne transportmiddel is geplaatst.
M
Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Batterijstekker(3) aansluiten op het interne transportmiddel.
– Onderste deel van het batterijdeksel (4) in het voertuigframe plaatsen en
batterijdeksel (4) sluiten.
F
Bij beschadigde kabels bestaat er gevaar op kortsluiting.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Batterijstekker(3) aansluiten op het interne transportmiddel.
– Onderste deel van het batterijdeksel (4) in het voertuigframe plaatsen en
batterijdeksel (4) sluiten.
F
Na het opnieuw inbouwen alle kabel- en stekkerverbindingen op zichtbare schade
controleren en voor het opnieuw in bedrijf nemen controleren of:
Na het opnieuw inbouwen alle kabel- en stekkerverbindingen op zichtbare schade
controleren en voor het opnieuw in bedrijf nemen controleren of:
– de batterijvergrendelingen (5, 8) zijn ingestoken en of de batterijborging (5) is
vastgetrokken met de hendel (6),
– de batterijdeksel (4) veilig zijn gesloten.
1109.NL
– de batterijvergrendelingen (5, 8) zijn ingestoken en of de batterijborging (5) is
vastgetrokken met de hendel (6),
– de batterijdeksel (4) veilig zijn gesloten.
1109.NL
Na het vervangen / inbouwen van de batterij (7) erop letten dat de batterij (7) stevig
in de batterijruimte van het interne transportmiddel is geplaatst.
D 11
D 11
6
F
Batterij - toestand en zuurstand controleren
6
F
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
• Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
• Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
• Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
• Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
• Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
• De wettelijke voorschriften in acht nemen.
– Onderhoudsaanwijzingen van de producent van de batterij naleven.
– Behuizing van de batterij controleren op scheuren en eventueel op uitgelopen zuur.
– Oxidatieresten aan de batterijpolen bevestigen en de batterijpolen insmeren met
zuurvrij vet.
– Afsluitbout eruit schroeven en de zuurstand controleren.
Zuurstand moet zich minstens 10-15 mm boven de bovenkant van de plaat
bevinden.
– Batterij indien nodig bijladen.
Bij
onderhoudsvrije
en
speciale
batterijen kan bevoegd vakpersoneel de
indicatie- en uitschakelpunten instellen
via de parametertoewijzing.
Door uitputting gaat de batterij
minder lang mee.
Batterij opladen, zie paragraaf „Batterij
laden“ in dit hoofdstuk.
7
-
D 12
Laadindicatie voor batterij
Wanneer de NOODSTOP-knop is ontgrendeld door deze te draaien, en de
sleutel in het contactslot met de klok
mee is gedraaid, geeft de batterijverbruik-indicator de restcapaciteit aan. Bij
een restcapaciteit van 30 % knippert de
indicatie. Bij minder dan 20 % capaciteit
vindt er een hefuitschakeling plaats.
+
Bij
onderhoudsvrije
en
speciale
batterijen kan bevoegd vakpersoneel de
indicatie- en uitschakelpunten instellen
via de parametertoewijzing.
50%
M
1109.NL
M
– Onderhoudsaanwijzingen van de producent van de batterij naleven.
– Behuizing van de batterij controleren op scheuren en eventueel op uitgelopen zuur.
– Oxidatieresten aan de batterijpolen bevestigen en de batterijpolen insmeren met
zuurvrij vet.
– Afsluitbout eruit schroeven en de zuurstand controleren.
Zuurstand moet zich minstens 10-15 mm boven de bovenkant van de plaat
bevinden.
– Batterij indien nodig bijladen.
Laadindicatie voor batterij
Wanneer de NOODSTOP-knop is ontgrendeld door deze te draaien, en de
sleutel in het contactslot met de klok
mee is gedraaid, geeft de batterijverbruik-indicator de restcapaciteit aan. Bij
een restcapaciteit van 30 % knippert de
indicatie. Bij minder dan 20 % capaciteit
vindt er een hefuitschakeling plaats.
Gevaar op ongevallen en letsel bij het hanteren van batterijen
De batterijen bevatten opgelost zuur dat giftig en bijtend is. Elk contact met
batterijzuur vermijden.
• Oud batterijzuur volgens de voorschriften afvoeren.
• Bij alle werkzaamheden aan de batterijen moet er beslist beschermende kleding en
oogbescherming worden gedragen.
• Geen batterijzuur op de huid, kleding of in de ogen laten komen, indien nodig,
batterijzuur met veel schoon water uitspoelen.
• Bij persoonlijk letsel (bijv. huid- of oogcontact met batterijzuur) meteen een arts
raadplegen.
• Gemorst batterijzuur meteen met veel water neutraliseren.
• Uitsluitend batterijen gebruiken met gesloten batterijtrog.
• De wettelijke voorschriften in acht nemen.
Door uitputting gaat de batterij
minder lang mee.
Batterij opladen, zie paragraaf „Batterij
laden“ in dit hoofdstuk.
-
+
50%
1109.NL
7
Batterij - toestand en zuurstand controleren
D 12
E Bediening
E Bediening
1
1
Veiligheidsvoorschriften voor gebruik van het interne transportmiddel
Veiligheidsvoorschriften voor gebruik van het interne transportmiddel
Rechten, plichten en gedragregels voor de bestuurder: de bestuurder moet zijn
geïnstrueerd in zijn rechten en plichten en in de bediening van het interne
transportmiddel, en moet vertrouwd zijn met de inhoud van deze handleiding. De
vereiste rechten moeten aan hem worden verleend.
Rechten, plichten en gedragregels voor de bestuurder: de bestuurder moet zijn
geïnstrueerd in zijn rechten en plichten en in de bediening van het interne
transportmiddel, en moet vertrouwd zijn met de inhoud van deze handleiding. De
vereiste rechten moeten aan hem worden verleend.
Verbod op gebruik door onbevoegden: de bestuurder is tijdens de gebruikstijd
verantwoordelijk voor het interne transportmiddel. Hij moet onbevoegden verbieden
met het interne transportmiddel te rijden of het te bedienen. Er mogen geen personen
meegenomen of opgetild worden.
Verbod op gebruik door onbevoegden: de bestuurder is tijdens de gebruikstijd
verantwoordelijk voor het interne transportmiddel. Hij moet onbevoegden verbieden
met het interne transportmiddel te rijden of het te bedienen. Er mogen geen personen
meegenomen of opgetild worden.
Beschadigingen en gebreken: beschadigingen en overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat moeten onmiddellijk worden gemeld
aan de toezichthouder. Bedrijfsonveilige interne transportmiddelen (bijvoorbeeld met
versleten wielen of defecte remmen) mogen niet worden gebruikt voordat ze zijn
gerepareerd op de voorgeschreven wijze.
Beschadigingen en gebreken: beschadigingen en overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat moeten onmiddellijk worden gemeld
aan de toezichthouder. Bedrijfsonveilige interne transportmiddelen (bijvoorbeeld met
versleten wielen of defecte remmen) mogen niet worden gebruikt voordat ze zijn
gerepareerd op de voorgeschreven wijze.
Reparaties: de bestuurder mag zonder speciale opleiding en toestemming geen
reparaties of veranderingen aan het interne transportmiddel uitvoeren. Hij mag de
werking van de veiligheidsvoorzieningen of schakelaars in geen geval veranderen of
blokkeren.
Reparaties: de bestuurder mag zonder speciale opleiding en toestemming geen
reparaties of veranderingen aan het interne transportmiddel uitvoeren. Hij mag de
werking van de veiligheidsvoorzieningen of schakelaars in geen geval veranderen of
blokkeren.
0310.NL
Rijbewijs: uitsluitend daartoe geschikte personen mogen het interne transportmiddel
gebruiken. Deze personen moeten zijn opgeleid in de bediening van het interne
transportmiddel, moeten hun vaardigheden in het rijden en handhaven van lasten
hebben gedemonstreerd aan de exploitant of diens gemachtigde, en moeten van
deze persoon nadrukkelijk opdracht hebben gekregen tot het bedienen van het
interne transportmiddel.
0310.NL
Rijbewijs: uitsluitend daartoe geschikte personen mogen het interne transportmiddel
gebruiken. Deze personen moeten zijn opgeleid in de bediening van het interne
transportmiddel, moeten hun vaardigheden in het rijden en handhaven van lasten
hebben gedemonstreerd aan de exploitant of diens gemachtigde, en moeten van
deze persoon nadrukkelijk opdracht hebben gekregen tot het bedienen van het
interne transportmiddel.
E1
E1
Gevarenzone: De gevarenzone is het bereik waarbinnen rij- en hefbewegingen van
het interne transportmiddel, de lastopnamemiddelen (bijvoorbeeld vorktanden of
aanbouwapparaten) of de last een gevaar betekenen voor personen. Hiertoe behoort
ook de zone waar vallende lasten of een dalende / vallende werkinrichting terecht
kunnen komen.
F
Gevarenzone: De gevarenzone is het bereik waarbinnen rij- en hefbewegingen van
het interne transportmiddel, de lastopnamemiddelen (bijvoorbeeld vorktanden of
aanbouwapparaten) of de last een gevaar betekenen voor personen. Hiertoe behoort
ook de zone waar vallende lasten of een dalende / vallende werkinrichting terecht
kunnen komen.
F
Onbevoegde personen moeten uit de gevarenzone worden weggestuurd. Bij gevaar
voor personen moet tijdig een waarschuwing worden gegeven. Wanneer
onbevoegden ondanks opdracht daartoe de gevarenzone niet verlaten, moet het
interne transportmiddel onmiddellijk tot stilstand gebracht worden.
Veiligheidsvoorzieningen en waarschuwingsplaatjes: De veiligheidsvoorzieningen, waarschuwingsplaatjes en -aanwijzingen die in deze handleiding zijn beschreven, moeten beslist worden nageleefd.
Z
Waarschuwings- en aanwijzingsborden zoals lastdiagrammen, bevestigingspunten
en typeplaatjes moeten altijd leesbaar zijn en indien nodig worden vervangen.
F
Gevaar op ongevallen door verwijderen of buiten werking zetten van
veiligheidsvoorzieningen
Het verwijderen of buiten werking zetten van veiligheidsvoorzieningen zoals
NOODSTOP-schakelaar,
dodemansknop,
claxon,
waarschuwinglampen,
veiligheidsbomen, veiligheidsruiten, afdekkingen etc. kan leiden tot ongevallen en
letsel.
– Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
– Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
– Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
F
Veiligheidsvoorzieningen en waarschuwingsplaatjes: De veiligheidsvoorzieningen, waarschuwingsplaatjes en -aanwijzingen die in deze handleiding zijn beschreven, moeten beslist worden nageleefd.
E2
Waarschuwings- en aanwijzingsborden zoals lastdiagrammen, bevestigingspunten
en typeplaatjes moeten altijd leesbaar zijn en indien nodig worden vervangen.
Gevaar op ongevallen door verwijderen of buiten werking zetten van
veiligheidsvoorzieningen
Het verwijderen of buiten werking zetten van veiligheidsvoorzieningen zoals
NOODSTOP-schakelaar,
dodemansknop,
claxon,
waarschuwinglampen,
veiligheidsbomen, veiligheidsruiten, afdekkingen etc. kan leiden tot ongevallen en
letsel.
– Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
– Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
– Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
Z
Onbevoegde personen moeten uit de gevarenzone worden weggestuurd. Bij gevaar
voor personen moet tijdig een waarschuwing worden gegeven. Wanneer
onbevoegden ondanks opdracht daartoe de gevarenzone niet verlaten, moet het
interne transportmiddel onmiddellijk tot stilstand gebracht worden.
E2
2
Beschrijving van de bedienings- en displayelementen
2
Beschrijving van de bedienings- en displayelementen
2.1
Bedienings- en displayelementen op het bedieningspaneel
2.1
Bedienings- en displayelementen op het bedieningspaneel
8
9
10 11 12
13
8
9
10 11 12
13
7
7
14
7
14
7
15
16
17
22 21
20
19
15
16
17
18
22 21
2
20
19
18
2
1
3
1
3
5
5
6
6
0310.NL
4
0310.NL
4
E3
E3
8
9
10 11 12
13
8
9
10 11 12
13
7
7
14
7
14
7
15
16
17
22 21
20
19
15
16
17
18
22 21
2
19
18
2
1
3
1
3
4
5
5
6
6
0310.NL
4
0310.NL
E4
20
E4
1
Bedienings- en
displayelement
Bedieningspaneel
Contactslot
2
ISM-toegangsmodule
3
4
5
6
Blokkering
bedieningspaneel
Veiligheidsboom
Instelling van de
stoelhoogte
Dodemansknop
(voetknop)
Functie
Pos.
t Alle indicaties en functies
Stuurstroom in- en uitschakelen. Door het uitt trekken van de sleutel is het voertuig beschermd tegen inschakelen door onbevoegden.
Vervangt het contactslot.
Vrijgave van de voertuigreactie met kaart of
transponder.
o – TIME-Out bewaking
– Registratie van de bedieners van het interne
transportmiddel (toepassingen)
– Bedrijfsurenregistratie
Het bedieningspaneel wordt ingesteld op hoogt
te en afstand.
t Valbeveiliging
1
t U kunt de bestuurdersstoel verticaal instellen.
5
Contactslot
2
ISM-toegangsmodule
3
4
– niet ingedrukt (indicatie "dodemansknop niet
ingedrukt" op het display gaat branden, zie
paragraaf "Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig" in hoofdstuk E):
• rijfuncties zijn geblokkeerd.
• Hydraulische functies zijn geblokkeerd.
• Stuurinrichting,
bestuurderdisplay
en
t
claxon zijn vrijgegeven.
– ingedrukt (indicatie "dodemansknop niet ingedrukt" op het display gaat uit, zie paragraaf
"Symbolen voor de bedrijfstoestand van het
voertuig" in hoofdstuk E):
• Rijfuncties en hydraulische functies zijn vrijgegeven.
– De dodemansknop in de beenruimte moet
tijdens werkzaamheden (heffen/neerlaten/
rijden) met het interne transportmiddel voortdurend worden bediend.
– Na het loslaten van de dodemansknop wordt
het interne transportmiddel regeneratief tot
o
stilstand afgeremd (parkeerrem geactiveerd). Het interne transportmiddel rolt uit
volgens de ingestelde parameter „uitlooprem“.
– Beschrijving van de functie zie standaardvariante.
6
o = optionele uitvoering
Blokkering
bedieningspaneel
Veiligheidsboom
Instelling van de
stoelhoogte
Dodemansknop
(voetknop)
Functie
t Alle indicaties en functies
Stuurstroom in- en uitschakelen. Door het uitt trekken van de sleutel is het voertuig beschermd tegen inschakelen door onbevoegden.
Vervangt het contactslot.
Vrijgave van de voertuigreactie met kaart of
transponder.
o – TIME-Out bewaking
– Registratie van de bedieners van het interne
transportmiddel (toepassingen)
– Bedrijfsurenregistratie
Het bedieningspaneel wordt ingesteld op hoogt
te en afstand.
t Valbeveiliging
t U kunt de bestuurdersstoel verticaal instellen.
– niet ingedrukt (indicatie "dodemansknop niet
ingedrukt" op het display gaat branden, zie
paragraaf "Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig" in hoofdstuk E):
• rijfuncties zijn geblokkeerd.
• Hydraulische functies zijn geblokkeerd.
• Stuurinrichting,
bestuurderdisplay
en
t
claxon zijn vrijgegeven.
– ingedrukt (indicatie "dodemansknop niet ingedrukt" op het display gaat uit, zie paragraaf
"Symbolen voor de bedrijfstoestand van het
voertuig" in hoofdstuk E):
• Rijfuncties en hydraulische functies zijn vrijgegeven.
– De dodemansknop in de beenruimte moet
tijdens werkzaamheden (heffen/neerlaten/
rijden) met het interne transportmiddel voortdurend worden bediend.
– Na het loslaten van de dodemansknop wordt
het interne transportmiddel regeneratief tot
o
stilstand afgeremd (parkeerrem geactiveerd). Het interne transportmiddel rolt uit
volgens de ingestelde parameter „uitlooprem“.
– Beschrijving van de functie zie standaardvariante.
t = standaarduitvoering
0310.NL
t = standaarduitvoering
Bedienings- en
displayelement
Bedieningspaneel
o = optionele uitvoering
0310.NL
Pos.
E5
E5
8
9
10 11 12
13
8
9
10 11 12
13
7
7
14
7
14
7
15
16
17
22 21
20
19
15
16
17
18
22 21
2
19
18
2
1
3
1
3
4
5
5
6
6
0310.NL
4
0310.NL
E6
20
E6
Bedienings- en
displayelement
7
Handsteun en
contactvlak
8
Knop hydraulische
regeling
9
Display
10
Indicatie „parkeerrem
geactiveerd“
11
Indicatie „NOODSTOP“
12
13
Indicatie „storing“
Rijregelknop
Knop „Dalen hoofdhef
en extra hef“
14
15
16
17
18
19
Knop ”Extra hef”
Knop „Schuiven
aanbouwapparaat“
Knop „Draaien
vorkdrager“
Schakelaar
NOODSTOP
Knop
21
Knop „Submenu
beëindigen“
Stuurwiel
22
Knop "Claxon"
20
Functie
Pos.
Tweehandsbediening in de smalle gang
t (via de in de greep voor de rijregeling en hydraulische regeling geïntegreerde contacten)
Heffen en dalen van hoofdhef en extra hef,
t
schuiven en draaien van de lastvork
Weergave van bedrijfsinformatie en waarschut
wingen
Geeft aan dat het interne transportmiddel stilt
staat (aandrijfwielrem is geactiveerd)
Brandt, wanneer de NOODSTOP-inrichting aut
tomatisch is geactiveerd.
t Brandt, wanneer een storing is opgetreden
t Regelt de rijrichting en snelheid van het voertuig
Maakt gelijktijdig dalen van hoofdhef en extra
t
hef mogelijk
Schakelt de knop hydraulische regeling over
t naar het heffen en dalen van de vorkdrager zonder chauffeurscabine
Schakelt de knop hydraulische regeling over
t
naar de functie „Schuiven aanbouwapparaat“
Schakelt de knop hydraulische regeling naar de
t
functie „Draaien vorkdrager“
De hoofdstroomkring wordt onderbroken; alle
t
voertuigbewegingen schakelen uit.
Activeren of bevestigen van de functie die bij het
t symbool hoort dat erboven op het display wordt
weergegeven
Bedienings- en
displayelement
7
Handsteun en
contactvlak
8
Knop hydraulische
regeling
9
Display
10
Indicatie „parkeerrem
geactiveerd“
11
Indicatie „NOODSTOP“
12
13
Indicatie „storing“
Rijregelknop
Knop „Dalen hoofdhef
en extra hef“
14
15
16
17
18
19
Knop ”Extra hef”
Knop „Schuiven
aanbouwapparaat“
Knop „Draaien
vorkdrager“
Schakelaar
NOODSTOP
Knop
t Plaatst het menu op basisindicatie
20
t Draait het voertuig in de gewenste richting
Activeert de claxon, activeert een akoestisch
t
waarschuwingssignaal
21
Knop „Submenu
beëindigen“
Stuurwiel
22
Knop "Claxon"
o = optionele uitvoering
Tweehandsbediening in de smalle gang
t (via de in de greep voor de rijregeling en hydraulische regeling geïntegreerde contacten)
Heffen en dalen van hoofdhef en extra hef,
t
schuiven en draaien van de lastvork
Weergave van bedrijfsinformatie en waarschut
wingen
Geeft aan dat het interne transportmiddel stilt
staat (aandrijfwielrem is geactiveerd)
Brandt, wanneer de NOODSTOP-inrichting aut
tomatisch is geactiveerd.
t Brandt, wanneer een storing is opgetreden
t Regelt de rijrichting en snelheid van het voertuig
Maakt gelijktijdig dalen van hoofdhef en extra
t
hef mogelijk
Schakelt de knop hydraulische regeling over
t naar het heffen en dalen van de vorkdrager zonder chauffeurscabine
Schakelt de knop hydraulische regeling over
t
naar de functie „Schuiven aanbouwapparaat“
Schakelt de knop hydraulische regeling naar de
t
functie „Draaien vorkdrager“
De hoofdstroomkring wordt onderbroken; alle
t
voertuigbewegingen schakelen uit.
Activeren of bevestigen van de functie die bij het
t symbool hoort dat erboven op het display wordt
weergegeven
t Plaatst het menu op basisindicatie
t Draait het voertuig in de gewenste richting
Activeert de claxon, activeert een akoestisch
t
waarschuwingssignaal
t = standaarduitvoering
0310.NL
t = standaarduitvoering
Functie
o = optionele uitvoering
0310.NL
Pos.
E7
E7
Bedienings en displayelementen op het display
26 27
28
29
25
24
24
23
23
30
19
24
25
Functie
Pos.
t
23
Kruipgang
Maximale snelheid
Indicatie „Herkenning IG Sensoren, die de geleidedraad hebben
van de geleidedraad“
herkend, krijgen een donkere achtergrond
Stuurhoekindicatie
t – Geeft de momentele stuurhoek ten opzichte van de middenpositie aan.
RG
– Na het insporen in de smalle gang geeft de stuurhoekindicatie continu de middenpositie aan (rechtuit rijden)
IG
– Stuurhoekindicatie gaat uit en wordt vervangen door geleidedraadsymbolen:
– „Inspoorproces
IG – wanneer er wordt ingespoord op de geloopt“
leidedraad (inductieve geleiding)
– „Geleidedraad ge- IG – wanneer het voertuig gedwongen de
volgd“
geleidedraad volgt
– „Afwijking van de IG – wanneer het voertuig ongecoördineerd
geleidedraad“
is afgeweken van de geleidedraad en
de gedwongen geleiding
E8
29
30
Symbolen in het bovenste gedeelte
24
25
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie van de mogelijke rijsnelheid:
schildpad
haas
Functie
t
Kruipgang
Maximale snelheid
Indicatie „Herkenning IG Sensoren, die de geleidedraad hebben
van de geleidedraad“
herkend, krijgen een donkere achtergrond
Stuurhoekindicatie
t – Geeft de momentele stuurhoek ten opzichte van de middenpositie aan.
RG
– Na het insporen in de smalle gang geeft de stuurhoekindicatie continu de middenpositie aan (rechtuit rijden)
IG
– Stuurhoekindicatie gaat uit en wordt vervangen door geleidedraadsymbolen:
– „Inspoorproces
IG – wanneer er wordt ingespoord op de geloopt“
leidedraad (inductieve geleiding)
– „Geleidedraad ge- IG – wanneer het voertuig gedwongen de
volgd“
geleidedraad volgt
– „Afwijking van de IG – wanneer het voertuig ongecoördineerd
geleidedraad“
is afgeweken van de geleidedraad en
de gedwongen geleiding
0310.NL
23
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie van de mogelijke rijsnelheid:
schildpad
haas
28
19
Symbolen in het bovenste gedeelte
Pos.
26 27
E8
0310.NL
25
Bedienings en displayelementen op het display
Sym- Bedienings- en disFunctie
bool playelement
Indicatie
t Geeft de hefhoogte van de vorken aan.
„Totale hef“
Indicatie „Afstellen nodig“:
Hoofdhef heffen
Geeft opdracht tot het heffen van de
hoofdhef
26
Hoofdhef neerlaten
Geeft opdracht tot het neerlaten van de
hoofdhef.
extra hef heffen
Geeft opdracht tot het heffen van de
extra hef
extra hef heffen
Geeft opdracht tot het heffen van de
extra hef
Indicatie „Tijd“
Indicatie „bedrijfsuren“
Batterijverbruik-indi50% cator
-
+
26
Geeft opdracht tot het neerlaten van de
hoofdhef.
extra hef dalen
Geeft opdracht tot het dalen van de extra
hef
t Weergeven van de tijd
t Geeft het aantal bedrijfsuren aan sinds
de eerste inbedrijfstelling.
t Geeft de laadtoestand van de batterij aan
(restcapaciteit in procent).
0310.NL
29
Sym- Bedienings- en disFunctie
bool playelement
Indicatie
t Geeft de hefhoogte van de vorken aan.
„Totale hef“
Indicatie „Afstellen nodig“:
Hoofdhef heffen
Geeft opdracht tot het heffen van de
hoofdhef
Hoofdhef neerlaten
extra hef dalen
27
28
Pos.
27
28
29
Indicatie „Tijd“
Indicatie „bedrijfsuren“
Batterijverbruik-indi50% cator
-
+
Geeft opdracht tot het dalen van de extra
hef
t Weergeven van de tijd
t Geeft het aantal bedrijfsuren aan sinds
de eerste inbedrijfstelling.
t Geeft de laadtoestand van de batterij aan
(restcapaciteit in procent).
0310.NL
Pos.
E9
E9
Symbolen en knoppen in het onderste gedeelte
2.2
De knoppen (19) onder de betreffende weergegeven symbolen (30) activeren of
bevestigen de functie, die ermee is verbonden. Het symbool krijgt daarbij een
donkere achtergrond.
De knoppen (19) onder de betreffende weergegeven symbolen (30) activeren of
bevestigen de functie, die ermee is verbonden. Het symbool krijgt daarbij een
donkere achtergrond.
Sym- Bedienings- en disFunctie
bool playelement
Waarschuwing
Indicatie “Valketting-be- t Verschijnt wanneer de valketting-beveiliveiliging“
ging is geactiveerd.
Knop „Overbrugging valOverbrugt de geactiveerde valketting-beveiketting-beveiliging“
liging teneinde de bestuurdersplaats vrij te
heffen.
Indicatie „Uitsluitend
t Verschijnt, wanneer de hefuitschakeling is
vooruit / achteruit rijden
geactiveerd vanwege een lage batterijcapamogelijk“
citeit, en uitsluitend nog vooruit / achteruit
rijden mogelijk is.
Knop „Bevestiging hefBevestigt de hefuitschakeling bij lage batteuitschakeling vanwege
rijcapaciteit en geeft de rijfunctie vrij.
batterijontlading“.
Indicatie „Hoogteafhan- o Verschijnt wanneer de hoogteafhankelijke
kelijke hefbegrenzing“
hefbegrenzing is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de hoogteafhankelijke hefbehoogteafhankelijke hefgrenzing. Op de maximale doorrijhoogten
begrenzing“
letten.
Indicatie „Daalbegreno Geeft aan dat de automatische daalbegrenzing“
zing is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de daalbegrenzing, regeling met
daalbegrenzing“
knop hydraulische regeling.
Indicatie „Rijuitschakeo Geeft aan dat de automatische, hoogteafling“
hankelijke rijuitschakeling is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de automatische, hoogteafhanrijuitschakeling“
kelijke rijuitschakeling.
Indicatie „Gangeindebe- o Geeft weer dat de gangeindebeveiliging is
veiliging“ (optioneel)
geactiveerd. Het apparaat wordt afgeremd.
Sym- Bedienings- en disFunctie
bool playelement
Waarschuwing
Indicatie “Valketting-be- t Verschijnt wanneer de valketting-beveiliveiliging“
ging is geactiveerd.
Knop „Overbrugging valOverbrugt de geactiveerde valketting-beveiketting-beveiliging“
liging teneinde de bestuurdersplaats vrij te
heffen.
Indicatie „Uitsluitend
t Verschijnt, wanneer de hefuitschakeling is
vooruit / achteruit rijden
geactiveerd vanwege een lage batterijcapamogelijk“
citeit, en uitsluitend nog vooruit / achteruit
rijden mogelijk is.
Knop „Bevestiging hefBevestigt de hefuitschakeling bij lage batteuitschakeling vanwege
rijcapaciteit en geeft de rijfunctie vrij.
batterijontlading“.
Indicatie „Hoogteafhan- o Verschijnt wanneer de hoogteafhankelijke
kelijke hefbegrenzing“
hefbegrenzing is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de hoogteafhankelijke hefbehoogteafhankelijke hefgrenzing. Op de maximale doorrijhoogten
begrenzing“
letten.
Indicatie „Daalbegreno Geeft aan dat de automatische daalbegrenzing“
zing is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de daalbegrenzing, regeling met
daalbegrenzing“
knop hydraulische regeling.
Indicatie „Rijuitschakeo Geeft aan dat de automatische, hoogteafling“
hankelijke rijuitschakeling is geactiveerd.
Knop „Overbrugging
Overbrugt de automatische, hoogteafhanrijuitschakeling“
kelijke rijuitschakeling.
Indicatie „Gangeindebe- o Geeft weer dat de gangeindebeveiliging is
veiliging“ (optioneel)
geactiveerd. Het apparaat wordt afgeremd.
Indicatie
„Personenbeveiligingsin
stallatie“ (PSS)
o Geeft weer dat de
personenbeveiligingsinstallatie personen/
voorwerpen in de gang heeft herkend.
Voertuig wordt afgeremd.
Overbrugt de veiligheidsfunctie, en maakt
kruipgang mogelijk bij voldoende
veiligheidsafstand tot de hindernis.
Wanneer een
personenbeveiligingsinstallatie is
geïnstalleerd, moet u de speciale
handleiding in acht nemen.
Indicatie
„Personenbeveiligingsin
stallatie“ (PSS)
Knop
„Personenbeveiligingsin
stallatie“ (PSS)
0310.NL
Knop
„Personenbeveiligingsin
stallatie“ (PSS)
E 10
Symbolen en knoppen in het onderste gedeelte
o Geeft weer dat de
personenbeveiligingsinstallatie personen/
voorwerpen in de gang heeft herkend.
Voertuig wordt afgeremd.
Overbrugt de veiligheidsfunctie, en maakt
kruipgang mogelijk bij voldoende
veiligheidsafstand tot de hindernis.
Wanneer een
personenbeveiligingsinstallatie is
geïnstalleerd, moet u de speciale
handleiding in acht nemen.
0310.NL
2.2
E 10
Submenu
„Waarschuwingen“
beëindigen
Submenu
„Waarschuwingen“
beëindigen
Knop „Submenu
waarschuwingen
beëindigen“
Geleidingssystemen
Indicatie „Geleiding aan“
niet actief
Indicatie „Geleiding aan“
actief
0310.NL
Knop „Geleiding aan”
Indicatie „Selectie
frequentie 1“ (analoog
verdere frequenties)
(submenu „Geleiding
aan“)
Knop „Selectie
frequentie 1“ (analoog
verdere frequenties)
Aanbouwapparaat vorkbediening
Indicatie
„Menuomschakeling
Synchroon draaien“
Knop
„Menuomschakeling
Synchroon draaien“
Indicatie „Synchroon
links draaien vorken“
Knop „Synchroon links
draaien vorken“
Functie
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie „Submenu
Waarschuwingen“
oproepen
o Geeft weer dat meerdere waarschuwingen
(bijvoorbeeld valketting-beveiliging,
hoogteafhankelijke hefuitschakeling) zijn
opgetreden.
Maakt afzonderlijke waarschuwingen
zichtbaar.
Submenu
„Waarschuwingen“
beëindigen
Submenu
„Waarschuwingen“
beëindigen
Knop „Submenu
waarschuwingen
beëindigen“
Geleidingssystemen
Indicatie „Geleiding aan“
niet actief
o Geeft aan dat het submenu kan worden
verlaten.
Plaatst het submenu van
„Waarschuwingen“ naar basismenu.
Indicatie „Geleiding aan“
actief
t Geeft de gedwongen geleiding in de gang
aan:
RG indicatie railgeleiding
(rechtuitstand van het aandrijfwiel)
IG Geeft weer dat de inductieve geleiding
actief is.
RG Plaatst het aandrijfwiel in de rechtuitstand.
Knop „Geleiding aan”
IG Activeert het invoegproces (en
frequentieselectie bij multifrequentie).
o Geeft weer dat geleiding door frequentie 1
mogelijk is.
IG
Activeert geleiding door frequentie 1
(automatisch verlaten van het submenu na
één seconde pauzetijd).
t Omschakeling van het menu voor de
display naar de functies „Synchroon
draaien“
Activeert menuomschakeling Synchroon
draaien
t Geeft weer dat synchroon links draaien,
rechts schuiven van de vorken mogelijk is.
Activeert links draaien van de vorken,
gelijktijdig regelen van rechts schuiven van
de arm met de knop hydraulische regeling.
E 11
0310.NL
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie „Submenu
Waarschuwingen“
oproepen
Indicatie „Selectie
frequentie 1“ (analoog
verdere frequenties)
(submenu „Geleiding
aan“)
Knop „Selectie
frequentie 1“ (analoog
verdere frequenties)
Aanbouwapparaat vorkbediening
Indicatie
„Menuomschakeling
Synchroon draaien“
Knop
„Menuomschakeling
Synchroon draaien“
Indicatie „Synchroon
links draaien vorken“
Knop „Synchroon links
draaien vorken“
Functie
o Geeft weer dat meerdere waarschuwingen
(bijvoorbeeld valketting-beveiliging,
hoogteafhankelijke hefuitschakeling) zijn
opgetreden.
Maakt afzonderlijke waarschuwingen
zichtbaar.
o Geeft aan dat het submenu kan worden
verlaten.
Plaatst het submenu van
„Waarschuwingen“ naar basismenu.
t Geeft de gedwongen geleiding in de gang
aan:
RG indicatie railgeleiding
(rechtuitstand van het aandrijfwiel)
IG Geeft weer dat de inductieve geleiding
actief is.
RG Plaatst het aandrijfwiel in de rechtuitstand.
IG Activeert het invoegproces (en
frequentieselectie bij multifrequentie).
o Geeft weer dat geleiding door frequentie 1
mogelijk is.
IG
Activeert geleiding door frequentie 1
(automatisch verlaten van het submenu na
één seconde pauzetijd).
t Omschakeling van het menu voor de
display naar de functies „Synchroon
draaien“
Activeert menuomschakeling Synchroon
draaien
t Geeft weer dat synchroon links draaien,
rechts schuiven van de vorken mogelijk is.
Activeert links draaien van de vorken,
gelijktijdig regelen van rechts schuiven van
de arm met de knop hydraulische regeling.
E 11
Indicatie „Automatisch
synchroon rechts
draaien vorken“
Knop „Automatisch
synchroon rechts
draaien vorken“
Indicatie „Automatisch
synchroon draaien tot
middenpositie vorken“
Knop „Automatisch
synchroon draaien tot
middenpositie vorken“
Indicatie „KOOI-vork“
Knop „KOOI-vork“
Indicatie
„Telescoopvork“
Knop „Telescoopvork“
Indicatie „Tweede
instapeldiepte“
Knop „Tweede
instapeldiepte“
Indicatie „Vorkneiging“
Knop „Vorkneiging“
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie „Automatisch
synchroon links draaien
vorken“
Knop „Automatisch
synchroon links draaien
vorken“
Indicatie „Synchroon
rechts draaien vorken“
Knop „Synchroon rechts
draaien vorken“
o Geeft weer dat automatisch synchroon links
draaien, rechts schuiven van de vorken
mogelijk is.
Activeert links draaien van de vorken met
gelijktijdig automatisch rechts schuiven van
de arm.
t Geeft aan dat synchroon rechts draaien,
links schuiven van de vorken mogelijk is.
Activeert rechts draaien van de vorken,
gelijktijdig regelen van links schuiven van
de arm met de knop hydraulische regeling
o Geeft aan dat automatisch synchroon
rechts draaien, links schuiven van de
vorken mogelijk is.
Activeert rechts draaien van de vorken met
gelijktijdig automatisch links schuiven van
de arm.
o Geeft aan dat de automatische
positionering van de vorken in de
middenpositie (tanden naar voren) mogelijk
is.
Activeert het zwenken met automatische
stop van de vorkbeweging in de
middenpositie, gelijktijdig automatisch
uitschuiven van de arm met stop in de
middenpositie.
o Geeft aan dat de bediening van de KOOIvork mogelijk is.
Activeert de KOOI-vork, regeling met knop
hydraulische regeling
o Geeft aan dat de bediening van de
telescoopvork mogelijk is
Activeert de telescoopvork, regeling met
knop hydraulische regeling
o Geeft aan dat de tweede instapeldiepte
mogelijk is.
Activeert de tweede instapeldiepte, regeling
met knop hydraulische regeling.
o Geeft aan dat de vorkneiging mogelijk is.
Activeert het neigen van de vorken, regeling
met knop hydraulische regeling.
Indicatie „Automatisch
synchroon rechts
draaien vorken“
Knop „Automatisch
synchroon rechts
draaien vorken“
Indicatie „Automatisch
synchroon draaien tot
middenpositie vorken“
Knop „Automatisch
synchroon draaien tot
middenpositie vorken“
Indicatie „KOOI-vork“
Knop „KOOI-vork“
Indicatie
„Telescoopvork“
Knop „Telescoopvork“
Indicatie „Tweede
instapeldiepte“
Knop „Tweede
instapeldiepte“
Indicatie „Vorkneiging“
Knop „Vorkneiging“
o Geeft weer dat de regeling van het speciale
aanbouwapparaat mogelijk is.
Activeert de regeling van het speciale
aanbouwapparaat, regeling met knop
hydraulische regeling.
Indicatie „Speciaal
aanbouwapparaat“
Knop „Speciaal
aanbouwapparaat“
0310.NL
Indicatie „Speciaal
aanbouwapparaat“
Knop „Speciaal
aanbouwapparaat“
Functie
E 12
Functie
o Geeft weer dat automatisch synchroon links
draaien, rechts schuiven van de vorken
mogelijk is.
Activeert links draaien van de vorken met
gelijktijdig automatisch rechts schuiven van
de arm.
t Geeft aan dat synchroon rechts draaien,
links schuiven van de vorken mogelijk is.
Activeert rechts draaien van de vorken,
gelijktijdig regelen van links schuiven van
de arm met de knop hydraulische regeling
o Geeft aan dat automatisch synchroon
rechts draaien, links schuiven van de
vorken mogelijk is.
Activeert rechts draaien van de vorken met
gelijktijdig automatisch links schuiven van
de arm.
o Geeft aan dat de automatische
positionering van de vorken in de
middenpositie (tanden naar voren) mogelijk
is.
Activeert het zwenken met automatische
stop van de vorkbeweging in de
middenpositie, gelijktijdig automatisch
uitschuiven van de arm met stop in de
middenpositie.
o Geeft aan dat de bediening van de KOOIvork mogelijk is.
Activeert de KOOI-vork, regeling met knop
hydraulische regeling
o Geeft aan dat de bediening van de
telescoopvork mogelijk is
Activeert de telescoopvork, regeling met
knop hydraulische regeling
o Geeft aan dat de tweede instapeldiepte
mogelijk is.
Activeert de tweede instapeldiepte, regeling
met knop hydraulische regeling.
o Geeft aan dat de vorkneiging mogelijk is.
Activeert het neigen van de vorken, regeling
met knop hydraulische regeling.
o Geeft weer dat de regeling van het speciale
aanbouwapparaat mogelijk is.
Activeert de regeling van het speciale
aanbouwapparaat, regeling met knop
hydraulische regeling.
0310.NL
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Indicatie „Automatisch
synchroon links draaien
vorken“
Knop „Automatisch
synchroon links draaien
vorken“
Indicatie „Synchroon
rechts draaien vorken“
Knop „Synchroon rechts
draaien vorken“
E 12
Indicatie
„Menuomschakeling
vorkverstelling,
asymmetrisch“
Knop
„Menuomschakeling
vorkverstelling,
asymmetrisch“
Indicatie „Vorkverstelling
uitsluitend links“
Knop „Vorkverstelling
uitsluitend links“
Indicatie „Vorkverstelling
uitsluitend rechts“
Knop „Vorkverstelling
uitsluitend rechts“
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Aanbouwapparaat vorkverstelling
Indicatie
„Vorkverstelling,
symmetrisch“
Knop „Vorkverstelling,
symmetrisch“
o Geeft aan dat de vorkverstelling kan worden
bediend.
Activeert de vorkverstelling bij gelijktijdige
bediening van de knop hydraulische
regeling, draaien rechts = vorktanden naar
binnen; draaien links = vorktanden naar
buiten.
o Geeft weer dat de menuomschakeling
„Vorkverstelling asymmetrisch“ mogelijk is.
Indicatie
„Menuomschakeling
vorkverstelling,
asymmetrisch“
Knop
„Menuomschakeling
vorkverstelling,
asymmetrisch“
Indicatie „Vorkverstelling
uitsluitend links“
Knop „Vorkverstelling
uitsluitend links“
Indicatie „Vorkverstelling
uitsluitend rechts“
Knop „Vorkverstelling
uitsluitend rechts“
Omschakeling van het menu voor het
display naar de functies „Vorkverstelling
asymmetrisch“
o Geeft weer dat vorkverstelling uitsluitend
links mogelijk is.
Activeert vorkverstelling, uitsluitend links,
regeling met knop hydraulische regeling.
o Geeft aan dat vorkverstelling uitsluitend
rechts mogelijk is.
Activeert vorkverstelling, uitsluitend rechts,
regeling met knop hydraulische regeling.
o = optionele uitvoering
IG = Inductieve geleiding
t = standaarduitvoering
RG = Railgeleiding
0310.NL
t = standaarduitvoering
RG = Railgeleiding
Functie
Functie
o Geeft aan dat de vorkverstelling kan worden
bediend.
Activeert de vorkverstelling bij gelijktijdige
bediening van de knop hydraulische
regeling, draaien rechts = vorktanden naar
binnen; draaien links = vorktanden naar
buiten.
o Geeft weer dat de menuomschakeling
„Vorkverstelling asymmetrisch“ mogelijk is.
Omschakeling van het menu voor het
display naar de functies „Vorkverstelling
asymmetrisch“
o Geeft weer dat vorkverstelling uitsluitend
links mogelijk is.
Activeert vorkverstelling, uitsluitend links,
regeling met knop hydraulische regeling.
o Geeft aan dat vorkverstelling uitsluitend
rechts mogelijk is.
Activeert vorkverstelling, uitsluitend rechts,
regeling met knop hydraulische regeling.
o = optionele uitvoering
IG = Inductieve geleiding
0310.NL
Sym- Bedienings- en disbool playelement
Aanbouwapparaat vorkverstelling
Indicatie
„Vorkverstelling,
symmetrisch“
Knop „Vorkverstelling,
symmetrisch“
E 13
E 13
Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig
2.3
E 14
Symbolen voor de bedrijfstoestand van het voertuig
Symbolen op het display geven de bedrijfstoestand van het voertuig na het
inschakelen weer.
Veiligheidsbomen zijn open.
Veiligheidsbomen zijn open.
Dodemansknop niet ingedrukt
Dodemansknop niet ingedrukt
Aanbouwapparaat in basisstand
(zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“
in hoofdstuk E)
Aanbouwapparaat in basisstand
(zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“
in hoofdstuk E)
0310.NL
Symbolen op het display geven de bedrijfstoestand van het voertuig na het
inschakelen weer.
0310.NL
2.3
E 14
3
Voertuig in gebruik nemen
3
Voertuig in gebruik nemen
F
Voordat de bestuurder het voertuig gebruik neemt, bedient of voordat hij een last heft,
moet hij zich ervan overtuigen dat zich niemand in de gevarenzone bevindt.
F
Voordat de bestuurder het voertuig gebruik neemt, bedient of voordat hij een last heft,
moet hij zich ervan overtuigen dat zich niemand in de gevarenzone bevindt.
Controles en handelingen vóór de dagelijkse inbedrijfstelling
F
Controles en handelingen vóór de dagelijkse inbedrijfstelling
F
Beschadigingen en overige gebreken aan het interne transportmiddel of
aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) kunnen tot ongevallen leiden.
Wanneer bij de volgende controles beschadigingen of overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) worden
vastgesteld, mag het interne transportmiddel niet meer worden gebruikt tot hij correct
is gerepareerd.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Volledige voertuig aan de buitenzijde op zichtbare schaden en lekkages
controleren.
– Batterijbevestiging en kabelaansluitingen op beschadiging en stevige bevestiging
controleren.
– Controleren of de batterijstekker goed vastzit.
– Controleren of de batterijborgingen aanwezig zijn en goed werken.
– Controleren of de batterij goed vast zit in de batterijruimte.
– Controleren of batterijdeksel en zijbekledingen goed vast zitten en niet zijn
beschadigd.
– Beschermdak controleren op beschadigingen.
– Controleren of het lastopnamemiddel geen herkenbare schade heeft zoals
scheuren, verbogen of sterk afgesleten lastvorken.
– Aandrijfwiel / lastwielen controleren op beschadiging.
– Controleren of de hefkettingen gelijkmatig zijn gespannen.
– Controleren of alle veiligheidsinrichtingen in orde zijn en goed werken.
– Bij railgeleiding controleren of de geleidingsrollen rond lopen en niet zijn
beschadigd.
– Controleren of de afleider tegen statische lading aanwezig is.
– Instrumenten, indicaties en bedieningsschakelaars controleren op goede werking.
– Controleren of lastdiagram en waarschuwingsplaatjes goed leesbaar zijn.
– Controleren of reddingsuitrusting aanwezig is.
– Volledige voertuig aan de buitenzijde op zichtbare schaden en lekkages
controleren.
– Batterijbevestiging en kabelaansluitingen op beschadiging en stevige bevestiging
controleren.
– Controleren of de batterijstekker goed vastzit.
– Controleren of de batterijborgingen aanwezig zijn en goed werken.
– Controleren of de batterij goed vast zit in de batterijruimte.
– Controleren of batterijdeksel en zijbekledingen goed vast zitten en niet zijn
beschadigd.
– Beschermdak controleren op beschadigingen.
– Controleren of het lastopnamemiddel geen herkenbare schade heeft zoals
scheuren, verbogen of sterk afgesleten lastvorken.
– Aandrijfwiel / lastwielen controleren op beschadiging.
– Controleren of de hefkettingen gelijkmatig zijn gespannen.
– Controleren of alle veiligheidsinrichtingen in orde zijn en goed werken.
– Bij railgeleiding controleren of de geleidingsrollen rond lopen en niet zijn
beschadigd.
– Controleren of de afleider tegen statische lading aanwezig is.
– Instrumenten, indicaties en bedieningsschakelaars controleren op goede werking.
– Controleren of lastdiagram en waarschuwingsplaatjes goed leesbaar zijn.
– Controleren of reddingsuitrusting aanwezig is.
F
Het betreden van de chauffeurscabine met meer personen is verboden.
0310.NL
Het betreden van de chauffeurscabine met meer personen is verboden.
0310.NL
F
Beschadigingen en overige gebreken aan het interne transportmiddel of
aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) kunnen tot ongevallen leiden.
Wanneer bij de volgende controles beschadigingen of overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) worden
vastgesteld, mag het interne transportmiddel niet meer worden gebruikt tot hij correct
is gerepareerd.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
E 15
E 15
3.1
Het interne transportmiddel betreden en verlaten
3.1
Het interne transportmiddel betreden en verlaten
4a
4a
4
F
F
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
–
–
–
–
Hefmast / bestuurderscabine volledig neerlaten.
Veiligheidsbomen (4) omhoog klappen.
Bij het in- resp. uitstappen vasthouden aan het cabineframe (4a).
Veiligheidsbomen sluiten.
E 16
Beknellingsgevaar door de veiligheidsbomen
Bij het openen en sluiten van de veiligheidsbomen bestaat er een beknellingsgevaar.
• Bij het openen en sluiten van de veiligheidsbomen mag er zich niets tussen het
cabineframe cq. de voetenruimte en de veiligheidsbomen bevinden.
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
–
–
–
–
M
Het bedienen van het interne transportmiddel met meerdere personen in de
bestuurderscabine is verboden.
0310.NL
M
M
Beknellingsgevaar door de veiligheidsbomen
Bij het openen en sluiten van de veiligheidsbomen bestaat er een beknellingsgevaar.
• Bij het openen en sluiten van de veiligheidsbomen mag er zich niets tussen het
cabineframe cq. de voetenruimte en de veiligheidsbomen bevinden.
Hefmast / bestuurderscabine volledig neerlaten.
Veiligheidsbomen (4) omhoog klappen.
Bij het in- resp. uitstappen vasthouden aan het cabineframe (4a).
Veiligheidsbomen sluiten.
Het bedienen van het interne transportmiddel met meerdere personen in de
bestuurderscabine is verboden.
0310.NL
M
4
E 16
3.2
Bestuurdersplaats inrichten
3.2
Bestuurdersplaats inrichten
M
Gevaar op ongevallen
Bestuurdersstoel en bedieningspaneel niet verstellen tijdens het gebruik.
M
Gevaar op ongevallen
Bestuurdersstoel en bedieningspaneel niet verstellen tijdens het gebruik.
– Bestuurderstoel en bedieningspaneel voordat u het voertuig gaat gebruiken
zodanig instellen, dat alle bedieningselementen veilig toegankelijk zijn en zonder
moeite bediend kunnen worden.
– Hulpmiddelen voor de verbetering van het zicht (spiegels, camerasystemen etc.)
zo instellen, dat de werkomgeving veilig kan worden overzien.
– Bestuurderstoel en bedieningspaneel voordat u het voertuig gaat gebruiken
zodanig instellen, dat alle bedieningselementen veilig toegankelijk zijn en zonder
moeite bediend kunnen worden.
– Hulpmiddelen voor de verbetering van het zicht (spiegels, camerasystemen etc.)
zo instellen, dat de werkomgeving veilig kan worden overzien.
3.3
Bestuurderstoel instellen
3.3
Bestuurderstoel instellen
M
De instelling van de bestuurdersstoel mag tijdens het rijden niet worden gewijzigd.
M
De instelling van de bestuurdersstoel mag tijdens het rijden niet worden gewijzigd.
3.4
Neiginstelling van het bedieningspaneel
3.4
Neiginstelling van het bedieningspaneel
M
De neiging van het bedieningspaneel (1) niet tijdens
het gebruik verstellen.
Controleren of het bedieningspaneel na de
neigingverstelling veilig vergrendeld is.
M
Z
– Aan de instelhendel trekken en door belasten of ontlasten de juiste hoogte
instellen.
1
De neiging van het bedieningspaneel (1) niet tijdens
het gebruik verstellen.
Controleren of het bedieningspaneel na de
neigingverstelling veilig vergrendeld is.
18
2
Z
De neiging van het bedieningspaneel kan in vijf
standen worden ingesteld.
– Bedieningspaneel (1) naar rechts duwen en de
neiging verstellen totdat de pen weer vastklikt.
– Aan de instelhendel trekken en door belasten of ontlasten de juiste hoogte
instellen.
1
2
De neiging van het bedieningspaneel kan in vijf
standen worden ingesteld.
– Bedieningspaneel (1) naar rechts duwen en de
neiging verstellen totdat de pen weer vastklikt.
3.5
Hoogte-instelling van het bedieningspaneel
3.5
Hoogte-instelling van het bedieningspaneel
M
De hoogte van het bedieningspaneel (1) niet tijdens
het gebruik verstellen.
Controleren of het bedieningspaneel na de hoogteinstelling veilig vergrendeld is.
M
De hoogte van het bedieningspaneel (1) niet tijdens
het gebruik verstellen.
Controleren of het bedieningspaneel na de hoogteinstelling veilig vergrendeld is.
18
– Hendel (3) losmaken.
– Bedieningspaneel positioneren (naar boven en
naar onderen).
– Hendel (3) vastzetten.
18
3
0310.NL
3
0310.NL
– Hendel (3) losmaken.
– Bedieningspaneel positioneren (naar boven en
naar onderen).
– Hendel (3) vastzetten.
18
E 17
E 17
3.6
Bedrijfsgereedheid realiseren
– Aan beide zijden de veiligheidsbomen helemaal
sluiten.
– NOODSTOP-schakelaar (18) losmaken door te
draaien.
– Sleutel in het contactslot (2) steken en met de klok
mee draaien.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op
de drukknop „Claxon” (22) drukken.
– Werking van de bedrijfs- en de parkeerrem
controleren.
– Referentierit van de hefmast uitvoeren om de
hoogte-indicatie in te stellen, zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in
hoofdstuk E.
F
3.6
1
Bedrijfsgereedheid realiseren
– Aan beide zijden de veiligheidsbomen helemaal
sluiten.
– NOODSTOP-schakelaar (18) losmaken door te
draaien.
– Sleutel in het contactslot (2) steken en met de klok
mee draaien.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op
de drukknop „Claxon” (22) drukken.
– Werking van de bedrijfs- en de parkeerrem
controleren.
– Referentierit van de hefmast uitvoeren om de
hoogte-indicatie in te stellen, zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in
hoofdstuk E.
18
2
F
Wanneer tijdens de inschakelprocedure een
ongewenste rij- of hefbeweging plaatsvindt, moet onmiddellijk de NOODSTOPschakelaar (18) worden ingedrukt.
1
18
2
Wanneer tijdens de inschakelprocedure een
ongewenste rij- of hefbeweging plaatsvindt, moet onmiddellijk de NOODSTOPschakelaar (18) worden ingedrukt.
Z
Kortstondige stuurbewegingen bij de stuurreferentie zijn toegestaan.
Z
Kortstondige stuurbewegingen bij de stuurreferentie zijn toegestaan.
