Erfenissen van Osmaanse dorpspolitiek en corruptie

Commentaren

Transcriptie

Erfenissen van Osmaanse dorpspolitiek en corruptie
Erfenissen van Osmaanse dorpspolitiek en corruptie
BART TROMP
OP dinsdag 16 juli 1683 bereikte de voorhoede van het Turkse leger de muren van Wenen en een week
later was de stad ingesloten door inderhaast gebouwde fortificaties die werden bemand met een
troepenmacht van meer dan tweehonderdduizend, onder commando van Kara Mustafa, de grootvizier
(en schoonzoon) van sultan Mehmed IV. Als veldheer had hij naam gemaakt door zijn wreedheid tegen
christenen. Twee jaar eerder had hij na de inname van de stad Uman de gevangen genomen christenen
laten villen. De opgezette huiden stuurde hij als cadeau naar de sultan.
De oorlog in het voormalige Joegoslavie, de ontwikkelingen op de Balkan in het algemeen, de Turkse
politiek en de politieke verwikkelingen in het Midden-Oosten - zij zijn alle erfenissen van de
desintegratie van het Osmaanse Rijk en voor een groot deel pas te begrijpen als men daar enigszins de
geschiedenis van kent. Zo bezien had 'The Decline and Fall of the Ottoman Empire' van Alan Palmer
eigenlijk op geen beter ogenblik kunnen verschijnen: een kroniek van mislukte pogingen tot revolte,
corruptie, wreedheid, incompetentie en dorpsmachiavellisme. Alan Palmer: The Decline and Fall of the
Ottoman Empire. John Murray (imp. Nilsson & Lamm). ISBN 0 71 954934 5. f 80,50.
Behalve wreed en bekwaam was hij ook buitengewoon hebzuchtig. Dit werd zijn ondergang. In plaats van
terstond Wenen te bestormen, probeerde hij de stad door uithongering tot overgave te dwingen. Bij een
succesvolle stormaanval zouden zijn soldaten krachtens gebruik de stad drie dagen mogen plunderen. Dan
bleef er voor hem als bevelhebber heel wat minder buit over dan wanneer Wenen zich formeel over zou geven.
Belegeren kost echter tijd en die tijd werd door anderen gebruikt om een ontzettingsleger onder leiding van de
Poolse koning Johan Sobieski te vormen, dat in de zomer van 1683 naar Wenen oprukte.
In de eerste week van september concentreerde dit leger zich aan de rand van het Wienerwald en Kara Mustafa
zag zich gedwongen alsnog de aanval op de stad te openen.
Op 12 september slaagden zijn sappeurs er in een bres in de buitenste verdedigingswerken te slaan, maar
tegelijkertijd viel het leger van Sobieski de belegeraars aan. Tegen de avond donderde Poolse cavalerie het
luxueuze tentenkamp van de grootvizier binnen en waren de Turken over de hele linie op de vlucht. Tijdens de
terugtocht liet Kara Mustafa vijftig van zijn regimentscommandanten wurgen, maar toen hij eindelijk was
teruggevallen op de citadel van Belgrado, duurde het niet lang of hij onderging op bevel van de sultan hetzelfde
lot.
Anderhalve eeuw eerder, in 1523, was Wenen ook belegerd door de Turken, onder sultan Soeleiman de
Schitterende. Toen echter had het slechte weer hen gedwongen het beleg op te breken. Soeleiman was in goede
orde teruggetrokken naar zijn uitvalsbases in Hongarije. De eerste Osmaanse versterkingen bleven op nog geen
honderd mijl ten oosten van Wenen. De dreigende schaduw van het Osmaanse Rijk over Europa was
levensgroot aanwezig gebleven.
Met het mislukte tweede beleg van Wenen vervloog die dreiging echter en vanaf dat moment kan men de
langzame neergang en ondergang van het Osmaanse Rijk laten beginnen. Dat doet Alan Palmer in 'The
Decline and Fall of the Ottoman Empire', dat eigenlijk op geen beter ogenblik had kunnen verschijnen. De
oorlog in het voormalige Joegoslavie, de ontwikkelingen op de Balkan in het algemeen, de Turkse politiek en
de politieke verwikkelingen in het Midden-Oosten - zij zijn alle erfenissen van de desintegratie van het
Osmaanse Rijk en voor een groot deel pas te begrijpen als men daar enigszins de geschiedenis van kent.
