1 Inhoudsopgave. Lijst van gebruikte afkortingen blz

Commentaren

Transcriptie

1 Inhoudsopgave. Lijst van gebruikte afkortingen blz
Inhoudsopgave.
Lijst van gebruikte afkortingen
blz. 04
Geraadpleegde literatuur
blz. 05
Inleiding
blz. 09
Hoofdstuk 1. Wat is Jungschar?
1.1 Inleiding.
blz. 13
1.2 Het ontstaan van Jungschar.
blz. 13
1.3 De geografische verspreiding van Jungschar.
blz. 14
1.4 De achterliggende principes en belangrijkste bijbehorende
methoden.
blz. 16
1.4.1 De achterliggende principes.
blz. 16
1.4.2 De belangrijkste bijbehorende methoden.
blz. 19
1.5 Verschillen tussen de Jungscharorganisaties.
blz. 25
1.6 De Bijbelse fundering van Jungschar volgens de
Jungscharorganisaties.
blz. 25
1.7 Samenvatting
blz. 28
Hoofdstuk 2. Analyse van Jungschar I.
2.1 Inleiding.
blz. 29
2.2 De Bijbelse fundering.
blz. 29
2.3 Vanuit de Jungscharorganisaties.
blz. 30
2.4 De kinderen en jongeren zelf.
blz. 31
2.5 Verschillende modellen.
blz. 34
2.5.1 Aantrekkelijk zijn.
blz. 35
2.5.2 Groei.
blz. 36
2.5.3 Doelgerichtheid.
blz. 38
2.5.4 Discipelschap.
blz. 40
2.6 Conclusie.
blz. 41
2.7 Samenvatting.
blz. 42
1
Hoofdstuk 3. Analyse van Jungschar II. Aan de hand van de gesprekken.
3.1 Inleiding
blz. 44
3.2 De principes.
blz. 44
3.3 De methoden.
blz. 50
3.4 De succesfactoren.
blz. 53
3.5 De overige sterktes.
blz. 53
3.6 De zwaktes.
blz. 55
3.7 De valkuilen.
blz. 56
3.8 De grootste sterktes en zwaktes van Jungschar
volgens de Nederlandse overkoepelende organisaties en kerken.
3.9 Samenvatting.
blz. 56
blz. 57
Hoofdstuk 4. Jungschar in Nederland.
4.1 Inleiding.
blz. 59
4.2 Passen de principes en methoden van Jungschar in Nederland?
blz. 59
4.3 Een aantal aspecten van Jungschar nader bekeken.
blz. 61
4.3.1 Sport en outdoor.
blz. 61
4.3.2 Ervaringsleren.
blz. 63
4.3.3 Evangelisatie.
blz. 66
4.3.4 Aanbidding.
blz. 68
4.3.5 Pastoraat.
blz. 69
4.3.6 Discipelschap.
blz. 71
4.3.7 Goed omgaan met vrijwilligers.
blz. 72
4.4 Samenvatting.
blz. 74
Hoofdstuk 5. Naar de toekomst.
5.1 Inleiding.
blz. 75
5.2 Jungschar, een plekje in Nederland.
blz. 75
5.3 Het advies aan Stichting De Pioniers Nederland.
blz. 77
5.4 Samenvatting.
blz. 79
Conclusie.
blz. 81
2
Bijlagen:
Bijlage 1. Vragenlijst voor de Jungscharorganisaties.
blz. 85
Bijlage 2.Waar ik op gesprek ben geweest
blz. 87
Bijlage 3. Voorbeeldkaarten voor activiteiten in de omgeving
blz. 89
Bijlage 4. Voorbeeld schema’s om de voortgang van de kinderen
bij te houden.
blz. 91
3
Lijst van gebruikte afkortingen.
ABJÖ
Arbeitskreis Bibelorientierter Österreichischer Jungscharen
BEFG
Bund Evangelische Freikirchliche Jungscharen
BESJ
Bund Evangelische Schweizerische Jungscharen
CGJO
Christelijk Gereformeerde Jeugdorganisatie
EC Jugend
Entschieden für Christus Jugend
CEVI
Ik ben er niet achter gekomen waar deze afkorting voor staat,
maar het is de Zwitserse tak van YMCA.
CVJM
Christlicher Verein Jünger Männer
CJV
Christelijk Jongeren Verbond
CMV
Christliche Missions Verein für Österreich
EG Deutschland
Evangelische Gemeinschaft Deutschland
EMK
Evangelische Methodistische Kirche
FeG Deutschland
Freikirchliche Eevangelische Gemeinschaft Deutschland
FIMCAP
Fédération International des Mouvements Catholiques d’Action
Paroissale
GJW
Gemeindejugendwerk
HGJB
Hervormd Gereformeerde Jeugdbond
IFFEC
International Federation of Free Evangelical Chruches
KJÖ
Katholische Jungschar Österreich
LDC PKN
Landelijk Dienstencentrum Protestantse Kerken Nederland
NBJB
Nederlandse Baptisten Jeugdbeweging
NCSU
Nederlandse Christelijke Sportunie
SPM
Schweizerische Pfingstmission
YMCA
Young Men’s Christian Association
4
Geraadpleegde literatuur.
Boeken.
Barret M., Childern’s understanding of society. Serie Studies in Development Psychology nr.
10, in: M. Barret & Eithne Buchanan-Barrow (red) (Hove: Psychology Press, 2005) xii +
323pp.
Barz P. en Witte E., Promiseland, hoe kinderen God beleven. Nieuwe ideeën voor het
kinderwerk. (Zeist: Willow Creek Nedeland, 2001) 124pp.
Coleman R. The Masterplan of Evangelism. (Grand Rapids: New Spire edition, 1994) 142pp.
Dieterich M., Pastoraat aan kinderen. Vertaling van: Seelsorge mit Kindern (Leiden:
Uitgeverij J.J. Groen en zoon, 1996) 224pp.
Heckmair B. en Michl W., Erleben und lernen. Einstieg in die Erlebnispägagogik Serie:
Erleben & Lernen; deel 2. (Berlijn: Hermann Luchterhand Verslag GmbH & Co. KG., 1993)
VII + 227pp.
Heijden, S. van der, RE:VISIE. Het geheim van succesvol missionair jeugdwerk vanuit de kerk
(Kampen: Kok, 2003) 266pp.
Hendriks J. Een vitale en aantrekkelijke gemeente. Model en methode van gemeenteopbouw.
(Kampen: Uitgeverij Kok, 1998 6de druk) 212pp.
Janssens J., ‘De betekenis van sportvereniging voor de multiculturele samenleving.’ in B. de
Waard en N. Schoenmakers (red.), Zin in sport. Praktische tips en adviezen voor
sportbestuurders en beleidsmakers in de sport. (Amersfoort: NCSU, 2005) 48pp.
Jarvis M., Sport Psychology (Londen: Routledge, 1999) xv+169pp.
5
Klarus R. en van den Dool P., Ontwerpen van leerprocessen. Ervaringsleren en
cultuurhistorische leerpsychologie binnen vorming en onderwijs. (Schoten: Uitgeverij
Westland N.V., 1989) 192pp.
Krol, B. Gemeentegroei Compleet. Een praktische handleiding. (Hoornaar: Gideon, 2001)
267pp.
Moyles J. Both K. (red.), Laat ze toch spelen. De rol van het spel van jonge kinderen.
(Nijkerk: Uitgeverij Intro) 191pp.
Pippert. R. Het zoutvat uit…de wereld in. Vertaald uit: Out of the Saltshaker and into the
World. (Vaassen: Uitgeverij Medema, 2000) 344pp.
Polet S., Sikkema P. (red.) Jongeren 2003. Niets willen missen. (Amsterdam: Orius, 2003)
88pp.
Renes R.J., Sustained voluntarism. Justification, motivation and management. (Amsterdam:
Vrije Universiteit, 2005) 173pp.
Schwarz
C.,
Natuurlijke
gemeenteontwikkeling.
Vertaling
van:
Die
natürliche
Gemeineentwicklung (Hoornaar: Gideon, 1996) 128pp.
Vlerk D. van der, Inspireren tot leren. Het ontwerpen van een uitdagende leeromgeving.
(Bussum: Uitgeverij Coutinho, 2005) 224pp.
West L., Hopkins P., The D-factor. Youth Discipelship the hole in our thinking? (Ontario:
Monarch Books, 2003) 158pp.
Wit J. de, Psychologie van de adolescentie (Baarn: HBuitgevers, 2002, 22ste druk) 378pp.
6
Websites.
Beek,
H.
van
de,
(2003),
Zeven
misvattingen
over
aanbidding,
http://www.eo.nl/portals/themes/article.jsp?portal=Portal.Thema&article=4444135&theme=5
321311
EO.nl,
(auteur
onbekend)
(2003)
Gezocht:
(aan)bidders,
http://www.eo.nl/portals/themes/article.jsp?portal=5678911&article=3537795&theme=57580
30
EO.nl,
(auteur
onbekend)
(2005)
Doelgericht
jongerenwerk.
http://www.eo.nl/ronduit/article.jsp?portal=5761111&article=5916927
Gassner
G.,
(1995
of
jonger)
Erlebnispädagogik,
http://www.praxis-
jugendarbeit.de/jugendleiter-schulung/erlebnispaedagogik.html
Bold G.J., (2006) Doelgericht Jongerenwerk. In: DichtRbij. Toerustingsdag tiener- en
jongerenwerkers. Reader 2006. http://www.eanl.nl/artikelen/Werkmap%20CD%202006.pdf
Goei
W.
de,
(2004)
Met
God
aan
de
slag…
,
http://gemeenteontwikkeling.vpe.nl//index.php?option=com_content&task=view&id=246&It
emid=47
GJW.nl, (2005/6) Up to you – auf dich kommt es an. http://www.gjw.de/08service/downloads/downloaddateien/texte/uptoyou.pdf
Sport.nl,
(2006)
Gebrek
aan
sport
maakt
jongeren
moe.
http://www.sport.nl/specials/nieuws/home.php3?id=24351&catid=26
TNO Persbericht 2005 – 36 (2005), Slechts 3% van de kinderen in stadwijken beweegt
voldoende,
http://www.tno.nl/tno/actueel/tno_persberichten/2005/slechts_3_van_de_kinderen/index.xml
Vos
van
der
Hoeven
de,
(2002
of
7
jonger),
Een
‘beetje’
te
zwaar,
http://www.opvoedadvies.nl/gewicht.htm.
Wikipedia
(schrijver
onbekend),
(jaar
onbekend)
Kuhn
Hahn,
http://de.wikipedia.org/wiki/Kurt_Hahn
Verder heb ik nog informatie gehaald van de volgende verkoopwebsites over Doelgericht
Jongerenwerk:
http://www.medema.nl/doelgerichtleven/boekenvanwarren.htm
http://www.simplyyouthministry.com/dr/v2/ec_Main.Entry17C?SID=46065&SP=10023&CI
D=0&PID=626231&PN=1&V1=626231&CUR=840&DSP=&PGRP=0&ABCODE=&CAC
HE_ID=0
8
Inleiding.
Deze scriptie heb ik geschreven in het kader van mijn afstuderen aan de Evangelische
Theologische Hogeschool te Ede.
Het onderwerp van deze scriptie is Jungschar ‘een verzameling van jonge mensen’. In de 19de
eeuw werd dit woord voor het eerst gebruikt, in Duitsland, maar ondertussen zijn overal in de
wereld soortgelijke groepen te vinden. Deze groepen hebben nooit gezamenlijk vastgelegd
wat Jungschar is. Jungschar is dan ook een beweging en geen vast omlijnd model.
Een korte definitie van Jungschar:
Kerkelijk kinderwerk voor kinderen tussen de 6 en 13 jaar waarbij kinderen door middel van
ervaringsleren leren als christen te leven, zowel in hun persoonlijke leven als met betrekking
tot hun medemensen.
Tijdens mijn stage in Zwitserland (22 augustus 2005 – 30 januari 2006) kwam ik in aanraking
met een Nederlandse organisatie, stichting De Pioniers Nederland, die Jungschar in Nederland
wil opstarten. Zij zijn daar nu ongeveer twee jaar mee bezig, zonder erin te slagen om
daadwerkelijk een Jungschargroep op te starten. De vraag rees bij mij of het probleem waar
De Pioniers tegenaan loopt misschien zou kunnen zijn, dat Jungschar gewoon niet in de
Nederlandse kerken past.
Omdat onder andere mijn stagebegeleider mij tijdens mijn stage probeerde te overtuigen van
de noodzaak van Jungschar in Nederland, begon bovenstaande vraag mij steeds meer te
interesseren. Toen bleek dat De Pioniers nooit een theoretisch onderzoek naar de
mogelijkheden van Jungschar in Nederland had gedaan, besloot ik daarvan mijn
scriptieonderwerp te maken.
9
Ik ben tot de volgende probleemstelling gekomen:
Jungschar wordt in vele landen op een succesvolle manier uitgevoerd, maar in
Nederland komt het niet van de grond. Past Jungschar wel in Nederlandse kerken? Zo
ja, wat is er dan voor nodig om Jungschar ook in Nederlandse kerken succesvol op te
kunnen zetten?
Het doel van deze scriptie is stichting De Pioniers Nederland een advies te geven over of hun
doel om Jungschar in Nederland op te zetten zinvol is. En wanneer blijkt van wel, op wat voor
een manier dat dan het beste kan gebeuren.
Hiervoor zal ik in het eerste hoofdstuk uiteenzetten wat Jungschar precies is. Hierbij zullen de
ontstaansgeschiedenis, geografische verspreiding, verschillen tussen de verschillende
Jungscharorganisaties, achterliggende principes, bijbehorende methoden en de Bijbelse
fundering aan de orde komen.
In het tweede hoofdstuk zal ik Jungschar analyseren. Hiervoor zal ik de Bijbelse
onderbouwing en de mening van Jungscharorganisaties zelf doornemen. En zal ik Jungschar
leggen naast de ontwikkeling van kinderen en jongeren en naast een aantal modellen waaraan
Jungschar zou moeten voldoen. Hieruit zal blijken wat de succesfactoren, overige sterktes,
zwaktes en valkuilen van Jungschar zijn.
In het derde hoofdstuk analyseer ik Jungschar aan de hand van gesprekken met
overkoepelende kerkelijke organisaties en kerken in Nederland. Uit deze analyse zal blijken
welke aspecten van Jungschar in Nederland passen en welke hoogstwaarschijnlijk problemen
zullen opleveren.
In het vierde hoofdstuk neem ik de conclusies uit het tweede en derde hoofdstuk samen en
concludeer ik of Jungschar in Nederland past. Hieruit zal blijken dat Jungschar niet
onveranderd uit het buitenland naar Nederland overgebracht kan worden. Daarom zal ik in dit
hoofdstuk een aantal aspecten van Jungschar verder doordenken om te onderzoeken of de
problemen te overbruggen zijn of niet.
In het vijfde en laatste hoofdstuk bekijk ik wat de beste plaats voor Jungschar in Nederland
10
zou kunnen zijn en zal ik een concreet advies aan De Pioniers Nederland uitbrengen.
Methodiek.
Om erachter te komen wat Jungschar precies is, heb ik allereerst de websites van alle
Jungscharorganisaties in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland bestudeerd. Daarbij heb ik hen
vragen gesteld en een aantal brochures gelezen. Om een totaalbeeld van Jungschar te krijgen
heb ik een vragenlijst opgesteld, zie bijlage 1, en deze naar alle Jungscharorganisaties
gestuurd. 7 van de 12 organisaties hebben mij hierop geantwoord (=58%).
Om erachter te komen of Jungschar in Nederlandse kerken past heb ik gesprekken gevoerd
met mensen uit verschillende kerkelijke richtingen uit verschillende delen van het land in
zowel dorpen als steden en met bijbehorende overkoepelende organisaties, zie Bijlage 2.
De verdieping van een aantal aspecten van Jungschar, heb ik door middel van een
literatuuronderzoek en gesprekken met professionals gedaan.
Mijn vooronderstellingen.
Zoals ik boven al beschreef, was ik aan het begin van dit onderzoek sceptisch over de
mogelijkheid van Jungschar in Nederland. Dat Jungschar onaangepast in Nederland gebracht
zou kunnen worden en in elke kerk zou kunnen passen, leek mij onmogelijk. Toch was ik me
er van het begin af aan ook al van bewust dat ik me hierin zou kunnen vergissen en bereid om
mijn mening aan te passen.
Zoals ik al beschreef heb ik Jungschar leren kennen in Zwitserland. Dat is de enige vorm van
Jungschar die ik met eigen ogen gezien heb. Hoewel ik heb geprobeerd mijn blik zo ver
mogelijk te verbreden, kan dit desondanks invloed hebben op mijn beeld van Jungschar.
Beperkingen.
Ik heb Jungschar alleen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland bestudeert, omdat het woord
Jungschar alleen in die drie landen gebruikt wordt en het dus alleen daar onomstotelijk
vaststaat, wie Jungschar doet.
11
In bijlage 2 is een overzicht van de gesprekken die ik gevoerd heb en van de locatie van de
kerken waarmee ik gesproken heb. Deze kerken liggen niet gelijkmatig over het land
verdeeld, wat ik eigenlijk wel wilde. Toch denk ik dat het voldoende is om aan de hand van
deze gesprekken algemene conclusies voor Nederland te trekken, vooral omdat ik ook met
veel overkoepelende organisaties gesproken heb.
Alleen mensen die een gesprek met mij nuttig vonden, bijvoorbeeld omdat het eigen
kinderwerk niet goed loopt of omdat zij zich algemeen voor het Nederlandse kerkelijke
kinderwerk interesseren, waren bereid om met mij te spreken. Dat betekent, dat ik niet weet
hoe overige kerken over Jungschar denken.
Ik heb tijdens dit onderzoek vrijwel niets in de praktijk gezien of gedaan. Alleen tijdens mijn
stage in Zwitserland heb ik een aantal ervaringen met Jungschar in de praktijk opgedaan. Mijn
conclusies zijn dus vrijwel uitsluitend op theorie gebaseerd.
Dit onderzoek heb ik geprobeerd zo breed mogelijk aan te pakken om een zo breed mogelijk
advies aan De Pioniers Nederland te kunnen geven. Dit betekent dat ik alleen een algemeen
advies kan geven. Dat maakt mijn conclusies niet minder betrouwbaar, maar dat betekent wel
dat wanneer meer gedetailleerde informatie op een bepaald gebied blijkt, bijvoorbeeld binnen
een bepaalde kerkelijke richting, dan zou dat in een vervolgonderzoek onderzocht moeten
worden.
Mariska Bosschaert
Maarssenbroek, 3 juli 2006
12
Hoofdstuk 1. Wat is Jungschar?
1.1 Inleiding.
In dit hoofdstuk zal ik uiteenzetten wat Jungschar is. Hoewel zowel organisaties als een aantal
kerkelijke stromingen tot deze beweging horen, zal ik voor beide vormen het woord
‘organisatie’ gebruiken.
In 1.2 beschrijf ik de ontstaansgeschiedenis van Jungschar.
In 1.3 behandel ik kort welke organisaties een deel uitmaken van de Jungscharbeweging, waar
deze organisaties gevestigd zijn, hoe breed hun bereik is en of zij tot een wereldwijd verband
behoren.
In 1.4 zet ik uiteen welke principes ten grondslag liggen aan Jungschar en welke methoden
daar bij horen.
In 1.5 ga ik kort in op de verschillen tussen de Jungscharorganisaties.
In 1.6 laat ik zien hoe Jungschar Bijbels gefundeerd wordt.
1.2 Het ontstaan van Jungschar.
Jungschar is een vrij losse beweging, de verschillende organisaties kennen elkaar niet
allemaal en de totale geschiedenis van de beweging is nergens uiteengezet. Onderstaande
geschiedenis heb ik daarom zelf uitgezocht.
De eerste wortels van Jungschar zijn in de 19de eeuw te vinden. Halverwege de 19de eeuw
vonden een aantal Engelse mannen, dat er te weinig gezonde christelijke activiteiten in de
grote stad waren. Zij begonnen in Londen een beweging, die gericht was op Bijbelstudie,
holistisch jeugdwerk en discipelschap. In 1855 werd deze beweging officieel een organisatie,
die YMCA genoemd werd. Vanuit deze organisatie is in Duitsland de Jungscharorganisatie
CVJM en in Zwitserland CEVI ontstaan. In Nederland is het opgezet als CJV, maar heet het
sinds 1995 YMCA Nederland. YMCA is nu over de hele wereld verspreid in meer dan 120
landen, maar hun werk is niet in alle gevallen Jungschar te noemen.
In Duitsland, tijdens de revolutiejaren van 1848, wilden een aantal mensen iets doen tegen de
ontchristelijking die zij in hun samenleving zagen. Zij richtten toen de Evangelische
Gesellschaft für Deutschland op, dat vooral gericht was op evangelisatie en het opleiden van
13
christenen in het christen zijn. EG Deutschland is binnen de landsgrenzen gebleven.
In Portland, Main, in Amerika bekeerden zich iets later in de 19de eeuw een aantal jonge
mensen. Zij vonden dat hun kerken niet levendig genoeg waren en probeerden daar
verandering in aan te brengen. Hun aanpak had succes en zij gingen verschillende kerken
langs om die levendige aanpak verder te verspreiden. Hierdoor ontstond in 1881 de
organisatie Christian Endeavor, dat vooral gericht was op het doen van serieus christelijk
werk in kerken, om christenen aan te sporen een serieus christelijk leven te leiden en het
opleiden van jeugdwerkers. Uit deze organisatie ontstond in 1894 EC Deutschland en in
Nederland in 1923 Eén in Christus. Ondertussen is Christian Endeavor in meer dan 75 landen
verspreid. Hun werk is hoogstwaarschijnlijk wel overal ter wereld Jungschar te noemen.
