Module 1 De anatomie

Commentaren

Transcriptie

Module 1 De anatomie
Module 1
De anatomie
Anatomie van de huid
Algemeen
De huid is het op een na grootste orgaan van de mens (oppervlakte van de darmen is
groter). De oppervlakte is wel 1,5 tot 2 m2. Ondanks dat de huid wordt bedekt door dode
huidcellen is de huid veel meer dan een levende mantel. De cellen in de bovenste huidlaag
produceren een uiterst effectieve barrière tegen omgevingsinvloeden en uitdroging.
De huidcellen die zich onder de bovenste huidlaag bevinden bouwen aan een versterkt
netwerk en zorgen voor de elasticiteit van de huid. De vetcellen onder de dermis houden de
overtollige calorieën vast als vet. Hierdoor ontstaat niet alleen een energievoorraad, maar
krijgt de huid ook een isolerende werking.
Daarnaast zorgen duizenden sensoren ervoor dat de huid een uiterst sensitief orgaan is, dat
zelfs reageert op de meest zachte aanraking, maar ook op druk, temperatuur en pijn.
De huid bestaat uit drie lagen:
- opperhuid (epidermis)
- lederhuid (dermis of corium)
- onderhuids vetweefsel (subcutis)
De subcutis wordt niet altijd meegeteld als officiële huidlaag.
Functies van de huid
De huid heeft een aantal belangrijke functies:
- door het zuurlaagje beschermt de huid ons tegen ziektekiemen, zoals bacteriën en
schimmels (passief).
- via de huid wordt overtollig vocht afgescheiden.
- door de bloedvaatjes in de dermis wordt de lichaamstemperatuur gereguleerd. Bij kou
trekken ze samen (vasoconstrictie), waardoor de huid bleek wordt en warmte vast
houdt. Bij warmte verwijden ze (vasodilatatie), waardoor de huid warm en rood wordt
en zo de warmte af kan geven.
- onder invloed van zonlicht maakt de huid vitamine D3 aan, dat een belangrijke functie
heeft bij de botvorming.
Regulatie van de lichaamstemperatuur
koude omgeving
Opbouw van de epidermis
warme omgeving
2
De zichtbare huid maakt deel uit van de epidermis. Dit is een dunne huidlaag die ca. 1,8
mm dik is. De epidermis is onderverdeelt in 5 cellagen (van buiten naar binnen):
-
Stratum Corneum
Stratum Lucidum
Stratum Granulosum (Granulaire laag)
Stratum Spinosum (Hyalin laag)
Stratum Basale
Membraan (Basal Lamina)
Op de scheiding van de dermis met de epidermis bevindt zich een membraan genaamd:
Basal Lamina. Dit membraan is poreus waardoor voedingsstoffen vanuit de dermis de
epidermis kunnen bereiken. Tevens kunnen afvalstoffen de epidermis verlaten.
Op dit membraan bevindt zich de basale laag. Dit is een laag cellen die slechts 1 cel dik is en
waarvan de cellen cilindrisch zijn gevormd. De lange zijde van de cilinder wijst in de richting
van de opperhuid. In de basale laag worden continue nieuwe cellen aangemaakt, genaamd
Keratinocyten. Deze basale cellen zitten stevig aan elkaar vastgehecht met desmosomen (dit
zijn eiwitrijke aanhangsels van de celwand. Je kunt deze desmosomen zien als een soort
hechtplaatjes). Bij een desmosoom is het celmembraan verdikt en is de ruimte tussen de
twee cellen opgevuld met een soort lijm die de twee cellen stevig aan elkaar hecht. De cellen
in de basale laag delen zich en de nieuwe cel wordt, als gevolg van de cilindrische vorm en
onderlinge hechting, naar boven gedrukt om vervolgens af te sterven.
Na de basale laag komen de cellen in de Stratum Spinosum. In deze laag veranderen de
cellen van een cilindrisch naar een kubische vorm. Deze laag is 2 tot 4 cellen dik. Hier
maken ze hun eerste verandering door. Ze beginnen zich aan te passen om keratine te
kunnen synthetiseren. Keratine is een proteïne en een belangrijk bestanddeel van de
hoornlaag.