Palmer, een competent historicus van (vooral) de diplomatieke geschiedenis van Europa in de negentiende
eeuw, heeft zich op een typisch Britse wijze van zijn taak gekweten. Zijn boek is beknopt, leesbaar, uitsluitend
gebaseerd op Engelstalige (of in het Engels vertaalde) bronnen (hoewel hij over kennis van het Turks lijkt te
beschikken en wel degelijk Duits, Russisch en Frans heeft gelezen) en toegespitst op de politieke geschiedenis.
De ondergang van het Osmaanse Rijk kan ook gelezen worden als resultaat van de geleidelijke incorporatie
van dit imperium in de kapitalistische wereldeconomie, maar die dimensie krijgt in Palmers relaas geen
aandacht van betekenis.
Toen Kara Mustafa Wenen belegerde, had het Osmaanse Rijk zijn grootste geografische omvang. In het oosten
grensde het aan de Kaspische Zee en daarna liep de grens met Perzie vrijwel loodrecht naar beneden, tot aan de
Perzische Golf en de monding van Eufraat en Tigris. Het Arabisch schiereiland bleef grotendeels buiten het
rijk, behalve de kuststrook langs de Rode Zee, inclusief Mekka en Medina. Egypte, een deel van Soedan, het
huidige Libie, Tunesie en Algerije maakten er deel van uit.
Het Europese deel sterkte zich van het noorden van de Adriatische Zee via de Hongaarse laagvlakte uit tot de
benedenloop van de Dnjepr en vandaar, langs de noordkust van de Zwarte Zee, tot bijna waar het voormalige
Stalingrad ligt. Mehmed heerste over dertig miljoen onderdanen van verschillende etnische samenstelling:
Turken, Slaven, Grieken, Arabieren, Armeniers en nog veel meer. Dat was twee keer zo veel als Frankrijk toen
telde en zes keer zo veel als waarover de Oostenrijkse keizer heerste.
Het centrum van dat rijk was Constantinopel, gelegen aan de Europese zijde van de Bosporus, de voormalige
hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. Zo groot als het rijk was, het was verre van een gecentraliseerde
eenheidsstaat, maar een typisch voorbeeld van een traditioneel imperium. De macht van het centrum was
formeel even groot als in de praktijk vaak gering en werd op indirecte wijze uitgeoefend, in dit geval middels
een soort leenstelstel en een ingewikkeld systeem van indirecte soevereiniteit. Zo telde het Osmaanse Rijk
enkele tientallen vrije steden, die in ruil voor de erkenning van de formele soevereiniteit van de sultan en de
afdracht van een bepaalde jaarlijkse schatting in feite onafhankelijk waren in hun interne bestuurssysteem en
hun industriele en commerciele activiteiten.
Dit leenstelsel leidde, toen de militante fase van het Osmaanse Rijk aan het eind van de zeventiende eeuw
voorbij was, tot een situatie waarin de gouverneurs over grote provincies als Griekenland en Syrie feitelijk
optraden als onafhankelijke heersers van een eigen dynastie. De afdracht van schattingen en belastingen aan de
sultan was het voornaamste mechanisme dat het rijk deed voortbestaan. De machtsbasis van de sultan bestond,
behalve uit zijn ook op religieuze grondslag gevestigde legitimiteit, uit zijn staande leger, dat van de
Janitsaren - een korps dat oorspronkelijk werd gerecruteerd uit jonge christelijke slaven, maar dat in de
achttiende eeuw al vervallen was tot een corrupte en achterlijke pretoriaanse garde, die minder bedreigend was
voor de buitenlandse vijand dan voor de sultan zelf.
Pas in 1826 durfde sultan Mahmud II korte metten te maken het korps, nadat het voor de zoveelste keer een
staatsgreep had ondernomen. Mahmud II was daartoe in staat omdat hij naast de Janitsaren een moderner leger
had opgebouwd. Maar erg modern was het niet en in feite was het te laat.
