Schoolondersteuningsprofiel Stanislascollege Reinier de Graafpad

Commentaren

Transcriptie

Schoolondersteuningsprofiel Stanislascollege Reinier de Graafpad
Samenwerkingsverband
VO Delflanden, 28.9
0
Looptijd: 2013 - 2015
Schoolondersteuningsprofiel
Inhoud:
1.
2.
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
3.
3.1
3.1.1.
3.1.2.
3.1.3.
3.1.4
3.1.5
3.1.6
4.
4.1
4.2
4.3
4.4
4.5
5.
5.1
5.2
5.3
6.
7.
8.
9.
Inleiding
Algemene gegevens van de schoollocatie
Contactgegevens algemeen
Onderwijsniveaus die op deze locatie kunnen worden gevolgd
Kengetallen
Algemene onderwijsvisie van de school en de visie op de ondersteuningsstructuur
Preventief beleid van de school op gebied van gedrag, veiligheid en gezondheid
De basisondersteuning binnen onze school
Preventieve en licht curatieve interventies
Toelating, intake- en plaatsingsprocedure
Leerlingvolgsysteem
Mentoraat
Ondersteuning op didactisch/cognitief gebied
Ondersteuning op het gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag
Ondersteuning van leerlingen met een lichamelijke, auditieve of visuele handicap
Extra ondersteuningsmogelijkheden binnen onze school
Extra ondersteuning op het gebied van de leerontwikkeling
Extra ondersteuning op het gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag
Extra fysiek medische ondersteuning
Ondersteuning in de thuissituatie
Grenzen aan de ondersteuning
Organisatie van de onderwijs ondersteuningsstructuur
Contactgegevens ten behoeve van de aansturing van de interne ondersteuning
Functionarissen binnen de school
Contactgegevens eerste aanspreekpunt samenwerkingspartners
Samenwerking
Kwaliteitsbeleid op gebied van zorg en ondersteuning
Jaarwerkplan 2013 - 2014
Jaarwerkplan 2014 - 2015
1
Andere documenten m.b.t. het schoolondersteuningsprofiel
☐
☐
☐
☐
☐
☐
X
☐
☐
☐
☐
x
X
X
☐
☐
☐
☐
1.
Schoolplan
Veiligheidsplan
Scholingsplan
Klachten- en geschillenprocedure
Kwaliteitszorgplan
Plan fysieke toegankelijkheid/inrichtingsplan
Protocol medisch handelen
Verzuimbeleid en verzuimprotocol
Ziekteverzuimbeleid en ziekteverzuimprotocol
Protocol sluitende zorgketen
Privacy protocol
Pestprotocol
Schoolveiligheidsplan
Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld
Verwijsindex
Dyslexieprotocol
Dyscalculieprotocol
………………………………..
☐
………………………………….
2
Inleiding
Kenmerken van het schoolondersteuningsprofiel
In dit schoolondersteuningsprofiel worden de mogelijkheden van onze school beschreven voor het bieden van
passend onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en hoe het ondersteuningsaanbod
binnen onze school is georganiseerd.
Het schoolondersteuningsprofiel levert een beeld van zowel de onderwijsinhoudelijke, als de procesmatige en
structurele kenmerken van onze schoollocatie op het niveau van de basisondersteuning alsmede de extra
ondersteuning die onze school kan leveren in samenwerking met expertise van het samenwerkingsverband
en/of de ketenpartners. Onze school heeft dit schoolondersteuningsprofiel opgesteld conform de wet Passend
Onderwijs.
Gezamenlijke standaarden voor basisondersteuning binnen het samenwerkingsverband
De scholen en de schoolbesturen van het SWV VO Delft hebben in 2009 – 2010 gezamenlijke afspraken
gemaakt over de basisondersteuning in het VO. Deze basisondersteuning bestaat uit zes standaarden die, op
basis van indicatoren, beschrijven welk kwaliteitsniveau op de schoollocaties binnen het
samenwerkingsverband minimaal aanwezig moet zijn.
De uitvoering van de standaarden voor de basisondersteuning valt onder de verantwoordelijkheid van de
schoolbesturen. De standaarden voor de basisondersteuning is op alle scholen gelijk, maar de uitvoering hoeft
niet volledig identiek te zijn. Scholen hebben samen vastgesteld wat tot de basisondersteuning behoort, maar
elke school geeft dat vorm op de manier die aansluit bij de onderwijskundige visie, pedagogische visie of
mensvisie van de school. Bij het bieden van een passend onderwijsaanbod wordt onderscheid gemaakt tussen
basis-, breedte- en diepteondersteuning.
Wat is basisondersteuning:
Basisondersteuning is de onderwijsondersteuning die elke school binnen het samenwerkingsverband in huis
heeft (minimum ondersteuningsniveau). Deze ondersteuning wordt in en om de reguliere klas geboden door de
eigen school. Voor een groot deel kan deze onderwijsondersteuning worden geboden door de docent van de
leerling met een ondersteuningsbehoefte. Door het creëren van een veilig pedagogisch klimaat, goed
klassenmanagement, activerende instructievormen en effectieve leertijd (vitale onderdelen van een krachtig
primair proces) worden gunstige randvoorwaarden geschapen voor succesvol leren en acceptabel gedrag. De
leraar is handelingsbekwaam in het adequaat inspelen op uiteenlopende behoeften van leerlingen en weet in
de lessen differentiatie toe te passen, zodat leerlingen met verschillende capaciteiten aan hun trekken komen.
Basisondersteuning:
Het geheel van preventieve en licht curatieve interventies afgesproken binnen ons samenwerkingsverband ,
die binnen de onderwijs ondersteuningsstructuur van de school, onder regie en verantwoordelijkheid van de
school, waar nodig met inzet van expertise van andere scholen of de ketenpartners, zonder indicatiestelling,
planmatig en op een overeengekomen kwaliteitsniveau worden uitgevoerd.
Wat is breedteondersteuning :
Breedteondersteuning wordt opgevat als de speciale onderwijsondersteuning die binnen een reguliere school
beschikbaar is, in samenwerking en afstemming met het samenwerkingsverband, externe onderwijs- en/of
zorginstellingen. Het aanbod aan breedteondersteuning draagt bij aan het zorgprofiel van de school.
Voorbeelden van breedteondersteuning:
 Tijdelijk toegevoegde ondersteuning voor de docent/het team door middel van de inzet van een specialist
vanuit het samenwerkingsverband.
 Beschikbaarheid van leermiddelen/hulpmiddelen voor leerlingen met een specifieke handicap
 Plaatsing van een leerling in een structuurklas binnen de school.
Wat is diepteondersteuning:
Diepteondersteuning is de speciale onderwijsondersteuning die buiten de reguliere school is georganiseerd.
Diepteondersteuning wordt geboden in speciale onderwijsvoorzieningen.
Breedte- en diepteondersteuning (extra ondersteuning):
Alle vormen en combinaties van onderwijs- en zorgarrangementen die de basisondersteuning overstijgen en
3
die bijdragen aan een dekkend aanbod van ondersteuning en voorzieningen binnen het
samenwerkingsverband, waarbij de bovengrens van het aanbod en de voorzieningen wordt bepaald door het
jaarlijks beschikbare budget van het samenwerkingsverband. De extra ondersteuning wordt georganiseerd in
de vorm van onderwijs- en zorgarrangementen, die licht curatief en tijdelijk van aard kunnen zijn, dan wel
intensief, langdurend of structureel.
Werkwijze
Het schoolondersteuningsprofiel bestaat uit drie delen:
Deel 1: De checklist schoolondersteuningsprofiel
Hierin geven wij als school aan waar wij staat ten opzichte van de standaarden van basisondersteuning en
welke ontwikkel- of actiepunten er zijn.
Deel 2: Het eigenlijke schoolondersteuningsprofiel
Hierin beschrijven wij als school op welke manier wij de basisondersteuning aanbieden en wat wij aan extra
ondersteuning kunnen aanbieden, in samenwerking met expertise vanuit het samenwerkingsverband en/of de
ketenpartners .
Deel 3: Het jaarwerkplan
Dit is een verzameling van actie- en ontwikkelpunten uit deel 1 en 2, waar wij als school gedurende het
schooljaar mee aan de slag gaan.
4
2.
Algemene gegevens van de schoollocatie
2.1 Contactgegevens algemeen
Kenmerk
Schoolbestuur
Denominatie
Locatie brinnummer
Schoollocatie
Straat
Postcode en plaatsnaam
Telefoonnummer
Gegevens
Lucas Onderwijs
Rooms-Katholiek
02DZ-04
Reinier de Graafpad
Reinier de Graafpad 1
2625DT Delft
015- 750 60 40
2.2 Onderwijsniveaus die op deze locatie kunnen worden gevolgd
Alle leerjaren
Praktijkonderwijs
VMBO BBL
VMBO BBL met LWOO
VMBO KBL
VMBO KBL met LWOO
VMBO-GL
VMBO-GL met LWOO
VMBO-T/MAVO
VMBO-T/MAVO met LWOO
HAVO
Atheneum
Gymnasium
Anders, namelijk:
Alleen onderbouw
Alleen bovenbouw
X
X
X
X
X
2.3 Kengetallen
Totaal aantal leerlingen
Totaal aantal klassen
Gemiddeld aantal leerlingen per klas
Leerlingen met een specifieke ondersteuningsbehoefte:

Aantal leerlingen LWOO

Aantal leerlingen PRO

Vervallen!

Vervallen!

Aantal leerlingen LGF, REC 1 (ambulant begeleid)

Aantal leerlingen LGF, REC 2 (ambulant begeleid)

Aantal leerlingen LGF, REC 3 (ambulant begeleid)

Aantal leerlingen LGF, REC 4 (ambulant begeleid)

Aantal leerlingen LGF (ambulant begeleid) + LWOO

Aantal leerlingen LGF (ambulant begeleid) + PRO

Aantal leerlingen met een gediagnosticeerde leerstoornis

Aantal leerlingen met een gediagnosticeerde gedragsstoornis

Aantal leerlingen met een vastgestelde hoogbegaafdheid (nieuw!)

Aantal leerlingen met ondersteuningsaanbod vanuit SWV VO
Aantal leerlingen met een handelingsplan (nieuw!)
Aantal leerlingen met een ontwikkelingsperspectief (OOP) (nieuw!)
Aantal leerlingen doorverwezen naar Speciaal Onderwijs
5
09/10
784
26
10/11
763
26
11/12
727
27
12/13
722
25
29
5
1
3
6
1
4
5
3
6
1 excl.
trainingen
1 excl.
trainingen
3 excl.
trainingen
0
24
(waarvan
7 een
training)
0
4
Vervallen !
Vervallen !
Aantal leerlingen uitbesteed aan volwassenonderwijs (VAVO)
Aantal leerlingen tussentijds van school:

Onderbouw

Bovenbouw
Aantal geslaagden en percentage geslaagden

Branchecertificaat

MBO-1 (ook AKA)

