Transcription intégrale des exposés et des débats

Commentaren

Transcriptie

Transcription intégrale des exposés et des débats
Transcription intégrale des exposés et des débats au
Colloque ‘Un Ordre des médecins : une plus-value en l’an 2010 ?’
tenu le samedi 5 juin 2010 à la Maison des Parlementaires à Bruxelles
Les textes sont reproduits dans la langue utilisée par les orateurs ou les
intervenants (néerlandais ou français).
Ont parlé en français: Dr Daniel Leclercq, Dr Yves Dusart, Dr Kris Merckx et Prof
ém. Jean-Jacques Amy
Ont parlé en néerlandais: Prof. ém. Dr Marc De Meyere, Prof Dr Walter
Michielsen, Prof ém. Etienne Vermeersch, Prof Dr Johan Legemaate, maître Lilly
Trips, Prof Herman Nys, Prof Dr Patrik Vankrunkelsven en Prof Dr Etienne De
Groot.
Avec nos remerciements à madame Liliane Wilms, collaboratrice parlementaire du
sénateur honoraire Patrik Vankrunkelsven, pour la transcription des enregistrements des
interventions en néerlandais.
Avec nos remerciements à madame Françoise Pasquier (Médecine pour le Peuple)
pour la transcription des enregistrements des interventions en français.
Acceuil par le Prof Dr Patrik Vankrunkelsven
Geachte collega’s en andere geïnteresseerden,
Hartelijk welkom op deze zonnige zaterdag.
Wij hebben een heel druk programma, maar ik heet u welkom namens de
initiatiefnemers Jean-Jacques Amy, Marc De Meyere, Kris Merckx en mezelf.
We zijn op een vrij toevallige manier bij mekaar gekomen en hebben gemeen dat
we in ons leven al veel hebben gebotst en hebben nagedacht over de Orde van
de Geneesheren. We willen hier vandaag op een wetenschappelijke en
gefundeerde manier toch nadenken over de toekomst van de Orde en het
tuchtrecht in het algemeen.
Ik ga voor de rest aan deze inleiding verder niets meer toevoegen, want we
hebben een zeer strikt tijdsschema. Gelukkig is hier aanwezig Guy Tegenbos, u
allen bekend, die ons aan de tijd zal houden en dit op een zeer strenge manier
zal doen. Dus de sprekers zijn gewaarschuwd.
Technisch hebben we twee tolken, het zijn vrijwilligers. Ik zou voorstellen, als dit
voor de Nederlandstaligen goed is, dat we enkel naar het Frans tolken. Kunnen
de Nederlandstaligen in de zaal daarmee leven, want de grote meerderheid van
de sprekers is ook Nederlandstalig en zo kunnen we de tolken af en toe toch wat
ademruimte geven. U drukt op ‘kanaal 1’ voor het Frans en indien u versterking
wil, kan u met het oortje via ‘kanaal 2’ de sprekers wat luider horen.
Ik wens u allen een aangename voormiddag en straks, niet onbelangrijk, het
debat. Dit houden we tot het laatste, dus we gaan de sprekers eerst
achtereenvolgens aan het woord laten en daarna kunnen we het debat openen
en voeren in het laatste uur.
Ik geef nu het woord aan Guy Tegenbos, die ons gaat vertellen hoe hij alles in de
lijn zal houden.
Guy Tegenbos, moderator:
Hoe zal ik de sprekers in de lijn houden? Streng maar rechtvaardig, dit wil
zeggen: we zijn met 6 minuten vertraging begonnen en we zullen dus ook met 6
minuten vertraging eindigen.
De bedoeling van dit debat, van deze dag is bouwstenen aanreiken voor een
definitieve regeling Orde en Tuchtrecht. Het eerste gedeelte van deze
voormiddag reikt vier soorten bouwstenen aan. Prof. Marc De Meyere gaat ons
onderhouden over de dertig jaar acties rond (tegen en voor) de Orde van de
Geneesheren en de Geneesvrouwen of van de A
rtsen, dan komt de visie van
de Orde zelf aan bod, die trouwens een eigen voorstel heeft tot hervorming.
Vervolgens kijken we even naar het tuchtrecht in het buitenland en tenslotte de
visie van de ethicus, prof. Etienne Vermeersch en de Hoge Raad voor de
Deontologie van de gezondheidsberoepen. Dat zijn de vier bouwstenen die we
eerst leggen en ik geef nu meteen het woord aan prof. emeritus Marc De Meyere:
de Orde van de Geneesheren, een taaie tante.
Prof. Em. Dr. Marc De Meyere (UGent):
(Mondelinge commentaar bij zijn diapresentatie ‘De orde van geneesheren een
taaie tante - Is er iets veranderd na 30 jaar acties?’)
Goeie morgen, geachte vergadering.
Ik zat me daarnet te realiseren dat ik waarschijnlijk één van de oudste
contestanten hier in deze zaal ben tegen de Orde van de Geneesheren, prof.
Vermeersch niet meegerekend, want hij is heel veel, maar in feite geen arts. Dus
ik denk dat ik één van de oudste artsen ben die tegen de Orde heeft
gecontesteerd en het is bijna symbolisch dat ik hier nu mag beginnen. Er is al
gezegd wat ik nu juist doe, ik doe dus niet veel, want ik ben professor emeritus,
dus ongeveer niets. Aan de mensen die van de jongere generatie zijn, wil ik toch
even zeggen dat waar we nu voor staan reeds begonnen is in de jaren ’70 en ik
heb vier niet toevallige voorbeelden gegeven, ere aan wie ere toekomt. Sommige
mensen in de zaal weten al waarschijnlijk niet wat AMADA is, dat is namelijk ‘alle
macht aan de arbeiders’, als ik het goed vertaald heb. Die mensen begonnen
toen al in de jaren ’70 te werken aan terugbetalingstarieven. Omdat ze daarvoor
provinciaal berispt en in beroep geschorst werden – toen nog 8 dagen –
weigerden ze hun lidgeld te betalen en dat heeft dan weer een repercussie gehad
op bijvoorbeeld het loonsbeslag zoals bij Dr. Van Acoleyen, een gemeenteraadslid
in Zelzate. Misschien herinneren sommige mensen zich nog het boedelbeslag o.a.
in Genk waar dr. De Witte werd opgehaald en in conspectu van zijn ganse familie
werd buiten gesleept, door de politie werd opgehaald en werd opgesloten in de
gevangenis. Artsen van Merelbeke, waaronder ook mezelf, werkten mee aan een
blaadje GEZOND, waarin onze naam totaal niet in voorkwam, een uitgave door
patiënten. We werkten toen aan terugbetalingstarieven, wat ons een schorsing
van 14 dagen heeft opgeleverd. Ik hoef niet te zeggen in deze zaal dat het
werken aan terugbetalingstarieven nu totaal wettelijk geregeld is, dat dit dus
geen enkel probleem meer betekent. Ere aan wie ere toekomt, dr. Lecompte die
ooit de ongelukkige uitspraak deed van ‘mijn patiënten kunnen wel duizend jaar
worden’, werd prompt geschorst voor de rest van zijn leven. Professor Amy, hier
ook aanwezig en één van de initiatiefnemers, stelde vast dat bij het verdedigen
van het beroepsgehiem, toen het parket binnenviel en een dossier wou
controleren met iemand van de Orde erbij, dat er een collusie was met de
vertegenwoordiger van de Orde. Hij vond dat dit niet kon en vond dat de
vertegenwoordiger van de Orde de kant van de patiënt en van de arts moest
kiezen, wat dus niet het geval was. Hij weigerde zijn lidgeld te betalen en werd
ook prompt overvallen met boedelbeslag.
Sorry, over de contestatie ga ik het daarbij houden en nu overgaan naar de
vraag: wat waren in de jaren ’70 de juridische bezwaren tegen de Orde? In de
eerste plaats de onwettelijke basis van het KB 79 van 10 november 1967.
Diegenen die een beetje de legislatuur gevolgd hebben, weten dat niemand
weet wat met het KB gebeurd is na de ondertekening ervan in de ministerraad.
Zijn er nog zaken veranderd, ja of nee? Bestaan de documenten die de koning
getekend heeft nog, ja of nee? Er zijn er nog een paar teruggevonden, maar het
is iets zeer geheimzinnig wat daar gebeurd is met het KB van ’79. De code van
’75 is nog altijd niet bekrachtigd door de ministerraad. De Orde is nog altijd
tegelijkertijd wetgever, rechter en partij. De patiënt wordt in de regel niet
gehoord, daar kom ik straks nog even op terug. Dat is het enige wat nu
veranderd is en de Code steunt nog altijd op de eer en de waardigheid van het
beroep versus wat heel wat mensen zeggen over de kwaliteitsgeneeskunde en
de sociale rol van de arts, waar straks nog uitgebreid zal op terugkomen worden.
Anno 2010 zijn de meeste van die zaken nog steeds realiteit en daarvoor
staan we hier. Ik herinner me ook dat er daarover tot en met ook publicaties
geweest zijn. Sinds 1964 door de Groupe d’Etude pour une Réforme de la
Médicine (GERM). En de mensen die de geschiedenis kennen, weten dat er dan
een staking is geweest - ik was toen nog student in Leuven samen met Kris
Merckx. De GERM heeft toen al gepubliceerd, niet alleen over een ‘réforme de la
médecine’, maar ook ‘pour une réforme de l’Ordre’. De werkgroep
Gezondheidsvoorlichting in Vlaanderen heeft enkele publicaties gedaan over de
Orde van de Geneesheren met o.a. een kritische analyse van de nieuwe Code
van de medische plichtenleer. Tot en met in de Orde van de Geneesheren zelf
werd duidelijk gepleit voor de afschaffing van de toenmalige Orde. Er was ook het
Manifest van de ‘Actie 300’, de 300 artsen die vanaf 1980 weigerden hun lidgeld
aan de Orde te betalen. Daarmee werd, weeral ter gelegenheid van een
doktersstaking, de duidelijk collusie tussen Orde en syndicaten aangeklaagd. Het
corporatisme dus dat ook een rode draad vormt doorheen de geschiedenis van
de Orde. Ik herinner verder aan het manifest van professoren uitgegeven uit
solidariteit met wat professor Amy was overkomen met zijn patiënte.
Vermits ik toch niet veel te doen heb als emeritus, heb ik een keer de tijd
genomen om eens te kijken wat is er nu van wetsvoorstellen. U ziet dat in de
jaren van ’74 t.e.m. ’99 zijn er enkele geweest, vooral van PS- en SP.a-signatuur,
die feitelijk gepleit hebben om de Orde af te schaffen. Dus u ziet: vier keer
afschaffen en iedere keer een Hoge Raad, daar komen we straks nog uitgebreid
op terug. Wat moest er dan gebeuren? De provinciale geneeskundige commissies
moesten veel meer taken overnemen en bij echt ernstige dingen kon de patiënt
naar de strafrechter stappen. Ook daar komen we vandaag uitgebreid op terug.
Dan is er een tweede golf gekomen, dat was vooral in de 50 ste legislatuur tussen
1999 en 2002 waar de grote partijen initiatieven namen: Brouns van de CD&V,
dr. De Groot van de VLD, die we straks ook nog verwachten, Frédéric van de PS.
Verder - ik sla er ook enkele over – wetsvoorstellen van DescheemaeckerWilkinet-Wauters van Agalev-Ecolo en van Bacquelaine van de PRL. Die pleitten
in tegenstelling met de eerste golf eerder voor het behoud van de Orde en voor
het installeren van een Hoge Raad. In tegenstelling met De Meyer-Peeters die
nog altijd in het spoor van de eerste wetsvoorstellen pleiten voor een afschaffing
van de Orde, maar dan wel een Hoge Raad en een tuchtrecht naar de gewone
rechtbanken. Dit komt allemaal nog uitgebreid ter sprake. De derde golf kwam
van De Schamphelaere van CD&V, Gerkens van Ecolo en tenslotte was er het
laatste voorstel Vankrunkelsven-Van De Casteele. Daartussen is er een
toespraak gehouden van minister Demotte. Dat wil ik toch een keer heel speciaal
benadrukken: nog voor dat het voorstel van Vankrunkelsven-Van De Casteele is
bediscussieerd, heeft minister Demotte - van PS signatuur zoals de meesten hier
weten - zich al feitelijk achter dat voorstel geschaard. Er was dus toen een motor,
een drive om dat inderdaad tot een goed einde te brengen.
Maar wat is nu het besluit van al die wetsvoorstellen? Er zijn er ongeveer
een 15 vanuit de grote politieke partijen en waarschijnlijk heb ik er nog enkele
vergeten, waarvoor mijn excuses. Daarvan zijn er bijna geen behandeld,
uitgenomen het wetsvoorstel Vankrunkelsven. Daaraan is ook door twee andere
initiatiefnemers van het colloquium van vandaag, Jean-Jacques Amy en ikzelf,
toen aan meegewerkt. Waarom? Omdat zij volgens ons beantwoorden aan de
opties voor een democratisering van de Orde. Daarbij wordt de Orde nog
behouden maar er boven komt een Hoge Raad. Dat zal straks door Patrik zelf
uitgebreid behandeld worden. Dit wetsvoorstel is dus goedgekeurd door de
Senaat en het werd gesteund door minister Demotte van de PS, maar spijtig
genoeg is het toch gestruikeld. Het is nooit behandeld in de Kamer. Waarom?
Namelijk door BHV - Patrik zal dit wellicht beter kunnen uitleggen – door het
probleem ‘wat moeten we doen met de artsen in Brussel-Halle-Vilvoorde?’.
Moeten ze kunnen kiezen tussen de Vlaamse en de Franstalige Orde? OK, er zijn
nog andere redenen, maar dat was toch weer de bananenschil waarover het
voorstel struikelde. Indien het uiteindelijk goedgekeurd zou geweest zijn, dan was
dit colloquium misschien niet doorgegaan.
Is er dan niets veranderd? Feitelijk is er maar één groot punt veranderd
aan de Orde. Aanleiding was het Arrest Le Compte-Van Leuven-De Meyere van
het Europees hof voor de Rechten van de Mens. We zijn inderdaad tot daar
gegaan. Dat heeft heel wat energie gevraagd, én geld vooral betaald door Le
Compte zo herinner ik mij nog. En inderdaad, België werd voor de zoveelste keer
veroordeeld door het Hof voor de Rechten van de Mens. Etienne De Groot heeft
daar onmiddellijk op ingespeeld en wat is er nu veranderd? Er is een verplichte
openbaarheid van de zittingen van de Orde, minstens op één niveau, dus ofwel
op het provinciaal niveau ofwel op het niveau van beroep. Dat is het enige wat
veranderd is. Er is ook iets aan het tuchtrecht en aan de code veranderd, nl. een
aanpassing in verband met reclame, maar dit heeft niets te maken met de
structuur van de Orde.
Ik ben al aan het landen naar de toestand anno 2010. Er is een groeiende
consensus dat er echt een Hoge Raad voor gezondheidsethiek en deontologie
nodig is. Ook dat het tegelijk rechter en partij spelen niet meer kan. Maar we
hebben vandaag nog vandaag nog een uitgebreide discussie voor de boeg wat er
met het tuchtrecht moet gebeuren. Daar bestaan drie opties. Ofwel behoud van
de Orde mits correcties, wat straks door enkele leden van de Orde zal gebracht
worden. Ofwel behoud van de Orde maar met grondige aanpassingen zoals in het
voorstel van Vankrunkelsven. Ofwel gewoon afschaffing van de Orde met dan
het tuchtrecht naar de gewone rechtbanken of naar speciale rechtbanken genre
arbeidsrechtbanken.
Om af te sluiten. Wat is nu het belang van dit symposium? Ik denk dat het één
van de eerste open dialogen is met alle betrokkenen. U ziet hier mensen zitten
van de Orde, artsen, juristen en ethici, contestanten en patiëntenvertegenwoordi-
gers die in een steuncomité zitten. Hopelijk zullen die straks allen in het debat
tussenkomen. De doelstelling van de initiatiefnemers is van te komen tot een oplossing in deze legislatuur. Ik zou nu om te besluiten een oproep willen doen aan
alle politici die we in tweede fase zullen trachten te bereiken - enkele politici hadden beloofd om hier vandaag al aanwezig te zijn - om feitelijk na 40 jaar contestatie en meer dan 15 wetsvoorstellen eindelijk een einde te maken aan die ondemocratische Orde van Geneesheren door het stemmen van een wet tijdens de
komende legislatuur. Ik herinner eraan dat 80 % van de toekomstige artsen vrouwen zijn. Dus in feite is alleen al het nog altijd voortbestaan van de naam Orde
van Geneeshéren een affront voor de dames die in deze zaal zitten. Het is aan de
artsenverenigingen, sociale organisaties, universiteiten, patiëntenverenigingen
en ziekenfondsen om druk uit te oefenen op de politici.
Ik denk dat dat een win-winsituatie zou zijn: voor de Orde zelf, die inderdaad al
tientallen jaren is aangevallen, voor de artsen die haar democratisering
nastreven en ook voor de patiënten én de politici die uiteindelijk - na 40 jaar een keer zouden moeten tonen dat ze in staat zijn om een wet te maken een
democratische wet over de Orde van de Geneesheren. Wij zijn het aan onszelf
verplicht om dat in de komende jaren tot een goed einde te brengen. Ik dank u
zeer.
Guy Tegenbos:
Perfect binnen de tijd, dank u professor De Meyere. Nu de visie van de Orde van
Artsen zelf. Die Orde schreef zelf een voorstel tot hervorming en dat gaat ons
uiteengezet worden door ereprofessor Walter Michielsen, ondervoorzitter van de
Nationale Raad.
Prof. Dr. Walter Michielsen, ondervoorzitter van de Nationale Raad van de
Orde van Geneesheren
Mondelinge toelichting bij zijn presentatie over de visie van de Orde van
Geneesheren ‘Het voorstel van de Orde voor vernieuwing van de Orde’.
Goedemorgen allemaal. U weet wie ik ben, Walter Michielsen, momenteel de
ondervoorzitter van de Nationale Raad. Na enige moeilijkheden - Patrik
Vankrunkelsven weet hiervan - ben ik hier toch geraakt. Ik ben eigenlijk blij dat
ik hier kan zijn om toch een keer het standpunt van de Orde te verdedigen en er
toch op te wijzen dat wij zelf voor een hervorming zijn. Dat is de voornaamste rol
die ik hier wil waarnemen. Dus wij zijn niet voor het behoud van de huidige
situatie, maar wij zijn zelf voor een hervorming en wij hebben dus ook een
voorstel dat naar alle politiekers gestuurd is en dat u recent ook kunt terugvinden
op onze website. Dat voorstel wil ik in het kort, op een periode van een kwartier,
even voorstellen: waarover dat het gaat, de essentie, de krachtlijnen. Het is
onmogelijk om dit helemaal te overlopen.
Ik wil u ook eventjes de historiek in het kort vermelden. Het is zo dat eind
2007 een werkgroep werd opgericht door een aantal leden van de Nationale
Raad, tevens door een aantal voorzitters van de provinciale raden en enkele
bureauleden. We hebben daar zeer veel tijd aan besteed. Het resultaat, deze
werkgroep is uitgegaan van de bestaande KB’s, het KB van ‘67. Dat is het
uitgangspunt geweest. We hebben daar zeer veel aan gewerkt en uiteindelijk is
er dan een resultaat uit de bus gekomen, een voorstel tot hervorming van de
Orde dat op 9 mei 2009 - een goed jaar geleden - werd goedgekeurd door de
Nationale Raad die af en toe ook vergaderingen organiseert samen met de
voorzitters van de provinciale raden. Dit is dan tekstueel wat bijgewerkt en
doorgestuurd naar de politici begin oktober 2009. Dat is dus de situatie. We
hebben dan bericht gekregen dat ze het goed ontvangen hebben en dat men dat
ging bestuderen, maar verder hebben we daar momenteel niet veel over
gehoord.
Op die vergadering of op het voorstel dat we hebben ingediend, was er –
en dat wil ik toch wel beklemtonen – een consensus tussen de Franstaligen en de
Nederlandstaligen, op uitzondering – u kunt het ongeveer raden - van de
faciliteitengemeenten. Toch wel ergens merkwaardig en ook weer niet
merkwaardig in België, ik zal daarover seffens iets meer zeggen. Wij hebben ons
voor een groot deel gebaseerd op de evolutie bij de advocaten die ook in die
richting zijn gegaan in overeenstemming met wat ik zou willen noemen de
communautaire logica van dit land. We hebben uiteindelijk beslist dat er een
onder een federale bovenbouw, waarop ik seffens terugkom, een Vlaamse Orde
van Artsen komt. Daarmee kom ik dus al tegemoet aan de opmerking van Marc
De Meyere: het woord ‘geneesheren’ gaat verdwijnen of verdwijnt al in de nieuwe
adviezen daarover. Daarnaast de Ordre francophone et germanophone des
médecins. Elk van deze Orden heeft provinciale raden, dus bij de Vlaamse Orde
van artsen zijn er vijf en bij de Franstaligen ook vijf. Iedere Orde heeft een Raad
van Beroep. Dan is er de Algemene Raad. Wat is die Algemene Raad? Eigenlijk
komt de Algemene Raad in de plaats van de Nationale Raad. En u weet dat de
Nationale Raad bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige
afdeling dat het de traditie en de gewoonte is dat de Nederlandstalige en
Franstalige afdeling van de Nationale Raad altijd samen vergaderen. Het is
wettelijk voorzien dat ze apart kunnen vergaderen en dat is ook enkele keren
gebeurd. Ik ben een twaalftal jaar in de Nationale Raad, ik heb het in die periode
tweemaal meegemaakt. Van belang is ook toch de nadruk te leggen op het feit
dat er een bovenbouw is boven die twee Algemene Raden, de Vlaamse en de
Franstalige. Dat lijkt me wel belangrijk. Die bovenbouw is de federale raad die,
zoals u kan zien, samengesteld uit de leden van de beide algemene raden. Het
voorzitterschap van de federale raad wordt om beurten waargenomen door één
van de voorzitters, dit heeft nu niet zo direct veel belang. Wel van belang is het
artikel 17 in ons voorstel dat u op de website kan terugvinden over wat de
opdrachten zijn van deze federale raad. Eigenlijk heeft de federale raad als
opdracht de deontologie, de code van geneeskundige plichtenleer op te stellen
en vooral aan te passen. Daarover zijn we akkoord en zijn er trouwens ook mee
bezig. Ten tweede en dat komt op de volgende dia, wil ik de contacten op
federaal en internationaal niveau beklemtonen.
Ik hoor van Marc De Meyere dat het begrip ‘de eer en de waardigheid van
het beroep’ niet meer van onze tijd is. We sluiten ons daar bij aan. Ik lees
eventjes de tekst en denk dat de formule die hier staat daar voor een stuk toch al
aan tegemoet komt: ‘de handhaving van de waardigheid, de morele integriteit en
de verantwoordelijkheid van de artsen evenals van de kwaliteit van de zorg,
getoetst aan de huidige wetenschappelijke kennis en de bijzondere
vertrouwensrelatie van de arts met zijn patiënten en in de huidige
maatschappelijke context’. Ik denk dat dit toch al wel heel wat anders is.
Uiteindelijk komt het er dus op aan dat er federaal één code is. Het is dus zeker
niet het geval dat er een aparte code komt voor de Franstaligen en voor de
Nederlandstaligen. De Federale Raad is belast met de internationale
aangelegenheden en verleent adviezen op eigen initiatief of op vraag van
internationale of federale instanties.
Hier refereer ik dan eventjes naar artikel 3 van ons voorstel. Daarin staat dat een
arts moet ingeschreven zijn op de lijst van de provincie waar hij zijn voornaamste
activiteit, in functie van de tijdsbesteding, uitoefent. Dat is logisch en iedereen is
daarmee akkoord maar dan botsen we dus op de problematiek van de faciliteitengemeenten en meer bepaald wat de Nederlandstaligen in dat verband wensen. Wij hebben een overgangsperiode voorgesteld. Praktisch komt het er op
neer dat de artsen in de faciliteitengemeenten die momenteel in Waals-Brabant
ingeschreven zijn, dat kunnen blijven, maar dat de nieuwe zouden moeten ingeschreven worden bij Vlaams-Brabant. Maar daar willen de Franstaligen zich niet
bij neerleggen. Dit is trouwens het enige overblijvende knelpunt, het enige punt
waar geen consensus over bestaat.