3.7
Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra toegangscode (o)
3.7
Bedrijfsgereedheid tot stand brengen met extra toegangscode (o)
Z
Optioneel kan de bedrijfsgereedheid met een extra toegangscode met 5 cijfers
worden gerealiseerd. Voor het inschakelen van het interne transportmiddel wordt
naast de toegangscode ook de sleutelschakelaar gebruikt.
Z
Optioneel kan de bedrijfsgereedheid met een extra toegangscode met 5 cijfers
worden gerealiseerd. Voor het inschakelen van het interne transportmiddel wordt
naast de toegangscode ook de sleutelschakelaar gebruikt.
E 18
0310.NL
– Veiligheidsbomen sluiten.
– NOODSTOP-schakelaar (18) door draaien ontgrendelen.
– Sleutel in het contactslot (2) steken en met de klok mee draaien.
0310.NL
– Veiligheidsbomen sluiten.
– NOODSTOP-schakelaar (18) door draaien ontgrendelen.
– Sleutel in het contactslot (2) steken en met de klok mee draaien.
E 18
Z
Z
Op het display (9) verschijnt het verzoek om een toegangscode met 5 tekens in te
voeren.
9
5 6 7 8 9
0 1 2 3 4
Op het display (9) verschijnt het verzoek om een toegangscode met 5 tekens in te
voeren.
9
5 6 7 8 9
0 1 2 3 4
LOGIN: XXXXX
22
20
19
LOGIN: XXXXX
18
2
22
– Toegangscode met 5 tekens invoeren met het numerieke toetsenbord (19).
– Op het display (9) wordt voor ieder ingevoerde cijfer van de toegangscode een
"X" weergegeven.
– Door het indrukken van de toets (20) kan de toewijzing van de drukknoppen (19)
met de cijfers van 0 tot 4 resp. 5 tot 9 worden toegewezen.
Z
20
19
18
2
– Toegangscode met 5 tekens invoeren met het numerieke toetsenbord (19).
– Op het display (9) wordt voor ieder ingevoerde cijfer van de toegangscode een
"X" weergegeven.
– Door het indrukken van de toets (20) kan de toewijzing van de drukknoppen (19)
met de cijfers van 0 tot 4 resp. 5 tot 9 worden toegewezen.
Z
Als de juiste toegangscode niet wordt ingevoerd zijn alle functies van het interne
transportmiddel geblokkeerd. Er kunnen maximaal 99 verschillende toegangscodes
worden ingesteld. Als er binnen een op de fabriek ingestelde tijd geen rij-, stuur- en
hydraulische bewegingen worden uitgevoerd, verschijnt er op het display (9) opnieuw
de vraag de vijfcijferige toegangscode met de drukknoppen (19) in te voeren.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op de drukknop „Claxon” (22)
drukken.
– Controleren of de bedrijfs- en de parkeerrem goed werkt.
– Referentierit van de hefmast (hoofd- en extra hef) uitvoeren om de hoogte-indicatie
in te stellen, zie paragraaf „Afstellen van de hoofdhef“ in hoofdstuk E.
Als de juiste toegangscode niet wordt ingevoerd zijn alle functies van het interne
transportmiddel geblokkeerd. Er kunnen maximaal 99 verschillende toegangscodes
worden ingesteld. Als er binnen een op de fabriek ingestelde tijd geen rij-, stuur- en
hydraulische bewegingen worden uitgevoerd, verschijnt er op het display (9) opnieuw
de vraag de vijfcijferige toegangscode met de drukknoppen (19) in te voeren.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op de drukknop „Claxon” (22)
drukken.
– Controleren of de bedrijfs- en de parkeerrem goed werkt.
– Referentierit van de hefmast (hoofd- en extra hef) uitvoeren om de hoogte-indicatie
in te stellen, zie paragraaf „Afstellen van de hoofdhef“ in hoofdstuk E.
F
Wanneer tijdens de inschakelprocedure een ongewenste rij- of hefbeweging
plaatsvindt, moet onmiddellijk de NOODSTOP-schakelaar (18) worden ingedrukt.
Z
Kortstondige stuurbewegingen bij de stuurreferentie zijn toegestaan.
Z
Kortstondige stuurbewegingen bij de stuurreferentie zijn toegestaan.
0310.NL
Wanneer tijdens de inschakelprocedure een ongewenste rij- of hefbeweging
plaatsvindt, moet onmiddellijk de NOODSTOP-schakelaar (18) worden ingedrukt.
0310.NL
F
E 19
E 19
3.8
ISM-toegangsmodule (o)
3.8
ISM-toegangsmodule (o)
Z
Bij uitrusting met ISM-toegangsmodule, zie handleiding „ISM toegangsmodule“.
Z
Bij uitrusting met ISM-toegangsmodule, zie handleiding „ISM toegangsmodule“.
3.9
F
Gevaar op ongevallen door gebreken aan het interne transportmiddel
Intern transportmiddel niet met defecte / gebrekkige reminstallatie, met defecte
stuurinrichting en/of defecte hydraulische installatie in gebruik nemen.
Wanneer bij de volgende controles beschadigingen of overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) worden
vastgesteld, mag het interne transportmiddel niet meer worden gebruikt tot hij correct
is gerepareerd.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
F
Controles en handelingen na realisatie van de bedrijfsgereedheid
E 20
Controles en handelingen na realisatie van de bedrijfsgereedheid
Gevaar op ongevallen door gebreken aan het interne transportmiddel
Intern transportmiddel niet met defecte / gebrekkige reminstallatie, met defecte
stuurinrichting en/of defecte hydraulische installatie in gebruik nemen.
Wanneer bij de volgende controles beschadigingen of overige gebreken aan het
interne transportmiddel of aanbouwapparaat (speciale uitrustingen) worden
vastgesteld, mag het interne transportmiddel niet meer worden gebruikt tot hij correct
is gerepareerd.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
3.9
E 20
– Controleren of de waarschuwings- en veiligheidsvoorzieningen goed werken:
– Controleren of NOODSTOP-schakelaar werk, daarvoor de NOODSTOPschakelaar indrukken. De hoofdstroomkring wordt onderbroken, zodat er geen
voertuigbewegingen kunnen worden uitgevoerd. Vervolgens de NOODSTOPschakelaar ontgrendelen door hem te draaien.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op de knop „Claxon” drukken.
– Controleren of de dodemansknop goed werkt.
– Controleer afsluitbomen / veiligheidsbomen op werking.
– Controleren of de bedrijfs- en parkeerrem goed werken, zie paragraaf
"Remmen" in hoofdstuk E.
– Controleren of de stuurinrichting goed werkt, zie paragraaf "Sturen" in
hoofdstuk E.
– Werking hydraulische installatie controleren.
– Hefuitschakelingen controleren (o), zie paragraaf "Hefuitschakeling
overbruggen (o)" in hoofdstuk E.
– Rijfuncties controleren, zie paragraaf "Rijden" en paragraaf "Rijden in smalle
gangen! in hoofdstuk E.
– Gangeindebeveiliging en gangherkenning-functies controleren (o), zie
paragraaf "Gangeindebeveiliging (o)" in hoofdstuk E.
– Rijuitschakelingen
controleren (o),
zie
paragraaf
"Rijuitschakeling
overbruggen (o)" in hoofdstuk E.
– Controleren of verlichting goed werkt (o).
– Controleren of de bedienings- en displayelementen goed werken, zie paragraaf
"Beschrijving van het display en de bedieningselementen" in hoofdstuk E.
– Controleren of de handsteunen (7) en grepen goed zijn bevestigd en niet
beschadigd zijn, zie paragraaf "Beschrijving van het display en de
bedieningselementen" in hoofdstuk E.
– Referentierit van de hefmast uitvoeren om de hoogte-indicatie in te stellen, zie
paragraaf „Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E.
– Controleren of de tweehandsbediening in de smalle gang werkt, zie paragraaf "Met
railgeleide intern transportmiddelen in smalle gangen rijden (o)" en paragraaf "Met
inductief geleide interne transportmiddelen in smalle gangen rijden (o)" in
hoofdstuk E.
– Controleren of de waarschuwings- en veiligheidsvoorzieningen goed werken:
– Controleren of NOODSTOP-schakelaar werk, daarvoor de NOODSTOPschakelaar indrukken. De hoofdstroomkring wordt onderbroken, zodat er geen
voertuigbewegingen kunnen worden uitgevoerd. Vervolgens de NOODSTOPschakelaar ontgrendelen door hem te draaien.
– Controleren of de claxon goed werkt, daarvoor op de knop „Claxon” drukken.
– Controleren of de dodemansknop goed werkt.
– Controleer afsluitbomen / veiligheidsbomen op werking.
– Controleren of de bedrijfs- en parkeerrem goed werken, zie paragraaf
"Remmen" in hoofdstuk E.
– Controleren of de stuurinrichting goed werkt, zie paragraaf "Sturen" in
hoofdstuk E.
– Werking hydraulische installatie controleren.
– Hefuitschakelingen controleren (o), zie paragraaf "Hefuitschakeling
overbruggen (o)" in hoofdstuk E.
– Rijfuncties controleren, zie paragraaf "Rijden" en paragraaf "Rijden in smalle
gangen! in hoofdstuk E.
– Gangeindebeveiliging en gangherkenning-functies controleren (o), zie
paragraaf "Gangeindebeveiliging (o)" in hoofdstuk E.
– Rijuitschakelingen
controleren (o),
zie
paragraaf
"Rijuitschakeling
overbruggen (o)" in hoofdstuk E.
– Controleren of verlichting goed werkt (o).
– Controleren of de bedienings- en displayelementen goed werken, zie paragraaf
"Beschrijving van het display en de bedieningselementen" in hoofdstuk E.
– Controleren of de handsteunen (7) en grepen goed zijn bevestigd en niet
beschadigd zijn, zie paragraaf "Beschrijving van het display en de
bedieningselementen" in hoofdstuk E.
– Referentierit van de hefmast uitvoeren om de hoogte-indicatie in te stellen, zie
paragraaf „Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E.
– Controleren of de tweehandsbediening in de smalle gang werkt, zie paragraaf "Met
railgeleide intern transportmiddelen in smalle gangen rijden (o)" en paragraaf "Met
inductief geleide interne transportmiddelen in smalle gangen rijden (o)" in
hoofdstuk E.
0310.NL
Werkwijze
0310.NL
Werkwijze
E 21
E 21
Afstellen van de hoofdhef en de extra hef
Bij het weergeven van de volgende
symbolen is een referentierit volgens de
indicatie vereist; dat wil zeggen, d.w.z.
de hoofdhef en de extra hef moeten
ieder circa 10 cm worden geheven en
weer neergelaten. Uitsluitend op deze
wijze verstrekt de regeling een vrijgave
voor de uitvoering van alle bewegingen
van het voertuig met volle snelheid.
3.10
8
Bij het weergeven van de volgende
symbolen is een referentierit volgens de
indicatie vereist; dat wil zeggen, d.w.z.
de hoofdhef en de extra hef moeten
ieder circa 10 cm worden geheven en
weer neergelaten. Uitsluitend op deze
wijze verstrekt de regeling een vrijgave
voor de uitvoering van alle bewegingen
van het voertuig met volle snelheid.
14
15 16 17
Werkwijze:
Werkwijze:
–
–
–
–
–
–
–
–
Aan beide zijden de veiligheidsbomen helemaal sluiten.
NOODSTOP-schakelaar (18) door draaien ontgrendelen.
Sleutel in het contactslot steken en het interne transportmiddel inschakelen.
Dodemansknop indrukken.
8
14
15 16 17
Aan beide zijden de veiligheidsbomen helemaal sluiten.
NOODSTOP-schakelaar (18) door draaien ontgrendelen.
Sleutel in het contactslot steken en het interne transportmiddel inschakelen.
Dodemansknop indrukken.
Referentierit: hoofdhef heffen
Referentierit: hoofdhef heffen
– Hoofdhef met de knop hydraulische regeling (8)
ca. 10 cm heffen.
Draaien naar links = heffen.
– Hoofdhef met de knop hydraulische regeling (8)
ca. 10 cm heffen.
Draaien naar links = heffen.
Referentierit: hoofdhef neerlaten
Referentierit: hoofdhef neerlaten
– Hoofdhef met knop hydraulische regeling (8) volledig
neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
– Hoofdhef met knop hydraulische regeling (8) volledig
neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
Referentierit: extra hef heffen
Referentierit: extra hef heffen
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en
gelijktijdige bediening van de knop „Extra hef“ (15)
ca. 10 cm heffen.
Draaien naar links = heffen.
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en
gelijktijdige bediening van de knop „Extra hef“ (15)
ca. 10 cm heffen.
Draaien naar links = heffen.
Referentierit: extra hef dalen
Referentierit: extra hef dalen
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en
gelijktijdige bediening van de knop „Extra hef“ (15)
volledig neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en
gelijktijdige bediening van de knop „Extra hef“ (15)
volledig neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
0310.NL
E 22
Afstellen van de hoofdhef en de extra hef
0310.NL
3.10
E 22
Hefuitschakeling bij afstellen
Gevaar op ongevallen door uitgeschoven mast
De hefuitschakeling is een extra functie ter
ondersteuning van de bediener, die hem echter niet de
verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische
beweging bijv. voor een obstakel te stoppen.
Door het indrukken van de drukknop „Hefuitschakeling
overbruggen“ wordt de hefbegrenzing buiten werking gezet.
Door het indrukken van de drukknop „Hefuitschakeling
overbruggen“ wordt de hefbegrenzing buiten werking gezet.
Achteraf afstellen lastopnamemiddelen (vorkdrager / sideshift)
Achteraf afstellen lastopnamemiddelen (vorkdrager / sideshift)
Wanneer bij uitgeschakeld intern transportmiddel de sideshift of het draaien van de
vorkdragers anders wordt ingesteld, verschijnt bij het weer inschakelen van het
interne transportmiddel op het display het symbool „Referentierit draaien“ of
„Referentierit schuiven“. Het draaien of schuiven moet worden afgesteld.
Wanneer bij uitgeschakeld intern transportmiddel de sideshift of het draaien van de
vorkdragers anders wordt ingesteld, verschijnt bij het weer inschakelen van het
interne transportmiddel op het display het symbool „Referentierit draaien“ of
„Referentierit schuiven“. Het draaien of schuiven moet worden afgesteld.
Referentierit draaien
Referentierit schuiven
Referentierit draaien
Referentierit schuiven
De sideshift wordt afgesteld door met de sideshift over de positie "Midden
aanbouwapparaat" te rijden, zie paragraaf "Schuiven (aanbouwapparaat zwenkarm)"
in hoofdstuk E.
De sideshift wordt afgesteld door met de sideshift over de positie "Midden
aanbouwapparaat" te rijden, zie paragraaf "Schuiven (aanbouwapparaat zwenkarm)"
in hoofdstuk E.
De draaisensoren van het aanbouwapparaat worden afgesteld door minimaal een
complete draaiing met het lastopnamemiddel uit te voeren, zie paragraaf "Zwenken /
draaien (vorkdrager)" in hoofdstuk E.
De draaisensoren van het aanbouwapparaat worden afgesteld door minimaal een
complete draaiing met het lastopnamemiddel uit te voeren, zie paragraaf "Zwenken /
draaien (vorkdrager)" in hoofdstuk E.
Een succesvolle afstelling is te herkennen, wanneer het betreffende symbool na de
afstelling uitgaat.
Een succesvolle afstelling is te herkennen, wanneer het betreffende symbool na de
afstelling uitgaat.
Z
Wanneer één van de beide symbolen na de afstelling niet uitgaat, moet de
klantenservice van de producent worden geïnformeerd.
0310.NL
Z
F
Gevaar op ongevallen door uitgeschoven mast
De hefuitschakeling is een extra functie ter
ondersteuning van de bediener, die hem echter niet de
verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische
beweging bijv. voor een obstakel te stoppen.
Wanneer één van de beide symbolen na de afstelling niet uitgaat, moet de
klantenservice van de producent worden geïnformeerd.
0310.NL
F
Hefuitschakeling bij afstellen
E 23
E 23
3.11
Z
Klok instellen
3.11
Klok instellen
Menu "Klok instellen" oproepen:
Menu "Klok instellen" oproepen:
Knop 31 indrukken. Het display gaat naar het
submenu.
Knop 31 indrukken. Het display gaat naar het
submenu.
Z
In dit submenu zijn geen voertuigbewegingen
mogelijk.
Vervolgens twee keer op knop 32 drukken. Op het
display verschijnt het menu „Klok instellen“.
In dit submenu zijn geen voertuigbewegingen
mogelijk.
Vervolgens twee keer op knop 32 drukken. Op het
display verschijnt het menu „Klok instellen“.
36
32
31
31
Klok instellen:
Door
tegelijkertijd
knoppen 32
–
–
–
–
Klok instellen:
indrukken
van
de
Door
tegelijkertijd
knoppen 32
knop 33 in uren verhogen.
knop 34 in uren verlagen.
knop 35 in minuten verhogen.
en 36: minuten verlagen.
–
–
–
–
13:22
37
Z
De ingestelde tijd (37) wordt weergegeven op
het display.
34
32
Menu "Klok instellen" verlaten:
31
33
van
de
knop 33 in uren verhogen.
knop 34 in uren verlagen.
knop 35 in minuten verhogen.
en 36: minuten verlagen.
13:22
37
De ingestelde tijd (37) wordt weergegeven op
het display.
36
34
32
Menu "Klok instellen" verlaten:
35
31
33
36
35
Knop 31 indrukken. Het display gaat naar het
submenu.
Knop 31 indrukken. Het display gaat naar het
submenu.
Druk nu op knop 36. De indicatie-eenheid gaat naar het menu „Heftruckfuncties“.
Druk nu op knop 36. De indicatie-eenheid gaat naar het menu „Heftruckfuncties“.
0310.NL
E 24
indrukken
0310.NL
Z
36
32
E 24
4
Werken met het interne transportmiddel
4
Werken met het interne transportmiddel
4.1
Veiligheidsregels voor het rijden
4.1
Veiligheidsregels voor het rijden
Z
Er mag uitsluitend over wegen worden gereden, die zijn vrijgegeven voor verkeer.
Onbevoegde derden mogen niet in het werkbereik komen. De last mag uitsluitend op
de daarvoor bedoelde plaatsen worden neergezet.
Het interne transportmiddel mag uitsluitend worden bewogen in werkzones, waarin
voldoen licht is, om gevaren voor personen en materiaal te voorkomen. Voor het
gebruik van het interne transportmiddel bij onvoldoende licht is een extra uitrusting
nodig.
Er mag uitsluitend over wegen worden gereden, die zijn vrijgegeven voor verkeer.
Onbevoegde derden mogen niet in het werkbereik komen. De last mag uitsluitend op
de daarvoor bedoelde plaatsen worden neergezet.
Het interne transportmiddel mag uitsluitend worden bewogen in werkzones, waarin
voldoen licht is, om gevaren voor personen en materiaal te voorkomen. Voor het
gebruik van het interne transportmiddel bij onvoldoende licht is een extra uitrusting
nodig.
F
De toegestane vlak- en puntbelastingen van de rijwegen mogen niet worden
overschreden.
Op onoverzichtelijke plaatsen moet een tweede persoon instructies geven.
Z
Lasten mogen niet worden neergezet op verkeer- en vluchtroutes, niet vóór
veiligheidsvoorziening en bedrijfsinrichtingen, die op ieder moment toegankelijk
moeten zijn.
De toegestane vlak- en puntbelastingen van de rijwegen mogen niet worden
overschreden.
Op onoverzichtelijke plaatsen moet een tweede persoon instructies geven.
Lasten mogen niet worden neergezet op verkeer- en vluchtroutes, niet vóór
veiligheidsvoorziening en bedrijfsinrichtingen, die op ieder moment toegankelijk
moeten zijn.
Gedrag bij het rijden:
Gedrag bij het rijden:
De bestuurder moet de rijsnelheid aanpassen aan de plaatselijke omstandigheden.
De bestuurder moet langzaam rijden in bijvoorbeeld bochten en nauwe doorgangen,
bij het rijden door strokengordijnen / klapdeuren, op onoverzichtelijke plaatsen en bij
het verlaten van de smalle gang. De bestuurder moet altijd een veilige remafstand
bewaren tot de voertuigen die zich in de rijrichting gezien vóór hem bevinden en hij
moet het interne transportmiddel altijd onder controle hebben. Onverwacht stoppen
(behalve in noodgevallen), snel omkeren en inhalen op gevaarlijke of
onoverzichtelijke plaatsen is verboden. Het is verboden buiten het werk- of
bedienbereik te leunen of te grijpen.
De bestuurder moet de rijsnelheid aanpassen aan de plaatselijke omstandigheden.
De bestuurder moet langzaam rijden in bijvoorbeeld bochten en nauwe doorgangen,
bij het rijden door strokengordijnen / klapdeuren, op onoverzichtelijke plaatsen en bij
het verlaten van de smalle gang. De bestuurder moet altijd een veilige remafstand
bewaren tot de voertuigen die zich in de rijrichting gezien vóór hem bevinden en hij
moet het interne transportmiddel altijd onder controle hebben. Onverwacht stoppen
(behalve in noodgevallen), snel omkeren en inhalen op gevaarlijke of
onoverzichtelijke plaatsen is verboden. Het is verboden buiten het werk- of
bedienbereik te leunen of te grijpen.
Het gebruik van een mobiele telefoon of een portofoon zonder handsfree-functie is
verboden tijdens de bediening van het interne transportmiddel.
Het gebruik van een mobiele telefoon of een portofoon zonder handsfree-functie is
verboden tijdens de bediening van het interne transportmiddel.
F
Gedrag bij kantelen van het interne transportmiddel
Wanneer het interne transportmiddel dreigt te kantelen, mag de bestuurder niet van
het interne transportmiddel springen en geen lichaamsdelen buiten de
bestuurderscabine houden.
De bestuurder moet:
– gehurkt gaan zitten,
– zich met beide handen in de bestuurderscabine vasthouden,
– het lichaam in tegengestelde richting dan de valrichting neigen.
0310.NL
F
Rijpaden en werkbereiken:
Gedrag bij kantelen van het interne transportmiddel
Wanneer het interne transportmiddel dreigt te kantelen, mag de bestuurder niet van
het interne transportmiddel springen en geen lichaamsdelen buiten de
bestuurderscabine houden.
De bestuurder moet:
– gehurkt gaan zitten,
– zich met beide handen in de bestuurderscabine vasthouden,
– het lichaam in tegengestelde richting dan de valrichting neigen.
0310.NL
F
Rijpaden en werkbereiken:
E 25
E 25
Zichtverhoudingen bij het rijden buiten de smalle gangen:
De bestuurder moet in de rijrichting kijken en altijd voldoende overzicht hebben over
het traject dat hij rijdt.
De bestuurder moet in de rijrichting kijken en altijd voldoende overzicht hebben over
het traject dat hij rijdt.
Wanneer lasten worden getransporteerd die het zicht beïnvloeden, moet de last zich
in rijrichting gezien aan de achterkant van het interne transportmiddel bevinden.
Wanneer dit niet mogelijk is, moet een tweede persoon als uitkijk vóór het interne
transportmiddel uit lopen.
In dit geval mag er alleen met loopsnelheid en bijzonder voorzichtig worden gereden.
Het interne transportmiddel moet direct tot stilstand worden gebracht, zodra het
oogcontact tussen de seiner en de bediener verloren gaat.
Wanneer lasten worden getransporteerd die het zicht beïnvloeden, moet de last zich
in rijrichting gezien aan de achterkant van het interne transportmiddel bevinden.
Wanneer dit niet mogelijk is, moet een tweede persoon als uitkijk vóór het interne
transportmiddel uit lopen.
In dit geval mag er alleen met loopsnelheid en bijzonder voorzichtig worden gereden.
Het interne transportmiddel moet direct tot stilstand worden gebracht, zodra het
oogcontact tussen de seiner en de bediener verloren gaat.
Achteruitkijkspiegel uitsluitend gebruiken om het verkeersgebied aan de achterkant
te bekijken. Als er kijkhulpmiddelen (spiegel, monitor, etc.) nodig zijn om voldoende
zicht te verkrijgen, moeten de werkzaamheden zorgvuldig worden verricht met deze
hulpmiddelen.
Achteruitkijkspiegel uitsluitend gebruiken om het verkeersgebied aan de achterkant
te bekijken. Als er kijkhulpmiddelen (spiegel, monitor, etc.) nodig zijn om voldoende
zicht te verkrijgen, moeten de werkzaamheden zorgvuldig worden verricht met deze
hulpmiddelen.
Gedrag
en
zichtverhoudingen
tijdens
bestuurderscabine en lastopnamemiddel
Gedrag
en
zichtverhoudingen
tijdens
bestuurderscabine en lastopnamemiddel
met
opgeheven
F
Gevaar op ongevallen bij gebruik met opgeheven bestuurderscabine en
lastopnamemiddel
Het werken met opgeheven bestuurderscabine en lastopnamemiddel kan de
zichtverhoudingen van de bestuurder beïnvloeden. Personen in de gevarenzone van
het interne transportmiddel kunnen letsel oplopen. De gevarenzone is het gebied
waar personen door bewegingen van het interne transportmiddel, inclusief het
lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar worden gebracht. Hiertoe behoort
ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen, etc. kunnen terechtkomen. In de
gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener (in zijn
normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
– Bij hydraulische en/of rijbewegingen moet u controleren of er zich geen personen
in de gevarenzone bevinden.
– Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
– Alle werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
E 26
gebruik
met
opgeheven
Gevaar op ongevallen bij gebruik met opgeheven bestuurderscabine en
lastopnamemiddel
Het werken met opgeheven bestuurderscabine en lastopnamemiddel kan de
zichtverhoudingen van de bestuurder beïnvloeden. Personen in de gevarenzone van
het interne transportmiddel kunnen letsel oplopen. De gevarenzone is het gebied
waar personen door bewegingen van het interne transportmiddel, inclusief het
lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar worden gebracht. Hiertoe behoort
ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen, etc. kunnen terechtkomen. In de
gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener (in zijn
normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
– Bij hydraulische en/of rijbewegingen moet u controleren of er zich geen personen
in de gevarenzone bevinden.
– Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
– Alle werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
0310.NL
gebruik
0310.NL
F
Zichtverhoudingen bij het rijden buiten de smalle gangen:
E 26
F
Beveiligingen tegen vallen
Beveiligingen tegen vallen
De chauffeur mag de chauffeurscabine in geheven toestand niet verlaten: het is niet
toegestaan over te stappen naar gebouwde constructies of naar andere interne
transportmiddelen,
of
de
veiligheidsinrichtingen
zoals
leuningen
en
veiligheidsbomen. Bij in lengterichting weggezette Europallets kunt u pakstukken
vanaf het bedieningsplatform misschien niet bereiken zonder hulpmiddelen. De
exploitant moet het bedieningspersoneel geschikte hulpmiddelen ter beschikking
stellen, teneinde de pakstukken zonder gevaar te kunnen verzamelen.
De chauffeur mag de chauffeurscabine in geheven toestand niet verlaten: het is niet
toegestaan over te stappen naar gebouwde constructies of naar andere interne
transportmiddelen,
of
de
veiligheidsinrichtingen
zoals
leuningen
en
veiligheidsbomen. Bij in lengterichting weggezette Europallets kunt u pakstukken
vanaf het bedieningsplatform misschien niet bereiken zonder hulpmiddelen. De
exploitant moet het bedieningspersoneel geschikte hulpmiddelen ter beschikking
stellen, teneinde de pakstukken zonder gevaar te kunnen verzamelen.
U mag uitsluitend over laadhulpmiddelen lopen met de betreffende
veiligheidsinrichtingen zoals dichte pallets en beveiligingen tegen het kantelen van
pallets.
U mag uitsluitend over laadhulpmiddelen lopen met de betreffende
veiligheidsinrichtingen zoals dichte pallets en beveiligingen tegen het kantelen van
pallets.
F
Gevaar op vallen door ondeskundig gebruik van bedieningselementen en
onderdelen.
Wanneer de bediener op de veiligheidsbomen, het bedieningspaneel, de omheining
van de bestuurderscabine, van de bestuurdersstoel etc. gaat staan kan hij uit de
bestuurderscabine vallen.
– De bediener mag niet op de veiligheidsbomen, het bedieningspaneel, de
omheining van de bestuurderscabine, de bestuurdersstoel etc. gaan staan.
Gevaar op vallen door ondeskundig gebruik van bedieningselementen en
onderdelen.
Wanneer de bediener op de veiligheidsbomen, het bedieningspaneel, de omheining
van de bestuurderscabine, van de bestuurdersstoel etc. gaat staan kan hij uit de
bestuurderscabine vallen.
– De bediener mag niet op de veiligheidsbomen, het bedieningspaneel, de
omheining van de bestuurderscabine, de bestuurdersstoel etc. gaan staan.
M
Rijden op hellingen:
Rijden op hellingen is verboden.
M
Rijden op hellingen:
Rijden op hellingen is verboden.
M
Op laadbruggen rijden:
Rijden op laadbruggen is verboden.
M
Op laadbruggen rijden:
Rijden op laadbruggen is verboden.
In liften rijden:
De bestuurder mag uitsluitend in liften rijden, wanneer deze voldoende hefcapaciteit
hebben, constructief geschikt zijn om te worden bereden en door de eigenaar zijn
vrijgegeven om te worden bereden. Dit moet worden gecontroleerd voordat de lift in
of op de laadbrug wordt gereden. Het interne transportmiddel met de last naar voren
de lift in rijden en een positie innemen waarin contact met de schachtwanden
uitgesloten is.
Personen, die meerijden in de lift, mogen deze pas betreden wanneer het interne
transportmiddel veilig staat en ze moeten de lift eerder verlaten dan het interne
transportmiddel.
De bestuurder mag uitsluitend in liften rijden, wanneer deze voldoende hefcapaciteit
hebben, constructief geschikt zijn om te worden bereden en door de eigenaar zijn
vrijgegeven om te worden bereden. Dit moet worden gecontroleerd voordat de lift in
of op de laadbrug wordt gereden. Het interne transportmiddel met de last naar voren
de lift in rijden en een positie innemen waarin contact met de schachtwanden
uitgesloten is.
Personen, die meerijden in de lift, mogen deze pas betreden wanneer het interne
transportmiddel veilig staat en ze moeten de lift eerder verlaten dan het interne
transportmiddel.
Veiligheidskooien
Veiligheidskooien
F
Het gebruik van veiligheidskooien wordt geregeld in de nationale wetgeving. In de
afzonderlijke lidstaten kan het gebruik van veiligheidskooien op interne
transportmiddelen verboden zijn. Deze wetgeving in acht nemen. Alleen wanneer de
wetgeving in het land van gebruik het gebruik van veiligheidskooien toestaat, is dit
vrijgegeven.
Voor het gebruik de nationale toezichtautoriteiten vragen
0310.NL
Het gebruik van veiligheidskooien wordt geregeld in de nationale wetgeving. In de
afzonderlijke lidstaten kan het gebruik van veiligheidskooien op interne
transportmiddelen verboden zijn. Deze wetgeving in acht nemen. Alleen wanneer de
wetgeving in het land van gebruik het gebruik van veiligheidskooien toestaat, is dit
vrijgegeven.
Voor het gebruik de nationale toezichtautoriteiten vragen
0310.NL
F
In liften rijden:
E 27
E 27
Conditie van de te transporteren last:
Conditie van de te transporteren last:
De bediener moet controleren of de lasten correct zijn geplaatst. Er mogen uitsluitend
veilig en zorgvuldig geplaatste lasten worden getransporteerd. Wanneer het gevaar
bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen, moeten geschikte
veiligheidsmaatregelen worden genomen.
De bediener moet controleren of de lasten correct zijn geplaatst. Er mogen uitsluitend
veilig en zorgvuldig geplaatste lasten worden getransporteerd. Wanneer het gevaar
bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen, moeten geschikte
veiligheidsmaatregelen worden genomen.
M
Gevaar op ongevallen bij transport van vloeibare lasten
De volgende gevaren kunnen bij het transport van vloeibare lasten ontstaan:
Morsen van vloeistoffen.
Verandering van het lastzwaartepunt door schokkende hef- en rijbewegingen en
eventueel daardoor vallende last.
Beperking van de stabiliteit van het interne transportmiddel door verschoven of
instabiele lasten.
– Aanwijzingen in de paragraaf "Last transporteren" in acht nemen.
M
Gevaar op ongevallen bij transport van vloeibare lasten
De volgende gevaren kunnen bij het transport van vloeibare lasten ontstaan:
Morsen van vloeistoffen.
Verandering van het lastzwaartepunt door schokkende hef- en rijbewegingen en
eventueel daardoor vallende last.
Beperking van de stabiliteit van het interne transportmiddel door verschoven of
instabiele lasten.
– Aanwijzingen in de paragraaf "Last transporteren" in acht nemen.
M
M
Transporteren van pendelende lasten is verboden.
M
M
Transporteren van pendelende lasten is verboden.
E 28
Aanhangers slepen: Het interne transportmiddel mag niet worden gebruikt voor het
slepen van een aanhanger!
0310.NL
0310.NL
Aanhangers slepen: Het interne transportmiddel mag niet worden gebruikt voor het
slepen van een aanhanger!
E 28
4.2
NOODSTOP-schakelaar, rijden, sturen, remmen
4.2
NOODSTOP-schakelaar, rijden, sturen, remmen
4.2.1 Schakelaar NOODSTOP
4.2.1 Schakelaar NOODSTOP
F
F
Z
Gevaar op ongevallen
Bij bediening van de schakelaar NOODSTOP tijdens het rijden wordt het interne
transportmiddel met maximaal remvermogen tot stilstand afgeremd. Daarbij kan de
opgenomen last van de vorktanden glijden. Er bestaat een verhoogd gevaar op
ongevallen en letsel!
Voorwerpen mogen de werking van de NOODSTOP-schakelaar niet beïnvloeden.
NOODSTOP-schakelaar indrukken
NOODSTOP-schakelaar indrukken
– NOODSTOP-schakelaar (18)
onderen drukken.
– NOODSTOP-schakelaar (18)
onderen drukken.
naar
Z
Alle bewegingen van het interne
transportmiddel worden uitgeschakeld.
Het interne transportmiddel wordt
automatisch afgeremd tot aan stilstand.
NOODSTOP-schakelaar (18) niet als
bedrijfsrem gebruiken.
NOODSTOP-schakelaar loszetten
naar
Alle bewegingen van het interne
transportmiddel worden uitgeschakeld.
Het interne transportmiddel wordt
automatisch afgeremd tot aan stilstand.
NOODSTOP-schakelaar (18) niet als
bedrijfsrem gebruiken.
NOODSTOP-schakelaar loszetten
18
– NOODSTOP-schakelaar (18)
weer
ontgrendelen door hem te draaien.
18
– NOODSTOP-schakelaar (18)
weer
ontgrendelen door hem te draaien.
Z
Alle elektrische functies zijn ingeschakeld, het interne transportmiddel is weer
gebruiksklaar (mits het interne transportmiddel vóór het indrukken van de
NOODSTOP-schakelaar gebruiksklaar was).
0310.NL
Alle elektrische functies zijn ingeschakeld, het interne transportmiddel is weer
gebruiksklaar (mits het interne transportmiddel vóór het indrukken van de
NOODSTOP-schakelaar gebruiksklaar was).
0310.NL
Z
Gevaar op ongevallen
Bij bediening van de schakelaar NOODSTOP tijdens het rijden wordt het interne
transportmiddel met maximaal remvermogen tot stilstand afgeremd. Daarbij kan de
opgenomen last van de vorktanden glijden. Er bestaat een verhoogd gevaar op
ongevallen en letsel!
Voorwerpen mogen de werking van de NOODSTOP-schakelaar niet beïnvloeden.
E 29
E 29
4.2.2 Rijden
4.2.2 Rijden
M
M
Uitsluitend met gesloten en correct vergrendelde kappen en afdekkingen rijden.
U kunt het voertuig in drie modi rijden:
– vrij rijden in het voorveld,
– inductief geleid
– railgeleid.
E 30
U kunt het voertuig in drie modi rijden:
– vrij rijden in het voorveld,
– inductief geleid
– railgeleid.
Z
Welke modus wordt gebruikt, hangt af van het geleidingssysteem van de betreffende
stellinginstallatie.
Welke modus wordt gebruikt, hangt af van het geleidingssysteem van de betreffende
stellinginstallatie.
Rijden in het voorveld
– Veiligheidsbomen sluiten.
6
– NOODSTOP-schakelaar (18) loszetten door te draaien;
– Sleutel in het contactslot steken en
met de klok mee draaien.
– Bedien de dodemansknop (6).
– Referentierit van de hefmast (hoofden extra hef) uitvoeren om de hoogteindicatie in te stellen, zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef“ in
hoofdstuk E.
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en gelijktijdige bediening van de
knop „Extra hef“ (15) volledig neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
– Hoofdhef met knop hydraulische regeling (8) heffen tot de vorktanden los zijn van
de vloer.
Draaien naar links = heffen.
– Draai de rijregelknop (13) langzaam
met de rechter duim.
8
21
13
Draaien naar rechts = vooruit rijden
Draaien naar links = achteruit rijden
– Regel de rijsnelheid door de
rijregelknop navenant verder of terug
te draaien.
– Voertuig met het stuurwiel (21) in de
gewenste richting sturen.
18
– Veiligheidsbomen sluiten.
6
– NOODSTOP-schakelaar (18) loszetten door te draaien;
– Sleutel in het contactslot steken en
met de klok mee draaien.
– Bedien de dodemansknop (6).
– Referentierit van de hefmast (hoofden extra hef) uitvoeren om de hoogteindicatie in te stellen, zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef“ in
hoofdstuk E.
– Extra hef via de knop hydraulische regeling (8) en gelijktijdige bediening van de
knop „Extra hef“ (15) volledig neerlaten.
Draaien naar rechts = neerlaten.
– Hoofdhef met knop hydraulische regeling (8) heffen tot de vorktanden los zijn van
de vloer.
Draaien naar links = heffen.
– Draai de rijregelknop (13) langzaam
met de rechter duim.
8
21
13
Draaien naar rechts = vooruit rijden
Draaien naar links = achteruit rijden
– Regel de rijsnelheid door de
rijregelknop navenant verder of terug
te draaien.
– Voertuig met het stuurwiel (21) in de
gewenste richting sturen.
18
0310.NL
Rijden in het voorveld
0310.NL
Z
Uitsluitend met gesloten en correct vergrendelde kappen en afdekkingen rijden.
E 30
4.2.3 Sturen
4.2.3 Sturen
Sturen buiten de smalle gangen:
Buiten de smalle gangen wordt het
voertuig
met
behulp
van
het
stuurwiel (21) gestuurd.
Op het display (9) wordt de stand van
het aandrijfwiel weergegeven.
Sturen buiten de smalle gangen:
Buiten de smalle gangen wordt het
voertuig
met
behulp
van
het
stuurwiel (21) gestuurd.
Op het display (9) wordt de stand van
het aandrijfwiel weergegeven.
9
Sturen binnen de smalle gangen:
Z
Sturen binnen de smalle gangen:
Z
Het interne transportmiddel wordt
gedwongen geleid en de werking van
het stuurwiel (21) is gedeactiveerd.
Het interne transportmiddel wordt
gedwongen geleid en de werking van
het stuurwiel (21) is gedeactiveerd.
4.2.4 Remmen
4.2.4 Remmen
Z
Z
Z
Het remgedrag van het voertuig hangt wezenlijk af van de bodemgesteldheid. De
bestuurder moet daar rekening mee houden bij het bepalen van het rijgedrag. Intern
transportmiddel voorzichtig afremmen, zodat de lading niet verschuift.
U kunt het voertuig op de volgende drie manieren remmen:
U kunt het voertuig op de volgende drie manieren remmen:
- met bedrijfsrem (t)
- met dodemansknop (o)
- met de NOODSTOP-schakelaar (t).
- met bedrijfsrem (t)
- met dodemansknop (o)
- met de NOODSTOP-schakelaar (t).
Remmen met bedrijfsrem (t)
Remmen met bedrijfsrem (t)
Rijregelknop (13) tijdens het rijden in de nulstand of in de tegengestelde rijrichting
schakelen. Daardoor wordt het voertuig door de rijstroomregeling afgeremd.
Rijregelknop (13) tijdens het rijden in de nulstand of in de tegengestelde rijrichting
schakelen. Daardoor wordt het voertuig door de rijstroomregeling afgeremd.
Z
Het interne transportmiddel wordt door rijstroomregeling (tegenstroom) afgeremd,
totdat hij in de andere richting begint te rijden. Deze remmodus vermindert het
energieverbruik. De energie wordt teruggewonnen, geregeld door de
rijstroomregeling.
Het interne transportmiddel wordt door rijstroomregeling (tegenstroom) afgeremd,
totdat hij in de andere richting begint te rijden. Deze remmodus vermindert het
energieverbruik. De energie wordt teruggewonnen, geregeld door de
rijstroomregeling.
Remmen met dodemansknop (o)
Remmen met dodemansknop (o)
Door het loslaten van de dodemansknop, wordt het voertuig afgeremd.
Door het loslaten van de dodemansknop, wordt het voertuig afgeremd.
Z
Deze manier van remmen mag uitsluitend worden gebruikt als parkeerrem en niet als
bedrijfsrem.
Deze manier van remmen mag uitsluitend worden gebruikt als parkeerrem en niet als
bedrijfsrem.
Remmen met de NOODSTOP-schakelaar (t)
Remmen met de NOODSTOP-schakelaar (t)
Door het bedienen van de NOODSTOP-schakelaar, wordt het voertuig afgeremd tot
aan stilstand.
Door het bedienen van de NOODSTOP-schakelaar, wordt het voertuig afgeremd tot
aan stilstand.
M
De NOODSTOP-schakelaar mag uitsluitend in gevaarlijke situaties worden gebruikt.
0310.NL
M
Het remgedrag van het voertuig hangt wezenlijk af van de bodemgesteldheid. De
bestuurder moet daar rekening mee houden bij het bepalen van het rijgedrag. Intern
transportmiddel voorzichtig afremmen, zodat de lading niet verschuift.
De NOODSTOP-schakelaar mag uitsluitend in gevaarlijke situaties worden gebruikt.
0310.NL
Z
9
E 31
E 31
F
4.3
F
Gevaar op ongevallen door onbevoegd berijden of betreden van de smalle
gangen door andere voertuigen en/of personen.
Onbevoegden en doorgangsverkeer mogen geen gebruik maken van de smalle
gangen
(verkeerswegen
van
voertuigen
in
stellinginstallaties
met
veiligheidsafstanden < 500 mm). Deze werkbereiken moeten als zodanig worden
gekenmerkt.
– De aanwezige veiligheidsinrichtingen op de interne transportmiddelen of de
stellinginstallatie dagelijks controleren, teneinde gevaren te vermijden en personen
te beschermen.
– Aanwezige veiligheidsinrichtingen aan het interne transportmiddelen of de
stellinginstallaties mogen niet buiten werking worden gesteld, niet oneigenlijk
worden gebruikt en niet worden versteld of worden verwijderd.
– Eventueel vastgestelde gebreken aan de veiligheidsinrichtingen direct bij uw
leidinggevende melden.
– Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
– Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Defecte stellinginstallaties markeren en blokkeren voor inrijden.
– Stellinginstallaties mogen pas weer in gebruik worden genomen nadat het defect
is gevonden en verholpen.
– Aanwijzingen van DIN 15185 deel 2 in acht nemen.
– Het rijden in smalle gangen is enkel toegestaan met interne transportmiddelen die
daarvoor zijn bestemd.
– Alvorens een smalle gang in te rijden, moet de bestuurder controleren of er zich
personen of andere voertuigen in deze smalle gang bevinden. Uitsluitend vrije
smalle gangen inrijden. Wanneer zich personen of voertuigen in de smalle gang
bevinden, moet het gebruik onmiddellijk worden gestaakt.
M
Gevaar op ongevallen door niet geleid intern transportmiddel
Wanneer een inductief gedwongen geleid intern transportmiddel wordt uit- en weer
ingeschakeld, is de inductieve geleiding niet meer actief na het opnieuw inschakelen.
Hetzelfde geldt bij defecte of uit- en opnieuw ingeschakelde middenstreepgeleiding.
Bij het verder rijden klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de snelheid
verlaagd.
– Bij het optrekken en rijden na uitschakeling van de inductieve geleiding moet op de
stand van het aandrijfwiel worden gelet, aangezien de handmatige besturing weer
actief is.
– Inductieve geleiding weer activeren en intern transportmiddel opnieuw insporen.
Tijdens het insporen kan het achtergedeelte bij het bereiken van de geleidedraad
uitwijken.
– Bij defecte of uitgeschakelde middenstreepgeleiding het interne transportmiddel
uitsluitend met langzame snelheid uit de smalle gang rijden.
0310.NL
M
Rijden in smalle gangen
E 32
Rijden in smalle gangen
Gevaar op ongevallen door onbevoegd berijden of betreden van de smalle
gangen door andere voertuigen en/of personen.
Onbevoegden en doorgangsverkeer mogen geen gebruik maken van de smalle
gangen
(verkeerswegen
van
voertuigen
in
stellinginstallaties
met
veiligheidsafstanden < 500 mm). Deze werkbereiken moeten als zodanig worden
gekenmerkt.
– De aanwezige veiligheidsinrichtingen op de interne transportmiddelen of de
stellinginstallatie dagelijks controleren, teneinde gevaren te vermijden en personen
te beschermen.
– Aanwezige veiligheidsinrichtingen aan het interne transportmiddelen of de
stellinginstallaties mogen niet buiten werking worden gesteld, niet oneigenlijk
worden gebruikt en niet worden versteld of worden verwijderd.
– Eventueel vastgestelde gebreken aan de veiligheidsinrichtingen direct bij uw
leidinggevende melden.
– Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
– Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Defecte stellinginstallaties markeren en blokkeren voor inrijden.
– Stellinginstallaties mogen pas weer in gebruik worden genomen nadat het defect
is gevonden en verholpen.
– Aanwijzingen van DIN 15185 deel 2 in acht nemen.
– Het rijden in smalle gangen is enkel toegestaan met interne transportmiddelen die
daarvoor zijn bestemd.
– Alvorens een smalle gang in te rijden, moet de bestuurder controleren of er zich
personen of andere voertuigen in deze smalle gang bevinden. Uitsluitend vrije
smalle gangen inrijden. Wanneer zich personen of voertuigen in de smalle gang
bevinden, moet het gebruik onmiddellijk worden gestaakt.
Gevaar op ongevallen door niet geleid intern transportmiddel
Wanneer een inductief gedwongen geleid intern transportmiddel wordt uit- en weer
ingeschakeld, is de inductieve geleiding niet meer actief na het opnieuw inschakelen.
Hetzelfde geldt bij defecte of uit- en opnieuw ingeschakelde middenstreepgeleiding.
Bij het verder rijden klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de snelheid
verlaagd.
– Bij het optrekken en rijden na uitschakeling van de inductieve geleiding moet op de
stand van het aandrijfwiel worden gelet, aangezien de handmatige besturing weer
actief is.
– Inductieve geleiding weer activeren en intern transportmiddel opnieuw insporen.
Tijdens het insporen kan het achtergedeelte bij het bereiken van de geleidedraad
uitwijken.
– Bij defecte of uitgeschakelde middenstreepgeleiding het interne transportmiddel
uitsluitend met langzame snelheid uit de smalle gang rijden.
0310.NL
4.3
E 32
4.3.1 Voertuig met railgeleiding
De railgeleide voertuigen zijn uitgerust
met sensoren, die bij het inrijden van de
stellingpaden
de
gangherkenning
activeren.
4.3.1 Voertuig met railgeleiding
25
38
De railgeleide voertuigen zijn uitgerust
met sensoren, die bij het inrijden van de
stellingpaden
de
gangherkenning
activeren.
13
– Voertuig met lage snelheid vóór de
smalle gang rijden, zodat hij is
uitgelijnd met de smalle gang en diens
markeringen.
Z
Z
De op de rijweg aangebrachte
7
34
7
aanduidingen
(bijvoorbeeld
gangmiddellijn) in acht nemen. U kunt de rijfuncties en hydraulische functies in de smalle
gang slechts activeren met tweehandsbediening.
Z
Beschrijving van de hydraulische functies zie paragraaf "Heffen - neerlaten - schuiven
- zwenken buiten en binnen stellinggangen" in hoofdstuk E.
De op de rijweg aangebrachte
7
34
7
aanduidingen
(bijvoorbeeld
gangmiddellijn) in acht nemen. U kunt de rijfuncties en hydraulische functies in de smalle
gang slechts activeren met tweehandsbediening.
Beschrijving van de hydraulische functies zie paragraaf "Heffen - neerlaten - schuiven
- zwenken buiten en binnen stellinggangen" in hoofdstuk E.
Verlaten van de smalle gang
F
Het omschakelen van gedwongen naar handmatig sturen mag uitsluitend
plaatsvinden, wanneer het interne transportmiddel de smalle gang geheel heeft
verlaten.
Het omschakelen van gedwongen naar handmatig sturen mag uitsluitend
plaatsvinden, wanneer het interne transportmiddel de smalle gang geheel heeft
verlaten.
Voor het verlaten van de railgeleiding moet:
Voor het verlaten van de railgeleiding moet:
– het interne transportmiddel volledige uit de smalle gang worden gereden.
– het interne transportmiddel tot stilstand worden gebracht.
– de knop „Geleiding aan” (34) worden ingedrukt.
Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat uit.
– het interne transportmiddel volledige uit de smalle gang worden gereden.
– het interne transportmiddel tot stilstand worden gebracht.
– de knop „Geleiding aan” (34) worden ingedrukt.
Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat uit.
Z
U kunt het interne transportmiddel nu weer vrij verrijden. De stuurhoekindicatie (25)
geeft de actuele stand van het aandrijfwiel weer.
0310.NL
U kunt het interne transportmiddel nu weer vrij verrijden. De stuurhoekindicatie (25)
geeft de actuele stand van het aandrijfwiel weer.
0310.NL
Z
13
– Voertuig langzaam in de smalle gang rijden. Erop letten dat de geleidingsrollen van
het voertuig in de geleiderails van de smalle gang lopen.
– Knop „Geleiding aan” (34) indrukken.
– Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat branden.
– Het aandrijfwiel wordt automatisch in de stand voor rechtuit rijden gebracht. In de
stuurhoekindicatie (25) wordt de stuurhoek na het insporen continu naar de
middenpositie weergegeven. Het handmatig sturen is buiten werking.
– Handsteun van de rij- en hydraulische regelgreep (7) vastpakken (tweehandbediening).
– Door draaien van de rijregelknop (13) beïnvloedt u de rijsnelheid en rijrichting.
Draaien naar rechts = rijden in lastrichting,
Draaien naar links = rijden in aandrijfrichting.
– Voertuig in de smalle gang met de gewenste snelheid verder rijden.
Verlaten van de smalle gang
F
38
– Voertuig met lage snelheid vóór de
smalle gang rijden, zodat hij is
uitgelijnd met de smalle gang en diens
markeringen.
– Voertuig langzaam in de smalle gang rijden. Erop letten dat de geleidingsrollen van
het voertuig in de geleiderails van de smalle gang lopen.
– Knop „Geleiding aan” (34) indrukken.
– Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat branden.
– Het aandrijfwiel wordt automatisch in de stand voor rechtuit rijden gebracht. In de
stuurhoekindicatie (25) wordt de stuurhoek na het insporen continu naar de
middenpositie weergegeven. Het handmatig sturen is buiten werking.
– Handsteun van de rij- en hydraulische regelgreep (7) vastpakken (tweehandbediening).
– Door draaien van de rijregelknop (13) beïnvloedt u de rijsnelheid en rijrichting.
Draaien naar rechts = rijden in lastrichting,
Draaien naar links = rijden in aandrijfrichting.
– Voertuig in de smalle gang met de gewenste snelheid verder rijden.
Z
25
E 33
E 33
4.3.2 Voertuig met inductieve geleiding
4.3.2 Voertuig met inductieve geleiding
F
F
Bij het optrekken en rijden na uitschakeling van de inductieve geleiding moet op de
stand van het aandrijfwiel worden gelet, aangezien de handmatige besturing weer
actief is.
Wanneer een inductief geleid voertuig wordt uitgeschakeld, is de inductieve geleiding
niet meer actief na het opnieuw inschakelen. Gevaar op ongevallen! Bij het verder
rijden klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de snelheid verlaagd. De
inductieve geleiding weer met de drukknop (34) (lampje „Geleiding aan“ (38) brandt
in de actieve modus) en voertuig opnieuw insporen. Tijdens het insporen kan het
achtergedeelte bij het bereiken van de geleidedraad uitwijken.
Z
Het voertuig mag bij het insporen niet
parallel aan de geleidedraad staan. De
optimale benaderingshoek ligt tussen
10° en 50°.
– Het voertuig (39) met lage snelheid
schuin naar de geleidedraad (40)
rijden.
Z
40
Het voertuig mag bij het insporen niet
parallel aan de geleidedraad staan. De
optimale benaderingshoek ligt tussen
10° en 50°.