MBO-2

VMBO-BBL

VMBO-KBL

VMBO-G/T

HAVO

Atheneum

Gymnasium
09/10
10/11
11/12
12/13
9
0
4
4
3
2
4
1
3
N
%
N
%
N
%
140
96%
106
88%
146
93%
N
%
2.4 Algemene onderwijsvisie van de school en de visie op de ondersteuningsstructuur
Wat
Kernachtige beschrijving
Algemene onderwijsvisie
Het Stanislascollege wenst dat door de samenwerking van leiding, medewerkers,
van de school
leerlingen en ouders telkens nieuwe generaties jongens en meisjes geholpen en
begeleid worden om uit te groeien tot verantwoordelijke volwassenen, die bereid zijn
met en voor anderen te leven, overeenkomstig de lijfspreuk van Stanislas: “voor het
hogere ben ik geboren”: Dit betekent dat het er om gaat om het beste uit jezelf te
halen en dat ten dienste te stellen van God en de medemens.
Visie op (leerlingen)zorg en
Soms kunnen leerlingen niet of niet volledig, onbekommerd leren. Dat kan door
ondersteuning
belemmeringen in de persoon zelf of door externe omstandigheden. De
leerlingenzorg en ondersteuning richt zich op het zoveel mogelijk wegnemen van die
belemmeringen, zodat er beter geleerd kan gaan worden.
Vanuit de visie op zorg
De school neemt leerlingen aan met een ondersteuningsbehoefte op het gebied van:
neemt de school leerlingen
taalvaardigheden, rekenvaardigheden, studievaardigheden en werkhouding, sociaalmet ondersteuningsemotioneel functioneren en fysieke beperkingen.
behoeften aan.
Visie op
Ouders worden middels cijferrapportages en d.m.v. bespreking op tafeltjesavonden
ouderbetrokkenheid ten
op de hoogte gehouden van de vorderingen op cognitief en sociaal- emotioneel
aanzien van zorg en
functioneren van hun kind. De mentor is de spil in de begeleiding en is voor hen het
ondersteuning
eerste aanspreekpunt. Wanneer er zorgen zijn rondom het functioneren van het kind
worden de ouders tussentijds op de hoogte gebracht en uitgenodigd om met de
mentor/ teamleider en/ of de zorgcoördinator van gedachten te wisselen op welke
wijze de school (en eventuele ketenpartners) een passend ondersteuningsaanbod kan
bieden. De bevindingen vanuit de ouders over hoe zij hun zoon/ dochter ervaren als
kind thuis en als leerling van de school neemt in dit gesprek en de vervolggesprekken
in het kader van het opstellen van een handelingsplan/ontwikkelingsperspectief een
centrale rol in.
2.5 Preventief beleid van de school op gebied van gedrag, veiligheid en gezondheid
Wat
Kernachtige beschrijving
De school hanteert
De school hanteert vaste regels voor veiligheid en omgangsvormen .De
protocollen in het kader van waakzaamheid van de conciërges en docenten waarborgt de veiligheid in en rond de
de veilige school.
school. Belangrijke regels m.b.t. veiligheid zijn:
1 Kinderen mogen het terrein of school niet verlaten in pauzes en tussenuren;
2 In school worden geen vreemden toegelaten;
3 In school worden geen hoofddeksels gedragen , waardoor het overzicht
behouden wordt.
De school inventariseert middels ouder- leerling- en personeelenquêtes van
6
De school hanteert
protocollen en procedures
voor medisch handelen
De school besteedt gericht
aandacht aan veiligheid en
algemene gezondheid
binnen het onderwijs
curriculum.
De school versterkt de
competenties van docenten
in handelings- en
opbrengstgericht werken.
De school werkt volgens de
Meldcode
Kindermishandeling en
huiselijk geweld
Kwaliteitscholen de veiligheidsbeleving van de gebruikers van de school. Incidenten
worden in het landelijke IRIS-systeem geregistreerd.
De regels voor veiligheid en omgangsvormen zijn vastgelegd in de onderstaande
protocollen die als bijlage zijn toegevoegd:
Schoolveiligheidsplan
Pestprotocol
De leerling die op school ziek wordt, meldt zich bij de receptie. De
receptiemedewerker vraagt wat er aan de hand is en neemt contact op met ouders.
In onderling overleg wordt besloten of de leerling naar huis toe gaat of op school
blijft.
Medicijnverstrekking wordt alleen gedaan op verzoek van ouders en ouders moeten
hiervoor een schriftelijke verklaring ondertekenen. Het toedienen van medicijnen
doen wij niet (Zie ook het ‘Protocol medisch handelen’).
In geval van een ongeval bij een leerling kunnen onze medewerkers EHBO
handelingen verrichten. Wij bellen ouders als een leerling naar de eerstehulppost
moet en vergezellen de leerling totdat de ouders er zijn.
Indien nodig bellen we 112 en nemen contact op met ouders.
De school hanteert de onderstaande protocollen die als bijlage zijn toegevoegd:
Protocol medisch handelen
Stappenplan schoolveiligheidsplan ( 8.6)
Tijdens de mentorlessen , biologie/verzorging, nask en maatschappijleer 1 wordt er
aandacht geschonken aan en voorlichting gegeven over verslavingsproblematiek in
de thema’s alcohol, roken, drugs dmv lesbrieven van de Stichting Voorkom.
De gevaren van internet en Sociale media worden uitgebreid behandeld tijdens de
lessen informatiekunde. Daarnaast wordt er tijdens de mentorlessen aandacht aan
besteed middels het boek Suske en Wiske – de sinistere site.
Tijdens de lessen biologie wordt zowel in leerjaar 1 en 2 aandacht geschonken aan
gezonde voeding en eetproblematiek, en seksualiteit en relaties, w.o.
Loverboyproblematiek.
Alle voorlichting is gericht op: wat is het, voorkomen, herkennen (bij elkaar), mening
vormen en wapenen tegen.
Docenten worden geacht om te kunnen gaan met leerpoblemen , dyslexie,
dyscalculie, sociaal emotionele problemen, ADHD en oppositioneel gedrag.
Zij worden ook geacht bijzonder gedrag te signaleren en dit te bespreken met de
mentor of de zorgfunctionaris.
De directie bewerkstelligt deze vaardigheden bij docenten door docenten en/of
mentoren op verschillende momenten trainingen te bieden op het gebied van
leerbijzonderheden en sociaal - emotionele bijzonderheden, zoals een
mentortraining, gesprekstraining, workshops op het gebied van bijzonderheden als
ad(h)d, het puberbrein, een goed gevulde boekenkast, en zgn. wesptrainingen.
De meeste docenten volgen ( of hebben gevolgd) een intervisie traject waarin ook
deze vaardigheden aan de orde komen.
Het volgen van trainingen en de vaardigheden op dit gebied zij een onderdeel van
de gesprekscyclus. Naast gerichte lesobservaties door de leidinggevenden worden
docenten aangezet hun competenties te versterken. De resultaten worden
opgeslagen in de bekwaamheidsdossiers van de medewerkers.
Zie ook het Stappenplan schoolveiligheidsplan.
Ter versterking van de aanpak van kindermishandeling is vanaf 1 juli 2013 de 'Wet
meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling' van kracht. De meldcode geldt
voor de sectoren gezondheidszorg, het onderwijs en de kinderopvang, de
maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg en justitie. De verplichte meldcode houdt
een verplichting in om binnen de organisatie een meldcode te hanteren.
De meldcode geeft via een stappenplan aan hoe te handelen wanneer er signalen zijn
die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling. Het doel van een
verplichte meldcode is dat sneller en adequater wordt ingegrepen. Door het
consequent toepassen van de meldcode zal de vroegsignalering van huiselijk geweld
7
en kindermishandeling verbeteren en worden minder kinderen geconfronteerd met
geweld en mishandeling.
Stappen van de meldcode:
Stap 1: In kaart brengen van signalen
Stap 2: Collegiale consultatie en advies vragen bij het AMK
Stap 3: Gesprek met de ouders.
Stap 4: Wegen aard en ernst
Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen
Stap 5b: melden AMK en melding bespreken met ouders.
Zie bijlage: Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld.
8
3.
De basisondersteuning binnen onze school
De basisondersteuning binnen onze school bestaat uit een aantal activiteiten waarover binnen ons
samenwerkingsverband inhoudelijke afspraken zijn gemaakt. De activiteiten die we vanuit de
basisondersteuning (kunnen) uitvoeren, worden in deze paragraaf voor onze school beschreven.
3.1 Preventieve en licht curatieve interventies
3.1.1. Toelating, intake- en plaatsingsprocedure
Wat
Criteria voor toelating en
plaatsing
Kernachtige beschrijving
We kijken naar het advies van het basisonderwijs, het onderwijskundig rapport met
daarin het cito-leerlingvolgsysteem en een eindtoets of een leerling in een mavomavo/havo- of havo-klas geplaatst wordt. Veruit het belangrijkste om leerlingen op
een bepaald niveau toe te laten, is het advies van de groepsleerkracht.
Binnen ons samenwerkingsverband en onze school geldt
De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie.
Een lid van de toelatingscommissie leest het onderwijskundig rapport en/of het dossier.
Indien sprake is van mogelijke begeleiding en ondersteuning , vindt een overdrachtsgesprek met de school van
herkomst plaats.
Indien sprake is van mogelijke begeleiding en ondersteuning, vindt een intakegesprek met de leerling en
ouders/verzorgers plaats.
Indien sprake is van mogelijke begeleiding en ondersteuning, kan de leerling voor aanname meelopen in de VOschool.
De onderwijs- en opvoedbehoeften van de leerling worden als uitgangspunt bij de plaatsing genomen.
Intakegegevens worden gebruikt bij het samenstellen van groepen/klassen.
Informatie over intake en plaatsing wordt (digitaal) teruggekoppeld naar de school van herkomst.
Voor onze school geldt tevens
Vakdocenten en mentoren worden over de relevante gegevens uit het onderwijskundig rapport door de
intakecommissie , onder verantwoordelijkheid van de teamleider onderbouw, geïnformeerd om de leerling zo goed
mogelijk te kunnen begeleiden.
Wat
Procedure voor niet
plaatsen van een leerling
Klachten- en
geschillenregeling
Kernachtige beschrijving
Indien een leerling niet geplaatst kan worden, brengen we ouders hiervan op de
hoogte. In de meeste gevallen is hier vooraf contact geweest met de basisschool en
ouders. We denken mee om een meer passende school voor de leerling te vinden.
Eventuele gegevens van de leerling kunnen worden opgehaald of worden
opgestuurd.
Als het gaat om een afwijzing vanwege speciale onderwijsbehoeften, gaat dit altijd in
overleg met het Samenwerkingsverband.
Bij een klacht kan er contact worden opgenomen met de Intakecommissie.
3.1.2. Leerlingvolgsysteem
Wat
Onze school hanteert ten
aanzien van de registratie
van gegevens van leerlingen
een privacy protocol.
De school participeert in de
overgangsprocedures
basisonderwijs/voortgezet
onderwijs, zoals vastgelegd
in het protocol
“(zorg)leerlingen in beeld”.
Kernachtige beschrijving
Ouders worden geraadpleegd over mogelijk te nemen stappen en geven daar al dan
niet toestemming voor. Indien leerlingen in het intern zorgoverleg of zorg- en
adviesteam besproken worden, geldt dat alleen directbetrokkenen inzage hebben.
Informatie mag alleen aan derden gecommuniceerd worden met toestemming van
ouders.
Een leerling wordt geplaatst op basis van het onderwijskundige rapport met daarin
het leerlingvolgsysteem van het primair onderwijs, het advies van de basisschool en
een eindtoets. Daarnaast is er een warme overdracht tussen het basisonderwijs en
het voortgezet onderwijs. Hier wordt besproken: het sociaal emotioneel welbevinden
van het kind en de benodigde ondersteuning op cognitief en/of sociaal emotioneel
gebied.
9
De school houdt de
ontwikkelingen en
vorderingen van de leerling
systematisch bij in een LVS.
Voor leerlingen met extra
ondersteuningsbehoeften
worden aanvullende
gegevens bijgehouden.
Toegankelijkheid tot het
leerling dossier
De school zorgt voor een
passende overdracht van
gegevens bij de overgang
naar een andere school of
arbeidsplaats.
Onze school registreert in het leerlingvolgsysteem (Magister,
leerlingendocumentatie en het zorgdossier):
administratieve gegevens, onderwijskundig rapport van de school van herkomst ,
cijfers (vorderingen) en rapporten, verslagen van gesprekken met ouders, observaties,
verzuimgegevens, brieven, correspondentie en documenten, incidentenregistratie.
Onze school bewaart indien van toepassing, gegevens m.b.t. remedial teaching,
leerlinggebonden financiering en zorg in het (digitaal – )leerlingdossier . Het kan de
volgende zaken betreffen: geformuleerde onderwijs- en opvoedbehoeften,
ontwikkelingsperspectief, uitslagen van testresultaten, evaluatieverslagen met
ouders en leerling, observaties, psychologisch rapport, testgegevens, stoornissen en
leerbehoeften, ZAT- besprekingen, indicatiebesluiten, enz.
De personen die toegang hebben tot het algemeen dossier zijn alle betrokkenen w.o.
vakdocenten en onderwijsondersteunend personeel.
De beheerder van het dossier is de mentor
De personen die toegang hebben tot het aanvullend leerling dossier zijn de
zorgmedewerker, teamleider en locatiedirecteur.
De beheerder van dit dossier is de zorgcoördinator en locatiedirecteur
Het dossier wordt bewaard in het zorgdossier
Ouders hebben recht op inzage in het dossier.
Op basis van het onderwijskundige rapport met daarin het leerlingvolgsysteem van
het voortgezet onderwijs, het advies van het voortgezet onderwijs en de
cijferrapporten. Daarnaast is er een warme overdracht tussen de beiden scholen van
het voortgezet onderwijs. Hier wordt besproken: het sociaal emotioneel welbevinden
van het kind en de benodigde ondersteuning op cognitief en/of sociaal emotioneel
gebied.
Voor onze school geldt tevens:
3.1.3. Mentoraat
Wat
Er is een taakomschrijving
voor de mentor.
Voor de mentorlessen
wordt een lesmethode
gebruikt.
Kernachtige beschrijving
De mentor is de spil in de begeleiding
De mentor is op de hoogte van de persoonlijke situatie en de schoolvorderingen van
de leerling, en begeleidt hem zodanig dat een optimaal schoolresultaat behaald
wordt.
De mentor is de intermediair tussen de school en de leerling enerzijds en tussen de
school en de ouders anderzijds. Daarnaast is hij aanspreekpunt voor
eventuele externe begeleiders.
De mentor is verantwoordelijk voor de bespreking van de leerling op
verschillende gebieden.
De mentor is de eerstverantwoordelijke in het groepsproces in de klas.
De mentor stelt zijn expertise t.a.v. leerlingbegeleiding ter beschikking aan zijn
collega’s.
De mentor bewaakt de absentie van de leerling.
De mentor administreert alle noodzakelijke gegevens in het (digitale)
leerlingvolgsysteem.
In de brugklas/onderbouw Breingeheimen;
In de middenbouw Keuzedossier;
In de bovenbouw Keuzedossier.
Binnen ons samenwerkingsverband en onze school geldt
De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie.
Elke klas heeft een (of twee) mentor(en).
De mentor is bij de start van het schooljaar op de hoogte van de ondersteuningsbehoeften van mentorleerlingen.
De mentor is het eerste aanspreekpunt in de ondersteuning van mentorleerlingen.
De mentor verzorgt in de onderbouw één of meerdere mentorlessen per week. In de bovenbouw heeft de mentor
10
één vaste contacttijd per week.
De mentor houdt (mede) het LVS bij en maakt gebruik van informatie geregistreerd in het LVS.
De mentor voert individuele gesprekken met alle mentorleerlingen (gericht op leren, sociaal-emotionele ontwikkeling
en gedrag).
De mentor voert, indien noodzakelijk, individuele gesprekken met ouders van mentorleerlingen.
De mentor is vaardig om signalen van mentorleerlingen vroegtijdig te vertalen naar onderwijsbehoeften.
De mentor overlegt met interne ondersteuners over individuele leerlingen met een ondersteuningsbehoefte.
De mentor draagt de leerlingendossiers jaarlijks warm over naar de nieuwe mentor.
Voor onze school geldt tevens
3.1.4 Ondersteuning op didactisch/cognitief gebied
Wat
De school maakt gebruik
van methode onafhankelijke
toetsen om achterstand of
voorsprong te meten.
Kernachtige beschrijving
In klas 1 tot en met 3 nemen wij de Cito-VAS toets af. Doel van deze toetsen is het
niveau te bepalen van de leerlingen op het gebied van rekenen en taal (diverse
aspecten) en studievaardigheden en Engels. De coördinator RT organiseert deze
toetsen. De resultaten van de toetsen worden gebruikt voor determinatie in klas 1
en 2. In klas 3 worden de resultaten gebruikt om een gefundeerde uitspraak te
doen bij de overgangsvergadering, indien getwijfeld wordt aan de capaciteiten van
een leerling om de mavo met succes af te ronden.
In klas 1 nemen wij twee maal de Cito-VAS toets af. Doel van deze toetsen is het
niveau te bepalen van de leerlingen op het gebied van rekenen en taal (diverse
aspecten) en studievaardigheden en Engels. De uitvoering van deze toetsen valt
onder de verantwoordelijkheid van de teamleiders onderbouw. De resultaten van
de toetsen worden gebruikt voor determinatie aan het einde van in klas .
Voor het vak Engels wordt aan het begin van het schooljaar een ‘instaptoets’
afgenomen om een beeld te krijgen van de capaciteiten van elke leerling op het
gebied van grammatica. Doel ervan is deficiënties vast te stellen, zodat de leerling
in de eerste periode hierop gerichte ondersteuning van de eigen docent in de klas
kan krijgen. Deze toetsen worden gemaakt door de sectie Engels en afgenomen en
beoordeeld door de docenten Engels.
Binnen ons samenwerkingsverband en onze school geldt
De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie
De ondersteuning en begeleiding wordt uitgevoerd conform de handelingsgerichte cyclus: signaleren, analyseren,
plannen voorbereiden, plannen uitvoeren, evalueren (P-D-C-A).
Er is sprake van een effectieve leerlingbespreking gericht op schoolvorderingen en prestaties.
De school informeert ouders proactief wanneer de didactische ontwikkeling van hun kind stagneert of dreigt te
stagneren.
De mentor signaleert eventuele problemen door regelmatig in het leerlingvolgsysteem magister de resultaten van
zijn leerlingen te bekijken. Bij problemen licht de mentor hierover de ouders in.
Docenten kunnen differentiëren in didactische werkvormen (aanbod en materialen).
Docenten kunnen werkvormen (instructie, feedback en verwerking) afstemmen op de verschillen tussen leerlingen.
Docenten kunnen lesmateriaal afstemmen op de verschillen tussen leerlingen.
De school voert een dyslexiebeleid.
De school voert een dyscalculiebeleid.
Binnen ons samenwerkingsverband en onze school worden de onderstaande didactische
ondersteuningsprogramma’s geboden
Specifieke ondersteuning gericht op het verbeteren van de taalvaardigheid.
Taalbeleid in grote lijnen
Het taalbeleid is erop gericht het taalgebruik van alle leerlingen in alle situaties te verbeteren. Leerlingen hebben de
neiging alleen tijdens de lessen Nederlands zorgvuldig met hun taalgebruik om te gaan. Door “elke docent taaldocent
11
te maken”, stimuleert de school leerlingen in elke situatie zorgvuldig met taal om te gaan.
Dit wordt bewerkstelligd op verschillende manieren:
Leerlingen worden tijdens alle lessen gewezen op zorgvuldig gebruik van de Nederlandse taal. Docenten
kunnen tijdens alle beoordelingsmomenten van alle vaklessen ook het criterium “taalverzorging” opnemen;
Leerlingen krijgen bij alle vakken de betekenis van woorden te leren;
Docenten worden dmv workshops en cursussen in staat gesteld hun eigen taalverzorging te verbeteren;
Er worden projecten uitgevoerd m.b.t. uitbreiding van de woordenschat, zoals het spreekwoordenproject,
waarin elke 2 weken een nieuw spreekwoord werd gelanceerd.
Een personeelslid, meestal een lid van de sectie Nederlands, heeft de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
het taakbeleid.
Leerlingen die achterstand hebben op taalonderdelen zoals begrijpend lezen en spelling, kunnen enkele lessen
Remedial teaching krijgen. Dit ter beoordeling aan de docentenvergadering in samenspraak met de RT-er.
Specifieke ondersteuning gericht op het verbeteren van de rekenvaardigheid
Rekenbeleid op het vmbo in grote lijnen
Het rekenbeleid op het vmbo valt uiteen in drie delen. In het programma van de onderbouw vmbo (klas 1 en 2
hebben een lesuur op de lessentabel) wordt getracht zo goed mogelijk aan te sluiten bij het 1F niveau van de
basisschool. Het rekenboek van Getal&Ruimte vmbo-kgt biedt goede mogelijkheden om te remediëren en te
onderhouden. Verder geeft het ook goede aanzetten om deels naar het 2F niveau toe te werken. Het doel is dat alle
leerlingen aan het eind van de tweede klas minimaal het 1F niveau beheersen. Daar waar mogelijk wordt er door de
docent convergente differentiatie toegepast: zwakkere leerlingen krijgen meer directe instructie en maken samen
met de docent oefenopgaven: begeleid oefenen.
De praktijk wijst uit dat niet alle leerlingen na de tweede klas het 1F niveau ruimschoots beheersen. Een selecte
groep van zwakke rekenaars en leerlingen met dyscalculi dient zodoende in de derde klas vmbo nog een apart
programma te volgen van remediëring en pre-teaching. In het eerste halfjaar (remediëring) kan de focus liggen op de
stof van de voorgaande twee jaren. Kritische succesfactor daarbij is kennis van de sterke en zwakke punten van de
individuele leerling. Het programma kan bestaan uit het opnieuw maken van de proefwerken van klas 1 en 2 en deze
uitgebreid nabespreken om vervolgens niet begrepen opgaven nog extra te laten oefenen. De tweede helft van het
schooljaar kan gebruikt worden als voorbereiding (pre-teaching) op de stof van het vierde jaar. Een goede
mogelijkheid is een wisselend weekprogramma van kale sommen enerzijds en verhaaltjessommen anderzijds waarbij
er per les telkens één soort opgave wordt behandeld en geoefend. Van belang is om telkens veel te herhalen.
Alle uitgeverijen hebben de claim dat hun lesboeken aansluiten op het referentiekader van Meijerink en zodoende
goed voorbereiden op de rekentoets. Er zijn echter grote verschillen tussen de verschillende boeken niet alleen qua
opzet en didactiek maar ook qua inhoud. De beschikbare tijd in het vierde jaar moet natuurlijk zo goed mogelijk
benut worden. Daarom is voor het vierde jaar het motto: teaching to the test. We doen alleen wat echt relevant is
voor de rekentoets. Dit houdt onder andere in dat we niet alle hoofdstukken van het rekenboek Getal&Ruimte ¾
vmbo-kgt maken. De inhoud van dit rekenboek is niet compleet, een aantal hoofdstukken zijn niet relevant en met
name bij het onderdeel ‘kale opgaven’ ligt de focus verkeerd. Door middel van stencils (kopieën uit andere
rekenboeken) en oefentoetsen kunnen deze hiaten worden opgevuld.
In het kort:
Leerjaar 1 en 2 vmbo, 1 uur op de lessentabel: Remediëring en onderhoud niveau 1F.
Leerjaar 3 vmbo: Remediëring en pre-teaching zwakke rekenaars en leerlingen met dyscalculie.
Leerjaar 4 vmbo, 1 uur op de lessentabel: Teaching to the test niveau 2F.
Specifieke ondersteuning gericht op het verbeteren van studievaardigheden en werkhouding
In de eerste klas (mavo, mavo/havo en havo) staat er gedurende het eerste halfjaar één lesuur studieles op het
rooster. In deze les leren de leerlingen van de mentor aan de hand van de methode ‘Breingeheimen’
studievaardigheden. Daarnaast heeft elke leerling in klas 1 het boekje ‘Zakboek vaardigheden’. De vaardigheden die
in dit zakboek staan worden door de mentor in de mentor- en studieles geoefend met de leerlingen. Daarnaast heeft
elke sectie één of twee vaardigheden gekozen om extra aandacht aan te besteden. In de lessen van dat vak wordt er
dan gewerkt aan die vaardigheid met het zakboekje ‘in de hand’. De leerlingen leren zo dat bijvoorbeeld de
vaardigheid presenteren op onze school voor elk vak op dezelfde manier wordt uitgevoerd, namelijk zoals
beschreven staat in het zakboekje vaardigheden. Eindverantwoordelijkheid voor de studielessen en gebruiken van
het zakboekje vaardigheden is de teamleider-onderbouw.
In de tweede, derde en vierde klassen is er geen structurele studieles meer volgens rooster. De leerlingen hebben
12
wel een mentor die tijdens de mentorlessen aandacht besteedt aan studievaardigheden en werkhouding, en de
aanpak van vaardigheden vanuit het zakboekje wordt in deze jaren gecontinueerd.
Onze school biedt aanvullend de onderstaande didactische ondersteuningsprogramma’s
(alleen gebruiken indien van toepassing)
Specifieke ondersteuning gericht op het maken van huiswerk
Voor de leerlingen van de eerste klas is het mogelijk om gebruik te maken van een huiswerkklas na schooltijd. Deze
huiswerkklas wordt georganiseerd door de teamleider-onderbouw in samenwerking met de teamleider-onderbouwhavo. Leerlingen die thuis weinig mogelijkheden hebben om rustig huiswerk te maken en/of die extra hulp nodig
hebben bij het maken van huiswerk, kunnen op eigen verzoek of op aanbeveling van de docentenvergadering
worden geplaatst in de huiswerkklas. De begeleiding in de huiswerkklas wordt uitgevoerd door docenten van onze
locatie. In deze huiswerkklas wordt gewerkt volgens de studievaardigheden zoals beschreven in het Zakboek
vaardigheden ( zie boven) Aan deze huiswerkklas zijn voor de ouders geen kosten verbonden.
Specifieke ondersteuning gericht op extra ondersteuning bij de MVT.
Op verzoek van de docentenvergadering en met instemming van de leerling en de ouders, kan een leerling van klas 1
mavo mavo/havo en 1 havo, en een leerling van 2 mavo en 2 mavo/havo voor enkele weken een steunles voor een
van de moderne vreemde talen volgen. Tijdens deze steunles wordt zo mogelijk onderzocht waar er hiaten in de
voorkennis zitten en hoe deze weg te werken zijn en/of er wordt extra uitleg en oefening gegeven m.b.t. een voor de
leerling moeilijk onderwerp. Deze steunlessen worden verzorgd door vakdocenten onder coördinatie en
eindverantwoordelijkheid van een van de teamleiders-onderbouw.
3.1.5
Ondersteuning op het gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag
Wat
De school maakt structureel
gebruik van
screeningsinstrumenten om
het welbevinden en de
sociaal-emotionele
ontwikkeling van de leerling
te meten.
De school maakt structureel
gebruik van
screeningsinstrumenten om
het welbevinden en de
sociaal-emotionele
ontwikkeling van de leerling
te meten.
De school maakt structureel
gebruik van
screeningsinstrumenten om
het welbevinden en de
Kernachtige beschrijving
Afname schoolvragenlijst
In de brugklas wordt in de eerste periode van het schooljaar de ‘Schoolvragenlijst’(SVL) afgenomen.
De afname van deze lijst heeft tot doel opvattingen en houdingen van de leerling
te inventariseren, die van belang zijn voor het onderwijs- leerproces op school. De
uitslag kan inzicht geven in drie groepen houdingen:
I: de werkhouding of de motivationele houding ten opzichte van het schoolwerk,
II: het welbevinden of de sociaal- emotionele houding ten opzichte van het
schoolleven en
III: het zelfvertrouwen of de houding ten opzichte van eigen mogelijkheden.
Inzicht in deze houdingen van leerlingen kan om verschillende redenen van belang
zijn voor de begeleiding van leerlingen en het onderwijs- leerproces op school.
Zorgwekkende resultaten worden met de leerling zelf en zijn/ haar opvoeders
besproken. Aan de hand van zorgwekkende resultaten kunnen interventies
ingezet worden.
De eindverantwoordelijkheid/ coördinatie ligt in handen van de teamleideronderbouw .
Faalangst/ examenvrees
De leerlingen van klas 1 maken de SLV-toets. Gegevens uit deze toets worden
gebruikt om faalangstige leerlingen te signaleren. Verder wordt er gevraagd aan
de docenten en mentoren om via observatie en gesprekken leerlingen van alle
leerjaren met faalangst/ examenvrees op te sporen. Na inventarisatie door de
coördinator RT wordt er een lijst samengesteld. De leerlingen worden via een
brief aan de ouders uitgenodigd om deel te nemen aan de cursus faalangst/
examenvrees met als doel hiermee te leren omgaan. Deze cursus staat in eerste
instantie open voor leerlingen klas 1 en 4 en als er voldoende capaciteit is voor de
andere leerlingen.
De coördinatie en analyse ligt in handen van de coördinator RT.
Preventief gezondheidsonderzoek (PGO)
Het preventief gezondheidsonderzoek (PGO) is onderdeel van het preventieve
onderzoeksprogramma van de jeugdgezondheidszorg, waarbij op vastgestelde
momenten kinderen worden onderzocht naar de lichamelijke, geestelijke en
13
sociaal-emotionele
ontwikkeling van de leerling
te meten.
De ontwikkeling van
gedragscompetenties maakt
onderdeel uit van het
schoolprogramma
De ontwikkeling van
gedragscompetenties maakt
onderdeel uit van het
schoolprogramma
sociale ontwikkeling. Voor het signaleren van psychosociale problematiek wordt
het screeningsinstrument de ‘KIVPA’ gebruikt. Aan de hand van de ingevulde
vragenlijsten door de leerlingen zelf, de ouders/ verzorgers en de mentor voert de
schoolverpleegkundige een gesprek met de leerling.
Het betreft alle leerlingen uit leerjaar 2 .
Het doel van het onderzoek is om problemen vroegtijdig te signaleren, zodat
interventies zo nodig kunnen plaatsvinden.
Een van de teamleiders van de onderbouw heeft binnen de school de
eindverantwoordelijkheid/ coördinatie. De schoolverpleegkundige is
verantwoordelijk voor de uitvoering van het PGO.
Lessen seksualiteit en drugs ( w.o. alcohol en nicotine)
Er worden in de onderbouw lessen aangeboden op het gebied van seksualiteit en
drugs. Deze lessen worde aangeboden volgens de methode ‘Biologie voor jou’ en
aanvullend lesmateriaal.
De lessen hebben tot doel dat de mens door de leerling als een geheel wordt gezien,
waarbij gelet wordt op de gezondheid van lichaam en geest zodat leerlingen een
verantwoorde keuze kunnen maken in hun handelen.
De verantwoordelijkheid ligt bij vakdocenten biologie.
Schoolwacht
Schoolwachtenzijn leerlingen uit 4 mavo en 3 havo. Zij lopen in tweetallen tijdens
de pauzes en krijgen een vast gebied binnen de school toegewezen waarbinnen ze
gedurende een hele weekverantwoordelijk zijn voor de orde. Dit doen ze door
medeleerlingen aan te spreken als die zich niet aan de schoolregels houden.
Daarnaast kan de schoolwacht ook hulp bieden aan leerlingen.
Leerlingen leren zich zo verantwoordelijk te voelen voor de omgeving waarin ze zich
bevinden. Daarnaast zullen leerlingen leren op een prettige manier met elkaar te
communiceren en elkaar leren aanspreken als er asociaal of afwijkend gedrag
vertoond wordt. Ze kunnen er veel competenties mee ontwikkelen zoals sociale
vaardigheden, samenwerken, overtuigingskracht en communicatieve vaardigheden.
De leerlingen worden tijdens de uitvoering van de schoolwacht begeleid door een
coördinator van school. Samen met de conciërges en enkele docenten staat de
coördinator de leerlingen tijdens de pauzes bij. Verder informeert de coördinator
hen over hun taken en beoordeelt ze op de uitvoering van de werkzaamheden.
Binnen ons samenwerkingsverband en onze school geldt
De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie.
De school heeft omgangs- en gedragsregels opgesteld die aan het begin van het jaar door de mentor wordt
besproken en waarop terug gekomen wordt in voorkomende gevallen. Er worden passende maatregelen genomen
indien de regels worden overtreden.
In de les wordt structureel aandacht besteed aan omgaan met elkaar en samenwerken.
Binnen de school wordt structureel aandacht geschonken aan discriminatie en/of pesten.
Het aanleren van sociale vaardigheden is vast onderdeel in het schoolcurriculum.
Tijdens de pauzes is sprake van pauzebegeleiding.
De ondersteuning en begeleiding wordt uitgevoerd conform de handelingsgerichte cyclus: signaleren, analyseren,
plannen voorbereiden, plannen uitvoeren, evalueren (P-D-C-A).
De leraren zijn in staat sociaal-emotionele problemen en gedragsproblemen bij leerlingen te signaleren en hierop
preventief en proactief te reageren.
Bij een hoge score worde de resultaten van sociaal-emotionele toetsinstrumenten door de mentor met leerling
besproken.
Er is sprake van een effectieve leerlingbespreking gericht op sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag.
De school acteert alert op sociaal-emotionele problemen en gedragsproblemen bij leerlingen.
De school informeert ouders proactief wanneer de sociaal-emotionele ontwikkeling van hun kind stagneert of dreigt
te stagneren.
Binnen ons samenwerkingsverband en op onze school worden de onderstaande pedagogische programma’s en
methodieken geboden gericht op sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag
14
Pedagogische aanpak in de klas/school
Een leraar is de manager van zijn klas. Hij maakt gebruik van organisatorische vaardigheden, zoals plannen,
organiseren, coördineren, leidinggeven, controleren en het verzorgen van communicatie, om voorwaarden te
creëren en te handhaven waardoor instructies en leeractiviteiten waardevol en succesvol zijn.
Klassenmanagement is een middel om een veilige omgeving te scheppen, waarin leerlingen actief, betrokken met
plezier en succes kunnen leren en zich ontwikkelen. Lesgeven vanuit een eigen visie, op een manier die bij de leraar
past is belangrijk voor inspirerend klassenmanagement.
Goed klassenmanagement zorgt voor een situatie waarin succesvol en opbrengstgericht onderwijs kan plaatsvinden.
De leraar slaagt erin problemen te voorkómen. Hij heeft overzicht over de klas en kan zijn aandacht over meerdere
zaken tegelijk verdelen. Bovendien is hij duidelijk, consequent en reageert hij evenwichtig.
Behoeften: Hierbij wordt tweezijdig (leerling-school) gebruik gemaakt van de handelingswijzer(s).
In goed klassenmanagement wordt aangesloten bij de onderwijsbehoeften van de leerlingen. Leraren krijgen in hun
klas te maken met leerlingen die verschillende mogelijkheden en behoeften hebben. Het onderwijs is zodanig
georganiseerd dat alle leerlingen voldoende aandacht en tijd krijgen om te leren. Het is belangrijk dat leerlingen op
school leren dat zijzelf verantwoordelijk zijn voor hun leerproces. Leren moeten ze zelf doen. Door hen
verantwoordelijk te maken voor hun eigen leerproces en leerresultaat raken ze betrokken en gemotiveerd.
Positief
Klassenmanagement richt zich ook op het creëren van een positief werkklimaat. Door regels en afspraken te maken
neemt de leraar vooraf beslissingen om bepaalde gebeurtenissen te voorkomen. Hiermee schept de leraar
duidelijkheid voor zichzelf en zijn leerlingen. De leraar is alert en consequent, hij is in staat om bij ordeverstoringen of
pogingen daartoe direct in te grijpen. Hij is dus in staat om meerdere dingen tegelijk te doen: nieuwe stof uitleggen
en correctief optreden; de voortgang van de les bewaken en leerlingen individueel helpen.
Leerjaar 1 heeft een brugklaskamp om elkaar te leren kennen en binnen normen en waarden van onze school met
elkaar om te leren gaan. Sponsoractiviteiten waarbij een leerling leert belangeloos iets te doen voor een ander. Disco
waarbij leerlingen elkaar op een andere manier leren kennen.
Leerjaar 2 jaaropening –sluiting om elkaar te leren kennen en binnen normen en waarden van onze school met elkaar
om te leren gaan. Sponsoractiviteiten waarbij een leerling leert belangeloos iets te doen voor een ander. Disco
waarbij leerlingen elkaar op een andere manier leren kennen.
Leerjaar 3 Jaaropening -sluiting om elkaar te leren kennen en binnen normen en waarden van onze school met elkaar
om te leren gaan. Sponsoractiviteiten waarbij een leerling leert belangeloos iets te doen voor een ander. Disco
waarbij leerlingen elkaar op een andere manier leren kennen.
In de Reizenweek passeren leerlingen letterlijk een grens. Ze passen de theorie van wat ze geleerd hebben toe in de
praktijk en leren ander culturen kennen. In de stageweek snuffelen ze aan wellicht hun toekomstige beroep.
Leerjaar 4 Jaaropening –sluiting (Efteling) om elkaar te leren kennen en binnen normen en waarden van onze school
met elkaar om te leren gaan. Sponsoractiviteiten waarbij een leerling leert belangeloos iets te doen voor een ander.
Disco waarbij leerlingen elkaar op een andere manier leren kennen.
De eindverantwoordelijkheid ligt bij de teamleiders.
Persoonlijke begeleiding/coaching
De zorgstructuur kent een zekere gelaagdheid. Daarbij gaat het allereerst om het niveau van de docenten en
mentoren, het microniveau. Op het volgende niveau staan anderen binnen de school de docenten en mentoren bij
(o.a. specialistische medewerkers en de coördinator van de leerlingenzorg), en wordt samengewerkt met
schoolnabije partners als de leerplicht, maatschappelijk werk en de Jeugd gezondheidszorg (JGZ). Bij (vermoedens
van) complexe en meervoudige problematiek die deze hulpbronnen van het onderwijs overstijgen kan vervolgens
een beroep gedaan worden op het casusoverleg van het Zorg- en adviesteam (ZAT) voor de benodigde
probleemtaxatie, handelingsadvisering en, waar nodig, interventieplanning. Als de school ‘handelingsverlegenheid’
ervaart kan er een beroep gedaan worden op de Centrale Zorg Commissie (CZC) van het samenwerkingsverband
voortgezet onderwijs Delft (swv vo Delft).
15
Het eerste niveau betreft het niveau van de docenten en mentoren die signaleren of signalen van anderen opvangen
en hierop zelf reageren. Dit niveau betreft de dagelijkse begeleiding van leerlingen door docenten in de les. Elke
docent heeft een signalerende taak en meldt zijn bevindingen bij de mentor. De mentor heeft naast een
signalerende taak, een begeleidende en een verwijzende taak. Als er sociaal- emotionele problemen gesignaleerd zijn
is het van belang dat men nagaat of de problematiek ook gedeeld wordt door collega’s. Een mentor kan een
leerlingen die sociaal- emotioneel gezien opvalt in zijn/ haar klas inbrengen in het mentorenoverleg of de leerlingbespreking.
In het mentoroverleg/ de leerling-bespreking worden signalen van sociaal- emotionele problemen omgezet in doelen
en afspraken over het handelen van de docent(en) en leerling. Ook dient de vraag beantwoordt te worden of de
eigen organisatie de gestelde doelen kan realiseren of dat samenwerking met externe partners gewenst is. Tijdens
een volgend mentorenoverleg/ leerling-bespreking wordt geëvalueerd of de leerling een meer positieve sociaalemotionele ontwikkeling doormaakt. Mochten de ingezette interventies ontoereikend blijken, dan kan de mentor
een leerling, met toestemming van ouders/ verzorgers, aanmelden bij het interne zorgteam van de school.
Interne zorgteam (IZT)
Het interne zorgteam bestaat uit de zorgcoördinator en de jeugdmaatschappelijk werker (JMW-er) van stichting
Jeugdformaat. De zorgcoördinator en de JMW-er beoordelen signalen van leerkrachten die wijzen op de behoefte
aan extra zorg voor een leerling. De zorgcoördinator en de JMW-er kunnen zelf ondersteuning bieden en/ of juiste
hulp en ondersteuning voor de leerling activeren. Ook weegt men in dit intern zorgoverleg af of een casus in het ZAT
besproken moet worden. Hiertoe besluit men als de problematiek dermate complex is dat een multidisciplinaire kijk
en eventueel de interventies van ZAT- partners gewenst is. In geval het duidelijk is dat een multidisciplinaire blik
vereist is en/ of sprake is van zwaardere en complexe problemen, volgt, met toestemming van ouders, bespreking in
het ZAT.
Zorg- en advies team (ZAT)
Het ZAT is een belangrijke schakel tussen het leerlingbegeleidingssysteem van de school en de jeugdzorgketen. Een
ZAT is een multidisciplinair team en netwerk waarin de zorgcoördinator en medewerkers uit de school aan tafel zitten
met professionals die zorg en ondersteuning bieden aan jongeren en hun opvoeders. Deze professionals kunnen
vaste leden zijn, of op afroep beschikbaar. Ze vertegenwoordigen onder andere jeugd- en gezondheidszorg, leerplicht
en politie. In het ZAT bespreken ze samen hoe ze jongeren waarbij de school handelingsverlegenheid ervaart in het
leren, het opgroeien en opvoeden verder kunnen helpen. De professionals in het ZAT beoordelen snel en vakkundig
signalen van leerkrachten die wijzen op de behoefte aan extra zorg voor een leerling. Het ZAT biedt zelf directe
ondersteuning en/ of activeert zo effectief mogelijk de juiste hulp en ondersteuning voor de leerling, zijn opvoeders
en docenten en stemt deze hulp af op de geboden onderwijszorg. De zorgcoördinator speelt in dit proces een
belangrijke rol. Deze kan de evaluaties bewaken en communiceren naar de betrokken partners, opvoeders en
leerlingen en daarmee een schakelfunctie in het geheel vormen. Er zijn globaal vijf gebieden zijn en drie leefmilieus
waar mogelijke signalen kunnen optreden: leren, gezondheid, verzuim, veiligheid en gedrag in de leefmilieus gezin,
school en het publieke domein. Vanuit deze gebieden en leefmilieus volgt de routing in de bestaande zorgstructuur in
en rondom school, die eventueel uitmondt in een toeleiding naar het ZAT. Wanneer men ook op dit niveau
handelingsverlegenheid ervaart, kan er nog een beroep gedaan worden op de Centrale Zorg Commissie (CZC) van het
samenwerkingsverband voortgezet onderwijs Delft.
Centrale Zorg Commissie (CZC)
De (CZC) is een bovenschools team van deskundigen vanuit het onderwijs en de hulpverlening. Scholen kunnen de
CZC voor hulp en advies inschakelen op het moment dat zij bij een specifieke leerling ‘in handelingsverlegenheid
zitten’ of gebruik willen maken van bovenschools onderwijs- en zorgaanbod.
Het aanbod van de CZC kan bestaan uit:
1. Consultatie en advies aan scholen.
2. Inzet van bovenschools zorgbudget.
3. Ondersteuning en begeleiding van docenten en zorgleerlingen met specifieke onderwijs- en zorgvragen.
4. Monitoren van projecten als Rebound en andere bovenschoolse onderwijs- en zorgvoorzieningen.
5. Verwijzing van zorgleerlingen naar andere scholen binnen of buiten het eigen SWV.
De CZC bestaat uit minimaal vijf vaste leden. De CZC wordt aangevuld met andere leden voor zover van
belang voor de bespreking. De vaste leden van de CZC zijn een voorzitter/diagnostisch geschoolde psycholoog of
orthopedagoog, een secretaris, een medewerker van Bureau Jeugdzorg, een of twee medewerkers vanuit
16
bovenschoolse voorzieningen als Rebound, Op de Rails en Herstart en een leerplichtambtenaar. De variabele leden
van de CZC worden per vergadering vastgesteld. In ieder geval betreft dit een of meer vertegenwoordigers vanuit de
schoollocatie die een leerling heeft aangemeld bij de CZC. Daarnaast kunnen de vergaderingen van de CZC per
besproken casuïstiek worden aangevuld met specifieke deskundigen vanuit cluster 2, 3 of 4 of deskundigen vanuit
specifieke hulpverleningsorganisaties. Deze deskundigen hebben binnen de CZC een adviserende taak.
Stagebegeleiding
In leerjaar 3 mavo volgen alle leerlingen twee aaneengesloten weken beroepsgerichte stage in Delft en omgeving.
Dit heeft tot doel de leerlingen kennis te laten maken met de diverse beroepen in de diverse sectoren.
Eindverantwoordelijkheid en coördinatie liggen in handen van de decaan mavo-bovenbouw.
Onze school biedt aanvullend de onderstaande pedagogische programma’s en methodieken gericht op sociaalemotionele ontwikkeling en gedrag
(alleen gebruiken indien van toepassing)
Examenvreestraining
Voor klas 4 wordt er elk jaar een BOF-training aangeboden. BOF staat voor ‘Bewust Omgaan met Faalangst’. De
training is geschikt voor leerlingen die last hebben van overmatige spanning rondom schooltaken, waardoor zij niet
optimaal functioneren of presteren op het niveau, dat haalbaar is als die spanning er niet zou zijn of als de spanning
(een stuk) minder zou zijn. Het doel is om leerlingen te leren omgaan met hun examenvrees. Maar ook met hun vrees
voor toetsten. De eindverantwoordelijkheid is in handen van coördinator-RT.
Faalangsttraining
Voor de klassen 1 t/m 3 wordt er voor leerlingen met faalangst een faalangsttraining aangeboden. De training is
geschikt voor leerlingen die last hebben van overmatige spanning rondom schooltaken, waardoor zij niet optimaal
functioneren of presteren op het niveau, dat haalbaar is als die spanning er niet zou zijn of als de spanning (een stuk)
minder zou zijn. Het doel is om leerlingen te leren omgaan met hun faalangst. De eindverantwoordelijkheid is in
handen van de coördinator-RT.
3.1.6
Ondersteuning van leerlingen met een lichamelijke, visuele of auditieve handicap
Wat
Kernachtige beschrijving
De school is fysiek
Alle ruimtes op onze school zijn fysiek toegankelijk voor leerlingen met een
toegankelijk voor leerlingen
lichamelijke handicap.
met een lichamelijke handicap
(rolstoelvriendelijk).
Er is sprake van aangepaste
Onze school heeft een lift en een gehandicaptentoilet. Ook zijn er diverse ruimtes
(werk- en instructie)ruimtes.
waar een leerling alleen kan zitten werken of een gesprek kan voeren.
De school heeft hulpmiddelen Voor leerlingen met een lichamelijke handicap, ook auditief, bespreken wij, met de leerling
en de ouders, welke hulpmiddelen nodig zijn en welke rol de school daarin kan spelen.
beschikbaar voor leerlingen
die dat nodig hebben.
Voor onze school geldt tevens:
De docenten zullen hun uiterste best doen om een gehandicapte leerling te begeleiden.
Voor leerlingen met een LGF (rugzakje) is een docent beschikbaar die individuele begeleiding biedt. Natuurlijk werken
wij samen en worden wij hierbij ondersteund door ambulante begeleiders en het Samenwerkingsverband.
Bij lesverzuim door langdurige ziekte wordt de hulp van ‘Onderwijs aan het zieke kind’ ingeschakeld.
17
4.
Extra ondersteuningsmogelijkheden binnen onze school
Binnen onze school is een aantal ondersteuningsarrangementen mogelijk voor leerlingen die meer
ondersteuning nodig hebben, dan wij als school vanuit de basisondersteuning kunnen leveren. Deze
arrangementen kunnen wij alleen als school realiseren met behulp van aanvullende middelen, menskracht of
expertise van buiten onze eigen school.
Om de extra ondersteuningsbehoeften van een leerling of eventueel diens ouders te kunnen vaststellen,
werken we conform de afspraken die zijn vastgelegd in het protocol “toewijzen ondersteuningsaanbod”.
De samenwerking tussen school, ouders en leerling en de ketenpartners op gebied van onderwijs en/of zorg is
daarbij een belangrijk uitgangspunt.
Indien de school van mening is dat er meer ondersteuning noodzakelijk is om de leerling te ondersteunen in
diens onderwijs- en/of opvoedbehoeften, wordt in gezamenlijkheid bekeken welk ondersteuningsarrangement
binnen de school kan worden geleverd.
Afhankelijk van het soort ondersteuningsarrangement wordt voor de leerling een ontwikkelingsperspectief
opgesteld of een integraal ondersteuningsplan onderwijs en zorg.
Het ontwikkelingsperspectief is een document waarin wordt omschreven hoe dicht de leerling gestelde doelen
kan benaderen en welke extra ondersteuning daarvoor nodig is, wat de te verwachten uitstroombestemming
en het te verwachten uitstroomniveau zal zijn van de leerling en wat het onderwijsaanbod zal zijn om dat
niveau te bereiken. Het ontwikkelingsperspectief beschrijft het ‘wat’ (wat zijn de doelen waar met de leerling
naar toe wordt gewerkt; waar en waarom wijkt dat af van het basisprogramma). Over het
ontwikkelingsperspectief wordt zorgvuldig overleg gevoerd tussen deskundigen binnen onze school, ouders en
leerling en onze samenwerkingspartners.
Het werken met een ontwikkelingsperspectief zal de komende tijd worden uitgewerkt en onderdeel worden
van de onderwijspraktijk. Het is te voorzien dat dit invloed zal hebben op de manier waarop gedacht en
gesproken wordt over de ondersteuningsmogelijkheden van de school.
4.1 Extra ondersteuning op het gebied van de leerontwikkeling
Leerwegondersteuning binnen het VMBO
Afhankelijk van hetgeen er in het handelingsplan is opgenomen, wordt er hulp ingezet. De uitvoering geschiedt door
de mentor, vakdocent, RT’er of schoolmaatschappelijk werker. Zo kan er o.a. het volgende worden geboden:
Extra hulp bij het leren studeren
Sociale vaardigheidstraining
Extra hulp bij het plannen
Begeleiding door de dyslexiecoach
Wekelijks gesprek met mentor als steuntje in de rug
Doorgaans wordt er een uur per week ondersteuning geboden.
De LWOO-beschikking is op dit moment 4 jaar geldig en het heeft als doel om middels ondersteuning de betreffende
leerling het VMBO-diploma te laten behalen.
Voor een leerling met een LWOO-beschikking maken we een handelingsplan. Daarin wordt beschreven welke hulp
een leerling nodig heeft en welke aanpak we daarbij gebruiken. De ouders worden bij de opstelling van dat plan
betrokken. Daarna worden de handelingsplannen bijgehouden en elk half jaar geëvalueerd, waarna nieuwe doelen
kunnen worden geformuleerd.
Coachen op het gebied van leerontwikkeling
De leerlinggebonden financiering (LGF), het zogenoemde rugzakje, bestaat enkel nog dit schooljaar. Daarna wordt de
ambulante begeleiding voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte op het gebied van de leerontwikkeling
geboden door specialisten van het samenwerkingsverband.
Time-In-klas
In de Time-In-klas kunnen maximaal 12 leerlingen tegelijkertijd verblijven. Individuele aandacht, structuur en
positieve feedback zijn de kernelementen. Er wordt gewerkt met een individueel handelingsplan. De verblijfsduur is
18
in principe maximaal 3 maanden. In bijzondere situaties is een langer verblijf mogelijk. De Time-in-klas is gesitueerd
in een aparte vleugel van het gebouw van het Stanislascollege Krakeelpolderweg, op de begane grond.
Time-in-klassen bieden overbelaste jongeren maatwerkgerichte ondersteuning op gedrag, onderwijs en aanvullende
zorg. Hierdoor wordt het mogelijk om meer leerlingen met grotere problematiek binnen de eigen schoolse setting
een aanbod te bieden, hebben deze overbelaste jongeren een grotere kans op het behalen van het VMBO-diploma
en doorstroming naar een passende vervolgopleiding. Doel van de plaatsing is het realiseren van gedragsverandering
zodat een (perspectiefvolle) terugkeer naar de eigen klas mogelijk is.
De ondersteuning bestaat uit trainingen en gesprekken en wegwerken van ontstane onderwijsachterstanden,
uitgevoerd door de eigen Time In docent(en) en ambulant begeleider en jeugdmaatschappelijk werker. Indien
noodzakelijk wordt gebruik gemaakt van een gedragswetenschapper van het SWV of vanuit de ketenpartners voor
het uitvoeren van specifiek (persoonlijkheids)onderzoek. Binnen de school is een programma- en
methodiekbeschrijving aanwezig die aan ouders en leerling wordt verstrekt indien dit arrangement kan inspelen op
de behoeften van de leerling. Plaatsing gebeurt in overleg met ouders en leerling. Bij de uitvoering van de Time-inklassen zijn betrokken: gespecialiseerde docenten van de eigen schoollocatie, SWV- VO-Delflanden, Ambulante
Begeleidingsdienst REC-West , Kwadraad en Jeugdformaat.
Extra ondersteuning op het gebied van de leerontwikkeling is ook mogelijk door middel van de inzet van
preventieve trainingen. De school vindt het van belang om in te zetten op preventie om zo problemen op het
gebied van de leerontwikkeling te voorkomen/ verminderen die (mogelijk) een gezonde en evenwichtige
uitgroei tot volwassenheid belemmeren.
Training van het werkgeheugen en de concentratie: COGMED
Het werkgeheugen is het vermogen om informatie korte tijd vast te houden en te kunnen gebruiken in een
denkproces. Als het werkgeheugen onvoldoende functioneert, is het moeilijk om te focussen, vooruit te denken,
instructies te onthouden en meervoudige opdrachten uit te voeren, activiteiten te starten en te stoppen. De
computertraining COGMED traint het werkgeheugen en de concentratie van de jongere, waardoor een verbetering
optreedt. Problemen met het werkgeheugen of de concentratie kunnen een oorzaak zijn van slechte school- of
werkprestaties. De training helpt jongeren om beter te presteren op school of op de werkvloer.
De training is bedoeld voor leerlingen die:
leer-, werkgeheugen of concentratieproblemen vertonen die van invloed zijn op de schoolprestaties.
besproken zijn binnen de interne zorgstructuur en waarbij aantoonbaar ingezette ondersteuning niet heeft
geleid tot een vermindering van de problemen.
De werkgeheugentraining wordt uitgevoerd door specialisten binnen het SWV VO Delft of extern ingehuurde
specialisten. Er wordt nauw samengewerkt met de stamschool en de ouders van de leerling. De COGMED is een
software programma dat op school of thuis kan worden gevolgd over ene periode van vijf weken in 25
trainingssessies. Voor het volgen van de training is een goede trainomgeving van groot belang. Men dient te
beschikken over een PC met een Windows besturingssysteem (XP of Vista ); COGMED draait niet op Apple of een
ander systeem. De training vereist van de leerling een inspanning van ongeveer 30-45 minuten per dag. Per COGMED
-training staat er voor de COGMED Coach 10 tot 15 uur voor gesprekken, onderzoek, ondersteuning en rapportage.
Trainingen gericht op verbeteren van het executief functioneren
In deze bijeenkomsten worden, aan de hand van werkmateriaal, de executieve functies van de leerlingen versterkt.
Het doel van de training is het trainen en verbeteren van de executieve functies waarop de leerlingen uitvallen.
Daarbij wordt aangesloten bij de individuele problemen van de leerling op dit gebied. Executieve functies is een
verzamelterm voor denkprocessen (functies) die belangrijk zijn bij het uitvoeren (de executie) van sociaal en
doelgericht gedrag.
De training is bedoeld voor leerlingen die problemen ondervinden in het executief functioneren. Dit kunnen onder
andere leerlingen zijn die:
- Moeite hebben op hun beurt te wachten, moeite hebben met uitgestelde aandacht
- Opdrachten of delen ervan vergeten te maken, vaak hun spullen vergeten of kwijt zijn
- Afspraken vergeten
- Snel hun geduld verliezen, overdreven reageren op kleine problemen
19
-
Moeite hebben om langer geconcentreerd aan het werk te blijven
Moeilijk beginnen aan een taak
Geen tijdplanning kunnen maken
Geen idee hebben hoe ze een grotere taak gaan aanpakken
Een rommelige tas/tafel hebben
De training bestaat uit 5 bijeenkomsten van ongeveer 1 uur per bijeenkomst en wordt gegeven door specialisten van
het SWV VO. De trainingen worden niet aangeboden op de eigen schoollocatie, maar op een nog nader te bepalen
locatie. Tijdens de training wordt materiaal gebruikt uit diverse praktische werkboeken, toegespitst op
de door de leerlingen ervaren probleemgebieden.
- Executieve functies bij kinderen en adolescenten– Dawson en Guare.
- Coachen van kinderen en adolescenten met zwakke executieve functies- Dawson en Guare.
Met ouder en leerling wordt een intakegesprek gevoerd, naar aanleiding van een individuele aanmelding vanuit de
schoollocatie. Voorafgaand aan dit gesprek vullen de ouders en de mentor een vragenlijst in. Aan het eind van de
training wordt een evaluatieverslag geschreven met adviezen voor de begeleiding van de leerling op school.
Daarnaast wordt aan het eind van de training een ouderbijeenkomst verzorgd, waarin de ouders informatie
verkrijgen over het aanbod en de manier waarop zij hier thuis aandacht aan kunnen besteden.
Training gericht op leerlingen met ASS-problematiek
Het doel van de training is dat leerlingen meer competent worden in hun functioneren in het voortgezet
onderwijs. In de verschillende bijeenkomsten worden de competenties van de leerlingen vergroot en versterkt.
Daarbij is aandacht voor:
- Psycho- educatie gericht op ASS in het VO: sterke en zwakke kanten van de leerling.
- Sociaal en communicatief: handvatten op sociaal gebied.
- Plannen en organiseren: ondersteunen van verminderd functioneren op dit gebied.
De training is bedoeld voor leerlingen, gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, in de onderbouw van het
VO, en waarbij individuele psycho-educatie voor de leerling rondom ASS reeds heeft plaatsgevonden.
De training bestaat uit 10 bijeenkomsten van ongeveer 1 uur per bijeenkomst. De trainingen worden niet
aangeboden op de eigen schoollocatie, maar vinden plaats op een nog nader te bepalen locatie. De training wordt
gegeven door specialisten van het SWV VO Delft. Ook worden de leerlingen via de email (E-coaching) gedurende de
training extra ondersteund. Tijdens de training wordt materiaal gebruikt uit diverse praktische werkboeken,
toegespitst op de door de leerlingen ervaren probleemgebieden.
- Navigeren in de sociale wereld – J. Mc Afee.
- Executieve functies bij kinderen en adolescenten– Dawson , Guare.
- Ik ben speciaal – P. Vermeulen.
Met ouder en leerling wordt een intakegesprek gevoerd, naar aanleiding van individuele aanmeldingen vanuit de
schoollocatie. Voorafgaand aan dit gesprek vullen de ouders en mentor een vragenlijst in. Aan het eind van de
training wordt een evaluatieverslag geschreven met adviezen voor de begeleiding van de leerling op school
4.2 Extra ondersteuning op gebied van de sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag
Preventief ambulante begeleiding
Bij preventief ambulante begeleiding staat het handelen van de docent of een groep docenten ten aanzien van een
bepaalde leerling centraal. Enerzijds wordt de leerling geholpen en worden anderzijds docenten
geprofessionaliseerd. Preventief ambulante begeleiding wordt uitgevoerd door onderwijsspecialisten uit het
Expertisecentrum van het SWV VO Delflanden. De begeleiding is een kortdurende, laagdrempelige vorm van
ondersteuning, die wordt geboden aan docenten of teams in het regulier voortgezet onderwijs of kortdurend wordt
ingezet ten behoeve van de leerling.
De hulpvraag is gericht op begeleiding in de onderwijspraktijk en dient in relatie te staan met de problemen van de
leerling. Het gaat daarbij vooral om gedragsproblemen al dan niet gecombineerd met psychische problemen. In
gezamenlijkheid kan worden gezocht naar een aanpak voor de specifieke leerling die eventueel kan worden
vastgelegd in een handelingsplan. Uit de voorgestelde maatregelen worden die interventies gekozen, die het beste
passen bij de individuele docent en bij de leerling. In een eventuele vervolgafspraak kunnen de interventies worden
getoetst op hun bruikbaarheid en kunnen, indien noodzakelijk, nieuwe maatregelen worden bedacht.
20
Doelen van de preventieve ambulante begeleiding zijn:
- Formuleren van een advies over hoe de leerling kan worden ondersteund in het regulier onderwijs. De
handelingsadviezen zijn gericht op de docenten en/of het team.
- Kennis en expertise van speciale onderwijs- en zorgvoorzieningen delen met het regulier voortgezet
onderwijs, zodat de deskundigheid van de leraren in het regulier onderwijs wordt vergroot evenals de
zorgcapaciteit van de school.
- In een zo vroeg mogelijk stadium acteren op de zorg die docenten en teams kunnen hebben aangaande het
gedrag of de sociaal-emotionele ontwikkeling van een leerling.
Coaching
Sommige leerlingen hebben een meer persoonlijke begeleiding nodig dan wat de school kan bieden. De redenen
daarvoor kunnen zeer uiteenlopend zijn. Moeite met de overstap van de basisschool naar het voortgezet onderwijs,
moeite met planmatig werken, problemen bij het op een zinvolle manier invulling geven aan hun vrije tijd. Concreet
gaat het om leerlingen die de overstap maken van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en daar erg
onzeker in zijn, vanwege kleine incidenten grenzen dreigen te overschrijden, waardoor het moeilijk wordt hen zonder
extra maatregelen te handhaven op de school, weinig of geen inzicht hebben in eigen gedrag en handelen, slecht
tegen kritiek kunnen en moeite hebben met autoriteit, veelvuldig verzuimen dan wel motivatieproblemen hebben.
Het programma van coaching duurt maximaal één jaar. Gestart wordt met wekelijks gesprekken tussen de coach en
de leerling. Deze gesprekken vinden plaats op school. Gedurende het coachingstraject kan de frequentie van de
contactmomenten worden teruggebracht. Aan het eind van het traject wordt de coaching afgebouwd en wordt de
verdere ondersteuning overgedragen aan de mentor of andere begeleider van de leerling. Het doel van het
coachingstraject is:
- Het vergroten van inzicht in eigen gedrag en eigen handelen;
- Het vergroten van de motivatie van de leerling;
- Het verbeteren van de leerattitude van de leerling;
- Het vergroten van keuzemogelijkheden;
- Leren zelf sturing te geven aan eigen handelen.
Coaching wordt uitgevoerd door onderwijsspecialisten van het Expertiseteam van het SWV VO Delflanden of door
extern ingekochte expertise. Indien noodzakelijk wordt nauw samenwerkt met ouders/verzorgers of ambulante
hulpverlening.
Extra ondersteuning op het gebied van de sociaal- emotionele ontwikkeling is ook mogelijk door middel van de
inzet van preventieve trainingen. De school vindt het van belang om in te zetten op preventie om zo problemen
op het gebied van de sociaal- emotionele ontwikkeling te voorkomen/ verminderen die (mogelijk) een
gezonde, evenwichtige uitgroei tot volwassenheid belemmeren.
Training voor sociaalangstige leerlingen: VRIENDEN programma
Vrienden is een afkorting die staat voor: Voel je je bang, Rust en ontspan je lekker, In jezelf denken, Eigen plan
maken, Netjes gedaan, Doe je oefeningen, EN rustig blijven. De letters van het woord vormen de bakens waarmee
een angstig kind kan leren zijn angstgevoel onder controle te houden en niet in paniek te raken. Het
vriendenprogramma is gericht op de vroege preventie en behandeling van kinderen en jeugdigen met angstklachten.
Het is gericht op het vergroten van de emotionele veerkracht en het zelfvertrouwen van kinderen en jeugdigen en
het aanleren van vaardigheden om hun problemen op te lossen en moeilijke situaties aan te pakken. Dit beschermt
hen tegen toekomstige stress.
De training is bedoeld voor gevoelige, onzekere en verlegen leerlingen die zo weinig mogelijk willen opvallen. Ze
kunnen veel tobben over alles wat er mis zou kunnen gaan. Er is sprake van een stille lijdenslast bij deze kinderen. Ze
willen niet anders zijn dan andere leerlingen en kunnen zich schamen voor hun angsten. Als deze angsten niet
worden behandeld, is de kans groot dat ze leiden tot een angststoornis of depressie op volwassen leeftijd. In principe
heeft ieder kind baat bij het programma Vrienden. Ze leren er levensvaardigheden mee, zoals zich bewust worden
van hun eigen negatieve gedachten en deze proberen te vervangen door positieve, waar ze in de loop van hun
verdere leven veel aan kunnen hebben.
Het bovenschoolse VRIENDEN- programma bestaat uit 10 bijeenkomsten van 1 uur en wordt uitgevoerd door
specialisten van het SWV VO Delft. De trainingen worden niet aangeboden op de eigen schoollocatie, maar vinden
21
plaats op een nog nader te bepalen locatie. Met ouder en leerling wordt een intakegesprek gevoerd, naar aanleiding
van individuele aanmeldingen vanuit de schoollocatie. Daarnaast vinden er twee ouderbijeenkomsten plaats.
Het programma wordt afgesloten met een exitgesprek door de trainer met ouder en leerling.
Sociale vaardigheidstraining
De training is bedoeld voor leerlingen die minder sociaal vaardig zijn, vaak afgewezen door leeftijdsgenoten, moeite
hebben met hun eigen emoties en gedrag en regelmatig aanpassingsproblemen hebben. Kinderen die moeite hebben
met sociale vaardigheden belanden vaak ook in een vicieuze cirkel. Doordat ze moeite hebben met het leggen van
sociaal contact worden ze buiten gesloten. Hierdoor kunnen ze geen ervaring op doen in sociale vaardigheden en
raken ze nog meer achterop. Het is belangrijk om deze problemen aan te pakken omdat de problemen in de loop der
jaren eerder toenemen dan afnemen. En sociale problemen leiden vaak weer tot andere problemen zoals een
groeiende achterstand in schoolprestaties. Het uitgangspunt in de training is onderzoek bij jezelf in relatie met de
ander.
Het doel van de SOVA- training is een aanzet tot gedragsverandering. De jongeren krijgen inzicht in hun gedrag en
worden zich bewust van hun gedrag. De jongeren leren vaardigheden om:
Het eigen gedrag te onderzoeken
Sociale situaties te kunnen inschatten
Vermijdend gedrag te voorkomen
Hun eigen ‘ik’ centraal te stellen binnen de sociale omgeving
De bovenschoolse SOVA- training bestaat uit 10 bijeenkomsten van ongeveer 2 uur per bijeenkomst en wordt
uitgevoerd door inzet van de deskundigheid vanuit het SWV VO Delft. De trainingen worden niet aangeboden op de
eigen schoollocatie, maar vinden plaats op een nog nader te bepalen locatie. Er wordt gebruik gemaakt van
elementen uit diverse gedragsregulerende programma’s. De interventies en methodes die gebruikt worden komen
o.a. voort uit de cognitieve gedragstherapie van Aaron Beck. Daarnaast worden elementen uit de NLP van John
Grinder en Richard Bandler gebruikt om de rol van taal op gedachten en gevoelens duidelijk te maken en het effect
daarvan in contact met anderen. Er wordt veel gebruik gemaakt van dramatechnieken vanuit Vocie Dialoque. Hierbij
worden leerlingen geleerd om op een andere manier naar zichzelf te gaan kijken en zichzelf te beschouwen als een
persoon die niet uit één, maar uit een heleboel ‘ikken’ bestaat.
Met ouder en leerling wordt een intakegesprek gevoerd, naar aanleiding van individuele aanmeldingen vanuit de
schoollocatie. Na het samenstellen van de groepen wordt op de eigen schoollocatie een voorlichting gegeven
aan de mentoren van de aangemelde leerlingen, waarin de inhoud van de training wordt besproken en afspraken
worden gemaakt over de wekelijkse terugkoppeling en de uitwisseling van informatie. De trainer heeft gedurende de
training wekelijks e-mailcontact met de mentoren binnen de school over de vorderingen van de leerlingen bij de
training. Tijdens het programma worden in totaal 2 ouderbijeenkomsten georganiseerd, waarin ouders worden
geïnformeerd over de inhoud van de trainingen en een verbinding wordt gelegd tussen de aangeleerde vaardigheden
en de toepassing van die vaardigheden in de thuissituatie. Ouders worden wekelijks via de email op de hoogte
gehouden van de voortgang tijdens de training. Aan het eind van de training wordt voor elke leerling een evaluatieen adviesrapport geschreven voor ouders en school. In een exitgesprek wordt het rapport met ouders, leerling en
contactpersoon op de school besproken. Na afloop van het gesprek wordt het adviesrapport ook naar de school
verzonden.
Training zelfcontrole
In deze training staat het trainen van vaardigheden centraal, met als doel bewustwording, zelfcontrole en positief
denken. De training is bedoeld voor jongeren die zo boos kunnen worden dat dat ze daardoor in de problemen
raken. Het gaat om jongeren die moeite hebben met het onder controle houden van hun emoties en gedrag. De
training geeft een aanzet tot gedragsverandering. De jongeren krijgen inzicht in hun gedrag en worden zich bewust
van hun gedrag. De jongeren leren vaardigheden om:
Het eigen gedrag te onderzoeken
Boos gedrag te reguleren
Opstandig gedrag te voorkomen
Boosheid op een andere manier te uiten.
De training bestaat uit 10 bijeenkomsten van ongeveer 2 uur per bijeenkomst en wordt uitgevoerd door inzet van de
deskundigheid vanuit het SWV VO Delft. De trainingen worden niet aangeboden op de eigen schoollocatie, maar
vinden plaats op een nog nader te bepalen locatie. Bij deze vaardigheidstraining wordt gebruik gemaakt van
elementen uit diverse gedragsregulerende programma’s, waaronder de Equiptraining, de Agressie Regulatie Training
22
en de Rots & Water training. Daarnaast wordt veel gebruik gemaakt van dramatechnieken vanuit Voice Dialoque.
Hierbij wordt aan leerlingen geleerd om op een andere manier naar zichzelf te gaan kijken en zichzelf te beschouwen
als een persoon die niet uit één, maar uit een heleboel ‘ikken’ bestaat.
Met ouder en leerling wordt een intakegesprek gevoerd, naar aanleiding van individuele aanmeldingen vanuit de
schoollocatie. Na het samenstellen van de groepen wordt op de eigen schoollocatie een voorlichting gegeven aan de
mentoren van de aangemelde leerlingen, waarin de inhoud van de training wordt besproken en afspraken worden
gemaakt over de wekelijkse terugkoppeling en uitwisseling van informatie. Gedurende de training heeft de trainer
wekelijks e-mailcontact met de contactpersoon binnen de school over de vorderingen van de leerlingen bij de
training. Tijdens de training worden in totaal 2 ouderbijeenkomsten georganiseerd, waarin ouders worden
geïnformeerd over de inhoud van de trainingen en een verbinding wordt gelegd tussen de aangeleerde vaardigheden
en de toepassing van die vaardigheden in de thuissituatie. Ouders worden wekelijks via de email op de hoogte
gehouden van de voortgang tijdens de training. Aan het eind van de training wordt voor elke leerling een evaluatieen adviesrapport geschreven voor ouders en school. In een exitgesprek wordt het rapport met ouders, leerling en
contactpersoon op de school besproken. Na afloop van het gesprek wordt het adviesrapport ook naar de school
verzonden.
4.3 Extra fysiek medische ondersteuning
Fysieke (tijdelijke) beperking
Leerlingen die te maken krijgen met een (tijdelijke) fysieke beperking worden geholpen waar nodig. Afhankelijk van
de beperking kan deze ondersteuning liggen op het gebied van:
Schrijfhulp bij (schoolexamen) toetsen in het geval dat de leerling niet zelfstandig kan schrijven.
Gebruik van een laptop tijdens de lessen en bij (schoolexamen) toetsen in het geval dat de leerling niet
zelfstandig kan schrijven.
Gebruik van de lift(sleutel) in het geval dat de leerling niet zelfstandig de trap op kan lopen.
Verder worden er geen verpleegkundige handelingen door het personeel uitgevoerd. Alleen in het geval van het
verstrekken van medicijnen kan dit door het personeel worden uitgevoerd volgens het protocol medisch handelen
(zie bijlage).
Bij het vak LO (lichamelijke opvoeding) wordt rekening gehouden met de (tijdelijke) fysieke beperking van de leerling.
In het vierder leerjaar kan het PTA (programma van toetsing en afsluiting) van het schoolexamen aangepast worden
aan de beperking van de leerling. Eventueel kan de directeur vrijstelling verlenen voor het vak LO op medische
gronden. Hiervoor is een schriftelijke verklaring van een arts/behandelaar noodzakelijk.
Slechthorendheid
In het geval van slechthorendheid kan de leerling worden ondersteund door gebruik te maken van de soloapparatuur van de leerling. De school beschikt niet over dergelijke apparatuur.
Docenten krijgen voorlichting van de ambulant begeleider van de leerling, zodat specifieke ondersteuning in de klas is
afgestemd op de behoefte van de leerling.
Ondersteuning zieke leerlingen
Leerlingen die langdurig ziek zijn, kunnen in aanmerking komen voor extra ondersteuning. Dit kan zowel thuis als in
het ziekenhuis of andere instelling zijn. Voor onderwijs aan zieke leerlingen neemt de school contact op met het HCO
(Haags centrum voor onderwijsondersteuning) om afspraken te maken. Ook ouders kunnen zelf het HCO hiervoor
benaderen.
4.4 Ondersteuning in de thuissituatie
Jeugdmaatschappelijk werk
Via het schoolmaatschappelijk werk Haaglanden is er een schoolmaatschappelijk werker aan onze school verbonden,
voor een aantal uur per week. Deze maatschappelijke werker ondersteunt onze school met het uitvoeren van de
zorgtaken. De schoolmaatschappelijk werker heeft structureel overleg met de zorgcoördinator en neemt deel aan het
IZT (interne zorgteam).
De schoolmaatschappelijk werker kan aansluiten bij de behoeften van leerlingen, ouders en school. Daarvoor heeft
hij meerdere mogelijkheden.
Ondersteuning aan leerlingen en ouders:
23
-
Kortdurende hulpverleningsgesprekken met leerlingen- ouders- verzorgers- eventueel het afleggen van een
huisbezoek.
(opvoed)Ondersteuning aan de ouders.
ste
Signalering van problematiek en indien nodig toeleiding naar vormen van gespecialiseerde hulp ( 1
de
lijnjeugdzorg of naar de 2 lijn ) geïndiceerde jeugdzorg en het centrum voor jeugd en gezin.
Coördinatie van zorg.
Deze kortdurende hulp is beperkt, tot gemiddeld 5 contacten. Voor de verwijzing naar en de activering
van de externe zorg wordt o.a. een diagnostisch beeld opgesteld. De schoolmaatschappelijk werker heeft een
brugfunctie tussen de leerling, de ouders, de school en de externe hulpverlening.
Ondersteuning aan docenten en mentoren:
De schoolmaatschappelijk werker is werkzaam voor alle leerlingen van onze school. Inzet van de
schoolmaatschappelijk werker is er op gericht om op tijd problemen te signaleren en uitval van de leerling te
voorkomen.
4.5
Grenzen aan de ondersteuning
Helaas zijn er grenzen aan de ondersteuning die onze school kan bieden. Indien de onderwijs- en
opvoedbehoeften van de leerling de mogelijkheden van onze basis- en extra ondersteuning te boven gaan,
kunnen wij binnen onze school geen passende onderwijsplaats bieden. In overleg met ouders en leden van de
toewijzingscommissie ondersteuningsaanbod wordt dan bekeken of deze leerling kan worden doorgeleid naar
één van de scholen binnen het samenwerkingsverband die de ondersteuningsmogelijkheden wel in huis heeft,
dan wel dat een plaatsing in de bovenschoolse Flexvoorziening of het Speciaal Onderwijs voor deze leerling
meer voor de hand ligt.
24
5.
Organisatie van de onderwijs ondersteuningsstructuur
5.1. Contactgegevens ten behoeve van de aansturing van de interne onderwijsondersteuning
De aansturing van de
interne
ondersteuning en de
daarbij behorende
taken en
verantwoordelijkhed
en zijn duidelijk
vastgelegd binnen de
school
Naam en contactgegevens:
Naam en contactgegevens:
Mw. D. van der Spek,
zorgcoördinator/
schoolmaatschappelijkwer
ker
0157506040
[email protected]
nl
taken/
verantwoordelijkheden
Mw. H.Sosef,
remedial teacher,
rugzakbegeleider
0157506040
[email protected]
. coördinatie van de zorg;
.aansturing van de
mentoren mbt tot de
zorgaspecten van de
leerling begeleiding;
.coördinatie van het ZAT;
.contactpersoon t.a.v. het
SWV;
.overige externe contacten
.aansturing RT-activiteiten;
.coördinatie activiteiten
t.b.v. rugzakleerlingen en
LWOO-leerlingen
Naam en contactgegevens:
Naam en contactgegevens:
dhr. R Klokman,
teamleider onderbouw –
mavo
0157506040
[email protected]
.nl
taken/
verantwoordelijkheden
. verantwoordelijk voor
het beleid en de
organisatie t.a.v.
begeleiden en lesgeven
aan leerlingen van leerjaar
1 en 2 mavo en de
aansturing van mentoren
en docenten die met de
uitvoering belast zijn.
mw. H.Scholten,
teamleider onderbouw –
havo
0157506040
[email protected]
e.nl
taken/
verantwoordelijkheden
. verantwoordelijk voor het
beleid en de organisatie
t.a.v. begeleiden en
lesgeven aan leerlingen van
leerjaar 1,2 en 3 havo en de
aansturing van mentoren
en docenten die met de
uitvoering belast zijn.
taken/
verantwoordelijkheden
Naam en
contactgegevens:
taken/
verantwoordelijkheden
Naam en
contactgegevens:
mw. T.Essens,
teamleider bovenbouw –
mavo
0157506040
[email protected]
e.nl
taken/
verantwoordelijkheden
. verantwoordelijk voor
het beleid en de
organisatie t.a.v.
begeleiden en lesgeven
aan leerlingen van
leerjaar 3 en 4 mavo en
de aansturing van
mentoren en docenten
die met de uitvoering
belast zijn.
5.2. Functionarissen binnen de school
Voor de ondersteuning bij het uitvoeren van de preventieve en (licht) curatieve interventies heeft de school de
onderstaande deskundigheid in huis
Zorgcoördinator : mw. D. van der Spek
Taalcoördinator: mw. H.Scholten
Rekencoördinator: dhr. R.Selbeck / mw. S Rampadarath
25
Specialist ernstige lees- en spellingsproblemen/dyslexie: mw. H.Sosef
Specialist ernstige rekenproblemen/dyscalculie: mw. S Rampadarath
Verzuimcoördinator: mw. H.Holswilder
Vertrouwenspersoon: mw. D van der Spek
Counselor/leerlingbegeleider: mw. D. van der Spek / mw. B de Heij
Trainer faalangst/examenvrees: dhr. J.Jansen
Trainer sociale vaardigheid (basistraining): Beroepskeuzebegeleider: dhr. H van Offeren/ mw. E. van Reij
Aandachtsfunctionaris kindermishandeling/huiselijk geweld: mw. D. van der Spek
Stagebegeleider: dhr. H van Offeren/ mw. T Essens / mw. J. Leenaers
EHBO-er: - -- ( zie onder)
Onze school beschikt tevens over de onderstaande deskundigheid:
BHV –er: Mw. S. Gravemade /Mw. S Gronsveld / Mw. H.Holswilder / Mw. J. Holswilder / Mw. N Schepens / mw. L
Harrevelt / dhr. R Bakker / dhr. J van der Vreede / mw. M Nieuwebooer
5.3
Contactgegevens eerste aanspreekpunt samenwerkende partners in onderwijs en zorg
Contactgegevens
eerste
aanspreek
punt
externe
deskundig
enpool
SWV VO
Naam en
contactgegevens:
Mw. T. Klooster
(Directeur)
SWV VO Delflanden
Postbus 1013
2600 BA Delft
T: 015-2855554
E: [email protected]
JMW
Naam en
contactgegevens:
Mw. B. de Heij
(Jeugdmaatschappelij
k werker)
Stichting
Jeugdformaat
Waldeck
Pyrmontkade 872F
2518 JS Den Haag
T: 070-308 02 17
E:[email protected]
maat.nl
JGZ
Naam en
contactgegevens:
Mw. A. Luning
(Schoolverpleegkundige
)
Centrum voor Jeugd &
Gezin
Händellaan 108a
2628SN Delft
T : 085-2734451
E: [email protected]
Mw. P. van Osch
(Schoolarts)
Centrum voor Jeugd &
Gezin
Händellaan 108a
2628SN Delft
T: 085-2734221
E: [email protected]
Leerplicht
Naam en contactgegevens:
Mw. M. Roelofs
(Leerplicht Delft)
Westlandseweg 40
Postbus 78
2624 AD Delft
T: 015-260 2331
E: [email protected]
Mw. T. Goudzwaard
(Leerplicht Westland)
Anna van Raesfeltstraat 37
2636 HX Schipluiden
T: 015-380 42 62
E: [email protected]
.nl
5.4 Inzet van specialisten vanuit de expertisepool
De school werkt samen met specialisten vanuit het SWV en de ketenpartners als de ondersteuningsbehoeften van
de leerling de eigen mogelijkheden van de school overstijgen
Extra ondersteuning op gebied van onderwijs
Gedragswetenschappers SWV VO Delflanden
Onderwijsspecialisten SWV VO Delflanden
Specialisten vanuit cluster 1
Specialisten vanuit cluster 2
Specialisten vanuit cluster 3
Specialisten vanuit cluster 4
Extern aangestelde onderwijsspecialisten
26
Extra ondersteuning op gebied van opvoeding en hulpverlening
Jeugdmaatschappelijk werkers stichting Jeugdformaat
Medewerkers GGZ
Medewerkers MEE
Medewerkers BJZ
Ambulant begeleiders Jeugdformaat
Medewerkers verslavingszorg
Informele hulpverlening
Extra ondersteuning op medisch gebied
Schoolarts
Schoolverpleegkundige
consulent Onderwijsondersteuning Zieke Leerlingen Haaglanden (OZLH) van het HCO
Extra ondersteuning op gebied van veiligheid, verzuim en schooluitval
Leerplicht Delft
Politie Delft
Onze school werkt tevens samen met:
Partners van het CJG
Zo nodig met andere hulpverleners dan hierboven genoemd.
27
5.
Samenwerking
Binnen ons samenwerkingsverband en voor onze school geldt
De school werkt binnen het samenwerkingsverband samen aan een effectieve ondersteuningsstructuur
De school is op diverse niveaus vertegenwoordigd binnen het samenwerkingsverband.
Het schoolondersteuningsprofiel voldoet tenminste aan het overeengekomen niveau van basisondersteuning.
De school concretiseert en operationaliseert het onderwijs- en zorgbeleid, binnen de kaders van het
schoolondersteuningsprofiel.
De school komt de werkafspraken na die zijn vastgelegd in het schoolondersteuningsprofiel.
De school levert een actieve bijdrage aan het versterken van de onderwijszorgstructuur binnen de schoollocatie en
tussen de schoollocaties in het samenwerkingsverband VO Delflanden.
Het schoolondersteuningsprofiel van de school maakt deel uit van een dekkend regionaal aanbod aan
onderwijsondersteuning.
De school informeert jaarlijks het samenwerkingsverband over het rendement van de geboden ondersteuning en
begeleiding.
De school legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de toegekende ondersteuningsmiddelen.
28
6.
Kwaliteitsbeleid op gebied van zorg en ondersteuning
Voor onze school geldt
De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie.
De school formuleert doelen voor het ondersteuningsaanbod binnen de school en beschrijft hoe zij die doelen wil
realiseren.
De school heeft de medezeggenschap op het schoolondersteuningsprofiel conform de WMR geregeld.
De school registreert welke ondersteuning en begeleiding zij aan leerlingen met (extra) onderwijs- en/of
opvoedbehoeften bieden.
De school evalueert met leerling en ouders de inzet en de opbrengsten van de ondersteuning en begeleiding aan de
hand van het handelingsplan/ontwikkelperspectief.
Het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen wordt bewaakt door de zorgcoördinator onder
eindverantwoordelijkheid van de directie.
Rapportage over het rendement vindt plaats volgens een binnen de school vastgesteld format.
De school evalueert jaarlijks de effectiviteit van de ondersteuningsstructuur.
De school evalueert jaarlijks met de kernpartners de inzet en opbrengst van de ondersteuning en begeleiding.
De school evalueert jaarlijks of de ondersteuningsmiddelen goed zijn ingezet.
De school gebruikt de evaluaties van effectiviteit en rendement als basis voor een bijgestelde werkagenda en/of
schoolondersteuningsprofiel.
29
7.
Jaarwerkplan 2013 – 2014
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de intake en plaatsingsprocedure
1. De criteria voor toelating/ plaatsing van leerlingen met (extra) ondersteuningsbehoeften zijn voor ouders/
verwijzers omschreven.
2. De procedure voor niet plaatsen is beschreven.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het leerlingvolgsysteem
1. Voor alle medewerkers binnen de school is duidelijk wie welke informatie waar in het leerlingvolgsysteem schrijft.
2. In het digitaal LVS wordt in ieder geval geregistreerd:
- Relevante informatie uit het onderwijskundige rapport.
- Intakegegevens betreffende de leerling.
- Gespreksverslagen.
- Ontwikkelingsperspectief.
- Observaties.
- Stoornissen en leerbehoeften.
- Brieven, correspondentie en documenten.
3. De gegevens uit het LVS kunnen op klasniveau en op individueel niveau worden geanalyseerd ten behoeve van
leerling besprekingen en ondersteuningsactiviteiten.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het mentoraat
1.
2.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning op didactisch/cognitief gebied
1. Alle docenten beschikken over didactische competenties voor de begeleiding van leerlingen met extra
ondersteuningsbehoeften.
2. Docenten zijn voldoende vaardig in het uitvoeren van klassenmanagement, door het hanteren van een lesmodel,
aan de hand waarvan gedifferentieerd kan worden.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning op sociaal-emotioneel gebied en gedrag
1. Alle docenten beschikken over pedagogische competenties voor de begeleiding van leerlingen met extra
ondersteuningsbehoeften.
2. De school houdt actief de bekwaamheid van docenten op peil op het gebied van omgaan met leerlingen met een
ondersteuningsvraag in de klas.
3. De school heeft de verantwoordelijkheid voor (de coördinatie van) kindermishandeling/ huiselijk geweld
ondergebracht bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling/ huiselijk geweld.
30
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning van leerlingen met een visuele, auditieve
en lichamelijke handicap
1.
2.
3.
31
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de extra ondersteuning in samenwerking met de partners
in onderwijs en zorg
1.
2.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de samenwerking
1. De school informeert jaarlijks het samenwerkingsverband over de ontwikkelingen aangaande de zorg op
schoolniveau, door jaarlijks het (aangepaste) schoolondersteuningsprofiel te leveren.
2. De school heeft de onderstaande protocollen/ procedures uitgewerkt op papier:
- Schoolondersteuningsprofiel
- Aannamebeleid en intakeprocedure VO- VO.
- Beleid Vroegtijdig Schoolverlaten
- Veiligheidsconvenant, waaronder het pestprotocol.
- Protocol Sluitende Zorgketen Delft, waaronder Privacy protocol.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het kwaliteitsbeleid
1. Evaluatie van ondersteuningsmaatregelen gebeurt systematisch op alle niveaus.
2. Het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen wordt, onder eindverantwoordelijkheid van de
directie, door de zorgcoördinator bewaakt.
3. Rapportage over het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen vindt plaats volgens een binnen de
school vastgesteld format.
4. Punten uit tevredenheidsonderzoeken (leerlingen, ouders, medewerkers) komen zichtbaar terug in het bijgestelde
ondersteuningsbeleid.
5. Doelen uit het ondersteuningsverbeterplan van vorig jaar zijn bereikt of zichtbaar in ontwikkeling.
6. De bij de ondersteuning ingezette specialisten (intern en extern) worden bij de jaarlijkse evaluatie geraadpleegd.
7. De effectiviteit van de zorgstructuur is meerdere keren per jaar onderwerp van gesprek tussen directie,
zorgcoördinator en docententeam op de in het ondersteuningsprofiel benoemde terreinen.
8. de evaluatie vormt de basis voor een bijgesteld schoolondersteuningsprofiel.
8.
Jaarwerkplan 2014 – 2015
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de intake en plaatsingsprocedure
1. De criteria voor toelating/ plaatsing van leerlingen met (extra) ondersteuningsbehoeften zijn voor ouders/
32
verwijzers omschreven.
2. De procedure voor niet plaatsen is beschreven.
3. De school rapporteert gedurende de gehele middelbare schoolperiode jaarlijks terug aan de basisschool over het
vervolg van de schoolloopbaan van de leerling.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het leerlingvolgsysteem
1. Het privacy protocol, is bij alle medewerkers bekend en wordt binnen de school toegepast.
2. Voor alle medewerkers binnen de school is duidelijk wie welke informatie waar in het leerlingvolgsysteem schrijft.
3. In het digitaal LVS wordt in ieder geval geregistreerd:
- Relevante informatie uit het onderwijskundige rapport.
- Intakegegevens betreffende de leerling.
- Gespreksverslagen.
- Ontwikkelingsperspectief.
- Observaties.
- Stoornissen en leerbehoeften.
- Brieven, correspondentie en documenten.
4. De gegevens uit het LVS kunnen op klasniveau en op individueel niveau worden geanalyseerd ten behoeve van
leerling besprekingen en ondersteuningsactiviteiten.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het mentoraat
1.
2.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning op didactisch/cognitief gebied
1. Alle docenten beschikken over didactische competenties voor de begeleiding van leerlingen met extra
ondersteuningsbehoeften.
2. Docenten zijn voldoende vaardig in het uitvoeren van klassenmanagement, door het hanteren van een lesmodel,
aan de hand waarvan gedifferentieerd kan worden (bv. Directe instructiemodel).
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning op sociaal-emotioneel gebied en gedrag
1. Alle docenten beschikken over pedagogische competenties voor de begeleiding van leerlingen met extra
ondersteuningsbehoeften.
2. De school houdt actief de bekwaamheid van docenten op peil op het gebied van omgaan met leerlingen met een
ondersteuningsvraag in de klas.
3. De school heeft de verantwoordelijkheid voor (de coördinatie van) kindermishandeling/ huiselijk geweld
ondergebracht bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling/ huiselijk geweld.
4. De doelen, taken en verantwoordelijkheden van de deelnemers in het ZAT zijn duidelijk omschreven.
33
5. Evaluatie van ondersteuningsmaatregelen gebeurt systematisch op alle niveaus.
6. Het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen wordt, onder eindverantwoordelijkheid van de
directie, door de zorgcoördinator bewaakt.
7. Rapportage over het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen vindt plaats volgens een binnen de
school vastgesteld format.
8. Punten uit tevredenheidsonderzoeken (leerlingen, ouders, medewerkers) komen zichtbaar terug in het bijgestelde
ondersteuningsbeleid.
9. Doelen uit het ondersteuningsverbeterplan van vorig jaar zijn bereikt of zichtbaar in ontwikkeling.
10. De bij de ondersteuning ingezette specialisten (intern en extern) worden bij de jaarlijkse evaluatie geraadpleegd.
11. De effectiviteit van de zorgstructuur is meerdere keren per jaar onderwerp van gesprek tussen directie,
zorgcoördinator en docententeam op de in het ondersteuningsprofiel benoemde terreinen.
12. de evaluatie vormt de basis voor een bijgesteld schoolondersteuningsprofiel.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de ondersteuning van leerlingen met een visuele, auditieve
en lichamelijke handicap
1.
2.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de extra ondersteuning in samenwerking met de partners
in onderwijs en zorg
1.
2.
3.
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot de samenwerking
1. De school informeert jaarlijks het samenwerkingsverband over de ontwikkelingen aangaande de zorg op
schoolniveau, door jaarlijks het (aangepaste) schoolondersteuningsprofiel te leveren.
2. De school heeft de onderstaande protocollen/ procedures uitgewerkt op papier:
- Schoolondersteuningsprofiel
- Aannamebeleid en intakeprocedure VO- VO.
- Beleid Vroegtijdig Schoolverlaten
- Veiligheidsconvenant, waaronder het pestprotocol.
- Protocol Sluitende Zorgketen Delft, waaronder Privacy protocol.
3. De school informeert jaarlijks het samenwerkingsverband over het rendement van de geboden ondersteuning en
begeleiding.
4. De school legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de toegekende ondersteuningsmiddelen.
34
Ontwikkelpunten, doelen, ambities met betrekking tot het kwaliteitsbeleid
1. De school heeft een uitgewerkte visie op privacy en dossierbeheer.
2. De school voldoet aan de indicatoren in het waarderingskader van de Inspectie.
3. De school registreert welke ondersteuning en begeleiding zij aan leerlingen met (extra) onderwijs- en/of
opvoedbehoeften bieden.
4. De school evalueert met leerling en ouders de inzet en de opbrengsten van de ondersteuning en begeleiding aan
de hand van het handelingsplan/ontwikkelperspectief.
5. Het rendement van de genomen ondersteuningsmaatregelen wordt bewaakt door de zorgcoördinator onder
eindverantwoordelijkheid van de directie.
6. Rapportage over het rendement vindt plaats volgens een binnen de school vastgesteld format.
7. De school evalueert jaarlijks de effectiviteit van de ondersteuningsstructuur.
8. De school evalueert jaarlijks met de kernpartners de inzet en opbrengst van de ondersteuning en begeleiding.
9. De school evalueert jaarlijks of de ondersteuningsmiddelen goed zijn ingezet.
10. De school gebruikt de evaluaties van effectiviteit en rendement als basis voor een bijgestelde werkagenda en/of
schoolondersteuningsprofiel.
35
Bijlagen:
Protocol medisch handelen
Medicijnverstrekking en medisch handelen
Het is van groot belang dat een langdurig ziek kind of een kind met een bepaalde handicap zoveel
mogelijk gewoon naar school gaat. Het kind heeft contact met leeftijdsgenootjes, neemt deel aan het
normale leven van een schoolkind en wordt daardoor niet de hele dag herinnerd aan zijn handicap of
ziek zijn. Gelukkig zien steeds meer scholen in hoe belangrijk het is voor het psychosociaal
welbevinden van het langdurig zieke kind om indien mogelijk, naar school te gaan.
Medewerkers op school worden regelmatig geconfronteerd met leerlingen die onwel zijn geworden
en klagen over pijn die meestal met eenvoudige middelen te verhelpen is zoals hoofdpijn, buikpijn,
oorpijn of pijn ten gevolge van een insectenbeet. Ook krijgt de schoolleiding steeds vaker te maken
met leerlingen die een (chronische) aandoening. Zij krijgen van het verzoek van
ouders(s)/verzorger(s) om hun kinderen de door een arts voorgeschreven medicijnen toe te dienen.
De school aanvaardt met het verrichten van dergelijke handelingen een aantal
verantwoordelijkheden. Medewerkers begeven zich dan op een terrein waarvoor zij niet
gekwalificeerd zijn. Met het oog op de gezondheid van kinderen is het van groot belang dat zij in
dergelijke situaties zorgvuldig handelen en dat de juiste afspraken zijn gemaakt met
ouders/verzorgers. Tevens moeten medewerkers daarbij over de vereiste bekwaamheid beschikken.
De schoolleiding en medewerkers moeten zich realiseren dat wanneer zij fouten maken of zich
vergissen zij voor deze handelingen aansprakelijk gesteld kunnen worden.
Middels dit protocol wordt aangegeven hoe te handelen situaties te handelen.
De drie te onderscheiden situaties zijn:
o
o
o
Het kind wordt ziek op school
Het verstrekken van medicijnen op verzoek
Medische handelingen
De eerste situatie laat de school geen keus. De leerling wordt ziek of krijgt een ongeluk en men moet
direct bepalen hoe men moet handelen. Hierbij wordt het protocol ‘Hoe te handelen bij
ongelukken/blessures/ziekte’ gevolgd.
Bij de tweede en de derde situatie kan de schoolleiding kiezen of zij wel of geen medewerking
verleent aan het geven van medicijnen of het uitvoeren van een medische handeling.
Het kind wordt ziek op school
Regelmatig komt een kind ’s morgens gezond op school en krijgt het tijdens de schooluren last van
hoofdpijn of buikpijn. Ook kan het bijvoorbeeld door een insect geprikt worden. Een leraar verstrekt
36
dan vaak – zonder toestemming of medeweten van ouders - een “paracetamolletje” of wrijft Azaron
op de plaats van een insectenbeet.
Medicijnverstrekking op school:
Uitgangspunt moet zijn dat een kind dat ziek is, naar huis moet. De school zal, in geval van ziekte,
altijd contact op moeten nemen met de ouders om te overleggen wat er moet gebeuren (is er
iemand thuis om het kind op te vangen, wordt het kind gehaald of moet het gebracht worden, moet
het naar de huisarts, etc.?). Zie ook ‘Hoe te handelen bij ongelukken/blessure/ziekte’.
Vooral op scholen voor voortgezet onderwijs komt het regelmatig voor dat leerlingen zelf om een
pijnstiller vragen; in de meeste gevallen gaat het dan om paracetamol. De locatie kiest er zelf voor of
zij paracetamol verstrekt.
Men verstrekt echter alleen paracetamol indien er een administratie wordt bijgehouden van degene
die paracetamol ontvangt en hoe vaak.
Ook wanneer een medewerker inschat dat het kind bij een eenvoudig middel gebaat is, dan is het
gewenst om altijd eerst contact te zoeken met de ouders.
Vraag om toestemming aan de ouders om een bepaald middel te mogen geven.
Problematisch is het wanneer de ouders/ verzorgers niet te bereiken zijn. Het kind kan niet naar huis
gestuurd worden zonder dat daar toezicht is. Ook kunnen de medicijnen niet zonder toestemming
van de ouders verstrekt worden.
Bij twijfel dient dan altijd eerst de (huis)arts geraadpleegd te worden.
Het verstrekken van medicijnen op verzoek
Kinderen krijgen soms medicijnen of andere middelen voorgeschreven die zij een aantal malen per
dag moeten gebruiken, dus ook tijdens schooluren. Te denken valt bijvoorbeeld aan pufjes voor
astma of antibiotica. Ouders instrueren in dat hun kinderen over het gebruik van het betreffende
medicijn. Zij gebruiken de medicijnen zelfstandig.
Ouders vragen in bepaalde gevallen medewerking van de school bij de verstrekking of toediening van
medicijnen. In deze situatie moeten de ouders dit vragen aan de school en dit schriftelijk vast te
leggen (zie bijlage 1).
Voor de individuele medewerker geldt dat hij geen handelingen zal uit te voeren waarvoor hij niet
bekwaam is geacht. Hij laat dit over aan een getrainde BHV’er uit het door de school samengesteld
BHV-team.
Medicijnen worden dus bij voorkeur alleen verstrekt en/of toegediend door leden van het BHV-team
die hiervoor door ouders/verzorgers zijn geïnstrueerd.
Medische handelingen
In zeer uitzonderlijke situaties wordt door de ouders wel eens medewerking gevraagd aan de
schoolleiding.
Er kan dan medisch handelen van medewerkers gevraagd zoals het geven van sondevoeding, het
toedienen van een zetpil of het geven van een injectie.
37
De school moet zich, wanneer wordt overgaan tot het uitvoeren van een medische handeling door
een medewerker, wel realiseren dat zij daarmee bepaalde verantwoordelijkheden op zich neemt. Het
zal duidelijk zijn dat de ouders voor dergelijke ingrijpende handelingen hun toestemming moeten
geven. Gezien de ingrijpendheid van de handelingen moet een schoolleiding schriftelijke
toestemming van de ouders vragen.
Zonder toestemming van de ouders en overleg met de schoolleiding over de aard van de medische
handeling worden deze niet verricht.
In acute gevallen wordt dan 1-1-2 gealarmeerd en wordt medische hulp overgelaten aan
hulpdiensten.
Het verrichten van medische handelingen gebeurt alleen door extra getrainde en geïnstrueerde
leden van het BHV-team.
Wettelijke regels
Leden van het BHV team zijn getraind om EHBO handelingen te verrichten. In geval van een acute
levensbedreigende situatie verlenen zij echter alleen levensreddende handelingen, zoals
bijvoorbeeld reanimatie, in afwachting tot de komst van hulpdiensten.
Bij een ernstige (levens)bedreigende situatie zoals bijvoorbeeld het verliezen van bewustzijn wordt
ook direct het landelijke alarmnummer 1-1-2 gealarmeerd.
Het verstrekken van medicijnen op verzoek
Verklaring Toestemming tot het verstrekken van medicijnen op verzoek
Ondergetekende geeft toestemming voor het toedienen van de hieronder omschreven medicijn(en)
aan:
Naam leerling: ________________________________________
Geboortedatum: ________________________________________
Adres: ________________________________________
Postcode en plaats: ________________________________________
Naam ouder(s)/verzorger(s): _________________________________
Telefoon thuis: ________________________________________
Telefoon werk: ________________________________________
Naam huisarts: ________________________________________
Telefoon: ________________________________________
38
Naam specialist: ________________________________________
Telefoon: ________________________________________
De medicijnen zijn nodig voor onderstaande ziekte:
____________________________________________________________________________
____________________________________________________________________ _______
Naam van het medicijn:
____________________________________________________________________________
____________________________________________________________________________
Medicijn dient dagelijks te worden toegediend op onderstaande tijden:
___________________________ uur
___________________________ uur
___________________________ uur
___________________________ uur
Medicijn(en) mogen alleen worden toegediend in de volgende situatie(s):
____________________________________________________________________________
____________________________________________________________________________
Dosering van het medicijn:
____________________________________________________________________________
Wijze van toediening:
____________________________________________________________________________
Wijze van bewaren:
____________________________________________________________________________
Controle op vervaldatum door: __________________________________________________ (naam)
Ondergetekende, ouder/verzorger van genoemde leerling, geeft hiermee aan de school c.q. de
hieronder genoemde leraar die daardoor een medicijninstructie heeft gehad, toestemming voor het
toedienen van de bovengenoemde medicijnen:
39
Naam: _____________________________________________________________
Ouder/verzorger: ____________________________________________________
Plaats: _____________________________________________________________
Datum: ____________________________________________________________
Handtekening: ______________________________________________________
Medicijninstructie
Er is instructie gegeven over het toedienen van de medicijnen op:
____________________________________________________________ (datum)
Door:
Naam: ___________________________________________
Functie: __________________________________________
Van: _____________________________________________ (instelling)
Aan:
Naam: ___________________________________________
Functie: __________________________________________
Van: _____________________________________________ (naam school en plaats)
40
Pestprotocol
In het kort
Als je gepest wordt ga dan naar je mentor. Als je het moeilijk vindt je mentor in vertrouwen te
nemen, ga dan naar je favoriete docent, of een zorgbegeleider. In het verdere document hebben we
het over de mentor. Dit kan dus ook gelezen worden als “je favoriete docent, of de zorgbegeleider”.
Hij*) zal je verder helpen om samen een oplossing te vinden.
Voordat er actie wordt ondernomen op school, zul je zelf moeten melden dat je gepest wordt. Ook
als je je niet prettig voelt door bepaalde gebeurtenis(sen) kun je dit gerust melden. Meestal ben jij
niet de enige of de eerste die door een bepaalde persoon wordt gepest. Daarom is het zo belangrijk
dat je het aan je mentor vertelt. Als je besluit het niet te melden, kan niemand je helpen.
Let op: Alles wordt besloten in samenspraak met jou. Jij geeft aan bij welke aanpak je je veilig genoeg
voelt.
Inhoud
1. Stappenplan: hierin staan de stappen die de school onderneemt om het pesten te stoppen.
2. Aanpak per soort pestsituatie: hierin staan de meest voorkomende soorten pesten en de
manier waarop deze worden aangepakt.
3. De gemaakte afspraken werken niet: hierin staan de gevolgen voor de pester als hij blijft
pesten.
Website
De hierboven genoemde volledige inhoud staat op de website van de school en is ook te vinden op
de leerlingensite.
* Waar “hij” staat, kan ook “zij” gelezen worden.
1. Stappenplan
Luisteren
Je mentor gaat met jou een gesprek voeren over wat er gebeurd is. Bij dit gesprek zal de mentor
naar jou luisteren om in kaart te brengen van wie je last hebt, wat er gebeurd is, wie jou helpt en
hoe lang het al speelt. Het enige wat de mentor in dit gesprek doet is luisteren naar jou. De mentor
zal niet ingrijpen en ook niet andere personen erbij betrekken zonder dat jullie het besproken
hebben. Het kan zijn dat je mentor wel advies vraagt bij de zorgbegeleider of zorgcoördinator. Ook
zij zullen niet direct ingrijpen of anderen erbij betrekken zonder dat jullie het besproken hebben.
Het gaat om jou, jij moet je veilig voelen.
Afspraken maken
In een volgend gesprek kun je met je mentor afspraken maken over hoe jullie het pesten kunnen
stoppen. Allereerst komt er een gesprek tussen jou en je mentor. Vervolgens volgt er een gesprek
tussen de pester en de mentor. Hierna volgt een gesprek met jullie beiden. In dit gesprek proberen
jullie (dus jij, de pester en de mentor) de situatie op te lossen én afspraken te maken zodat je niet
meer gepest wordt. Door die afspraken is het de bedoeling dat je binnen én buiten school niet
meer gepest wordt. Jij, de pester en de mentor spreken een datum af waarop jullie weer bij elkaar
komen. Dan gaan jullie kijken of de afspraken werken en wie zich er wel of niet aan hebben
gehouden. Houdt de pester zich niet aan deze gemaakte afspraken, dan volgen er voor hem/haar
strafmaatregelen.
41
Controle op gemaakte afspraken
Maar hoe controleert men op school dat de pester zich aan de gemaakte afspraken houdt? Dat kan
in ieder geval via de persoon die gepest wordt. Als jij gepest wordt, heb jij “spreekrecht”. De
mentor gaat ervan uit dat jij de waarheid spreekt.
Op de hoogte stellen van je docenten en ouders
Als je in het hierboven genoemde gesprek met de pester de situatie hebt opgelost, hoef je je
ouders en docenten niet op de hoogte te stellen. In het geval jouw veiligheid gevaar loopt moeten
je ouders wel geïnformeerd worden. Dit hoef je niet alleen te doen. Je mentor kan je hierbij helpen.
Voor extra steun is het verstandig om ook je docenten in te lichten. Jij bepaalt wanneer en hoe dit
gebeurt. Zij kunnen dan tijdens de lessen extra opletten. Ook letten zij op of de leerlingen (met
name de pester) zich aan de gemaakte afspraken houden. Zeker als jij je bijvoorbeeld lichamelijk
bedreigd voelt, gepest wordt door een groep of langdurig en intensief gepest wordt, is het onveilig
dit stil te houden. Pesten via internet of telefoon valt hier zeker onder. Voor je eigen veiligheid
moeten je ouders en docenten door je mentor op de hoogte worden gebracht.
Als jouw veiligheid gevaar loopt, denk aan de hierboven genoemde voorbeelden, dan zullen ook de
ouders van de pester ingelicht worden. In principe doet je mentor dat, maar als jij en je mentor
vermoeden dat het pesten niet zo maar zal stoppen, kan de mentor de hulp vragen van de
teamleider. De teamleider voert in dat geval het gesprek met de ouders van de pester.
2. Aanpak per soort pestsituatie
Er zijn verschillende manieren waarop gepest wordt. Hieronder vind je de meest voorkomende
manieren en hoe deze worden aangepakt:
A. Jij wordt door één bepaalde persoon gepest.
Als jij last hebt van één bepaald persoon is het belangrijk dat je duidelijk kunt aangeven dat hij
moet ophouden. Je staat er natuurlijk niet alleen voor. Je mentor helpt om het gesprek goed te
laten verlopen. De bedoeling van dit gesprek dat door je mentor geleid wordt is, dat je samen met
de pester tot een oplossing komt. Als je samen afspraken maakt, heeft de ander zich daar binnen
én buiten school ook aan te houden. Doet hij dit niet, dan volgen er strafmaatregelen voor de
pester.
B. Jij wordt door een paar leerlingen gepest.
Word je door een groep leerlingen gepest dan is het belangrijk om samen met je mentor te kijken
bij welke medeleerlingen jij je wel prettig voelt en welke jou steunen. Je kunt met deze
medeleerlingen de sfeer in de klas bespreken.
De mentor gaat samen met jou en de personen die jou pesten een gesprek aan. De bedoeling van
dit gesprek dat door je mentor geleid wordt is, dat je samen met de pesters tot een oplossing komt.
Als je samen afspraken maakt, hebben de anderen zich daar binnen én buiten school ook aan te
houden. Doen zij dit niet, dan volgen er strafmaatregelen voor de pesters.
Je mentor is er ook om samen in de klas op de goede sfeer te letten. Pesten in de klas kan in
samenwerking met de mentor worden opgelost. De klas maakt met hulp van de mentor afspraken
zodat de sfeer in de klas voor jou verbetert. Als er klasgenoten zijn die zich niet aan die gemaakte
afspraken houden, kunnen de mentor en de leerlingen hen hierop aanspreken.
C. Jouw groep wordt gepest door een andere groep
Als je niet de enige bent die gepest wordt, maar je vriendengroep wordt uitgedaagd of lastig
gevallen, meld dit dan aan je mentor of aan de teamleider. Conflicten horen niet met stoer doen of
tegenacties te worden uitgevochten. Door wel te reageren met tegenacties breng je alleen maar de
veiligheid van anderen in gevaar!
42
D. Jij wordt door een grote groep of door je hele klas gepest.
Als jij door een grote groep of door je eigen klas wordt buitengesloten, genegeerd of als mikpunt
gekozen, is het belangrijk voor je eigen veiligheid om dit niet voor jezelf te houden. Meld het bij
iemand op school. De snelste weg is via je mentor, maar ook hier kies je zelf uiteindelijk degene die
jij het meest vertrouwt.
Lang niet iedereen pest jou omdat ze jou “vervelend” vinden. Meelopers pesten vaak omdat ze zelf
bang zijn om ook gepest te worden. Vaak zijn het maar een paar mensen die de hele groep of klas
tegen jou opzetten.
Zie verder onder B, waarbij in dit geval ook (leerlingen uit) andere klassen betrokken kunnen zijn.
E. Je ziet dat een ander wordt gepest
Als je ziet dat iemand (binnen jouw vriendengroep) gepest wordt door een ander, reageer dan niet
met tegenacties of stoer gedrag. Door dat wel te doen maak je het voor de persoon die gepest
wordt vaak moeilijker. Wel kun je tegen de pesters zeggen dat ze op moeten houden, maar als je
dit liever niet doet, kun je de situatie ook melden bij je mentor.
3. De gemaakte afspraken werken niet
Als de pester zich niet aan de gemaakte afspraken houdt en jij wordt nog steeds gepest (of je hebt
het gevoel dat je nog steeds gepest wordt), ga dan naar je mentor. Allereerst volgt er een gesprek
tussen jou, de pester en de mentor. In dat gesprek gaan jullie kijken waarom de pester in herhaling
is vervallen.
A. Tegelijkertijd neemt de teamleider een aantal maatregelen:
De pester moet zich verantwoorden bij de teamleider. De teamleider vraagt een (schriftelijke)
verklaring van de pester.
De ouders van beide partijen worden door de mentor of de teamleider ingelicht. Zij krijgen
telefonisch bericht (van de mentor of teamleider) waarin hen wordt verteld dat hun kind pest. Ook
krijgen de ouders van de pester een brief thuis gestuurd van de teamleider. Daarin staan de
gevolgen vermeld, als een pester niet direct stopt met pesten.
Als er sprake is van ernstig pesten worden ouders van beide partijen ook al ingelicht nadat er met
gepeste en pesters is gesproken. Onder ernstig pesten vallen pesten via internet of telefoon, en ook
(dreigen met) fysiek geweld of pesten door een grote groep.
B. Als het pesten niet stopt:
Moet de persoon die gepest wordt beschermd worden. Dit kan door de pester intern te schorsen,
(dat wil zeggen wel op school, maar niet in de lessen) en een strafopstel te laten maken.
Bij ernstig pesten wordt er door de teamleider een contract opgesteld met duidelijke afspraken
over goed gedrag. Dit contract dient ondertekend te worden door de pester en ook door zijn
ouders.
Bij geweld, vernieling of diefstal wordt ouders van het slachtoffer, door de teamleider, duidelijk
gemaakt dat zij aangifte kunnen doen bij de politie.
Wanneer de teamleider en de zorgbegeleider of zorgcoördinator vermoeden dat de pester niet in
staat is zijn gedrag te beheersen, krijgen de ouders een bindend advies om gerichte hulp voor hun
kind te zoeken.
C. Als de gewaarschuwde pester blijft doorgaan:
Gaat de pester hierna nog steeds door met pesten, dan wordt hij tijdelijk geschorst (van school
gestuurd voor korte tijd). Ook stelt de teamleider de leerplichtambtenaar nu op de hoogte, omdat
de pester definitief van school gestuurd kan worden als hij niet stopt. Deze gemeenteambtenaar
neemt contact op met de ouders van de pester.
43
Leveren al deze maatregelen geen resultaat op en blijft de pester nog steeds doorgaan, dan wordt
de pester definitief van school verwijderd.
Samengevat
Als je gepest wordt, ga dan naar je mentor of neem iemand anders in vertrouwen.
Er wordt naar jóu geluisterd in het gesprek en er wordt niets gedaan zonder jou hierin te kennen.
Om het pesten te stoppen maakt de mentor afspraken met de betrokkenen.
Als je mentor vermoedt dat je veiligheid gevaar loopt, dan kan hij je ouders en docenten op de
hoogte brengen.
Jij hebt 'spreekrecht' en mag aangeven of het pesten is gestopt. Als ouders en docenten op de
hoogte zijn gebracht, hoort de mentor ook van hen wat zij hebben gezien of gehoord.
Als de pester(s) doorgaat(n) moet(en) hij zich bij de teamleider verantwoorden en volgen er
strafmaatregelen.
Je ziet dus dat iedereen zich inzet om het pesten te stoppen. Als je gepest wordt of ziet dat iemand
gepest wordt, meld het dan bij je mentor. Durf voor jezelf en anderen op te komen.
44
Schoolveiligheidsplan
1.
1.1
1.2
1.3
1.3.1
1.4
1.4.3
1.5
1.6
Coördinatie veiligheid
Schoolleiding
Preventiemedewerker
Arbo contactpersoon
Werkgroep arbo en veiligheid
BHV
Hoofdconciërge
Omgaan met de media
Convenant veiligheid
1.1
Schoolleiding
Een goede organisatie is onontbeerlijk om adequaat te kunnen optreden op het terrein van Arbozaken en daarmee op het terrein van veiligheid in de brede zin van het woord. Formeel is het bestuur
van de school (het bevoegd gezag) hiervoor verantwoordelijk. In de meeste gevallen echter is de
Centrale Directie gemandateerd voor Arbo-zaken, al of niet gesteund door een van het bestuur
afkomstig beleidsplan.
De Centrale Directie heeft de plicht zaken op het terrein van sociale en fysieke veiligheid van
personeelsleden en leerlingen goed te organiseren en zorgvuldig in te bedden in de school. In die
gevallen dat de leiding bovenschools is, zal de locatiedirectie van een school ook
verantwoordelijkheden hebben op het gebied van Arbo-zaken.
De Centrale Directie legt de praktische uitvoering van de Arbo-wet en het Arbo-besluit meestal in
handen van een preventiemedewerker, die weer gesteund wordt door een werkgroep of commissie.
De medezeggenschapsraad (MR) van de school oefent controle uit op de uitvoering van het Arbojaarplan en is in alle voorkomende gevallen bevoegd de Arbeidsinspectie en andere deskundigen
hierbij in te schakelen. Omgekeerd wordt de medezeggenschapsraad bij Arbo-zaken altijd door de
Arbeidsinspectie (en door de werkgever) rechtstreeks ingeschakeld en geïnformeerd.
1.2 Preventiemedewerker
De Centrale Directie legt de praktische uitvoering van de Arbo-wet en het Arbo-besluit in handen van
een preventiemedewerker, die op zijn of haar beurt weer gesteund wordt door een werkgroep of
een commissie.
De preventiemedewerker heeft vele taken.
De preventiemedewerker:
 treedt op als contactpersoon van de school met externe deskundigen;
 coördineert de uitvoering van het Arbo-beleid in de school;
 fungeert als centraal meldpunt voor ongevallen met blijvend letsel of ziekenhuisopname en
onveilige situaties in de school;
 verzorgt de informatievoorziening in de school op Arbo-terrein.
De werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het Stanislascollege. Het scholengemeenschap
bestaat uit een zevental locaties:
- Westplantsoen (SCW)
- Pijnacker (SCP)
- Krakeelpolderweg (SCK)
- Reinier de Graafpad (SCR)
45
- Henriette Roland Holstlaan (SCH)
- Generaal Vetterstraat (SCV)
- Burgemeester Elsenlaan (SCE)
De preventiemedewerker levert een bijdrage aan de voorbereiding van het arbo-beleid binnen het
Stanislascollege en draagt zorg voor de uitvoering en coördinatie van het arbo-beleid en het jaarplan.
De werkzaamheden worden binnen de daarvoor gestelde kaders zelfstandig uitgevoerd onder
aansturing van het Hoofd Facilitaire Dienst.
De preventiemedewerker legt verantwoording af aan het Hoofd Facilitaire Dienst.
De preventiemedewerker verricht de werkzaamheden binnen de wet- en regelgeving op het gebied
van arbeidsomstandigheden en het in de school vastgestelde arbo-beleid;
De preventiemedewerker neemt bij het inventariseren beslissingen inzake het vaststellen van
knelpunten.
1.3
Arbo contactpersoon
De Arbo contactpersoon heeft een sleutelpositie als het gaat om het veiligheidsbeleid en de concrete
en praktische uitvoering daarvan in de school. Hij of zij staat midden in de school, ondervindt
dagelijks het werk- en leefklimaat van de school en heeft direct contact met alle betrokken leden van
de schoolgemeenschap.
Profiel
De Arbo contactpersoon is verantwoordelijk voor veiligheidszaken in de school en heeft speciale
affiniteit met die zaken die op het terrein liggen van sociale veiligheid en die niet altijd rechtstreeks
voortvloeien uit de Arbo-wet. Natuurlijk zijn er wel raakvlakken tussen sociale veiligheid en de Arbowet: een van de pijlers van de Arbo-wet is immers het welzijn van de werknemers (het
toepassingsgebied van de Arbo-wet is overigens niet beperkt tot de medewerkers van de school, ook
de leerlingen van de school vallen onder de reikwijdte van de Arbo-wet).
Een onveilig werkklimaat werkt immers verzuim en ziekte in de hand en is schadelijk voor het
leerproces van de leerling en het werkplezier van het personeel. De arbo contactpersoon organiseert
i.s.m. de preventiemedewerker voorlichting, cursussen, trainingen en overleggen.
De Arbo contactpersoon is door zijn of haar positie, ervaring en opleiding de aangewezen persoon
om de orde en de rust in de school te bevorderen, hiervoor maatregelen te nemen en scholing van
personeel en leerlingen op het terrein van (sociale) veiligheid te stimuleren en te organiseren.
Daarnaast neemt hij deel aan het overleg van de werkgroep Arbo en Veiligheid.
1.3.1 Werkgroep Arbo en Veiligheid
Uitgangspunt bij de werkzaamheden van de werkgroep is het schoolveiligheidsplan dat i.s.m. de
gemeente Delft en de Delftse scholen in ontwikkeling is. De (sociale) veiligheid komt o.a. tot stand via
het schoolveiligheidsplan.
Binnen het Stanislascollege fungeert de werkgroep Arbo en Veiligheid (WGAV) bestaande uit de
preventiemedewerker en één vertegenwoordiger van elke locatie. De preventiemedewerker is
voorzitter van de werkgroep Arbo en Veiligheid, waarbij diverse onderwerpen uit dit
schoolveiligheidsplan worden besproken. Ook actuele onderwerpen worden in de werkgroep onder
de aandacht gebracht door de Preventiemedewerker.
46
De WG Arbo en Veiligheid houdt zich bezig met de arbeidsomstandigheden en veiligheid rond en
binnen de school. De leden van de werkgroep zijn aanspreekpunt voor de arbo-zaken binnen hun
locatie en dragen informatie t.a.v. arbeidomstandigheden en veiligheid aan in het overleg met de
preventiemedewerker.
De leden van de WG houden zich bezig met het bewaken en onderhouden van een veilig en leefbaar
schoolklimaat en zaken die liggen op het gebied van (sociale) veiligheid. Zij denken mee over hoe te
handelen in geval van calamiteiten en eventuele veiligheidsvoorzieningen in en rond school.
1.4
Bedrijfshulpverlening
De bedrijfshulpverlening (BHV) is de organisatie die optreedt bij calamiteiten in de school (locatie) en
bestaat uit getrainde onderwijsondersteunende personeelsleden en een aantal docenten.
Bij ongevallen en calamiteiten in de school worden onmiddellijk de deskundige bedrijfshulpverleners
ingeschakeld. De bedrijfshulpverleners zijn onmisbare medewerkers bij het op een verantwoorde en
veilige manier in banen leiden van EHBO en ontruimingen.
1.4.1
Bedrijfshulpverlening (BHV)
Minimumaantal BHV'ers
Op basis van het aantal aanwezige medewerkers (in dit verband zijn dat ook leerlingen) is een
minimumaantal bedrijfshulpverleners bepaald.
Er is geen wettelijk minimum gesteld aan de hoeveelheid BHV'ers. Er wordt uitgegaan van minimaal 3
tot 5 fulltime BHV’ers per locatie verdeeld over het schoolgebouw.
Hoofdconciërge
De hoofdconciërge is in staat hulpverlening op te zetten en leiding te geven aan de leden van het
BHV team. Bij een calamiteit is hij het centrale aanspreekpunt voor de hulpdiensten: politie,
ambulance, brandweer. De bedrijfshulpverleners nemen in geval van een calamiteit de leiding van de
school over. Zo kan en mag dan bijvoorbeeld een schoolleider die geen bedrijfshulpverlener is en
derhalve niet is getraind om bij calamiteiten deskundig op te treden, geen directe opdrachten geven
die verbonden zijn aan het uitvoeren van het stappenplan. Dit gaat in overleg met de hoofdconciërge
of arbo-contactpersoon van de locatie.
BHV trainingen
De BHV’ers volgen jaarlijks de verplichte herhaling. Er wordt naar gestreefd om de herhalingen
zoveel mogelijk op de locatie zelf te laten plaatsvinden.
Tevens krijgt het BHV-team krijgt jaarlijks extra verrijking in de vorm van een specifieke
bedrijfsgerichte trainingen. Dit is een efficiënte vorm kunnen voor het verbeteren van de
vaardigheden.
De groep BHV’ers wordt in twee sessies van 2 uur getraind in verschillende onderdelen op hun eigen
locatie.
Het programma bevat tevens een oefening waarbij de BHV’ers praktisch leren handelen.
Met een extra training kunnen ook ongecertificeerde personeelsleden vaardigheid krijgen in het
verlenen van EHBO in geval van nood of in afwachting van een BHV’er. Hierbij kan gedacht worden
aan bijvoorbeeld de vakgroep gym of technische vakken.
47
Per locatie wordt jaarlijks een inventarisatie gemaakt worden naar waar er eventueel meer behoefte
is aan vaardigheden.
Het bedrijf Lifesavers verzorgt bijeenkomsten en voert het cursusprogramma uit naar de wensen van
de school.
1.5
Omgang met de media
Het is lastig om te gaan met negatieve aandacht van de media. Medewerkers van kranten en televisie
kunnen de school, bijvoorbeeld na een ernstig incident, ongewenst belagen met telefoontjes en
bezoekjes. De vraag is hoe de school in dergelijke situaties het beste kan handelen of juist het beste
kan nalaten te handelen. Vervelende situaties kunnen worden voorkomen door de media te sturen
en afspraken met ze te maken. Dat gaat echter niet vanzelf, maar is het gevolg van een
gestructureerde aanpak van contacten met de media. Het is ons beleid om indien mogelijk,
gedoseerde informatie te geven en op deze manier contacten met de pers te kanaliseren.
Het verdient daarom aanbeveling om een mediacoördinator aan te wijzen.
Op het Stanislascollege is de Voorzitter Centrale Directie (Fons Loogman) mediacoördinator voor alle
locaties.
In alle gevallen waarbij pers aanwezig is dient hij z.s.m. op de hoogte te worden gebracht.
Inhoudelijke vragen over het incident worden door Fons Loogman beantwoord.
1.5.1