1.3 De geografische verspreiding van Jungschar.
Omdat CVJM en CEVI, EC Deutschland en CMV tot dezelfde organisaties behoren, tel ik
maar 12 organisaties, terwijl hieronder 14 organisaties beschreven staan.
Organisatie
Opgericht in
Bereik
Internationaal
DUITSLAND
CVJM
Eerste
groepen
260.000 kinderen
’40
YMCA (niet uitsluitend
Jungschar)
van de 19de
eeuw.
Officieel 1882
EC Deutsland (hun 1894
50.000 kinderen
Christian Endeavor
-
Jungschar heet EC
Jugend)
EG Deutschland
1848
103 kerken
FeG Deutschland
1932
>200 Jungschargroepen IFFEC (niet uitsluitend
Jungschar)
BEFG
(hun 1942
Jungschar
heet
30.000 kinderen
14
-
GJW)
In-Aktion
’60
van
de ?
-
20ste eeuw
OOSTENRIJK
’30 20ste eeuw
KJÖ
140.000 kinderen (ook FIMCAP
(niet
in Zuid-Tirol)
uitsluitend Jungschar)
ABJÖ
’90 20ste eeuw
?
-
CMV
?
?
Christian Endeavor
ZWITSERLAND
Jubla
(uit
twee 1932/33,
organisaties:
Jungwacht
25.000 kinderen
-
samenwerking
en sinds ’70
Blauerung)
CEVI
CVJM eerste 169 aangesloten kerken
YMCA (niet uitsluitend
groepen
Jungschar,
in
1851.
in
Nederland ten dele wel)
Officieel 1973
vanuit CVJM
(manen)
en
CVJF
(vrouwen)
EMK
1932
SPM
(hun
(vanuit 2.000
Methodist
het werk van
Churches
CEVI)
uitsluitend Jungschar)
Eerste
67 aangesloten kerken
Jungschar groepen 1907,
heet Youthnet)
United
officieel 1921
(niet
United
Pentacostal
Churches
Intenational
(niet
uitsluitend
Jungschar)
BESJ
1953, officieel Bijna 400 aangesloten
Vanuit BESJ is Juropa
1974
opgestart, zij proberen
Jungschargroepen
Jungschargroepen
15
in
heel
Europa
starten,
op
waaruit
te
De
Pioniers Nederland ook
ontstaan is.
1.4 De achterliggende principes en belangrijkste bijbehorende methoden.
1.4.1 De achterliggende principes.
A. In Jungschar is Jezus de basis.
Eén van de belangrijkste doelen van Jungschar is, dat de kinderen Jezus echt leren kennen en
een relatie met Hem aangaan. Vanuit dat standpunt hoort Jezus de basis te zijn van alles wat
er in Jungschar gebeurt.
De KJÖ was het hier niet helemaal mee eens, omdat de traditie bij hen ook een heel
belangrijke plaats inneemt.
B. Jungschargroepen staan in een netwerk1.
Alle Jungschargroepen zijn een onderdeel van het kinderwerk van een kerk. Hierdoor hebben
ook kinderen van buitenaf directe toegang tot een kerk. Door regelmatig overleg tussen de
Jungscharleiding en de bijbehorende kerk en tussen de Jungscharleiding en de ouders van de
kinderen wordt ervoor gezorgd, dat de kerk, ouders, leiding en groep goed op elkaar
afgestemd zijn om de continuïteit voor kinderen te stimuleren.
Deze kerken worden in hun kinderwerk ondersteund door een overkoepelende
Jungscharorganisatie waarbij zij in hun kinderwerk doorlopend aangesloten zijn. Volgens
BESJ is deze aansluiting vooral belangrijk, omdat ‘het ergens bij horen’ en relatie hebben
belangrijk is voor jonge mensen en een overkoepelende organisatie dat kan bieden. Naast
deze ondersteuning organiseren deze organisaties cursussen voor het Jungscharwerk waarvoor
1 Dit principe heb ik in de vragenlijst als ‘Jungschargroepen horen bij een kerk’ geformuleerd, maar
door opmerkingen van de Jungscharorganisaties zelf, heb ik besloten deze breder te formuleren.
16
aangesloten groepen korting krijgen, starten zij nieuwe groepen op en helpen zij hun groepen
om ook contact met elkaar op te nemen en te onderhouden.
Alleen CVJM zei, dat hoewel zij dat niet zo willen, niet al hun groepen bij een kerk horen.
C. Vanuit de Jungschargroep worden vele kinderen buiten de kerk bereikt.
Evangelisatie is belangrijk in het Jungscharwerk. Daarbij gaat het enerzijds om het
verspreiden van het evangelie en aan de andere kant om de kinderen erin te oefenen om ook
buiten de Jungschargroep om voor hun geloof uit te komen en te proberen om hun vrienden
en vriendinnen naar de Jungschargroep mee te nemen.
D. In Jungschar zijn allen (leiders/medewerkers en kinderen) samen een eenheid.
Omdat geen mens perfect christen kan worden, zijn de kinderen in Jungschar niet degenen,
die alles van hun leiders moeten leren, maar kunnen de leiders op hun beurt ook veel van de
kinderen leren. Vanuit die gedachte zijn de leiders dan ook niet meer dan de kinderen, hoewel
de leiders wel degene met de eindverantwoordelijkheid zijn.
E. In Jungschar staat het kind in het centrum; de leiders/medewerkers proberen het geloof, de
persoonlijkheid en het sociale bewustzijn van het kind te bevorderen.
Omdat christen zijn niet alleen iets cognitief geloven inhoud, maar ook een bepaalde
levensstijl, worden de kinderen naast het Bijbelse onderricht ook begeleid om hun eigen
persoonlijkheid te leren kennen, om zich binnen de groep te gedragen zoals het als christen
hoort en om zich te leren inzetten in hun naaste omgeving en de wijdere wereld.
De KJÖ versterkt dit door hun kinderen echt kritisch naar de maatschappij om hen heen te
leren kijken.
F. In Jungschar worden de kinderen begeleid om binnen en buiten de kerk in alle bereiken
van het leven discipelen van Jezus te worden.
Christen zijn omvat het hele leven. In Jungschar moet duidelijk worden wat het christelijke
17
leven inhoudt en worden de kinderen begeleid om steeds beter te begrijpen hoe ze dat leven
op een juiste manier kunnen leven. Het is niet zo, dat de kinderen allerlei regels en dogma’s
over hen heen gegooid krijgen. Juist vanuit principe D, de eenheid, is het belangrijk, dat de
kinderen en leiding samen zoeken naar hoe het christelijke leven geleefd hoort te worden en
daar dan ook gezamenlijk in groeien.
BEFG en de KJÖ willen de term discipelschap liever niet gebruiken, hoewel hun doelen en
methoden wel hetzelfde zijn als van de overige organisaties. De BEFG wil dit niet omdat hun
groepen zo sterk openstaan voor niet-christenen, dat praten over discipelschap niet van
toepassing is. De KJÖ wil dit niet, omdat zij vinden dat kinderen nog niet ver genoeg in hun
ontwikkeling zijn om over discipelschap te praten.
Iemand van EC Jugend vindt de term begeleiding te zacht uitgedrukt en vulde het aan met: ‘er
worden verschillende programma’s aangeboden.’
G. In Jungschar leren de kinderen, dat er meer is dan computerspelletjes en televisie; in de
natuur ervaren ze Gods schepping pas echt.
De observatie van vele Jungscharorganisaties is dat kinderen steeds meer binnen spelen en
steeds meer achter de computer zitten. Veel Jungscharorganisaties hebben het idee, dat de
kinderen veel meer kunnen leren van wie God is en een veel betekenisvoller leven kunnen
leiden, als ze meer buiten in de natuur zijn.
De KJÖ is hier veel gematigder in. Zij maken ook gebruik van computerspelletjes en films,
zodat de programma’s aansluiten op de leefwereld van de kinderen en de kinderen daardoor in
staat zijn om het geleerde in het dagelijkse leven toe te passen. Toch vinden zij ook, dat het
ervaren van de natuur ‘uit eerste hand’ een extra dimensie aan Jungschar geeft en daarom
gaan zij ook regelmatig met de kinderen naar buiten.
H. In Jungschar hebben kinderen veel lol en worden ze uitgedaagd, zodat ze leren, dat geloof
ook leuk kan zijn en zodat de leiders/medewerkers en kinderen elkaar beter kunnen leren
kennen.
Geloof staat bij veel mensen als saai bekend. In Jungschar is het de bedoeling dat de kinderen
18
snappen, dat dit helemaal niet waar hoeft te zijn. De kinderen moeten echte uitdaging ervaren,
omdat dat de activiteiten pas echt leuk zal maken en omdat de kinderen hun grenzen dan
zullen gaan verleggen en daardoor pas echt kunnen groeien in onder andere hun
persoonlijkheid.
I. De kwaliteit van het Jungscharwerk wordt verhoogd door het opleiden van jonge mensen in
cursussen.
Aan jonge mensen, vanaf ongeveer 13 jaar, wordt om de één of twee jaar cursussen
aangeboden om hen te leren een Jungschargroep te leiden. Aan het begin van het traject zijn
zij minileiders, maar als zij een jaar of 16 zijn kunnen zij leider worden en rond hun 20ste
zouden zij in staat moeten zijn om anderen op te leiden. Deze leeftijden verschillen per
organisatie, maar komen ongeveer hierop neer. Oudere mensen zijn wel welkom, maar krijgen
minder prioriteit als jongeren.
De cursussen vormen de theoretische achtergrond voor het leren omgaan met kinderen, het
maken van een praatje, het zijn van een voorbeeld, zodat kinderen zich daaraan kunnen
spiegelen enz.. Jungschar zelf vormt de praktijk waarin jongeren het geleerde kunnen
gebruiken en hun gaven kunnen leren kennen en inzetten.
De bedoeling van deze cursussen is ten eerste, dat het werk niet door mensen wordt gedaan,
die niet weten wat ze doen. Ten tweede is het de bedoeling, dat de programma’s daardoor
extra goed bij de leeftijd van de kinderen passen, omdat de leiding niet veel ouder is dan zij
zelf. En ten derde de leiding op deze manier zelf ook in het christen zijn groeien.
1.4.2 De belangrijkste bijbehorende methoden.
De methoden, die binnen Jungschar gebruikt worden zijn heel erg divers, dat varieert zelfs per
groep. Om toch een idee te geven van hoe bovenstaande principes ingevuld worden, heb ik
hieronder een lijst gemaakt van de belangrijkste (groepen van) methoden binnen Jungschar,
die elkaar deels overlappen.
19
A. Gemeenschapstijd. (principe D, E en H)
Gemeenschapstijd wordt vooral gebruikt om de band tussen de mensen binnen Jungschar te
bevorderen. Dat heeft ten eerste als bedoeling dat er eenheid in de groep kan ontstaan, ten
tweede dat de kinderen in hun sociale vaardigheden kunnen oefenen en ten derde dat de
leiding steeds meer zicht op de persoonlijkheden van de kinderen kan krijgen om ze
persoonlijk te kunnen begeleiden. Het wordt erg belangrijk gevonden om hier veel aandacht
aan te besteden.
Concreet wordt dit ingevuld met methoden als: ruimte voor spontane gesprekken en spontane
sport en spel activiteiten inplannen, op kamp gaan, acties en projecten uitvoeren, conflicten
constructief oplossen, samen eten en bepaalde opdrachten oplossen, in kleine uitwisselingsen gespreksgroepen werken, theatervormen en rollenspelen. Om de band tussen de
verschillende groepen van dezelfde Jungscharorganisatie ook levend te houden, houden
sommige organisaties ook organisatiebrede Jungschardagen en -kampen.
B. Sportactiviteiten en spelletjes, in- en outdoor. (principe C, D, E, G en H)
Deze methoden worden ingezet om de kinderen veel plezier te bezorgen, om ze uit te dagen
en om thema’s levendig te maken. Volgens de KJÖ is spel zelfs de belangrijkste leermethode
in Jungschar.
Bij de outdoor activiteiten horen onder andere de padvindertechnieken, zoals het kompas
lezen, touwbruggen maken en erover heen lopen, buiten een vuurtje maken en daarop koken.
Maar ook wandelen, uitstapjes, speurtochten en het ontdekken van de natuur door
natuurkundelessen in de praktijk. Bij de indoor activiteiten horen vooral het knutselen,
spelletjes doen en praten in kleine groepjes.
C. Projecten/acties. (principe C, E en F)
Deze methode is ten eerste om het sociale bewustzijn van de kinderen te bevorderen en ten
tweede om de kinderen te leren ook om ook buiten de kerkmuren met hun geloof actief te zijn
en zich niet daarvoor te schamen.
20
Om dit te bereiken worden acties en projecten in de omgeving doorgevoerd, zoals
puinruimen, een sponsorloop voor een bepaald doel of zingen in een bejaardentehuis.
Daarnaast worden er ook projecten en acties voor mensen ver weg gedaan, zoals het
adopteren van een kind uit de derde wereld of geld inzamelen voor derde wereld landen b.v.
door een sponsorloop voor AIDS.
Alle groepen van CVJM hebben via YMCA International één bepaald derde wereldland
geadopteerd, zodat zij hele gerichte projecten en acties kunnen houden en brieven en
tekeningen daarheen kunnen sturen. BEFG heeft een partnerproject met een derde wereldland,
wat heeft geresulteerd in briefwisseling tussen de kinderen en gezamenlijke kampen.
D. Kampen. (principe D, E, G en H)
Het jaarlijkse Jungscharkamp wordt omschreven als het hoogtepunt van het Jungscharjaar.
Kampen worden meestal per groep gehouden, maar soms ook organisatiebreed. Wat de vorm
van een kamp zo bijzonder maakt is, dat mensen elkaar hierbij pas echt leren kennen. Een
kind kan zich in de groep als een goede christen voordoen, terwijl het buiten de groep om toch
heel anders leeft. Op een kamp waar leiding en kinderen elkaar een week lang 24 uur per dag
zien, is dat veel moeilijker te verbergen. Hierom worden de meeste cursussen ook in
kampvorm gegeven.
E. Werken met de Bijbel. (principe A, D en F)
Omdat het belangrijk is, dat de kinderen naast dat zij veel beleven ook cognitief leren wat er
in de Bijbel staat, zijn er verschillende methoden om met de Bijbel te werken:
1. Praatje. Om de kinderen te laten horen wat er in de Bijbel staat.
2. Projecten rond de Bijbel: scènes uitspelen, samen Bijbellezen, een werkje rond de Bijbel
maken enz.
F. Ervaringsleren. (principe A en F)
Deze methode heeft drie redenen. Ten eerste om de kinderen te laten zien, dat geloof te
maken heeft met alles wat je doet. Ten tweede om geestelijke boodschappen op verschillende
21
manieren aan de kinderen duidelijk te maken, zodat ze het veel beter zullen snappen en het
niet saai wordt. En ten derde om moeilijke thema’s op een speelse manier te kunnen
behandelen. Het uiteindelijke doel hiervan is dat de kinderen niet alleen weten hoe het
christelijke leven geleefd moet worden, maar ze ook zelf ervaren wat het betekent om christen
te zijn. Deze methode is gebaseerd op de Erlebnispädogogik van Kurt Hahn1 (geboren in 1886
in Berlijn, vanaf 1933 woonachtig in Schotland). Hij heeft het ervaringsleren zijn uiteindelijke
vorm gegeven, maar de ideeën van Ellen Key en Maria Montessori2 (Montessorischool) zijn
in de ontwikkeling daartoe ook erg belangrijk geweest.
Dit wordt ingevuld door het thema waarover gesproken wordt in sport en spel activiteiten
terug te laten komen.
G. De kinderen mee laten beslissen en steeds meer verantwoordelijkheid geven. (principe D
en E)
Het is de bedoeling dat de kinderen door deze methode zullen snappen, dat ze ook meetellen
en
belangrijk
zijn
en
dat
ze
daardoor
zullen
groeien
in
hun
gaven.
Deze
verantwoordelijkheden worden op de kinderen persoonlijk afgestemd. De leiding houdt altijd
de eindverantwoordelijkheid.
Dit wordt op de volgende manieren ingevuld: kinderen kunnen uit verschillende spelen
kiezen, oudere kinderen krijgen een groepje van jonge kinderen toegewezen, die ze helpen bij
het knutselen en spelen, kinderen mogen spelen uitleggen, een postenloop afmaken, een vuur
aansteken of iets zeggen in gespreksgroepen en bij praatjes.
H. Overleg met de overkoepelende organisatie, de kerk waar de groep bij hoort en de ouders
van de kinderen. (principe B)
Het wordt binnen Jungschar heel belangrijk gevonden om open te zijn over wat er binnen de
groep gebeurt en om feedback te ontvangen van buitenaf, zodat ze zich steeds verder kunnen
1
Wikipedia
(schrijver
onbekend),
(jaar
onbekend)
Kuhn
Hahn,
http://de.wikipedia.org/wiki/Kurt_Hahn
2 Gassner G., (1995 of jonger) Erlebnispädagogik, http://www.praxis-jugendarbeit.de/jugendleiterschulung/erlebnispaedagogik.html
22
verbeteren. Om dat te kunnen bereiken worden bovenstaande contacten door regelmatig
overleg levend gehouden.
I. Evangelisatie. (principe C)
Voor Jungschar is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen Jezus leren kennen.
Evangelisatie gebeurt in Jungschar vrijwel uitsluitend door vriendschapsevangelisatie. De
kinderen worden daarbij aangespoord om hun vriendjes en vriendinnetjes mee nemen naar de
Jungscharactiviteiten. Om de drempel voor buitenstaande kinderen zo laag mogelijk te maken
zijn de activiteiten erg leuk en worden ze niet op zondag gehouden. Meestal is dat dan op
zaterdagmiddag, maar dat is puur traditie en kan dus net zo goed een ander moment zijn.
Daarnaast gaan de groepen regelmatig naar buiten, waardoor zij gezien worden en het voor de
kinderen minder eng zou moeten worden om ervoor uit te komen dat ze bij een kerk horen.
Over vragen en problemen in verband met evangelisatie wordt in de Jungschargroep
gesproken, zodat de kinderen hierin kunnen groeien.
Bij de KJÖ worden de kinderen ook tijdens diaconale acties en projecten, zie methode C,
aangespoord om andere kinderen aan te spreken om mee te komen naar de
Jungscharactiviteiten.
J. Het herkennen van de gaven van de kinderen. (principe E)
Om dit te kunnen bereiken is er veel tijd voor gemeenschap, zie methode A. Daarnaast zijn
het werken in kleine groepen en het opletten als de kinderen spelen, in een musical meedoen
o.i.d. ook heel belangrijk. Binnen de Jungschargroep worden er ook specifiek over
geestesgaven gesproken en worden ervaringen hierover uitgedeeld.
Volgens BESJ en BEFG is het beter om te praten over talenten dan geestesgaven.
23
K. Cursussen. (principe I)
De meeste organisaties hebben een uitgewerkt cursustraject, waarin de jeugd steeds verder
kan leren op de gebieden van kinderen en het Jungscharwerk. In Zwitserland is hierbij ook
een samenwerkingsverband met een sportverband, waardoor de jeugd sportcertificaten kan
halen om sport op een professionele manier in het Jungscharwerk te kunnen toepassen.
Daarnaast hebben vele kerken zelf ook een aantal cursussen, als aanvulling op de cursussen
van de Jungscharorganisatie. Bij BEFG is er daarnaast ook het blad ‘Jungscharhelfer’,
waardoor de jongeren ook steeds meer kunnen bijleren.
L. Discipelschap.
Methoden voor discipelschap verschillen per organisatie.
Voor CVJM zijn goede voorbeelden, gesprekken, praatjes en gebed het belangrijkste.
Maar EC Jugend gebruikt hiervoor juist de volgende methoden: kleine opdrachten en
uitdagingen, vertellen van Bijbelse verhalen, uitleggen wat God van ons wil en regelmatig
Bijbellezen, bijvoorbeeld met een Bijbelleesrooster, bij een gemeente respectievelijk een
christelijke groepering horen en uitkomen voor het geloof, bijvoorbeeld op school en bij
vrienden.
Youtnet heeft voor discipelschap de volgende structuur in de groepen: De hoofdleider coacht
de leiders. De leiders coachen de minileiders. En de minileiders begeleiden de kinderen.
De KJÖ voegt het volgende toe aan de rij van methoden:
N. Het leven in de jaarlijkse feest kring. (principe B en F)
Naar aanleiding van het kerkelijke jaar van de Rooms katholieke kerk wordt er in Jungschar
over verschillende thema’s nagedacht en daarmee gewerkt. Voorbeelden van zulke thema’s
zijn: geboorte, dood, eenzaamheid, vrede, rijkdom, armoede, liefde en leed.
O. Meedoen in de liturgie. (principe B en E)
24
De kinderen mogen bij de KJÖ aan de liturgie meehelpen. Ze mogen dan onder andere helpen
om de liturgie voor de dienst op te stellen en de priester tijdens de dienst te helpen.
1.5 Verschillen tussen de Jungscharorganisaties.
Jungschar is, ondanks dat de verschillende organisaties elkaar nauwelijks tot niet kennen, vrij
eenduidig. De verschillen zitten voornamelijk in de nadruk die de organisaties op bepaalde
principes en methoden leggen. Bij Youthnet wordt er bijvoorbeeld weinig aan sport gedaan,
terwijl dat bij BESJ juist heel belangrijk is. En bij EC Jugend is discipelschap ontzettend
belangrijk, maar BEFG is zo evangelisatiegericht, dat discipelschap volgens hen niet
vanzelfsprekend kan zijn. Groter dan dat zijn de verschillen niet.
1.6 De bijbelse fundering van Jungschar volgens de Jungscharorganisaties1.
Omdat de meeste Jungscharorganisaties maar weinig Bijbelse fundering voor hun werk
aangaven is het meeste afkomstig van de brochure ‘Up to you’ van BEFG.
