bel ayre - Festival Vlaanderen – Mechelen

Commentaren

Transcriptie

bel ayre - Festival Vlaanderen – Mechelen
ZA 2 mei 2015
Troonzaal Gerechtsgebouw
20:15
B e l Ay r e
Lieselot De Wilde dessus
Coline Du t illeul alto
V i n c en t Les ag e ta i l l e
j o ri s s t ro o ba n t s b a s s u s
Pieter Theuns theorbe & aartsluit
S o f i e Va n d e n E y n d e t h e o r b e & l u i t
liam byrne, romina lischka
viola da gamba
In samenwerking met
Cultuurcentrum Mechelen
37
Pierre Guédron — Heureux qui peut se plaindre
Claudin de Sermisy — Tant que vivray
Gabriel Bataille — Patoureau
Etienne Moulinié — Amarillis souffre qu’on l’ayme
inst r umentaal t ussenst uk
Gabriel Bataille — Que douce est la violence
Ma bergère non légère
inst r umentaal t ussenst uk
Michel Lambert — Laisse moy soupirer
Etienne Moulinié — Amis enivrons-nous
inst r umentaal t ussenst uk
Michel Lambert — Ombre de mon amant
Le repos, L'ombre, Le silence
Tout l’univers obéit à l’amour
Dit concert wordt opgenomen door Klara
en wordt uitgezonden op maandag 18 mei 2015 tussen
20:00 en 22:00 in het programma Klara Live
A i r
d e
c o u r
De geschiedenis van de Franse barokke kunst overlapt grotendeels met de geschiedenis van de kunst aan het koninklijke hof. Meestal
was kunst in de Franse barok niets meer dan een vehikel om de koninklijke macht te legitimeren en te vergroten, en was geen medium te groot
om dat doel te bereiken. Toch klonk er aan het Franse hof ook muziek
van een meer bescheiden dimensie. De eenvoudige liederen die samen
de air de cour representeren, werden voornamelijk binnenskamers aan
het hof uitgevoerd, maar ontplooiden zich plaatselijk niettemin tot het
populairste vocale genre op seculiere tekst.
Toen Lodewijk XIII (1601-1643) in 1610 zijn vader Hendrik IV
opvolgde als koning van Frankrijk, trad zijn moeder op als regent. Ook
tijdens zijn volwassen leven liet Lodewijk XIII het afhandelen van staatszaken grotendeels over aan de expertise van anderen, voornamelijk van
zijn eerste minister kardinaal Richelieu. Om de macht van de koning te
vergroten (en die van zijn entourage, waartoe de kardinaal zelf behoorde),
centraliseerde Richelieu alle macht rechtstreeks rond de koning. Vanaf dat
moment heerste er in Frankrijk de absolute monarchie: de koning stond
aan de top van de hiërarchie, was de facto hoofd van staat en kerk, en
moest aan niemand rekenschap afleggen. Om deze absolute macht staande te houden, spande Richelieu onder andere de kunst voor zijn kar. Hij
trok de beste kunstenaars en componisten uit Frankrijk aan en gaf hun een
plaats binnen de uitgebreide hofhouding. De onuitgesproken voorwaarde
was dat elke kunstvorm voortaan in het teken zou staan van het onvoorwaardelijk prijzen van de koninklijke gloire.
Aan het hof van Lodewijk XIII bekleedde de muziek een voorkeursplaats. Lodewijk XIII was zelf een begenadigd luitist en droeg zelfs
de bijnaam Le roi des instruments. Ter persoonlijk vermaak organiseerde hij
regelmatig private concerten waarbij hij vooraanstaande muzikanten uit
het hele land ontving. Voor zijn eigen entertainment, wanneer er dus geen
lof te bezingen viel, toonde hij een voorkeur voor lichtvoetige en sobere
liederen. In deze context floreerde tijdens het koningschap van Lodewijk
XIII de zogenaamde air de cour: een wereldlijk vocaal genre dat eenvoudige
b e l ay r e
39
teksten op muziek zette, al dan niet begeleid door een akkoordinstrument.