Wat de provinciale raad betreft - en de tijd ontbreekt om daar in detail
over te gaan - wil ik er de klemtoon op leggen dat het aantal assessoren, het
aantal magistraten moet toenemen. Onder andere ook om te beletten dat er een
vermenging is van onderzoek en beslissing door de raad zelf. Gij zult ook zien dat
in onze nieuwe voorstellen meer dan tot nu toe de klemtoon gelegd wordt op
verzoening en bemiddeling. Momenteel is dat ook mogelijk, maar ik geef grif toe
dat er te weinig gebruik van gemaakt is. Maar dan heb je dus mensen nodig, dan
heb je magistraten nodig. Er zijn er nu twee, wij denken dat het zeker naar vier
zou moeten gaan, naar vier assessoren.
Wat de verkiesbaarheid betreft - misschien een detail - nu moet je dus tien
jaar ingeschreven zijn. We stellen nu voor: 5 jaar ingeschreven zijn op de Lijst
van de Orde en 1 jaar op de Lijst van de desbetreffende provincie. Dat is nu niet
zo belangrijk, maar enfin, we gaan toch wel een beetje met onze tijd mee.
Wat die Algemene Raad van de Vlaamse Orde van artsen en de Conseil général de l’Ordre francophone et germanophone des médecins betreft, dit is dus
eigenlijk te vergelijken met de Nederlandstalige en Franstalige afdeling van de
Nationale Raad, de samenstelling blijft ongeveer dezelfde: vertegenwoordigers
van de provinciale raden en vertegenwoordigers van de universiteiten. Wij voorzien ook – dat staat in ons voorstel – de mogelijkheid om een ethicus daarin te
benoemen, die dan zou aangeduid worden door het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Weliswaar voorzien we dat als met een raadgevende stem. Nieuw is ook
dat de voorzitter van die Algemene Raad een arts moet zijn en geen magistraat
zoals dat nu het geval is bij de Nationale Raad van de Orde.
Inzake tuchtsancties wordt er ook heel wat veranderd. Nu heb je als, eerste sancties, in volgorde: waarschuwing, censuur en berisping. Ik heb dikwijls al gezegd
‘Ja goed, waarschuwing is de minst morele straf, dan heb je de censuur en de berisping’. Maar dat woord censuur heeft niet veel zin, dus dat laten we weg. De
sancties worden nu: waarschuwing, berisping, schorsing tot maximum 2 jaar,
schrapping van de lijst. Nieuw is het uitstel van uitvoering van de sanctie, ook de
opschorting van de uitspraak van de veroordeling en de uitwisbaarheid van de
waarschuwing en de berisping, in principe na drie jaar. Maar voor het uitstel of
opschorting en voor de uitwisbaarheid kunnen voorwaarden voorgesteld worden.
Nieuw is ook dat er voor de meer uitgesproken sancties eerherstel mogelijk is.
Dat is toch ook wel een heel nieuwe visie.
Wat betreft de huidige sancties: men denkt dikwijls het is de Orde die dat uitvindt, neen, die zijn in de wet voorzien. Vandaar dat de wet moet veranderd worden. Dit wil ik ook eventjes, er is vaak kritiek op de Orde dat wanneer er iets ernstig gebeurt, dat de Orde niet ingrijpt. Welnu, men kan dikwijls niet onmiddellijk
ingrijpen. Men kan dat eventueel via de Provinciale Geneeskundige Commissie
doen. Wij stellen voor dat, in zeer ernstige gevallen, de provinciale raad voor
maximum drie maanden maatregelen kan nemen voor een tijdelijk beroepsverbod. Het hoger beroep, waarmee je in België altijd tijd wint, zou hier dan niet gelden. Dat is natuurlijk niet zo simpel, maar wij menen dat dit op één of andere manier best toch mogelijk zou zijn.
Artikel 27 is ook iets nieuw. De arts mag zich in alle stadia van de tuchtprocedure laten bijstaan door een of meer raadslieden, advocaten en/of artsen,
wat ook niet altijd het geval was tot nu toe, dat geef ik toe. Dit is ook iets waar
vanuit het Europees Hof van de rechten van de mens en ook vanuit de Europese
Unie de nadruk wordt op gelegd. De klager kan ook op de zitting worden gehoord. En dan de laatste alinea, de tuchtzittingen van de provinciale raden en
van de raden van beroep zijn openbaar, tenzij de verdachte uitdrukkelijk afziet
van de openbaarheid. Er zijn ook nog een aantal wettelijke zaken die de openbaarheid niet toelaten zoals het gevaar voor het land en dergelijke zaken. Momenteel is het zo dat de tuchtzittingen van de Raad van Beroep wel openbaar
zijn en van de provinciale raad niet. In die verandering gaan we dus zeker mee.
Dit was in het kort iets over de nieuwe ideeën die we daarover hebben, ik
hoop dat ik binnen de tijd gebleven ben, de discussie kan later verder gezet worden, maar hiermee hebt u dan toch een keer een nieuwe visie op de toekomst
van de Orde zoals wij die zelf zien. Ik dank u wel.
Guy Tegenbos:
Dank u, ook perfect binnen de tijd. Dokter Daniel Leclercq en dokter Yves Dusart,
ondervoorzitter en voorzitter van de provinciale raad van de Orde van de Artsen
in Luik, lichten ons nu de concrete taken van de Orde toe.
Docteurs Daniel Leclerq et Yves Dussart, vice-président et président du
Conseil Provincial de l'Ordre des médecins de Liège
(Explication orale de leur présentation ‘Aperçu des tâches concrètes de l'Ordre’
Docteur Daniel Leclerq:
(Commentaire orale sur les dias 1 à 33 de la présentation des docteurs Leclercq
et Dussart)
Bonjour, je tiens à remercier les organisateurs de nous avoir invité Yves et moi
pour vous parler de notre travail au sein du conseil provincial de Liège. Je
m’appelle Daniel Leclerq, je suis médecin généraliste, médecin de terrain, c’est
ça qui est essentiel pour moi. C’est un peu le hasard qui a fait que je suis
maintenant vice-président du conseil provincial de Liège.
Au bureau nous recevons des plaintes de patients. Et très souvent les gens
commencent leur lettre en disant c’est l’histoire du pot de terre contre le pot de
fer ou encore que les loups ne se mangent pas entre eux. C’est clair que pour les
patients nous ne sommes pas assez sévères. Pour les médecins, ils ont tendance
à nous comparer à la police, voire à la police des polices ou encore certains
disent que nous utilisons des méthodes dignes de la gestapo. Bref, pour les
médecins, on est beaucoup trop sévères. Ceci est un sacré paradoxe. Ils veulent
même être protégés…
Quelles seraient les motivations des médecins qui se présentent au conseil
provincial?
Certains vont dire que c’est pour se faire une armure ancienne ou moderne peu
importe pour être protégé, pour la notoriété. Eh bien, je suis beaucoup moins
connu que lui puisque seul ma mère et ma femme connaissent le nom du vice
président du conseil de Liège. Et je vous dirais que malheureusementon se fait
plutôt des ennemis. D’ailleurs en venant ici certains de collègues de l’Ordre
m’ont dit que j’allais me faire tirer dessus, je ne le crois pas.
Pourquoi est ce que j’ai postulé au conseil provincial de Liège?
Peut être parce qu’il y a 20 ans j’ai eu quelques petits problèmes. Je n’ai pas eu
de sanction, je vous remercie, mais personnellement je n’avais pas eu
l’impression d’être bien reçu.
Je me suis dit que les choses devaient changer. Je viens du monde ouvrier et je
pensais que l’Ordre des médecins, c’est un petit peu comme ces vieux clubs
anglais, que j’allais être reçu dans une ambiance un peu cosi un petit peu bien. Je
pensais que c’était un lieu d’échange, d’écoute mais j’ai eu l’impression plutôt de
monter sur un ring de boxe, à l’époque en tout cas. Je ne nie pas qu’il faille, en
tout cas pour certains collègues, des sanctions. Mais reconnaissons que les
sanctions sont le plus souvent symboliques. On a d’ailleurs un collègue qui ayant
reçu 8 ou 10 jours de sanction nous avait envoyé une carte postale pour nous
remercier des vacances que nous lui avons fait passer. Mais, ce symbolisme,
c’est justement parce que la sanction est donnée par des pairs et la plus part des
médecins qui aiment leur métier sont touchés de venir alors, parce que c’est
leurs pairs. Moi je n’avais pas eu l’impression à l’époque d’être reçu en toute
fraternité. Je me suis dit qu’il fallait que je pénètre cette structure si je voulais un
peu la faire changer. Ceux qui veulent du changement, venez, on vous attend. Je
me suis présenté, petit généraliste, parce qu’à Liège il y a plus de candidats que
de places et comme j’avais ma grande gueule (comme on dit à Liège) les
collègues ont donc voté pour moi.
Je voulais, et je veux qu’il y ait une évolution et j’essaie de faire des choses
dans le bon sens, je ne veux pas que ça aboutisse à n’importe quoi. On a
sympathisé, avec Yves Dussart, il y a une dizaine d’années et on a mis sur pied
un commission « réforme de l’Ordre » à Liège. On y a déjà fait évoluer des choses
au niveau provincial dans le cadre de la loi - parce que on a pas le choix - et
dans le cadre de notre théorie. On a fait évoluer les choses tant pour les patients
que pour les médecins.
Pourquoi l’Ordre? Parce que je pense que l’Ordre a un point de vue
particulier. Si on ne regarde pas dans la bonne direction on risque de louper de
jolies choses. Voyons le cas de ce bébé, c’est un cas vécu : La maman, 18 ans,
appelle au milieu de la nuit car le bébé louche alors qu’elle est en train de lui
donner le sein et cela l’inquiète. Le médecin généraliste explique au téléphone
que c’est vraiment pas une urgence, qu’il y a vraiment pas de problèmes et il
raccroche. Mais c’est des jeunes parents, ils paniquent, ils vont à l’hôpital. Il n’y a
pas de dommage et n’importe quel tribunal ne se serait pas saisi de cette affaire.
Nous, avec notre point de vue particulier, avec notre angle de vue, on lui a
rappelé que dans la médecine il n’y a pas que les grosses urgences mais il y a
un point du vue humaniste. Et le fait que des pairs lui aient rappelé ça, je pense
que ça a aidé ce jeune collègue.
Parce que moi, j’accepte d’être contrôlé, par les tribunaux, par la loi, c’est
le peuple quelque part qui me contrôle. J’accepte l’Inami qui va contrôler au
niveau administratif, j’accepte tous les autres niveaux. Personnellement
j’aimerais avoir un endroit où je puisse discuter avec mes pairs, les gens qui
partagent mon métier et qui connaissent les difficultés de mon métier. Et que,
éventuellement , si je fais de petites conneries de temps à autre, je puisse être
rappelé à l’ordre.
Moi, je ne pense pas que la panthère va pouvoir expliquer à l’éléphant
comment manger. Tel que je suis là aujourd’hui, je ne pourrais pas demander
des conseils à mon père qui est ouvrier prépensionné, ni à mon frère qui a été
prépensionné à 50 ans, ni à ma mère, femme d’ouvrage. Ils ne connaissent pas
mon métier. Ce sont vraiment les gens avec qui je partage ce métier qui vont
pouvoir m’aider.
Je dis donc qu’il faut moderniser mais il faut un lifting qui aboutisse à
quelque chose de bon. S’il vous plait, donnez nous de bons outils pour que nous
fassions du bon travail et que nous puissions faire évoluer l’Ordre.
Je passe maintenant la parole à Yves Dussart, le président qui va vous
expliquer comment se déroule une plainte depuis le début jusqu’à la fin. Je vous
remercie.
Docteur Yves Dussart:
(Commentaire orale sur les dias 34 à 54 de la présentation des docteurs Leclercq
et Dussart)
Et bien, merci Daniel. Vous voyez qu’on ne s’ennuie pas au bureau de Liège
avec un tel confrère.
Mesdames, Mesdemoiselles, messieurs, chers confrères et chers consœurs,
A moins que Monsieur Tegenbos me donne 2 minutes de rabiot je vous prie
d’excuser le débit rapide de cet exposé mais il nous a été demandé de raccourcir
de 20 à 15 minutes c’est avec plaisir que je m’y conforme.
Merci de votre invitation, après 15 ans d’Ordre et 9 ans de vice-présidence,
je me suis présenté il y a un an à la présidence de Liège. Dans ma lette adressée
aux confrères élus, j’ insiste sur le désir mien de faire sortir l’Ordre de ses murs.
Je voulais rétablir un dialogue constructif et conciliant entre l’Ordre et les
confrères qui ont souvent une perception négative de celui-ci. Raison pour
laquelle avec le bureau mais surtout avec Daniel Leclercq mon vice président,
nous avons initié samedi dernier un débat intitulé « Question d’Ordre, l’Ordre en
question ». Voyez-y un jeu de mots mais aussi la remise en question de celui-ci.
Une centaine de confrères y ont participé activement ce qui constitue un
encouragement pour l’avenir. Nous y avions invité le Docteur Johan Vandepaer,
membre de Médecine pour le Peuple et médecin généraliste à la maison
médicale de HERSTAL dont le titre de l’exposé était : « Éthique médicale, un
autre regard ». Nous lui avons bien entendu laissé toute liberté d’expression
demandant simplement un esprit correct et un respect mutuel. Ce qui fut fait et
on l’en remercie vivement.
Ont aussi pris la parole notre magistrat le juge Fontaine, le professeur de
déontologie Christian Bouffioux et notre délégué national Roland Kerzmann.
Comme le disait Madame Mati rédactrice en chef du journal « le Généraliste »
présente le samedi dernier, ce débat constitue un amuse-bouche, le plat de
résistance étant pour ce samedi. Beaucoup nous ont prédit de gros ennuis, mais
nous sommes confiants en la sagesse de nos pairs et sereins quant aux réponses
que nous pourrons apporter aux questions de cette noble assemblée dont nous
savons que la majorité n’est pas particulièrement favorable à notre Ordre.
Mais j’ai l’intime conviction que, faisant le même métier, nous désirons
ensemble d’apporter à la communauté les meilleurs soins auxquels ils ont droit,
que nous faisons ce matin un pas dans votre direction, intimement convaincus
que nous avons plus de chances de nous entendre que nos politiciens sur BHV.
Notre présence ce matin est vraiment l’expression de notre désir d’ouverture et
d’expliquer aux patients c’est à dire à vous tous, ce qu’est l’Ordre avec ses
qualités et ses défauts mais une vue telle que nous voulons qu’il soit à l’avenir.
Je veux insister sur le cheminement d’une plainte au conseil de l’Ordre, sur
le droit du plaignant et sur l’attention particulière que nous apportons d’abord à
l’audition du médecin, celui-ci porteur d’une lettre explicite quant à l’origine de la
plainte puis de la copie intégrale de l’audition qui lui est adressée pour
corrections éventuelles, ensuite des décisions motivées et non arbitraires, enfin
la possibilité d’aller en appel où le président est un magistrat.
Seul regret pour Daniel et moi-même, l’impossibilité de tenir le plaignant
informé de nos décisions. Il faut savoir qu’en droit disciplinaire, le médecin a
l’obligation de participer activement à l’enquête et l’obligation de vérité envers
ses pairs. Il ne faudrait dès lors pas que le plaignant profite de cette situation
pour porter plainte au civil et ou au pénal d’où pour lui la nécessité de légiférer à
cet égard. Nous voudrions insister sur le désir qui est nôtre de notre rôle de
conciliation. Nous réalisons régulièrement cela entre confrères mais aussi quand
c’est possible entre confrères et patients au moment où ceux-ci sont entendus
par la commission d’instruction. Nous sommes aussi persuadés de notre rôle de
service envers le corps médical. A cet égard les confrères commencent à savoir
que notre téléphone leur est accessible à tout moment. Conseiller plutôt que
sévir, voilà notre devise à Daniel et moi-même.
Maintenant je vais passer les dias dont le graphisme très humoristique est
dû à Daniel Leclercq. Une première décision de notre bureau c’est de classer
directement les dénonciations anonymes sauf fait majeur, par exemple fait de
mœurs. De demander d’abord des explications au médecin quand il nous semble
s’agir d’un simple litige administratif. De favoriser la conciliation en créant des
commissions qui favorisent le contact entre le plaignant et le médecin dénoncé.
Nous tentons de trouver une solution qui satisfasse les deux parties. Donc depuis
un an de fonctionnement nous avons refait nos statistiques : 800 lettres dont 170
pourraient dénoncer des fautes de déontologies. Sur ces 170 nous avons classé
directement 52 et nous avons demandé dans 71 cas des explications et réalisé
une conciliation Dans 49 cas, ils ont été mis à l’instruction, 12 sont passés en
conseil de jugement dont 2 renvoyés pour suites, 5 avertissements, 2
réprimandes, une suspension de 4 jours, une de 8 jours et une d’un mois. Dès le
début nous avons installé une commission de modernisation du conseil provincial
comme a dit Daniel. Elle reprend le travail commencé par la Commission
Réforme de 2000 que je présidais déjà assisté par mon vice-président.
Je voulais vous dire qu’à cette époque j’ai vu arriver un jeune très très
revendicateur, c’était un membre actif d’Action loi médicale. Après plusieurs
mois, je l’ai vu évoluer, se disant que Liège n’était pas si antidémocratique qu’on
le disait et je lui ai dit : « Daniel si un jour je suis président, tu seras mon viceprésident. » Ce qui est fait actuellement.
Nous voulons la clarté dans la procédure. Lorsque le bureau demande une
instruction, 2 ou 3 instructeurs médecins sont nommés (en fonction de la
lourdeur du cas) ainsi que le magistrat, la secrétaire. Le médecin reçoit sa
convocation avec toutes les explications. Nous envisageons même de lui
transmettre carrément la lettre. Nous lui montrons d’ailleurs l’original de la
plainte. Les instructeurs ont reçu tout le dossier, l’audition est enregistrée, avec
l’autorisation du comparant et ainsi intégralement recopiée. Point fort important :
l’instruction se fait à charge et à décharge. A une seule reprise, sur un an, j’ai eu
un instructeur qui manifestement était plutôt à charge. Tout de suite j’ai
demandé que le dossier soit classé. Il est vrai que ce n’était pas un cas
particulièrement dramatique. Nous envoyons le texte intégral afin de recolleter
des explications. Pour l’audition possible des témoins, même procédure. Le
plaignant convoqué, à la demande du médecin, la commission peut accepter le
témoin. A ce stade, il n’y a pas d’inculpation. Le médecin ne peut être assisté par
un avocat ou une autre aide. Je pense que cela devrait changer un jour. Sachez
(et certains le savent mieux que moi,) qu’il n’y a pas d’avocat au commissariat
de police et lorsque le patient est devant le juge d’instruction, il n’aura son
avocat que lorsqu’il sera inculpé. Le conseil se réunit, président, vice-président,
et les conseillers. Légalement le minimum est de 12 le maximum de 18. Chaque
conseiller lit l’entièreté du dossier. Je sais que dans certains Ordre provinciaux il
n’y a qu’un résumé. On présente les instructeurs, les questions aux instructeurs
sont objectives, le magistrat nous rappelle éventuellement la loi, les instructeurs
se retirent, les conseillers présentent leurs arguments puis votent ‘classement’
ou ‘faire comparaître le médecin'.
Concernant la même composition du conseil de mise en prévention et du conseil
de comparution. Je pense que c’est une erreur que nous devons corriger
rapidement. Ca nous est souvent reproché et je pense qu’ils ont raison : il
faudrait deux conseils différents mais il y a parfois des problèmes d’intendance
qu’il n’est pas facile de résoudre, mais je vous promets d’essayer de le résoudre
à Liège rapidement. Le médecin peut se faire accompagner d’un avocat ou de
confrères choisi par eux. Il peut également demander au conseil de présenter un
ou des témoins. On les accueille on explique au médecin comment se passera la
procédure, on présente le dossier, questions des conseillers, défense, le dernier
mot est toujours au médecin ou a son avocat. Le médecin se retire avec les
témoins. Les instructeurs, discussion, décision, classement ou peines.
Les différentes peines :
Avertissement, censure, réprimande, la suspension d’un jour, 4 jours, 8 jours, 15
jours 1 mois 3 mois 6 mois 1 an 2 ans, radiation. Comme l’a dit monsieur
Michielsen c’est la loi qui nous l’impose.
Ici, c’est une phrase à laquelle Daniel tenait particulièrement.
Dans l’immense majorité des cas, la peine est symbolique. Je tiens cependant à
vous expliquer que la philosophie du président lorsqu’il y a des cas important :
C’est à dire, entretien de toxicomanie, trafic d’hormones vers le culturisme,
mauvaise indication de la médecine esthétique, fatalement, meurtre mais cela
s’entend je plaiderai et je plaiderai pour que les confrères mettent des sentences
suffisantes. Comme il a dit, 8 jours à 15 jours sont des vacances. Le confrère
nous l’a gentiment écrit. Nous ne l’avons pas remis à l’instruction, nous vous
rassurons : nous avons un peu le sens de l’humour. Point important pour les
propositions de réforme de l’Ordre. Vous verrez à gauche ce que Liège à proposé
en 2000 et les propositions retenues.
Président national médecin : oui
Président d’appel médecin : non
Eligibilité de 5 ans ils disent oui
Age maximum pour postuler : 70 ans refusé
Plaignant tenu au courant de la décision du conseil, ça c’est une chose à laquelle
nous tenons mais nous nous heurtons quand même à un problème législatif. Je
pense qu’il faudra régler ce problème. Il ne faudrait pas que les patients
profitent de cela pour aller au civil ou au pénal.
Problème d’effacement des peines : oui
Modification des peines monsieur Michielsen en a parlé
Et le point important : possible interdiction à la profession pour une période
maximale de trois mois si le médecin représente un risque grave pour la société,
Notre commission provinciale de Liège est particulièrement peu rapide.
Je vais conclure. Je crois avoir épuisé mon temps de parole
Une dernière mesure récemment prise à Liège grâce à l’expertise informatique
du Docteur Jean Mignon, un de nos membres, est de réaliser un cadastre des
peines. Celui ci ayant pour mission de contacter rapidement différents conseils
provinciaux tant néerlandophones que francophones.
Conclusion.
Il semble utile de réformer l’Ordre il ne semble pas utile de réformer celui-ci en
profondeur mais il convient de revoir et d’adapter le code existant tant à
l’évolution actuelle de la société qu’a la structure de l'État. J’insiste qu’il est
cependant indubitable pour nous que c’est bien à notre profession et à elle seule
qu’il appartient de continuer à défendre sa compétence tout comme sa capacité
à gérer la pratique médicale, conscient de la primauté de la loi sur le code de
déontologie.
Guy Tegenbos:
Door onder te duiken in de concrete praktijk van Luik hebben we niet alleen
geleerd dat er nog een andere rol is van de Orde, namelijk de Orde als
reisbureau, maar ook dat er vanuit een provinciale Orde heel wat dynamiek kan
ontstaan. Dat er heel wat dynamiek aanwezig is om anders te gaan werken. Hoe
zit dit in het buitenland? Dat vragen we aan professor Johan Legemaate van de
Universiteit van Amsterdam en van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij van
de Geneeskunst. Aan u het woord.
Prof. mr. Johan Legemaate (Universiteit Amsterdam):
(Mondelinge commentaar bij zijn diapresentatie ‘Medisch tuchtrecht in
Nederland’)
Dank u wel voorzitter, goede morgen dames en heren.
Dank u voor de uitnodiging om dit symposium te mogen opluisteren met een
stukje buitenland. Dat is ook de titel van mijn inleiding in uw programma:
Tuchtrecht in het buitenland, maar met vooral ook de tijd beperk ik mij tot
Nederland zoals u ziet. Mijn naam is Johan Legemaate, ik ben hoofd van de
juridische afdeling van de Nederlandse KNMG, de artsenfederatie en hoogleraar
gezondheidsrecht van de Vrije Universiteit van Amsterdam. U heeft een
vooruitziende blik, want uw programma vermeldt de Universiteit van Amsterdam,
dat is een andere universiteit, maar daar ga ik in september naartoe, dus … U
bent heel goed op de hoogte. Wij hebben in Nederland geen Orde van
Geneesheren, die hebben wij ook nooit gehad. Wij hebben bijvoorbeeld wel een
Orde van Advocaten en die Orde van Advocaten die doet ongeveer wat uw Orde
voor Geneesheren in België voor artsen doet. Maar wij hebben nooit een Orde
van Geneesheren gehad, wel de artsenfederatie KNMG. Dat noemen wij een
federatie omdat het een verzameling is van artsengroeperingen, artsen in zijn
algemeenheid, huisartsen, medi-specialisten, verpleeghuisartsen enz. Dat is geen
organisatie waar je verplicht lid van moet zijn. Je mag er vrijwillig lid van zijn.
Ongeveer 60 % van de Nederlandse artsen is lid van de KNMG.