A. De basis van Jungschar algemeen.
De volgende teksten vormen voor de genoemde organisaties de basis van het Jungscharwerk:
‘Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der
zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan des HEREN wet zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is als een boom, geplant aan
waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij
onderneemt, gelukt.’ Ps. 1:1-3 (Youthnet)
‘opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de
wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.’ Joh 17 :21 (CVJM)
1 De gebruikte teksten komen uit de vertaling van het Nederland Bijbelgenootschap (NBG) uit 1951.
‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders
en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En
25
zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.’ Matt. 28 :19-20a (BESJ)
De leiding en kinderen horen te groeien naar het beeld dat Jezus in de Bergrede schetst en
zoals Paulus de vrucht van de Heilige Geest in Gal. 5:22 beschrijft. ‘Maar de vrucht van de
Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw,
zachtmoedigheid, zelfbeheersing.’ (BEFG)
B. Het omgaan met kinderen.
De manier van omgaan met kinderen wordt ten eerste gebaseerd op de manier zoals Jezus dat
deed, zoals dat beschreven staat in Matt. 18:1-11 en Marc. 10:13-16. In deze perikopen zet
Jezus de kinderen centraal en noemt Hij ze zelfs voorbeelden voor volwassenen.
Ten tweede wordt dit gebaseerd op hoe Jezus in het algemeen met mensen omging. Bij Hem
stond de persoon steeds weer centraal. Bijvoorbeeld in Marc. 10:51 ‘En Jezus antwoordde en
zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? De blinde zeide tot Hem: Rabboeni, dat ik
ziende worde!’ En daarnaast nodigde Hij mensen letterlijk uit voor een leven met Hem,
bijvoorbeeld in Matt. 8:22.
In de Bijbel wordt duidelijk gemaakt, dat kinderen in de gemeente thuishoren, bijvoorbeeld in
Marc. 9:36-37 ‘En Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zeide tot
hen: Wie één van zodanige kinderen ontvangt in mijn naam, die ontvangt Mij. En wie Mij
ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft.’
In Matt. 18:1-11 wordt duidelijk, dat kinderen volledig als volgelingen van Jezus meetellen.
Daarom geldt 1 Kor. 12 over de kerk als het lichaam van Christus ook voor hen. We moeten
de kinderen dus ook helpen om te groeien in hun geestesgaven.
C. Evangelisatie activiteiten.
In de Bijbel wordt duidelijk, dat evangelisatie verder gaat dan alleen het vertellen van de
boodschap. Het moet ook ervaren worden, zoals Jezus in het verhaal van de Barmhartige
Samaritaan, Luc 10, duidelijk maakt. De pijnlijke kanten als ‘maar wie niet gelooft, zal
veroordeeld worden’, Marc. 16:16b mogen daarbij niet weggelaten worden. Daarnaast is het
26
belangrijk dat we bij evangelisatie mondige christenen zijn en dus geen slaven, zie Ef. 4:1115 en Rom. 8:14-15.
D. Het ervaren.
Praktijkervaring is heel belangrijk om iets echt te leren. Dat zien we ook in de Bijbel. Petrus
leerde bijvoorbeeld door zijn ervaring op het water een les over vertrouwen, Matt. 14:25-33.
Daarom is het ook in Jungschar heel belangrijk om met ervaringsleren te werken. Dit gebeurt
aan de ene kant door de hele mens: geest, ziel en lichaam, gelijkmatig aan te spreken, wat
gebaseerd wordt op 1 Kor. 6:19 ‘of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige
Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf
bent?’ En aan de andere kant gebeurt dit door uitdagingen te evalueren en te reflecteren
d.m.v. troost, begeleiding, bemoediging.
E. Natuur
Uit Gen. 1:1-2 blijkt, dat kinderen vertrouwd gemaakt moeten worden met de schepping en de
Schepper. Dat is één van de redenen waarom Jungschar zo graag buiten is.
G. Creativiteit.
‘Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders
gesproken door de profeten’, Hebr. 1:1. Hieruit blijkt dat God creatief is. Ook in het handelen
van Jezus en de Heilige Geest zien we creativiteit. Daarom wil Jungschar ook creatief in haar
werk zijn.
H. Verkondiging.
Het is nodig dat de Bijbelse boodschap uitgelegd wordt. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Hand. 10
waarin Petrus niet aan niet-Joden wil evangeliseren, omdat hij niet begrijpt dat de boodschap
ook voor hen bedoeld is. Daarnaast is verkondiging belangrijk om hoogtepunten, bijvoorbeeld
ervaringen door outdooractiviteiten, een fundament te geven. Anders kunnen deze ervaringen
worden als het verdorde zaad dat in Marc. 4:5-6 op de rotsen beland.
I. Leiders.
27
Het is belangrijk dat bepaalde mensen leiding geven en dat die mensen een voorbeeld zijn. Zo
zien we Paulus van zichzelf getuigen hoe hij door een goed voorbeeld te zijn, het evangelie
doorgaf, 1 Tess. 2:7-12. Het is voor leiders belangrijk om te beseffen, dat ze niet alleen in hun
werk staan, maar de gemeente, Ex. 4:10-13, en God, 1 Kor. 15:58, naast zich hebben staan.
Verder blijkt uit wat Paulus in 2 Tim. 2:2 schrijft, dat het belangrijk is om zelf leiders aan te
trekken en te vermenigvuldigen.
1.7 Samenvatting.
Jungschar is een vorm van kerkelijk kinderwerk, dat uit 19de eeuwse protestbewegingen is
voortgekomen en vooral gericht is op beleving: de kinderen moeten de Bijbelse boodschap
ervaren en daar vanuit een begin kunnen maken om als discipelen van Jezus te leven. Hierbij
zijn
methoden
als
gemeenschap,
de
kinderen
verantwoordelijkheden
geven
en
outdooractiviteiten belangrijk. Daarnaast is Jungschar gericht op de medemens. Dat betekent
dat de kinderen leren zich inzetten voor mensen die het nodig hebben en om mensen om hen
heen over Jezus te vertellen. Hiervoor worden projecten en acties gehouden en worden de
kinderen aangespoord om vriendjes en vriendinnetjes naar de Jungschargroep mee te nemen.
Het woord Jungschar is alleen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland bekent, maar
soortgelijk kinderwerk wordt ook in andere delen van de wereld uitgevoerd. In deze drie
landen zijn er 12 Jungscharorganisaties, maar die kennen elkaar niet allemaal. De verschillen
tussen deze organisaties zijn desondanks erg klein. De afbakening van de leeftijd van de
kinderen binnen Jungschar varieert tussen de verschillende organisaties, maar valt altijd
tussen de 6 en 13 jaar. De Bijbelse fundering komt grotendeels van BEFG en is voornamelijk
gebaseerd op het spreken en handelen van Jezus.
28
Hoofdstuk 2. Analyse van Jungschar I.
2.1 Inleiding.
In dit hoofdstuk zal ik Jungschar analyseren om de succesfactoren, overige sterktes, zwaktes
en valkuilen van het model te ontdekken.
In 2.2 analyseer ik de Bijbelse fundering van het model. Ik doe hiervoor geen uitgebreide
exegese, maar zal ingaan op de meest opvallende zaken.
In 2.3 noem ik de sterktes en zwaktes van Jungschar naar de mening van de
Jungscharorganisaties zelf.
In 2.4 ga ik in op verschillende aspecten van de ontwikkeling van kinderen en jongeren om te
bekijken of Jungschar bij hen past.
In 2.5 analyseer ik Jungschar aan de hand van verschillende modellen op de gebieden:
aantrekkelijkheid, groei, doelgerichtheid en discipelschap.
In 2.6 neem ik alles uit 2.2 tot en met 2.5 samen en trek daar conclusies uit.
2.2 De Bijbelse fundering.
Vrij veel van Jungschar is Bijbels onderbouwd, hoewel het meeste daarvan van BEFG
afkomstig is. Het valt verder op, dat vrijwel alles op het Nieuwe Testament gebaseerd is. De
enige drie teksten uit het Oude Testament, die ik ben tegen gekomen, zijn Spr. 2:3-6, Gen.
1:1-2 en Ps. 1:1-3.
Er zijn meer principes dan methoden onderbouwd. Dat betekent, dat vanuit deze
onderbouwing van veel methoden niet op Bijbelse gronden van gezegd kan worden, dat ze
noodzakelijk zijn.
De principes die niet onderbouwd worden zijn:
A. Misschien lijkt Bijbelse onderbouwing bij Jezus als basis overbodig, maar omdat
Jungschar op buitenstaanders gericht is en omdat de KJÖ het hier niet helemaal mee
eens is, is het toch belangrijk.
B. Bij het staan in een netwerk is alleen de aansluiting bij een kerk onderbouwd.
E. Waarom het sociale bewustzijn ontwikkeld moet worden is niet onderbouwd.
I. Het geven van cursussen en waarom de leiding jong moet zijn is beiden niet
29
onderbouwd.
De methoden, die wel Bijbels onderbouwd worden zijn:
Het praatje
Het ervaringsleren
Het creatieve element van Jungschar
Dat de leiding een voorbeeld moet zijn
Het vermenigvuldigen van de leiders.
Het discipelschapsmodel van Youthnet komt ook duidelijk rechtstreeks vanuit de
manier waarop Jezus met zijn discipelen omging, hoewel zij dit niet genoemd hebben
bij de Bijbelse fundering.
Zoals ik al in de inleiding vermeld heb, heb ik geen uitgebreide exegese van de Bijbelse
fundering gedaan. Maar bij een aantal teksten vraag ik me wel af of die teksten inderdaad op
die manier gebruikt kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is Matt. 18:1-11. Doordat Jezus
de kinderen in deze perikoop helemaal in het centrum zet, concludeert Jungschar, dat de
kinderen volledig meetellen in de kerk en dus dat alles wat er in de Bijbel over volgelingen
van Jezus staat ook op hen van toepassing is. Ik vraag me af in hoeverre dat inderdaad zo te
stellen is of in hoeverre Jezus alleen maar wilde aangeven, dat de kinderen in hun
waardigheid niet minder zijn dan de volwassenen, zonder te zeggen, dat zij daardoor in alles
op gelijke voet met volwassenen gezet kunnen worden.
2.3 Vanuit de Jungscharorganisaties.
Sterke kanten.
De sterkste kanten van Jungschar zien deze organisaties in het ervaringsleren en de
mogelijkheid voor de kinderen om medezeggenschap te krijgen.
Daarnaast worden het in een groep zijn en het missionaire werk ook door verschillende
organisaties als sterke kanten genoemd. De kinderen kunnen zich in de groep met andere
kinderen identificeren en serieus genomen worden in wat ze nodig hebben. Het missionaire
werk wordt als sterke kant gezien, omdat de drempel voor buitenkerkelijken laag ligt, doordat
de activiteiten door de weeks zijn.
30
Op de vraag wat Jungschar anders maakt dan andere vormen van kinderwerk antwoordden de
meeste organisaties, dat Jungschar vanuit het christelijke oogpunt kijkt. Daarna werden het
ervaringsleren en dat het zo goed bij de leeftijd past even vaak genoemd. Opvallend is, dat
ook even vaak genoemd werd, dat Jungschar niet anders zou zijn dan andere vormen van
kinderwerk.
Zwakke kanten.
Het missionaire werk werd het meest als zwakke kant genoemd. Jungschar heeft niet veel
toonbaars voor buitenstaanders, is vaak naar binnengericht en ondanks de veelzijdigheid
kunnen niet alle kinderen bereikt worden. Volgens Youthnet zijn kinderen die van sport
houden daar een voorbeeld van, omdat zij niet veel met sport doen.
Het op één na zwakste punt is volgens deze organisaties, dat Jungschar voor vrijwilligers veel
tijd kost, soms wel 9 uur per week, zie 4.3.7.
De vele wisselingen in de leiding werden daarna als zwakste punt genoemd. Omdat de leiding
vaak nog jong is en zij in hun persoonlijke leven veel verandering meemaken blijven zij vaak
niet lang bij de Jungschargroep. EC Jugend vertelde dat hierdoor veel ouders leiding zijn in
plaats van jongeren.
2.4 De kinderen en jongeren zelf.
De kinderen.
Kinderen ontwikkelen zich sneller door hoge verwachtingen aan hen te stellen, zolang de
methoden maar bij de leeftijd passen. Zo kunnen 8-jarige kinderen als ze hele concrete vragen
krijgen, meer verklaren dan 10-jarige kinderen zonder deze concrete vraagstelling1. Een leraar
van een kleuterklas heeft ooit eens een schoolreisje voorbereid, waarbij zijn klas een groot
deel van de voorbereidingen op zich nam. Het reisje is heel leuk geweest2. Ik zelf heb een
1 Barret M., Childern’s understanding of society. Serie Studies in Development Psychology nr. 10, in:
M. Barret & Eithne Buchanan-Barrow (red) (Hove: Psychology Press, 2005) pp. 49/50
2 Moyles J. Both K. (red.), Laat ze toch spelen. De rol van het spel van jonge kinderen. (Nijkerk:
Uitgeverij Intro)
31
aantal jaren geleden gemerkt, dat mijn zondagsschool groep van 4 en 5 jarigen steeds weer al
twee minuten nadat ik een verhaal verteld had, niet meer wist waarover het ging. Toen zei ik
hen, dat ze tijdens het verhaal goed moesten opletten, omdat ik er een week later een quiz
over zou houden. Meteen na de dienst kwam een meisje me vertellen, dat ze het verhaal nog
steeds wist en ook een week later bleken verschillende kinderen zelfs nog details uit het
verhaal te weten.
In verschillende gesprekken kwam naar voren, dat hoewel het ook voor kinderen onder de 12
jaar belangrijk is om ervaringen op te doen, het verzamelen van cognitieve kennis voor hen
nog belangrijker is. Pas vanaf 12 jaar worden ervaringen belangrijker. Dat betekent dus, dat
ervaringsleren pas na 12 jaar belangrijker wordt dan cognitieve kennis.
Hieruit blijkt dat de kinderen door de medezeggenschap, het ervaringsleren en de hoge
verwachtingen die in Jungschar zitten, zich inderdaad sneller kunnen ontwikkelen, en de
boodschappen die ze meekrijgen, beter kunnen begrijpen. Maar dat er wel een goede
afweging gemaakt moet worden tussen cognitieve kennis en ervaringsleren, die bij de
leeftijdsgroep past.
Bij de meeste Jungscharorganisaties wordt er een sterke nadruk op sport gelegd. Sinds een
aantal jaren neemt het probleem onder kinderen, dat zij te dik worden steeds meer toe en één
van de redenen is, dat ze te weinig sporten2. Daarin zou de Jungschar in deze tijd dus ook een
positieve rol in kunnen spelen.
In Jungschar is het missionaire aspect tweeledig, in de nabije omgeving en in de wijde wereld.
Kinderen denken nog niet abstract en begrijpen ook nog niet veel van nationaliteit3.
Gerichtheid op de derde wereld kan kinderen wel een bepaald besef meegeven dat ze wat voor
arme mensen moeten doen, maar echt begrijpen zullen ze het niet. De projecten en acties in de
nabije omgeving daarentegen zijn veel concreter, dat zullen de kinderen veel beter
1 Vos van der Hoeven de, (2002 of jonger), Een ‘beetje’ te zwaar,
http://www.opvoedadvies.nl/gewicht.htm. En TNO Persbericht 2005 – 36, Slechts 3% van de kinderen
in
stadwijken
beweegt
voldoende,
http://www.tno.nl/tno/actueel/tno_persberichten/2005/slechts_3_van_de_kinderen/index.xml
2 Barret M., Childern’s understanding of society. Serie: Studies in Development Psychology nr. 10,
in: M. Barret & Eithne Buchanan-Barrow (red) (Hove: Psychology Press, 2005) pp. 252-256
3.
(vakgroep
Psychologie
Universiteit
Twente)
(1995)
http://wwwutnws.utwente.nl/utnieuws/data/30/9/oene.html
en
(ANP)
(2002)
http://www.ikkeben.nl/showDetail.asp?TypeId=2&NewsId=590
32
begrijpen. De combinatie hiertussen is heel goed. Door het wereldwijde aspect zullen de
kinderen een sociaal bewustzijn ontwikkelen, dat ze pas later echt zullen begrijpen. Maar door
het omgevingsaspect zullen de kinderen een sociaal bewustzijn ontwikkelen, dat ze wel
kunnen begrijpen en waardoor ze het wereldwijde aspect ook sneller kunnen begrijpen.
Waar ik vraagtekens bij zet is dat al deze organisaties willen dat de kinderen, alles wat ze in
Jungschar leren, in de praktijk gaan gebruiken. Maar tegelijkertijd leggen verschillende
organisaties zoveel nadruk op outdooractiviteiten dat ik me, net als de KJÖ, afvraag in
hoeverre dat werkelijk bij het leven van alledag aansluit.
Het is ook de vraag in hoeverre zo’n nadruk op outdooractiviteiten goed is.
Outdooractiviteiten hebben veel voordelen, zie 4.3.1, maar dat maakt ze niet meteen beter dan
binnenactiviteiten. Daarbij is het de vraag of de negatieve kijk op moderne media
gerechtvaardigd
is.
Zo
blijkt
uit
verschillende
onderzoeken,
dat
niet-agressieve
computerspelletjes op zich geen slechte invloed op kinderen hebben1. De kinderen kunnen
daarbij ook veel leren van computers en computerspelletjes, zo maken kinderen ook huiswerk
op de computer, tekenen zij erop2 en leren zij behendigheid van computerspelletjes. Het is dus
niet nodig om moderne media op zich verkeerd te noemen, maar het is wel goed om de
kinderen ermee te leren omgaan. Bijvoorbeeld over hoelang iemand achter de computer of TV
kan zitten, zonder dat het schade aan de gezondheid brengt. En bijvoorbeeld over webcams,
die de laatste tijd regelmatig in het nieuws geweest zijn, omdat daarmee op grote schaal
misbruik van kinderen wordt gemaakt.
De jongeren.
De Jungscharorganisaties willen hun leiding zo jong mogelijk houden, omdat zij nog heel
dichtbij de leefwereld van de kinderen zouden staan. Aan de ene kant denk ik dat dit een goed
idee is. De meeste jongeren staan met hun leefwereld dichterbij kinderen dan volwassenen.
Hun inbreng kan dan erg waardevol zijn. Daarbij hebben ze het nodig om hun weg te vinden2
en als ze hun talenten in Jungschar kunnen inzetten, dan kan hen dat helpen om hun
adolescentie goed door te komen. Maar aan de andere kant is de adolescentie ook een periode
1 Polet S. Sikkema (red.) Jongeren 2003. Niets willen missen. (Amsterdam: Orius, 2003) p. 42
2 Wit J. de, Psychologie van de adolescentie (Baarn: HBuitgevers, 2002, 22ste druk) pp. 21-24
33
van experimenteren, van kritisch kijken naar dingen die eerst zo normaal waren en van vele
veranderingen waardoor vele adolescenten erg onzeker zijn en bijvoorbeeld sterk kunnen
worstelen met het christelijke geloof. Dit is een proces dat jongeren nodig hebben om zich te
kunnen ontwikkelen tot volwassenen. Youthnet vertelde, dat een slecht voorbeeld een
negatieve invloed op kinderen kan hebben. De vraag is dan of jongeren, die al vroeg veel
verantwoordelijkheid krijgen, hierdoor niet belemmerd worden in hun groei naar
volwassenheid.
Verder is de nadruk op sport ook erg goed voor de jongeren. Onderzoek van het Universitair
Medisch Centrum te Utrecht in Juni 20061 heeft uitgewezen, dat jongeren de laatste jaren
steeds meer moe zijn, wat invloed heeft op allerlei aspecten van hun leven, zoals extra
schoolverzuim en een grotere kans op de ziekte Myalgische Encephalomyelitis (ME). Dit
schijnt onder andere te komen, doordat jongeren weinig sporten.
2.5 Verschillende modellen.
Ik analyseer Jungschar aan de hand van verschillende modellen van gebieden waaraan
Jungschar zou moeten voldoen. Deze gebieden zijn: aantrekkelijkheid, groei, doelgerichtheid
en discipelschap.
Ik heb voor onderstaande modellen gekozen, omdat zij via school, Internet en andere boeken
verschillende malen genoemd werden als goede modellen. Het model, dat R. Coleman
beschrijft is een veel voorkomend model. Hoewel ik zijn boek niet vaak ben tegengekomen,
leek het me hierom niet uitmaken welk boek ik precies zou gebruiken.
Een aantal van deze modellen zijn in de eerste instantie geschreven voor gemeenten, maar
omdat Jungschar kerk met kinderen wil zijn, moeten zij ook op Jungschar toegepast kunnen
worden.
1
Sport.nl,
Gebrek
aan
sport
maakt
jongeren
http://www.sport.nl/specials/nieuws/home.php3?id=24351&catid=26
34
moe.
(2006)
2.5.1 Aantrekkelijk zijn.
De aantrekkelijkheid analyseer ik, omdat de Jungscharorganisaties beweren, dat Jungschar erg
aantrekkelijk is. En omdat daar ook veel belang bij is, doordat de gemeenschap zo belangrijk
is en de evangelisatie erop gebouwd is. Dit doe ik aan de hand van het boek van J.J. Hendriks
‘Een vitale en aantrekkelijke gemeente’ waarin hij beschrijft hoe een gemeente aantrekkelijk
kan zijn.
Goede aspecten voor aantrekkelijkheid.
De kinderen staan centraal, mogen meebeslissen en krijgen verantwoordelijkheid. Er heerst
een echt wij-gevoel door de rituelen en uitdagende activiteiten in Jungschar. Daarnaast is de
leiding erg enthousiast, omdat ze nog erg jong is en weet ze goed wat doet, omdat ze
cursussen kan volgen. Verder wordt er hard gewerkt aan stabiele relaties door veel
gemeenschap, Jungschardagen bij een aantal organisaties en communicatie tussen de groep en
andere mensen (ouders, kerk en overkoepelende organisatie).