De term air de cour verscheen voor het eerst in een verzameling liederen
Airs de cour miz sur le luth van Adrian Le Roy, uit 1571. Le Roy stelt in zijn
voorwoord dat hij “een licht, simpel type lied presenteert dat voordien als
vaudeville bekend was”. Uit de term ‘vaudeville’ (of ‘voix de ville’) blijkt dat
de air de cour zijn oorsprong heeft in de volkscultuur: het gaat om gemakkelijk zingbare melodieën en teksten met eenvoudige tot soms triviale onderwerpen. Daarnaast is het zeer waarschijnlijk dat improvisatie een grote
rol speelde. De airs de cour van Adrian Le Roy zijn geschreven voor solostem met luitbegeleiding. Tegen het einde van de zestiende eeuw duiken
vooral meerstemmige airs op (vier- of vijfstemmig was de standaard, met
uitspringers van zes tot acht stemmen). In een slotstadium, vanaf 1650,
schreven componisten hun airs opnieuw overwegend voor solostem en begeleiding. Hoewel de air de cour in principe een volledig zelfstandig genre
was, stond het in sterke verbinding met het ballet de cour: een populaire
kunstvorm aan het hof die dans, poëzie en muziek vermengde en zo de
meest rechtstreekse voorloper is van de Franse opera. In een ballet de cour
diende een air de cour vaak als introductie tot een bedrijf of als entrée. Vele
verzamelingen van airs de cour zijn dan ook een bundeling van fragmenten
uit de meest succesvolle ballets de cour.
Het woord air is strikt genomen gewoon de Franse benaming voor
een zangstuk. In Engeland gebruikte men dezelfde term en de Italiaanse
aria en Duitse Arie zijn rechtstreekse verwanten. Toch verschillen ze in
ontwikkeling. Reeds in de zeventiende eeuw ontwikkelde de Italiaanse
aria zich tot een conventionele vorm die een vast ingrediënt werd van de
(van oorsprong Italiaanse) opera. In Frankrijk en Engeland bleef de air
een eenvoudig zangstuk met enkele variabele kenmerken. De komst van
de Italiaan Jean-Baptiste Lully aan het Franse hof bracht daar enigszins
verandering in: in zijn vroege balletten zoals Ballet d’Alcidiane uit 1658
componeerde hij aria’s in de stijl van het air de cour, maar wanneer hij
een decennium later de Franse opera (de tragédie en musique) ontwikkelde,
standaardiseerde hij de vorm tot een strengere structuur, de zogenaamde
air à chanter. De air de cour en de air à chanter bleven een tijdje naast elkaar
bestaan, tot de air de cour aan het einde van de zeventiende eeuw opgeslorpt werd door de cantate.
40
b e l ay r e
Het is erg opvallend en hoogst eigenaardig dat de air de cour lange
tijd immuun bleef voor buitenlandse ontwikkelingen en bovendien enkel in
Frankrijk bekend was (enkele Engelse vertalingen niet te na gesproken). De
Italiaanse madrigaalstijl van Monteverdi en Gesualdo zaaide inmiddels vernieuwing in de meeste andere Europese muziekcentra door hun liberaal gebruik van dissonantie en chromatiek. De air de cour springt uit door zijn eenvoudige muziek: de melodie is vlot zingbaar, het stembereik overschrijdt het
octaaf nauwelijks en vrije dissonanties zijn uit den boze. De tekst van airs de
cour zijn meestal liefdesliederen, maar ook drinkliederen komen vaak voor. In
veel gevallen gaat het om vertaalde Italiaanse teksten van auteurs als Petrarca,
Torquato Tasso en Giovanni Battista Guarini, wat eens te meer de vraag doet
rijzen waarom de air de cour nooit door de Italiaanse muzikale stijl werd beïnvloed. Vanaf 1650 maakten de meeste componisten een onderscheid tussen de air sérieux en de iets volksere air à boire. De meeste airs de cour zijn
strofisch: verschillende tekst klinkt op dezelfde muziek (of lichtjes gewijzigd
in functie van het metrum van de tekst; men noemt dat de air varié), vaak afgewisseld of beëindigd met een refrein. De meeste airs hebben een AAB- of
AABB-structuur. Hoewel polyfone airs bestaan, vooral in het oudere repertoire, was homofonie de standaard. Wanneer er een begeleidingsinstrument
wordt voorgeschreven, speelt het gewoonlijk in een licht akkoordische stijl.