De functies van de KNMG zijn het maken van gedragsregels, richtlijnen
voor medisch handelen en belangenbehartiging. De KNMG heeft dus eigenlijk
twee doelstellingen, dat is de kwaliteit van de gezondheidszorg en de
belangenbehartiging voor artsen. We proberen dat ook met elkaar in verbinding
te brengen. U begrijpt dat dit soms een spanningsvolle relatie is, maar over het
algemeen komen we daar vrij goed uit. Als u zegt dat uw Orde wetgever, partij
en rechter is, dan is misschien in ons systeem de KNMG de’ wetgever’, maar
zeker niet de rechter. Medische plichtenleer zoals u dat noemt, dat is in ons land
een functie van de KNMG. De KNMG staat voor deontologie, maakt de
gedragsregels, maakt de richtlijnen en op grond van ons nationaal systeem zijn
die gedragsregels en richtlijnen niet alleen bindend voor leden van de KNMG,
maar ook voor artsen die geen lid zijn van die organisaties.
Het tuchtrecht is bij ons van oudsher ondergebracht in een apart systeem,
wij hebben bij wet geregelde tuchtcolleges. Daar heeft de KNMG als
artsenorganisatie eigenlijk geen relatie mee op één punt na, als er een vacature
is voor een arts in het tuchtcollege, mogen wij suggesties doen voor wie die
vacature zou kunnen invullen. Dit overleggen we met de achterban, daar doen
we een suggestie voor en het tuchtcollege beslist. Afgezien van het doen van
suggesties voor benoemingen - geen beslissingen dus maar suggesties - hebben
wij geen bemoeienis met het tuchtrecht. Dat tuchtrecht wordt uitgeoefend door
vijf regionale tuchtcolleges, verspreid over het land – vijf regio’s in Nederland –
en er is uiteraard hoger beroep mogelijk bij het Centraal Tuchtcollege in Den
Haag. Dat systeem van het wettelijk tuchtrecht is van toepassing op de acht
beroepen in de gezondheidszorg: arts, tandarts, apotheker, verloskundige,
verpleegkundige, fysiotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut.
Er is dus een eenduidig systeem voor acht beroepen in de gezondheidszorg.
Dezelfde wet, dezelfde tuchtrechtregeling.
Hier ziet u ons Centraal Tuchtcollege, de beroepsinstantie. De persoon
rechts is de secretaris, de andere vijf personen zijn de leden van het centraal
tuchtcollege. Daar zal ik u zo nog iets over vertellen en de persoon, de derde van
links met de rode stropdas, is in dit geval de voorzitter van het Centraal
Tuchtcollege. U ziet hier ook de enscenering die u misschien doet denken aan
een rechtbank, dat klopt ook, de zittingen van het tuchtcollege vinden plaats in
het Paleis van Justitie. De voorzitters van onze tuchtcolleges zijn eigenlijk altijd
rechter-magistraat, de andere leden dat kan variëren, maar de voorzitter is altijd
een rechter. Wij zien het tuchtcollege als een rechtbank, een medische rechtbank
zou u kunnen zeggen. Het is heel gebruikelijk en dat doe ik zelf ook, dat wij met
onze studenten in hun opleiding - geneeskundestudenten en rechtenstudenten –
ook zittingen van het tuchtcollege bezoeken om hen een indruk te geven van hoe
dat gaat en wat zich daar afspeelt.
Wie kunnen er klagen? De wet zegt de rechtstreeks belanghebbenden, dat
zijn meestal de patiënt of familie van de patiënt. Wie bij ons ook kan klagen, dat
is onze nationale toezichthouder, de inspectie voor de gezondheidszorg. Dat is
een overheidsinstantie, maar die kan ook klachten bij het tuchtcollege
aanbrengen. Het Regionaal Tuchtcollege, dus de eerste laag, bestaat uit twee
juristen en drie beroepsgenoten. Als er een arts voor het college komt, zijn dat
dus twee juristen en drie artsen. Komt er een verpleegkundige voor het college,
dan zijn het twee juristen en drie verpleegkundigen vanzelfsprekend. Bij het
Centraal Tuchtcollege zijn het drie juristen en twee beroepsgenoten, net even
omgekeerd. En dat heeft, net zoals het laatste punt van de openbaarheid ook te
maken met het ‘Arrest Le Compte’, al genoemd en met het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens. Het juridisch element is dus in beroep versterkt
omdat daar hele zware beslissingen kunnen worden getroffen. De mengeling dus,
maar dat zult u ook hebben, van juristen en beroepsgenoten. De procedure voor
zo’n tuchtcollege ga ik nu verder niet schetsen, maar ze bevat grosso modo de
stappen en de elementen die de heer Dusart in zijn inleiding zo even ook al
noemde: horen en wederhoren, laatste woord, schriftelijke stukken, dat soort van
zaken.
Even wat gegevens. Wat u hier ziet is een overzicht van de klachten bij de
tuchtcolleges over acht beroepen in de periode 2005 – 2009 en u ziet een stijging
van ongeveer 1300 naar 1500 klachten voor al deze beroepsgroepen in een
periode van vijf jaar. Nu dus 1500 klachten per jaar. U weet Nederland heeft
ongeveer 15,5 miljoen inwoners, 1500 klachten. 60 % daarvan gaat over artsen dus het tuchtrecht is toch vooral een artsenaangelegenheid - 10 % over
tandartsen en lagere percentages over die andere beroepen die onder het
tuchtrecht vallen: 1 % slechts over de apotheker, 1 % slechts over de
psychotherapeut maar daar zijn er natuurlijk ook veel minder van. 10 % gaat
over verpleegkundigen, dat is weer wat hoger, maar in relatie tot een heel groot
aantal verpleegkundigen nog steeds niet heel erg hoog. Het gaat toch vooral om
de artsen, 60 % van die 1500 klachten zijn tegen artsen gericht.
Waar gaan die klachten over? Dat ziet u hier, de laatste kolom geeft de
percentages. 40 % van de klachten gaat over verkeerde diagnoses, 17 % over
geen of onvoldoende zorg, bijvoorbeeld een huisarts die gebeld wordt, maar die
niet komt en eigenlijk wel had moeten komen. En natuurlijk tal van andere
onderwerpen: onvoldoende informatie, te laat verwijzen, verkeerde verklaringen,
onjuiste declaraties, komen ook voor. Dat is bij ons vooral bij tandartsen om de
één of andere reden. Schending van het beroepsgeheim is ook een redelijk
belangrijk onderdeel, een hele variëteit, maar het zou mij verbazen als dat erg
zou afwijken van de soort van klachten waar u ook mee te maken heeft. U moet
zich voorstellen, die 1500 klachten komen niet allemaal op de zitting. Er kan
bemiddeld worden in een vroeg stadium, geprobeerd om een minnelijke
oplossing te bedenken. Sommige secretarissen van het tuchtcollege hebben ook
een mediation-cursus gevolgd om te kijken of ze in dat vroege stadium kunnen
bemiddelen. Het kan zijn dat de klacht soms wordt ingetrokken. Een bepaald deel
van de klachten komt op de zitting en dat is ongeveer een jaar na het indienen
ervan. Van die klachten die op de zitting komen, wordt 39% à 40% gegrond
verklaard. Als je tegen een patiënt zou willen zeggen hoe groot zijn kans op
slagen is, wel dan is dat statistisch ongeveer 40 %. Dat leidt meestal tot een
waarschuwing of een berisping, dat ziet u hier ook staan, zelden tot een boete en
ook heel zelden tot een schorsing, dat komt betrekkelijk weinig voor. Dus dat
idee van die symbolische straffen, is ook bij ons aan de hand, je moet het wel
heel gek maken als dokter wil je echt levenslang worden geschorst. Dat komt
slechts heel af en toe voor, maar niet zo heel veel.
Wat vinden de artsen over het tuchtrecht. Dat kunt u wel raden? Dokters
zijn daar niet heel erg enthousiast over, ze zien dat een beetje als een
noodzakelijk kwaad van het dokter zijn. Zeker als het je overkomt, want het is
een langdurige procedure die emotioneel heel erg belastend is. Zelfs als de
klacht ongegrond verklaard wordt, is het voor veel dokters nog wel een hele
onaangename ervaring. Als je aan een dokter vraagt ‘Heeft het tuchtrecht
betekenis?’, dan zullen de meesten zeggen van ‘Ja, het heeft wel betekenis voor
de kwaliteit van de beroepsuitoefening, maar als het je overkomt, dan voel je je
snel gemangeld tussen de juristen en dat is toch geen prettige ervaring’. Maar ja,
het is een beetje een beroepsrisico van de dokter.
Wat vinden onze burgers van het tuchtrecht? Dat hebben we vorig jaar
onderzocht. Die 1500 klachten per jaar vinden wij toch eigenlijk nog wel vrij
weinig, gelet op het totaal aantal relaties tussen artsen en patiënten in de
Nederlandse gezondheidszorg. We hebben onderzoek onder burgers gedaan en
dan blijkt dat heel veel mensen toch niet goed op de hoogte zijn van wat je met
het tuchtrecht wel en niet kan. Sommige mensen weten niet dat er een
tuchtrecht is en voor zover ze het wel weten, wordt er ook getwijfeld aan de
onafhankelijkheid van het tuchtrecht. Omdat men denkt ‘Daar zitten ook dokters
in dat tuchtcollege en die zullen elkaar wel de hand boven het hoofd houden’.
Onze ervaring trouwens is een hele andere. Onze ervaring is dat de dokters in
het tuchtcollege iedere schijn van partijdigheid willen vermijden en daardoor in
zo’n college soms nog wel eens strenger oordelen over hun collega dan eigenlijk
gerechtvaardigd zou zijn. Er is een grote discrepantie tussen de realiteit aan de
ene kant en het populaire beeld bij de burgers aan de andere kant. Men denkt nu
eenmaal als in dat tuchtcollege ook dokters zitten, dan kan dat niet in mijn
belang zijn. Dat is een heel moeilijk op te pakken punt.
Tenslotte, wat is de output van het tuchtrecht. We proberen het niet voor
niks te doen, het gaat om de verbetering van de kwaliteit van de beroepsgroep.
Daardoor worden alle uitspraken van de tuchtcolleges, zij het geanonimiseerd, op
de website gepubliceerd. Iedereen kan die lezen. Een selectie, de belangrijkste
uitspraken, worden gepubliceerd in de vakbladen van artsen, verpleegkundigen,
verloskundigen, … noem maar op. Er zijn heel wat uitspraken, ongeveer 40
uitspraken per jaar, die in die vakbladen worden gepubliceerd, omdat die heel
erg belangrijk zijn. Gezondheidsjuristen zoals ik, ook mijn collega’s, wij maken
heel vaak thematische analyses. Dan stellen we ons de vraag welke uitspraken
heeft het tuchtcollege de afgelopen twee jaar gedaan over bijvoorbeeld het
beroepsgeheim. Dan analyseren we die en dan proberen we daar rode draden en
gemeenschappelijke opvattingen uit te halen om tegen de dokters te zeggen: ‘Dit
is wat het tuchtcollege vindt dat u zou moeten doen’. Het kan ook heel goed zijn
dat een uitspraak van het tuchtcollege voor de artsenorganisatie KNMG een
reden is om een richtlijn te maken of aan te passen of om een gedragsregel toe
te voegen, omdat dat logisch uit die uitspraak voortvloeit. Er is dus wel een
zekere interactie tussen de artsenorganisatie en de tuchtrechtspraak, maar dus
niet in formele zin. Het komt heel vaak voor als er een klacht is van een patiënt
bij een klachtencommissie of een tuchtcollege of bij een civiele rechter, dat in de
verweren van beide partijen verwezen wordt naar uitspraken van eerdere
tuchtcolleges. Op die manier merk je wel dat de normering die uit die uitspraak
voortvloeit, dat die normering in belangrijke mate doordringt tot de praktijk van
de beroepsbeoefenaren.
Wat we aan het onderzoeken zijn, is wat de impact is van zo’n procedure
en zo’n uitspraak op de aangeklaagde arts. Hier hebben we vorig jaar een klein
stukje onderzoek naar gedaan, waar we kunnen uit afleiden dat die impact er
wel degelijk is, positief en negatief. Positief is dat de arts inderdaad zijn of haar
praktijk aanpast, negatief is dat het soms ook defensieve geneeskunde is. Maar
er is wel een impact en die impact lijkt overwegend positief te zijn.
Ik dank u voor uw aandacht.
Guy Tegenbos:
Dank u, ook dit was een verassende inbreng, ondermeer de focus op de output,
niet alleen voor de arts die in het vizier werd genomen, maar hoe speel je dat
door aan de rest van de medische werkers? Tweede grote vaststelling is dat het
opstellen van een deontologie dus blijkbaar niet noodzakelijkerwijs moet
gebeuren door dezelfde als degene die daar recht over spreekt.
Dames en heren,
We hebben nu drie bouwstenen, drie van de vier. We hebben eerst het historisch
overzicht gehad met ook het historisch overzicht van alle wetsvoorstellen tot
verandering. We hebben ten tweede de visie van de Orde van de Geneesheren
en de Geneesvrouwen zelf gehad, het nieuwe voorstel tot hervorming, de nieuwe
manier van werken in Luik. We hebben een blik gegooid op Nederland en wat ons
dit kan leren en dan gooien we nu onze aandacht op professor Etienne
Vermeersch, lid van de Bio-Ethische Commissie, die zijn visie formuleert over
een Hoge Raad voor de Deontologie van de gezondheidsberoepen.
Prof. em. Etienne Vermeersch (UGent):
Lezing ‘Een Hoge Raad voor de Deontologie van de gezondheidsberoepen’ (geen
diapresentatie)
Dank u wel. Marc, u heeft gezegd dat ik geen arts ben, dat is juist, maar ik
ben wel erelid, membre d’honneur van de Société Belge de Chirurgie. Niet alle
artsen zijn dat. Goed.
De titel van mijn lezing ‘Een Hoge Raad voor de Deontologie van de
gezondheidsberoepen’, daar moest een vraagteken bijstaan, want ik heb de
problematiek de laatste dagen een beetje opnieuw onderzocht en er is dus wel
een probleem voor mij gerezen. Je weet dat ik heb medegewerkt aan de tekst
van het eerste rapport over de Orde van de Geneesheren in 1975. En in de het
wetsvoorstel van mevrouw Merchiers staan hele kolommen die eigenlijk door mij
geschreven zijn, dat wil zeggen 35 jaar geleden door mij geschreven. Ik herken
nog altijd dat het een tekst van mij is, maar dat doet nu niets ter zake. Wat ik
wou zeggen is het volgende: toen we daar in 1975 mee bezig waren en toen ik
medegewerkt heb aan het wetsvoorstel van Lode Hancké, toen bestond het
Raadgevend Comité voor Bio-ethiek nog niet. Ik heb wel de indruk dat door het
tot stand komen van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek de situatie toch in
zekere mate gewijzigd is. Wanneer ik voorstellen lees in verband met de taken
van de federale of nationale raad - of hoe je het ook mag noemen - dan stel ik mij
de vraag: ja, wat is nu de verdeling van de bevoegdheden tussen aan de ene
kant het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek en aan de andere kant dat orgaan
dat zo’n code moet opstellen. En ik ben daar eigenlijk nog niet uit, want ik
herinner mij dat enkele jaren geleden de Nationale Raad van de Orde van de
Geneesheren een aantal instructies gaf inzake euthanasie, instructies die dan
door de wet in feite ongedaan gemaakt zijn. Dat betekent toch dat zij toen reeds
over een ethisch probleem en een maatschappelijk probleem een standpunt
innamen, dat eigenlijk niet gedragen was door de bevolking, zoals zeer duidelijk
gebleken is uit de wet die toen is tot stand gekomen. Ik kan mij zeer goed
voorstellen dat in verband met bijvoorbeeld de problematiek van het
experimenteren met embryo’s, dat zij ook daar standpunten zouden kunnen
innemen, die niet stroken met de huidige wetgeving. Die huidige wetgeving voor
al die problemen is besproken in het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Ik vind
het dus een uiterst moeilijke opdracht om nu te gaan zeggen: kijk, die Algemene
Raad die mag beslissingen met effect nemen terwijl het Raadgevend Comité voor
Bio-ethiek alleen adviezen geeft.
Het Raadgevend Comité geeft adviezen die praktisch altijd unaniem zijn,
maar de unanimiteit bestaat er bijna altijd in dat men het eens is dat men het
oneens is over dat en dat en dat probleem. Dat er dus over een bepaald
probleem diverse opinies naar voren komen, omdat van in het begin, van bij de
stichting van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, het duidelijk geweest is
dat wij niet de bevolking vertegenwoordigden. Dat wij – ik zeg wij omdat ik er
zolang bij geweest ben - in feite ook niet de deskundigheid vertegenwoordigden
en het ethische oordeel konden uitspreken. Dat in feite de bevolking, voorgelicht
uiteraard door de deskundigen, de beslissingen daarover moet nemen en die
worden dan genomen via de vertegenwoordiging van die bevolking.
Er was aan de traditionele activiteit van de Orde van de Geneesheren, en
ook in verband met het gebruik van de deontologische code toch een heel, heel
vervelende zaak. En ik heb er nu nog niet veel over gehoord, over de vraag hoe
men die zaak zal oplossen. Er is een aloud principe in het Romeinse rijk Nulla
paena sine lege, soms ook Nullum crimen sine lege. Nulla paena sine lege,
daarvoor moet je teruggaan naar de codex van Hammurabi, 18de eeuw voor
Christus. Daar staat: wanneer iemand dat en dat en dat gedaan heeft, dan krijgt
hij die en die en die straf. Dat is het basisprincipe - denk ik - van het Westers
recht. En het zal waarschijnlijk definitief zo zijn voor het recht in het algemeen
dat je dus niet kunt straffen zonder een specifieke wet. Nu, de huidige Orde van
de Geneesheren kan straffen uitspreken, het is hier al een paar maal herhaald,
zelfs definitieve uitsluiting voor eeuwig, voor de duur van het leven. Dit is een
fenomenale straf voor een arts. Men wordt definitief belet het beroep, dat men
gekozen heeft, uit te oefenen. Een fenomenale straf op basis van teksten die
geen wetten zijn, op basis van een code waarvan uitdrukkelijk stond in het KB
van ’67 dat die code moest worden goedgekeurd na een in ministerraad
bediscussieerde beslissing. Dit is dus nooit gebeurd, dus die code betekent
eigenlijk niets en men kan dus – volgens mij – volgens de basisprincipes van de
mensenrechten, kan men volgens die code geen straffen uitspreken. Nulla paena
sine lege maar er is geen wet. Men kan discussiëren over de vraag of een in de
ministerraad beslist koninklijk besluit een voldoende wettelijke grond is om een
code op te baseren maar in elk geval is het al iets meer algemeen en al veel
meer maatschappelijk gedragen dan wanneer het alleen van de Orde komt. Er
wordt daar traditioneel dan tegenover gezegd: ‘Ja maar, je moet een onderscheid
maken tussen tuchtrecht aan de ene kant en gewoon recht aan de andere kant’.
Dat kan in een zekere mate het geval zijn, maar volgens mij is dat niet billijk
wanneer het over zeer zware straffen gaat.
Dus een eerste punt dat ik zou zeggen is: ik ben er nog niet uit, uit die
verschillende voorstellen. In de mate waarin men nog tuchtcolleges handhaaft –
en in mijn optiek zou daar dan ook een inbreng van niet-artsen aanwezig moeten
zijn - dan mogen die volgens mij alleen de zogenaamde symbolische straffen
uitspreken. Dat wil dus zeggen de sancties één, twee, drie en vier – men heeft er
eentje weggelaten, de censuur, dus blijven er nog drie over. Volgens mij zouden
die alleen die symbolische straffen mogen uitspreken. Dat is al erg genoeg want
dat tast dus nog altijd de rechtsbeginselen aan. Men aanvaardt dan het feit dat
de straffen die door dat tuchtcollege worden uitgesproken wettelijke grond
missen niet zo belangrijk is. De baas van een overheidsdepartement kan ook
eens een opmerking maken over een bepaalde persoon en dat moet niet
noodzakelijk een juridische zaak zijn. Maar als iemand buiten gegooid wordt uit
de administratie bijvoorbeeld, vind ik ook dat dit voor de rechtbank moet komen,
dat dit niet zomaar op basis van tuchtrecht mag gebeuren. Dus voor wat
tuchtrecht betreft, zou ik zeggen, er moet een wettelijke basis zijn voor elke
ernstige straf. De vraag hoe zo’n tuchtcollege wordt samengesteld, zou ik nu niet
wensen te behandelen.
Nu dan over die algemene normen. Wat dat betreft, is de vraag: hoe maak
je een onderscheid tussen ethiek en deontologie? Laat ons eens het voorbeeld
nemen van de Groningen-criteria, de problematiek van wat je doet met
pasgeboren kinderen die verschrikkelijk lijden, die eigenlijk geen enkele zinvolle
toekomst voor zich hebben. Bijvoorbeeld zoals in dat gruwelijke geval van een
kind in Groningen waarbij men het kind als men het wilde verversen, eigenlijk
telkens in een coma moest brengen. Omdat het zo verschrikkelijk veel pijn had,
omdat die huid dan aan flarden vloog, een verschrikkelijke zaak. Men heeft daar
die Groningen-criteria opgesteld. Die hebben natuurlijk momenteel geen enkele
specifieke waarde, behalve dat de Officier van Justitie van Groningen zich
akkoord verklaard heeft dat in bepaalde gevallen de artsen een
levensbeëindiging mogen toepassen. Je zou kunnen zeggen: ‘ Ja, de Orde moet
zo iets behandelen’. Wel, ik zou liever hebben dat het Raadgevend Comité voor
Bio-ethiek dat behandelt en dat er dan na veel discussie gepoogd wordt iets op te
stellen in de richting van wetgeving over wat kan en wat niet kan. Zodanig dat dit
via de wet gebeurt.
Er zijn natuurlijk grensgevallen en daar aarzel ik een beetje of er misschien
toch een rol zou kunnen bestaan voor een orgaan dat vooral uit artsen bestaat. Ik
denk aan de problemen, de heel algemene problemen in verband met
neonatologie en aan de andere kant de problemen in verband met het
levenseinde, persisterende vegetatieve status enz… Ik heb nu de indruk dat men
die grensgevallen bespreekt onder de diverse deskundigen van diverse
hospitalen. Op zichzelf is dat enigszins aanvaardbaar maar aan de andere kant is
het toch beter dat ook daar een algemene regeling getroffen wordt. Ik zou, als
men dan toch naar een code van de deontologie wil gaan, streven naar een
algemene deontologische raad die eigenlijk een emanatie zou kunnen zijn van
het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Dan heb je al een basis van een aantal
mensen die je daarin kunt benoemen vanuit allerlei verschillende richtingen. Je
zou die, al naargelang van het type van probleem, kunnen laten aanvullen door
bijvoorbeeld een aantal neonatalogen, een aantal intensivisten enz… Al
naargelang van het probleem zouden die dan een bepaalde deontologische code
kunnen opstellen die een richting aangeeft. Een die niet zegt ‘In dit geval moet
je dit doen en dat geval moet je dat doen’, maar die zegt ‘Kijk, je moet rekening
houden met dat, dat en dat en je moet ook rekening houden met hoe die zaken
omtrent dat probleem evolueren’. Neem bijvoorbeeld het probleem van vanaf
wanneer je nu in feite moet beginnen met werkelijk te proberen een vroegtijdig
geborene in leven te houden. Ja, je kunt zeggen: ‘Wij kunnen dat na 20 weken al
doen’. Ja, maar als dat dan gelukt is, wat zal er dan na 40 weken en na 1 jaar en
na 2 jaar en na 4 jaar met dat kind eigenlijk gebeuren? Dat is een heel
belangrijke vraag en de vraag is dus niet ‘kan je het zomaar in leven houden?’ De
vraag is natuurlijk ‘Kan je een garantie geven van toch enig zinvol leven?’ Dat is
een vraag die je niet zonder meer kunt beantwoorden, die ik niet zonder meer
kan beantwoorden, maar waarvoor men toch de nodige aandacht moet hebben
en waarvoor zowel het publiek, de patiënt in dit geval, als de artsen moeten
weten dat daar een marge bestaat waar die mensen onder elkaar moeten
kunnen overeenkomen, zonder dat de rechtbank daar onmiddellijk in moet
tussenkomen. Dus een deontologische code zou voor mij vooral voor die
specifieke problemen moeten gelden, naast de adviezen van het Raadgevend
Comité. Een ander voorbeeld is de problematiek van het beroepsgeheim. Terzijde
wil ik u eraan herinneren dat tandartsen bijvoorbeeld nooit een cursus gekregen
hebben over deontologie. Die weten in principe niet – ik heb het aan stagairs
gevraagd – wat het beroepsgeheim is.