40
M
Gevaar op ongevallen tijdens het
39
insporen
Wanneer het aanbouwapparaat zich
tijdens het insporen niet in de basisstand
staat kan dat tot botsingen leidingen in
de stellingsinstallaties. De rijsnelheid zou begrensd blijven tot de verlaagde
rijsnelheid.
M
Gevaar op ongevallen tijdens het
39
insporen
Wanneer het aanbouwapparaat zich
tijdens het insporen niet in de basisstand
staat kan dat tot botsingen leidingen in
de stellingsinstallaties. De rijsnelheid zou begrensd blijven tot de verlaagde
rijsnelheid.
Z
Het inspoorproces moet bij voorkeur in voorwaartse richting plaatsvinden, omdat de
benodigde tijd en het benodigd traject hier het kleinste zijn.
Z
Het inspoorproces moet bij voorkeur in voorwaartse richting plaatsvinden, omdat de
benodigde tijd en het benodigd traject hier het kleinste zijn.
38
25
34
41
38
34
E 34
– In de buurt van de geleidedraad de
inductieve geleiding inschakelen met
drukknop (34).
– Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat
branden.
– Het inspoorsignaal klinkt.
– Bij het bereiken van de geleidedraad
wordt het voertuig automatisch geleid.
– Het insporen vindt bij het bereiken van
de geleidedraad automatisch plaats
met
lage
rijsnelheid.
De
stuurhoekindicatie (25) gaat naar de
stand „Insporen actief“ (41). Het
akoestische inspoorsignaal klinkt.
38
25
34
41
38
34
0310.NL
– In de buurt van de geleidedraad de
inductieve geleiding inschakelen met
drukknop (34).
– Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat
branden.
– Het inspoorsignaal klinkt.
– Bij het bereiken van de geleidedraad
wordt het voertuig automatisch geleid.
– Het insporen vindt bij het bereiken van
de geleidedraad automatisch plaats
met
lage
rijsnelheid.
De
stuurhoekindicatie (25) gaat naar de
stand „Insporen actief“ (41). Het
akoestische inspoorsignaal klinkt.
E 34
0310.NL
– Het voertuig (39) met lage snelheid
schuin naar de geleidedraad (40)
rijden.
Bij het optrekken en rijden na uitschakeling van de inductieve geleiding moet op de
stand van het aandrijfwiel worden gelet, aangezien de handmatige besturing weer
actief is.
Wanneer een inductief geleid voertuig wordt uitgeschakeld, is de inductieve geleiding
niet meer actief na het opnieuw inschakelen. Gevaar op ongevallen! Bij het verder
rijden klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de snelheid verlaagd. De
inductieve geleiding weer met de drukknop (34) (lampje „Geleiding aan“ (38) brandt
in de actieve modus) en voertuig opnieuw insporen. Tijdens het insporen kan het
achtergedeelte bij het bereiken van de geleidedraad uitwijken.
– Het inductief gedwongen sturen
neemt het sturen van het voertuig over
en draait deze naar de geleidedraad.
– Wanneer het voertuig exact op de
geleidedraad is gebracht, wordt het
insporen beëindigd. De indicatie
„Insporen actief“ (41) wisselt naar
„Geleidedraad gevolgd“ (42).
– Het inspoorsignaal klinkt niet meer.
– Het voertuig wordt nu gedwongen
geleid.
Z
38
42
34
Z
U kunt de rijfuncties en hydraulische
functies in de smalle gang slechts activeren met tweehandsbediening.
– Handsteun van de rij- en hydraulische
8
7
regelgreep (7) vastpakken (tweehandbediening).
– Door draaien van de rijregelknop (13)
beïnvloedt u de rijsnelheid en
rijrichting.
Draaien naar rechts = rijden in
lastrichting,
Draaien naar links = rijden in
aandrijfrichting.
– Voertuig in de smalle gang met de gewenste snelheid verder rijden.
Z
– Het inductief gedwongen sturen
neemt het sturen van het voertuig over
en draait deze naar de geleidedraad.
– Wanneer het voertuig exact op de
geleidedraad is gebracht, wordt het
insporen beëindigd. De indicatie
„Insporen actief“ (41) wisselt naar
„Geleidedraad gevolgd“ (42).
– Het inspoorsignaal klinkt niet meer.
– Het voertuig wordt nu gedwongen
geleid.
Z
Beschrijving van de hydraulische functies zie paragraaf "Heffen - neerlaten - schuiven
- zwenken buiten en binnen stellinggangen" in hoofdstuk E.
Het omschakelen van gedwongen naar
handmatig sturen mag uitsluitend
plaatsvinden, wanneer het interne
transportmiddel de smalle gang geheel
heeft verlaten.
U kunt de rijfuncties en hydraulische
functies in de smalle gang slechts activeren met tweehandsbediening.
13
Beschrijving van de hydraulische functies zie paragraaf "Heffen - neerlaten - schuiven
- zwenken buiten en binnen stellinggangen" in hoofdstuk E.
Verlaten van de smalle gang
F
38
25
Voor het verlaten van de railgeleiding
moet:
– het interne transportmiddel volledige
uit de smalle gang worden gereden.
– het interne transportmiddel tot
stilstand worden gebracht.
– de knop „Geleiding aan” (34) worden ingedrukt.
Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat uit.
Het omschakelen van gedwongen naar
handmatig sturen mag uitsluitend
plaatsvinden, wanneer het interne
transportmiddel de smalle gang geheel
heeft verlaten.
38
25
Voor het verlaten van de railgeleiding
moet:
– het interne transportmiddel volledige
uit de smalle gang worden gereden.
– het interne transportmiddel tot
stilstand worden gebracht.
– de knop „Geleiding aan” (34) worden ingedrukt.
Het lampje „Geleiding aan“ (38) gaat uit.
34
Z
34
De indicatie „Geleidedraad gevolgd“ (42) verandert in de stuurhoekindicatie (25).
U kunt het interne transportmiddel nu weer vrij verrijden. De stuurhoekindicatie (25)
geeft de actuele stand van het aandrijfwiel weer.
0310.NL
De indicatie „Geleidedraad gevolgd“ (42) verandert in de stuurhoekindicatie (25).
U kunt het interne transportmiddel nu weer vrij verrijden. De stuurhoekindicatie (25)
geeft de actuele stand van het aandrijfwiel weer.
0310.NL
Z
34
– Handsteun van de rij- en hydraulische
8
7
regelgreep (7) vastpakken (tweehandbediening).
– Door draaien van de rijregelknop (13)
beïnvloedt u de rijsnelheid en
rijrichting.
Draaien naar rechts = rijden in
lastrichting,
Draaien naar links = rijden in
aandrijfrichting.
– Voertuig in de smalle gang met de gewenste snelheid verder rijden.
13
Verlaten van de smalle gang
F
38
42
E 35
E 35
4.4
Diagonaal rijden
Z
Diagonaal rijden is uitsluitend dan
mogelijk, wanneer het voertuig inductief
of met een rail wordt geleid.
8
7
13
4.4
Diagonaal rijden
Z
Diagonaal rijden is uitsluitend dan
mogelijk, wanneer het voertuig inductief
of met een rail wordt geleid.
E 36
7
13
0310.NL
Bij gelijktijdige bediening van beide
regelknoppen (8 en 13) kunt u diagonaal
rijden (gelijktijdig rijden en heffen /
dalen).
0310.NL
Bij gelijktijdige bediening van beide
regelknoppen (8 en 13) kunt u diagonaal
rijden (gelijktijdig rijden en heffen /
dalen).
8
E 36
F
F
4.5
F
Gevaar op ongevallen tijdens heffen en neerlaten
In de gevarenzone van het interne transportmiddel kunnen personen letsel oplopen.
De gevarenzone is het gebied waar personen door bewegingen van het interne
transportmiddel, inclusief het lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar
worden gebracht. Hiertoe behoort ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen,
etc. kunnen terechtkomen.
In de gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener
(in zijn normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Het interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door
onbevoegden, als de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet
verlaten.
• Alleen op voorgeschreven wijze geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen / stappen.
• De bestuurder mag de bestuurderscabine in geheven toestand niet verlaten overstappen naar hogerliggende delen van het gebouw of naar andere voertuigen
is niet toegestaan.
F
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden. Alle werkzaamheden met het
interne transportmiddel staken, als de personen de gevarenzone niet verlaten. Het
interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door onbevoegden, als
de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet verlaten.
F
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
0310.NL
F
Heffen, dalen, schuiven en draaien buiten de stellingpaden
Heffen, dalen, schuiven en draaien buiten de stellingpaden
Gevaar op ongevallen tijdens heffen en neerlaten
In de gevarenzone van het interne transportmiddel kunnen personen letsel oplopen.
De gevarenzone is het gebied waar personen door bewegingen van het interne
transportmiddel, inclusief het lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar
worden gebracht. Hiertoe behoort ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen,
etc. kunnen terechtkomen.
In de gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener
(in zijn normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Het interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door
onbevoegden, als de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet
verlaten.
• Alleen op voorgeschreven wijze geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen / stappen.
• De bestuurder mag de bestuurderscabine in geheven toestand niet verlaten overstappen naar hogerliggende delen van het gebouw of naar andere voertuigen
is niet toegestaan.
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden. Alle werkzaamheden met het
interne transportmiddel staken, als de personen de gevarenzone niet verlaten. Het
interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door onbevoegden, als
de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet verlaten.
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
0310.NL
4.5
E 37
E 37
4.5.1 Heffen - neerlaten (hoofdhef)
– Dodemansknop indrukken.
– Knop
hydraulische
regeling (8)
draaien.
Draaien naar rechts = neerlaten
Draaien naar links = heffen
Z
4.5.1 Heffen - neerlaten (hoofdhef)
– Dodemansknop indrukken.
– Knop
hydraulische
regeling (8)
draaien.
Draaien naar rechts = neerlaten
Draaien naar links = heffen
8
Z
De hef- en daalsnelheid is evenredig
met de draaibeweging van de knop
hydraulische regeling.
De maximale hefsnelheid wordt bereikt
wanneer het aanbouwapparaat zich in
de basisstand bevindt (zie paragraaf
„Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E).
De maximale hefsnelheid wordt bereikt
wanneer het aanbouwapparaat zich in
de basisstand bevindt (zie paragraaf
„Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E).
Z
Wanneer de leidingbreukbeveiliging bij ontoelaatbare daalsnelheid
(> 0,6 m/s) is geactiveerd, moet de oorzaak worden vastgesteld en wanneer het
hydraulische systeem geen lekken heeft, moet de hoofdhef kort worden geheven en
vervolgens langzaam worden neergelaten.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
4.5.2 Heffen / dalen (extra hef)
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (15) extra hef indrukken.
– Tegelijkertijd
aan
de
knop
hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar links
= heffen
Draaien naar rechts
= dalen
De hef- en daalsnelheid is evenredig
met de draaibeweging van de knop
hydraulische regeling.
E 38
Wanneer de leidingbreukbeveiliging bij ontoelaatbare daalsnelheid
(> 0,6 m/s) is geactiveerd, moet de oorzaak worden vastgesteld en wanneer het
hydraulische systeem geen lekken heeft, moet de hoofdhef kort worden geheven en
vervolgens langzaam worden neergelaten.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
4.5.2 Heffen / dalen (extra hef)
8
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (15) extra hef indrukken.
– Tegelijkertijd
aan
de
knop
hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar links
= heffen
Draaien naar rechts
= dalen
14
Z
15 16 17
0310.NL
Z
De hef- en daalsnelheid is evenredig
met de draaibeweging van de knop
hydraulische regeling.
De hef- en daalsnelheid is evenredig
met de draaibeweging van de knop
hydraulische regeling.
8
14
15 16 17
0310.NL
Z
8
E 38
4.5.3 Schuiven (aanbouwapparaat arm)
4.5.3 Schuiven (aanbouwapparaat arm)
– Dodemansknop indrukken.
– Druk op de drukknop (16) (= schuiven aanbouwapparaat).
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar rechts = schuiven rechts
Draaien naar links = schuiven links
– Dodemansknop indrukken.
– Druk op de drukknop (16) (= schuiven aanbouwapparaat).
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar rechts = schuiven rechts
Draaien naar links = schuiven links
De reachsnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
De reachsnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
4.5.4 Zwenken / draaien (vorkdrager)
4.5.4 Zwenken / draaien (vorkdrager)
– Dodemansknop indrukken.
– Druk op de drukknop (17) (= vorkdrager zwenken).
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar rechts = draaien rechts
Draaien naar links = draaien links
– Dodemansknop indrukken.
– Druk op de drukknop (17) (= vorkdrager zwenken).
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische regeling (8) draaien.
Draaien naar rechts = draaien rechts
Draaien naar links = draaien links
De zwenksnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
De zwenksnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
4.5.5 Gelijktijdig dalen hoofdhef en extra hef
4.5.5 Gelijktijdig dalen hoofdhef en extra hef
De daalsnelheid is evenredig aan de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
De daalsnelheid is evenredig aan de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
0310.NL
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (14) aan de onderzijde van de rijregelgreep ( = neerlaten hoofdhef en
extra hef) indrukken.
– Gelijktijdig de knop hydraulische regeling (8) naar rechts draaien.
0310.NL
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (14) aan de onderzijde van de rijregelgreep ( = neerlaten hoofdhef en
extra hef) indrukken.
– Gelijktijdig de knop hydraulische regeling (8) naar rechts draaien.
E 39
E 39
4.5.6 Gelijktijdig schuiven van de arm en zwenken van de vorkdrager
4.5.6 Gelijktijdig schuiven van de arm en zwenken van de vorkdrager
F
F
Z
Bij het verschuiven van het aanbouwapparaat wordt gelijktijdig de vorkdrager
gezwenkt.
U kunt de draaisnelheid niet veranderen.
De schuifsnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
E 40
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden. Alle werkzaamheden met het
interne transportmiddel staken, als de personen de gevarenzone niet verlaten. Het
interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door onbevoegden, als
de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet verlaten.
Bij het verschuiven van het aanbouwapparaat wordt gelijktijdig de vorkdrager
gezwenkt.
U kunt de draaisnelheid niet veranderen.
De schuifsnelheid is evenredig met de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling.
Manueel draaien / schuiven (t)
– Drukknop (19) onder het symbool
„Menu overschakelen synchroon
8
43
draaien“ (43) indrukken. De indicatie
op het display verandert van menuonderdeel „Menu overschakelen synchroon draaien“ (43) naar de functie
„Synchroon rechts- respectievelijk
links draaien vork“ (45,44).
– Dodemansknop indrukken.
19
16
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon rechts draaien vork“ (45)
44
45
indrukken.
– Gelijktijdig de knop hydraulische
8
regeling (8) naar links draaien =
zwenken van de vorkdrager naar
rechts en schuiven van de arm naar
links.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon links draaien vork“ (44)
indrukken.
19
16
– Gelijktijdig de knop hydraulische
regeling (8) naar rechts draaien =
draaien van de vorkdrager naar links en schuiven van de arm naar rechts.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Menu overschakelen synchroon
8
43
draaien“ (43) indrukken. De indicatie
op het display verandert van menuonderdeel „Menu overschakelen synchroon draaien“ (43) naar de functie
„Synchroon rechts- respectievelijk
links draaien vork“ (45,44).
– Dodemansknop indrukken.
19
16
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon rechts draaien vork“ (45)
44
45
indrukken.
– Gelijktijdig de knop hydraulische
8
regeling (8) naar links draaien =
zwenken van de vorkdrager naar
rechts en schuiven van de arm naar
links.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon links draaien vork“ (44)
indrukken.
19
16
– Gelijktijdig de knop hydraulische
regeling (8) naar rechts draaien =
draaien van de vorkdrager naar links en schuiven van de arm naar rechts.
0310.NL
Manueel draaien / schuiven (t)
0310.NL
Z
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden. Alle werkzaamheden met het
interne transportmiddel staken, als de personen de gevarenzone niet verlaten. Het
interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door onbevoegden, als
de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet verlaten.
E 40
Automatisch draaien / schuiven (o)
Automatisch draaien / schuiven (o)
– Drukknop (19) onder het symbool „Menu overschakelen synchroon draaien“ (43)
indrukken. De indicatie op het display verandert van menuonderdeel „Menu
overschakelen synchroon draaien“ (43) naar de functie „Synchroon rechtsrespectievelijk links draaien vork“ (45,44).
– Dodemansknop indrukken.
– Met de linkerhand de handsteun van het bedieningspaneel aanraken.
– Bedien drukknop (19) onder het symbool „Synchroon rechts draaien vork“ (45):
automatisch zwenken van de vorkdrager naar rechts en schuiven van de arm naar
links.
– Bedien drukknop (19) onder het symbool „Synchroon links draaien vork“ (44):
automatisch zwenken van de vorkdrager naar links en schuiven van de arm naar
rechts.
– Drukknop (19) onder het symbool „Menu overschakelen synchroon draaien“ (43)
indrukken. De indicatie op het display verandert van menuonderdeel „Menu
overschakelen synchroon draaien“ (43) naar de functie „Synchroon rechtsrespectievelijk links draaien vork“ (45,44).
– Dodemansknop indrukken.
– Met de linkerhand de handsteun van het bedieningspaneel aanraken.
– Bedien drukknop (19) onder het symbool „Synchroon rechts draaien vork“ (45):
automatisch zwenken van de vorkdrager naar rechts en schuiven van de arm naar
links.
– Bedien drukknop (19) onder het symbool „Synchroon links draaien vork“ (44):
automatisch zwenken van de vorkdrager naar links en schuiven van de arm naar
rechts.
Synchroon draaien tot middenpositie vorken (o)
Synchroon draaien tot middenpositie vorken (o)
– Drukknop (19) onder het symbool
„Menu overschakelen synchroon
draaien“ (43) indrukken. De indicatie
op het display verandert van
menuonderdeel „Menu overschakelen
synchroon draaien“ (43) naar de
functie „Synchroon draaien tot vork in
middenpositie“ (46).
– Dodemansknop indrukken.
– Met de linkerhand de handsteun van
het bedieningspaneel aanraken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon draaien tot vork in
middenstand“ (46) indrukken =
zwenken van de vorkdrager en
schuiven van de arm in de
middenpositie.
8
– Drukknop (19) onder het symbool
„Menu overschakelen synchroon
draaien“ (43) indrukken. De indicatie
op het display verandert van
menuonderdeel „Menu overschakelen
synchroon draaien“ (43) naar de
functie „Synchroon draaien tot vork in
middenpositie“ (46).
– Dodemansknop indrukken.
– Met de linkerhand de handsteun van
het bedieningspaneel aanraken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Synchroon draaien tot vork in
middenstand“ (46) indrukken =
zwenken van de vorkdrager en
schuiven van de arm in de
middenpositie.
43
19
16
46
8
43
19
16
46
8
0310.NL
19
0310.NL
19
8
E 41
E 41
4.5.7 Schuiven aanbouwapparaat telescoopvork (o)
4.5.7 Schuiven aanbouwapparaat telescoopvork (o)
Z
De uitgeschoven eindstand van de telescoopvorken is elektrisch en mechanisch
begrensd.
Z
De uitgeschoven eindstand van de telescoopvorken is elektrisch en mechanisch
begrensd.
M
Met de telescoopvorken kunt u geen lasten verschuiven of wegdrukken.
De last gelijkmatig verdeeld met beide telescoopvorken opnemen en transporteren.
M
Met de telescoopvorken kunt u geen lasten verschuiven of wegdrukken.
De last gelijkmatig verdeeld met beide telescoopvorken opnemen en transporteren.
Z
Z
16
Z
De telescoopvork komt in de middenpositie automatisch tot stilstand. Na het loslaten
van de knop hydraulische regeling (8) en het opnieuw bedienen, kan de
telescoopvork verder naar links of rechts worden verschoven.
Wanneer de telescoopvorken zich niet in de middenpositie bevinden, kan slechts met
gereduceerde snelheid worden gereden, geheven en neergelaten!
0310.NL
Z
De reachsnelheid is evenredig met de
draaibeweging
van
de
knop
hydraulische regeling.
– Drukknop (16) voor de telescoopvork
indrukken.
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
naar rechts = schuiven naar rechts
naar links = schuiven naar links
8
E 42
De reachsnelheid is evenredig met de
draaibeweging
van
de
knop
hydraulische regeling.
8
16
De telescoopvork komt in de middenpositie automatisch tot stilstand. Na het loslaten
van de knop hydraulische regeling (8) en het opnieuw bedienen, kan de
telescoopvork verder naar links of rechts worden verschoven.
Wanneer de telescoopvorken zich niet in de middenpositie bevinden, kan slechts met
gereduceerde snelheid worden gereden, geheven en neergelaten!
0310.NL
– Drukknop (16) voor de telescoopvork
indrukken.
– Gelijktijdig aan de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
naar rechts = schuiven naar rechts
naar links = schuiven naar links
E 42
4.5.8 Symmetrische sideshift (o)
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Sideshift vorktanden“ (47a) indrukken
en tegelijkertijd de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
Draaien naar links = vorktanden in
aandrijfrichting schuiven.
Draaien naar rechts = vorktanden in
lastrichting schuiven.
Z
4.5.8 Symmetrische sideshift (o)
47a
8
De verschuifsnelheid is evenredig aan
de draaibeweging van de knop hydraulische regeling (8).
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Sideshift vorktanden“ (47a) indrukken
en tegelijkertijd de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
Draaien naar links = vorktanden in
aandrijfrichting schuiven.
Draaien naar rechts = vorktanden in
lastrichting schuiven.
Z
19
De verschuifsnelheid is evenredig aan
de draaibeweging van de knop hydraulische regeling (8).
4.5.9 Vorkenverstelinstallatie (o)
4.5.9 Vorkenverstelinstallatie (o)
Z
Z
Onderhoudsintervallen vindt u in de handleiding in paragraaf „Onderhoudscontrolelijst - vorkenverstelinstallatie (o)“ in hoofdstuk F.
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Vorkverstelling“ (47b) indrukken en
tegelijkertijd de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
Draaien links =
vorktandafstand vergroten.
Draaien naar rechts =
Vorktandafstand verkleinen.
19
Z
De vorktanden kunnen niet afzonderlijk
worden versteld.
M
Z
De vorktandafstand mag uitsluitend zonder last worden gewijzigd.
47b
8
19
Z
De vorktanden kunnen niet afzonderlijk
worden versteld.
M
Z
De vorktandafstand mag uitsluitend zonder last worden gewijzigd.
De verschuifsnelheid is evenredig aan de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling (8).
0310.NL
0310.NL
De verschuifsnelheid is evenredig aan de draaibeweging van de knop hydraulische
regeling (8).
19
Onderhoudsintervallen vindt u in de handleiding in paragraaf „Onderhoudscontrolelijst - vorkenverstelinstallatie (o)“ in hoofdstuk F.
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Vorkverstelling“ (47b) indrukken en
tegelijkertijd de knop hydraulische
regeling (8) draaien:
Draaien links =
vorktandafstand vergroten.
Draaien naar rechts =
Vorktandafstand verkleinen.
47b
8
47a
8
E 43
E 43
F
F
F
4.6
F
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden.
F
Gevaar op ongevallen tijdens heffen en neerlaten
In de gevarenzone van het interne transportmiddel kunnen personen letsel oplopen.
De gevarenzone is het gebied waar personen door bewegingen van het interne
transportmiddel, inclusief het lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar
worden gebracht. Hiertoe behoort ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen,
etc. kunnen terechtkomen.
In de gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener
(in zijn normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Het interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door
onbevoegden, als de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet
verlaten.
• Alleen op voorgeschreven wijze geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen / stappen.
• De bestuurder mag de bestuurderscabine in geheven toestand niet verlaten overstappen naar hogerliggende delen van het gebouw of naar andere voertuigen
is niet toegestaan.
F
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
Z
Het heffen en dalen binnen de stellingpaden is uitsluitend mogelijk met
tweehandsbediening. Verder vindt de bediening plaats als buiten de stellingpaden.
0310.NL
Z
Heffen, dalen, schuiven en draaien binnen de stellingpaden
E 44
Heffen, dalen, schuiven en draaien binnen de stellingpaden
Beknellingsgevaar bij het zwenken of verschuiven van de vorken.
Bij het zwenken, schuiven of synchroon draaien van het lastopnamemiddel mogen
zich geen personen in de gevarenzone bevinden.
Gevaar op ongevallen tijdens heffen en neerlaten
In de gevarenzone van het interne transportmiddel kunnen personen letsel oplopen.
De gevarenzone is het gebied waar personen door bewegingen van het interne
transportmiddel, inclusief het lastopnamemiddel, aanbouwapparaten, in gevaar
worden gebracht. Hiertoe behoort ook de zone waar vallende last, werkinrichtingen,
etc. kunnen terechtkomen.
In de gevarenzone van het interne transportmiddel mogen er zich naast de bediener
(in zijn normale bedieningspositie) geen andere personen ophouden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Het interne transportmiddel moet worden beveiligd tegen gebruik door
onbevoegden, als de personen ondanks de waarschuwing de gevarenzone niet
verlaten.
• Alleen op voorgeschreven wijze geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen / stappen.
• De bestuurder mag de bestuurderscabine in geheven toestand niet verlaten overstappen naar hogerliggende delen van het gebouw of naar andere voertuigen
is niet toegestaan.
Gevaar op vallen
Wanneer de veiligheidsboom is geopend en de bestuurderscabine is opgeheven
bestaat er gevaar op vallen voor de bediener.
• Veiligheidsboom niet openen wanneer de bestuurderscabine is opgeheven.
Het heffen en dalen binnen de stellingpaden is uitsluitend mogelijk met
tweehandsbediening. Verder vindt de bediening plaats als buiten de stellingpaden.
0310.NL
4.6
E 44
4.7
F
Orderpicken en stapelen
4.7
F
Gevaar op ongevallen door niet op voorgeschreven wijze geborgde of geplaatste
lasten
Voordat er een last wordt opgenomen, moet bestuurder er zeker van zijn dat deze op
juiste wijze op pallets is geplaatst en dat de toegelaten hefcapaciteit van het interne
transportmiddel niet wordt overschreden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Alleen volgens de voorschriften geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Beschadigde lasten mogen niet worden getransporteerd.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Vorktandafstand controleren voordat de last wordt opgenomen en indien nodig
instellen.
• Vorktanden zover mogelijk onder de last rijden.
Orderpicken en stapelen
Gevaar op ongevallen door niet op voorgeschreven wijze geborgde of geplaatste
lasten
Voordat er een last wordt opgenomen, moet bestuurder er zeker van zijn dat deze op
juiste wijze op pallets is geplaatst en dat de toegelaten hefcapaciteit van het interne
transportmiddel niet wordt overschreden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Alleen volgens de voorschriften geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Beschadigde lasten mogen niet worden getransporteerd.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen / bestuurderscabines gaan staan en
eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Vorktandafstand controleren voordat de last wordt opgenomen en indien nodig
instellen.
• Vorktanden zover mogelijk onder de last rijden.
4.7.1 Vorktanden instellen
4.7.1 Vorktanden instellen
F
F
F
Gevaar op ongevallen door verkeerd
ingestelde vorktanden
Vorktanden moeten zover mogelijk uit elkaar
en zo centraal mogelijk op de vorkdrager
worden geplaatst, om de last veilig op te
nemen. Het lastzwaartepunt moet midden
tussen de vorken liggen.
Gevaar op ongevallen door niet geborgde
vorktanden
Controleren of de uitschuifborging (113)
aanwezig is. Intern transportmiddel mag niet
worden gebruikt als de uitschuifborging (113)
ontbreekt!
110
F
111
112
113
Gevaar op ongevallen door niet geborgde
vorktanden
Controleren of de uitschuifborging (113)
aanwezig is. Intern transportmiddel mag niet
worden gebruikt als de uitschuifborging (113)
ontbreekt!
110
111
112
113
– Vergrendelhendel (110)
naar
boven
zwenken.
– Vorktanden (111) op de vorkdrager (112) in de juiste stand schuiven.
– Vergrendelhendel (110) naar onderen zwenken en de vorktanden verschuiven, tot
de vergrendelpen in een gleuf springt.
0310.NL
0310.NL
– Vergrendelhendel (110)
naar
boven
zwenken.
– Vorktanden (111) op de vorkdrager (112) in de juiste stand schuiven.
– Vergrendelhendel (110) naar onderen zwenken en de vorktanden verschuiven, tot
de vergrendelpen in een gleuf springt.
Gevaar op ongevallen door verkeerd
ingestelde vorktanden
Vorktanden moeten zover mogelijk uit elkaar
en zo centraal mogelijk op de vorkdrager
worden geplaatst, om de last veilig op te
nemen. Het lastzwaartepunt moet midden
tussen de vorken liggen.
E 45
E 45
4.7.2 Vorktanden vervangen
4.7.2 Vorktanden vervangen
F
F
F
Gevaar op ongevallen door vorktanden met ongelijke constructie
De montage van vorktanden met verschillende constructie beïnvloedt de stabiliteit
van het interne transportmiddel.
• Enkel vorktanden dezelfde constructie gebruiken, die door de producent zijn
vrijgegeven.
• Vorktanden altijd per paar vervangen.
• Afmetingen van de vorktanden moet met elkaar overeenkomen.
0310.NL
F
M
Letselgevaar bij vervangen van de vorktanden
Bij het vervangen van de vorktanden bestaat letselgevaar voor de benen.
• Bij het vervangen van de vorktanden veiligheidsschoen dragen.
• Vorktanden altijd van het lichaam weg schuiven, nooit richting het lichaam trekken.
• Zware vorken voor het omlaag schuiven van de vorkdrager eerst met een
bevestigingsmiddel en kraan borgen.
• Na het wisselen van de vorktanden de uitschuifborging monteren en controleren of
deze goed vastzitten.
E 46
Gevaar op ongevallen door defecte vorktanden
Defecte vorktanden kunnen ertoe leiden dat de last valt.
• Intern transportmiddel met defecte vorktanden niet in gebruik nemen.
• Bij beschadiging van een vorktand moeten beide vorktanden worden vervangen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte vorktanden kenmerken en ervoor zorgen dat deze niet meer worden
gebruikt.
Letselgevaar bij vervangen van de vorktanden
Bij het vervangen van de vorktanden bestaat letselgevaar voor de benen.
• Bij het vervangen van de vorktanden veiligheidsschoen dragen.
• Vorktanden altijd van het lichaam weg schuiven, nooit richting het lichaam trekken.
• Zware vorken voor het omlaag schuiven van de vorkdrager eerst met een
bevestigingsmiddel en kraan borgen.
• Na het wisselen van de vorktanden de uitschuifborging monteren en controleren of
deze goed vastzitten.
Gevaar op ongevallen door vorktanden met ongelijke constructie
De montage van vorktanden met verschillende constructie beïnvloedt de stabiliteit
van het interne transportmiddel.
• Enkel vorktanden dezelfde constructie gebruiken, die door de producent zijn
vrijgegeven.
• Vorktanden altijd per paar vervangen.
• Afmetingen van de vorktanden moet met elkaar overeenkomen.
0310.NL
M
Gevaar op ongevallen door defecte vorktanden
Defecte vorktanden kunnen ertoe leiden dat de last valt.
• Intern transportmiddel met defecte vorktanden niet in gebruik nemen.
• Bij beschadiging van een vorktand moeten beide vorktanden worden vervangen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte vorktanden kenmerken en ervoor zorgen dat deze niet meer worden
gebruikt.
E 46
F
Vorktanden demonteren
Vorktanden demonteren
– Intern transportmiddel veilig plaatsen.
– Hefmast neerlaten.
– Extra hef iets heffen, zodat de vorktanden
de vloer niet aanraken.
– Uitschuifborging (113) demonteren.
– Vergrendelhendel (110)
naar
boven
zwenken.
– Vorktanden (111) voorzichtig van de
vorkdrager (112) schuiven.
– Vorktanden (111)
zijn
van
de
vorkdrager (112) gedemonteerd en kunnen worden vervangen.
– Intern transportmiddel veilig plaatsen.
– Hefmast neerlaten.
– Extra hef iets heffen, zodat de vorktanden
de vloer niet aanraken.
– Uitschuifborging (113) demonteren.
– Vergrendelhendel (110)
naar
boven
zwenken.
– Vorktanden (111) voorzichtig van de
vorkdrager (112) schuiven.
– Vorktanden (111)
zijn
van
de
vorkdrager (112) gedemonteerd en kunnen worden vervangen.
110
111
112
113
110
111
112
113
Vorktanden monteren
Vorktanden monteren
– Intern transportmiddel veilig plaatsen.
– Hefmast neerlaten.
– Vorkdrager heffen, zodat de vorktanden op de vorkdrager geschoven kunnen
worden.
– Uitschuifborging (113) demonteren.
– Vorktanden (111) voorzichtig op de vorkdrager (112) schuiven.
– Vorktanden (111) instellen, zie paragraaf "Vorktanden instellen" in hoofdstuk E.
– Vergrendelhendel (110) naar onderen zwenken en de vorktanden (111)
verschuiven, totdat de vergrendelpen in een gleuf springt.
– Intern transportmiddel veilig plaatsen.
– Hefmast neerlaten.
– Vorkdrager heffen, zodat de vorktanden op de vorkdrager geschoven kunnen
worden.
– Uitschuifborging (113) demonteren.
– Vorktanden (111) voorzichtig op de vorkdrager (112) schuiven.
– Vorktanden (111) instellen, zie paragraaf "Vorktanden instellen" in hoofdstuk E.
– Vergrendelhendel (110) naar onderen zwenken en de vorktanden (111)
verschuiven, totdat de vergrendelpen in een gleuf springt.
F
Gevaar op ongevallen door niet geborgde vorktanden
Controleren of de uitschuifborging (113) aanwezig is. Intern transportmiddel mag niet
worden gebruikt als de uitschuifborging (113) ontbreekt!
0310.NL
– Uitschuifborging (113) monteren en controleren of deze goed vastzit.
0310.NL
– Uitschuifborging (113) monteren en controleren of deze goed vastzit.
Gevaar op ongevallen door niet geborgde vorktanden
Controleren of de uitschuifborging (113) aanwezig is. Intern transportmiddel mag niet
worden gebruikt als de uitschuifborging (113) ontbreekt!
E 47
E 47
F
4.8
F
Gevaar op ongevallen door niet op voorgeschreven wijze geborgde of
geplaatste lasten
Voordat er een last wordt opgenomen, moet bestuurder er zeker van zijn dat deze op
juiste wijze op pallets is geplaatst en dat de toegelaten hefcapaciteit van het interne
transportmiddel niet wordt overschreden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Alleen volgens de voorschriften geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Transporteren van lasten buiten het toegestane lastopnamemiddel is verboden.
• Beschadigde lasten mogen niet worden getransporteerd.
• Wanneer de gestapelde last het zicht naar voren belemmerd moet er achteruit
worden gereden.
• Bij achteruit rijden letten op vrij zicht.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen gaan staan of eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Niet door de hefmast grijpen.
• Vorktandafstand controleren voordat de last wordt opgenomen en indien nodig
instellen.
• Vorktanden zover mogelijk onder de last rijden.
F
Personen mogen zich niet onder cq. op de geheven last en bestuurderscabine
bevinden
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
• Nooit onder opgetilde en niet geborgde lastopnamemiddelen / bestuurderscabine
gaan staan en eronder blijven staan!
0310.NL
F
Opnemen, transporteren en neerzetten van lasten
E 48
Opnemen, transporteren en neerzetten van lasten
Gevaar op ongevallen door niet op voorgeschreven wijze geborgde of
geplaatste lasten
Voordat er een last wordt opgenomen, moet bestuurder er zeker van zijn dat deze op
juiste wijze op pallets is geplaatst en dat de toegelaten hefcapaciteit van het interne
transportmiddel niet wordt overschreden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen. Alle
werkzaamheden met het interne transportmiddel staken, als de personen de
gevarenzone niet verlaten.
• Alleen volgens de voorschriften geborgde en geplaatste lasten transporteren.
Wanneer het gevaar bestaat dat delen van de last kunnen kantelen of vallen,
moeten geschikte veiligheidsmaatregelen worden genomen.
• Transporteren van lasten buiten het toegestane lastopnamemiddel is verboden.
• Beschadigde lasten mogen niet worden getransporteerd.
• Wanneer de gestapelde last het zicht naar voren belemmerd moet er achteruit
worden gereden.
• Bij achteruit rijden letten op vrij zicht.
• Nooit de maximale lasten van het hefvermogenplaatje overschrijden.
• Nooit onder opgetilde lastopnamemiddelen gaan staan of eronder blijven staan.
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Niet door de hefmast grijpen.
• Vorktandafstand controleren voordat de last wordt opgenomen en indien nodig
instellen.
• Vorktanden zover mogelijk onder de last rijden.
Personen mogen zich niet onder cq. op de geheven last en bestuurderscabine
bevinden
• Het lastopnamemiddel mag niet door personen worden betreden.
• Er mogen geen personen worden opgetild.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
• Nooit onder opgetilde en niet geborgde lastopnamemiddelen / bestuurderscabine
gaan staan en eronder blijven staan!
0310.NL
4.8
E 48
4.8.1 De last zijdelings opnemen.
4.8.1 De last zijdelings opnemen.
– Vorktandafstand voor de pallet
controleren, indien nodig instellen.
– Dodemansknop indrukken.
– Voertuig
voorzichtig
naar
de
magazijnlocatie rijden.
M
– Vorktandafstand voor de pallet
controleren, indien nodig instellen.
– Dodemansknop indrukken.
– Voertuig
voorzichtig
naar
de
magazijnlocatie rijden.
M
Beide vorktanden moeten gelijkmatig
zijn belast. Het gewicht van de last mag
niet groter zijn dan de hefcapaciteit van
het interne transportmiddel.
– Vorktanden langzaam onder de pallet
schuiven, totdat de vorkrug tegen de
last of de pallet ligt.
Z
– Vorktanden langzaam onder de pallet
schuiven, totdat de vorkrug tegen de
last of de pallet ligt.
Z
De last mag niet meer dan 50 mm over
de punten van de vorktanden uitsteken.
– Last iets omhoog brengen, totdat de
last vrij op de vorken ligt.
– Vorktanden terugtrekken.
De last mag niet meer dan 50 mm over
de punten van de vorktanden uitsteken.
– Last iets omhoog brengen, totdat de
last vrij op de vorken ligt.
– Vorktanden terugtrekken.
M
Voorwaarde voor een storingsvrij werken is een perfecte bodemgesteldheid.
0310.NL
Voorwaarde voor een storingsvrij werken is een perfecte bodemgesteldheid.
0310.NL
M
Beide vorktanden moeten gelijkmatig
zijn belast. Het gewicht van de last mag
niet groter zijn dan de hefcapaciteit van
het interne transportmiddel.
E 49
E 49
4.8.2 Last frontaal opnemen
4.8.2 Last frontaal opnemen
– Vorktandafstand voor de pallet
controleren, indien nodig instellen.
– Dodemansknop indrukken
– Aanbouwapparaat in de middenpositie en de vorktanden in een haakse
hoek (90°) met het interne transportmiddel brengen.
– Voertuig in kruipsnelheid rijden.
– Lastopnamemiddel zover optillen /
neerlaten, dat de vorktanden zonder
te stoten onder de pallet kan worden
gereden.
M
– Vorktandafstand voor de pallet
controleren, indien nodig instellen.
– Dodemansknop indrukken
– Aanbouwapparaat in de middenpositie en de vorktanden in een haakse
hoek (90°) met het interne transportmiddel brengen.
– Voertuig in kruipsnelheid rijden.
– Lastopnamemiddel zover optillen /
neerlaten, dat de vorktanden zonder
te stoten onder de pallet kan worden
gereden.
90˚
M
Beide vorktanden moeten gelijkmatig
zijn belast. Het gewicht van de last mag
niet groter zijn dan de hefcapaciteit van
het interne transportmiddel.
– Vorktanden langzaam onder de pallet
schuiven, tot de vorkrug tegen de last
of de pallet ligt.
Z
Z
De last mag niet meer dan 50 mm over
de punten van de vorktanden uitsteken.
E 50
De last mag niet meer dan 50 mm over
de punten van de vorktanden uitsteken.
– Last iets omhoog brengen, totdat de
last vrij op de vorken ligt.
– Erop letten dat er vrij zicht is en dat de
rijweg vrij is. Vervolgens het interne
transportmiddel langzaam achteruit
rijden, totdat de last vrij (bijv. buiten de
stelling) is.
– Last in de basisstand brengen.
Voorwaarde voor een
werken
is
een
bodemgesteldheid.
storingsvrij
perfecte
0310.NL
M
storingsvrij
perfecte
0310.NL
Voorwaarde voor een
werken
is
een
bodemgesteldheid.
Beide vorktanden moeten gelijkmatig
zijn belast. Het gewicht van de last mag
niet groter zijn dan de hefcapaciteit van
het interne transportmiddel.
– Vorktanden langzaam onder de pallet
schuiven, tot de vorkrug tegen de last
of de pallet ligt.
– Last iets omhoog brengen, totdat de
last vrij op de vorken ligt.
– Erop letten dat er vrij zicht is en dat de
rijweg vrij is. Vervolgens het interne
transportmiddel langzaam achteruit
rijden, totdat de last vrij (bijv. buiten de
stelling) is.
– Last in de basisstand brengen.
M
90˚
E 50
4.8.3 Last transporteren
4.8.3 Last transporteren
– Dodemansknop indrukken.
– Last iets heffen.
Z
– Dodemansknop indrukken.
– Last iets heffen.
Z
Transporteer de last buiten de
stellinggang zo laag mogelijk over de
vloer, waarbij u uiteraard wel een marge
tot aan de vloer in acht neemt.
– De last uitsluitend met beide
vorktanden
transporteren.
Bij
transport van zware lasten beslist
erop letten dat beide vorktanden in
gelijke mate zijn belast.
– Voertuig fijngevoelig acceleren.
– Met gelijkmatige snelheid rijden.
Rijsnelheid aan de toestand van de
rijwegen en de getransporteerde last
aanpassen.
– Altijd gereed zijn om te remmen. Onder normale omstandigheden het interne
transportmiddel zacht afremmen. Alleen bij gevaar mag er plotseling worden
gestopt.
– De rijsnelheid in scherpe bochten voldoende verlagen.
– Bij kruisingen en doorgangen op het overige verkeer letten.
– Onoverzichtelijke plaatsen uitsluitend met een seiner berijden.
0310.NL
0310.NL
– De last uitsluitend met beide
vorktanden
transporteren.
Bij
transport van zware lasten beslist
erop letten dat beide vorktanden in
gelijke mate zijn belast.
– Voertuig fijngevoelig acceleren.
– Met gelijkmatige snelheid rijden.
Rijsnelheid aan de toestand van de
rijwegen en de getransporteerde last
aanpassen.
– Altijd gereed zijn om te remmen. Onder normale omstandigheden het interne
transportmiddel zacht afremmen. Alleen bij gevaar mag er plotseling worden
gestopt.
– De rijsnelheid in scherpe bochten voldoende verlagen.
– Bij kruisingen en doorgangen op het overige verkeer letten.
– Onoverzichtelijke plaatsen uitsluitend met een seiner berijden.
Transporteer de last buiten de
stellinggang zo laag mogelijk over de
vloer, waarbij u uiteraard wel een marge
tot aan de vloer in acht neemt.
E 51
E 51
4.8.4 Last neerzetten
– Dodemansknop indrukken
– Voertuig
voorzichtig
naar
magazijnlocatie rijden.
4.8.4 Last neerzetten
– Dodemansknop indrukken
– Voertuig
voorzichtig
naar
magazijnlocatie rijden.
de
de
M
Voordat de last wordt neergezet, moet
de bestuurder er zeker van zijn dat de
magazijnlocatie geschikt is om de last
op
te
nemen
(afmetingen
en
draagvermogen).
M
Voordat de last wordt neergezet, moet
de bestuurder er zeker van zijn dat de
magazijnlocatie geschikt is om de last
op
te
nemen
(afmetingen
en
draagvermogen).
Z
Lasten mogen niet worden neergezet op
verkeer- en vluchtroutes, niet vóór veiligheidsvoorziening en bedrijfsinrichtingen,
die op ieder moment toegankelijk moeten zijn.
Z
Lasten mogen niet worden neergezet op
verkeer- en vluchtroutes, niet vóór veiligheidsvoorziening en bedrijfsinrichtingen,
die op ieder moment toegankelijk moeten zijn.
– Lastopnamemiddel zover heffen, dat
de last zonder te stoten in de magazijnlocatie kan worden geschoven /
gereden.
– Last voorzichtig in de magazijnlocatie
schuiven / rijden.
– Lastopnamemiddel fijngevoelig zover
laten zakken, totdat de vorktanden vrij
zijn van de last.
M
Hard neerzetten van de last vermijden,
teneinde de last en het lastopnamemiddel niet te beschadigen.
– Erop letten dat er vrij zicht is en dat de
rijweg vrij is.
– Lastopnamemiddel voorzichtig uit de
last trekken / rijden.
– Lastopnamemiddel volledig neerlaten.
– Eventueel het aanbouwapparaat in de
basisstand zetten.
90˚
0310.NL
– Erop letten dat er vrij zicht is en dat de
rijweg vrij is.
– Lastopnamemiddel voorzichtig uit de
last trekken / rijden.
– Lastopnamemiddel volledig neerlaten.
– Eventueel het aanbouwapparaat in de
basisstand zetten.
E 52
Hard neerzetten van de last vermijden,
teneinde de last en het lastopnamemiddel niet te beschadigen.
90˚
0310.NL
M
– Lastopnamemiddel zover heffen, dat
de last zonder te stoten in de magazijnlocatie kan worden geschoven /
gereden.
– Last voorzichtig in de magazijnlocatie
schuiven / rijden.
– Lastopnamemiddel fijngevoelig zover
laten zakken, totdat de vorktanden vrij
zijn van de last.
E 52
4.9
Voertuig veilig parkeren
4.9
Het voertuig veilig parkeren wanneer u hem verlaat, ook wanneer de afwezigheid
slechts van korte duur is.
Voertuig veilig parkeren
Het voertuig veilig parkeren wanneer u hem verlaat, ook wanneer de afwezigheid
slechts van korte duur is.
F
Voertuig niet op hellingen plaatsen. In bijzondere gevallen moet het interne
transportmiddel met bijvoorbeeld wiggen worden geborgd.
F
Voertuig niet op hellingen plaatsen. In bijzondere gevallen moet het interne
transportmiddel met bijvoorbeeld wiggen worden geborgd.
Z
Parkeerplaats zodanig kiezen dat niemand blijft hangen aan de neergelaten
vorktanden.
Z
Parkeerplaats zodanig kiezen dat niemand blijft hangen aan de neergelaten
vorktanden.
–
–
–
–
Het voertuig uitsluitend met volledig neergezet hefmast parkeren.
Vorktanden tot aan de vloer neerlaten.
Aanbouwapparaat in de basisstand brengen.
Contactslot in de stand „0“ schakelen en veiligheidssleutel eruit trekken.
–
–
–
–
4.9.1 Aanbouwapparaat in basisstand
Het voertuig uitsluitend met volledig neergezet hefmast parkeren.
Vorktanden tot aan de vloer neerlaten.
Aanbouwapparaat in de basisstand brengen.
Contactslot in de stand „0“ schakelen en veiligheidssleutel eruit trekken.
4.9.1 Aanbouwapparaat in basisstand
– Dodemansknop indrukken.
– De extra hef (48) tot in de rechter of linker eindpositie van het sideshiftframe (51)
rijden.
– De vorktanden (50) parallel ten opzichte van het sideshiftframe (51) zetten.
– Op het displayelement van het display verschijnt het symbool „Aanbouwapparaat
in basisstand“ (49).
– Dodemansknop indrukken.
– De extra hef (48) tot in de rechter of linker eindpositie van het sideshiftframe (51)
rijden.
– De vorktanden (50) parallel ten opzichte van het sideshiftframe (51) zetten.
– Op het displayelement van het display verschijnt het symbool „Aanbouwapparaat
in basisstand“ (49).
48
48
49
49
50
50
0310.NL
51
0310.NL
51
E 53
E 53
5
Storingshulp
5
Dit hoofdstuk maakt het de gebruiker mogelijk, eenvoudige storingen of de gevolgen
van een verkeerde bediening zelf te lokaliseren en te verhelpen. Bij het lokaliseren
van de storingen moet u de volgorde van de in de tabel genoemde handelingen
aanhouden.
Dit hoofdstuk maakt het de gebruiker mogelijk, eenvoudige storingen of de gevolgen
van een verkeerde bediening zelf te lokaliseren en te verhelpen. Bij het lokaliseren
van de storingen moet u de volgorde van de in de tabel genoemde handelingen
aanhouden.
Storing
Mogelijke oorzaak
Voertuig rijdt – Batterijstekker niet inniet
gestoken
– Veiligheidsbomen
open
– NOODSTOP-schakelaar is ingedrukt
– Contactslot in stand
"0"
– Batterijcapaciteit
te
laag
– Dodemansknop niet
ingedrukt
– Zekering defect
– Rijuitschakeling is geactiveerd
– Rijuitschakeling door
gangbeveiliging
– Ketting slap
Storing
Mogelijke oorzaak
Voertuig rijdt – Batterijstekker niet inniet
gestoken
– Veiligheidsbomen
open
– NOODSTOP-schakelaar is ingedrukt
– Contactslot in stand
"0"
– Batterijcapaciteit
te
laag
– Dodemansknop niet
ingedrukt
– Zekering defect
– Rijuitschakeling is geactiveerd
– Rijuitschakeling door
gangbeveiliging
– Ketting slap
Oplossingen
– Batterijstekker controleren, indien nodig
insteken
– Sluit de veiligheidsbomen
– NOODSTOP-schakelaar ontgrendelen
– Contactslot in stand "I" schakelen
– Batterijcapaciteit controleren, indien nodig batterij laden
– Dodemansknop indrukken
Oplossingen
– Batterijstekker controleren, indien nodig
insteken
– Sluit de veiligheidsbomen
– NOODSTOP-schakelaar ontgrendelen
– Contactslot in stand "I" schakelen
– Batterijcapaciteit controleren, indien nodig batterij laden
– Dodemansknop indrukken
0310.NL
– Zekeringen controleren
– Knop „Overbrugging rijuitschakeling“ indrukken
– Rijregelknop in de neutrale stand zetten
en opnieuw indrukken.
– Zie de paragraaf „Valkettingbeveiliging
overbruggen“ in hoofdstuk E.
Last kan niet – Voertuig is niet be- – Alle onder de storing „Voertuig rijdt niet“
worden gehe- drijfsklaar
genoemde maatregelen nemen.
ven
– Batterijcapaciteit
te – Batterijcapaciteit controleren, indien nolaag, hefuitschakeling dig batterij laden
– Niveau hydraulische – Niveau van de hydraulische olie controleolie te laag
ren, indien nodig laten bijvullen
– Ketting slap
– Zie de paragraaf „Valkettingbeveiliging
overbruggen“ in hoofdstuk E.
– Zekering defect
– Zekeringen controleren
Snel rijden
– Lastopnamemiddel
– Lastopnamemiddel in basisstand schuiniet mogelijk
niet in basisstand
ven.
– Hoofdhef / extra hef – Laat de hoofdhef / extra hef onder 0,5 m
boven 0,5 m geheven zakken.
– IG-zoekfunctie inge- – Voertuig in de geleiding voegen of IG-moschakeld
dus uitschakelen
– Geen referentierit uit- – Heffen en neerlaten doorvoeren.
gevoerd
Het voertuig – Voertuig is niet be- – Alle onder de storing „Voertuig rijdt niet“
kan niet wordrijfsklaar
genoemde maatregelen nemen.
den gestuurd.
– Knop „Smalle-gang- – Functie “Rijden in een smalle gang” uitmodus“ ingedrukt
schakelen.
0310.NL
– Zekeringen controleren
– Knop „Overbrugging rijuitschakeling“ indrukken
– Rijregelknop in de neutrale stand zetten
en opnieuw indrukken.
– Zie de paragraaf „Valkettingbeveiliging
overbruggen“ in hoofdstuk E.
Last kan niet – Voertuig is niet be- – Alle onder de storing „Voertuig rijdt niet“
worden gehe- drijfsklaar
genoemde maatregelen nemen.
ven
– Batterijcapaciteit
te – Batterijcapaciteit controleren, indien nolaag, hefuitschakeling dig batterij laden
– Niveau hydraulische – Niveau van de hydraulische olie controleolie te laag
ren, indien nodig laten bijvullen
– Ketting slap
– Zie de paragraaf „Valkettingbeveiliging
overbruggen“ in hoofdstuk E.
– Zekering defect
– Zekeringen controleren
Snel rijden
– Lastopnamemiddel
– Lastopnamemiddel in basisstand schuiniet mogelijk
niet in basisstand
ven.
– Hoofdhef / extra hef – Laat de hoofdhef / extra hef onder 0,5 m
boven 0,5 m geheven zakken.
– IG-zoekfunctie inge- – Voertuig in de geleiding voegen of IG-moschakeld
dus uitschakelen
– Geen referentierit uit- – Heffen en neerlaten doorvoeren.
gevoerd
Het voertuig – Voertuig is niet be- – Alle onder de storing „Voertuig rijdt niet“
kan niet wordrijfsklaar
genoemde maatregelen nemen.
den gestuurd.
