`Grenzeloos Ondernemen`.

Commentaren

Transcriptie

`Grenzeloos Ondernemen`.
Grenzeloos
ondernemen in
Vlaanderen
Een wetenschappelijk
beleidsondersteunend perspectief
op internationaal ondernemen.
Grenzeloos ondernemen in Vlaanderen
Grenzeloos
ondernemen in
Vlaanderen
Een wetenschappelijk
beleidsondersteunend perspectief
op internationaal ondernemen
GRENZELOOS ONDERNEMEN IN VLAANDEREN
Een wetenschappelijk beleidsondersteunend perspectief
op internationaal ondernemen
ISBN 978 90 8165 900 0
NUR 781
© 2011 Steunpunt Ondernemen en Internationaal Ondernemen (STOIO)
STOIO, Reep 1, 9000 Gent
Tel: 09 210 98 21
Redactie: Sophie Manigart
Eindredactie: Tekst & Beeld, Gent
Ontwerp omslag: Karakters, Gent
Lay-out, zetwerk en druk: Karakters, Gent
Niets uit deze uitgave mag door elektronische of andere middelen, met inbegrip
van automatische informatiesystemen, gereproduceerd en/of openbaar gemaakt worden
zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgezonderd zijn
korte fragmenten, die uitsluitend ten behoeve van recensies geciteerd mogen worden.
Inhoud
Woord vooraf
7
Kris Peeters, Vlaams minister-president
Inleiding
9
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en
Universiteit Gent
Iris Vanaelst, Vlerick Leuven Gent Management School
Deel I: Situering van de Vlaamse economie in de wereld
13
1. Vlaanderen binnen een internationale context
Reinout Buysse, Vlerick Leuven Gent Management School
Leo Sleuwaegen, Vlerick Leuven Gent Management School en
Katholieke Universiteit Leuven
13
Deel II: De export door Vlaamse ondernemingen
43
2. Export, innovatie en werkgelegenheidsgroei
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Jan Wynen, Katholieke Universiteit Leuven
43
3. Het effect van het menselijk en sociaal kapitaal van de bedrijfseigenaar op de exportactiviteiten van de startende onderneming
63
Jonas Debrulle, Katholieke Universiteit Leuven
Johan Maes, IESEG School of Management, Université Catholique de Lille
en Katholieke Universiteit Leuven
Luc Sels, Katholieke Universiteit Leuven
4. De internationalisatiestrategie van Vlaamse bedrijven
91
Els Van de Velde, Imperial College London
Cyriel Vereertbrugghen, Universiteit Gent
Jolien Roelandt, Universiteit Gent
Bart Clarysse, Universiteit Gent en Imperial College London
Johan Bruneel, Universiteit Gent en Imperial College London
5
Deel III: Buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen
115
5. De effecten van de aanwezigheid van buitenlandse multinationale
ondernemingen op de productiviteit van Vlaamse ondernemingen 115
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Vincent Van Roy, Katholieke Universiteit Leuven
6. De attractiviteit van Vlaanderen voor O&O-investeringen
door buitenlandse multinationale ondernemingen
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Vincent Van Roy, Katholieke Universiteit Leuven
Jan Wynen, Katholieke Universiteit Leuven
136
7. De post-acquisitie performantie van niet-beursgenoteerde
overgenomen ondernemingen 158
Charlotte Feys, Universiteit Gent
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en Universiteit Gent
8. De offshoring van activiteiten door ondernemingen in Vlaanderen
Reinout Buysse, Vlerick Leuven Gent Mangement School
Karen Geurts, Katholieke Universiteit Leuven
Leo Sleuwaegen, Vlerick Leuven Gent Management School en
Katholieke Universiteit Leuven
177
Deel IV: Internationale samenwerkingsverbanden
197
9. Stimuleren van O&O-samenwerking: de impact van beleidsmaatregelen
op internationale O&O-samenwerkingen in Europa (EU-15)
197
Catherine Lecocq, Katholieke Universiteit Leuven
Dries Faems, Universiteit Twente en Katholieke Universiteit Leuven
Bart Van Looy, Katholieke Universiteit Leuven
10. De impact van nationale en internationale technologische
samenwerking op de innovatiekracht van Vlaamse ondernemingen
Dries Faems, Universiteit Twente en Katholieke Universiteit Leuven
Bart Van Looy, Katholieke Universiteit Leuven
Catherine Lecocq, Katholieke Universiteit Leuven
216
Deel V: Conclusies en beleidsmaatregelen
231
11. Conclusies en beleidsaanbevelingen
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en
Universiteit Gent
231
6
Woord vooraf
Het nieuwe boek van het Steunpunt Ondernemen en Internationaal
Ondernemen (STOIO) komt bijzonder gelegen. Net nu we de crisis voorzichtig achter ons laten, is de roep naar meer en sterker internationaal
ondernemerschap groot. De crisis heeft ontegensprekelijk aangetoond
dat ook gevestigde economische handelsblokken kwetsbaar zijn. De zogenaamde groeilanden staan maar al te zeer te springen om de leiding over
te nemen. In deze context van een stijgende concurrentie, en rekening
houdend met het toenemende belang van ecologie en klimaat, moet
Vlaanderen zich positioneren als absolute kenniseconomie.
Dit kan natuurlijk niet zonder een gedegen strategie rond internationaliseren. In het kader van Vlaanderen in Actie en het Pact 2020, hebben we
duidelijke en ambitieuze doelstellingen vooropgesteld:
MEER
−− exporterende kmo’s
−− marktaandeel, waarbij we het verloren marktaandeel van de afgelopen
tien jaar terugwinnen
−− export naar de groeilanden
−− buitenlandse investeringen aantrekken
We vertrekken vanuit een nieuwe economische realiteit. We herzien onze
structuren en onze aanpak in een Nieuw Industrieel Beleid dat onder meer
traditionele industriesectoren, zoals de textielsector, opnieuw competitief
maakt. Innovatie, nieuwe waardeketens en netwerken staan centraal. Het
Nieuw Industrieel Beleid kadert volledig binnen de doelstellingen van
Vlaanderen in Actie en het Pact 2020, waardoor ook een breed draagvlak
wordt verzekerd. Vooral ondernemerschap in de zogenaamde speerpuntsectoren, de witte (zorgsectoren) en de groene economie (energie, duurzaam materiaalbeheer…) wordt hierbij aangemoedigd.