Wat te doen bij media-aandacht
Als je voor het eerst over een onderwerp wordt benaderd door de media, vraag dan door wie
je precies wordt benaderd en hoe die persoon te bereiken is. Wijs hem er op dat de heer
Loogman degene is die de pers te woord staat.
Bijvoorbeeld:
Wij zijn inderdaad op de hoogte gebracht van het feit dat er een ongeluk is gebeurd met 1 van onze
leerlingen. Op dit moment is niet helemaal duidelijk wat er precies gebeurd is. Zodra er duidelijkheid
is dan wordt er een bericht op de website gezet. Indien u liever persoonlijk op de hoogte wordt
gesteld dan kunt u het later proberen.
Let op wie je aan de telefoon hebt!
Indien het vragen van de pers betreft bevestig dan dat er inderdaad een incident heeft
plaatsgevonden en voeg toe dat inhoudelijke vragen met betrekking tot het incident beantwoord
worden door de Algemeen Directeur.
Bijvoorbeeld:
Wij zijn inderdaad op de hoogte van het feit dat er een ongeluk is gebeurd met 1 van onze
leerlingen. Op dit moment is niet helemaal duidelijk wat er precies gebeurd is. Zodra er
duidelijkheid is dan wordt er een bericht op de website gezet.
Voor verdere vragen verwijs ik u naar onze Algemeen Directeur. Mag ik uw nummer dan zal
hij spoedig met u contact opnemen.

Voorzitter Centrale Directie en locale directie overleggen over de manier waarop het
personeel, de leerlingen en de ouderraad, en eventueel alle ouders per brief, op de hoogte
worden gesteld van de feiten opdat het verhaal intern niet wordt behandeld als geheim of
als taboe en daardoor een eigen leven gaat leiden.
48

De locale directie laat het personeel, de leerlingen en de ouders weten dat eigenhandige
informatieverstrekking aan de media zorgt voor verwarring en tegenstrijdige verhalen.

De voorzitter Centrale Directie en de locale schoolleiding overleggen over het eventueel
uitgeven van een persbericht. Een persbericht heeft de vorm van een kort artikel, klaar voor
publicatie. Van belang is dat er in een persbericht nieuws wordt gemeld, in heldere en
bondige formuleringen.

Een persconferentie is een andere manier om zaken onder de aandacht te brengen en is
vooral geschikt voor positief nieuws.
Voor het verstrekken van informatie over een incident is een persbericht gepaster. De
Voorzitter Centrale Directie overlegt over de vorm van informatievoorziening naar de media.

Als er ongewenst cameraploegen zonder aankondiging of overleg rondlopen bij de school,
zorg dan dat de conciërges geen toestemming aan de media geven om binnen te komen en
dat de leerlingen zo veel mogelijk naar binnen worden gehaald en binnen blijven.
Vraag de media vriendelijk om niet te filmen. Zolang dit filmen op de openbare weg gebeurt,
kun je het niet verbieden. Je kunt ze in ruil daarvoor iets aanbieden, bijvoorbeeld een
interview op een ander moment en op een andere plaats met de mediacoördinator van de
school.
2.
Schoolgebouw en omgeving
2.1
2.1.1
2.1.2
2.1.3
2.1.4
2.1.5
2.1.6
2.2
2.3
Gebouw
Fysieke inrichting
Werkplekken
Practicumlokalen
Brandveiligheid
Fysische factoren
Energievoorzieningen
Omgeving
Openbaar vervoer
2.1 Gebouw
Fysieke inrichting
De fysieke inrichting van het schoolgebouw en de omgeving heeft grote invloed op de gezondheid,
de veiligheid en het welzijn van personeel en leerlingen. Incidenten en ziekteverzuim kunnen het
gevolg zijn van veronachtzaming van veiligheidsvoorschriften, maar ook van bijvoorbeeld een te
warm, te koud, te droog of te vochtig klimaat. Daarnaast is de negatieve invloed van factoren als te
veel, te weinig of slecht verdeeld licht en geluidsoverlast ook niet te verwaarlozen. Er is dus alle
reden om aan deze en andere relevante factoren aandacht aan te besteden en maatregelen
daaromtrent op te nemen in het schoolveiligheidsplan.
2.1.1 Fysieke inrichting
Algemeen onderhoud
Aan het algemeen onderhoud zijn de volgende eisen gesteld.
49
-
De school is opgenomen in een onderhoudsplan van het bestuur dat voorziet in het
onderhoud van lokalen, sanitair, installaties, casco, toegangen, dak en dergelijke.
Elke locatie heeft een eigen budget voor klein onderhoud, zoals het laten repareren van
lekkende kranen, kapotte schakelaars en dergelijke.
Orde, netheid en schoonmaak
Aan orde, netheid en schoonmaak zijn de volgende eisen gesteld.
- Er zijn voldoende afvalbakken geplaatst die regelmatig worden geleegd.
- Gereedschappen en hulpmiddelen die niet in gebruik zijn, worden op de daarvoor bestemde
plaatsen opgeborgen.
- De gereedschappen en de hulpmiddelen worden periodiek gecontroleerd op gebreken en
slijtage.
- De school wordt dagelijks schoongemaakt door een gekwalificeerd schoonmaakbedrijf;
speciale aandacht gaat daarbij uit naar de schoonmaak van sanitair.
- De schoonmaakdienst maakt gebruik van een jaarplan, waaruit af te leiden is welke ruimten
wanneer en op welke manier worden schoongemaakt. Een overzicht van de werkzaamheden
en de plaatsen en tijden waarop die plaatsvinden is beschikbaar op een algemeen
toegankelijke plaats.
- De schoonmaak wordt regelmatig gecontroleerd, waarbij zonodig externe, deskundige en
onafhankelijke hulp wordt ingeroepen.
Toiletten, urinoirs en wasbakken
Aan toiletten, urinoirs en wasbakken zijn de volgende eisen gesteld.
- Voor personeelsleden en leerlingen van hetzelfde geslacht is ten voldoende toiletten
aanwezig.
- Voor mannen mag voor een deel met urinoirs worden volstaan
- De toiletruimten worden goed geventileerd en bevinden zich in de nabijheid van de plek
waar wordt gewerkt.
- De toiletten zijn gescheiden naar sekse.
- In de onmiddellijke nabijheid van de toiletten en urinoirs bevinden zich wasbakken met koud
stromend water, zeep en handdroogmiddelen om de handen te kunnen wassen en drogen.
Doorgangen
Aan doorgangen zijn de volgende eisen gesteld.
Looppaden en transportwegen zijn duidelijk gescheiden, bijvoorbeeld door strepen op de vloer of
door het fysiek scheiden van beide routes.
Looppaden en transportroutes worden vrijgehouden van obstakels en versperringen.
Rondom machines is voldoende ruimte aanwezig voor de bediener om vrij rond te kunnen lopen.
De werkomgeving van bijvoorbeeld verspanende machines wordt regelmatig schoongehouden.
Deuren in doorgangen waarin glas is aangebracht, zijn voorzien van veiligheidsglas.
Uitgangen
Aan uitgangen zijn de volgende eisen gesteld.
- Wanneer personen in een gebouw aanwezig zijn, wordt dit gebouw nooit afgesloten ofwel
hebben de in het gebouw aanwezige personen de mogelijkheid het gebouw van binnenuit te
openen.
- In geval van een calamiteit kan het gebouw snel worden ontruimd.
- De vluchtroutes zijn berekend op het maximale aantal mogelijk aanwezige personen in het
gebouw.
50
-
-
De vluchtroutes zijn duidelijk gemarkeerd.
Indien in één ruimte meer dan honderd personen werkzaam of aanwezig kunnen zijn, of
indien er sprake is van verhoogd brandgevaar, is er een tweede uitgang aanwezig (en open of
met panieksluiting!).
Indien er geen buitendeur aanwezig is, zijn er altijd twee uitgangen beschikbaar.
Voor ruimten op etages of in kelders is altijd een tweede uitgang aanwezig.
In geval van brand mogen liften niet worden gebruikt. Dit is bij de lift aangegeven door
middel van een opschrift of een duidelijk pictogram.
De deuren van nooduitgangen kunnen altijd snel, gemakkelijk en naar buiten toe worden
geopend. Schuifdeuren zijn niet toegestaan als vluchtdeur.
Vluchtdeuren zijn altijd bereikbaar. Dit betekent dat ze noch aan de binnenkant noch aan de
buitenkant geblokkeerd zijn door obstakels.
Noodverlichting
Aan noodverlichting zijn de volgende eisen gesteld.
- In ruimten waarin mensen gevaar kunnen lopen door het uitvallen van verlichting, is
noodverlichting aangebracht.
- In ruimten zonder daglichttoetreding is altijd noodverlichting aanwezig indien zich er
personen kunnen ophouden.
- Op vloerhoogte heeft de noodverlichting een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux vanaf
15 seconden na het uitvallen van de normale elektriciteit tot 60 minuten daarna.
- De noodverlichting wordt regelmatig gecontroleerd.
Deur
Aan deuren zijn de volgende eisen gesteld.
- De deuren zijn beveiligd tegen het optreden van knel- en valgevaar.
- Wanneer de ophanging van deuren gebeurt door middel van kabels, kettingen of banden is
deze ophanging in tweevoud uitgevoerd.
Vloeren
Aan vloeren zijn de volgende eisen gesteld.
- De vloeren zijn geschikt voor de stoffen waarmee wordt gewerkt, bijvoorbeeld
waterbestendig, oliebestendig of bestand tegen agressieve stoffen.
- De vloer is gemakkelijk en goed schoon te maken en is niet glad.
- De vloer is egaal, zeker wanneer met transportmiddelen over de vloer wordt gereden. Dit
zorgt voor een verkleining van het risico van lasten die ten gevolge van trillingen en schokken
de rug te zeer belasten.
EHBO-materiaal
Aan EHBO-materiaal zijn de volgende eisen gesteld.
- Bij de conciërge, in werkplaatsen, in practicumlokalen en in de gymnastieklokalen is EHBOmateriaal aanwezig.
- Tijdens schooltijden zijn steeds personeelsleden aanwezig met voldoende kennis van EHBO
om indien nodig, in afwachting van hulpdiensten, maatregelen te treffen om lichamelijke
schade zo veel mogelijk te beperken.
Ontspanningsruimten
51
De school beschikt over ontspanningsruimten.
Aan ontspanningsruimten zijn de volgende eisen gesteld.
- In de directe nabijheid van de werkplekken en lokalen zijn ruimten aanwezig waar personeel
en leerlingen de pauze kunnen doorbrengen of in tussenuren kunnen worden opgevangen.
- De ontspanningsruimten zijn ruim en beschikken over voldoende tafels en stoelen.
- In de school mag niet worden gerookt.
Kleedruimten
De school beschikt over kleedruimten.
Aan kleedruimten zijn de volgende eisen gesteld.
- Voor personeel en leerlingen die speciale kleding moeten dragen, zoals bij gymnastiek, en
zich moeten kunnen omkleden, is kleedruimte beschikbaar
- Deze kleedruimte ligt in de nabijheid van de plek waar wordt gewerkt en is gescheiden naar
sekse.
- De kleding die men niet draagt, wordt in de kleedruimte op doelmatige en veilige wijze
afgesloten bewaard.
Wasgelegenheden en doucheruimten
De school beschikt over wasgelegenheden en doucheruimten.
Aan wasgelegenheden en doucheruimten zijn de volgende eisen gesteld.
- Indien personeel en leerlingen blootstaan aan vuil of stof, is een wasruimte met een
voldoende aantal wasbakken beschikbaar.
- De wasbakken beschikken over koud en zonodig warm stromend water.
- Indien de werkzaamheden leiden tot een zodanige vervuiling, of wanneer de werknemers
werken onder zulke hoge temperaturen dat een reiniging van het gehele lichaam
noodzakelijk is, is een naar sekse gescheiden, goed ingerichte doucheruimte beschikbaar.
- De douches beschikken over koud en warm stromend water.
Trappen en lift
De school beschikt over trappen en/of een lift.
Aan trappen en liften zijn de volgende eisen gesteld.
- Ruimten die op een verdieping of in een kelder zijn gelegen, zijn via een trap bereikbaar indien
daar regelmatig werk wordt verricht.
- Trappen zijn nooit steiler zijn dan 4 (verticaal) op 3 (horizontaal).
- De treden van de trap zijn voldoende stroef om uitglijden te voorkomen. Eventuele
trapbekleding zit stevig vastgeplakt.
- De breedte van de trap, en ook die van gangen en deuropeningen, is afhankelijk van het aantal
werkzame personen in de ruimte:
- 1 - 25 personen: 0,60 meter;
- 26 - 100 personen: 0,75 meter;
- meer dan 100 personen: 1,20 meter.
- Een trap met een breedte van 1,20 meter of meer is voorzien van twee leuningen. Bij smallere
trappen is één leuning voldoende.
- Ramen nabij trappen en ladders zijn voorzien van draadglas.
- De in de school aanwezige lift is zonder begeleiding niet toegankelijk voor leerlingen,
uitzonderingen daargelaten (zoals in geval van gehandicapte leerlingen).
- De liftinstallatie wordt jaarlijks gekeurd.
52
Bordessen en leuningen
De school beschikt over bordessen en/of leuningen.
Aan bordessen en leuningen zijn de volgende eisen gesteld.
- Indien op hoger gelegen plaatsen min of meer regelmatig activiteiten worden verricht, zijn daar
goede bordessen en leuningen aangebracht.
- Een leuning is aangebracht op een hoogte van 1 meter boven de vloer.
Gevaarlijke stoffen
Bij sommige vakken worden gevaarlijke stoffen gebruikt, bijvoorbeeld in werkplaatsen en bij biologie
of natuurkunde.
Op de school zijn gevaarlijke stoffen aanwezig.
Aan het omgaan met gevaarlijke stoffen zijn de volgende eisen gesteld.
- De school zorgt ervoor dat gevaarlijke stoffen veilig en goed geëtiketteerd zijn opgeborgen.
- Ruimtes met gevaarlijke stoffen zijn te allen tijde afgesloten. Leerlingen hebben geen toegang tot
deze ruimten.
- Het opslaan van chemicaliën is niet toegestaan in practicumruimten.
- Tijdens het werken met gevaarlijke stoffen beschikken de leerlingen over voldoende
beschermingsmiddelen zoals een laboratoriumjas, een veiligheidsbril en afzuiging. Het uitvoeren
van experimenten wordt staande verricht.
- Tijdens het werken met gevaarlijke stoffen is er deskundig toezicht.
- Personeel en leerlingen die met gevaarlijke stoffen werken zijn goed op de hoogte van de risico's.
Werkplekken
Meubilair en lichaamshouding
Voor meubilair en lichaamshouding gelden de volgende voorschriften.
- Het schoolmeubilair voor leerlingen is zoveel mogelijk afgestemd op de lengte van de leerlingen.
- Leerlingen krijgen de juiste technieken voor tillen, bukken, sjouwen en dergelijke aangeleerd,
vooral diegenen die later in de verpleging, de verzorging, de stratenmakerij of de bouw gaan
werken.
Computers
Aan het langdurig werken met een computer zijn de volgende eisen gesteld.
- bureau of tafel: in hoogte verstelbaar, voldoende ruimte, geen struikelgevaar (geen losse kabels);
- stoel: in hoogte verstelbaar, verrijdbaar (vijf wieltjes), rugleuning verstelbaar en kantelbaar,
zonodig voetenbankje, verstelbare armleuningen;
- toetsenbord: los, licht hellend, geen spiegelende toetsen;
- beeldscherm: weinig spiegeling, goed contrast, geen flikkeringen, contrast en helderheid
instelbaar, kantelbaar en draaibaar;
- verlichting: aangepast aan de ruimte en aan het werk;
- geluid: geen hinderlijke geluiden (piepen, ratelen, enzovoort);
- computermuizen: ergonomisch verantwoord;
- werktijd aan de computer: nooit langer dan twee uur achtereen, niet meer dan vijf à zes uur per
dag, afwisselen met ander werk.
Rookvrije ruimte
Voor rookvrije ruimten gelden de volgende wettelijke regels.
53
Volgens de Tabakswet mag in gebouwen en instellingen van de overheid en in gebouwen en
instellingen die door de overheid worden gefinancierd, waaronder scholen, niet worden gerookt op
plekken die bedoeld zijn voor gemeenschappelijk gebruik of die voor het publiek toegankelijk zijn:
bijvoorbeeld wachtruimten, hallen, gangen, leslokalen, vergaderzalen en kantines.
Een uitzondering kan worden gemaakt voor gebouwen met twee of meer wachtruimten, kantines of
recreatieruimten. In dat geval mag in de kleinste ruimte worden gerookt. Dit geldt alleen als hierdoor
geen hinder of overlast wordt veroorzaakt. Het is overigens niet verplicht om een rookruimte
beschikbaar te stellen.
Werkgevers zijn verplicht zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld
hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast te ondervinden van roken door
anderen.
Scholen die het rookverbod niet handhaven, kunnen een boete krijgen van 300 euro voor de eerste
overtreding tot 2400 euro bij herhaling (art. 10 Vanaf 1 januari 2004 zijn de regels aangescherpt.
Passief roken komt namelijk vaak voor op de werkplek, waar rokers en niet-rokers bijna dagelijks
samen zijn. Sinds 1 januari 2004 heeft iedere werknemer recht op een rookvrije werkplek. Het is de
taak van de werkgever om ervoor te zorgen dat iedereen kan werken zonder last te hebben van
tabaksrook. De werknemer bepaalt of er sprake is van last.
Practicumlokalen
In practicumlokalen zoals die van biologie, scheikunde, natuurkunde of motorvoertuigen kunnen,
eerder dan in een theoretisch leslokaal, situaties voorkomen die een bedreiging vormen voor de
gezondheid en de veiligheid. In practicumlokalen dienen de veiligheidsvoorschriften duidelijk
zichtbaar aanwezig te zijn. Deze voorschriften worden bovendien aan elke leerling ter beschikking
gesteld en aan het begin van het schooljaar in een speciale les behandeld en toegelicht.
De school heeft practicum- en/of praktijklokalen. In die lokalen zijn speciale veiligheidsvoorschriften
van toepassing.
Veiligheidsvoorschriften zichtbaar aanwezig in de practicum- en praktijklokalen en besproken met de
leerlingen.
2.1.1 Brandveiligheid
Aspecten brandveiligheid
De gevolgen van een brand kunnen zeer ingrijpend zijn, daarom is een goede brandveiligheid van
groot belang. Dit geldt in het bijzonder voor die gebouwen waar een verhoogd risico is of waar bij
een brand de verwachte gevolgen bovenmatig ernstig zijn.
De brandveiligheid van een schoolgebouw kent twee aspecten:
1. Het gebouw moet zijn gebouwd of worden verbouwd volgens voorschriften uit wetten,
besluiten en verordeningen die er zijn voor de bouw. De brandweer wordt ingeschakeld bij
de aanvraag van de bouwvergunning, maar ook na het verkrijgen hiervan is er tijdens de
bouw of verbouwing vaak nog intensief contact met de brandweer.
2. Naast de bouwvergunning heeft de school een gebruiksvergunning nodig omdat los van de
bouw ook het daadwerkelijke gebruik van het gebouw van invloed is op de brandveiligheid.
De gebruiksvergunning wordt afgegeven door de gemeente na positief advies van de
brandweer. In de gebruiksvergunning wordt het brandveilig gebruik van het gebouw
geregeld.
54
Door het onoordeelkundig gebruik van een op zich brandveilig gebouw, kan de brandveiligheid
geweld worden aangedaan. Het brandveilig gebruik is een onlosmakelijk onderdeel van alle reguliere
brandveiligheidsvoorzieningen en -maatregelen. Het college van Burgemeester en Wethouders is
verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van alle brandveiligheidsvoorschriften. Hieronder
valt dus ook het toezicht op de naleving van de voorschriften voor het brandveilig gebruik van
schoolgebouwen. De Woningwet, het Bouwbesluit, de Bouwverordening en de
Brandbeveiligingsverordening zijn de wettelijke instrumenten ter bevordering van de brandveiligheid
van een gemeente. De Woningwet is overkoepelende en meer algemene wetgeving. In het
Bouwbesluit zijn bouwtechnische eisen opgenomen voor het bouwen van nieuwe en verbouwen van
bestaande bouwwerken. De Bouwverordening bevat niet-technische voorschriften voor nieuwbouw
en bestaande gebouwen. Ook de eisen voor het brandveilig gebruik van bouwwerken zijn hierin
vastgelegd.
Soorten brandblussers
-
-
-
Schuimblussers: blussers met schuimvulling die water en schuim bevatten. Indien er gebruik
wordt gemaakt van een speciale spuitkop, vindt er verneveling plaats waardoor de blusstraal niet
elektrisch geleidend is. Hierdoor zijn ze geschikt voor het blussen van elektrische apparaten
(brandklasse A en B: vaste stoffen en vloeibare stoffen).
Poederblussers: blussers met poedervulling zijn voor het blussen van zowel vaste als vloeibare
stoffen. Het poeder veroorzaakt veel stof waardoor het zicht wordt belemmerd, het is echter een
zeer effectief blusmiddel (brandklasse A, B en C: vaste stoffen, vloeibare stoffen en gassen).
Koolzuursneeuwblussers: blussers met kooldioxide brengen geen schade toe aan gevoelige
apparatuur, zoals computers, apparaten met hoge elektrische spanning en brandbare
vloeistoffen, maar de blussers zijn niet zo effectief (brandklasse B: vloeibare stoffen).
Halonblussers: blussers met halonvulling zijn verboden door de overheid en worden uit de
handel genomen.
Blusdekens hebben als doel de zuurstoftoevoer bij een brand te stoppen. Door het bedekken van
de brandhaard met een blusdeken kan er geen zuurstof meer bij de brand komen en dooft de
brand. Een blusdeken is gemaakt van ontbrandbare of slecht-brandbare stof (glasvezel,
geïmpregneerde wol of ander onbrandbaar materiaal) en hangt vaak aan de wand in een rode
verpakking. Blusdekens worden aangetroffen in bijvoorbeeld natuurkunde- of scheikundelokalen
in verband met het gebruik van open vuur.
Als een bouwwerk dat op grond van de bouwverordening vergunningsplichtig is, in gebruik wordt
genomen of in gebruik genomen is, geldt de verplichting een gebruiksvergunning aan te vragen.
Nadat een gebouw is opgeleverd kan een gebruiksvergunning worden afgegeven. In feite begint de
gebruiksvergunning waar de bouwvergunning ophoudt. De eisen die aan een gebruiksvergunning
worden gesteld zijn primair gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het
bouwwerk. Het gebruik van een bouwwerk loopt vaak over een groot aantal jaren. De eenmaal
verstrekte vergunning zal daarom na wijziging van gebruik moeten worden aangepast.
Omstandigheden en inzichten over brandveiligheid wijzigen in de loop der tijd. Dit kan ook een reden
zijn de vergunning te herzien.
Gebruiksvergunning
Een gebruiksvergunning omvat een reeks voorwaarden voor het brandveilig gebruik van een
bouwwerk. Bovendien is daarin opgenomen het besluit van het college van B&W waarin
55
toestemming wordt verleend een bouwwerk te gebruiken. Doel van deze gebruiksvergunning is
brandgevaarlijke situaties te vermijden in geval van kritische binnenomstandigheden en de kans op
brand en ongevallen bij brand te verkleinen. Een brandveilig bouwwerk moet ook brandveilig worden
gebruikt. In de gebruiksvergunning staat precies vermeld hoe het betreffende gebouw brandveilig
dient te worden gebruikt. Ieder gebouw zal, afhankelijk van het gebruik en de grootte, periodiek door
de brandweer worden gecontroleerd. Als tijdens deze controles gebreken aan het licht komen, dan
moeten deze door de gebruiker van het gebouw op aanwijzing van de brandweer worden verholpen.
Ook voor bouwwerken waarvoor niet expliciet een gebruiksvergunning nodig is, kan de gemeente
voorwaarden stellen voor het brandveilig gebruik. Alle gebouwen in de gemeente dienen.
Afgifte van een gebruiksvergunning
Als een bouwwerk dat op grond van de bouwverordening vergunningsplichtig is, in gebruik wordt
genomen of in gebruik genomen is, geldt de verplichting een gebruiksvergunning aan te vragen.
Nadat een gebouw is opgeleverd kan een gebruiksvergunning worden afgegeven. In feite begint de
gebruiksvergunning waar de bouwvergunning ophoudt. De eisen die aan een gebruiksvergunning
worden gesteld zijn primair gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het
bouwwerk. Het gebruik van een bouwwerk loopt vaak over een groot aantal jaren. De eenmaal
verstrekte vergunning zal daarom na wijziging van gebruik moeten worden aangepast.
Omstandigheden en inzichten over brandveiligheid wijzigen in de loop der tijd. Dit kan ook een reden
zijn de vergunning te herzien.
Nood-evacuatieverlichting
Nood-evacuatieverlichting is verlichting die mensen in staat stelt, indien nodig, op veilige wijze een
ruimte te verlaten. Nood-evacuatieverlichting omvat de volgende soorten verlichting.
Vluchtrouteverlichting: dat gedeelte van de nood-evacuatieverlichting dat ervoor dient zeker te
stellen dat vluchtmogelijkheden worden herkend en op een veilige manier kunnen worden gebruikt.
De vluchtrouteverlichting is op te delen in:
1. Vluchtwegverlichting: deze zorgt ervoor dat, bij het wegvallen van de netspanning, de
vluchtwegen voldoende zijn verlicht teneinde obstakels in de vluchtweg te herkennen en een
veilig gebruik van de vluchtweg mogelijk te maken.
2. Vluchtwegsignalering: een eenduidige en herkenbare vluchtwegaanduiding teneinde
aanwezigen de kortst mogelijke vluchtweg te tonen.
Anti-paniekverlichting is dat gedeelte van de nood-evacuatieverlichting dat dient om paniek te
voorkomen en verlichting levert om personen in staat te stellen een plaats te bereiken waar een
vluchtroute kan worden herkend.
Verlichting van werkplekken met een verhoogd risico: dat gedeelte van de nood-evacuatieverlichting
dat verlichting levert voor de veiligheid van personen die betrokken zijn in een mogelijk gevaarlijk
proces of een mogelijk gevaarlijke situatie. Deze verlichting dient om het hen mogelijk te maken een
gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in
het gebouw.
Ontruimings- en Calamiteitenplannen
De ontruimingsplannen dienen te voldoen aan het NEN voorschrift 182. Deze plannen worden op de
verschillende locaties vastgesteld in overleg met het BHV-team en de locale directies.
Jaarlijks vindt er een ontruimingsoefening plaats.
56
Medewerkers ontvangen via de locale directies een calamiteitenplan met procedures die gelden voor
de meest voorkomende calamiteiten.
5.1.5 Fysische factoren
Geluid
De school draagt er zorg voor dat er zo min mogelijk hinderlijke geluiden in de school zijn.
In lokalen en andere werkruimten wordt zoveel mogelijk geprobeerd het geluidsniveau op een
acceptabel niveau te houden, onder andere door toepassing van geluidsabsorberende materialen
zoals vloerbedekking en gordijnen. Vuistregel: met elkaar kunnen praten zonder stemverheffing
Trillingen
De school zorgt voor adequate middelen als redelijke werktijden, afwisselend werk, goed
gereedschap en deskundig toezicht om lichamelijke schade ten gevolge van trillingen en dergelijke te
voorkomen.
Ioniserende straling
Op school worden stralingsarme apparaten gebruikt. Beeldschermen in de computerlokalen en
andere werkruimten voldoen aan de norm. Practica met radioactief materiaal voldoen aan de
strengste eisen en staan onder extern toezicht.
Licht
In de school zijn de apparaten die schadelijk UV-licht kunnen uitstralen, zoals kopieerapparaten,
voldoende afgeschermd.
Waar niet goed mogelijk is om UV-licht af te schermen voor de ogen en de huid, zoals bij lassen,
wordt gezorgd voor voldoende beschermende middelen zoals een lasbril en een lasschort.
De verlichting in de lesruimten is zodanig dat voldoende daglicht kan binnentreden en dat de
ondersteuning door TL-licht niet verblindend is en gelijkmatig over de werkplek is verdeeld, volgens
de geldende normen.
Water
De watervoorziening in school geschiedt via het gemeentelijk waterleidingnet dat over het algemeen
aan de hoogste kwaliteitseisen voldoet. Het water is steriel, helder en vrij van zware
metaalverbindingen.
Gebouwen die aan de bouwvoorschriften voldoen, voldoen automatisch aan voorschriften als
voldoende tappunten, voldoende mogelijkheden om de handen te wassen, voldoende krachtige
doorspoeling van de toiletten en voldoende druk voor de brandslangen.
In het scheikundelokaal is een douche bij de deur.
Er zijn oogdouches in de lokalen waar mogelijk etsende vloeistoffen en dergelijke worden gebruikt.
Oneigenlijk gebruik van brandslangen wordt voorkomen door beschermde of verzegelde afsluiters.
De school treft maatregelen ter voorkoming van besmetting met de legionellabacterie.
De watervoorziening is in een driejaarlijkse risicoanalyse opgenomen.
57
Klimaat
De school zorgt voor een goed evenwicht in het fysisch klimaat in schoolgebouwen.
De school probeert langdurig en extreem tochtige omstandigheden te voorkomen.
De school probeert extreme kou en warmte evenals snelle wisselingen daartussen in
schoolgebouwen te voorkomen.
Apparaten die schadelijke stoffen produceren, zoals houtzaagmachines of bepaalde chemische
opstellingen, hebben een eigen afzuiging.
De ventilatie in de school geschiedt op natuurlijke wijze of geforceerd, zodanig dat leerlingen en
personeel voldoende verse lucht krijgen die niet meer ziektekiemen bevat dan de buitenlucht.
In sommige practicumlokalen, zoals bij natuurkunde en scheikunde, is een zuurkast aanwezig die
goedgekeurd is en jaarlijks wordt gecontroleerd.
Elektriciteit
De belangrijkste voorschriften met betrekking tot dit onderwerp zijn te vinden in NEN 1010 en NEN
3140. De gevaren die met elektriciteit te maken hebben, kunnen als volgt worden onderverdeeld:
- Gevaar voor brand of explosie: ontstekingsbronnen kunnen ontstaan door te sterke verhitting
van apparatuur en leidingen, door overbelasting of kortsluiting, door vonkvorming bij slechte
contacten of door statische elektriciteit.
- Gevaar voor personen: stroom door het lichaam, brandwonden ten gevolge van kortsluiting,
ongevallen door mogelijke schrikreacties.
Maatregelen die de risico's van het werken met elektriciteit zo veel mogelijk beperken:
- Beheersmaatregelen: werkzaamheden aan elektrische installaties worden alleen uitgevoerd door
een ter zake deskundige. Open spanningsbronnen zijn afgeschermd, zodat directe aanraking niet
mogelijk is. Schakelkasten zijn te allen tijde gesloten, dat wil zeggen op slot, en de sleutel is
alleen in het bezit van de deskundige.
- Periodieke controles: machines worden regelmatig gecontroleerd. Dit voorkomt storingen. Ook
de aansluitingen en de kabels worden regelmatig gecontroleerd. Ze worden vervangen wanneer
dat nodig is.
- Vast opgestelde machines: deze zijn door middel van vaste leidingen met de elektrische
installatie verbonden. Vast opgestelde machines zijn deugdelijk geaard. Het intact zijn van de
aarding is belangrijk en wordt daarom periodiek gecontroleerd.
- Verplaatsbare machines: deze zijn aangesloten met losse leidingen. Deze leidingen zijn, om
beschadigingen te voorkomen, zo kort mogelijk gehouden.
- Aardlekschakelaar: deze is geplaatst ter beveiliging van een elektrische installatie. Bij een defect
aan een apparaat waarbij een geringe lekstroom ontstaat, onderbreekt de aardlekschakelaar de
stroomvoorziening.
- Dubbelgeïsoleerd handgereedschap: elektrisch handgereedschap is niet voorzien van een
aarding, maar is volgens de voorschriften dubbelgeïsoleerd uitgevoerd. Dit gereedschap kan men
herkennen aan twee in elkaar liggende vierkantjes op het typeplaatje. Dergelijk gereedschap
wordt periodiek gecontroleerd.
- Veilige spanning: hieronder wordt verstaan een maximale wisselspanning van 50 Volt of een
gelijkspanning van 120 Volt. Indien mogelijk is gekozen voor het werken met een veilige
spanning. In besloten ruimten wordt altijd met een veilige spanning gewerkt. Een veilige
wisselspanning van 24 Volt wordt bijvoorbeeld in het technieklokaal gebruikt in de soldeerhoek.
58
-
-
Explosieveilige apparatuur: in ruimten met explosiegevaar wordt de elektrische apparatuur
explosieveilig uitgevoerd.
Schakelaar: aan het elektrische apparaat is een gemakkelijk bereikbare en herkenbare schakelaar
bevestigd.
Noodschakelaar: in een (praktijk)lokaal met meerdere vast opgestelde elektrische apparaten is
vlak naast de ingang en achter in het lokaal een herkenbare noodschakelaar duidelijk aanwezig.
Deze kan met een enkele beweging de stroomtoevoer van alle apparaten in het lokaal
uitschakelen.
Gas
Gas is elke stof die bij een temperatuur van 15 °C onder een druk van 1 bar in gasvormige toestand
verkeert.
Gastoestellen
Gastoestellen zijn toestellen bestemd of geschikt voor koken, verwarmen, warmwaterproductie,
koeling, verlichting of wassen. Gastoestellen hebben, indien van toepassing, een normale
watertemperatuur van ten hoogste 105 °C. Onder gastoestellen worden eveneens gerekend:
ventilatorbranders en voor dergelijke branders bedoelde warmtegeneratoren en alle apparaten bij
gebruik waarvan gas als brandstof wordt gebruikt.
Onder toebehoren van gastoestellen wordt verstaan: beveiligings-, controle- en regelapparatuur en
onderdelen, met uitzondering van ventilatorbranders en voor dergelijke branders bedoelde
warmtegeneratoren, welke bestemd zijn om in een gastoestel te worden ingebouwd dan wel tot een
gastoestel te worden geassembleerd.
Onder normaal gebruik van gastoestellen wordt een gebruik verstaan waarbij gastoestellen (1) op
een juiste wijze zijn geïnstalleerd en regelmatig worden onderhouden overeenkomstig de instructies
van de fabrikant; (2) worden aangewend met een normale schommeling van de gaskwaliteit en de
gasdruk en (3) overeenkomstig hun bestemming of op een redelijkerwijs te verwachten manier
worden aangewend.
Eisen
Gastoestellen en toebehoren dienen zodanig te zijn samengesteld en zodanige eigenschappen te
hebben alsmede van zodanige vermeldingen te zijn voorzien dat zij bij normaal gebruik van het
gastoestel geen bijzonder gevaar opleveren voor de veiligheid van personen of goederen.
De gastoestellen in een school (zoals cv, geisers, branders in laboratorium of vaklokalen) moeten aan
eisen voldoen die in de Europese regelgeving zijn vastgelegd. Dit betekent dat de fabrikant niet
alleen verantwoordelijk is voor het leveren van deugdelijke toestellen, maar ook voor goede
onderhoudsvoorschriften. Wanneer het toestel in de handel wordt gebracht, moeten technische
aanwijzingen voor de installateur worden meegeleverd, de gebruiks- en onderhoudsaanwijzingen
voor de gebruiker worden meegeleverd en de nodige waarschuwingen op het toestel, alsmede op de
verpakking worden vermeld. De aanwijzingen en waarschuwingen moeten gesteld zijn in de officiële
talen/taal van de lidstaat van bestemming. In de schoolpraktijk zal in overleg met de installateur
moeten worden bepaald hoe en wanneer controle en onderhoud aan de apparaten dient te
geschieden.
De leidingen zijn in principe onderhoudsvrij.
59
In de technische aanwijzingen voor de installateur moeten alle instructies voor installatie, afstelling
en onderhoud worden vermeld, zodat deze taken op de juiste wijze kunnen worden uitgevoerd en
het toestel veilig kan worden gebruikt. Ook moeten de aanwijzingen nadere gegevens bevatten
omtrent: de te gebruiken gassoort, de te gebruiken gasdruk, de vereiste luchtverversing, de aanvoer
van verbrandingslucht, het vermijden van de vorming van mengsels met een gevaarlijk gehalte aan
niet-verbrand gas en de wijze van afvoer van verbrandingsproducten.
In de gebruiks- en onderhoudsaanwijzingen voor de gebruiker moeten alle nodige inlichtingen voor
een veilig gebruik worden gegeven en moet de aandacht van de gebruiker met name worden
gevestigd op eventuele gebruiksbeperkingen.
Bij de waarschuwingen op het toestel en op de verpakking moeten de gassoort, de gasdruk en de
eventuele gebruiksbeperkingen duidelijk worden vermeld, en met name de beperking dat het toestel
alleen in voldoende geventileerde ruimten mag worden geïnstalleerd.
Een toestel moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat een defect aan een beveiligings-,
controle- of afstellinginrichting niet tot een onveilige situatie leidt.
Toestellen die bestemd zijn om te worden gebruikt in gesloten ruimten, moeten voorzien zijn van
een specifiek toebehoren ter vermijding van gevaarlijke opeenhoping van niet-verbrand gas in de
ruimten. Toestellen zonder zo een toebehoren mogen alleen worden gebruikt in ruimten met
voldoende luchtverversing om gevaarlijke opeenhoping van niet-verbrand gas te vermijden.
In geval van constructiefouten wordt door de school in eerste instantie de installateur aangesproken.
2.1 Omgeving
Aan de omgeving van de school worden de volgende eisen gesteld:
Toegang
De toegang tot de school is gemakkelijk herkenbaar en vrij van obstakels.
De ingang van de school is groot genoeg om op drukke tijden, zoals bij aanvang van de school, grote
aantallen leerlingen te verwerken, zonder dat duwen en trekken nodig is.
De portiers- of conciërgeloge bevindt zich vlak bij de hoofdingang en heeft een open en vriendelijke
uitstraling. Bovendien kan er ook vanuit die loge goed toezicht worden gehouden op de ingang.
Verlichting
De school is aan de buitenkant goed verlicht zodat op klassenavonden, voorlichtingsavonden en
ouderavonden de toegangswegen en de ingang goed zichtbaar zijn.
Graffiti
Binnen het gebouw wordt graffiti onmiddellijk na constatering verwijderd door de conciërge.
Zwerfvuil
Er zijn de volgende maatregelen getroffen om zwerfvuil te beperken:
60
-
het is de leerlingen niet toegestaan zich in portieken van omwonenden op te houden;
er wordt in de pauzes rondom de school gesurveilleerd;
leerlingen van wie geconstateerd wordt dat zij vuil op straat deponeren, worden hierop
aangesproken;
in de buurt van de school zijn extra afvalbakken geplaatst.
Communicatie met de buurt
De school heeft afspraken met het politiebureau in de buurt, de buurtregisseur en de gemeente of
het stadsdeel over de gang van zaken in geval van klachten en overlast in de buurt. Bij alle betrokken
instanties krijgt de school een goed bereikbare contactpersoon aangewezen die op de hoogte is van
de situatie van de school. Dit maakt snelle communicatie mogelijk wanneer dat nodig is.
De scholen in de buurt groeperen zich in de aanpak van het buurtonderhoud.
Fietsenstalling
De school beschikt over een fietsenstalling.
3
Schoolbinding
3.1
3.1.1
3.1.2
3.2
3.2.1
3.2.2
3.2.3
3.2.4
3.2.5
3.3
3.3.1
3.3.2
3.3.3
3.3.4
3.3.5
3.3.6
3.4
3.4.1
3.4.2
3.4.3
3.4.4
3.4.5
3.5
3.5.1
3.5.2
3.6
3.6.1
Kantine en pauzeruimten
Kantine
Pauzeruimten
Binnenschoolse activiteiten
Klassenavonden
Schoolfeesten
De schoolkrant
Identiteitsversterking van de school
Voorlichting aan ouders die niet op de hoogte zijn van geldende regels en gewoonten
Buitenschoolse activiteiten
Schoolreisjes
Werkweken
Andere buitenschoolse activiteiten
Voorlichting aan ouders die niet op de hoogte zijn van geldende regels en gewoonten
Naschoolse activiteitenclubs
Vakantie- en zomerscholen
Leerlingparticipatie
Betrokkenheid van leerlingen bij de school
De participatieladder als graadmeter van
Interactie schoolleiding en leerlingen
Voorwaarden voor leerlingparticipatie
Invoering leerlingparticipatie
Ouderparticipatie
Ouderraad
Het ouderpunt
Medezeggenschap
Medezeggenschapsraad
61
3.1
Kantine en pauzeruimten
De kantine en de pauzeruimten in een school dragen bij aan de schoolbinding. Een prettige omgeving
waar je lekker en gezond eten en drinken kunt kopen, waar je samen en alleen gezellig kunt zitten,
waar je met anderen kunt lachen en kletsen en waar je leuke spelletjes kunt doen, stimuleert
leerlingen om tijdens pauzes en tussenuren binnen de schoolmuren te blijven.
Het is van belang leerlingen een ontspannende omgeving te bieden waarin ze welkom zijn en zich
thuis kunnen voelen. Er zijn allerlei factoren die daarop van invloed kunnen zijn: van de kleuren van
de muren en het meubilair tot de variëteit aan versnaperingen die de school biedt. Het is vaak een
kwestie van afwegingen maken: snoep en chocola uit trekautomaten is niet bevorderlijk voor de
gezondheid, maar voorkomt wel dat leerlingen in de pauze naar de dichtstbijzijnde snackbar
vertrekken.
Keuzes wat betreft de inrichting en invulling van de kantine en de pauzeruimten maakt de school
natuurlijk naar eigen inzicht en mogelijkheden.
3.1.1
Kantine
Door in de kantine een brede variëteit aan eten en drinken aan te bieden, kan worden voorkomen
dat leerlingen in de pauze naar de dichtstbijzijnde snackbar of supermarkt gaan.
In de losse verkoop kan gedacht worden aan:
 belegde broodjes met verschillende vleeswaren, kaassoorten, ei, salade, groenten;
 gevulde soepen, dagelijks een andere soort;
 zuiveldranken, verschillende smaken;
 vruchtendranken;
 warme dranken (koffie/thee/chocola)
 yoghurt, met muesli en/of in verschillende smaken;
 warme snacks, zoals kroketten, kipburgers, kaassoufflés of broodjes met gesmolten kaas;
 zoete broodjes, zoals brownies, muffins of koffiebroodjes;
 zoete koeken;
 slaatjes, diverse kleine bakjes;
 fruit, diverse losse stuks.
In daarvoor bestemde trekautomaten kan gedacht worden aan:
 frisdranken;
 chocola;
 drop;
 pepermunt;
 koeken;
 chips.
3.1.1 Pauzeruimten
Door bij de inrichting van de pauzeruimten rekening te houden met de verschillende behoeftes van
leerlingen als het gaat om het doorbrengen van hun pauze, kan ervoor worden gezorgd dat
leerlingen het sneller naar hun zin hebben en zich gemakkelijker vermaken.
62
Bij de inrichting van de pauzeruimten kan gedacht worden aan:
- verschillende vormen tafels;
- verschillende maten tafels, zowel voor een of twee personen als voor grote groepen;
- eenvoudige bankstellen;
- sfeerverlichting;
- planten;
- wandkleden;
- muurschilderingen;
- foto's van de leerlingen en de school aan de wand;
- ingelijst werk van leerlingen aan de wand;
- wisselende exposities van kunstenaars aan de wand;
- scheiding van tafels waaraan kan worden gegeten en tafels waaraan kan worden gewerkt;
- muziek op de achtergrond;
- beschikbaarheid van een openbare telefoon.
Voor spelmogelijkheden kan gedacht worden aan:
- tafeltennis;
- tafelvoetbal;
- damspelen;
- schaakspelen;
- kaartspelen.
Bovenstaande spelmogelijkheden dienen gecoördineerd te worden door een toezichthouder. Hij of
zij dient er zorg voor te dragen dat iedereen die wil spelen aan bod komt en dat de spelletjes ordelijk
verlopen. Leerlingen kunnen bij deze toezichthouder tafeltennisbatjes, balletjes, dam- en
schaakstenen en kaarten verkrijgen tegen inlevering van hun schoolpas of ander onderpand.
Naast bovengenoemde spel- en ontspanningsmogelijkheden, is het tijdens pauzes en tussenuren van
belang om ook een ruimte beschikbaar te stellen waarin leerlingen in rust kunnen werken. Dit kan
een daarvoor bestemd lokaal zijn of een gedeelte van de bibliotheek of mediatheek.
3.2
Binnenschoolse activiteiten
Een school die binnensschoolse activiteiten organiseert, bevordert de binding van leerlingen en
personeel aan de school. Schoolbinding heeft een positieve invloed op de sociale veiligheid op
school. Als leerlingen en personeelsleden elkaar af en toe ook buiten de lesuren ontmoeten, leren ze
elkaar beter kennen.
Klassenavonden en schoolfeesten zijn goede gelegenheden om elkaar eens op een andere manier
mee te maken, ook de voorbereidingen voor deze activiteiten brengen mensen met elkaar in contact
op een andere manier dan gebruikelijk is tijdens de lesuren. Het gezamenlijk maken van een
schoolkrant kan die functie ook vervullen.
Verder binden terugkerende 'rituele' bijeenkomsten bij bijzondere gelegenheden mensen aan hun
school: bijvoorbeeld bij het begin van het schooljaar of bij de diploma-uitreiking voor
eindexamenkandidaten.
Naast deze vormen van schoolbinding, kan de school aan identiteitsversterking werken door, behalve
leerlingen en personeelsleden, ook ouders/verzorgers en buurtgenoten bij activiteiten
63
3.2.1 Klassenavonden
Richtlijnen klassenavond
Een klassenavond is een feestelijke avond die leerlingen uit een klas gezamenlijk organiseren,
eventueel met hulp van hun mentor. Het doel van een klassenavond is de onderlinge saamhorigheid
te bevorderen.
Hieronder staan enkele richtlijnen en aandachtspunten die het goede verloop van een klassenavond
bevorderen.
Voorbereiding van de avond
In principe houdt elke klas op school een klassenavond.
Voor een klassenavond wordt een programma opgesteld door de leerlingen, in overleg met de
mentor.
Klassenavonden zijn avonden voor de leerlingen uit een bepaalde klas, introducés zijn daarom niet
toegestaan.
Over de datum en de aard van de klassenavond wordt steeds van tevoren overleg gepleegd met de
schoolleiding. Deze stelt dan de nodige sleutels ter beschikking aan de klassenmentor.
In de brugklassen en in de tweede klassen worden de ouders/verzorgers via een briefje van de
mentor op de hoogte gesteld van de begin- en eindtijden van de klassenavond.
Een klassenavond wordt gehouden in een daarvoor geschikt lokaal of een andere geschikte ruimte in
de school.
Geluidsapparatuur van de school wordt gebruikt voor de muziek. De daarvoor verantwoordelijke
persoon binnen de school stelt na overleg de apparatuur beschikbaar en geeft uitleg aan de
leerlingen die tijdens de klassenavond de muziek zullen draaien. Deze leerlingen zijn
verantwoordelijk voor de apparatuur op die avond.
De mentor ziet erop toe dat de voor bereiding van de klassenavond ordelijk verloopt.
De verantwoordelijkheid voor de klassenavond ligt bij de klassenmentor.
Tijdens de avond
Voor alle klassenavonden geldt:
 geen alcohol en geen andere drugs.
 Roken is verboden tijdens klassenavonden.
 Per klassenavond zijn er twee begeleiders vanuit de school aanwezig. Deze zorgen ervoor dat
alles ordelijk verloopt.
 Een van de begeleiders ziet erop toe dat na afloop van de avond alles in goede staat
achterblijft.
 Een van de begeleiders zorgt voor het openen van de school aan het begin van de avond en
het sluiten van de school aan het einde van de avond.
 Tijdens een klassenavond lopen leerlingen niet door de school en verblijven zij alleen op de
verdieping waar de klassenavond is. De begeleiders zorgen ervoor dat leerlingen zich niet
zonder toezicht in de school bevinden, ook niet tijdens de voorbereidingen.
3.2.1 Schoolfeesten
Richtlijnen schoolfeest
64
Schoolfeesten zijn feesten die worden georganiseerd voor de leerlingen van de school, introducés
zijn niet welkom. Het personeel houdt toezicht. Soms wordt toezicht uitgebreid door bijvoorbeeld
het inhuren van een beveiligingsbedrijf..
Hieronder staan enkele richtlijnen en aandachtspunten die het goede verloop van een schoolfeest
bevorderen.
Voorbereiding van het feest
Schoolfeesten zijn feesten voor leerlingen en oud-leerlingen die het daaraan voorafgaande
schooljaar eindexamen hebben gedaan, alsmede leerlingen die rond de kerstvakantie van hetzelfde
schooljaar de school hebben verlaten (als dit niet het gevolg van een verwijdering was).
Er zijn aparte schoolfeesten voor de onderbouw en de bovenbouw. Bovenbouwers komen minder
graag naar een feest waar ook onderbouwers zijn en onderbouwers voelen zich minder op hun
gemak op een feest waar ook bovenbouwers zijn.
Tijdens de pauzes in de weken voorafgaand aan het feest, worden er toegangskaartjes verkocht.
Daarnaast worden de klassen bezocht door een van de organisatoren om zo veel mogelijk leerlingen
te motiveren te komen. Op de avond van het feest worden er aan de deur geen kaartjes verkocht, dit
om zicht te houden op wie er komen.
Er worden grote, feestelijk uitziende posters opgehangen in de school. Ook de toegangskaartjes zien
er goed verzorgd en feestelijk uit.
De belangrijkste regels die tijdens het schoolfeest gelden, staan voor de duidelijkheid ook achter op
het toegangsbewijs.
Leerlingen vinden het vaak leuk om docenten op een schoolfeest te zien, daarom worden ook alle
docenten voor het feest uitgenodigd.
De school huurt een dj die de leerlingen kennen, dit wordt bepaald door peilingen onder de
leerlingen.
Er wordt een professioneel beveiligingsbedrijf ingehuurd om, zowel bij de deur als binnen, de boel
onder controle te houden. Het voornaamste doel is om buitenstaanders buiten de deur te houden.
Verder heeft de beveiligingsbeambte het recht om een leerling toegang te weigeren wanneer deze
bijvoorbeeld dronken aankomt of een leerling de tent uit te zetten wanneer deze zich misdraagt.
De leerlingen krijgen een brief met informatie over het schoolfeest mee naar huis.
Leerlingen mogen geen introducés meenemen.
In bepaalde gevallen kan de schoolleiding introducés toestaan.
De leerlingen bepalen van tevoren wie ze als introducé willen meenemen, de naam van deze
introducé staat ook op diens toegangsbewijs. De introducé legitimeert zich bij de ingang.
De leerlingen dragen zelf de verantwoordelijkheid voor hun introducé: wanneer de introducé van het
feest wordt verwijderd, gaat de leerling die deze introducé heeft meegenomen zelf ook weg.
Tijdens het feest