Krim-oorlog
Het geleidelijke verval van het rijk had al na de Turks-Russische Oorlog van 1768-1774 zijn beslag gekregen
met het vredesverdrag van Kutsjuk Kainardi. Niet alleen verloor het Osmaanse Rijk grote delen van zijn
territoria rond de Zwarte Zee aan Rusland, maar het moest ook voor het eerst de vrije doorvaart van Russische
schepen door Bosporus en Dardanellen toestaan, evenals handelsvoordelen en verplichting om de christenen in
het rijk te beschermen - een bepaling die later door de tsaar in zijn voordeel werd uitgelegd en mede tot de
Krimoorlog (1852-1854) leidde.
De centrale politieke institutie van het rijk was het sultanaat. De sultan was niet alleen absoluut heerser, maar
ook nog - de facto - kalief, hoofd van de islam, een pretentie die hij in het algemeen niet buiten zijn rijk kracht
probeerde bij te zetten en daarbinnen eigenlijk alleen maar in uitzonderlijke gevallen. Het Osmaanse Rijk
mocht dan een theocratisch karakter hebben, in de praktijk werden andere godsdiensten getolereerd. De
veroveraar van Constantinopel had daaraan onmiddellijk uitdrukking gegeven, toen hij niet alleen de Aya
Sophia van Griekskatholieke kerk tot moskee maakte, maar tegelijkertijd een geleerde Grieks-orthodoxe
monnik tot patriarch van Constantinopel benoemde. De gemeenschappelijke afkeer van Rome zorgde er daarna
voor dat de Grieks-katholieke kerk en de sultan een modus vivendi onderhielden.
De absolute soevereiniteit van de sultan was al evenzeer schijn als zijn positie als hoofd der gelovigen. Het
Osmaanse Rijk was geen staat en zeker geen absolutistische staat, zoals die toentertijd in Europa bestonden. De
formele soevereiniteit over een bepaald gebied stelde vaak weinig meer voor dan dat. Van algemeen toegepaste
wetten en belastingen, van een vanuit Constantinopel gehandhaafd bestuurssysteem, was aan de randen van het
Rijk vrijwel geen sprake en dat zou minder het geval worden naarmate het verval van het rijk in de achttiende
en vooral negentiende eeuw voortschreed.
Het huidige Algerije behoorde al ver voor de Franse verovering in 1830 alleen in naam tot het rijk. Servie was
al vanaf 1815 autonoom, maar bleef tot 1878 officieel onder Osmaanse soevereiniteit. De status van Koeweit
binnen het rijk is altijd onduidelijk gebleven. Cyprus en Bosnie-Hercegovina werden al lang door GrootBrittannie, respectievelijk Oostenrijk-Hongarije bestuurd, terwijl de sultan er nog steeds officieel de
soevereiniteit over bezat.
Het meest extreme voorbeeld van de discrepantie tussen formele soevereiniteit en formele machtsuitoefening
bood Egypte. Onder de geduchte Mohammed Ali werd dit in de eerste helft van de negentiende eeuw een staat
in het rijk, zozeer zelfs dat in 1832 zijn legers dat van de sultan versloegen, diens vloot overliep naar
Alexandrie en alleen de inspanningen van de grote mogendheden er toe leidden dat hij Constantinopel niet
veroverde. Bij dit alles bleef Mohammed Ali volhouden dat hij niets anders was dan een loyale onderkoning...
Egypte ontwikkelde zich in de negentiende eeuw tot een alleen in naam niet zelfstandige staat en is tot op de
dag van vandaag (met de ietwat dubieuze competitie van Israel) de enige vanzelfsprekende staat in het MiddenOosten. Maar tot de ondergang van het Osmaanse Rijk was het een khedive, onderkoning, die er zogenaamd
namens de sultan de macht uitoefende. In dit hele mozaiek van gefragmenteerde soevereiniteit kan men veel
van de huidige problemen en conflicten in het Midden-Oosten en op de Balkan al herkennen.