7
Daarna valoriseren we onze kennis en kunde in de eerste plaats via de
‘gazelles’, bedrijven die steunen op innovatie en verantwoordelijk zijn
voor een disproportioneel groot deel van de nieuwe werkgelegenheid.
Deze zijn gericht op export en samenwerking met kennisinstellingen en
universiteiten. Internationale vergelijkingen leren ons dat wij nog te weinig over zulke voortrekkers beschikken. Daarom wordt momenteel de
gazellesprong uitgewerkt. Intussen zijn er negen projecten geselecteerd
waarbij ondernemers beroep kunnen doen op een intensieve begeleiding
om hun groei nog te versterken. Voor deze projecten heb ik in een eerste
fase 1,5 miljoen euro uitgetrokken. Daarbij zorgen we vanuit de Vlaamse
overheid voor een optimale informatieverstrekking over overheidsmaatregelen die de internationale groei kunnen ondersteunen. We zullen deze
groeibedrijven intensief volgen en stimuleren om de vlaggenschepen te
worden van onze Vlaamse economie.
Tot slot stemmen we ook het economisch beleid af in functie van meer
internationaal ondernemen. Het economisch instrumentarium wordt bijgesteld, waarbij kmo’s 50% steun kunnen krijgen voor de realisatie van hun
internationaliseringsstrategie. We maken gebruik van het uitgebreid netwerk
van Flanders Investment & Trade (FIT), in meer dan 70 landen ter wereld, en
verschuiven het zwaartepunt nog meer naar de groeimarkten. We doen dit
onder meer door meer sensibilisering en betere informatieverstrekking naar
onze ondernemers over de groeilanden. Tot slot werken we hard aan het
wegwerken van gekende knelpunten, zoals minder administratie, een
snellere afhandeling van vergunningsprocedures en méér fysieke ruimte
om te ondernemen.
Met professionele begeleiding kunnen we een ambitieuze internationale
groeistrategie ten uitvoer brengen. Dit boek van het STOIO levert alvast
een schat aan informatie en wetenschappelijke inzichten om een dergelijk
programma met een grote kans op slagen op te zetten.
Kris Peeters
Vlaams minister-president
Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw, Zeevisserij en
Plattelandsbeleid
8
Inleiding
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en
Universiteit Gent
Iris Vanaelst, Vlerick Leuven Gent Management School
Het Steunpunt Ondernemen en Internationaal Ondernemen (STOIO) is
hét kenniscentrum op het vlak van ondernemen en internationaal ondernemen. STOIO is een consortium van de Universiteit Gent, de Katholieke
Universiteit Leuven en de Vlerick Leuven Gent Management School. De
kennisopbouw binnen het STOIO ondersteunt de Vlaamse regering en
het departement Economie, Wetenschap en Innovatie bij het uittekenen
van een beleid dat ondernemerschap stimuleert. Daarnaast wordt STOIO
ingeschakeld voor de doelmatigheidsanalyse van Vlaamse economische
beleidsinstrumenten. Bovendien verzamelt en verspreidt STOIO kennis
rond ondernemen en internationaal ondernemen en de stimulerende rol
van de overheid hierin.
Om deze verschillende taken optimaal te vervullen, ontwikkelt STOIO
verschillende uitgebreide longitudinale databanken. Gebaseerd op deze
databanken wordt beleidsrelevant fundamenteel onderzoek verricht rond
drie pijlers (starten, groeien en overlaten/overnemen) en vijf horizontale
thema’s (innovatie, samenwerken/netwerken, internationaal ondernemen,
ruimtelijk economisch beleid en financiering). Daar waar vorige edities
van het jaarboek werden opgehangen aan een van de drie pijlers, rechtvaardigt de regionale economische realiteit van Vlaanderen, met een
kleine open economie, een jaarboek waarbij internationalisatie centraal
staat. Onderzoekers binnen STOIO hebben reeds een aantal jaar ruim
aandacht besteed aan de internationalisering van de Vlaamse economie.
Daarbij kwamen thema’s aan bod die hoog op de agenda staan van de
Vlaamse regering, zoals de exportgerichtheid van de Vlaamse ondernemingen, en meer specifiek de mate waarin de Vlaamse ondernemingen
9
exporteren naar de groeilanden, de zogenaamde BRIC-landen, of de aantrekkelijkheid van Vlaanderen voor buitenlandse investeerders. Maar ook
andere thema’s werden uitgediept, zoals het belang van het verbreden van
internationale netwerken en de impact van internationale samenwerkingsverbanden.
Deze bijdragen werden gebundeld in dit jaarboek van STOIO. Het eerste
deel van het jaarboek geeft een status quaestionis over hoe sterk de
Vlaamse economie internationaal is ingebed, met zowel aandacht voor
de Vlaamse aanwezigheid in het buitenland als de buitenlandse aanwezigheid in Vlaanderen. Het tweede deel is volledig gewijd aan een analyse van
de export van Vlaamse ondernemingen. Vooreerst wordt aangetoond dat
exporterende ondernemingen ook innovatiever zijn en meer werkgelegenheid creëren. Daarna wordt nagegaan wat startende exporteurs kenmerkt,
en hoe ondernemingen die al vroeg internationaal actief zijn verschillen
van ondernemingen die later starten met exportactiviteiten.
Deel drie behandelt de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in
Vlaanderen. Er wordt eerst aangetoond dat buitenlandse ondernemingen
een zeer positieve impact hebben op de productiviteit van lokale ondernemingen. Gezien deze positieve impact wordt verder de attractiviteit van
Vlaanderen als investeringsregio, met nadruk op projecten in onderzoek
en ontwikkeling, geanalyseerd. Aangezien buitenlandse ondernemingen
meer en meer ondernemingen overnemen in Vlaanderen, eerder dan een
bedrijf uit het niets op te bouwen, wordt ook nagegaan wat de effecten zijn
van zo’n overname op de activiteiten in Vlaanderen. In dit deel wordt ook
aandacht besteed aan de omgekeerde stroom, namelijk het offshoren van
activiteiten van Vlaamse ondernemigen naar het buitenland.