– Knop „Smalle-gang- – Functie “Rijden in een smalle gang” uitmodus“ ingedrukt
schakelen.
E 54
Storingshulp
E 54
Storing
Storing 144
Storing 330
Storing 331
Storing 332
Storing 333
Storing 334
Storing 344
Oplossingen
– Inductieve geleiding weer realiseren.
Storing
Storing 144
– Bedien de rijregelknop niet. Schakel het
interne transportmiddel uit en weer in.
Storing 330
– Knop hydraulische regeling niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer
inschakelen.
– Folietoetsen niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer inschakelen
Storing 331
– Functiekeuzeknop (Extra hef, Draaien,
Schuiven) niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer inschakelen.
Storing 333
– Dodemansknop niet bedienen, intern
transportmiddel uit- en weer inschakelen
Storing 334
– De PVI-lezer is verontreinigd, reinigen
Storing 344
Storing 332
Z
Mogelijke oorzaak
– Voertuig heeft de geleidedraad verlaten.
– Bij de inschakeltest
hebt u de rijregelknop
bediend
– Bij de inschakeltest is
de knop hydraulische
regeling bediend.
– Bij de inschakeltest is
een folietoets onder
het display bediend.
– Bij de inschakeltest
van een folieknop
hebt u een functiekeuzeknop (Extra hef,
Draaien,
Schuiven)
bediend.
– Bij de inschakeltest
hebt u de dodemansknop bediend
– Personenbeveiligingsinstallatie
Oplossingen
– Inductieve geleiding weer realiseren.
– Bedien de rijregelknop niet. Schakel het
interne transportmiddel uit en weer in.
– Knop hydraulische regeling niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer
inschakelen.
– Folietoetsen niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer inschakelen
– Functiekeuzeknop (Extra hef, Draaien,
Schuiven) niet bedienen, intern transportmiddel uit- en weer inschakelen.
– Dodemansknop niet bedienen, intern
transportmiddel uit- en weer inschakelen
– De PVI-lezer is verontreinigd, reinigen
Wanneer u het interne transportmiddel na het uitvoeren van de „Oplossingen” niet in
de toestand “bedrijfsklaar” kunt plaatsen, of wanneer een storing of een defect in de
elektronica wordt aangegeven met de betreffende storingcode, moet u contact
opnemen met de klantenservice van de producent.
De verdere oplossing van de fouten mag enkel worden uitgevoerd worden door
vakkundig servicepersoneel van de producent. De serviceorganisatie van de
producent beschikt over buitendienstmonteurs die speciaal zijn opgeleid voor deze
taken.
De volgende gegevens zijn voor de servicedienst belangrijk en nuttig om snel en
doelgericht te kunnen reageren op de storing:
- serienummer van het interne transportmiddel
- storingsnummer op het display (indien beschikbaar)
- beschrijving van de storing
- actuele plaats van het interne transportmiddel.
0310.NL
Wanneer u het interne transportmiddel na het uitvoeren van de „Oplossingen” niet in
de toestand “bedrijfsklaar” kunt plaatsen, of wanneer een storing of een defect in de
elektronica wordt aangegeven met de betreffende storingcode, moet u contact
opnemen met de klantenservice van de producent.
De verdere oplossing van de fouten mag enkel worden uitgevoerd worden door
vakkundig servicepersoneel van de producent. De serviceorganisatie van de
producent beschikt over buitendienstmonteurs die speciaal zijn opgeleid voor deze
taken.
De volgende gegevens zijn voor de servicedienst belangrijk en nuttig om snel en
doelgericht te kunnen reageren op de storing:
- serienummer van het interne transportmiddel
- storingsnummer op het display (indien beschikbaar)
- beschrijving van de storing
- actuele plaats van het interne transportmiddel.
0310.NL
Z
Mogelijke oorzaak
– Voertuig heeft de geleidedraad verlaten.
– Bij de inschakeltest
hebt u de rijregelknop
bediend
– Bij de inschakeltest is
de knop hydraulische
regeling bediend.
– Bij de inschakeltest is
een folietoets onder
het display bediend.
– Bij de inschakeltest
van een folieknop
hebt u een functiekeuzeknop (Extra hef,
Draaien,
Schuiven)
bediend.
– Bij de inschakeltest
hebt u de dodemansknop bediend
– Personenbeveiligingsinstallatie
E 55
E 55
5.1
NOODSTOP-inrichting
5.1
Wanneer de automatische noodstopinrichting wordt geactiveerd (bijvoorbeeld
wanneer het contact met de geleiding wegvalt, de elektrische besturing uitvalt), wordt
het voertuig afgeremd tot aan stilstand. Vóór het opnieuw in bedrijf stellen, moet de
oorzaak van de storing worden vastgesteld en de storing worden verholpen. Neem
de heftruck in bedrijf volgens deze handleiding en de gegevens van de producent (zie
de paragraaf “Voertuig in bedrijf nemen“ in hoofdstuk E).
F
Nooddalen bestuurderscabine/ extra hef
5.2
F
Gevaar op ongevallen door automatisch dalen
Wanneer het lastopnamemiddel zich in de stelling bevindt mag er geen nooddalen
worden uitgevoerd. Op grond van lekverliezen in het hydraulische systeem bestaat
bovendien het gevaar, dat de stelling door het neerlaten van het lastopnamemiddel
wordt beschadigd.
• Lastopnamemiddel tegen verder neerlaten bijv. met voldoende sterke kettingen
borgen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Intern transportmiddel door geschoold personeel zo snel mogelijk bergen.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
F
Gevaar op ongevallen bij nooddalen
Bij gebruik van de nood-daalvoorziening moet zijn gegarandeerd dat zich geen
personen in de gevarenzone bevinden. Wanneer een assistent het
lastopnamemiddel neerlaat via de nood-daalvoorziening die zich onderaan bevindt,
moeten de bestuurder en de assistent met overleg te werk gaan. Beiden moeten zich
in een veilig bereik bevinden, zodat geen gevaar ontstaat. Het neerlaten bij
noodgevallen van de chauffeurscabine is niet toegestaan, wanneer het
lastopnamemiddel zich in de stelling bevindt.
• Aanbouwapparaat in basisinstelling brengen, zie paragraaf „Aanbouwapparaat in
basisstand“ in hoofdstuk E.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
F
Wanneer de automatische noodstopinrichting wordt geactiveerd (bijvoorbeeld
wanneer het contact met de geleiding wegvalt, de elektrische besturing uitvalt), wordt
het voertuig afgeremd tot aan stilstand. Vóór het opnieuw in bedrijf stellen, moet de
oorzaak van de storing worden vastgesteld en de storing worden verholpen. Neem
de heftruck in bedrijf volgens deze handleiding en de gegevens van de producent (zie
de paragraaf “Voertuig in bedrijf nemen“ in hoofdstuk E).
E 56
Nooddalen bestuurderscabine/ extra hef
Gevaar op ongevallen door automatisch dalen
Wanneer het lastopnamemiddel zich in de stelling bevindt mag er geen nooddalen
worden uitgevoerd. Op grond van lekverliezen in het hydraulische systeem bestaat
bovendien het gevaar, dat de stelling door het neerlaten van het lastopnamemiddel
wordt beschadigd.
• Lastopnamemiddel tegen verder neerlaten bijv. met voldoende sterke kettingen
borgen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Intern transportmiddel door geschoold personeel zo snel mogelijk bergen.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
Gevaar op ongevallen bij nooddalen
Bij gebruik van de nood-daalvoorziening moet zijn gegarandeerd dat zich geen
personen in de gevarenzone bevinden. Wanneer een assistent het
lastopnamemiddel neerlaat via de nood-daalvoorziening die zich onderaan bevindt,
moeten de bestuurder en de assistent met overleg te werk gaan. Beiden moeten zich
in een veilig bereik bevinden, zodat geen gevaar ontstaat. Het neerlaten bij
noodgevallen van de chauffeurscabine is niet toegestaan, wanneer het
lastopnamemiddel zich in de stelling bevindt.
• Aanbouwapparaat in basisinstelling brengen, zie paragraaf „Aanbouwapparaat in
basisstand“ in hoofdstuk E.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
5.2
NOODSTOP-inrichting
E 56
F
Indien nodig, kan een assistent vanaf de grond de bestuurderscabine neerlaten.
Indien nodig, kan een assistent vanaf de grond de bestuurderscabine neerlaten.
– Trek de inbussleutel uit de houder boven het knipperlicht.
– Breng de inbussleutel in de opening (53).
– Trek de inbussleutel uit de houder boven het knipperlicht.
– Breng de inbussleutel in de opening (53).
F
Beknellingsgevaar bij nooddalen
Bij een nooddaling van de bestuurderscabine bestaat er beknellingsgevaar voor de
bediener in de bestuurderscabine.
• Geen lichaamsdelen buiten de bestuurderscabine houden.
– Aftapklep (52) met de inbussleutel:
– langzaam tegen de klok in draaien.
hefmast / bestuurderscabine worden neergelaten.
– tot de aanslag met de klok mee draaien:
neerlaten wordt gestopt.
Beknellingsgevaar bij nooddalen
Bij een nooddaling van de bestuurderscabine bestaat er beknellingsgevaar voor de
bediener in de bestuurderscabine.
• Geen lichaamsdelen buiten de bestuurderscabine houden.
– Aftapklep (52) met de inbussleutel:
– langzaam tegen de klok in draaien.
hefmast / bestuurderscabine worden neergelaten.
– tot de aanslag met de klok mee draaien:
neerlaten wordt gestopt.
53
53
0310.NL
52
0310.NL
52
E 57
E 57
5.3
De valketting-beveiliging overbruggen
5.3
De valketting-beveiliging overbruggen
Z
De valketting-beveiliging meldt een niet gespannen „slappe” hefketting. Een
hefketting wordt b.v. slap bij het plaatsen het lastopnamemiddel, bij het plaatsen van
de cabine, bij het los maken van de hefketting en/of breken van de hefketting.
Z
De valketting-beveiliging meldt een niet gespannen „slappe” hefketting. Een
hefketting wordt b.v. slap bij het plaatsen het lastopnamemiddel, bij het plaatsen van
de cabine, bij het los maken van de hefketting en/of breken van de hefketting.
Heffen
van
de
hoofdhef
bij
geactiveerde valketting-beveiliging
Z
Heffen
van
de
hoofdhef
bij
geactiveerde valketting-beveiliging
A
8
Z
De functie „Hoofdhef neerlaten" is niet
mogelijk als de valketting-beveiliging is
geactiveerd.
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging valketting-beveiliging“
19
(A) indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– Hoofdhef iets omhoog brengen (ca. 0,25 m), totdat het symbool „Overbrugging
valketting-beveiliging“ (A) niet meer wordt weergegeven.
– Indien nodig het aanbouwapparaat moet in de basisstand (zie paragraaf
„Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E).
E 58
De functie „Hoofdhef neerlaten" is niet
mogelijk als de valketting-beveiliging is
geactiveerd.
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging valketting-beveiliging“
19
(A) indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– Hoofdhef iets omhoog brengen (ca. 0,25 m), totdat het symbool „Overbrugging
valketting-beveiliging“ (A) niet meer wordt weergegeven.
– Indien nodig het aanbouwapparaat moet in de basisstand (zie paragraaf
„Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E).
Als het symbool „Overbrugging valketting-beveiliging“ na het heffen van de hoofdhef
met ca. 0,25 m niet verdwijnt, mag het interne transportmiddel pas weer in bedrijf
worden genomen als het defect is gevonden en verholpen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
F
Als het symbool „Overbrugging valketting-beveiliging“ na het heffen van de hoofdhef
met ca. 0,25 m niet verdwijnt, mag het interne transportmiddel pas weer in bedrijf
worden genomen als het defect is gevonden en verholpen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
0310.NL
F
A
8
E 58
5.4
Rijuitschakeling overbruggen (o)
5.4
Rijuitschakeling overbruggen (o)
Z
Op het bestuurdersdisplay brandt het symbool „Overbrugging rijuitschakeling“ (B),
wanneer vanaf een bepaalde hefhoogte of een bereik er niet meer kan worden
gereden. Als echter bij het plaatsen of opnemen van laadgoed de positie van het
interne transportmiddel ten opzichte van de stelling moet worden gecorrigeerd, moet
er als volgt te werk worden gegaan:
Z
Op het bestuurdersdisplay brandt het symbool „Overbrugging rijuitschakeling“ (B),
wanneer vanaf een bepaalde hefhoogte of een bereik er niet meer kan worden
gereden. Als echter bij het plaatsen of opnemen van laadgoed de positie van het
interne transportmiddel ten opzichte van de stelling moet worden gecorrigeerd, moet
er als volgt te werk worden gegaan:
F
F
Gevaar op ongevallen door intern transportmiddel
De rijuitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener. Deze
functie ontslaat de bediener echter niet van zijn verantwoordelijkheid om de
remfuncties bijv. bij het bewaken van de afremming aan het gangeinde, voor een
hindernis, het remmen te starten etc. te bewaken en indien nodig te starten.
Verrijden van het interne transportmiddel ondanks rijuitschakeling
Verrijden van het interne transportmiddel ondanks rijuitschakeling
B
13
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging rijuitschakeling“ (B) indrukken en ingedrukt houden.
– Rijregelknop (13) langzaam naar
rechts draaien:
Rijden in lastrichting.
19
– Rijregelknop (13) langzaam naar links
draaien:
Rijden in aandrijfrichting.
– Het interne transportmiddel kan met kruipsnelheid worden verreden.
B
13
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging rijuitschakeling“ (B) indrukken en ingedrukt houden.
– Rijregelknop (13) langzaam naar
rechts draaien:
Rijden in lastrichting.
19
– Rijregelknop (13) langzaam naar links
draaien:
Rijden in aandrijfrichting.
– Het interne transportmiddel kan met kruipsnelheid worden verreden.
Z
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
0310.NL
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
0310.NL
Z
Gevaar op ongevallen door intern transportmiddel
De rijuitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener. Deze
functie ontslaat de bediener echter niet van zijn verantwoordelijkheid om de
remfuncties bijv. bij het bewaken van de afremming aan het gangeinde, voor een
hindernis, het remmen te starten etc. te bewaken en indien nodig te starten.
E 59
E 59
5.5
Hefuitschakeling overbruggen (o)
5.5
Hefuitschakeling overbruggen (o)
Z
Wanneer de plaatselijke omstandigheden dat vereisen, kan in het interne
transportmiddel een automatische hefuitschakeling zijn ingebouwd. De automatische
hefuitschakeling, die vanaf een bepaalde hefhoogte actief wordt, blokkeert het heffen
van de hoofd- en extra hef. Op het bestuurdersdisplay gaat het symbool
„Overbruggen hefuitschakeling" (C) branden.
Z
Wanneer de plaatselijke omstandigheden dat vereisen, kan in het interne
transportmiddel een automatische hefuitschakeling zijn ingebouwd. De automatische
hefuitschakeling, die vanaf een bepaalde hefhoogte actief wordt, blokkeert het heffen
van de hoofd- en extra hef. Op het bestuurdersdisplay gaat het symbool
„Overbruggen hefuitschakeling" (C) branden.
M
Gevaar op ongevallen door uitgeschoven mast
De hefuitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener, die hem
echter niet de verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische beweging bijv. voor
een obstakel te stoppen.
M
Gevaar op ongevallen door uitgeschoven mast
De hefuitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener, die hem
echter niet de verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische beweging bijv. voor
een obstakel te stoppen.
Z
De hefuitschakeling werkt pas na een uitgevoerde referentieprocedure (zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E). De afgesloten
referentieprocedure is herkenbaar, wanneer op het bestuurdersdisplay de werkelijke
hoogtewaarde wordt aangegeven.
Z
De hefuitschakeling werkt pas na een uitgevoerde referentieprocedure (zie paragraaf
„Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E). De afgesloten
referentieprocedure is herkenbaar, wanneer op het bestuurdersdisplay de werkelijke
hoogtewaarde wordt aangegeven.
E 60
Gevaar op ongevallen
Bij het uitschakelen van de hefuitschakeling moet de bestuurder goed opletten, om
hindernissen bij uitgeschoven mast te herkennen.
0310.NL
F
Gevaar op ongevallen
Bij het uitschakelen van de hefuitschakeling moet de bestuurder goed opletten, om
hindernissen bij uitgeschoven mast te herkennen.
0310.NL
F
E 60
Overbrugging van de hefuitschakeling
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging hefuitschakeling“ (C)
indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– De hoofdhef of extra hef wordt
omhoog
gebracht.
De
hefuitschakeling wordt uitgeschakeld.
Overbrugging van de hefuitschakeling
C
8
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging hefuitschakeling“ (C)
indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– De hoofdhef of extra hef wordt
omhoog
gebracht.
De
hefuitschakeling wordt uitgeschakeld.
19
C
8
19
Z
Iedere keer bij het neerlaten tot onder de hefuitschakelinghoogte schakelt de
hefbegrenzing weer in.
Z
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
Z
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
0310.NL
Iedere keer bij het neerlaten tot onder de hefuitschakelinghoogte schakelt de
hefbegrenzing weer in.
0310.NL
Z
E 61
E 61
5.6
Daaluitschakeling overbruggen (o)
5.6
Wanneer de plaatselijke omstandigheden dat vereisen, kan in het interne
transportmiddel een automatische daaluitschakeling zijn ingebouwd. De
automatische daaluitschakeling, die vanaf een bepaalde hefhoogte actief wordt,
blokkeert het neerlaten van de hoofd- en extra hef. Op het bestuurdersdisplay gaat
het symbool „Overbruggen daaluitschakeling" (D) branden.
Daaluitschakeling overbruggen (o)
Wanneer de plaatselijke omstandigheden dat vereisen, kan in het interne
transportmiddel een automatische daaluitschakeling zijn ingebouwd. De
automatische daaluitschakeling, die vanaf een bepaalde hefhoogte actief wordt,
blokkeert het neerlaten van de hoofd- en extra hef. Op het bestuurdersdisplay gaat
het symbool „Overbruggen daaluitschakeling" (D) branden.
M
Gevaar op ongevallen door het plaatsen van de bestuurderscabine of het
lastopnamemiddel
De daaluitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener, die hem
echter niet de verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische beweging bijv. voor
een obstakel te stoppen.
M
Gevaar op ongevallen door het plaatsen van de bestuurderscabine of het
lastopnamemiddel
De daaluitschakeling is een extra functie ter ondersteuning van de bediener, die hem
echter niet de verantwoordelijkheid ontneemt om de hydraulische beweging bijv. voor
een obstakel te stoppen.
Z
De daaluitschakeling werkt pas na een uitgevoerde referentieprocedure (zie
paragraaf „Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E). De afgesloten
referentieprocedure is herkenbaar, wanneer op het bestuurdersdisplay de werkelijke
hoogtewaarde wordt aangegeven.
Z
De daaluitschakeling werkt pas na een uitgevoerde referentieprocedure (zie
paragraaf „Afstellen van de hoofdhef en extra hef“ in hoofdstuk E). De afgesloten
referentieprocedure is herkenbaar, wanneer op het bestuurdersdisplay de werkelijke
hoogtewaarde wordt aangegeven.
E 62
Gevaar op ongevallen
Bij het buiten werking stellen van de daaluitschakeling moet de bestuurder goed
opletten, om hindernissen bij het neerlaten van de bestuurderscabine of het
lastopnamemiddel te herkennen.
0310.NL
F
Gevaar op ongevallen
Bij het buiten werking stellen van de daaluitschakeling moet de bestuurder goed
opletten, om hindernissen bij het neerlaten van de bestuurderscabine of het
lastopnamemiddel te herkennen.
0310.NL
F
E 62
Overbrugging van de daaluitschakeling
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging daaluitschakeling“ (D)
indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– De hoofdhef of extra hef wordt
omhoog
neergelaten.
De
daaluitschakeling wordt uitgeschakeld.
8
– Dodemansknop indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool
„Overbrugging daaluitschakeling“ (D)
indrukken en ingedrukt houden.
– Knop hydraulische regeling (8) naar
links draaien.
– De hoofdhef of extra hef wordt
omhoog
neergelaten.
De
daaluitschakeling wordt uitgeschakeld.
19
Z
Z
Ieder opheffen boven de daaluitschakelinghoogte activeert weer de daalbegrenzing.
D
8
19
Ieder opheffen boven de daaluitschakelinghoogte activeert weer de daalbegrenzing.
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
0310.NL
Na het indrukken van de drukknop (19) onder het betreffende overbruggingssymbool
kunnen verschillende rij- of hydraulische snelheiden en rij- of hydraulische richtingen
zijn vrijgegeven. De overbruggingsfuncties kunnen door klantenservice van de
producent worden ingesteld.
0310.NL
Z
Z
Overbrugging van de daaluitschakeling
D
E 63
E 63
5.7
E 64
Gangeindebeveiliging (o)
Voertuigen met gangeindebeveiliging worden vóór het uit de gang rijden of in een
zijgang afgeremd. Daarbij zijn er twee basisvarianten:
Voertuigen met gangeindebeveiliging worden vóór het uit de gang rijden of in een
zijgang afgeremd. Daarbij zijn er twee basisvarianten:
1. afremmen tot aan stilstand
1. afremmen tot aan stilstand
2. afremmen tot aan 2,5 km/h
2. afremmen tot aan 2,5 km/h
Andere varianten (beïnvloeding van de volgende rijsnelheid, beïnvloeding van de
hefhoogte et cetera) zijn leverbaar.
Andere varianten (beïnvloeding van de volgende rijsnelheid, beïnvloeding van de
hefhoogte et cetera) zijn leverbaar.
F
Gevaar op ongevallen door ongeremd intern transportmiddel
Het remmen op basis van de gangeindebeveiliging is een extra functie ter
ondersteuning van de bediener. Deze functie ontslaat de bediener echter niet van zijn
verantwoordelijkheid de remfunctie te bewaken en eventueel te activeren bij het
gangeinde.
0310.NL
F
Gangeindebeveiliging (o)
Gevaar op ongevallen door ongeremd intern transportmiddel
Het remmen op basis van de gangeindebeveiliging is een extra functie ter
ondersteuning van de bediener. Deze functie ontslaat de bediener echter niet van zijn
verantwoordelijkheid de remfunctie te bewaken en eventueel te activeren bij het
gangeinde.
0310.NL
5.7
E 64
Wanneer u over de magneten van de gangeindebeveiliging rijdt in de richting van het
gangeinde, wordt het voertuig afgeremd tot aan stilstand.
Wanneer u over de magneten van de gangeindebeveiliging rijdt in de richting van het
gangeinde, wordt het voertuig afgeremd tot aan stilstand.
M
De remweg is afhankelijk van de rijsnelheid.
Wanneer u verder wilt rijden:
De remweg is afhankelijk van de rijsnelheid.
Wanneer u verder wilt rijden:
– Rijregelknop kort loslaten en weer indrukken.
– Rijregelknop kort loslaten en weer indrukken.
Het voertuig kan met een maximale snelheid van 2,5 km/uit de smalle gang worden
gereden.
Het voertuig kan met een maximale snelheid van 2,5 km/uit de smalle gang worden
gereden.
2. Afremmen tot aan 2,5 km/h:
2. Afremmen tot aan 2,5 km/h:
Wanneer u over de magneten van de gangeindebeveiliging rijdt in de richting van het
gangeinde, wordt het voertuig afgeremd tot 2,5 km/h en kan met deze snelheid uit de
smalle gang worden gereden.
Wanneer u over de magneten van de gangeindebeveiliging rijdt in de richting van het
gangeinde, wordt het voertuig afgeremd tot 2,5 km/h en kan met deze snelheid uit de
smalle gang worden gereden.
M
De remweg is afhankelijk van de rijsnelheid.
0310.NL
M
1. Afremmen tot aan stilstand
De remweg is afhankelijk van de rijsnelheid.
0310.NL
M
1. Afremmen tot aan stilstand
E 65
E 65
F
5.8
E 66
IG-noodbedrijf (error I144)
Wanneer bij inductieve geleiding van het voertuig de antenne van het geleidesysteem
het vastgelegde niveaubereik van de geleidedraad verlaat, wordt onmiddellijk een
NOODSTOP gestart.
Wanneer bij inductieve geleiding van het voertuig de antenne van het geleidesysteem
het vastgelegde niveaubereik van de geleidedraad verlaat, wordt onmiddellijk een
NOODSTOP gestart.
Wanneer het voertuig exact parallel aan de geleidedraad rijdt, vindt er geen
rijuitschakeling plaats. De indicatie voor „Inspoorproces loopt“ en het akoestische
inspoorsignaal zijn echter continu in bedrijf en waarschuwen daardoor de bestuurder.
Wanneer het voertuig exact parallel aan de geleidedraad rijdt, vindt er geen
rijuitschakeling plaats. De indicatie voor „Inspoorproces loopt“ en het akoestische
inspoorsignaal zijn echter continu in bedrijf en waarschuwen daardoor de bestuurder.
Automatische NOODSTOP van het voertuig
Automatische NOODSTOP van het voertuig
Wanneer tijdens het bedrijf één van de bewakingsfuncties voor de stuurregeling, de
stuurinstallatie, de inductieve geleiding of de veiligheidsschakeling van de rijelektronica of de vermogenselektronica van het interne transportmiddel inschakelt,
brengen veiligheidsinrichtingen het voertuig tot stilstand.
Wanneer tijdens het bedrijf één van de bewakingsfuncties voor de stuurregeling, de
stuurinstallatie, de inductieve geleiding of de veiligheidsschakeling van de rijelektronica of de vermogenselektronica van het interne transportmiddel inschakelt,
brengen veiligheidsinrichtingen het voertuig tot stilstand.
Om met het voertuig naar een NOODSTOP verder te kunnen rijden moeten de
volgende maatregelen worden genomen:
Om met het voertuig naar een NOODSTOP verder te kunnen rijden moeten de
volgende maatregelen worden genomen:
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Mogelijke oorzaken van de NOODSTOP vaststellen.
NOODSTOP-schakelaar indrukken en door draaien weer losmaken.
Op het display verschijnt de storing E 144.
Inductieve gedwongen geleiding inschakelen.
Rijregelknop indrukken en voertuig voorzichtig op de geleidedraad plaatsen.
Op het display verdwijnt de storing E 144.
F
Wanneer het voertuig nu gaat rijden, moet worden gecontroleerd of het interne
transportmiddelen zonder problemen werkt.
Mogelijke oorzaken van de NOODSTOP vaststellen.
NOODSTOP-schakelaar indrukken en door draaien weer losmaken.
Op het display verschijnt de storing E 144.
Inductieve gedwongen geleiding inschakelen.
Rijregelknop indrukken en voertuig voorzichtig op de geleidedraad plaatsen.
Op het display verdwijnt de storing E 144.
Wanneer het voertuig nu gaat rijden, moet worden gecontroleerd of het interne
transportmiddelen zonder problemen werkt.
Manuele NOODSTOP
Manuele NOODSTOP
Er is sprake van een manuele NOODSTOP wanneer de NOODSTOP-schakelaar is
bediend. Na het loslaten van de NOODSTOP-schakelaar is het interne
transportmiddel weer bedrijfsgereed.
Er is sprake van een manuele NOODSTOP wanneer de NOODSTOP-schakelaar is
bediend. Na het loslaten van de NOODSTOP-schakelaar is het interne
transportmiddel weer bedrijfsgereed.
Z
Wanneer na een automatische of handmatige NOODSTOP na het verhelpen van de
oorzaak niet meer kan worden gereden, moet het contactslot uit- en weer
ingeschakeld worden.
Vervolgens moet u op de volgende wijze een referentierit verrichten.
Hoofdhef en extra hef volgens de symboolindicatie circa 10 centimeter heffen en
neerlaten, totdat de betreffende indicatie uitgaat.
0310.NL
Z
IG-noodbedrijf (error I144)
Wanneer na een automatische of handmatige NOODSTOP na het verhelpen van de
oorzaak niet meer kan worden gereden, moet het contactslot uit- en weer
ingeschakeld worden.
Vervolgens moet u op de volgende wijze een referentierit verrichten.
Hoofdhef en extra hef volgens de symboolindicatie circa 10 centimeter heffen en
neerlaten, totdat de betreffende indicatie uitgaat.
0310.NL
5.8
E 66
Voer de referentierit uit
Voer de referentierit uit
- REF-Referentierit: Hoofdhef heffen
- REF-Referentierit: Hoofdhef heffen
- REF-Referentierit: Hoofdhef neerlaten
- REF-Referentierit: Hoofdhef neerlaten
- REF-Referentierit: extra hef heffen
- REF-Referentierit: extra hef heffen
- REF-Referentierit: extra hef dalen
- REF-Referentierit: extra hef dalen
Het voertuig is nu weer bedrijfsgereed.
5.9
F
M
Het voertuig is nu weer bedrijfsgereed.
Het voertuig uit de smalle gang bergen / het voertuig verplaatsen zonder
batterij
5.9
F
Uitsluitend een deskundige onderhoudsmonteur die is opgeleid in de hantering mag
dit doen.
Bij het uitschakelen van de remmen moet het interne transportmiddel op een vlakke
vloer worden geplaatst, omdat er geen remwerking meer aanwezig is.
M
Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet het interne transportmiddel worden
beveiligd tegen abusievelijk bewegen door wiggen tegen de wielen te plaatsen.
– Aanbouwapparaat in de basisstand brengen
zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
Het voertuig uit de smalle gang bergen / het voertuig verplaatsen zonder
batterij
Uitsluitend een deskundige onderhoudsmonteur die is opgeleid in de hantering mag
dit doen.
Bij het uitschakelen van de remmen moet het interne transportmiddel op een vlakke
vloer worden geplaatst, omdat er geen remwerking meer aanwezig is.
Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet het interne transportmiddel worden
beveiligd tegen abusievelijk bewegen door wiggen tegen de wielen te plaatsen.
– Aanbouwapparaat in de basisstand brengen
zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
F
Vóór het bergen uit de smalle gang moet de verbinding met de batterij worden
losgehaald (batterijstekker eruit trekken).
F
Vóór het bergen uit de smalle gang moet de verbinding met de batterij worden
losgehaald (batterijstekker eruit trekken).
Z
Tweede assistent vragen. De assistent moet zijn opgeleid, en vertrouwd zijn met het
bergingsproces.
Z
Tweede assistent vragen. De assistent moet zijn opgeleid, en vertrouwd zijn met het
bergingsproces.
Om het interne transportmiddel uit de smalle gang te bergen, moet de aandrijfwielrem
worden losgezet.
M
Bij het opnieuw in gebruik nemen de remvertragingswaarde controleren.
0310.NL
Bij het opnieuw in gebruik nemen de remvertragingswaarde controleren.
0310.NL
M
Om het interne transportmiddel uit de smalle gang te bergen, moet de aandrijfwielrem
worden losgezet.
E 67
E 67
5.9.1 Aandrijfwielrem loszetten en activeren
5.9.1 Aandrijfwielrem loszetten en activeren
60
60
61
61
62
62
Aandrijfwielrem loszetten
F
Aandrijfwielrem loszetten
F
Ongecontroleerde beweging van het interne transportmiddel
Bij het uitschakelen van de remmen moet het interne transportmiddel op een vlakke
vloer worden geplaatst, omdat er geen remwerking meer aanwezig is.
• Rem niet loszetten op hellingen.
• Rem op de plaats van bestemming weer activeren.
• Intern transportmiddel niet met losse rem parkeren.
–
–
–
–
Intern transportmiddel met het contactslot uitschakelen.
Schakelaar NOODSTOP indrukken.
Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Stelbouten (61) uit de houder (60) boven de magneetrem demonteren.
– Draai de stelbouten (61) aan de magneetrem boven de rijmotor (62) er in, opdat
deze wordt gelost.
– De aandrijfwielrem is los.
E 68
0310.NL
Intern transportmiddel met het contactslot uitschakelen.
Schakelaar NOODSTOP indrukken.
Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Stelbouten (61) uit de houder (60) boven de magneetrem demonteren.
– Draai de stelbouten (61) aan de magneetrem boven de rijmotor (62) er in, opdat
deze wordt gelost.
– De aandrijfwielrem is los.
0310.NL
–
–
–
–
Ongecontroleerde beweging van het interne transportmiddel
Bij het uitschakelen van de remmen moet het interne transportmiddel op een vlakke
vloer worden geplaatst, omdat er geen remwerking meer aanwezig is.
• Rem niet loszetten op hellingen.
• Rem op de plaats van bestemming weer activeren.
• Intern transportmiddel niet met losse rem parkeren.
E 68
Aandrijfwielrem activeren
F
M
Aandrijfwielrem activeren
F
Gevaar op ongevallen door een niet geborgd intern transportmiddel
Plaatsing van het interne transportmiddel op hellingen of met omhoog gebrachte last
cq. omhoog gebracht lastopnamemiddel is gevaarlijk en is niet toegestaan.
• Intern transportmiddel alleen op een vlakke ondergrond parkeren. In bijzondere
gevallen moet het interne transportmiddel met bijvoorbeeld wiggen worden
geborgd.
• Hefmast en lastvork altijd volledig neerlaten.
• Parkeerplaats zodanig kiezen dat niemand letsel kan oplopen aan de neergelaten
vorktanden.
M
Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet het interne transportmiddel worden
beveiligd tegen abusievelijk bewegen door wiggen tegen de wielen te plaatsen.
– Intern transportmiddel tegen ongewenste bewegingen borgen door er wiggen
onder te plaatsen.
– Stelbouten (61) uit de magneetrem draaien.
– Stelbouten (61) van de houder (60) boven de magneetrem monteren.
– Afdekking op de aandrijfruimte monteren, zie paragraaf "aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– De aandrijfwielrem is nu stroomloos bediend.
M
Bij het opnieuw in gebruik nemen de remvertragingswaarde controleren.
M
Bij schade aan het stuursysteem, kan het
interne transportmiddel eventueel niet
worden gestuurd.
5.9.2 Intern transportmiddel
aandrijving sturen
F
zonder
Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet het interne transportmiddel worden
beveiligd tegen abusievelijk bewegen door wiggen tegen de wielen te plaatsen.
– Intern transportmiddel tegen ongewenste bewegingen borgen door er wiggen
onder te plaatsen.
– Stelbouten (61) uit de magneetrem draaien.
– Stelbouten (61) van de houder (60) boven de magneetrem monteren.
– Afdekking op de aandrijfruimte monteren, zie paragraaf "aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– De aandrijfwielrem is nu stroomloos bediend.
eigen
Tijdens het instellen van de stuurhoek moet
de batterijstekker eruit zijn getrokken.
Gevaar op ongevallen door een niet geborgd intern transportmiddel
Plaatsing van het interne transportmiddel op hellingen of met omhoog gebrachte last
cq. omhoog gebracht lastopnamemiddel is gevaarlijk en is niet toegestaan.
• Intern transportmiddel alleen op een vlakke ondergrond parkeren. In bijzondere
gevallen moet het interne transportmiddel met bijvoorbeeld wiggen worden
geborgd.
• Hefmast en lastvork altijd volledig neerlaten.
• Parkeerplaats zodanig kiezen dat niemand letsel kan oplopen aan de neergelaten
vorktanden.
M
Bij het opnieuw in gebruik nemen de remvertragingswaarde controleren.
M
Bij schade aan het stuursysteem, kan het
interne transportmiddel eventueel niet
worden gestuurd.
5.9.2 Intern transportmiddel
aandrijving sturen
F
68
– Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– U kunt het gestuurde wiel met behulp van
een inbussleutel via de bout aan de
stuurmotor (68) in de juiste stand plaatsen.
zonder
eigen
Tijdens het instellen van de stuurhoek moet
de batterijstekker eruit zijn getrokken.
68
– Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– U kunt het gestuurde wiel met behulp van
een inbussleutel via de bout aan de
stuurmotor (68) in de juiste stand plaatsen.
Z
Wilt u een hoek van meer dan vier graden instellen, dan kunt u het wiel beter
ontlasten.
F
Het interne transportmiddel mag uitsluitend weer in gebruik worden genomen nadat
de storing is gevonden en verholpen.
F
Het interne transportmiddel mag uitsluitend weer in gebruik worden genomen nadat
de storing is gevonden en verholpen.
0310.NL
Wilt u een hoek van meer dan vier graden instellen, dan kunt u het wiel beter
ontlasten.
0310.NL
Z
E 69
E 69
5.9.3 Bergen in aandrijfrichting
5.9.3 Bergen in aandrijfrichting
72
72
69
69
70
70
Lastrichting
Lastrichting
69
69
71
71
Aandrijfrichting
Aandrijfrichting
F
E 70
M
Let op de plaats van de kabels in de aandrijfruimte en de antenne (71)!
– Voertuig voorzichtig en langzaam uit de smalle gang trekken.
De bediening „Intern transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“ is alleen
toegestaan bij stilstand van het interne transportmiddel (zie paragraaf „Intern
transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“). Bij het bergingsproces niet tussen
het trekvoertuig en het te bergen interne transportmiddel gaan staan.
Na het bergen moet het interne transportmiddel worden geborgd tegen onbedoeld
bewegen.
Daarvoor de stelbouten uit de aandrijfrem draaien en aan de houder ervan
bevestigen, zie paragraaf "Aandrijfwiel loszetten en activeren" en "Lastwielrem
loszetten en activeren" in hoofdstuk E. Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet u
het interne transportmiddel beveiligen tegen ongewild bewegen door wiggen tegen
de wielen te plaatsen.
Het interne transportmiddel uitsluitend weer in gebruik nemen nadat de storing is
gevonden en verholpen.
F
0310.NL
M
– Aanbouwapparaat in de basisstand brengen,
zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
– Intern transportmiddel uitschakelen met de sleutelschakelaar en batterijstekker
lostrekken.
– Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Aandrijfrem loszetten, zie paragraaf „Aandrijfwielrem loszetten en activeren“ in
hoofdstuk E.
– Sleepkabel (69); trekkracht > 5 ton om het contragewicht (70) links of rechts naast
de antenne (71).
E 70
Let op de plaats van de kabels in de aandrijfruimte en de antenne (71)!
– Voertuig voorzichtig en langzaam uit de smalle gang trekken.
De bediening „Intern transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“ is alleen
toegestaan bij stilstand van het interne transportmiddel (zie paragraaf „Intern
transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“). Bij het bergingsproces niet tussen
het trekvoertuig en het te bergen interne transportmiddel gaan staan.
Na het bergen moet het interne transportmiddel worden geborgd tegen onbedoeld
bewegen.
Daarvoor de stelbouten uit de aandrijfrem draaien en aan de houder ervan
bevestigen, zie paragraaf "Aandrijfwiel loszetten en activeren" en "Lastwielrem
loszetten en activeren" in hoofdstuk E. Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet u
het interne transportmiddel beveiligen tegen ongewild bewegen door wiggen tegen
de wielen te plaatsen.
Het interne transportmiddel uitsluitend weer in gebruik nemen nadat de storing is
gevonden en verholpen.
0310.NL
– Aanbouwapparaat in de basisstand brengen,
zie paragraaf „Aanbouwapparaat in basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
– Intern transportmiddel uitschakelen met de sleutelschakelaar en batterijstekker
lostrekken.
– Afdekking van de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Aandrijfrem loszetten, zie paragraaf „Aandrijfwielrem loszetten en activeren“ in
hoofdstuk E.
– Sleepkabel (69); trekkracht > 5 ton om het contragewicht (70) links of rechts naast
de antenne (71).
5.9.4 Bergen in lastrichting
5.9.4 Bergen in lastrichting
– Aanbouwapparaat in basisstand zetten, zie paragraaf „Aanbouwapparaat in
basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
– Intern transportmiddel uitschakelen met de sleutelschakelaar en batterijstekker
lostrekken.
– Aandrijfrem loszetten, zie paragraaf „Aandrijfwielrem loszetten en activeren“ in
hoofdstuk E.
– Leg de sleepkabel (69; trekkracht > 5 ton) rond de extra hef (72).
F
– Aanbouwapparaat in basisstand zetten, zie paragraaf „Aanbouwapparaat in
basisstand“ in hoofdstuk E.
– Hefmast (hoofdhef en extra hef) volledig neerlaten.
– Intern transportmiddel uitschakelen met de sleutelschakelaar en batterijstekker
lostrekken.
– Aandrijfrem loszetten, zie paragraaf „Aandrijfwielrem loszetten en activeren“ in
hoofdstuk E.
– Leg de sleepkabel (69; trekkracht > 5 ton) rond de extra hef (72).
F
De sleepketting (69), trekkracht > 5 ton, moet op het diepste punt om de extra
hefmast (72) worden geleid.
– Voertuig voorzichtig en langzaam uit de smalle gang trekken.
– Voertuig voorzichtig en langzaam uit de smalle gang trekken.
F
De bediening „Intern transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“ is alleen
toegestaan bij stilstand van het interne transportmiddel (zie paragraaf „Intern
transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“). Bij het bergingsproces niet tussen
het trekvoertuig en het te bergen interne transportmiddel gaan staan.
Na het bergen moet het interne transportmiddel worden geborgd tegen onbedoeld
bewegen.
Daarvoor de stelbouten uit de aandrijfrem draaien en aan de houder ervan
bevestigen, zie paragraaf "Aandrijfwiel loszetten en activeren" en "Lastwielrem
loszetten en activeren" in hoofdstuk E. Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet u
het interne transportmiddel beveiligen tegen ongewild bewegen door wiggen tegen
de wielen te plaatsen.
Het interne transportmiddel uitsluitend weer in gebruik nemen nadat de storing is
gevonden en verholpen.
0310.NL
De bediening „Intern transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“ is alleen
toegestaan bij stilstand van het interne transportmiddel (zie paragraaf „Intern
transportmiddel zonder eigen aandrijving sturen“). Bij het bergingsproces niet tussen
het trekvoertuig en het te bergen interne transportmiddel gaan staan.
Na het bergen moet het interne transportmiddel worden geborgd tegen onbedoeld
bewegen.
Daarvoor de stelbouten uit de aandrijfrem draaien en aan de houder ervan
bevestigen, zie paragraaf "Aandrijfwiel loszetten en activeren" en "Lastwielrem
loszetten en activeren" in hoofdstuk E. Wanneer de rem niet bedrijfsklaar is, moet u
het interne transportmiddel beveiligen tegen ongewild bewegen door wiggen tegen
de wielen te plaatsen.
Het interne transportmiddel uitsluitend weer in gebruik nemen nadat de storing is
gevonden en verholpen.
0310.NL
F
De sleepketting (69), trekkracht > 5 ton, moet op het diepste punt om de extra
hefmast (72) worden geleid.
E 71
E 71
6
De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
6
Interne transportmiddelen met een hefbare bestuurderscabine, die een stahoogte
van meer dan 3 m kunnen bereiken, zijn voorzien van een nooddaalinrichting en een
reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat / reddingstouw), waarmee de
bestuurder ondanks geblokkeerde bestuurderscabine de vloer kan bereiken.
F
Z
In het geval dat de bestuurderscabine vanwege een storing niet meer kan worden
neergelaten en ook niet met een nooddaling (zie de paragraaf „Nooddalen van de
bestuurderscabine“ in hoofdstuk E) kan worden neergelaten, moet de bediener de
bestuurderscabine verlaten door af te dalen met behulp van het noodafdaalapparaat.
F
Gevaar op ongevallen en letsel door niet geïnstrueerde / geschoolde
medewerkers en/of niet onderhouden reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) mag
enkel worden gebruikt door personen, die daarvoor voldoende gezond zijn,
geschoold zijn in het veilige gebruik ervan en beschikken over de benodigde kennis.
Voor de gebruikers moet een reddingsplan beschikbaar zijn met alle relevante
maatregelen die in geval van nood moeten worden genomen.
• De bestuurder moet één keer per jaar worden geïnstrueerd in het gebruik van de
reddingsuitrusting.
• De bediening en de onderhoudsintervallen van de reddingsgordel en het
noodafdaal-apparaat zijn in de meegeleverde handleidingen beschreven.
• De onderhoudsintervallen in de handleidingen van de reddingsgordel en het
noodafdaal-apparaat moeten worden nageleefd.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Interne transportmiddelen met een hefbare bestuurderscabine, die een stahoogte
van meer dan 3 m kunnen bereiken, zijn voorzien van een nooddaalinrichting en een
reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat / reddingstouw), waarmee de
bestuurder ondanks geblokkeerde bestuurderscabine de vloer kan bereiken.
E 72
In het geval dat de bestuurderscabine vanwege een storing niet meer kan worden
neergelaten en ook niet met een nooddaling (zie de paragraaf „Nooddalen van de
bestuurderscabine“ in hoofdstuk E) kan worden neergelaten, moet de bediener de
bestuurderscabine verlaten door af te dalen met behulp van het noodafdaalapparaat.
Gevaar op ongevallen en letsel door niet geïnstrueerde / geschoolde
medewerkers en/of niet onderhouden reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) mag
enkel worden gebruikt door personen, die daarvoor voldoende gezond zijn,
geschoold zijn in het veilige gebruik ervan en beschikken over de benodigde kennis.
Voor de gebruikers moet een reddingsplan beschikbaar zijn met alle relevante
maatregelen die in geval van nood moeten worden genomen.
• De bestuurder moet één keer per jaar worden geïnstrueerd in het gebruik van de
reddingsuitrusting.
• De bediening en de onderhoudsintervallen van de reddingsgordel en het
noodafdaal-apparaat zijn in de meegeleverde handleidingen beschreven.
• De onderhoudsintervallen in de handleidingen van de reddingsgordel en het
noodafdaal-apparaat moeten worden nageleefd.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
E 72
6.1
Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine
6.1
Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine
Z
De reddingsuitrusting bevindt zich in het opbergvak onder de bestuurdersstoel.
Z
De reddingsuitrusting bevindt zich in het opbergvak onder de bestuurdersstoel.
6.2
F
Inspectie / onderhoud van de reddingsuitrusting
6.2
F
Gevaar voor ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
• De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet
na iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een
door de producent geautoriseerde deskundige!
Inspectie / onderhoud van de reddingsuitrusting
Gevaar voor ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
• De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet
na iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een
door de producent geautoriseerde deskundige!
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet ten
minste één keer per jaar worden geïnspecteerd door de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige.
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet ten
minste één keer per jaar worden geïnspecteerd door de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige.
Bij veelvuldig gebruik of sterke belasting (zoals milieu- of industriefactoren die het
materiaal beperken) kan het nodig zijn de reddingsuitrusting vaker te inspecteren.
Bij veelvuldig gebruik of sterke belasting (zoals milieu- of industriefactoren die het
materiaal beperken) kan het nodig zijn de reddingsuitrusting vaker te inspecteren.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
0310.NL
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
E 73
E 73
6.3
Gebruiksduur van de reddingsuitrusting
6.3
Gebruiksduur van de reddingsuitrusting
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
6.3.1 Gebruiksduur van de reddingsgordel
6.3.1 Gebruiksduur van de reddingsgordel
Onder normale gebruiksomstandigheden of bij niet-gebruik bedraagt de maximale
gebruiksduur voor reddingsgordels acht jaar.
Onder normale gebruiksomstandigheden of bij niet-gebruik bedraagt de maximale
gebruiksduur voor reddingsgordels acht jaar.
6.3.2 Gebruiksduur van het afdaal-apparaat
de
Onder normale gebruiksomstandigheden of bij niet-gebruik
gebruiksduur van het reddingstouw van textiel zes jaar.
Z
De precieze gebruiksduur van het afdaal-apparaat, de karabijnhaak en de
schroefschakel hangt af van de betreffende gebruikssituatie en omgevingsfactoren.
0310.NL
Z
bedraagt
E 74
bedraagt
de
De precieze gebruiksduur van het afdaal-apparaat, de karabijnhaak en de
schroefschakel hangt af van de betreffende gebruikssituatie en omgevingsfactoren.
0310.NL
Onder normale gebruiksomstandigheden of bij niet-gebruik
gebruiksduur van het reddingstouw van textiel zes jaar.
6.3.2 Gebruiksduur van het afdaal-apparaat
E 74
6.4
F
M
Opslag en transport van de reddingsuitrusting
6.4
F
Gevaar op ongevallen door onjuist opgeslagen reddingsuitrusting
De opslag van de reddingsuitrusting heeft een grote invloed op de houdbaarheid
ervan.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van het interne transportmiddel bewaren.
Daarmee is gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting is beschermd tegen vocht,
hitte en UV-stralen en in geval van een storing toegankelijk is.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen contact met scherpe voorwerpen.
M
Doornatte banden van de reddingsgordel en/of het doornatte reddingstouw enkel op
natuurlijke wijze drogen, bijv. op een windige en schaduwrijke plaats. Natte
uitrustingonderdelen niet drogen in wasdrogers, in de buurt van vuur of andere
hittebronnen.
Gevaar op ongevallen door onjuist opgeslagen reddingsuitrusting
De opslag van de reddingsuitrusting heeft een grote invloed op de houdbaarheid
ervan.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van het interne transportmiddel bewaren.
Daarmee is gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting is beschermd tegen vocht,
hitte en UV-stralen en in geval van een storing toegankelijk is.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen contact met scherpe voorwerpen.
Doornatte banden van de reddingsgordel en/of het doornatte reddingstouw enkel op
natuurlijke wijze drogen, bijv. op een windige en schaduwrijke plaats. Natte
uitrustingonderdelen niet drogen in wasdrogers, in de buurt van vuur of andere
hittebronnen.
De reddingsuitrusting altijd in een stabiele apparatuurtas of apparatuurkoffer
transporteren, om beschadigingen door invloeden van buitenaf te vermijden.
0310.NL
0310.NL
De reddingsuitrusting altijd in een stabiele apparatuurtas of apparatuurkoffer
transporteren, om beschadigingen door invloeden van buitenaf te vermijden.
Opslag en transport van de reddingsuitrusting
E 75
E 75
6.5
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (- 07.09)
6.5
De reddingsuitrusting bestaat uit een reddingsgordel RG 16-E, een afdaal-apparaat
AG 10 S en een speciaal reddingstouw met karabijnhaak en een beveiligde
eindknoop.
Z
F
Gevaar op ongevallen bij ondeskundig gebruik van de reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt als opvanggordel ter beveiliging
tegen vallen.
E 76
Gevaar op ongevallen bij ondeskundig gebruik van de reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt als opvanggordel ter beveiliging
tegen vallen.
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt voor het opvangen en is toegelaten
voor een belasting tot 150 kg ofwel één persoon.
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt voor het opvangen en is toegelaten
voor een belasting tot 150 kg ofwel één persoon.
De reddingsgordel bestaat uit twee beenlussen, een ruggordel en een borstgordel
met inhangoog. De ruggordel heeft aan de zijkant twee schouderriemen van elastisch
materiaal. Deze verhinderen dat de bediener tijdens het gebruik omlaag kan glijden.
De dragende gordelbanden bestaan uit 45 mm breed, niet elastisch gordelmateriaal.
De reddingsgordel beschikt over een verstelbare borstgordel, waarmee deze
optimaal kan worden aangepast op de gebruiker. De lengte wordt ingesteld met een
gesp.
De reddingsgordel bestaat uit twee beenlussen, een ruggordel en een borstgordel
met inhangoog. De ruggordel heeft aan de zijkant twee schouderriemen van elastisch
materiaal. Deze verhinderen dat de bediener tijdens het gebruik omlaag kan glijden.
De dragende gordelbanden bestaan uit 45 mm breed, niet elastisch gordelmateriaal.
De reddingsgordel beschikt over een verstelbare borstgordel, waarmee deze
optimaal kan worden aangepast op de gebruiker. De lengte wordt ingesteld met een
gesp.
Z
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van de reddingsgordel ligt tussen
een omgevingstemperatuur van -25 °C en 80 °C.
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van het afdaal-apparaat met
reddingstouw ligt tussen een omgevingstemperatuur van -30 °C en 60 °C. Als het
afdaal-apparaat wordt gebruikt bij omgevingstemperaturen onder de 0 °C, moet hij
worden beschermd tegen vocht, zodat bevriezing bijv. aan de binnenkant van de
inrichting (rem) wordt verhinderd.
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
0310.NL
F
De reddingsuitrusting bestaat uit een reddingsgordel RG 16-E, een afdaal-apparaat
AG 10 S en een speciaal reddingstouw met karabijnhaak en een beveiligde
eindknoop.
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van de reddingsgordel ligt tussen
een omgevingstemperatuur van -25 °C en 80 °C.
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van het afdaal-apparaat met
reddingstouw ligt tussen een omgevingstemperatuur van -30 °C en 60 °C. Als het
afdaal-apparaat wordt gebruikt bij omgevingstemperaturen onder de 0 °C, moet hij
worden beschermd tegen vocht, zodat bevriezing bijv. aan de binnenkant van de
inrichting (rem) wordt verhinderd.
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
0310.NL
F
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (- 07.09)
E 76
6.5.1 Beschrijving van de reddingsgordel RG 16-E
6.5.1 Beschrijving van de reddingsgordel RG 16-E
200
200
201
202
201
200
201
200
202
202
201
202
201
204
205
201
204
205
205
205
Pos.