Na de Stratum Spinosum komen de cellen in een volgende laag de Stratum Granulosum.
In deze laag gaan de cellen drastisch veranderen en gaan ze keratine opnemen. Door de
opname van keratine wordt de cel stug en stoppen alle celactiviteiten. Ze verliezen hun kern
en uiteindelijk sterft de cel in deze laag. Dit mechanisme van ge programmeerde celdood
heet apoptose. De cellen verliezen hun kubische vorm en worden platter.
De afgestorven cellen komen in het Stratum Lucidum, een zéér dunne laag cellen. Deze
cellen kunnen nog wel opzwellen als gevolg van het opnemen van vocht bij zweten. Tevens
dienen ze als afweersysteem van het lichaam. Deze laag voorkomt dat vreemde moleculen
via de huid het lichaam binnendringen.
Tenslotte komen de cellen in het Stratum Corneum. Deze laag kan wel 100 cellen dik
worden. De cellen hebben nu een langgerekte platte vorm. Tezamen vormen ze een stevige
en moeilijk doordringbare laag. De dikte van deze hoornlaag is afhankelijk van druk en
wrijving. Hoe groter deze is hoe dikker de huid wordt. Daardoor kunnen dikke eeltgebieden
ontstaan. Gemiddeld wordt de gehele opperhuid elke 30 dagen volledig vervangen.
Er bevinden zich in de onderste laag van de opperhuid tussen de hoorncellen ook nog
andere cellen: de melanocyten. Deze pigmentcellen maken kleine pigmentkorrels die zij
doorgeven aan de hoorncellen die het pigment als een parasol boven hun celkern leggen. Zo
wordt het kwetsbare erfelijk materiaal in de celkern afgeschermd tegen de beschadigende
werking van de ultraviolette straling in het zonlicht. Het pigment van de pigmentkorrels, het
melanine, bepaalt voor een belangrijk deel de kleur van de huid, hoe meer pigmentkorrels,
hoe donkerder de huid.
3
De epidermis schematisch
Preparaat van de epidermis met
daarin de verschillende lagen.
Stratum Corneum
Stratum Lucidum
Stratum Granulosum
Stratum Spinosum
Stratum Basale
4
Opbouw van de Dermis
De dermis vormt een duidelijke afgrenzing met de opperhuid. De overgang met het
onderhuids vetweefsel is echter veel vloeiender. De dermis bestaat uit 2 lagen.
Stratum Papillare (papillaire laag)
Stratum Reticulare (reticulaire laag)
Het Stratum Papillaire ontleent haar naam aan de bindweefselpapillen waardoor de dermis
vast verbonden is met de epidermis. Hiertussen bevinden zich fijne lissen van capillairen die
zorgen voor de voeding van de epidermis. Ook de lymfevaten beginnen hier. Het Stratum
Papillaire bevat ook talrijke vrije zenuwuiteinden die zich vertakken in de epidermis en verder
receptoren voor warmte en koude en tastzinorganen ( tastlichaampjes van Vater-Pacini en
Meissner).
De vrije bindweefselcellen omvatten fibroblasten, macrofagen, mestcellen, lymfocyten,
plasmacellen, granulocyten en monocyten. De vrije ruimte (interstitium) tussen de cellen en
de vezelige elementen is gevuld met een gelei-achtige vloeistof, de inetrcellulaire substantie.
De cellen kunnen zich in deze substantie vrij bewegen.
De fibroblasten differentiëren zich tot fibrocyten die onderling verbindingen vormen d.m.v.
hun lange uitsteeksels en zo een driedimensionaal netwerk vormen.
De andere vrije cellen van het bindweefsel zijn onderdelen van het endogene
afweersysteem. Zij spelen een belangrijke rol bij ontstekingen (zie afweersysteem van de
huid).