Deel vier gaat over een ietwat verwaarloosd aspect van internationalisatie,
namelijk internationale samenwerkingsverbanden. Alhoewel daar door
de overheid minder aandacht wordt aan besteed, tonen de onderzoekers
aan dat internationale samenwerkingsverbanden voor onderzoek en ontwikkeling wel degelijk kunnen gestimuleerd worden, en dat dit soort
samenwerking vaak een positief effect heeft op de innovatiekracht van
Vlaamse ondernemingen. Dit jaarboek wordt zoals gebruikelijk afgesloten met beleidsmaatregelen (deel vijf).
10
We hopen dat dit academisch en beleidsgericht onderzoek, uitgevoerd
door de onderzoekers van het STOIO, inspiratie kan opleveren voor het
beleid van de Vlaamse overheid.
11
Deel I:
Situering van de Vlaamse economie
in de wereld
1.Vlaanderen binnen een internationale context
Reinout Buysse, Vlerick Leuven Gent Management School
Leo Sleuwaegen, Vlerick Leuven Gent Management School en
Katholieke Universiteit Leuven
In dit inleidende hoofdstuk worden enkele belangrijke internationale
dimensies van de Vlaamse economie belicht. Zo wordt de positie van
Vlaanderen binnen de internationale handel en de sectorale samenstelling
van de Vlaamse export en import besproken. Daarna wordt stilgestaan bij
de Buitenlandse Directe Investeringen (BDI), dat wil zeggen de investeringen door multinationale ondernemingen in Vlaanderen. BDI zijn belangrijk voor de creatie van nieuwe werkgelegenheid en kennis- en technologieoverdrachten vanuit het buitenland. De tendensen van BDI binnen
bepaalde sectoren en activiteiten vormen een indicator van de aantrekkelijkheid en de competitieve positie van Vlaanderen op lange termijn.
13
1. Evolutie van de internationale handel van Vlaanderen
1.1. Het aandeel van Vlaanderen in de wereldhandel
Vlaanderen exporteerde in 2008 201 miljard euro 1 en importeerde voor ongeveer 219 miljard euro. Het aandeel van Vlaanderen in de Belgische handel
bedraagt 80% van de export en 83% van de import. Het aandeel van de
export van Vlaanderen is dus aanzienlijk hoger dan het aandeel van Wallonië, hoewel de export uit het Waals Gewest in 2008 sterker steeg (+10%)
dan de export uit het Vlaamse Gewest (+1%). Figuur 1.1 toont de kleine
trendmatige daling qua exportaandeel van Vlaanderen in de wereldhandel
over de laatste vijf jaar.
Figuur 1.1: Aandeel export en import van Vlaanderen en België in wereldhandel
Bron: UNCTAD en FIT; statistieken op basis van communautair concept in euro
1
14
Eigen berekeningen op basis van UNCTAD (in dollar) en berekeningen van FIT (in euro)
op basis van de Nationale Bank van België. De gegevens voor 2009 zijn nog niet volledig,
dus de tekst verwijst vooral naar 2008.
De import van het Vlaams Gewest steeg in 2008 (+6%) sterker dan de
export. De importstijging kan gedeeltelijk verklaard worden door de hoge
prijzen van grondstoffen en minerale brandstoffen, die een grote invloed
hebben op de import- en exportcijfers van Vlaanderen (cf. infra). De toename van de import werd in 2008 echter tegelijk getemperd door de
beginnende impact van de financiële crisis, die zowel import als export
deed dalen in het laatste kwartaal van 2008.
1.2. Handelspartners
Europa is het belangrijkste continent voor de bestemming van de export
uit Vlaanderen, met een aandeel van 80% in 2008. Het gros van de export
naar Europa gaat naar de Europese Unie (EU), met een aandeel van 75% in
de totale export uit Vlaanderen in 2008. Tabel 1.1 toont dat de nabijheid
een belangrijke rol speelt: Duitsland (18%), Nederland (14%) en Frankrijk
(14%) zijn de belangrijkste exportlanden voor Vlaanderen. De export naar
de buurlanden neemt toe, net als de export naar Oost-Europa met Polen
als belangrijkste exportbestemming.
Tabel 1.1: Ranglijst export uit Vlaanderen: handelspartners
Landen
Waarde (in € miljoen)
2007
2008
Aandeel 2008 in %
Variatie in %
2007-2008
10,2%
1
Duitsland
31.979
35.246
17,5%
2
Nederland
26.420
28.872
14,4%
9,3%
3
Frankrijk
25.958
27.720
13,8%
6,8%
4
Verenigd Koninkrijk
15.082
15.327
7,6%
1,6%
5
Italië
9.355
9.107
4,5%
-2,6%
6
Verenigde Staten
8.409
7.343
3,7%
-12,7%
7
Spanje
7.637
7.018
3,5%
-8,1%
8
India
5.063
4.619
2,3%
-8,8%
9
Polen
3.352
3.803
1,9%
13,4%
10
Zweden
3.508
3.372
1,7%
-3,9%
13
Rusland
2.462
2.908
1,4%
18,1%
14
China
2.510
2.597
1,3%
3,4%
27
Brazilië
847
1.172
0,6%
38,4%
Bron: FIT; statistieken op basis van nationaal concept in euro
15
Met betrekking tot extra-Europese handel gaat 6% van de export naar
Noord-Amerika en Zuid-Amerika, met de VS als belangrijkste bestemmingsland. Uit tabel 1.1 valt eveneens af te leiden dat 5,6% van de totale
export uit Vlaanderen in 2008 de BRIC-landen – Brazilië, Rusland, India
en China (BRIC) – als bestemming had.
De situatie is gelijkaardig voor de import, die eveneens grotendeels uit
Europa komt. Tabel 1.2 toont dat ook voor de import de geografische ligging van belang is: Nederland (24%), Duitsland (14%) en Frankrijk (10%)
zijn de belangrijkste landen voor de import van het Vlaams Gewest. 8%
van de import komt uit Noord-Amerika, met de VS (5%) als voornaamste
land van herkomst. 13% van de import komt uit Azië, met China (3%)
als belangrijkste oorsprong van de import. De totale import uit de BRIClanden bedraagt 7,6% in 2008.