200
Aanduiding
Inhangoog
Pos.
200
Aanduiding
Inhangoog
201
202
Schouderriem
In lengte verstelbare borstgordel met gesp
201
202
Schouderriem
In lengte verstelbare borstgordel met gesp
203
Typeplaatje
203
Typeplaatje
204
Zitvlak- en beengordel
204
Zitvlak- en beengordel
6.5.2 Technische gegevens van de reddingsgordel RG 16-E
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
RG 16-E
0,6 kg
150 kg
0310.NL
RG 16-E
0,6 kg
150 kg
0310.NL
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
6.5.2 Technische gegevens van de reddingsgordel RG 16-E
E 77
E 77
6.5.3 Typeplaatje van de reddingsgordel RG 16-E
206
6.5.3 Typeplaatje van de reddingsgordel RG 16-E
207
206
XXX
XXX
XXXXXXXXXXX
XXXXXX
XXXXXXXXXXX
EN 1497
XXXXXXXXXXX
210
EN 1497
XXXXXXXXXXX
XXXX
XXXX
XXXX
212 213 214
215
211
0158
212 213 214
208
209
210
215
Pos.
211
212
213
Aanduiding
Vermelding, dat de reddingsgordel "Enkel voor reddingsdoeleinden"
mag worden gebruikt
Type
Volgende revisie
Producent
Goedkeuringsplaatje met de vermelding van de maand en het jaar voor
de volgende revisie van de reddingsgordel
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
Fabrieknummer (serienummer van de producent)
211
212
213
Aanduiding
Vermelding, dat de reddingsgordel "Enkel voor reddingsdoeleinden"
mag worden gebruikt
Type
Volgende revisie
Producent
Goedkeuringsplaatje met de vermelding van de maand en het jaar voor
de volgende revisie van de reddingsgordel
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
Fabrieknummer (serienummer van de producent)
214
Kennummer van de bevoegde controle-instantie
214
Kennummer van de bevoegde controle-instantie
215
Aanwijzing, dat de gegevens in de handleiding in acht moeten worden
genomen
215
Aanwijzing, dat de gegevens in de handleiding in acht moeten worden
genomen
206
207
208
209
206
207
208
209
210
0310.NL
210
E 78
XXXXXX
0310.NL
Pos.
0158
208
209
XXXX
211
207
E 78
6.5.4 Beschrijving van het afdaal-apparaat AG 10 S
Pos.
216
217
Aanduiding
Karabijnhaak met wartelmoer (bevestiging
van afdaal-apparaat aan reddingsgordel)
Goedkeuringsplaatje
218
Afdaal-apparaat (met centrifugaal
geregelde automatische afremming voor
een gelijkmatig afdalen)
219
Typeplaatje
220
221
222
6.5.4 Beschrijving van het afdaal-apparaat AG 10 S
Pos.
216
217
216
217
218
Remhendel
Met de remhendel kan het afdalen door de
afdalende persoon worden onderbroken /
gestart.
Reddingstouw (statisch kernmanteltouw)
Diameter = 9 mm.
219
Karabijnhaak met wartelmoer (bevestiging
van reddingstouw aan de
bestuurderscabine)
222
220
219
Typeplaatje
221
221
222
216
217
218
Remhendel
Met de remhendel kan het afdalen door de
afdalende persoon worden onderbroken /
gestart.
Reddingstouw (statisch kernmanteltouw)
Diameter = 9 mm.
219
Karabijnhaak met wartelmoer (bevestiging
van reddingstouw aan de
bestuurderscabine)
222
220
221
6.5.5 Technische gegevens van afdaal-apparaat AG 10 S
Type:
Apparaatklasse:
Toegestane afdaalhoogte:
Toegestane afdaallast:
Afdaalsnelheid:
Eigengewicht:
AG 10 S
A
max: 400 m
150 kg (één persoon)
0,7 m/s
1,4 kg zonder reddingstouw
0310.NL
AG 10 S
A
max: 400 m
150 kg (één persoon)
0,7 m/s
1,4 kg zonder reddingstouw
0310.NL
Type:
Apparaatklasse:
Toegestane afdaalhoogte:
Toegestane afdaallast:
Afdaalsnelheid:
Eigengewicht:
218
Afdaal-apparaat (met centrifugaal
geregelde automatische afremming voor
een gelijkmatig afdalen)
220
6.5.5 Technische gegevens van afdaal-apparaat AG 10 S
Aanduiding
Karabijnhaak met wartelmoer (bevestiging
van afdaal-apparaat aan reddingsgordel)
Goedkeuringsplaatje
E 79
E 79
6.5.6 Typeplaatje van het afdaal-apparaat AG 10 S
223
6.5.6 Typeplaatje van het afdaal-apparaat AG 10 S
224
223
XXXXXXXXXXXXXXXX
XXX
XXXXXXXXXXXXXXXX
EN 341 / EN 1496
0158
XXXXXXXX
XXXXXXXX
225
XXXXXXXXXXXXXXXX
226
XXX
228
XXXXXXXX
232
229
230
231
232
233
E 80
228
231
XXXXXXXXX
XXXXXXXXXX
233 234
232
Aanduiding
Typegoedkeuring volgens EN
Type
Firmalogo / firmanaam
Adres van de producent
Kennummer van de bevoegde controle-instantie
Fabrieknummer (serienummer van de producent) / bouwjaar
Pos.
223
224
225
226
227
228
Aanwijzing, dat de gegevens in de handleiding in acht moeten worden
genomen
Afdaalhoogte (vermelding van de lengte van het reddingstouw)
Afdaalsnelheid (ca. 0,7 m/s)
Apparaatklasse
2 personen (max. 225 kg / max. 100 m)
Vermelding van de maximale afdaalhoogte met 2 personen, bij
maximale totale afdaallast van 225 kg
Afdaallast (max. 150 kg / max. 400 m)
Vermelding van de maximale afdaalhoogte, bij een maximale afdaallast
van 150 kg.
229
230
231
232
233
234
0310.NL
234
227
233 234
Aanduiding
Typegoedkeuring volgens EN
Type
Firmalogo / firmanaam
Adres van de producent
Kennummer van de bevoegde controle-instantie
Fabrieknummer (serienummer van de producent) / bouwjaar
Aanwijzing, dat de gegevens in de handleiding in acht moeten worden
genomen
Afdaalhoogte (vermelding van de lengte van het reddingstouw)
Afdaalsnelheid (ca. 0,7 m/s)
Apparaatklasse
2 personen (max. 225 kg / max. 100 m)
Vermelding van de maximale afdaalhoogte met 2 personen, bij
maximale totale afdaallast van 225 kg
Afdaallast (max. 150 kg / max. 400 m)
Vermelding van de maximale afdaalhoogte, bij een maximale afdaallast
van 150 kg.
0310.NL
Pos.
223
224
225
226
227
228
226
230
XXXXXXXXXX
XXXXXXXXXX
225
229
XXXXXXXX
231
XXXXXXXXX
0158
XXXXXXXX
230
XXXXXXXXXX
XXXXXXXXXXXXXXXX
EN 341 / EN 1496
227
229
XXXXXXXX
224
E 80
6.5.7 De reddingsuitrusting visueel inspecteren
6.5.7 De reddingsuitrusting visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaalapparaat / reddingstouw / schroefschakel) visueel worden geïnspecteerd door de
gebruiker. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting zich in een
gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
F
Z
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaalapparaat / reddingstouw / schroefschakel) visueel worden geïnspecteerd door de
gebruiker. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting zich in een
gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsuitrusting of bij twijfel over
de inzetbaarheid van de reddingsuitrusting, mag deze niet worden gebruikt.
Reddingsuitrusting voor inspectie aan de producent of een door de producent
geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
6.5.8 Uitvoeren van een visuele controle van de reddingsgordel RG 16-E
6.5.8 Uitvoeren van een visuele controle van de reddingsgordel RG 16-E
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsgordel RG 16-E door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsgordel
RG 16-E zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsgordel RG 16-E door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsgordel
RG 16-E zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
– het dragende gordelmateriaal laat geen beschadigingen zien zoals schuurplekken,
scheuren of losse draadeinden bij naden.
– er zijn geen vervormingen aan de beslagdelen.
– de elastische schouderriemen zijn niet uitgerekt.
– de gesp laat geen beschadigingen zien.
– het inhangoog heeft geen roestschade, vervormingen en/of beschadigingen als
gevolg van mechanische invloeden.
– het dragende gordelmateriaal laat geen beschadigingen zien zoals schuurplekken,
scheuren of losse draadeinden bij naden.
– er zijn geen vervormingen aan de beslagdelen.
– de elastische schouderriemen zijn niet uitgerekt.
– de gesp laat geen beschadigingen zien.
– het inhangoog heeft geen roestschade, vervormingen en/of beschadigingen als
gevolg van mechanische invloeden.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsgordel RG 16-E of bij twijfel
over de inzetbaarheid van de reddingsgordel RG 16-E, mag deze niet worden
gebruikt. Reddingsgordel RG 16-E voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsgordel RG 16-E of bij twijfel
over de inzetbaarheid van de reddingsgordel RG 16-E, mag deze niet worden
gebruikt. Reddingsgordel RG 16-E voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsuitrusting of bij twijfel over
de inzetbaarheid van de reddingsuitrusting, mag deze niet worden gebruikt.
Reddingsuitrusting voor inspectie aan de producent of een door de producent
geautoriseerde deskundige geven.
E 81
E 81
6.5.9 Uitvoering van een visuele controle van het afdaal-apparaat AG 10 S
F
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het afdaal-apparaat AG 10 S door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaalapparaat AG 10 S zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
– Het typeplaatje is aanwezig en leesbaar.
– Het afdaal-apparaat is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– Er zitten geen scheuren in het afdaal-apparaat.
– Alle cilinderkopbouten zijn aanwezig en zijn stevig vastgedraaid.
– De inloopdiepte van de bouten geeft aan of een van de bouten los is geraakt. Als
bij de controle blijkt dat een bout los is geraakt, moet deze met de juiste sleutel
(accessoire-set) worden aangedraaid. Als niet alle bouten meer aanwezig zijn,
moet het afdaal-apparaat buiten gebruik worden genomen.
– Het afdaal-apparaat heeft geen verhoogde slijtagesporen.
– De kabelinlaat en -uitlaat zijn niet versleten.
– Het touwinlaat- en touwuitlaatpunt mag geen slijtage van meer dan 2 mm (voelbaar
met de vinger) laten zien, anders moet het afdaal-apparaat buiten gebruik worden
gesteld.
– Het typeplaatje is aanwezig en leesbaar.
– Het afdaal-apparaat is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– Er zitten geen scheuren in het afdaal-apparaat.
– Alle cilinderkopbouten zijn aanwezig en zijn stevig vastgedraaid.
– De inloopdiepte van de bouten geeft aan of een van de bouten los is geraakt. Als
bij de controle blijkt dat een bout los is geraakt, moet deze met de juiste sleutel
(accessoire-set) worden aangedraaid. Als niet alle bouten meer aanwezig zijn,
moet het afdaal-apparaat buiten gebruik worden genomen.
– Het afdaal-apparaat heeft geen verhoogde slijtagesporen.
– De kabelinlaat en -uitlaat zijn niet versleten.
– Het touwinlaat- en touwuitlaatpunt mag geen slijtage van meer dan 2 mm (voelbaar
met de vinger) laten zien, anders moet het afdaal-apparaat buiten gebruik worden
gesteld.
Z
Het materiaal in het slijtagegebied laat een blank geschuurd, glad, glanzend
oppervlak zien. De slijtage laat sterke onregelmatigheden zien op het materiaal.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het afdaal-apparaat AG 10 S of bij twijfel
over de inzetbaarheid van het afdaal-apparaat AG 10 S, mag het niet worden
gebruikt. Afdaal-apparaat AG 10 S voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het afdaal-apparaat AG 10 S door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaalapparaat AG 10 S zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
E 82
Het materiaal in het slijtagegebied laat een blank geschuurd, glad, glanzend
oppervlak zien. De slijtage laat sterke onregelmatigheden zien op het materiaal.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het afdaal-apparaat AG 10 S of bij twijfel
over de inzetbaarheid van het afdaal-apparaat AG 10 S, mag het niet worden
gebruikt. Afdaal-apparaat AG 10 S voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
6.5.9 Uitvoering van een visuele controle van het afdaal-apparaat AG 10 S
E 82
6.5.10 Werking van de remhendel controleren
Voorafgaan aan ieder gebruik moet de werking en de toestand van de remhendel
worden gecontroleerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaal-apparaat zich in
een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de remhendel niet is aangetast door roest of
mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de remhendel niet is aangetast door roest of
mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bovendien controleren of de remhendel goed werkt:
Bovendien controleren of de remhendel goed werkt:
– Remhendel niet bedienen.
– Touweinde met de karabijnhaak van het afdaal-apparaat weg trekken. Daarbij mag
het reddingstouw niet door het afdaal-apparaat glijden, anders het afdaal-apparaat
uit gebruik nemen en aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige geven voor inspectie.
– Remhendel niet bedienen.
– Touweinde met de karabijnhaak van het afdaal-apparaat weg trekken. Daarbij mag
het reddingstouw niet door het afdaal-apparaat glijden, anders het afdaal-apparaat
uit gebruik nemen en aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige geven voor inspectie.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de remhendel of bij twijfel over de
inzetbaarheid van de remhendel, mag deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat
voor inspectie aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Voorafgaan aan ieder gebruik moet de werking en de toestand van de remhendel
worden gecontroleerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaal-apparaat zich in
een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de remhendel of bij twijfel over de
inzetbaarheid van de remhendel, mag deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat
voor inspectie aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
6.5.10 Werking van de remhendel controleren
E 83
E 83
6.5.11 Werking van de centrifugaalkrachtrem controleren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de werking van de centrifugaalkrachtrem
worden gecontroleerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaal-apparaat zich in
een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
– Remhendel naar beneden drukken en in deze stand vasthouden.
– Touweinde met de karabijnhaak ca. 1,0 m van het afdaal-apparaat weg trekken.
Daarbij moet direct weerstand door werking van de centrifugaalkracht rem
merkbaar zijn.
– Remhendel loslaten.
– Touweinde met de karabijnhaak verder van het afdaal-apparaat weg trekken. De
remhendel moet automatisch weer naar de basisstand „Stop“ gaan.
– Remhendel naar beneden drukken en in deze stand vasthouden.
– Touweinde met de karabijnhaak ca. 1,0 m van het afdaal-apparaat weg trekken.
Daarbij moet direct weerstand door werking van de centrifugaalkracht rem
merkbaar zijn.
– Remhendel loslaten.
– Touweinde met de karabijnhaak verder van het afdaal-apparaat weg trekken. De
remhendel moet automatisch weer naar de basisstand „Stop“ gaan.
F
Gevaar op ongevallen door niet werkende centrifugaalkrachtrem
Als het reddingstouw zonder weerstand door het afdaal-apparaat kan worden
getrokken resp. de remhendel niet naar de basisstand „Stop“ omhoog wordt geduwd,
moet het afdaal-apparaat direct buiten gebruik worden genomen en aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige worden gegeven
voor controle.
Als het afdaal-apparaat blokkeert en het reddingstouw niet door het afdaal-apparaat
kan worden getrokken (hoewel de remhendel omlaag wordt gedrukt en in deze stand
wordt vastgehouden), moet het afdaal-apparaat eveneens direct buiten gebruik
worden genomen en aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige worden gegeven voor controle.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de werking van de centrifugaalkrachtrem
worden gecontroleerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaal-apparaat zich in
een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
E 84
Gevaar op ongevallen door niet werkende centrifugaalkrachtrem
Als het reddingstouw zonder weerstand door het afdaal-apparaat kan worden
getrokken resp. de remhendel niet naar de basisstand „Stop“ omhoog wordt geduwd,
moet het afdaal-apparaat direct buiten gebruik worden genomen en aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige worden gegeven
voor controle.
Als het afdaal-apparaat blokkeert en het reddingstouw niet door het afdaal-apparaat
kan worden getrokken (hoewel de remhendel omlaag wordt gedrukt en in deze stand
wordt vastgehouden), moet het afdaal-apparaat eveneens direct buiten gebruik
worden genomen en aan de producent of een door de producent geautoriseerde
deskundige worden gegeven voor controle.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
6.5.11 Werking van de centrifugaalkrachtrem controleren
E 84
6.5.12 Het reddingstouw met de karabijnhaak visueel inspecteren
6.5.12 Het reddingstouw met de karabijnhaak visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het reddingstouw en de karabijnhaak door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het
reddingstouw zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het reddingstouw of de karabijnhaak en
bij twijfel over de inzetbaarheid van het reddingstouw of de karabijnhaak, mogen
deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat met karabijnhaak voor inspectie aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
Visuele inspectie van de karabijnhaak
Visuele inspectie van de karabijnhaak
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de karabijnhaak niet is aangetast door roest
of mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de karabijnhaak niet is aangetast door roest
of mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bovendien controleren of de vergrendeling (snapslot) en de klinknagel van de
karabijnhaak goed werken.
Bovendien controleren of de vergrendeling (snapslot) en de klinknagel van de
karabijnhaak goed werken.
– De wartelmoer moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gesloten.
– De vergrendeling (snapslot) moet na het openen met de hand automatisch weer
terugspringen naar zijn oorspronkelijke stand.
– De wartelmoer moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gesloten.
– De vergrendeling (snapslot) moet na het openen met de hand automatisch weer
terugspringen naar zijn oorspronkelijke stand.
0310.NL
Z
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het reddingstouw of de karabijnhaak en
bij twijfel over de inzetbaarheid van het reddingstouw of de karabijnhaak, mogen
deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat met karabijnhaak voor inspectie aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige geven.
0310.NL
F
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het reddingstouw en de karabijnhaak door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het
reddingstouw zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
E 85
E 85
Visuele inspectie van het reddingstouw
Visuele inspectie van het reddingstouw
Controleren of de eindknoop aan het touweinde aanwezig is en of de knoop is
beveiligd door de kabelbinder. Aan het touweinde moet er een eindknoop zitten,
zodat het reddingstouw bij het afdalen niet uit het afdaal-apparaat valt.
Controleren of de eindknoop aan het touweinde aanwezig is en of de knoop is
beveiligd door de kabelbinder. Aan het touweinde moet er een eindknoop zitten,
zodat het reddingstouw bij het afdalen niet uit het afdaal-apparaat valt.
De bevestiging van de karabijnhaak aan het touweinde moet zich in een goede staat
bevinden.
De bevestiging van de karabijnhaak aan het touweinde moet zich in een goede staat
bevinden.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat het reddingstouw geen van de volgende
mechanische beschadigingen, gebreken of beschadigingen door de inwerking van
hitte, chemie e.d. heeft:
Bij de visuele inspectie erop letten, dat het reddingstouw geen van de volgende
mechanische beschadigingen, gebreken of beschadigingen door de inwerking van
hitte, chemie e.d. heeft:
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
verbindingspunten,
draadbreuken;
verdikkingen,
knikken,
sterke slijtage resp. verhoogde slijtagesporen zoals harige plekken,
mantelverschuiving,
open, losse eindverbindingen,
lussen,
knopen,
brandplekken,
vergane plekken.
verbindingspunten,
draadbreuken;
verdikkingen,
knikken,
sterke slijtage resp. verhoogde slijtagesporen zoals harige plekken,
mantelverschuiving,
open, losse eindverbindingen,
lussen,
knopen,
brandplekken,
vergane plekken.
Z
Het reddingstouw voordat het wordt neergelaten op bovengenoemde eigenschappen
controleren. Daarvoor het reddingstouw door de handen laten glijden.
Z
De bij de geleverde remactiviteit ontstane remstof wordt door de open positie van de
remeenheid in de behuizing via het reddingstouw door het touwinlaat- en
touwinlaatpunt uit het afdaal-apparaat getransporteerd. De bij het gebruik van het
apparaat ontstane materiaalslijtage aan de behuizing (aluminiumstof) wordt op
dezelfde wijze uit het afdaal-apparaat geleid. Daardoor kan het reddingstouw zwart
worden. Deze verkleuring heeft echter geen nadelige gevolgen voor de
touweigenschappen.
Z
De bij de geleverde remactiviteit ontstane remstof wordt door de open positie van de
remeenheid in de behuizing via het reddingstouw door het touwinlaat- en
touwinlaatpunt uit het afdaal-apparaat getransporteerd. De bij het gebruik van het
apparaat ontstane materiaalslijtage aan de behuizing (aluminiumstof) wordt op
dezelfde wijze uit het afdaal-apparaat geleid. Daardoor kan het reddingstouw zwart
worden. Deze verkleuring heeft echter geen nadelige gevolgen voor de
touweigenschappen.
E 86
0310.NL
Het reddingstouw voordat het wordt neergelaten op bovengenoemde eigenschappen
controleren. Daarvoor het reddingstouw door de handen laten glijden.
0310.NL
Z
E 86
6.5.13 Omdoen van de reddingsgordel RG 16-E
–
–
–
–
–
–
–
–
–
6.5.13 Omdoen van de reddingsgordel RG 16-E
Alle voorwerpen uit de broekzakken verwijderen.
Verzegeling verwijderen.
Reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of apparatuurkoffer nemen.
Reddingsuitrusting visueel inspecteren, zie vorige paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren".
De ruggordel moet naar achteren wijzen en de
beenlussen moeten naar voren wijzen.
Houd de reddingsgordel met één hand aan het
inhangoog vóór het lichaam.
Leg de reddingsgordel, om hem gemakkelijker te
kunnen hanteren, voorzichtig op de vloer en trek
met de vrije hand de reddingsgordel voorzichtig
naar achteren.
Stap na elkaar met beide benen in de beenlussen.
Blijf daarbij het inhangoog op borsthoogte
vasthouden.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
0310.NL
– Door het inhangoog dat op borsthoogte zit omhoog
te trekken, worden de beenlussen direct onder het
zitvlak geplaatst.
– Doe
vervolgens
de
twee
elastische
schouderriemen om. Op deze manier wordt
voorkomen dat de bediener er tijdens het gebruik
uit glijdt.
– De plaatsing van de ruggordel vindt automatisch
plaats als de twee schouderriemen worden
omgedaan.
– Door instellen van de borstgordel kan de
reddingsgordel
afzonderlijk
op
de
lichaamsafmetingen van de bediener worden
afgestemd. Het gordelmateriaal kan aan het loze
uiteinde door de gesp strakker worden
aangespannen.
– Let erop dat de reddingsgordel aangenaam zit en
niet te strak om het lichaam wordt getrokken.
0310.NL
– Door het inhangoog dat op borsthoogte zit omhoog
te trekken, worden de beenlussen direct onder het
zitvlak geplaatst.
– Doe
vervolgens
de
twee
elastische
schouderriemen om. Op deze manier wordt
voorkomen dat de bediener er tijdens het gebruik
uit glijdt.
– De plaatsing van de ruggordel vindt automatisch
plaats als de twee schouderriemen worden
omgedaan.
– Door instellen van de borstgordel kan de
reddingsgordel
afzonderlijk
op
de
lichaamsafmetingen van de bediener worden
afgestemd. Het gordelmateriaal kan aan het loze
uiteinde door de gesp strakker worden
aangespannen.
– Let erop dat de reddingsgordel aangenaam zit en
niet te strak om het lichaam wordt getrokken.
Alle voorwerpen uit de broekzakken verwijderen.
Verzegeling verwijderen.
Reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of apparatuurkoffer nemen.
Reddingsuitrusting visueel inspecteren, zie vorige paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren".
De ruggordel moet naar achteren wijzen en de
beenlussen moeten naar voren wijzen.
Houd de reddingsgordel met één hand aan het
inhangoog vóór het lichaam.
Leg de reddingsgordel, om hem gemakkelijker te
kunnen hanteren, voorzichtig op de vloer en trek
met de vrije hand de reddingsgordel voorzichtig
naar achteren.
Stap na elkaar met beide benen in de beenlussen.
Blijf daarbij het inhangoog op borsthoogte
vasthouden.
E 87
E 87
6.5.14 De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
6.5.14 De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
2
54
18
216
216
2
54
220
221
216
222
216
– Intern transportmiddel met het contactslot (2) uitschakelen.
– Afdaal-apparaat (218) en reddingsgordel uit het opbergvak nemen, zie paragraaf
"Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine" in hoofdstuk E.
Z
220
221
222
– Intern transportmiddel met het contactslot (2) uitschakelen.
– Afdaal-apparaat (218) en reddingsgordel uit het opbergvak nemen, zie paragraaf
"Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de bestuurderscabine" in hoofdstuk E.
Z
De kant-en-klaar gemonteerde reddingsuitrusting is na verwijdering van de
verzegeling, verwijdering uit de apparatuurtas of apparatuurkoffer en visuele controle
van de reddingsgordel, het afdaal-apparaat en het reddingstouw gereed voor
gebruik.
De kant-en-klaar gemonteerde reddingsuitrusting is na verwijdering van de
verzegeling, verwijdering uit de apparatuurtas of apparatuurkoffer en visuele controle
van de reddingsgordel, het afdaal-apparaat en het reddingstouw gereed voor
gebruik.
0310.NL
– Reddingsgordel, afdaal-apparaat, reddingstouw en schroefschakel visueel
inspecteren zie paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren" in
hoofdstuk E.
– Reddingsgordel omdoen, zie paragraaf "Omdoen van de reddingsgordel RG 16-E"
in hoofdstuk E.
– Karabijnhaak (222) van het reddingstouw (221) in het oog (volgens EN 795) aan
het beschermdak (139) hangen en borgen met de wartelmoer.
– Karabijnhaak (216) van het afdaal-apparaat (218) in het inhangoog van de
reddingsgordel hangen en borgen met de wartelmoer. Erop letten dat het afdaalapparaat (218) tijdens het afdalen door de afdalende persoon kan worden bediend.
0310.NL
– Reddingsgordel, afdaal-apparaat, reddingstouw en schroefschakel visueel
inspecteren zie paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren" in
hoofdstuk E.
– Reddingsgordel omdoen, zie paragraaf "Omdoen van de reddingsgordel RG 16-E"
in hoofdstuk E.
– Karabijnhaak (222) van het reddingstouw (221) in het oog (volgens EN 795) aan
het beschermdak (139) hangen en borgen met de wartelmoer.
– Karabijnhaak (216) van het afdaal-apparaat (218) in het inhangoog van de
reddingsgordel hangen en borgen met de wartelmoer. Erop letten dat het afdaalapparaat (218) tijdens het afdalen door de afdalende persoon kan worden bediend.
E 88
18
E 88
218
218
220
221
220
221
222
222
F
Gevaar op ongevallen door een te kort reddingstouw
Het reddingstouw moet tot aan de vloer komen, anders mag het afdaal-apparaat niet
worden gebruikt.
F
Gevaar op ongevallen door scheuren van het reddingstouw
Het reddingstouw moet over vaste onderdelen worden geleid. Het reddingstouw mag
niet over scherpe randen worden geleid.
• Bij het afdalen over scherpe randen een randbescherming gebruiken.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van het interne transportmiddel bewaren.
Daardoor is gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting tegen vocht, hitte en
UV-stralen is beschermd.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen contact met scherpe voorwerpen.
0310.NL
F
216
Gevaar op ongevallen door een te kort reddingstouw
Het reddingstouw moet tot aan de vloer komen, anders mag het afdaal-apparaat niet
worden gebruikt.
Gevaar op ongevallen door scheuren van het reddingstouw
Het reddingstouw moet over vaste onderdelen worden geleid. Het reddingstouw mag
niet over scherpe randen worden geleid.
• Bij het afdalen over scherpe randen een randbescherming gebruiken.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van het interne transportmiddel bewaren.
Daardoor is gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting tegen vocht, hitte en
UV-stralen is beschermd.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen contact met scherpe voorwerpen.
0310.NL
F
216
E 89
E 89
Beschrijving van de afdaling
Beschrijving van de afdaling
216
216
218
218
220
221
220
221
222
222
– Reddingstouw (221) zonder lussen en knopen (met uitzondering van de
eindknoop) uitwerpen tot aan de vloer.
– Reddingstouw (221) straktrekken. Het reddingstouw (221) moet bij het touwinlaaten touwuitlaatpunt van het afdaal-apparaat onbelemmerd naar binnen en naar
buiten kunnen lopen.
– Reddingstouw (221) zonder lussen en knopen (met uitzondering van de
eindknoop) uitwerpen tot aan de vloer.
– Reddingstouw (221) straktrekken. Het reddingstouw (221) moet bij het touwinlaaten touwuitlaatpunt van het afdaal-apparaat onbelemmerd naar binnen en naar
buiten kunnen lopen.
M
Gevaar voor ongevallen tijdens het afdalen
• Voor het afdalen uitsluitend de reddingsgordel gebruiken.
• Om de valafstand zo kort mogelijk te houden, moet worden voorkomen dat het
touw slap hangt.
• Niet in het losse reddingstouw laten vallen en niet vanaf het stavlak in het
reddingstouw springen.
• Bij het afdalen op obstakels letten.
M
Gevaar voor ongevallen tijdens het afdalen
• Voor het afdalen uitsluitend de reddingsgordel gebruiken.
• Om de valafstand zo kort mogelijk te houden, moet worden voorkomen dat het
touw slap hangt.
• Niet in het losse reddingstouw laten vallen en niet vanaf het stavlak in het
reddingstouw springen.
• Bij het afdalen op obstakels letten.
Z
Erop letten dat de bestuurderscabine langzaam wordt verlaten, zodat wordt
voorkomen dat het reddingstouw sterk gaat slingeren.
Z
Erop letten dat de bestuurderscabine langzaam wordt verlaten, zodat wordt
voorkomen dat het reddingstouw sterk gaat slingeren.
– Met beide voeten stevig tegen de valrand gaan staan en met het gezicht naar het
interne transportmiddel gericht uitstappen.
Z
– Met beide voeten stevig tegen de valrand gaan staan en met het gezicht naar het
interne transportmiddel gericht uitstappen.
Z
De aan het afdaal-apparaat (218) gemonteerde remhendel (220) bevindt zich in de
basisstand „Stop“, waarmee wordt aangegeven dat het afdaal-apparaat niet gereed
is voor afdaling.
– Voor het afdalen de remhendel (220) van het afdaal-apparaat (218) naar onderen
drukken.
M
De afdaalsnelheid wordt automatisch geregeld via een centrifugaalkrachtrem.
– Remhendel (220) loslaten, om het afdalen te stoppen. De remhendel (220) gaat
automatisch weer naar de basisstand „Stop“. Het afdalen wordt onderbroken.
Bij het afdalen moet u erop letten dat er niet tegen obstakels wordt gebotst.
Z
De afdaalsnelheid wordt automatisch geregeld via een centrifugaalkrachtrem.
M
Bij het afdalen moet u erop letten dat er niet tegen obstakels wordt gebotst.
F
Gevaar op ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet na
iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een door
de producent geautoriseerde deskundige!
0310.NL
F
– Voor het afdalen de remhendel (220) van het afdaal-apparaat (218) naar onderen
drukken.
E 90
– Remhendel (220) loslaten, om het afdalen te stoppen. De remhendel (220) gaat
automatisch weer naar de basisstand „Stop“. Het afdalen wordt onderbroken.
Gevaar op ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet na
iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een door
de producent geautoriseerde deskundige!
0310.NL
Z
De aan het afdaal-apparaat (218) gemonteerde remhendel (220) bevindt zich in de
basisstand „Stop“, waarmee wordt aangegeven dat het afdaal-apparaat niet gereed
is voor afdaling.
E 90
6.6
F
F
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (07.09 -)
6.6
De reddingsuitrusting bestaat uit een reddingsgordel ARG 30, een afdaal-apparaat
MARK 1, een verbindingselement (schroefschakel OVALINK 8) en een speciaal
reddingstouw met karabijnhaak en een beveiligde eindknoop.
De reddingsuitrusting bestaat uit een reddingsgordel ARG 30, een afdaal-apparaat
MARK 1, een verbindingselement (schroefschakel OVALINK 8) en een speciaal
reddingstouw met karabijnhaak en een beveiligde eindknoop.
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt voor het opvangen en is toegelaten
voor een belasting van 30 kg tot 150 kg ofwel één persoon.
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt voor het opvangen en is toegelaten
voor een belasting van 30 kg tot 150 kg ofwel één persoon.
F
Gevaar op ongevallen bij ondeskundig gebruik van de reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt als opvanggordel ter beveiliging
tegen vallen.
F
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
6.6.1 Beschrijving van de reddingsgordel ARG 30
Gevaar op ongevallen bij ondeskundig gebruik van de reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting mag niet worden gebruikt als opvanggordel ter beveiliging
tegen vallen.
Er mogen geen wijzigingen of uitbreidingen aan de reddingsgordel en het afdaalapparaat worden aangebracht.
6.6.1 Beschrijving van de reddingsgordel ARG 30
In het geval, dat de bestuurderscabine vanwege een storing niet meer kan dalen,
wordt de reddingsgordel ARG 30 in combinatie met de afdaalset (afdaal-apparaat
met reddingstouw) gebruikt om individuele personen uit het defecte interne
transportmiddel te redden.
In het geval, dat de bestuurderscabine vanwege een storing niet meer kan dalen,
wordt de reddingsgordel ARG 30 in combinatie met de afdaalset (afdaal-apparaat
met reddingstouw) gebruikt om individuele personen uit het defecte interne
transportmiddel te redden.
De reddingsgordel ARG 30 bestaat uit twee verstelbare beengordels en
schoudergordels, een borstgordel met inhangoog en een ruggordel met inhangoog.
De dragende gordelbanden bestaan uit 45 mm breed gordelmateriaal.
De reddingsgordel ARG 30 bestaat uit twee verstelbare beengordels en
schoudergordels, een borstgordel met inhangoog en een ruggordel met inhangoog.
De dragende gordelbanden bestaan uit 45 mm breed gordelmateriaal.
De reddingsgordel ARG 30 wordt met de verstelbare borstgordel en de verstelbare
beengordels optimaal aan de gebruiker aangepast. De borstgordel en de
beengordels worden in de lengte ingesteld met behulp van de doorsteekgespen.
De reddingsgordel ARG 30 wordt met de verstelbare borstgordel en de verstelbare
beengordels optimaal aan de gebruiker aangepast. De borstgordel en de
beengordels worden in de lengte ingesteld met behulp van de doorsteekgespen.
Z
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van de reddingsgordel ARG 30 ligt
tussen de omgevingstemperaturen van -23 °C tot +60 °C.
0310.NL
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van de reddingsgordel ARG 30 ligt
tussen de omgevingstemperaturen van -23 °C tot +60 °C.
0310.NL
Z
Beschrijving / toepassing van de reddingsuitrusting (07.09 -)
E 91
E 91
250
250
251
251
252
252
253
253
254
254
255
255
Pos.
Aanduiding
Pos.
250
Verstelbare schoudergordels
250
Verstelbare schoudergordels
251
252
Ophangoog van de borstgordel
Inhangoog aan ruggordel
Typeplaatje, zie paragraaf "Typeplaatje van de reddingsgordel ARG 30"
in hoofdstuk E
Doorsteekgespen
Verstelbare beengordels
251
252
Ophangoog van de borstgordel
Inhangoog aan ruggordel
Typeplaatje, zie paragraaf "Typeplaatje van de reddingsgordel ARG 30"
in hoofdstuk E
Doorsteekgespen
Verstelbare beengordels
254
255
253
254
255
6.6.2 Technische gegevens van de reddingsgordel ARG 30
ARG 30
1,2 kg
één persoon
UNISIZE
EN 361
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
Maat:
Norm:
0310.NL
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
Maat:
Norm:
6.6.2 Technische gegevens van de reddingsgordel ARG 30
E 92
ARG 30
1,2 kg
één persoon
UNISIZE
EN 361
0310.NL
253
Aanduiding
E 92
6.6.3 Typeplaatje van de reddingsgordel ARG 30
256
6.6.3 Typeplaatje van de reddingsgordel ARG 30
257
256
258
257
258
259
259
260
260
261
261
262
262
263
263
264
264
Pos.
Aanduiding
Serienummer
Aanwijzing: Handleiding naleven
Type
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
256
257
258
259
260
Serienummer
Aanwijzing: Handleiding naleven
Type
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
261
262
263
264
Producent
CE-markering
Volgende revisie
Artikelnummer van de producent
261
262
263
264
Producent
CE-markering
Volgende revisie
Artikelnummer van de producent
0310.NL
Aanduiding
256
257
258
259
260
0310.NL
Pos.
E 93
E 93
6.6.4 Beschrijving van het afdaal-apparaat MARK 1 met reddingstouw en
schroefschakel OVALINK 8
6.6.4 Beschrijving van het afdaal-apparaat MARK 1 met reddingstouw en
schroefschakel OVALINK 8
In het geval, dat de bestuurderscabine op grond van een storing niet meer kan dalen,
wordt het afdaal-apparaat MARK 1 in combinatie met de reddingsgordel ARG 30
gebruikt om individuele personen uit het defecte interne transportmiddel te redden.
Het afdaal-apparaat MARK 1 en reddingstouw mogen niet voor het opvangen worden
gebruikt.
In het geval, dat de bestuurderscabine op grond van een storing niet meer kan dalen,
wordt het afdaal-apparaat MARK 1 in combinatie met de reddingsgordel ARG 30
gebruikt om individuele personen uit het defecte interne transportmiddel te redden.
Het afdaal-apparaat MARK 1 en reddingstouw mogen niet voor het opvangen worden
gebruikt.
Het afdaal-apparaat MARK 1 bestaat uit een apparaatelement waaraan het
bedieningselement en de remeenheid zijn aangebracht. In het onderste gedeelte van
het apparaatelement bevindt zich een oog voor het opnemen van het
verbindingselement (schroefschakel OVALINK 8) volgens EN 362. Het afdaalapparaat MARK 1 is toegelaten voor een belasting van 30 kg tot 150 kg ofwel één
persoon.
Het afdaal-apparaat MARK 1 bestaat uit een apparaatelement waaraan het
bedieningselement en de remeenheid zijn aangebracht. In het onderste gedeelte van
het apparaatelement bevindt zich een oog voor het opnemen van het
verbindingselement (schroefschakel OVALINK 8) volgens EN 362. Het afdaalapparaat MARK 1 is toegelaten voor een belasting van 30 kg tot 150 kg ofwel één
persoon.
Het reddingstouw is aan één einde voorzien van een karabijnhaak en aan het andere
einde van een eindknoop. De eindknoop is beveiligd met een kabelbinder en
voorkomt dat het reddingstouw uit het afdaal-apparaat valt. Het typeplaatje van het
reddingstouw bevindt zich onder een transparante beschermslang aan het touweinde
met de karabijnhaak.
Het reddingstouw is aan één einde voorzien van een karabijnhaak en aan het andere
einde van een eindknoop. De eindknoop is beveiligd met een kabelbinder en
voorkomt dat het reddingstouw uit het afdaal-apparaat valt. Het typeplaatje van het
reddingstouw bevindt zich onder een transparante beschermslang aan het touweinde
met de karabijnhaak.
De schroefschakel OVALINK 8 (volgens EN 362) dient voor de verbinding van het
afdaal-apparaat MARK 1 met de reddingsgordel ARG 30. Tegen ongewild loskomen
van de sluiting tijdens het gebruik is deze geborgd met een schroefborging.
De schroefschakel OVALINK 8 (volgens EN 362) dient voor de verbinding van het
afdaal-apparaat MARK 1 met de reddingsgordel ARG 30. Tegen ongewild loskomen
van de sluiting tijdens het gebruik is deze geborgd met een schroefborging.
E 94
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van het afdaal-apparaat MARK 1, het
reddingstouw
en
de
schroefschakel
OVALINK 8
ligt
tussen
de
omgevingstemperaturen van -35 °C tot +60 °C.
0310.NL
Z
Het temperatuurafhankelijke toepassingsbereik van het afdaal-apparaat MARK 1, het
reddingstouw
en
de
schroefschakel
OVALINK 8
ligt
tussen
de
omgevingstemperaturen van -35 °C tot +60 °C.
0310.NL
Z
E 94
Pos. Aanduiding
Pos. Aanduiding
265
Reddingstouw met karabijnhaak (voor de
bevestiging van het afdaal-apparaat MARK 1
aan het interne transportmiddel) en
beveiligde eindknoop
266
Remnok
267
Afdaal-apparaat MARK 1
268
Bedieningshendel
269
Oog voor verbindingselement
(karabijnhaak / schroefschakel)
265
Reddingstouw met karabijnhaak (voor de
bevestiging van het afdaal-apparaat MARK 1
aan het interne transportmiddel) en
beveiligde eindknoop
266
Remnok
267
Afdaal-apparaat MARK 1
268
Bedieningshendel
269
Oog voor verbindingselement
(karabijnhaak / schroefschakel)
270
270
Schroefschakel OVALINK 8 voor de
bevestiging van het afdaal-apparaat MARK 1
aan de reddingsgordel ARG 30
265
266
267
268
269
265
265
266
267
268
269
265
270
Schroefschakel OVALINK 8 voor de
bevestiging van het afdaal-apparaat MARK 1
aan de reddingsgordel ARG 30
271
Eindknoop
271
271
Eindknoop
271
272
Kabelbinder
272
272
Kabelbinder
272
6.6.5 Technische gegevens van het afdaal-apparaat MARK 1
Touwdiameter:
Toegelaten touwtype:
MARK 1
0,35 kg (zonder reddingstouw)
Eén persoon (30 kg - 150 kg)
200 m
conform EN 341: 11 mm
conform EN 12841: 10 tot 12 mm
statisch touw volgens EN 1891 type A
EN 341 klasse A
EN 12841 type C
0310.NL
Norm:
6.6.5 Technische gegevens van het afdaal-apparaat MARK 1
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
Max. afdaalhoogte:
Touwdiameter:
Toegelaten touwtype:
Norm:
MARK 1
0,35 kg (zonder reddingstouw)
Eén persoon (30 kg - 150 kg)
200 m
conform EN 341: 11 mm
conform EN 12841: 10 tot 12 mm
statisch touw volgens EN 1891 type A
EN 341 klasse A
EN 12841 type C
0310.NL
Type:
Eigengewicht:
Draaglast:
Max. afdaalhoogte:
270
E 95
E 95
6.6.6 Technische gegevens van het reddingstouw met karabijnhaak
6.6.6 Technische gegevens van het reddingstouw met karabijnhaak
Type:
PARALOC Static 12,0
Type:
PARALOC Static 12,0
Eigengewicht:
Materiaal:
Lengte:
circa 1,5 kg
polyamine (PA)
17,5 m
Eigengewicht:
Materiaal:
Lengte:
circa 1,5 kg
polyamine (PA)
17,5 m
Draaglast:
één persoon
Draaglast:
één persoon
Touwdiameter:
Touwtype:
12 mm
semistatisch touw
Touwdiameter:
Touwtype:
12 mm
semistatisch touw
Norm:
EN 1891 type A
Norm:
EN 1891 type A
6.6.7 Technische gegevens van de schroefschakel OVALINK 8
6.6.7 Technische gegevens van de schroefschakel OVALINK 8
Type:
OVALINK 8
Type:
OVALINK 8
Eigengewicht:
Draaglast:
circa 0,04 kg
één persoon
Eigengewicht:
Draaglast:
circa 0,04 kg
één persoon
Afmeting:
74 x 39 mm
Afmeting:
74 x 39 mm
Norm:
EN 362 / Q
EN 12275
Norm:
EN 362 / Q
EN 12275
6.6.8 Gegevens op de behuizing van het afdaal-apparaat MARK 1
23
274
DSD 30+25
30-150kg
max. 200m
275
EN 341 CLASS A
ROPE 11mm
EN 12841 Type C
10 ≤ ∅ ≤ 12mm
276
273
Aanduiding
CE-markering
274
Type afdaal-apparaat
275
Zeildiameter / max. afdaalhoogte
276
Pictogram (touw inleggen)
277
E 96
273
01
23
274
DSD 30+25
30-150kg
max. 200m
275
EN 341 CLASS A
ROPE 11mm
EN 12841 Type C
10 ≤ ∅ ≤ 12mm
276
277
Typegoedkeuring volgens EN
0310.NL
277
Pos.
Pos.
Aanduiding
273
CE-markering
274
Type afdaal-apparaat
275
Zeildiameter / max. afdaalhoogte
276
Pictogram (touw inleggen)
277
Typegoedkeuring volgens EN
0310.NL
273
01
6.6.8 Gegevens op de behuizing van het afdaal-apparaat MARK 1
E 96
6.6.9 Typeplaatje van het reddingstouw
6.6.9 Typeplaatje van het reddingstouw
278
278
279
279
280
280
281
282
282
283
284
281
283
285
284
Pos.
Serienummer
278
Aanduiding
Serienummer
279
280
281
282
Type
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
CE-markering
279
280
281
282
Type
Typegoedkeuring volgens EN
Bouwjaar
CE-markering
283
284
285
Producent
Artikelnummer van de producent
Aanwijzing: Handleiding naleven
283
284
285
Producent
Artikelnummer van de producent
Aanwijzing: Handleiding naleven
0310.NL
Aanduiding
278
0310.NL
Pos.
285
E 97
E 97
6.6.10 De reddingsuitrusting visueel inspecteren
6.6.10 De reddingsuitrusting visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaalapparaat / reddingstouw / schroefschakel) visueel worden geïnspecteerd door de
gebruiker. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting zich in een
gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Z
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsuitrusting of bij twijfel over
de inzetbaarheid van de reddingsuitrusting, mag deze niet worden gebruikt.
Reddingsuitrusting voor inspectie aan de producent of een door de producent
geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
6.6.11 De reddingsgordel ARG 30 visueel inspecteren
F
E 98
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
6.6.11 De reddingsgordel ARG 30 visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsgordel ARG 30 door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsgordel
ARG 30 zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsgordel ARG 30 door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsgordel
ARG 30 zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
– Het dragende gordelmateriaal heeft geen beschadigingen, zoals losse naden,
scheuren of schuurplekken.
– De doorsteekgespen zijn niet aangetast door roest en hebben geen mechanische
beschadigingen, vervormingen en/of scheuren.
– Het inhangoog aan de borstgordel en de ruggordel is niet aangetast door roest en
heeft geen beschadigingen, vervormingen en/of scheuren door mechanische
inwerkingen.
– Het typeplaatje is aanwezig en goed leesbaar.
– Het dragende gordelmateriaal heeft geen beschadigingen, zoals losse naden,
scheuren of schuurplekken.
– De doorsteekgespen zijn niet aangetast door roest en hebben geen mechanische
beschadigingen, vervormingen en/of scheuren.
– Het inhangoog aan de borstgordel en de ruggordel is niet aangetast door roest en
heeft geen beschadigingen, vervormingen en/of scheuren door mechanische
inwerkingen.
– Het typeplaatje is aanwezig en goed leesbaar.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsgordel ARG 30 of bij twijfel
over de inzetbaarheid van de reddingsgordel ARG 30, mag deze niet worden
gebruikt. Reddingsgordel ARG 30 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsuitrusting of bij twijfel over
de inzetbaarheid van de reddingsuitrusting, mag deze niet worden gebruikt.
Reddingsuitrusting voor inspectie aan de producent of een door de producent
geautoriseerde deskundige geven.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de reddingsgordel ARG 30 of bij twijfel
over de inzetbaarheid van de reddingsgordel ARG 30, mag deze niet worden
gebruikt. Reddingsgordel ARG 30 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaalapparaat / reddingstouw / schroefschakel) visueel worden geïnspecteerd door de
gebruiker. Daarmee wordt gegarandeerd, dat de reddingsuitrusting zich in een
gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
E 98
6.6.12 Het afdaal-apparaat MARK 1 visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het afdaal-apparaat MARK 1 door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaalapparaat MARK 1 zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
– Het afdaal-apparaat is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– Het afdaal-apparaat heeft geen verhoogde slijtagesporen.
– De gegevens op het afdaal-apparaat zijn goed leesbaar.
– De bedieningshendel is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– Het afdaal-apparaat is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– Het afdaal-apparaat heeft geen verhoogde slijtagesporen.
– De gegevens op het afdaal-apparaat zijn goed leesbaar.
– De bedieningshendel is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
Bovendien controleren of de bedieningshendel goed werkt door aan het
reddingstouw te trekken bij niet bediende en/of bij doorgeduwde bedieningshendel.
Het reddingstouw mag niet door het afdaal-apparaat glijden.
Bovendien controleren of de bedieningshendel goed werkt door aan het
reddingstouw te trekken bij niet bediende en/of bij doorgeduwde bedieningshendel.
Het reddingstouw mag niet door het afdaal-apparaat glijden.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het afdaal-apparaat MARK 1 of bij twijfel
over de inzetbaarheid van het afdaal-apparaat MARK 1, mag het niet worden
gebruikt. Afdaal-apparaat MARK 1 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het afdaal-apparaat MARK 1 door de gebruiker
visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het afdaalapparaat MARK 1 zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het afdaal-apparaat MARK 1 of bij twijfel
over de inzetbaarheid van het afdaal-apparaat MARK 1, mag het niet worden
gebruikt. Afdaal-apparaat MARK 1 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
6.6.12 Het afdaal-apparaat MARK 1 visueel inspecteren
E 99
E 99
6.6.13 Het reddingstouw met de karabijnhaak visueel inspecteren
6.6.13 Het reddingstouw met de karabijnhaak visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het reddingstouw en de karabijnhaak door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het
reddingstouw zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Z
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
E 100
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het reddingstouw of de karabijnhaak en
bij twijfel over de inzetbaarheid van het reddingstouw of de karabijnhaak, mogen
deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat met karabijnhaak voor inspectie aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
Visuele inspectie van het reddingstouw
Visuele inspectie van het reddingstouw
Controleren of de eindknoop aan het touweinde aanwezig is en of de knoop is
beveiligd door de kabelbinder. Aan het touweinde moet er een eindknoop zitten,
zodat het reddingstouw bij het afdalen niet uit het afdaal-apparaat valt.
Controleren of de eindknoop aan het touweinde aanwezig is en of de knoop is
beveiligd door de kabelbinder. Aan het touweinde moet er een eindknoop zitten,
zodat het reddingstouw bij het afdalen niet uit het afdaal-apparaat valt.
De bevestiging van de karabijnhaak aan het touweinde moet zich in een goede staat
bevinden.
De bevestiging van de karabijnhaak aan het touweinde moet zich in een goede staat
bevinden.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat het reddingstouw geen van de volgende
mechanische beschadigingen, gebreken of beschadigingen door de inwerking van
hitte, chemie e.d. heeft:
Bij de visuele inspectie erop letten, dat het reddingstouw geen van de volgende
mechanische beschadigingen, gebreken of beschadigingen door de inwerking van
hitte, chemie e.d. heeft:
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
verbindingspunten,
draadbreuken;
verdikkingen,
knikken,
sterke slijtage resp. verhoogde slijtagesporen zoals harige plekken,
mantelverschuiving,
open, losse eindverbindingen,
lussen,
knopen,
brandplekken,
vergane plekken.
Z
Het reddingstouw voordat het wordt neergelaten op bovengenoemde eigenschappen
controleren. Daarvoor het reddingstouw door de handen laten glijden.
0310.NL
Z
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan het reddingstouw of de karabijnhaak en
bij twijfel over de inzetbaarheid van het reddingstouw of de karabijnhaak, mogen
deze niet worden gebruikt. Afdaal-apparaat met karabijnhaak voor inspectie aan de
producent of een door de producent geautoriseerde deskundige geven.
verbindingspunten,
draadbreuken;
verdikkingen,
knikken,
sterke slijtage resp. verhoogde slijtagesporen zoals harige plekken,
mantelverschuiving,
open, losse eindverbindingen,
lussen,
knopen,
brandplekken,
vergane plekken.
Het reddingstouw voordat het wordt neergelaten op bovengenoemde eigenschappen
controleren. Daarvoor het reddingstouw door de handen laten glijden.
0310.NL
F
Voorafgaand aan ieder gebruik moet het reddingstouw en de karabijnhaak door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat het
reddingstouw zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
E 100
Visuele inspectie van de karabijnhaak
Visuele inspectie van de karabijnhaak
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de karabijnhaak niet is aangetast door roest
of mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bij de visuele inspectie erop letten, dat de karabijnhaak niet is aangetast door roest
of mechanische beschadigingen en/of scheuren heeft.
Bovendien controleren of de vergrendeling (snapslot) en de klinknagel van de
karabijnhaak goed werken.
Bovendien controleren of de vergrendeling (snapslot) en de klinknagel van de
karabijnhaak goed werken.
– De wartelmoer moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gesloten.
– De vergrendeling (snapslot) moet na het openen met de hand automatisch weer
terugspringen naar zijn oorspronkelijke stand.
– De wartelmoer moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gesloten.
– De vergrendeling (snapslot) moet na het openen met de hand automatisch weer
terugspringen naar zijn oorspronkelijke stand.