Daarnaast is de syllabische zetting van de tekst, waarbij elke lettergreep een
noot krijgt, heel typisch voor de air de cour. Dit principe werd aanvankelijk
zeer ver doorgedreven: langere lettergrepen in de gesproken taal kregen een
lange noot, en korte lettergrepen een korte noot. Dit procedé, dat men musique mesurée noemt, was een ware trend in de late zestiende eeuw en dateert
van het Frans humanisme. Teruggrijpend naar de klassieke idealen streefden
componisten naar een doorgedreven samenhang tussen tekstdeclamatie en
melodie. Omdat de lengte van de noten afgeleid werd uit de declamatie van
de tekst en niet uit de logica van de muziek zelf, vallen vroege airs de cour
op door ritmisch en metrisch onregelmatige patronen. Vanaf de vroege zeventiende eeuw beschouwden componisten van airs de cour dit kunstmatige
procedé niet langer als verdedigbaar op een dergelijke strikte manier, maar
onregelmatigheid in ritme bleef een belangrijk kenmerk.
Naast de airs van Adrian Le Roy zijn de airs van Charles Tessier
(1550-1600) de vroegste voorbeelden. Tegelijk vormen zijn liederen een uitb e l ay r e
41
zondering op de regel dat de air de cour een uitdrukkelijk Franse stijl is. In
1580 bezocht Tessier Engeland, waar hij John Dowland verschillende keren ontmoette. De monodische stijl van Tessiers airs, eenstemmige melodie
met simpele begeleiding, is een Engelse variant van de Italiaanse liedkunst.
Als belangrijkste componist van de air de cour geldt Antoine Boësset (15861643), die zowat alle muzikale posten heeft bekleed aan het hof van Lodewijk XIII. In negen verzamelingen die hij uitgaf tussen 1617 en 1642 zijn
honderden airs overgeleverd van zijn hand, waarvan het overgrote merendeel
vier- of vijfstemmig. Boëssets airs onderscheiden zich door een grote melodische vindingrijkheid: door expressieve contrasten in ritme en melodie geeft
hij de poëtische teksten een extra dimensie. Vanaf zijn zevende bundel airs,
uit 1630, duikt meerdere malen de frase ‘basse continue pour les instruments’
op. Deze airs belichamen het vroegste gebruik in Frankrijk van de basso continuo, een becijferde baslijn die de tabulatuurnotatie verving en meer ruimte
liet voor persoonlijke inbreng van de muzikant. Sebastien Le Camus (16101677) volgde Antoine Boëssets zoon Jean-Baptiste op als muzikaal hoofdintendant aan het hof van Lodewijk XIII. Ook hij maakt gebruik van een basso
continuo, die zich vaak heel onafhankelijk en levendig ontvouwt. Naast airs
in de standaardvorm AAB of AABB componeerde hij vaak airs in rondeauvorm, met terugkerend refrein na elke strofe. Als vertegenwoordiger van de
late air de cour geldt Michel Lambert (1610-1696), die zanger en danser was
in de muzikale kring van Lodewijk XIV. Naast airs componeerde Lambert
ook een aantal balletten, in samenwerking met Lully die getrouwd was met
Lamberts dochter Madeleine. De driehonderddertig airs die van Lambert
bewaard bleven, zijn prototypes van de air sérieux. Zijn muziek wordt vaak
beschouwd als het hoogtepunt van de Franse vocale stijl van de barok.
De muzikanten van het jonge Belgische barokensemble Bel Ayre
stellen zichzelf expliciet tot doel om het subtiele genre van de air de cour
een persoonlijke invulling te geven. Met het nodige oog voor detail gaan
ze zo op zoek naar wat deze muziek vandaag nog tot spreken brengt: de
menselijke emotie.
Arne Herman
42
b e l ay r e
BEL AYRE
Bel Ayre (uitgesproken als ‘bel air’) betekent letterlijk 'mooi lied'. Het woord 'Ayre'
had rond 1600 bijna overal in Europa dezelfde schrijfwijze en betekenis. En zo vat
de groepsnaam meteen samen waar Bel Ayre voor staat: sinds hun oprichting vertolken zij de mooiste liederen uit het rijke barokrepertoire. Aan de hand van verrassende
verhaallijnen, frisse combinaties uit het repertoire en een begeesterende stijl willen zij
deze muziek herkenbaar maken voor zowel de kenners van het genre als een publiek
dat minder vertrouwd is met deze muziek. Want dat muziek tot het hart kan spreken is
één van haar meest evidente maar tegelijk ook meest unieke krachten: muziek ontstaat
in het nu en creëert daardoor een tijdloosheid die de tijd van eeuwen terug met die van
vandaag verbindt.
Bel Ayre ontstond in 2010 als trio rond de bezetting zang, theorbe en viola da
gamba. Vanaf 2014 wordt de groep steeds aangevuld met muzikanten van topkwaliteit.