Tabel 1.2: Ranglijst import: handelspartners van Vlaanderen
Landen
Waarde (in € miljoen)
2007
2008
Aandeel 2008 in %
Variatie in %
2007-2008
1
Nederland
44.346
52.938
24,2%
19,4%
2
Duitsland
29.779
31.171
14,3%
4,7%
3
Frankrijk
20.479
22.178
10,1%
8,3%
4
Verenigd Koninkrijk
14.230
14.520
6,6%
2,0%
5
Verenigde Staten
9.199
11.121
5,1%
20,9%
6
China
6.315
7.282
3,3%
15,3%
7
Italië
5.913
6.042
2,8%
2,2%
8
Japan
4.835
6.022
2,8%
24,6%
9
Zweden
5.230
5.420
2,5%
3,6%
10
Rusland
3.769
4.621
2,1%
22,6%
14
India
2.425
2.879
1,3%
18,7%
17
Brazilië
1.897
1.925
0,9%
1,5%
Bron: FIT; statistieken op basis van nationaal concept in euro
Als we export met import vergelijken, merken we dat Nederland zorgt voor
het grootste bilaterale handelstekort. In 2008 is dit tekort met 6,2 miljard
toegenomen tot 24 miljard euro. De stijging van de prijs van olie kan een
verklaring bieden voor de stijging van het handelstekort met Nederland:
Vlaanderen importeert immers heel wat minerale producten vanuit
Nederland. De handel met Brazilië, Rusland en China zorgt ook voor een
16
tekort op de handelsbalans. De handel met India zorgt voor een handelsoverschot van 1,7 miljard euro, dat evenwel is afgenomen ten opzichte van
2007, toen het overschot nog 2,6 miljard euro bedroeg. De daling in de handel van diamanten is een belangrijke verklarende factor achter deze evolutie.
1.3. Productcategorieën
De chemische en farmaceutische producten vormen de belangrijkste
exportcategorie van ondernemingen in het Vlaams Gewest, met een aandeel van 16% in de totale export uit Vlaanderen in 2008. Tabel 1.3 toont
dat vervoermaterieel de tweede belangrijkste categorie is, gevolgd door
machines, toestellen en elektrisch materieel.
Tabel 1.3: De belangrijkste export- en importcategorieën voor Vlaanderen
2007
2008
Variatie export
2007-2008
in %
Chemische en farmaceutische
producten
28.588
31.981
  11,9%
15,9%
13,1%
Vervoermaterieel
27.509
26.555
  -3,5%
13,2%
12,2%
Machines, toestellen en elektrisch
materieel
24.960
26.119
   4,6%
13,0%
14,0%
Minerale producten
15.503
21.732
  40,2%
10,8%
21,0%
Kunststof en toepassingen
18.816
18.704
  -0,6%
9,3%
5,4%
Onedele metalen
18.847
18.072
  -4,1%
9,0%
8,4%
Parels, edelstenen, edele metalen,
diamant
13.738
10.923
-20,5%
5,4%
5,5%
Waarde export (in € miljoen)
Sector
Aandeel
export 2008
in %
Aandeel
import 2008
in %
Voedingsproducten en dranken
  9.428
  9.939
   5,4%
4,9%
3,8%
Textielstoffen en textielwaren
  7.905
  7.713
  -2,4%
3,8%
2,8%
Plantaardige producten
  4.654
  5.459
  17,3%
2,7%
2,9%
Bron: FIT; statistieken op basis van nationaal concept in euro
Minerale producten vormen de belangrijkste importcategorie, met een aandeel van 21% in de totale import van het Vlaams Gewest. Minerale producten
zijn belangrijk voor de consumptie en de (gedeeltelijke) verwerking die bijdraagt tot de export (11%). Vlaanderen is bovendien een belangrijke transitregio: veel geïmporteerde producten worden opnieuw geëxporteerd.
Binnen deze brede sectorindeling merken we dat het grootste handelsoverschot (7 miljard euro) terug te vinden is in de sector van kunststoffen. De
17
stijging van de export van chemische en farmaceutische producten in
2008 leidde voor deze belangrijke exportsector tot een handelsoverschot
van 3,3 miljard euro. Het handelsoverschot van de voedingssector is met 23%
gedaald tot 1,7 miljard euro in 2008, wegens een daling in de export. Het
grootste handelstekort is terug te vinden in de sector minerale producten en is
grotendeels te wijten aan de stijging van de ruwe olieprijzen.
1.4. De impact van de financiële crisis in 2009
Vanaf oktober 2008 wordt de impact van de economische crisis 2 merkbaar in de handelscijfers. De export daalde in de eerste zes maanden van
2009 met 23% ten opzichte van dezelfde periode in 2008, terwijl de import
daalde met 24%. Tabel 1.4 toont dat de daling geldt voor alle sectoren,
behalve voor de chemische en farmaceutische sector die haar sterke
exportpositie behoudt en zelfs licht versterkt (+2,3%). Sectoren met de
sterkste exportdaling zijn edelstenen en diamanten (-41%), onedele metalen (-42%) en minerale producten (-43%).
Tabel 1.4: De belangrijkste exportcategorieën voor Vlaanderen in de financiële crisis
Waarde (in € miljoen)
Productgroepen
6 maanden
2008
Aandeel
2008 in %
6 maanden
2009
Aandeel
2009 in % Variatie in %
6 maanden
2008-2009
Chemische en farmaceutische producten
16.290
16.669
15,4%
20,5%
2,3%
Machines, toestellen en elektrisch materieel
13.475
10.804
12,8%
13,3%
-19,8%
-34,4%
Vervoermaterieel
14.873
9.755
14,1%
12,0%
Kunststof en toepassingen
10.029
7.296
9,5%
9,0%
-27,2%
Minerale producten
11.094
6.278
10,5%
7,7%
-43,4%
Onedele metalen
-42,1%
10.183
5.901
9,6%
7,3%
Voedingsproducten en dranken
4.935
4.679
4,7%
5,7%
-5,2%
Parels, edelstenen, edele metalen, diamant
6.341
3.750
6,0%
4,6%
-40,9%
Textielstoffen en textielwaren
3.992
3.151
3,8%
3,9%
-21,1%
Plantaardige producten
2.884
2.566
2,7%
3,2%
-11,0%
Overige
2.196
2.156
2,1%
2,6%
-1,8%
TOTAAL
105.684
81.390
100,0%
100,0%
-23,0%
Bron: FIT; statistieken op basis van nationaal concept in euro
2
18
De bespreking van de impact van de financiële crisis is gebaseerd op handelscijfers over
de eerste helft van 2009, in vergelijking met dezelfde periode in 2007 en 2008.