Er is tenminste 1 directielid aanwezig.
Het meenemen en/of consumeren van alcoholische dranken of drugs is verboden.
Roken is binnen het schoolgebouw niet toegestaan.
65







Tijdens schoolfeesten worden jassen op de kapstok gehangen. Deze worden dus niet mee
naar binnen genomen.
Tijdens schoolfeesten zorgt de school voor een bewaakte garderobe.
Kluisjes worden tijdens schoolfeesten niet gebruikt.
Bij de ingang staan, behalve het beveiligingspersoneel, ook twee docenten of
onderwijsondersteunend personeelsleden van de school die de meeste leerlingen kennen. Zij
laten op die manier weten dat ze er zijn en zo is er bovendien extra controle op wie er
binnenkomt.
Er zijn minimaal 2 BHV’ers aanwezig.
Het schoolgebouw in en uit lopen is niet toegestaan. Er wordt er alleen opnieuw toegang
verleend door het tonen van de bij de toegang verleende stempel.
Indien een aanwezige zich misdraagt, worden ouders ingelicht en neemt de schoolleiding
passende maatregelen.
3.2.1 De schoolkrant
De schoolkrant is een tijdschrift van de school voor leerlingen en personeel. Het bevordert de binding
aan de school wanneer leerlingen een eigen papieren medium hebben via welke ze zich kunnen uiten
over het reilen en zeilen van de school, over zichzelf en elkaar. Elke school geeft op eigen wijze vorm
aan de schoolkrant.
Globaal zijn er twee mogelijkheden te onderscheiden. Ten eerste zijn er scholen die enthousiaste
leerlingen hebben die de redactie vormen van de schoolkrant en hem zelf maken. In loop der tijd
wisselt de samenstelling van de redactie: nieuwe leden worden gevraagd of melden zichzelf aan. De
redactie vult zelf de hele krant en de schoolkrant bloeit zolang die leerlingen de kar willen trekken.
Ten tweede zijn er scholen waarvan de schoolleiding vindt dat er in hun school een schoolkrant moet
zijn en zij daarom zelf het initiatief daartoe nemen. Een docent zoekt leerlingen uit verschillende
klassen en afdelingen: zij vormen samen de redactie en schrijven het meest. Ook komt er inhoud via
de les.
Leerlingen en personeel hebben recht op vrije meningsuiting. De redactieleden van de schoolkrant
kunnen onderwerpen en illustraties kiezen die zij leuk of interessant vinden. Kritiek moeten zij ook
kunnen leveren. Op sommige scholen leest de schoolleiding eerst alle teksten. Als er iets in staat dat
hen niet bevalt, dan moet dat er uit: dat is censuur en kan erg betuttelend zijn en protest oproepen.
Beter is het als de redactie en de schoolleiding een gedragscode afspreken over waar de grenzen
liggen. Als de krant verschenen is, bekijken ze samen of het gelukt is binnen die grenzen te blijven.
De schoolleiding kan de schoolkrantredactie steunen door hen een eigen budget en een ruimte
(vaste plek, vaste prikborden, vaste kopijbus) te geven, apparatuur of het gebruik ervan (telefoon,
kopieerapparaat, computer) aan te bieden, tijd te geven zoals verlof voor activiteiten onder
schooltijd en praktische hulp en advies te bieden (door bijvoorbeeld een docent, een conciërge of
een administratief medewerker beschikbaar te stellen).
3.2.4
Identiteitsversterking van de school
Een belangrijke bijdrage aan de identiteitsversterking van de school levert het invoeren van 'rituelen'
rondom belangrijke momenten zoals de start en de afsluiting van het schooljaar voor iedereen, de
start voor brugklassers, het schoolverlaten voor eindexamenkandidaten en de diploma-uitreiking.
Hierbij kunnen ook ouders/verzorgers worden uitgenodigd zodat er een gevoel van verbondenheid
en samenwerking ontstaat.
66
Een doel hiervan is de leerlingen te laten ervaren dat prestaties worden beloond en de school een
positieve uitstraling te geven in de buurt. Een voorbeeld van zo'n ritueel is leerlingen begeleiden in
het componeren van een schoollied. Ook kunnen er met enige regelmaat schoolbrede activiteiten
worden georganiseerd, samen met ouders/verzorgers, de buurt en andere organisaties.
Daarbij kan gedacht worden aan een rommelmarkt, een boekenbeurs, een literaire avond, een
filmfestival of een muziekoptreden. Door dergelijke activiteiten wordt de school als gemeenschap
met een eigen identiteit in de buurt naar.
3.2.5 Voorlichting aan ouders die niet op de hoogte zijn van geldende regels en gewoonten
Ouders/verzorgers die niet op de hoogte zijn van de op de school geldende regels en gewoonten
(zoals sommige allochtone ouders/verzorgers) kunnen er bezwaren tegen hebben dat hun kind naar
een schoolfeest komt of naar een andere door de school georganiseerde activiteit buiten het
reguliere programma. Er kunnen gevoelens van wantrouwen bestaan tegenover docenten omdat zij
andere gedragsregels hanteren en andere waarden en normen hebben dan bij de leerling thuis
worden gehanteerd. Bij de ouders/verzorgers kan de angst bestaan dat hierdoor dingen met hun
kind zullen gebeuren waar zij niet achter staan.
Een oplossing voor dit probleem is goede voorlichting. Ouders/verzorgers dienen te worden
voorgelicht over de precieze gang van zaken, de begeleiding en de regels tijdens de activiteit. Dit kan
worden gedaan tijdens ouderavonden waarop alle ouders/verzorgers tegelijk worden toegesproken.
Aan te bevelen is deze voorlichting te laten plaatsvinden door docenten die de taal van de
ouders/verzorgers spreken en hun waarden en normen kennen.
3.3
Buitenschoolse activiteiten
Een school die buitenschoolse activiteiten organiseert, bevordert de binding van leerlingen en
personeel aan de school. Schoolbinding heeft een positieve invloed op de sociale veiligheid op
school. Als leerlingen en personeelsleden elkaar af en toe ook buiten de lesuren ontmoeten, leren ze
elkaar beter kennen.
Schoolreisjes en werkweken zijn goede gelegenheden om elkaar eens op een andere manier mee te
maken. Tegelijkertijd kunnen schoolreisjes en werkweken educatieve doelen dienen. Ook sportdagen
zijn goede manieren om samen bezig te zijn met iets anders dan het reguliere lesprogramma.
Daarnaast kan de school met enige regelmaat buitenschoolse activiteiten organiseren zoals
museumbezoek en theaterbezoek. Voor sommige leerlingen zullen deze bezoeken een eerste
kennismaking zijn met musea en theaters. De school heeft dan tevens de belangrijke functie van het
verlagen van de drempel naar dergelijke culturele instellingen.
3.3.1. Schoolreisjes
Richtlijnen en aandachtspunten voor schoolreisjes
Schoolreisjes zijn niet officieel verplicht voor leerlingen, maar ze zijn ook niet vrijblijvend. Meestal is
het sociale doel belangrijker dan het educatieve. De school ziet een schoolreisje als een gewone
schooldag die alleen wat langer duurt, en zo wordt het ook gebracht. Er wordt dus gewoon van de
leerlingen verwacht dat ze meegaan en er wordt niet gesproken over of ze wel of niet mee willen.
Wanneer een leerling niet mee wil met een schoolreisje, bepaalt de mentor van die leerling of de
opgegeven reden aanvaardbaar is.
Hieronder treft u een aantal richtlijnen en aandachtspunten bij het organiseren van schoolreisjes.
67





Zorg voor voldoende docenten tijdens de schoolreisjes, zo kan de boel beter onder controle
worden gehouden. Vooral in de bus kunnen veel problemen worden voorkomen door
voldoende toezicht.
Het is belangrijk dat ten minste alle mentoren van de leerlingen meegaan. Zij kennen de
leerlingen het beste, weten hun achtergronden en daardoor vertrouwen de leerlingen hen.
Leerlingen moeten tijdens een schoolreisje voldoende eten. In de praktijk is gebleken dat
velen geen brood bij zich hebben en niet veel geld hebben. Dit is niet goed voor de
gezondheid, maar ook niet voor de rust in de groep: leerlingen met trek worden sneller
agressief. Daarom is het goed als de school zorgt voor consumptiebonnen voor leerlingen:
voor iets te eten en iets te drinken. Uiteraard kan de school ook zelf eten en drinken
meenemen.
Een 'instapsysteem' moet ervoor zorgen dat het instappen in de bussen op de heen- en de
terugweg soepel verloopt, dat de bussen op tijd kunnen vertrekken en dat de leiding precies
weet wie er nog niet aanwezig zijn. Het 'instapsysteem' houdt het volgende in: alle mentoren
hebben de 'instapkaarten' van hun leerlingen, op die kaarten staan de namen van de
leerlingen. Voor het instappen, halen de leerlingen hun kaart bij hun mentor. Zo weet de
mentor wie er is en wie er nog niet is. Bij het instappen leveren de leerlingen hun instapkaart
in bij het 'bushoofd' (dat is een docent die geen mentor is). Nu weet het bushoofd dus wie er
in die bus zitten. Op de terugweg mogen de leerlingen in willekeurige bussen gaan zitten en
kan een volle bus direct vertrekken, er hoeft dus niet te worden gewacht op een andere bus
of een enkele leerling, want die neemt dan gewoon de volgende bus. De procedure met de
instapkaarten verloopt hetzelfde.
Naast het 'instapsysteem' is er ook de mobiele telefoonlijst. Dit is een lijst met de namen en
mobiele telefoonnummers van alle aanwezige docenten met een mobiele telefoon. Deze lijst
wordt, wanneer mogelijk en van toepassing, aan de beveiligingbeambten van de bestemming
van het schoolreisje gegeven. Wanneer zij problemen signaleren, bellen ze direct een
nummer van de lijst en zo kan er snel een docent ter plaatse zijn die de leerlingen kent. Dit
systeem is vooral handig bij schoolreisjes met grote groepen en op terreinen waar de
leerlingen relatief vrij worden gelaten en er dus niet voortdurend een docent in de buurt is.
Het schoolreisje kan ook een manier zijn voor docenten om eens andere contacten op te
doen met collega's. Zorg ervoor dat het schoolreisje ook voor docenten een leuke dag wordt
door bijvoorbeeld, wanneer mogelijk en van toepassing, in het restaurant van de
bestemming van het schoolreisje op een bepaalde tijd koffie met gebak te reserveren voor
de begeleidende docenten.
Excursies zijn meestal van korte duur, een dag of een dagdeel, en ze dienen een vrij gericht educatief
doel. De organisatie door de school is meestal minder ingewikkeld dan bij een schoolreisje en een
deel van de organisatie wordt vaak overgenomen door de te bezoeken instelling.
68
3.3.1
Werkweken
Richtlijnen werkweken
Een werkweek maakt meestal deel uit van het normale curriculum en heeft een sterk educatief doel.
Soms worden in een werkweek onderwerpen uit een bepaald vakgebied uitgediept (zoals tijdens een
werkweek Kunstgeschiedenis naar Rome) en soms gaat het om het ontwikkelen van bepaalde
vaardigheden (zoals tijdens een werkweek veldonderzoek Biologie).
Onderstaande vragenlijst heeft tot doel organisatoren en begeleiders van werkweken van dienst te
zijn bij het nagaan van de veiligheid van de georganiseerde werkweek. Hieruit kunnen richtlijnen
geformuleerd worden.











Zijn de algemene gedragsregels duidelijk voor de deelnemende leerlingen, de begeleiders en de
ouders/verzorgers?
Is bij de begeleiders bekend bij welke deelnemende leerlingen sprake is van medische of
psychische problemen?
Bestaat er duidelijkheid over het gebruik van medicijnen?
Is bij de begeleiders bekend of er bij deelnemende leerlingen sprake is van bepaalde handicaps of
het ontbreken van bepaalde vaardigheden die deelname aan de werkweek bemoeilijken (zoals
niet kunnen zwemmen op een roeiwerkweek)? Zijn er maatregelen genomen om dit probleem
op te lossen (zoals het huren van een zwemvest en toezien op het dragen ervan)?
Is bij het huren van materiaal zoals huifkarren, roeiboten of kajaks navraag gedaan of dit
materiaal voldoet aan de wettelijk gestelde veiligheidsvoorschriften?
Indien er sprake is van een verblijf in jeugdherbergen of gebouwen met slaapzalen, is dan
duidelijk of deze gebouwen voldoen aan de wettelijk gestelde veiligheidsvoorschriften?
Is bij de begeleiders voldoende bekend (bij aankomst) met de nooduitgangen en de
ontruimingsprocedures van de overnachtinggelegenheid?
Is duidelijk wie de contactpersoon binnen de school is bij ongevallen of calamiteiten tijdens de
werkweek? Is duidelijk wie de communicatie naar buiten verzorgt in een dergelijk geval?
Heeft een van de begeleiders een mobiele telefoon bij zich, hetzij een eigen toestel, hetzij een
toestel van de school?
Hebben de begeleiders de beschikking over vervoer ter plaatse, zoals een auto?
Is voor iedereen duidelijk hoe zij verzekerd zijn tijdens de werkweek en aan wie eventuele schade
dient te worden gemeld?
69
3.3.2
Andere buitenschoolse activiteiten
Een school die buitenschoolse activiteiten organiseert, bevordert de binding van leerlingen en
personeel aan de school. Schoolbinding heeft een positieve invloed op de sociale veiligheid op
school. Als leerlingen en personeelsleden elkaar af en toe ook buiten de lesuren ontmoeten, leren ze
elkaar beter kennen.
De school organiseert de volgende andere buitenschoolse activiteiten:
-
sporttoernooien: basketbal, volleybal, voetbal, atletiek
sportieve activiteiten: schaatsen, skaten, wandklimmen, zwemmen
museumbezoek
theaterbezoek
(lunch)concertbezoek
kunstprojecten, fotografie, dans, theater, etc.
godsdienstige vieringen
70
3.3.3
Voorlichting aan ouders die niet op de hoogte zijn van geldende regels en gewoonten
Voorlichting
Ouders/verzorgers die niet op de hoogte zijn van de op de school geldende regels en gewoonten
(zoals sommige allochtone ouders/verzorgers) kunnen er bezwaren tegen hebben dat hun kind naar
een door de school georganiseerde buitenschoolse activiteit gaat buiten het reguliere programma.
Er kunnen gevoelens van wantrouwen bestaan tegenover docenten omdat zij andere gedragsregels
hanteren en andere waarden en normen hebben dan bij de leerling thuis worden gehanteerd. Bij de
ouders/verzorgers kan de angst bestaan dat hierdoor dingen met hun kind zullen gebeuren waar zij
niet achter staan.
Een oplossing voor dit probleem is goede voorlichting. Ouders/verzorgers dienen te worden
voorgelicht over de precieze gang van zaken, de begeleiding en de regels tijdens de activiteit. Dit kan
worden gedaan tijdens ouderavonden waarop alle ouders/verzorgers tegelijk worden toegesproken.
Aan te bevelen is deze voorlichting te laten plaatsvinden door docenten die de taal van de
ouders/verzorgers spreken en hun waarden en normen kennen.
71
3.3.4
Naschoolse activiteitenclubs
Naschoolse activiteiten
Voor veel leerlingen fungeert de school als een sociale ontmoetingsplaats waar ze hun vrienden
ontmoeten. Behalve het leren is de sociale omgang met elkaar en de daaruit voortvloeiende binding
aan elkaar een belangrijk element in het schoolleven van veel leerlingen. Om deze binding te
versterken kan de school naschoolse activiteiten in clubverband aanbieden. Een structurele opzet
waarbinnen leerlingen zich voor een bepaalde termijn aan een activiteitenprogramma naar keuze
verbinden, is daarbij aan te bevelen.
Activiteitenclubs die vanuit de school worden georganiseerd, binden leerlingen op een positieve
wijze aan de school en dagen leerlingen uit hun talenten te ontwikkelen. Er zijn allerlei terreinen
waarop deze activiteitenprogramma's kunnen worden georganiseerd, om een paar voorbeelden te
noemen: toneel/theater/musical, muziek, sport, zelfverdediging, schaken/dammen en informatica.
Zie verder de paragrafen over de leerlingbegeleider en over de persoonlijke begeleiding van
leerlingen in dit hoofdstuk.
Stappenplan invoeren naschoolse activiteitenclubs
Stap 1
De schoolleiding stelt een naschoolse activiteitencoördinator in de school aan.
Stap 2
De coördinator schakelt vakmensen in op de terreinen waarop de school activiteiten wil gaan
organiseren.
Stap 3
De schoolleiding stelt faciliteiten beschikbaar: tijd voor coördinatie, ruimtes, materialen, geld voor
het aanstellen van vakmensen.
Stap 4
De coördinator ontwikkelt een opzet van de activiteitenprogramma's in samenspraak met een
leerlingenklankbordgroep, de vakmensen die de activiteiten zullen gaan begeleiden en de
schoolleiding.
Stap 5
72
De schoolleiding begint met het aanbieden van de activiteitenclubs in de onderbouw, voordat
leerlingen zich straatroutines en spijbelgedrag eigen hebben gemaakt.
Stap 6
De coördinator organiseert voor de onderbouw, als opstapje naar de leerlingenvereniging, een blok
van een aantal weken tijdens lestijd met een verschillend aanbod van clubs.
Stap 7
De coördinator zorgt ervoor dat alle mentoren van alle klassen van de school tijdens de mentorles de
leerlingen voorlichten over de mogelijkheid tot deelname aan naschoolse activiteitenclubs.
Stap 8
De coördinator maakt een rooster voor de activiteiten die zullen worden aangeboden.
Stap 9
De coördinator organiseert de inschrijving voor activiteitenprogramma's. Met hun inschrijving binden
leerlingen zich voor een bepaalde termijn aan het desbetreffende programma.
Stap 10
De activiteitenprogramma's worden uitgevoerd, de coördinator blijft beschikbaar als eerste
aanspreekpunt bij vragen en problemen, zowel voor de begeleiders van de activiteiten als voor de
leerlingen en de schoolleiding.
Stap 11
Ter afronding van de activiteitenprogramma's vinden er, waar van toepassing, presentaties van de
resultaten plaats aan de school, de ouders/verzorgers en de buurt.
Stap 12
Na de afronding van de activiteitenprogramma's, maar ten minste eenmaal per schooljaar,
rapporteert de coördinator, in samenspraak met leerlingen, de ervaringen aan de schoolleiding.
73
Stap 13
Coördinator, leerlingenklankbordgroep en schoolleiding stellen, waar nodig, de naschoolse
activiteitenprogramma's bij voor het daaropvolgend schooljaar.
74
3.4
Leerling-participatie
De school is een belangrijke leefomgeving van jongeren. Participatie in de vorm van inzet en
betrokkenheid van jongeren bij deze leefomgeving draagt niet alleen bij aan de opvoeding van
jongeren tot actieve democratische medeburgers, maar ook aan de kwaliteit van het onderwijs en
het leefmilieu op school.
Het is van belang om beleid te maken mét jongeren en niet over hun hoofden heen. Regels en
voorzieningen moeten aansluiten bij de leefwereld van jongeren om draagvlak te vinden. Daarnaast
versterkt leerling-participatie de mogelijkheid en het besef van jongeren om invloed uit te oefenen
op het eigen leven en de eigen leefomgeving.
In de praktijk van het dagelijkse schoolleven is leerling-participatie een weerbarstige materie. Het
belang van een eigen inbreng van leerlingen wordt nogal eens met de mond beleden, maar in de
praktijk wordt deze inbreng lang niet altijd op prijs gesteld. Leerling-participatie veronderstelt een
dialoog met jongeren.
75
3.4.1
Betrokkenheid van leerlingen bij de school
Formeel krijgt leerling-participatie vorm middels de leerlingenraad en de vertegenwoordiging binnen
de medezeggenschapsraad. Leerling-participatie dient echter vanuit een breder perspectief te
worden benaderd. In principe gaat het om de betrokkenheid van de leerlingen bij de school.
Bevordering van de betrokkenheid van leerlingen bij het reilen en zeilen van de school is om
meerdere redenen van belang en kan geschieden vanuit diverse motieven. Vanuit pedagogische hoek
kan de school worden gezien als een oefenplek voor de jongere op weg naar maatschappelijke
zelfstandigheid. Participatie van jongeren draagt echter niet alleen bij aan de opvoeding van
jongeren tot democratische medeburgers. Naast opvoedkundige motieven spelen ook andere
motieven een rol. Motieven van meer pragmatische en zakelijke aard: de betrokkenheid van
jongeren bij de school kan ook een bijdrage leveren aan een open, creatief en veilig leefklimaat.
Vanuit organisatorisch oogpunt gezien is het van niet te onderschatten betekenis dat voorzieningen
en ontwikkelingen in de school beter afgestemd worden op de leerlingen. In het verlengde hiervan
kan ook worden bijgedragen aan de vermindering van voortijdig schoolverlaten. In het hedendaags
bedrijfsmatig denken over de school kan de leerling gezien worden als een kritische klant. De inbreng
van de leerlingen kan worden gezien als een belangrijke factor voor de bevordering van de kwaliteit
van het onderwijs.
Communicatie op gelijkwaardig niveau
Het gaat goed met leerling-participatie zolang leerlingen het idee hebben dat de school van hén is.
Voorwaarde hiervoor is dat er in de school sprake is van communicatie op gelijkwaardig niveau
tussen alle betrokkenen: schoolleiding, docenten, onderwijsondersteunend personeel en leerlingen.
In de praktijk van de interne communicatie blijkt het nogal eens te schorten aan democratisch
gehalte. Pas als leerlingen zien dat er iets met hun commentaar wordt gedaan, wordt de
betrokkenheid bij de school gestimuleerd.
Iedere school heeft zijn eigen karakter, organisatie en cultuur. Daarin bestaat grote diversiteit. Naast
de formele lijn (waarin sprake is van een leerlingenraad, leerlingenstatuut, medezeggenschapsraad
en de daarmee verbonden formele rechten als informatie-, advies-, instemmings- en beslissingsrecht)
bestaat er de lijn van de informele participatie. Veel persoonlijke klas- en schoolaangelegenheden
worden aangepakt en opgelost via vanzelfsprekende contacten tussen leerlingen, docenten en
76
schoolleiders, zonder dat een formeel kanaal daarmee wordt belast of daarvoor in het leven wordt
geroepen.
Participatie en betrokkenheid zijn zeer nauw met elkaar verbonden. Evenals volwassenen voelen
jongeren zich verantwoordelijk voor een organisatie als ze het idee hebben dat die ook van hen is.
Werken aan leerlingparticipatie is meer dan het oprichten van een leerlingenraad. Het bevorderen
van de betrokkenheid van leerlingen bij de school impliceert dat er concrete mogelijkheden worden
aangereikt, zodat leerlingen hun stem kunnen laten horen.
77
3.4.2
De participatieladder als graadmeter
Participatieladder
De zogenoemde participatieladder van R.A. Hart beschrijft in acht treden de diverse gedaantes van
het betrekken van jongeren bij de school. Dit model kan van nut zijn als analyse-instrument. Aan de
hand van de participatieladder kan worden bepaald hoe serieus er op school wordt omgegaan met
de inbreng van leerlingen. Op grond van dit model kan de schoolleiding bepalen van welke
participatievorm er op school sprake is en, zo nodig, nadenken over de mogelijkheden van de school
een intensievere participatievorm tot stand te doen komen. In het overzicht hieronder neemt van
boven naar onderen, oftewel van het laagste naar het hoogste getal, de intensiteit van de
participatievorm toe.
Participatievorm 1 Manipulatie
Jongeren worden ingezet bij acties en dergelijke ten behoeve van door volwassenen geformuleerde
belangen, waar zij zelf de inhoud en/of gevolgen niet van overzien of begrijpen.
Participatievorm 2 Decoratie
Jongeren worden ingeschakeld om acties van volwassenen op te luisteren. Vaak gebeurt dit door
speelse activiteiten. Volwassenen pretenderen niet dat dit in het belang van de jongere is.
Participatievorm 3 Afkopen
De jongeren krijgen een stem, echter in die zin dat volwassenen kindvriendelijk willen zijn,
bijvoorbeeld door ze in een conferentiepanel te zetten waarin ze het leuk doen, maar waar niet echt
naar ze wordt geluisterd.
Participatievorm 4 In opdracht, maar geformuleerd
78
Volwassenen nemen het initiatief om de jongeren in te schakelen, maar stellen hen wel zelf op de
hoogte van het hoe en waarom. Het doel van het project wordt gedeeld door de jongeren en zij
kunnen zelf besluiten al dan niet te participeren.
Participatievorm 5 Consulteren en informeren
De jongeren worden vooraf uitgebreid geraadpleegd over een project dat door volwassenen wordt
ontworpen en geleid. De mening van de jongeren krijgt een serieuze behandeling.
Participatievorm 6 Initiatief bij volwassenen en jongeren beslissen mee
Volwassenen nemen het initiatief en bereiden de beslissingen voor, dragen zorg voor de
randvoorwaarden en de jongeren beslissen in samenspraak met de volwassenen.
Participatievorm 7 Initiatief en leiding bij de jongeren
De jongeren nemen het initiatief en bereiden beslissingen voor. Volwassenen dragen zorg voor de
randvoorwaarden en de jongeren beslissen in harmonie met de volwassenen.
79
Participatievorm 8 Initiatief bij jongeren, zij beslissen samen met volwassenen
De jongeren nemen zelf het initiatief en werken het idee uit in een project, in samenspraak met
volwassenen. Gezien de gedeelde verantwoordelijkheid tussen de jongeren en de volwassenen is dit
de hoogte participatievorm.
80
3.4.3
De leerlingenraad
Leerlingenraad
De Wet medezeggenschap onderwijs 1992 (WMO) biedt naast de medezeggenschapsraad de
mogelijkheid van het oprichten van een leerlingenraad. Deze vertegenwoordigt de mening van de
leerlingen van een school. Bovendien kan de leerlingenraad zich bezighouden met het verbeteren
van de sfeer op school en met de kwaliteit van het onderwijs.
Het belangrijkste recht dat de leerlingenraad heeft, is het recht advies uit te brengen aan de
medezeggenschapsraad: dit geldt zowel voor gevraagd als ongevraagd advies. De leerlingenraad kan
bovendien eisen dat de medezeggenschapsraad dat advies doorgeeft aan het schoolbestuur. Het
schoolbestuur moet op zijn beurt binnen drie maanden een schriftelijk antwoord geven.
De taken van de leerlingenraad kunnen sterk verschillen. Op de ene school is de leerlingenraad meer
een feestcommissie, op de andere school een belangrijke adviesraad. De leerlingenraad heeft
meestal twee belangrijke taken: (1) leerlingenbelangen behartigen en advies geven en (2) allerlei
activiteiten voor leerlingen organiseren.
81
3.5
Ouderparticipatie
Ouders/verzorgers van leerlingen kunnen worden gestimuleerd hun betrokkenheid te ontwikkelen
en eventueel zichtbaar te maken via participatie. Actieve ouders/verzorgers die zin en tijd hebben
om zich op een constructieve manier bezig te houden met het reilen en zeilen van de school, kunnen
zitting nemen in de ouderraad en/of de medezeggenschapsraad.
Scholen die de ouders/verzorgers van hun leerlingen nadrukkelijk een plek willen geven in de
schoolgemeenschap, kunnen in de school een ouderpunt creëren. Ouderparticipatie is een goede
manier om leerlingen, en hun gezin, aan de school te binden. Ouders die een band ontwikkelen met
de school van hun kind, zullen zich makkelijker in hun kind kunnen verplaatsen. Dit komt in de
meeste gevallen zowel het kind, de gezinssituatie als de school ten goede.
82
3.5.1
Ouderraad
De ouderraad komt regelmatig bijeen om over allerlei zaken te praten die in en om de school spelen.
Daarnaast organiseert de ouderraad jaarlijks een boekenbeurs waar leerlingen gebruikte boeken
kunnen kopen en verkopen. Enkele ouders/verzorgers uit de ouderraad hebben zitting in de
medezeggenschapsraad. De ouderraad voert regelmatig overleg met de schoolleiding. De
schoolleiding draagt er zorg voor dat de ouders/verzorgers die zitting hebben in de ouderraad een
goede afspiegeling zijn van de leerling-populatie.
83
3.5.2
Het ouderpunt
Ouderpunt
Om de communicatie tussen ouders/verzorgers en de school te verbeteren, zijn er op verschillende
plaatsen in Nederland zogenoemde ouderpunten opgericht. De kern van een ouderpunt is altijd een
actieve groep ouders/verzorgers die fungeert als intermediair tussen de ouders/verzorgers en de
school. Het ouderperspectief staat hierin centraal, dat betekent dat de wensen en de behoeften van
de ouders/verzorgers als uitgangspunt worden genomen.
De kerntaken van het project ouderpunt zijn: oudercursussen, onderwijsspreekuur en voorlichting.
Daarnaast is het ouderpunt een ontmoetingsplaats waar ouders/verzorgers onderling hun kennis en
ervaringen kunnen uitwisselen.
Informatie is beschikbaar bij de Projectgroep Landelijke Implementatie Ouderpunten, waarin
verschillende organisaties zijn vertegenwoordigd.
84
3.6
Medezeggenschap
Medezeggenschap van ouders, personeel en leerlingen in het onderwijs is wettelijk geregeld in de
Wet medezeggenschap onderwijs 1992 (WMO). Docenten, schoolleiding en schoolbesturen zoeken
steeds naar manieren om aansprekend en goed onderwijs te verzorgen. De inbreng van
ouders/verzorgers en leerlingen is daarbij onmisbaar.
Voor ouders/verzorgers, personeel en leerlingen is medezeggenschap een adequaat middel om met
de school in gesprek te raken en te blijven over kwaliteit en kwaliteitsverbetering. Zij kunnen hun
stem laten horen en invloed uitoefenen op de manier waarop de school werkt.
Uitgangspunt bij medezeggenschap is dat een school een samenwerkingsverband is waar in beginsel
een gelijkwaardige plek is voor iedereen. Het is daarbij van belang dat alle partijen elkaar serieus
nemen. Medezeggenschap heeft draagvlak van alle betrokken partijen nodig om te kunnen slagen.
85
3.6.1
Medezeggenschapsraad
In de medezeggenschapsraad zitten vertegenwoordigers van het personeel, de ouders/verzorgers en
de leerlingen. Het overleg tussen de medezeggenschapsraad en de schoolleiding heeft een
sleutelfunctie in de school. Over zaken die het belang van de school aangaan, heeft de
medezeggenschapsraad instemmingsrecht en adviesrecht.
Het bevoegd gezag zal de medezeggenschapsraad dikwijls raadplegen. In een tijd van veranderingen
en ontwikkelingen is een sterke en evenwichtige medezeggenschapsraad van groot belang.
Zie ook bijlage ‘Statuut Medezeggenschapsraad’.
86
4. Toezicht en surveillance
4.1
Toezicht
4.2
Surveillance
4.3
Taken van de conciërge/portier/receptionist
4.4
De pedagogische conciërge
4.5
Veiligheidsteams van leerlingen op school
87
4.1
Toezicht
Conciërges, toezichthouders en portiers spelen een belangrijke rol in de school: zij zien wie er
binnenkomen in de school, wie de school verlaten en zij zien hoe leerlingen en personeel zich
bewegen in de gangen en de pauzeruimten. Sommige conciërges, toezichthouders en portiers
kennen de hele schoolbevolking van gezicht of zelfs van naam. Dat is natuurlijk mooi, maar soms wel
wat teveel gevraagd. In elk geval zorgen conciërges, toezichthouders en portiers voor de rust en orde
in de school buiten de leslokalen: zij houden een oogje in het zeil en spreken mensen aan die zich
misdragen. Deze toezicht- en surveillancefuncties kunnen, indien gewenst en van toepassing, worden
uitgebreid met pedagogische taken. De zogenoemde 'pedagogische conciërge' is daarvan een
voorbeeld.
Toezichthoudende taak van het personeel
Toezicht is van invloed op de veiligheid omdat het incidenten kan helpen voorkomen en omdat het
doeltreffend optreden bij incidenten kan bevorderen. Voor het gevoel van veiligheid van leerlingen
en een prettig leerklimaat is effectief toezicht van groot belang.
Voor ouders/verzorgers is dit ook van belang omdat zij erop moeten kunnen vertrouwen dat de
school hun toezichthoudende functie overneemt wanneer hun kind zich op school bevindt.
Voor de school zelf is toezicht van belang omdat het nalaten van deze plicht de school veel narigheid
kan bezorgen zoals aansprakelijkheid voor schade. Wanneer de toezichthoudende plicht wordt
nagelaten en er hierdoor schade ontstaat, is er namelijk in beginsel sprake van een onrechtmatige
daad van de school. Uit de rechtspraak blijkt dat er veel van de toezichthoudende capaciteit van de
school wordt verwacht. Zo kan de school aansprakelijk zijn voor zaken waarvan zij geen enkele weet
heeft, namelijk wanneer zij had kunnen voorzien dat dit zich buiten haar weten kon afspelen.
De toezichthoudende taak van de school beperkt zich daardoor niet alleen tot momenten tijdens de
lessen, wanneer de leerling onder het toeziend oog van een docent is, maar breidt zich uit tot alle
momenten waarop er volgens de rechtspraak van de school kan worden verwacht dat zij toezicht
houdt.
Daaronder vallen ook de momenten buiten de lessen en/of buiten de school, waarin de leerling nog
wel geacht wordt onder de hoede van de school te vallen.
Gezien de onduidelijke grenzen van de verantwoordelijkheden van de school op dit gebied, is het
verstandig om de toezichthoudende plicht heel serieus te nemen.
88
89
4.2
Surveillance
Surveillance wordt uitgevoerd door conciërges en/of toezichthouders en docenten. Hiervoor is een
rooster gemaakt waar alle betrokkenen kennis van hebben. Bij verhindering wordt overleg gepleegd
met degene die belast is met het opstellen van het surveillancerooster. Het surveillancerooster is
opgenomen in het reguliere rooster, dat wil zeggen dat er rekening mee is gehouden dat
surveillancewerk ook werk is en dat er een (wettelijk) minimum aan pauze overblijft voor
surveillerende personeelsleden. Er is in het reguliere rooster dus plaatsgemaakt voor pauzes van de
surveillanten buiten de leerlingenpauzes.
90
4.3
Taken van de conciërge/portier/receptionist
De conciërge/portier/receptionist:
-
blijft te allen tijde op zijn of haar plek achter de portiersbalie of draagt er zorg voor dat deze plek
tijdelijk door iemand anders wordt bemand;
ontvangt en verwijst leerlingen;
ontvangt en verwijst bezoekers;
controleert en beveiligt de toegang tot de school;
zorgt voor de beveiliging van het gebouw en het terrein in de omgeving van de toegang;
ziet toe op de beveiliging van het terrein met behulp van camera's en monitoren;
bedient de telefooncentrale;
deponeert notities naar aanleiding van ontvangen telefoontjes in de postvakken;
ontvangt de post;
verricht korte administratieve werkzaamheden;
opent de voordeur;
zorgt voor het in- en uitschakelen van het alarm;
maakt het parkeerterrein toegankelijk (hefboom, rolhek e.d.);
bedient de panelen van de balie (verwarming, verlichting, deursignalering, beveiliging,
omroepinstallatie);
is bereid samen te werken en waar nodig taken van collega's over te nemen;
is bereid tot scholing en verdere bekwaming;
is op de hoogte van de stappenplannen van de school en weet wie welk stappenplan coördineert
en hoe deze persoon te bereiken is.
91
4.5
Veiligheidsteams van leerlingen op school
Veiligheidsteams
Leerling-participatie is een belangrijke voorwaarde voor het verbeteren van het draagvlak voor
veiligheidsmaatregelen. Het is daarom nodig leerlingen te betrekken bij vraagstukken over veiligheid,
bij het signaleren van onveilige situaties, bij het bespreken van problemen en het bedenken en
uitwerken van oplossingen. Leerling-participatie vereist een langdurige inzet, een heldere structuur
en een duidelijke taakafbakening voor alle betrokkenen. Hieronder is een structuur beschreven
waarin leerlingen serieuze gesprekspartners kunnen zijn binnen de school doordat er
veiligheidsteams worden opgericht.
De doelen van deze structuur zijn:
(1) leerlingen actief mee laten denken over de aanpak van de integrale veiligheid in en om de
scholen;
(2) de betrokkenheid van leerlingen bij de veiligheid in en om de school te vergroten opdat
maatregelen ter verbetering van de veiligheid positief worden ontvangen en
(3) leerlingen laten ervaren dat het mogelijk is invloed uit te oefenen op de organisatie.
Voorbeeldfasen voor invoeren veiligheidsteams
Voor het invoeren van veiligheidsteams op school, kunnen elk schooljaar de hieronder beschreven
fasen worden doorlopen. Binnen de school zal een sterk beroep worden gedaan op de interne
communicatie. Het proces, de uitkomsten en de evaluaties komen anders niet voldoende tot hun
recht.
Fase 1
De schoolleiding en de mentoren kiezen per schooljaar een specifiek thema rondom veiligheid dat
voor de school relevant is, bijvoorbeeld: pesten, stelen, vechten, seksuele intimidatie.
Fase 2
Schoolbreed worden er, onder leiding van de mentor, in de mentorlessen groepsgesprekken gevoerd
met alle leerlingen rondom het geselecteerde thema. Uitkomsten van deze gesprekken worden
92
vastgelegd. Deze geven informatie over ervaringen, wensen, problemen, meningen en oplossingen
van leerlingen.
Fase 3
De mentoren van alle klassen stellen een brede vertegenwoordiging van leerlingen samen, naar
leeftijd en niveau, die gedurende een schooljaar fungeert als veiligheidsteam. Dit team zal de
uitkomsten van de mentorlessen omvormen tot verbetervoorstellen aan de schoolleiding. Het
veiligheidsteam kan naar wens worden opgesplitst in verschillende groepen met specifieke taken:
'whistlegroep', 'watch-outgroep', 'time-outgroep', 'happy-schoolgroep', 'klankbordgroep'.
Fase 4
De leerling-leden van het schoolbrede veiligheidsteam krijgen training aangeboden in
vergadertechnieken. Daarna gaat het team zelfstandig aan de slag met op de achtergrond een
mentor als supervisor. Het veiligheidsteam werkt aan het formuleren van verbetervoorstellen op
basis van de informatie uit de mentorlessen en eigen ideeën.
Fase 5
De verbetervoorstellen die zijn voortgekomen uit het veiligheidsteam worden aangeboden aan de
schoolleiding. De schoolleiding reageert binnen redelijke termijn op de verbetervoorstellen door de
leerlingen te laten weten welke concrete acties aan deze voorstellen zullen worden verbonden.
93
Fase 6
De schoolleiding draagt binnen redelijke termijn zorg voor de daadwerkelijke en zichtbare uitvoering
van de verbeteracties.
Fase 7
Na een bijeenkomst waarin leerlingen de uitgevoerde verbeteracties evalueren met de mentoren en
de schoolleiding, kan het veiligheidsteam worden ontbonden.
94
5. Incidenten
5.1
Incidentenregistratie
5.1.1
Doelen van incidentenregistratie
5.1.2
Organisatie van incidentenregistratie
5.1.3
Voorwaarden voor incidentenregistratie
5.1.4
Voorbeeld van een incidentenregistratieformulier
5.2
Incidentenbespreking
5.2.1
Klassenbespreking van incidenten
5.2.2
Werkbespreking van incidenten
5.2.3
Gespreksvaardigheden
5.2.4
Gesprekstechnieken
5.3
Agressiehantering
5.3.1
Agressiehantering voor leerlingen
5.3.2
Agressiehantering voor personeel
5.3.3
Agressiehantering voor conciërges, balie- en kantinemedewerkers
5.4
Conflicthantering
5.4.1
Conflicthantering voor leerlingen en personeelsleden
5.4.2
Mediation
5.5
Begeleidingsvaardigheden
5.5.1
Leerlingbegeleidingvaardigheden
5.5.2
Pedagogische conciërges
5.5.3
Coaching van personeel
5.5.4
Collegiale consultatie
5.6
Omgaan met intimiteit, seksualiteit en seksuele intimidatie
5.7
Pesten
95
5.7.1
Plagen en pesten
5.7.2
Pesten voorkomen
5.7.3
Pesten bestrijden
5.7.4
Hulp aan de gepeste leerling en zijn/haar ouders
5.7.5
Hulp aan de pester en zijn/haar ouders
5.7.6
Praten over moeilijke onderwerpen
5.7.7
Digitaal pesten
5.7.8
Protocol (anoniem-) bedreigde leraren
5.7.9
Maatregelen tegen pesten
5.7.10 Voorbeeld anti-pestcontract
5.8
Mentoring
5.8.1
Leerling-mentoren
5.8.2
Docent-mentoren
5.8.3
Taken van de docent-mentor
5.9
Sociaal-emotionele vaardigheden
5.9.1
Sociaal-emotionele vaardigheden voor leerlingen
5.10
Vakmatige nascholing
5.10.1 Vakmatige nascholing voor docenten
96
5.1
Incidenten
Incidenten zijn er in vele soorten en maten: een pesterij, een diefstal, een ruzie, een steekpartij, een
ingeslagen ruit - het zijn allemaal incidenten. Sommige incidenten, zoals ruzie, komen dagelijks voor
op school en andere, zoals steekpartijen, zijn minder vaak aan de orde.
De meeste incidenten die geregistreerd zijn, vinden plaats in het schoolgebouw (lokaal, gang,
gymzaal) of op het schoolplein. In de lokalen blijken regelmatig incidenten plaats te vinden,
voornamelijk diefstallen. Vechtpartijen spelen zich meestal af in de gang, op het plein of buiten het
schoolterrein.
Incidenten op routes van en naar school komen slechts weinig in de registratie terecht. Alleen de
meest ernstige incidenten blijken te worden geregistreerd. Het is dus goed mogelijk dat er meer mis
gaat onderweg, maar in de meeste gevallen bereikt deze informatie de (locale)schoolleiding niet of
ziet deze het niet als zijn of haar taak incidenten van buiten de school te registreren. Voor een goed
overzicht van wat er in en om de school gebeurt en voor inzicht in de mogelijke verbanden tussen
verschillende incidenten, is het echter aan te bevelen ook de incidenten op de routes van en naar
school te registreren.
97
5.1.1
Doelen
Het einddoel van een systematische registratie van incidenten is de feitelijke veiligheid op school te
(kunnen) verbeteren. Op de scholen waar uitdraaien worden gemaakt van de ingevoerde incidenten
kunnen de rapporten die daarvan het resultaat zijn, worden gebruikt om trends te ontdekken. Door
te vergelijken kan een school immers vaststellen of bepaalde incidenten vaker dan gemiddeld
voorkomen en wellicht apart aangepakt dienen te worden.
Vaak geven scholen aan incidentenregistratie te willen (kunnen) koppelen aan het
leerlingvolgsysteem. Het doel is dan niet zozeer overzicht te krijgen van alle incidenten die op school
plaatsvinden, om op basis daarvan beleid te ontwikkelen, maar om per leerling een overzicht te
krijgen van de incidenten waar hij of zij bij betrokken is geweest. Het kunnen uitdraaien van
incidenten per leerling wordt door vrijwel alle scholen genoemd als systeemeis. Daarbij moet
uiteraard wel een goede waarborg kunnen worden gegeven voor de bescherming van gegevens en
de privacy van alle betrokken leerlingen, docenten en scholen.
Op het Stanislascollege wordt gebruik gemaakt van het incidentenregistratiesysteem IRIS. Het is een
webbased programma met als voordeel dat degene die registreert dit vanaf elk punt kan doen.
Vooralsnog wordt er op de verschillende locaties hoofdzakelijk door de medewerkers van de
meldkamer geregistreerd. Locatiedirecteuren en teamleiders hebben een autorisatie waarbij men
ook in het archief van de incidenten kan kijken en/of aanvullingen kunnen doen bij bepaalde
geregistreerde incidenten.
Iris is niet gekoppeld aan het leerlingvolgsysteem. Door het invullen van namen in het systeem kan
wel een inzicht verkregen worden welke leerling bij een incident is betrokken.
Leerlingen kunnen incidenten laten registreren door de meldkamer of teamleiders middels een
formulier . Zij kunnen evt. gebruik maken van formulieren.
Alle incidenten worden geregistreerd.
98
5.1.2
Organisatie
Het incidentenregistratiesysteem dat wordt gebruikt is minder belangrijk dan de organisatie en de
cultuur eromheen. Er zijn namelijk nogal wat drempels die moeten worden genomen voordat een
incident ook echt in het registratiesysteem wordt ingevoerd. Alleen als er op een school de cultuur
heerst dat incidenten moeten worden geregistreerd, is er een kans dat het ook echt gebeurt.
Vervolgens moet er een organisatie zijn die registratie mogelijk maakt: er moeten formulieren
klaarliggen en er moet iemand zijn die verantwoordelijk is voor de registratie. De volgende drempel
wordt gevormd door het systeem zelf: het systeem moet prettig zijn in het gebruik en het moet de
gewenste resultaten opleveren. Daarna moeten, na invoer van de incidenten in het systeem,
dezelfde drempels nogmaals worden overwonnen, wil het tot een concrete aanpak van de
problemen komen.
Zoals eerder vermeld wordt op de meeste locaties geregistreerd door medewerkers van de
meldkamer en teamleiders. Er zijn papieren registratie formulieren beschikbaar. Men voert dan op
een later tijdstip het incident in.
De locatiedirecteur heeft samen met de hoofdconciërge de coördinatie van de registratie. Deze
hebben inzicht in statistieken en archieven. Autorisaties worden aangemaakt door de
preventiemedewerker.
99
5.1.3
Voorwaarden voor incidentenregistratie
Voor een goed werkend incidentenregistratiesysteem moet aan de volgende randvoorwaarden
worden voldaan:






het is duidelijk wie verantwoordelijk is of zijn voor het verzamelen en invoeren van incidenten
binnen de school;
intern is goed afgesproken welke typen incidenten wel en welke niet worden geregistreerd;
als men scholen onderling wil vergelijken, is het bovendien wenselijk dat er overkoepelend
afspraken worden gemaakt over welke typen incidenten wel en welke niet dienen te worden
geregistreerd;
het feit dat er geregistreerd wordt en informatie over welke incidenten worden geregistreerd en
over hoe de meldingsprocedure er precies uitziet, wordt intern duidelijk gemaakt aan zowel
medewerkers als leerlingen (en hun ouders/verzorgers);
ook voor sommige externen, zoals andere scholen, politie of hulpdiensten, kan het belangrijk zijn
hen op de hoogte te brengen van het bestaande incidentenregistratiesysteem;
het systeem is zowel incidentgericht als persoonsgericht. Concreet is het dus mogelijk om - al dan
niet gekoppeld aan het leerlingvolgsysteem - uitdraaien per leerling of per groep leerlingen te
maken;
privacy blijft te allen tijde gewaarborgd.
100
5.2
Incidentenbespreking
Wie begrijpen de leerlingen beter dan de leerlingen zelf? Als er iets is gebeurd op school, kunnen
leerlingen er veel aan hebben om er samen over praten. Dit geldt ook voor de personeelsleden van
een school.
In klassenverband (voor leerlingen) of in teamverband (voor personeelsleden) kan worden gesproken
over persoonlijke ervaringen met incidenten op school. Deelnemers aan zo'n gesprek kunnen samen
oplossingen bedenken voor wat er is misgegaan. Dit levert vervolgens een plan van aanpak op
waarmee de school aan het werk kan. Het is niet altijd even gemakkelijk om over je persoonlijke
ervaringen te praten in een groep, maar het vertellen van eigen ervaringen met incidenten kan
herkenning opleveren en dat alleen al verbetert de sociale veiligheid op school.
Tijdens een klassenbespreking van incidenten praten leerlingen onder leiding van een medeleerling
met elkaar over incidenten in en om school. Samen denken ze na over oplossingen voor onveilige
situaties. Soms is het goed als leerlingen een voorbereidend programma volgen voordat ze
deelnemen aan zo'n klassenbespreking, bijvoorbeeld als ze nog wat te jong zijn om een gesprek te
kunnen leiden. Voor deze leerlingen kan een programma voor het ontwikkelen van
gespreksvaardigheden uitkomst bieden.
Ook voor personeelsleden van een school kan het goed zijn in groepsverband te spreken over
incidenten. Deze gesprekken verbeteren de collegialiteit en daarmee de sociale veiligheid op school.
101
5.2.1
Klassenbespreking van incidenten
Een klassenbespreking van incidenten is een bespreking van een kleine groep leerlingen die met
elkaar praten over incidenten, volgens een vaste vorm en met duidelijke regels (een
gespreksprotocol). Een van deze leerlingen heeft een training gevolgd en is de gespreksleider. Het
doel van zo'n gesprek is allereerst om op school de bespreekbaarheid van incidenten te vergroten. Zo
neemt de betrokkenheid van leerlingen bij de school in zijn geheel en de veiligheid in het bijzonder
toe. De leerlingen die een training voor gespreksleider hebben gevolgd, zijn elk in staat
gestructureerd een bespreking met een groepje klasgenoten te voeren. Tijdens de training leren ze
gespreksprotocollen beheersen, feedback geven, doorvragen, samenvatten en plannen van aanpak
maken.
Methode klassenbespreking van incidenten
De doelen van een klassenbespreking van incidenten zijn:










Praten over incidenten, zoals diefstal, pesten, vechten, dreigen en vernieling.
Gevoelens onder woorden brengen.
Begrip hebben voor en krijgen van medeleerlingen.
Het verbeteren van de veiligheid op school.
De spelregels van een klassenbespreking van incidenten zijn:
Iedereen vertelt zijn eigen verhaal.
Persoonlijke informatie blijft binnen de groep.
Kritiek op elkaar geven is verboden.
Kritiek geven op iemand die er niet bij is, is ook verboden.
Je valt elkaar niet in de rede en je luistert naar elkaar.
Het plan van aanpak
Na afloop van ieder gesprek wordt een plan van aanpak gemaakt. Het plan van aanpak wordt
besproken in de mentorles. In het plan van aanpak doen de gespreksleiders en hun gespreksgroep
voorstellen voor verbetering van de veiligheid op school.
102
5.2.2
Werkbespreking van incidenten
Voor personeelsleden van een school kan het goed zijn in groepsverband te spreken over incidenten.
Dat gebeurt tijdens een werkbespreking van incidenten. Tijdens deze besprekingen wordt er
gebruikgemaakt van een gespreksprotocol met een vaste vorm en duidelijke regels. Sommige
personeelsleden hebben een training gevolgd om zo'n gesprek te leiden. Een georganiseerde
werkbespreking over incidenten helpt de bespreekbaarheid van incidenten op school te vergroten.
Veiligheid krijgt zo een meer bewuste plek in de gedachten van het personeel. De werkbespreking
van incidenten kent een aantal doelstellingen. Centraal staat daarbij steeds het versterken van de
collegiale steun of het vergroten van de veiligheid. Daarnaast worden de gespreksdeelnemers
geoefend in diverse gesprekstechnieken.
Methode werkbespreking van incidenten
De doelen van werkbespreking van incidenten zijn:










het bespreekbaar maken van eigen ervaringen;
gevoelens en gedachten onder woorden brengen;
begrip van collega's krijgen en begrip voor collega's hebben;
afspraken maken over oplossingen via een concreet plan van aanpak.
De spelregels van werkbespreking van incidenten zijn:
Iedereen vertelt zijn eigen verhaal.
Persoonlijke informatie blijft binnen de groep.
Iedereen moet vrij kunnen spreken zonder dat er kritiek wordt gegeven.
Er mag geen afbrekende kritiek worden gegeven.
Je eigen beleving staat centraal.
Het plan van aanpak
Aan het einde van het gesprek wordt een plan van aanpak gemaakt. Een plan van aanpak moet
worden uitgewerkt omdat op die manier optimaal gebruik wordt gemaakt van de deskundigheid van
het team. Daarnaast leidt teamverantwoordelijkheid tot een grotere betrokkenheid bij het werk.
Verder wordt de motivatie van het team om het plan van aanpak uit te voeren groter als de
teamleden zelf de oorzaken en oplossingen hebben aangedragen.
103
5.2.3
Gespreksvaardigheden
Soms is het goed als leerlingen worden voorbereid op een training in klassenbespreking van
incidenten. Bijvoorbeeld als ze nog wat jong zijn om een gesprek te kunnen leiden. Voor deze
leerlingen kan een programma voor het ontwikkelen van gespreksvaardigheden uitkomst bieden.
104
5.2.4
Gesprekstechnieken
Tijdens de incidentenbesprekingen van zowel leerlingen als personeel gaat het erom de deelnemers
zo veel mogelijk in eigen woorden te laten vertellen wat zij hebben meegemaakt. De gespreksleider
kan daarvoor de volgende technieken gebruiken.
Open vragen stellen:
vragen waarop de ander niet kan volstaan met een kort ja/nee- antwoord, maar die de ander
uitnodigen uitgebreider te vertellen over de eigen ervaring (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe).
Doorvragen:
vragen die volgen op een open vraag en de bedoeling hebben beter te begrijpen wat de ander
vertelt. Dit zijn vragen die altijd aansluiten op hetgeen de ander heeft ingebracht.
Aanmoedigen:
twee maal zo veel informatie kan worden verkregen door de ander met gebaren, houding of
woorden aan te moedigen verder te vertellen. Knikken, hummen, voorover zitten en geïnteresseerd
de ander aankijken, horen hierbij.
Samenvatten:
door in eigen woorden samen te vatten wat de ander heeft ingebracht, toon je aandacht en begrip.
Met een samenvatting laat je de ander weten dat je hem gehoord hebt. Tevens geeft het de ander de
kans jou te corrigeren als je iets niet of niet volledig hebt begrepen.
Gevoel reflecteren:
maak de ander duidelijk dat je probeert te begrijpen hoe hij of zij zich heeft gevoeld in de besproken
situatie.
Concretiseren:
105
door de ander zo nauwkeurig en precies mogelijk te laten vertellen, komen bij hem of haar de feiten,
gedachten en gevoelens in een helder perspectief te staan. Dit concretiseren is een samengestelde
vaardigheid, dat wil zeggen dat alle bovengenoemde technieken er toe kunnen bijdragen dat het
concretiseren plaatsvindt.
106
5.3
Agressiehantering
Bij het werken aan een veilige school is het van belang dat er voldoende verantwoordelijkheid bij de
leerlingen wordt gelegd. Leerlingen moeten zich ervan bewust zijn dat zij een belangrijke rol
vervullen in het afremmen of stimuleren van agressie op school. Hierbij gaat het zowel om het
verkrijgen van inzicht in agressief gedrag van zichzelf, als om het verkrijgen van inzicht in de omgang
met agressief gedrag van anderen.
Daarnaast krijgen docenten en onderwijsondersteunende personeelsleden regelmatig te maken met
grensoverschrijdend en agressief gedrag van leerlingen en soms ook met dat van ouders/verzorgers
of andere bezoekers van de school. Dit soort gedrag is niet makkelijk te hanteren en om te buigen,
ook niet voor personeel met een lange staat van dienst. Gevoelens van onmacht, boosheid of angst
kunnen een adequate aanpak van agressief gedrag verstoren.
Zowel leerlingen als personeelsleden van de school kunnen worden getraind in het hanteren van
agressief gedrag.
107
5.3.1
Agressiehantering voor leerlingen
Om verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de veiligheid op school, hebben leerlingen inzicht
nodig in de fysieke, mentale en sociale processen die een rol spelen bij agressie en geweld.
Bovendien kunnen leerlingen dan leren hoe zij deze processen zelf kunnen sturen. Ze leren hun eigen
grenzen stellen en die van anderen respecteren.
Het is van belang dat leerlingen deze vaardigheden aanleren in een beschermde omgeving en in
direct contact met de personen met wie ze dagelijks op school te maken hebben: medeleerlingen,
docenten en ander personeel van de school. Op die wijze kan wederzijds vertrouwen en respect
ontstaan en de wens om problemen anders op te lossen dan met verbaal of fysiek geweld.
Ook is het belangrijk dat leerlingen bewust worden gemaakt van de invloed die ze hebben op het
vergroten of verkleinen van de kans op escalaties van agressie in de klas. Het gaat daarbij om het
vergroten van inzicht in het effect van hun gedrag op de docent en op medeleerlingen en het kiezen
van het meest succesvolle
108
5.3.2
Agressiehantering voor personeel
Behalve dat personeel getraind kan worden in het helpen van leerlingen met het omgaan met
agressie, kan personeel ook specifiek worden getraind in de eigen vaardigheden in het hanteren van
agressief gedrag.
Het is van belang te weten wat je zelf kunt doen om te voorkomen dat een situatie uit de hand loopt.