Op het gebied van persisterend vegetatieve status heeft Leuven een
voortrekkersrol gespeeld, dat zal ik niet ontkennen. Ik wou dat voorbeeld juist
gebruiken. Maar er zijn intensivisten die niet weten welke criteria in Leuven
gebruikt worden. Die niet weten dat men daar veel verder gaat in progressieve
richting dan wat op andere plaatsen gebeurt. Ik vind dus dat de basis voor de
ethiek, dat die verder moet gelegd worden door het Raadgevend Comité voor
Bio-ethiek. Dat comité is zeer goed samengesteld. De discussies duren soms wat
lang, maar die zijn zeer grondig. En vooral niet dogmatisch, omdat wij niet tot
één enkele beslissing komen van ‘het is zo en zo’ of ‘het is zo en zo. Er is
bijvoorbeeld in verband met kloneren één van de adviezen dat zegt ‘Kloneren
van een mens moet in een aantal gevallen kunnen, eens dat het medisch gezien
feilloos zou kunnen gebeuren’. Dat is wereldwijd uiteraard nogal indrukwekkend.
Er zijn natuurlijk adviezen die juist het tegenovergestelde zeggen. Maar de
mensen, die elk afzonderlijk de adviezen lezen, zien dan dat er verschillende
opinies bestaan waarover discussie mogelijk is. En de wetgever kan dan – indien
nodig – bepaalde beslissingen nemen. Mijn voorstel in verband met een
Algemene Raad zou dan zijn dat men vertrekt van een aantal leden die
voorgesteld worden door het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek naargelang van
de verschillende soorten deelnemers daarvan en dat men dat dan aanvult met
specialisten-artsen naargelang van de specifieke vragen die behandeld worden.
Dan zijn er natuurlijk de algemene vragen, maar die zijn maatschappelijk
belangrijk, dus moeten ook al die anderen er ook bij zitten, dat wil zeggen:
beroepsgeheim, respect voor het informed consent enz… Al die algemene
ethische zaken, die ook deontologisch een rol spelen, die zouden daar kunnen
worden behandeld.
Voor ernstige feiten moet men naar de strafrechter gaan. Als iemand een
ernstige overtreding doet, dan moet hij naar de strafrechter gaan en voor
bijvoorbeeld beroepsfouten moet men uiteraard naar de burgerlijke rechtbank
gaan. Want een patiënt kan, zoals het tot nu toe is, als een klacht neerlegt bij de
Orde daar geen enkele schadevergoeding voor krijgen van de Orde. Dus dat
moet sowieso naar de rechtbank gaan. Ik zou dus voorstellen dat, als men dan
toch een tuchtrecht heeft met die zogenaamde symbolische straffen, dat dan die
tuchtrechtbank zelf kan beslissen bij ernstige zaken: ‘Dit moet naar de naar de
strafrechtbank’ of de betrokkene, de patiënt de raad geven ‘Ga naar de
burgerlijke rechtbank’. Ik zou dat zo zien.
Ik wil toch nog in herinnering brengen hoe het Raadgevend Comité in
elkaar zit. Dat bestaat uit 35 leden en 35 plaatsvervangers, maar in de praktijk
werken die allemaal samen. Iedereen die lid of plaatsvervanger is, komt naar de
vergaderingen. Uiteraard als men wil komen want er zijn wel altijd voldoende
kandidaten maar ze werken niet allemaal even goed. In de wet staat dat er 16
vooraanstaanden uit universitaire kringen gekozen worden uit een lijst van
driemaal 16 namen voorgedragen door de Vlaamse interuniversitaire raad en
door de Conseil universitaire de la Communauté Française. Onder deze
vooraanstaanden zijn er 8 personen uit de wetenschappelijke en geneeskundige
faculteiten onder wie 5 dokters in de geneeskunde. 2 van die 8 personen moeten
houder zijn van een mandaat bij het Fonds (voor Wetenschappelijk Onderzoek?)
en 8 personen uit de faculteiten rechten, filosofie en menswetenschappen.
Daarnaast zijn er 6 praktiserende dokters in de geneeskunde van wie de helft
huisartsen. Daarnaast zijn er 2 advocaten, gekozen uit een lijst van de Nationale
Orde. Er zijn 2 magistraten en dan zijn er nog een aantal vertegenwoordigers van
verschillende ministers. Dus je komt eigenlijk op een totaal van 78 mensen met
die vertegenwoordigers van de ministers. 35 die een effectieve stem hebben, 70
die in feite actief meewerken aangezien er praktisch nooit gestemd wordt – ik
heb nooit een stemming meegemaakt. Dus of je nu effectief lid bent of
plaatsvervanger maakt eigenlijk geen verschil. De werking is dus zo dat als er
een vraag binnenkomt wordt door de vier leden van het bureau een
subcommissie samengesteld. Het bureau zelf is samengesteld volgens de
typische Belgische verdeling: 2 franstaligen en 2 nederlandstaligen, 2 gelovigen
en 2 vrijzinnigen, wat dat ook mogen wezen. Maar iedere subcommissie van 8 of
12 personen wordt samengesteld op die wijze dat onder de kandidaten voor die
subcommissie elk van de vier leden van het bureau iemand voorstelt, zodanig
dat die verdeling over de ideologieën en over de taalgroepen in feite
gerespecteerd wordt. De wet zegt ook dat de verdeling man-vrouw moet
gerespecteerd worden, maar dat is niet altijd volledig gelukt. Daar kan nog aan
bijgewerkt worden. Nu het interessante is dat die subcommissies dan heel intens
samenwerken gedurende een bepaalde periode met alle verschillende opinies die
daarin naar voren komen. Daar worden de teksten gemaakt, dat gaat dan terug
naar de algemene raad, daar wordt daar zeer grondig over gediscuteerd en
meestal wordt de teksten dan met amendementen teruggestuurd. Soms gebeurt
dat nog een tweede keer, wordt het nog een tweede keer teruggestuurd en
uiteindelijk komt men tot een advies waarover een consensus bestaat. Maar die
consensus betekent dat iedereen het erover eens is dat zijn opinie
vertegenwoordigd is. Dus ik denk dat dit een heel goede procedure is, die
ethische problemen op een correcte manier behandelt en die dan doorstuurt naar
de instanties: de gemeenschappen, het nationaal parlement enz… Naar de
instanties die daarover kunnen beslissen. Voor het geval van de deontologie
maak je dan een kleine deontologische raad die daaruit voortkomt en dan hoef je
geen nieuwe verkiezingen te organiseren. Want dat is nogal een slakkengang. Ik
heb dat meegemaakt, de snelheid van de Belgische administratie moet je
absoluut niet overschatten. Als je in januari moet beginnen, dan kan je soms in
september beginnen, zo is dat in dit land. Maar als je dat rechtstreeks zou
kunnen doen vanuit een vertegenwoordiging van het Raadgevend Comité, dan
zouden die – als er een deontologische vraag komt – kunnen zeggen, dit kunnen
wij behandelen, dit geven we door of terug aan het raadgevend comité om
uitvoerig te behandelen. Ik denk dat dit een zekere mogelijkheid van een
behoorlijke benadering is. Dat zijn maar enkele ideeën, ik heb er nog geen
grondige opinie over.
Guy Tegenbos:
Schitterend. Het is gelukt, we zijn binnen de tijd gebleven. Dat is één, maar ten
tweede het is ook inhoudelijk gelukt. Wie binnenkwam vanochtend en dat
allemaal wist en geluisterd heeft, weet het nu niet meer. Wie niet aan het
twijfelen is gebracht door de geschiedenis, wie niet aan het twijfelen is gebracht
door de dynamiek die in de Orde zelf leeft, wie niet aan het twijfelen is gebracht
door het buitenlandse voorbeeld, is aan het twijfelen gebracht op zijn minst door
de twijfelaar aller twijfelaars, professor Vermeersch en dat was ook de bedoeling
van dit eerste deel. Als we het allemaal weten, hoeven we niet te discussiëren,
als we het allemaal weten, zijn we ook niet rijp voor discussie. Nu wel, op één
voorwaarde, dat we nu nog een koffie krijgen en we zijn hier exact terug om 20
na 11.
(pauze)
Guy Tegenbos:
Niet alleen onze sprekers waren erg stipt, waarvoor dank, ook u bent dit geweest,
ook dank daarvoor. Drie kleine dienstmededelingen. Ten eerste, we vinden het
spijtig, maar professor Vermeersch kan niet blijven voor het debat, hij had nog
andere verplichtingen en de timing daarvan klopte niet. Hij zal ons dus iets
vroeger verlaten, maar hij heeft zijn werk gedaan, dat heb ik ook gemerkt onder
de pauze: de twijfel is gezaaid en dat hoorde ook zo. Dat is dienstmededeling
nummer 1.
Dienstmededeling nummer 2. Ik wil namens u uitdrukkelijk hulde brengen aan de
tolken. Wat zij doen is uitzonderlijk moeilijk werk en ze doen dat op een
voortreffelijke wijze.
Derde dienstmededeling, die komt van Ludo Fonteyne, die gaat over de
accreditering. Ik bedoel dan niet de discussie over de vraag of accreditering van
gezondheidsinstellingen of gezondheidsberoepen of dat kan bijdragen tot de
kwaliteit en tot het goed gedrag van de artsen, maar wel de hele praktische
accreditering. Meneer Ludo Fonteyne.
Ludo Fonteyne:
Goeiemorgen. Dank voor de talrijke opkomst ondanks de zon. Er is accreditering
voorzien door de accrediteringscommissie onder de rubriek nummer 2 Ethiek
voor 3 punten, u weet dat. Al diegenen die al vooraf zijn ingeschreven, kunnen
straks - niet nu - hun accrediteringsattest krijgen achteraan, op hun eigen naam.
Dat is dan gerangschikt in alfabetische volgorde. Er zijn vier mapjes, dus je zal
onder je naam het accrediteringsattest vinden. Degenen die niet op voorhand zijn
ingeschreven, hebben zich uiteraard bij het begin van het symposium
ingeschreven met hun handtekening en hun Riziv-nummer en kunnen een
zogenoemd blanco attest van aanwezigheid krijgen. Uiteraard moet iedereen zijn
Riziv-nummer en handtekening bij de inschrijving bij het begin van dit colloquium
hebben gezet op het papier dat wij hebben getoond aan de ingang. Zij die dat
niet hebben gedaan, zullen ook niet geaccrediteerd worden. Een tweede puntje is
dat de powerpoint van de sprekers, die een powerpointpresentatie hebben, gaat
gepubliceerd worden op de site van Geneeskunde voor het volk www.gvhv.be en
misschien ook op die van Patrik Vankrunkelsven. Tot zover deze mededelingen.
Guy Tegenbos:
Voor de koffie hebben we het probleem geanalyseerd, in stukken geknipt, twijfel
gezaaid, uiteengerafeld. Nu gaan we de elementen terug bij elkaar brengen,
terug in verband brengen. We brengen u twee stellingen naar voor:
1) De Orde moet worden afgeschaft
2) De Orde moet grondig worden hervormd
En voor ieder van die twee stellingen zijn er juridische argumenten en medischmaatschappelijke argumenten. We beginnen met de stelling ‘De Orde moet
worden afgeschaft’ en wat moet er dan in de plaats komen? Als eerste spreker
hebben we mevrouw meester Lily Maria Trips van het Progress Lawyers Network
en zij brengt de juridische argumenten aan.
Mr. Lily Maria Trips (Progress LawyersNetwork):
(Mondelinge commentaar bij haar diapresentatie ‘De Orde moet worden
afgeschaft, krachtlijnen voor een alternatief - Juridische argumenten’)
Goeiemiddag allemaal.
Ik ben Lily Trips, officieel Maria Trips. Ik ben advocaat bij Progress Lawyers
Network en ik ben sinds ’80 al geconfronteerd geweest met problemen in
verband met de Orde van Geneesheren, de wijze waarop dat geneesheren al dan
niet werden vervolgd, zowel tuchtrechtelijk ofwel moesten voorkomen voor de
vrederechter wegens niet betaling van de bijdragen. Ik moet wel zeggen dat de
laatste jaren - als ik het zo mag noemen - de agressiviteit van de Orde ten
opzichte van degenen die hun bijdragen niet betalen, is afgenomen, behalve in
de provincies Henegouwen en Oost-Vlaanderen (Gent). Voor Gent moeten wij nog
geregeld optreden. De dokters van Zelzate worden bijna om de vijf jaar
gedagvaard voor de vrederechter wegens niet betalen van de bijdragen.
Wat is mijn stelling? Als ik dat allemaal heb moeten aanhoren en op basis
van mijn ervaringen van de laatste jaren of van toch al 30 jaar, meen ik dat wij
moeten pleiten voor de afschaffing van de Orde van Geneesheren.
U weet allemaal dat de Orde is in werking getreden bij KB 79 van 10
november 1967, een KB in uitvoering van een volmachtenwet. Er is heel veel
discussie over die volmachtenwet, ik ga daar niet verder over uitweiden, daar
heeft professor De Meyere al een en ander over gezegd, maar ik denk niet dat dit
op dit ogenblik van belang is. Wat staat er in dat KB? Dat KB regelt de werking
van de Orde van Geneesheren, vooral de tuchtrechtelijke procedures. De taken
zijn van administratieve, normatieve en tuchtrechtelijke aard. De verschillende
organen van de Orde, de Nationale Raad, de raden van beroep en de provinciale
raden oefenen een of meer van deze bevoegdheden uit. De Orde bestaat
vooreerst uit – ik ga daar even vlug over heen, u weet dat allemaal, ik
veronderstel dat iedereen hier bijna arts is – de provinciale raden. Hun
voornaamste taak is de lijst van de Orde op te maken en ook te waken over de
naleving van de regels van de medische plichtenleer. Hij is ook belast met het
treffen van tuchtmaatregelen en moet adviezen geven.
Dan hebben we de raden van beroep. Zoals het woord zegt is deze raad
bevoegd wanneer men beroep aantekent tegen beslissingen van de provinciale
raden. Dat gaat dan over de inschrijving of weglating van de lijst en over de
tuchtrechtelijke beslissingen. Daarboven hebben we de nationale raad die een
belangrijke rol heeft. De nationale raad heeft geen tuchtrechtelijke bevoegdheid,
maar moet wel de regels vaststellen met betrekking tot de eer en de
waardigheid van het beroep en moet dus ook zorgen voor de code van medische
plichtenleer. Professor Vermeersch heeft hier al zeer goed uiteengezet dat die
code van medische plichtenleer bindende moet kracht krijgen door een in de
Ministerraad overlegd besluit. Welnu, dat is tot op heden nog nooit gebeurd. Op
die basis kunnen de verschillende raden van de Orde van Geneesheren,
ondermeer de verschillende provinciale raden, natuurlijk ook tot andere
beslissingen. Er bestaat immers geen enkele bindende medische plichtenleer.
Wat is onze voornaamste kritiek? Het zijn vooral de artsen die in al die
raden zitten, met naast hen een beperkt aantal magistraten. In Cassatie. Het
gaat niet op dat dat deze personen- juristen, rechters - samen met alleen maar
en overwegend artsen eigenlijk het schone weer uitmaken. Dat zij alleen de
beslissingen nemen en de reglementering op het getouw zetten. Het is zo dat in
onze gezondheidszorg de artsen voor het grootste deel worden betaald door ons
allemaal, met name door de sociale zekerheid. (Tussen haakjes: dat is – en ik
pleit nu niet voor de eigen winkel - een verschil met de advocaten en hun Orde
van advocaten.) Ik meen dan ook dat met betrekking tot alles wat te maken heeft
met de uitoefening van het artsenberoep dat niet alleen de geneesheren en de
rechters die als assessor zijn toegevoegd aan die verschillende raden, moeten
bepalen wat er mag en niet mag en welke regels er van toepassing zijn. Het is –
meen ik - de samenleving die de gezondheidszorg financiert dan ook moet
instaan voor, en mee een serieuze vinger in de pap moet hebben bij, het tot
stand komen van al die reglementeringen.
Het volgende gaat over dat het KB reeds jaren onder vuur ligt. Ik ga daar
heel vlug over heen. Het KB schendt zowel de Belgische Grondwet als de gewone
wetgeving en het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de
mens. Het verplicht lidmaatschap aan de Orde van Geneesheren druist volgens
mij in tegen de vrijheid van verenigingen. De raden zijn
uitzonderingsrechtbanken, er is geen onpartijdig en onafhankelijke rechtspleging.
De tuchtraden zijn zowel bevoegd voor onderzoek als voor vervolging,
kwalificatie van de inbreuk, dagvaarding, verslag en vonnis. Het recht op
openbare behandeling van een rechtszaak is nog altijd niet tot stand gekomen
voor de provinciale raden, wel voor de raden van beroep nadat er een uitspraak
is geweest van het Europees Hof.
Welke krachtlijnen tekenen wij uit voor een alternatief? Wat dit betreft,
dank ik dank professor Vermeersch, omdat hij mij op dat punt volledig steunt. In
mijn presentatie geef ik aan dat, wanneer men te maken heeft met allerlei
inbreuken van een arts, de patiënt zich met zijn klacht kan wenden tot de
burgerlijke rechtbank of tot de strafrechtbank. Ook dat stipte professor
Vermeersch al aan. Op de strafrechtbank en de burgerlijke rechtbank kan hij een
schadevergoeding bekomen daar waar de Orde geen schadevergoeding kan
toekennen. Wat is nu van belang voor de patiënt? Het belang voor de patiënt is
dat hij effectief voldoening krijgt. Wij mogen niet vergeten dat geneeskunde te
maken heeft met patiënten, met mensen, met verzorging. Dus als er daar
problemen zijn, dan moet men zich tot de rechtbank kunnen wenden. Voor de
Orde kunnen de patiënten absoluut geen voldoening krijgen. Aangezien de Orde
geen schadevergoeding kan toekennen en heeft de patiënt – en van haar of hem
moeten we toch vertrekken – er geen belang bij zich voor dit punten te wenden
tot de Orde.
Eventueel is het wel aangewezen dat men in bepaalde gevallen
tuchtsancties zou moeten kunnen uitspreken. Ik zal verder aangeven hoe dat we
dat eventueel zouden kunnen oplossen.
Ik heb eerst gekeken naar hoe de wetgeving in andere landen is. Voor wat
Nederland betreft, hebben we de zeer uitgebreide en zeer interessante
uiteenzetting gehoord van professor Legemaate. In Nederland is het zo dat de
tuchtcolleges bij wet zijn geregeld. Dus de tuchtrechtfuncties worden uitgeoefend
door die regionale tuchtcolleges. Ik ben het er wel niet mee eens dat die
tuchtcolleges nog altijd samengesteld zijn uit artsen of andere beoefenaars van
het gezondheidszorgberoep waartoe ook de personen behoren die moeten
verschijnen, en verder uit juristen. Er is dus geen enkele vertegenwoordiging van
geledingen van de maatschappij zoals patiëntengroepen of
verbruikersorganisaties of weet ik veel wat. Het is nog altijd een college dat is
samengesteld door artsen en door juristen. Ik vind dat niet opportuun en zal u
later ook uitleggen waarom wij in ons voorstel die ruimere vertegenwoordiging
wel voorzien. Dat de Koninkinklijke Nederlandse Maatschappij voor de
Geneeskunst, te vergelijken met onze Orde van Geneesheren, suggesties kan
doen vind ik goed. Ze heeft evenwel geen enkele doorslaggevende functie in die
tuchtcolleges. Daar kan ik mij volledig bij aansluiten.
In het Verenigd Koninkrijk is het zo dat er sinds de Shipman-affaire, de
arts-seriemoordenaar, die 15 doden op zijn geweten heeft, gevraagd is naar een
veel groter publieke controle over de medische regulering. Men heeft dan een
nieuwe organisatie opgericht. Vanaf 1 april van volgend jaar treedt de Office of
Health Professionals Adjudicator, afgekort OHPA, in werking. Ze bestaat voor een
meerderheid uit leken en moet beslissingen nemen onafhankelijk van de druk
van beroepen en van de regering. Dat is wel zeer belangrijk. Het staat nog niet
helemaal op punt wordt op dit ogenblik uitgewerkt. De instelling wordt belast met
het opstellen van de OHPA-richtlijnen heeft ook een disciplinaire kamer. Ze
consulteert ruim de beroepsgroepen, o.a. de General Medical Council (GMC), een
organisatie te vergelijken met de Orde, die allerlei suggesties kan doen. Dit
concept draagt mijn goedkeuring weg.
Dan hebben we eens gezocht hoe Finland het aanpakt. Finland is gekend
omwille van zijn uitstekende scores wat betreft onderwijs, gezondheidszorg enz…
Dat weten jullie allemaal. De levensverwachting van de vrouwen is 83 jaar, dus
ik heb nog wat te leven, nog wat goed te leven. De kindersterfte is onder de 3
pro mille. Er is een zeer lange traditie in Finland van publiek geleide supervisie
van de gezondheidszorgberoepen in samenwerking met de beroepsverenigingen.
Sedert 1 januari 2009 is er een agentschap voor de controle voor de gezondheid
en de nationale autoriteit voor medische sociale zaken, zijn die opgenomen in de
nieuwe centrale dienst van het ministerie van sociale zaken en gezondheid. Er is
dus een overheidsinstelling, die noemt VALVIRA, dat is een nationale supervisie
autoriteit voor welzijn en gezondheid. De basis waarop zij werken wordt gevormd
door de wet op de patiëntenrechten, die ook fungeert als een soort code van de
plichtenleer, en de wet op de gezondheidsberoepen. Dat departement is
samengesteld uit 40 % gezondheidszorgprofessionals, 40 % juristen en ethici en
verder administratieve medewerkers. De instelling moet ook vorming en
ondersteuning geven en bereikbaar zijn voor advies. Daarvoor beschikken zij
over 30 fulltime-equivalenten medewerkers. De Supervisory Board of
Healthprofessions kan tuchtsancties opleggen, onderzoeken, verzoenen, … In
Finland is het zo dat men veel meer de nadruk legt op verzoening, bemiddeling.
Ik hoor dat de Orde hier in België ook van plan is om dat meer uit te werken. Dat
men dus meer zou beroep doen op bemiddeling. In juridische zaken is dat ook zo,
bemiddeling is een hot item vandaag.
Ik ben professor Vermeersch zeer dankbaar met zijn pleidooi voor de
Raadgevende Commissie voor Bio-ethiek waarvan hij lid is geweest. Ik weet niet
of hij het nog is, want hij sprak in de verleden tijd. Deze Commissie is een zeer
goede instelling, die volgens zijn uiteenzetting perfect werkt. Ze is zeer
pluralistisch is samengesteld maar ze heeft enkel een raadgevende functie. Dat
is– meen ik - het grote probleem.
Daarom zijn wij eens gaan kijken welke voorstellen er in België geweest
zijn met betrekking tot de Orde van Geneesheren, zowel die welke hervorming
beogen als die welke de Orde willen afschaffen. Het wetsvoorstel van Magda De
Meyer van 2 september 2003 pleit voor de afschaffing van de Orde en de
oprichting van een Hoge Raad voor Ethiek en Deontologie van de
gezondheidszorgberoepen. Ik meen dat dit een zeer valabele piste is, die we we
verder kunnen uitwerken. Met dat wetsvoorstel is er ondertussentijd wel niets
gebeurd. Toch vind ik dat we van dat wetsvoorstel moeten uitgaan ondermeer
omdat bij de samenstelling van die raad voor ethiek alle betrokkenen in de
gezondheidszorg, inclusief de patiënten, betrokken worden. Een groep mag geen
overwicht hebben op de andere en daarom voorziet het een gelijke
vertegenwoordiging van de aanbieders van de gezondheidszorg - de artsen, de
verpleegkundigen, de apothekers - die 12 leden zouden hebben. Diegenen die
niet beroepshalve actief zijn in de gezondheidszorg, de mutualiteiten, de
patiënten, ethici en juristen, zouden ook 12 leden leveren en de voorzitter zou
iemand zijn van de Raad van State. Ik meen dat de samenstelling van die groep
eigenlijk beantwoordt aan datgene wat dat wij verwachten van een dergelijke
organisatie. Die taak van die Hoge Raad, dat is toch wel belangrijk, is de
algemene principes en richtlijnen van medische ethiek omzetten in praktische
richtlijnen en toetsen aan de praktijk. De Raad kan adviezen verstrekken aan
individuen of instellingen in verband met problemen van medische plichtenleer.
Die adviezen een moreelgezagen kunnen aangewend worden bij rechtszittingen.