De drie principes van Pieper (openheid, zelfopoffering en directheid ) moeten volgens
Hendriks aanwezig zijn in een aantrekkelijke gemeente. In Jungschar ligt daar in de
gemeenschapstijd veel nadruk op.
Minder goede aspecten voor aantrekkelijkheid.
Ik ben niet tegengekomen, dat leiding en kinderen elkaar ook buiten de Jungschargroep om
ontmoeten.
Daarnaast stemmen de Jungscharorganisaties wel in de door mij geformuleerde principes toe,
terwijl een aantal van hen later zeggen, dat bijvoorbeeld discipelschap niet haalbaar is. Zij
hebben dus een aantal doelen, die voor hen te hoog gegrepen zijn.
De Jungscharorganisaties willen alle kinderen in hun land bereiken, dat betekent dat zij niet
doelgroep bewust zijn.
35
2.5.2 Groei.
Het is in Jungschar erg belangrijk, dat de groepen aan evangelisatie doen en groeien. Of
Jungschar daartoe in staat is analyseer aan de hand van drie modellen, die allemaal op een
andere manier naar groei kijken.
Het boek ‘Re:visie’ van S. van der Heijden laat zien hoe een jeugdgroep zo georganiseerd kan
worden, dat er groei kan plaatsvinden door goede programma’s en door de jongeren zelf de
juiste plaats te geven. Het boek ‘Natuurlijke gemeenteontwikkeling’ van A. Schwarz
beschrijft hoe groei kan plaatsvinden door de gemeente zo te structureren, dat alle procedures
in de gemeente automatisch plaatsvinden. En het boek ‘Gemeentegroei compleet’ van A. Krol
beschrijft hoe groei kan plaatsvinden door middel van de juiste structuren en
beleidsontwerpen binnen een gemeente.
Omdat deze modellen veel overeenkomsten hebben, maak ik daar in de eerste instantie geen
onderscheid tussen, maar zal ik na de zwaktes kort op de verschillen ingaan.
Goede aspecten voor groei.
Jungschar vindt het heel belangrijk om geloof en plezier met elkaar te verbinden. Er is een
grote nadruk op relaties en Jungschar sluit volgens de ondervraagde organisaties sterk aan bij
de leefwereld van de kinderen. Daarnaast is er veel ruimte voor meningsvorming en wordt het
christelijke geloof met zijn relevantie aan het dagelijkse leven gekoppeld. Het is een streven
om de kinderen gavengericht in te zetten En Jungschargroepen staan in een netwerk,
waardoor zij extra gemakkelijk toegang hebben tot goede ideeën, materialen en cursussen.
De structuren die er zijn, komen op mij erg duidelijk en doelmatig over. Op de websites en
door wat ik in Zwitserland gezien heb wordt duidelijk, dat de kinderen de activiteiten
ontzettend leuk vinden. Een aantal Jungscharorganisaties hebben kringen voor kinderen. De
overkoepelende organisaties hebben duidelijke visies. En bij verschillende organisaties, zoals
Youthnet, is er ook sprake van een duidelijke zorgstructuur.
Leiders worden binnen Jungschar getraind en het is voor de organisaties belangrijk dat de
leiding een hartstochtelijk geloofsleven heeft. Er wordt bij de leiding dan ook ruime aandacht
36
besteed aan hun eigen ontwikkeling.
Minder goede aspecten voor groei.
De cursussen worden door lang niet alle leiding bezocht, bij de KJÖ volgt maar 50% van de
leiding cursussen, een getal dat zij overigens erg hoog vinden. De hoofdleider heeft vaak
alleen de eindverantwoordelijkheid, wat groei kan belemmeren. En buiten de activiteiten om
hebben mensen van Jungschar weinig aandacht voor elkaar.
Jungscharorganisaties vinden verschillende doelen van Jungschar te hoog gegrepen, zoals
discipelschap en het gavengericht inzetten van de kinderen, en hebben daarom geen structuren
op die gebieden ontwikkeld. Kerken die deze doelen toch willen halen zullen daar dan zelf
een uitweg uit moeten zoeken. Dit kan de kwaliteit van het Jungscharwerk verlagen.
De lage leeftijd van de leiding maakt het extra moeilijk om de kinderen gavengericht in te
zetten, omdat zij vaak zelf nog bezig is om haar gaven te ontdekken. De lage leeftijd van de
leiding heeft verder tot nadeel, dat zij in een geloofscrisis terecht kan komen en een slecht
voorbeeld voor de kinderen kan zijn.
De jongeren krijgen globaal gezien allemaal dezelfde taak, terwijl indeling naar taken in
verband met hun gaven veel beter voor de groei van Jungschar zou zijn. In dit opzicht vind ik
het vreemd, dat de cursussen alleen gericht zijn op jongeren, die affiniteit met kinderwerk
hebben. Kinderen die gaven op andere gebieden hebben, hebben na Jungschar geen
vervolgtraject meer.
Er is bij de meeste organisaties ook maar één model van evangelisatie, namelijk
vriendschapsevangelisatie. Dat is niet behoeftegericht naar buiten toe en ook voor de kinderen
is er hierdoor maar één manier om te evangeliseren. BEFG vormt hierop een uitzondering,
omdat zij ook diaconale projecten als evangelisatiemiddel gebruiken, zie methode C bij 1.4.2.
Er wordt wel gedeeltelijk gewerkt aan het omzetten van energie doordat de kinderen ook
verantwoordelijkheden krijgen. Maar dit principe vindt nog lang niet genoeg plaats, aangezien
Jungschar erg veel tijd kost, zie 4.3.7.
37
Valkuilen.
Verschillende Jungscharorganisaties gaven aan, dat de Bijbel en het geloof bij sommige
groepen niet altijd centraal staan. Over hoe leuk de programma’s zijn heb ik veel gelezen,
maar bijvoorbeeld over het belang van gebed veel minder. Een valkuil is dan, dat er zoveel
nadruk op het maken van goede programma’s wordt gelegd, dat de kracht van Jungschar
eerder bij de uitvoerenden dan bij God wordt gelegd.
Jungscharorganisaties denken hun visies goed uit en proberen deze op de groepen over te
brengen. Zo helpt een jaarthema, die sommige organisaties organisatiebreed verspreiden, om
een visie voor een heel jaar te ontwikkelen. Maar de kans bestaat hierdoor, dat groepen deze
visies en thema’s klakkeloos overnemen, zonder dat zij er zelf over nadenken en aanpassen
aan hun groep.
Doordat er veel structuur in Jungschar is vraag ik me af of ze soms niet te gestructureerd zijn
en dat dat één van de redenen is waarom Jungschar zo ontzettend veel tijd kost, zie 4.3.7.
De modellen apart.
De meeste sterke kanten komen uit het model van S. Van der Heijden. Minder goed kwam
Jungschar naar voren uit het model van A. Schwarz. Uit het model van A. Krol kwam
Jungschar zelfs vrij slecht naar voren. Dit betekent, dat Jungschar op het gebied van goede
programma’s en het omgaan met mensen duidelijk in staat is om te groeien. En dat groei door
processen automatisch plaats te laten vinden ook mogelijk is. Maar dat de huidige structuren
en beleidsontwerpen groei van de Jungschargroepen eerder zullen belemmeren, dan
bevorderen.
2.5.3 Doelgerichtheid.
Tijdens mijn stage in Zwitserland leek Jungschar me in de eerste instantie ontzettend
doelgericht. Maar toen ik daar wat langer naar keek, kreeg ik daar toch twijfels over. Omdat
doelgerichtheid heel belangrijk is om iets te bereiken, wil ik dit ook analyseren. Dit doe ik aan
de hand van het boek ‘Doelgericht jongerenwerk’ van D. Fields.
38
Goede aspecten voor doelgerichtheid.
Overleg tussen de leiding en de ouders wordt erg belangrijk gevonden om continuïteit thuis en
Jungschar te waarborgen. Leiders worden gezocht en toegerust. En er wordt door de leiding
zelf ook tijd genomen om samen te praten, waardoor zij hun problemen ook kwijt kunnen. In
die zin wordt er goed voor elkaar gezorgd. De programma’s sluiten goed aan bij de kinderen
die komen.
De doelen en waarden die voor Jungschar gesteld zijn, zijn heel duidelijk. Het was dan ook
niet moeilijk om de principes van Jungschar te formuleren. De doelen en waarden komen
terug in cursussen, in gesprekken tussen de leiding en in gesprekken tussen de leiding en de
kinderen.
Minder goede aspecten voor doelgerichtheid.
Verschillende doelen in Jungschar lijken te hoog gegrepen, Jungschar is niet doelgroepbewust
en de cursussen worden door lang niet alle jongeren bezocht, zie voor dit alles 2.5.2.
Verder heb ik ook nergens gezien of gelezen dat in tekeningen of diagrammen bijgehouden
wordt hoe de kinderen in het kinderwerk en later het jeugdwerk doorgroeien. Bij BESJ is er
een gelijksoortig model voor oudere kinderen, maar bij andere organisaties ben ik dat niet
tegengekomen.
Omdat de jongeren soms teveel verantwoordelijkheid en teveel activiteiten krijgen, wordt er
wat dat betreft niet goed voor hen gezorgd.
De evangelisatie en discipelschap schijnen bij veel groepen in de praktijk niet goed te werken.
Bij discipelschap hangt het ervan af of de organisatie denkt dat het mogelijk is of niet.
Aanbidding is naar de achtergrond gedrukt, omdat de meeste aandacht uitgaat naar de
kinderen zelf, hun ontwikkeling en de programma’s en niet naar de directe gerichtheid op God.
Dit alles zorgt ervoor, dat Jungschar niet aan alle vijf basiswaarden, waaraan een jeugdgroep
zou moeten voldoen, voldoet, waardoor het evenwicht in de groep verstoord raakt. De andere
twee basiswaarden, gemeenschap en de bediening werken wel goed.
39
Valkuilen.
Ook aan de hand van dit model blijkt dat de kans dat er meer vertrouwd wordt op de
programma’s dan op Gods kracht, een valkuil te zijn, zie paragraaf 2.5.2.
2.5.4
Discipelschap.
Omdat discipelschap in Jungschar erg belangrijk is, analyseer ik hoe goed dat ontwikkeld is
aan de hand van de modellen van R. Coleman in ‘The Masterplan of Evangelism’ en P.
Hopkins en L. West in ‘The D-Factor’.
Coleman onderscheid naar het voorbeeld van Jezus 8 stappen in discipelschap: selecteren,
associëren, toewijding, overgave, demonstratie, delegeren, supervisie en reproductie. Het
model van Hopkins en West is een praktische uitwerking van wat op hetzelfde neerkomt in de
vorm van kinderkringen geleid door jongeren.
Youthnet heeft een duidelijke structuur voor discipelschap, dat met bovenstaande modellen
overeenkomt, hoewel Hopkins en West voorstellen om dit buiten de vaste activiteiten om te
doen en dat bij Youthnet niet gebeurd. BESJ, EC Jugend en CVJM gebruiken wel het woord
kringen, maar zij verbinden dit niet direct aan discipelschap.
Een aantal organisaties hield discipelschap bij de concrete vraag, zie bijlage 1, voor te hoog
gegrepen of vonden dat daar beter andere woorden voor gebruikt konden worden, terwijl zij
daar bij de principes geen reactie op gaven. Met andere woorden, de Jungscharorganisaties
willen wel graag discipelschap in hun werk, maar omdat het woord hen erg hoog gegrepen
klinkt, zijn hier weinig structuren voor en vindt het in de praktijk maar mondjesmaat expliciet
plaats. Terwijl het bij Youthnet, waar er wel in geloofd wordt en er ook structuren voor zijn,
juist wel goed werkt.
40
2.6 Conclusie
Uit de woorden van de Jungscharorganisaties en bovenstaande analyse blijkt het volgende.
De succesfactoren van Jungschar zijn:
1. Het centraal staan van de kinderen. Het kind zelf staat centraal, de kinderen hebben
medezeggenschap, er wordt veel van de kinderen verwacht en de kinderen kunnen
gavengericht ingezet worden.
2. De leiding. Jonge leiding heeft veel voordelen. Zij staan dichtbij de leefwereld van de
kinderen, zijn erg enthousiast en krijgen in de Jungschargroep ruimte om zichzelf te
ontwikkelen. Er wordt ook actief naar leiding gezocht en het is belangrijk, dat de leiding zelf
een hartstochtelijk geloofsleven heeft.
3. De gemeenschap. Van het groepsproces kunnen kinderen veel leren, wat ook gestimuleerd
wordt. Er is persoonlijke aandacht voor kinderen, doordat ze in kringen of kleine groepen
werken. En plezier hebben wordt ontzettend belangrijk gevonden.
Overige belangrijke sterktes zijn:
De Jungscharorganisaties weten goed wat ze willen bereiken.
Het ervaringsleren.
Het geloof en dagelijks leven met elkaar verbinden.
Het cursustraject.
Het staan in een netwerk en het regelmatige overleg binnen dat netwerk.
De sport.
De gerichtheid op missionairwerk doordat de activiteiten niet op zondag zijn en
doordat er een combinatie is tussen het wereldwijde en nabije aspect.
De grootste zwaktes zijn:
1. Het verschil tussen wat de Jungscharorganisaties theoretisch willen en de praktijk
ervan. Een aantal doelstellingen van Jungschar werken bij verschillende organisaties
niet, omdat zij denken dat ze in werkelijkheid niet haalbaar zijn. Terwijl deze bij
organisaties, die er wel in geloven, wel gehaald worden.
2. De structuren. Naast het gemis van structuur op bepaalde gebieden van Jungschar,
kost Jungschar de jongeren erg veel tijd. Daarbij wordt er niet bijgehouden hoe de
kinderen doorgroeien in het kinder- en jeugdwerk en is er steeds maar één hoofdleider.
41
Verder zijn de cursussen alleen op jongeren die affiniteit met kinderwerk hebben
gericht, waardoor de ontwikkeling van jongeren met andere affiniteiten minder goed
zal worden bevorderd.
3. Jonge leiding. Doordat de leiding nog erg jong is, is er veel wisseling bij de leiding,
kunnen de jongeren geremd worden in hun ontwikkeling en een slecht voorbeeld voor
de kinderen zijn.
Overige belangrijke zwaktes zijn:
De gavengerichtheid werkt in de praktijk niet goed.
De evangelisatie werkt in de praktijk niet goed.
De leiding en jongeren zien elkaar niet buiten de Jungschargroep om.
Jungschar is niet doelgroepbewust.
Lang niet alle jongeren volgen de cursussen.
Door de achtergesteldheid van de aanbidding, evangelisatie en discipelschap
zijn de vijf basiswaarden van D. Fields niet in evenwicht met elkaar.
Doordat Jungschar erg veel tijd kost wordt het principe van A. Schwarz,
waardoor processen automatisch gaan verlopen, verstoord.
Mogelijke valkuilen zijn:
Het vertrouwen op de kracht van God kan overschaduwd worden door de
nadruk op het maken van goede programma’s.
De groepen kunnen de doelen van de Jungscharorganisaties gemakkelijk
overnemen, zonder eigen visies en doelen te stellen.
Groepen kunnen te sterk gestructureerd zijn.
2.7 Samenvatting.
De principes van Jungschar worden voor het grootste deel wel Bijbels onderbouwd. Dat geldt
minder voor de methoden. De Bijbelse basis is voornamelijk gebaseerd op teksten uit het
Nieuwe Testament. Bij een aantal teksten betwijfel ik sterk of zij werkelijk op de manier
gebruikt kunnen worden, zoals dat gebeurd.
Na de analyse van Jungschar door middel van de woorden van de Jungscharorganisaties zelf,
de ontwikkeling van kinderen en jongeren en een aantal modellen op de gebieden
42
aantrekkelijkheid, doelmatigheid, groei en discipelschap te bekijken, blijkt dat de sterktes van
Jungschar vooral zitten in het centraal stellen van de kinderen, de leiding zelf en de nadruk op
gemeenschap.
De zwakke kanten zitten voornamelijk in het verschil tussen theorie en praktijk, het gemis van
structuren op diverse terreinen van Jungschar en dat de leiding vaak nog erg jong is.
Verder moet erop gelet worden dat er niet meer vertrouwd wordt op de programma’s dan op
de kracht van God, dat de groepen wel hun eigen visies en doelen stellen en dat de groepen
niet te sterk gestructureerd zijn.
43
Hoofdstuk 3. Analyse van Jungschar II. Aan de hand van de gesprekken.
3.1 Inleiding.
In dit hoofdstuk analyseer ik of Jungschar, volgens kerken uit verschillende geloofsrichtingen
uit verschillende delen van het land en bijbehorende overkoepelende organisaties, in
Nederland past. Wie ik precies gesproken heb, is te zien in bijlage 2.
In 3.2 bespreek ik hoe er in Nederland op de principes gereageerd werd.
In 3.3 bespreek ik hoe er in Nederland op de methoden gereageerd werd.
In 3.4 bespreek ik of de succesfactoren van Jungschar in Nederland passen.
In 3.5 bespreek ik of de overige sterktes in Nederland passen.
In 3.6 bespreek ik of de zwaktes ook in Nederland een probleem zouden kunnen vormen.
In 3.7 bespreek ik of de valkuilen ook in Nederland een probleem zouden kunnen vormen.
In 3.8 zet ik op een rijtje wat volgens de Nederlandse overkoepelende organisaties en kerken
op het eerste gezicht de grootste sterktes en zwaktes van Jungschar zijn.
3.2 De principes.
A. In Jungschar is Jezus de basis.
De meeste kerken konden zich hier goed in vinden. Alleen de Studentenkerk vond het te
kortaf, omdat het Oude Testament ook belangrijk is. Hoewel dit principe breed wordt
onderstreept, denk ik dat het toch verstandig is om ‘Jezus’ door ‘evangelie’ te vervangen,
zodat niet alleen Jezus zelf, maar ook de lijn vanuit het Oude Testament en de Vader en
Heilige Geest tot de basis van Jungschar horen. Zo zullen nog meer kerken dit principe
onderstrepen.
B. Jungschargroepen staan in een netwerk.
Dit principe wordt met betrekking tot de kerk erg goed gevonden, juist omdat de kinderen dan
een plek in een kerk kunnen vinden en omdat het dan duidelijk is wie verantwoordelijk is
voor de uitvoering van de activiteiten. Maar met betrekking tot doorlopende aansluiting aan
De Pioniers zijn mensen minder enthousiast. Nederlandse kerken denken erg individueel en
kopen liever materiaal bij een organisatie, dan dat ze zich aansluiten. Ook overkoepelende
44
organisaties merken dit met toenemende mate. Maar volgens BESJ is het vertrouwen dat
mensen in hen hebben ook door de jaren heen gegroeid, dus ook BESJ heeft haar nut ooit
moeten bewijzen.
Bij de Oud Katholieke kerk is het nog wat moeilijker. Na hun ontstaan moesten zij zich
verschuilen voor de Rooms Katholieke kerk en deze schuilkelder mentaliteit is nog steeds bij
hen merkbaar. Ze zijn bang om met een organisatie in zee te gaan en daarbij door hun geringe
aantal te verdwijnen. Daarbij willen zij hun eigen identiteit in al hun programma’s en
materialen verwerken.
C. Vanuit Jungschargroep worden vele kinderen buiten de kerk bereikt.
De evangelisatie bij het kinderwerk in Nederlandse kerken vindt vrijwel uitsluitend door
vriendschapsevangelisatie tijdens kampen plaats. Verschillende kerken hopen dat dit ook bij
de zondagsschool gaat werken, maar dat gebeurt nog heel weinig. Ook de overkoepelende
organisaties stimuleren hun kerken om meer evangelisatiegericht te zijn. Stichting Ezra vindt
de zondagsschool niet als evangelisatiemiddel geschikt, omdat zij eens gezien hebben, dat een
programma over de doop in de Heilige Geest een kind afgeschrikt heeft. Jungschar zou
volgens hen een goed alternatief zijn. 2/3 van de kinderen bij de Royal Rangers in Schinnen
komen van buitenaf, hun model, dat de vorm heeft van kerkelijke padvinderij, werkt dus wel
sterk evangeliserend.
Rooms Katholieke kerken gebruiken het woord ‘evangelisatie’ liever niet, omdat er negatieve
associaties mee zijn, maar hebben niets tegen evangelisatie op zich. De Oud Katholieke
kerken zijn daarentegen erg naar binnen gericht en denken pas sinds kort voorzichtig over
groei na.
Er wordt op zich positief op dit principe gereageerd, maar een vraag die regelmatig naar vorig
kwam is hoe een kerk activiteiten buiten de zondag om kan organiseren. Vooral
regiogemeenten zien het niet gebeuren, dat ouders bereid zijn om hun kinderen regelmatig
door de weeks naar de kerk te brengen, omdat zij erg druk zijn. Oud Katholieke kerken zijn
erg klein en hebben soms maar 3 of 4 kinderen in één kerk. Als er dan een leuke activiteit
gehouden wordt, willen ze dat liever regionaal doen. Maar er zijn erg weinig Oud Katholieke
kerken in Nederland. Het gevolg daarvan is dat ouders hun kinderen voor een activiteit soms
45
van Deventer naar Hilversum moeten rijden. En dat willen ze niet elke week doen. Binnen
deze kerken wordt gezocht naar oplossingen hiervoor, bijvoorbeeld het organiseren van
oecumenische activiteiten.
Volgens stichting Ezra kan dit principe alleen werken als Jungschar wijkgericht is en werkt
met kinderen vanaf 8 jaar, omdat die dan zelf naar de kerk kunnen komen en dit voor de
ouders geen belasting vormt.