6.6.14 De schroefschakel OVALINK 8 visueel inspecteren
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de schroefschakel OVALINK 8 door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat
schroefschakel zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
Bij de visuele inspectie op het volgende letten:
– De schroefschakel is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– De veiligheidslak aan de vergrendeling is niet gebroken / beschadigd.
– De schroefschakel is niet aangetast door roest en heeft geen vervormingen of
beschadigingen door mechanische inwerkingen.
– De veiligheidslak aan de vergrendeling is niet gebroken / beschadigd.
F
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de schroefschakel OVALINK 8 of bij
twijfel over de inzetbaarheid van de schroefschakel , mag deze niet worden gebruikt.
Schroefschakel OVALINK 8 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
Z
Voorafgaand aan ieder gebruik moet de schroefschakel OVALINK 8 door de
gebruiker visueel worden geïnspecteerd. Daarmee wordt gegarandeerd, dat
schroefschakel zich in een gebruiksklare en goed werkende staat bevindt.
Bij de vaststelling van een beschadiging aan de schroefschakel OVALINK 8 of bij
twijfel over de inzetbaarheid van de schroefschakel , mag deze niet worden gebruikt.
Schroefschakel OVALINK 8 voor inspectie aan de producent of een door de
producent geautoriseerde deskundige geven.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
0310.NL
F
6.6.14 De schroefschakel OVALINK 8 visueel inspecteren
E 101
E 101
6.6.15 Reddingsgordel omdoen
6.6.15 Reddingsgordel omdoen
Voorbereidende activiteiten:
Voorbereidende activiteiten:
– Alle voorwerpen uit de broekzakken
verwijderen.
– Verzegeling verwijderen.
– Reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of
apparatuurkoffer nemen.
– Reddingsuitrusting visueel inspecteren, zie
paragraaf "De reddingsuitrusting visueel
inspecteren" in hoofdstuk E.
– De reddingsgordel met één hand bij het
inhangoog van de ruggordel aan de voorzijde
van het lichaam houden.
– Doorsteekgespen (3 stuks) openen.
– Alle voorwerpen uit de broekzakken
verwijderen.
– Verzegeling verwijderen.
– Reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of
apparatuurkoffer nemen.
– Reddingsuitrusting visueel inspecteren, zie
paragraaf "De reddingsuitrusting visueel
inspecteren" in hoofdstuk E.
– De reddingsgordel met één hand bij het
inhangoog van de ruggordel aan de voorzijde
van het lichaam houden.
– Doorsteekgespen (3 stuks) openen.
3x
– Reddingsgordel als een jas aantrekken.
– Beengordels tussen de benen naar voren en
vervolgens naar boven trekken.
– Reddingsgordel als een jas aantrekken.
– Beengordels tussen de benen naar voren en
vervolgens naar boven trekken.
E 102
0310.NL
Reddingsgordel omdoen:
0310.NL
Reddingsgordel omdoen:
3x
E 102
Reddingsgordel instellen op de afmetingen
van het lichaam van de bediener:
Reddingsgordel instellen op de afmetingen
van het lichaam van de bediener:
– Doorsteekgespen (2 stuks) van de beengordels sluiten.
– Doorsteekgesp van de borstgordel door het
voorste inhangoog leiden.
– Doorsteekgesp van de borstgordel sluiten.
– Reddingsgordel instellen op de individuele
afmetingen van het lichaam en de
gordelbanden vasttrekken.
– Doorsteekgespen (2 stuks) van de beengordels sluiten.
– Doorsteekgesp van de borstgordel door het
voorste inhangoog leiden.
– Doorsteekgesp van de borstgordel sluiten.
– Reddingsgordel instellen op de individuele
afmetingen van het lichaam en de
gordelbanden vasttrekken.
– Erop letten, dat de beengordels zodanig
worden ingesteld, dat de vlakke hand tussen
beengordel
en
dijbeen
kan
worden
geschoven. Na het instellen moet het
inhangoog van de ruggordel zich precies
tussen de schouderbladen bevinden.
3x
– Erop letten, dat de beengordels zodanig
worden ingesteld, dat de vlakke hand tussen
beengordel
en
dijbeen
kan
worden
geschoven. Na het instellen moet het
inhangoog van de ruggordel zich precies
tussen de schouderbladen bevinden.
4x
4x
0310.NL
– Klittenband losmaken en zo het afdaalapparaat van de reddingsgordel nemen.
0310.NL
– Klittenband losmaken en zo het afdaalapparaat van de reddingsgordel nemen.
3x
E 103
E 103
6.6.16 De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
6.6.16 De bestuurderscabine verlaten met de reddingsuitrusting
– Intern transportmiddel met het contactslot uitschakelen.
– Afdaal-apparaat en reddingsgordel uit het opbergvak in de bestuurderscabine
nemen, zie paragraaf "Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de
bestuurderscabine" in hoofdstuk E.
Z
– Intern transportmiddel met het contactslot uitschakelen.
– Afdaal-apparaat en reddingsgordel uit het opbergvak in de bestuurderscabine
nemen, zie paragraaf "Opbergvak voor de reddingsuitrusting in de
bestuurderscabine" in hoofdstuk E.
Z
De reddingsuitrusting is reeds gemonteerd. U hoeft voor het gebruik alleen de
verzegeling te verwijderen, de reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of
apparatuurkoffer te halen en deze visueel te inspecteren.
E 104
0310.NL
– Reddingsgordel, afdaal-apparaat, reddingstouw en schroefschakel visueel
inspecteren zie paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren" in
hoofdstuk E.
– Reddingsgordel omdoen, zie paragraaf "Omdoen van de reddingsgordel" in
hoofdstuk E.
– Karabijnhaak van het reddingstouw in het oog
(volgens EN 795) aan het beschermdak
hangen en met de wartelmoer borgen.
0310.NL
– Reddingsgordel, afdaal-apparaat, reddingstouw en schroefschakel visueel
inspecteren zie paragraaf "De reddingsuitrusting visueel inspecteren" in
hoofdstuk E.
– Reddingsgordel omdoen, zie paragraaf "Omdoen van de reddingsgordel" in
hoofdstuk E.
– Karabijnhaak van het reddingstouw in het oog
(volgens EN 795) aan het beschermdak
hangen en met de wartelmoer borgen.
De reddingsuitrusting is reeds gemonteerd. U hoeft voor het gebruik alleen de
verzegeling te verwijderen, de reddingsuitrusting uit de apparatuurtas of
apparatuurkoffer te halen en deze visueel te inspecteren.
E 104
– Reddingstouw zonder lussen en knopen
(met uitzondering van de eindknoop)
uitwerpen tot aan de vloer.
F
F
Gevaar op ongevallen door scheuren
van het reddingstouw
Het reddingstouw moet over vaste
onderdelen
worden
geleid.
Het
reddingstouw mag niet over scherpe
randen worden geleid.
• Bij het afdalen over scherpe randen een
randbescherming gebruiken.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van
het interne transportmiddel bewaren.
Daardoor is gegarandeerd, dat de
reddingsuitrusting tegen vocht, hitte en
UV-stralen is beschermd.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen
en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen
contact met scherpe voorwerpen.
Gevaar op ongevallen door een te kort
reddingstouw
Het reddingstouw moet tot aan de vloer
komen, anders mag het afdaal-apparaat
niet worden gebruikt.
Gevaar op ongevallen door scheuren
van het reddingstouw
Het reddingstouw moet over vaste
onderdelen
worden
geleid.
Het
reddingstouw mag niet over scherpe
randen worden geleid.
• Bij het afdalen over scherpe randen een
randbescherming gebruiken.
• Reddingsuitrusting in het opbergvak van
het interne transportmiddel bewaren.
Daardoor is gegarandeerd, dat de
reddingsuitrusting tegen vocht, hitte en
UV-stralen is beschermd.
• Contact met zuren, bijtende vloeistoffen
en oliën vermijden.
• Reddingsuitrusting beschermen tegen
contact met scherpe voorwerpen.
Beschrijving van de afdaling
Beschrijving van de afdaling
– Reddingstouw tussen tussen beschermdak en afdaal-apparaat straktrekken. Het
vrije reddingstouw moet bij het touwinlaat- en touwuitlaatpunt van het afdaalapparaat onbelemmerd naar binnen en
buiten kunnen lopen.
– Reddingstouw tussen tussen beschermdak en afdaal-apparaat straktrekken. Het
vrije reddingstouw moet bij het touwinlaat- en touwuitlaatpunt van het afdaalapparaat onbelemmerd naar binnen en
buiten kunnen lopen.
M
Gevaar voor ongevallen tijdens het
afdalen
• Voor het afdalen uitsluitend de reddingsgordel gebruiken.
• Om de valafstand zo kort mogelijk te houden, moet worden voorkomen dat het
touw slap hangt.
• Niet in het losse reddingstouw laten vallen en niet vanaf het stavlak in het
reddingstouw springen.
• Bij het afdalen op obstakels letten.
0310.NL
M
F
Gevaar op ongevallen door een te kort
reddingstouw
Het reddingstouw moet tot aan de vloer
komen, anders mag het afdaal-apparaat
niet worden gebruikt.
Gevaar voor ongevallen tijdens het
afdalen
• Voor het afdalen uitsluitend de reddingsgordel gebruiken.
• Om de valafstand zo kort mogelijk te houden, moet worden voorkomen dat het
touw slap hangt.
• Niet in het losse reddingstouw laten vallen en niet vanaf het stavlak in het
reddingstouw springen.
• Bij het afdalen op obstakels letten.
0310.NL
F
– Reddingstouw zonder lussen en knopen
(met uitzondering van de eindknoop)
uitwerpen tot aan de vloer.
E 105
E 105
Z
Z
Erop letten dat de bestuurderscabine langzaam
wordt verlaten, zodat wordt voorkomen dat het
reddingstouw sterk gaat slingeren.
– Met beide voeten stevig tegen de valrand gaan
staan en met het gezicht naar het interne
transportmiddel gericht uitstappen.
Z
Z
– Met beide voeten stevig tegen de valrand gaan
staan en met het gezicht naar het interne
transportmiddel gericht uitstappen.
Z
De aan het afdaal-apparaat aangebrachte
remhendel bevindt zich in de basisstand „Stop“,
waarmee wordt aangegeven dat het afdaalapparaat niet gereed is voor afdaling (zie
positie „A“).
– Voor het afdalen de bedieningshendel iets in de
richting van het afdaal-apparaat duwen (zie
positie „B“).
A B C
Z
De afdaalsnelheid is afhankelijk van het gewicht van de gebruiker en de stand van de
bedieningshendel. De maximale afdaalsnelheid ligt tussen 0,4 m/sec. en 0,7 m/sec.
E 106
A B C
De afdaalsnelheid is afhankelijk van het gewicht van de gebruiker en de stand van de
bedieningshendel. De maximale afdaalsnelheid ligt tussen 0,4 m/sec. en 0,7 m/sec.
– Om het afdalen te stoppen, de bedieningshendel loslaten (zie positie „A“) of
volledig in de richting van het afdaal-apparaat duwen (zie positie „C“).
M
Bij het afdalen moet u erop letten dat er niet tegen obstakels wordt gebotst.
Bij het afdalen moet u erop letten dat er niet tegen obstakels wordt gebotst.
Gevaar op ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet na
iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een door
de producent geautoriseerde deskundige!
0310.NL
F
Gevaar op ongevallen door niet geïnspecteerde reddingsuitrusting
De reddingsuitrusting (reddingsgordel / afdaal-apparaat met reddingstouw) moet na
iedere redding (geen oefening) worden geïnspecteerd door de producent of een door
de producent geautoriseerde deskundige!
0310.NL
F
De aan het afdaal-apparaat aangebrachte
remhendel bevindt zich in de basisstand „Stop“,
waarmee wordt aangegeven dat het afdaalapparaat niet gereed is voor afdaling (zie
positie „A“).
– Voor het afdalen de bedieningshendel iets in de
richting van het afdaal-apparaat duwen (zie
positie „B“).
– Om het afdalen te stoppen, de bedieningshendel loslaten (zie positie „A“) of
volledig in de richting van het afdaal-apparaat duwen (zie positie „C“).
M
Erop letten dat de bestuurderscabine langzaam
wordt verlaten, zodat wordt voorkomen dat het
reddingstouw sterk gaat slingeren.
E 106
7
Optionele uitvoering
7
Optionele uitvoering
7.1
Achteruitkijkspiegel (o)
7.1
Achteruitkijkspiegel (o)
168
Z
168
Z
Achteruitkijkspiegel uitsluitend gebruiken om het verkeersgebied aan de achterkant
te bekijken. Als er kijkhulpmiddelen (spiegel, monitor, etc.) nodig zijn om voldoende
zicht te verkrijgen, moeten de werkzaamheden zorgvuldig worden verricht met deze
hulpmiddelen.
De achteruitkijkspiegel (168) is uitgerust met een zwenkbaar draaipunt. De bediener
heeft daardoor de mogelijkheid de achteruitkijkspiegel (168) in te stellen op de
individuele behoefte.
De achteruitkijkspiegel (168) is uitgerust met een zwenkbaar draaipunt. De bediener
heeft daardoor de mogelijkheid de achteruitkijkspiegel (168) in te stellen op de
individuele behoefte.
M
Gevaar op ongevallen door verkeerd ingestelde achteruitkijkspiegel
Verkeerd ingestelde achteruitkijkspiegels kunnen tijden het rijden in de smalle gang
tegen de stelling of de waren botsen.
• Achteruitkijkspiegel zo instellen, dat de veiligheidsafstanden tussen intern
transportmiddel en stelling volgens EN 1726-2 punt 7.3.2 worden aangehouden.
• Ten minste 100 mm veiligheidsafstand tussen railgeleid intern transportmiddel en
stelling.
• Ten minste 125 mm veiligheidsafstand tussen inductief geleid intern transportmiddel en stelling.
0310.NL
Gevaar op ongevallen door verkeerd ingestelde achteruitkijkspiegel
Verkeerd ingestelde achteruitkijkspiegels kunnen tijden het rijden in de smalle gang
tegen de stelling of de waren botsen.
• Achteruitkijkspiegel zo instellen, dat de veiligheidsafstanden tussen intern
transportmiddel en stelling volgens EN 1726-2 punt 7.3.2 worden aangehouden.
• Ten minste 100 mm veiligheidsafstand tussen railgeleid intern transportmiddel en
stelling.
• Ten minste 125 mm veiligheidsafstand tussen inductief geleid intern transportmiddel en stelling.
0310.NL
M
Achteruitkijkspiegel uitsluitend gebruiken om het verkeersgebied aan de achterkant
te bekijken. Als er kijkhulpmiddelen (spiegel, monitor, etc.) nodig zijn om voldoende
zicht te verkrijgen, moeten de werkzaamheden zorgvuldig worden verricht met deze
hulpmiddelen.
E 107
E 107
7.2
Brandblusser (o)
7.2
Brandblusser (o)
Z
De brandblusser (171) kan op de bestuurdersplaats of het beschermdak worden bevestigd.
Z
De brandblusser (171) kan op de bestuurdersplaats of het beschermdak worden bevestigd.
169
– Sluiting (170) openen.
– Brandblusser (171) uit de houder (169)
trekken (zie pijlrichting).
Z
Bedieningsaanwijzingen voor het gebruik
worden middels pictogrammen op de
brandblusser (171) gegeven.
Z
170
Bedieningsaanwijzingen voor het gebruik
worden middels pictogrammen op de
brandblusser (171) gegeven.
170
0310.NL
171
0310.NL
171
E 108
169
– Sluiting (170) openen.
– Brandblusser (171) uit de houder (169)
trekken (zie pijlrichting).
E 108
7.3
Meerijmodus (in de bestuurderscabine) (o)
7.3
In de handleiding van het interne transportmiddel wordt in hoofdstuk E in paragraaf
„Veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van het interne transportmiddel“ onder
punt „Verbod op gebruik door onbevoegden“ het meevoeren van een of meer
personen in de bestuurderscabine resp. op het lastopnamemiddel ten alle tijden
verboden.
M
Als het interne transportmiddel voor de meerijmodus met een extra
bedieningsconsole (tweehandsbediening) en extra dodemansknop is uitgerust, is het
bij uitzondering toegestaan een tweede persoon in de bestuurderscabine mee te
nemen.
• De bestuurder moet de in de bestuurderscabine meerijdende persoon instrueren in
de bediening voor “meerijmodus” en attent maken op de gevaren.
Voorbeeld:
Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet uit de bestuurderscabine leunen.
F
Meerijden van een tweede persoon is alleen toegestaan bij een extra in de
bestuurderscabine aangebrachte bedieningsconsole, een extra dodemansknop en
sleutelschakelaar voor de meerijder. Met deze bedieningsconsole wordt de functie
„Tweehandbediening“ van de meerijdende persoon bewaakt.
• De extra bedieningsconsole en de extra omschakelsleutel moeten alleen worden
meegenomen voor de activering van de meerijmodus in het interne
transportmiddel.
• Als deze bedieningsconsole en omschakelsleutel niet worden gebruikt moet hij bij
een daarvoor aangewezen persoon in bewaring worden gegeven.
0310.NL
F
In de handleiding van het interne transportmiddel wordt in hoofdstuk E in paragraaf
„Veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van het interne transportmiddel“ onder
punt „Verbod op gebruik door onbevoegden“ het meevoeren van een of meer
personen in de bestuurderscabine resp. op het lastopnamemiddel ten alle tijden
verboden.
Als het interne transportmiddel voor de meerijmodus met een extra
bedieningsconsole (tweehandsbediening) en extra dodemansknop is uitgerust, is het
bij uitzondering toegestaan een tweede persoon in de bestuurderscabine mee te
nemen.
• De bestuurder moet de in de bestuurderscabine meerijdende persoon instrueren in
de bediening voor “meerijmodus” en attent maken op de gevaren.
Voorbeeld:
Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet uit de bestuurderscabine leunen.
Meerijden van een tweede persoon is alleen toegestaan bij een extra in de
bestuurderscabine aangebrachte bedieningsconsole, een extra dodemansknop en
sleutelschakelaar voor de meerijder. Met deze bedieningsconsole wordt de functie
„Tweehandbediening“ van de meerijdende persoon bewaakt.
• De extra bedieningsconsole en de extra omschakelsleutel moeten alleen worden
meegenomen voor de activering van de meerijmodus in het interne
transportmiddel.
• Als deze bedieningsconsole en omschakelsleutel niet worden gebruikt moet hij bij
een daarvoor aangewezen persoon in bewaring worden gegeven.
0310.NL
M
Meerijmodus (in de bestuurderscabine) (o)
E 109
E 109
7.3.1 Bediening
7.3.1 Bediening
Z
Z
E 110
De schakelaar voor de functie „Tweehandsbediening“ van de extra
bedieningsconsole en de functie van de extra dodemansknop mogen niet buiten
werking worden gesteld.
Als de exploitant bij uitzondering toestemming geeft om een tweede persoon in de
chauffeurscabine mee te nemen, dient men als volgt te werk te gaan:
Als de exploitant bij uitzondering toestemming geeft om een tweede persoon in de
chauffeurscabine mee te nemen, dient men als volgt te werk te gaan:
– Intern transportmiddel met de sleutelschakelaar uitschakelen.
– Hang de extra bedieningsconsole aan de leuning in de chauffeurscabine.
– Breng de elektrische verbinding tussen intern transportmiddel en de extra
bedieningsconsole aan.
– Met de omschakelsleutel de functie meerijmodus activeren.
– Intern transportmiddel met de sleutelschakelaar inschakelen.
– De meerijdende persoon moet tijdens het bedrijf (rijden / heffen / neerlaten) met
beide handen de schakelaar op de extra bedieningsconsole ingedrukt houden
(tweehandsbediening).
– Intern transportmiddel met de sleutelschakelaar uitschakelen.
– Hang de extra bedieningsconsole aan de leuning in de chauffeurscabine.
– Breng de elektrische verbinding tussen intern transportmiddel en de extra
bedieningsconsole aan.
– Met de omschakelsleutel de functie meerijmodus activeren.
– Intern transportmiddel met de sleutelschakelaar inschakelen.
– De meerijdende persoon moet tijdens het bedrijf (rijden / heffen / neerlaten) met
beide handen de schakelaar op de extra bedieningsconsole ingedrukt houden
(tweehandsbediening).
Z
Wanneer tijdens rij- of hydraulische bewegingen de voor de meerijmodus
geïnstalleerde schakelaars van de tweehandsbediening of de dodemansknop niet
worden bedient worden de rij- en/of hydraulische bewegingen gestopt.
0310.NL
Z
F
De schakelaar voor de functie „Tweehandsbediening“ van de extra
bedieningsconsole en de functie van de extra dodemansknop mogen niet buiten
werking worden gesteld.
Vóór hij begint te rijden, moet de bestuurder zich er van overtuigen dat de
veiligheidsinrichtingen voor de meerijmodus goed werken. Wanneer één van de
veiligheidsinrichtingen niet goed functioneert, mag de meerijmodus niet worden
geactiveerd. In dat geval moet de verantwoordelijke klantenservice van de producent
worden geïnformeerd.
Wanneer tijdens rij- of hydraulische bewegingen de voor de meerijmodus
geïnstalleerde schakelaars van de tweehandsbediening of de dodemansknop niet
worden bedient worden de rij- en/of hydraulische bewegingen gestopt.
0310.NL
F
Vóór hij begint te rijden, moet de bestuurder zich er van overtuigen dat de
veiligheidsinrichtingen voor de meerijmodus goed werken. Wanneer één van de
veiligheidsinrichtingen niet goed functioneert, mag de meerijmodus niet worden
geactiveerd. In dat geval moet de verantwoordelijke klantenservice van de producent
worden geïnformeerd.
E 110
7.4
Bedrijf met veiligheidskooi (o)
7.4
Bedrijf met veiligheidskooi (o)
In de handleiding van het interne transportmiddel wordt in hoofdstuk E paragraaf
„Veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van het interne transportmiddel“ onder
punt „Verbod op gebruik door onbevoegden“ het meevoeren (rijden en heffen) van
een of meer personen in de bestuurderscabine resp. op het lastopnamemiddel ten
alle tijden verboden.
In de handleiding van het interne transportmiddel wordt in hoofdstuk E paragraaf
„Veiligheidsvoorschriften voor het gebruik van het interne transportmiddel“ onder
punt „Verbod op gebruik door onbevoegden“ het meevoeren (rijden en heffen) van
een of meer personen in de bestuurderscabine resp. op het lastopnamemiddel ten
alle tijden verboden.
Wanneer het interne transportmiddel geschikt is voor een afneembare,
goedgekeurde veiligheidskooi, is het in uitzonderlijke situaties toegestaan een
persoon mee te nemen, die daartoe opdracht heeft gekregen van de exploitant.
De bediener / bestuurder moet de in de veiligheidskooi meerijdende persoon een
instructie geven in de aanvullende bediening van de veiligheidskooi en attenderen op
de gevaren.
Voorbeeld: Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet buiten de veiligheidskooi
leunen.
Wanneer het interne transportmiddel geschikt is voor een afneembare,
goedgekeurde veiligheidskooi, is het in uitzonderlijke situaties toegestaan een
persoon mee te nemen, die daartoe opdracht heeft gekregen van de exploitant.
De bediener / bestuurder moet de in de veiligheidskooi meerijdende persoon een
instructie geven in de aanvullende bediening van de veiligheidskooi en attenderen op
de gevaren.
Voorbeeld: Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet buiten de veiligheidskooi
leunen.
Z
Bij gebruik met de veiligheidskooi zijn alleen gereduceerde rijsnelheden en
hydraulische snelheden mogelijk!
Z
Bij gebruik met de veiligheidskooi zijn alleen gereduceerde rijsnelheden en
hydraulische snelheden mogelijk!
M
De uitsluitend voor dit interne
transportmiddel
toegestane
veiligheidskooi moet tijdens het gebruik
mechanisch en elektrisch met het 186
interne transportmiddel zijn verbonden. 185
De veiligheidskooi bezit hiervoor een op
het lastopnamemiddel van het interne
transportmiddel
aangebracht
184
vergrendelingsmechanisme (181, 182)
en een verbindingskabel (180) naar het
interne transportmiddel.
M
De uitsluitend voor dit interne
transportmiddel
toegestane
veiligheidskooi moet tijdens het gebruik
mechanisch en elektrisch met het 186
interne transportmiddel zijn verbonden. 185
De veiligheidskooi bezit hiervoor een op
het lastopnamemiddel van het interne
transportmiddel
aangebracht
184
vergrendelingsmechanisme (181, 182)
en een verbindingskabel (180) naar het
interne transportmiddel.
180
181
182
180
181
182
Z
De veiligheidskooi is met een extra be- 183
dieningsconsole (186) voor tweehandsbediening van de meerijder uitgerust. De
bevestiging van de veiligheidskooi (182) en de gesloten deur (185) worden continu
bewaakt.
Z
Onderhoudsintervallen vindt u in de handleiding in paragraaf „Onderhoudscontrolelijst - veiligheidskooi (o)“ in hoofdstuk F.
Z
Onderhoudsintervallen vindt u in de handleiding in paragraaf „Onderhoudscontrolelijst - veiligheidskooi (o)“ in hoofdstuk F.
0310.NL
De veiligheidskooi is met een extra be- 183
dieningsconsole (186) voor tweehandsbediening van de meerijder uitgerust. De
bevestiging van de veiligheidskooi (182) en de gesloten deur (185) worden continu
bewaakt.
0310.NL
Z
E 111
E 111
7.4.1 Bediening
7.4.1 Bediening
Z
Z
Er mag zich slechts maximaal één persoon op de veiligheidskooi bevinden. Wanneer
een tweede persoon in de veiligheidskooi moet worden meegenomen, moet de kooi
zijn uitgerust met een extra tweehandsbediening.
De bedieners moeten door de bestuurder op de gevaren en het gebruik worden
gewezen.
Voorbeeld: Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet buiten de veiligheidskooi
leunen.
Wanneer de veiligheidskooi in een door de exploitant goedgekeurde
uitzonderingssituatie moet worden opgenomen en een bediener in deze
veiligheidskooi moet meerijden, moet als volgt te werk worden gegaan:
Er mag zich slechts maximaal één persoon op de veiligheidskooi bevinden. Wanneer
een tweede persoon in de veiligheidskooi moet worden meegenomen, moet de kooi
zijn uitgerust met een extra tweehandsbediening.
De bedieners moeten door de bestuurder op de gevaren en het gebruik worden
gewezen.
Voorbeeld: Tijdens het rijden of heffen / neerlaten niet buiten de veiligheidskooi
leunen.
Wanneer de veiligheidskooi in een door de exploitant goedgekeurde
uitzonderingssituatie moet worden opgenomen en een bediener in deze
veiligheidskooi moet meerijden, moet als volgt te werk worden gegaan:
7.4.2 Veiligheidskooi opnemen
7.4.2 Veiligheidskooi opnemen
F
F
Veiligheidskooi zo opnemen op dat tijdens het rijden, heffen of neerlaten altijd
oogcontact tussen bestuurder en bediener van de veiligheidskooi aanwezig is.
– Vorken helemaal in de vorkgeleiding (183) van de veiligheidskooi schuiven.
– Veiligheidskooi iets opheffen, zodat de veiligheidskooi los komt van de vloer.
– Erop letten dat de vergrendeling (182) van de veiligheidskooi in
vergrendeling (181) op het lastopnamemiddel vastklikt.
– Aanbouwapparaat met veiligheidskooi in de basisstand terugschuiven.
Z
– Vorken helemaal in de vorkgeleiding (183) van de veiligheidskooi schuiven.
– Veiligheidskooi iets opheffen, zodat de veiligheidskooi los komt van de vloer.
– Erop letten dat de vergrendeling (182) van de veiligheidskooi in
vergrendeling (181) op het lastopnamemiddel vastklikt.
– Aanbouwapparaat met veiligheidskooi in de basisstand terugschuiven.
de
Z
Op het display verschijnt het symbool "Veiligheidskooi/orderpickbox
opgenomen en geborgd". De opgenomen en vergrendelde veiligheidskooi
wordt door contactloze sensoren gecontroleerd.
– Kabel (180) van de veiligheidskooi met het interne transportmiddel verbinden. De
rij- en hydraulische bewegingen zijn uitsluitend met tweehandsbediening (186) en
gesloten toegangsdeur (185) van de veiligheidskooi mogelijk.
E 112
de
Op het display verschijnt het symbool "Veiligheidskooi/orderpickbox
opgenomen en geborgd". De opgenomen en vergrendelde veiligheidskooi
wordt door contactloze sensoren gecontroleerd.
– Kabel (180) van de veiligheidskooi met het interne transportmiddel verbinden. De
rij- en hydraulische bewegingen zijn uitsluitend met tweehandsbediening (186) en
gesloten toegangsdeur (185) van de veiligheidskooi mogelijk.
De functies "Schuiven" en/of "Draaien" van het aanbouwapparaat zijn geblokkeerd
wanneer de veiligheidskooi is opgenomen en elektrisch is verbonden. Wanneer de
kabel (180) na het opnemen van de veiligheidskooi niet wordt verbonden met het
interne transportmiddel, zijn alle rij-, hef- en daalbewegingen geblokkeerd.
0310.NL
Z
De functies "Schuiven" en/of "Draaien" van het aanbouwapparaat zijn geblokkeerd
wanneer de veiligheidskooi is opgenomen en elektrisch is verbonden. Wanneer de
kabel (180) na het opnemen van de veiligheidskooi niet wordt verbonden met het
interne transportmiddel, zijn alle rij-, hef- en daalbewegingen geblokkeerd.
0310.NL
Z
Veiligheidskooi zo opnemen op dat tijdens het rijden, heffen of neerlaten altijd
oogcontact tussen bestuurder en bediener van de veiligheidskooi aanwezig is.
E 112
7.4.3 Gebruik van de veiligheidskooi
7.4.3 Gebruik van de veiligheidskooi
F
F
F
Z
Voordat de bestuurder begint te rijden,
moet hij zich er van overtuigen dat de
veiligheidsinrichtingen
van
de
veiligheidskooi goed werken. Wanneer 186
één van deze veiligheidsinrichtingen niet 185
goed werkt, mag de veiligheidskooi niet
in gebruik worden genomen. Neem
contact
op
met
de
bevoegde
184
klantenservice van de producent.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw
leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen
183
kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Veiligheidskooi mag pas weer in
gebruik worden genomen nadat het defect is gevonden en verholpen.
180
181
182
F
De deur (185) naar de veiligheidskooi moet tijdens het gebruik altijd gesloten zijn. De
persoon die meerijdt in de veiligheidskooi moet tijdens de rij-, hef- of daalbewegingen
met beide handen de schakelaar van bedieningsconsole (tweehandsbediening)
bedienen.
Z
Wanneer rij- of hydraulische bewegingen de in de veiligheidskooi geïnstalleerde
schakelaars van de tweehandsbediening niet worden bedient worden de rij- of
hydraulische bewegingen gestopt.
Wanneer tijdens rij- of hydraulische bewegingen de deur (185) wordt geopend, dan
worden de rij- en / of hydraulische bewegingen gestopt.
– De toegangsdeur (185) kan worden geopend met de in de veiligheidskooi
aangebrachte schakelaar. Bij storingen kan de deur (185) met de meegeleverde
sleutel (184) worden geopend.
181
182
De deur (185) naar de veiligheidskooi moet tijdens het gebruik altijd gesloten zijn. De
persoon die meerijdt in de veiligheidskooi moet tijdens de rij-, hef- of daalbewegingen
met beide handen de schakelaar van bedieningsconsole (tweehandsbediening)
bedienen.
Wanneer rij- of hydraulische bewegingen de in de veiligheidskooi geïnstalleerde
schakelaars van de tweehandsbediening niet worden bedient worden de rij- of
hydraulische bewegingen gestopt.
Wanneer tijdens rij- of hydraulische bewegingen de deur (185) wordt geopend, dan
worden de rij- en / of hydraulische bewegingen gestopt.
– De toegangsdeur (185) kan worden geopend met de in de veiligheidskooi
aangebrachte schakelaar. Bij storingen kan de deur (185) met de meegeleverde
sleutel (184) worden geopend.
M
Zolang er zich personen ophouden in de opgeheven veiligheidskooi, mag de
bestuurder het intern transportmiddel niet verlaten.
F
De werking van de schakelaar "Veiligheidskooi opgenomen", de schakelaar
"Tweehandsbediening" en de deurschakelaar mogen niet buiten werking worden
gesteld.
In de veiligheidskooi mogen geen extra opstaphulpen (ladders, krukjes en dergelijke)
worden gebruikt.
De bediener(s) moet(en) vóór het rijden (rijden / heffen / neerlaten) controleren dat
geen voorwerpen buiten de omranding van de veiligheidskooi steken en dat de
meegevoerde onderdelen stevig zijn bevestigd.
De veiligheidskooi mag in opgeheven stand niet worden betreden of verlaten.
De maximale extra belading / belasting van de veiligheidskooi mag niet worden
overschreden. De maximale extra belading / belasting van de veiligheidskooi staat
vermeld op het typeplaatje.
0310.NL
F
180
Zolang er zich personen ophouden in de opgeheven veiligheidskooi, mag de
bestuurder het intern transportmiddel niet verlaten.
De werking van de schakelaar "Veiligheidskooi opgenomen", de schakelaar
"Tweehandsbediening" en de deurschakelaar mogen niet buiten werking worden
gesteld.
In de veiligheidskooi mogen geen extra opstaphulpen (ladders, krukjes en dergelijke)
worden gebruikt.
De bediener(s) moet(en) vóór het rijden (rijden / heffen / neerlaten) controleren dat
geen voorwerpen buiten de omranding van de veiligheidskooi steken en dat de
meegevoerde onderdelen stevig zijn bevestigd.
De veiligheidskooi mag in opgeheven stand niet worden betreden of verlaten.
De maximale extra belading / belasting van de veiligheidskooi mag niet worden
overschreden. De maximale extra belading / belasting van de veiligheidskooi staat
vermeld op het typeplaatje.
0310.NL
M
Voordat de bestuurder begint te rijden,
moet hij zich er van overtuigen dat de
veiligheidsinrichtingen
van
de
veiligheidskooi goed werken. Wanneer 186
één van deze veiligheidsinrichtingen niet 185
goed werkt, mag de veiligheidskooi niet
in gebruik worden genomen. Neem
contact
op
met
de
bevoegde
184
klantenservice van de producent.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw
leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen
183
kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Veiligheidskooi mag pas weer in
gebruik worden genomen nadat het defect is gevonden en verholpen.
E 113
E 113
7.4.4 Veiligheidskooi neerzetten
7.4.4 Veiligheidskooi neerzetten
– Kabel (180) van de veiligheidskooi
aan het interne transportmiddel eruit
halen.
186
– Aanbouwapparaat uitschuiven.
185
– Veiligheidskooi neerzetten.
– Vergrendelingsmechanisme
(181, 182) tussen veiligheidskooi en
intern transportmiddel verbreken.
184
– Aanbouwapparaat terugtrekken.
– Kabel (180) van de veiligheidskooi
aan het interne transportmiddel eruit
halen.
186
– Aanbouwapparaat uitschuiven.
185
– Veiligheidskooi neerzetten.
– Vergrendelingsmechanisme
(181, 182) tussen veiligheidskooi en
intern transportmiddel verbreken.
184
– Aanbouwapparaat terugtrekken.
180
181
182
E 114
181
182
0310.NL
183
0310.NL
183
180
E 114
7.5
Weegfunctie (o)
7.5
Weegfunctie (o)
Z
Als
optie
kan
het
interne
transportmiddel voorzien zijn van een
weegfunctie. Nadat de last is
opgenomen wordt het gewicht [in kg]
(187) op het display weergegeven.
Z
Als
optie
kan
het
interne
transportmiddel voorzien zijn van een
weegfunctie. Nadat de last is
opgenomen wordt het gewicht [in kg]
(187) op het display weergegeven.
M
XX
187
kg
M
De weeginrichting is geen vervangen
voor een gekalibreerde weegschaal.
7.5.1 Tarreerfunctie (o)
Z
Z
Als optie kan de weegfunctie worden
uitgerust met een tarreerfunctie. Met
de tarreerfunctie wordt de indicatie van
de weeginrichting op nul gezet
(indicatie op nul zetten).
kg
De weeginrichting is geen vervangen
voor een gekalibreerde weegschaal.
7.5.1 Tarreerfunctie (o)
188
189
Z
190
0
8
Als optie kan de weegfunctie worden
uitgerust met een tarreerfunctie. Met
de tarreerfunctie wordt de indicatie van
de weeginrichting op nul gezet
(indicatie op nul zetten).
Nulstand van de indicatie:
Nulstand van de indicatie:
– Dodemansknop indrukken.
– Zonder last de hoofdhef met de knop
hydraulische regeling (8) ca. 10 cm
heffen.
– Drukknop „Submenu beëindigen“
(20) indrukken.
– Dodemansknop indrukken.
– Zonder last de hoofdhef met de knop
hydraulische regeling (8) ca. 10 cm
heffen.
– Drukknop „Submenu beëindigen“
(20) indrukken.
In dit menu zijn geen voertuigbewegingen mogelijk.
XX
187
20 19
187
0
Z
kg
189
190
0
8
20 19
187
0
kg
– Op het display verschijnt het symbool „Nulstand indicatie weeginrichting" (189).
– Drukknop (19) naast het symbool
„Nulstand
indicatie
weeginrichting“(189) indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool „Voertuigfuncties“ (190) indrukken. De indicatieeenheid gaat naar het menu „Voertuigfuncties“.
– Op het display geeft de gewichtsmeting de waarde nul (187) aan.
0310.NL
0310.NL
– Op het display verschijnt het symbool „Nulstand indicatie weeginrichting" (189).
– Drukknop (19) naast het symbool
„Nulstand
indicatie
weeginrichting“(189) indrukken.
– Drukknop (19) onder het symbool „Voertuigfuncties“ (190) indrukken. De indicatieeenheid gaat naar het menu „Voertuigfuncties“.
– Op het display geeft de gewichtsmeting de waarde nul (187) aan.
In dit menu zijn geen voertuigbewegingen mogelijk.
188
E 115
E 115
E 116
E 116
0310.NL
0310.NL
F Revisie van het interne transportmiddel
F Revisie van het interne transportmiddel
1
1
Bedrijfsveiligheid en milieubescherming
De controles en onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven
moeten worden uitgevoerd volgens de intervallen van de onderhoudscontrolelijsten.
F
F
F
De controles en onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven
moeten worden uitgevoerd volgens de intervallen van de onderhoudscontrolelijsten.
F
Gevaar op ongevallen en gevaar op beschadiging van onderdelen
Iedere verandering aan het interne transportmiddel (vooral veiligheidsvoorzieningen)
is verboden. Verander de werksnelheden van het interne transportmiddel in geen
geval.
F
Alleen originele onderdelen zijn door ons op kwaliteit gecontroleerd. Uitsluitend
onderdelen van de producent gebruiken, om een veilig en betrouwbaar gebruik te
garanderen.
Om veiligheidsreden mogen in de buurt van de computer, de regelingen en de IGantenne alleen componenten in het interne transportmiddel worden ingebouwd, die
speciaal door de producent op dat interne transportmiddel zijn afgestemd. Deze
componenten (computer, regelingen, IG-antenne) mogen dus ook niet worden
vervangen door vergelijkbare componenten uit andere interne transportmiddelen uit
dezelfde serie.
F
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. De olieservice van
de producent staat u ter beschikking voor het verversen van de olie.
Na de controles en onderhoudswerkzaamheden moeten de handelingen worden
uitgevoerd die worden beschreven in de paragraaf "Intern transportmiddel opnieuw
in bedrijf stellen na reinigings- en onderhoudswerkzaamheden" (zie hoofdstuk F).
2
Gevaar op ongevallen en gevaar op beschadiging van onderdelen
Iedere verandering aan het interne transportmiddel (vooral veiligheidsvoorzieningen)
is verboden. Verander de werksnelheden van het interne transportmiddel in geen
geval.
Alleen originele onderdelen zijn door ons op kwaliteit gecontroleerd. Uitsluitend
onderdelen van de producent gebruiken, om een veilig en betrouwbaar gebruik te
garanderen.
Om veiligheidsreden mogen in de buurt van de computer, de regelingen en de IGantenne alleen componenten in het interne transportmiddel worden ingebouwd, die
speciaal door de producent op dat interne transportmiddel zijn afgestemd. Deze
componenten (computer, regelingen, IG-antenne) mogen dus ook niet worden
vervangen door vergelijkbare componenten uit andere interne transportmiddelen uit
dezelfde serie.
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. De olieservice van
de producent staat u ter beschikking voor het verversen van de olie.
Na de controles en onderhoudswerkzaamheden moeten de handelingen worden
uitgevoerd die worden beschreven in de paragraaf "Intern transportmiddel opnieuw
in bedrijf stellen na reinigings- en onderhoudswerkzaamheden" (zie hoofdstuk F).
Veiligheidsvoorschriften voor de revisie
2
Veiligheidsvoorschriften voor de revisie
Personeel voor de revisie: Uitsluitend vakkundig personeel van de producent mag
de interne transportmiddelen onderhouden en repareren. De serviceorganisatie van
de producent beschikt over buitendienstmonteurs die speciaal zijn opgeleid voor
deze taken. Daarom adviseren we u een onderhoudscontract af te sluiten met het
betreffende servicesteunpunt van de producent.
1109.NL
Personeel voor de revisie: Uitsluitend vakkundig personeel van de producent mag
de interne transportmiddelen onderhouden en repareren. De serviceorganisatie van
de producent beschikt over buitendienstmonteurs die speciaal zijn opgeleid voor
deze taken. Daarom adviseren we u een onderhoudscontract af te sluiten met het
betreffende servicesteunpunt van de producent.
1109.NL
Bedrijfsveiligheid en milieubescherming
F1
F1
Heffen en opbokken:
Heffen en opbokken:
M
Veilig optillen en op de bok plaatsen van het interne transportmiddel
Voor het heffen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen uitsluitend
aan de daarvoor bestemde plaatsen bevestigen.
U mag uitsluitend werkzaamheden onder een geheven lastopnamemiddel / cabine
uitvoeren, wanneer deze zijn geborgd met een voldoende sterke ketting of door de
borgbouten.
Om het interne transportmiddel op te tillen en op de bok te plaatsen neemt u de
volgende stappen:
• Intern transportmiddel enkel op een vlakke ondergrond optillen en borgen tegen
onbedoelde bewegingen.
• Uitsluitend een krik met voldoende hefcapaciteit gebruiken. Bij het op de bok
plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken) worden
uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
• Voor het optillen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen
uitsluitend aan de daarvoor bestemde punten bevestigen, zie "Gemarkeerde
punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B.
• Bij het op de bok plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken)
worden uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
Z
Bestuurderscabine borgen die ongewild neerlaten (zie paragraaf "Bestuurderscabine
beveiligen tegen onbedoeld neerlaten" in hoofdstuk F) en hefpunten voor krik (zie
paragraaf "Gemarkeerde punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B).
Z
Bestuurderscabine borgen die ongewild neerlaten (zie paragraaf "Bestuurderscabine
beveiligen tegen onbedoeld neerlaten" in hoofdstuk F) en hefpunten voor krik (zie
paragraaf "Gemarkeerde punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B).
F2
1109.NL
Veilig optillen en op de bok plaatsen van het interne transportmiddel
Voor het heffen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen uitsluitend
aan de daarvoor bestemde plaatsen bevestigen.
U mag uitsluitend werkzaamheden onder een geheven lastopnamemiddel / cabine
uitvoeren, wanneer deze zijn geborgd met een voldoende sterke ketting of door de
borgbouten.
Om het interne transportmiddel op te tillen en op de bok te plaatsen neemt u de
volgende stappen:
• Intern transportmiddel enkel op een vlakke ondergrond optillen en borgen tegen
onbedoelde bewegingen.
• Uitsluitend een krik met voldoende hefcapaciteit gebruiken. Bij het op de bok
plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken) worden
uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
• Voor het optillen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen
uitsluitend aan de daarvoor bestemde punten bevestigen, zie "Gemarkeerde
punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B.
• Bij het op de bok plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken)
worden uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
1109.NL
M
F2
Reinigingswerkzaamheden:
Reinigingswerkzaamheden:
M
Brandgevaar
Het interne transportmiddel mag niet met brandbare vloeistoffen worden gereinigd.
• Voor aanvang van de reinigingswerkzaamheden eerst de verbinding met de batterij
verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Voor aanvang van de reinigingswerkzaamheden moet u eerst alle
veiligheidsmaatregelen treffen die nodig zijn om vonkvorming (bijvoorbeeld door
kortsluiting) uit te sluiten.
M
Gevaar op beschadigingen aan de elektrische installatie
Het reinigen van de elektrische onderdelen van de installatie met water, kan leiden
tot beschadiging aan de elektrische installatie. Reinigen van de elektrische installatie
met water is verboden.
• Elektrische installatie niet met water reinigen.
• Elektrische installaties met zwakke zuig- of perslucht (compressor met
waterafscheider gebruiken) en een niet-geleidende, antistatische kwast reinigen.
M
Gevaar op beschadigingen aan de elektrische installatie
Het reinigen van de elektrische onderdelen van de installatie met water, kan leiden
tot beschadiging aan de elektrische installatie. Reinigen van de elektrische installatie
met water is verboden.
• Elektrische installatie niet met water reinigen.
• Elektrische installaties met zwakke zuig- of perslucht (compressor met
waterafscheider gebruiken) en een niet-geleidende, antistatische kwast reinigen.
M
Gevaar op beschadiging van componenten bij het reinigen van het interne
transportmiddel
Wanneer u het interne transportmiddel reinigt met een waterstraal of
hogedrukreiniger, moet u vooraf alle elektrische en elektronische bouwgroepen
zorgvuldig afdekken, omdat vocht storingen kan veroorzaken. Reiniging met een
stoomstraal is niet toegestaan.
M
Gevaar op beschadiging van componenten bij het reinigen van het interne
transportmiddel
Wanneer u het interne transportmiddel reinigt met een waterstraal of
hogedrukreiniger, moet u vooraf alle elektrische en elektronische bouwgroepen
zorgvuldig afdekken, omdat vocht storingen kan veroorzaken. Reiniging met een
stoomstraal is niet toegestaan.
Z
Na reiniging moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd die worden beschreven
in paragraaf „Intern transportmiddel opnieuw in bedrijf stellen na reinigings- en
onderhoudswerkzaamheden“ (zie hoofdstuk F).
Z
Na reiniging moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd die worden beschreven
in paragraaf „Intern transportmiddel opnieuw in bedrijf stellen na reinigings- en
onderhoudswerkzaamheden“ (zie hoofdstuk F).
1109.NL
Brandgevaar
Het interne transportmiddel mag niet met brandbare vloeistoffen worden gereinigd.
• Voor aanvang van de reinigingswerkzaamheden eerst de verbinding met de batterij
verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Voor aanvang van de reinigingswerkzaamheden moet u eerst alle
veiligheidsmaatregelen treffen die nodig zijn om vonkvorming (bijvoorbeeld door
kortsluiting) uit te sluiten.
1109.NL
M
F3
F3
Werkzaamheden aan de elektrische installatie:
F
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
1109.NL
F
M
Gevaar op ongevallen
• Uitsluitend elektrotechnisch geschoolde vakmensen mogen werkzaamheden
uitvoeren aan de elektrische installatie.
• Voorafgaand aan werkzaamheden moeten alle maatregelen worden getroffen die
nodig zijn om elektrische ongevallen uit te sluiten.
• Voordat u begint met de werkzaamheden de verbinding met de batterij
(batterijstekker eruit trekken) verbreken.
F4
Gevaar op ongevallen
• Uitsluitend elektrotechnisch geschoolde vakmensen mogen werkzaamheden
uitvoeren aan de elektrische installatie.
• Voorafgaand aan werkzaamheden moeten alle maatregelen worden getroffen die
nodig zijn om elektrische ongevallen uit te sluiten.
• Voordat u begint met de werkzaamheden de verbinding met de batterij
(batterijstekker eruit trekken) verbreken.
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
1109.NL
M
Werkzaamheden aan de elektrische installatie:
F4
Bedrijfsmiddelen en oude onderdelen
M
Bedrijfsmiddelen en oude onderdelen
M
Bedrijfstoffen en oude onderdelen zijn gevaarlijk voor het milieu
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. Voor het wisselen
van de olie staat de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de
producent ter beschikking.
• Veiligheidsvoorschriften in acht nemen als u met deze stoffen werkt.
Laswerkzaamheden: Elektrische en elektronische onderdelen uit het interne
transportmiddel demonteren voordat u laswerkzaamheden uitvoert, om schade aan
deze onderdelen te vermijden.
F
Laswerkzaamheden: Elektrische en elektronische onderdelen uit het interne
transportmiddel demonteren voordat u laswerkzaamheden uitvoert, om schade aan
deze onderdelen te vermijden.
F
Het lassen van dragende onderdelen van het interne transportmiddel is enkel
toegestaan na overleg met de producent!
Het lassen van dragende onderdelen van het interne transportmiddel is enkel
toegestaan na overleg met de producent!
Instelwaarden: Bij reparaties en bij het vervangen van hydraulische / elektrische /
elektronische onderdelen moet u de voertuigafhankelijke instelwaarden handhaven.
1109.NL
Instelwaarden: Bij reparaties en bij het vervangen van hydraulische / elektrische /
elektronische onderdelen moet u de voertuigafhankelijke instelwaarden handhaven.
1109.NL
Bedrijfstoffen en oude onderdelen zijn gevaarlijk voor het milieu
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. Voor het wisselen
van de olie staat de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de
producent ter beschikking.
• Veiligheidsvoorschriften in acht nemen als u met deze stoffen werkt.
F5
F5
Wielen:
Z
In de fabriek gemonteerde wielen uitsluitend vervangen door originele onderdelen
van de producent, omdat anders de specificaties van de producent niet worden
aangehouden.
1109.NL
Z
F
Gevaar op ongevallen door gebruik van wielen die niet voldoen aan de
specificaties van de producent
De kwaliteit van de wielen beïnvloedt de stabiliteit en het rijgedrag van het interne
transportmiddel.
Bij een ongelijkmatige slijtage wordt de stabiliteit van het interne transportmiddel
minder en wordt de remweg langer.
• Als de wielen worden vervangen, moet u erop letten dat het interne transportmiddel
niet scheef gaat staan.
• Wielen altijd paarsgewijs vervangen, d.w.z. tegelijkertijd links en rechts.
F6
Gevaar op ongevallen door gebruik van wielen die niet voldoen aan de
specificaties van de producent
De kwaliteit van de wielen beïnvloedt de stabiliteit en het rijgedrag van het interne
transportmiddel.
Bij een ongelijkmatige slijtage wordt de stabiliteit van het interne transportmiddel
minder en wordt de remweg langer.
• Als de wielen worden vervangen, moet u erop letten dat het interne transportmiddel
niet scheef gaat staan.
• Wielen altijd paarsgewijs vervangen, d.w.z. tegelijkertijd links en rechts.
In de fabriek gemonteerde wielen uitsluitend vervangen door originele onderdelen
van de producent, omdat anders de specificaties van de producent niet worden
aangehouden.
1109.NL
F
Wielen:
F6
3
Onderhoud en inspectie
3
Een grondige en vakkundige onderhoudsdienst is één van de belangrijkste
voorwaarden voor een veilig gebruik van het interne transportmiddel. Verzuim van
regelmatig onderhoud kan leiden tot uitval van het interne transportmiddel, en vormt
bovendien een gevaar voor personen en bedrijf.
M
De gebruiksomstandigheden van een intern transportmiddel hebben een aanzienlijke
invloed op de slijtage van de serviceonderdelen.
We adviseren u de Jungheinrich klantadviseur ter plaatse een toepassingsanalyse te
laten uitvoeren en de daarop afgestemde onderhoudsintervallen bepalen, om schade
door slijtage op het juiste moment te vermijden.
De aangegeven onderhoudsintervallen zijn gebaseerd op een één-ploegdienst en
normale werkomstandigheden. Bij hogere belastingen (zoals veel stof, sterke
temperatuurschommelingen of gebruik in meer ploegen) moet u de intervallen
overeenkomstig verkorten.
De gebruiksomstandigheden van een intern transportmiddel hebben een aanzienlijke
invloed op de slijtage van de serviceonderdelen.
We adviseren u de Jungheinrich klantadviseur ter plaatse een toepassingsanalyse te
laten uitvoeren en de daarop afgestemde onderhoudsintervallen bepalen, om schade
door slijtage op het juiste moment te vermijden.
De aangegeven onderhoudsintervallen zijn gebaseerd op een één-ploegdienst en
normale werkomstandigheden. Bij hogere belastingen (zoals veel stof, sterke
temperatuurschommelingen of gebruik in meer ploegen) moet u de intervallen
overeenkomstig verkorten.