Het Stratum Reticulare bevat minder vrije cellen dan de papillaire laag. Haar collagene
vezels vormen een dicht netwerk dat hoofdzakelijk parallel loopt aan het lichaamsoppervlak.
Tussen de mazen daarvan vertakken zich de vezels van het elastisch bindweefsel, die zo de
huid haar rekbaarheid geven. De ordelijke rangschikking van de elementen van het
bindweefsel wordt duidelijk wanneer een ronde naald in de huid doordringt; er ontstaat dan
een spleetvormige opening. Deze volgt de richting van de lijnen van Langer. Deze lijnen
geven de richting aan waarin de huid het minst rekbaar is. Dit is waarom incisies die
loodrecht op deze lijnen staan gapende wonden veroorzaken. Bij chirurgische ingrepen
moeten daarom de incisies indien mogelijk langs deze lijnen worden gemaakt om het
cosmetisch resultaat te verbeteren.
Doorsnede van de
Dermis
5
De lijnen van Langer in de huid. Bij
chirurgische ingrepen worden de
incisies gelegd langs de donker
aangegeven lijnen
De dermis gaat zonder duidelijke grens over in de subcutis.
Opbouw van de Subcutis
Het onderhuids vetweefsel van de huid wordt de subcutis genoemd (van het Latijnse
subcutis: sub = onder; cutis = huid. Deze laag bestaat uit los bindweefsel waarin vetcellen
zitten, die zorgen voor energieopslag. De vetcellen zijn samengevoegd in grotere,
kussenvormige clusters en door bindweefseltussenschotten van elkaar gescheiden.
Door het onderhuids vetweefsel lopen veel bloedvaten, waardoor de opgeslagen
voedingsstoffen snel van de ene plaats naar de andere kunnen worden getransporteerd,
afhankelijk van waar ze nodig zijn. De onderhuidse vetlaag is echter niet alleen bedoeld voor
de opslag van voedingsstoffen in de vorm van vloeibare vetten, maar moet het lichaam ook
beschermen tegen kou en tegen stoten. Bij de handpalmen, het zitvlak en de voetzolen dient
de vetopslag bijna uitsluitend als "stootkussen".
Verder lopen er door de subcutis vele stevige vezels van de dermis die de huid verankeren
aan de onderliggende structuren, bijv. de fascie (peesblad) of periost (beenvlies).
Onder de subcutis ligt de algemene lichaamsfascie die, afhankelijk van het deel van het
lichaam, wordt gevolgd door spier, vet, bot of kraakbeen.
Verschil in vetverdeling bij mannen en vrouwen
Het vetgehalte in de subcutis is niet overal in het lichaam gelijk en verschilt ook nog eens bij
mannen en vrouwen. Zo komen cellulite, de beruchte sinaasappelhuid die ontstaat doordat
de tussenschotten op een bepaalde manier ten opzichte van elkaar liggen, en vetophoping
bij heupen, bovenbenen en zitvlak met name bij vrouwen voor. Bij mannen hoopt zich het vet
vaker rond de middel op.
Doorsnede van de
Subcutis
6
Het afweersysteem in de huid
De huid beschermt ook tegen infecties. Dit gebeurt door de fysieke barrières, maar ook door
het aanzetten van het afweersysteem. Het aanzetten van het afweersysteem gebeurt door
speciale cellen in de huid, de dendritische cellen. De dendritische cellen in de opperhuid
heten Langerhanscellen, genoemd naar Paul Langerhans. De Langerhanscellen hebben
niets te maken met de eilandjes van Langerhans die insuline maken in de alvleesklier, maar
zijn wel naar dezelfde ontdekker genoemd.