Door de centrale positie van de sultan was de politiek van het Osmaanse Rijk hofpolitiek en in iets mindere
mate stadspolitiek. Zij speelde zich meestentijds af op een terrein van een paar vierkante kilometer in
Constantinopel. Tot 1854 was het centrum het immense Topkapi-complex van paleizen, gelegen op de mooiste
plek van de oude stad, tussen de Aya Sophia, de Gouden Hoorn en de Zee van Marmora. Daarna aan de andere
kant van de Gouden Hoorn, in het immense, buitengewoon sierlijke Dolmabahce Paleis, dat zich uitstrekt langs
de Bosporus en honderd jaar na dato is gebouwd in rococo-stijl.
De sultan pretendeerde, zo niet de jure dan toch de facto, opvolger van de kalief te zijn en dus wereldlijk zowel
als geestelijk leider van de islam. Die pretentie kon hij nooit echt waar maken en een niet bedoelde
consequentie was wel dat hij zo zijn absolute macht deels moest laten inperken.
In de Osmaanse hofpolitiek speelden religieuze leiders, naast de 'divan' onder leiding van de grootvizier, een
belangrijke rol. Van de eenentwintig sultans van wie de regering eindigde tussen 1612 en 1922, werden er
dertien afgezet op gezag van een 'fetva' (een juridisch oordeel) door de grootmoefti (de officiele interpretator
van de islamitische wet), als sluitstuk van adembenemende paleisintriges.
Vervolgens werd hij meestal geexecuteerd: gewurgd met een boogpees, de favoriete beulsmethode. Het beste
waarop hij staat kon maken, was terug te worden verbannen naar de 'kafe', het gesoleerde appartement in de
harem, waar de meeste troonopvolgers als feitelijke gevangenen ook waren grootgebracht, volgens een principe
dat ogenschijnlijk meer geschikt is voor toepassing op kandidaten voor het presidentschap van Amerika.
Soeleiman II verbleef niet minder dan negenendertig jaar in de 'kafe' voordat hij, vijfenveertig jaar oud, in
1687 sultan werd. Toch was deze vorm van dynastieke politiek iets humaner dan de voorafgaande, waarbij bij
de troonsbestijging van een nieuwe sultan voor de zekerheid al zijn broers en halfbroers werden gewurgd.
Zo'n politiek stelsel is wel zeer afhankelijk van de individuele kwaliteiten van degene die de troon bezet. In dit
opzicht was het Osmaanse Rijk, eigenlijk al sinds Soeleiman de Schitterende, slecht af. De enkele
uitzonderingen konden het tij niet keren. Wie de kroniek van mislukte pogingen tot revolte, corruptie,
wreedheid, drankzucht, incompetentie of zelfs zwakzinnigheid, dorpsmachiavellisme en kortzichtigheid leest,
kan zich er alleen maar over verbazen hoe lang het Osmaanse Rijk heeft standgehouden.
Dat het zichzelf meer dan anderhalve eeuw overleefde, is allereerst te danken aan zijn vijanden. In 1853 moet
tsaar Nicolaas I als eerste de metafoor hebben gebruikt die in Europa spreekwoordelijk werd, toen hij het
Osmaanse Rijk aanduidde als 'de zieke man van Europa'. Korte tijd later zou deze zieke man, gesteund door
Groot-Brittannie en Frankrijk, Rusland in de Krim-oorlog een gevoelige nederlaag toebrengen.
Maar dat Rusland ook een zieke man in Europa was (net als Oostenrijk-Hongarije later) deed aan de juistheid
van zijn observatie niets af. In feite had Rusland de diagnose al veel eerder gesteld. Na de onberaden oorlog die
Constantinopel in 1829 tegen Rusland begon en die eindigde in een verpletterende nederlaag voor de
'Osmanli', had op instigatie van Nicolaas II een commissie onder leiding van zijn minister Nesselrode een
rapport over de toekomst van de Turks-Russische betrekkingen opgesteld.