Hoe kun je zorgen dat leerlingen ophouden met ongewenst gedrag?
Hoe kun je de interactie dusdanig beïnvloeden dat verdere escalatie wordt voorkomen?
Is het goed om boos te worden of juist niet?
Wat kun je doen als je bedreigd wordt?
Bij het hanteren van grensoverschrijdend gedrag gaat het om de kunst van het grenzen stellen,
zonder agressie op te wekken. In de praktijk zie je vaak een opeenstapeling van macht: de leerling
vertoont zijn of haar grensoverschrijdend gedrag en de docent reageert daarop met gedrag dat hem
of haar weer zelf in de dominante positie brengt. Op deze manier kan een situatie escaleren.
Het doel van de scholing in het hanteren van agressie is dit soort situaties te voorkomen.
109
5.3.3
Agressiehantering voor conciërges, balie- en kantinemedewerkers
Conciërges, balie- en kantinemedewerkers kunnen een belangrijke rol vervullen in het verminderen
van agressie op school. Hiervoor is het nodig dat ze inzicht krijgen in de omgang met agressief gedrag
van anderen en eventueel agressief gedrag van zichzelf. Dit is te bereiken door conciërges, balie- en
kantinemedewerkers te trainen in het hanteren van agressief gedrag.
De school stelt conciërges, balie- en kantinemedewerkers in staat trainingen te volgen in
agressiehantering.
110
5.4
Conflicthantering
Conflicten horen bij het samen leven en samen werken. Het is van belang hier expliciet aandacht aan
te besteden binnen het onderwijs, omdat leerlingen moeten worden voorbereid op de maatschappij
en dus bekend moeten worden gemaakt met methoden van conflicthantering. In de klas en in de
school kan worden geoefend met het beter leren omgaan met conflicten. Dat is een sociale
vaardigheid die voor leerlingen ook in hun verdere leven van belang is. Ook voor docenten en
onderwijsondersteunend personeel is het belangrijk dat zij de talrijke conflictueuze situaties die
dagelijks in de klas en in de school ontstaan, kunnen hanteren. Niet-constructief omgaan met
conflicten kost veel energie en leidt af van de kern van het leren en vormt daarmee een bedreiging
voor een veilige leer- en werkomgeving.
111
5.4.1
Conflicthantering voor leerlingen en personeelsleden
Aan conflicthantering als sociale vaardigheid kan vakoverstijgend worden gewerkt. Het is een
activiteit waaraan het hele docententeam kan deelnemen. Conflicthantering speelt in elke les een rol
en kan in elke les aan de orde komen. Het kan zich richten op zowel de conflictstijlen van docenten,
als op de rol die leerlingen kunnen spelen als bemiddelaars in conflicten.
Leerlingen zijn niet alleen onderdeel van veel conflicten, maar ook onderdeel van de meeste
oplossingen. Docenten en onderwijsondersteunend personeel worden getraind in groepsverband.
Constructief omgaan met conflicten is iets wat kan worden aangeleerd en kan worden geoefend.
Leerlingen kunnen worden getraind door zowel hun eigen docenten die eerst een train-detrainerprogramma hebben gevolgd, als door een trainer van buiten de school. Zij leren om te gaan
met conflictueuze situaties aan de hand van activiteiten en oefeningen waarin wordt uitgegaan van
reeds aanwezige kennis en praktijkervaringen van de leerling.
Aan het hanteren van conflicten wordt gewerkt door leerlingen te leren reflecteren op het eigen
gedrag, door leerlingen te stimuleren samen te werken in het zoeken naar oplossingen voor
conflicten, door bewust aandacht te schenken aan het omgaan met verschillen, en door leerlingen
zelfstandig hun conflicten te laten oplossen en hen verantwoordelijkheid te geven voor het omgaan
met conflicten.
112
5.4.2
Mediation
Mediation is een vorm van conflictbemiddeling waarin conflicterende partijen onder begeleiding hun
conflict bespreken en trachten tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.
Mediation op school betreft de zogenoemde peer mediation. Dit houdt in dat de bemiddeling en
begeleiding in conflicten tussen leerlingen wordt gedaan door andere leerlingen.
Mediation vindt plaats op vrijwillige en vertrouwelijke basis. Leerlingen van de hogere klassen leren,
volgens een speciale methode, bemiddelen in conflicten tussen brugklasleerlingen. De leerlingen
worden opgeleid om als gespreksleider te kunnen optreden. De methode is ontwikkeld vanuit de
gedachte dat oudere leerlingen dichter bij jongere leerlingen staan dan docenten en beter inzicht
hebben in hun leefomgeving en hun problemen. Daardoor zijn zij beter in staat te bemiddelen in
conflicten.
113
5.5
Begeleidingsvaardigheden
Veiligheid binnen de school hangt in hoge mate af van de vaardigheden van het personeel om met
leerlingen te communiceren. Docenten, onderwijsondersteunend personeel en schoolleiding
communiceren elke dag met leerlingen, zowel in de les als buiten de les. Het is van belang begeleiden
daarbij te onderscheiden van lesgeven, advies geven en orde houden. Op school gaat het echter niet
alleen om docenten en andere personeelsleden die leerlingen begeleiden, minstens zo belangrijk is
het dat personeelsleden elkaar begeleiden en dat de leiding van de school het personeel begeleidt.
Deze vormen van begeleiding kunnen plaatsvinden in de vorm van collegiale consultatie en coaching.
114
5.5.1
Leerlingbegeleidingsvaardigheden
Lesgeven en begeleiden gaan hand in hand. Begeleiding kan effectief plaatsvinden wanneer het
wordt onderscheiden van het geven van adviezen. Het doel van het trainen van
begeleidingsvaardigheden is dat deelnemers zich verdiepen in de basisprincipes van het
begeleidingsgesprek en de houding van de begeleider. Verder is het van belang dat deelnemers de
eigen ervaringen duidelijk onderscheiden van die van anderen en dat zij in staat zijn problemen van
leerlingen te signaleren.
115
5.5.2
Pedagogische conciërges
Een pedagogische conciërge is een conciërge die, naast zijn of haar toezicht- en
surveillancewerkzaamheden, er werk van maakt veel uit te wisselen met leerlingen en
personeelsleden van de school. Op die manier kan hij of zij een verbindende persoon zijn tussen het
instituut van de school en de bevolking van de school. Doordat de conciërge hét aanspreekpunt is
voor leerlingen, wordt hij of zij vaak als eerste geconfronteerd met de problemen die spelen. Er
worden dan ook hoge eisen gesteld aan zijn of haar communicatieve vaardigheden. Verder beschikt
een pedagogische conciërge over speciale veiligheidsbevorderende vaardigheden: hij of zij is in staat
situaties te herkennen, op hun waarde te schatten en adequaat te reageren. Van de pedagogische
conciërge wordt een hoge mate van zelfstandigheid verwacht. Via een speciaal opleidingstraject kan
de pedagogische conciërge het inzicht en de vaardigheden verwerven die hem of haar in staat stellen
te voldoen aan de hoge eisen van de functie.
116
5.5.3
Coaching van personeel
Coaching is een frequent toegepaste en praktisch gerichte methode waarmee docenten worden
geholpen zelf hun mogelijkheden te ontdekken om werkprestaties te verbeteren.
Omdat leren in de praktijk heel effectief kan zijn, wordt coaching vaak gekoppeld aan training. De bij
een training ontwikkelde en geoefende vaardigheden beklijven dan beter. Een coach kan een trainer
zijn van de instelling waar een training is gevolgd, een onderwijskundige van buiten de school, maar
ook een oudere en ervaren docent die nieuwe docenten in het beroep begeleidt.
Coaching vindt meestal plaats in de vorm van gesprekken, eventueel gecombineerd met lesbezoek.
Een coach zorgt voor instructie, richtlijnen, adviezen en aanmoediging. Daarbij is de coach geen
beoordelaar, maar iemand die een spiegel voorhoudt. Een coach helpt de docent die hij of zij
begeleidt bij de ontplooiing van de capaciteiten en vaardigheden van die docent.
Gedragsvaardigheden waar een coach minimaal over moet beschikken, geven de methode van een
coach aan: de coach kan een sfeer van ondersteuning scheppen, kan actief luisteren, heeft begrip en
toont dat zonder te beoordelen, kan een probleem samen met de docent analyseren en leert een
docent zijn of haar eigen problemen zelf op te lossen.
Een coach moet daarnaast in staat zijn onopvallend lessen te observeren. Voor docenten is onderling
lesbezoek ook uitermate leerzaam.
117
5.5.4
Collegiale consultatie
De meeste personeelsleden van een school komen met enige regelmaat in aanraking met incidenten.
Ieder heeft een eigen wijze gevonden om met incidenten om te gaan. Soms weten collega's niet van
elkaar dat ze met vergelijkbare incidenten te maken hebben en zijn ze niet op de hoogte van de wijze
waarop een collega omgaat met incidenten.
Dit is een gemiste kans omdat er veel van elkaar kan worden geleerd. Regelmatig intercollegiaal
overleg geeft inzicht in elkaars werkwijze en biedt een context om gezamenlijk te werken aan een
veilig schoolklimaat waarin iedereen zich gehoord en gezien voelt.
Deze vorm van collegiale consultatie vereist gespreksvaardigheden van de deelnemers en
gestructureerde bijeenkomsten. Een voordeel van collegiale consultatie is dat het gaat om het
uitwisselen van adviezen tussen gelijke partijen.
118
5.6
Omgaan met intimiteit, seksualiteit en seksuele intimidatie
Iedere jongere staat voor de taak zich een identiteit te verwerven op seksueel gebied en ervaringen
op te doen op het gebied van intimiteit en seksualiteit.
De school wordt op allerlei manieren geconfronteerd met deze ontwikkelingsfase van leerlingen.
Over seksualiteit en intimiteit bestaan veel misverstanden, zowel bij leerlingen als bij
personeelsleden. Je veilig voelen binnen de school betekent ook je veilig voelen op het gebied van
seksualiteit en intimiteit.
Binnen de school is het respecteren van elkaars grenzen minstens net zo belangrijk als buiten de
school.
Voor het omgaan met seksuele intimidatie en misbruik zie stappenplannen.
119
5.7
Pesten
Pesten is een specifieke vorm van agressie. Er is sprake van pesten wanneer een of meerdere
leerlingen herhaaldelijk en langdurig negatief gedrag richten tegen een andere leerling. Het betreft
hier het systematisch uitoefenen van psychische en/of fysieke mishandeling door één of meerdere
personen op een persoon die niet in staat is zichzelf te verdedigen.
Slachtoffers van pesten zijn meestal niet in staat zich te verdedigen doordat er sprake is van een
machtsverschil tussen de dader(s) en het slachtoffer.
We hanteren de volgende definitie van pesten: pesten is een situatie waarin iemand herhaaldelijk en
langdurig het slachtoffer is van geestelijk en of lichamelijk geweld, uitgeoefend door een of meerdere
personen.
Dit is een begripsomschrijving van pesten waarin het slachtoffer centraal staat.
Een vereiste om pesten op school serieus aan te pakken is dat alle betrokkenen pesten als een
bedreiging zien en bereid zijn het te voorkomen en te bestrijden. Leerlingen zijn bekend met de
omgangscode voor leerlingen (Leerlingen statuut), medewerkers zijn bekend met de gedragscode
voor medewerkers (personeelsbeleidsplan).
Bij de aanpak van pesten op school is het belangrijk om uit te gaan van vijf groepen waaraan hulp kan
worden verleend:
(1) de gepeste leerling;
(2) de pester(s);
(3) de zwijgende middengroep;
(4) de docent;
(5) de ouders/verzorgers.
120
5.7.1
Plagen en pesten
Er is een verschil tussen plagen en pesten. Onder plagen verstaan we gedrag tussen leerlingen die
aan elkaar gewaagd zijn: de ene keer doet de een iets onaardigs, een volgende keer is het de ander.
Plagen is een spelletje, niet altijd leuk, maar nooit echt bedreigend. Plagen kan wel overgaan in
pesten.
Pesten is wél bedreigend. Pesten vindt niet zomaar een keer plaats, maar meerdere keren per week
of zelfs meerdere keren per dag, gedurende een langere periode. De pestkop misbruikt zijn macht en
het slachtoffer wordt uitgelachen, uitgescholden, vernederd, gekleineerd, geslagen of er worden
dingen van hem of haar afgepakt.
Naast deze openlijke vormen van pesten, komen ook vormen van pesten voor die niet zichtbaar zijn,
zoals het buitensluiten van iemand.
Bij pesten zijn drie rollen te onderscheiden:
(1) leerlingen die andere leerlingen pesten,
(2) leerlingen die gepest worden ;
(3) leerlingen die niet direct bij het pesten betrokken zijn.
Vaak is er een groepje leerlingen dat meedoet met de pestkop. Dit zijn de zogenoemde meelopers.
Daarnaast spelen leerlingen die niet direct betrokken zijn bij het pesten een rol. Doordat deze
zwijgende middengroep de gepeste leerling niet steunt en de pester niet probeert te stoppen, kan
een pester vrijelijk zijn of haar gang gaan. Vaak versterkt de zwijgende middengroep het succes van
de pestkop door op een afstandje toe te kijken en te lachen om wat er gebeurt.
121
5.7.2
Pesten voorkomen
Richtlijnen om pesten te voorkomen
Hieronder volgen, in willekeurige volgorde, enkele richtlijnen voor de school om pesten te
voorkomen:
Het fenomeen pesten wordt met enige regelmaat onder de aandacht gebracht van leerlingen en
schoolpersoneel. Dit gebeurt door mondelinge en schriftelijke informatie te verspreiden of door
losse thematische activiteiten of projecten te organiseren die met sociale veiligheid te maken
hebben.
Er wordt gestreefd naar een goed pedagogisch schoolklimaat door leerlingen veiligheid en
geborgenheid te bieden. Gelijkwaardigheid, acceptatie en respect voor elkaar zijn hierbij belangrijke
onderwerpen.
Ouders/verzorgers worden geïnformeerd over thematische activiteiten of projecten rondom sociale
veiligheid.
Er wordt aandacht besteed aan het verschil tussen pesten en plagen.
Het wordt leerlingen duidelijk gemaakt dat signalen van pesten (niet plagen) doorgegeven moeten
worden aan een docent. Daarbij wordt uitgelegd dat dit doorgeven geen klikken is. Op deze manier
voorkomt het schoolpersoneel dat leerlingen gezamenlijk zwijgen of erbij staan te kijken zonder in te
grijpen, of zelfs het vuurtje opstoken.
Als een docent of ander personeelslid signaleert dat er gepest wordt, dan spreekt hij of zij de
betrokkenen hier op aan. Afhankelijk van de ernst van het pesten, licht hij of zij ook de
klassenmentor van de leerling in, opdat deze het probleem eventueel op een later tijdstip aan kan
pakken.
Van elk personeelslid wordt verwacht dat hij of zij met collega's en leerlingen werkt aan een
positieve team- en groepsvorming.
122
Personeelsleden van de school hebben de inspanningsverplichting pesten te signaleren en tegen het
gesignaleerde pesten actie te ondernemen.
Docenten en ander personeel van de school nemen te allen tijde duidelijk stelling tegen pesten. Het
personeel keurt dit gedrag zichtbaar af.
Wanneer een personeelslid pesten signaleert, probeert hij of zij zicht te krijgen op de oorzaak en de
omvang van het pestgedrag en de gevolgen voor het slachtoffer. Daarnaast probeert hij of zij het
invoelend vermogen van de pester en de zwijgende middengroep te vergroten. Hiermee wordt
uiteraard niet bedoeld dat er medelijden moet worden opgewekt, maar wel dat er wordt ingezien
hoe vervelend pesten eigenlijk is.
123
5.7.3
Pesten bestrijden
Richtlijnen om pesten te bestrijden
Wanneer pesten, ondanks de inspanningen dit tegen te gaan, toch ontstaat, doorgaat of opnieuw de
kop opsteekt, gaat de betrokken docent over tot een directe en curatieve aanpak. Een docent staat
daarin niet alleen: hij of zij kan een beroep doen op hulp en advies van de interne begeleider,
zorgcoördinator en/of schoolleiding. Ook kan het probleem tijdens een teamvergadering worden
besproken. Het team is als geheel verantwoordelijk voor het welzijn van alle leerlingen.
De directe en curatieve aanpak van pesten onder leerlingen bestaat uit twee methoden:
(1) de niet-confronterende methode
(2) de confronterende methode.
De niet-confronterende methode
Deze methode wordt toegepast als een docent of ander personeelslid het vermoeden heeft dat er
sprake is van onderhuids pesten, dus pestgedrag dat hij of zij niet zelf heeft waargenomen.
Bij het toepassen van de niet-confronterende methode worden de volgende stappen genomen:
Het personeelslid schakelt collega's in om de eigen vermoedens te delen en mogelijk te versterken of
af te zwakken.
Ondertussen stelt de docent/mentor in de klas van de betreffende leerlingen onderwerpen als
pesten, buitensluiting, machtsmisbruik of een andere kwestie betreffende sociale veiligheid op
een algemene manier aan de orde om zo een eerste signaal af te geven aan de klas.
In het kader van het bespreken van pesten als algemeen onderwerp, schakelt de docent de pester(s)
en/of enkele niet-pesters in om op te letten of er in hun klas wordt gepest. Na enkele dagen laat
de docent ze dan verslag uitbrengen over hun observaties.
De docent kan wachten op een moment dat hij of zij, of een collega, het pestgedrag daadwerkelijk
zelf waarneemt om vervolgens duidelijk stelling te nemen. Dit kan dan aan de hand van de
confronterende methode gebeuren.
124
De confronterende methode
Deze methode wordt toegepast als een docent of ander personeelslid duidelijk pestgedrag signaleert
doordat een leerling voor zijn of haar ogen geestelijk of lichamelijk wordt mishandeld.
Bij het toepassen van de confronterende methode worden de volgende stappen genomen:
 Het personeelslid neemt eerst duidelijk stelling.
 De docent of mentor van de klas waarin het pesten zich voordoet, voert daarna met de klas een
gesprek over pesten in het algemeen. In dit gesprek worden leerlingen gestimuleerd duidelijk
stelling te nemen tegenover pesten.
 Door leerlingen te stimuleren een gepeste leerling te steunen of te proberen leerlingen die pesten
hiermee te laten stoppen, probeert de docent te voorkomen dat er een zwijgende rniddengroep
ontstaat of blijft bestaan.
 De docent of mentor maakt vervolgens met de leerlingen nadere afspraken door gezamenlijk antipestregels op te stellen.
 De docent of mentor kan het gesignaleerde probleem ook behandelen door bijvoorbeeld een
boek te bespreken of een videoband te tonen waarin het thema aan de orde komt. Naar
aanleiding daarvan kan de docent een gesprek met de klas op gang brengen over de gevoelens
van een gepeste leerling en de motieven van een pestkop.
125
5.7.4
Hulp aan de gepeste leerling en zijn of haar ouders/verzorgers
Richtlijnen voor hulp aan gepeste leerlingen
Leerlingen die voortdurend worden gepest kunnen hierop reageren door passief gedrag te gaan
vertonen, het ontwikkelen van juist uitdagend gedrag is echter ook mogelijk. De vormen van gedrag
die kunnen optreden als reactie op het gepest worden, worden 'aangeleerd gedrag' genoemd. Er kan
vanuit gegaan worden dat aangeleerd gedrag ook weer afgeleerd kan worden omdat bepaald
afwijkend gedrag vaak verdwijnt als het pesten is gestopt. Toch kunnen vormen van afwijkend gedrag
ook langdurig aanwezig blijven. Vormen van afwijkend gedrag kunnen zelfs een aanleiding vormen
tot pesten.
De docent of mentor maakt bij het helpen van de gepeste leerling gebruik van hulp en advies van de
interne begeleider, de zorgcoördinator, collega's of schoolleiders. Het is belangrijk om te proberen de
gepeste leerling verloren begrip voor een ieders eigenheid en zelfrespect opnieuw bij te brengen: ik
ben ik en jij bent jij en dat mag niet alleen, maar dat hoort zo.
De docent probeert de leerling te helpen zich minder kwetsbaar te voelen en zich minder kwetsbaar
op te stellen. Wanneer een leerling zich bijvoorbeeld steeds gekwetst voelt bij een relatief onschuldig
grapje, kan de docent proberen de leerling aan diens incasseringsvermogen te helpen werken.
Als het bovenstaande niet helpt, wordt er een gesprek met de ouders/verzorgers van de gepeste
leerling aangegaan. De docent of mentor geeft hierin de ouders/verzorgers van de leerling de
gelegenheid om hun visie op het probleem te geven en deelt zijn of haar eigen inzichten over de
oorzaken van het pesten met de ouders/verzorgers, dit uiteraard afhankelijk van en rekening
houdend met de vermoede reden van het gepest worden. Gezamenlijk kan dan naar een oplossing
worden gezocht.
Bij ernstige gevolgen van pesten probeert de docent of mentor, samen met de ouders/verzorgers, de
gepeste leerling zijn of haar gevoel voor eigenwaarde terug te laten vinden. Zonodig wordt hierbij,
met toestemming van de ouders/verzorgers, hulp van professionele instellingen ingeschakeld.
126
5.7.5
Hulp aan de pester en zijn of haar ouders/verzorgers
Richtlijnen voor hulp aan pestende leerlingen
De docent of mentor maakt bij het helpen van de pester gebruik van hulp en advies van de interne
begeleider, de zorgcoördinator, collega's of schoolleiders. De docent voert probleemoplossende
gesprekken met de pester waarin hij of zij probeert achter de oorzaak van het pestgedrag te komen.




Mogelijke oorzaken van het gedrag van de pester zijn:
de pester wordt of werd zelf gepest;
de pester heeft gebrek aan aandacht van de ouders/verzorgers;
de pester wordt niet gecorrigeerd bij agressief gedrag en wordt zelf regelmatig lichamelijk gestraft
door ouders/verzorgers of andere volwassenen;
 de pester imiteert gedrag dat hij of zij elders heeft gezien;
 de pester reageert allergisch op bepaalde geur-, kleur- en smaakstoffen;
 de pester kan slecht tegen verliezen bij sport of spel.
Uiteraard zijn er nog allerlei andere oorzaken mogelijk van het gedrag van de pester.
Als de oorzaak enigszins duidelijk is, probeert de docent of mentor de gevoeligheid van de pester te
vergroten voor wat hij of zij de gepeste leerling aandoet. Hierbij houdt de docent rekening met de
mogelijke oorzaken van het pestgedrag. De docent probeert hiermee de pester te helpen zich bewust
te worden van de effecten van zijn of haar gedrag. Iedere docent zal, eventueel na overleg met de
interne begeleider, zorgcoördinator, schoolleiding of het gehele team, zijn of haar eigen weg hierin
kiezen, afhankelijk van de ernst en omvang van het probleem. Eventueel neemt iemand anders de
taak over.
Het is belangrijk dat de docent of mentor afspraken met de pester maakt over gedragsverandering.
Daarbij kan ook met de pester worden afgesproken welke maatregelen er worden genomen als het
pesten zich herhaalt. Deze afspraken met de pester kunnen vorm krijgen in een contract. In een
dergelijk contract met de leerling wordt ook vastgelegd wanneer het gedrag wordt geëvalueerd en
wanneer er, indien het gedrag niet voldoet.
Als het bovenstaande niet helpt, wordt er een gesprek aangegaan met de ouders/verzorgers van de
pestende leerling. De docent, de mentor of het andere betrokken personeelslid vraagt ze in dit
gesprek om medewerking bij de aanpak van dit probleem. Daarbij kan een deskundige adviseren
over hoe zij hun kind zouden kunnen helpen, dit alles uiteraard afhankelijk van en rekening houdend
met de mogelijke oorzaak van het gedrag van hun kind. Een gesprek met de ouders/verzorgers kan
het beste al in dit stadium worden gehouden omdat de meeste leerlingen hun gedrag slechts
(kunnen) aanpassen als het pesten in een vroeg stadium wordt aangepakt. Soms kan het nodig zijn
127
de pester te beschermen tegen mogelijk al te rigoureus (lichamelijk) straffen door de
ouders/verzorgers.
Als het pestgedrag van de betrokken leerling blijft voortduren, wordt hulp van buitenaf ingeschakeld,
bijvoorbeeld van een onderwijsbegeleidingsdienst en/of RIAGG. De ouders/verzorgers dienen
hiervoor toestemming te geven. Indien de ouders/verzorgers weigeren om toestemming te geven
voor hulp van buitenaf en de pester volhardt in zijn of haar gedrag op zo'n manier dat er een
onveilige situatie voor de gepeste leerling(en) en/of andere betrokkenen op school bestaat, dan kan
de schoolleiding overgaan tot schorsing van de pester, eventueel gevolgd door verwijdering van
school (zie hiervoor het hoofdstuk Sancties).
128
5.7.6
Praten over moeilijke onderwerpen
Het zal vaak niet makkelijk zijn om te bereiken dat leerlingen praten over moeilijke en gevoelige
onderwerpen als pesten, lichamelijk en geestelijk geweld en machtsmisbruik. Dit kan opgaan voor
zowel leerlingen die gepest worden als voor leerlingen die pesten. Het belangrijkste is dat leerlingen
vertrouwen hebben in degene met wie ze praten.
Vertrouwen kan worden verdiend door de manier waarop je als volwassene met leerlingen omgaat:
een manier van omgaan die niet gebaseerd is op macht, maar die getuigt van respect, persoonlijke
waardering en erkenning van de grenzen van de specifieke leerling.
Het is belangrijk dat een volwassene de leerling laat weten dat hij of zij gelooft wat de leerling zegt
en dat het niet de schuld van de leerling is dat deze wordt gepest. Van belang is ook om expliciet te
erkennen dat hetgeen er is gebeurd erg vervelend is en dat het goed is van de leerling dat hij of zij
het nu aan iemand vertelt.
Maak verder duidelijk dat er acties worden ondernomen om de leerling te helpen, welke acties dat
zullen zijn en vraag of de leerling hiermee instemt.
Een mogelijke actie van de school tegen pesten is het sluiten van een anti-pestcontract met de
leerlingen. Een voorbeeld hiervan is opgenomen in de paragraaf 'Anti-pestcontract'.
129
5.7.7
Digitaal pesten
Digitaal pesten is één van de verschillende vormen van pesten.
De meest voorkomende vormen zijn:
- schelden (via MSN, sms of internetsites zoals bijvoorbeeld Hyves)
- virussen
- Emailbommen
- Ongevraagd verspreiden van foto’s en filmpjes
- Hacken en kraken
- Privacyschending
Op het Internet kunnen mensen een andere identiteit aannemen en volledig anoniem blijven.
Hierdoor worden de grenzen van pestgedrag worden verlegd. Digitaal pesten kan op school
voorkomen, maar ook, vooral thuis gebeuren. In dat laatste geval zullen alleen de gevolgen van
pesten op school zichtbaar zijn.
Voor internet gebruik door medewerkers, leerlingen en andere bezoekers binnen de vestigingen van
de school is een protocol opgesteld (zie leerlingenstatuut/ Personeelsbeleidsplan).
130
5.7.8
Protocol (anoniem-) bedreigde leraren
Vooraf
De sfeer binnen school moet zo zijn, dat een (anoniem-) bedreigde leraar hiermee openlijk naar
buiten durft te komen.
Formeer vooraf een groep docenten die als praatgroep kan fungeren. Deze groep bestaat
dus al voordat sprake is van een incident.
Op de eerste dag na een melding van een (anonieme-) bedreiging
 Een eerste gesprek tussen de (anoniem-) bedreigde leraar en een lid van de
schoolleiding met daarin als belangrijkste vragen:
 Wat is de aard van de bedreiging?
 Hoe lang lopen deze bedreigingen?
 Wat merkt het thuisfront van de leraar van deze bedreigingen?
 Wat is de psychische draagkracht bij deze leraar?
 Bepalen van de strategie bij deze anonieme bedreiging binnen de schoolleiding, en
benoemen van een contactpersoon.
 Vraag je als schoolleiding af, of je zelf ook een externe deskundige kunt/wilt
consulteren. Dit met name vanuit de dubbele loyaliteit van de schoolleiding
(medewerker/leerling).
 Briefing aan alle medewerkers over de aard van de bedreiging en de te volgen
strategie.
In de vervolgdagen
Inzetten van een externe deskundige om, indien gewenst door de betrokkene, de
(anoniem-) bedreigde leraar te begeleiden.
Besteedt expliciete aandacht aan de woede en angst die dit incident ook bij grote
131
groepen van het team teweeg brengt. Dit geldt met name voor leraren, die eerder zelf
slachtoffer zijn geweest van dergelijke (anonieme) bedreigingen.
Tracht de dader(s) van de (anonieme) bedreiging op te sporen. Handschrift, plaats van
verzending, telefonische nummerweergave, bandopnames van telefonische bedreigingen,
brononderzoek via internet, gesprekken met leerlingen zijn alle (zonder uitputtend te
zijn) mogelijkheden van onderzoek.
Laat de (anoniem) bedreigde leraar alle schriftelijke bedreigingen (voor zover mogelijk
zonder te openen) doorgeven aan de contactpersoon binnen de schoolleiding.
Als de dader bekend is
Niet het slachtoffer noch medewerkers van het team bepalen de 'straf' oor de dader(s),
dat doet de schoolleiding zelf.
Geef, naast de straf, aan mentor/vertrouwenspersoon/leerlingbegeleider een taak in de
begeleiding van de dader(s). Dit onder het motto: 'leerlingen die pesten zitten zelf in de
nesten'.
Vergeet niet de ouder(s) van de dader(s) onmiddellijk te informeren. lnformeer
telefonisch en nodig de ouder(s) nog dezelfde dag uit voor een gesprek in school.
132
Informeer alle ouders middels een korte notitie en informeer alle leerlingen door als
schoolleiding zelf de klassen te bezoeken. Dan moet wel alles duidelijk zijn, dus ook de te
hanteren strafmaat.
Organiseer een briefing met medewerkers, waarbij leraren zich kunnen uiten en
besproken kan worden hoe dergelijke incidenten in de toekomst zoveel mogelijk kan
worden voorkomen (scholing en veiligheid).
133
5.7.9
Stappenplan pesten
Indien er signalen zijn van pesten dan dienen de stappen in paragraaf 3.4.3. toegepast worden.
Stap 1: Neem signalementen serieus
Stap 2: Ga in gesprek met de gepeste leerling/ medewerker
Stap 3: Probeer daders op te sporen en ga met hen in gesprek
Stap 4: Ga (indien mogelijk) een driegesprek aan
Stap 5: Stel ouders van beide partijen op de hoogte
Stap 6: Registreer het incident in IRIS
Stap 7: Hou in de komende tijd beide partijen in de gaten om er zeker van te zijn dat het pesten ook
daadwerkelijk is gestopt.
Stap 8: Pas treffende maatregelen toe als het pesten blijft aanhouden.
134
5.7.10 Maatregelen tegen pesten
(Digitaal) Pesten is niet strafbaar. Het is ook een item wat moeilijk te benoemen is. Maar met het
pesten kunnen wel strafbare feiten gepaard gaan.
Enkele voorbeelden hiervan zijn:
- Belediging
- Belaging of stalking
- Afpersing
Tegen het begaan van deze strafbare feiten kan aangifte of melding worden gedaan bij de politie.
De school heeft duidelijke regels opgesteld en kan dus ook maatregelen treffen indien de
schoolregels worden overtreden (zie hoofdstuk6).
135
5.7.11 Voorbeeld van een anti-pestcontract
Hieronder treft u een voorbeeld van een anti-pestcontract. Dit kan worden uitgedraaid en uitgedeeld
aan leerlingen. Leerlingen kunnen het contract, eventueel na een klassikale bespreking ervan,
ondertekenen en aan hun mentor in bewaring geven. Het doel van een dergelijk contract is jongeren
te doordringen van de ernst van pesten en van het belang van het bestrijden van pestgedrag.
Het anti-pestcontract kan gebruikt worden als een leerling (herhaaldelijk) betrokken is bij pesten.
HET ANTI-PESTCONTRACT
Om pesten te voorkomen, worden duidelijke afspraken gemaakt. Wanneer je ruzie hebt, probeer je
natuurlijk eerst om er zelf uit te komen. Mocht dat niet lukken, dan leg je het probleem aan iemand
anders voor. Die persoon praat dan eventueel met beide partijen en probeert jullie te helpen.
Om een pestvrije school te krijgen, is het belangrijk samen afspraken te maken en samen toe te zien
op de naleving van die afspraken. Dit doen we met een anti-pestcontract.
Als je het eens bent met onderstaande uitspraken, als je durft te beloven om je overeenkomstig die
uitspraken te gedragen en als je bereid bent anderen te helpen zich ook aan deze uitspraken te
houden, dan mag je je handtekening onder dit contract zetten.
Lever het ondertekende contract in bij je mentor. Hij of zij zal het bewaren en je erop aanspreken als
dat nodig is.
• Ik zal een ander respecteren.
• Ik zal een ander niet discrimineren.
• Ik zal een ander niet uitschelden.
• Ik zal een ander niet buitensluiten.
• Ik zal een ander niet bedreigen.
• Ik zal van andermans spullen afblijven.
• Ik zal niet over een ander roddelen.
• Ik zal mensen die zich niet aan bovenstaande regels houden, daarop aanspreken.
Hieronder is ruimte om zelf in te vullen wat je in bovenstaand lijstje mist.
136
• Ik zal …
• Ik zal …
• Ik zal …
Door mijn handtekening onder dit contract te zetten, beloof ik dat ik mijn uiterste best zal doen
bovenstaande uitspraken na te leven.
Naam:
Klas:
Datum:
Handtekening:
137
5.8
Mentoring
Mentoring is een vorm van individuele begeleiding. De meeste scholen bieden zowel een systeem
van docent-mentoren als van leerling-mentoren. Docent-mentoren hebben meestal per persoon een
klas onder hun hoede. Zij vormen het eerste aanspreekpunt bij vragen en problemen van leerlingen
uit die klas, ouders/verzorgers van die leerlingen en anderen die problemen hebben met die
leerlingen.
Leerling-mentoren zijn een aanvulling op het systeem van klassenmentoring door docenten. Zij
kunnen worden ingezet in situaties waarin bemiddeling of begeleiding door leeftijdgenoten gewenst
is.
138
5.8.1
Leerling-mentoren
Leerling-mentoren zijn leerlingen die andere leerlingen begeleiden. Leerlingen hebben vaak meer
zicht op het aantal incidenten en de aard van de incidenten die op school plaatsvinden dan docenten,
onderwijsondersteunend personeel en de schoolleiding.
Het ligt daarom voor de hand om leerlingen intensief te betrekken bij maatregelen ter bevordering
van een veilig schoolklimaat.
Leerlingmentoring is een methode waarbij leerlingen medeverantwoordelijk worden gemaakt voor
de opvang en begeleiding van (jongere) medeleerlingen. Deze methode gaat ervan uit dat leerlingen
goed in staat zijn om elkaar te helpen bij problemen als het wennen aan een nieuwe school, ruzie en
pesten. De actieve en verantwoordelijke rol die van leerlingen wordt verwacht bij leerlingmentoring
sluit uitstekend aan bij de huidige ontwikkelingen in het onderwijs, waarbij leerlingen in toenemende
mate zelf sturing moeten geven aan het leerproces.
Leerlingmentoring richt zich op het verbeteren van het leef- en leerklimaat op school door het
inschakelen van daartoe geselecteerde en opgeleide leerlingen. Het accent ligt daarbij op sociaalemotionele ondersteuning van brugklasleerlingen bij problemen, incidenten en conflicten.
Leerlingmentoring vervangt het bestaande systeem van docent-mentoren niet, maar vormt daarop
een aanvulling.
139
5.8.2
Docent-mentoren
Docent-mentoren zijn docenten die leerlingen begeleiden. Elke klas heeft een eigen mentor. Deze is
het eerste aanspreekpunt in de school voor zowel leerlingen als voor de ouders/verzorgers van
leerlingen als voor docenten en schoolleiding.
De mentor is degene die het meeste inzicht heeft in de specifieke omstandigheden van zijn of haar
mentorklas en degene die het beste overzicht heeft over de schoolprestaties van zijn of haar
mentorleerlingen. Een mentor speelt daarnaast een belangrijke rol in het welbevinden van een
leerling in de klas. Hij of zij begeleidt leerlingen in de richting van zelfstandigheid en leert ze keuzes te
maken en een plek te vinden tussen de andere leerlingen.
De mentor doet meer voor een klas dan andere docenten. Mentoren kunnen veel verschillende extra
taken vervullen. Het is de school die beslist welke extra taken dit precies zijn.
140
5.8.3 Taken van de docent-mentor
Hieronder volgen puntsgewijs enkele taken van een docent-mentor.













De mentor controleert de adressen en telefoonnummers van de leerlingen en maakt een
telefoonketen. Als er wijzigingen zijn, dan geeft de mentor dit door aan de administratie. Als er
gedurende het schooljaar wijzigingen zijn, dan moet de leerling deze zelf doorgeven aan de
mentor en aan de administratie.
De mentor wijst een betrouwbaar iemand uit de klas aan die de klas wil vertegenwoordigen. Ook
wordt er een reserve-klassenvertegenwoordiger gekozen. De klassenvertegenwoordiger is
verantwoordelijk voor bepaalde taken die door de school dienen te worden vastgesteld,
vastgelegd en doorgesproken met de klassenvertegenwoordiger. De mentor zorgt ervoor dat de
klassenvertegenwoordiger aan het einde van het schooljaar een beloning krijgt voor de
uitvoering van de taken, mits hij of zij deze naar wens van de klas en de mentor heeft uitgevoerd.
De mentor gaat dagelijks het verzuim na van zijn of haar klas. Daarna kan hij of zij bijvoorbeeld
een leerling bellen die veelvuldig afwezig is door ziekte, of een leerling die spijbelt, bellen en een
maatregel opleggen. Veelvuldig spijbelen dient door de mentor gemeld te worden bij de
schoolleiding.
De mentor maakt van alle acties die hij of zij onderneemt een verslag(je) in het dossier van de
desbetreffende leerling. Dit is belangrijk omdat anderen dan, in geval van contacten met externe
instanties, kunnen nalezen wat er wel en niet is gebeurd.
De mentor levert wekelijks de verzuimgegevens in bij de schoolleiding. Deze verzuimgegevens
dienen volledig en actueel te zijn.
De mentor voert geregeld overleg met de schoolleiding, hier wordt regelmatig tijd voor
vrijgemaakt. In dit overleg staat een aantal vaste punten op de agenda. Tevens is dit het overleg
waar de knelpunten van de mentorklas kunnen worden besproken.
De mentor onderhoudt contact met de ouders/verzorgers van zijn of haar mentorleerlingen over
de resultaten, het verzuim, het te laat komen, het uit de les worden verwijderd en andere
belangrijke zaken die de individuele leerling betreffen.
De mentor is aanwezig tijdens ouderavonden.
De mentor helpt tijdens de voorbereiding van feesten en andere activiteiten van de mentorklas.
Tijdens de rapportvergaderingen bespreekt de mentor zijn of haar eigen klas.
De mentor bereidt de rapportbesprekingen voor en houdt de ouders/verzorgers op de hoogte
van wat er tijdens de rapportvergaderingen wordt besproken.
De mentor is aanwezig bij buitenschoolse activiteiten van zijn of haar mentorklas.
Per leerjaar is er nog een aantal leerjaarspecifieke taken voor de mentor. Deze worden bij
aanvang van het schooljaar besproken.
141
5.9 Sociaal-emotionele vaardigheden
Emotionele intelligentie blijkt naast verstandelijke intelligentie belangrijk te zijn om te slagen in het
leven. Voor bijna iedere functie zijn goede sociale en communicatieve vaardigheden nodig. Ook is er
behoefte aan sociaal-emotionele vaardigheden om probleemgedrag te voorkomen of te hanteren.
Sociaal-emotionele vaardigheden zijn belangrijk voor de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid
en voor het aangaan van relaties met anderen. Deze vaardigheden hebben invloed op uiteenlopende
terreinen als jezelf kennen, contact maken met anderen, rekening houden met anderen, opkomen
voor jezelf, ontwikkelen van je talenten, zelfvertrouwen krijgen, je gevoelens uiten, luisteren,
doordachte beslissingen nemen, keuzes maken, zeggen wat je wilt, zeggen wat je dwarszit, ruzies
oplossen, omgaan met cultuurverschillen, nadenken over risico's, je goed voelen en zinloos geweld
voorkomen.
Het ontwikkelen van sociaal-emotionele vaardigheden van leerlingen zal het leef- en werkklimaat in
de klas en op school verbeteren en het gevoel van veiligheid vergroten. Je ontwikkelt sociaalemotionele vaardigheden van leerlingen niet door ze te vertellen hoe ze zich behoren te gedragen.
Leerlingen kunnen beter zelf ontdekken dat ze zich prettiger voelen en meer bereiken als ze rekening
met elkaar houden en goed omgaan met hun eigen gevoelens.
142
5.9.1 Sociaal-emotionele vaardigheden voor leerlingen
Sociaal-emotionele vaardigheden zijn belangrijk voor de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid
en voor het aangaan van relaties met anderen. Deze vaardigheden hebben invloed op uiteenlopende
terreinen als jezelf kennen, contact maken met anderen, rekening houden met anderen, opkomen
voor jezelf, ontwikkelen van je talenten, zelfvertrouwen krijgen, je gevoelens uiten, luisteren,
doordachte beslissingen nemen, keuzes maken, zeggen wat je wilt, zeggen wat je dwarszit, ruzies
oplossen, omgaan met cultuurverschillen, nadenken over risico's, je goed voelen en zinloos geweld
voorkomen.
Het ontwikkelen van sociaal-emotionele vaardigheden van leerlingen zal het leef- en werkklimaat in
de klas en op school verbeteren en het gevoel van veiligheid vergroten.
143
5.10
Vakmatige nascholing
De meeste activiteiten op school zijn gericht op het leerproces en de vorming van leerlingen. De
professionaliteit van docenten speelt hierbij een sleutelrol. Zij zullen, naast hun onderwijskundige en
pedagogische vaardigheden, ook hun vakinhoudelijke en vakdidactische kennis moeten onderhouden
en aanvullen. Daarvoor is een groot scholingsaanbod beschikbaar en kunnen zowel landelijke als
regionale organisaties worden aangesproken.
144
5.10.1 Scholingsaanbod voor docenten
Voor docenten is een groot scholingsaanbod beschikbaar:





vanuit de landelijke pedagogische centra (zoals APS, CPS en KPC Groep);
vanuit nascholingscentra (bijvoorbeeld Onderwijs Advies);
vanuit beroepsgroeporganisaties (verenigingen zoals de Nederlandse Vereniging van
Wiskundeleraren);
vanuit onderwijsvakbonden (zoals AOb, Onderwijsbond CNV);
vanuit universiteiten en hogescholen.
De nascholing voor docenten kent drie soorten: scholing op het eigen vakgebied, waaronder ook
vakdidactiek, algemeen pedagogisch-didactische scholing en specifieke (gedrags)trainingen.
145
6 Sancties
6.1
Sancties leerlingen
6.2
Sancties personeel
146
6.1
Sancties leerlingen
Verschillende, mogelijke sancties zijn:
- waarschuwing
- berisping
- maatregel
- schorsing
- definitieve verwijdering
Een sanctie is een reactie op het overtreden van de wet of de schoolregels door een als personeel of
als leerling aan de school verbonden persoon. Er worden verschillende sancties met een officieel
karakter toegelicht, dat wil zeggen sancties die worden geregistreerd en die situatieoverstijgend zijn.
Om het verschil duidelijk te maken tussen officiële en onofficiële sancties, volgt hierna van beide een
voorbeeld.
Een voorbeeld van een onofficiële sanctie volgt uit de situatie waarin een leerling onophoudelijk aan
het klieren is in de klas. Als reactie op deze overtreding van de schoolregels laat de leraar de leerling
de rest van het uur op de gang werken. Deze onofficiële sanctie is situatie-, plaats- en tijdgebonden
omdat de leerling na dat uur gewoon diens dag vervolgt, zonder dat de sanctie hem/haar blijft
achtervolgen.
Een officiële sanctie daarentegen volgt wanneer de leerling ook de weken daarop de les grondig aan
het verstoren is en een gesprek met de leerling en verschillende onofficiële sancties hiertegen niet
hebben geholpen. Het is duidelijk dat dit zo niet langer kan, dus stuurt de leraar hem/haar naar de
teamleider, die namens de schoolleiding de lichte sancties afhandelt, met een officiële
waarschuwing. De teamleider voert een gesprek met de leerling en geeft hem/haar eventueel een
brief waarin staat dat zij een officiële waarschuwing heeft gekregen. In het gesprek geeft de
teamleider aan dat de waarschuwing wordt geregistreerd en kenbaar wordt gemaakt aan mentor en
docenten van de leerling. Verder legt hij/zij uit wat de gevolgen kunnen zijn als de waarschuwing
wordt genegeerd.
147
6.2
Sancties personeel
Een sanctie is een reactie op het overtreden van de wet of de schoolregels door een als personeel of
als leerling aan de school verbonden persoon. Er worden verschillende sancties met een officieel
karakter toegepast conform de CAO.
Het gaat hier om sancties die kunnen worden opgelegd aan personeelsleden van de school.
Verschillende, mogelijke sancties zijn:
- waarschuwing
- berisping
- schorsing
- ontslag
.
148
7
Klachtenregelingen
7.1
Inleiding
7.2
Klachtenregeling algemeen
7.3
Seksuele intimidatie
7.4
Klachtenregeling seksuele intimidatie
7.5
Vertrouwenspersoon
7.6
De vertrouwenspersoon op school
7.7
Klachtenregeling en vertrouwenspersoon
7.8
De vertrouwensinspecteur
7.9
Aangifteplicht en meldplicht
7.10
Rehabilitatie na valse aantijgingen
149
7.1
INLEIDING
De inwerkingtreding van de Kwaliteitswet heeft onder meer betekend dat schoolbesturen sinds 1
augustus 1998 verplicht zijn een klachtenregeling vast te stellen en in te voeren. Volgens deze wet
kunnen leerlingen en hun ouders/verzorgers klachten indienen over gedragingen en beslissingen of
het nalaten daarvan van het bevoegd gezag en het personeel van de school.
Het doel van een klachtenregeling is tweeledig:
1. Het recht doen aan de individuele klager
2. Het creëren van de mogelijkheid tot herstel van de relatie tussen klager en aangeklaagde.
Daarnaast heeft het klachtrecht een belangrijke signaalfunctie met betrekking tot de kwaliteit van
het onderwijs. Door middel van de klachtenregeling ontvangen het bevoegd gezag en de school
signalen die hen kunnen ondersteunen bij het verbeteren van het onderwijs en de gang van zaken op
school. In 1998 verscheen de modelklachtenregeling voor het openbaar en bijzonder primair en het
voortgezet onderwijs.
De modelklachtenregeling is het resultaat van de gezamenlijke inspanningen van de landelijke
organisaties van besturen, ouders/verzorgers, schoolleiders en de onderwijsvakorganisaties.
Deze klachtenregeling is alleen van toepassing als men met de klacht niet ergens anders terecht kan.
Veruit de meeste klachten over de dagelijkse gang van zaken in de school zullen in onderling overleg
tussen ouders/verzorgers, leerlingen, personeel en schoolleiding op een juiste wijze worden
afgehandeld. Indien dat echter, gelet op de aard van de klacht, niet mogelijk is of als de afhandeling
niet naar tevredenheid heeft plaatsgevonden, kan men een beroep doen op deze klachtenregeling.
Voor wat betreft de aard van de klachten waarvoor deze regeling is bedoeld, wordt verwezen naar
de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1, onder d en artikel 7, eerste lid. Voorts dienen klachten
waarvoor een aparte regeling en proceduremogelijkheid bij een commissie bestaat, langs die lijn te
worden afgehandeld.
Zo kan een klacht die moet worden ingediend bij de commissie van beroep bij examens, niet via de
klachtenregeling onderwijs worden ingediend. Hetzelfde geldt voor een klacht die via een
geschillencommissie kan worden ingediend.
Voor een actuele lijst met functionarissen en commissies wordt verwezen naar de (lokale)
schoolgidsen of de website van de school.
150
Het bevoegd gezag is aangesloten bij de Landelijke klachtencommissie voor het katholiek primair en
speciaal onderwijs, beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs van de Bond
KBVO, Katholiek Beroeps- en Voortgezetonderwijs.
Plaats voor inzage van de klachtenregeling:




afdeling Personeelszaken;
medewerkerskamer;
kamer van locatiedirecteur;
website.
151
7.2
Klachtenregeling algemeen
Gelet op de bepalingen van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de
Wet op het voortgezet onderwijs en na de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad gehoord te
hebben, stelt het bevoegd gezag van Stanislascollege de volgende klachtenregeling vast.
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1 Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
school
een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en de Wet op
het voortgezet onderwijs.
bevoegd gezag1
College van bestuur van Stichting Lucas Onderwijs of de gemandateerde Centrale Directie en de
locatiedirectie.
centrale directie
Directie met bovenlokale functie, bestaande uit: voorzitter Centrale Directie met mandaat van
Bevoegd Gezag (portefeuille Algemene Zaken; Onderwijs; Identiteit; ICT); Lid Centrale Directie met
portefeuille Financiën & Beheer; Lid Centrale Directie met portefeuille Personeel & Organisatie.
locatiedirectie
Locatiedirecteuren en adjunct-locatiedirecteur(en) van een locatie.
1
Afhankelijk van de in het directiestatuut neergelegde taakverdeling en bevoegdheidsverdeling
tussen de directies en het bevoegd gezag, dient in voorkomende gevallen daarvoor in de plaats ‘de
locatiedirectie’ of ‘de centrale directie’ te worden gelezen.
152
klachtencommissie
Door de Bond KBVO ingestelde de commissie als bedoeld in artikel 4;
klager
een (ex-)leerling, een ouder/verzorger van een minderjarige (ex-) leerling, (een lid van) het
personeel, (een lid van) de schoolleiding, (een lid van) het bevoegd gezag of een vrijwilliger die
werkzaamheden verricht voor de school, alsmede een persoon die anderszins deel uitmaakt van de
schoolgemeenschap, die een klacht heeft ingediend;
klacht
klacht over gedragingen en beslissingen dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van
beslissingen van de aangeklaagde;
contactpersoon
de persoon als bedoeld in artikel 2;
153
vertrouwenspersoon
de persoon als bedoeld in artikel 3;
aangeklaagde
een (ex-)leerling, ouder/verzorger van een minderjarige (ex-)leerling, (een lid van) het personeel,
(een lid van) de schoolleiding, (een lid van) het bevoegd gezag of een
vrijwilliger die werkzaamheden verricht voor de school, alsmede een persoon die anderszins deel
uitmaakt van de schoolgemeenschap, tegen wie een klacht is ingediend;
benoemingsadviescommissie
een door het bevoegd gezag ingestelde commissie die bestaat uit leden aangewezen door de
geledingen ouders/leerlingen, personeel en bevoegd gezag.
154
BEHANDELING VAN DE KLACHTEN
Artikel 2 Aanstelling en taak contactpersoon
1. Er is op iedere school ten minste één contactpersoon die de klager verwijst naar de
vertrouwenspersoon.
2. Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de contactpersoon. De benoeming vindt plaats
op voorstel van de benoemingsadviescommissie.
Artikel 3 Aanstelling en taken vertrouwenspersoon
1. Het bevoegd gezag beschikt over ten minste één vertrouwenspersoon die functioneert als
aanspreekpunt bij klachten.
2. Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat de vertrouwenspersoon. De benoeming vindt
plaats op voorstel van de benoemingsadviescommissie.
3. De vertrouwenspersoon gaat na of door bemiddeling een oplossing kan worden bereikt. De
vertrouwenspersoon gaat na of de gebeurtenis aanleiding geeft tot het indienen van een klacht.
Hij of zij begeleidt de klager desgewenst bij de verdere procedure en verleent desgewenst
bijstand bij het doen van aangifte bij politie of justitie.
4. De vertrouwenspersoon verwijst de klager, indien en voorzover noodzakelijk of wenselijk, naar
andere instanties gespecialiseerd in opvang en nazorg.
5. Indien de vertrouwenspersoon slechts aanwijzingen, doch geen concrete klachten bereiken, kan
hij deze ter kennis brengen van de klachtencommissie of het bevoegd gezag.
6. De vertrouwenspersoon geeft gevraagd of ongevraagd advies over de door het bevoegd gezag te
nemen besluiten.
7. De vertrouwenspersoon neemt bij zijn of haar werkzaamheden de grootst mogelijke
zorgvuldigheid in acht. De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding van alle zaken die
hij of zij in die hoedanigheid verneemt. Deze plicht vervalt niet nadat betrokkene de taak van
vertrouwenspersoon heeft beëindigd.
8. De vertrouwenspersoon brengt jaarlijks aan het bevoegd gezag schriftelijk verslag uit van de
werkzaamheden.
Artikel 4 Klachtencommissie
1. Er is een landelijke klachtencommissie voor alle scholen van het bevoegd gezag die de klacht
onderzoekt en het bevoegd gezag hierover adviseert.
2. De klachtencommissie geeft gevraagd of ongevraagd advies aan het bevoegd gezag over:
(a) de (on)gegrondheid van de klacht;
(b) het nemen van maatregelen;
155
(c) overige door het bevoegd gezag te nemen besluiten.
3. De klachtencommissie neemt, ter bescherming van de belangen van alle direct betrokkenen, de
grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht bij de behandeling van een klacht. De leden van de
klachtencommissie zijn verplicht tot geheimhouding van alle zaken die zij in die hoedanigheid
vernemen. Deze plicht vervalt niet nadat betrokkene zijn taak als lid van de klachtencommissie
heeft beëindigd.
4. De klachtencommissie brengt jaarlijks aan het bevoegd gezag schriftelijk verslag uit van haar
werkzaamheden.
156
Het bevoegd gezag is aangesloten bij de Landelijke klachtencommissie voor het katholiek primair en
speciaal onderwijs, beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs van de Bond
KBVO, Katholiek Beroeps- en Voortgezetonderwijs.
Actuele reglementen van deze klachtencommissie zijn te downloaden op de website van de KBVO.
URL: http://www.bondkbvo.nl
157
Artikel 5 Indienen van een klacht
1. De klager dient de klacht in bij het bevoegd gezag of de klachtencommissie.
2. De klacht dient binnen een jaar na de gedraging of beslissing te worden ingediend, tenzij de
klachtencommissie anders beslist.
3. Indien de klacht bij het bevoegd gezag wordt ingediend, verwijst het bevoegd gezag de klager
naar de vertrouwenspersoon of klachtencommissie, tenzij toepassing wordt gegeven aan het
vierde lid.
4. Het bevoegd gezag kan de klacht zelf afhandelen indien hij van mening is dat de klacht op een
eenvoudige wijze kan worden afgehandeld. Het bevoegd gezag meldt een dergelijke afhandeling
op verzoek van de klager aan de klachtencommissie.
5. Indien de klacht wordt ingediend bij een ander orgaan dan de in het eerste lid genoemde,
verwijst de ontvanger de klager aanstonds door naar de klachtencommissie of naar het bevoegd
gezag. De ontvanger is tot geheimhouding verplicht.
6. Het bevoegd gezag kan een voorlopige voorziening treffen.
7. Op de ingediende klacht wordt de datum van ontvangst aangetekend.
8. Na ontvangst van de klacht deelt de klachtencommissie het bevoegd gezag, de klager en de
aangeklaagde binnen vijf werkdagen schriftelijk mee dat zij een klacht onderzoekt.
9. Het bevoegd gezag deelt de directeur van de betrokken school schriftelijk mee dat er een klacht
wordt onderzocht door de klachtencommissie.
10. Klager en aangeklaagde kunnen zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een
gemachtigde.
Artikel 6 Intrekken van de klacht
1. Indien de klager tijdens de procedure bij de klachtencommissie de klacht intrekt, deelt de
klachtencommissie dit mee aan de aangeklaagde en/of het bevoegd gezag mee.
2. Het bevoegd gezag deelt de directeur van de betrokken school schriftelijk mee dat de klager de
klacht heeft ingetrokken.
158
Artikel 7 Inhoud van de klacht
1. De klacht wordt schriftelijk ingediend en ondertekend.
2. Van een mondeling ingediende klacht wordt terstond door de ontvanger, als bedoeld in artikel 7
eerste lid, een verslag gemaakt dat door de klager voor akkoord wordt ondertekend en waarvan
hij een afschrift ontvangt.
3. De klacht bevat ten minste:
(a) de naam en het adres van de klager;
(b) de dagtekening;
(c) een omschrijving van de klacht.
4. Indien niet is voldaan aan het gestelde in het derde lid, wordt de klager in de gelegenheid gesteld
het verzuim binnen twee weken te herstellen. Is ook dan nog niet voldaan aan het gestelde in het
derde lid, dan kan de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Indien de klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard, wordt dit gemeld aan de klager en de
aangeklaagde gemeld.
6. Het bevoegd gezag deelt de directeur van de betrokken school schriftelijk mee dat de klacht nietontvankelijk is verklaard.
159
SLOTBEPALINGEN
Artikel 8 Openbaarheid
Het bevoegd gezag legt deze regeling op elke school ter inzage.
Het bevoegd gezag stelt alle belanghebbenden op de hoogte van deze regeling.
Artikel 9 Evaluatie
De regeling wordt binnen vier jaar na inwerkingtreding door het bevoegd gezag, de contactpersoon,
de vertrouwenspersoon, de klachtencommissie en de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad
geëvalueerd.
Artikel 10 Wijziging van het reglement
Deze regeling kan door het bevoegd gezag worden gewijzigd of ingetrokken, na overleg met de
vertrouwenspersoon en de klachtencommissie, met inachtneming van de vigerende bepalingen.
Artikel 11 Overige bepalingen
In gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het bevoegd gezag.
De toelichting maakt deel uit van de regeling.
Deze regeling kan worden aangehaald als "Klachtenregeling Stanislascollege".
Deze regeling treedt in werking op 1 september 2009.
Deze regeling is vastgesteld op x september 2009.
160
161
7.3
Seksuele intimidatie
De inwerkingtreding van de Kwaliteitswet heeft onder meer betekend dat schoolbesturen sinds 1
augustus 1998 verplicht zijn een (algemene) klachtenregeling vast te stellen en in te voeren. Wegens
de speciale aard van gevallen van seksuele intimidatie, zoals de gevoeligheid van het onderwerp, de
machtsongelijkheid waarvan meestal sprake is en de kwetsbaarheid van de leerling, is het dringend
gewenst naast een algemene klachtenregeling ook een klachtenregeling voor seksuele intimidatie te
hebben. Zo kunnen klachten over seksuele intimidatie gerichter worden behandeld. In artikel 4 Arbowet wordt bovendien expliciet vermeld dat de werkgever moet zorgen voor de bescherming (van
leerlingen) tegen seksuele intimidatie.
De school heeft een klachtenregeling seksuele intimidatie.
162
7.4
Klachtenregeling seksuele intimidatie
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Doelstelling klachtenregeling
Het bevoegd gezag van [invullen naam school] heeft een klachtenregeling opgesteld om voor leden
van de schoolorganisatie de mogelijkheid te scheppen klachten over seksuele intimidatie in te
dienen. Tevens beoogt deze klachtenregeling te voorzien in de bescherming van de belangen van de
kla(a)g(st)er en aangeklaagde tijdens het onderzoeken en het afhandelen van een klacht inzake
seksuele intimidatie.
Artikel 2 Begripsbepalingen
In deze klachtenregeling wordt bedoeld met:
de school
Stanislascollege
leerlingen
alle leerlingen die op de school staan ingeschreven;
personeel
alle medewerkers in dienst van of werkzaam op de school;
bevoegd gezag
het bestuur van de school of de gemandateerde schoolleiding;
163
centrale directie
de centrale directie van de school, die als zodanig door het bevoegd gezag is benoemd en is
gemandateerd om bestuurstaken uit te voeren overeenkomstig het directiestatuut;
seksuele intimidatie
elke vorm van seksuele of seksueel getinte aandacht die tot uiting komt binnen of in samenhang met
de schoolonderwijssituatie in verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag;
leden van de schoolorganisatie
leerlingen en personeelsleden van de school en personen die werkzaamheden verrichten voor de
school of op een andere manier betrokken zijn bij de school;
vertrouwenspersoon
de vertrouwenspersoon seksuele intimidatie fungeert als aanspreekpunt voor leerlingen en/of
personeelsleden bij vermoedens van of klachten met betrekking tot seksuele intimidatie;
(deel)schoolcontactpersoon
binnen een deelschool is/zijn een of meerdere deelschoolcontactpersonen aanwezig die bij uitstek
het vertrouwen van leerlingen genieten;
kla(a)g(st)er
een ieder die deel uitmaakt van de schoolorganisatie en meent te zijn geconfronteerd met of kennis
neemt van seksuele intimidatie en een klacht hierover heeft ingediend bij de
vertrouwenspersoon en/of de klachtencommissie;
aangeklaagde
een ieder die deel uitmaakt van de schoolorganisatie en tegen wie een klachtenprocedure inzake
seksuele intimidatie in gang is gezet;
164
raadsvrouw of -man
een persoon die de kla(a)g(st)er of aangeklaagde op diens verzoek kan bijstaan;
bemiddelaar
een persoon die met instemming van de kla(a)g(st)er en de aangeklaagde door middel van informele
bemiddeling het probleem rond seksuele intimidatie probeert op te lossen;
klachtencommissie
een commissie, ingesteld en samengesteld conform deze klachtenregeling, die een klacht met
betrekking tot seksuele intimidatie onderzoekt en behandelt volgens de klachtenprocedure zoals
neergelegd in hoofdstuk 4 en 5 van deze klachtenregeling;
melding
er is sprake van een melding als een lid van de schoolorganisatie bij de deelschoolcontactpersoon
en/of de vertrouwenspersoon een (mogelijk) geval van seksuele intimidatie meldt, een melding kan
uitmonden in een klacht, die ingediend moet worden bij de vertrouwenspersoon en/of de
klachtencommissie;
klacht
een mondeling of schriftelijk ingediende en gemotiveerde klacht betreffende seksuele intimidatie,
deze klacht kan worden ingediend bij de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie.
165
BIJZONDERE BEPALINGEN
Artikel 3 Positie leden van de schoolorganisatie
Geen enkel lid van de schoolorganisatie mag in zijn of haar positie binnen de school worden
geschaad doordat hij of zij als kla(a)g(st)er, raadsman of raadsvrouw, contactpersoon,
vertrouwenspersoon of door de klachtencommissie gehoord persoon, betrokken is of is geweest bij
een klachtenprocedure zoals neergelegd in deze klachtenregeling. Uitgezonderd is de aangeklaagde
die zich naar het oordeel van klachtencommissie schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie, als
ook de kla(a)g(st)er die misbruik heeft gemaakt van deze klachtenregeling dan wel valse
beschuldigingen heeft geuit.
Artikel 4 Geheimhouding
Alle leden van de schoolorganisatie die bij een melding van een klacht of de behandeling van een
klacht zijn betrokken, zijn ten aanzien van hetgeen zij in verband met de melding of de behandeling
van een klacht vernemen, verplicht tot geheimhouding, met uitzondering van de gevallen waarop de
meldplicht en aangifteplicht van artikel 3 WVO van toepassing is (zie hiervoor ook de paragraaf
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik).
Artikel 5 Niet voorziene gevallen
In gevallen waarin de klachtenregeling niet voorziet, beslist het bevoegd gezag.
Artikel 6 Inzage en uitreiking van dit reglement
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van deze klachtenregeling aan ieder
personeelslid van de school en aan de leden van de centrale medezeggenschapsraad van de school
wordt uitgereikt. Aan personeelsleden die in dienst treden wordt tegelijk met het aanstellingsbesluit
een exemplaar van deze klachtenregeling uitgereikt.
De (deel)schoolleiding draagt er zorg voor dat een exemplaar van dit reglement in de school op een
voor alle belanghebbenden toegankelijke plaats ter inzage ligt.
166
De (deel)schoolleiding draagt er zorg voor dat alle belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht van
deze klachtenregeling.
Artikel 7 Inwerkingtreding van de klachtenregeling seksuele intimidatie
Deze klachtenregeling treedt in werking met ingang van de dag na ondertekening door het bevoegd
gezag.
Artikel 8 Citeerartikel
Deze regeling kan worden aangehaald als 'klachtenregeling seksuele intimidatie'.
Artikel 9 Evaluatie van de klachtenregeling
Deze regeling wordt binnen enige tijd na inwerkingtreding geëvalueerd door het bevoegd gezag, de
(deel)schoolcontactpersonen, de vertrouwenspersoon, de klachtencommissie, de centrale
medezeggenschapsraad en eventueel andere door het bevoegd gezag aan te wijzen functionarissen
binnen de schoolorganisatie.
Artikel 10 Wijziging van dit reglement
Deze klachtenregeling kan door het bevoegd gezag worden gewijzigd na advies van de
vertrouwenspersoon en de klachtencommissie en met inachtneming van de bepalingen van het
Reglement medezeggenschap.
167
DE VERTROUWENSPERSOON
Artikel 11 Functie-eisen vertrouwenspersoon
 De vertrouwenspersoon is toegankelijk voor alle leden van de schoolorganisatie.
 De vertrouwenspersoon is op de hoogte van de cultuur en de omgangsvormen in het onderwijs
zoals dat wordt verzorgd op de school.
 De vertrouwenspersoon heeft inzicht in de aard en de omvang van de problematiek rondom
seksuele intimidatie en is op de hoogte van het stappenplan seksuele intimidatie en misbruik.
 De vertrouwenspersoon is deskundig in de opvang van slachtoffers, heeft inzicht in de mogelijke
reacties van slachtoffers van seksuele intimidatie en beschikt over vaardigheden om kla(a)g(st)ers
te stimuleren oplossingen te kiezen die hun eigen belangen niet doorkruisen.
 De vertrouwenspersoon beschikt over vaardigheden begeleidingsgesprekken te structuren.
 De vertrouwenspersoon heeft kennis van doorverwijzingmogelijkheden op hulpverleningsgebied.
 De vertrouwenspersoon kan een correcte feitelijke rapportage maken naar aanleiding van een
klacht.
 De vertrouwenspersoon heeft voldoende kennis van mogelijke rechtspositionele en justitiële
gevolgen van het indienen van een klacht.
Artikel 12 Benoeming en verantwoording
Het bevoegd gezag benoemt in overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad
een of meer personen als vertrouwenspersoon.
De vertrouwenspersoon is voor de uitvoering van zijn of haar taken uitsluitend verantwoording
schuldig aan het bevoegd gezag.
Artikel 13 Taken van de vertrouwenspersoon
 De vertrouwenspersoon ziet erop toe dat iedereen binnen de school op de hoogte is van het
bestaan van de vertrouwenspersoon, de klachtenprocedure en het bestaan van de
vertrouwensinspecteur.
 De vertrouwenspersoon fungeert als aanspreekpunt bij klachten over seksuele intimidatie en
zorgt voor de opvang en de begeleiding van degene die met seksuele intimidatie is
geconfronteerd. De vertrouwenspersoon zoekt samen met de kla(a)g(st)er naar oplossingen.
 De vertrouwenspersoon geeft informatie over de mogelijke te volgen klachtenprocedure en de
consequenties hiervan. Indien nodig verwijst de vertrouwenspersoon de kla(a)g(st)er naar
daarvoor in aanmerking komende (hulpverlenings)instanties en ondersteunt de
vertrouwenspersoon de kla(a)g(st)er bij het inschakelen van deze instantie. De
vertrouwenspersoon geeft begeleiding en ondersteuning aan de kla(a)g(st)er bij het formeel
aanhangig maken van de klacht bij de klachtencommissie.
168
 De vertrouwenspersoon kan de kla(a)g(st)er bijstaan en vertegenwoordigen tijdens de
klachtenprocedure.
 De vertrouwenspersoon ziet erop toe dat een minderjarige leerling, indien deze dit wenst, zich
door de ouders/verzorgers kan laten vertegenwoordigen bij een verhoor door de
klachtencommissie.
 De vertrouwenspersoon is verantwoordelijk voor de nazorg voor de kla(a)g(st)er, opdat
voorkomen wordt dat de kla(a)gster aangesproken wordt op het feit dat hij of zij seksuele
intimidatie aanhangig heeft gemaakt.
 Indien de klacht door de klachtencommissie ongegrond is verklaard, bewaakt de
vertrouwenspersoon de procedure voor genoegdoening en rehabilitatie.
 De vertrouwenspersoon kan gevraagd en ongevraagd advies geven aan het bevoegd gezag inzake
het beleid ter voorkoming van seksuele intimidatie.
 De vertrouwenspersoon houdt een anonieme registratie bij van de aard en de omvang van
meldingen en klachten die bij de vertrouwenspersoon zijn ingediend of die ter behandeling aan
de vertrouwenspersoon zijn doorgegeven. Deze gegevens worden jaarlijks verstrekt aan het
bevoegd gezag en zijn geschikt voor publicatie.
 De vertrouwenspersoon draagt bij aan de evaluatie van het eigen takenpakket, de werkwijze van
de klachtencommissie en van de klachtenprocedure.
169
Artikel 14 Werkwijze van de vertrouwenspersoon bij meldingen en klachten
De vertrouwenspersoon bepaalt de eigen werkwijze, maar neemt in alle fasen van een melding of
klachtenbehandeling de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht ter bescherming van de privacy van
de kla(a)g(st)er en de aangeklaagde.
De vertrouwenspersoon stemt de werkwijze af op het stappenplan seksuele intimidatie en misbruik,
in ieder geval voor zover dit is gericht op het naleven van wettelijke plichten.
De vertrouwenspersoon zorgt voor de opvang van en voor advies aan degene die klaagt, ongeacht
een klacht wel of niet als klacht volgens de klachtenprocedure in behandeling wordt genomen.
Na melding of ontvangst van een klacht inzake seksuele intimidatie, kan de vertrouwenspersoon in
eerste instantie en afhankelijk van de ernst van de klacht proberen via bemiddeling te komen tot een
oplossing van de gesignaleerde problemen.
Indien de klacht door de vertrouwenspersoon niet na het horen van ten minste de kla(a)g(st)er kan
worden afgehandeld, verwijst zij de kla(a)g(st)er naar de klachtencommissie.
Voordat de vertrouwenspersoon een klacht als klacht volgens de klachtenprocedure in behandeling
neemt, zorgt hij of zij ervoor dat de kla(a)g(st)er de consequenties hiervan kent en verzekert hij of zij
zich ervan dat de kla(a)g(st)er akkoord gaat met de klachtenprocedure.
De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem of haar in verband met de
werkzaamheden als vertrouwenspersoon ter kennis komt. Deze plicht geldt in beginsel niet ten
opzichte van het bevoegd gezag, de klager, de aangeklaagde en artsen. De geheimhoudingsplicht
vervalt niet na beëindiging van de aanstelling als vertrouwenspersoon.
Artikel 15 Informeren van ouders/verzorgers door de vertrouwenspersoon
De ouders/verzorgers van een leerling worden in gevallen van seksuele intimidatie ingelicht, tenzij de
leerling uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dit niet te willen.
Artikel 16 Informeren van het bevoegd gezag door de vertrouwenspersoon
170
De vertrouwenspersoon meldt de klacht onverwijld aan het bevoegd gezag als de inhoud van de
klacht daartoe aanleiding geeft, ingevolge artikel 3 WVO.
171
Artikel 17 Bevoegdheden van de vertrouwenspersoon
 De vertrouwenspersoon is bevoegd de kla(a)g(st)er te horen. Het horen gebeurt zo mogelijk
binnen veertien dagen nadat de klacht bij de vertrouwenspersoon is ingediend. Indien de klacht is
ingediend door de ouders/verzorgers van een leerling, wordt ook de leerling gehoord.
 Van het horen bedoeld in lid 1 stelt de vertrouwenspersoon een verslag op dat wordt
ondertekend door de gehoorde en de vertrouwenspersoon. Weigert een gehoorde de
ondertekening, dan wordt daarvan, zo mogelijk onder vermelding van de redenen, door de
vertrouwenspersoon in het verslag melding gemaakt.
 De gehoorde ontvangt binnen zeven dagen na het horen een afschrift van het verslag van de
vertrouwenspersoon. Het verslag van het horen van een minderjarige leerling wordt door de
ouders/verzorgers getekend als zij bij het horen aanwezig zijn geweest. Indien dat niet het geval
is, tekent de minderjarige leerling zelf.
 De vertrouwenspersoon is bevoegd op eigen initiatief interne of externe deskundigen te
raadplegen.
 De vertrouwenspersoon is bevoegd informatie in te winnen bij andere personen die inlichtingen
kunnen verschaffen omtrent de omstandigheden waaronder de seksuele intimidatie heeft
plaatsgevonden, al dan niet op verzoek van de kla(a)g(st)er of aangeklaagde, voor zover de
uitvoering van haar (bemiddelings)taken daartoe noodzaakt.
 De vertrouwenspersoon heeft het recht op toegang tot alle afdelingen van de school.
 De vertrouwenspersoon heeft recht op inzage in relevante documenten, zoals de
ziekteverzuimregistratie.
 De vertrouwenspersoon is gerechtigd kla(a)g(st)er bij te staan gedurende de klachtenprocedure
indien de kla(a)g(st)er deze wens te kennen heeft gegeven.
Artikel 18 Faciliteiten vertrouwenspersoon
Het bevoegd gezag stelt de vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn of haar taken naar behoren te
vervullen. Daartoe moet beschikbaar worden gesteld:
(a) een redelijke onkostenvergoeding;
(b) gelegenheid tot deskundigheidsbevordering;
(c) een afzonderlijke ruimte die de vertrouwenspersoon als spreekkamer kan gebruiken;
(d) administratieve ondersteuning.
172
DE KLACHTENCOMMISSIE
Artikel 19 Instelling en samenstelling klachtencommissie
Het bevoegd gezag is aangesloten bij de Landelijke klachtencommissie voor het katholiek primair en
speciaal onderwijs, beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs van de Bond
KBVO, Katholiek Beroeps- en Voortgezetonderwijs.
Actuele reglementen van deze klachtencommissie zijn te downloaden op de website van de KBVO.
URL: http://www.bondkbvo.nl
173
DE KLACHTENPROCEDURE
Artikel 28 Klachtgerechtigden
Klachtgerechtigd is een leerling, een ouder/verzorger van een minderjarige leerling en een
medewerker in dienst van of werkzaam bij de school, die geconfronteerd is met of kennis heeft van
een geval van seksuele intimidatie.
Klachten over seksuele intimidatie kunnen worden ingediend tot vijftien jaar na het gebeurde waar
de klacht betrekking op heeft, op voorwaarde dat de aangeklaagde nog steeds aan de school
verbonden is.
Een klacht kan worden ingediend door meerdere personen tezamen.
Een anoniem ingediende klacht wordt niet in behandeling genomen. In bijzondere gevallen kan de
vertrouwenspersoon optreden als vertegenwoordigster van de anonieme kla(a)g(st)er in de
klachtenprocedure (zie ook artikel 30 lid 2).
Artikel 29 Het indienen van een klacht
Een klacht kan worden ingediend bij de vertrouwenspersoon of de klachtencommissie.
Als er (toch) een klacht is ingediend bij een deelschool contactpersoon dan dient deze
contactpersoon de kla(a)g(st)er te wijzen op de taak en de functie van de vertrouwenspersoon en de
klachtencommissie, vergezeld van de uitnodiging om de klacht daar te deponeren. In geen geval gaat
een andere functionaris in de deelschool aan de slag met een klacht over seksuele intimidatie dan de
vertrouwenspersoon en/of klachtencommissie.
Een klacht die in eerste instantie is ingediend bij de (deel)schoolcontactpersoon of de
klachtencommissie, wordt onmiddellijk voor ondersteuning doorgezonden naar de
vertrouwenspersoon, tenzij de klager gegronde redenen heeft waarom hij of zij de
vertrouwenspersoon niet wenst in te schakelen.
In dit geval behandelt de klachtencommissie de klacht zonder tussenkomst van de
vertrouwenspersoon.
Een klacht kan zowel mondeling als schriftelijk worden ingediend. Van een mondeling ingediende
klacht wordt onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt. De klager(s) en de ontvanger van de klacht
ondertekenen het proces-verbaal. De klager(s) ontvang(t)(en) binnen een termijn van een week
174
nadat het proces-verbaal is opgemaakt, een afschrift daarvan. Dit wordt toegezonden door degene
bij wie de klacht is ingediend. Van de schriftelijk ingediende klacht krijgt de kla(a)g(st)er binnen de
termijn van een week een bericht van ontvangst, toegezonden door degene bij wie de klacht is
ingediend. De kla(a)g(st)er wordt binnen de termijn van een week schriftelijk op de hoogte gesteld
van de doorzending van de klacht door degene die de klacht heeft doorgezonden.
Artikel 30 Het intrekken van de klacht
De kla(a)g(st)er kan te allen tijde, lopende het onderzoek, de klacht intrekken. Van het intrekken van
de klacht moeten de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie op de hoogte worden gesteld.
Degene die de klacht intrekt, ondertekent een door de vertrouwenspersoon of klachtencommissie
opgestelde verklaring omtrent het intrekken van de klacht onder vermelding van de redenen van
intrekking.
Indien de kla(a)g(st)er de klacht intrekt, besluit de vertrouwenspersoon dan wel de
klachtencommissie of de klacht als anonieme klacht in behandeling moet worden genomen.
Als een door de kla(a)g(st)er ingetrokken klacht verder niet in behandeling wordt genomen, wordt
aangeklaagde onmiddellijk schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de klacht is ingetrokken.
In dit schriftelijke stuk staan ook de redenen voor het intrekken van de klacht vermeld.
Artikel 31 Klachtenbehandeling door de klachtencommissie
De klachtencommissie onderzoekt klachten die zij ontvangen heeft via de vertrouwenspersoon. Een
uitzondering hierop wordt bepaald door artikel 29 lid 3.
Indien de klachtencommissie de klacht ontvangt zonder tussenkomst van de vertrouwenspersoon,
zorgt de commissie ervoor dat de kla(a)g(st)er de consequenties van de klachtenprocedure kent en
verzekert de commissie zich ervan dat de kla(a)g(st)er akkoord gaat met de procedure.
Artikel 32 Informeren van het bevoegd gezag door de klachtencommissie
175
Na ontvangst van een klacht, stelt de klachtencommissie binnen een week het bevoegd gezag in
kennis van het feit dat zij een klacht onderzoekt, zonder naam en toenaam te noemen.
Artikel 33 Ontvankelijkheid en werkwijze van de klachtencommissie
Nadat de klachtencommissie een klacht heeft ontvangen en ontvankelijk heeft verklaard, stelt de
klachtencommissie een onderzoek in.
De werkwijze en de bevoegdheden van de klachtencommissie zijn neergelegd in artikel 22 en 26 van
hoofdstuk 4 van deze klachtenregeling.
Artikel 34 Informeren van de aangeklaagde
De aangeklaagde wordt pas schriftelijk per aangetekend schrijven geïnformeerd als de
klachtencommissie de klacht ontvankelijk heeft verklaard.
Artikel 35 Schriftelijk verweer van de aangeklaagde
De aangeklaagde wordt in de gelegenheid gesteld voor de hoorzitting een schriftelijk verweer op de
ingediende klacht uit te brengen. Dit verweer wordt geadresseerd aan de secretaris van de
klachtencommissie.
Artikel 36 Recht van inzage
De aangeklaagde, de kla(a)g(st)er en hun raadslieden hebben recht om alle ingebrachte stukken te
kennen.
Artikel 37 Het horen
De commissie onderzoekt de klacht door kla(a)g(st)er en aangeklaagde te horen. Dit horen geschiedt,
afhankelijk van het belang van de kla(a)g(st)er, binnen een tot drie weken nadat de klacht bij de
commissie is ingediend.
176
Indien de aangeklaagde weigert te worden gehoord, zal de commissie betrokkene per aangetekend
schrijven verzoeken alsnog mondeling of schriftelijk te reageren op de klacht binnen een termijn van
een week. Voldoet aangeklaagde ook hieraan niet, dan wordt de klacht als onbetwist in de procedure
opgenomen. Hiervan wordt de aangeklaagde per aangetekend schrijven in kennis gesteld.
Kla(a)g(s)ter en aangeklaagde kunnen zich bij het horen door raadslieden laten bijstaan.
Op verzoek van de kla(a)ag(st)er of de klachtencommissie, kan bij het horen van de kla(a)g(st)er de
vertrouwenspersoon aanwezig zijn.
Van alle hoorgesprekken worden verslagen opgesteld, welke door de gehoorde en door de leden van
de commissie worden ondertekend. Weigert een gehoorde ondertekening, dan wordt daarvan
melding gemaakt in het verslag, met opgave van reden.
Een afschrift van het verslag wordt de gehoorde uitgereikt binnen één week na het horen.
177
Artikel 38 Rapportage en advies
De klachtencommissie brengt van haar bevindingen schriftelijk rapport uit aan het bevoegd gezag en
wel binnen drie weken nadat het horen van de kla(a)g(st)er, de aangeklaagde, eventuele getuigen en
anderen is afgerond.
In het rapport geeft de klachtencommissie een gemotiveerd oordeel of de klacht al dan niet gegrond
is gebleken.
Indien er naar het oordeel van de klachtencommissie sprake is van een gegronde klacht, brengt zij in
haar rapport tevens een advies uit omtrent de te treffen maatregelen. Een en ander is gericht op het
beëindigen van seksuele intimidatie en het voorkomen van herhaling van seksuele intimidatie door
de aangeklaagde.
Indien naar het oordeel van de klachtencommissie sprake is van een ongegronde klacht, brengt zij in
haar rapport advies uit omtrent de te treffen maatregelen. Genoegdoening aan en/of rehabilitatie
van de aangeklaagde kunnen onderdeel zijn van deze maatregelen.
De klachtencommissie geeft haar oordeel en adviezen in voltalligheid in de vorm van een
meerderheidsbesluit. Een lid van de klachtencommissie met een afwijkend standpunt kan het
bevoegd gezag schriftelijk van dit minderheidsstandpunt in kennis stellen.
Van het rapport van de klachtencommissie gaat een afschrift naar de kla(a)g(st)er, de aangeklaagde
en de vertrouwenspersoon.
BEVOEGD GEZAG
Artikel 39 Rol van het bevoegde gezag
Indien een kla(a)g(st)er gegronde bezwaren heeft tegen het onderzoek van de klacht door (een of
meerdere leden van) de klachtencommissie, schakelt het bevoegd gezag plaatsvervangende leden
van de klachtencommissie of een extern deskundige in voor het onderzoek.
Artikel 40 Besluitvorming door het bevoegd gezag
178
Voordat het bevoegd gezag naar aanleiding van het rapport van de klachtencommissie tot
besluitvorming overgaat, gaat zij na of de klachtencommissie zich aan de afgesproken
klachtenprocedure heeft gehouden en of de procedure op de juiste wijze is verlopen.
Binnen vier weken na ontvangst van het rapport van de klachtencommissie, neemt het bevoegd
gezag een schriftelijk en gemotiveerd besluit over de te treffen maatregelen en op te leggen sancties.
Verlenging van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag een besluit neemt, is mogelijk met ten
hoogste vier weken.
Van deze verlenging stelt het bevoegd gezag alle betrokkenen, dat wil zeggen de kla(a)g(st)er, de
aangeklaagde, de vertrouwenspersoon en de klachtencommissie, schriftelijk op de hoogte vóórdat
de vierde week van de eerste termijn is verstreken.
Het bevoegd gezag kan alleen gemotiveerd van het advies van de klachtencommissie afwijken.
Bij het opleggen van sancties, neemt het bevoegd gezag het evenredigheidsbeginsel in acht, dat wil
zeggen dat de zwaarte van de straf in verhouding staat tot de ernst van het feit.
Kla(a)g(st)er, aangeklaagde, vertrouwenspersoon en klachtencommissie worden onverwijld
schriftelijk in kennis gesteld van een eenmaal genomen besluit en van de motieven van het bevoegd
gezag.
In het definitieve besluit neemt de werkgever op hoe, op welke wijze en bij welke instantie
kla(a)g(st)er en aangeklaagde verder kunnen procederen via andere in de wet voorziene
mogelijkheden.
179
Artikel 41 Aangifte door het bevoegd gezag
Het bevoegd gezag is verplicht aangifte te doen bij de politie als haar via de vertrouwenspersoon
en/of de klachtencommissie bekend is geworden dat er sprake is van een redelijk vermoeden van
een strafbaar feit als genoemd in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht (zie artikel 3 WVO). Zie
ook de paragraaf Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik.
180
7.5
Vertrouwenspersoon
Als een school heeft gekozen voor een externe vertrouwenspersoon, wordt een interne
vertrouwenspersoon soms ter onderscheid 'contactpersoon' genoemd. Het kan in zo'n geval zijn dat
die laatste persoon minder bevoegdheden heeft dan van een vertrouwenspersoon mag worden
verwacht. Voor het gemak wordt in deze paragraaf steeds gesproken van vertrouwenspersoon, waar
nodig wordt het onderscheid gemaakt tussen intern en extern.
De school heeft een of meer contactpersonen seksuele intimidatie en/of vertrouwenspersonen
benoemd.
181
7.6
Schoolvertrouwenspersoon
Intern/extern
Als een school heeft gekozen voor een extern vertrouwenspersoon, wordt een intern
vertrouwenspersoon soms ter onderscheid contactpersoon genoemd. Het kan in zo'n geval dat die
persoon minder bevoegdheden heeft dan van een vertrouwenspersoon mag worden verwacht. Voor
het gemak wordt in deze paragraaf steeds gesproken van vertrouwenspersoon, waar nodig wordt het
onderscheid gemaakt tussen intern en extern.
Man/vrouw
De school kent bijvoorbeeld twee vertrouwenspersonen: een vrouwelijk personeelslid en een
mannelijk personeelslid. Deze personen zijn met zorg uitgekozen door de schoolleiding en hen is
gevraagd of zij bereid zijn deze functie te vervullen. De schoolleiding geeft er de voorkeur aan zowel
een vrouwelijke als een mannelijke vertrouwenspersoon aan te stellen omdat in voorkomende
gevallen soms een vrouw en soms een man wordt geprefereerd door diegenen die een beroep willen
doen op de vertrouwenspersoon.
182
7.7
Klachtenregeling en vertrouwenspersoon
Op elke school voor voortgezet onderwijs is sinds 1 augustus 1998 een klachtenregeling verplicht.
Deze klachtenregeling garandeert een zorgvuldige behandeling van klachten, waarmee het belang
van de betrokkenen wordt gediend. Daarnaast is een zorgvuldige behandeling van klachten in het
algemeen bevorderlijk voor een veilig schoolklimaat. Op grond van de klachtenregeling kan de
school zich aansluiten bij een lokale of regionale klachtencommissie. Zowel leerlingen en hun
ouders/verzorgers als personeelsleden kunnen een klacht indienen bij de klachtencommissie, onder
andere over gedragingen van personeelsleden en andere medewerkers van de school. Als de
klachtencommissie de klacht na onderzoek gegrond verklaart, volgt rapportage en advies aan het
bevoegd gezag. Het bevoegd gezag neemt vervolgens maatregelen. Vrijwel alle onderwijsorganisaties
hebben voor het voortgezet onderwijs een modelklachtenregeling onderschreven die verder gaat
dan wettelijk is vastgelegd, zoals de verplichting tot het aanstellen van (school)contactpersonen en
(externe) vertrouwenspersonen. In eerste instantie krijgt de klager dan te maken met de
contactpersoon, die zonodig verwijst naar de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon kan een
docent zijn of iemand van buiten de school. De interne of externe vertrouwenspersoon gaat na of er
door bemiddeling een oplossing kan worden bereikt. Daarnaast kan de klager terecht bij de
klachtencommissie.
183
7.8
Vertrouwensinspecteur
Bij de Onderwijsinspectie zijn vertrouwensinspecteurs aangesteld, die een speciale scholing hebben
gevolgd om klachten over seksuele intimidatie en seksueel misbruik adequaat af te handelen.
Vertrouwensinspecteurs vervullen een klankbordfunctie voor leerlingen en personeelsleden die
slachtoffer zijn van seksuele intimidatie of seksueel misbruik of die worden geconfronteerd met
seksuele intimidatie of seksueel misbruik jegens andere leerlingen of personeelsleden.
Vertrouwensinspecteurs adviseren over te nemen stappen en verlenen bijstand bij het zoeken naar
oplossingen. Desgewenst begeleiden ze bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte. De
wettelijke bepalingen over bestrijding van seksueel misbruik en seksuele intimidatie in het onderwijs
ontnemen, in het belang van de leerlingen, scholen de vrijheid om naar eigen goeddunken te
handelen in het geval van een zedenmisdrijf. Aanleiding voor nieuwe wetgeving hieromtrent (1999)
is het feit dat zedendelicten in het verleden vaak schoolintern zijn afgehandeld. Dit heeft er in enkele
gevallen toe geleid dat de pleger het seksueel misbruik binnen de school of in een andere
onderwijsinstelling kon voortzetten. De huidige wet is gebaseerd op de gedachte dat herhaald
seksueel wangedrag het best kan worden bestreden door politie en justitie in te schakelen. Wanneer
een personeelslid van de school is veroordeeld, kan hij of zij geen verklaring van goed gedrag meer
krijgen en dus niet meer op een school worden aangesteld.
184
7.9
Aangifteplicht en meldplicht
Om tot gerechtelijke vervolging te kunnen overgaan, is aangifte bij politie of justitie over het
algemeen noodzakelijk. Daarom bevat de wet een aangifteplicht voor het bevoegd gezag van de
school. Daarnaast is aan het personeel een meldplicht opgelegd. Alleen zo kan worden
bewerkstelligd dat het bevoegd gezag daadwerkelijk in kennis wordt gesteld van strafbaar seksueel
gedrag binnen de school. Het is niet voldoende voor een personeelslid om zich te wenden tot een
tussenpersoon, zoals een lid van de schoolleiding.
Het personeelslid is ervoor verantwoordelijk dat de informatie over het strafbare seksuele gedrag het
bevoegd gezag bereikt. Meldt een personeelslid dergelijke informatie niet, dan kan hij of zij worden
aangesproken op het verzaken van de plichten als werknemer. Dit betekent dat het bevoegd gezag
disciplinaire maatregelen kan treffen. Ook is denkbaar dat het slachtoffer of de ouders/verzorgers
van het slachtoffer een schadeclaim indienen tegen deze persoon, als door diens zwijgen het
seksuele misbruik heeft kunnen voortduren.
Het belang van een onderzoek op korte termijn is evident. De aangifte- en meldplicht geldt bij een
zedenmisdrijf gepleegd door een medewerker van de onderwijsinstelling jegens een leerling van de
onderwijsinstelling. Onder medewerkers vallen niet alleen personeelsleden, maar ook personen die
buiten dienstverband werkzaamheden verrichten voor de school, zoals stagiairs,
schoonmaakpersoneelsleden, uitzendkrachten en vrijwilligers. De wettelijke aangifteplicht en
meldplicht is beperkt tot seksueel misbruik van leerlingen die op het moment van het misbruik
jonger zijn dan achttien jaar. De grens is bij deze leeftijd gelegd omdat alle seksuele handelingen
tussen medewerkers van de school en minderjarige leerlingen strafbaar zijn.
Vrijwillige seksuele handelingen tussen meerderjarigen, dus ook tussen een medewerker en een
meerderjarige leerling, zijn niet strafbaar. Dat wil echter niet zeggen dat dit niet in strijd kan zijn met
de schoolregels.
Bij onvrijwillige seksuele handelingen worden meerderjarigen in staat geacht zelf de afweging te
maken wel of geen aangifte te doen. Uiteraard kunnen zij voor begeleiding of advies een beroep
doen op een vertrouwenspersoon of een vertrouwensinspecteur. Er kan bij slachtoffers behoefte
bestaan aan advies of steun zonder dat de kwestie meteen in de openbaarheid komt. Daarom geldt
de aangifteplicht niet voor vertrouwensinspecteurs: zij zijn daarvan wettelijk vrijgesteld.
Daarnaast zijn vertrouwensinspecteurs volgens de wet verplicht tot geheimhouding van dat wat hen
is toevertrouwd door leerlingen, ouders/verzorgers of medewerkers van een school.
185
Externe vertrouwenspersonen die niet tot het onderwijzend personeel behoren, hebben geen
meldplicht bij een vermoeden van strafbare feiten. De externe vertrouwenspersoon dient de klager
wel te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte bij politie of justitie. Desgewenst verleent
de externe vertrouwenspersoon bijstand bij het doen van aangifte. Daarnaast kan de externe
vertrouwenspersoon de klager en diens ouders/verzorgers verzoeken de schoolleiding te informeren
over een geval van seksuele intimidatie of misbruik.
In de wet is vastgelegd welke procedure het bevoegd gezag moet volgen als het op enigerlei wijze
informatie krijgt over een vermeend zedendelict gepleegd door een medewerker van de school
jegens een minderjarige leerling oftewel als het bevoegd gezag een vermoeden heeft van een
strafbaar seksueel feit. In alle gevallen verplicht de wet het bevoegd gezag onmiddellijk met de
vertrouwensinspecteur in overleg te treden. Dit overleg heeft tot doel een antwoord te vinden op de
vraag of er een redelijk vermoeden is van een strafbaar feit. Onder het begrip 'redelijk vermoeden'
wordt verstaan dat elk redelijk denkend persoon tot een zelfde oordeel zou komen als hij of zij kennis
had van dezelfde feiten en omstandigheden.
Is de conclusie van het overleg tussen het bevoegd gezag van de school en de vertrouwenspersoon
dat er sprake is van een redelijk vermoeden, dan doet het bevoegd gezag direct aangifte bij politie of
justitie.
Vooraf stelt het bevoegd gezag de aangeklaagde en de ouders/verzorgers van de klager op de
hoogte. Mogelijke bedenkingen van betrokken ouders/verzorgers en leerlingen ontslaan het bevoegd
gezag niet van de verplichting tot het doen van aangifte. De wet stelt in dit geval het algemeen
belang boven dat van individuele betrokkenen. Voorop staat dat een herhaling van het seksueel
misbruik wordt voorkomen.
186
7.10
Rehabilitatie na valse aantijgingen
Als na justitieel onderzoek blijkt dat de klacht op valse gronden is ingediend, kan het bevoegd gezag
de aangeklaagde een rehabilitatietraject aanbieden. Dat traject wordt samengesteld in overleg met
de valselijk beschuldigde. Mogelijke onderdelen van dat traject zijn een brief aan de
ouders/verzorgers, een teamgesprek, een leerlingenbijeenkomst, al dan niet in aanwezigheid van de
vals beschuldigde. Het bevoegd gezag kan tevens maatregelen treffen jegens de leerling die de valse
beschuldiging heeft geuit. Dit kan variëren van de eis dat in het openbaar excuses worden
aangeboden tot schorsing of verwijdering. De aangeklaagde kan over een incorrecte behandeling
door het bevoegd gezag een klacht indienen bij de klachtencommissie. De aangeklaagde wordt
daarmee klager.
Schoolveiligheidsplan: stappenplannen
8
Stappenplannen
8.1
Stappenplan conflicten
8.1.1
Stappenplan conflicten tussen leerlingen
8.1.2
Stappenplan conflicten tussen personeelslid en leerling
8.1.3
Stappenplan conflicten tussen personeelsleden
8.2
Stappenplan overtreding schoolregels
8.2.1
Stappenplan overtreding schoolregels
8.3
Stappenplan schade
8.3.1
Stappenplan schade: beknopt
8.3.2
Stappenplan schade: uitgebreid
8.4
Stappenplan strafbare feiten
8.4.1
Stappenplan strafbare feiten: beknopt
8.4.2
Stappenplan strafbare feiten: uitgebreid
8.5
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik
187
8.5.1
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik: beknopt
8.5.2
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik: uitgebreid
8.6
Stappenplan ongevallen
8.6.1
Stappenplan ongevallen: beknopt
8.6.2
Stappenplan ongevallen: uitgebreid
8.6.3
Stappenplan BHV
8.7
Stappenplan overlijden
8.7.1
Stappenplan overlijden leerling of medewerker: beknopt
8.7.2
Stappenplan overlijden leerling of medewerker: uitgebreid
8.7.3
Overlijden gezinslid van leerling of van medewerker
8.7.4
Overlijden oud-leerling of oud-medewerker
8.8
Stappenplan ontruiming
8.8.1
Stappenplan ontruiming: beknopt
8.8.2
Stappenplan ontruiming: uitgebreid
8.8.3
Stappenplan hoe te handelen bij brand: beknopt
8.8.4
Stappenplan hoe te handelen bij brand: uitgebreid
188
8.1
Conflicten
Conflicten tussen personeelsleden, tussen leerlingen, tussen personeelsleden en leerlingen of tussen
personeelsleden zullen altijd voorkomen. De wijze van omgaan met deze conflicten bepaalt of de
school en de betrokkenen er wat van leren of dat de conflicten slechts een bron vormen van nieuwe
conflicten. Elk goed opgelost conflict is een winstpunt en maakt de betrokkenen sterker: er is een
win-winsituatie mogelijk. Hoe een school omgaat met conflicten hangt sterk af van de cultuur in de
school en van de bedrevenheid van de betrokkenen of de organisatie om conflicten op te lossen.
De uitvoering van elk stappenplan hangt daarvan af.
In deze paragraaf volgen drie stappenplannen:
8.1.1 een stappenplan conflicten tussen leerlingen;
8.1.2 een stappenplan conflicten tussen personeelslid en leerling;
8.1.3 een stappenplan conflicten tussen personeelsleden.
Bij conflicten binnen de schoolleiding treedt een lid van de Centrale Directie op als bemiddelaar of
wordt er een externe bemiddelaar aangetrokken. De bemiddeling kan dan plaatsvinden volgens het
stappenplan over conflicten tussen personeelsleden. In de hoofdstukken Schoolbinding en Scholing
van dit schoolveiligheidsplan is het hanteren van conflicten ook behandeld: de mogelijkheden die er
zijn om conflicten te hanteren en beschikbare scholing op dit terrein.
Als er negatieve punten in de evaluatie naar voren komen, wordt gekeken of deze punten kunnen
worden verbeterd door een herziening of aanvulling van delen van het stappenplan of door
veranderingen in het optreden van het personeel of het optreden van de bemiddelaar. Van
algemene aanvullingen of herziening van het stappenplan wordt verslag gedaan aan de
preventiemedewerker, zodat eventueel het modelstappenplan kan worden aangepast.
189
8.1.1
Stappenplan conflicten tussen leerlingen
Stap 1
De strijdende partijen worden uit elkaar gehaald door twee personeelsleden.
Stap 2
De partijen worden apart van elkaar in een lokaal of andere ruimte gezet, liefst onder toezicht.
Stap 3
Een schoolleider, teamleider of mediator treedt op als bemiddelaar. De bemiddelaar hoort elke partij
afzonderlijk totdat hij of zij een zo compleet en waarheidsgetrouw mogelijk beeld heeft van het
conflict.
Stap 4
De bemiddelaar vraagt aan elke partij afzonderlijk wat deze van de andere partij wil en of deze
bereid is dat te verwoorden in een gezamenlijk gesprek onder leiding van de bemiddelaar.
Stap 5
De partijen worden bijeengebracht. De bemiddelaar zet de feiten op een rijtje of laat elke partij dat
doen, zonder dat de andere partij mag onderbreken, en gaat daarmee door totdat beide partijen in
elkaars bijzijn hebben uitgesproken dat de feiten kloppen. Uitspraken over de beleving van de feiten
zijn persoonlijk en staan niet ter discussie.
Stap 6
Elke partij zegt wat deze van de andere partij wil en de andere partij reageert hierop. De
onderhandeling hierover gaat net zolang door totdat elke partij de, eventueel bijgestelde, wens van
de ander wil vervullen. De bemiddelaar beoordeelt tijdens de onderhandeling de redelijkheid van de
wensen en poogt misverstanden te verhelderen of suggereert alternatieven.
190
Stap 7
De bijeenkomst wordt afgesloten door de bemiddelaar die kort formuleert wat er is bereikt en beide
partijen bedankt voor hun bijdrage. De bemiddelaar stelt samen met de partijen vast dat het conflict
hiermee is opgelost.
Stap 8
De bemiddelaar stelt de mentoren van de klassen waartoe de partijen behoren, op de hoogte van de
resultaten en doet dit ook voor anderen voor wie de informatie in enigerlei vorm van belang is,
bijvoorbeeld de personeelsleden die de partijen uit elkaar hebben gehaald.
Stap 9
De school zorgt voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening. De registratie van het conflict
vindt plaats via de reguliere incidentenregistratie IRIS.
De evaluatie van de omgang met het conflict vindt korte tijd na het afronden van de hieraan
voorafgaande stappen plaats en betreft:



de handelingen door de school in het algemeen (het optreden van het personeel);
het optreden van de bemiddelaar (zelfevaluatie);
het functioneren van het stappenplan.
191
8.1.2
Stappenplan conflicten tussen personeelslid en leerling
Stap 1
Een schoolleider of teamleider treedt op als bemiddelaar. De bemiddelaar hoort elke partij
afzonderlijk totdat hij of zij een zo compleet en waarheidsgetrouw mogelijk beeld heeft van het
conflict.
Stap 2
De bemiddelaar vraagt aan elke partij afzonderlijk wat deze van de andere partij wil en of deze
bereid is dat te verwoorden in een gezamenlijk gesprek onder leiding van de bemiddelaar.
Stap 3
De partijen worden bijeengebracht. De bemiddelaar zet de feiten op een rijtje of laat elke partij dat
doen, zonder dat de andere partij mag onderbreken, en gaat daarmee door totdat beide partijen in
elkaars bijzijn hebben uitgesproken dat de feiten kloppen. Uitspraken over de beleving van de feiten
zijn persoonlijk en staan niet ter discussie.
Stap 4
Elke partij zegt wat deze van de andere partij wil en de andere partij reageert hierop. De
onderhandeling hierover gaat net zolang door totdat elke partij de, eventueel bijgestelde, wens van
de ander wil vervullen. De bemiddelaar beoordeelt tijdens de onderhandeling de redelijkheid van de
wensen en poogt misverstanden te verhelderen of suggereert alternatieven.
Stap 5
De bijeenkomst wordt afgesloten door de bemiddelaar die kort formuleert wat er is bereikt en beide
partijen bedankt voor hun bijdrage. De bemiddelaar stelt samen met de partijen vast dat het conflict
hiermee is opgelost.
Stap 6
192
De bemiddelaar stelt de mentor van de klas waartoe de leerling behoort op de hoogte van de
resultaten en doet dit ook voor anderen voor wie de informatie in enigerlei vorm van belang is.
Stap 7
De school zorgt voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening. De registratie van het conflict
vindt plaats via de reguliere incidentenregistratie IRIS.
193
8.1.3
Stappenplan conflicten tussen personeelsleden
Stap 1
Een schoolleider of teamleider treedt op als bemiddelaar. De bemiddelaar hoort elke partij
afzonderlijk totdat hij of zij een zo compleet en waarheidsgetrouw mogelijk beeld heeft van het
conflict.
Stap 2
De bemiddelaar vraagt aan elke partij afzonderlijk wat deze van de andere partij wil en of deze
bereid is dat te verwoorden in een gezamenlijk gesprek onder leiding van de bemiddelaar.
Stap 3
De partijen worden bijeengebracht. De bemiddelaar zet de feiten op een rijtje of laat elke partij dat
doen, zonder dat de andere partij mag onderbreken, en gaat daarmee door totdat beide partijen in
elkaars bijzijn hebben uitgesproken dat de feiten kloppen. Uitspraken over de beleving van de feiten
zijn persoonlijk en staan niet ter discussie.
Stap 4
Elke partij zegt nu wat deze van de andere partij wil en de andere partij reageert hierop. De
onderhandeling hierover gaat net zolang door tot elke partij de, eventueel bijgestelde, wens van de
ander wil vervullen. De bemiddelaar beoordeelt tijdens de onderhandeling de redelijkheid van de
wensen en poogt misverstanden te verhelderen of suggereert alternatieven.
Stap 5
De bijeenkomst wordt afgesloten door de bemiddelaar die kort formuleert wat er is bereikt en beide
partijen bedankt voor hun bijdrage. De bemiddelaar stelt samen met de partijen vast dat het conflict
hiermee is opgelost.
Stap 6
194
De bemiddelaar stelt zonodig de personeelsraad op de hoogte van de resultaten en doet dit ook voor
anderen voor wie de informatie in enigerlei vorm van belang is.
Stap 7
De school zorgt voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening. De registratie van het conflict
vindt plaats via de reguliere incidentenregistratie IRIS.
195
8.2
Schoolregels
Onder schoolregels zijn in dit schoolveiligheidsplan verschillende soorten regels vervat die in en om
de school gelden. Er is een onderscheid gemaakt tussen huisregels en gedragsregels. Regels op het
terrein van pesten, verzuim en privacy zijn apart behandeld (zie daarvoor het hoofdstuk
Schoolregels).
Door de ongelijksoortigheid van de regels is het niet goed mogelijk een algemeen stappenplan
overtreding schoolregels op te stellen. Op het terrein van absentie beschikt de school al over een
soort stappenplan via een protocol van de leerplichtambtenaar. Ook beschikken scholen in het
algemeen over een privacyreglement en soms over een anti-pestprotocol. Voor het zelf formuleren
van een uitgewerkt en gedetailleerd stappenplan overtreding schoolregels, kan de school
gebruikmaken van het hoofdstuk Schoolregels, en vooral van het hoofdstuk Sancties.
Het is voor de hantering van schoolregels van groot belang dat er duidelijkheid bestaat over de te
volgen stappen en de op te leggen sancties bij overtreding. Een onduidelijk sanctiebeleid werkt
willekeur in de hand en tast het rechtsgevoel van leerlingen aan. Heldere en proportionele sancties
vergroten daarentegen de acceptatie bij oplegging en geven meer zekerheid over een positief effect
van de sanctie op het gedrag van de overtreder.
196
8.2.1
Stappenplan overtreding schoolregels
Stap 1
Beoordeel in geval van een incident of er sprake is van het overtreden van een schoolregel.
Stap 2
Wijs de leerling op de overtreding en op de schoolregel.
Stap 3
Als er voor de overtreding van de schoolregel een apart protocol bestaat, handel dan volgens dit
protocol.
Stap 4
Als na de overtreding van een schoolregel het opleggen van een sanctie gepast wordt geacht, pas die
dan toe of verwijs naar een bevoegde medewerker.
Stap 5
Als er voor de overtreding van de schoolregel geen sanctie gepast lijkt, pas dan al of niet in overleg
met een bevoegde medewerker een redelijke sanctie toe, zo mogelijk ook in overleg met de leerling.
Stap 6
Pas bij alle stappen het principe van hoor en wederhoor toe.
Stap 7
Registratie, evaluatie en indien nodig herziening. De registratie van het incident vindt plaats via IRIS
(zie het hoofdstuk Incidentenregistratie). De evaluatie vindt korte tijd na het afronden van de hieraan
voorafgaande stappen plaats en betreft:
197
De handelingen door de school in het algemeen (het optreden van het personeel);