Dendritische cellen vinden hun oorsprong in het beenmerg als witte bloedcellen, en gaan
vandaar uit naar het bloed. Vanuit het bloed komen ze in alle weefsels en organen van het
lichaam (dus ook in de huid). In deze weefsels worden ze 'onrijpe' dendritische cellen
genoemd, en wachten ze op activatie door een ontsteking. Indien de 'onrijpe' dendritische cel
wordt geactiveerd dan rijpt de cel en verlaat de dendritische cel de huid en gaat die via het
lymfevat naar de afvoerende lymfeknoop. In de lymfeknoop geeft de, inmiddels rijpe,
dendritische cel zijn informatie over het type ontsteking en de ziekteverwekker door aan de
lymfocyten. De T- en B-lymfocyten die passen bij deze ziekteverwekker gaan vervolgens
delen waardoor een afweerreactie ontstaat.
De huidaanhangsels
Tot de huidaanhangsels worden de nagels, haren en klieren gerekend. Zij ontstaan vanuit
instulpingen van de opperhuid in de lederhuid.
We hebben verschillende huidklieren, zoals zweet-, talg- en melkklieren. Talgklieren monden
bijna altijd uit in haarzakjes, zodat de vetachtige substantie via de trechtervormige
haarzakjes naar de huid kan worden getransporteerd. De grootte van de talgklier en de
hoeveelheid vet die wordt afgescheiden, hangt af van de plaats in het lichaam. In het gezicht
heb je bijvoorbeeld grotere talgklieren dan in de armen of benen. Androgenen (mannelijke
hormonen) spelen een belangrijke rol bij de afscheiding van vet uit de talgkieren.
Talg- en zweetklieren zijn zogenaamde exocriene klieren. Dit betekent dat de stof die deze
klieren uitscheiden onmiddellijk aan een oppervlak, zoals de huid, terecht komt. Bij de
talgklieren worden de sterk vethoudende cellen zelf onmiddellijk afgebroken. Door deling van
de basiscellen worden constant nieuwe cellen gemaakt (holocriene klieren). Bij apocriene
klieren, zoals de borstklieren of de zweetklieren in de oksel worden alleen de aan de
buitenkant gelegen delen van de cel tegelijk met de betreffende substantie (secretieproduct)
uitgescheiden. Bij de cellen van exocriene klieren, zoals de kleine zweetkliertjes van de huid,
gaat geen cytoplasma verloren bij afscheiding.
Haren en nagels bestaan uit dood hoornmateriaal. Een haar ontspruit uit een zakje, dat
samen met een talgklier een haarfollikel vormt. Met uitzondering van de lippen, de
handpalmen en de voetzolen zijn er over het gehele lichaam haarfollikels te vinden.
Er zijn twee soorten haren: vellusharen en terminale haren. De vellusharen zijn zeer fijne,
niet gepigmenteerde donshaartjes van ongeveer 2-3 mm lengte. Onder invloed van de
geslachtshormonen veranderen de vellusharen, in de puberteit, in de oksels en de
schaamstreek in dikkere gepigmenteerde terminale haren. Bij de man ontstaat daarna ook
terminale beharing in het gelaat, op de romp, de armen en benen. We kennen een typisch
mannelijk- en vrouwelijk beharingspatroon, die ontstaan onder invloed van de
geslachtshormonen. De haargroei heeft een cyclisch karakter. Elke haarfollikel heeft zijn
eigen ritme met drie in tijdsduur wisselende perioden: een periode van groei (anagene fase),
7
een overgangsfase (katagene fase) en een rustperiode (telogene fase) waarna het haar
uitvalt. Daarna begint de haarfollikel aan een nieuwe groeicyclus. In tegenstelling tot de
meeste zoogdieren lopen de cycli van de haarfollikels bij de mens niet synchroon. De mens
kent geen periode waarop alle haren tegelijk uitvallen.
Op het behaarde hoofd is de levensduur van een haar twee tot zes jaar. Op de rest van het
lichaam is de cyclus korter. Van de 100.000 tot 150.000 haren op het menselijk hoofd bevindt
zich 85% zich in de anagene fase, 14% in de telogene fase en 1% in de katagene fase.
Hieruit blijkt dat een verlies van 50-100 haren per dag normaal is.