De export daalde voor nagenoeg alle bestemmingen, waarbij de rangorde
van de handelspartners grotendeels gelijk bleef. China steeg evenwel naar
de 8ste plaats van bestemmingslanden van Vlaanderen.
1.5. De troeven van Vlaanderen
De comparatieve voordelen van Vlaanderen, zoals weergegeven door de
exportspecialisatie tussen de sectoren, verduidelijkt dat de Vlaamse troeven
voor export vooral terug te vinden zijn in traditionele, kapitaalintensieve
goederen, waaronder de chemie-, de voedings- en de automobielsector.
Voor sectoren zoals de chemie en de voeding is de aanvoer van bulkgoederen een belangrijk element in de concurrentiekracht van deze sector. Ook
voor de automobielsector en de kunststofsector is de efficiënte aanvoer van
halfafgewerkte producten van primordiaal belang in het uitbouwen van de
concurrentiële positie.
FIT (2010) wijst in dit verband op de voordelen van Vlaanderen die verbonden zijn met ‘poorteffecten’ die voortkomen uit de centrale ligging en
de beschikbaarheid van wegen, spoor, binnenwateren en haveninfrastructuur. De havens blijken een belangrijke troef van Vlaanderen te zijn. FIT
(2010) merkt in deze context het volgende op: ‘Hoewel doorvoer niet in de
statistieken is opgenomen, blijkt uit de “intra-industry trade” dat onze
industrie voor een belangrijk deel slechts een schakel vormt in een veel
langer productieproces. Een goed voorbeeld hiervan is de chemische
industrie. Dezelfde factor speelt dan weer in ons nadeel bij de minerale
producten, die niet via de Vlaamse havens maar via Nederland in Europa
aankomen. De Vlaamse havens kunnen de grootste tankers immers niet
lossen’ (FIT 2010).
Met uitzondering van de farmaceutische nijverheid, en sommige onderdelen van de machinebouw, blijkt Vlaanderen echter minder gespecialiseerd
in bedrijfstakken waarin het menselijk kapitaal en technologische vernieuwing een doorslaggevende rol spelen. Dit lijkt paradoxaal aangezien
het aanbod van menselijk kapitaal en de technologische ontwikkeling van
Vlaanderen relatief sterk is in verhouding tot andere regio’s.
19
2. De evolutie van Buitenlandse Directe Investeringen in Vlaanderen
Na een bondige bespreking van het belang en de types van Buitenlandse
Directe Investeringen (BDI), dat wil zeggen de kapitaalsinvesteringen door
multinationale ondernemingen, wordt de evolutie van BDI in Vlaanderen
beknopt besproken. Hierbij valt op dat Vlaanderen terrein verliest in het
aantrekken van nieuwe BDI. Dit is een belangrijk gegeven, omdat BDI een
grote rol spelen voor de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde van
de Vlaamse economie.
2.1. Types en belang van BDI
Buitenlandse investeringen door multinationale ondernemingen kunnen
zeer verscheiden zijn. Dunning (1981) duidt op vier verschillende motieven voor BDI. Market seeking, dat wil zeggen ondernemingen gebruiken
BDI om een (nieuwe) markt te penetreren of om de positie op markten
waar de onderneming aanwezig is te versterken door een uitbreiding van
de investeringen. Resource seeking, of de verwerving van productiefactoren
die efficiënter of goedkoper zijn dan de productiefactoren in de thuismarkt, vormt een tweede motief. Ook het verwerven van nieuwe technologieën behoort tot deze motieven. Efficiency seeking of motieven die
gebonden zijn aan efficiëntievoordelen door schaaleconomieën en scopevoordelen, dat wil zeggen het delen van middelen over landsgrenzen heen.
Een laatste groep motieven betreft Strategic asset seeking, dat wil zeggen de
uitbouw van strategische voordelen die verband houden met de verwerving van ondernemingsspecifieke voordelen op vlak van onder andere
technologie, merknamen, distributiekanalen, via overname van concurrenten, en de aanwezigheid in bepaalde locaties waar concurrenten aanwezig zijn. Door de globalisering worden de resource seeking en strategic asset
seeking motieven belangrijker voor multinationale ondernemingen die
concurrentiële voordelen zoeken door aanwezig te zijn in belangrijke clusters in de wereld. Bovendien behelst het merendeel van de BDI in recentere
jaren Fusies & Overnames (F&O’s) en minder de oprichtingen van nieuwe
vestigingen of de uitbreiding van bestaande vestigingen in het buitenland,
20
de zogenaamde greenfield-projecten (World Investment Report 2009;
Calderón, Loayza & Servén 2004). Greenfield-investeringen zijn vooral
van belang in nieuwe groeiende sectoren. Heel wat beleidsmakers hebben
een duidelijke voorkeur voor het aantrekken van greenfield-investeringen,
omwille van het directe effect op werkgelegenheid en toegevoegde waarde.
De hierboven beschreven types van BDI zijn van groot belang voor de ontwikkeling van de Vlaamse economie. De Vlaamse economie is historisch
gezien sterk afhankelijk geweest van buitenlandse investeringen, onder
meer van Amerikaanse ondernemingen die sterk hebben bijgedragen tot
een efficiënte farmaceutische en chemische industrie in Vlaanderen. De
buitenlandse investeringen in Vlaanderen kunnen verklaard worden door
de competitieve en comparatieve voordelen van Vlaanderen die onder 1.5
werden besproken. De centrale ligging biedt bijvoorbeeld een verklaring
voor tal van investeringen in de grootschalige industrie in Vlaanderen. Het
opleidingsniveau en de productiviteit van werknemers in Vlaanderen zijn
extra troeven voor Vlaanderen als investeringsregio voor geavanceerde
technologische activiteiten.