D. In Jungschar zijn allen (leiders/medewerkers en kinderen) samen een eenheid.
Dit principe vinden kerken op zich goed, maar het lijkt ze niet uitvoerbaar. Dit hangt samen
met het vorige punt, dat verschillende kerken het zich praktisch niet kunnen voorstellen om
door de weekse kinderactiviteiten te organiseren. En als de kinderen elkaar alleen tijdens de
zondagsschool of kindernevendienst zien, die vaak maar een uur of zelf korter duurt, dan lijkt
het onmogelijk om echte eenheid in de groep te vormen. Ongeveer 80% van de Rooms
katholieke kerken hebben zelfs niet meer kinderwerk dan 2 keer ongeveer 7 maanden lang ( 1
keer bij het vormsel en 1 keer bij de communie). Jongerenwerk hebben zij vaak helemaal niet.
Opvallend is, dat eenheid over het algemeen veel meer aanwezig is bij jeugd- als bij
kinderwerk. Dat komt omdat kerken denken, dat de behoefde hieraan bij jongeren veel hoger
ligt dan bij kinderen, omdat kinderen al veel bescherming en eenheid op school krijgen.
Alleen Filadelphia is hier wel actief mee bezig, zij hebben een logboek waarin elke week iets
over de kinderen wordt opgeschreven, zodat de voortgang van elk kind voor de leiding en
ouders te zien is.
De overkoepelende organisaties proberen eenheid binnen de groepen te promoten, waarbij de
HGJB daar de meeste methoden voor heeft en het LDC PKN dit in de toekomst door een
coachingmodel meer wil gaan uitbreiden.
E. In Jungschar staat het kind in het centrum; de leiders/medewerkers proberen het geloof, de
persoonlijkheid en het sociale bewustzijn van het kind te bevorderen.
Geloofsoverdracht gebeurt in alle kerken en de meesten proberen dit op een creatieve manier
46
te doen. Bisdom Utrecht geeft twee geloofskoffers uit voor gebruik thuis, omdat er binnen de
kerk vrijwel niets voor kinderen wordt gedaan, zie principe D hierboven.
Aan de persoonlijkheid wordt in kerken weinig gedaan. Alleen de gereformeerde kerk in
Terneuzen gaf aan hier bij speciale dagen wel eens wat mee te doen. Door kinderen die elkaar
niet kennen tijdens een puzzeltocht bij elkaar in de groep te zetten zodat ze elkaar in een korte
tijd moeten leren kennen zodat ze snel samen plezier kunnen maken. Maar omdat de scholen
hier veel meer mogelijkheden hebben, vinden de meeste kerken en organisaties, dat die daar
verantwoordelijk voor zijn.
Er wordt ook weinig gedaan om de kinderen een sociaal bewustzijn aan te leren. Er zijn wel
zendingsprojecten, maar daar worden de kinderen meestal niet sterk bij betrokken. Alleen
Filadephia vormt hier een uitzondering op en merkt ook, dat de kinderen daar positief op
reageren bijvoorbeeld door thuis spontaan voor zendelingen te bidden.
Diaconaal werk wordt niet veel door kerken gedaan en in het kinderwerk nog veel minder.
Het LDC PKN geeft wel het blad KIOSK uit waarin ideeën staan om activiteiten in de
omgeving te doen. De Ark doet dit door kinderen mee te nemen bij hun werk in een
asielzoekerscentrum, maar de kinderen blijven hierbij wel passief. Hun kinderen zijn wel
actief bij het maken van kaarten en leuke cadeau’s voor pakketjes die onder de armsten
worden uitgedeeld. De Gereformeerde Kerk in Terneuzen is van plan om met Pasen een actie
te doen in een nabij gelegen ziekenhuis.
Volgens stichting Ezra zijn zulke acties jarenlang niet nodig geweest, omdat de
verzorgingsstaat zo goed geregeld was. Met de bezuinigingen van de laatste jaren zal dat
volgens hen veranderen en zullen kerken weer actiever worden. Volgens de NBJB is het bij
Baptisten gemeenten een probleem, dat de meeste kerken regiogemeenten zijn en het dan
moeilijk is om contact met de omgeving te krijgen. De CGJO zegt geen geld en tijd te hebben
voor diaconale acties.
F. In Jungschar worden de kinderen begeleid om binnen en buiten de kerk in alle bereiken
van het leven discipelen van Jezus te worden.
Veel kerken vinden, dat hierin geen taak voor hen ligt. In de eerste plaats zijn ouders
47
verantwoordelijk voor de geloofsopvoeding van hun kinderen en in de tweede plaats de
scholen. De kerken die hier wel een opdracht in zien, proberen hun kinderen soms bij de
activiteiten en in de dienst gavengericht in te zetten. Maar vaak is dit voor Pinkstergemeenten
gemakkelijker dan voor reformatorische kerken, omdat er bij Pinkstergemeenten bijvoorbeeld
meer instrumenten gebruikt worden. Binnen de Rooms katholieke kerk zijn er verschillende
bewegingen die meer aan discipelschap werken, maar dat is nog in opkomst. Zij zijn erg
enthousiast over Jungschar.
Overkoepelende organisaties vinden ook, dat de kerk hier een opdracht heeft, hoewel zij ook
vinden, dat de verantwoordelijkheid van de school en ouders groter is. De Oud Katholieke
kerk is ook op het moment druk bezig hun kinderwerk opnieuw te doordenken, toch gaat dat
niet de kant van discipelschap op, omdat de mensen in hun geloof erg naar binnen gericht
zijn. Er is ook niet veel aandacht voor het individuele kind, omdat de pastor bij hen de spil
van alles is en de kinderwerkers in dit geheel niet meer dan hulpen zijn.
Daarnaast spelen hierbij een aantal theologische vraagstukken. De NBJB wees op de
volwassen doop. Voordat mensen gedoopt zijn, kunnen zij nog niet op hun christen zijn
aangesproken worden, omdat zij nog geen keuze daartoe gemaakt hebben. Maar dit zal niet in
elke kerk spelen. Zo noemden Elim en de Ark dit niet en heb ik daar in mijn eigen gemeente
ook nog nooit van gehoord. Filadelphia vertelde dat zij een onderscheid zien tussen talenten,
die bij de geboorte verkregen worden en gaven, die bij de wedergeboorte verkregen worden.
Dan kan er bij kinderen niet gavengericht gewerkt worden.
Het lijkt mij hierom verstandig om in de uitleg van dit principe over talentgericht te praten in
plaats van gavengericht en om in dit principe het woord ‘discipelen’ door ‘volgelingen’ te
vervangen. Dit is puur een andere formulering, zonder dat het werkelijk iets anders betekent.
G. In Jungschar leren de kinderen, dat er meer is dan computerspelletjes en televisie; in de
natuur ervaren ze Gods schepping pas echt.
Op zich reageren organisaties en kerken positief op dit principe, maar ze denken niet dat het
op
regelmatige
basis
uitvoerbaar
is.
Daarom
worden
outdooractiviteiten,
zoals
survivaltechnieken, meestal alleen tijdens kampen gebruikt. Alleen de Julianakerk reageerde
heel positief op het regelmatig uitvoeren van survivaltechnieken met de kinderen. Zij denken,
48
dat dat heel veel kinderen zal gaan trekken. Dit laatste bevestigen de Royal Rangers in
Schinnen, die veel padvinderij doen en een hele enthousiaste groep kinderen hebben. Maar zij
bevestigen ook, dat er veel geld en inzet voor nodig is.
Verschillende kerken halen de natuur wel eens de kerk binnen door bijvoorbeeld met de
kinderen plantjes te poten.
Het ligt ook aan de ligging van de kerk of dit belangrijk gevonden wordt. Zo ligt Filadelphia
midden in een stad waardoor het belangrijk wordt om regelmatig met de kinderen naar buiten
te gaan. Maar de Gereformeerde kerk in Terneuzen ligt midden in uitgestrekte natuur, hun
kinderen zijn uit zichzelf al heel veel buiten.
Het wordt bij de meeste organisaties en kerken belangrijk gevonden dat moderne media niet
genegeerd worden. Ten eerste zullen de activiteiten daardoor beter bij de leefwereld van de
kinderen aansluiten en ten tweede moeten de kinderen leren om met moderne media om te
gaan.
H. In Jungschar hebben kinderen veel lol en worden ze uitgedaagd, zodat ze leren, dat geloof
ook leuk kan zijn en zodat de leiders/medewerkers en kinderen elkaar beter kunnen leren
kennen.
Alle kerken en organisaties vinden het belangrijk dat de kinderen plezier hebben in het
kinderwerk. In verschillende kerken hoorde ik de slagzin van Promiseland dat de
zondagsschool ‘Het leukste uurtje van de week’ moet zijn terugkomen. In de Oud Katholieke
kerk wordt het plezier hebben steeds belangrijker. Zij willen hun kinderen als gasten
behandelen. Bijvoorbeeld door bij het binnenkomen drinken voor ze klaar te zetten, dat ze
echt lekker vinden, omdat je je gasten ook niet met iets goedkoops afscheept.
Maar dit alles is maar tot op een bepaalde hoogte, want het leidt er niet toe, dat de kinderen
echt uitgedaagd worden om hun grenzen te verleggen of dat de leiding en kinderen elkaar
extra goed leren kennen. Daarvoor is weer extra inzet nodig, wat verschillende kerken niet
zomaar zien gebeuren, zie principe D in dit hoofdstuk.
49
I. De kwaliteit van het Jungscharwerk wordt verhoogd door het opleiden van jonge mensen in
cursussen.
Over de leeftijd van de jongeren die deze cursussen volgen en dus ook minileider worden
wordt heel verschillend gedacht. Sommige kerken zetten zelf al jongeren in het kinderwerk in,
maar Steg heeft het liefst dat alle kinderwerkers getrouwd zijn en zelf kinderen hebben, omdat
zij echte verantwoordelijkheid kennen.
Daarbij vinden bijna alle kerken en organisaties het belangrijk, dat er wel oudere mensen bij
het kinderwerk aanwezig zijn. Ten eerste zodat problemen van de kinderen goed opgevangen
kunnen worden. Ten tweede, van de HGJB, zodat het kinderwerk een afspiegeling van de
kerk kan zijn. En ten derde, van Stichting Ezra, omdat jongeren en volwassenen elkaar
kunnen aanvullen: jongeren zijn enthousiast, maar hebben vaak verkeerde prioriteiten en bij
volwassenen is dat vaak precies andersom.
In Nederland worden er allerlei cursussen gegeven, alleen binnen de Rooms Katholieke kerk
is er vrijwel niets op dit gebied. Hoewel het geven van verantwoordelijkheid aan jonge
mensen wel bekend is binnen de Katholieke Charismatische Vernieuwing. De Nederlandse
cursussen staan vrijwel allemaal los van elkaar en zijn niet specifiek op jongeren gericht. De
NBJB merkte ook op, dat de technische bagage van de jeugd vaak wel goed is, maar dat de
geestelijke bagage juist vaak achterblijft. Op de opbouw van de Jungscharcursussen wordt
daarom heel positief gereageerd.
Toch is ook dit soms moeilijk uitvoerbaar. Bijvoorbeeld Heerenveen en Terneuzen, waar de
jongeren wegtrekken als ze gaan studeren. Dan zijn ze alleen op zaterdag beschikbaar, maar
dan hebben ze meestal een bijbaantje.
In de Oud Katholieke kerk is er wel een cursustraject voor het leiden van de catechese. Maar
omdat de pastor de spil van alles binnen de kerk is, wil niemand leiding nemen zonder dat hij
erbij is. Dit maakt de minileider-leider-opleider sturctuur erg moeilijk binnen de Oud
Katholieke kerk.
De Royal Rangers, onderdeel van Royal Rangers International, hebben een eigen
vergelijkbaar cursustraject in binnen- en buitenland.
50
3.3 De methoden.
Methoden, die al in Nederland worden ingezet.
D. Kampen.
E. Werken met de Bijbel.
F. Ervaringsleren.
K. Cursussen.
O. Meedoen in de liturgie/dienst.
Bovenstaande methoden zijn bekend in Nederland en worden dan ook veelvuldig ingezet.
Hierbij verwacht ik dan ook geen problemen voor Jungschar. Kerken zouden alleen wel liever
zien, dat deze cursussen ook gemakkelijker toegankelijk zouden zijn voor oudere
kinderleiding.
Methoden, die gedeeltelijk in Nederland worden ingezet.
A. Gemeenschapstijd.
B. Sportactiviteiten en spelletjes, in- en outdoor.
C. Projecten/acties.
G. De kinderen mee laten beslissen en steeds meer verantwoordelijkheid geven.
N. Het leven in de jaarlijkse feest kring.
Bovenstaande methoden worden door sommige kerken wel toegepast, maar niet op
regelmatige basis. Bij methoden A, B, C en G komt dat vooral, omdat het organisatorisch niet
haalbaar zou zijn, zie principe D in dit hoofdstuk, hoewel zij over de ideeën zelf wel
enthousiast waren.
Bij methode B vertelde Stichting Ezra, dat sommige kerken vinden, dat bepaalde zaken
onverenigbaar met de kerk zijn, sport zou daar één van kunnen zijn. Verder vertelden zij, dat
kinderen die van sport houden, misschien liever naar een sportvereniging gaan en dat niet in
de kerk zoeken.
Methode N is alleen aanwezig waar het kerkelijke jaar in de gehele kerk bijgehouden wordt.
51
Dat zijn vooral Rooms katholieke en reformatorische kerken.
Methoden, die in Nederland weinig tot niet ingezet worden.
H. Overleg met de overkoepelende organisatie, de kerk waar de groep bij hoort en de ouders
van de kinderen.
I. Evangelisatie.
J. Het herkennen van de gaven van de kinderen.
L. Discipelschap.
Bovenstaande methoden worden vrijwel niet in het kinderwerk ingezet. Dat heeft
voornamelijk met tijdgebrek te maken, hoewel de kerken er niet per definitie kritisch
tegenover staan.
Principe H is een apart geval. De individualiteit van Nederlanders werkt ook in de
Nederlandse kerken en het bijbehorende kinderwerk door. Binnen kerken kennen mensen
elkaar niet goed en overleg tussen ouders en kinderwerkers is dan ook moeilijk. Dat geldt ook
voor het contact met de kerk en de overkoepelende organisaties. Het kinderwerk doet wat het
zelf wil. Dat kan ook inhouden dat als ze bijvoorbeeld bij de HGJB aangesloten zijn toch
materialen bij stichting Ezra kopen of programma’s van Youth for Christ gebruiken. Hoewel
er volgens stichting Ezra ook nog kerken zijn, die strikt bij hun eigen overkoepelende
organisatie blijven. Omdat er binnen Baptisten gemeenten democratie heerst, is individualiteit
volgens de NBJB bij hen nog sterker en deze methode nog moeilijker.
De overkoepelende organisaties proberen wel contact te zoeken met de bij hen aangesloten
kerken, maar hebben niet genoeg tijd en geld om dat heel regelmatig te doen. Het contact
tussen het kinderwerk en de ouders proberen zij ook te stimuleren door de kerken erop te
wijzen, dat dit contact belangrijk is. Daarnaast werken de verschillende organisaties ook met
elkaar samen. Stichting Opwekking heeft zelf bijvoorbeeld geen pastorale expertise en roept
daarvoor regelmatig de hulp in van stichting Chris.
3.3.4 Conclusie.
52
Ik denk dat de meeste van deze methoden wel in Nederland toegepast kunnen worden, maar
alleen als goed uitgelegd kan worden, hoe dit alles binnen de mogelijkheden uitvoerbaar is.
Alleen bij principe H denk ik dat doorlopende aansluiting bij De Pioniers niet zal gaan
gebeuren. En bij principe N ligt het eraan hoe de gemeente als geheel met het kerkelijke jaar
bezig is.
3.4 De succesfactoren.
1. Het centraal staan van de kinderen.
2. De leiding.
3. De gemeenschap.
Als deze succesfactoren in Nederland willen slagen, dan is het belangrijk om aan de kerken
duidelijk te maken hoe ze binnen de mogelijkheden van de kerk praktisch uitvoerbaar zijn.
Bij factor 1 is het daarnaast ook belangrijk om goed uit te leggen waarom zo’n sterke
gerichtheid op de kinderen belangrijk is.
Factor 2 hangt af van de mogelijkheid van de kerken om hun jongeren vast te houden. In
verband met studie is dat in sommige delen van het land er moeilijk. Daarbij zal het volgens
de meeste kerken wel noodzakelijk zijn, dat er oudere leiding bij is.
3.5 De overige sterktes.
De Jungscharorganisaties weten goed wat ze willen bereiken met Jungschar.
Er is in Nederland heel veel aanbod op het gebied van kerkelijk kinderwerk. Als daar weer
een nieuwe vorm bij komt, dan is het voor de organisaties en kerken erg belangrijk om goed
te weten wat het precies inhoudt.
Het ervaringsleren.
53
Kerken zijn hierover enthousiast, zolang hen maar duidelijk gemaakt kan worden hoe het bij
buitenactiviteiten praktisch uitvoerbaar is.
Het geloof en dagelijks leven met elkaar verbinden.
Dit wordt al veel gedaan in de Nederlandse kerken.
De cursussen.
De overkoepelende organisaties en de kerken zijn erg positief over de cursussen, vooral de
lijn die erin zit bevalt hen erg goed.
Het staan in een netwerk en het overleg met anderen binnen dat netwerk.
Het kerkelijke kinderwerk wil graag individueel te werk gaan. Dus aansluiting bij De Pioniers
is dan niet mogelijk.
Contact tussen kinderwerk, kerk en ouders gebeurt ook erg weinig. Maar hiertoe is wel visie
bij de overkoepelende organisaties en de kerken zelf reageerden positief op de ideeën om dit
contact te versterken.
De sport.
Sport moet georganiseerd worden en dat doen de kerken niet graag. Stichting Ezra zei, dat dit
in arme wijken waarschijnlijk het meeste succes zal hebben, omdat die ouders geen
sportschool kunnen betalen. Maar volgens Athlets in Action staan veel kerken wel positief
tegenover sport en werkt evangelisatie door sport erg goed. Het wordt alleen moeilijker
wanneer kerken het zelf moeten organiseren. Dus ook hierbij is weer belangrijk, dat goed
uitgedacht wordt hoe kerken het binnen hun mogelijkheden in de praktijk kunnen brengen.
De gerichtheid op diaconaalwerk met kinderen.
54
Dit kan in veel kerken voor moeilijkheden zorgen. Ten eerste hebben vooral regiogemeenten
weinig visie voor hun omgeving. Dan is het moeilijk om daar in het kinderwerk ineens wel de
nadruk op te leggen. Een ander probleem is dat verschillende kerken vinden, dat het niet de
opdracht is voor de kerk om de kinderen een sociaal bewustzijn mee te geven.
3.6 De zwaktes.
Zwaktes die in Nederland geen probleem hoeven te vormen.
3. Jonge leiding.
Doordat Jungschar erg veel tijd kost worden de biotische principes van A. Schwarz
verstoord.
Lang niet alle jongeren volgen de cursussen
De meeste kerken vinden, dat jonge leiding niet alleen mag staan. Daarbij vragen zij liever
iets te weinig dan te veel van hun vrijwilligers. En veel jongeren volgen al allerlei cursussen.
Hierdoor denk ik dat deze zwaktes in Nederland niet snel een probleem zullen vormen.
Zwaktes die in Nederland wel een probleem kunnen vormen.
1. Het verschil tussen wat de organisaties theoretisch willen en de praktijk ervan.
Veel overkoepelende organisaties in Nederland zitten met hetzelfde probleem. Daarom moet
hier dus goed op gelet worden.
De leiding en jongeren zien elkaar niet buiten de Jungschargroep om.
Elkaar buiten de Jungschargroep om ontmoeten kost extra tijd en juist de hoeveelheid tijd die
Jungschar zou kosten, zie 4.3.7, lijkt een probleem te vormen voor Nederland. Daarbij is het
voor regiogemeenten extra moeilijk om dit uit te voeren, omdat de kinderen en jongeren ver
uit elkaar wonen.
De evangelisatie werkt in de praktijk niet goed.
55
Activiteiten buiten de zondag om is vooral bij regiogemeenten en Oud Katholieke kerken erg
moeilijk te organiseren, omdat de kinderen ver uit elkaar wonen.
Zwaktes waarop bij invoering van Jungschar gelet zou moeten worden.
2. De structuren.
Gavengerichtheid werkt in de praktijk niet goed.
Jungschar is niet doelgroepbewust.
Door de achtergesteldheid van de aanbidding, evangelisatie en discipelschap zijn de
vijf basiswaarden van D. Fields niet in evenwicht met elkaar.
Deze zwaktes zijn van aspecten van Jungschar, die in het kerkelijke kinderwerk in Nederland
niet gebruikelijk zijn. Daarom is het belangrijk om bij een eventuele invoering van Jungschar
in Nederland rekening te houden met deze zwaktes.
3.7 De valkuilen.
Het vertrouwen op de kracht van God kan overschaduwd worden door de goede
programma’s.
De groepen kunnen de doelen van de Jungscharorganisaties gemakkelijk overnemen,
zonder eigen visies en doelen te stellen.
Groepen kunnen te gestructureerd zijn.
Ik denk dat het belangrijk is, dat beseft wordt dat dit valkuilen van Jungschar kunnen zijn.
Maar alleen de eerste lijkt mij ook in Nederland voor problemen te kunnen zorgen. Daar ga ik
in 4.3.4. verder op in.
3.8 De grootste sterktes en zwaktes van Jungschar volgens de Nederlandse overkoepelende
organisaties en kerken.
De eerste indruk van de organisaties en kerken, die ik gesproken heb was als volgt:
De grootste sterktes.
56
1. Een relatie met de kinderen opbouwen/ Duidelijke doelen, handig als voorbeeld.
2. Regelmatig contact met de kinderen/ Coaching en discipelschap/ Het spreekt aan/
Cursussen/ Gevarieerd/ Als er mogelijkheden toe zijn: outdooractiviteiten.