Sinds hun ontstaan concerteerde het ensemble op concertlocaties en festivals zoals
Bozar, Operadagen Rotterdam, festival van het Venetian Centre for Baroque Music,
New Years’s Music Festival Gstaad, Promenades Musicales du Pays d’Auge, live op
France Musique, live op radio Klara, Klara Festival on Tour, Zomeravondconcerten aan
zee, Dag van de Oude Muziek in Alden-Biesen en Amuz. In 2011 waren zij Selected
Promising Ensemble van IYAP, in 2013 kregen ze de kans om zich te presenteren op
de recitals van de Jonge Oost-Vlaamse Solisten. In 2015 is Bel Ayre Scoop Ensemble
van het Concertgebouw Brugge.
P IETER THEUNS
Pieter Theuns kreeg als kind reeds piano- en vioollessen, maar vond pas jaren later zijn
weg via elektrische en klassieke gitaar. In 2003 behaalde hij een meestergraad klassieke
gitaar aan het Lemmensinstituut bij Raphaëlla Smits, en in 2006 een bachelordiploma
theorbe aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel bij Philippe Malfeyt. In 2007
werd hij geselecteerd voor de Académie Baroque Européenne d’Ambronay voor de productie Le Carnaval et la Folie onder leiding van Hervé Niquet. Een tournee bracht hen
naar Frankrijk, Spanje, Roemenië en Polen. In 2009 was Theuns curator en Artist in
residence van het festival Kunst in de luwte in Roosdaal, waar hij een muzikale ontmoeting organiseerde tussen luitisten en muzikanten met heel uiteenlopende achtergronden.
Geïnspireerd door al deze ontmoetingen richt hij B.O.X. (Baroque Orchestration X)
op, een muzikantencollectief dat speelwijzen en klankkleuren uit de barok wil inzetten
in samenwerkingen met niet-klassieke artiesten. Daarnaast richtte hij in 2010 samen
met zangeres Lieselot De Wilde en gambist Pieter Vandeveire het barokensemble Bel
Ayre op.
b e l ay r e
43
LIESELOT DE WILDE
Lieselot De Wilde studeerde aan het Lemmensinstituut in Leuven bij Dina Grossberger en Katelijne Van Laethem. Reeds tijdens haar studies specialiseerde ze zich in het
oude-muziekrepertoire, waar haar stem niet onopgemerkt bleef. De Wilde werkte als
soliste samen met onder meer Erik Van Nevel, il Gardellino, het Flanders Recorder
Quartet en Vlaams Sinfonietta.
COLINE DUTILLEUL
De jonge mezzosopraan Coline Dutilleul startte haar muzikaal parcours op vijfjarige
leeftijd. Aan het conservatorium van Bergen behaalde ze haar master in de lyrische
zang. Na deze opleiding vervolmaakte ze zich bij Nadine Denize, Jard van Nes en
Catrin Wyn-Davies, en volgde ze uitgebreide muziekcursussen bij onder meer Jordi
Savall en Simon Rattle. Als koorzangeres en soliste werkt ze samen met onder meer
het Collegium Vocale Gent.
VINCENT LESAGE
De tenor Vincent Lesage studeerde in 2008 af aan het Koninklijk Conservatorium van
Brussel, na een opleiding bij Lena Lootens. Hij koestert een bijzondere passie voor
het barokrepertoire en legt zich toe op de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk.
Lesage is een veelgevraagd zanger bij onder meer het Collegium Vocale Gent, Les
Eléments en Anima Eterna.
JORIS STROOBANTS
Joris Stroobants studeerde zang bij Dirk Snellings en Lieve Jansen aan het Lemmensinstituut, waar hij zich eveneens specialiseerde in het operarepertoire. Ondertussen
vertolkte Stroobants verschillende rollen in opera’s van Rossini, Mozart en Purcell. Als
koorlid en solist werkte hij samen met dirigenten als Kurt Bikkembergs, Erik Van Nevel, Edmond Saveniers en Johan Van Bouwelen.
44
b e l ay r e
PIERRE GUéDRON — HEUREUX QUI PEUT SE PLAINDRE
Heureux qui peut se plaindre
Librement
Et dire, sans rien craindre,
Son tourment!
Gelukkig is wie klagen kan
Vrijuit
En zijn kwellingen, zonder vrees,
Kan uiten!