het effect van de sanctie;
de redelijkheid van het sanctiebeleid;
het functioneren van het stappenplan.
198
8.3
Schade
In beginsel draagt een ieder zijn eigen schade, tenzij er sprake is van omstandigheden op grond
waarvan een of meer anderen voor een deel of het geheel van die schade aansprakelijk zijn. Eerst zal
er dus bekeken moeten worden of de schade een (vermoedelijk) gevolg is van onrechtmatig
handelen van een (of meer) ander(en) dan de schadelijder. Alleen indien er geen enkele andere partij
naast de schadelijder is aan te merken als mogelijke (mede)verantwoordelijke voor de schade, kan er
voorzichtig van worden uitgegaan dat er geen sprake is van wettelijke aansprakelijkheid. Wettelijke
aansprakelijkheid gaat nogal eens verder dan in eerste instantie wordt gedacht. Daarom is het van
belang contact te onderhouden met de verzekeraar.
199
8.3.1
Stappenplan schade: beknopt
De schoolleiding is verantwoordelijk voor het stappenplan en coördineert de uitvoering van de
stappen.
Stap 1
Win op een neutrale manier informatie in over de omstandigheden van het geval bij gedupeerde,
getuigen, betrokkenen en de (eventuele) veroorzaker van de schade, zonder het bekennen van
schuld of het doen van toezeggingen over afhandeling van de schade.
Stap 2
Indien de schade mogelijk het gevolg is van onrechtmatig handelen, houd dan rekening met
wettelijke aansprakelijkheid (WA).
Stap 3
Indien de school mogelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade, overleg dan met de WAverzekeraar over de afhandeling van de zaak.
Stap 4
Indien de schade mogelijk het gevolg is van een strafbaar feit, stel dan het stappenplan strafbare
feiten in werking.
Stap 5
Indien de school mogelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade, handel dan steeds correct ten
opzichte van de gedupeerde.
Stap 6
Zorg voor registratie, evaluatie en (indien nodig) herziening.
200
8.3.2
Stappenplan schade: uitgebreid
Stap 1
Win op een neutrale manier informatie in over de omstandigheden van het geval bij gedupeerde,
getuigen, betrokkenen en de (eventuele) veroorzaker van de schade, zonder het bekennen van
schuld of het doen van toezeggingen over afhandeling van de schade.
In beginsel draagt een ieder zijn eigen schade, tenzij er sprake is van omstandigheden op grond
waarvan een of meer anderen voor een deel of het geheel van die schade aansprakelijk zijn. Eerst zal
er dus bekeken moeten worden of de schade een (vermoedelijk) gevolg is van onrechtmatig
handelen van een (of meer) ander(en) dan de schadelijder. Hierbij spelen onder andere de begrippen
toerekenbaarheid, schuld en causaliteit een rol.
Alleen indien er geen enkele andere partij naast de schadelijder is aan te merken als mogelijke
(mede)verantwoordelijke voor de schade, kan er voorzichtig van worden uitgegaan dat er geen
sprake is van wettelijke aansprakelijkheid (aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad) en dat de
schade geheel voor rekening van de schadelijder (of eventueel diens verzekering) komt.
Wees erop bedacht dat wettelijke aansprakelijkheid nogal eens verder gaat dan in eerste instantie
wordt gedacht.
Stap 2
Indien de schade mogelijk het gevolg is van onrechtmatig handelen, houd dan rekening met
wettelijke aansprakelijkheid (WA).
Indien de school geconfronteerd wordt met schade als mogelijk gevolg van onrechtmatig handelen
van een (of meer) derde(n), kan zij ervoor kiezen deze derde(n) voor de schade aansprakelijk te
stellen.
Indien de school (of haar medewerkers of leerlingen) mogelijk de (mede)verantwoordelijke is voor
schade aan een derde of aan eigen medewerkers of leerlingen, dient er voorzichtig te worden
201
gehandeld. Ga niet zelf experimenteren: aanvaard geen aansprakelijkheid en doe geen toezeggingen
over mogelijke schadevergoeding, ook al lijkt de zaak nog zo duidelijk en voor de hand liggend.
Dit wil overigens niet zeggen dat het empathisch vermogen hoeft te worden uitgeschakeld.
Verzekeraars raden het (impliciet) bekennen van schuld door de verzekerde echter wel af omdat dit
een mogelijk verweer tegen de aansprakelijkheid bemoeilijkt. Soms staat er zelfs een verbod hierop
in de polis en verliest de verzekerde zijn recht op vergoeding als hij schuld bekent. Lees de
verzekeringspolis dus zorgvuldig.
Stap 3
Indien de school mogelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade, overleg dan met de WAverzekeraar over de afhandeling van de zaak.
Meld potentiële claims zo vroeg mogelijk aan de verzekeringsmaatschappij en maak gebruik van hun
kennis en expertise door advies te vragen. In verzekeringspolissen is vaak een bepaling opgenomen
die de betalingsverplichting uitsluit in het geval de verzekeraar niet vanaf het begin bij het
afhandelen van de schadeclaim betrokken is geweest.
202
Stap 4
Indien de schade mogelijk het gevolg is van een strafbaar feit, gebruik dan ook het stappenplan
strafbare feiten.
Stap 5
Indien de school mogelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade, handel dan steeds correct ten
opzichte van de gedupeerde.
Behandel de gedupeerde niet als een vijand. De gedupeerde heeft er niet om gevraagd schade te
lijden. De situatie is voor beide partijen vervelend.
Stap 6
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening.
De registratie van het incident vindt plaats via de reguliere incidentenregistratie IRIS (zie het
hoofdstuk Incidentenregistratie). Opname van schadegevallen in de incidentenregistratie is van
belang om te weten te komen welke vormen van schade wanneer en waar voorkomen, zodat
preventieve maatregelen kunnen worden genomen.
De evaluatie vindt korte tijd na het sluiten van de zaak plaats en betreft de handelingen door de
school in het algemeen en het functioneren van het stappenplan. Bij negatieve punten die in de
evaluatie naar voren komen, wordt gekeken of deze punten kunnen worden verbeterd door een
herziening of aanvulling van delen van het stappenplan of door andere veranderingen in de
organisatie omtrent het afhandelen van schadegevallen.
203
8.4
Strafbare feiten
Een stappenplan strafbare feiten geeft richtlijnen over de acties die er kunnen of moeten worden
ondernomen als de school wordt geconfronteerd met een strafbaar feit. De noodzakelijkheid van de
stappen is afhankelijk van de ernst en de zwaarte van het feit en de omvang van het strafbare
gedrag. De omvang van strafbaar gedrag wordt onder andere bepaald door het aantal betrokkenen
zoals slachtoffers en omstanders en door zaken als de aandacht en bekendheid die de gebeurtenis
heeft gekregen en de ophef die erover is geweest.
204
8.4.1
Stappenplan strafbare feiten: beknopt
IN EERSTE INSTANTIE
De eerste vier stappen die onmiddellijk moeten worden genomen zijn hier onderverdeeld in twee
categorieën: categorie (a) bij het op heterdaad betrappen op het plegen van een strafbaar feit; en
categorie (b) bij een melding van een (al dan niet) gepleegd strafbaar feit.
Van stap 1 tot en met stap 4 worden deze categorieën afzonderlijk behandeld. Vanaf stap 5 vallen
categorie (a) en (b) weer samen.
Categorie (a): bij het op heterdaad betrappen op het plegen van een strafbaar feit
Stap 1a
Voer de dader mee naar een aparte ruimte waar de dader onder toezicht tot nader order verblijft.
Stap 2a
Neem met spoed contact op of laat contact opnemen met de schoolleiding.
Stap 3a
Bepaal in het korte spoedoverleg of de dader moet worden aangehouden en overgedragen aan de
politie.
Stap 4a
Afhankelijk van de vorige stap wordt de verdachte aangehouden en draagt de locatiedirecteur de
aangehouden verdachte onverwijld over aan de politie, of wordt de dader niet aangehouden en
beslist de locatiedirecteur of er een sanctie moet worden opgelegd (zie ook het hoofdstuk Sancties).
Categorie (b): bij een melding van een (al dan niet) gepleegd strafbaar feit
205
Stap 1b
Vang de melder van het strafbare feit op en verzamel informatie van de melder over het feit.
Stap 2b
Neem contact op of laat contact opnemen met de schoolleiding van de school.
Stap 3b
De schoolleiding overlegt over het inschakelen van de politie.
Stap 4b
Afhankelijk van de vorige stap, neemt de locatie directeur contact op met de contactpersoon van de
politie over de verdere aanpak en oplossing van de verdenking.
206
IN TWEEDE INSTANTIE
Stap 5
Zorg voor de opvang van de meest betrokken en overstuur geraakte personen.
Stap 6
Licht de mentor en de ouders/verzorgers van de dader in, indien dit een leerling betreft, en licht
wanneer van toepassing de ouders/verzorgers van het slachtoffer in, indien dit een leerling betreft.
Stap 7
In het geval dat de politie bij de zaak is betrokken, neem dan regelmatig contact op met de
contactpersoon van de politie om op de hoogte te blijven van de ontwikkeling van de zaak.
Stap 8
Scherm de school af van de media. Zie ook paragraaf 1.5 ‘Omgaan met de media’.
Stap 9
De schoolleiding of de Centrale Directie bepaalt of er een sanctie moet volgen.
IN DERDE INSTANTIE
Stap 10
De schoolleiding/ teamleider instrueert de mentor voor een klassengesprek.
Stap 11
207
De mentor voert een klassengesprek.
Stap 12
Er wordt indien nodig door de schoolleiding een gesprek gevoerd met het personeel.
IN VIERDE INSTANTIE
Stap 13
De schoolleiding voert een afrondend gesprek met de dader/verdachte/ex-verdachte en diens
ouders/verzorgers (indien dit een leerling betreft).
Stap 14
De schoolleiding voert een afrondend gesprek met eventuele slachtoffers en hun ouders/verzorgers
(indien dit leerlingen betreffen) en maakt afspraken over nazorg indien nodig.
Stap 15
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening van het stappenplan.
208
8.4.2
Stappenplan strafbare feiten: uitgebreid
IN EERSTE INSTANTIE
De eerste vier stappen die onmiddellijk moeten worden genomen zijn hier onderverdeeld in twee
categorieën: categorie (a) bij het op heterdaad betrappen op het plegen van een strafbaar feit; en
categorie (b) bij een melding van een (al dan niet) gepleegd strafbaar feit.
Van stap 1 tot en met stap 4 worden deze categorieën afzonderlijk behandeld. Vanaf stap 5 vallen
categorie (a) en (b) weer samen.
Categorie (a): bij het op heterdaad betrappen op het plegen van een strafbaar feit
Stap 1a
Voer de dader mee naar een aparte ruimte waar de dader onder toezicht tot nader order verblijft.
Een ieder, dus elke burger, is in geval van ontdekking op heterdaad bevoegd de verdachte aan te
houden (artikel 53 lid 1 WvSv).
In het geval dat een medewerker of leerling van de school de dader van een strafbaar feit op
heterdaad betrapt, verdient het echter aanbeveling om de verdachte pas aan te houden na een kort
spoedoverleg met de schoolleiding (zie de volgende stappen). Hangende dit spoedoverleg wordt de
dader onder toezicht apart gehouden.
Onder 'heterdaad' wordt verstaan:
(a) het moment dat het strafbare feit wordt ontdekt;
(b) terwijl het strafbare feit wordt begaan; of
(c) terstond nadat het strafbare feit is begaan (art. 128 lid 1 WvSv).
In gewone taal kun je van heterdaad spreken:
209
(a) wanneer je het strafbare feit 'betrapt' zonder dat de dader erbij is (denk aan een fout geparkeerd
auto zonder de bestuurder);
(b) wanneer je iemand betrapt op het plegen van een strafbaar feit; of
(c) wanneer je iemand net niet hebt betrapt, maar de zaak zo vers is dat je toch nog van heterdaad
kunt spreken.
Heterdaad is beperkt tot kort na de ontdekking (zie art. 128 lid 2 WvSv). Hoe lang het moment duurt
waarin je van heterdaad kunt spreken, is niet precies aan te geven. Van invloed op het voortduren
van de heterdaad-periode is hoeveel moeite er wordt gedaan om de dader te pakken te krijgen.
Als er na de ontdekking vrijwel onafgebroken maatregelen worden getroffen om de dader te pakken,
kan de heterdaad-periode worden opgerekt. Na het 'pakken' van de dader is het in ieder geval van
belang om spoedig tot aanhouding over te gaan.
Wanneer iemand een dader betrapt, niet aanhoudt, een aantal uren later de dader weer ziet lopen
en alsnog wil aanhouden, kan er niet meer van heterdaad worden gesproken.
De stap van de aanhouding op heterdaad is van belang aangezien het voor de politie dan een stuk
makkelijker is om de verdachte mee te nemen. De politie kan de zaak dan oppakken alsof zij zelf de
verdachte op heterdaad heeft betrapt. Het 'betrappen op heterdaad' kan dus als het ware aan de
politie worden overgedragen. Dit is belangrijk omdat de wet aan de politie (net als aan de burger)
meer bevoegdheden verschaft bij een aanhouding op heterdaad dan bij een aanhouding niet op
heterdaad.
Stap 2a
Neem met spoed contact op of laat contact opnemen met de schoolleiding.
Stap 3a
Bepaal in het korte spoedoverleg of de dader moet worden aangehouden en overgedragen aan de
politie.
210
Aangifte van strafbare feiten is in het Wetboek van Strafrecht slechts verplicht (art. 160 WvSv) bij het
kennis dragen (dat is dus meer dan een vermoeden hebben) van bepaalde strafbare feiten,
waaronder misdrijven die tegen het leven zijn gericht (art. 287-294 WvSr) en verkrachting (art. 242
WvSr), inclusief de poging en de voorbereiding van deze misdrijven (art. 129 WvSv).
In de Wet voortgezet onderwijs is de aangifteplicht uitgebreid bij (strafbaar) seksueel gedrag van een
medewerker tegen een minderjarige leerling, zie daarvoor de paragraaf Stappenplan seksuele
intimidatie en misbruik.
Veel scholen hebben in een convenant met politie (en justitie) afgesproken dat er van alle strafbare
feiten melding wordt gedaan aan de politie. In die gevallen is aangifte/melding van alle strafbare
feiten verplicht, zij het niet op grond van de wet maar op grond van het convenant. Vaak staat hier
tegenover dat de politie aan deze zaken voorrang verleent, wat een snelle afhandeling in de hand
werkt.
Voor een voorbeeld van een convenant zie de paragraaf Convenant Veilig in en om School.
Dat aangifte niet bij alle strafbare feiten wettelijk verplicht is, wil overigens niet zeggen dat het niet
wenselijk is om in beginsel altijd aangifte te doen bij strafbare feiten. Een ieder die kennis draagt van
een begaan strafbaar feit is dan ook bevoegd daarvan aangifte te doen of een klacht in te dienen bij
politie of justitie (art. 161 WvSv).
Stap 4a
Afhankelijk van de vorige stap wordt de verdachte aangehouden en draagt de locatiedirecteur de
aangehouden verdachte onverwijld over aan de politie. Wordt de dader niet aangehouden dan
beslist de locatiedirecteur of er een sanctie moet worden opgelegd (zie ook het hoofdstuk Sancties).
Het overdragen van de dader aan een opsporingsambtenaar moet wel onverwijld (art. 53 lid 4 WvSv)
na de aanhouding plaatsvinden, dat wil zeggen in één vloeiende beweging. Dit is niet alleen zo
vanwege deze wettelijke plicht, maar ook omdat het moment waarop je kunt spreken van heterdaad
kan verlopen.
Ter illustratie: als een medewerker een leerling op heterdaad aanhoudt, daarna weer zonder verdere
restricties laat gaan en hem vervolgens een paar uur later weer tegenkomt, kan hij de leerling niet
nogmaals aanhouden omdat er dan geen sprake meer is van heterdaad. Als de medewerker de
211
leerling na de (eerste) aanhouding onder toezicht houdt tot de politie een paar uur later arriveert,
duurt de heterdaadperiode voort. De verdachte moet dus vanaf de aanhouding tot de overdracht
aan de politie aangehouden blijven.
212
Categorie (b): bij een melding van een (al dan niet) gepleegd strafbaar feit
Stap 1b
Vang de melder van het strafbare feit op en verzamel informatie van de melder over het feit.
De manier waarop de melder wordt opgevangen, is afhankelijk van de wijze waarop de melding
plaatsvindt, de relatie van de melder met een eventueel slachtoffer en/of met de beschuldigde en de
leeftijd van de melder. De opvang kan ter plekke worden verzorgd, de melder kan worden
doorverwezen of er kan een afspraak worden gemaakt voor een vervolgcontact.
Stap 2b
Neem contact op of laat contact opnemen met de schoolleiding van de school.
Stap 3b
De schoolleiding overlegt over het inschakelen van de politie.
Eigen onderzoek door de school naar de juistheid van de melding kan voorkomen dat er onjuiste
beschuldigingen worden gedaan en dat er onterecht aangifte wordt gedaan. Eigen onderzoek kan
echter ook negatieve effecten hebben, zoals het (onbedoeld) versterken van onjuiste
beschuldigingen of het beïnvloeden van getuigen. Onderzoek kan daarom het beste plaatsvinden
door mensen die hiervoor zijn opgeleid. Het is verstandig het eigen onderzoek te beperken tot
datgene wat noodzakelijk is om te bepalen of er een redelijk vermoeden van schuld is en om uit te
sluiten dat het om een misselijke grap gaat.
Stap 4b
Afhankelijk van de vorige stap, neemt de locatiedirecteur wel of niet contact op met de
contactpersoon van de politie over de verdere aanpak en oplossing van de verdenking.
IN TWEEDE INSTANTIE
213
Stap 5
Zorg voor de opvang van de meest betrokken en overstuur geraakte personen.
Leerlingen en personeelsleden die overstuur zijn, worden doorverwezen naar de
vertrouwenspersoon. Bij een zwaar strafbaar feit kunnen bij ooggetuigen of andere nauw
betrokkenen posttraumatische stressreacties optreden. Dit zijn reacties die zich bij onvoldoende
begeleiding tot chronische stoornissen kunnen ontwikkelen. Kinderen kunnen extreem angstig
reageren op een bedreigende situatie. Daarom is het van belang de betrokkenen niet aan zichzelf
over te laten.
Stap 6
Licht de mentor en de ouders/verzorgers van de dader in, indien dit een leerling betreft, en licht
wanneer van toepassing de ouders/verzorgers van het slachtoffer in, indien dit een leerling betreft.
Geef bij vragen van direct betrokkenen zo volledig mogelijke en precieze informatie: draai niet om
pijnlijke feiten heen. Versluiering heeft vaak negatieve gevolgen. Geef het slechte nieuws
onmiddellijk en blijf bij de feiten, bij twijfel of onduidelijkheid moet expliciet worden gesteld dat er
sprake is van twijfel of onduidelijkheid. Vertel het hoe, waar en wanneer van de gebeurtenis.
214
Stap 7
In het geval dat de politie bij de zaak is betrokken, neem dan regelmatig contact op met de
contactpersoon van de politie om op de hoogte te blijven van de ontwikkeling van de zaak.
Stap 8
Scherm de school af van de media.
Zie het hoofdstuk Coördinatie veiligheid van dit schoolveiligheidsplan voor meer informatie over de
omgang met de media.
Stap 9
De schoolleiding of het bevoegd gezag bepaalt of er een sanctie moet volgen.
Bij het opleggen van een sanctie wordt rekening gehouden met de indruk die het eventuele
strafproces en/of de eventuele straf reeds op verdachte maakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat met
disciplinaire maatregelen niet hoeft te worden gewacht tot
de strafrechter uitspraak heeft gedaan. Er is uiteraard wel zorgvuldig onderzoek nodig, met hoor en
wederhoor, om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van een onterechte beschuldiging.
Bij een verdenking van een zwaar feit waar de school ernstig door is geschokt, wordt de verdachte
tijdens de behandeling van de zaak geschorst. Indien de verdachte een leerling is en de schorsing
leidt tot een langere periode van schoolverzuim, treedt de schoolleiding alvorens tot schorsing over
te gaan in overleg met de leerplichtambtenaar (zie verder het hoofdstuk Sancties).
215
IN DERDE INSTANTIE
Stap 10
De schoolleiding Instrueert de mentor voor een klassengesprek.
Kijk voor meer informatie over klassengesprekken over ernstige zaken in de paragraaf Stappenplan
overlijden.
Stap 11
De mentor voert een klassengesprek.
Stap 12
De schoolleiding voert indien nodig een personeelsgesprek.
Kijk voor meer informatie over personeelsgesprekken over ernstige zaken in de paragraaf
Stappenplan overlijden.
IN VIERDE INSTANTIE
Stap 13
Voer een afrondend gesprek met de dader/verdachte/ex-verdachte en diens ouders/verzorgers
(indien dit een leerling betreft).
Stap 14
Voer een afrondend gesprek met eventuele slachtoffers en hun ouders/verzorgers (indien dit
leerlingen betreffen).
Stap 15
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening.
De registratie van het incident vindt plaats via IRIS (zie het hoofdstuk Incidentenregistratie).
216
De evaluatie vindt korte tijd na het sluiten van de zaak plaats en betreft de handelingen door de
school in het algemeen en het functioneren van het stappenplan.
217
8.5
Seksuele intimidatie en misbruik
Een voorval van seksuele intimidatie of seksueel misbruik is een uiterst onprettige gebeurtenis voor
het slachtoffer, maar ook voor de school. Of er sprake is van seksuele intimidatie wordt in eerste
instantie bepaald door het slachtoffer.
In artikel 4 Arbo-wet wordt expliciet vermeld dat de werkgever moet zorgen voor de bescherming
(van leerlingen) tegen seksuele intimidatie. Bij seksueel misbruik is het objectiever te bepalen dat er
grenzen zijn overschreden. Dit modelstappenplan seksuele intimidatie en misbruik beperkt zich tot
gevallen van strafbaar seksueel gedrag tegenover een minderjarige leerling door een ten behoeve
van diens school met taken belast meerderjarig persoon.
Dat kan dus een docent zijn, maar ook iemand van het onderwijsondersteunend personeel of een
stagiair. Scholen weten vaak niet hoe ze met dergelijke gevallen om moeten gaan en ook de
wettelijke voorschriften zijn niet altijd bekend.
Verkeerd handelen maakt de situatie erger en kan betrokkenen in een toch al kwetsbare situatie nog
meer beschadigen. Om dat te voorkomen, geeft dit stappenplan de nodige informatie in een logische
volgorde. Wegens de speciale aard van deze delicten - de gevoeligheid van het onderwerp, de
machtsongelijkheid waarvan meestal sprake is en de kwetsbaarheid van de leerling - is het dringend
gewenst om naast een stappenplan strafbare feiten ook een stappenplan seksuele intimidatie en
misbruik ter beschikking te hebben, zodat bovengenoemde gevallen gerichter kunnen worden
behandeld.
Bovendien zijn er op dit gebied belangrijke wettelijke regels waaraan de school en haar medewerkers
zich moeten houden. Het is goed om te weten dat door na te laten te handelen volgens deze regels
de school zowel aansprakelijk kan worden gesteld door of namens het slachtoffer, als financiële
sancties kan krijgen van de minister wegens het schenden van de WVO (art. 104 lid 1 WVO).
218
8.5.1
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik: beknopt
Dit stappenplan beperkt zich tot gevallen van strafbaar seksueel gedrag tegenover een minderjarige
leerling door een ten behoeve van diens school met taken belast meerderjarig persoon (hierna te
noemen: medewerker).
Voor een eventueel lopende klachtprocedure inzake seksuele intimidatie, zie de paragraaf
Klachtenregeling seksuele intimidatie.
IN EERSTE INSTANTIE
Stap 1
Wanneer aan een medewerker van de school op een of andere wijze bekend is geworden dat een
andere medewerker van de school zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan strafbaar
seksueel gedrag jegens een minderjarige leerling van de school, moet hij of zij dit onverwijld melden
aan de schoolleiding. Dit is een wettelijke plicht.
Stap 2
De Centrale Directie overlegt met de vertrouwensinspecteur. Dit is een wettelijke plicht.
Stap 3
Bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit informeert de Centrale Directie de verdachte en de
ouders van het slachtoffer dat er aangifte wordt gedaan. Dit is een wettelijke plicht.
Stap 4
Bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit doet de Centrale Directie onverwijld aangifte bij
een opsporingsambtenaar en stelt de Centrale Directie de vertrouwensinspecteur van de aangifte in
kennis. Dit is een wettelijke plicht.
IN TWEEDE INSTANTIE
219
Stap 5
De school onderhoudt contact met en verleent zorg aan het slachtoffer en diens familie en zorgt
tevens voor de beschuldigde.
Stap 6
De centrale Directie neemt een beslissing over eventuele disciplinaire maatregelen (sancties).
IN DERDE INSTANTIE
Stap 7
De school verleent nazorg aan het slachtoffer en diens ouders/verzorgers of zorgt, in geval van valse
aantijgingen, voor rehabilitatie van de beschuldigde.
Stap 8
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening.
220
8.5.2
Stappenplan seksuele intimidatie en misbruik: uitgebreid
Dit stappenplan beperkt zich tot gevallen van seksuele intimidatie en misbruik van een minderjarige
leerling door een ten behoeve van diens school met taken belast meerderjarig persoon (hierna te
noemen: medewerker). Voor een lopende klachtprocedure, zie de paragraaf Klachtenregeling
seksuele intimidatie.
IN EERSTE INSTANTIE
Stap 1
Wanneer een medewerker van de school op een of andere wijze bekend is geworden dat een andere
medewerker van de school zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan strafbaar seksueel
gedrag jegens een minderjarige leerling van de school, moet hij of zij dit onverwijld melden aan de
schoolleiding. Dit is een wettelijke plicht.
Deze wettelijke meldplicht staat in artikel 3 lid 3 WVO.
Het is van belang voor betrokkenen en voor het onderzoek dat deze informatie door de meldende
medewerker niet tevens aan derden wordt verstrekt, maar geheim wordt gehouden ten minste
totdat de zaak is afgehandeld.
Stap 2
De Centrale Directie overlegt met de vertrouwensinspecteur. Dit is een wettelijke plicht.
Deze wettelijke plicht tot overleg staat in artikel 3 lid 1 WVO. Dit overleg dient er met name toe te
bepalen of er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld van de beschuldigde persoon aan een
misdrijf tegen de zeden als genoemd in de artikelen in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht
jegens een minderjarige (zie ook art. 3 lid 2 WVO).
Stap 3
Bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit informeert de Centrale Directie de verdachte en de
ouders van het slachtoffer over het feit dat er aangifte wordt gedaan. Dit is een wettelijke plicht.
221
Deze wettelijke plicht om, voordat er aangifte wordt gedaan, deze direct betrokkenen te informeren
over deze aangifte, staat in artikel 3 lid 2 WVO.
Met de vertrouwensinspecteur kan worden overlegd wie de betrokkenen informeert.
Stap 4
Bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit doet de Centrale Directie onverwijld aangifte bij
een opsporingsambtenaar en stelt de Centrale Directie de vertrouwensinspecteur van de aangifte in
kennis. Dit is een wettelijke plicht.
Deze wettelijke aangifteplicht bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto 141
WvSv (justitie of politie) en de kennisgeving hiervan aan de vertrouwensinspecteur, staan in artikel 3
lid 1 WVO.
Met de vertrouwensinspecteur kan worden overlegd bij wie het beste aangifte kan worden gedaan:
bij de regiopolitie of bij justitie.
222
IN TWEEDE INSTANTIE
Stap 5
De school onderhoudt contact met en verleent zorg aan het slachtoffer en diens familie en zorgt
tevens voor de beschuldigde.
Met de vertrouwensinspecteur kan worden overlegd wie de klager en het mogelijke slachtoffer of de
mogelijke slachtoffers en de ouders/verzorgers ondersteunt tijdens het onderzoek. Dit kan een
vertrouwenspersoon zijn. Ook kan de vertrouwensinspecteur gespecialiseerde hulpverlening
inschakelen.
Met de vertrouwensinspecteur kan worden overlegd wie de beschuldigde ondersteunt tijdens het
onderzoek, het gaat hier om psychische ondersteuning en rechtsbijstand.
Stap 6
De centrale Directie neemt een beslissing over eventuele disciplinaire maatregelen (sancties).
Het kan wenselijk zijn om parallel aan het justitieel onderzoek zelf een onderzoek in te stellen, maar
dit is meestal niet aan te raden.
Onderzoek in zo'n gevoelige zaak kan, met name wanneer het wordt uitgevoerd door nietdeskundigen, niet alleen meer kapot maken dan dat het goed doet, maar het kan ook getuigen
beïnvloeden.
Eigen onderzoek is dan ook slechts wenselijk in het geval de lange looptijd van het justitiële
onderzoek problemen oplevert en er mede daardoor de noodzaak ontstaat een intern onderzoek te
starten.
Er kan dan aan de klager worden geadviseerd een klacht in te dienen bij de klachtencommissie (zie
daarvoor de paragraaf Klachtenregeling seksuele intimidatie).
Er kan ook een onderzoek worden gestart ten behoeve van eventuele oplegging van een sanctie zoals
schorsing. Uit de jurisprudentie blijkt dat met disciplinaire maatregelen niet hoeft te worden gewacht
tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan. Er is uiteraard wel zorgvuldig onderzoek nodig, met hoor
en wederhoor, om er zeker van te zijn dat er geen sprake is van een onterechte beschuldiging.
Over eventueel door de school op te leggen sancties kan worden overlegd met de
vertrouwensinspecteur. Zie over sancties ook het hoofdstuk Sancties.
223
IN DERDE INSTANTIE
Stap 7
De school verleent nazorg aan het slachtoffer en diens ouders/verzorgers of zorgt, in geval van valse
aantijgingen, voor rehabilitatie van de beschuldigde.
Nazorg voor het slachtoffer en diens ouders geschiedt bij voorkeur door dezelfde personen en/of
instanties die eerder gedurende de zaak zorg hebben verleend.
Rehabilitatie van de beschuldigde, indien er sprake is geweest van valse aantijgingen, wordt
aangeboden door de Centrale Directie en wordt bij voorkeur uitgevoerd door degene die de
beschuldigde heeft ondersteund tijdens het proces.
Een van de mogelijkheden voor rehabilitatie is de bekendmaking dat de beschuldiging vals was.
Stap 8
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening.
De registratie van het incident vindt plaats via IRIS (zie het hoofdstuk Incidentenregistratie).
224
De evaluatie vindt korte tijd na het afronden van de hieraan voorafgaande stappen plaats en betreft
de handelingen door de school in het algemeen en het functioneren van het stappenplan. Bij
negatieve punten die in de evaluatie naar voren komen, wordt gekeken of deze punten kunnen
worden verbeterd door een herziening of aanvulling van delen van het stappenplan of door andere
veranderingen in de organisatie omtrent de omgang met seksuele intimidatie en misbruik op school.
Van algemene aanvullingen of herziening van het stappenplan wordt verslag gedaan aan de
preventiemedewerker, zodat eventueel het modelstappenplan kan worden aangepast.
225
8.6 Ongevallen
De hevigheid waarmee een ongeval op school wordt beleefd, is afhankelijk van de omstandigheden
en van de rol van het slachtoffer op school. Vanzelfsprekend bevat een stappenplan ongevallen niet
alleen maar strakke voorschriften, elk ongeluk staat immers op zichzelf, maar een stappenplan kan
onontbeerlijk zijn bij een emotioneel belastende gebeurtenis als een ongeluk. Een stappenplan biedt
structuur, houvast en overzicht en voorkomt dat mensen belangrijke handelingen vergeten of de
handelingen in een verkeerde volgorde verrichten. Bij een ongeval is het van groot belang dat er een
goede coördinatie is en dat er zorgvuldig wordt gehandeld. Het modelstappenplan ongevallen biedt
deze houvast. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de bedrijfshulpverlening (BHV). In de praktijk
is gebleken dat de bedrijfshulpverlening door opleiding en organisatiegraad zeer goed in staat is
adequaat op te treden bij ongevallen.
226
8.6.1
Stappenplan ongevallen: beknopt
De bedrijfhulpverlening wordt gecoördineerd door de preventiemedewerker. Deze is
verantwoordelijk voor het opstellen van het stappenplan en de coördinatie hiervan. Het verdelen van
taken en de uitvoering van het stappenplan ligt bij de locale directie.
Op de meeste locaties ligt deze taak bij de hoofdconciërge.
EERSTE MINUUT
Stap 1
De eerst gearriveerde op de plaats van het ongeval alarmeert direct een BHV’er. De BHV’er neemt
de hulpverlening over.
Stap 2
De BHV’er maakt een inschatting van de situatie, verleent eerste hulp bij ongelukken en vraagt
hierbij eventueel assistentie van andere BHV’ers. Hij schakelt indien nodig hulpdiensten in.
EERSTE UUR
Stap 3
De BHV’er brengt de schoolleiding op de hoogte.
De schoolleiding licht familie, personeel, leerlingen en hun ouders/verzorgers in. Verder worden de
benodigde administratieve handelingen verricht.
Stap 4
Teamleiders en mentor(en) zorgen voor de opvang van de betrokken en overstuur geraakte overige
personen ter plaatse.
227
EERSTE DAG
Stap 5
De school wordt afgeschermd van de media. De pers wordt alleen te woord gestaan door de
Voorzitter Centrale Directie.
Stap 6
De school onderhoudt contact met het slachtoffer en diens familie.
Stap 7
Van een ongeval met ziekenhuisopname of waarbij kans is op blijvend letsel wordt schriftelijk
melding gedaan bij de Arbeidsinspectie. Dit gebeurt door de preventiemedewerker. Deze moet z.s.m.
op de hoogte gebracht worden op telefoonnummer: 0651191086
De preventiemedewerker moet bij ongelukken op de hoogte worden gebracht. Deze onderzoekt het
ongeluk en rapporteert vervolgens aan de schoolleiding.
EERSTE WEEK
Stap 8
Een vertegenwoordiger van de school brengt een bezoek aan het slachtoffer en diens familie.
228
Stap 9
De bedrijfshulpverlener, de schoolleiding of de mentor(en) draagt zorg voor de verlening van nazorg
aan het slachtoffer en diens familie.
Stap 10
Zorg voor registratie in IRIS, evaluatie en indien nodig herziening van het stappenplan.
229
8.6.2
Stappenplan ongevallen: uitgebreid
EERSTE MINUUT
Stap 1
De eerst gearriveerde alarmeert direct een BHV’er. De BHV’er neemt de hulpverlening over.
Wanneer er een ongeval plaatsvindt waardoor een leerling of medewerker ernstig gewond raakt,
wordt allereerst 112 gebeld.
Zolang er geen BHV'er is, zullen anderen actie moeten ondernemen.
Kijk om te beginnen of er nog gevaar aanwezig is. Dit kan van alles zijn: naderend verkeer,
brandgevaarlijke stoffen enzovoort.
Alleen in dergelijke gevallen mogen niet-deskundigen het slachtoffer verplaatsen.
Richt je snel op de vitale levensfuncties van het slachtoffer: bloedsomloop, ademhaling en
bewustzijn.
Het bewustzijn controleer je door met het slachtoffer te spreken, op de schouders te kloppen of met
de handen boven het hoofd van het slachtoffer te klappen in afwachting van een reactie. Probeer bij
geen reactie een pijnprikkel: een flinke kneep in een van de oorlellen of in de bovenkant van de
hand.
Een goede manier om de ademhaling te controleren is door een hand, zonder druk uit te oefenen,
met gespreide vingers in de richting van het hoofd op de overgang van buik en borst te leggen. Let op
dat er geen knellende kleding is of vreemde voorwerpen in de mond zitten.
230
De bloedsomloop controleer je door met de wijs- en middelvinger (niet de duim, dan voel je je eigen
hartslag) aan de duimkant naast de pees aan de binnenkant van de pols te drukken. Als je hier geen
hartslag voelt, voel dan met je vingers aan de halsslagader (doe dat maar aan één kant).
Wanneer de ademhaling en bloedsomloop niet functioneren, zal het slachtoffer moeten worden
gereanimeerd.
Vervolgens moet de verdere conditie van het slachtoffer worden bepaald. Stel eerst vragen aan het
slachtoffer en/of de omstanders. Stel het slachtoffer gerust: treed zorgzaam op, zeg dat de
ambulance eraan komt en verlaat het slachtoffer niet.
Wanneer het slachtoffer voldoende bij kennis is, kunnen alvast voorbereidende vragen worden
gesteld voor het ambulancepersoneel. Vraag bijvoorbeeld of het slachtoffer pijn heeft en waar.
Daarnaast is het ook van belang om het slachtoffer enigszins af te leiden en niet te veel naar de
verwondingen te laten kijken, dit om te voorkomen dat het slachtoffer in paniek raakt. Ook is het van
belang weinig uitspraken te doen tegenover het slachtoffer over diens letsel, maar blijf natuurlijk wel
de waarheid spreken. Niet-deskundigen kunnen de situatie verkeerd inschatten en iemand onnodig
ongerust maken of ten onrechte laten denken dat het niet ernstig is.
231
Als de kans bestaat dat het slachtoffer botbreuken heeft opgelopen, is het van belang dat het
slachtoffer de gebroken delen niet beweegt. Dit geldt met name als het de rug, de nek of het hoofd
betreft. Bewegen kan bij breuken leiden tot permanente beschadiging. Ook als iemand buiten
bewustzijn is, kan hij of zij uit een reflex proberen overeind te komen. Probeer het slachtoffer gerust
te stellen en niet te veel te laten bewegen. Blijf wachten tot het ambulancepersoneel er is.
Indien het slachtoffer hevig bloedt, is het van belang de slagader die naar de wond loopt, dicht te
knijpen. Dit kan door een stuk stof of touw heel strak om het bloedende ledemaat te knopen, boven
(niet op) de wond: tussen de wond en het hart. Wanneer het slachtoffer gewond is geraakt door een
scherp object, zoals een mes, en dit object zit nog in de wond, laat het dan zitten en wacht tot de
hulpdiensten er zijn. Wanneer je het object uit de wond trekt, kan dit bloedingen verergeren.
Stap 2
De BHV’er maakt een inschatting van de situatie, verleent eerste hulp bij ongelukken en vraagt
hierbij eventueel assistentie van andere BHV’ers. Hij schakelt indien nodig hulpdiensten in.
Zodra blijkt dat een leerling of medewerker een ongeval heeft gehad, wordt een BHV’er
gewaarschuwd.Er zijn in de school minimaal vijf getrainde personen die zijn aangewezen of zich
hebben opgegeven als bedrijfshulpverlener.
Van het stappenplan ongevallen en de bereikbaarheid van de verschillende bedrijfshulpverleners zijn
minimaal op de hoogte: de schoolleiding, de preventiemedewerker, de bedrijfshulpverleners, de
mentoren en de conciërge of portier. De bedrijfshulpverlener is ervaren in, of ten minste bekend
met, de uitvoering van het stappenplan en hij of zij heeft het stappenplan in eigen bezit.
De bedrijfshulpverlener draagt conform het stappenplan zorg voor de hulpverlening en de opvang
van de melder(s). De bedrijfshulpverlener zal de toestand van het slachtoffer inschatten, eerste hulp
bij ongelukken toepassen en alarmdiensten inschakelen voor zover dit niet reeds is gebeurd.
Daarnaast verzamelt de bedrijfshulpverlener kort informatie van de melder over de omstandigheden
van het ongeval. Verder stelt de bedrijfshulpverlener de ouders, de schoolleiding en de overige
232
bedrijfshulpverleners op de hoogte van wat er is gebeurd, ofwel hij of zij laat hen op de hoogte
stellen. De bedrijfshulpverlener betrekt ten minste één persoon die bekend is met het slachtoffer,
bijvoorbeeld de mentor, bij de verdere procedure. Deze persoon kan tevens de vaste contactpersoon
worden voor de familie. De bedrijfshulpverlener handelt in samenspraak met de schoolleiding.
233
EERSTE UUR
Stap 3
De schoolleiding licht familie, personeel, leerlingen en hun ouders/verzorgers in. Verder worden de
benodigde administratieve handelingen verricht.
De volgorde hieronder kan in de meeste gevallen worden aangehouden.
Schoolleiding
De bedrijfshulpverlener stelt samen met de schoolleiding de inhoud van de te verspreiden informatie
vast en dit wordt door de schoolleiding doorgesproken met degenen die de telefoon aannemen. De
schoolleiding zorgt ervoor dat de Voorzitter Centrale Directie op de hoogte wordt gebracht. De
Voorzitter Centrale Directie staat eventueel pers te woord.
Familie slachtoffer
Bij een ongeval van een leerling of medewerker, in het bijzonder wanneer dit het gevolg is van een
incident in schoolverband, zal er vóór het inlichten van het personeel en de leerlingen contact
moeten worden opgenomen met de familie van het slachtoffer, dit wordt bij voorkeur gedaan door
de schoolleiding.
Personeel
Alle medewerkers die op school aanwezig zijn, worden op de hoogte gebracht tijdens een korte
bijeenkomst met de schoolleiding en de bedrijfshulpverlener in de docentenkamer. Indien dit niet
mogelijk is, wordt er langs de klassen gegaan om de docenten in te lichten. Er wordt tevens een
mededeling in de docentenkamer opgehangen.
Leerlingen
Docenten informeren de klassen die zij op dat moment lesgeven.
234
Ouders/verzorgers
De ouderraad wordt geïnformeerd door de schoolleiding.
235
Administratieve en organisatorische handelingen
De roostermaker stelt de bedrijfshulpverlener die dag vrij van lessen. Er wordt tevens een ruimte
vrijgemaakt met telefoons voor mensen die naar huis willen bellen. Verzending van post vanuit de
school naar de betrokken leerling of medewerker wordt gecoördineerd.
Stap 4
Teamleiders en mentor(en) zorgen voor de opvang van de betrokken en overstuur geraakte
personen.
Voor leerlingen en personeelsleden die overstuur zijn, wordt een achterwacht geregeld. De
achterwacht draagt tevens zorg voor het zorgvuldig opvangen van directe vrienden en vriendinnen
(medeleerlingen) en van de personen die bij het ongeval aanwezig zijn geweest.
De contactpersoon voor de familie bezoekt de familie en/of het slachtoffer, tenzij de schoolleiding dit
niet nodig acht. Met het slachtoffer en diens familie worden afspraken gemaakt voor nazorg. De
contactpersoon overlegt met het slachtoffer en diens familie over bezoek van leerlingen en
medewerkers aan het slachtoffer.
EERSTE DAG
Stap 5
De school wordt afgeschermd van de media. De pers wordt alleen te woord gestaan door de
Voorzitter Centrale Directie.
Zie voor meer informatie de paragraaf Omgang met de media.
Stap 6
De school onderhoudt contact met het slachtoffer en diens familie.
Stap 7
236
Van een ongeval met ernstig letsel, ziekenhuisopname of waarbij kans is op blijvend letsel wordt
melding gedaan bij de Arbeidsinspectie. Dit gebeurd door de preventiemedewerker. Deze moet
z.s.m. op de hoogte gebracht worden van het ongelval op telefoonnummer: 0651191086
Indien het ongeval leidt tot ernstig lichamelijk of geestelijk letsel of de dood als gevolg heeft (zie ook
de paragraaf Stappenplan overlijden), doet de preventiemedewerker een schriftelijke mededeling
hiervan aan een ambtenaar van de Arbeidsinspectie.
Onder ernstig lichamelijk of geestelijk letsel wordt verstaan: schade aan de gezondheid waardoor
binnen 24 uur na het ongeval tot opname in het ziekenhuis wordt overgegaan, ofwel letsel dat naar
redelijk oordeel blijvend is (art. 9 lid 1 juncto 2 sub b Arbeidsomstandighedenwet).
De preventie medewerker moet op de hoogte worden gebracht van alle ongelukken die
plaatsvinden. Van elk ongeluk moet worden vastgesteld of dit voorkomen had kunnen worden of
dienen er maatregelen genomen te worden om dergelijke ongelukken in de toekomst te voorkomen.
De preventiemedewerker onderzoekt het ongeluk en rapporteert aan de schoolleiding.
237
EERSTE WEEK
Stap 8
Een vertegenwoordiger van de school brengt een bezoek aan het slachtoffer en diens familie.
EERSTE MAAND
Stap 9
De bedrijfshulpverlener, de schoolleiding of de mentor(en) draagt zorg voor de verlening van nazorg
aan het slachtoffer en diens familie.
De contactpersoon voor de familie onderhoudt contact met het slachtoffer en diens familie. Indien
nodig wordt verdere hulpverlening aangeboden.
238
Stap 10
Zorg voor registratie in IRIS, evaluatie en indien nodig herziening.
De registratie van het incident vindt plaats via de reguliere incidentenregistratie IRIS (zie het
hoofdstuk Incidentenregistratie).
De evaluatie vindt korte tijd na het afronden van de hieraan voorafgaande stappen plaats en betreft:
-
de handelingen door de school in het algemeen;
het functioneren van de bedrijfshulpverlening;
het functioneren van de schoolleiding;
het functioneren van het stappenplan. Bij negatieve punten die in de evaluatie naar voren
komen, wordt gekeken of deze punten kunnen worden verbeterd door een herziening of
aanvulling van delen van het stappenplan of van de samenstelling van de beschikbare
bedrijfshulpverlening.
Van algemene aanvullingen of herziening van het stappenplan wordt verslag gedaan aan de
preventiemedewerker, zodat eventueel ook het modelstappenplan kan worden aangepast.
239
8.6.3
Stappenplan BHV
Het verlenen van eerste hulp:
Stap 1
Degene waar de melding van het ongeluk binnenkomt schakelt direct de
bedrijfhulpverlening in. De BHV’er neemt de hulpverlening over.
Stap 2
De BHV’er draagt zorg voor de verlening van eerste hulp. Hij/zij beoordeeld de
situatie en schakelt zo nodig hulpdiensten in.
Stap 3
Het afdelingshoofd of mentor wordt op de hoogte gesteld.
Bij vervoer naar de spoedeisende hulp:
Stap 1
De BHV’ers dragen zorg voor het vervoer van het slachtoffer.
Stap 2
De BHV’er betrekt ten minste één persoon die bekend is met het slachtoffer bij de
procedure. Als het een leerling betreft die mee gaat naar de Spoedeisende hulp moet
dit ook bekend zijn bij de ouders. De BHV’er licht de ouders/ verzorgers in of betrekt
de teamleider bij het incident zodat deze ouders/verzorgers op de hoogte kunnen
worden gebracht.
Stap 3
De BHV’er zorgt voor duidelijke instructie voor degene die het slachtoffer begeleid.
De volwassen begeleider blijft bij het slachtoffer totdat deze is geholpen bij de
spoedeisende hulp. De begeleider houdt de school op de hoogte.
Indien ouders in de tussentijd arriveren dan gaat de begeleider terug naar school.
Instructie voor de begeleider
240
Stel het slachtoffer op zijn gemak maar beloof niet dat alles goed komt als je dat niet kan
garanderen.
Blijf bij het slachtoffer en help bij eventuele vragen van het personeel bij de spoedeisende hulp.
Indien ouders niet bereikbaar zijn houdt dan contact met de school over de vorderingen.
Als de ouders bij de Spoedeisende hulp arriveren vertel hun dan wat er is gebeurd. Je kunt dan de
zorg aan hun overdragen en terugkeren naar school.
Breng de BHV’er en het afdelingshoofd bij terugkomst op de hoogte.
241
8.7 Overlijden
De hevigheid waarmee een overlijdensgeval op school wordt beleefd, is afhankelijk van wie er is
gestorven, van hoe dat is gebeurd en van de rol die de overledene had op school. Een 'stappenplan'
klinkt wellicht wat zakelijk, maar het doel ervan is het tegendeel van kilheid. Vanzelfsprekend bevat
een stappenplan overlijden geen voorschriften, elk sterfgeval staat immers op zichzelf, maar een
stappenplan is wel onontbeerlijk bij een emotioneel zwaar belastende gebeurtenis zoals een
sterfgeval. Het stappenplan biedt structuur, houvast en overzicht en voorkomt dat mensen
belangrijke handelingen vergeten. Zorgvuldigheid in optreden en het treffen van maatregelen in de
juiste volgorde, is van groot belang om verdriet te kunnen verwerken en de mensen die steun nodig
hebben goed en op tijd te kunnen helpen. Juist bij een sterfgeval is het van groot belang dat er een
goede coördinatie is.
Het modelstappenplan overlijden biedt deze houvast.
242
8.7.1
Stappenplan overlijden leerling of medewerker: beknopt
Van het stappenplan overlijden zijn minimaal op de hoogte: de schoolleiding, de
preventiemedewerker, de bedrijfshulpverleners, de mentoren, de vertrouwenspersoon en de
conciërge of portier.
EERSTE DAG
Stap 1
Degene bij wie de melding van het overlijdensgeval binnenkomt, schakelt het eerste aanspreekpunt
in.
Stap 2
Het eerste aanspreekpunt organiseert de eerste opvang en verzamelt de belangrijkste informatie
over het overlijden.
Stap 3
Het eerste aanspreekpunt stelt een coördinatieteam samen of roept dit team samen als het een
reeds bestaande vaste groep is, stelt een taakverdeling vast en activeert het team.
Stap 4
Het coördinatieteam licht de schoolleiding, de familie, het personeel, de leerlingen, de
ouders/verzorgers en de administratie in.
Stap 5
Het coördinatieteam, de schoolleiding en mentor(en) en eventueel externe hulpverlening zoals
Bureau Slachtofferhulp vangen de meest betrokken en overstuur geraakte personen op.
Stap 6
243
Mentoren worden geïnstrueerd voor het voeren van klassengesprekken.
Stap 7
De school wordt afgeschermd van de media. Media wordt alleen te woord gestaan door de
Voorzitter Centrale Directie (zie procedure omgaan met de media in het schoolveiligheidsplan).
Stap 8
Klassengesprekken worden zo vaak herhaald als nodig is.
Stap 9
Gesprekken met medewerkers worden zo vaak herhaald als nodig is.
EERSTE WEEK
Stap 10
Het coördinatieteam, de schoolleiding en de mentor(en) verlenen nazorg waar dat nodig is en er
wordt een herdenkingsplaats met condoleanceregister ingericht.
Stap 11
Namens de school wordt er een rouwadvertentie geplaatst in een of meer (landelijke) dagbladen.
Stap 12
De school organiseert een moment waarop leerlingen en medewerkers die daar behoefte aan
hebben gezamenlijk naar de plaats van het incident kunnen gaan, eventueel met bloemen.
Stap 13
244
Het coördinatieteam en de schoolleiding organiseren de deelname van leerlingen en medewerkers
aan de uitvaart en de condoleance van nabestaanden.
EERSTE MAAND
Stap 14
Het coördinatieteam en de schoolleiding organiseren nazorg en een herdenkingsbijeenkomst voor
leerlingen en medewerkers van de school en familie van de overledene.
Stap 15
Het coördinatieteam en de schoolleiding evalueren de gang van zaken in de school rond het
overlijdensgeval en herzien het stappenplan indien nodig.
De evaluatie vindt enkele maanden na het overlijden plaats en betreft:
Bij negatieve punten die in de evaluatie naar voren komen, wordt gekeken of deze punten kunnen
worden verbeterd door een herziening of aanvulling van delen van het stappenplan of door
veranderingen in de samenstelling van de leden van het coördinatieteam of de eerste
aanspreekpunten.
Van algemene aanvullingen of herziening van het stappenplan wordt verslag gedaan aan de
preventiemedewerker, zodat eventueel het modelstappenplan kan worden aangepast.
245
8.7.2
Stappenplan overlijden leerling of medewerker: uitgebreid
Van het stappenplan overlijden zijn minimaal op de hoogte: de schoolleiding, de
preventiemedewerker, de bedrijfshulpverleners, de mentoren, de vertrouwenspersoon en de
conciërge of portier.
EERSTE DAG
Stap 1
Degene bij wie de melding van het overlijdensgeval binnenkomt, schakelt het eerste aanspreekpunt
in.
Er zijn in de school minimaal twee personen die zijn aangewezen of zich hebben opgegeven als
eerste aanspreekpunten in geval van overlijden. Het eerste aanspreekpunt is ervaren in, of ten
minste bekend met, de uitvoering van het stappenplan en heeft het stappenplan in zijn of haar bezit.
Het eerste aanspreekpunt is bij voorkeur iemand van de schoolleiding. Het eerste aanspreekpunt
draagt, conform het stappenplan, zorg voor de eerste opvang van de melder(s) en voor het
samenstellen van het coördinatieteam.
De melder van het overlijdensgeval wordt opgevangen tot dat deze opvang, het liefst zo spoedig
mogelijk, kan worden overgenomen door het eerste aanspreekpunt. Er moet - indien de melder
melding maakt van het overlijden als getuige van een kort daarvoor plaatsgevonden sterfgeval - zo
snel mogelijk worden gecontroleerd of de politie, ambulance en/of brandweer zijn ingeschakeld. Dit
gebeurt eerst door de melder daarnaar te vragen, vervolgens door contact op te nemen met de
politie. Het kan voorkomen dat iemand in een toestand van bewustzijnsvernauwing (shock) de school
alarmeert, zonder hulp te hebben ingeroepen. Deze activiteit dient ook zo spoedig mogelijk te
worden overgenomen door het eerste aanspreekpunt.
De boodschap wordt tot nader order geheim gehouden. Geheimhouding totdat de schoolleiding de
relevante procedures in werking heeft gesteld, is noodzakelijk om ongecontroleerde reacties van
docenten en leerlingen te voorkomen. Alle informatie wordt kort en bondig, maar wel volledig,
doorgegeven aan het eerste aanspreekpunt zodra deze is gearriveerd.
246
Stap 2
Het eerste aanspreekpunt organiseert de eerste opvang en verzamelt de belangrijkste informatie
over het overlijden.
Het eerste aanspreekpunt neemt de zaak over van degene bij wie de melding is binnengekomen en
controleert of de hulpverlening van politie, ambulance en/of brandweer is ingeschakeld, indien dit
nog niet is gedaan door de ontvanger van de melding. Dit gebeurt eerst door de melder daarnaar te
vragen, vervolgens door contact op te nemen met de politie.
Het eerste aanspreekpunt verzamelt kort informatie bij de melder over de omstandigheden van het
overlijden.
247
Afhankelijk van de situatie kunnen de volgende vragen aan de melder van belang zijn:
1. Om wie gaat het?
Deze vraag betreft de persoonsgegevens van de overledene. Let op: met name in grote scholen waar
meerdere leerlingen met dezelfde naam voorkomen, moet persoonsverwisseling worden uitgesloten.
2. Wat is er gebeurd?
Deze vraag betreft de oorzaken van het overlijden en de plaats waar de overledene zich bevindt.
3. Wie ben je en hoe kom je aan deze informatie?
Deze vraag betreft het verzamelen van de persoonsgegevens van de melder en het achterhalen van
zijn of haar verband met het ongeval.
4. Wie weten hiervan of zijn erbij betrokken geweest?
Deze vraag betreft het verzamelen van de persoonsgegevens van getuigen en van betrokkenen die
wellicht hulp nodig hebben.
Het eerste aanspreekpunt zorgt voor de opvang van de melder. De manier waarop de melder wordt
opgevangen, is afhankelijk van de wijze waarop de melding plaatsvindt, van de relatie van de melder
met de overledene, van de leeftijd van de melder en van de periode tussen het sterfgeval en de
melding.
Als een leerling bijvoorbeeld telefonisch ooggetuigenverslag uitbrengt, dan wordt gecontroleerd of
er ter plaatse opvang voor die leerling is. Is dat niet het geval, dan wordt deze leerling aangeraden
contact te zoeken met een aanwezige volwassene of vriend.
Als de beller een leerling van de school is, dan wordt deze opgehaald door een medewerker en naar
school begeleid. Dit geldt ook voor andere leerlingen die zich op de plek van het ongeval bevinden. In
alle gevallen wordt betrokken leerlingen geadviseerd met hun ouders/verzorgers over de
gebeurtenis te praten, ook de ouders/verzorgers worden gewezen op het belang hiervan.
Een melding van een overlijden kan ook persoonlijk gebeuren, op school. Ook dan is opvang nodig. In
de eerste plaats zal deze opvang de vorm hebben van iets te drinken aanbieden en persoonlijke
aandacht geven door met name te luisteren. Gevoelens van onzekerheid, verdriet en hulpeloosheid
kunnen worden verzacht door het geven van aandacht en het tonen van betrokkenheid. In de
248
consternatie kan de melder zich verloren en alleen en soms ook schuldig voelen, door de heftige
reacties op de melding.
Om te voorkomen dat de melder na de eerste opvang wordt vergeten, wordt er met de melder een
afspraak gemaakt voor een vervolgcontact.
Het eerste aanspreekpunt verzamelt kort informatie en controleert de feiten. Hieronder valt het
verzamelen van de persoonsgegevens van de overledene en informatie over de achtergronden van
het sterfgeval. Dit kan het beste gebeuren bij andere personen dan de melder, zoals de administratie
en de politie, indien de informatie niet afkomstig is van familie, politie of andere betrouwbare
bronnen.
De melding wordt altijd geverifieerd om de juistheid van de aard, de omvang en de aanleiding van de
gebeurtenis te controleren. Een enkele keer blijkt er sprake te zijn van een misselijke grap of een
ongegrond gerucht. Enige voorzichtigheid is dan ook geboden. Verificatie is nodig om te voorkomen
dat er onjuiste gegevens in school worden verspreid.
249
Het eerste aanspreekpunt stelt de andere aanspreekpunt(en) en de schoolleiding op de hoogte.
De boodschap wordt tot nader order geheim gehouden. Geheimhouding totdat het coördinatieteam
de procedures in werking heeft gesteld en het nieuws via die wegen heeft verspreid, is noodzakelijk
om ongecontroleerde reacties van docenten en leerlingen te voorkomen.
Het eerste aanspreekpunt zorgt ervoor dat hij of zij telefonisch bereikbaar is.
Stap 3
Het eerste aanspreekpunt stelt een coördinatieteam samen of roept dit team samen als het een
reeds bestaande vaste groep is, stelt een taakverdeling vast en activeert het team.
Het voordeel van een vaste groep is dat er geen formatie meer nodig is. Het voordeel van een nietvaste groep is dat de formatie kan worden afgestemd op de situatie: emotioneel betrokken en
verwarde personen worden niet gevraagd en er wordt voorkomen dat er niemand in het team zit die
bekend is met de overledene.
Het coördinatieteam bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf personen (een oneven aantal
personen vergemakkelijkt de besluitvorming).
Het coördinatieteam is verantwoordelijk voor het stappenplan en coördineert de verdere uitvoering
van het stappenplan. Het coördinatieteam kan taken delegeren, maar niet verantwoordelijkheden.
Dit betekent dat het team erop toeziet dat de gedelegeerde taken goed worden/zijn uitgevoerd.
Daarnaast is het van belang dat het voor elk lid van het team duidelijk is wie wat wanneer doet en
waarom.
Een van de leden van het coördinatieteam is degene die heeft gefunctioneerd als eerste
aanspreekpunt, de overige leden worden gekozen uit de lijst met personen die zijn aangewezen of
zichzelf hebben opgegeven als mogelijk lid van het coördinatieteam. Ten minste één persoon uit het
coördinatieteam is bekend met het slachtoffer, bijvoorbeeld de mentor. Deze persoon is tevens de
vaste contactpersoon voor de familie. Tijdens het uitvoeren van het stappenplan overlijden blijft de
samenstelling van het coördinatieteam gelijk, tenzij bijzondere omstandigheden veranderingen in de
samenstelling noodzakelijk maken.
Het coördinatieteam handelt in samenspraak met de schoolleiding.
250
Het coördinatieteam begint met het vaststellen van de omvang van de gebeurtenis, indien dit nog
niet duidelijk is. Zo moet het inventariseren wie er vanuit school bij de gebeurtenis betrokken zijn
(slachtoffers, veroorzakers, ooggetuigen), waar deze personen zich op dit moment bevinden, waar en
wanneer de gebeurtenis zich afspeelt of heeft afgespeeld en of er hulpverlening in gang is gezet.
Stap 4
Het coördinatieteam licht de schoolleiding, de familie, het personeel, de leerlingen, de
ouders/verzorgers en de administratie in.
Afhankelijk van wie het slachtoffer is en van de omstandigheden van overlijden, zullen er bepaalde
personen als eerste moeten worden ingelicht. De volgorde die wordt aangegeven, kan in de meeste
gevallen worden aangehouden. In de school is het van belang het bericht eenduidig en zo veel
mogelijk aan iedereen binnen een groep, zoals alle leerlingen, tegelijk bekend te maken. Daarnaast is
het van belang ervoor te zorgen dat de personen die eerder zijn ingelicht, weten wanneer en door
wie het bericht verder wordt verspreid. Voor de specifieke informatie over de in te lichten personen,
volgen hier eerst enkele algemene aandachtspunten voor het inlichten.
In geval van een calamiteit is het essentieel de bereikbaarheid van de school zeker te stellen. Niet
alleen zullen ouders/verzorgers contact zoeken om zich te informeren over
de toestand van hun kinderen, maar ook hulp- en dienstverleners zullen met de school in overleg
willen treden. Dit betekent dat de school continu telefonisch bereikbaar moet zijn en er steeds een
buitenlijn vrij moet blijven. Telefonische gesprekken worden dan ook kort gehouden als er te weinig
buitenlijnen zijn. Hieronder volgt een aantal belangrijke tips voor het geven van informatie over een
sterfgeval op school.
Het coördinatieteam stelt samen met de schoolleiding de inhoud van de te verspreiden informatie
vast.
Geef bij vragen van direct betrokkenen zo volledig mogelijke en precieze informatie: draai niet om
pijnlijke feiten heen. Versluiering heeft vaak negatieve gevolgen en bovendien moet de ontvanger in
staat worden gesteld de ernst van de gebeurtenis in te schatten en te ervaren.
251
Geef het slechte nieuws onmiddellijk, zonder lange inleiding, door bijvoorbeeld te beginnen met:
'Ik heb slecht nieuws. Er is iets ergs gebeurd: x is overleden. Hij/zij heeft een ongeluk gehad/een acute
ziekte gekregen/zichzelf gedood.'
Blijf bij de feiten, bij twijfel of onduidelijkheid moet expliciet worden gesteld dat er twijfel of
onduidelijkheid is.