De grootste zwaktes.
1. Het klinkt als een strak model en Nederlanders houden daar niet van.
2. Teveel natuur en scouting.
3. Het kost teveel tijd en geregel.
Dit spreekt elkaar enerzijds tegen, omdat kerken aan de ene kant wel bijvoorbeeld coaching
willen, maar aan de andere kant niet teveel structuur. Maar het zegt ook, dat de kerken wel
geïnteresseerd zijn in iets als Jungschar, zolang het maar uitvoerbaar is binnen de
mogelijkheden van de kerk.
3.9 Samenvatting.
Jungschar werd over het algemeen wel goed ontvangen in Nederland. Alleen principe A en F
heb ik iets aangepast, zodat ze breder aanvaardbaar zijn. Problemen die Jungschar in
Nederland zou hebben zijn de hoeveelheid tijd en geld die het zou kosten, dat kerken liever
materiaal kopen, dan zich aansluiten bij een organisatie, dat Jungschar niet op zondag
plaatsvindt, dat verschillende kerken vinden, dat niet zij, maar de ouders en scholen voor de
ontwikkeling van de kinderen verantwoordelijk zijn, dat regiogemeenten weinig contact met
de omgeving hebben, dat de kerken betwijfelen of het praktisch haalbaar is en de
individualiteit van Nederlanders. Dit geeft bij alle succesfactoren en een aantal sterktes
problemen. Op een aantal zwaktes en valkuilen moet ook gelet worden, maar de meeste
hiervan hoeven niet per se een probleem te geven.
Bij de meeste Rooms katholieke kerken is er amper kinderwerk, maar zij werken aan
verandering en zijn enthousiast over Jungschar.
Als laatste is het belangrijk, dat er wel rekening gehouden wordt met verschillende
geloofsrichtingen, omdat zij zo nu en dan verschillend naar de principes en methoden kijken.
Want als een kerk in het geheel niet veel aan discipelschap doet of de mensen elkaar niet goed
57
kennen, dan is dat vaak ook in het kinderwerk terug te vinden. Daarbij heeft de ene kerk door
de al bestaande structuren veel meer mogelijkheden, dan de andere.
58
Hoofdstuk 4. Jungschar in Nederland.
4.1 Inleiding.
In dit hoofdstuk breng ik de conclusies van het tweede en derde hoofdstuk samen en bekijk of
en hoe Jungschar het beste in Nederland past.
In 4.2 concludeer ik of en hoe de principes en methoden van Jungschar in Nederland passen.
In 4.3 ga ik bij een aantal aspecten van Jungschar, die in Nederland problemen zouden kunnen
geven, na wat het belang ervan is en of deze problemen overbrugbaar zijn. Deze aspecten zijn:
sport en outdoor, ervaringsleren, evangelisatie, aanbidding, pastoraat, discipelschap en goed
omgaan met vrijwilligers.
4.2 De principes en methoden van Jungschar in Nederland.
Passen de principes en methoden in Nederland?
Ik heb tijdens de gesprekken gemerkt dat Jungschar wel aanspreekt, omdat er veel nadruk op
relatie is en het erg gevarieerd is. De principes en methoden kunnen theoretisch wel in
Nederland gebracht worden, maar om het praktisch ook mogelijk te maken moeten er twee
principes aangepast worden zie 3.2, moet er op een aantal dingen goed gelet worden (4.2.2)
moet er over een aantal zaken goed nagedacht moeten worden (4.2.3) en zijn er nog een aantal
aanpassingen nodig (4.3).
4.2.2 Opmerkingen.
Jungschar kan niet alleen door jonge mensen geleid worden.
Er moet bijgehouden worden hoe de kinderen in en na Jungschar doorgroeien.
Er moet genoeg aanbod zijn voor jongeren, die uit Jungschar komen.
Er moeten meerdere mensen verantwoordelijk zijn voor het Jungscharwerk.
Op het gebied van evangelisatie moeten groepen leren om de evangelisatie te laten
passen bij de kinderen in de groep en de omgeving.
Jungschar moet niet te sterk gericht zijn op de ontwikkeling van de kinderen, maar ook
direct op God zelf, aanbidding.
Bij de meeste Rooms katholieke kerken is er erg weinig kinderwerk, maar daar is
59
sinds een aantal jaren een verandering in gekomen. Zij staan ook positief tegenover
Jungschar.
Het is belangrijk, dat er rekening gehouden wordt met de verschillende
geloofsrichtingen, omdat zij verschillend naar een aantal principes en methoden
kijken.
Er moet op gelet worden, dat er in de eerste plaats vertrouwd wordt op de kracht van
God en niet op het maken van goede programma’s en het hebben van plezier.
Er moet een goede afwisseling gevonden worden tussen cognitieve leermethoden en
ervaringsleren, dat past bij kinderen onder de 12 jaar.
Groepen moeten leren beseffen dat ze een bepaald soort kinderen aantrekken, wat voor
kinderen dat zijn en ze moeten leren om zich daarop te richten.
Het is belangrijk om duidelijk te maken, dat Jungschar geen strak model is, dat stoot
mensen af.
4.2.3 Vragen waarover nagedacht moet worden.
Nederlanders zijn erg individueel. Hoe kan Jungschar goed in Nederland functioneren,
zonder dat kerken zich bij De Pioniers moeten aansluiten? (5.3)
Regiogemeenten:
o Hoe kan het kinderwerk leren om regelmatig contact met de ouders en de kerk te
hebben? Dit geldt ook voor grote gemeenten.(4.3.5)
o Hoe kunnen activiteiten in regiogemeenten door de weeks georganiseerd worden?
(Ga ik niet op in)
o Hoe kunnen de leiding en kinderen elkaar door de weeks ontmoeten? (4.3.5)
Cursustraject. Hoe kan ervoor worden gezorgd, dat elke leiding cursussen volgt? (Ga
ik niet op in)
Hoe kunnen de Jungschardoelen binnen de mogelijkheden van de kerken gehaald
worden? (4.3)
De ontwikkeling van de kinderen: Wie is er verantwoordelijk voor de ontwikkeling
van de kinderen? De kerk, de ouders of de school? (4.3.6) In hoeverre moeten en
kunnen zij samenwerken? (Ga ik niet op in)
Hoe kunnen jongeren die geen affiniteit met kinderwerk hebben vanuit de
Jungschargroep in hun gaven gestimuleerd worden? (5.3)
Hoe kan dit alles in het tijdsschema van de kinderen en ouders passen? (Ga ik niet op
60
in)
4.3 Een aantal aspecten van Jungschar nader bekeken.
Als bovenstaande vragen niet beantwoord zouden kunnen worden, dan zou dat betekenen, dat
Jungschar in Nederland niet uitvoerbaar is. In deze paragraaf zal ik dat uitzoeken door een
aantal aspecten uit te diepen.
Deze aspecten zijn:
1. Sport en outdoor
2. Ervaringsleren
3. Evangelisatie
4. Aanbidding
5. Pastoraat
6. Discipelschap
7. Goed omgaan met vrijwilligers
4.3.1 Sport en outdoor.
Het belang van sport- en outdooractiviteiten.
Het specifieke van het buiten zijn (outdoor) is de bewegende lucht, de ruis, het ontbreken van
de vier muren en de vrijheid. Deze aspecten activeren mensen en doen iets met hen, waardoor
onderstaande leerdoelen buiten veel sneller gehaald worden, dan binnen.
De verschillen tussen sport en outdoor zijn dat behalve dat sport ook binnen gedaan kan
worden, outdoor meer mogelijkheden heeft en ze een andere uitwerking hebben. Zo leren
mensen bij sport bijvoorbeeld andere grenzen kennen en te verleggen als bij outdoor.
Door deze activiteiten kan heel veel ervaren en geleerd worden op gebieden van sociale
vaardigheden, omgaan met en overleven in de natuur en eigen grenzen leren kennen en
verleggen. Daarnaast trekken sport- en outdooractiviteiten kinderen aan en zijn ze goed voor
de gezondheid.
61
Deze activiteiten lenen zich verder ook goed om relaties te leggen, ook met andere culturen1.
En hoewel cultuurverschillen wel voor wantrouwen en moeilijkheden kunnen zorgen, leveren
zulke problemen ook leerzame momenten op.
Het NCSU wees me erop, dat kerken door met de kinderen te sporten wat kunnen doen aan
het tekort aan speelruimten in vele steden. Sporten en daarbij actievoeren kan inderdaad goed
samengaan met het principe van Jungschar om de kinderen een sociaalbewustzijn aan te leren.
Verder staan veel volwassenen negatief tegenover sport en als mensen eenmaal negatief
tegenover sport staan, is het heel moeilijk om dat te veranderen. Maar als ze als kind al
positief tegenover sport staan, dan is de kans groot, dat ze als volwassene ook positief
tegenover sport staan.2 Dit kan ook veel betekenen in een tijd waarin steeds meer mensen te
dik zijn en aan hart- en vaatziekten (over)lijden.
Sport en outdoor in Jungschar.
Ten
eerste
is
variatie
belangrijk.
Verschillende
mensen
hebben
verschillende
persoonlijkheden, wat betekent, dat zij ook van verschillende soorten sporten en
outdooractiviteiten houden.
Ten tweede moet outdoor breder worden uitgelegd. Het woord outdoor wordt meestal meteen
geassocieerd met survivaltechnieken, maar outdoor kan ook uitgelegd worden als activiteiten
buiten de deur waarbij dezelfde doelstellingen gehaald worden als bij survivaltechnieken.
Twee vergelijkingen:
Tijdens een bergwandeling kunnen mensen eenzaamheid ervaren, waardoor bepaalde
gevoelens naar boven kunnen komen die zij voorheen nog niet van zichzelf kenden.
Maar tijdens een extreem lange wandeling zonder bepaald doel kan precies hetzelfde
bereikt worden.
1 Janssens J., ‘De betekenis van sportvereniging voor de multiculturele samenleving.’ in B. de Waard
en N. Schoenmakers (red.), Zin in sport. Praktische tips en adviezen voor sportbestuurders en
beleidsmakers in de sport. (Amersfoort: NCSU, 2005) pp. 5-8
2 Jarvis M., Sport Psychology (Londen: Routledge, 1999) pp. 27, 37
62
Door samen met een groep een vlot te bouwen en daarna daarmee te varen leren
mensen samenwerking. Maar door een groep bij een lantarenpaal of boom neer te
zetten en ze de opdracht te geven om gezamenlijk zonder hun benen te gebruiken naar
een andere lantarenpaal of boom te komen, leren ze precies hetzelfde.
Ten derde moet de leiding om dit te kunnen bereiken wel verstand hebben van leerprocessen
om de kinderen juist te kunnen begeleiden en om een uitdagende leeromgeving te kunnen
creëren. Zo kan een extreem lange wandeling pas succesvol zijn als de leiding de kinderen
goed observeert en de juiste vragen weet te stellen. Agressiviteit kan vele achtergronden
hebben waarbij verschillende reacties van de leiding nodig zijn1. En zo ook bij gehandicapte
kinderen. Handicaps zijn niet altijd duidelijk, maar kunnen er wel voor zorgen, dat kinderen
spelsituaties fout inschatten2. Bij ervaringsleren (4.3.2) ga ik hierop door.
4.3.2 Ervaringsleren.
Het belang van ervaringsleren.
Ervaringsleren houdt in dat de bedoeling van een thema tijdens een activiteit ervaren wordt.
Dat is belangrijk, omdat de kinderen en jongeren dan pas echt zullen begrijpen wat het thema
inhoudt en zij veel sneller in staat zullen zijn om het in hun dagelijks leven toe te passen. Het
is ook een leuke afwisseling ten opzichte van cognitieve leermethoden en er is extra aandacht
voor de zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid en van het individu.
Een voorbeeld. Een leider kan de kinderen uitleggen, dat het belangrijk is om te vertrouwen
op God, maar de kinderen kunnen dan weggaan zonder echt te begrijpen wat vertrouwen is.
Maar als een kind op een tafel gaat staan en zich blind naar achteren moet laten vallen,
waarbij hij of zij opgevangen wordt door de andere kinderen, dan zal het kind pas echt
begrijpen wat vertrouwen is.
1 Jarvis M., Sport Psychology (Londen: Routledge, 1999) pp. 50-54
2 Janssens J., ‘De betekenis van sportvereniging voor de multiculturele samenleving.’ in B. de Waard
en N. Schoenmakers (red.), Zin in sport. Praktische tips en adviezen voor sportbestuurders en
beleidsmakers in de sport. (Amersfoort: NCSU, 2005) p. 19
63
Ervaringsleren in Jungschar.
Tijdens de gesprekken heb ik gemerkt, dat veel kerken hier al gebruik van maken. Maar ik
merkte ook, dat zij dit maar op kleine schaal gebruiken en dat zij de ervaringen niet expliciet
maken. Daardoor zal het niet het beoogde effect hebben. Als in het bovengenoemde voorbeeld
waarbij een kind zich laat vallen achteraf niet gepraat wordt over wat de kinderen tijdens het
spel gevoeld en gedacht hebben, dan zal het effect veel kleiner zijn. Maar als de leiding de
groep goed observeert en ziet dat er bijvoorbeeld een kind is dat aan de kant staat of een kind
dat juist iedereen aan de kant duwt om vooraan te staan, dan kan hij/zij de kinderen daarmee
confronteren en de ervaringen van de kinderen daardoor expliciet maken. Pas dan zijn zulke
spellen echt zinvol. Daarvoor is het belangrijk dat de leiding goed observeert, dat de
activiteiten echt bij de kinderen passen, dat de link naar het dagelijkse leven duidelijk wordt
gelegd en dat er ruimte is voor reflectie en evaluatie1.
Naast dat het belangrijk is, dat de processen goed begeleid worden, is het ook belangrijk dat
de activiteiten uitdagend zijn. In het boek ‘Inspireren tot leren’ beschrijft D. van der Vlerk 10
uitdagingen, waaraan een leeromgeving moet voldoen om inspirerend te zijn. Deze komen
sterk overeen met de bovengenoemde zaken die bij ervaringsleren belangrijk zijn.
Verder is volgens Van der Vlerk belangrijk, dat de kinderen binnen de flow van
Csikszentmihalyi blijven2. Dit houdt in, dat een activiteit zo ingedeeld wordt, dat de kinderen
zich niet vervelen, maar dat ze ook weer niet zo sterk uitgedaagd worden, dat het,
bijvoorbeeld door angst, demotiveert. Het uitdagende midden is de flow.
Om leerprocessen een volledig effect te laten hebben, is het volgens Van der Vlerk belangrijk
om
tussen
verschillende
soorten
leerprocessen
af
te
wisselen
(ervaringsleren,
groepsprocessen, cognitieve ervaringen, reflecteren en evalueren).
Als laatste wordt in dit boek duidelijk gemaakt dat uitdagende activiteiten in elke stad of dorp
georganiseerd kunnen worden zonder dat het teveel tijd of geld kost. Door de omgeving goed
1 Moyles J. Both K. (red.), Laat ze toch spelen. De rol van het spel van jonge kinderen. (Nijkerk:
Uitgeverij Intro) pp. 102-132
2 Van der Vlerk D. Inspireren tot leren. Het ontwerpen van een uitdagende leeromgeving. (Bussum:
Uitgeverij Coutinho, 2005) pp. 37/38.
64
te bekijken kunnen allerlei mogelijkheden gevonden en in kaart gebracht worden. Twee
voorbeelden van zulke kaarten staan in bijlage 3.
Een aantal vormen van ervaringsleren.
1. Ervaringsleren door sport en outdoor.
In de Duitse literatuur wordt ervaringsleren (Erlebnispädagogik) gelijkgesteld aan
survivaltechnieken1. In 4.3.1 heb ik al uitgelegd, dat outdoor veel breder dan dat verstaan kan
worden en hoe van sport en outdoor geleerd kan worden.
Mocht een kerk wel graag survivaltechnieken gebruiken, dan kan dat natuurlijk ook.
Voorbeelden daarvan zijn: vlotten bouw (samenwerking), een touwbrug maken en erover
lopen (vertrouwen), bergwandelen (eenzaamheid), eten op een vuurtje koken (overleven,
dichtbij de natuur). Hierbij is het belangrijk dat er expertise op het gebied van survival
aanwezig is en dat de juiste vergunningen aangevraagd zijn.
2. Ervaringsleren door spelen.
Het boek ‘Laat ze toch spelen’ beschrijft hoe door middel van spelen ook veel ervaren en
grenzen verlegd kunnen worden. De sleutel daartoe is om een goede afwisseling te vinden
tussen vrij en geleid spel. Bij vrij spel laat de leiding de kinderen spelen en observeert hij/zij
ze. Hierbij leren de kinderen om zelf creatief te zijn en nieuwe dingen te ontdekken. Bij geleid
spel komt de leiding tussen het spel en de kinderen, door vragen te stellen of mee te doen.
Hierbij kan de leiding de kinderen een stap verder helpen, waardoor ze vanuit een nieuw punt
verder kunnen spelen, waar ze uit eigen beweging niet zo snel hadden kunnen komen.
Om deze processen te versterken kunnen verschillende spelmogelijkheden tegelijkertijd
aangeboden worden, zodat de kinderen zelf keuzes kunnen maken. Bijvoorbeeld:
computerspelen, spelen met fantasie, spelen met creativiteit, spelen met taal enz. Of kunnen
1 Een voorbeeld hiervan is het boek: Heckmair B. en Michl W., Erleben und lernen. Einstieg in die
Erlebnispägagogik Serie: Erleben & Lernen; deel 2. (Berlijn: Hermann Luchterhand Verslag GmbH &
Co. KG., 1993) VII+227pp.
65
de kinderen zelf problemen door spelen oplossen. Zo heeft een leraar zijn klas, dat klaagde
over dat het krijt steeds vies werd, hiervoor zelf een oplossing laten zoeken. Na verschillende
dingen uitgeprobeerd te hebben kwamen ze uiteindelijk met verschillende bakjes voor
verschillende kleuren krijt1.
3. Leren door gesprekken.
In het boek ‘Ontwerpen van leerprocessen’ wordt beschreven hoe kinderen, door te praten in
een groep met een leider, kunnen leren om ervaringen die ze in hun dagelijkse leven opdoen,
te combineren met die van anderen en met die van het thema van die keer. Belangrijk hierbij
is, dat de leider het gesprek leidt, maar niet domineert, dus dat kinderen echt de ruimte krijgen
om hun ervaringen te vertellen en er geen ervaringen worden genegeerd. Deze methode kan
op zichzelf staan, maar ook gecombineerd worden met andere methoden.
4.3.3 Evangelisatie.
Het belang van evangelisatie.
In de Bijbel geeft Jezus aan zijn discipelen de opdracht om van Hem te getuigen, Matt. 28:1920. Daarom is het belangrijk, dat wij dat ook doen. Toch gebeurt dit in veel kerken niet. Eén
van de dingen, die ons daarin het meest tegenhouden, is angst2. Maar kinderen zijn vaak veel
spontaner dan volwassenen. Als zij al op jonge leeftijd met evangelisatie leren omgaan, is de
kans groot, dat zij dat als ze volwassen zijn, dat ook veel gemakkelijker zullen doen.
Evangelisatie in Jungschar.
Ten eerste is het belangrijk, dat de leiding leert hun kinderen goed te observeren. Dan kunnen
zij zien welke kinderen gemakkelijk evangeliseren en welke manieren van evangelisatie hen
liggen en welke niet. Zo kan ieder kind op dit punt persoonlijk begeleid worden.
1 Moyles J. Both K. (red.), Laat ze toch spelen. De rol van het spel van jonge kinderen. (Nijkerk:
Uitgeverij Intro) pp. 68-70
2 Pippert. R. Het zoutvat uit…de wereld in. (Vaassen: Uitgeverij Medema, 2000) p. 18
66
Ten tweede is het belangrijk dat de leiding en eventueel de groep (als ervaringsleer activiteit)
goed onderzoek doet naar de omgeving, zodat zij haar manier/methode van evangelisatie
daarop kan aanpassen. Bij het evangelisatie programma Superday van Exalt zag ik hoe
presentator Peter Verhoog erg streng was. In veel gevallen zal dat kinderen en jongeren
afstoten. Maar bij deze kinderen leidde het ertoe, dat de kinderen elke week weer vrijwillig
naar deze kinderactiviteit kwamen en er zelfs jongeren meekwamen.
Tijdens de gesprekken hebben kerken verschillende voorbeelden gegeven van mogelijke
evangelisatiemethoden:
Vriendschapsevangelisatie.
Vakantiebijbelclub.
Kinderzangdiensten.
Kerkdiensten speciaal voor kinderen en/of gezinnen.
Kindermiddagen met één kerk of gezamenlijk met een aantal kerken.
Vaste programma’s als Youth Alpha, Rock Solid enz., maar dan voor kinderen.
Een wijkcentrum naar het voorbeeld van Stichting kinderevangelisatie.
Exalt met Superday de kerk binnen halen of voor de kerk hun programma laten
draaien.
Maar hiervoor is het wel belangrijk om op twee dingen te letten.
De evangelisatiemethode moet wel goed bij de Jungschargroep aansluiten, zodat de
kinderen niet nadat ze bij de evangelisatie enthousiast geworden zijn, bij de
Jungschargroep afgeschrikt of teleurgesteld worden.