De onderstaande onderhoudscontrolelijst geeft de werkzaamheden aan die u moet
verrichten en het tijdstip waarop u ze moet verrichten. De volgende
onderhoudsintervallen zijn gedefinieerd:
De onderstaande onderhoudscontrolelijst geeft de werkzaamheden aan die u moet
verrichten en het tijdstip waarop u ze moet verrichten. De volgende
onderhoudsintervallen zijn gedefinieerd:
W
A
B
C
W
A
B
C
=
=
=
=
om de 50 bedrijfsuren, echter minimaal één keer per week
om de 500 bedrijfsuren
om de 1000 bedrijfsuren, echter minstens een maal per jaar
om de 2000 bedrijfsuren, echter minstens een maal per jaar
Z
De exploitant moet de onderhoudsintervallen W uitvoeren.
1109.NL
Z
Een grondige en vakkundige onderhoudsdienst is één van de belangrijkste
voorwaarden voor een veilig gebruik van het interne transportmiddel. Verzuim van
regelmatig onderhoud kan leiden tot uitval van het interne transportmiddel, en vormt
bovendien een gevaar voor personen en bedrijf.
=
=
=
=
om de 50 bedrijfsuren, echter minimaal één keer per week
om de 500 bedrijfsuren
om de 1000 bedrijfsuren, echter minstens een maal per jaar
om de 2000 bedrijfsuren, echter minstens een maal per jaar
De exploitant moet de onderhoudsintervallen W uitvoeren.
1109.NL
M
Onderhoud en inspectie
F7
F7
4
Onderhoudscontrolelijst EKX
4
Onderhoudscontrolelijst EKX
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
Aandrijving:
Wielen:
Stuurinrichting:
t
t
t
Frame /
Opbouw:
t
t
Aandrijving:
t
Wielen:
t
t
Stuurinrichting:
t
t
t
Reminstallatie:
1109.NL
Reminstallatie:
1.1 Alle dragende elementen op beschadiging controleren
1.2 Boutverbindingen controleren
1.3 Controleren of het bestuurdersplatform goed werkt en
geen schade heeft.
1.4 Controleren van de kentekenplaatjes, typeplaatjes en t
waarschuwingen op leesbaarheid, indien nodig vernieuwen
1.5 Controleren of het batterijdeksel en zijdelen stevig zijn t
bevestigd
2.1 Lagerplaats tussen rijmotor en drijfwerk insmeren
2.2 Drijfwerk controleren op geluiden en lekkages
2.3 Transmissieolie verversen
3.1 Wielen op beschadiging en slijtage controleren
t
3.2 Lagers en bevestiging controleren
4.1 Controleer de indicatie van de wielstand op functioneren
en instelling
4.2 Afstand tussen geleidingsrollen en railgeleiding over de
gehele raillengte controleren. De speling tussen beide
geleidingsrollen en rails (gemeten over de as) moet
0-5 mm bedragen. Rollen mogen niet klemmen.
5.1 Werking en instellingen controleren
5.2 Slijtage van de remvoeringen controleren
F8
1.1 Alle dragende elementen op beschadiging controleren
1.2 Boutverbindingen controleren
1.3 Controleren of het bestuurdersplatform goed werkt en
geen schade heeft.
1.4 Controleren van de kentekenplaatjes, typeplaatjes en t
waarschuwingen op leesbaarheid, indien nodig vernieuwen
1.5 Controleren of het batterijdeksel en zijdelen stevig zijn t
bevestigd
2.1 Lagerplaats tussen rijmotor en drijfwerk insmeren
2.2 Drijfwerk controleren op geluiden en lekkages
2.3 Transmissieolie verversen
3.1 Wielen op beschadiging en slijtage controleren
t
3.2 Lagers en bevestiging controleren
4.1 Controleer de indicatie van de wielstand op functioneren
en instelling
4.2 Afstand tussen geleidingsrollen en railgeleiding over de
gehele raillengte controleren. De speling tussen beide
geleidingsrollen en rails (gemeten over de as) moet
0-5 mm bedragen. Rollen mogen niet klemmen.
5.1 Werking en instellingen controleren
5.2 Slijtage van de remvoeringen controleren
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
1109.NL
Frame /
Opbouw:
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
F8
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
t
t
Hydraulische 6.1 Werking controleren
installatie
6.2 Verbindingen en aansluitingen op dichtheid en beschadiging controleren
6.3 Hydraulische cilinders controleren op dichtheid, beschadiging en bevestiging
6.4 Oliepeil controleren
6.5 Slanggeleiding controleren op goede werking en beschadigingen
6.6 Ventilatie- en ontluchtingsfilter op de hydraulische tank
controleren
6.7 Ventilatie- en ontluchtfilter op de hydraulische tank vervangen
6.8 Hydraulische olie verversen en filterpatroon vervangen
6.9 Werking van de drukbegrenzingsventielen controleren
6.10 Hydraulische slangen op dichtheid en beschadiging
controleren
p)
6.11 Werking van de leidingbreukbeveiliging. controleren
Elektrische
7.1 Werking van de afleider tegen statische lading
t
installatie
controleren
7.2 Werking controleren
7.3 Controleren of de kabels goed vastzitten en niet zijn beschadigd
7.4 Kabelgeleidingen controleren op goede werking en beschadigingen
7.5 Waarschuwingsinrichtingen en veiligheidsschakelaars
controleren op goede werking
7.6 Controleren of de sensoren goed zijn bevestig, niet zijn
beschadigd, schoon zijn en goed werken
7.7 Instrumenten en de indicaties controleren op goede
werking
7.8 Contactgevers en relais controleren, indien nodig versleten onderdelen vervangen
7.9 Controleren of de zekeringen de juiste waarde hebben
Elektro8.2 Motorbevestiging controleren
motoren:
Batterij:
9.1 Zuurdichtheid, zuurstand en celspanning controleren
9.2 Bevestiging van de aansluitklemmen controleren, met
poolboutenvet invetten
9.3 Batterijverbindingen reinigen en controleren of ze goed
vastzitten
9.4 Batterijkabel controleren op beschadiging, indien nodig
vervangen
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
1109.NL
1109.NL
Hydraulische 6.1 Werking controleren
installatie
6.2 Verbindingen en aansluitingen op dichtheid en beschadiging controleren
6.3 Hydraulische cilinders controleren op dichtheid, beschadiging en bevestiging
6.4 Oliepeil controleren
6.5 Slanggeleiding controleren op goede werking en beschadigingen
6.6 Ventilatie- en ontluchtingsfilter op de hydraulische tank
controleren
6.7 Ventilatie- en ontluchtfilter op de hydraulische tank vervangen
6.8 Hydraulische olie verversen en filterpatroon vervangen
6.9 Werking van de drukbegrenzingsventielen controleren
6.10 Hydraulische slangen op dichtheid en beschadiging
controleren
p)
6.11 Werking van de leidingbreukbeveiliging. controleren
Elektrische
7.1 Werking van de afleider tegen statische lading
t
installatie
controleren
7.2 Werking controleren
7.3 Controleren of de kabels goed vastzitten en niet zijn beschadigd
7.4 Kabelgeleidingen controleren op goede werking en beschadigingen
7.5 Waarschuwingsinrichtingen en veiligheidsschakelaars
controleren op goede werking
7.6 Controleren of de sensoren goed zijn bevestig, niet zijn
beschadigd, schoon zijn en goed werken
7.7 Instrumenten en de indicaties controleren op goede
werking
7.8 Contactgevers en relais controleren, indien nodig versleten onderdelen vervangen
7.9 Controleren of de zekeringen de juiste waarde hebben
Elektro8.2 Motorbevestiging controleren
motoren:
Batterij:
9.1 Zuurdichtheid, zuurstand en celspanning controleren
9.2 Bevestiging van de aansluitklemmen controleren, met
poolboutenvet invetten
9.3 Batterijverbindingen reinigen en controleren of ze goed
vastzitten
9.4 Batterijkabel controleren op beschadiging, indien nodig
vervangen
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
p) Hydraulische slangen na zes jaar gebruik vervangen
F9
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
p) Hydraulische slangen na zes jaar gebruik vervangen
F9
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
Hefinstallatie 10.1 Looprollen, geleidingsrollen en aanloopvlakken in de
hefmastprofielen reinigen en voorzien van vet.
t
Hefinstallatie 10.1 Looprollen, geleidingsrollen en aanloopvlakken in de
hefmastprofielen reinigen en voorzien van vet.
M
Let op: Gevaar op vallen!
10.2 Bevestigingen van de hefmast (lagers en bevestigingsbouten) controleren
10.3 Hefkettingen en kettinggeleiding op slijtage controleren,
instellen en insmeren met olie
10.4 Hefkettingen insmeren met olie
t
10.5 Looprollen, glijstukken en aanslagen visueel controleren
10.6 Vorktanden en vorkdragers op beschadiging en slijtage
controleren
Aanbouwap- 11.1 Werking en instellingen controleren
paraten
11.2 Bevestiging aan het apparaat en dragende onderdelen
controleren
11.3 Lagerpunten, geleidingen en aanslagen controleren op
beschadiging en slijtage, schoonmaken en invetten en
tandheugels reinigen en invetten
11.4 Excenterbout- en glijstukinstellingen aan het zwenkschuifmast controleren, indien nodig bijstellen.
11.5 Loop- en geleidingsrollen en zwenklagers van de
zwenkschuifvork insmeren.
Smeerdienst: 12.1 Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren
Algemene
13.1 Elektrische installatie op massasluiting controleren
metingen:
13.2 Rijsnelheid en remweg controleren
13.3 Hef- en daalsnelheid controleren
13.4 Veiligheids- en uitschakelvoorzieningen controleren
13.5 IG: stroomsterkte in de geleidedraad meten,
indien nodig instellen
e)
13.6 Rijgedrag op de IG-draad en de maximale
afwijking controleren, indien nodig instellen
e)
13.7 Invoegmodus op de IG-draad bij plaatsing
in de gang controleren
e)
13.8 IG-functie NOODSTOP controleren
e)
Demonstratie: 14.1 Proefrit met nominale last
14.2 Intern transportmiddel na geslaagd onderhoud aan een
bevoegd persoon presenteren
t
Let op: Gevaar op vallen!
10.2 Bevestigingen van de hefmast (lagers en bevestigingsbouten) controleren
10.3 Hefkettingen en kettinggeleiding op slijtage controleren,
instellen en insmeren met olie
10.4 Hefkettingen insmeren met olie
t
10.5 Looprollen, glijstukken en aanslagen visueel controleren
10.6 Vorktanden en vorkdragers op beschadiging en slijtage
controleren
Aanbouwap- 11.1 Werking en instellingen controleren
paraten
11.2 Bevestiging aan het apparaat en dragende onderdelen
controleren
11.3 Lagerpunten, geleidingen en aanslagen controleren op
beschadiging en slijtage, schoonmaken en invetten en
tandheugels reinigen en invetten
11.4 Excenterbout- en glijstukinstellingen aan het zwenkschuifmast controleren, indien nodig bijstellen.
11.5 Loop- en geleidingsrollen en zwenklagers van de
zwenkschuifvork insmeren.
Smeerdienst: 12.1 Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren
Algemene
13.1 Elektrische installatie op massasluiting controleren
metingen:
13.2 Rijsnelheid en remweg controleren
13.3 Hef- en daalsnelheid controleren
13.4 Veiligheids- en uitschakelvoorzieningen controleren
13.5 IG: stroomsterkte in de geleidedraad meten,
indien nodig instellen
e)
13.6 Rijgedrag op de IG-draad en de maximale
afwijking controleren, indien nodig instellen
e)
13.7 Invoegmodus op de IG-draad bij plaatsing
in de gang controleren
e)
13.8 IG-functie NOODSTOP controleren
e)
Demonstratie: 14.1 Proefrit met nominale last
14.2 Intern transportmiddel na geslaagd onderhoud aan een
bevoegd persoon presenteren
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
t
e) IG: inductief geleide interne transportmiddelen
1109.NL
e) IG: inductief geleide interne transportmiddelen
F 10
t
1109.NL
M
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
F 10
4.0.1 Onderhoudscontrolelijst - veiligheidskooi (o)
4.0.1 Onderhoudscontrolelijst - veiligheidskooi (o)
Z
Z
Naast de in hoofdstuk F van de handleiding van het interne transportmiddel
beschreven punten, moeten de volgende onderhoudspunten worden uitgevoerd.
Naast de in hoofdstuk F van de handleiding van het interne transportmiddel
beschreven punten, moeten de volgende onderhoudspunten worden uitgevoerd.
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
Veiligheidskooi
1
2
3
Veiligheidskooi controleren op goede werking en
beschadigingen
Vergrendeling en vastzetmechanisme aan intern
transportmiddel en veiligheidskooi controleren op
beschadigingen
Kabels, stekkers en schakelaars op beschadigingen
controleren
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
t
Veiligheidskooi
1
t
2
t
3
Veiligheidskooi controleren op goede werking en
beschadigingen
Vergrendeling en vastzetmechanisme aan intern
transportmiddel en veiligheidskooi controleren op
beschadigingen
Kabels, stekkers en schakelaars op beschadigingen
controleren
4.0.2 Onderhoudscontrolelijst - vorkenverstelinstallatie (o)
4.0.2 Onderhoudscontrolelijst - vorkenverstelinstallatie (o)
Z
Z
Naast de in hoofdstuk F van de handleiding van het interne transportmiddel
beschreven punten, moeten de volgende onderhoudspunten worden uitgevoerd.
4.1
1
2
3
Kettingspanning controleren, indien nodig bijstellen
Glijvlakken vorkverstelling reinigen en insmeren
Mechanische eindaanslagen controleren
t
t
Naast de in hoofdstuk F van de handleiding van het interne transportmiddel
beschreven punten, moeten de volgende onderhoudspunten worden uitgevoerd.
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
Vorkenverstelinstallatie
t
Onderhoudsintervallen
Standaard = t
W A B C
t
t
t
Vorkenverstelinstallatie
Smeerschema
4.1
Smeernippel bedrijfsmiddelen E
1
2
3
Kettingspanning controleren, indien nodig bijstellen
Glijvlakken vorkverstelling reinigen en insmeren
Mechanische eindaanslagen controleren
t
t
t
Smeerschema
Smeernippel bedrijfsmiddelen E
1109.NL
Arm
1109.NL
Arm
F 11
F 11
5
Bedrijfsmiddelen en smeerschema
5
Bedrijfsmiddelen en smeerschema
5.1
Veilig werken met bedrijfsmiddelen
5.1
Veilig werken met bedrijfsmiddelen
Bedrijfsmiddelen moeten altijd vakkundig en in overeenstemming met de
aanwijzingen van de producent worden gebruikt.
Bedrijfsmiddelen moeten altijd vakkundig en in overeenstemming met de
aanwijzingen van de producent worden gebruikt.
F
Onvakkundige omgang brengt uw gezondheid en leven, en het milieu in gevaar
Bedrijfsmiddelen kunnen brandbaar zijn.
• Bedrijfsmiddelen niet in contact laten komen met hete onderdelen of open vuur.
• Bedrijfsmiddelen uitsluitend opslaan in vaten die voldoen aan de voorschriften.
• Bedrijfsmiddelen uitsluitend in schone vaten vullen.
• Bedrijfsmiddelen van verschillende kwaliteit niet mengen. U mag uitsluitend
afwijken van dit voorschrift, wanneer het mengen nadrukkelijk wordt
voorgeschreven in deze handleiding.
M
Gevaar op uitglijden en gevaar voor het milieu door gemorste vloeistoffen
Door gemorste vloeistof ontstaat het gevaar dat men kan uitglijden. Dit gevaar wordt
in combinatie met water versterkt.
• Vloeistoffen niet morsen.
• Gemorste vloeistoffen direct met geschikt bindmiddel verwijderen.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
1109.NL
M
Werken met bedrijfsmiddelen
F 12
Onvakkundige omgang brengt uw gezondheid en leven, en het milieu in gevaar
Bedrijfsmiddelen kunnen brandbaar zijn.
• Bedrijfsmiddelen niet in contact laten komen met hete onderdelen of open vuur.
• Bedrijfsmiddelen uitsluitend opslaan in vaten die voldoen aan de voorschriften.
• Bedrijfsmiddelen uitsluitend in schone vaten vullen.
• Bedrijfsmiddelen van verschillende kwaliteit niet mengen. U mag uitsluitend
afwijken van dit voorschrift, wanneer het mengen nadrukkelijk wordt
voorgeschreven in deze handleiding.
Gevaar op uitglijden en gevaar voor het milieu door gemorste vloeistoffen
Door gemorste vloeistof ontstaat het gevaar dat men kan uitglijden. Dit gevaar wordt
in combinatie met water versterkt.
• Vloeistoffen niet morsen.
• Gemorste vloeistoffen direct met geschikt bindmiddel verwijderen.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
1109.NL
F
Werken met bedrijfsmiddelen
F 12
M
Bedrijfstoffen en oude onderdelen zijn gevaarlijk voor het milieu
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. Voor het verversen
van de olie staat de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de
producent ter beschikking.
• Veiligheidsvoorschriften in acht nemen als u met deze stoffen werkt.
1109.NL
M
F
Oliën (kettingspray / hydraulische olie) zijn brandbaar en giftig.
• Oude olie op voorgeschreven wijze afvoeren. Oude olie tot de verwijdering veilig
en op de voorgeschreven wijze bewaren
• Olie niet morsen.
• Gemorste en/of ontsnapte vloeistof moet direct met geschikt bindmiddel worden
verwijderd.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
• De wettelijke voorschriften voor het omgaan met olie in acht nemen.
• Geschikte veiligheidshandschoenen dragen bij het werken met olie.
• Erop letten dat er geen olie op hete motordelen komt.
• Niet roken bij het werken met olie.
• Aanraken en inslikken vermijden. Bij inslikken geen braken veroorzaken, maar
direct een arts raadplegen.
• Na inademen van olienevel of dampen, verse lucht toevoeren.
• Als er olie met de huid in contact is gekomen moet u de huid met water afspoelen.
• Als er olie met de ogen in contact is gekomen moet u de ogen met water uitspoelen
en direct een arts raadplegen.
• Doordrenkte kleding en schoenen direct vervangen.
• Bedrijfsmiddelen en oude onderdelen
Oliën (kettingspray / hydraulische olie) zijn brandbaar en giftig.
• Oude olie op voorgeschreven wijze afvoeren. Oude olie tot de verwijdering veilig
en op de voorgeschreven wijze bewaren
• Olie niet morsen.
• Gemorste en/of ontsnapte vloeistof moet direct met geschikt bindmiddel worden
verwijderd.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
• De wettelijke voorschriften voor het omgaan met olie in acht nemen.
• Geschikte veiligheidshandschoenen dragen bij het werken met olie.
• Erop letten dat er geen olie op hete motordelen komt.
• Niet roken bij het werken met olie.
• Aanraken en inslikken vermijden. Bij inslikken geen braken veroorzaken, maar
direct een arts raadplegen.
• Na inademen van olienevel of dampen, verse lucht toevoeren.
• Als er olie met de huid in contact is gekomen moet u de huid met water afspoelen.
• Als er olie met de ogen in contact is gekomen moet u de ogen met water uitspoelen
en direct een arts raadplegen.
• Doordrenkte kleding en schoenen direct vervangen.
• Bedrijfsmiddelen en oude onderdelen
Bedrijfstoffen en oude onderdelen zijn gevaarlijk voor het milieu
Oude onderdelen en vervangen bedrijfsmiddelen moeten op juiste wijze volgens de
geldende bepalingen voor milieubescherming worden afgevoerd. Voor het verversen
van de olie staat de speciaal voor deze taken geschoolde klantenservice van de
producent ter beschikking.
• Veiligheidsvoorschriften in acht nemen als u met deze stoffen werkt.
1109.NL
F
F 13
F 13
G
G
G
G
G
G
E
E
E
E
H
H
E
B
g
E
E
Glijvlakken
B
A
a Aftapbout transmissieolie
g
s Smeernippels
Glijvlakken
A
a Aftapbout transmissieolie
s Smeernippels
Vulopening hydraulische olie
Vulopening hydraulische olie
1109.NL
c Aftapbout hydraulische olie
1109.NL
c Aftapbout hydraulische olie
F 14
E
F 14
5.2
Bedrijfsmiddelen
Code
A
B
E
5.2
Bestelnummer
Leverhoeveelheid
51037497
51037494
5l
1l
51085361*
5l
50022968
5l
400 g
(patroon)
1 kg
14038650
29201430
Inhoud
Aanduiding
Toepassing
Code
Bestelnummer
Leverhoeveelheid
51037497
51037494
5l
1l
51085361*
5l
50022968
ca. 3,6 l
29201430
5l
400 g
(patroon)
1 kg
HLP D22 inclusief 2 %
aandeel toevoegstof 68
ID
Plantohyd 22 S
(BIO hydraulische olie)
SAE 80 EP API GL4
---
Smeervet lithium KP2K-30
(DIN 51825)
Algemeen
tandheugels
Inhoud
Aanduiding
Toepassing
ca. 3,6 l
HLP D22 inclusief 2 %
aandeel toevoegstof 68
ID
Plantohyd 22 S
(BIO hydraulische olie)
SAE 80 EP API GL4
Algemeen
tandheugels
E
---
Smeervet lithium KP2K-30
(DIN 51825)
G
29201280
400 ml
---
Kettingspray
Tunfluid LT 220
hefmast
Loopbaan
hefkettingen
H
50157382
1 kg
400 g
Smeervet lithium K3K-20
(DIN 51825)
Voorwiellagers
ca. 30 l
Hydraulische
installatie
A
Drijfwerk
B
G
29201280
400 ml
---
Kettingspray
Tunfluid LT 220
hefmast
Loopbaan
hefkettingen
H
50157382
1 kg
400 g
Smeervet lithium K3K-20
(DIN 51825)
Voorwiellagers
* Bovendien 2% toevoegmiddel 68 ID (bestelnummer 50307735)
14038650
ca. 30 l
Hydraulische
installatie
Drijfwerk
* Bovendien 2% toevoegmiddel 68 ID (bestelnummer 50307735)
F
De voertuigen worden af fabriek geleverd met de hydraulische olie „HLP D22“ of met
de biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S + 2 % toevoegmiddel 68/D“.
Overstappen van biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ naar hydraulische
olie „HLP D22“ is niet toegestaan. Hetzelfde geldt voor het overstappen van
hydraulische olie „HLP D22“ naar biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“.
Bovendien is het vermengen van hydraulische olie „HLP D22“ met biologische
hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ niet toegestaan.
1109.NL
De voertuigen worden af fabriek geleverd met de hydraulische olie „HLP D22“ of met
de biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S + 2 % toevoegmiddel 68/D“.
Overstappen van biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ naar hydraulische
olie „HLP D22“ is niet toegestaan. Hetzelfde geldt voor het overstappen van
hydraulische olie „HLP D22“ naar biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“.
Bovendien is het vermengen van hydraulische olie „HLP D22“ met biologische
hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ niet toegestaan.
1109.NL
F
Bedrijfsmiddelen
F 15
F 15
6
Beschrijving van de onderhouds- en revisiewerkzaamheden
6
Beschrijving van de onderhouds- en revisiewerkzaamheden
6.1
Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en
revisiewerkzaamheden
6.1
Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en
revisiewerkzaamheden
Alle vereiste veiligheidsmaatregelen nemen voor het voorkomen van ongevallen bij
onderhouds- en revisiewerkzaamheden. De volgende voorwaarden realiseren:
– Intern transportmiddel veilig neerzetten,
zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E.
– Intern transportmiddel uitschakelen met het contactslot (contactslot in stand „0“).
– Batterijstekker eruit trekken en het interne transportmiddel op deze manier tegen
onbedoeld in gebruik nemen beveiligen.
– Bij werkzaamheden onder een opgetild intern transportmiddel moet u het zodanig
borgen, dat wegzakken, kantelen of wegglijden is uitgesloten.
– Afdekking op de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Intern transportmiddel veilig neerzetten,
zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig parkeren“ in hoofdstuk E.
– Intern transportmiddel uitschakelen met het contactslot (contactslot in stand „0“).
– Batterijstekker eruit trekken en het interne transportmiddel op deze manier tegen
onbedoeld in gebruik nemen beveiligen.
– Bij werkzaamheden onder een opgetild intern transportmiddel moet u het zodanig
borgen, dat wegzakken, kantelen of wegglijden is uitgesloten.
– Afdekking op de aandrijfruimte verwijderen, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
F 16
Bij werkzaamheden onder geheven lastvorken of geheven intern transportmiddel
moet u deze zodanig beveiligen, dat dalen, kantelen of wegglijden is uitgesloten. Bij
het heffen van het intern transportmiddel moet u bovendien de voorschriften van het
hoofdstuk „Transport en eerste inbedrijfstelling“ in acht nemen.
Intern transportmiddel tegen wegrollen beveiligen wanneer u werkzaamheden aan
de parkeerrem uitvoert.
1109.NL
F
Bij werkzaamheden onder geheven lastvorken of geheven intern transportmiddel
moet u deze zodanig beveiligen, dat dalen, kantelen of wegglijden is uitgesloten. Bij
het heffen van het intern transportmiddel moet u bovendien de voorschriften van het
hoofdstuk „Transport en eerste inbedrijfstelling“ in acht nemen.
Intern transportmiddel tegen wegrollen beveiligen wanneer u werkzaamheden aan
de parkeerrem uitvoert.
1109.NL
F
Alle vereiste veiligheidsmaatregelen nemen voor het voorkomen van ongevallen bij
onderhouds- en revisiewerkzaamheden. De volgende voorwaarden realiseren:
F 16
6.2
Bestuurdersplaatsdrager borgen
6.2
Bestuurdersplaatsdrager borgen
Z
Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden
onder de reparatiewerkzaamheden resp. het
lastopnamemiddel moet de bestuurderscabine in
opgeheven stand worden geborgd tegen
onbedoeld neerlaten. De bestuurderscabine
mag niet met laadgoed op het lastopnamemiddel
worden beveiligd, zodat personen onder de
bestuurderscabine geen letsel kunnen oplopen
door naar beneden vallend laadgoed. Zonder
gemonteerde cabinebeveiliging mogen er geen
werkzaamheden onder de bestuurderscabine
worden verricht.
Z
Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden
onder de reparatiewerkzaamheden resp. het
lastopnamemiddel moet de bestuurderscabine in
opgeheven stand worden geborgd tegen
onbedoeld neerlaten. De bestuurderscabine
mag niet met laadgoed op het lastopnamemiddel
worden beveiligd, zodat personen onder de
bestuurderscabine geen letsel kunnen oplopen
door naar beneden vallend laadgoed. Zonder
gemonteerde cabinebeveiliging mogen er geen
werkzaamheden onder de bestuurderscabine
worden verricht.
1
2
3
4
– De veiligheidsladder zodanig naast het interne
transportmiddel, dat de bestuurderscabine in
opgeheven
stand
veilig
met
de
veiligheidsladder kan worden verlaten.
– Bestuurdersplaatsdrager opheffen, totdat de
binnenmast (1) zich boven de drager (2) van
de lastopnamebeveiliging bevindt.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Veiligheidsboom openen.
M
1
2
3
4
– De veiligheidsladder zodanig naast het interne
transportmiddel, dat de bestuurderscabine in
opgeheven
stand
veilig
met
de
veiligheidsladder kan worden verlaten.
– Bestuurdersplaatsdrager opheffen, totdat de
binnenmast (1) zich boven de drager (2) van
de lastopnamebeveiliging bevindt.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Veiligheidsboom openen.
M
4
Gevaar op vallen bij verlaten van de
bestuurderscabine
Bij het overstappen van de bestuurderscabine op
de veiligheidsladder moet u voorzichtig en
langzaam te werk gaan. De stabiliteit van de
veiligheidsladder moet altijd gegarandeerd zijn.
• Enkel veiligheidsladders gebruiken met voldoende lengte (ten minste 2 m).
– Bestuurderscabine voorzichtig via de veiligheidsladder verlaten.
– Batterijdeksel openen.
– Batterijstekker uittrekken en zo voorkomen dat het interne transportmiddel
onbedoeld in gebruik wordt genomen.
– Bevestigingsbout (4) eruit schroeven en borgbout (3) van drager (2) aan de
hefmast eraf nemen.
– Borgbout (3) op de verticale boring van de drager (2) plaatsen en vastschroeven.
– Bestuurdersplaatsdrager met het neerlaatventiel zover neerlaten, tot de
binnenmast (1) op de borgbout zit, zie paragraaf "Nooddalen bestuurderscabine/
extra hef" in hoofdstuk E.
– Neerlaatventiel volledig sluiten.
1109.NL
1109.NL
– Bestuurderscabine voorzichtig via de veiligheidsladder verlaten.
– Batterijdeksel openen.
– Batterijstekker uittrekken en zo voorkomen dat het interne transportmiddel
onbedoeld in gebruik wordt genomen.
– Bevestigingsbout (4) eruit schroeven en borgbout (3) van drager (2) aan de
hefmast eraf nemen.
– Borgbout (3) op de verticale boring van de drager (2) plaatsen en vastschroeven.
– Bestuurdersplaatsdrager met het neerlaatventiel zover neerlaten, tot de
binnenmast (1) op de borgbout zit, zie paragraaf "Nooddalen bestuurderscabine/
extra hef" in hoofdstuk E.
– Neerlaatventiel volledig sluiten.
4
Gevaar op vallen bij verlaten van de
bestuurderscabine
Bij het overstappen van de bestuurderscabine op
de veiligheidsladder moet u voorzichtig en
langzaam te werk gaan. De stabiliteit van de
veiligheidsladder moet altijd gegarandeerd zijn.
• Enkel veiligheidsladders gebruiken met voldoende lengte (ten minste 2 m).
F 17
F 17
M
Nadat het onderhoud en/of de reparatie is
uitgevoerd
Nadat het onderhoud en/of de reparatie is
uitgevoerd
– Batterijverbinding opnieuw aansluiten.
– Batterijdeksel sluiten.
– Batterijverbinding opnieuw aansluiten.
– Batterijdeksel sluiten.
Gevaar op vallen bij betreden van de
bestuurderscabine
Bij het overstappen van de veiligheidsladder in
de bestuurderscabine moet u voorzichtig en
langzaam te werk gaan. De stabiliteit van de
veiligheidsladder moet altijd gegarandeerd zijn.
• Enkel veiligheidsladders gebruiken met
voldoende lengte (ten minste 2 m).
1
M
2
3
4
F 18
1
2
3
4
1109.NL
– Bestuurderscabine veilig betreden via de
veiligheidsladder.
– Veiligheidsboom sluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen.
– Bestuurderscabine opheffen, zodat de
binnenmast (1) niet meer op de borgbout (3)
ligt.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Veiligheidsboom openen.
– Bestuurderscabine
voorzichtig
via
de
4
veiligheidsladder verlaten.
– Bevestigingsbout (4) eruit schroeven en
borgbout (3) uit de verticale boring van de
drager (2) trekken.
– Borgbout (3) in de drager (2) plaatsen en
vastschroeven
– Bestuurderscabine veilig betreden via de veiligheidsladder.
– Veiligheidsboom sluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen.
– Bestuurderscabine neerlaten.
1109.NL
– Bestuurderscabine veilig betreden via de
veiligheidsladder.
– Veiligheidsboom sluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen.
– Bestuurderscabine opheffen, zodat de
binnenmast (1) niet meer op de borgbout (3)
ligt.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Veiligheidsboom openen.
– Bestuurderscabine
voorzichtig
via
de
4
veiligheidsladder verlaten.
– Bevestigingsbout (4) eruit schroeven en
borgbout (3) uit de verticale boring van de
drager (2) trekken.
– Borgbout (3) in de drager (2) plaatsen en
vastschroeven
– Bestuurderscabine veilig betreden via de veiligheidsladder.
– Veiligheidsboom sluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen.
– Bestuurderscabine neerlaten.
Gevaar op vallen bij betreden van de
bestuurderscabine
Bij het overstappen van de veiligheidsladder in
de bestuurderscabine moet u voorzichtig en
langzaam te werk gaan. De stabiliteit van de
veiligheidsladder moet altijd gegarandeerd zijn.
• Enkel veiligheidsladders gebruiken met
voldoende lengte (ten minste 2 m).
F 18
F
6.3
F
Gevaar op ongevallen door niet gesmeerde of verkeerd gereinigde
hefkettingen
Hefkettingen zijn veiligheidselementen. Hefkettingen mogen geen wezenlijke
verontreiniging laten zien. Hefkettingen en scharnierpennen moeten altijd schoon en
goed gesmeerd zijn.
• Hefkettingen alleen met paraffinederivaten reinigen, zoals petroleum of
dieselbrandstof.
• Hefkettingen nooit met de stoomreiniger, koude reinigers of chemische reinigers
reinigen.
• Na het reinigen, de hefketting direct met perslucht drogen en inspuiten in met
kettingspray.
• Hefketting alleen in onbelaste toestand bijsmeren.
• Hefketting vooral in het gebied van de omkeerrollen bijzonder zorgvuldig smeren.
Z
De intervallen die zijn aangegeven in de onderhoudscontrolelijst, gelden voor
normaal gebruik. Bij hogere belastingen (stof, temperatuur) moet de hefkettingen
vaker worden gesmeerd. De voorgeschreven kettingspray op voorgeschreven wijze
gebruiken. Met het uitwendig aanbrengen van vet bereikt u niet voldoende smering
van de hefkettingen.
1109.NL
Z
Onderhoud van de hefketting
Onderhoud van de hefketting
Gevaar op ongevallen door niet gesmeerde of verkeerd gereinigde
hefkettingen
Hefkettingen zijn veiligheidselementen. Hefkettingen mogen geen wezenlijke
verontreiniging laten zien. Hefkettingen en scharnierpennen moeten altijd schoon en
goed gesmeerd zijn.
• Hefkettingen alleen met paraffinederivaten reinigen, zoals petroleum of
dieselbrandstof.
• Hefkettingen nooit met de stoomreiniger, koude reinigers of chemische reinigers
reinigen.
• Na het reinigen, de hefketting direct met perslucht drogen en inspuiten in met
kettingspray.
• Hefketting alleen in onbelaste toestand bijsmeren.
• Hefketting vooral in het gebied van de omkeerrollen bijzonder zorgvuldig smeren.
De intervallen die zijn aangegeven in de onderhoudscontrolelijst, gelden voor
normaal gebruik. Bij hogere belastingen (stof, temperatuur) moet de hefkettingen
vaker worden gesmeerd. De voorgeschreven kettingspray op voorgeschreven wijze
gebruiken. Met het uitwendig aanbrengen van vet bereikt u niet voldoende smering
van de hefkettingen.
1109.NL
6.3
F 19
F 19
6.4
F
Gevaar op ongevallen bij onderhoudswerkzaamheden op hooggelegen
onderhoudspunten
Bij werkzaamheden aan hooggelegen onderhoudspunten (bijv. smeren van de
hefmast) bestaat er gevaar op vallen en beknellingsgevaar.
• Persoonlijke beschermingsmiddelen dragen.
• Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders gebruiken.
• Geen ladder gebruiken die tegen het voertuig moet worden geplaatst.
• Niet onder de bestuurderscabine en/of het aanbouwapparaat gaan staan.
F 20
Hefkettingen insmeren, loopvlakken in de hefmastprofielen reinigen en
invetten
Gevaar op ongevallen bij onderhoudswerkzaamheden op hooggelegen
onderhoudspunten
Bij werkzaamheden aan hooggelegen onderhoudspunten (bijv. smeren van de
hefmast) bestaat er gevaar op vallen en beknellingsgevaar.
• Persoonlijke beschermingsmiddelen dragen.
• Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders gebruiken.
• Geen ladder gebruiken die tegen het voertuig moet worden geplaatst.
• Niet onder de bestuurderscabine en/of het aanbouwapparaat gaan staan.
Voorwaarden:
Voorwaarden:
– Intern transportmiddel is op een vlakke vloer geplaatst.
– Een tweede persoon de opdracht geven het intern transportmiddel te bedienen.
– Persoonlijke beschermingsmiddelen omdoen.
– Intern transportmiddel is op een vlakke vloer geplaatst.
– Een tweede persoon de opdracht geven het intern transportmiddel te bedienen.
– Persoonlijke beschermingsmiddelen omdoen.
Benodigd gereedschap en materiaal
Benodigd gereedschap en materiaal
– Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders
– Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders
1109.NL
F
Hefkettingen insmeren, loopvlakken in de hefmastprofielen reinigen en
invetten
1109.NL
6.4
F 20
Werkwijze
F
Werkwijze
F
Gevaar op ongevallen
Bij het opheffen van het aanbouwapparaat en/of de bestuurderscabine op de hoogte
van het plafond letten!
– Aanbouwapparaat en/of bestuurderscabine door de tweede persoon volledig
opheffen.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Batterijstekker uittrekken.
F
– Aanbouwapparaat en/of bestuurderscabine door de tweede persoon volledig
opheffen.
– Intern transportmiddel uitschakelen.
– Batterijstekker uittrekken.
F
Het opstellen van de veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder onder het niet
geborgde aanbouwapparaat en/of de bestuurderscabine is verboden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen en/of stappen.
• Nooit onder het opgetilde aanbouwapparaat / de bestuurderscabine gaan staan en
eronder blijven staan.
– Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder direct naast het interne transportmiddel positioneren.
– Vanaf de veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder de:
– hefkettingen insmeren.
– loopvlakken in de hefmastprofielen reinigen en invetten.
Z
Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders verwijderen.
Batterijstekker aansluiten op het interne transportmiddel.
Intern transportmiddel inschakelen.
Aanbouwapparaat en/of bestuurderscabine door de tweede persoon volledig
neerlaten.
Smeermiddelen zie "Bedrijfsmiddelen" in hoofdstuk F.
–
–
–
–
Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladders verwijderen.
Batterijstekker aansluiten op het interne transportmiddel.
Intern transportmiddel inschakelen.
Aanbouwapparaat en/of bestuurderscabine door de tweede persoon volledig
neerlaten.
1109.NL
–
–
–
–
Het opstellen van de veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder onder het niet
geborgde aanbouwapparaat en/of de bestuurderscabine is verboden.
• Personen uit de gevarenzone van het interne transportmiddel sturen.
• Nooit in de bewegende delen van het interne transportmiddel grijpen en/of stappen.
• Nooit onder het opgetilde aanbouwapparaat / de bestuurderscabine gaan staan en
eronder blijven staan.
– Veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder direct naast het interne transportmiddel positioneren.
– Vanaf de veiligheidskooi, hefplatform of veiligheidsladder de:
– hefkettingen insmeren.
– loopvlakken in de hefmastprofielen reinigen en invetten.
Smeermiddelen zie "Bedrijfsmiddelen" in hoofdstuk F.
1109.NL
Z
Gevaar op ongevallen
Bij het opheffen van het aanbouwapparaat en/of de bestuurderscabine op de hoogte
van het plafond letten!
F 21
F 21
F
6.5
F 22
Inspectie van de hefketting
Ontoelaatbare slijtage en uitwendige beschadigingen:
Ontoelaatbare slijtage en uitwendige beschadigingen:
Volgens de officiële voorschriften is een ketting versleten, wanneer hij in het gedeelte
dat over het omkeerwiel loopt, circa 3 % langer is geworden. Jungheinrich adviseert
uit veiligheidsoverwegingen deze te vervangen bij een verlenging van 2 %.
Ook bij uitwendige beschadigingen van de ketting moet u de ketting onmiddellijk
vervangen, aangezien dergelijke beschadigingen na een bepaalde tijd leiden tot
vermoeidheidsbreuken.
Volgens de officiële voorschriften is een ketting versleten, wanneer hij in het gedeelte
dat over het omkeerwiel loopt, circa 3 % langer is geworden. Jungheinrich adviseert
uit veiligheidsoverwegingen deze te vervangen bij een verlenging van 2 %.
Ook bij uitwendige beschadigingen van de ketting moet u de ketting onmiddellijk
vervangen, aangezien dergelijke beschadigingen na een bepaalde tijd leiden tot
vermoeidheidsbreuken.
F
Wanneer het interne transportmiddel twee hefkettingen heeft, moet u altijd beide
hefkettingen vervangen. Uitsluitend dan is een gelijkmatige lastverdeling op beide
kettingen gegarandeerd.
• Bij het vervangen van de kettingen moeten ook de verbindingsbouten tussen
kettinganker en ketting worden vervangen.
• Alleen originele onderdelen gebruiken.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
1109.NL
Z
Inspectie van de hefketting
Wanneer het interne transportmiddel twee hefkettingen heeft, moet u altijd beide
hefkettingen vervangen. Uitsluitend dan is een gelijkmatige lastverdeling op beide
kettingen gegarandeerd.
• Bij het vervangen van de kettingen moeten ook de verbindingsbouten tussen
kettinganker en ketting worden vervangen.
• Alleen originele onderdelen gebruiken.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
1109.NL
6.5
F 22
F
Z
F
6.6
F
Gevaar op ongevallen door poreuze hydraulische slangleidingen
Slangleidingen moeten na een gebruiksduur van zes jaar worden vervangen. De
producent beschikt over een speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice.
• Veiligheidsregels voor hydraulische slangleidingen volgens BGR 237 in acht
nemen.
Z
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
F
Gevaar op ongevallen door lekkende hydraulische leidingen
Uit lekke of defecte hydraulische leidingen kan hydraulische olie stromen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
F
Letselgevaar en infectiegevaar door haarfijne scheuren in hydraulische
leidingen
Onder druk staande hydraulische olie kan door kleine gaatjes of haarfijne scheuren
in de hydraulische leiding door de huid dringen en ernstig letsel veroorzaken.
• Bij letsel meteen een arts raadplegen.
• Onder druk staande hydraulische leidingen niet aanraken.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
1109.NL
F
Hydraulische slangleidingen
Hydraulische slangleidingen
Gevaar op ongevallen door poreuze hydraulische slangleidingen
Slangleidingen moeten na een gebruiksduur van zes jaar worden vervangen. De
producent beschikt over een speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice.
• Veiligheidsregels voor hydraulische slangleidingen volgens BGR 237 in acht
nemen.
De firma Jungheinrich AG beschikt over een speciaal voor deze taken geschoolde
klantenservice.
Gevaar op ongevallen door lekkende hydraulische leidingen
Uit lekke of defecte hydraulische leidingen kan hydraulische olie stromen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
Letselgevaar en infectiegevaar door haarfijne scheuren in hydraulische
leidingen
Onder druk staande hydraulische olie kan door kleine gaatjes of haarfijne scheuren
in de hydraulische leiding door de huid dringen en ernstig letsel veroorzaken.
• Bij letsel meteen een arts raadplegen.
• Onder druk staande hydraulische leidingen niet aanraken.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
1109.NL
6.6
F 23
F 23
6.7
M
Aandrijvingskap demonteren / monteren
6.7
Aandrijvingskap demonteren
Aandrijvingskap demonteren
– De twee sleufschroeven (6) uitdraaien met
een sleufschroevendraaier.
– Aandrijvingskap (11) naar achteren neigen
en er naar boven toe uittillen 6
(zie pijlrichting).
11
– De twee sleufschroeven (6) uitdraaien met
een sleufschroevendraaier.
– Aandrijvingskap (11) naar achteren neigen
en er naar boven toe uittillen 6
(zie pijlrichting).
11
Aandrijvingskap monteren
Aandrijvingskap monteren
M
Beknellingsgevaar
Bij het plaatsen van de afdekking van de
aandrijfruimte bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het plaatsen van de afdekking mag er
niets tussen de afdekking en het interne
transportmiddel zitten.
Beknellingsgevaar
Bij het plaatsen van de afdekking van de
aandrijfruimte bestaat er beknellingsgevaar.
• Bij het plaatsen van de afdekking mag er
niets tussen de afdekking en het interne
transportmiddel zitten.
1109.NL
– Aandrijvingskap (11) schuin in het voertuigframe zetten en naar voren neigen.
– Aandrijvingskap (11) met de sleufschroeven (6) aan het interne transportmiddel
bevestigen.
– Sleufschroeven (6) met de sleufschroevendraaier vastdraaien.
– Intern transportmiddel na reiniging- of onderhoudswerkzaamheden weer in bedrijf
nemen, zie paragraaf "Inbedrijfstelling van het interne transportmiddel na
onderhouds- en revisiewerkzaamheden" in hoofdstuk F.
1109.NL
– Aandrijvingskap (11) schuin in het voertuigframe zetten en naar voren neigen.
– Aandrijvingskap (11) met de sleufschroeven (6) aan het interne transportmiddel
bevestigen.
– Sleufschroeven (6) met de sleufschroevendraaier vastdraaien.
– Intern transportmiddel na reiniging- of onderhoudswerkzaamheden weer in bedrijf
nemen, zie paragraaf "Inbedrijfstelling van het interne transportmiddel na
onderhouds- en revisiewerkzaamheden" in hoofdstuk F.
F 24
Aandrijvingskap demonteren / monteren
F 24
6.8
Peil hydraulische olie controleren
6.8
Peil hydraulische olie controleren
M
De hydraulische olie staat tijdens het bedrijf onder druk en is gevaarlijk voor
gezondheid en milieu.
• Onder druk staande hydraulische leidingen niet aanraken.
• Oude olie volgens de voorschriften afvoeren. Oude olie veilig bewaren tot aan de
afvoer volgens de voorschriften.
• Hydraulische olie niet morsen.
• Gemorste en/of ontsnapte vloeistof moet direct met geschikt bindmiddel worden
verwijderd.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
• Wettelijke voorschriften voor het omgaan met hydraulische olie in acht nemen.
• Geschikte veiligheidshandschoenen dragen als u met hydraulische olie werkt.
• Ervoor zorgen dat er geen hydraulische olie op hete motordelen komt.
• Niet roken als u met hydraulische olie werkt.
• Aanraken en inslikken vermijden. Bij inslikken geen braken veroorzaken, maar
direct een arts raadplegen.
• Na inademen van olienevel of dampen, verse lucht toevoeren.
• Als er olie met de huid in contact is gekomen moet u de huid met water afspoelen.
• Als er olie met de ogen in contact is gekomen moet u de ogen met water uitspoelen
en direct een arts raadplegen.
• Doordrenkte kleding en schoenen direct vervangen.
M
De hydraulische olie staat tijdens het bedrijf onder druk en is gevaarlijk voor
gezondheid en milieu.
• Onder druk staande hydraulische leidingen niet aanraken.
• Oude olie volgens de voorschriften afvoeren. Oude olie veilig bewaren tot aan de
afvoer volgens de voorschriften.
• Hydraulische olie niet morsen.
• Gemorste en/of ontsnapte vloeistof moet direct met geschikt bindmiddel worden
verwijderd.
• Het mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende
voorschriften afvoeren.
• Wettelijke voorschriften voor het omgaan met hydraulische olie in acht nemen.
• Geschikte veiligheidshandschoenen dragen als u met hydraulische olie werkt.
• Ervoor zorgen dat er geen hydraulische olie op hete motordelen komt.
• Niet roken als u met hydraulische olie werkt.
• Aanraken en inslikken vermijden. Bij inslikken geen braken veroorzaken, maar
direct een arts raadplegen.
• Na inademen van olienevel of dampen, verse lucht toevoeren.
• Als er olie met de huid in contact is gekomen moet u de huid met water afspoelen.
• Als er olie met de ogen in contact is gekomen moet u de ogen met water uitspoelen
en direct een arts raadplegen.
• Doordrenkte kleding en schoenen direct vervangen.
F
Gevaar op ongevallen door lekkende hydraulische leidingen
Uit lekke of defecte hydraulische leidingen kan hydraulische olie stromen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
1109.NL
Gevaar op ongevallen door lekkende hydraulische leidingen
Uit lekke of defecte hydraulische leidingen kan hydraulische olie stromen.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
• Gemorste, ontsnapte vloeistof direct met geschikt bindmiddel verwijderen. Het
mengsel van bindmiddel en bedrijfsmiddelen volgens de geldende voorschriften
afvoeren.
1109.NL
F
F 25
F 25
6.8.1 Peil hydraulische olie controleren en indien nodig hydraulische olie bijvullen
6.8.1 Peil hydraulische olie controleren en indien nodig hydraulische olie bijvullen
Voorwaarden
Voorwaarden
– Intern transportmiddel op een vlakke
ondergrond neerzetten.
– Hoofdhef en extra hef volledig
neerlaten.
– Intern transportmiddel voorbereiden
op onderhouds- en revisiewerkzaamheden (zie paragraaf "Intern transportmiddel voorbereiden op onderhoudsen revisiewerkzaamheden" in dit
hoofdstuk).
– Intern transportmiddel op een vlakke
ondergrond neerzetten.
– Hoofdhef en extra hef volledig
neerlaten.
– Intern transportmiddel voorbereiden
op onderhouds- en revisiewerkzaamheden (zie paragraaf "Intern transportmiddel voorbereiden op onderhoudsen revisiewerkzaamheden" in dit
hoofdstuk).
7
Werkwijze
Werkwijze
5
5
– Ontluchtingsfilter(5) met oliepeilstok
8a
(7) tegen de klok in uit de hydraulische
tank (8a) draaien.
– Het hydraulische oliepeil moet tussen de markeringen „MIN“ en „MAX“ van de
oliepeilstok (7) liggen.
1109.NL
1109.NL
– Ontluchtingsfilter(5) met oliepeilstok
8a
(7) tegen de klok in uit de hydraulische
tank (8a) draaien.
– Het hydraulische oliepeil moet tussen de markeringen „MIN“ en „MAX“ van de
oliepeilstok (7) liggen.
F 26
7
F 26
M
M
Beschadigingen door te volle hydraulische tank
Het hydraulische oliepeil mag de markering „MAX“ van de oliepeilstok niet
overschrijden, aangezien uitstromende olie tot storingen en beschadigingen aan de
hydraulische installatie kunnen leiden.
– Als het hydraulische oliepeil onder de markering „MIN“ op de oliepeilstok (7) komt,
moet er ca. 4,5 l nieuwe hydraulische olie worden bijgevuld volgens de
bedrijfsmiddelentabel, om de hogere markering „MAX“ op de oliepeilstok (7) te
bereiken. Vervolgens is de hydraulische tank (8a) volledig gevuld.
– Interne transportmiddelen met biologische hydraulische olie zijn op de
hydraulische tank voorzien van het waarschuwingsplaatje „Uitsluitend
bijvullen met biologische hydraulische olie“. In dit geval mag u
uitsluitend de biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ gebruiken
voor het bijvullen van de hydraulische tank.
– Interne transportmiddelen met normale hydraulische olie zijn op de
hydraulische tank voorzien van het waarschuwingsplaatje „Bijvullen
met hydraulische olie“. In dit geval mag u uitsluitend hydraulische olie
„HLP D22 inclusief 2 % aandeel additief 68 ID“ gebruiken voor het
bijvullen van de hydraulische tank.
F
– Als het hydraulische oliepeil onder de markering „MIN“ op de oliepeilstok (7) komt,
moet er ca. 4,5 l nieuwe hydraulische olie worden bijgevuld volgens de
bedrijfsmiddelentabel, om de hogere markering „MAX“ op de oliepeilstok (7) te
bereiken. Vervolgens is de hydraulische tank (8a) volledig gevuld.
– Interne transportmiddelen met biologische hydraulische olie zijn op de
hydraulische tank voorzien van het waarschuwingsplaatje „Uitsluitend
bijvullen met biologische hydraulische olie“. In dit geval mag u
uitsluitend de biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ gebruiken
voor het bijvullen van de hydraulische tank.
– Interne transportmiddelen met normale hydraulische olie zijn op de
hydraulische tank voorzien van het waarschuwingsplaatje „Bijvullen
met hydraulische olie“. In dit geval mag u uitsluitend hydraulische olie
„HLP D22 inclusief 2 % aandeel additief 68 ID“ gebruiken voor het
bijvullen van de hydraulische tank.
F
Overstappen van biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ naar hydraulische
olie „HLP D22“ is niet toegestaan. Hetzelfde geldt voor het overstappen van
hydraulische olie„HLP D22“ naar biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“.
Het vermengen van hydraulische olie „HLP D22“ met biologische hydraulische olie
„Plantohyd 22 S“ is niet toegestaan.
Overstappen van biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“ naar hydraulische
olie „HLP D22“ is niet toegestaan. Hetzelfde geldt voor het overstappen van
hydraulische olie„HLP D22“ naar biologische hydraulische olie „Plantohyd 22 S“.
Het vermengen van hydraulische olie „HLP D22“ met biologische hydraulische olie
„Plantohyd 22 S“ is niet toegestaan.
– Ontluchtingsfilter (5) met oliepeilstok (7) met de klok mee in de hydraulische
tank (8a) draaien.
– Afdekking op de aandrijfruimte monteren, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Intern transportmiddel na reiniging- of onderhoudswerkzaamheden weer in bedrijf
nemen, zie paragraaf "Inbedrijfstelling van het interne transportmiddel na
onderhouds- en revisiewerkzaamheden" in hoofdstuk F.
1109.NL
– Ontluchtingsfilter (5) met oliepeilstok (7) met de klok mee in de hydraulische
tank (8a) draaien.
– Afdekking op de aandrijfruimte monteren, zie paragraaf "Aandrijvingskap
demonteren / monteren" in hoofdstuk F.