De wereld is echter meer dan ooit in verandering. De evoluties op het vlak
van ICT en de verdere opening van markten leiden tot veranderingen van
investeringsbeslissingen. Landen die vroeger minder aantrekkelijk waren
voor bepaalde investeringen worden aantrekkelijker, onder meer door
lagere loonkosten, de groei van de lokale markt en het verbeterde opleidingsniveau van de werknemers. Vlaanderen ondervond in die zin belangrijke verplaatsingen van sommige industriële activiteiten naar OostEuropa en China. Bovendien bleef Vlaanderen in vergelijking met andere
landen en regio’s wat achterop lopen bij het aantrekken van diensten en
verwante investeringen in kennisintensieve activiteiten (De Backer &
Sleuwaegen 2005).
2.2. De evolutie van Buitenlandse Directe Investeringen in België
Figuur 1.2 toont dat de BDI instromen (investeringen door buitenlandse
ondernemingen) en uitstromen (buitenlandse investeringen van Belgische
ondernemingen) van België tussen 2002 en 2007 sterk zijn toegenomen,
waarna een daling van BDI kan worden vastgesteld in 2008. De stijging van
21
instroom en uitstroom van BDI moet gezien worden binnen de globale stijgende tendens van BDI, die vooral in ontwikkelde landen een belangrijke
impact hebben gehad: de globale waarde van alle BDI was in 2006 het twintigvoud van de waarde in 1980 (World Investment Report 2007).
Figuur 1.2: In- en uitstroom van BDI voor België
Bron: WIR 2009
Figuur 1.3 toont dat de totale waarde van alle inwaartse BDI in België is
toegenomen tussen 2004 en 2007, gevolgd door een daling in 2008. De
BDI-stock (gecumuleerde buitenlandse investeringen) is gestegen van 230
miljard in 2002 tot 519 miljard dollar in 2008. In vergelijking met de buurlanden steeg de Belgische BDI-stock tussen 2002 en 2008 sterker dan de
BDI-stock in Nederland en het VK, maar minder sterk dan de BDI-stock in
Frankrijk en Duitsland.
22
Figuur 1.3: Evolutie van de BDI-stock voor België en buurlanden
Bron: WIR 2009
2.3. Greenfield-projecten door buitenlandse investeerders
Ernst & Young (2009b; 2010) rapporteert ieder jaar het aantal greenfieldprojecten in België en Europa. Deze projecten betreffen zowel nieuwe
investeringen als uitbreidingsprojecten van gevestigde buitenlandse
ondernemingen in België. Het aantal greenfield-projecten nam in 2009 in
België licht toe met een stijging van 142 tot 146 projecten, na een daling
met 19% in 2008. Figuur 1.4 toont dat Vlaanderen trendmatig achteruitgaat terwijl het Waals Gewest eerder een positieve evolutie kent op het
vlak van greenfield-investeringen.
23
Figuur 1.4: Evolutie greenfield-investeringen per gewesten
Bron: E&Y 2010
Verkoop & Marketing was de belangrijkste activiteit wat betreft greenfieldprojecten in België, gevolgd door de industriële sector en de logistieke
sector in 2009. De VS was nog steeds het belangrijkste investeringsland
betreffende greenfield-projecten in België, met 33 projecten in 2009, hoewel er een lichte daling was van het aantal projecten (-5) uit de VS. Het VK
(16), Frankrijk (14), Duitsland (13) en Nederland (9) sloten de top 5 af van
de belangrijkste investeringslanden op het vlak van greenfield-projecten in
België in 2009. De investeringen uit de BRIC-landen bleven afnemen: het
aandeel in het totaal aantal projecten zakte van 7% in 2008, naar 4% in
2009, in tegenstelling tot de omgekeerde tendens op Europees niveau,
waar de BRIC-landen samen de derde grootste buitenlandse investeerder
werden.
24
Figuur 1.5: Rangschikking en evolutie van investeringslanden in België, 2009
Bron: E&Y 2010
Tabel 1.5: Rangschikking sectoren BDI in België, 2009
Rangschikking sectoren
Business Support Services
2005
2006
2007
2008
10
6
5
1
4
3
2
1
7
8
Opleiding & Training
Hoofdzetels
8
Internet Data Center
9
20
8
1
3
3
2009
Logistiek
43
28
28
33
26
Productie
47
66
38
36
27
Onderzoek & Ontwikkeling
12
4
5
7
11
Sales & Marketing
56
63
71
48
60
Testing & Servicing
Totaal
3
5
3
5
3
179
185
175
142
146
Bron: E&Y 2010
2.4. Het belang van buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen en Brussel
Hierna wordt het economisch belang van ondernemingen met een buitenlandse controle van meer dan 10% in Vlaanderen en Brussel in 2001 en
2005 besproken. Brussel wordt mede opgenomen in de bespreking, aangezien veel hoofdzetels van bedrijven met activiteiten in Vlaanderen in
Brussel zijn gevestigd. De databank betreft ondernemingen uit de industrie
25
(Nacebel 10 tot en met 45) en de diensten (Nacebel 50 tot en met 74) die in
de periode 1996-2001 minstens een keer positieve werkgelegenheid hebben gerapporteerd. De databank is tot stand gekomen door gegevens uit
BELFIRST, Graydon en Dun & Bradstreet aan elkaar te verbinden.
De buitenlandse dochterondernemingen, dat wil zeggen ondernemingen
met buitenlandse controle, zijn belangrijk voor de Vlaamse economie: buitenlandse ondernemingen waren in 2005 goed voor 50% (47% in 2001) van
de totale toegevoegde waarde in Vlaanderen. Slechts 7% van alle ondernemingen in Vlaanderen waren in 2005 buitenlands, maar ze vertegenwoordigden 41% (38% in 2001) van de private werkgelegenheid in Vlaanderen.
De buitenlandse ondernemingen zijn vooral gevestigd in Brussel, VlaamsBrabant en Antwerpen.
2.5. Oorsprong van de buitenlandse investeringen in Vlaanderen en Brussel
Ongeveer 76% van de buitenlandse ondernemingen werden in 2005
gecontroleerd vanuit ondernemingen gevestigd in een andere lidstaat van
de EU-27. Figuur 1.6 toont dat de nabijheid, net als bij de handelspartners,
een belangrijke rol speelt bij deze buitenlandse investeringen. Ook de VS
blijkt een belangrijk investeringsland te zijn, met een aandeel van 14% van
de buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen en Brussel. Ongeveer 70%
van alle buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen en Brussel zijn afkomstig uit Nederland, Frankrijk, de VS en Duitsland.