Wanneer de raad en dat is wel zeer belangrijk, meent dat sommige aspecten in
een wettelijk kader moeten gestoken worden, dan is het zo dat zij een advies in
die zin kunnen geven aan de bevoegde ministers of het parlement. Zij kunnen
ook advies verlenen voor alle problemen van medische ethiek enz. En zij kunnen
ook daarvoor worden geraadpleegd door ministers of parlementscommissies.
De basisidee en dat vind ik wel heel belangrijk, dat is dat in een
democratie nooit bindende maatregelen kunnen genomen worden dan via een
wet, die door het parlement is gestemd en dat is – denk ik toch wel – één van de
belangrijke maatregelen die moeten genomen worden. Nu is het zo dat de code
van medische plichtenleer die heeft absoluut geen enkele juridische waarde in
ons normaal juridisch denken. Maar wanneer dat men maatregelen neemt,
wanneer dat men wetten neemt en men wenst mensen sancties op te leggen,
dan moet dat in elk geval uitgaan van een wettelijke regeling en dan kan men
geen enkele sanctie opleggen zonder een wet, geen enkele bindende maatregel
zonder een wet en dat is toch wel zeer, zeer belangrijk. Dus de basisidee is dat er
geen juridisch bindende normen kunnen uitgevaardigd worden zonder
tussenkomst van de wetgever. Dan met betrekking tot de tuchtrechtspraak –
denk ik – dat is niet uitgewerkt in het voorstel van De Meyer. (zin?) Zij zegt dat
tuchtrecht moet toebehoren tot de gewone rechtbanken, eventueel zou men
kunnen zeggen dat wanneer dat de Hoge Raad voor Ethiek en Deontologie
adviseert dat er een tuchtrechtbank moet opgericht worden, dat men dan
eventueel deze zou kunnen oprichten. Hoe die er dan juist moet uitzien dat moet
uitgemaakt worden, daar heb ik geen pasklare uiteenzetting over. Maar ik denk
dat de Hoge Raad voor Ethiek en Deontologie dat die werkelijk de opdracht moet
hebben om indien nodig, als zij menen dat er een tuchtrechtbank moet opgericht
worden, dat die er eventueel kan komen. Die tuchtrechtbank uiteraard moet
samengesteld worden uit juristen, artsen en vertegenwoordigers van de
gezondheidszorg en de patiënten is nogal logisch. Ik dank u.
Guy Tegenbos:
Zijn er ook medisch-maatschappelijke argumenten voor de afschaffing van de
Orde? Ja, zegt dokter Kris Merckx van Geneeskunde voor het Volk, hij zal ons in
het Frans toespreken met een Nederlandstalige power-point. En dat in het Frans
toespreken doet hij ten dele uit respect voor de drie van zijn zes kleinkinderen
die in Charleroi in het Frans worden opgevoed.
Dr. Kris Merckx (Médecine pour le Peuple – Geneeskunde voor het Volk)
(Explication orale de sa présentation ‘Medische Regulering : physician-led of
society-led ?’, arguments médicaux et sociologiques en faveur de la suppression
de l’Ordre et son remplacement par une alternative démocratique et sociale).
Mesdames, messieurs, chers collègues,
Je parle aussi en français pour rétablir un peu l’équilibre linguistique et
pour remercier ainsi le Docteur Leclercq de Liège parce qu’il a introduit un peu
d’humour ici. Nous en n’avions pas l’habitude lors de nos apparitions devant
l’Ordre des médecins. (rires)
Je traiterai la question suivante : La régulation médicale doit elle être
dirigée surtout par des médecins ou par la société entière ? En anglo-saxon la
question est formulée ainsi: ‘Medical regulation : physician-led or society led?’ Je
plaiderai en faveur de la dernière thèse et donc pour la suppression de l’Ordre
des médecins et son remplacement pas des alternatives démocratiques et non
corporatistes.
Mon discours comportera 4 parties. J’examinerai les grands changements
qui ont eu lieu dans le secteur des soins de santé les 70 et surtout les 40
dernières années et les conséquences qui s’en suivent pour la régulation
médicale. Ensuite, j’examinerai si les anciennes critiques sur l’Ordre sont encore
valides. Puis j’avancerai certaines nouvelles objections contre l’Ordre. Je finirai
par un appel aux collègues.
Première partie.
L’Ordre a été promulgué par la loi en 1938. Depuis, il s’est produit
vraiment un monde de changement et de différences. En ‘38, cet Ordre était le
produit de son temps : de certains courants politiques qui étaient corporatistes et
autoritaires mais aussi d’une certaine conception de la médecine. Une conception
propre à la majorité des médecins de l’époque qui mettaient en avant ‘le
colloque singulier’ avec le patient et ‘l’honneur, la dignité et la collégialité’ de la
profession.
En 1967 s’est créé l’Ordre actuel avec une forte empreinte du syndicalisme
médical qui avait rassemblé des forces avec le syndicat du docteur Wynen lors
de la grande grève des médecins en 64, la première grève de médecins en
Belgique. Une grève très impopulaire auprès de la majorité de la population.
Pendant les 40 années qui ont suivi la création de l’Ordre en Belgique,
nous avons vu un développement spectaculaire des soins de santé. C’est devenu
un secteur avec un énorme impact où toute la société est impliquée, non
seulement comme patient potentiel, mais aussi comme financier et comme
bénéficiaire de la sécurité sociale. La Sécu, c’est ce magnifique acquis social de
l’après-guerre que les Américains nous envient toujours.
Vous savez tous comment le nombre de médecins et autres et de
travailleurs de la santé a augmenté. Les hôpitaux sont devenus les plus grandes
entreprises en Belgique, surtout après la disparition de géants industriels comme
Opel ou leur amaigrissement comme chez Carrefour et dans la sidérurgie. Nous
constatons aussi la démocratisation, parfois même la prolétarisation du corps
médical et bien évidemment sa féminisation. La multidisciplinarité progresse
ainsi que la migration des médecins, infirmiers etc. Et, surtout, nous avons vu un
développement spectaculaire des sciences et de la technologie médicale. Cela a
a entraîné beaucoup de grandes questions bioéthiques concernant l’avortement,
l’euthanasie, les diagnostic préimplantatoire, les expérimentations sur les
humains et sur les embryons, la thérapie génique, les cellules souches et d’autres
encore.
J’attire votre attention sur l’énorme impact social et économique du
secteur des soins de santé. Il fait partie du secteur de la sécurité sociale, qui,
dans son ensemble, représente presque 90 milliards d’euros de dépenses par an
dans notre pays, c’est à dire ¼ de notre Produit Intérieur Brut (PIB). De ces 90
milliards, à peu près 24 milliards sont attribués à la seule assurance maladie, à
l’INAMI. Le budget de l’INAMI a été multiplié par 24 depuis 1970 ce qui
représente pour les trente dernières années, une croissance réelle par an de
4.5%, ce qui est égal à la norme de croissance actuelle de ce budget. Les
dépenses de l’INAMI représentent 7% du Produit Intérieur Brut. Mais quand on
regarde les dépenses en général pour la santé il faut ajouter encore 2 à 3 % du
produit intérieur brut payé par le patient lui-même. La part propre payée par le
patient a augmenté fortement. En 70 quand on payait 1 franc sur10 de sa propre
poche pour ses soins, en 2003 c’était déjà plus d’un quart, 1 euro sur 4. Ce qui a
provoqué une montée en flèche des primes prix des assurances hospitalisation.
On a vu à la Télé flamande il y a 3 mois, un pensionné pleurer parce qu’il ne
pouvait plus, avec sa pension, payer la prime de l’assurance hospitalisation pour
sa famille qui montait à plus de 1000 € par an.
La part propre qui augmente, ça fait aussi diminuer l’accessibilité aux soins
de santé. C’est un point qui nous tient fortement à cœur. Un ménage
monoparental sur 3 à Bruxelles ajourne des consultations médicales pour raisons
financières.
Pour conclure, les soins de santé et économiquement et socialement et
aussi techniquement par l’organisation, sont devenu une affaire où toute la
société est impliquée et pas seulement les 45.000 médecins. Donc une régulation
dirigée surtout par les médecins n’est vraiment plus de notre temps.
Deuxième partie : Les anciennes critiques sur l’Ordre des médecins sont encore
valides.
Il y a beaucoup de critiques sur cette institution mais celle que nous avons
toujours trouvée la plus importante est la critique de corporatisme. Elle est
d’ailleurs reconnue aussi dans le livre du professeur Degroot qui parlera tantôt.
Concrètement l’Ordre a été un instrument des Chambres Syndicales des
médecins. Ils l’ont affiché eux-mêmes toujours ouvertement. Je vous cite d’un de
leur bulletins de 79 : «Aux élections récentes, 77 des 140 sièges à pourvoir dans
les conseils provinciaux de l’Ordre ont été attribués à des membres de nos
Chambres Syndicales. » D’ailleurs, le docteur Farber qui personnifiait cette
collusion entre le syndicat du docteur Wynen - il est ici sur la diapositive , à côté
du docteur Wynen lors d’une conférence de presse des Chambres Syndicales. Il
était en même temps dirigeant de ce syndicat et vice-président du conseil
national de l’Ordre. Et il prônait – je le cite littéralement - «l’union du pouvoir
ordinal et syndical ».
On dit souvent que les magistrats qui sont au conseil de l’Ordre sont
garants que tout ce passe légalement et démocratiquement. Mais puis-je vous
rappeler qu’ un de ces plus hauts magistrats à un moment a lui aussi a critiqué
cette main mise du syndicat des chambres syndicales sur l’Ordre des médecins.
Cela a même été la raison de sa démission. Je parle du magistrat Albert Meeùs,
conseiller de la cours de Cassation et, à cette époque, membre du Conseil
National. Il jouissait d’un grand respect notamment en tant que rédacteur en chef
de la revue ‘Critique de la jurisprudence Belge’. Sa démission de l’Ordre illustre
combien cette 2ème grève des médecins de 79-80 a été un vrai point de rupture
dans l’histoire médicale de la Belgique . A ce moment-là le conseil national de
l’Ordre des médecins a approuvé un texte de 5 pages pour justifier soi-disant
déontologiquement cette grève. Le conseiller Meeùs avait annoncé qu’il
s’opposerait à un tel texte mais qu’il ne pouvait pas être présent à la réunion
parce qu’il était à l’étranger. On a quand même tenu cette réunion et approuvé
ce texte, malgré son opposition. Par après il y a réagi en donnant sa démission
du Conseil National de l'Ordre. Un des plus hauts magistrats a ainsi critiqué le
soutien de l'Ordre au corporatisme médical. Je vous raconte ça sur base du
témoignage de son fils, cité dans mon livre ‘Médecin du Peuple’ de 2008. Le
soutien de l'Ordre à la grève des médecins de 1980 a aussi donné lieu à la grève
de paiement de presque 300 médecins en Flandre et autant en Wallonie et à
Bruxelles qui n’ont plus payé leur cotisation à l’Ordre.
Aujourd’hui encore, il existe toujours une influence sur l'Ordre, un peu plus
cachée mais toujours assez importante, de ce même syndicat de médecins qui
s’appelle maintenant Association Belge des Syndicats Médicaux, l'ABSyM ou le
BVAS en néerlandais. On trouve toujours de grandes figures de ce syndicat dans
les organes de l’Ordre comme son ancien président le docteur Detoeuf et
d’autres. On a vu aussi que le président démissionnaire de l'ABSyM, le docteur
Lemye, a accompagné les représentants de l’Ordre à des forums internationaux
comme le CEOM, le Conseil Européen des Ordres des Médecins. La Belgique est
aussi le seul pays qui a confié sa représentation au sein du Comité Permanent des
Médecins Européens (CPME) au seul syndicat ABSyM-BVAS. Les représentants de
l'Ordre qui assistent aux réunions du CPME reconnaissent le docteur Lemye
comme chef de la délégation belge.
Il subsiste encore d’autres vieilles critiques contre l’Ordre des médecins.
De grandes personnalités de cet Ordre se sont prononcées pour une médecine à
deux vitesses, c'est à dire une couverture de base par l’assurance maladie et
pour le reste on doit prendre des assurances privées. On voit la passivité et la
tolérance de l'Ordre sur le grand problème du dépassement des honoraires, une
certaine bienveillance vis-à-vis de l’industrie pharmaceutique et pas assez
d’opposition contre la commercialisation et la privatisation des soins de santé. On
voit la passivité de l’Ordre des médecins vis à vis du grand problème de
l’augmentation des suppléments dans les hôpitaux qui entraîne une grande
augmentation des primes d’hospitalisation.
Troisième partie : de nouvelles critiques sur l’Ordre
La nouvelle objection, la plus importante c’est que l'Ordre est en retard sur
les grands dossiers éthiques. La dépénalisation de l'avortement a été votée
contre son gré. En matière d'euthanasie, l’Ordre n’était pas demandeur. Le
professeur Vermeersch a très bien expliqué comment des tâches importantes
sont a présent prises en main – de meilleure façon et de manière plus efficace par exemple par le Comité consultatif de la bioéthique. Il y aussi le travail des
commissions bioéthiques et d’autres instances comme le KCE, le Kenniscentrum Centre d’Expertise.
Dernier argument, on constate une grande anémie au sein de l’Ordre.
Presque partout, aux élections, il y a autant de candidats que de mandats à
pourvoir. C’est donc un groupe extrêmement restreint de médecins qui doit
s’attaquer aux problèmes d’une grande étendue d’une grande complexité qui
sont liés à la régulation des soins de santé modernes. Ce ne sont pas de petites
tâches à faire pendant les jours libres ou pour la pension. Elles doivent être
attribuées à des institutions sérieuses avec une majorité de laïques et avec une
expertise diversifiée comme ça a été défendu tout à l’heure par maître Trips.
Quatrième partie : Appel aux collègues ‘Rejoignez les Temps Nouveaux’
Je termine par un appel.
Chers collègues, reconnaissez comme en Finlande, aux Pays Bas, et en
Grande Bretagne que l’impact social des soins de santé est devenu si immense
que la régulation est devenue la tâche de la société entière, représentée par des
gens désignés démocratiquement et experts. Je pense qu’un Ordre des médecins
même après des réformes, ça reviendra toujours à la domination des médecins et
le risque de corporatisme mais aussi à des déficiences sur le plan de la juridiction
et à un manque d’expertises assez diversifiées. Dans ce cas les critiques sur
l’Ordre subsisteront.
Je lance un appel aux médecins ici présent, y compris ceux de l’Ordre qui
ont fait preuve de leur engagement pour l'éthique et la déontologie de notre
profession ainsi que d’une certaine expertise dans la matière: Optez aussi pour
cette nouvelle régulation médicale démocratique. Certes, il y aura aussi de la
place pour les travailleurs de la santé mais ne cherchons pas à dominer.
Imposons plutôt, par la qualité et les hauts standards moraux et sociaux de
notre travail, que les travailleurs de la santé et leurs organisations soient
consultées et respectées comme partenaires et acteurs privilégiés. Je vous
remercie de votre attention.
Guy Tegenbos:
Dank u Lily Trips, dank u Kris Merckx. Afschaffen die handel dus, weg met de
Orde, een orgaan breder dan de Orde dat de regels of de ethische codes vastlegt
en gewone rechtbanken die oordelen indien er twijfel is of die regels worden
nageleefd. Weg ermee? Neen, zeggen anderen, neen, de Orde behouden en
hervormen en er zijn er twee die dit willen verdedigen. De eerste is professor
Herman Nys, die daarvoor juridische argumenten zal aanreiken en de tweede is
Patrik Vankrunkelsven die daarvoor de medisch-maatschappelijke argumenten
zal aanreiken. Ze hebben beiden daarvoor tien minuten.
Prof. Herman Nys, professor Medisch Recht (KUL)
(Mondeling commentaar bij zijn diapresentatie ‘Orde van artsen: naar een
grondige hervorming?’ - Juridische argumenten voor een grondige hervorming
van de Orde)
Goede voormiddag, ik kan al bijna goede middag zeggen.
Geachte toehoorders, die een hele zonnige zaterdagvoormiddag opofferen voor
een uiteraard zeer belangrijk debat: het hervormen of het afschaffen van de
Orde.
Ik sta hier omdat ik gevraagd ben geweest om argumenten te geven voor
het grondig hervormen van de Orde. Dat was niet helemaal toevallig denk ik,
maar ik ben daar blij om want ik zou niet graag in de positie staan om als jurist te
moeten verdedigen dat we de Orde moeten afschaffen. Want eigenlijk positief
rechtelijk zijn er daar geen argumenten voor, anders zou het debat heel anders
moeten gevoerd worden natuurlijk. Bijvoorbeeld wat professor Vermeersch
daarstraks zei over ‘nullum crimen sine lege’ en vooral ‘nulla paena sine lege’.
Het eerste - ‘nullum crimen sine lege’ - ja, je kan daar natuurlijk over
discussiëren, maar, positief rechterlijk gezien, is dat volgens de wijze waarop
tuchtrecht in Staatsburg wordt bekeken, dat geen noodzakelijke voorwaarde.
‘Nulla paena’ is iets anders. Je kan bijvoorbeeld geen straf opleggen die niet in
de wet is voorzien. Dat is ook de reden waarom inderdaad de Orde tot nu toe
geen schadevergoeding kan toekennen. Daarvoor zou de wet moeten worden
gewijzigd.
Maar goed, ik heb maar heel, heel weinig tijd, minder tijd dan aanvankelijk
gezegd. U bent een strenge, u bent ook soms een rechtvaardige, maar vooral, u
bent een niet democratisch verkozen moderator. Maar goed, ik ga het heel kort
houden - voor mijn doen is dat een beetje moeilijk- ik ga bijna uitsluitend zeggen
wat er op mijn slides staat. Zo vermijd ik dat ik teveel zou uitweiden.
Ik heb zeven juridische argumenten die pleiten voor een grondige
hervorming van de Orde van Geneesheren. Die zijn niet allemaal even belangrijk,
ik zeg ook niet dat ze het allemaal zijn, ik zeg ook niet dat die allemaal
doorslaggevend zijn, maar laat ons ze toch even overlopen.
Het eerste juridische argument pro hervorming zijn de rechten van de
patiënt. Wat dat betreft, wil ik eerst toch dit kwijt: zonder de positieve adviezen
van de Nationale Raad voor de Orde van Geneesheren in 2001 en 2002 zou er nu
geen wet op de patiëntenrechten in België zijn. Dat klinkt zwaar, maar dat is dus
wel zo, daar ben ik 100 % van overtuigd. Ik was de belangrijkste auteur van deze
wet, ik heb zeer veel steun gehad, vaak tegen de artsen-leden van het parlement
in, van de leden van de Nationale Raad, in het bijzonder van Ivo Uytendaele. Dat
is voor de geschiedenis. Ik voel mij al een beetje een oud-strijder, maar ik moet
dus belettendat ik teveel ga uitweiden.
Artikel 11 van de patiëntenrechtenwet zegt dat patiënt recht heeft om klacht
neer te leggen bij een onafhankelijke en onpartijdige ombudsfunctie. Wat zien we
nu? Dat de Nationale Raad van de Orde die onafhankelijkheid en onpartijdigheid
bijna - en daar valt iets voor te zeggen - misschien bijna absoluut interpreteert. In
een advies van 21 mei 2005 zegt de Nationale Raad: “Het is uitgesloten dat de
ombudsfunctie de hoofdgeneesheer in kennis stelt van een ontvangen klacht
tegen een geneesheer of deze voor behandeling aan hem overmaakt of hem bij
de behandeling van de klacht betrekt’’. Ik ga daar nu intern niet te veel kritiek
op geven, maar als ze dat als uitgangspunt nemen, dan denk ik dat men dat ook
moet toepassen op het eigen tuchtrecht. Het moet dan ook duidelijk zijn dat in
het tuchtrecht - want dat ligt in het verlengde van het klachtenrecht van de
patiënt - dat principe van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechten
even absoluut moet worden toegepast en dat is nu niet het geval. Ik ga daar niet
over uitweiden, dat kunnen we in de discussie doen.
Het wetsvoorstel voor hervorming van de Orde dat u hebt uitgewerkt staat sedert
een paar dagen nu ook op de website van de Nationale Raad. Ik heb het gisteren
gezien, het staat er sedert 3 juni op. Bravo. Dat is, denk ik, al een belangrijke
verdienste van dit symposium. Maar – en ook dat stelt mij een beetje teleur - het
brengt geen wijzigingen aan in de samenstelling van ondermeer de provinciale
raad. Voor wat de Raad van Beroep betreft ligt dat enigszins anders.
Het tweede argument voor hervorming is het recht op privé-leven en
vrijheid van mening van de artsen. Het KB 79 artikel 6, 2° zegt: “Tuchtsancties
kunnen worden opgelegd wegens zware fouten bedreven buiten de
beroepsbedrijvigheid wanneer die fouten de eer of de waardigheid van het
beroep kunnen aantasten”. Om te beginnen is er hierover heel veel discussie
mogelijk. Ik kan dat illustreren aan de hand van jurisprudentie, maar dat ga ik nu
niet doen. Er is heel veel discussie over wat het onderscheid is tussen een fout en
een zware fout? Maar vooral, er is hier een interne contradictie in het KB nr 79
zelf. Het artikel 19 zegt namelijk - de taal is wat oud, maar nog altijd zeer
relevant - dat geen enkele beslissing ter voldoening van artikel 6, 2° - dus die
tuchtsancties - mag gegrond worden op redenen in verband met ras of op
motieven van godsdienstige, wijsgerige, politieke, taalkundige of syndicale aard,
noch op het feit dat de geneesheer verbonden is aan een instelling die
geneeskundige verzorging verstrekt aan leden van een groepering of aan een
categorie van personen. Elke inmenging in die aangelegenheid is verboden. Dat
alleen al zou moeten leiden tot de conclusie dat men zich niet mag bemoeien
met het privé-leven. Meer principieel denk ik dat tuchtrecht – medisch tuchtrecht
– vandaag de dag moet te maken hebben met de beroepsuitoefening en niet met
het privé-leven. Ook op dat punt – denk ik – dat we verder moeten gaan in het
hervormen van de Orde, dan in het voorstel van de Nationale Raad is gebeurd.
Derde argument pro hervorming: de contractuele vrijheid. Ik vind dat ook
heel belangrijk. De raden van de Orde hebben een preventieve bevoegdheid, ze
kunnen individuele maatregelen opleggen ter voorkoming van tuchtmisdrijven. Ik
voeg er positief rechterlijk aan toe dat de wettelijke basis hiervoor heel dubieus
is. Het staat niet in het KB 79, het is het Hof van Cassatie die dat zo heeft
gesteld en tot nu toe is daar niet op teruggekomen. Trouwens ook in uw voorstel
creëert ge die wettelijke basis niet. Op basis daarvan, en artikel 167 van de Code
is daarvan een uitvloeisel, moet iedere overeenkomst die een arts afsluit – tussen
artsen onderling of met een derde - worden voorgelegd aan de Raad van de
Orde. Dat is -denk ik - in strijd met de contractuele vrijheid van de arts, vooral
ook omdat ook de andere partij, de niet-arts, op die manier rechtstreeks geraakt
wordt in zijn contractuele vrijheid. Ik denk dat we aan dit punt iets moeten doen.
Dit probleem heeft natuurlijk te maken met de wijze waarop de deontologie tot
stand komt - een punt dat door meerdere sprekers al is aangehaald.
Deze beschouwing ligt in het verlengde van mijn vierde argument pro
hervorming: de vrijheid van vereniging. De Raden van de Orde brengen via hun
adviezen en richtlijnen de vrijheid van vereniging; om zelf het beleid van de
vereniging te bepalen, in het gedrang via die deontologie. Ik denk aan
verenigingen zoals ziekenhuizen, maar ook van andere
gezondheidszorginstellingen, denk aan het CLB, de medische huizen. Inbreuken
op de vrijheid van vereniging zijn maar mogelijk als er een duidelijke wettelijke
basis voor is en die is er nu niet. Ik geef u het voorbeeld over wat in het advies
van 2008 wordt gezegd over de medische directeurs. De hoofdartsen in de
ziekenhuizen worden via dat advies bijna tot een verlengstuk gemaakt van de
Orde van Geneesheren zonder enige wettelijke basis. Dat wijst er ook op dat de
wijze waarop de deontologie tot stand komt en kan worden afgedwongen, dat
daar iets aan schort. Maar ik geef u het argument op een wat andere manier hier,
de vrijheid van vereniging.