– Intern transportmiddel na reiniging- of onderhoudswerkzaamheden weer in bedrijf
nemen, zie paragraaf "Inbedrijfstelling van het interne transportmiddel na
onderhouds- en revisiewerkzaamheden" in hoofdstuk F.
1109.NL
Beschadigingen door te volle hydraulische tank
Het hydraulische oliepeil mag de markering „MAX“ van de oliepeilstok niet
overschrijden, aangezien uitstromende olie tot storingen en beschadigingen aan de
hydraulische installatie kunnen leiden.
F 27
F 27
6.9
F
F
M
Elektrische zekeringen controleren
6.9
F
F
Uitsluitend bevoegd vakpersoneel mag elektrische zekeringen controleren en
vervangen.
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
M
Brandgevaar en componentbeschadiging door gebruik van verkeerde
zekeringen
Het gebruik van verkeerde zekeringen kan leiden tot beschadigingen aan de
elektrische installatie en tot brand. De veiligheid en functionaliteit van het interne
transportmiddel zijn niet meer gegarandeerd als er verkeerde zekeringen worden
gebruikt.
• Enkel zekeringen gebruiken met de voorgeschreven nominale stroom, zie
paragraaf "Zekeringwaarden" in hoofdstuk F.
– Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en revisiewerkzaamheden
(zie hoofdstuk F).
– Waarde van alle zekeringen volgens de tabel controleren, indien nodig vervangen.
F 28
Uitsluitend bevoegd vakpersoneel mag elektrische zekeringen controleren en
vervangen.
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
Brandgevaar en componentbeschadiging door gebruik van verkeerde
zekeringen
Het gebruik van verkeerde zekeringen kan leiden tot beschadigingen aan de
elektrische installatie en tot brand. De veiligheid en functionaliteit van het interne
transportmiddel zijn niet meer gegarandeerd als er verkeerde zekeringen worden
gebruikt.
• Enkel zekeringen gebruiken met de voorgeschreven nominale stroom, zie
paragraaf "Zekeringwaarden" in hoofdstuk F.
– Intern transportmiddel voorbereiden op onderhouds- en revisiewerkzaamheden
(zie hoofdstuk F).
– Waarde van alle zekeringen volgens de tabel controleren, indien nodig vervangen.
Alleen de op de regeling aangegeven zekeringswaarde mag worden gebruikt. De
zekeringen volgens DIN- en EN-normen mogen niet voor zekeringen worden gebruikt
op basis van de UL-norm! Hetzelfde geldt ook in omgekeerde richting!
1109.NL
F
Alleen de op de regeling aangegeven zekeringswaarde mag worden gebruikt. De
zekeringen volgens DIN- en EN-normen mogen niet voor zekeringen worden gebruikt
op basis van de UL-norm! Hetzelfde geldt ook in omgekeerde richting!
1109.NL
F
Elektrische zekeringen controleren
F 28
15
15
16
14
14
20 19 18 17
13
20 19 18 17
12
13
Pos.
12
13
14
15
16
Aanduiding
1F11
3F10
2F15
F2.1
5F1
17
18
19
20
F3.1
F1.2
5F2
1F3
Beveiliging van:
Rijden
Sturen
Hydraulische installatie
DC/DC-omzetter U1 ingang 48 V
Verlichting en speciale uitrusting
48 V
DC/DC-omzetter U1 uitgang 24 V
DC/DC-omzetter U16 ingang 48 V
DC/DC-omzetter U16 uitgang 24 V
Aandrijfregeling
Waarde
160 A (DIN, EN)
250 A (UL)
35 A (DIN, EN)
35 A (UL)
250 A (DIN, EN)
400 A (UL)
48 V / 10 A (UL)
48 V / 10 A (UL)
24 V / 10 A (UL)
48 V / 4 A (UL)
24 V / 6,3 A (UL)
1 A (UL)
12
Pos.
12
13
14
15
16
Aanduiding
1F11
3F10
2F15
F2.1
5F1
17
18
19
20
F3.1
F1.2
5F2
1F3
M
Beveiliging van:
Rijden
Sturen
Hydraulische installatie
DC/DC-omzetter U1 ingang 48 V
Verlichting en speciale uitrusting
48 V
DC/DC-omzetter U1 uitgang 24 V
DC/DC-omzetter U16 ingang 48 V
DC/DC-omzetter U16 uitgang 24 V
Aandrijfregeling
Waarde
160 A (DIN, EN)
250 A (UL)
35 A (DIN, EN)
35 A (UL)
250 A (DIN, EN)
400 A (UL)
48 V / 10 A (UL)
48 V / 10 A (UL)
24 V / 10 A (UL)
48 V / 4 A (UL)
24 V / 6,3 A (UL)
1 A (UL)
De bevestigingsmoeren van de zekeringen 1F11 (12), 3F10 (13) en 2F15 (14) met
een aanhaalmoment van 10 Nm vastdraaien.
1109.NL
De bevestigingsmoeren van de zekeringen 1F11 (12), 3F10 (13) en 2F15 (14) met
een aanhaalmoment van 10 Nm vastdraaien.
1109.NL
M
16
F 29
F 29
F
F
Weer in gebruik nemen van intern transportmiddel na reinigings- of
onderhoudswerkzaamheden
6.10
U mag het voertuig na reiniging of revisiewerkzaamheden pas weer in gebruik nemen
nadat u de volgende werkzaamheden hebt verricht:
U mag het voertuig na reiniging of revisiewerkzaamheden pas weer in gebruik nemen
nadat u de volgende werkzaamheden hebt verricht:
– Batterijverbinding opnieuw aansluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen, daarvoor sleutel in het contactslot steken en tot
de aanslag naar rechts draaien.
– Batterijverbinding opnieuw aansluiten.
– Intern transportmiddel inschakelen, daarvoor sleutel in het contactslot steken en tot
de aanslag naar rechts draaien.
F
Na reinigings- of onderhoudswerkzaamheden moeten alle veiligheidsvoorzieningen
weer op hun werking worden getest.
Na reinigings- of onderhoudswerkzaamheden moeten alle veiligheidsvoorzieningen
weer op hun werking worden getest.
Veiligheidsvoorzieningen op werking controleren:
Veiligheidsvoorzieningen op werking controleren:
– Controleren of NOODSTOP-schakelaar werk, daarvoor de NOODSTOPschakelaar indrukken. De hoofdstroomkring wordt onderbroken, zodat er geen
voertuigbewegingen kunnen worden uitgevoerd. Vervolgens de NOODSTOPschakelaar ontgrendelen door hem te draaien.
– Controleren of de bedienings- en displayelementen goed werken.
– Controleren of de claxon werkt, daarvoor op de knop „Claxon” drukken.
– Controleren of de dodemansknop goed werkt.
– Stuurinrichting controleren op goede werking.
– Controleer of de veiligheidsbomen goed werken.
– Controleren of NOODSTOP-schakelaar werk, daarvoor de NOODSTOPschakelaar indrukken. De hoofdstroomkring wordt onderbroken, zodat er geen
voertuigbewegingen kunnen worden uitgevoerd. Vervolgens de NOODSTOPschakelaar ontgrendelen door hem te draaien.
– Controleren of de bedienings- en displayelementen goed werken.
– Controleren of de claxon werkt, daarvoor op de knop „Claxon” drukken.
– Controleren of de dodemansknop goed werkt.
– Stuurinrichting controleren op goede werking.
– Controleer of de veiligheidsbomen goed werken.
F
Gevaar op ongevallen door defecte remmen
Onmiddellijk na de ingebruikname probeert u de rem verschillende keren om de
werking van de remmen te controleren.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
zie
Gevaar op ongevallen door defecte remmen
Onmiddellijk na de ingebruikname probeert u de rem verschillende keren om de
werking van de remmen te controleren.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
– Controleren of de bedrijfs- en de parkeerrem goed werkt.
– Intern transportmiddel volgens smeerschema insmeren,
"Smeerschema" in hoofdstuk F.
paragraaf
1109.NL
– Controleren of de bedrijfs- en de parkeerrem goed werkt.
– Intern transportmiddel volgens smeerschema insmeren,
"Smeerschema" in hoofdstuk F.
F 30
Weer in gebruik nemen van intern transportmiddel na reinigings- of
onderhoudswerkzaamheden
zie
paragraaf
1109.NL
6.10
F 30
F
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom bij werkzaamheden met
contactspray
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
1109.NL
F
Z
Bij schakelproblemen in het elektrische gedeelte moet u de vrijliggende contacten
inspuiten met contactspray en een mogelijke oxidelaag op de contacten van de
bedieningselementen verwijderen door deze meerdere keren te bedienen.
Bij schakelproblemen in het elektrische gedeelte moet u de vrijliggende contacten
inspuiten met contactspray en een mogelijke oxidelaag op de contacten van de
bedieningselementen verwijderen door deze meerdere keren te bedienen.
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom bij werkzaamheden met
contactspray
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
1109.NL
Z
F 31
F 31
7
Het interne transportmiddel stilleggen
7
Wanneer het interne transportmiddel langer dan 1 maand wordt stilgelegd
(bijvoorbeeld uit bedrijfskundige overwegingen), mag u het uitsluitend in een
vorstvrije en droge ruimte parkeren en moet u de maatregelen vóór, tijdens en na de
stillegging verrichten zoals beschreven.
F
Het interne transportmiddel stilleggen
Wanneer het interne transportmiddel langer dan 1 maand wordt stilgelegd
(bijvoorbeeld uit bedrijfskundige overwegingen), mag u het uitsluitend in een
vorstvrije en droge ruimte parkeren en moet u de maatregelen vóór, tijdens en na de
stillegging verrichten zoals beschreven.
F
Veilig optillen en op de bok plaatsen van het interne transportmiddel
Voor het heffen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen uitsluitend
aan de daarvoor bestemde plaatsen bevestigen.
U mag uitsluitend werkzaamheden onder een geheven lastopnamemiddel / cabine
uitvoeren, wanneer deze zijn geborgd met een voldoende sterke ketting of door de
borgbouten.
Om het interne transportmiddel op te tillen en op de bok te plaatsen neemt u de
volgende stappen:
• Intern transportmiddel enkel op een vlakke ondergrond optillen en borgen tegen
onbedoelde bewegingen.
• Uitsluitend een krik met voldoende hefcapaciteit gebruiken. Bij het op de bok
plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken) worden
uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
• Voor het optillen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen
uitsluitend aan de daarvoor bestemde punten bevestigen, zie "Gemarkeerde
punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B.
• Bij het op de bok plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken)
worden uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
Veilig optillen en op de bok plaatsen van het interne transportmiddel
Voor het heffen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen uitsluitend
aan de daarvoor bestemde plaatsen bevestigen.
U mag uitsluitend werkzaamheden onder een geheven lastopnamemiddel / cabine
uitvoeren, wanneer deze zijn geborgd met een voldoende sterke ketting of door de
borgbouten.
Om het interne transportmiddel op te tillen en op de bok te plaatsen neemt u de
volgende stappen:
• Intern transportmiddel enkel op een vlakke ondergrond optillen en borgen tegen
onbedoelde bewegingen.
• Uitsluitend een krik met voldoende hefcapaciteit gebruiken. Bij het op de bok
plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken) worden
uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
• Voor het optillen van het interne transportmiddel de bevestigingsmiddelen
uitsluitend aan de daarvoor bestemde punten bevestigen, zie "Gemarkeerde
punten en typeplaatjes" in hoofdstuk B.
• Bij het op de bok plaatsen moet met geschikte middelen (wig, harthouten blokken)
worden uigesloten dat het voertuig wegglijdt of kantelt.
M
Het interne transportmiddel moet tijdens de stillegging zodanig op de bok zijn
geplaatst, dat de wielen geen contact maken met de vloer. Uitsluitend op deze manier
is gewaarborgd dat wielen en wiellagers niet worden beschadigd.
Z
Wanneer u het interne transportmiddel langer dan zes maanden stillegt, moet u
verdergaande maatregelen afspreken met de servicedienst van de producent.
Z
Wanneer u het interne transportmiddel langer dan zes maanden stillegt, moet u
verdergaande maatregelen afspreken met de servicedienst van de producent.
F 32
1109.NL
Het interne transportmiddel moet tijdens de stillegging zodanig op de bok zijn
geplaatst, dat de wielen geen contact maken met de vloer. Uitsluitend op deze manier
is gewaarborgd dat wielen en wiellagers niet worden beschadigd.
1109.NL
M
F 32
7.1
Maatregelen vóór de stillegging
7.1
– Intern transportmiddel grondig reinigen.
– Remmen controleren.
– Niveau van de hydraulische olie controleren, indien nodig bijvullen (zie
hoofdstuk F).
– Een dunne olie- of vetfilm aanbrengen op alle mechanische onderdelen van de
machine, die niet zijn voorzien van een verflaag.
– Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren (zie hoofdstuk F).
– Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
– Batterijstekker eraf trekken, reinigen en de poolbouten invetten met poolvet.
Z
Bovendien de aanwijzingen van de producent van de batterij in acht nemen.
7.2
Maatregelen tijdens de stillegging
– Intern transportmiddel grondig reinigen.
– Remmen controleren.
– Niveau van de hydraulische olie controleren, indien nodig bijvullen (zie
hoofdstuk F).
– Een dunne olie- of vetfilm aanbrengen op alle mechanische onderdelen van de
machine, die niet zijn voorzien van een verflaag.
– Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren (zie hoofdstuk F).
– Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
– Batterijstekker eraf trekken, reinigen en de poolbouten invetten met poolvet.
– Alle vrijliggende elektrische contacten inspuiten met een geschikte contactspray.
Z
Bovendien de aanwijzingen van de producent van de batterij in acht nemen.
7.2
Maatregelen tijdens de stillegging
– Alle vrijliggende elektrische contacten inspuiten met een geschikte contactspray.
Om de twee maanden:
Om de twee maanden:
– Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
– Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
M
Interne transportmiddelen met batterij:
U moet de batterij beslist regelmatig opladen, omdat de batterij anders door
zelfontlading uitgeput zou raken. De hiermee gepaard gaande sulfatering zou de
batterij vernielen.
1109.NL
Interne transportmiddelen met batterij:
U moet de batterij beslist regelmatig opladen, omdat de batterij anders door
zelfontlading uitgeput zou raken. De hiermee gepaard gaande sulfatering zou de
batterij vernielen.
1109.NL
M
Maatregelen vóór de stillegging
F 33
F 33
Intern transportmiddel na de stillegging weer in gebruik nemen
–
–
–
–
–
–
Intern transportmiddel grondig reinigen.
Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren (zie hoofdstuk F).
Batterij reinigen, de poolbouten insmeren met poolvet en batterij vastklemmen.
Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
Transmissieolie op condenswater controleren, indien nodig verversen.
Hydraulische olie op condenswater controleren, indien nodig verversen.
Z
De producent beschikt over een speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice.
Z
Interne transportmiddelen met batterij:
Bij schakelproblemen in de elektronica moet u de vrijliggende contacten inspuiten
met contactspray en een mogelijke oxidelaag op de contacten van de
bedieningselementen verwijderen door ze verschillende keren te bedienen.
F
F 34
Intern transportmiddel na de stillegging weer in gebruik nemen
–
–
–
–
–
–
– Intern transportmiddel in gebruik nemen (zie hoofdstuk E).
De producent beschikt over een speciaal voor deze taak geschoolde klantenservice.
Z
Interne transportmiddelen met batterij:
Bij schakelproblemen in de elektronica moet u de vrijliggende contacten inspuiten
met contactspray en een mogelijke oxidelaag op de contacten van de
bedieningselementen verwijderen door ze verschillende keren te bedienen.
F
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom bij werkzaamheden met
contactspray
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
F
Gevaar op ongevallen door defecte remmen
Onmiddellijk na de ingebruikname probeert u de rem verschillende keren om de
werking van de remmen te controleren.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
Intern transportmiddel grondig reinigen.
Intern transportmiddel volgens het smeerschema insmeren (zie hoofdstuk F).
Batterij reinigen, de poolbouten insmeren met poolvet en batterij vastklemmen.
Batterij opladen (zie hoofdstuk D).
Transmissieolie op condenswater controleren, indien nodig verversen.
Hydraulische olie op condenswater controleren, indien nodig verversen.
Z
1109.NL
F
7.3
– Intern transportmiddel in gebruik nemen (zie hoofdstuk E).
Gevaar op ongevallen door elektrische stroom bij werkzaamheden met
contactspray
Aan de elektrische installatie mag alleen worden gewerkt in spanningsloze toestand.
De in de regeling ingebouwde condensatoren moeten volledig ontladen zijn. De
condensatoren zijn na ca. 10 min volledig ontladen. Voor aanvang van de
onderhoudswerkzaamheden:
• Intern transportmiddel veilig parkeren, zie paragraaf „Intern transportmiddel veilig
parkeren“ in hoofdstuk E.
• Schakelaar NOODSTOP indrukken.
• Verbinding met de batterij verbreken (batterijstekker eruit trekken).
• Ringen, metalen armbanden en dergelijke afdoen voordat u werkzaamheden
verricht aan elektrische onderdelen.
Gevaar op ongevallen door defecte remmen
Onmiddellijk na de ingebruikname probeert u de rem verschillende keren om de
werking van de remmen te controleren.
• Vastgestelde gebreken direct bij uw leidinggevende melden.
• Defecte interne transportmiddelen kenmerken en buiten bedrijf stellen.
• Intern transportmiddel pas weer in gebruik nemen nadat het defect is gevonden en
verholpen.
1109.NL
7.3
F 34
8
Veiligheidstest na een bepaalde tijd en bij buitengewone gebeurtenissen
8
Veiligheidstest na een bepaalde tijd en bij buitengewone gebeurtenissen
Z
Er moet een veiligheidstest volgens de nationale voorschriften worden uitgevoerd.
Jungheinrich adviseert een controle volgens FEM-richtlijn 4.004. Jungheinrich biedt
voor deze controles een speciale garantieservice met daarvoor opgeleide
medewerkers.
Z
Er moet een veiligheidstest volgens de nationale voorschriften worden uitgevoerd.
Jungheinrich adviseert een controle volgens FEM-richtlijn 4.004. Jungheinrich biedt
voor deze controles een speciale garantieservice met daarvoor opgeleide
medewerkers.
Een persoon die hier speciaal voor is opgeleid, moet het interne transportmiddel na
bijzondere gebeurtenissen of minstens één keer per jaar (nationale voorschriften in
acht nemen) controleren. Deze persoon moet zijn beoordeling uitsluitend geven
vanuit veiligheidsoogpunt en mag niet zijn beïnvloed door bedrijfskundige of
economische omstandigheden. Deze persoon moet bewijzen voldoende kennis en
ervaring te hebben om de toestand van een intern transportmiddel en de effectiviteit
van de bescherminrichting volgens de regels van de techniek en de principes voor de
controle van interne transportmiddelen te kunnen beoordelen.
Een persoon die hier speciaal voor is opgeleid, moet het interne transportmiddel na
bijzondere gebeurtenissen of minstens één keer per jaar (nationale voorschriften in
acht nemen) controleren. Deze persoon moet zijn beoordeling uitsluitend geven
vanuit veiligheidsoogpunt en mag niet zijn beïnvloed door bedrijfskundige of
economische omstandigheden. Deze persoon moet bewijzen voldoende kennis en
ervaring te hebben om de toestand van een intern transportmiddel en de effectiviteit
van de bescherminrichting volgens de regels van de techniek en de principes voor de
controle van interne transportmiddelen te kunnen beoordelen.
Daarbij moet hij de technische toestand van het interne transportmiddel ten aanzien
van veiligheid volledig controleren. Daarnaast moet hij het interne transportmiddel
ook grondig onderzoeken op beschadigingen, die kunnen zijn veroorzaakt door
eventueel ondeskundig gebruik. Hij moet een controlerapport opstellen. De
resultaten van de controle minimaal tot na twee volgende controles bewaren.
Daarbij moet hij de technische toestand van het interne transportmiddel ten aanzien
van veiligheid volledig controleren. Daarnaast moet hij het interne transportmiddel
ook grondig onderzoeken op beschadigingen, die kunnen zijn veroorzaakt door
eventueel ondeskundig gebruik. Hij moet een controlerapport opstellen. De
resultaten van de controle minimaal tot na twee volgende controles bewaren.
De exploitant moet ervoor zorgen dat gebreken onmiddellijk worden verholpen.
De exploitant moet ervoor zorgen dat gebreken onmiddellijk worden verholpen.
Z
Als optisch bewijs wordt het interne transportmiddel na een geslaagde controle
voorzien van een controlesticker. Deze sticker geeft aan in welke maand van welk
jaar de volgende controle plaatsvindt.
9
Definitief buiten bedrijf stellen, afvoeren
9
Definitief buiten bedrijf stellen, afvoeren
Z
Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet u het interne transportmiddel vakkundig
buiten bedrijf stellen en afvoeren volgens de betreffende geldende voorschriften van
uw land. Met name de voorschriften voor het afvoeren van de batterij, de
bedrijfsmiddelen, de elektronica en de elektrische installatie naleven.
Z
Bij definitieve buitenbedrijfstelling moet u het interne transportmiddel vakkundig
buiten bedrijf stellen en afvoeren volgens de betreffende geldende voorschriften van
uw land. Met name de voorschriften voor het afvoeren van de batterij, de
bedrijfsmiddelen, de elektronica en de elektrische installatie naleven.
10
Meting van lichaamstrillingen
10
Meting van lichaamstrillingen
Z
Trillingen die tijdens het rijden gedurende de dag op de bestuurder inwerken, worden
lichaamstrillingen genoemd. Te hoge lichaamstrillingen veroorzaken zijn op lange
termijn schadelijk voor de gezondheid van de bestuurder. Ter bescherming van de
bestuurder is derhalve de Europese exploitantenrichtlijn "2002/44/EG/Trilling" van
kracht geworden.
Om de exploitant te helpen bij het inschatten van de toepassingssituatie, biedt de
producent meting van deze lichaamstrillingen aan als dienstverlening.
Z
Trillingen die tijdens het rijden gedurende de dag op de bestuurder inwerken, worden
lichaamstrillingen genoemd. Te hoge lichaamstrillingen veroorzaken zijn op lange
termijn schadelijk voor de gezondheid van de bestuurder. Ter bescherming van de
bestuurder is derhalve de Europese exploitantenrichtlijn "2002/44/EG/Trilling" van
kracht geworden.
Om de exploitant te helpen bij het inschatten van de toepassingssituatie, biedt de
producent meting van deze lichaamstrillingen aan als dienstverlening.
1109.NL
Als optisch bewijs wordt het interne transportmiddel na een geslaagde controle
voorzien van een controlesticker. Deze sticker geeft aan in welke maand van welk
jaar de volgende controle plaatsvindt.
1109.NL
Z
F 35
F 35
F 36
F 36
1109.NL
1109.NL
A Bijlage tractiebatterij
Inhoudsopgave
A
Bijlage tractiebatterij................................................................
1
Gebruik volgens bestemming ..................................................................
Typeplaatje ..............................................................................................
Veiligheidsaanwijzingen, waarschuwingen en andere aanwijzingen.......
Loodbatterijen met pantserplaatcellen en vloeibaar elektrolyt.................
Beschrijving .............................................................................................
Gebruik ....................................................................................................
Onderhoud loodbatterijen met pantserplaatcellen...................................
Loodbatterijen met gesloten pantserplaatcellen PzV en PzV-BS............
Beschrijving .............................................................................................
Gebruik ....................................................................................................
Onderhoud loodbatterijen met gesloten pantserplaatcellen PzV en PzVBS............................................................................................................
6
Waterbijvulsysteem Aquamatik ...............................................................
6.1 Opbouw waterbijvulsysteem....................................................................
6.2 Functiebeschrijving..................................................................................
6.3 Vullen.......................................................................................................
6.4 Waterdruk ................................................................................................
6.5 Vulduur ....................................................................................................
6.6 Waterkwaliteit ..........................................................................................
6.7 Batterijslangen.........................................................................................
6.8 Bedrijfstemperatuur .................................................................................
6.9 Reinigingsmethoden................................................................................
6.10 Servicewagen ..........................................................................................
7
Elektrolytcirculatie....................................................................................
7.1 Functiebeschrijving..................................................................................
8
Batterijen reinigen....................................................................................
9
Batterij opslaan........................................................................................
10
Storingshulp.............................................................................................
11
Afdanking.................................................................................................
2
2
3
4
4
5
8
9
9
10
13
14
14
15
15
15
16
16
16
16
17
17
18
18
20
22
22
22
03.13 NL
1
2
3
4
4.1
4.2
4.3
5
5.1
5.2
5.3
1
1
Gebruik volgens bestemming
Als de gebruikshandleiding niet in acht worden genomen, als bij de reparatie geen
originele vervangingsonderdelen worden gebruikt, als er eigenmachtige ingrepen
plaatsvinden, als er additieven aan de elektrolyt wordt toegevoegd vervalt de
garantie.
Aanwijzingen voor het behoud van de beschermingsgraad tijdens het gebruik van de
batterijen conform Ex I en Ex II in acht nemen (zie bijbehorend certificaat).
2
Typeplaatje
1,2
3
4
5
6
7
8
9
10
15
11
13
12
14
Batterij-aanduiding
Batterijtype
Productieweek / bouwjaar
Serienummer
Leveranciersnummer
Nominale spanning
Nominale capaciteit
Batterijgewicht in kg
Aantal cellen
Eletrolytvolume in liter
Batterijnummer
Producent
Logo van de producent
CE-markering alleen voor batterijen vanaf 75 V
Veiligheidsaanwijzingen en waarschuwingen
03.13 NL
1
2
3
4
5
6
7
9
8
15
10
11
13
12
14
2
3
Veiligheidsaanwijzingen, waarschuwingen en andere
aanwijzingen
Gebruikte batterijen is afval dat onder strenge bewaking moet
worden gerecycled.
Deze batterij is voorzien van het recyclingteken en een
doorgestreepte vuilnisbak en mag niet bij het huisvuil
worden gegooid.
De wijze van terugname en hergebruik moet volgens artikel 8 van de
Duitse batterijenwetgeving (BattG) worden overeengekomen met de
producent van de batterij.
Roken verboden!
Geen open vuur, gloed of vonken in de buurt van de batterij. Er
bestaat explosie- en brandgevaar!
Explosie- en brandgevaar, kortsluiting door oververhitting vermijden!
Uit de buurt houden van open vuur en sterke hittebronnen.
Bij werkzaamheden aan cellen en batterijen moeten persoonlijke
beschermingsmiddelen (bijvoorbeeld veiligheidsbril en
veiligheidshandschoenen)
worden gedragen.
Na de werkzaamheden handen wassen. Uitsluitend geïsoleerd
gereedschap gebruiken. Batterij niet mechanisch bewerken,
stoten, inklemmen, samendrukken, inkerven, deuken of andere
modificaties aanbrengen.
Gevaarlijke elektrische spanning! Metalen delen van de batterijcellen
staan altijd onder spanning, daarom mogen er geen vreemde
voorwerpen of gereedschappen op de batterij worden gelegd.
Nationale voorschriften voor ongevallenpreventie in acht nemen.
Bij het uittreden van inhoudsstoffen de dampen niet inademen.
Veiligheidshandschoenen dragen.
Gebruiksaanwijzing lezen en zichtbaar op de laadplaats
aanbrengen!
03.13 NL
Werkzaamheden aan batterij uitsluitend na instructie door
vakpersoneel uitvoeren!
3
4
Loodbatterijen met pantserplaatcellen en vloeibaar
elektrolyt
4.1
Beschrijving
Tractiebatterijen van Jungheinrich zijn loodbatterijen met pantserplaatcellen en
vloeibaar elektrolyt. De benamingen voor de tractiebatterijen zijn PzS, PzB, PzS Lib
en PzM.
Elektrolyt
De nominale dichtheid van het elektrolyt heeft betrekking op 30 °C en de nominale
elektrolytstand in volledig opgeladen toestand. Hogere temperaturen verlagen,
lagere temperaturen verhogen de elektrolytdichtheid. De bijbehorende
correctiefactor bedraagt ± 0,0007 kg/l per K, bijvoorbeeld elektrolytdichtheid 1,28 kg/
l bij 45 °C komt overeen met een dichtheid van 1,29 kg/l bij 30°C.
Het elektrolyt moet voldoen aan de zuiverheidsvoorschriften van DIN 43530 deel 2.
4.1.1 Nominale gegevens batterij
1.
Product
Tractiebatterij
2.
Nominale spanning (nominaal)
2,0 V x aantal cellen
3.
Nominale capaciteit C5
Zie typeplaatje
4.
Ontlaadstroom
C5/5h
5.
Nominale dichtheid van het
elektrolyt1
1,29 kg/l
6.
Nominale temperatuur2
30 °C
7.
Nominale elektrolytstand systeem Tot elektrolytstand markering "Max"
Grenstemperatuur3
55 °C
03.13 NL
1. Wordt binnen de eerste 10 cycli bereikt.
2. Hogere temperaturen verkorten de levensduur, lagere temperaturen
verkorten de beschikbare capaciteit.
3. Niet als bedrijfstemperatuur toegestaan.
4
4.2
Gebruik
4.2.1 Lege batterijen in bedrijf nemen
Z
De vereiste activiteiten moeten worden uitgevoerd door de klantenservice van de
producent of door een door de producent geautoriseerde klantenservice.
4.2.2 Gevulde en geladen batterijen in bedrijf nemen
Controles en handelingen vóór de dagelijkse inbedrijfstelling
Z
Werkwijze
• Controleren of de batterij mechanisch in goede staat verkeert.
• Controleren of de batterij-eindafleiding correct gepoold is (plus op plus en min op
min) en goed contact maakt.
• Aanhaalmomenten poolbouten (M10 = 23 ±1 Nm) van de eindafleiders en
verbinders controleren.
• Batterij bijladen.
• Elektrolytstand controleren.
De elektrolytstand moet boven de overloopbeveiliging of de bovenkant van de
separator liggen.
• Elektrolyt met gezuiverd water tot de nominale stand vullen.
Controle uitgevoerd.
4.2.3 Ontladen van de batterij
Voor het bereiken van een optimale levensduur tijdens het gebruik ontladingen van
meer dan 80% van de nominale capaciteit vermijden (diepteontlading). Dat komt
overeen met een minimale elektrolytdichtheid van 1,13 kg/l aan het einde van de
ontlading. Lege batterijen meteen opladen.
03.13 NL
Z
5
4.2.4 Batterij opladen
WAARSCHUWING!
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
Bij het laden geeft de batterij een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af. De
gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
Lader en batterij alleen bij uitgeschakelde lader en uitgeschakeld intern
transportmiddel aan- of loskoppelen.
Lader moet zijn afgestemd op de spanning, de laadcapaciteit en de technologie
van de batterij.
Voor het laden eerst alle kabel- en stekkerverbindingen controleren op zichtbare
beschadigingen.
Voor voldoende ventilatie zorgen van de ruimte waarin het interne transportmiddel
wordt opgeladen.
Oppervlakken van de batterijcellen moeten tijdens het laden vrijliggen, om
voldoende ventilatie te garanderen, zie gebruikshandleiding van intern
transportmiddel, hoofdstuk D, Batterij opladen.
Bij het werken met batterijen mag er niet gerookt worden en er mag geen open vuur
worden gebruikt.
In de buurt van het voor het opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen
zich op een afstand van minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende
bedrijfsmiddelen bevinden.
Er moeten blusmiddelen worden klaargezet.
Geen metalen voorwerpen op de batterij leggen.
De veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation moeten
beslist worden nageleefd.
AANWIJZING
03.13 NL
Batterij mag uitsluitend met gelijkstroom worden geladen. Alle laadmethoden
op basis van DIN 41773 en DIN 41774 zijn toegestaan.
6
Z
Tijdens het laden stijgt de elektrolyttemperatuur met ongeveer 10 K. Daarom mag
pas worden begonnen met het opladen als de elektrolyttemperatuur lager is dan 45
°C. De elektrolyttemperatuur van batterijen moet voorafgaande aan het laden
minimaal +10 °C bedragen, omdat anders de correcte lading niet wordt bereikt.
Onder de 10 °C wordt de batterij bij standaardlaadtechniek onvoldoende geladen.
Batterij opladen
Voorwaarden
– Elektrolyttemperatuur min. 10 °C tot max. 45 °C
Z
Werkwijze
• Deksels of afdekplaten van de batterijruimte openen of verwijderen.
Eventuele afwijkingen komen voort uit de gebruikshandleiding van het interne
transportmiddel. De afsluitdoppen blijven op de cellen of blijven gesloten.
• De batterij met de juiste polen (plus op plus en min op min) op de uitgeschakelde
lader aansluiten.
• Lader inschakelen.
Batterij geladen
Z
Het opladen is afgesloten als de elektrolytdichtheid en de batterijspanning
gedurende 2 uur constant blijft.
Compensatieladen
Compensatieladingen dienen voor het veiligstellen van de levensduur en voor het
behoud van de capaciteit na diepteontladingen en na herhaaldelijke onvoldoende
lading. De laadstroom van de compensatielading kan een nominale capaciteit van
max. 5 A/100 Ah hebben.
Z
Compensatielading één keer per week uitvoeren.
Tussenladen
Tussenladingen van de batterij zijn deelladingen die de dagelijkse gebruiksduur
verlengen. Bij het tussenladen treden hogere gemiddelde temperaturen op, die de
levensduur van de batterijen kunnen verkorten.
Tussenladingen pas vanaf een laadtoestand lager dan 60 % uitvoeren. In plaats
van regelmatig tussenladen wisselbatterijen gebruiken.
03.13 NL
Z
7
4.3
Onderhoud loodbatterijen met pantserplaatcellen
Waterkwaliteit
Z
De waterkwaliteit voor het opvullen van elektrolyt moet voldoen aan die van
gezuiverd of gedestilleerd water. Gereinigd water kan van leidingwater door
destillatie of met een ionenwisselaar worden gemaakt en is dan geschikt voor het
maken van elektrolyt.
4.3.1 Dagelijks
Z
– Batterij na iedere ontlading opladen.
– Na het einde van het opladen moet de elektrolytstand worden gecontroleerd.
– Indien nodig na het einde van het opladen met gereinigd water bijvullen tot de
nominale stand.
De hoogte van de elektrolytstand mag de overloopbeveiliging of de bovenkant van
de separator, of de "Min"-markering van de elektrolytstand niet onderschrijden en
de "Max"-markering niet overschrijden.
4.3.2 Wekelijks
– Visuele controle na heroplading op vervuiling of mechanische beschadigingen.
– Bij het regelmatig opladen op basis van IU-karakteristiek een compensatielading
uitvoeren.
4.3.3 Maandelijks
Z
– Tegen het einde van de laadcyclus moeten de spanningen van alle cellen bij
ingeschakelde lader worden gemeten en geregistreerd.
– Na het einde van het laden moet de elektrolytdichtheid en de elektrolyttemperatuur
van alle cellen worden gemeten en geregistreerd.
– Meetresultaten vergelijken met eerdere meetresultaten.
Als er belangrijke veranderingen ten opzichte van eerdere metingen of verschillen
tussen de cellen worden vastgesteld, klantenservice van de producent aanvragen.
4.3.4 Jaarlijks
De bepaalde isolatieweerstand van de batterij mag volgens DIN EN 50272-3 niet
lager zijn dan 50 Ω per volt nominale spanning.
03.13 NL
Z
– Isolatieweerstand van het interne transportmiddel meten aan de hand van EN
1175-1.
– Isolatieweerstand van de batterij meten aan de hand van DIN EN 1987-1.
8
5
Loodbatterijen met gesloten pantserplaatcellen PzV en
PzV-BS
5.1
Beschrijving
PzV-batterijen zijn gesloten batterijen met vastgelegd elektrolyt, waarbij gedurende
de volledige bruikbaarheidsduur geen water mag worden bijgevuld. Als afsluitdoppen
worden veiligheidsventielen gebruikt die bij het openen vernietigd worden. Tijdens
het gebruik worden aan de gesloten batterijen dezelfde veiligheidseisen gesteld als
aan batterijen met vloeibare elektrolyt, om een elektrische schok, een explosie van
de elektrolytische laadgassen en in het geval van een vernietiging van de
celbehuizingen het gevaar door de corrosieve elektrolyt te voorkomen.
Z
PzV-batterijen zijn gasarm, maar niet gasvrij.
Elektrolyt
De elektrolyt is zwavelzuur, dat in gel is vastgelegd. De dichtheid van de elektrolyt
kan niet worden gemeten.
5.1.1 Nominale gegevens batterij
1.
Product
Tractiebatterij
2.
Nominale spanning (nominaal)
2,0 V x aantal cellen
3.
Nominale capaciteit C5
Zie typeplaatje
4.
Ontlaadstroom
C5/5h
5.
Nominale temperatuur
30 °C
Grenstemperatuur1
45 °C niet als bedrijfstemperatuur
toegestaan
6.
Nominale dichtheid van de
elektrolyt
Niet meetbaar
7.
Nominale elektrolytstand systeem Niet meetbaar
03.13 NL
1. Hogere temperaturen verkorten de levensduur, lagere temperaturen
verkorten de beschikbare capaciteit.
9
5.2
Gebruik
5.2.1 Inbedrijfstelling
Controles en handelingen vóór de dagelijkse inbedrijfstelling
Werkwijze
• Controleren of de batterij mechanisch in goede staat verkeert.
• Controleren of de batterij-eindafleiding correct gepoold is (plus op plus en min op
min) en goed contact maakt.
• Aanhaalmomenten poolbouten (M10 = 23 ±1 Nm) van de eindafleiders en
verbinders controleren.
• Batterij bijladen.
• Batterij opladen.
Controle uitgevoerd.
5.2.2 Ontladen van de batterij
Z
Door ontladingen tijdens het gebruik van meer dan 80% van de nominale capaciteit
verlaagt de levensduur van de batterij aanmerkelijk. Lege of gedeeltelijk geladen
batterijen meteen opladen en niet laten staan.
03.13 NL
Z
Voor het bereiken van een optimale levensduur moeten ontladingen van meer dan
60% van de nominale capaciteit worden vermeden.
10
5.2.3 Batterij opladen
WAARSCHUWING!
Explosiegevaar door gassen die ontstaan tijdens het laden
Bij het laden geeft de batterij een mengsel van zuurstof en waterstof (knalgas) af. De
gasvorming is een chemisch proces. Dit gasmengsel is zeer explosief en mag niet
worden ontstoken.
Lader en batterij alleen bij uitgeschakelde lader en uitgeschakeld intern
transportmiddel aan- of loskoppelen.
Lader moet zijn afgestemd op de spanning, de laadcapaciteit en de technologie
van de batterij.
Voor het laden eerst alle kabel- en stekkerverbindingen controleren op zichtbare
beschadigingen.
Voor voldoende ventilatie zorgen van de ruimte waarin het interne transportmiddel
wordt opgeladen.
Oppervlakken van de batterijcellen moeten tijdens het laden vrijliggen, om
voldoende ventilatie te garanderen, zie gebruikshandleiding van intern
transportmiddel, hoofdstuk D, Batterij opladen.
Bij het werken met batterijen mag er niet gerookt worden en er mag geen open vuur
worden gebruikt.
In de buurt van het voor het opladen geparkeerde interne transportmiddel mogen
zich op een afstand van minimaal 2 m geen ontvlambare stoffen of vonkvormende
bedrijfsmiddelen bevinden.
Er moeten blusmiddelen worden klaargezet.
Geen metalen voorwerpen op de batterij leggen.
De veiligheidsvoorschriften van de producent van batterij en laadstation moeten
beslist worden nageleefd.
AANWIJZING
03.13 NL
Materiële schade door onjuist opladen van de batterij
Onjuist opladen van de batterij kan leiden tot overbelastingen van de elektrische
leidingen en contacten, ontoelaatbare gasvorming en het uittreden van elektrolyt uit
de cellen.
Batterij uitsluitend met gelijkstroom laden.
Alle laadmethoden op basis van DIN 41773 zijn in de door de producent
vrijgegeven uitvoering toegestaan.
Batterij uitsluitend aansluiten op laders die geschikt zijn voor de batterijgrootte en
het batterijtype.
Eventueel door de klantenservice van de producent laten testen of de lader
geschikt is.
Grensstromen van DIN EN 50272-3 in het gasbereik niet overschrijden.
11
Batterij opladen
Voorwaarden
– Elektrolyttemperatuur tussen +15 °C en 35 °C
Z
Werkwijze
• Deksels of afdekplaten van de batterijruimte openen of verwijderen.
• De batterij met de juiste polen (plus op plus en min op min) op de uitgeschakelde
lader aansluiten.
• Lader inschakelen.
Tijdens het laden stijgt de elektrolyttemperatuur met ongeveer 10 K. Als de
temperaturen constant hoger zijn dan 40 °C of lager dan 15 °C is een
temperatuurafhankelijke constantespanningsregeling van de lader vereist. Hierbij
moet de correctiefactor met -0,004 V/Z per K worden toegepast.
Batterij geladen
Z
Het opladen is afgesloten als de elektrolytdichtheid en de batterijspanning
gedurende 2 uur constant blijft.
Compensatieladen
Compensatieladingen dienen voor het veiligstellen van de levensduur en voor het
behoud van de capaciteit na diepteontladingen en na herhaaldelijke onvoldoende
lading.
Z
Compensatielading één keer per week uitvoeren.
Tussenladen
Tussenladingen van de batterij zijn deelladingen die de dagelijkse gebruiksduur
verlengen. Bij het tussenladen treden hogere gemiddelde temperaturen op, die de
levensduur van de batterijen kunnen verkorten.
Z
Tussenladingen bij PzV-batterijen vermijden.
03.13 NL
Z
Tussenladingen pas vanaf een laadtoestand lager dan 50 % uitvoeren. In plaats
van regelmatig tussenladen wisselbatterijen gebruiken.
12
5.3
Z
Onderhoud loodbatterijen met gesloten pantserplaatcellen PzV en
PzV-BS
Geen water bijvullen!
5.3.1 Dagelijks
– Batterij na iedere ontlading opladen.
5.3.2 Wekelijks
– Visuele controle op vervuiling of mechanische beschadigingen.
5.3.3 Per kwartaal
Z
Z
– Totaalspanning meten en registreren.
– Afzonderlijke spanningen meten en registreren.
– Meetresultaten vergelijken met eerdere meetresultaten.
De metingen na volledige lading en een daarop volgende standtijd van minimaal 5
uur uitvoeren.
Als er belangrijke veranderingen ten opzichte van eerdere metingen of verschillen
tussen de cellen worden vastgesteld, klantenservice van de producent aanvragen.
5.3.4 Jaarlijks
De bepaalde isolatieweerstand van de batterij mag volgens DIN EN 50272-3 niet
lager zijn dan 50 Ω per volt nominale spanning.
03.13 NL
Z
– Isolatieweerstand van het interne transportmiddel meten aan de hand van EN
1175-1.
– Isolatieweerstand van de batterij meten aan de hand van DIN EN 1987-1.
13
6
Waterbijvulsysteem Aquamatik
6.1
Opbouw waterbijvulsysteem
15
16
17
>3m
18
19
20
+
Watertank
Tappunt met kogelkraan
Stromingsindicator
Afsluitkraan
Afsluitkoppeling
Afsluitstekker op batterij
03.13 NL
15
16
17
18
19
20
-
14
6.2
Functiebeschrijving
Het waterbijvulsysteem Aquamatik wordt gebruikt voor het automatisch instellen van
de nominale elektrolytstand bij aandrijfbatterijen voor interne transportmiddelen.
De batterijcellen zijn met slangen met elkaar verbonden en worden met een
steekaansluiting aangesloten op het waterbijvulstation (bijvoorbeeld watertank). Na
het openen van de afsluitkraan worden alle cellen met water gevuld. De Aquamatikstop regelt het benodigde watervolume en zorgt ervoor dat bij een bepaalde
waterdruk op het ventiel de watertoevoer wordt afgesloten en het ventiel veilig wordt
gesloten.
De stopsystemen hebben een optische vulstandindicatie, een diagnoseopening voor
de meting van de temperatuur, de elektrolytdichtheid en de ontgassingsopening.
6.3
Vullen
De batterijen moeten zo kort mogelijk voor de beëindiging van de volledige oplading
van de batterij worden gevuld met water. Daardoor wordt veiliggesteld dat het
bijgevulde watervolume met de elektrolyt wordt gemengd.
6.4
Waterdruk
Het waterbijvulsysteem moet met een waterdruk in de waterleiding van 0,3 bar tot 1,8
bar worden gebruikt. Afwijkingen van de toegestane drukbereiken beperken de
functionele betrouwbaarheid van de systemen.
Waterkracht
Opstelhoogte boven batterijoppervlak bedraagt tussen 3 - 18 m. 1 m komt overeen
met 0,1 bar
Waterdruk
03.13 NL
De instelling van het drukventiel is afhankelijk van het systeem en moet tussen 0,3 1,8 bar liggen.
15
6.5
Vulduur
De vulduur van een batterij is afhankelijk van het elektrolytniveau, de
omgevingstemperatuur en de vuldruk. Het vullen wordt automatisch beëindigd. De
watertoevoerleiding moet na het einde van het vullen van de batterij worden
losgekoppeld.
6.6
Z
6.7
Waterkwaliteit
De waterkwaliteit voor het opvullen van elektrolyt moet voldoen aan die van
gezuiverd of gedestilleerd water. Gereinigd water kan van leidingwater door
destillatie of met een ionenwisselaar worden gemaakt en is dan geschikt voor het
maken van elektrolyt.
Batterijslangen
De slangen van de verschillende stoppen moeten langs de elektrische schakeling
worden gelegd. Wijzigingen mogen niet worden aangebracht.
6.8
Bedrijfstemperatuur
03.13 NL
Batterijen met automatische waterbijvulsystemen mogen uitsluiten in ruimtes worden
opgeslagen met temperaturen > 0 °C, anders bestaat er gevaar voor bevriezing.
16
6.9
Reinigingsmethoden
De stopsystemen mogen uitsluitend met gezuiverd water conform DIN 43530-4
worden gereinigd. Delen van de stoppen mogen niet met oplosmiddelhoudende
stoffen of zepen in aanraking komen.
6.10 Servicewagen
03.13 NL
Mobiele watervulwagen met pomp en vulpistool voor het vullen van afzonderlijke
cellen. De dompelpomp die zich in het reservoir bevindt zorgt voor de vereiste
vuldruk. Er mag geen hoogteverschil bestaan tussen standvlak van de servicewagen
en die van de batterij.
17
7
Elektrolytcirculatie
7.1
Functiebeschrijving
De elektrolytcirculatie zorgt door de toevoer van lucht tijdens het laden voor een
vermenging van de elektrolyt en voorkomt zo zuurlagen, verkort de laadtijd
(laadfactor ca. 1,07) en reduceert de gasvorming tijdens het laden. De lader moet
voor de batterij en elektrolytcirculatie toegelaten zijn.
Een in de lader ingebouwde pomp zorgt voor de vereiste perslucht die via een
slangensysteem naar de batterijcellen wordt geleid. De circulatie van de elektrolyt
vindt plaats middels de toegevoerde lucht en over de totale elektrodelengte worden
dezelfde elektrolytdichtheidswaarden gerealiseerd.
Pomp
Bij een storing, bijvoorbeeld onverklaarbare respons van de drukbewaking, moeten
de filters worden gecontroleerd en indien nodig worden vervangen.
Batterij-aansluiting
Er is een slang aangebracht aan de pompmodule, die samen met de laadleidingen
uit de lader naar de laadstekker wordt gevoerd. Via de in de stekker geïntegreerde
koppelingsdoorvoeringen voor de elektrolytcirculatie wordt de lucht verder geleid
naar de batterij. Bij het leggen moet er goed op worden gelet dat er geen knikken in
de slang komen.
Drukbewakingsmodule
De elektrolytcirculatiepomp wordt aan het begin van het laden geactiveerd. De
drukopbouw tijdens het laden wordt gecontroleerd met de drukbewakingsmodule. Op
deze manier wordt gegarandeerd dat de benodigde luchtdruk bij het laden met
elektrolytcirculatie beschikbaar is.
Bij eventuele storingen, zoals
– luchtkoppeling batterij niet verbonden met circulatiemodule (bij aparte koppeling)
of defect,
– lekkende of defecte slangverbindingen op de batterij of
– aanzuigfilter vuil
03.13 NL
is er een storingsmelding op de lader te zien.
18
AANWIJZING
Als een geïnstalleerd elektrolytcirculatiesysteem niet of niet regelmatig wordt
gebruikt of als de batterij blootstaat aan grotere temperatuurschommelingen,
kan het elektrolyt terugstromen in het slangensysteem.
Voorzien in een luchttoevoerleiding met een apart koppelingssysteem,
bijvoorbeeld:
afsluitkoppeling aan batterijzijde en doorvoerkoppeling aan
luchttoevoerzijde.
Schematische weergave
03.13 NL
Elektrolytcirculatie-installatie op de batterij en de luchttoevoer via de lader.
19
8
Batterijen reinigen
Het is nodig om de batterijen en troggen te reinigen
– Isolatie van de cellen ten opzichte van elkaar, ten opzichte van de aarde of externe
geleidende delen moet blijven bestaan
– Schade door corrosie en door kruipstroom vermijden
– Verhoogde en uiteenlopende zelfontlading van de afzonderlijke cellen of
blokbatterijen door kruipstroom moet worden vermeden
– Vorming van elektrische vonken door kruipstroom moet worden vermeden
03.13 NL
Bij het reinigen van de batterijen erop letten, dat
– de opstelplaats voor reiniging zo wordt gekozen, dat het elektrolythoudende
spoelwater naar een daarvoor geschikte zuiveringsinstallatie wordt geleid.
– bij het afvoeren van gebruikte elektrolyt en/of het spoelwater de voorschriften voor
een veilige werkplek en het voorkomen van ongevallen, en de voorschriften voor
het afvoeren van afval in acht nemen.
– veiligheidsbril en veiligheidskleding worden gedragen.
– celstoppen niet worden verwijderd of geopend.
– de kunststof onderdelen van de batterij, in het bijzonder de celbehuizingen,
uitsluitend met water of in water gedrenkte poetsdoeken zonder additieven worden
gereinigd.
– na het reinigen het batterijoppervlak met geschikte middelen wordt gedroogd,
bijvoorbeeld met perslucht of poetsdoeken.
– Vloeistof die in de batterijtrog terecht is gekomen, moet worden opgezogen en met
inachtneming van de eerder genoemde voorschriften worden afgevoerd.
20
Batterij met hogedrukreiniger reinigen
Voorwaarden
– Celverbinders moeten vastgedraaid en stevig ingestoken zijn
– Celstoppen gesloten
Z
Z
Werkwijze
• Gebruiksaanwijzing van de hogedrukreiniger lezen.
• Geen reinigingsadditieven gebruiken.
• Toegestane temperatuurinstelling voor het reinigingsapparaat van 140°
aanhouden.
Op deze manier gegarandeerd dat bij een afstand van 30 cm achter de
uitlaatsproeier een temperatuur van 60° C niet wordt overschreden.
• Maximale werkdruk van 50 bar aanhouden.
• Minimaal 30 cm afstand tot het oppervlak van de batterij aanhouden.
• Batterij over een groot oppervlak worden bestralen, om lokale oververhitting te
vermijden.
Niet langer dan 3 s op één plek reinigen met de straal, om de
oppervlaktetemperatuur van de batterij van maximaal 60 °C niet te overschrijden.
• Batterijoppervlak na het reinigen met geschikte middelen drogen, bijvoorbeeld
perslucht of poetsdoeken.
03.13 NL
Batterij gereinigd.
21
9
Batterij opslaan
AANWIJZING
De batterij mag niet langer dan 3 maanden zonder lading worden opgeslagen, anders
is hij op lange termijn niet meer functioneel.
Als batterijen voor een langere tijd niet worden gebruikt, moeten ze volledig
opgeladen in een droge, vorstvrije ruimte worden opgeslagen. Om de functionaliteit
van de batterij veilig te stellen kunnen de volgende laadbehandelingen worden
gekozen:
– maandelijkse compensatielading voor PzS- en PzB-batterijen en volledige
oplading voor PzV-batterijen.
– Onderhoudslading bij een laadspanning van 2,23 V x aantal cellen voor PzS-, PzMen PzB-batterijen of 2,25 V x aantal cellen voor PzV-batterijen.
Als batterijen voor een langere tijd (> 3 maanden) niet worden gebruik moeten deze
voor 50% opgeladen, in een droge, koele en vorstvrije ruimte worden opgeslagen.
10
Storingshulp
Als er storingen aan de batterij of lader worden vastgesteld, moet meteen contact
worden opgenomen met de klantenservice van de producent.
Z
11
De vereiste activiteiten moeten worden uitgevoerd door de klantenservice van de
producent of door een door de producent geautoriseerde klantenservice.
Afdanking
Batterijen met het recyclingteken en een doorgestreepte vuilnisbak
mogen niet bij het huisvuil worden gegooid.
03.13 NL
De wijze van terugname moet volgens artikel 8 van de Duitse
batterijenwet (BattG) worden afgesproken met de producent van de
batterij.
22