De nagels bestaan ook uit dood hoornmateriaal. De nagel groeit vanuit het nagelbed. Tussen
de huid waar de nagel op rust, de nagelplaat, en de huid bevindt zich een dunne huidlaag die
een goede afgrenzing vormt met de buitenwereld. Het steeds terugschuiven van de
nagelriem geeft een verhoogde kans op infecties. De nagels van de vingers groeien
ongeveer 3 mm per maand, terwijl de teennagels slechts 0,5-1 mm per maand groeien en er
dus ongeveer een jaar of meer over doen om zich te vernieuwen.
Samenstelling en functie van het bloed
8
Waaruit bestaat bloed ?
In het lichaam van een volwassene zit ongeveer vijf liter bloed. Kinderen doen het met 2 à 3
liter. Ons bloed is opgebouwd uit: plasma (55%), witte bloedlichaampjes (leukocyten),
bloedplaatjes (trombocyten) en rode bloedlichaampjes (erytrocyten) (45%).
In grote lijnen kunnen we zeggen dat de rode bloedcellen zorgen voor het zuurstof en
kooldioxide transport, de witte bloedcellen zorgen voor de verdediging van het lichaam en de
bloedplaatjes zorgen voor de bloedstolling.
bloed
vaste bestanddelen (45%)
bestand- erytrocyten
delen
leucocyten
plasma (55%)
trombocyten + fibrinogeen
granulocyten
lymfocyten
monocyten
functie
ademhaling
serum
glucose
vrije vetzuren
aminozuren
metabole afval
producten
hormonen enz.
immuniteit
bloedstolling
transport
Ook de volgende onderverdeling is nog te maken
Erytrocyten
Killer T cellen
T geheugencellen
T helpercellen
T supressorcellen
Granulocyten
T
Leucocyten
lymfocyten
B
plasmacellen
B geheugencellen
monocyten
Trombocyten
9
In deze tekening is een bloedvat
getekend, met daarin de rode
bloedcellen, de bloedplaatjes en een
witte bloedcel (gelobde kern). Zoals
te zien wordt het bloedvat omringd
door endotheelcellen.
Vaste bestanddelen
Erytrocyten:
Wij treffen ongeveer vijf miljoen erytrocyten aan per mm3.
De rode kleur van de erytrocyten is te danken aan de bloedkleurstof hemoglobine, een ijzer
houdend eiwitmolecuul (dat O2 aan zich bindt) dat een uiterst belangrijke rol speelt bij het
vervoer van zuurstof en koolzuurgas (CO2). De rode bloedkleurstof bevindt zich in de cellen,
100 ml bloed bevat ca. 15 gram hemoglobine. De erytrocyten onderscheiden zich van de
meeste andere lichaamscellen door het ontbreken van een celkern. Zij worden aangemaakt
in het beenmerg
( voornamelijk van platte beenderen) en afgebroken in lever en milt. Hun levensduur is
ongeveer 120 dagen.
stamcel
erytroblast
reticulocyt
erytrocyt
Erytrocyten vormen het eindstadium van de
erytropoëse, de aanmaak en ontwikkeling van de
rode bloedcellen. De erytropoëtische stamcel deelt
zich een aantal malen en differentieert via
verschillende stadia tot de orthochromatische
erytroblast (normoblast), het laatste stadium dat nog
een celkern heeft. De kern wordt uitgestoten, waarna
de onrijpe erytrocyt vanuit het beenmerg naar bloed
kan migreren. Deze onrijpe erytrocyt bevat nog wel
RNA en is nog in staat, hemoglobine te
synthetiseren. Dit stadium heet reticulocyt en rijpt
in ongeveer 2 dagen uit tot erytrocyt.
Erytrocyten
10
Leucocyten:
Kleurloze ('witte') cellen in het bloed die nauw betrokken zijn bij de afweerreactie tegen
lichaamsvreemde indringers (o.a. allergenen, bacteriën en virussen). Het bloed bevat ca.
6000-8000 leucocyten per mm3. Deze cellen hebben altijd een kern en vertonen amoeboïde
bewegingen. Zij worden gevormd in het beenmerg.