Vertel verder het hoe, waar en wanneer van de gebeurtenis.
Vertel met wie van de familie contact wordt onderhouden en wat de bedoeling is van dat
contact.
Vertel wie, behalve de gezinsleden, nog meer direct betrokkenen zijn.
Geef uitleg over gevoelens van verdriet die bij dit soort gebeurtenissen naar boven kunnen
komen.
Noem de namen van de vertrouwenspersonen en de leerlingbegeleiders die beschikbaar zijn
voor een persoonlijk gesprek. Noem ook de plaatsen waar deze personen kunnen worden bereikt
en de overige opvangmogelijkheden in de school.
Vertel verder wat er wordt of is georganiseerd in verband met condoleance en het bezoek aan de
uitvaart.
Geef een overzicht van de organisatie van de informatieverstrekking in of buiten de school.
Spreek af hoe de rest van de dag zal worden doorgebracht en geef een overzicht van de
roosteraanpassingen.
Maak duidelijk dat de school niet wordt gesloten en dat iedereen op school wordt verwacht en
vertel hoe de rest van de school wordt geïnformeerd. Begin en eindig de dag voorlopig
gemeenschappelijk.
Denk aan de dependances en vergeet ook de afwezige (zieke) leerlingen en medewerkers niet.
Stel van nauw betrokkenen die niet op school zijn de verblijfplaatsen vast en controleer de
redenen voor afwezigheid. Licht zo nodig ook deze personen in. Bij het traceren van
verblijfplaatsen kunt u handig gebruikmaken van een roostermaker, als de school die heeft. Deze
persoon kan waardevolle diensten bewijzen vanuit zijn of haar kennis omtrent roosters, lessen,
uitval, roosterwisselingen en excursies.
252
Inlichten van de Centrale Directie
De schoolleiding zorgt ervoor dat de Centrale Directie op de hoogte wordt gesteld.
Inlichten familie van de overledene
Bij het overlijden van een leerling of medewerker, in het bijzonder wanneer dit het gevolg is van een
incident in schoolverband, zal er vóór het inlichten van personeel en leerlingen contact moeten
worden opgenomen met de familie van de overledene.
Neem contact op met de familie op dezelfde dag dat de melding bij de school binnenkomt. Maak
daarnaast, voor diezelfde dag, een afspraak voor een huisbezoek. Voorafgaand aan het huisbezoek
kan al telefonisch worden overlegd welke informatie in de school wordt verstrekt. Adviseer de
familie van het slachtoffer zo volledig mogelijk te zijn in de mededelingen aan de school. Dit wil niet
zeggen dat alles in detail moet worden verteld, maar de feitelijke gebeurtenissen moeten wel bekend
worden gemaakt. Anders kunnen er geruchtenstromen ontstaan die leiden tot onjuiste verhalen en
het ontzenuwen van dergelijke verhalen kost veel moeite.
Allerlei ongewenste, want onterechte, emoties kunnen dan ontstaan en betrokken leerlingen en
medewerkers worden geremd in hun rouw. De contactpersoon van de school overlegt tijdens het
huisbezoek met de familie over de te verstrekken informatie en over de te nemen stappen zoals de
mogelijkheden voor bezoek, condoleance en deelname aan de uitvaart.
De contactpersoon van de school onderhoudt daarna ook contact met de directe familie en overlegt
over alle te nemen stappen. Het onderhouden van contact door de school kan voor de familie van de
overledene een grote steun zijn. Bovendien wordt zo aan de leerlingen en medewerkers getoond dat
rouwverwerking in eenheid en gezamenlijkheid kan gebeuren. De familie heeft meestal behoefte om
over de overledene te praten. De contactpersoon van de school weet misschien dingen die zij nog
niet weten en kent de overledene op een andere manier. Misschien heeft de familie ook nog
belangrijke informatie over de overledene voor (leerlingen of medewerkers van) de school.
Wees als contactpersoon van de school niet te bang om snel contact op te nemen. De familie
reageert meestal positief en als ze geen vertegenwoordiger van de school willen spreken, geven ze
dat wel aan. De contactpersoon van de school blijft beschikbaar voor de directe familieleden van de
overledene en laat ze dat weten. De contactpersoon van de school kan echter niet de begeleiding
253
van de familie op zich nemen en verwijst hen zonodig door naar passende hulpverlening of, in het
geval van een overleden leerling, naar de Vereniging van ouders van een overleden kind.
Inlichten personeel
Alle medewerkers die op school aanwezig zijn, worden in de docentenkamer op de hoogte gesteld
tijdens een korte bijeenkomst met de schoolleiding en met ten minste één lid van het
coördinatieteam.
Indien dit niet mogelijk is, wordt er langs alle klassen gegaan om de docenten in te lichten. In de
praktijk betekent dit dat de docent uit de klas wordt gehaald en op de gang op de hoogte wordt
gesteld van het sterfgeval en de te volgen procedure.
Daarnaast wordt er een mededeling in de docentenkamer opgehangen. Alle medewerkers die niet op
school aanwezig zijn, worden telefonisch op de hoogte gesteld.
Verder worden alle mentoren bijeengeroepen en krijgen zij een korte instructie voor te voeren
klassengesprekken.
Proefwerken, excursies en dergelijke vervallen in beginsel voor de hele school, met uitzondering van
de eindexamenklassen. Zat de overledene in een examenklas of zijn de examenklassen op een
andere manier nauw betrokken bij de overledene, dan geldt het voorgaande ook voor de
examenklassen
Inlichten leerlingen
Docenten informeren de klassen die zij op dat moment lesgeven. Leerlingen van de meest betrokken
klas(sen) die absent zijn, worden telefonisch op de hoogte gebracht. Daarbij wordt verteld bij wie de
leerlingen terecht kunnen en hoe, wanneer, waar, wie bereikbaar is in de avond.
254
Inlichten ouders/verzorgers
De ouderraad wordt geïnformeerd.
Daarnaast worden de ouders/verzorgers van de leerlingen in de meest betrokken klas(sen)
schriftelijk ingelicht. Verder geeft de school diezelfde dag aan alle leerlingen een brief mee om hun
ouders/verzorgers van het gebeurde op de hoogte te stellen. In de brief staat wat de school als
opvang heeft geregeld, wat de afspraken zijn over condoleance en bezoek aan de uitvaart en hoe en
wanneer ouders/verzorgers contact kunnen opnemen met de school over de gebeurtenis.
Via deze brief kunnen de ouders/verzorgers ook worden gestimuleerd thuis met hun kind(eren) over
het sterfgeval te praten. Bij voorkeur laat de school, met behulp van een antwoordstrook, de
ouders/verzorgers hun wensen kenbaar maken over het bezoek van hun zoon of dochter aan de
uitvaart.
Er wordt ook een mededeling op de website geplaatst.
Inlichten overige instanties
Overige instanties waaraan de overledene was verbonden en die op enigerlei wijze in relatie staan
met de school of het onderwijs, dienen ook te worden geïnformeerd. Daarbij kan worden gedacht
aan het stagebedrijf van de leerling, het uitzendbureau van de medewerker of aan organisaties
waaraan medewerkers zijn verbonden die niet in dienstverband op de school werkzaam zijn, zoals
hulpverleningsinstellingen en schoonmaakbedrijven.
Administratieve en organisatorische handelingen
De roostermaker stelt het coördinatieteam vrij van lessen op de dag van de melding van het
overlijden en zorgt voor beschikbare lokalen voor klassengesprekken en personeelsgesprekken,
voorzien van koffie en thee.
Er wordt tevens een ruimte vrijgemaakt met telefoon(s) voor mensen die naar huis willen bellen.
255
Daarnaast wordt uitgaande post naar de overleden leerling of medewerker geblokkeerd.
Verder worden administratieve handelingen in gang gezet waar minder haast mee is, zoals het
uitschrijven uit het schoolregister en de klassenlijsten, het retourneren van het schoolgeld of het
afhandelen van salarisadministratie, en het overhandigen van persoonlijke bezittingen van de
overledene. Administratieve afronding betekent niet dat de band van de school met de familie wordt
verbroken.
256
Overlijden door ongeval: inlichten Arbeidsinspectie
Als het overlijden het gevolg is van een ongeval, doet de school onverwijld een schriftelijke
mededeling hiervan aan een ambtenaar van de Arbeidsinspectie (artikel 9 lid 1 juncto art. 2 sub b
Arbeidsomstandighedenwet).
Stap 5
Het coördinatieteam, de schoolleiding en mentor(en) en eventueel externe hulpverlening zoals
Bureau Slachtofferhulp vangen de meest betrokken en overstuur geraakte personen op.
Voor leerlingen en medewerkers die zeer overstuur zijn, wordt een achterwacht geregeld. Deze zorg
wordt later eventueel overgenomen door Bureau Slachtofferhulp, zie ook onder stap 6.
De achterwacht draagt tevens zorg voor het zorgvuldig opvangen van leerlingen en medewerkers die
het slachtoffer goed kennen en van de personen die, in het geval dat het overlijden gevolg is van een
incident, bij het overlijden aanwezig waren.
Er kunnen bij ooggetuigen of ander nauw betrokkenen posttraumatische stressreacties optreden.
Dergelijke reacties kunnen zich bij onvoldoende begeleiding tot chronische stoornissen ontwikkelen.
Vooral kinderen kunnen extreem angstig reageren omdat ze bijvoorbeeld nooit eerder met de dood
te maken hebben gehad.
Ook kan een kind denken dat de dood zijn of haar schuld is als het bijvoorbeeld ruzie heeft gehad
met de overleden persoon. Ook volwassenen kunnen kampen met schuldgevoelens. Voorbeelden
van rouwreacties zijn ongeloof (ontkenning), verbijstering, verdriet, somberheid, woede, angst en
paniek. Hieraan kunnen prestatieverlies en schoolverzuim worden gekoppeld.
Voorbeelden van posttraumatische stressreacties zijn vermijdingsgedrag, een steeds terugkerende
herbeleving van de gebeurtenis in dromen, nachtmerries en dagdromen, een verhoogde
prikkelbaarheid zoals schrikreacties en woede en lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, buikpijn en
angstzweet.
Leerlingen en docenten blijven, na de melding van het sterfgeval, bij voorkeur op school en maken
daar zo nodig gebruik van de opvangfaciliteiten. Alleen na overleg met de ouders/verzorgers mag
een leerling vroegtijdig naar huis.
257
Het identificeren van personen die zeer nauw bij de overledene betrokken zijn en het bij elkaar
brengen van deze personen, dient een aantal doelen. Behalve dat deze personen een zekere
bescherming en privacy moet worden geboden waarin zij de eerste confrontatie met hun verlies
kunnen verwerken, zijn de opgeroepen emoties in groepsverband beter te hanteren voor de
begeleiders en kan er makkelijker persoonlijke aandacht worden gegeven.
Ook verkleint het samenbrengen van direct betrokkenen de kans dat er zeer heftige emotionele
uitingen plaatsvinden in de grotere groep van alle leerlingen en medewerkers. Nauw betrokkenen
worden aangemoedigd over het gebeuren te praten en ooggetuigen worden aangemoedigd hun
verslag te doen. Het delen van de informatie met anderen helpt de emotionele impact van de
gebeurtenis te verwerken.
Het is belangrijk dat de leerlingen elkaar troosten. Verstrekking van eten en drinken draagt bij aan
een sfeer van vertrouwen en samenzijn. Ook het functioneren van de school als organisatie kan door
een overlijdensgeval op school ernstig worden belemmerd. Het is daarom zaak dat de school, in
samenwerking met hulp- en dienstverlenende instellingen in de regio, een aantal maatregelen treft
die de ongewenste gevolgen beperken.
258
De contactpersoon voor de familie bezoekt de familie voor de eerste opvang en met de familie
worden vervolgafspraken gemaakt. De contactpersoon voor de familie draagt daarnaast zorg voor
een begeleide thuiskomst van eventuele familieleden van het slachtoffer die zich op school bevinden
ten tijde van de melding. Vooraf verifieert hij of zij of er thuis opvang aanwezig is. Zolang dit niet het
geval is, blijft de leerling of medewerker bij voorkeur op school.
De mentoren houden klassengesprekken in een vast lokaal. Hier is ruimte voor emoties en het stellen
van vragen. Deze gesprekken worden herhaald zo vaak als nodig is.
De schoolleiding houdt gesprekken met medewerkers in een vast lokaal. Hier is ook ruimte voor
emoties en het stellen van vragen en ook deze gesprekken worden herhaald zo vaak als nodig is.
Indien mogelijk wordt er weer les gegeven op de dag na de melding van het overlijden.
Verdere opvang van en hulpverlening aan leerlingen en personeel kan worden verzorgd door externe
hulpverlening zoals Bureau Slachtofferhulp.
Stap 6
Mentoren worden geïnstrueerd voor het voeren van klassengesprekken.
In de begeleiding van de klas speelt de klassenmentor vaak een centrale rol. De mentor weet het
meest van de leerlingen in zijn of haar klas en kent hun onderlinge verhoudingen. De aard en de
intensiteit van de klassengesprekken is afhankelijk van de betrokkenheid van de klas bij de
overledene.
Over het algemeen geldt dat wanneer de leerlingen geen persoonlijk contact hadden met de
overledene, er kan worden volstaan met een korte bespreking van het overlijden. In een dergelijk
geval kunnen gevoelens naar aanleiding van de mededeling, het sterven en de dood en ervaringen
met eerdere sterfgevallen aan de orde komen. Aan het einde van het lesuur waarin deze bespreking
heeft plaatsgevonden, kan worden voorgesteld zo veel mogelijk het reguliere lesprogramma te
vervolgen. Wie nog verder wil praten, kan dat in de pauzes doen met de klassenmentor of een
docent. Voor vertrouwelijke gesprekken kunnen de leerlingen ook contact zoeken met de
leerlingbegeleiders of de vertrouwenspersoon van de school. Leerlingen wordt deze mogelijkheid
aangereikt.
259
Klassen die wel persoonlijk contact met de overledene hadden, vragen een intensievere en
langdurige benadering. Voor deze klassen stelt de school een aangepast dagprogramma samen, dat
ruimte biedt voor uiting en bespreking van verdriet en andere reacties.
De houding van de mentor is bepalend voor de stemming en het verloop van de rouwverwerking in
de klas. Het is daarbij belangrijk dat begeleiders hun eigen gevoelens niet wegstoppen, dat geeft de
leerlingen namelijk ruimte er ook over te praten. Ongecontroleerde en heftige emotionele uitingen
van docenten moeten echter wel worden vermeden in het bijzijn van leerlingen.
Zo mogelijk blijft de klas de verdere dag tijdens de lesuren bij elkaar. Leerlingen worden vrij gelaten
in het uiten van hun emoties: verdriet tonen, huilen en somber zijn, mag. Laat leerlingen dicht bij
elkaar zitten en geef ze de mogelijkheid elkaar te troosten. Het overlijden kan ook verdriet oproepen
over een eerder sterfgeval in de eigen omgeving. Houd er verder rekening mee dat de religieuze
achtergrond van de leerlingen van invloed kan zijn op hun reactie: ga hier respectvol mee om en
vraag zo nodig informatie bij deskundigen.
260
Ten slotte is het goed te weten dat jongeren heftig kunnen reageren op een sterfgeval maar dat zij
soms ook weer snel kunnen overgaan tot de orde van de dag. Dit gebeurt
soms tot verbijstering van docenten en andere volwassenen, maar net zoals de heftige emoties moet
ook deze reactie worden gerespecteerd.
Wanneer er twijfels zijn over de reactie van een of meer leerlingen, bespreek dit in het
coördinatieteam en schakel zo nodig een deskundige in. Vraag leerlingen niet weg te lopen uit de
klas, verbiedt het echter ook niet. De school verlaten zonder toestemming van de schoolleiding is wel
verboden.
Stap 7
De school wordt afgeschermd van de media. Media wordt alleen te woord gestaan door de
Voorzitter Centrale Directie (zie procedure omgaan met de media in het schoolveiligheidsplan).
Stap 8
Klassengesprekken worden zo vaak herhaald als nodig is.
De mentoren houden klassengesprekken in een vast lokaal. Hier is ruimte voor emoties en het stellen
van vragen.
Geef bij vragen van direct betrokkenen zo volledig mogelijke en precieze informatie: draai niet om
pijnlijke feiten heen. Blijf verder bij de feiten en maak bij twijfel of onduidelijkheid expliciet dat daar
sprake van is.
De leerlingen worden ingelicht over en op de hoogte gehouden van de volgende zaken:
me wie van de familie van de overledene contact wordt onderhouden;




hoe dit contact verloopt;
wie in de school beschikbaar zijn voor een persoonlijk gesprek;
waar die personen te bereiken zijn;
welke andere opvangmogelijkheden de school heeft georganiseerd;
261









dat er met de ouders/verzorgers afspraken worden gemaakt over condoleance en bezoek
aan de uitvaart;
dat ieder mens zijn eigen manier heeft om met dit soort gebeurtenissen om te gaan;
dat het niet gek is als je moet huilen en dat het ook niet gek is als je dat niet doet;
dat sommigen onmiddellijk veel voelen en dat willen uiten, en dat dat bij anderen anders kan
zijn;
dat de school open blijft;
dat iedereen op school moet komen;
dat alleen in verband met ziekte of speciale gezinsomstandigheden verlof wordt gegeven;
dat alle proefwerken en toetsen zijn uitgesteld;
dat voor de lopende dag een aangepast lesrooster geldt.
Soms moet een bepaalde docent of mentor juist niet degene zijn die zich met de
informatieverstrekking of de opvang bezighoudt. Een en ander vereist een zekere mate van rust, tact
en gespreksvaardigheid, die niet een ieder is gegeven.
262
Stap 9
Gesprekken met medewerkers worden zo vaak herhaald als nodig is.
De gesprekken met medewerkers vinden plaats in een vaste ruimte. Hier is ruimte voor emoties en
het stellen van vragen. Geef bij vragen zo volledig mogelijke en precieze informatie: draai niet om
pijnlijke feiten heen. Blijf verder bij de feiten en maak bij twijfel of onduidelijkheid expliciet dat daar
sprake van is.
De medewerkers worden ingelicht over en op de hoogte gehouden van de volgende zaken:













met wie van de familie van de overledene contact wordt onderhouden;
hoe dit contact verloopt;
wie in de school beschikbaar zijn voor een persoonlijk gesprek;
waar die personen te bereiken zijn;
welke andere opvangmogelijkheden de school heeft georganiseerd;
dat er afspraken worden gemaakt over condoleance en bezoek aan de uitvaart;
dat ieder mens zijn eigen manier heeft om met dit soort gebeurtenissen om te gaan;
dat sommigen onmiddellijk veel voelen en dat willen uiten, en dat dat bij anderen anders kan
zijn;
dat de school open blijft;
dat iedereen op school moet komen;
dat alleen in verband met ziekte of speciale gezinsomstandigheden verlof wordt gegeven;
dat alle proefwerken en toetsen zijn uitgesteld;
dat voor de lopende dag een aangepast lesrooster geldt.
EERSTE WEEK
Stap 10
Het coördinatieteam, de schoolleiding en de mentor(en) verlenen nazorg waar dat nodig is en er
wordt een herdenkingsplaats met condoleanceregister ingericht.
Klassengesprekken en gesprekken met medewerkers worden voortgezet en herhaald zo vaak als
nodig is. Eventueel verdere hulpverlening wordt aangeboden of er wordt doorverwezen.
Er wordt een stiltelokaal/herdenkingsplaats ingericht met bijvoorbeeld foto's, bloemen,
condoleanceboek, prikborden, tekenpotloden, pennen, papier of kaarsen.
263
De contactpersoon voor de familie blijft contact onderhouden met de familie.
Stap 11
Namens de school wordt er een rouwadvertentie geplaatst in een of meer (landelijke) dagbladen.
Het is handig om een raamtekst van de school ter beschikking te hebben, zodat er slechts nog hoeft
te worden nagedacht over een persoonlijke boodschap in de advertentie en niet meer over de
namen van schoolmedewerkers die er in moeten.
Stap 12
De school organiseert een moment waarop leerlingen en medewerkers die daar behoefte aan
hebben gezamenlijk naar de plaats van het incident kunnen gaan, eventueel met bloemen.
264
In het geval dat het overlijden een gevolg is van een incident in of om school, wordt minimaal met de
meest betrokken medewerkers en de meest betrokken klas(sen) een bezoek gebracht aan de plek
van het incident. Indien mogelijk en gewenst gebeurt dit met de gehele school.
Stap 13
Het coördinatieteam en de schoolleiding organiseren de deelname van leerlingen en medewerkers
aan de uitvaart en de condoleance van nabestaanden.
De contactpersoon overlegt met de familie van de overledene over condoleancebezoek en over de
aanwezigheid van leerlingen en medewerkers op de uitvaart. Er vindt tevens een peiling plaats van
wie van de medewerkers en leerlingen een condoleancebezoek willen brengen en wie de uitvaart
willen bezoeken.
Voordat met de leerlingen een condoleancebezoek wordt afgelegd, onderzoekt de school of de
overledene toonbaar is. Vraag hierover de mening van de familie van de overledene en de
uitvaartbegeleider, en ga het bij een bevestigend antwoord ook persoonlijk controleren.
Bekijk meteen of de inrichting van de rouwzaal zodanig is dat men niet in de kist hóéft te kijken. Ook
moet het mogelijk zijn voldoende afstand te houden van het gezicht van de overledene.
Ten slotte moet er voldoende ruimte zijn om met elkaar in de buurt van de kist te blijven staan.
Formuleer van tevoren een instructie bij het bezoek, waarin bijvoorbeeld wordt opgenomen dat
iedereen voor zichzelf beslist of hij of zij naar de kist loopt, in de kist kijkt of op afstand blijft.
Bespreek de instructie van tevoren.
Met de ouders/verzorgers en het rouwcentrum moet het condoleancebezoek zo worden voorbereid
dat, behalve de gezinsleden van de overledene, er geen andere aanwezigen zijn.
Stel voor het bezoek een draaiboek op met de volgende aandachtspunten:





verzamelen in de school;
gezamenlijk reizen;
gezamenlijk afscheid nemen;
gezamenlijk terugreizen naar school;
gezamenlijk nabespreken.
265
Bij terugkomst in school, wordt er voor verfrissing gezorgd. In de nabespreking van het
condoleancebezoek is er opnieuw gelegenheid over gevoelens, ervaringen en gedachten te spreken.
Er volgt een gesprek met de medewerkers die naar de uitvaart willen gaan en overleg over de
aanwezigheid van (een delegatie van) leerlingen. Met de meest betrokken klas worden afspraken
gemaakt over aanwezigheid bij de uitvaart. Iedereen die een persoonlijke band heeft met de
overledene, wordt in de gelegenheid gesteld aan een condoleancebezoek deel te nemen en de
uitvaart bij te wonen. Niemand mag er echter toe worden gedwongen.
De school onthoudt zich hierbij van selectie. Leerlingen beslissen samen met hun ouders/verzorgers
over deelname aan de condoleance en de uitvaart. Te overwegen valt om de klassen die niet direct
betrokken zijn bij de slachtoffers, te laten vertegenwoordigen door twee leerlingen per klas.
Indien medewerkers en leerlingen de plechtigheid bijwonen, zijn er minimaal twee medewerkers die
de leerlingen begeleiden.
266
De condoleance en de uitvaart vragen een aantal praktische voorbereidingen. In de organisatie staat
voorop dat een en ander vanuit de school plaatsvindt.






Men verzamelt vooraf op school zodat gezamenlijk, wanneer nodig in bussen, wordt gereisd.
De leerlingen reizen in ieder geval onder begeleiding. Het moet verder mogelijk worden
gemaakt voor ouders/verzorgers hun kind te begeleiden.
Een eventuele toespraak tijdens de uitvaartdienst wordt voorbereid in overleg met de familie
van de overledene. Een vertegenwoordiger van de school, bij voorkeur een schoolleider,
tenzij er een voorkeur is om de mentor namens de school te laten spreken, bereidt een
toespraak voor waarin hij of zij het verlies bespreekt voor de school.
Met de uitvaartbegeleider wordt, eventueel na overleg met de familie van de overledene,
overlegd over de plaats van de leerlingen en docenten op de begraafplaats of in het
crematorium. Als deze klein is en een grote opkomst wordt verwacht, kan dit namelijk
problemen opleveren. Ook de aula moet voldoende ruimte bieden.
De school zorgt, in overleg met de ouders/verzorgers, voor bloemen en kransen. Leerlingen
die dat willen, kunnen zelf bloemen meebrengen.
Niet alleen tijdens de plechtigheid, maar ook daarna, kunnen zeer heftige emoties loskomen:
huilbuien, hyperventilatieaanvallen en flauwvallen zijn voorbeelden van mogelijke reacties.
Door de omstandigheden en de massaliteit, kan de opvang daarvan worden bemoeilijkt. Het
is dan ook raadzaam voldoende volwassenen mee te nemen als begeleiders en de
opvangtaken van tevoren te verdelen en voor te bespreken.
Betrek op het moment zelf ook altijd de andere leerlingen bij de opvang van klas- en
schoolgenoten. De begeleiders hebben hierin voornamelijk een structurerende taak.
Na de uitvaart is er opvang in school voor leerlingen en medewerkers.
267
EERSTE MAAND
Stap 14
Het coördinatieteam en de schoolleiding organiseren nazorg en een herdenkingsbijeenkomst voor
leerlingen en medewerkers van de school en familie van de overledene.
Verlies door sterfte, en van deze sterfte getuige zijn, resulteert in een aantal gevallen in
posttraumatische stressreacties. Voorbeelden daarvan zijn: vermijdingsgedrag zoals het uit de weg
gaan van de plaats van de gebeurtenis of van plaatsen die sterk herinneren aan de overledene, een
verminderde belangstelling voor vrienden en hobby's, het zich terugtrekken uit allerlei activiteiten,
een steeds terugkerende herbeleving van de gebeurtenis, een verhoogde prikkelbaarheid zoals
schrikreacties en woede of verdrietreacties en lichamelijke klachten zoals hoofdpijn, buikpijn en
angstzweet.
Op school kunnen de stressreacties ook zichtbaar worden in prestatieverlies,
concentratievermindering en/of schoolverzuim.
Over het algemeen lukt het om na verloop van tijd op eigen kracht en met hulp van de omgeving te
herstellen. De omgeving kan op verschillende manieren bij dit herstel helpen, onder andere door
ruimte te bieden te praten over wat er is gebeurd, de reacties van de leerling te accepteren, rust en
veiligheid te bieden en door voorzichtig te stimuleren dagelijkse taken en gewoonten weer op te
pakken. Geduld is in deze erg belangrijk. Collega's dragen hun bevindingen met aangeslagen
leerlingen aan elkaar over.
Soms lukt het niet om een sterfgeval te verwerken zonder professionele hulp. Het is daarom aan te
bevelen al in een vroeg stadium met bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg of Bureau Slachtofferhulp te
overleggen over de noodzaak van professionele nazorg: bijvoorbeeld in de vorm van individuele
gesprekken voor enkelen of in de vorm van gespreksgroepen.
Wanneer tot een dergelijke activiteit wordt besloten, worden opnieuw alle geledingen in school en
de ouders/verzorgers geïnformeerd. Participatie van een leerling in een dergelijke activiteit kan over
het algemeen alleen met toestemming van de ouders/verzorgers.
Het is voor alle betrokkenen belangrijk dat er vooral de eerste tijd na het sterfgeval contact wordt
onderhouden met de familie van de overledene. Geleidelijk kan dit contact worden afgebouwd.
268
Het stiltelokaal of de herdenkingsplaats met condoleanceregister wordt onderhouden.
Na ongeveer een maand wordt er een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd in overleg met de
familie.
De familie wordt uitgenodigd en krijgt het condoleanceregister aangeboden.
Stap 15
Het coördinatieteam en de schoolleiding evalueren de gang van zaken in de school rond het
overlijdensgeval en herzien het stappenplan indien nodig.
De evaluatie vindt enkele maanden na het overlijden plaats en betreft:




de handelingen door de school in het algemeen;
het functioneren van het eerste aanspreekpunt;
het functioneren van het coördinatieteam;
het functioneren van het stappenplan.
269
Bij negatieve punten die in de evaluatie naar voren komen, wordt gekeken of deze punten kunnen
worden verbeterd door een herziening of aanvulling van delen van het stappenplan of door
veranderingen in de samenstelling van de leden van het coördinatieteam of de eerste
aanspreekpunten.
Van algemene aanvullingen of herziening van het stappenplan wordt verslag gedaan aan de
preventiemedewerker, zodat eventueel het modelstappenplan kan worden aangepast.
270
8.7.3
Overlijden gezinslid van leerling of van medewerker
Wanneer een gezinslid van een leerling of van een medewerker overlijdt, zal het stappenplan
aanzienlijk korter zijn. De volgende taken worden uitgevoerd en de coördinatie ervan is in handen
van de schoolleiding:






de medewerkers van de school worden op de hoogte gesteld;
de schoolleiding informeert samen met mentor(en) de meest betrokken klas(sen);
er wordt een mededeling opgehangen in de docentenkamer;
de meest betrokken klas(sen) krijgt de gelegenheid brieven te schrijven, de mentor stuurt
deze naar de betreffende leerling of medewerker;
de schoolleiding stuurt een condoleancebrief naar de familie of andere belangrijke
nabestaanden;
de mentor stuurt een aparte brief gericht aan de leerling als het een gezinslid van een
leerling betreft, de schoolleiding stuurt een aparte brief aan de medewerker als het een
gezinslid van een medewerker betreft.
271
8.7.4
Overlijden oud-leerling of oud-medewerker
Wanneer een oud-leerling of oud-medewerker overlijdt, zal het stappenplan aanzienlijk korter zijn.
De volgende taken worden uitgevoerd en de coördinatie ervan is in handen van de schoolleiding:




de medewerkers van de school worden op de hoogte gesteld;
er wordt een mededeling opgehangen in de docentenkamer;
de schoolleiding stuurt een condoleancebrief naar de familie of andere belangrijke
nabestaanden;
de school geeft leerlingen en medewerkers de gelegenheid om de uitvaart te bezoeken;
er worden bloemen gezonden namens de school.
272
8.8 Ontruiming
Ontruiming van het schoolgebouw betekent dat alle leerlingen en alle medewerkers het gebouw
verlaten door de uitgangen die daarvoor zijn aangewezen: de nooduitgangen.
De leiding van de ontruiming ligt in handen van de bedrijfshulpverlening (BHV) en wordt in de
meeste gevallen begeleid door de docenten en OOP die op het moment van de ontruiming
verantwoordelijk zijn voor een groep leerlingen.
Ontruiming vindt in het algemeen plaats bij niet onmiddellijk gebluste brand, een bommelding,
gevaar voor ontploffing en aanwezigheid van gevaarlijke dampen. Het optreden van de docenten is
belangrijk omdat het bepalend kan zijn voor het al dan niet uitbreken van paniek.
Er wordt in de verschillende gevallen van ontruiming grotendeels hetzelfde gehandeld, met één
uitzondering: bij brand moeten de ramen en deuren dicht om verspreiding van vuur en rook te
verhinderen en bij explosiegevaar moeten ramen en deuren open omdat een mogelijke explosie zo
de ruimte krijgt, minder effect heeft en dus minder schade geeft.
Dit verschil wordt in het stappenplan ontruiming aangegeven. Als extra onderdeel is een stappenplan
brand opgenomen. Beide stappenplannen zijn opgesteld vanuit de optiek van de docent. In de
meeste gevallen zal de school zelf al over uitgebreide ontruimingsplannen beschikken ten behoeve
van de bedrijfshulpverlening.
273
8.8.1
Stappenplan ontruiming: beknopt
IN EERSTE INSTANTIE
Stap 1
Ontruiming vindt plaats als daartoe opdracht wordt gegeven door of namens het hoofd
bedrijfshulpverlening.
Stap 2
De docent is verantwoordelijk voor de leerlingen die op het moment van de ontruimingsopdracht
onder diens hoede staan.
Stap 3
De klas wordt door de docent naar buiten geleid volgens de aangegeven route. Gebruik van de lift is
verboden.
Stap 4
De docent ziet erop toe dat iedereen het lokaal verlaat.
Stap 5
Bij brand en rook: ramen en deuren dicht laten of dicht doen. Bij explosiegevaar: ramen en deuren
openen of open laten.
Stap 6
De docent zorgt ervoor dat zijn of haar groep leerlingen (de klas) op de aangegeven verzamelplaats
aankomt en de docent controleert of iedereen er is.
Stap 7
274
Vermissing van een leerling wordt direct aan de dichtstbijzijnde bedrijfshulpverlener gemeld.
Stap 8
De docent bekommert zich in eerste instantie om de veiligheid van de aan hem of haar
toevertrouwde leerlingen.
Stap 9
Leerlingen en medewerkers gaan pas weg als daartoe het sein wordt gegeven. Niemand gaat weg
zonder afmelding.
IN TWEEDE INSTANTIE
Stap 10
De school zorgt voor opvang van de meest betrokken en overstuur geraakte personen.
Stap 11
De school wordt afgeschermd van de media (zie: omgaan met de media)
Stap 12
Mentoren worden geïnstrueerd voor een klassengesprek (indien nodig).
Stap 13
Klassengesprekken worden gevoerd (indien nodig).
275
Stap 14
Gesprekken met medewerkers worden gevoerd (indien nodig).
IN DERDE INSTANTIE
Stap 15
De ouders/verzorgers van de leerlingen worden dezelfde dag per brief ingelicht.
Stap 16
De bedrijfshulpverleners voeren een afrondend gesprek met de brandweer.
Stap 17
De school draagt zorg voor afrondende gesprekken met eventuele slachtoffers en hun
ouders/verzorgers. Afspraken over nazorg worden gemaakt (indien nodig).
Stap 18
De school draagt zorg voor registratie (IRIS), evaluatie en indien nodig herziening.
276
8.8.2
Stappenplan ontruiming: uitgebreid
Zie ontruimings- of calamiteitenplan..
277
8.8.3
Stappenplan hoe te handelen bij brand: beknopt
Voor het hoe te handelen bij brand wordt verwezen naar het ontruimings- of calamiteitenplan!
Stap 1
Gebruik de brandmelder, die in elk trapportaal bij de brandslang is te vinden.
Stap 2
Waarschuw de in direct gevaar verkerende personen.
Stap 3
Sluit de ramen en de toegangsdeuren naar de plaats van de brand.
Stap 4
Tracht een begin van de brand te blussen.
Stap 5
Volg de aanwijzingen van het bedrijfshulpverleningsteam of van de brandweer.
Stap 6
Voorkom het gebruik van de telefoon anders dan door het bedrijfshulpverleningsteam of de
brandweer.
Stap 7
Als medewerkers een klas lesgeven, mogen zij de leerlingen van deze klas niet alleen laten.
278
Stap 8
Ga pas tot ontruiming over als daartoe opdracht wordt gegeven door het ontruimingssignaal of via
mondelinge opdracht van de locatie directeur.
Stap 9
Zorg voor registratie, evaluatie en indien nodig herziening.
279
8.8.4
Stappenplan hoe te handelen bij brand: uitgebreid
Zie ontruimings- of calamiteitenplan.
280
Meldcode huiselijke geweld en kindermishandeling
Stanislascollege Reinier de Graafpad
Meldcode huiselijk geweld
en kindermishandeling
Deze meldcode is gebaseerd op de basismeldcode huiselijk geweld en kindermishandeling,
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, januari 2010
en ontwikkeld in samenwerking met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling, Bureau
Jeugdzorg Zuid-Holland en GGD Hollands Midden.
Zorgteam 2013-2014./ d.d. 21-11-13
281
Het bevoegd gezag van
Het Stanislas College Locatie Reinier de Graafpad
Overwegende:

dat Stanislascollege verantwoordelijk is voor een goede kwaliteit van dienstverlening aan zijn
leerlingen en dat deze verantwoordelijkheid zeker ook aan de orde is in geval van
dienstverlening aan leerlingen die (vermoedelijk) te maken hebben met huiselijk geweld of
kindermishandeling;

dat van de medewerkers die werkzaam zijn bij het Stanislascollege op basis van deze
verantwoordelijkheid wordt verwacht dat zij in alle contacten met leerlingen en
ouders/verzorgers attent zijn op signalen die kunnen duiden op huiselijk geweld of
kindermishandeling en dat zij effectief reageren op deze signalen; Met behulp van Signalenlijst
Kindermishandeling 12- 18 jaar bespreken mentoren met het Interne zorgteam vermoedens
omtrent kindermishandeling. Hiertoe zal er aan deskundigheidsbevordering (zoals beschreven
in het ondersteuningsplan )worden gedaan.

dat het Stanislascollege ,een meldcode wenst vast te stellen zodat de medewerkers die binnen
het Stanislascollege werkzaam zijn, weten welke stappen van hen worden verwacht bij signalen
van huiselijk geweld of kindermishandeling;
dat het Stanislascollege in deze code ook vastlegt op welke wijze zij de medewerkers bij
deze stappen ondersteunt;
Te weten :



Eindverantwoordelijke locatiedirecteur, wordt geraadpleegd en in kennis gesteld van een
melding.
Mentoren raadplegen de zorgcoördinator en dragen de casus over aan de zorgcoördinator.
De Zorgteamleden ondersteunen mentoren in de verdere afhandeling van de casus.
Zorgteamleden overleggen binnen het Interne IZO / ZAT zorgteam de casus onder
verantwoordelijkheid van de Zorgcoordinator. Zorgteamleden voeren een eventuele
melding uit en beschrijven de stappen in het leerlingvolgdossier Magister volgens de route
bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.( pag . 3 )

dat onder huiselijk geweld wordt verstaan: (dreigen met) geweld, op enigerlei locatie, door
iemand uit de huiselijke kring, waarbij onder geweld wordt verstaan: de fysieke, seksuele of
psychische aantasting van de persoonlijke integriteit van het slachtoffer, daaronder ook
begrepen ouderenmishandeling, eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking
(meisjesbesnijdenis). Tot de huiselijke kring van het slachtoffer behoren: (ex)partners,
gezinsleden, familieleden en huisgenoten;

dat onder kindermishandeling wordt verstaan: iedere vorm van een voor een minderjarige
bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders
of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of
van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend, of
dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel,
daaronder ook begrepen eergerelateerd geweld en vrouwelijke genitale verminking;

dat onder medewerker in deze code wordt verstaan: de medewerker die voor het Stanislascolege
werkzaam is en die in dit verband aan leerlingen van de school zorg, begeleiding, of een andere
wijze van ondersteuning biedt;

dat onder leerling in deze code wordt verstaan: de leerling aan wie de medewerker zijn professionele diensten verleent.
In aanmerking nemende:

de Wet maatschappelijke ondersteuning;

de Wet op de jeugdzorg;

de Wet bescherming persoonsgegevens;
 de Wet op het primair onderwijs;
 het privacyreglement van het Stanislascollege / SWVVO Delft
Stelt de volgende Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling vast.
1
Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling
Stap 1: In kaart brengen van signalen
Observatie ( mentor / docenten/ onderwijs
ondersteunend personeel)
 Onderzoek naar onderbouwing. Feiten en
gebeurtenissen. Registratie magister.
 Gesprekken met ouders: delen van de zorg
mentor en zorgcoördinator.
Aanmelding IZO.
 Gesprekken met de leerling door de mentor of
zorgcoördinator.

Stap 1
In kaart brengen van
signalen
Stap 2
Collegiale consultatie en
vragen AMK
Stap 3
Gesprek met de ouder
Stap 2: Collegiale consultatie en raadplegen
Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
 Consultatie interne en externe collega’s:
Bespreking Intern met teamleiders.

zorgteam IZO Intern Zorg Overleg /
schoolmaatschappelijk werk

zorgadviesteam (ZAT).Bilateraal overleg
met jeugdarts, schoolverpleegkundige,
zorgcoördinator of andere betrokkenen, bijv.
leerplichtambtenaar
 Consultatie van het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (Zorgcoördinator)
 Uitkomsten consultaties bespreken met ouders
door de mentor en zorgcoördinator.
 Overweging registratie in de Verwijsindex
Risicojongeren (Zorgcoördinator).
Stap 4
Wegen aard en ernst
Stap 5a
Stap 5b
Hulp
organiseren en
effecten
volgen
Melden en
bespreken
Stap 3: Gesprek met de ouder
 Gesprekken met de ouder: delen van de zorg.
Uitleg waarom de school van plan is een
melding te gaan doen. In gesprek gaan in geval
van bezwaren en overleg over op welke wijze de
school tegemoet kan komen aan de bezwaren.
 Gesprekken met de leerling
Stap 4: Weeg de aard en de ernst van het
huiselijk geweld of de kindermishandeling.
 Risicotaxatie : Weging risico, aard en ernst van
de kindermishandeling of huiselijk geweld.
Afweging van de bezwaren tegen de noodzaak
om de leerling te beschermen tegen de
kindermishandeling.
Consultatie AMK om hierover een oordeel te
geven.
2
Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen
 zorgen bespreken met de ouder en de leerling.

hulp organiseren door ouder en leerling door te
verwijzen naar de externe hulpverlening.
 Monitoren of ouder en leerling hulp krijgen
 Volgen van de leerling
Stap 5b: Melden en bespreken met de ouder en
leerling.
 Bespreking melding met de ouder ( als de
leerling nog geen 16 jaar is). Bespreking met de
leerling.
 Melding bij het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling
 Als de veiligheid van de leerling en / of die van
de betrokkene in de school, in het geding is
wordt van contact met de ouder en / of leerling
afgezien.
3
Handleiding
I.
Stappenplan bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling
Stap 1: In kaart brengen van signalen
Breng de signalen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling bevestigen of
ontkrachten in kaart en leg deze vast.
Leg ook de contacten over de signalen vast, evenals de stappen die worden gezet en de besluiten die
worden genomen.
Bij vroegsignalering worden signalen gezien die duiden op een zorgelijke of mogelijk bedreigde ontwikkeling.
Zelden zullen deze signalen direct duidelijkheid geven over de oorzaak zoals huiselijk geweld of
kindermishandeling. Het is daarom verstandig uit te gaan van de signalen die u als mentor of andere
betrokkene bij de leerling of in de interactie tussen ouder en leerling waarneemt. In de signalenlijst uit de
handleiding vindt u een overzicht van de signalen.
Maak bij het signaleren van huiselijk geweld of kindermishandeling gebruik van het
vroegsignaleringsinstrument van uw school of van de signaleringslijst (zie bijlage 1). Huiselijk geweld en
kindermishandeling uit de bijbehorende handleiding. U kunt iemand van het Iterne Zorgteam inschakelen
voor ondersteuning en advies.
In deze fase observeert u de leerling in de klas en eventueel daarbuiten (bijvoorbeeld tijdens een huisbezoek)
waardoor u de signalen in kaart kunt brengen.
Het is gebruikelijk om in gesprek te gaan met de ouder . Tijdens het uitwisselen over de activiteiten van de
dag, de leerling en de feitelijkheden die u opvallen, krijgt u een beeld waardoor u ook met informatie van de
ouder de situatie in kaart kunt brengen.
Daarnaast observeert u de ouder en het kind tijdens overige contactmomenten. U verzamelt alle signalen
waardoor u duidelijker krijgt of er zorgen zijn en welke zorgen dit zijn.
Alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en handelen legt u schriftelijk vast in Magister. De
mentor vinkt in het autorisatie keuzemenu alleen het zorgteam en teamleider.
Leg in het leerlingdossier de volgende gegevens vast:
 Vermeld altijd datum, plaats, situatie en overige aanwezigen.
 Signalen die duidelijk maken welke zorgen u ziet, hoort of ruikt.
 Signalen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling bevestigen of ontkrachten.
 Contacten over deze signalen.
 Stappen die worden gezet.
 Besluiten die worden genomen.
 Vervolgaantekeningen over het verloop.
Beschrijf uw signalen zo feitelijk mogelijk:
 Worden ook hypothesen en veronderstellingen vastgelegd, vermeld dan uitdrukkelijk dat het gaat om een
hypothese of veronderstelling. Maak een vervolgaantekening als een hypothese of veronderstelling later
wordt bevestigd of ontkracht.
 Vermeld de bron als er informatie van derden wordt vastgelegd.
4

Leg diagnoses alleen vast als ze zijn gesteld door een medewerker die hierin geschoold is (bijvoorbeeld
een orthopedagoog).
Betreffen de signalen huiselijk geweld of kindermishandeling gepleegd door een medewerker, meld de
signalen dan bij de leidinggevende of de directie, conform de Wet Preventie en bestrijding van seksueel geweld
en seksuele intimidatie in het onderwijs, artikel 4 Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
(meld- en aangifteplicht). In dat geval is dit stappenplan niet van toepassing.
5
Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling.
Bespreek de signalen met de zorgcoördinator of een lid van het Interne zorgteam. Zorgcoördinator of lid
van het Interne zorgteam zal indien nodig advies vragen aan het Advies- en Meldpunt
Kindermishandeling (AMK).
Consultatie is - mogelijk met de volgende collega’s: Zorgteam lid, (de aandachtsfunctionaris). Eventueel
wordt de leerling besproken in het ZAT.
Om de leerling ‘open’ (niet anoniem) te bespreken in het zorgadviesteam / ZAT met andere externe
deskundigen is schriftelijke toestemming van de ouder vereist. Gebruik hiertoe het toestemmingsformulier
Zorgteam ( Zie bijlage 2 ). Indien u in het contact transparant en integer bent, is de kans groot dat over deze
zaken een open gesprek mogelijk is. In de meeste gevallen wordt toestemming door de ouder gegeven.
Indien de ouder weigert, is dit een zorgelijk signaal en moet het worden meegenomen in de weging
(stap 4 route bij signalen van huiselijke geweld en Kindermishandeling ). De leerling kan overigens anoniem
worden besproken wanneer de ouder geen toestemming heeft gegeven, maar dit verdient niet de voorkeur
vanwege de eventuele vervolgacties.
Door de ouder continu te betrekken en in overleg te treden, is de kans groter dat de ouder gemotiveerd is om
de situatie te verbeteren en/of hulp te aanvaarden.
Vanaf stap 2 (Route bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling ) bespreekt de Zorg coördinator in
het IZO of het raadzaam is te registreren in de Verwijsindex.
Noodsituaties
Bij signalen die wijzen op acuut en zodanig ernstig geweld dat de leerling of een gezinslid daartegen
onmiddellijk moet worden beschermd meldt U dit direct bij de teamleider.
6
Stap 3: Gesprek met de ouder
Bespreek de signalen met de ouder.
Hebt u ondersteuning nodig bij het voorbereiden of het voeren van het gesprek met de ouder schakel dan
het zorgteam in.
Aandachtspunten Gesprek met de ouder door mentor en zorgteamlid.
1. Leg de ouder het doel uit van het gesprek.
2. Beschrijf de feiten die u hebt vastgesteld en de waarnemingen die u hebt gedaan.
3. Nodig de ouder uit om een reactie hierop te geven.
4. Kom pas na deze reactie zo nodig en zo mogelijk met een interpretatie van hetgeen u hebt
gezien, gehoord en waargenomen. In geval van een vermoeden van (voorgenomen) vrouwelijke
genitale verminking (meisjesbesnijdenis) of eergerelateerd geweld neemt u met spoed contact
op met het AMK.
5. Legt het gesprek vast en laat het indien mogelijk ondertekenen door alle betrokkenen.
In de meeste gevallen is het onduidelijk wat de oorzaken zijn van de signalen. Door ouders te informeren en uit
te wisselen over de ontwikkeling van de leerling, kunnen zorgen verduidelijkt, ontkracht of bekrachtigd
worden. Nodig de ouder expliciet uit tot het geven van zijn/haar mening en vraag door over leerling
gerelateerde onderwerpen in de thuissituatie. Herkent de ouder de situatie? Hoe gedraagt de leerling zich
thuis? Hoe reageert de ouder daarop? Hoe gaat het opvoeden thuis? Hoe reageert de leerling hierop? Hoe is
de ontwikkeling van de leerling tot nu toe verlopen? Wat vindt de ouder daarvan? Hoe ervaart de ouder de
opvoeding en zijn rol als ouder?
Breng de ouder na overleg met anderen op de hoogte. Informeer en wissel tijdens deze contacten continue uit
over de ontwikkeling van de leerling en de zorgen die u hebt.
Indien een handelingsplan wordt ingezet voor de leerling, bespreek dit met de ouder. Bespreek ook tussentijds
en na afloop de resultaten van het handelingsplan.
Indien de ouder de zorgen herkent kan een begin worden gemaakt met het onderzoeken van kansen en
oplossingen. Daarnaast kunnen handelingsadviezen worden uitgewisseld voor in de klas en thuis.
Indien tijdens het gesprek met de ouder blijkt dat de zorgen een andere oorzaak heeft, kunt u dit traject
afsluiten. U kunt de leerling en de ouder binnen de interne en externe zorgstructuur van de school verder
begeleiden.
Het doen van een melding bij het AMK zonder dat de signalen zijn besproken met de ouder, is alleen
mogelijk als:
 de veiligheid van de ouder, die van u zelf, of die van een ander in het geding is; of
 als u goede redenen hebt om te veronderstellen dat de ouder door dit gesprek het contact met u zal
verbreken en de school zal verlaten.
Bij het vragen van advies aan het AMK geldt dit niet, advies vragen mag altijd anoniem.
7
Stap 4: Weeg de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling
Weeg op basis van de signalen, van het ingewonnen advies en van het gesprek met de ouder het
risico op huiselijk geweld of kindermishandeling. Weeg eveneens de aard en de ernst van het
huiselijk geweld of de kindermishandeling.
De aard en de ernst van de signalen en het risico weegt men multidisciplinair af. Vervolgens stelt
men
een afgestemde aanpak vast, gericht op ondersteuning van de leerling, de ouders en de school. In
het
ZAT is de hiervoor benodigde, specialistische hulp aanwezig.
In het ZAT kan die goede multidisciplinaire beoordeling van ingebrachte casussen plaatsvinden. Zo
nodig kan er extra onderzoek plaatsvinden, een diagnose stellen en kan men het voorwerk voor
indicaties voor jeugdzorg en/of speciaal onderwijs doen. Ook het AMK kan bij deze stap adviseren
en gebruik maken van risicotaxatie-instrumenten.
8
Stap 5: Beslissen: zelf hulp organiseren of melden
Stap 5a: Hulp organiseren en effecten volgen
Kan het Stanislascollege, op basis van stap 4 de leerling en zijn gezin redelijkerwijs voldoende tegen
het risico op huiselijk geweld of op kindermishandeling beschermen:



organiseer dan de noodzakelijke hulp;
volg de effecten van deze hulp; en
doe alsnog een melding als er signalen zijn dat het huiselijk geweld of de kindermishandeling niet
stopt, of opnieuw begint.
Het IZO of ZAT coördineert verdere actie,bespreekt de hulpvraag van school en ouders, beoordeelt
de hulpvraag, stelt een aanpak vast, geeft handelingsadviezen en adviseert over verdere hulp,
bespreekt met de ouder de uitkomst van de bespreking in het IZO of ZAT evenals de verder te
nemen stappen voor het gezin.
Het IZO of ZAT stelt een handelings- of begeleidingsplan op en voert dit uit. Deel de uitkomst van
deze bespreking met de ouders.
9
Stap 5b: Melden en bespreken met de ouder
Kunt u uw leerling niet voldoende tegen het risico op huiselijk geweld of kindermishandeling
beschermen, of twijfelt u er aan of u hiertegen voldoende bescherming kunt bieden:

meld uw vermoeden bij het Zorgteam; zie stap 2.
Mentor en/ of zorgteamlid en zorgteamcoördinator bespreken eventuele melding vooraf met de
ouder.
1. Leg uit waarom u van plan bent een melding te gaan doen en wat het doel daarvan is.
2. Vraag de leerling en/of ouder uitdrukkelijk om een reactie.
3. In geval van bezwaren van de leerling en/of ouder, overleg op welke wijze u tegemoet kunt
komen aan deze bezwaren en leg dit in het document vast.
4. Is dat niet mogelijk, weeg de bezwaren dan af tegen de noodzaak om uw leerling of zijn
gezinslid te beschermen tegen het geweld of de kindermishandeling. Betrek in uw afweging de
aard en de ernst van het geweld en de noodzaak om de leerling of zijn gezinslid door het doen
van een melding daartegen te beschermen.
5. Doe een melding indien naar uw oordeel de bescherming van de leerling of zijn gezinslid de
doorslag moet geven.
Van contacten met de leerling en/of ouder over de melding kunt u afzien:
 als de veiligheid van de leerling, die van u zelf, of die van een ander in het geding is; of
 als u goede redenen hebt om te veronderstellen dat de leerling en/of de ouder daardoor het contact
met u zal verbreken.
Indien na enige periode onvoldoende verbetering zichtbaar is, is het van belang opnieuw
contact op te nemen met het AMK en eventueel opnieuw een melding te doen. Het AMK
adviseert, indien nodig, meerdere keren contact op te nemen indien u onvoldoende verbetering
of verslechtering ziet.
10
II
Verantwoordelijkheden van het Stanislascollege in het scheppen van randvoorwaarden
voor een veilig werk- en meldklimaat
Om het voor medewerkers mogelijk te maken om in een veilig werkklimaat huiselijk geweld en
kindermishandeling te signaleren en om de stappen van de meldcode te zetten, draagt het
Stanislascollege
er zorg voor dat:
directie, bestuur en/of leidinggevenden:











de meldcode opnemen in het zorgbeleid en/of veiligheidsbeleid van de organisatie;
een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling (mogelijk de
zorgcoördinator) aanstellen;
deskundigheidsbevordering opnemen in het scholingsplan/ ondersteuningsprofiel.
trainingen en andere vormen van deskundigheidsbevordering aanbieden aan medewerkers,
zodat medewerkers voldoende kennis en vaardigheden ontwikkelen en ook op peil houden voor
het signaleren van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor het zetten van de stappen
van de code;
de meldcode is opgenomen in het zorgbeleid en sluit aan bij het veiligheidsbeleid van de
organisatie.
ervoor zorgen dat er voldoende deskundigen intern en extern beschikbaar zijn om de
medewerkers te kunnen ondersteunen bij het signaleren en het zetten van de stappen van de
meldcode;
de werking van de meldcode regelmatig evalueren en zo nodig acties in gang zetten om de
toepassing van de meldcode te optimaliseren;
binnen de organisatie en in de kring van ouders bekendheid geven aan het doel en de inhoud
van de meldcode;
afspraken maken over de wijze waarop het Stanislascollege zijn medewerkers zal ondersteunen
als zij door ouders in of buiten rechte worden aangesproken op de wijze waarop zij de meldcode
toepassen;
afspraken maken over de wijze waarop het Stanislascollege de verantwoordelijkheid opschaalt
indien de signalering en verwijzing voor een leerling stagneert;
eindverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de meldcode.
Zorgcoördinator ondersteund door zorgteamleden











als aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling is aangesteld;
als vraagbaak functioneert binnen de organisatie voor algemene informatie over (de meldcode)
kindermishandeling;
signalen herkent die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld;
kennis heeft van de stappen volgens de meldcode;
taken vaststelt van een ieder (Wie doet wat wanneer) en deze in de meldcode vastlegt;
de sociale kaart in de meldcode invult;
deelneemt aan het zorgadviesteam;
de aansluiting van de meldcode op de werkprocessen uitvoert;
de aansluiting van de meldcode op de zorgstructuur uitvoert;
samenwerkingsafspraken vastlegt met ketenpartners in de meldcode (sociale kaart);
de uitvoering van de meldcode coördineert bij een vermoeden van huiselijk geweld en/of
kindermishandeling;
11





waakt over de veiligheid van de leerling bij het nemen van beslissingen;
zo nodig contact opneemt met het AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) voor advies
of melding;
de genomen stappen evalueert met betrokkenen;
toeziet op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin;
toeziet op dossiervorming en verslaglegging.
mentor






signalen herkennen en in kaart brengen die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk
geweld;
overlegt met de zorgcoördinator en eventueel met een lid van het zorgteam over een leerling
aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk
geweld;
schriftelijk en vastleggen van alle gegevens die te maken hebben met het signaleren en
handelen in Magister;
afspraken uitvoert die zijn voortgekomen uit het overleg met de zorgcoördinator/ het
zorgteamlid of andere betrokkenen, zoals observeren of het bespreken van signalen met de
ouder;
de resultaten bespreekt van deze ondernomen stappen met zorgteam.
Bespreken van melding met de ouder en de zorgcoördinator.
de directie, de leidinggevende en de medewerkers zijn niet verantwoordelijk voor:


het vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld;
het verlenen van professionele hulp aan ouders of leerlingen (begeleiding).
12
lll: sociale kaart Stanislascollege Reinier de Graafpad (SCR)
Organisatie
: Stanislascollege Reinier de Graafpad
Contactpersoon : Mvr. D. van der Spek zorgcoördinator
Telefoonnummer : 06-14046683
Organisatie
: Stichting jeugdformaat
Contactpersoon : Mvr. B. de Heij jeugdmaatschappelijk werker/ zorgteamlid SCR
Telefoonnummer : 06- 11751474
Organisatie
: Politie Delft
Contactpersoon : Dhr. D. Heins schoolwijkagent .
Telefoonnummer : 06-15309045
Organisatie
: Crisisdienst Bureau Jeugdzorg (bij noodsituaties)
Telefoonnummer : o70- 3450506 ( binnen kantoortijd ) 015- 2607607 ( buitenkantoortijd)
Organisatie
: Advies- en Meldpunt Kindermishandeling
Telefoonnummer : 070- 3469717
Organisatie
: Bureau Jeugdzorg
Contactpersoon : Mvr D. den Heijer
Telefoonnummer : 015- 2190937
Organisatie
: GGD / JGGZ Zuid Holland West
Contactpersoon : Mvr P. van Osch Jeugdarts Mvr A. Luning Jeugdverpleegkundige
Telefoonnummer : 085-2734221 - 085-2734451
Organisatie
: Leerplicht Delft
Contactpersoon : Dhr. E. Mrkus
Telefoonnummer : 06- 52759495/ 015- 2197997
Organisatie
Contactpersoon
Adres
Telefoonnummer
E-mailadres
:
: Centrum voor Jeugd en Gezin Delft
: Zorgregisseur
: Ezelsveldlaan 2-d, 2611 RV Delft
: 088-0549900
:www.cjgpijnackernootdorp.nl
Organisatie
: Advies en Steunpunt Huiselijk Geweld DWO
Telefoonnummer : 0900-0400484
Organisatie
:Vrouwengezondheidscentrum Delft
Telefoonnummer : 015-2613271
E-mailadres
:www.vgcdelft.nl
13
Bijlage 1 Signalenlijst kindermishandeling 12- 18 jaar.
Als jongeren mishandeld, verwaarloosd en/ of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het
gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De
meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met een kind aan de hand is.
Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid,
enzovoort). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake
zou kunnen zijn va kindermishandeling.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het ‘bewijs’ te leveren van de
mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen
naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoede
is voldoende om in actie te komen!
De signalen die in deze lijst worden vermeld, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling.
Aan het einde van de lijst zijn nog enkele signalen opgenomen die meer specifiek zijn voor seksueel
misbruik. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang
de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van ouders
en gezin genoemd.
Psycho- sociale signalen
Ontwikkelingsstoornissen
- achterblijven in taal-, spraak-, motorische-, emotionele en/ of cognitieve ontwikkeling
- schijnbare achterstand in verstandelijke ontwikkeling
- regressief gedrag
Relationele problemen
ten opzichte van de verzorgers:
- totale onderwerping aan de wensen van de verzorgers
- sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de verzorgers
- onverschilligheid ten opzichte van de verzorgers
- jongere is bang voor verzorger
- jongere vertoont heel ander gedrag als verzorgers in de buurt zijn
Relationele problemen
ten opzichte van andere volwassenen:
- bevriezing bij lichamelijk contact
- allemansvriend
- lege blik in de ogen en vermijden van oogcontact
- waakzaam, wantrouwend
Relationele problemen
ten opzichte van andere jongeren:
- is niet geliefd bij andere jongeren
- wantrouwend
- terugtrekken in eigen fantasiewereld
Gedragsproblemen
- in zichzelf gekeerd, depressief
- extreem verantwoordelijkheidsgevoel
- passief, meegaand, apathisch, lusteloos
14
- labiel, nerveus, gespannen
- angstig
- zelf verwondend gedrag
- suïcidaal gedrag
- plotselinge gedragsverandering (stiller, extra druk, stoer, agressief)
- niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
- slaapstoornissen
- vermoeidheid, lusteloosheid
- schuld- en schaamtegevoelens
- bedplassen
- negatief zelfbeeld
- anorexia of boulimia
- ouwelijk gedrag
- weglopen van huis
- crimineel gedrag
- agressief gedrag
- alcohol- en/ of drugsmisbruik
- plotselinge achteruitgang in schoolprestaties
- vaak absent
- spijbelen
- geheugen- en/ of concentratieproblemen
- faalangst
- niet willen uitkleden voor de gymles
Medische signalen
Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
- blauwe plekken
- krab-, bijt- of brandwonden
- botbreuken
- littekens
Verzorgingsproblemen
- wit gezicht (slaap tekort)
- slechte hygiëne
- onvoldoende kleding
- onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
- veel ongevallen door onvoldoende toezicht
- herhaalde ziekenhuisopnamen
- recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
- traag herstel door onvoldoende zorg
Overige medische signalen
- achterblijven in lengtegroei
- vertraagd intreden van de puberteit
- matige algehele gezondheidstoestand
- ondervoeding
- psychosomatische klachten (buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, ect.)
Kenmerken ouders/ gezin
Verzorger- kind relatiestoornis
15
- verzorger klaagt overmatig over de jongere
- verzorger heeft irreële verwachtingen ten aanzien van de jongere
- verzorger toont weinig belangstelling voor de jongere
Signalen verzorger
- geweld in eigen verleden
- apathisch en (schijnbaar) onverschillig
- onzeker, nerveus en gespannen
-negatief zelfbeeld
- steeds naar andere artsen/ ziekenhuizen gaan (‘shopping’)
- afspraken niet nakomen
- aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
- verzorger met psychiatrische problemen
- verslaafde verzorger
Gezinskenmerken
- ‘multi-problem’gezin
- verzorger die er alleen voorstaat
- regelmatig wisselende samenstelling van gezin
- isolement
- vaak verhuizen
- sociaal- economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, ect.
- veel ziekte in het gezin
- draaglast gezin gaat draagkracht te boven
- geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen
Specifieke signalen bij seksueel misbruik
Lichamelijke kenmerken
- hoofdpijn, (onder)buikpijn
- vermageren of dikker worden
- verwondingen aan genitaliën
- vaginale infecties en afscheiding
- jeuk of infectie en afscheiding
- problemen bij het plassen
- terugkerende urineweginfecties
- pijn in de bovenbenen, samengeknepen bovenbenen
- pijn bij lopen en/ of zitten
- houterige motoriek (onderlichaam ‘op slot’)
- seksueel overdraagbare ziekten
- zwangerschap, abortus
Relationele problemen
- angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of in het bijzonder
- sterk verzorgend gedrag (parentificatie)
- seksualiseren van alle relaties
Gedragsproblemen
- excessief en/ of dwangmatig masturberen
- seksueel agressief en dwingend gedrag ten opzichte van anderen
- promiscuïteit/ prostitutie
16
- extreem teruggetrokken en geremd seksueel gedrag
- angst voor mogelijke homoseksualiteit
- negatief lichaamsbeeld: ontevreden over, boos op of schaamte voor eigen lichaam
- schrikken bij aangeraakt worden
Signalen specifiek voor jongeren die getuigen zijn geweest van huiselijk geweld
Gedragsproblemen
- agressie: kopiëren van gewelddadig gedrag van vader (sommige jongeren, m.n. jongens kopiëren
hun vader gedrag door hun moeder of jongere broertjes/ zusjes of verkering te slaan), agressie naar
medeleerlingen, leeftijdgenoten, agressie en wreedheid naar dieren
- alcohol- of drugsmisbruik
- opstandigheid, angst, depressie
- negatief zelfbeeld
- passiviteit en teruggetrokkenheid, verlegenheid
- zichzelf beschuldigen
- suïcidaliteit
Problemen in sociaal gedrag en competentie
- sociaal isolement: proberen thuissituatie geheim te houden en ondertussen aansluiting te vinden
met leeftijdsgenoten (zonder ze mee naar huis te nemen).
- wantrouwen ten aanzien van de omgeving
- gebrek aan sociale vaardigheden
- ‘dating violence’: sommige jongeren, zowel jongens als meisjes, lopen een verhoogde kans om
slachtoffer te worden van geweld tijdens de verkering. Jongens lopen over het algemeen meer kans
om pleger te worden.
Schoolproblemen
- gebrek aan energie voor schoolactiviteiten
- schooluitval
- moeite met concentreren
- overcompenseren (opvallend extra inzet op school)
Signalen specifiek voor slachtoffers van Loverboys
- plotseling afwijkende normen en een plotselinge obsessie met seks
- plotselinge belangstelling voor bepaalde jongens, veel nieuwe contacten, gaat om met ‘ouderen’
- extra sociaal wenselijk opstellen (om toch maar niet te veel op te vallen)
- weinig of steeds minder binding met thuis
- wisselt snel van emoties, is weinig flexibel, ziet niet hoe situaties kunnen veranderen
- vermoeid vermagerd (vaak ’s avonds en ’s nachts hard werken)
- verandering qua kleding, make- up; vaak heel verzorgd en erg uitdagend uiterlijk
- psychosomatische klachten (schreeuwt om aandacht)
- zelfverwonding (verbergen of er mee te koop lopen)
- lage zelfwaardering, weinig realistisch zelfbeeld
- makkelijk beïnvloedbaar, durft/ kan geen grenzen aangeven
- depressief
- drinkt, blowt, eet slecht
- veel geld of dure spullen (via loverboy)
- extreem uitgaansgedrag (in werkelijkheid haar werkplek)
- veel op straat rondhangen: daar zijn vrienden die de leemte van thuis opvullen
- overdreven vrolijk (maskeren wat er werkelijk speelt)
17
- veel terugtrekken, plotselinge huilbuien, woede- uitbarstingen
- overdreven verhalen vertellen: stoer doen, zoeken naar aandacht
- op verschillende plekken totaal ander gedrag vertonen (verschillende werelden
- onregelmatig schoolbezoek: andere bezigheden, is te moe na werkzaamheden
- thuis veel problemen
- vertoont wegloop gedrag
- vermijdt het onderwerp prostitutie of projecteert op anderen
Het is opmerkelijk dat meisjes die door de jongens geronseld zijn en al in de prostitutie zitten, nieuwe
meisjes vaak op weg helpen, ze uitleggen hoe ze moeten werken ect.
Signalen specifiek voor het syndroom van Münchhausen by Proxy (MBPS)
- onderzoeksgegevens kloppen niet met het ziektebeeld
- medische gegevens over eerdere behandelingen is moeilijk te verkrijgen
- symptomen verdwijnen wanneer verzorger en kind worden gescheiden
- een broertje of zusje is overleden of eveneens vaak ziek
- de moeder niet terugschrikt voor ingrijpende onderzoeken of het onder narcose brengen van het
kind en daar zelfs op aandringt
- voorvallen vinden in de avonden en weekenden plaats waarbij een beroep wordt gedaan op andere
artsen.
- de volgende klachten worden gepresenteerd: bewusteloosheid, insulten, apneu, diarree,
overgeven, koorts, lethargie
- het kind heeft een aanzienlijke ziektegeschiedenis met steeds andere klachten
- de moeder is werkzaam in de gezondheidszorg of beschikt over een zeer grote medische kennis
- het verhaal van moeder bevat kleine tegenstrijdigheden
- vaak van arts wisselen
Het onderscheid met postnatale depressie bij de moeder, wiegendood of kinderen die niet goed
groeien veroorzaakt door iets anders dan MBPS, is dat in deze gevallen de moeder vaak dankbaar zijn
als ze ontlast worden van de zorg voor hun kind, terwijl MBPS- moeder die zorg niet willen
uitbesteden.
Bewerking van signaleringslijst door Johan Vermeeren, St. Jeugdzorg Utrecht.
18

Vergelijkbare documenten