Je pleure et je souspire
Nuit et jour;
Mais, Las! Je n’ose dire
Mon amour.
Ik huil en ik zucht
Dag en nacht;
Maar, helaas! Ik durf niet te zeggen
Mijn liefste.
CLAUDIN DE SERMISY — TANT QUE VIVRAY
Tant que vivray en âge florissant,
Je serviray d’amour le Dieu puissant,
En faictz, en dictz, en chansons et accords.
Par plusieurs fois m’a tenu languissant,
Mais après dueil m’a faict resjouyssant,
Car j’ay l’amour de la belle au gent corps.
Son alliance,
C’est ma fiance:
Son cueur est mien,
Le mien est sien:
Fy de tristesse,
Vive lyesse,
Puisqu’en Amour a tant de bien.
Zolang ik leef in de bloei van mijn bestaan,
Zal ik met liefde dienen, de machtige God,
In daden en woorden, in lied en harmonie.
Hij heeft me meerdere keren laten smachten,
Maar me ook doen opleven na dat wachten,
Want ik heb de liefde van een mooie vrouw.
Onze verbintenis,
Betekent mijn trouw:
Haar hart is van mij,
Het mijne van haar:
Weg met de treurnis,
Leve de vreugde,
Want in de Liefde is er zoveel goeds.
45
Quand je la veulx servir et honnorer,
Quand par escriptz veulx son nom descorer,
Quand je la veoy, et visite souvent,
Les envieulx n’en font que murmurer,
Mais nostre Amour n’en sçauroit moins durer:
Aultant ou plus en emporte le vent.
Maulgré envie
Toute ma vie
Je l’aymeray,
Et chanteray:
C’est la première,
C’est la dernière,
Que j’ay servie, et serviray.
Wanneer ik haar wil dienen, haar wil eren,
Haar naam met woorden wil lauweren,
Wanneer ik haar zie, en haar bezoeken kom,
Doet de afgunst iedereen fluisteren,
Maar onze liefde zal daardoor niet vluchtiger zijn:
Zo ver en verder gedragen op de wind.
Ondanks de jaloezie
Zal ik haar heel mijn leven,
Liefhebben,
En zal ik zingen:
Zij is de eerste,
Zij is de laatste,
Die ik gediend heb, en dienen zal.
GABRIEL BATAILLE — PATOUREAU Elle: Patoureau m’ayme tu bien ?
Lui: Je t’ayme dieu sçait combien.
Elle: Comme quoy ?
Lui: Comme toy ma rebelle Patourelle.
Patourelle.
Elle: En rien ne m’a contenté
Ce propos trop affeté,
Patoureau sans mocquerie,
M’ayme-tu, dis je te prie ?
Comme quoy ?
Lui: Comme toy ma rebelle Patourelle.
46
Zij: Herder hou je wel van mij?
Hij : Ik hou van jou, God weet hoe veel.
Zij: Zoals van wat?
Hij: Zoals van jou mijn opstandig Herderinnetje.
Herderinnetje.
Zij: In niets stellen me tevreden
Deze te gekunstelde zinnen,
Herder, zonder grapjes,
Hou je van mij, vraag ik je?
Zoals van wat?
Hij: Zoals van jou mijn opstandig Herderinnetje.
Elle: Tu m’eusse respondu mieux
Ie t’ayme comme mes yeux.
Lui: Trop de hayne je leur porte,
Car ils ont ouvert la porte
Aux peines que j’ay reçeu
Deslors que je t’aperçeu,
Quand ma liberté fut prise
De ton oeil qui me maitrise.
Elle: Comme quoy ?
Lui: Comme toy me rebelle Patourelle.
Elle: Patoureau parle autrement,
Et me dis tout rondement,
M’ayme-tu comme ta vie ?
Lui: Non, car elle est asservie
A cent et cent mile ennuis,
Dont aymer je ne la puis
N’estant plus qu’un corps sans ame
Pour trop cherir une dame.
Elle: Comme quoy ?
Lui: Comme toy ma rebelle Patourelle.
Elle: Laisse la ce comme toy,
Dis, je t’ayme comme moy:
Lui: Je ne m’ayme pas moy-mesme.
Elle: Dis moy doncques si tu m’aymes ?
Comme quoy ?
Lui: Comme toy ma rebelle Patourelle.
Zij : Je had beter geantwoord
Ik hou van je zoals van mijn eigen ogen.