De volgende witte bloedcellen worden onderscheiden:
A: granulocyten
De granulocyten zijn gespecialiseerd in het onschadelijk maken (het
fagocyteren) van bacteriën. De onschadelijk gemaakte bacteriën worden uit
het lichaam verwijdert d.m.v. pus en etter. Er zijn Neutrofiele-, Eosinofiele- en
Basofiele granulocyten.
B: lymfocyten
De lymfocyten helpen de granulocyten en de monocyten bij hun werk en
produceren daarnaast ook nog anti-lichamen om de immuniteit te waarborgen
C: monocyten
De monocyten zijn gespecialiseerd in het opruimen van resten van dode
lichaamscellen.
A: Granulocyten worden onderverdeeld in:
- basofiele granulocyten: bevatten histamine en andere weefsel-actieve stoffen, die
vrijkomen
als de basofiele granulocyt reageert met stoffen die allergische reactie veroorzaken
(= allergenen)
- eosinofiele granulocyten: regelen de binding tussen antistoffen en allergenen
- neutrofiele granulocyten: ruimen na een allergische of ontstekingsreactie de afvalstoffen
op
(= fagocytose).
B: Lymfocyten (in bloed maar met name in lymfe) worden onderverdeeld in:
- B-lymfocyten (= B-cellen): humorale afweerreactie (m.b.t. lichaamsvocht)
- T-lymfocyten (= T-cellen): cellulaire afweerreactie
B-lymfocyten (=leukocyten) die zorgen voor de zgn. humorale afweerreactie van het
lichaam (= humorale immuniteit).
B-lymfocyten worden steeds vers aangemaakt door bepaalde cellen (= lymfoblasten) in het
beenmerg. Na rijping tot plasma-cellen produceren ze afweerstoffen (= antistoffen,
immunoglobulinen) tegen lichaamsvreemde indringers, zoals bacteriën, virussen en
allergenen.
Plasmacellen gaan nadat ze geprikkeld zijn door een lichaamsvreemde stof,
antilichamen maken. Deze omvorming vindt voornamelijk plaats in de lymfeklieren, de
milt en de wand van het spijsverteringskanaal. De antilichamen worden y-globulinen
of immuunglobulinen (Ig) genoemd. Bij elk binnendringend antigeen wordt een
specifiek antilichaam geproduceerd;
11
B-geheugencellen hebben dezelfde functie als T-geheugencellen.
T-lymfocyten zorgen voor de zgn. cellulaire afweerreactie (= cellulaire immuniteit).
T-lymfocyten spelen o.a. een belangrijke rol bij de afweerfunctie van de B-cellen (rijping van
B-cellen tot plasma-cellen) en de antistoffen (reactie tussen lichaamsvreemde stoffen en
anti-stoffen).
T-lymfocyten worden vóór de pubertijd aangemaakt in de thymus (= zwezerik, die na de
groeifase verdwiint) en rijpen daarna in het beenmerg tot actieve T-cellen.
De T-geheugencellen worden bij elk contact met een antigeen
(lichaamsvreemde stof) gemaakt, je zou kunnen zeggen, zij vormen het
archief waarin de laboratorium onderzoeken naar het antigeen worden
opgeslagen. Bij een vervolgbesmetting volgt herkenning en kan onmiddellijk
ingegrepen worden.
De T-helpercellen zorgen ervoor dat de B-lymfocyten geactiveerd worden en
antilichamen gaan vormen.
De T-supressorcellen zorgen ervoor dat de B-lymfocyten stoppen met het
produceren van antilichamen.
Killer-T lymfocyten zijn lymfocyten en macrofagen die cellen herkennen waaraan
zich bepaalde antistoffen (= immunoglobulinen) hebben gebonden. Na herkenning
maken ze de cellen door afscheiding van antistoffen (= cytokinen) onschadelijk.