Een volgend belangrijk argument voor hervorming is het principe van de
gelijke behandeling. We hebben nu op dit ogenblik in België het tuchtrecht,
medisch tuchtrecht in de gezondheidszorg enkel voor de artsen en de
apothekers en dat via een Orde. Ik voeg er nog aan toe - voor de volledigheid
want ik heb gehoord dat de voorzitter van de Vlaamse afdeling hier in de zaal zit
– dat het ook bestaat voor de dierenartsen, maar dat is – denk ik – iets minder
relevant hier.
Daarnaast hebben we voor enkele nochtans belangrijke andere WUG-beroepen
(WUG is de Wet Uitoefening Gezondheidszorgberoepen KB 78) geen tuchtrecht:
de verpleegkundigen en de 11 paramedische beroepsgroepen. De vraag is welke
objectieve rechtvaardiging bestaat er voor deze ongelijke behandeling tussen
allemaal belangrijke WUG-beroepen. U hebt gezien dat we in Nederland
tuchtrecht hebben voor 8 belangrijke gezondheidszorgberoepen. Nu, het
argument gelijke behandeling is een tweesnijdend mes. Je kunt zeggen dat
betekent voor iedereen, tuchtrecht, het kan ook zijn dat men tot de conclusie
komt, voor niemand dan tuchtrecht. Dat realiseer ik mij natuurlijk ook wel.
Een zesde argument pro hervorming zijn de grondwettelijke aspecten. Ze
zijn belangrijk. Mogelijk wordt dat argument hier wel als delicaat ervaren. Tussen
haakjes, ik dacht eerlijk gezegd, dat het symposium in de Vlaamse Raad ging
doorgaan waardoor ik vanmorgen voor een gesloten deur van de Vlaamse Raad
stond en niet in het Paleis der Natie. Misschien was ik wel een beetje beïnvloed
geworden bij het zoeken naar argumenten op dit vlak. Het belet niet dat het een
belangrijk argument is. Gezondheidsbeleid is een persoonsgebonden
bevoegdheid en daardoor al sedert 1980 de bevoegdheid van de
gemeenschappen. Er zijn veel uitzonderingen, maar de uitoefening van de
beroepen in de gezondheidszorg komt daar niet in voor. Ik weet wel, ik ken de
rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ook wel. Die zegt dat uitoefening van de
geneeskunde een federale bevoegdheid is gebleven, maar het Grondwettelijk Hof
heeft steeds meer moeite om argumenten te zoeken om dat bouwsel, dat heel
labiel is, recht te houden. Ik denk echt wel dat we consequent moeten zijn, dat
we de wetgeving moeten respecteren en daarmee moeten rekening houden bij
het hervormen van de Orde. Daarmee zeg ik niet dat het in beide landsdelen op
een andere manier moet gebeuren. Ik denk wel dat als we dit als uitgangspunt
nemen, dat we dan een boost gaan krijgen in de discussie die er nu niet is.
En tenslotte is er het argument van het Europees recht om over te gaan
tot hervorming. Dat is niet onbelangrijk. Er is daar door Marc De Meyere al
eventjes naar verwezen in een voetnoot weliswaar. Ik denk dat we het belang
van Europa, van het Europese recht, voor de hervorming van de Orde van
Geneesheren en ook van andere Ordes, niet moeten onderschatten. Het is al
erkend en er is naar verwezen, dat de Orde ook een ondernemingsvereniging is,
in de zin van de mededingingswet. Dat bijgevolg beslissingen van de raden
moeten getoetst worden aan de eisen van de mededingingswet. Dat heeft tot nu
toe inderdaad alleen maar invloed gehad voor wat betreft de versoepeling van
het reclameverbod. Maar ik denk dat, als men dat consequent gaat toepassen,
dit in de toekomst ook invloed gaat hebben op andere gebieden. Zowel voor het
verbod van no cure no pay, het verbod van ereloonverdeling, de
vestigingsverboden (het verbod van medisch-farmaceutische cumulatie , de
associaties met niet-artsen). Ik pleit hier niet voor verdergaande liberalisering,
wel voor modernisering van die wetgeving, veel meer vraaggestuurd, met ook
veel meer samenwerkingsverbanden, zorgtrajecten, klinische paden. Europa gaat
in die richting en we zullen onze deontologie daar ook aan moeten aanpassen en
nog verder gaan. Die ontwerp-richtlijn rechten van de patiënt en
grensoverschrijdende zorg die ongetwijfeld zal leiden tot het stroomlijnen van
standaarden en praktijken, hou daar goed rekening mee. Ik heb het hier wat kort
samengevat, maar het onderliggende argument om dat te regelen op Europees
niveau, zegt de Europese commissie, is dat de arts niet op voorhand weet of de
patiënt een Belgische onderdaan is of niet, maar hem wel gelijk moet kunnen
behandelen. Wat wel letterlijk in die richtlijn staat en dat gaat heel ver, misschien
wel een beetje te ver, is dat lidstaten buitenlandse patiënten op dezelfde manier
moeten behandelen als eigen onderdanen. Dan kunt u zich geen systeem van
medische deontologie meer veroorloven dat teveel afwijkt van wat er elders
gebeurt. Dat heeft dus invloed op de wijze waarop die standaarden zullen tot
stand komen en dat is ook een heel belangrijk argument voor hervorming.
Nog een slotbedenking. Alleen maar het aanpassen van KB 79 zal
natuurlijk ook niet volstaan, het is veel complexer dan dat. Ook naar de
belendende wetgeving, waar vaak nog zaken in staan die een modern
gezondheidsbeleid eigenlijk beletten, zal men eens een keer moeten bekijken. De
monopolies, de overlappende en tegenstrijdige bevoegdheden tussen de
verschillende beroepsgroepen, de archaïsche visumplicht, de provinciale
geneeskundige commissies, het totaal ontbreken en dat mag ik hier toch wel
zeggen, van een goed werkende gezondheidsinspectie in dit land, als je dat
vergelijkt met de Nederlandse en ook Franse gezonheidsdienstinspectie: dat
soort dingen moet tegelijk ook worden bekeken als je praat over regulering van
het medisch beroep. Ook aan de ziekenhuiswet zal heel wat moeten gebeuren.
Dus je moet het echt wel op een rustige, zakelijke manier globaal gaan bekijken.
Ik denk dus dat je niet overhaast wetgevend werk moet gaan verrichten maar dat
er wel heel veel argumenten zijn om de Orde van Geneesheren grondig te
hervormen.
Ik heb geen waarschuwend vingertje gezien van onze moderator, dus ik
denk dat ik erin geslaagd ben om dit - weliswaar veel te vlug – toe te lichten.
Guy Tegenbos:
Dank u en dan nu het woord aan Patrik Vankrunkelsven, die maatschappelijke en
medische argumenten zal geven om de Orde toch te behouden, maar te
hervormen.
Prof. dr. Patrik Vankrunkelsven, eresenator:
(Mondelinge commentaar bij zijn diapresentatie ‘Orde van Geneesheren: naar
een nieuw concept’ - Medisch - maatschappelijke argumenten voor grondige
hervorming van de Orde)
Dank u.
Als ik de uiteenzetting van professor Nys heb gehoord, dan moet ik
vaststellen dat onze oefening om de Orde of de wet op de Orde te herschrijven,
nog zeer onvolmaakt is gebleven. Ik zal mijn uiteenzetting toch vooral daarop
concentreren, omdat dit toch het laatste actuele wetsvoorstel is dat inderdaad
behandeld is in het parlement. De geschiedenis van de Orde is hier al geschetst,
ik wil heel kort als een historisch divers, toch stilstaan bij het verhaal over de
fraude met betrekking tot het KB. Een verhaal dat door heel wat juristen is
gehanteerd in heel wat processen. Meester Populier heeft mij gevraagd om eens
een keer op zoek te gaan naar dat KB, want dat was toch wel zoek volgens
sommigen. Ik heb dat inderdaad gevonden. In een kleine kast onder het stof lag
inderdaad het originele KB getekend door de koning. Het enige relevante verhaal
daaromtrent is dat na het overleg in de ministerraad en de publicatie er
veranderingen zijn aangebracht. Nu, dat gebeurt nog, maar eigenlijk mogen dat
maar kleine veranderingen zijn en daar is natuurlijk misschien wel over te
discussiëren. Ik heb hier een kopie met de originele handtekening van de koning,
in inkt met vulpen, dus dat heb ik kunnen constateren.
De kritiek van corporatisme is - denk ik - uitvoerig toegelicht. Ik moet
eerlijk zeggen dat bij de totstandkoming van de wet op euthanasie ik toch bijna
aan de lijve heb ondervonden hoe moeilijk het was om daar waar artsen voor 80
% op het terrein die hervormingen wensten, toch vast te stellen dat de Orde zich
hardnekkig bleef verzetten, samen met de magistraten trouwens, tegen een
wetgeving daaromtrent.
Oubolligheid is hier ook gezegd. Gebrek aan transparantie moet ik toch ook
vaststellen. Waar vroeger de syndicaten een zwaar gewicht hadden in de
verschillende provinciale raden - Kris heeft dat behandeld – zie je nu dat andere
lobbies daar werken en de helft van de mandaten waarnemen. Ik denk aan
bepaalde ziekenhuizen die trachten daar een overwicht te hebben of zelfs
bepaalde labo’s. Ik denk dat dit inderdaad niet gezond is.
De juridische aspecten heeft Herman behandeld. Geneeskunde is meer en
meer samenwerken, dat is inderdaad een evidentie. De verschillen in
behandeling van dossiers door de verschillende provincies is ook duidelijk en
heeft te maken met het feit dat er geen duidelijk Code aan de grondslag ligt. Dus
hebben wij ons een paar jaar geleden aan het schrijven gezet, met medewerking
van een aantal mensen hier aanwezig. We zijn er in geslaagd om onze wet over
een nieuwe Orde van Artsen gestemd te krijgen in de Senaat. Maar het was toen
al dicht tegen de verkiezingen en dan is er in de Kamer er heel hard gelobbyd. Er
was is inderdaad die communautaire problematiek van de 80 Franstalige artsen
die in de rand wonen, in de faciliteitengemeenten, en die het recht zouden
hebben om zich al dan niet nog te kunnen inschrijven in een Franstalige Orde.
Volgens ons ging er dat beter uit, maar het was een stap die niet kon gezet
worden en de indieners hadden dan gekozen voor de status quo en dat is ons
niet in dank afgenomen. In elk geval is het werkstuk in de Kamer gesneuveld.
Heel kort, wat is de huidige situatie? Wij hebben, wat de
gezondheidsberoepen betreft, twee Ordes. Het is hier daarstraks even gezegd,
heel wat gezondheidsberoepen moeten het doen zonder Orde, daar is geen Code,
geen eerstelijnstuchtrecht, een zeer ongelijke situatie. Wij hebben binnen onze
Orde de Nationale Raad die bovenaan staat en een Code opstelt, weliswaar niet
bekrachtigd en daaronder de tuchtrechtspraak die wordt uitgeoefend door de
provinciale raden en ook een beroepsinstantie.
Wat was ons voorstel?
Dat er een soort chapeau, bovenaan een Hoge Raad voor Deontologie zou
komen. Etienne Vermeersch heeft opgeworpen: ‘Hoe moet zich dat verhouden
met de bestaande Hoge Raad voor Bio-Ethiek?’. Ik denk dat er inderdaad een
interactie moet gezocht worden, maar dat dit toch wel iets anders is. Ik denk dat
deontologie in de ruime betekenis van het woord toch niet samenvalt met bio-
ethiek en dat het praktischer zou zijn om daar toch een raad voor samen te
stellen. In ons voorstel zouden die de algemene grondbeginselen moeten
opstellen voor alle gezondheidsberoepen en daaronder is er dan nog plaats voor
die gezondheidsberoepen die dat wensen om een eigen Orde te hebben, die dan
de specifieke regels zouden opstellen. Die moeten kaderen binnen de
grondbeginselen, maar kunnen wel specifiek zijn voor de verschillende
beroepen.
Daaronder vinden we dan de provinciale raden terug. De Orde van
apothekers zou daar ook onder ressorteren. De kinesisten hadden aangedrongen
om ook een eigen Orde te hebben. Wat ook wel nieuw zou zijn, is dat voor die
eerste lijn of die gezondheidsberoepen die geen Orde oprichten, onder die koepel
een Raad voor de eerste Aanleg zou opgericht worden. En dat er ook een
tuchtrecht met specifieke regelen zou worden opgemaakt, opnieuw door de Hoge
Raad op aangeven van verenigingen van de verschillende gezondheidsberoepen.
In elk geval zou er zo meer gelijkheid komen door aan alle gezondheidsberoepen
een vorm van tuchtrecht en deontologie aan te reiken. Ook nieuw was dat alle
beroepssituaties zouden behandeld worden door één beroepsinstantie en niet in
alle raden afzonderlijk, want toch wel meer coherentie zou kunnen brengen.
Dus de opdracht van die Hoge Raad was om die grondbeginselen
vastleggen. Ook zien of dat die specifieke regelen van de verschillende Ordes
daarin kunnen passen. Zij zouden ook die regels kunnen opmaken voor beroepen
zonder Orde en ook adviezen kunnen geven aan de verschillende regeringen.
Ik sta heel kort stil bij de samenstelling van de organen. Daar is heel veel
discussie over geweest. Je kan zeggen dat we een zwaar gewicht toekennen aan
de artsen. De cijfers van Nederland tonen aan dat 60 % van de klachten op hen
betrekking hebben, en dat zal hier niet anders zijn. Dus denk ik dat die centrale
positie zich wel in de samenstelling mag weerspiegelen. Maar er is toch ook heel
veel aandacht voor de andere beroepen en ook voor andere maatschappelijke
geledingen: ik denk aan specialisten deontologie, misschien mensen van de Raad
voor Bio-ethiek en ook specialisten in patiëntenrechten. Ook hebben we voorzien
dat in de Hoge Raad er een Nederlanstalige en Franstalige afdeling zou kunnen
zijn.
Het tuchtrecht ressorteert ofwel onder de Orde ofwel onder de Raad van Eerste
Aanleg. Ook de Raad van Beroep zou onder de koepelstructuur komen. En, zoals
ook in Nederland, zouden daar telkens mensen van de betrokken
beroepsgroepen, waar een klacht tegen loopt, als leden in die raden moeten
zetelen natuurlijk naast de magistraat.
Wat zijn onze inhoudelijke krachtlijnen? Het ijkpunt is niet langer de eer en
de waardigheid van het beroep, wel kwaliteit en efficiëntie. We hebben er ook
veel over gediscussieerd in hoeverre de beperktheid van de middelen van de
samenleving daarin mag meespelen. Ik denk dat we mogen vragen aan artsen en
andere gezondheidswerkers, dat die beperkte middelen op een efficiënte manier
gebruikt worden. Er zijn ook heel wat elementen tot democratisering. Ik vind ook
dat de nieuwe voorstellen van de Orde daar misschien een beetje aan tegemoet
komen maar dat ze niet ver genoeg gaan. Ik sta er nu niet verder bij stil.
Wat toch wel belangrijk is, zijn de onverenigbaarheden. Ik denk dat
mensen die in zo’n orgaan terechtkomen geen verantwoordelijke functie kunnen
hebben in de syndicaten, maar ook niet in andere instellingen die zouden kunnen
interfereren. Het verschil in rechtspraak zou natuurlijk kunnen verdwijnen als er
een duidelijke Code is, maar op dit vlak hadden we als vernieuwing ook al
voorgesteld dat er in elke provinciale raad telkens twee leden van een andere
provinciale raad zouden aanwezig zijn bij de besluitvorming. Om op die wijze toch
de interactie te vergroten tussen de verschillende provincies.
Grotere transparantie voor de klager, zeker voor de patiënten, is in ons
wetsvoorstel opgenomen. Ik denk dat dat echt noodzakelijk is voor zover dat
patiënten daar nog beroep zouden op doen. Ook de rechten van de
aangeklaagde arts worden verbeterd. Ik heb gezien dat het voorstel van de Orde
dit grotendeels heeft overgenomen uit ons wetsvoorstel, waarvoor dank. Ik moet
daar dan ook hier vandaag niet langer bij stil blijven staan.
Wat de sancties aangaat. Ja, we hebben hier veel over het symbool van de
sancties gesproken. Wel, wij hadden alternatieve sancties mogelijk gemaakt. Ik
denk dat het soms beter is dat een arts, in plaats van een week naar Spanje te
gaan, misschien beter een week in een ziekenhuis zou kunnen werken op een
verpleegdienst om maar één voorbeeld te geven van een alternatieve straf. Het
zou meer betekenis hebben dan een symbolische straf en efficiënter zijn.
Eerherstel, waarover ook al is gesproken, was ook voorzien in ons wetsvoorstel.
Ik rond al af om toch mogelijkheid te hebben tot debat. Is dat een gemiste
kans geweest, dat wetsvoorstel? Ik denk het wel, ik denk dat als er nu een
voorstel komt, het verder zal gaan. Dat wat wij op papier hadden gezet misschien
al ontoereikend is. Ik denk dat zowel politici alsook de Orde ervoor
verantwoordelijk zijn dat men zich inderdaad gefocust heeft op een
communautair aspect. Maar goed, het weze zo.
Heeft de Orde zelf nog de kracht om een geloofwaardig alternatief naar
voor te brengen? Ik geef daar geen antwoord op. Het feit dat er heel veel moeite
is om genoeg mensen te vinden om binnen die Orde te functioneren, toont denk ik – toch wel aan dat het heel moeilijk wordt om dat nog te bekomen.
Is er dan een tussenweg tussen afschaffing en hervorming? Daarover gaat
mijn laatste dia die ik gisteravond nog heb gemaakt. Ik denk dat die Hoge Raad
voor Deontologie wel moet bewaard blijven. Daar ben ik een groot voorstander
van. Maar moeten daar nog echt Ordes onder gecreëerd worden? Zouden we niet
een beetje naar Nederlands voorbeeld moeten komen tot een
eerstelijnstuchtrecht waar alle gezondheidsberoepen inzitten? Ik denk dat
daardoor ook het gesprek over deontologie en het gelijk toepassen van die
waarden ook wel gemakkelijker zou kunnen worden.
Dat is dus – denk ik – het beeld waar we misschien toch moeten naar
evolueren en dat is dan veel meer dan wat in ons voorstel staat. Ook heel wat
elementen die Herman Nys vandaag heeft aangebracht, zouden in een nieuw
wetgevend initiatief moeten worden ingebracht.
Ik dank u.
Debat met panel en auditorium/Débat avec le panel et l’auditoire
Guy Tegenbos:
Dan is het nu tijd voor het debat, dames en heren. Mijn voorstel is dat we
het debat laten duren tot 10 na 1. Akkoord? Ik nodig dan bij deze de vijf
panelleden uit: professor Herman Nys van de KUL, professor Walter Michielsen
die we daarstraks al hebben gezien als ondervoorzitter van de Nationale Raad,
Daniël Leclercq van de Orde van Liège. Heren, neemt u plaats en dan nummer 4
en 5: Jean-Jacques Amy van de VUB, professor emeritus, gynaecoloog en één van
de oud-strijders tegen de Orde en tenslotte professor Etienne De Groot, ook van
de VUB, momenteel lid van het Grondwettelijk Hof. Neemt u plaats.
Dames en heren, ik wil nog heel even vooraf een kleine inbreng doen voor
we aan de vraagstelling beginnen en dat is een heel korte getuigenis van een
beroep dat enige verwantschap vertoont met het beroep dat u uitoefent, omdat
het ook een vrij grote maatschappelijke verantwoordelijkheid impliceert en dat is
het beroep van journalist. Ik ga u zeggen wat mijn ervaringen daarmee zijn. We
hebben ook geregeld discussies over de vraag van een interne Hoge Raad voor
de Journalistiek die alleen uit internen bestaat of alleen uit externen bestaat
enz… Wat ik geleerd heb, is - en vanuit de praktijk binnen De Standaard - dat
externe controle, controle opgebouwd door externen of waarin externen
betrokken zijn, is eigenlijk een absoluut noodzaak. Je hebt geen ander middel om
stakeholders van de samenleving waarvoor dat je werkt, die u de mogelijkheid
geeft om te werken en die verwachtingen koestert tegenover u, je hebt geen
andere mogelijkheid om die te betrekken dan door hen echt te betrekken in
discussies over wat mag en niet mag. Externe controle - zo vat ik dat samen - is
nodig, maar als er alleen externe controle is, gaan we niet vooruit, want dan
verval je ofwel in alleen maar wat kleine rechtszaken die uiteindelijk tot een
eindpunt komen en die dan enkele zeer verspreide ankerpunten opleveren ofwel
een vloedgolf van processen van eenieder die zich aangetast voelt in zijn
waardigheid of in ik mag weten wat. En daar heb je ook niks aan. Externe
controle is absoluut nodig, maar externe controle zonder interne controle is niet
goed. Als je geen interne controle hebt, als je geen intern orgaan hebt dat zegt
‘neen, journalisten onder elkaar, wij vinden dat het dat moet zijn’, als je dat niet
hebt, komt er niks van. Maar als je alleen interne controle hebt, als je alleen maar
een intern orgaan hebt met niks dan journalisten, dan gebeurt daar mee zoals
dat met alle interne controleorganen gebeurt en zoals dat ook met de Orde van
de Artsen is gebeurd, dan verwordt dat tot wat men kan bestempelen als
corporatisme of wat men kan bestempelen als een verenging van het
oordeelsvermogen tot enkele zeer beperkte aspecten. Externe controle is nodig,
interne controle is veel verfijnder, interne controle zonder externe controle
ontspoort altijd. Dat is mijn ervaring. Het debat nu met de vijf mensen van het
panel. Drie daarvan hebben al gesproken, twee daarvan hebben nog niet
gesproken en die wil ik daarom eerst de kans geven om heel in het kort hun
mening te zeggen over de vraag ‘moeten we dat ding nou afschaffen of
hervormen?’. Professor De Groot graag.
Prof. Etienne De Groot: Mijnheer de moderator, ik wil toch er eerst op wijzen,
Kris Merckx heeft het daarstraks in zijn presentatie aangetoond, hoe groot het
impact is van de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen op het
staatsbudget en op al de middelen die worden bijeengebracht door werknemers
en werkgevers. U mag niet vergeten dat er binnen het RIZIV een externe controle
op de daadwerkelijke uitoefening van de praktijk bestaat. Dat er een
kenniscentrum is, dat daar richtlijnen kunnen worden gegeven door de dienst
voor geneeskundige controle en evaluatie en dat artsen niet alleen onderworpen
zijn aan eigenlijk de morele regels die door de Orde van Geneesheren worden
opgesteld. Ten tweede, om het kort te houden, zou ik kunnen zeggen ‘ik verwijs
naar professor Nys en ik sluit mij aan bij de vorige spreker’, voor een groot deel is
dat ook zo. Langs de andere kant de voorstellen van Patrik Vankrunkelsven, die
ik wil feliciteren voor zijn vastberadenheid om al zoveel jaren, hij heeft tenslotte
toch die hervorming in de Senaat en in al de hoorzittingen en zo en al het
interessant materiaal in gang gezet, ik vind dat bewonderenswaardig. Veel van
de kritieken die op de Orde van Geneesheren zijn uitgebracht, zijn terecht. Ik heb
daar ook 20 jaar geleden al voorstellen voor gedaan, om trachten daar een
oplossing voor te vinden. Maar de wetgeving is niet gewijzigd op één ding van mij
na. Daarom, ik ben nog een doctoraatproefschrift in faculteit rechten aan het
maken aan de VUB over dit onderwerp en over het tuchtrecht van vrije beroepen.
Men moet dat even op een hoger niveau tillen en eens kijken hoe zit dat met dat
tuchtrecht van die vrije beroepen. Hoe zit dat zoals er gezegd is in het kader van
Europa met mensen die van overal hun beroep hier kunnen komen uitoefenen.
Hoe regelen we dat? Hoe komen we aan de internationale rechtspraak van het
Hof van Justitie, van het Europees Hof voor de rechten van de mens, dat niet
altijd zeker is van wat er uit de bus komt, hoe passen we ons daaraan aan? We
moeten het tuchtrecht hoger bekijken en ik pleit dan ook – ik dacht Herman, dat
jij daar ook voor gepleit had - voor een uniformisering, dat is misschien niet
mogelijk, maar voor een harmonisering van het tuchtrecht. Er is geen reden
waarom dat daar een verjaring bestaat en ginder niet en dat daar eerherstel
mogelijk is en ginder niet enz. Dat is onlogisch, buiten de artsen zijn er nog
andere mensen, die ook vertrouwensberoepen uitoefenen en die hebben
allemaal het recht op dezelfde garanties. Ik vind dat we het over een hoger
niveau moeten tillen en dat terugkoppelen naar de gezondheidszorgberoepen
waar ik ook voorstander van ben, om dus meerdere beroepen in een
beroepsinstituut of zoiets te organiseren, dat wel op een moderne leest en niet
op een corporatistische leest geschoeid is. Dus onverenigbaarheden met
syndicaten enz…, ik denk dat dit nog weinig discussie vergt, maar het moet wel
in de wet ingeschreven worden.