Er moet goed uitgedacht worden wat voor gevolgen dit heeft voor discipelschap. Bij
BEFG wordt discipelschap, omwille van de nadruk op evangelisatie, op een lager pitje
gezet. Maar daarmee vervalt het belangrijkste doel van Jungschar. De Royal Rangers
lossen dit op door ten eerste een duidelijke ontwikkelingslijn voor de kinderen uit te
leggen waarin ze door de jaren heen kunnen groeien. Hierdoor wordt het
gemakkelijker om nieuwe kinderen in te voegen. En ten tweede door groei in
dienstbaarheid, in hun eigen woorden:
‘Het model is er uiteindelijk op gericht dat kinderen groeien in (christelijke)
volwassenheid. Het is namelijk zo dat in de leeftijdsgroep dienstbaarheid wordt
aangeleerd. Dit gebeurt door het aanstellen van gidsen en ass gidsen. Eén of twee kinderen
van een groep van 7 kinderen heeft de 'leiding' over een groep. Hij komt op voor de groep
67
maar is ook het aanspreekpunt van de leiders. Verder hebben wij ook dienstbaarheid acties
bv. een oliebollenactie om geld in te zamelen. De kinderen doen hier aan mee. Verder
bestaan er zogenaamde rights. Dit zijn onderscheidingen in dienstbaarheid. Afgelopen
kamp is er een groep uit Duitsland ons komen helpen om het kamp mede te organiseren.
Zij hebben zich volledig tendienste opgesteld tijdens dit kamp aan ons. Tenslotte hoe
ouder de groep des te meer de nadruk op dienstbaarheid dmv leidersschap naar voren
komt.’1
4.3.4 Aanbidding.
Het belang van aanbidding.
Aanbidding is jezelf richten op God. Dit is heel belangrijk, omdat Jezus onder andere
gestorven is en de Heilige Geest daarna naar de aarde gekomen is, zodat de mensen weer in
contact met God kunnen komen. Als wij onszelf dan alleen op plezier en goede programma’s
richten, dan laten wij een belangrijk doel van het werk van Jezus en de Heilige Geest aan ons
voorbij gaan. Maar juist door ons op Hem te richten kunnen wij een relatie met Hem
opbouwen en onderhouden. Daarnaast denk ik, dat als hier meer nadruk op gelegd wordt, dat
al een grote stap is om niet in de valkuil te stappen van het meer vertrouwen op de
programma’s dan op de kracht van God.
Aanbidding in Jungschar.
Het is belangrijk dat de kinderen leren wat het belang van aanbidding is en dat ze het daardoor
zelf gaan willen.
Eenheid is belangrijk in Jungschar en ook in aanbidding, want leiding en kinderen zijn voor
God gelijkwaardig. Maar dat betekent niet, dat iedereen gelijk in aanbidding staat2. Zo zal er
verschil zijn tussen iemand, die al jaren Christen is en iemand die zich net bekeerd heeft. En
ook tussen iemand, die zich regelmatig op God richt en iemand, die zich weinig tot nooit op
God richt. Gelijkwaardigheid ten opzichte van God is dus iets anders dan even ver zijn in
aanbidding.
1 Bart Havenaar, Royal Rangers Schinnen, in een e-mail aan mij.
2
Beek,
H.
van
de,
(2003),
Zeven
misvattingen
over
aanbidding,
http://www.eo.nl/portals/themes/article.jsp?portal=Portal.Thema&article=4444135&theme=5321311
68
Aanbidding wordt breed gezegd op twee manieren ingedeeld1.
Zingen en bidden. Dit kan op vele manieren ingevuld worden. Zingen: variëren in
soorten liederen, muziek, manieren van zingen enz. Bidden: kringgebed, iedereen bid
tegelijkertijd hardop door elkaar, stil gebed, één iemand bid enz.
Aanbidding als levenswijze. Dit houdt in, dat de kinderen niet alleen leren om zich in
de Jungschargroep op God te richten, maar ook om tijdens hun dagelijkse leven God
op de eerste plaats te zetten. Dus eigenlijk om hun hele leven op Hem te richten.
Opvallend is dat hier twee zwaktes van Jungschar elkaar kruizen, aanbidding en
discipelschap. Dit is dus een belangrijk punt. In Jungschar kan dit uiting krijgen in
bijvoorbeeld gespreksgroepen over ervaringen van de kinderen, door de kinderen
opdrachten voor de komende week/maand te geven en die daarna te evalueren enz..
4.3.5 Pastoraat.
Het belang van pastoraat.
Bij pastoraat in Jungschar gaat het erom, dat er persoonlijke aandacht voor elk kind
individueel is en dat dat ondersteund wordt door regelmatig contact met de ouders. Dit is
belangrijk, omdat de kinderen in Jungschar persoonlijk begeleid worden en dat niet zonder
persoonlijke aandacht kan.
Pastoraat in Jungschar.
Het werken in kleine groepjes is iets dat in het buitenland erg goed werkt: als er op elke vijf
kinderen één leiding is, dan kan die leiding tijdens de programma’s persoonlijke aandacht aan
die kinderen geven en voor en/of na het programma met de ouders spreken en deze leren
kennen. Om dit laatste gemakkelijker te maken kan het ook goed zijn om als kinderwerk meer
bekendheid in de gemeenten te krijgen, bijvoorbeeld door eens iets leuks vooraan de
gemeente te doen, door regelmatig in het gemeenteblad te schrijven enz..
1
EO.nl
(Auteur
onbekend)
(2003)
Gezocht:
(aan)bidders,
http://www.eo.nl/portals/themes/article.jsp?portal=5678911&article=3537795&theme=5758030
69
Daarnaast kan de leiding, om de band nog extra te versterken, deze vijf kinderen ook eens een
kaartje of mailtje sturen, eens met de kinderen MSNen en de verjaardagen bezoeken1.
Misschien lijkt die laatste opsomming niet veel bijzonders, maar als soortgelijke methoden
met extra aandacht voor kinderen bewust ingezet worden, moeten ze niet onderschat worden.
Het is me bij Superday, wat niet gericht op relaties is, opgevallen, dat presentator Peter
Verhoog een band met een aantal kinderen wist op te bouwen door extra vroeg te komen en
bij de opbouw voor het programma wat tijd voor kinderen te nemen, die vroeg kwamen.
Relatie opbouwen kan snel gaan, als de methoden maar bewust ingezet worden.
De HGJB vertelde, dat individuele aandacht ook mogelijk is bij groepen waarbij de kinderen
moeilijk in het gareel te houden zijn. De leiding van zo’n groepje zou dan in plaats van
aandacht aan alle vijf de kinderen te geven, dat dan per keer aan één kind kunnen geven.
Daarbij zijn de in de vorige alinea beschreven methoden voor buiten de activiteiten om,
hierbij ook mogelijk.
Bij EC Jugend waren er ook nog groepen die veel last hebben van wisselingen in de leiding en
dat de kinderen als je ze net leert kennen alweer naar de volgende groep gaan. In Nederland
zouden zulke situaties ook gemakkelijk kunnen voorkomen. Voor het eerste probleem is het
belangrijk om leiding te zoeken, die bereid is om zich vaker en langdurig in te zetten. Hierop
ga ik in 4.3.7 verder. Voor het tweede probleem, kan het invullen van schema’s, zoals in het
boek ‘Laat ze toch spelen’ wordt voorgesteld, zie bijlage 4, een oplossing vormen. Deze
schema’s geven informatie over hoe de kinderen zich ontwikkelen. Dit is handig voor de
leiding zelf om te zien of de kinderen vooruit gaan, maar kunnen ook aan de volgende groep
worden doorgegeven, zodat die leiding niet bij nul hoeft te beginnen en er een stukje
continuïteit kan ontstaan. Als er om de twee weken voor één kind een schema wordt ingevuld,
dan is er voor elk kind elke tien weken één schema, dat zijn vier á vijf schema’s per kind per
jaar. Dat geeft een mooi beeld.
1 Dieterich M., Pastoraat aan kinderen.(Leiden: Uitgeverij J.J. Groen en zoon, 1996)
70
4.3.6 Discipelschap.
Het belang van discipelschap.
Het doel van Jungschar is de kinderen te leren hoe ze als volgelingen van Jezus horen te
leven.
Dit is erg belangrijk, omdat ze dan een goede basis hebben om de puberteit in te gaan en de
kans dat ze als volwassenen volgelingen van Jezus blijven dan veel groter is. Maar veel
kerken vinden dat de ouders en scholen hierin een grotere opdracht hebben dan zij. Daarbij
gaan ze er vanuit, dat de ouders en de scholen de kinderen inderdaad een goede
geloofsopvoeding geven. Maar dat hoeft helemaal niet waar te zijn. Vooral als kinderen van
buitenaf worden meegenomen, dan is de kans groot, dat die ouders helemaal niet gelovig zijn.
BEFG vertelde, dat er in Duitsland ook christelijke scholen in allerlei richtingen zijn, maar dat
de kinderen daar weinig meekrijgen en dat zij vinden, dat de kerk hier daarom wel een
opdracht heeft liggen. Volgens mij is de situatie in Nederland niet anders. Volgens ds. Nutma
zou de kerk moeten weten wat de kinderen niet op school krijgen en juist daar de nadruk op
leggen. Hij wijst erop, dat bij de kinderdoop (net zoals bij het opdragen van kinderen) niet
alleen de ouders beloven om het kind christelijk op te voeden, maar dat ook de gemeente ‘ja’
zegt. Volgens hem hebben ouders juist begeleiding vanuit de kerk nodig bij het opvoeden van
hun kinderen.
Discipelschap in Jungschar.
R. Coleman onderscheidt in het boek ‘The Masterplan of Evangelism’ naar het voorbeeld van
Jezus 8 stappen in discipelschap. In de volgende beschrijving heb ik dat meteen vertaald naar
Jungschar.
1. Selecteren, een klein groepje kinderen aan één leiding toewijzen.
2. Associëren, de leiding neemt extra veel tijd voor die kinderen, zonder andere kinderen te
vergeten. Dit kan gebeuren door pastoraat zoals beschreven staat in 4.3.4.
3. Toewijding, de kinderen leren hoe belangrijk Jezus is en leren zich toe te wijden aan de
kerk en bijbehorende kinderactiviteiten. Gehoorzaamheid is hierin erg belangrijk.
71
4. Overgave, de leiding laat door het juiste voorbeeld van het christelijke leven te geven, de
kinderen zien wat van hen als christen verwacht wordt. Hierbij kunnen leiding en kinderen in
kleine groepjes uit elkaar te gaan om over een thema te praten.
5. Demonstratie, de leiding laat door specifieke voorbeelden aan de kinderen zien hoe je als
christen door het leven gaat. Dit houdt ervaringsleren en het volgen van cursussen in.
6. Delegeren, de kinderen krijgen opdrachten om zelf uit te proberen wat zij in bovenstaande
stappen geleerd hebben. Dit kan als minileider binnen de Jungschargroep, maar ook in andere
delen van de kerk. Het is belangrijk, dat de leiding hierbij ook echt wat van de kinderen
verwacht en dat de kinderen naar hun talenten ingezet worden.
7. Supervisie. Door persoonlijke begeleiding tijdens hun verantwoordelijkheden leren de
kinderen deze activiteiten op een steeds betere manier aan te pakken.
8. Reproductie. Als de kinderen jongeren geworden zijn, daaraan toe zijn en het willen,
kunnen zij zelf een groepje kinderen toegewezen krijgen waarbij dit model weer van voor af
aan begint.
Deze 8 punten kunnen op allerlei manieren ingevuld worden. Ik heb hierboven een kort
voorbeeld daarvan geven. Een andere manier staat in het boek The ‘D-factor’ van L. West en
P. Hopkins. Hierin wordt een model voor Bijbelkringen voor kinderen tussen de 8 en 13 jaar
beschreven. Als de kinderen 14 zijn, zouden zij volgens dit boek in staat zijn om zelf een
kring op te starten, waarbij ze nog wel regelmatig terug naar hun eigen kring gaan om hun
ervaringen te bespreken en begeleiding te krijgen.
Het is, hoe discipelschap ook precies ingevuld wordt, belangrijk dat aan de stappen van
Coleman wordt voldaan en dat het bij de gemeente en bijbehorende de kinderwerkers past.
4.3.7 Goed omgaan met vrijwilligers.
Het belang van goed omgaan met vrijwilligers.
Om Jungschar voor langere tijd goed te kunnen draaien is het nodig, dat er genoeg
vrijwilligers zijn die zich met genoeg inzet en enthousiasme inzetten. Maar ook dat deze
vrijwilligers juist door hun enthousiasme niet overwerkt raken. Om dit te kunnen bereiken is
het belangrijk om dit punt goed te doordenken.
72
Goed omgaan met vrijwilligers in Jungschar.
In verschillende boeken over vrijwilligerswerk blijken een aantal zaken essentieel te zijn om
mensen langdurig als vrijwilligers vast te houden. In ‘Sustained volunteerism’ worden deze
zaken als vijf essentiële behoefden van vrijwilligers omschreven:1 (Ik bij deze behoefden
meteen zien hoe Jungschar daar automatisch aan voldoet).
De behoefte aan betekenis (mijn leven heeft zin). De leiding begeleidt een groepje
kinderen om te groeien naar/in een relatie met God.
De behoefte aan impact (mijn handelen is nodig voor succes). Elke leiding krijgt een
duidelijke plek met eigen verantwoordelijkheden.
De behoefte aan competentie (ik ontwikkel mijn talenten hier). Elke leiding zou naar
eigen gaven ingezet moeten worden.
De behoefte aan zelfbepaling (ik kan voor een groot deel zelf bepalen wat ik doe). De
leiding bedenkt zelf programma’s die bij de kinderen passen en eigen initiatief naar
een eigen groepje kinderen toe is belangrijk.
De behoefte aan interpersoonlijk contact (ik heb leuke collega’s). Gemeenschap tussen
zowel leiding en kinderen als tussen de leiding zelf is heel belangrijk in Jungschar.
In Zwitserland is het normaal dat de Jungscharactiviteiten 3½ uur duren waarbij ervoor en
erna nog extra tijd voor de leiding erbij komt. Daarbij vergaderen zij vrijwel elke week
ongeveer 2½ uur lang. De voorbereidingen voor het programma komen hier nog eens bij. Zij
vinden dat deze tijd nodig is.
Maar de activiteiten van de Royal Rangers, die op dit punt goed te vergelijken zijn met die
van Jungschar, duren maar 2 uur en zij redden dat prima. De vele vergaderingen worden
onder andere nodig gevonden om goede programma’s neer te kunnen zetten en om de band
tussen de leiding zelf te versterken. Maar ik denk dat die doelen ook gehaald kunnen worden
met minder vergaderingen, bijvoorbeeld eens per maand, want juist als het de leiding hierdoor
teveel wordt, zal het averechts werken.
Verder vertelden de Studentenkerk, Filadelphia en Jong Nederland dat zij ook mensen
1 Renes R.J., Sustained voluntarism. Justification, motivation and management. (Amsterdam: Vrije
Universiteit, 2005) p. 170
73
inzetten, die geen affiniteit met kinderwerk, maar wel bruikbare talenten hebben, bijvoorbeeld
een kunstenares voor materiaal en psychologen voor boekjes voor leiding. Zo worden de
kinderwerkers ontlast en blijft er meteen meer tijd over om buiten de Jungschargroep om wat
tijd voor de kinderen te nemen, zoals beschreven bij 4.3.5. Daarbij worden de zwaktes ‘de
gavengerichtheid werkt in de praktijk niet goed’ en ‘de leiding en jongeren zien elkaar niet
buiten de Jungschargroep om’ meteen ook een stuk kleiner.
Mocht dit alles toch nog te veel zijn voor een bepaalde kerk, dan lijkt het mij ook mogelijk,
dat een aantal kerken gezamenlijk aan Jungschar doen. Het enige nadeel hieraan is, dat heel
goed gelet moet worden op dat Jungschar wel echt duidelijk een onderdeel van het kerkelijke
werk blijft en niet verweekt tot een losstaand initiatief van verschillende kerken.
Het beste zou volgens mij zijn, als elke Jungschargroep zulke dingen zou vastleggen in een
vrijwilligersbeleid. Daarin kan dan voor langere tijd precies vastgelegd worden wat er van de
vrijwilligers verwacht wordt, omschreven worden wat voor mensen er voor het werk in
Jungschar geschikt zijn en hoe de juiste vrijwilligers gevonden kunnen worden. Het is even
werk om dit alles vast te stellen, maar het levert dan ook veel op.
4.4 Samenvatting.
Jungschar kan theoretisch wel in Nederland passen. Maar er zijn, in verband met de zwaktes
van Jungschar zelf en dat Nederlandse kerken anders zijn dan buitenlandse, wel verschillende
dingen waarop gelet moet worden. Daarbij moeten een aantal vragen beantwoord worden,
zodat Nederlandse kerken Jungschar niet alleen een goed idee vinden, maar ze er ook
daadwerkelijk mee aan de slag kunnen. De meeste vragen heb ik geprobeerd te beantwoorden
door verschillende aspecten van Jungschar verder te doordenken en dan steeds naar het belang
van dat aspect te kijken en hoe het in Nederland ingezet zou kunnen worden. Hieruit is
gebleken dat Jungschar wel degelijk aannemelijk voor Nederlandse kerken gemaakt kan
worden.
74
Hoofdstuk 5. Naar de toekomst.
5.1 Inleiding.
In hoofdstuk 4 is gebleken dat Jungschar, met een aantal aanpassingen, in Nederland kan
passen. Maar daarmee weten we nog niet of er een grote kans is, dat Jungschar ook werkelijk
in Nederland opgestart kan worden.
In 5.2 zal ik bespreken wat voor een plek Jungschar in Nederland zou kunnen innemen.
In 5.3 zal ik al mijn conclusies samenbrengen in een advies aan stichting De Pioniers
Nederland.
5.2 Jungschar, een plekje in Nederland.
Is er al soortgelijk kinderwerk in Nederland?
Onderstaande organisaties herkenden zich, op een aantal kleine verschillen na, in de door mij
geformuleerde Jungscharprincipes zoals beschreven in hoofdstuk 1.4.
Eén in Christus, een onderdeel van Christian Endeavor en verwant met EC Jugend. Zij zijn al
sinds 1923 actief in Nederland, maar hebben op het moment geen groepen meer. Zij pasten
Jungschar toe op jongeren vanaf 14 jaar.
Stichting Kinderevangelisatie. Deze organisatie is in verschillende wijken in Zutphen
werkzaam en werkt met buitenkerkelijke kinderen. Hierdoor is de nadruk op evangelisatie
groter dan op discipelschap, maar doordat achter elk project een specifieke kerk staat (dat
betekent, dat de kerk de vrijwilligers levert, voor de financiën zorgt en dat kinderen, die door
de activiteiten aangeraakt worden bij die kerk terecht kunnen) en doordat jongeren die zich
bekeren verantwoordelijkheden krijgen, discipelschap wel het doel kan blijven. Zij komen
vooral moeilijkheden tegen in de vele structuren die kerken al hebben, waardoor alle mensen
die zich voor de kerk willen inzetten al een taak hebben, hoewel die soms overbodig is. Deze
stichting gaat met zulke kerken praten om te werken naar een punt waarin de overbodige
taken verdwenen zijn en er genoeg mensen beschikbaar zijn voor het kinder-/jeugdwerk. Maar
dit is een lang proces en daar is veel geduld voor nodig.
75
De Royal Rangers, een onderdeel van Royal Rangers International. Dit is een duidelijk
omschreven model voor kerkelijke padvinderij, dat in Nederland in twee kerken actief is. Zij
botsen vooral tegen hun eigen structuren aan, omdat het behoorlijk wat financiële en
tijdsinvesteringen kost om een Royal Rangers groep te worden. Daarbij moet er aan
verschillende internationale richtlijnen voldaan worden. En daar houden Nederlanders niet
van, zie 3.8.2.
Er kunnen nog meer organisaties in Nederland zijn, die soortgelijk werk doen, maar die ik niet
gevonden heb. Veel mensen denken hierbij ook aan Promiseland van Willow Creek, maar die
werken voornamelijk met binnenactiviteiten en missen de doelstelling om de kinderen een
sociaal bewustzijn aan te leren op de manier zoals Jungschar dat wil. Verder herkende YMCA
zich ook in de Jungscharprincipes en ook in hun brochures stond veel dat dat bevestigde.
Maar van verschillende kanten heb ik gehoord, dat dit in de praktijk anders is.
In hoofdstuk 3.2 is al gebleken dat verschillende grote organisaties als de HGJB, Stichting
Opwekking, LDC PKN enz. wel overeenkomstige visies als Jungschar hebben, maar dat maar
gedeeltelijk uitvoeren of alleen de visie ervoor proberen verspreiden.
De kloof tussen de al bestaande organisaties en verschillende kerken.
In de vorige paragraaf bleek, dat de ideeën van Jungschar niet uniek in Nederland zijn. Toch
is in hoofdstuk 3 ook gebleken, dat verschillende kerken op zoek zijn naar beter kinderwerk
en geïnteresseerd zijn de ideeën van Jungschar. Hoe kan het zijn, dat deze ideeën hen niet al
veel eerder bereikt hebben? Uit de gesprekken en later e-mail contact blijken volgende punten
mee te spelen:
Door gebrek aan tijd en geld kunnen de overkoepelende organisaties niet regelmatig
en niet te intensief contact met hun groepen hebben om te zien of zij hun kinderwerk
op een juiste manier invullen. De kerken hebben tijdens dit onderzoek aangegeven dat
veel ideeën hen wel goed maar onuitvoerbaar lijken. Deze combinatie is een probleem.
Volgens de Evangelische Gemeenschap Enschede en de Studentenkerk is er een
overschot aan aanbod voor kerkelijk kinderwerk en is het te moeilijk om hieruit te
kiezen. Volgens de Studentenkerk zou al het materiaal on-line beschikbaar moet zijn.
Kerken willen wel een voorbeeld voor hun kinderwerk hebben, zonder dat iemand hen
76
precies verteld hoe ze hun kinderwerk moeten indelen. Dat kan als gevolg hebben, dat
de overkoepelende organisaties niet de kans krijgen om hun ideeën uit te leggen en dat
visies die te moeilijk klinken snel overboord gegooid worden.
5.3 Het advies aan Stichting De Pioniers Nederland.
Naar aanleiding van alles wat uit dit onderzoek is gebleken, raad ik stichting De Pioniers
Nederland aan de volgende stappen te ondernemen:
1. Een nieuwe naam voor Jungschar bedenken en concreet beschrijven wat ‘Nederlandse
Jungschar’ inhoudt.