C: Een monocyt is een ronde of ovale leucocyt. Het beschermt tegen in het bloed
voorkomende ziekteverwekkers en verplaatst zich snel naar geïnfecteerde weefsels. Ze
worden aangemaakt in het ruggenmerg en zijn afkomstig van haematopoietische stamcellen.
De ongedifferentiëerde monocyten blijven twee tot drie dagen in het bloed zitten om
vervolgens in een weefsel te gaan zitten waar ze zich afhankelijk van het weefsel
differentiëren in verschillende macrofagen. Monocyten kunnen in de weefsels door
fagocytose (vertering) allerlei lichaamsvreemde stoffen opnemen. Zij gaan daarbij vaak over
in een celtype dat men macrofagen noemt. Ze kunnen ook geïnfecteerde cellen doden met
behulp van antilichamen die de ziekteverwekker insluit of door zich te hechten via
pathogeen-receptor herkenning aan de ziekteverwekker.
Leucocyt
12
Trombocyten:
Trombocyten zijn de kleinste bloedcellen; het zijn kernloze fragmenten van het
cytoplasma van uitgerijpte megakaryocyten. In rusttoestand zijn het platte schijfjes met een
gemiddelde diameter van 3 mm. Trombocyten spelen een zeer voorname rol bij de
bloedstelping en stolling. Direct na het optreden van een vaatwandbeschadiging zijn
trombocyten betrokken bij de vorming van de hemostatische prop, die een eerste afdichting
van de laesie verzorgt. Vervolgens leveren ze met hun membraan de fosfolipiden die
noodzakelijk zijn voor het vormen van trombine, het centrale enzym in de bloedstolling, dat
de vorming van het fibrinenetwerk verzorgt. Een afwijkende concentratie of functie van
trombocyten geeft al snel aanleiding tot gestoorde bloedstolling.
De concentratie trombocyten is niet afhankelijk van geslacht of leeftijd. Gemiddeld hebben
we 250.000 trombocyten per mm3.
Trombocyten
Plasma
Bloedplasma bestaat uit:
-
water (92%)
specifieke plasma eiwitten (7%), zoals Albuminen, globulinen en fibrinogeen
anorganische stoffen (0.9%), zoals kalium, natrium en calcium
organische stoffen (0.1%), zoals glucose, vetten, antistoffen, enzymen en hormonen
Functie van het plasma is:
-
transporteren van bloedcellen
transporteren van voedings -en bouwstoffen naar de cellen
afvoeren van afvalstoffen van de cellen naar de lever en nieren
vormen van watervoorraad
speelt een belangrijke rol bij de bloeddruk
Plasma en Serum worden vaak door elkaar gehaald. Voor sommige onderzoeken is serum
vereist en voor sommige onderzoeken juist plasma
-
Plasma = volbloed min cellen
Serum = volbloed min cellen min stollingseiwitten
13
Het stollingsmechanisme
Bloedstolling of coagulatie is het proces waardoor bloed dat aan de lucht of aan andere
oppervlakken dan de binnenkant van het vaatstelsel wordt blootgesteld klontert en hard
wordt. De functie hiervan is biologisch gezien het bloedverlies bij verwondingen te beperken.
Bloedstolling is een buitengewoon complex proces waarbij vooral de Trombocyten en een
groot aantal eiwitten in het bloed, de zogenaamde stollingsfactoren, betrokken zijn. Falen
van de bloedstolling leidt tot een verhoogde bloedingsneiging, terwijl een verhoogde activiteit
trombose kan veroorzaken.
Het proces
De bloedstolling kan in drie stappen opgesplitst worden: primaire hemostase, coagulatie en
fibrinolyse. In realiteit zijn deze drie fasen met elkaar verweven eerder dan dat ze elkaar
netjes opvolgen.
Hier volgt een korte beschrijving van de drie stappen.
De primaire hemostase leidt tot de vorming van een plaatjesaggregaat. De plaatjes hechten
zich vast aan de bres in de vaatwand onder invloed van een plasmafactor (de von
Willebrand-factor). Daarna volgt de omkeerbare en vervolgens de onomkeerbare
samenklontering van de bloedplaatjes (aggregatie) via trombine. Het fibrine dat de
plaatjesklomp insluit, verstevigt het geheel.