Guy Tegenbos: Professor Amy, een eerste stellinginname van
uwentwege.
Professor Amy: Il a été convenu que je parlerai français
J’ai un conflit de très longue date avec l’Ordre des médecins sur lequel je ne
m’étendrai pas. Je voudrais dire que je suis très heureux qu’il y a ce débat qui
confronte des représentants de l’Ordre des médecins avec des gens qui
pensaient différemment et qui s’opposaient à certaines des thèses qui sont
défendues par l’Ordre.
C’est une ouverture que je souligne ici. C’est un moment historique, c’est une
première en Belgique que l’Ordre des médecins soit disposé à dialoguer avec
nous. J’en suis reconnaissant à leur représentants aussi bien du niveau national
qu’à Liège
Il y a certains points qui n’ont pas été ciblés par les représentants de l’Ordre
Il y a tout d’abord des aspects financiers du fonctionnement de l’Ordre. Le journal
du médecin, dans sa version flamande, a mentionné qu’en 2008 l’Ordre avait un
chiffre d’affaire de 7.3 millions d’€ , que les frais de personnel représentaient
moins de la moitié (3.2 millions d’€), que l’Ordre a sa disposition biens
immobiliers dont la valeur est estimée à 3.3 millions d’€ que les gains pour
l’année 2008 étaient de 307.330 €. Il n’est pas étonnant que l’Ordre dispose
autant d’argent puisqu’il nous impose de payer une cotisation. Il a été soulevé à
multiples reprises ce matin que cette obligation n’a pas un caractère légal.
Je voudrais souligner également ce qui n’a pas été mentionné par nos honorés
confrères de l’Ordre - j’utilise le mot honoré dans toute la plénitude du terme –
qu’en matière de poursuite pour non paiement il y a un arbitraire absolu qui fait
que non seulement les conseils provinciaux prennent des mesures qui diffèrent
d’après la province mais qu’un même conseil provincial prend des mesures
différentes pour des médecins n’ayant pas payé leur cotisation dans un même
hôpital. Je parle de mon hôpital où un collègue à moi est gentiment invité à venir
s’expliquer devant le conseil provincial de l’Ordre alors que moi j’ai été, sans
avoir jamais eu la possibilité d’expliquer mon point de vue en 28 ans de conflit.
J’ai été traduit devant la justice de paix qui m’a condamné.
Un autre médecin qui ne paie pas sa cotisation depuis plusieurs années, le Dr
Moulaert a simplement été radiée de l’Ordre sans avoir à payer les milliers d’€
que moi j’aurais dû payer.
Deux derniers points. Primo, il y a les conflits d’intérêts lors des procédures
disciplinaires où certaines personnes appelées à prendre une décision sont ellesmêmes impliquées dans le conflit !
Ensuite je voudrais mentionner l’inertie de l’Ordre devant des pratiques
scandaleuses telles que l’utilisation d’une baguette de coudrier d’un sorcier pour
poser des diagnostics. Et également l’inertie de l’Ordre en ce qui concerne le non
respect du secret professionnel ou des règles qui s’appliquent au secret
professionnel. Et là, je parle du représentant de l’Ordre des médecins du conseil
provincial du brabant néerlandophone qui a défendu des thèses absolument
intolérables et en contradiction avec son propre code de déontologie. Donc en ce
qui me concerne, je ne vais pas trancher ici sur abolition de l’Ordre ou Conseil
supérieur de la déontologie des professions des soins de santé où toutes les
instances impliquées dans la provision des soins seraient représentées. Je dis
qu’il faut maintenant que nous ayons un dialogue qui aboutisse à une solution de
consensus qui soit acceptable pour toutes les instances concernées. Et qui soit
de
caractère démocratique.
Guy Tegenbos: En is dat een dialoog die wij onderling moeten houden
als artsen of als medische mensen of is dat een dialoog die de
samenleving en de politiek moet voeren?
Professor Amy: De vraag is naar mij gesteld? Vanzelfsprekend. De toute
évidence, c’est un combat quand j’ai utilisé le terme démocratique qui doit se
baser sur la société et sur ses représentants démocratiquement élus.
Guy Tegenbos: Ik zie in de wetgeving over de Orde drie grote
opdrachten staan, waarvan we er twee erg benaderd hebben vandaag
en eentje zijdelings benaderd hebben. De eerste taak is het opstellen
van de lijst van de artsen en dat heeft te maken met het betalen van
het lidgeld natuurlijk. Is dat nog een wezenlijke taak? Mag ik dat vragen
aan de mensen van de Orde? Zijn jullie daar gelukkig mee dat jullie een
aantal mensen moet straffen omdat ze hun lidgeld niet betalen? Is dat
nog van deze tijd?
Prof. dr. Michielsen: Neen, eigenlijk is er iets anders. De wet zegt ‘Er moet
een lijst opgesteld worden’ en ook dat is in ons voorstel, ik denk dat dit evident
is, als er een Orde is dat je dan een lijst moet hebben. Dus het aspect van die
betaling van die lidgelden, dat is daar ergens apart van. Ik ken de wet niet
vanbuiten, maar één van de nummers zegt of artikels spreekt dus dat er een
bijdrage kan gefixeerd worden.
Guy Tegenbos: Bent u daar gelukkig mee?
Prof. dr. Michielsen: Ik ga daar op antwoorden, niet met ja of nee. Maar het is
natuurlijk genuanceerd. Ten eerste is het zo dat een orgaan dat moet
functioneren, moet kunnen over bepaalde financies beschikken, ook over
personeel en dergelijke zaken meer.
Guy Tegenbos: Het is een openbare opdracht die je hebt.
Prof. dr. Michielsen: Ja maar, goed, één van de argumenten, dat is hier ook al
een keer aangehaald, dat men zegt ‘Goed, een openbare opdracht, kan dat niet
met zitpenning betaald worden door de staat of door …?’ . Het argument dat
door de Ordemensen hier tegen of hiervoor gebruikt wordt, is dat de
onafhankelijkheid moet gegarandeerd worden en dat het beter is dat het vanuit
de beroepsgroep zelf gebeurt. Of dat wij nu gelukkig zijn met heel die
geschiedenis? Wel, wij zijn daar niet gelukkig mee, met heel de geschiedenis
van die vervolgingen van de niet-betalers, maar anderzijds, we hebben dat ook
ergens in adviezen geschreven, is het zo dat, ja goed, als iets wil functioneren,
moet je over middelen beschikken en het is ook niet correct dat dan de ene
betaalt en de andere niet. Dat geeft dan toch ook wel bepaalde problemen. Er is
een tijd geweest dat men daar tuchtrechtelijk voor vervolgde en dat kan altijd zo,
want iedere provinciale raad is autonoom. Ik hoor hier de kritiek dat iedere
provinciale raad op een andere manier een bepaald probleem kan benaderen,
dat is zo. Zij zijn autonoom. Maar het antwoord van mijn kant is ook dat als je
naar de rechtbank stapt, de rechtbank ook een bepaald probleem op een andere
manier kan benaderen. Ik denk dat er een verschil is tussen of het een
benadering kan zijn tussen in Oostende en in Arlon. Dat kun je met een gewone
rechtbank ook hebben. Het advies is van de Nationale Raad van niet
tuchtrechtelijk te vervolgen, maar wel de procedure via de vrederechter te
volgen.
Guy Tegenbos: Herman Nys en de andere panelleden over de
verplichting om lidgeld te betalen voor de Orde?
Prof. dr. Nys: Ik kan mij heel goed voorstellen dat ge het tuchtrecht ook met
behoud van de Orde, laat me dat als uitgangspunt nemen, dat niettemin de
functie tuchtrechtuitoefening daarvan, dat dit niet afhangt van de lidgelden die
door die leden worden betaald. Dat is inderdaad een openbare taak en ik vind het
dan ook evident dat dit onttrokken wordt en dat men dat zo regelt dat dat
tuchtrecht, het functioneren van tuchtcolleges enz, dat dit vanuit de openbare
middelen wordt gefinancierd. U begrijpt wel, als je dat doet met behoud van de
Orde, dan loop je natuurlijk wel het risico dat met één of andere bezuiniging één
of andere minister van financiën zijn oog op dat geld laat vallen, maar dat is ook
een probleem , hoor ik, bij het Grondwettelijk Hof. Bijvoorbeeld ook rechtbanken,
Justitie, zijn ook afhankelijk van mogelijke bezuinigingen, dus dat is geen uniek
probleem. Dat is geen doorslaggevend argument om te zeggen ‘laat die functie
betaald worden vanuit de openbare middelen’ en dan ben je inderdaad van dat
probleem van de wanbetaling ook af.
Docteur Yves Dussart (à partir de l’auditoire) :Je voudrais ajouter qu’à Liège
effectivement on envoie tout simplement des lettres de rappel et puis nous
n’irons pas plus loin si le médecin ne paie pas sa cotisation. Mais quelque part
c’est étonnant que ces même médecins qui ne paient pas leur cotisation nous
demandent des avis , de viser des contrats. Quelque part ils ont besoin de nous,
ils font appel à nous et nous répondons à tous, que la cotisation soit payée ou
pas.
Guy Tegenbos: Professor De Groot nog …
Prof. De Groot: Mijnheer de moderator, ik wou zeggen dat als men dat afschaft,
het is eender, ofwel doe je dat met algemene middelen ofwel met een bijdrage,
maar dan moet je dat wel voor iedereen doen: voor de advocaten en al de
beroepen die in die beroepsinstituten of die beroepsordes georganiseerd zijn.
Enfin, dat lijkt mij de rechtvaardigheid te zijn, ik zie niet waarom het een wel en
het ander niet zou mogen.
Guy Tegenbos: Ja, dat was een klein discussiepunt, oké, nog heel even
een tussenkomst uit de zaal.
Docteur Eric Hufkens (non-payant de Marcinelle, à partir de l’auditoire): Je
déménagerai à Liège cet après midi. (rires/gelach)
Guy Tegenbos: Het grotere discussiepunt, namelijk de tweede taak, het
vaststellen van de deontologische regels, het vaststellen van de
deontologie. Daarover heb ik toch wel zeer uiteenlopende meningen
gehoord. Ik hoor de stelling: neen je moet dat niet meer doen, toch
zeker niet voor artsen apart, het volstaat dat je iets algemeens hebt,
dat dat algemene ethische beginselen vastlegt en waaruit je dan wel in
de praktijk kunt afleiden wat heel precieze regels zijn voor welbepaalde
beroepsgroepen en het volstaat, maar dat is de discussie straks, dat je
algemene organen hebt die over de naleving daarvan waken. Of is het
echt nodig dat wij, al dan niet in verband gebracht met die algemene
ethische regels die worden geformuleerd door wie of wat dan ook, dat
we voor een specifieke beroepsgroep zoals artsen, apothekers,
verpleegkundigen, echt heel precies door de beroepsgroep zelf, al dan
niet aangevuld met anderen, laten bepalen van wat in dit geval en wat
in dat geval. Waarbij leunt u nog het meest aan, professor De Groot?
Prof. De Groot: Wel, de instanties die in het algemeen beoordelen, die zijn er,
dat zijn de rechtbanken.
Guy Tegenbos: Vastleggen, niet oordelen of ze nageleefd wordt,
vastleggen …
Prof. De Groot: Ja, dat is de wetgever en de toepassing en het doen naleven,
dat gebeurt door de magistratuur. Maar in de rechtsleer lees ik dat iedereen of
nagenoeg iedereen er over eens is dat dit niet voldoet om een
vertrouwensberoep te regelen. Daarom dat ook in Nederland de richtlijnen
worden vastgesteld door de beroepsgroep zelf, maar …
Guy Tegenbos: Ja, maar professor Vermeersch zei van eigenlijk is dat
niet van doen, je hebt beter een algemeen orgaan dat algemene
beginselen vastlegt.
Prof. De Groot: Ja maar, algemene beginselen. Je hebt de algemeen wettelijke
bepalingen, dat volstaat niet gezien de onevenredigheid van de kennis van
diegenen die de zorg behoeft en die de zorg geeft, daarom moeten er verfijnde
regels zijn. Maar het probleem is met de Code van plichtenleer dat die niet
bekrachtigd is geworden. In aanvang, in ’75 omdat er regels voor abortus in
stonden voor het uitvoeren van therapeutische abortus, daarom is die code niet
bekrachtigd.
Guy Tegenbos: Ja maar, Kris Merckx zegt bijvoorbeeld ook ‘Je hebt dat
niet van doen, je hebt Riziv en nog een aantal andere organen. Dat is
corporatistisch’.
Prof. De Groot: Het corporatisme zat in de vermenging tussen het syndicaal
optreden en het tuchtrechtelijk optreden. Je hebt daar nog een voorbeeld van
gehad, dat er zelfs ter gelegenheid van de staking van 79-80 dat er een hoge
magistraat ontslag heeft genomen.
Guy Tegenbos: Ja maar, hij gaat verder, hij zegt ‘de regels van wat kan
en wat niet kan, wat mag en wat mag niet, mogen niet uitsluitend door
artsen worden vastgelegd voor de artsen zelf’.
Prof. De Groot: Uitsluitend, daarom is het zo belangrijk dat er een
bekrachtigingprocedure is, dat de Code wordt aangenomen. Maar nu zitten we in
een onzinnige situatie. Het Hof van Cassatie heeft bij herhaling vastgesteld dat er
toch regels van plichtenleer zijn zonder dat er een bekrachtigde code is. Dat wil
dus zeggen dat als het tuchtcollege, provinciale raad of raad van beroep vaststelt
dat een bepaalde regel een regel van plichtenleer is, dat die tegen u kan worden
ingeroepen. Men mag niet verwijzen naar artikel x of y van de Code, maar men
mag wel de regel citeren. U kan niet naar de volgende lijn gaan en zeggen ‘maar
ik heb mij verdedigd op basis van artikel .. ‘, want dat bestaat niet. Het bestaat
alleen maar als men vanuit de Orde zegt dat het een regel van plichtenleer is.
Daarom is het zo belangrijk dat er een bekrachtiging is. Trouwens, er moet dan
een discussie kunnen bestaan eventueel tussen de ministerraad of de bevoegde
minister en de orde om te zeggen ‘ja ,kijk, dat of dat kan niet’ en het staat
trouwens de regering vrij om iedereen te consulteren die ze nodig acht.
Guy Tegenbos: Dus als ik het goed begrijp, voor u alle vijf, Orde of geen
Orde, je hebt hoe dan ook iets nodig dat voor een beroepsgroep zoals
de artsen of de apothekers regels vastlegt. Neen, Herman Nys? Hoe? Ik
dacht dat jij de Orde wou behouden en hervormen.
Prof. Nys: Ik wil de Orde wel behouden, maar ik denk dat – voor mij is het heel
duidelijk dat als het gaat over het tuchtrecht dat het tuchtrecht twee bronnen
heeft. Bij het toepassen van het tuchtrecht zijn er twee stromen waaruit
tuchtrechters hun opvattingen halen, hun beslissingen op baseren. Éen, de
wetgeving en die wetgeving, die stroom is sedert 30 jaar wel enorm veel breder
geworden, denk aan de patiëntenrechtenwet en ik denk aan de wet op
euthanasie, zwangerschapsafbreking. Enfin, er zijn er nog veel, dat zijn de
wettelijke bronnen van het tuchtrecht. Maar je kunt, dat wil ik hier toch wel
uitdrukkelijk zeggen, je kunt niet alles via wetgeving gaan regelen. Dat is
onmogelijk. Dat is ook niet wenselijk, dus heb je de tweede, de juris-prudentiële
bron, dat zijn de tuchtuitspraken, de uitspraken van die tuchtcolleges zelf. Die
zullen op een bepaald moment en Johan Legemaate heeft daarop gewezen, één
van zijn jobs is het regelmatig bekijken van uitspraken van tuchtcolleges, daaruit
conclusies trekken en dat ook publiceren. Op die manier ontstaat er een heel
belangrijke bron van medisch tuchtrecht. Belangrijk is dan wel en dat hebben we
hier niet, dat die tuchtzaken, die uitspraken ook worden gepubliceerd, want dan
kunnen er ook lessen uitgetrokken worden. Die tweede bron speelt natuurlijk ook
een heel belangrijke rol, de richtlijnen, de normen die door de beroepsgroep zelf
worden opgesteld, maar die op zichzelf helemaal geen bindende kracht hebben,
die pas enigszins bindend zouden kunnen worden als ze zijn opgenomen in dat
systeem van de tuchtrechtbank. Daar kan de Nationale Raad van de Orde nog
wel een belangrijke rol in spelen, maar wat ik nimmer wil zien gebeuren is dat via
de deontologie er gezegd wordt in dat ziekenhuis moet je dat zo regelen, zo is
dat nu wel, en dat is niet democratisch. Dat heeft ook geen enkele rol meer en
dat heeft naar het tuchtrecht toe ook geen enkele betekenis.
Guy Tegenbos: Maar je erkent wel dat we iets nodig hebben dat normen
en richtlijnen opstelt specifiek voor een groep zoals de deze.
Prof. Nys: Ja, dat erken ik, maar dat kan alleen maar een bindend karakter
krijgen via het tuchtrecht.
Guy Tegenbos: Ja, dat is belangrijk.
Spreker uit de zaal : Mijnheer de moderator, ik wou verwijzen naar Frankrijk,
waar bijvoorbeeld de code de deontologie medicale is opgenomen in de Code
Santé Publique en van al de gezondheidszorgberoepen zijn die codes opgenomen
in een wettelijk iets. Ik vind dat een ideale regeling.
Guy Tegenbos: Professor Michielsen …
Prof. Michielsen: Ja, mijnheer de moderator, ik zou toch nog even een beetje
duidelijkheid, want het is al wat duidelijker geworden, want uw vraag was ‘zijn er
specifieke regels nodig’? In de eerste reactie had ik de indruk dat professor Nys
zegt ‘neen’, na de toelichting blijkt dat wel te zijn en dan vanuit de Orde is daar
wel op gewezen en dat is ook de kritiek geweest op de Hoge Raad voor
Deontologie. Ik ga niet in detail gaan, maar één van de kritieken was dat de Hoge
Raad voor Deontologie de algemene regels gaat geven en maar dat er ook nog
specifieke regels moeten bestaan en die specifieke regels moeten komen, dat is
de deontologie, de code van geneeskundige plichtenleer, die gaat moeten komen
van een bepaalde beroepsgroep in casu hier de Orde van Geneesheren. Wij
hebben ook gezegd dat het niet altijd gemakkelijk zal zijn of moeilijk zal zijn in
een aantal gevallen om het onderscheid te maken wat zijn algemene regels en
wat zijn specifieke regels, dat zal ook niet zo eenvoudig zijn. In verband met die
Hoge Raad voor Deontologie, ik wil er niet teveel over uitweiden, maar hetgeen
Etienne Vermeersch hier gezegd heeft, is een zeer goede bedenking geweest.
Dat was ook één van onze opmerkingen toen, er bestaan al zoveel, we hebben
vermeld: het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, het RIZIV, de wetgeving op de
euthanasie, experimenten op de mensen, onderzoek van embryo’s, de wet op de
palliatieve zorg, de wet op de mensenrechten, dus wij moeten die volgen en
trouwens de Code is aangepast geworden aan de wet op de euthanasie . Die
aanpassing is een aantal jaren geleden gebeurd.
Guy Tegenbos: U bent eigenlijk de enige van de vier die beklemtoont
dat er een instantie is die richtlijnen, voorschriften, deontologie positief
moet definiëren, de vier anderen hebben telkens gereageerd vanuit het
aspect rechtspraak, betwistingen. U beklemtoont het ander.
Prof. Michielsen: Ik ondervind dus ook, ja het is inderdaad zo dat ook bij de
Orde van Geneesheren de impact van de rechtspraak, dat kunt ge niet negeren.
Dat aanvaarden wij. Dat heeft ook zijn voordelen. De wet op patiëntenrechten is
zeer positief, maar dat neemt niet weg dat voor die specifieke regels dat het de
beroepsgroep moet zijn. Die opmerking, en dat weten wij uiteraard ook, dat de
Code geen wet heeft. In Frankrijk is dit wel het geval en dat is dus bij ons een
probleem. Een probleem dat moet ook opgelost worden. In welk voorstel dat het
in de toekomst gaat komen, gaat één van de punten zijn die moeten opgelost
worden.
Guy Tegenbos: Tweede discussiepunt is ‘wie oordeelt dan over de
naleving, is dat de beroepsgroep zelf in de Orde of naar het Nederlands
model de beroepsgroep zelf, maar buiten de Orde of moeten we dat
overlaten aan algemene rechtbanken?’. Niet of-of, maar en-en. Herman
Nys?
Nys: Het Nederlandse voorbeeld toont aan dat het niet of-of is, ik bedoel, daar is
niet de beroepsgroep alleen, daar zitten ook een aantal magistraten bij, zowel in
eerste als in tweede aanleg.
Guy Tegenbos; Ja maar, dat zijn technici.
Prof. Nys: Nee, dat zijn geen technici. Je verwart nu de rol van de magistraat…
Guy Tegenbos: Moet je er dan ook geen patiënten bijzetten …
Prof. Nys: Dat zijn allemaal potentiële patiënten, dat is een valse discussie. Echt
waar en dat meen ik nu, sorry maar het pleidooi om in de tuchtcolleges ook
patiëntenvertegenwoordigers te zetten, dat is nonsens. Ik zeg dat heel sterk.
Rechters, beroepsrechters dan ook, die moeten wel op basis van de informatie
die ze krijgen zich een correct beeld kunnen vormen daarvan, dat kan, dat is niet
onmogelijk.
Guy Tegenbos: In een arbeidsrechtsbank heb je toch al rechters die
zowel de organisaties van werkgevers als van werknemers (vakbond)
vertegenwoordigen.
Prof. Nys: Dat is afgeschaft en ik hoop dat dit nu binnenkort ook, dat is totaal
achterhaald, dat is corporatisme.
Guy Tegenbos: Professor Michielsen …
Prof. Michielsen: Ja meneer de moderator, over dat punt is er dus ook al heel
veel beraad geweest in de Nationale Raad. Één van de punten, als men het
overhevelt naar de gewone rechtbanken, dan gaat die rechter moeten werken
met experts en met medici die worden aangesteld. Dat is natuurlijk mogelijk,
maar hoeveel gaat hij er aan stellen? Één van de argumenten om het ergens bij
de Orde of onder de artsen of voor een stuk, ook bij de Orde zijn er magistraten,
in de Raad van Beroep zijn er evenveel magistraten als artsen. Één van de
argumenten is dat we moeten zorgen dat er voldoende artsen daarin betrokken
zijn, dit om de objectiviteit zoveel mogelijk te garanderen. Dat is ook een van de
punten geweest en collega Vankrunkelsven weet dat die vanuit de Orde met hun
laatste voorstel zijn geweest, waarin u het aantal leden van de provinciale raden
wou beperken tot 6, 7 of 8 . Let daar mee op, want we zitten daar met de
verzoening, de geschillen, het onderzoek en met de uitspraken. En je kunt
uiteraard niet degene die het onderzoek gedaan heeft, mee laten uitspreken,
maar dan kunt ge dat dus ook niet voor wat de magistraten betreft. Dat is één
van de redenen dat ik daarstraks heb uitgelegd, dat het aantal magistraten in de
provinciale raden omhoog moet. Er is inderdaad een tijd geweest dat de
magistraat bij het onderzoek betrokken was en nadien ook bij de uitspraak.
Guy Tegenbos: Docteur Leclerq?