Ik heb in deze scriptie uitgelegd wat Jungschar is en daarbij gewezen op aandachtspunten,
vragen gesteld en aanpassingen voorgesteld om het toepasselijk voor Nederland te maken.
Maar dit alles moet nog concreet gemaakt worden en er zullen nog vragen beantwoord
moeten worden, waar ik niet aan toe gekomen ben. Bijvoorbeeld:
Hoe kan Jungschar in Nederland het beste heten? Het Duitse woord Jungschar roept
veel negatieve associaties en vraagtekens over de betekenis ervan op. De engelse naam
Young Stars wekt daarentegen veel gelach op en lijkt mij daarom ook niet bruikbaar.
Er moet dus een nieuwe naam komen, die in Nederland wel goed valt.
Is 6-13 een goede leeftijdgrens? In Duitsland gaan de kinderen met 6 jaar naar de
basisschool en in Zwitserland met 7. Maar de Nederlandse scholen zijn van 4ongeveer 12 jaar. Mij lijkt het veel beter om Jungschar daarop aan te passen, zodat het
helemaal in het levensritme van de kinderen past.
Bij het concreet beschrijven van Jungschar is het belangrijk om er enerzijds verschillende
toepassingsmogelijkheden bij aan te geven, om te voorkomen dat mensen het als een
vastomlijnd model gaan zien en bij voorbaat al afwijzen. Maar om anderzijds ook duidelijk
aangeven waar de grenzen liggen, zodat Jungschar wel Jungschar blijft.
Daarnaast is het belangrijk dat de banden die De Pioniers met Zwitserland heeft een stuk
losser worden, omdat dingen die in Zwitserland erg belangrijk gevonden worden (padvinderij,
structuur, veel tijdsinvestering) veel kerken in Nederland afstoot. Hiervoor moet ook alles wat
77
De Pioniers tot nu toe gedaan heeft grondig doorgenomen worden. Zo is mij bijvoorbeeld
opgevallen, dat paklijsten van De Pioniers sterke overeenkomsten hebben met die van
cursussen uit Zwitserland. Ook bij zulke dingen zal er goed over nagedacht moeten worden
wat nu werkelijk in Nederland nodig en passend is.
2. Contact zoeken met organisaties die soortgelijk werk doen.
Om niet nog meer verwarring te zaaien binnen het Nederlandse kerkelijke kinderwerk is het
belangrijk, dat De Pioniers gaat samenwerken met de in 5.2.1 genoemde organisaties, die daar
overigens positief tegenover staan. Zij kunnen dan samen uiteenzetten wat hun
overeenkomsten en verschillen zijn en op die manier gezamenlijk de kerken benaderen.
Kerken kunnen dan veel gemakkelijker uit deze organisaties kiezen wat bij hen past. Hierdoor
zullen al deze organisaties veel meer kans hebben om zich (verder) door Nederland te
verspreiden.
3. Contact met grotere organisaties zoeken.
De overkoepelende organisaties hebben minder mogelijkheden om intensief met één kerk
samen te werken als kleine organisaties dat hebben. Maar zij hebben wel meer mogelijkheden
om te zien wat verschillende kerken nodig hebben. De kleine organisaties kunnen dus dat
waar de grote organisaties niet aan toe komen, aanvullen en de grote organisaties kunnen de
kleine helpen om de juiste kerken te vinden.
Onder andere de HGJB en Stichting Opwekking hebben gezegd graag met anderen samen te
werken, zolang er maar een win-win situatie in zit. Stichting Lava en Stichting Ezra werken er
al aan om de juiste organisaties en kerken bij elkaar te brengen en willen dat ook graag voor
Jungschar doen.
4. Uitzoeken hoe de cursussen het beste kunnen plaatsvinden.
In Nederland zijn cursussentrajecten zoals bij Jungschar op het gebied van kinderwerk uniek.
Alleen de Royal Rangers geven vergelijkbare cursussen in binnen- en buitenland, waarvan de
meeste ook voor buitenstaanders toegankelijk zijn.
78
Het is belangrijk, dat De Pioniers uitzoekt wat (aangepast) uit het buitenland gehaald moet
worden of in hoeverre er een lijn ontwikkeld kan worden in de al bestaande cursussen in
Nederland. De meeste cursussen van Nederlandse organisaties staan voor buitenstaanders
open.
Omdat Jungschar een aantal specifieke aspecten heeft, zullen de cursussen aangevuld moeten
worden. Hiervoor is Melanie Vermaak, werkzaam bij Jong Nederland, erg geschikt. De
manier waarop ik outdoor boven opnieuw definieerde komt van haar. Zij en een aantal
mensen, die zij kent hebben hier erg veel kennis over en kunnen voor cursussen ingehuurd
worden.
De NCSU kan ook bij cursussen ingehuurd worden. Zij zijn niet christelijk meer, maar weten
wel heel goed hoe sport als ervaringsleermethode in te zetten is.
Verder moet er nog over nagedacht worden hoe jongeren die geen affiniteit met kinderwerk
hebben ook in hun gaven begeleid kunnen worden. In de bestaande cursustrajecten is daar
geen ruimte voor, maar om Jungschar bij alle jongeren tot zijn recht te laten komen, is het
belangrijk om daar een oplossing voor te bedenken. Bijvoorbeeld, iemand die gaven voor
orgel spelen heeft kan gestimuleerd wordt om les daarin te nemen en daarbij aan de hand van
de organist steeds meer ruimte krijgen om dit binnen de kerk in te zetten.
5. Volgens een adviserende en procesmatige werkwijze te werk gaan.
Omdat de mogelijkheden die de overkoepelende organisaties bieden voor veel kerken niet
genoeg is om hun kinderwerk te verbeteren, blijkt dat zij organisaties nodig hebben, als
Stichting Kinderevangelisatie, die hen in een proces daartoe begeleiden. Dat houdt in: met
kerken praten, die hun kinderwerk wel willen verbeteren, maar waarbij dat niet zo eenvoudig
kan. En dan gezamenlijk werken naar een punt waarin de obstakels verdwenen zijn en het
werk opgestart kan worden. Dit is geen eenvoudig en snel proces!
5.4 Samenvatting.
In dit hoofdstuk is gebleken, dat Jungschar geen totaal nieuwe ideeën voor Nederland bevat,
maar dat het een variant is van soortgelijk kinderwerk. Organisaties met soortgelijke ideeën
79
en/of werkzaamheden, hebben moeite om de kerken die dat nodig hebben, hiermee te
bereiken. Daarom is het belangrijk, dat deze organisaties gaan samenwerken en gezamenlijk
proberen om door grotere organisaties heen de juiste kerken te bereiken. Door deze
samenwerking kunnen de kerken in één oogopslag zien wat er op dit gebied te bieden is en
kunnen zij kiezen voor datgene wat het beste bij hen past. De werkwijze van deze organisaties
zou dan zo moeten zijn, dat zij kerken begeleiden om in het tempo van de kerken zelf naar een
overeengekomen doel te groeien. Aan het einde van het hoofdstuk heb ik een advies aan De
Pioniers uitgebracht, dat bestaat uit een stappenplan gebaseerd op bovenstaande gedachten.
80
Conclusie.
In hoofdstuk 1 is gebleken, dat Jungschar een vorm van kerkelijk kinderwerk is voor kinderen
tussen de 6-13 jaar, dat uit 19de eeuwse protestbewegingen is voortgekomen. Het woord zelf
wordt alleen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland gebruikt, maar soortgelijk kinderwerk is
ook in andere delen van de wereld te vinden. Jungschar is tweeledig, aan de ene kant is het
naar binnengericht op discipelschap en aan de andere kant naar buitengericht op missionair
werk en evangelisatie. Maar weinig Jungscharorganisaties hebben een duidelijke Bijbelse
onderbouwing voor hun werk. Wat er is is voornamelijk afgeleid uit het handelen en spreken
van Jezus.
In hoofdstuk 2 is gebleken, dat de Bijbelse onderbouwing van Jungschar mager, eenzijdig en
bij sommige teksten twijfelachtig is. Jungschar zelf blijkt erg sterk te zijn op het gebied van
relaties en aantrekkelijke activiteiten, waarbij het gevaar heerst, dat de leiding eerder daarop
vertrouwt, dan op de kracht van God. Zwaktes van Jungschar ontstaan doordat
Jungscharorganisaties wel goed weten wat ze willen, maar verschillende van hen niet denken,
dat dit werkelijk haalbaar is en er daarom geen structuren voor ontwikkeld hebben.
In hoofdstuk 3 is gebleken, dat de ideeën van Jungschar positief door de kerken ontvangen
worden en dat de overkoepelende organisaties dezelfde ideeën als Jungschar hebben. Maar
desondanks lijkt het, om allerlei praktische redenen, dat Jungschar niet daadwerkelijk
uitgevoerd kan worden. Een positief punt is, dat de Rooms Katholieke kerk, die op het
moment sterk opzoek is naar vernieuwing, veel interesse in Jungschar toonde. Een
aandachtspuntje is, dat er rekening gehouden moet worden met de vele verschillende
geloofsrichtingen, omdat zij zo nu en dan verschillend naar de principes en methoden kijken.
In hoofdstuk 4 is gebleken, dat door het opnieuw doordenken van een aantal aspecten van
Jungschar, de problemen die uit hoofdstuk 2 en 3 naar voren kwamen, overbrugd kunnen
worden zonder dat er doelen niet gehaald worden. Daarnaast heb ik in dit hoofdstuk op een
aantal zaken gewezen, waar Jungschar in Nederland op zou moeten letten.
In hoofdstuk 5 is gebleken, dat omdat er een overschot aan aanbod in het kerkelijke
kinderwerk is en er een kloof bestaat tussen overkoepelende organisaties en een aantal van
hun kerken, het naast de conclusies uit hoofdstuk 4 ook belangrijk is, dat De Pioniers
81
Nederland gaat samenwerken met kleine soortgelijke organisaties en de grote overkoepelende
organisaties.
Algemene conclusie.
Mijn probleemstelling was:
Jungschar wordt in vele landen op een succesvolle manier uitgevoerd, maar in Nederland
komt het niet van de grond. Past Jungschar wel in Nederlandse kerken? Zo ja, wat is er dan
voor nodig om Jungschar ook in Nederlandse kerken succesvol op te kunnen zetten?
Mijn motivatie voor dit onderwerp kwam voort uit nieuwsgierigheid of mijn stagebegeleider
in Zwitserland, die beweert dat Jungschar in Nederland nodig is, omdat het Nederlandse
kerkelijke kinderwerk te weinig op discipelschap gericht is, gelijk heeft of niet.
In deze scriptie is gebleken, dat hij geen gelijk heeft. Toch kan Jungschar een goede
aanvulling kan zijn op wat er al is. En omdat het aanbod binnen het kerkelijke kinderwerk
onoverzichtelijk is, kan het door het werk op een goede samenwerkende manier op te starten,
ook daarin iets betekenen. Vanuit dat oogpunt wordt het toch erg interessant om uit te zoeken
wat ervoor nodig is om Jungschar in Nederland op te zetten.
Na dit onderzoek blijkt dat het probleem waar De Pioniers Nederland voornamelijk tegenaan
loopt is, dat Jungschar in het buitenland als een model gebruikt wordt, iets dat in Nederland al
bij voorbaat afkeer oproept. Daarbij lijkt Jungschar voor Nederlandse kerken onuitvoerbaar.
Een verder probleem is, dat er in het Nederlandse kerkelijke kinderwerk zoveel aanbod is, dat
het voor de kerken heel moeilijk geworden is om hieruit een passende keuze te maken.
Gelukkig is in deze scriptie ook gebleken, dat deze problemen niet onoverbrugbaar zijn. Door
een aantal aspecten van Jungschar breder te bekijken en een taalkundige aanpassing in twee
principes door te voeren, kunnen de principes, succesfactoren en de meeste sterktes toch
gewoon in Nederland passen.
Maar hiermee zijn we pas halverwege de oplossing. Om te voorkomen dat het Nederlandse
kerkelijke kinderwerk nog onoverzichtelijker wordt, is het belangrijk, dat De Pioniers
82
Nederland gaat samenwerken met organisaties, die soortgelijk werk doen. Hierdoor zal voor
de kerken duidelijk worden welke keuzes zij in deze richting hebben en kunnen zij
gemakkelijker een keuze daaruit maken. Verder is het belangrijk om ook met grote
organisaties samen te werken, om de juiste kerken te bereiken en het werk van deze
organisaties aan te vullen. Alle organisaties, die ik gesproken heb zijn bereid tot
samenwerking, hoewel voor de grote organisaties wel heel duidelijk moet zijn wat het hen
oplevert.
Mijn advies aan Stichting De Pioniers Nederland heb ik vanuit bovenstaande gedachten
geformuleerd in het volgende stappenplan:
1. Een nieuwe naam voor Jungschar bedenken en concreet omschrijven wat ‘Nederlandse
Jungschar’ inhoudt.
2. Contact zoeken met de organisaties die soortgelijk werk doen.
3. Contact met grote organisaties zoeken.
4. Uitzoeken hoe de cursussen het beste gehouden kunnen worden.
5. Volgens een adviserende en procesmatige werkwijze te werk gaan.
Wat verder onderzocht moet worden.
Dit onderzoek is een breedteonderzoek geweest om een advies uit te kunnen brengen. Daarom
ben ik niet in staat geweest om diep op de behandelde onderwerpen in te gaan. Deze scriptie
bevat daarom geen afsluiting van een onderzoek, maar een aanzet tot meer.
Vragen die nog openstaan:
Waarom bestaat er een kloof tussen de visies van de overkoepelende organisaties en
dat wat de kerken doen? Dit heb ik gedeeltelijk in 5.2.2 onderzocht.
Hoe staan al die kerken, die niet op mijn aanvraag voor een gesprek gereageerd
hebben ten opzichte van Jungschar?
Is het overzicht uit 5.2.1 van organisaties met soortgelijk kinderwerk compleet? Zo
niet, dan is het belangrijk om ook die organisaties op te sporen en te proberen om ook
hen in de samenwerking te betrekken.
Hoe kan ervoor gezorgd worden, dat elke leiding cursussen volgt?
Hoe kunnen activiteiten in regiogemeenten door de weeks georganiseerd worden?
83
Hoe kan Jungschar in het tijdsschema van de kinderen en ouders passen?
In hoeverre moeten en kunnen kerk, ouders en scholen samenwerken?
Maar ook als al het hierboven beschrevene duidelijk geworden is, dan is het nog de vraag of
de conclusies van dit theoretische onderzoek ook in de praktijk zullen gaan werken. Dat zal
nog erg spannend worden en is eenvoudigweg een kwestie van uitproberen, evalueren en
reflecteren.
84
Bijlage 1. Vragenlijst voor Jungscharorganisaties.
Op deze vragenlijst hebben CVJM, EC Jugend (4 keer), EMK, Youthnet, BESJ, KJÖ en
BEFG geantwoord.
Frageliste für Jungscharorganisationen.
Name Organisation:
Da JS-Gruppen verschiedene Sachen verschieden machen können, geht es mir bei diesen Fragen um
verallgemeinte Antworten über deine JS-gruppen.
1. Prinzipien der Jungschar:
- In der JS ist Jesus die Basis.
- Jungschargruppen gehören immer zu einer Kirche.
- Von der Jungschar aus werden viele Kinder ausserhalb der Kirche erreicht.
- In der JS sind alle (Leiter/Mitarbeiter und Kinder) zusammen eine Einheit.
- In der JS steht das Kind im Zentrum. Die Leiter/Mitarbeiten versuchen den
Glaube, die Persönlichkeit und das soziale Bewusstsein des Kindes zu
fördern.
- In der JS werden die Kinder betreut um innerhalb und ausserhalb der Kirche
in allen Bereichen des Lebens zu Jüngern von Jesus zu werden. Dabei ist
erleben ganz wichtig. Die kinder müssen nicht nur wissen wie das christliche
Leben gelebt werden muss, aber sie müssen selber erleben was es ist.
- In der Jungschar lernen die Kinder, dass es mehr gibt als Computerspiele und
Fernsehen. In die Natur erfahren sie Gottes Schöpfung erst richtig.
- In der Jungschar haben die Kinder viel Spass und werden sie
herausgefordert, damit sie lernen, dass Glaube auch Spass macht und damit
die Leiter/Mitarbeiter und Kinder einander immer besser kennenlernen
können.
- Die Qualität der Jungschararbeit wird höher durch die Ausbildung junger
Menschen in Kursen.
Die wichtigste Methoden die dazu gehören sind:
- viele Gemeinschaftszeit, plaudern, Sport und Spiel nur zum Spass usw.
- Sportaktivitäten
- Spiele, indoor und outdoor
- Projekten/Actionen
- Lagers
- eine Andacht bei jedem Jungschartreffen
- geistliche Themen und Spiele/Actionen miteinander verknöpfen
- die Kinder Mitspracherecht und immer mehr Verantwortlichkeit geben
- Überlegung mit der Dachorganisation, der Kirche wozu die Gruppe gehört und
den Eltern der Kinder.
- Um auch Kinder ausserhalb der Gruppe erreichen zu können, sind die Kinder
oft draussen damit sie gesehen werden und werden sie gefördert Freunden
und Freundinnen in die Jungschar mitzunehmen.
Ist das deiner Meinung nach eine gute Zusammenfassung von der Jungschararbeit?
Wenn nicht, was muss dann anderes?
2. Nenne drei Stärken des Jungscharmodelles.
3. Nenne drei Schwäche des Jungscharmodelles.
85
4. Was macht die Jungschar anders als alle anderen Arten von Jugendarbeit?
5. Kinder haben in der Jungschar auch Mitspracherecht. Wie viel Mitsprache haben sie
bei Ihnen genau und wie sorgen die Leiter/Mitarbeiter dafür, dass sie schlussendlich
doch die Leitung behalten?
6. Wie viel Verantwortlichkeit können die Kinder in der Jungschar bekommen und wie
sorgen die Leiter/Mitarbeiter dafür dass die Kinder nicht überfordert werden?
7. Was sind bei euch die wichtigsten Methoden in den folgenden Bereichen:
- geistlich
- Förderung der Beziehungen untereinander
- sozial (z.B. Geld sammeln für die dritte Welt)
- erlebnishaft
8. Haben eure JS Gruppen alle ihre eigene methodische Schwerpunten oder gibt es
Methoden, die alle Gruppen regelmässig machen?
9. Wie sorgen die Leiter/Mitarbeiter in der Jungschar dafür, dass sie die Kinder gut
genug kennenlernen, damit sie ihre Geistesgaben anerkennen können?
10. Was versteht ihr unter Jüngerschaft? Ist das in der Jungschar erreichbar? Wenn ja,
wie?
11. Kann jemand bei euch auch JS Leiter/Mitarbeiter werden ohne Kurse besucht zu
haben? Wenn ja, was sind in dem Fall die Kriterien um JS Leiter/Mitarbeiter werden zu
können?
Wenn du noch Anmerkungen hast, dann kannst du das hierunten aufschreiben.
Danke für das Ergänzen!
86
Bijlage 2. Waar ik op gesprek ben geweest.
Kerkelijke richtingen.
Katholiek1
Overkoepelende
Aartsbisdom
organisaties
Utrecht/
Landelijke
coördinator
jongerenpastoraat,
kinderkerk
en
catechese
Oud
Katholieke kerk
Kerken
Studentenkerk
Radboud
Universiteit
Nijmegen (Rooms
Katholiek)
Reformatorisch
HGJB/ CGJO/
LDC PKN
Baptist2
NBJB
Evangelisch
Pinkster
St. Opwekking/ St. Ezra
Julianakerk
(Hervormd,
Veenendaal, HGJB)/
PKN Maarssenbroek
(LDC)/
Gereformeerde kerk
Terneuzen (CGJO)
Elim
(Heerenveen, vrij)/
De Ark (Schagen,
vrij) (e-mail)
Evangelische
Gemeenschap
Enschede/
Steg Leiden
(e-mail)
Filadelphia (Arnhem)/
Royal Rangers Schinnen
Overige organisaties/personen
Outdoor
Melanie Vermaak,
Jong Nederland
YMCA Nederland
Zou op Jungschar
Lijken
Eén in Christus
Kinderevangelisatie Stichting Kinderevangelisatie
Exalt
Discipelschap
ds. Nutma
Sport
NCSU
Athlets in Action
Enige
bestaande De Bringenborg
Pioniersgroep
Kinderwerk Rooms Stichting Samuël
katholieke kerk
1 Ik heb hierbij maar één kerk gesproken, omdat de Rooms Katholieke kerk door veel veranderingen
gaat en het daarom zinvoller leek om met Stichting Samuël te spreken, die zich daarmee bezig houdt.
Bij de Oud Katholieke kerk is het mij niet gelukt om een afspraak met een kerk te maken.
2 Het is mij niet gelukt een unie Baptisten gemeente te spreken. Daarom zal ik ook uit eigen ervaring
in unie Baptisten gemeente De Rank in Utrecht spreken, waar ik vanaf mijn geboorte opgegroeid ben
en sinds ongeveer 10 jaar in het kinderwerk meewerk.
87
88
Bijlage 3. Voorbeeldkaarten voor activiteiten in de omgeving1.
Dorp.
Stad.
1 Vlerk D. van der, Inspireren tot leren. Het ontwerpen van een uitdagende leeromgeving. (Bussum:
Uitgeverij Coutinho, 2005) p. 44
89
90
Bijlage 4. Voorbeeld schema’s om de voortgang van de kinderen bij te houden.1
1 Moyles J. Both K. (red.), Laat ze toch spelen. De rol van het spel van jonge kinderen. (Nijkerk:
Uitgeverij Intro) pp. 126-129
91

Vergelijkbare documenten