Hij: Voor hen voel ik te veel haat,
Want ze openden de deur
Naar de smarten die ik erbij kreeg
Zodra ik jou voor het eerst opmerkte
Toen me mijn vrijheid werd ontnomen
Door jouw ogen die ik zo koester.
Zij : Zoals wat?
Hij: Zoals jou mijn opstandig Herderinnetje.
Zij: Herder spreek anders,
En zeg me ronduit
Hou je van mij zoals van je leven?
Hij: Neen, want mijn leven is onderworpen
Aan honderd en honderd duizend zorgen,
Zodat ik het niet meer liefheb
Ik ben slechts een lichaam zonder ziel
Door een dame te graag te zien.
Zij: Zoals wat?
Hij: Zoals jou mijn opstandig Herderinnetje.
Zij : Laat dat ‘zoals van jou’ nu maar weg,
Zeg, ik hou van jou zoals van mijzelf:
Hij: Ik hou niet van mezelf
Zij: Zeg mij dan of je van mij houdt?
Zoals van wat?
Hij: Zoals van jou mijn opstandig Herderinnetje.
ETIENNE MOULINIÉ — AMARILLIS SOUFFRE QU’ON L’AYME
Amarillis souffre qu’on l’ayme
Amarillis duldt onze liefde
Qu’on l’adore que les mortelz:
Dat we haar liefhebben tot de dood:
Avec une ferveur extresme,
Met een extreme vurigheid,
luy dressent par tout les autelz,
We haar helemaal verafgoden,
Mais la loy qu’elle impose
Maar de wet die zij ons oplegt
C’est d’avoir bouche close
Gebiedt ons te zwijgen
Elle souffre à nos yeux de dire
Que le sien nous rend amoureux,
Et permet qu’un amant soupire
Quand il se rend trop rigoureux:
Mais la loy qu’elle impose
C’est d’avoir bouche close
Ze duldt onze woorden
Dat haar ogen ons verliefd maken,
Ze laat een minnaar toe te zuchten
Wanneer het niet meer anders gaat:
Maar de wet die zij ons oplegt
Gebiedt ons te zwijgen
47
Que nos larmes fassent paroistre
La grandeur de nos desplaisirs,
Que nos soupirs fassent cognoistre
La justice de nos desirs:
Mais la loy qu’elle impose
C’est d’avoir bouche close.
Dat onze tranen doen zien
De omvang van ons onbehagen,
Dat onze zuchten doen weten
De rechtvaardigheid van onze wensen:
Maar de wet die zij ons oplegt
Gebiedt ons te zwijgen.
GABRIEL BATAILLE — QUE DOUCE EST LA VIOLENCE Que douce est la violence
Des beaux yeux qui m’ont surpris,
Puisqu’au plus fort du silence
Ils cognoisent mes ennuis:
Et que les traits vainqueurs de leur flame adoucie
A tous causent la mort, et me donnent la vie.
Hoe zoet is het geweld
Van die mooie ogen die me verrasten,
Want in de stilste der stiltes
Erkennen ze mijn melancholie:
En dat de overwinnende kracht van hun louterende gloed
Aan allen de dood brengt, en mij leven doet.
Mon silence et ma parole
Tesmoigneront désormais,
Que ses yeux sont mon idole
Dont j’adore les attraits:
Je veux vivre pour eux, car leur flame adoucie
A tous causent la mort, et me donnent la vie.
Mijn stilte en mijn woorden
Getuigen voortaan,
Dat ik haar ogen verafgood
Waarvan ik de charme liefheb:
Ik wil leven voor hen, zodat hun louterende gloed
Aan allen de dood brengt, en mij leven doet.
Beaux yeux, les asseurés guides
De mes tourmens amoureux,
Bien que vos traits homicides
Blessent tant de langoureux:
48
J’adoreray vos feux, dont la flame adoucie
A tous causent la mort, et me donnent la vie.
Mooie ogen, standvastige gidsen
Van de kwellingen van mijn liefde,
Hoewel uw moorddadige trekken
Zo smachtend kwetsen:
Aanbid ik uw vuur, waarvan de louterende gloed
Aan allen de dood brengt, en mij leven doet.
Beaux yeux, vostre feu ressemble
Au feu brûlant le bucher,
De loyseau qui tout ensemble
Meur et vit en son brasier:
Car brülant tous les cœurs d’une flame adoucie
Dans le mesme tombeau vous me donnés la vie.