26
Figuur 1.6: Belangrijkste investeringslanden in Vlaanderen en Brussel, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
De belangrijkste werkgevers met buitenlandse controle in 2005 zijn De Post
(Deense controle), Randstad (Nederlandse controle), Ets Delhaize (destijds
Franse controle; momenteel – ook deels – Amerikaanse controle), Carrefour
Belgium (Franse controle) en Adecco Personnel Services (Zwitserse controle). In aantal was ongeveer 18% van alle buitenlandse ondernemingen
actief in de industrie in 2005, wat betekent dat het overgrote deel van de
buitenlandse ondernemingen actief was in de diensten. De buitenlandse
industriële ondernemingen zorgden evenwel voor 50% van de toegevoegde waarde die door alle buitenlandse ondernemingen werd gecreëerd
in 2005, en voor 37% van de werkgelegenheid bij alle buitenlandse ondernemingen. De grootte van de buitenlandse ondernemingen lijkt sterk af te
hangen van de activiteiten van de ondernemingen en de sectoren waartoe
ze behoren. In een volgende sectie wordt het belang van de buitenlandse
ondernemingen in de industrie en de diensten 3 besproken volgens de
OECD-classificatie van sectoren: voor de industrie wordt een onderscheid
3
Hier merken we op dat de aandelen van de buitenlandse ondernemingen in de industrie
en de diensten hoger liggen dan het aandeel van de buitenlandse ondernemingen in de
totale Vlaamse economie, doordat 16% van de lokale ondernemingen actief zijn in andere
activiteiten dan industrie of diensten, waaronder de bouwsector. Het aandeel van deze
‘overige’ ondernemingen ligt met 4% duidelijk lager bij de buitenlandse ondernemingen.
27
gemaakt tussen sectoren op basis van de O&O-intensiteit (Hatzichronoglou
1997: 5-6) en voor de diensten op basis van de kennisintensiteit (Meri
2008: 1). De bijlage bevat een overzicht van de OECD-classificatie, met de
cijfercode (NACE) die op Europees niveau wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen economische activiteiten.
Industrie
De databank bevat 820 buitenlandse industriële ondernemingen, wat
overeenkomt met 9% van alle industriële ondernemingen in Vlaanderen
en Brussel. De buitenlandse ondernemingen creëerden evenwel 65% van
de toegevoegde waarde in de industrie van Vlaanderen en Brussel in 2005.
De buitenlandse ondernemingen vertegenwoordigden de helft van de
werkgelegenheid in de industrie in 2005. Industriële ondernemingen met
buitenlandse controle zijn dus gemiddeld groter en productiever dan
lokale ondernemingen.
Ongeveer 21% van alle hoogtechnologische ondernemingen (bv. farmaceutische ondernemingen) gevestigd in Vlaanderen zijn buitenlandse
ondernemingen. Figuur 1.7 toont dat in 2005 de buitenlandse ondernemingen 78% van de werkgelegenheid in de hoogtechnologische industrie
van Vlaanderen vertegenwoordigden en 87% van de toegevoegde waarde
creëerden bij hoogtechnologische ondernemingen.
28
Figuur 1.7: Hoogtechnologische industrie: lokale versus buitenlandse ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
De belangrijkste hoogtechnologische sector voor de buitenlandse ondernemingen betreft de farmaceutische sector, met ongeveer 42% van de
werkgelegenheid en 61% van de toegevoegde waarde bij buitenlandse
hoogtechnologische ondernemingen. De tweede belangrijkste sector voor
buitenlandse hoogtechnologische ondernemingen is de productie van radio-,
televisie- en communicatieapparatuur. Van alle medium-hoogtechnologische ondernemingen in Vlaanderen is 19% buitenlands. Figuur 1.8 toont
dat de buitenlandse ondernemingen evenwel zorgden voor 70% van de
werkgelegenheid in de medium-hoogtechnologische industrie in 2005 en
voor 75% van de toegevoegde waarde. De medium-hoogtechnologische
industrie vertegenwoordigde in 2005 de meeste buitenlandse ondernemingen in de industrie.
29
Figuur 1.8: Medium-hoogtechnologische industrie: lokale versus buitenlandse
ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
De buitenlandse medium-hoogtechnologische ondernemingen zijn vooral
actief in de chemische sector en de automobielsector. Meer dan de helft
van de toegevoegde waarde van buitenlandse medium-hoogtechnologische
ondernemingen komt van de chemische sector.
Figuur 1.9 toont het aandeel van buitenlandse ondernemingen in de
medium-laagtechnologische industrie wat betreft werkgelegenheid en
toegevoegde waarde.
Figuur 1.9: Medium-laagtechnologische industrie: lokale versus buitenlandse
ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
30
De productie van cokes, geraffineerde aardolieproducten en rubber fuel zorgt
voor 47% van de toegevoegde waarde bij de buitenlandse ondernemingen
binnen de medium-laagtechnologische industrie. De sector is, ondanks de
hoge toegevoegde waarde, binnen de buitenlandse medium-laagtechnologische industrie slechts goed voor 12% van de werkgelegenheid.
Figuur 1.10 toont de verhoudingen tussen lokale en buitenlandse ondernemingen in de laagtechnologische industrie. Bij de laagtechnologische
buitenlandse ondernemingen is de productie van voedingsproducten,
dranken en tabakproducten goed voor meer dan de helft van de werkgelegenheid en toegevoegde waarde.
Figuur 1.10: Laagtechnologische industrie: lokale versus buitenlandse ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
Buitenlandse ondernemingen zijn dus vooral belangrijk voor de hoogtechnologische en de medium-hoogtechnologische industrie, en minder voor
de laagtechnologische industrie. In alle sectoren zijn buitenlandse ondernemingen gemiddeld groter en productiever dan lokale ondernemingen.
Diensten
Ongeveer 80% van de buitenlandse dienstenondernemingen in Belgie zijn
gevestigd in Vlaanderen en Brussel. In 2005 zorgden deze buitenlandse
ondernemingen voor 41% van de werkgelegenheid en voor 43% van de
toegevoegde waarde in de dienstensectoren in Vlaanderen.