De commissie adviseerde om geen gebruik te maken van de kans om het Osmaanse Rijk te vernietigen. Want
dat zou een vacuum op de Balkan en in het Midden-Oosten scheppen, dat Rusland niet zou kunen vullen. Dan
zou 'een labyrint van moeilijkheden en complexiteiten ontstaan, waarvan de een nog minder oplosbaar zou zijn
dan de ander', omdat Frankrijk, Groot-Brittannie en Oostenrijk al evenzeer geinteresseerd waren in het vullen
van dit machtsvacuum. Deze diagnose werd de basis van de Russische Balkan-politiek in de negentiende eeuw,
maar in varianten ook die van de andere grote mogendheden. Ieder op zich achtte het voortbestaan van het
Osmaanse Rijk te prefereren boven een rechtstreekse confrontatie met andere grote mogendheden over de
erfenis.
Hoe echter een rijk in stand te houden dat steeds verder in elkaar zakte? De oplossing was de hervorming en
modernisering van het Osmaanse Rijk - economisch, militair, politiek, bestuurlijk. Maar of zulke pogingen nu
op initiatief van hervormers in het Rijk - en die waren er - werden ondernomen, of op dat van de grote
mogendheden, ze faalden en liepen vast op het conservatisme van de Osmaanse instellingen - het sultanaat
voorop.
Abdoelhamid II (1876-1911) bleek een meester in het frustreren van de ontwikkeling in de richting van een
constitutionele monarchie en hij groef daarmee definitief het graf van zijn rijk en zijn dynastie.
T.R. Lawrence
De Eerste Wereldoorlog maakte een definitief einde aan het Osmaanse Rijk, zoals hij dat ook deed met de
andere veelvolkerenrijken Oostenrijk-Hongarije en Rusland, die zo lang met elkaar en met de 'Sublime Porte'
om de hegemonie op de Balkan hadden gestreden - vooral om die van een ander te voorkomen. De onberaden
aansluiting bij de Entente leidde echter niet tot een rechtstreekse militaire nederlaag. De geallieerde poging de
Dardanellen te bedwingen - een typisch Brits plan, van Churchill - mislukte smadelijk en de Russen behaalden
in Armenie alleen plaatselijke overwinningen. De Britse invasie van het latere Irak faalde en liep uit op een
trieste nederlaag in Kut-el-Amara. Alleen het Britse offensief door Palestina en Syrie gesteund door opstandige
stammen, geadviseerd door de legendarische T.R. Lawrence - leidde tot een overtuigende overwinning.
Maar in 1918 was de opmars toch niet verder dan Damascus gekomen. Het Osmaanse Rijk moest capituleren,
maar tegen die tijd had de oorlog een geweldige stimulus aan het Turkse en het Arabische nationalisme
gegeven. Aan diezelfde oorlog had het eerste een authentieke held te danken: Mustafa Kemal, die zich een
moedig en bekwaam generaal had getoond, een groot gevoel voor politiek had ontwikkeld en over 'een bepaald
idee van Turkije' (om die ander generaal te parafraseren) beschikte. Hij - en niet de geallieerde overwinnaars
liquideerde uiteindelijk het Osmaanse Rijk en creeerde Turkije als een lekenstaat op basis van de
volkssoevereiniteit.
De laatste sultan ontsnapte uit Dolmahbace op een Brits oorlogsschip. Een tijdje hield Mustafa Kemal (later:
Ataturk) een familielid van de sultan aan als 'kalief', geestelijk leider van de islam. Maar een scheiding tussen
geestelijke en wereldlijke macht is onmogelijk binnen de islam en in 1924 werd ook het kalifaat door de
Nationale Vergadering afgeschaft. Het Osmaanse Rijk was toen definitief verdwenen en Turkije was ontstaan.
Onderschrift: Sultan Abdoelhamid II, 1876 Geallieerde oorlogsschepen liggen voor anker voor het Dolmabahce Paleis,
1919 ILLUSTRATIES UIT 'THE DECLINE AND FALL OF THE OTTOMAN EMPIRE'
Trefwoord(en): Algemeen
Geografie: Turkije ; Europa ; Zuid Europa ; Zuidoost Europa
Perso(o)n(en): Palmer, Alan