De coagulatie (of secundaire hemostase) kan op twee wijzen geactiveerd worden (extrinsiek
en intrinsiek) en verloopt daarna volgens eenzelfde pad dat leidt tot de vorming van fibrine..
Bij de extrinsieke weg start het stollingsproces buiten de bloedbaan. Bij de intrinsieke weg in
het bloedvat zelf. In dat geval vindt er een kettingreactie plaats, waarbij een geactiveerde
stollingsfactor de activering van een volgende factor uitlokt. Als er een factor ontbreekt, wordt
de ketting onderbroken en is er sprake van een abnormale stolling.
De combinatie van de twee mechanismen zorgt ervoor dat er een voldoende stevige
bloedklonter gevormd wordt die weerstaat aan de bloeddruk en toch voldoende mobiliteit
toelaat.
Het gemeenschappelijke pad mondt uit in de vorming van fibrine. Onder invloed van
trombine ondergaat het fibrinogeen (factor I) chemische veranderingen die leiden tot de
vorming van fibrine. Dat is noodzakelijk voor de vorming van een klonter.
Het bloed wordt in het organisme vervoerd door het bloedvatenstelsel. Een blessure leidt tot
een beschadiging van een bloedvat en dat resulteert in bloedverlies via de bres in de
vaatwand. Bloedvaten kunnen aan de oppervlakte scheuren in het geval van een snijwonde,
of meer in de diepte: dat leidt tot een blauwe plek (ecchymose) of een inwendige bloeding.
Net zoals de rode en witte bloedcellen zijn de bloedplaatjes cellen die circuleren in het bloed.
Zij spelen een belangrijke rol bij het stoppen van een bloeding doordat ze zich aan elkaar
hechten en zo een stop vormen, die men het plaatjesaggregaat noemt.
De stollingsfactoren zoals factor VIII en IX zijn vervolgens noodzakelijk om de plaatjesklomp
op zijn plaats te houden en de bloedklonter te vormen.
14
1. Eerst wordt er een contactproduct gevormd. Dit contactproduct wordt
gevormd uit factor XI en factor XII, aangevuld met nog andere factoren.
2. Dit contactproduct activeert factor IX
3. Factor IX vormt samen met factor VIII Calcium (factor IV) + het
bloedplaatjesfactor.
4. Deze vormen samen het enzym Tenase
5. Tenase activeert factor X
6. Factor X en factor V vormen samen het bloedplaatjes enzym: Protrombinase
7. Protrombinase zet Protrombine om in Trombine
8.
Trombine zet Fibrinogeen om in Fibrine
15
Wanneer een bloedvat beschadigd wordt, verloopt de vorming van de bloedklonter in
normale omstandigheden in vier stappen. (zie figuur 1).
Figuur 1
Fase 1: de vaatwand wordt beschadigd en de bloeding begint.
Fase 2: het bloedvat trekt samen om de bloedtoevoer naar de plaats van onheil te verlagen.
Fase 3: de bloedplaatjes hechten zich aan de beschadigde vaatwanden en spreiden er zich
over uit: de bloedplaatjesadhesie. Zij laten bestanddelen vrij die de andere bloedplaatjes
activeren zodat zij samenkoeken op de plaats van de beschadiging en er een stop vormen;
dit proces is de bloedplaatjesaggregatie.
Fase 4: de oppervlakte van de geactiveerde plaatjes vormt nu een platform voor de vorming
van de bloedklonter. De stollingseiwitten die in het bloed circuleren, worden aan het
plaatjesoppervlak geactiveerd en vormen een fibrineklonter. Die heeft het uitzicht van een
netje. Deze eiwitten - de diverse stollingsfactoren I tot XII - en de von Willebrand-factor
vormen een kettingreactie met een domino-effect: de stollingscascade (zie figuur 2).
16