Mooie ogen, uw gloed doet denken
Aan het vuur dat de brandstapel aanwakkert,
Aan de vogel die gelijktijdig
Sterft en leeft in de vlammenzee:
Zo alle harten verbrandend met die louterende gloed
Die me zelfs in het graf leven doet.
GABRIEL BATAILLE — MA BERGÈRE NON LÉGÈRE
Ma bergère non légère en amours,
Me fait reçevoir du bien tous les jours:
Je la meine, La pourmeine par les champs,
Où nous prenons ensemble de doux passe temps.
Mijn herderin zonder lichtzinnigheid in de liefde,
Laat mij elke dag goede dingen zien:
Ik leid haar, neem haar mee doorheen de velden,
Waar we samen zachtjes de tijd doorbrengen.
49
Par la plaine, sans grand peine, nous mettons
A mesmes troupeau nos petits Moutons.
Puis à l’aise je luy baise son beau sein
Et sa bouche vermeille, son joli tétin.
Over de vlakte, zonder tegenzin, leiden we
Onze schaapjes naar dezelfde kudde.
Dan kus ik rustig haar prachtige boezem
En haar rode mond, haar mooie borst.
Que si j’ose autre chose rechercher,
Elle ne me veut laisser aprocher.
Mais subite prend le fuitte, moy après,
Je sais bien la poursuivre et la joindre de près.
Maar als ik verder durf te zoeken,
Laat ze me niet dichter komen.
Maar vlucht opeens weg, ik ga haar achterna,
Ik kan haar gemakkelijk volgen en ons weer verenigen.
Si je lève sus la grève et genoux
Sa cotte si haut qu’on voye dessoubs:
En furie elle crie et me mord,
Et puis en bien peu d’heure
nous sommes d’accord.
Wanneer ik haar short tot boven haar knieën hef
Zo hoog dat je eronder kunt kijken:
Roept ze me woedend toe en bijt me,
En dan komen we al gauw terug overeen.
Je l’acueille et luy cueille tant de fleurs
Qu’elle en peut avoir de toute couleurs.
Elle bonne, m’en façonne des bouquets
Qui causent au village
beaucoup de caquets.
50
Ik pluk en snij haar zoveel bloemen
Zodat ze er in alle kleuren heeft.
Zo lief schikt ze ze in boeketten
Dat er in het dorp over geroddeld wordt.
Pourtant passe quoy qu’on face
J’aymeray Et malgé le bruit je l”estimeray.
L’inconstance n’a puissance sur ma foy:
Je veux estre fidelle comme elle est à moy.
Toch, moge komen wat er komt
Ik zal haar eren en haar ondanks het geklets waarderen.
Onstandvastigheid heeft geen invloed op mij:
Ik wil haar zo trouw zijn als zij mij.
Nostre vie sans ennuie nous passons,
Charmans nos soucis de gayes chansons.
Si de villes où des filles ne font cas
Des amants qui pour elles courent du trespas!
Ons leven gaat voorbij zonder verveling,
Onze zorgen verzachtend met vrolijke liedjes.
Foei de steden waar de meisjes de minnaars
die voor hen met plezier zouden sterven, niet waarderen!
MICHEL LAMBERT — LAISSE-MOY SOUPIRER
Laisse-moy soupirer, importune raison,
Laisse, laisse couler mes larmes,
Mes déplaisirs sont doux, mes tourments ont des charmes,
Et j’aime ma prison:
Ah ! puis qu’ Amarilis me deffend d’esperer,
Aumoins en expirant laisse-moi soupirer.
Laat me smachten, onwelkome reden,
Laat me, laat mijn tranen stromen,
Mijn ongenoegen is zoet, mijn kwellingen hebben charme,
En ik hou van mijn gevangenis:
Ah! want Amarilis verbiedt mij om te hopen,
Wegkwijnend, laat me tenminste smachten.
51
ETIENNE MOULINIÉ — AMIS ENIVRONS-NOUS
Amis enivrons-nous
du vin d”Espagn’en France,
Il n’est pas bon dessus les lieux
Icy nous le buvons avec plus d’asseurance
Qu’on ne boit le nectar à la table de dieux.
Ne perdons point de temps
à dire tope et masse,
Laissons boire Gaston,
il revient de la chasse.
Vrienden laten we ons benevelen
Met wijn uit Spanje in Frankrijk,
Onder de plaatsen is dit geen goede
Hier drinken we die met meer zekerheid
Alsof we nectar drinken aan de tafel van de goden.