Docteur Leclercq: En fait, je dirais que nous recevons 3 types de cas. Les
premiers ce sont ceux qui sont passés dans des juridictions légales. Comme on
ne peut pas remettre en question ce qui s’est passé là, on va simplement voir le
fait, la vérité juridique. Les deuxièmes cas nous viennent de l’INAMI qui nous a
prouvé la faute. Si faute il y a, on va la voir au niveau ordinal. Les troisièmes cas,
ce sont les plus fréquents et moi je crains que s’il y ait quelque chose (une
instance) au-dessus qu’ils ne peuvent pas affiner la chose. Parce que je peux
vous dire que dans le conseil de Liège, qui est très démocratique, il faut très
souvent que j’explique, en tant que généraliste, à des confrères spécialistes la
situation dans laquelle se retrouve le généraliste. Comment il est coincé et
comment devrait agir le bon généraliste (du mauvais on en discute). Connaître
les conditions c’est important. Si on y met des tas de gens qui ne connaissent
pas la médecine ni les conditions je ne sais pas si nous n’allons pas avoir une
défection de médecins que nous avons déjà parce que ça fera très peur. Mes
enfants ne veulent surtout pas être médecins parce qu’ils trouvaient déjà que
c’était extrêmement compliqué. Alors si on se fait juger par des gens qui ne
connaissent pas le métier, ça n’ira pas. Et il n’y a pas de corporatisme, je peux
vous dire pourquoi. Parce que simplement parce qu’au conseil de Liège il n’y a
plus de familles de médecins. La médecine est ouverte à tout le monde et on a
de tout. Il y a des femmes et des hommes, il y a des jeunes et il y a des plus
vieux. On ne veille pas à protéger le médecin on veille vraiment à voir comment
agirait le bon médecin dans une situation pareille et c’est déjà très difficile pour
des médecins de terrain. Et c’est le terrain qu’il faut garder parce que si on
commence à avoir des intellectuels de la chose qui ne sont ne sont pas sur le
terrain qu’est ce qu’il vont nous faire voir ? Ca me fait toujours peur et c’est pour
ça que je suis entré dans l’Ordre : parce que je veux que le terrain soit
représenté. C’est primordial
Guy Tegenbos: Professor De Groot…
Prof. De Groot: Ik wou er toch eens op wijzen dat er wel een verschil bestaat
tussen echt beroepsfouten enz. en zaken ter beoordeling van een tuchtcollege
van één of andere Orde. Geneeskunde evolueert en ook de wijze waarop
daartegen aangekeken wordt. Ik las onlangs een interview met een Nederlands
uroloog, zijn naam ontglipt mij op het ogenblik, die een boek geschreven heeft en
waar hij onder andere in zegt dat in de Victorian Age, u weet wel, de preutse tijd,
dat daar dan door artsen met een vibrator vaginale massages werden toegediend
tegen hysterie.
Guy Tegenbos: terugbetaald door het ziekenfonds? Ah neen, toen was
er nog geen ziekenfonds om terug te betalen…
Prof. De Groot: Ik wil maar zeggen, over de morele beoordeling. Nu zou men
waarschijnlijk misbruik van de patiënt verordenen, destijds werd dat als normaal
aanvaard. Zo zijn er verschillende zaken, die heel delicaat zijn en daarom is het
belangrijk dat er voldoende leden kunnen oordelen, want sommigen zullen
vinden dat er een deontologische fout is gemaakt en anderen niet.
Guy Tegenbos: Professor Amy
Prof. Amy: Ik weet dat in de Victoriaanse tijd vooral clitoridectomieën werden
toegepast voor hysterie en overmatige libido bij de dames. Dus …
Guy Tegenbos: Het valt me op dat het weer een mannelijke panel is vandaag.
Zijn er reacties of vragen uit de zaal op dit ogenblik? Ja, ..
Docteur Eric Hufkens, medecin generaliste de Charleroi (à partir de
l’auditoire):
J’ai déménagé depuis 10 ans d’Anvers où je ne payais pas la cotisation à l’Ordre
vers le Hainaut à Charleroi où je ne paie pas non plus ma cotisation. J’ai été
condamné devant une justice de paix et la veille de nouvel-an ma sœur
m’appelle pour dire : ‘Voilà il y un problème pour notre héritage familial qui est
bloqué par l’Ordre des médecins.’ On est allé protester. J’ai été reçu – il semblait
que c’était un plaisir immense – d’abord par le bureau. Quinze jours plus tard j’ai
été invité pour une entre-vue. Je me disais: c’est très bien, on pourrait discuter
sur les positions de fond et je pourrai demander de lever la saisie sur l’héritage.
J’ai été devant le conseil. Ils sont tous assis là, moi j’étais de l’autre côté. Tout le
monde avait reçu mon dossier mais moi je ne savais pas ce qu’il y avait dedans.
J’ai pu m’exprimer et je n’ai eu aucune réaction. J’attend toujours une reaction.
Peut être vous pouvez me la donner. La saisie n’est toujours pas levée. Donc ma
famille commence aussi à se plaindre. Ils sont impliqués dans une chose dont ils
ne sont pas responsables. Logiquement c’est moi qui dois me défendre et qui
suis responsable mais pas toute ma famille.
Donc voilà l’Ordre 2010 en Hainaut. Je ne sais pas ce que vous en pensez.
Guy Tegenbos: Wie wil hierop reageren…
Docteur Yves Dusart (à partir de l’auditoire) :
Si vous le permettez, je ne vais rien dire contre ça. A Liège, nous ne sommes pas
des oies blanches mais quand même il y a des choses que je voudrais faire
passer. D’abord, sachez que pas plus tard que jeudi j’ai transmis à maître
Rigaux , qui est notre avocat, qu’il n’était pas question de faire la moindre saisie
immobilière ou mobilière, tant que moi je serai président et Daniel vice-président.
Ca c’est la première chose. Je réprouve complètement cela.
Permettez-moi quand même de répondre aussi à Mr Amy. Je suis très perturbé
par ce que vous avez dit et je suis persuadé que vous devez avoir raison mais je
pense qu’on ne peut pas avoir toujours les même avis que ses confrères. Je dirai
qu’à Liège la cotisation est de 160 €, nettement la moins chère de Belgique. Je
m’implique personnellement dans la gestion journalière de l’Ordre tous les jeudis
après-midi. Je veux aussi vous dire que énormément de confrères chez nous ont
des réductions. Et la dernière chose, énormément de confrères ne paient pas
leur cotisation pour des raisons sociales. Permettez-moi quand même de vous
dire que je vais essayer que vous payez les cotisations, mais pas par de telles
méthodes. Parce qu’il n’est pas normal que vous ne payez pas quand les autres
doivent payer.
Monsieur Amy, je voudrais m’adresser à vous. Je suis quand même perturbé, je
vais reprendre les 4 points. Je pense que vous devez avoir raison sur les chiffres
que je ne peux pas contester concernant la part immobilière de l’Ordre. Je vous
signale que c’est le national qui est propriétaire et pas le provincial. Or c’est nous
qui payons. Eux seuls ont la personnalité juridique. Faut dire également sur les
réserves que nous avons : si vous supprimez l’Ordre comme vous le voulez, nous
devrons veiller au licenciement de 4 secrétaires à temps plein. Sachez donc qu’il
nous faut quand même des réserves. Ce que vous avez également dit et qui me
perturbe autant, c’est que de voir qu’il existe des confrères, impliqués dans un
conflit, qui siègent à l’Ordre. Vous avez dit qu’il y a des confrères impliqués dans
un conflit dans votre hôpital et qui était juge au conseil de l’Ordre qui siège à
l’Ordre. Ou j’ai mal compris ?
Prof. Amy:
Ce que j’ai dit, c’est que le conseil de l’ordre provincial du brabant flamand a des
procédures qui diffèrent pour une même infraction dans un même hôpital.
Docteur Yves Dusart:
Ce n’est pas normal, et d’ailleurs je vous ai signalé que nous demandions à Liège
un cadastre des peines qui sera fait.
Prof. Amy:
Il est évident que j’ai un certain profil, puisque que je suis le plus irréductible des
non payants de la cotisation à l’Ordre des médecins puis que je ne la paye pas
depuis 1982 et que, monsieur le vice-président, je ne la payerai jamais. Si l’ordre
des médecins dans son conseil national ou provincial du Brabant flamand ne
change pas d’attitude envers moi et commence par écouter les reproches que je
leur adresse. Jamais, jamais on a donné suite à mes demandes d’être entendu.
Docteur Yves Dusart:
Bien personnellement, monsieur, je le regrette profondément. Je pense que la
moindre des choses (je ne veux pas me différencier de mes confrères )c’est
d’entendre tout le monde (c’est notre principe) et je vous défie que depuis un an
nous n’ayons pas écouté quelqu'un. Si vous le faites publier dans un journal
j’aurai un droit de réponse. Je croyais avoir compris que certains membres de
l’ordre qui étaient impliqués dans un dossier siégeaient, mais j’ai mal compris.
Prof. Amy :
Il y a des données que j’ai ici et que je pourrais vous fournir
Docteur Yves Dusart:
Mais je vous crois là, je ne vous les demande pas. La dernière chose, si vous le
permettez, et puis je me tairai. Je voudrais signaler que lorsqu’un confrère est
impliqué dans quelque chose, dans le même hôpital, automatiquement les
confères se retirent. Et récemment, pas plus tard que jeudi, le nom d’un confrère
était cité dans une grosse affaire, rien que son nom cité. J’ai demandé qu’il ne
participe pas.
Et la dernière chose que je veux vous dire et qui est importante pour moi car
vous m’avez beaucoup perturbé, c’est le non respect du secret professionnel. Je
trouve ça intolérable. Voici un exemple : c’est que j’ai présidé (j’étais viceprésident) une séance de mise en prévention et je peux vous dire qu’ un ancien
président de l’Ordre de Liège était au jugement.
Et je termine en citant que mon père qui était expert-comptable et non pas
médecin.
« Si un jour tu as un quelconque pouvoir, si tu pèches, tu paieras le double » Et je
peux vous dire que souvent on me téléphone en disant «Tu sais c’est X ou Y de
l’Ordre qui a fait ça » et je lui réponds : « Ẻcris et je te donne ma parole qu’on
poursuivra » mais les confrères ne sont pas toujours courageux et ils n’écrivent
pas.
Guy Tegenbos: Professor De Groot, in het kort …
Prof.De Groot: In het kort, daarstraks is het al gezegd, maar ik ben er nog meer
van overtuigd dat dit een historische bijeenkomst is. Ik sta volledig achter
professor Amy wanneer hij zegt dat er dingen moeten uitgesproken worden. Ik
denk dat er een soort verzoeningscommissie zal moeten komen misschien op
initiatief van de volgende minister van volksgezondheid, waar overeengekomen
wordt geen inbeslagnames meer te laten uitvoeren, waar een lijn getrokken
wordt onder het verleden en waar iedereen terug zijn waardigheid kan vinden.
Guy Tegenbos: Nog vragen over het vastleggen van de regels en het
beoordelen van artsen op het naleven van de regels?
Dokter Linde Tilley: Ik ben Linde Tilley, huisarts in Gent. Ik betaal mijn bijdrage
altijd en ik wil die graag blijven betalen. Als belangrijkste voorwaarde wil ik dat ik
vertrouwen kan hebben, dat mijn eigen visies, normen en waarden in de Code
mee worden opgenomen. Dat de plichtenleer zich ook kan aanpassen, dat zij
dynamisch mee kan evolueren met de veranderende normen en waarden van
onze maatschappij. Daarover wil ik vooral zekerheid.
Guy Tegenbos: heeft u die niet?
Dokter Linde Tilley: Ik heb het gevoel dat dit momenteel niet zo is, neen.
Guy Tegenbos: En dat merkt u aan?
Dokter Linde Tilley:: Aan bepaalde uitspraken van de Orde.
Guy Tegenbos: Zoals, een voorbeeldje…
Dokter Linde Tilley: Ik kan mij niet zo onmiddellijk iets voor de geest halen,
maar bijvoorbeeld de wet op de euthanasie is toch wel het grootste voorbeeld
waarin zij toch achterkwamen met hun visies terwijl de maatschappij al duidelijk
veranderd was.
Guy Tegenbos: Professor Michielsen…
Prof. Michielsen: Wat de wet op euthanasie betreft, is een aantal jaar geleden
de Code aangepast geweest.
Guy Tegenbos: Maar een aantal jaren na de wet…
Intervenant uit de zaal: Vier jaar nadat zij gestemd was
Prof. Michielsen: Er is eerst overleg geweest met de artsen, maar dat is
inderdaad juist.
Guy Tegenbos: Is dat normaal, Herman Nys?
Prof. Nys: Neen, ik ga een recent voorbeeld geven. Het advies van de Nationale
Raad over de zorgtrajecten voor diabetes. Ik vind dat daar zeer sterk de
klemtoon wordt gelegd op de individuele vrije keuze van de arts. Kijk, die
zorgtrajecten, iedereen kent dat hier. Zij zijn – denk ik – heel belangrijk om onze
gezondheidszorg in de toekomst te organiseren, dat we afgeraken van dat strikt
individuele. Dan is het van belang dat de patiënt ook inziet dat die vrije keuze
van arts niet absoluut is. Je aanvaardt en tekent een contract als het ware met je
huisarts voor vier jaar. U (van de Orde, nvdr.) hebt daar kritiek op. Kritiek die
geformuleerd wordt vanuit een in mijn ogen achterhaalde visie op de wijze
waarop de gezondheidszorg moet worden georganiseerd. Eigenlijk zou u in uw
adviezen daarover verschillende opinies aan bod moeten laten komen. Nu krijg ik
de indruk dat u alleen stelt: ‘Eigenlijk is de vrije keuze hier aangetast. Want kan
de patiënt zijn toestemming voor dat contract wel vrij geven wanneer hij, als hij
dat niet doet, geen terugbetaling meer krijgt?’. Dat is correct, maar ik denk dat
het eigenlijk naast de kwestie is. Ik denk dat de meeste mensen dat wel willen en
daar vrij in toestemmen. Dat is maar een voorbeeld. Want euthanasie, laat ons
daarover zwijgen omdat je daar heel verschillende opinies over hebt, ook nu nog.
Maar hier gaat het eerder over: schakelen we ons in de modernisering van de
gezondheidszorg die echt wel…? (onderbroken door Guy Tegenbos)
Guy Tegenbos: Maar jij bent een slimme mens, jij weet ook hoe krijg je
dynamiek in zo’n instituut, hoe bekom je dat?
Prof. Nys: Ik moet u eerlijk gezegd zeggen, dat als ik dat vergelijk met pakweg 5
à 10 jaar geleden, dat er een dynamiek is in dat instituut. Die dynamiek komt
natuurlijk van de mensen zelf, ik bedoel, je kunt dat niet opleggen. Dat komt
door dat er daar ook nu en dan verjongingen zijn enz. Maar ik denk dat men daar
– en dat is een raadgeving die ik u gratis geef – veel meer moet rekening houden
met wat aan de basis ligt. Ik geef les aan laatstejaarsstudenten geneeskunde in
Leuven, dat zijn er toch 300 à 400. Ik merk op het examen dat uw instituut niet
populair is bij de jonge mensen. U moet veel meer aan public relations gaan
doen. U moet uw instituut veel meer bekend gaan maken. U moet dus ook veel
meer inspelen op wat de jonge mensen vaak voelen.
Guy Tegenbos: Professor Michielsen, hoe vind je nu aansluiting bij
vragen zoals van die dame?
Prof. Michielsen: Die zorgtrajecten, ik zou daar uitvoerig over kunnen uitweiden
want dat is een hele discussie geweest. Een van de punten dat ging over die
looptijd van vier jaar, dat, terwijl het contract met betrekking tot het GMD
(Globaal Medisch Dossier) maar over een jaar loopt. Wij hebben voorgesteld aan
het RIZIV om daarover overleg te plegen. Dat is 10 dagen geleden gebeurd, want
uit dat project bleek niet duidelijk of je daar, ja dan neen, dan vier jaar aan vast
zat. Vanuit het RiZIV waren daar meneer De Cock en dokter Ri Deridder bij
betrokken. Enfin, de zaak zit niet vast.
Wat dan betreft het terugvinden van bepaalde desiderata zou ik zeggen: schrijf
naar de Orde. Natuurlijk we kunnen moeilijk een orde individueel voor iedereen
maken.
Guy Tegenbos: Dat is niet genoeg. Het is manifest dat er geen voeling is
met het kloppende hart van de nieuwe artsen
Prof. Michielsen: Ja , die opmerking over public relations noteer ik alvast. Dat
mag verbeteren. We doen ons best.
Guy Tegenbos: Meneer Leclerq…
Docteur Daniël Leclercq:
Je donne également des cours à de jeunes médecins. J’ai crée aussi un centre où
je prends des jeunes médecins mais manifestement il faut accepter que la
société a évolué. Les jeunes ne voient plus du tout les choses de la même
manière. Il n’y a pas qu’à l’Ordre qu’ils ne s’intéressent pas, ils ne s’intéressent
pas au cercle, ils ne s’intéressent pas aux syndicats, beaucoup moins que nous
quand nous sommes sortis. C’est comme ça, ils voient plus leur vie. Nous c’était :
il y avait une mission, j’étais prêt à travailler énormément.
Quant à un Ordre qui réponde à ce que tous les médecins veulent ou ont envie,
ce n’est pas possible, il y a trop de differences. Nous avons rencontré Johan
(Vandepaer, médecin de Médecine pour le Peuple – Herstal, ndlr.), nous avons
travaillé avec lui mais je me rends compte que, bien que nous ayons sympathisé,
nous n’avons pas exactement les mêmes valeurs ni les mêmes notions. Donc si
lui s’y retrouve complètement, c’est moi qui ne m’y trouverai pas. Il faudra donc
accepter un Ordre qui satisfasse le plus grand nombre et surtout qui protègera
les patients. Parce que c’est ça le but quelque part.
Guy Tegenbos: Heel kort, dokter Amy
Prof. Amy:
Un Ordre qui protègera également les médecins qui ont été condamnés par des
tribunaux civils pour des choses incroyables? Je prends l’exemple d’une jeune
femme qui passe en jugement pour fait d’avortement et qui, en raison des
conditions sociales épouvantables qu’elle connaissait, est acquittée pour raison
de nécessité. Pourtant le médecin qui a été l’instrument de son soulagement (ca-d l’interruption de grossesse) est condamné, non seulement à une amende
mais à une peine de prison avec sursis. L’ordre des médecins reste silencieux. Je
peux citer d’autres exemples.
Dokter Jean Colin (vanuit de zaal): Ik ben Jean Colin, ik ben huisarts op het Kiel
in Antwerpen, eigenlijk op de grens van Wilrijk, en ook in Hoboken net zoals de
Geneesheren voor het Volk. Ik ben ook lid van de provinciale raad van de Orde
van Antwerpen. Je kan een beetje de beide systemen vergelijken, een beetje de
voor en de contra’s bekijken. Dan is er maar één ding dat ik kan zeggen: ‘U bent
van Gent, jonge dame. U bent jong, u bent dynamisch, stel u kandidaat voor de
Orde van Geneesheren van de provincie Oost-Vlaanderen.’ Echt waar, ik ben hier
als jongste lid van Antwerpen, daar is Daniël van Luik. We wensen alleen maar
jonge, dynamische heren en dames die ons komen meehelpen. Vanuit de basis
kunnen we de Nationale Raad vragen aanpassingen te doen en we doen dat elke
dag. Ik ben nu bezig de elektronische digitalisering van onze raad. We zijn aan
het moderniseren elke dag, maar er is nog heel veel werk. Dat is nachtwerk, dat
is weekendwerk. Onze voorzitter zit hier juist naast mij, hij weet waarover het
gaat: het zijn zaken die we alleen maar doen als we dat er nog kunnen bijnemen
en nog genoeg kunnen slapen. Dus kom naar ons, laten we ons verenigen, we
vragen niet liever. Dank u.
Guy Tegenbos: Palm ze in, is dat ook uw advies aan Geneeskunde voor
het Volk?
Dokter Colin: Wij zijn heel blij met de mensen van de Geneesheren voor het
Volk in onze regio. Het zijn kwalitatieve, perfect georganiseerde artsenpraktijken
die heel veel steun bieden aan onze kring. Binnenkort gaan ze ook onze
huisartsenwachtpost verstrekken. Ze zitten trouwens in het bestuur van onze
wachtpost. Ik ben heel blij met hen, ze doen perfect kwalitatief werk, ze hebben
hun eigen oordelen en mening, hun politieke mening. Wij zijn eerder pluralistisch,
dat is het enige verschil, maar we komen er heel goed mee overeen. Kom, en
samen gaan we er iets van bouwen. Maar het probleem dat we altijd hebben –
en we zien dat in elke beroepsgroep, niet alleen bij de geneesheren – is de jeugd
mee op de trein te krijgen, haar naar die modernisatie te krijgen. Iedereen moet
meedoen, niet een paar en de rest die gewoon naar de zee gaat zoals vandaag,
lekker lui gaan zonnen. Neen, ze moeten hier staan.
Guy Tegenbos: Kris Merckx…
Kris Merckx: Ik heb het daarnet niet kunnen uitleggen: er zijn echt al veel
serieuze pogingen ondernomen om de Orde van binnenin te hervormen, evenwel
allemaal zonder succes.
Intervenant uit de zaal: Maar het is wel niet geprobeerd met vrouwen
Kris Merckx: Ik denk dat hen hetzelfde lot zal beschoren zijn. Mensen zoals
professor Clara, rector van de Universiteit Antwerpen, die is in de jaren 80 in de
Orde gegaan, professor Janssens van Huisartsengeneeskunde UA ook evenals
dokter Cornet (van het ABVV-BBTK, nvdr.) in Luik. Dokter Paul Franssen, hier
aanwezig, was lid van de Raad van de Orde in Limburg. Hij is er uitgegaan omdat
hij tot de ontdekking kwam dat toen een zaak van een labo moest behandeld
worden er vijf artsen in de Raad van de Orde zaten die belangen hadden in dat
labo maar die weigerden van zichzelf te wraken. Hij heeft dat aangeklaagd bij de
Nationale Raad van de Orde, die hebben gezegd: ‘We sturen uw klacht terug
naar… uw provinciale raad’, waar de aangeklaagde feiten gebeurd waren. Er is
dus al voldoende geprobeerd om de Orde te hervormen, evenwel zonder succes.
Wij moeten opteren voor andere, meer transparante, democratische organisaties
en daar kunnen mensen van de Orde, die zich willen inzetten, een rol in krijgen.
Daarom heb ik ook afgesloten met een oproep tot hen: stap mee in de nieuwe
tijden. Al de expertisen van iemand als collega Colin, inzake informatica en
verbetering van de relaties tussen de artsen, kan en zal ook dan zeker
gewaardeerd worden.
Guy Tegenbos: Nog een allerlaatste opmerking uit de zaal.
Dokter Karl Seghers: Ik ben Karel Segers, ik ben arts bij Geneeskunde voor het
Volk in Zelzate, zeven keer veroordeeld voor de vrederechter, ontvangen door de
Raad van Beroep met zeven overvalwagens van de Rijkswacht en met de
Rijkswacht in de rechtszaal. Dus met deze ervaringen wil ik terugkomen op de
kwestie van de bijdrage. Ik vind ze fundamenteel. Professor Michielsen heeft
gezegd: ‘Dit garandeert onze onafhankelijkheid’. Dan is de vraag ‘onafhankelijk
van wie’ en luidt mijn antwoord: ‘onafhankelijk van de rest van de maatschappij’.
Ik denk dat dus zowel de normering als het tuchtrecht een maatschappelijk
belang heeft. En dat dus ook zeer logisch is dat deze activiteiten met
belastingsgelden betaald worden en dus ook op een democratische manier
kunnen gecontroleerd worden. Dat we dus van het systeem van de bijdragen
afstappen.
Guy Tegenbos: Repliek, professor Michielsen …
Prof. Michielsen: Geen repliek op
Guy Tegenbos: Dames en Heren, ik dank u vriendelijk
Docteur Yves Dusart (à partir de l’auditoire):
Je voudrais simplement dire pour conclure que les médecins en Belgique ne sont
pas si mal vu que cela puisque nous avons 91% de la population qui nous
apprécie. Je tenais à le signaler.
Guy Tegenbos: Er is, dames en heren, twijfel gezaaid, met een aantal
bijdragen in het eerste deel van de voormiddag. Er zijn constructieve
voorstellen aangereikt in het tweede deel van de voormiddag. Er zijn
constructieve voorstellen die circuleren in het parlement. Er leeft een
voorstel om een verzoeningscommissie te maken, er leeft ook een
voorstel om de Orde te veroveren. Meer moet dat toch niet zijn?
Patrik Vankrunkelsven: Mij rest, gezien het uur, alleen het eindwoord om
iedereen te bedanken. Ik denk dat we weer heel wat ideeën hebben opgedaan.
We hebben nog een paar flesjes wijn voor iedereen die gesproken heeft. JeanJacques, je zit in het midden, je kan niet weg, we willen graag die flessen
overhandigen, maar jullie hoeven daar niet voor te blijven zitten.
Geacht publiek,
Geniet nog een beetje van het mooie weekend.
Ik hier nog heel uitdrukkelijk jullie, de mensen die Kris Merckx heeft
meegebracht, de tolken, de mensen de catering hebben gedaan, heel hard
bedanken voor jullie vrijwillige inzet.
En jullie, geacht publiek, voor jullie geduld.
Dank u.