Laten we geen tijd verliezen
laten we klinken,
Laten we drinken op Gaston,
die terugkomt van de jacht.
Ce subtil inventeur d’une chasse nouvelle
A bien fait de se retirer.
Il a pris en courant le renard de Bruxelle
Qu’on luy donne du vin pour le désaltérer.
Ne perdons point de temps
à dire tope et masse,
Laissons boire Gaston,
il revient de la chasse.
Deze fijnzinnige uitvinder van een nieuwe jacht
Heeft er goed aan gedaan zich te verstoppen.
Hij heeft de vos uit Brussel neergehaald in de vlucht
Geef hem wijn om zijn dorst te lessen.
Laten we geen tijd verliezen
laten we klinken
Laten we drinken op Gaston,
die terugkomt van de jacht.
MICHEL LAMBERT — OMBRE DE MON AMANT
Ombre de mon amant, ombre toujours plaintive,
Hélas ! que voulez-vous ! Je meurs!
Schaduw van mijn geliefde, altijd treurige schaduw,
Helaas! Wat wil je! Ik sterf!
Soyez un moment attentive
Au funeste récit de mes vives douleurs.
Let eens eventjes
Op het rampzalige verhaal van mijn levendige pijnen.
C’est sur cette fatale rive
Que j’ay veu vostre sang couler avec mes pleurs.
Rien ne peut arrester mon ame fugitive,
Je cède à mes cruels malheurs.
52
Het is op deze fatale oever
Dat ik je bloed zag vervloeien met mijn tranen.
Niets kan mijn ziel rust brengen,
Ik geef toe aan mijn gruwelijk ongeluk.
Ombre de mon amant, ombre toujours plaintive,
Hélas ! que voulez-vous ! Je meurs!
Schaduw van mijn geliefde, altijd treurige schaduw
Helaas! Wat wil je! Ik sterf!
MICHEL LAMBERT — LE REPOS, L’OMBRE, LE SILENCE
Le repos, l’ombre, le silence,
Tout m’oblige en ces lieux à faire confidence
De mes ennuis les plus secrets.
Je me sens soulagé dy conter mon martyre,
Je ne le dis qu’à des forests ;
Mais, enfin, c’est toujours le dire.
De rust, de schaduw, de stilte,
Dit alles geeft me het vertrouwen
Te mogen spreken over mijn meest geheime smarten.
Ik voel me opgelucht mijn pijn te kunnen uiten,
Ik zeg het enkel aan de bomen;
Maar, ook dat is zeggen.
Si l’on veut parler sans rien taire
On est en liberté dans ce lieu solitaire,
On ne craint point les indiscrets :
Je me sens soulagé d’y conter mon martyre,
Je ne le dis qu’à des forests ;
Mais, enfin, cest toujours le dire.
Als iemand ongeremd wilt spreken
Is men vrij in deze eenzame plaats,
Niemand moet hier bang zijn voor loslippigheid:
Ik voel me opgelucht mijn pijn te kunnen uiten,
Ik zeg het enkel aan de bomen;
Maar, ook dat is zeggen.
53
MICHEL LAMBERT — TOUT L’UNIVERS OBÉIT À L’AMOUR
Tout l’univers obeït à l’Amour;
Belle Philis, soûmettez-lui vostre âme ;
Les autres dieux à ce dieu font la cour,
Et leur pouvoir est moindre que sa flamme :
Des jeunes cœurs c’est le supréme bien,
Aymez, tout le reste n’est rien.
Heel het universum gehoorzaamt de Liefde
Mooie Philis, geef hem uw ziel;
De andere goden maken deze god het hof;
En hun kunnen is minder dan zijn gloed:
Jonge harten zijn het allerhoogste goed,
Heb lief, al de rest betekent niets.
Sans cet Amour, tant d’objets ravissants,
Ces prez fleuris, bois, jardins, et fontaines,
N’ont point d’appas qui ne soient languissants,
Et leur plaisir est moins doux que ses peines :
Des jeunes cœurs c’est le supréme bien,
Aymez, tout le reste n’est rien.
Zonder deze Liefde, zijn zoveel mooie dingen,
Bebloemde weiden, bossen, tuinen en fonteinen,
hun charme verloren, enkel nog lusteloos,
En hun plezier tegenover hun smart is minder zoet:
Jonge harten zijn het allerhoogste goed,
Heb lief, al de rest betekent niets.
Vertalingen: Dorien De Man
54

Vergelijkbare documenten