31
Bij de dienstensectoren kan volgens de OECD een onderscheid gemaakt
worden op basis van de kennisintensiteit, wat gerelateerd is aan het inzetten van hoger opgeleiden in de sector. Het valt op dat de meeste buitenlandse ondernemingen actief zijn in minder-kennisintensieve diensten
('less-knowledge intensive services', cf. classificatie OECD in dde appendix)
met activiteiten op het vlak van groot- en kleinhandel: 60% van alle buitenlandse ondernemingen in de diensten zijn actief in dergelijke minderkennisintensieve diensten. De buitenlandse ondernemingen in deze sector creëerden de meeste waarde in 2005. Figuur 1.11 geeft een overzicht
van de verhouding tussen lokale ondernemingen en buitenlandse ondernemingen wat betreft werkgelegenheid en toegevoegde waarde.
Figuur 1.11: Minder-kennisintensieve diensten: lokale versus buitenlandse
ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
De overige buitenlandse ondernemingen actief in de diensten zijn vooral
actief in de kennisintensieve diensten, waaronder management consulting.
Figuur 1.12 toont dat ongeveer 9% van alle ondernemingen in de kennisintensieve diensten in 2005 buitenlands van oorsprong was. Deze buitenlandse ondernemingen zorgden in 2005 evenwel voor 50% van de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde in de kennisintensieve diensten.
32
Figuur 1.12: Kennisintensieve diensten: lokale versus buitenlandse ondernemingen, 2005
Bron: Vlerick Leuven Gent Management School
In de kennisintensieve hoogtechnologische diensten zijn de activiteiten
gerelateerd aan ICT de belangrijkste categorie voor buitenlandse ondernemingen. In 2005 was in totaal 16% van alle kennisintensieve hoogtechnologische ondernemingen van buitenlandse oorsprong. Deze buitenlandse
ondernemingen zorgden echter voor 62% van de werkgelegenheid en 50%
van de toegevoegde waarde in de kennisintensieve hoogtechnologische
diensten. De kennisintensieve hoogtechnologische diensten kenden de
sterkste stijging tussen 2001 en 2005.
De voorgaande bevindingen tonen het belang van de buitenlandse ondernemingen in de diensten aan. Dit geldt vooral voor de kennisintensieve diensten. Het belang van buitenlandse investeerders in de diensten kende tussen
2001 en 2005 een sterke stijging De kennisintensieve hoogtechnologische
diensten van buitenlandse ondernemingen zorgen voor heel wat werkgelegenheid binnen deze sector en ook voor de toegevoegde waarde van deze
belangrijke sector. Toch blijft binnen deze sector een belangrijk potentieel
bestaan voor het aantrekken van nieuwe investeringen (De Backer &
Sleuwaegen 2005).
33
2.6. Aantrekkingskracht voor BDI
Figuur 1.13 toont de resultaten van een enquête van bedrijfsleiders door
het adviesbureau Ernst and Young (E&Y) over welke regio’s aantrekkelijk
zijn voor greenfield-investeringen voor de jaren 2005, 2007 en 2009. Uit de
bevraging blijkt dat momenteel het merendeel van de bedrijfsleiders
vooral China het meest aantrekkelijke land vinden voor BDI.
Figuur 1.13: Globale attractiviteit per regio
Bron: Ernst & Young 2010; meerdere antwoorden mogelijk
West-Europa verliest investeringsaantrekkelijkheid op lange termijn,
waarbij de bedrijfsleiders wijzen op een mogelijke verschuiving naar het
Oosten, door de toenemende attractiviteit van China. De verschuiving
kan onder meer verklaard worden door de grotere investeringsvrijheid,
het belang van de markt en de groei van de rijkere middenklasse in Azië.
E&Y liet ook een enquête uitvoeren bij 806 internationale bedrijfsleiders
in 2008 over de aantrekkelijkheid van België voor BDI in Europa, waaruit blijkt dat België in 2008 naar de 8ste plaats binnen Europa zakte (5de
plaats in 2007). De daling van de aantrekkelijkheid komt volgens de
bedrijfsleiders vooral door de hoge fiscale druk en het gebrek aan ondernemerscultuur. Ook de hoge loonkost en het gebrek aan stabiliteit en
transparantie van het politieke en wettelijke kader zorgen voor een daling
in attractiviteit. Uit de enquête blijkt dat Nederland, Duitsland, Frankrijk
34
en de VS de grootste concurrenten van België zijn bij het aantrekken van
nieuwe projecten.
2.7. De aantrekkelijkheid van Vlaanderen als investeringsregio
op lange termijn
BDI worden voorafgegaan door een complex beslissingsproces, dat beïnvloed wordt door de bedrijfsstrategie van de onderneming, in combinatie
met de locatievoorwaarden binnen regio’s en landen. De literatuur wijst in
dit verband op het stijgende belang van contextuele factoren zoals de
institutionele omgeving van landen en regio’s (Blonigen 2005).
In dit verband wijzen bedrijfsleiders die door E&Y werden ondervraagd
over de aantrekkelijkheid op lange termijn van Vlaanderen en Europa, op
het fundamentele belang van innovatie en onderwijs. De ontwikkeling van
een innovatieve omgeving leidt op termijn tot een sterkere competitiviteit
van een regio. Innovatie zal in die zin een doorslaggevende rol spelen voor
de aantrekkelijkheid van Vlaanderen.
De bedrijfsleiders wijzen verder ook op het belang van veranderingscapaciteit en ondernemerschap in de economie en het beleid. Specifiek voor
Vlaanderen zou de flexibiliteit van de arbeidsmarkt moeten worden aangepast om deze evolutie te kunnen ondersteunen.
Zij wijzen ook op het belang van investeringen in infrastructuur op lange
termijn. De bedrijfsleiders verlangen ten slotte ook dat durfkapitaal meer
gericht moet zijn op innovatieve projecten.
De bedrijfsleiders die in het E&Y-rapport van 2009 specifiek bevraagd zijn
over hun investeringsplannen in België (niet enkel Vlaanderen) zijn minder
enthousiast dan voorheen. Slechts 23% van de internationale bedrijfsleiders
denkt na over een mogelijke investering in België. De meeste toekomstige
investeringen zouden bovendien vooral Verkoop & Marketing en administratieve diensten betreffen. Dit zijn investeringen die echter relatief weinig
werkgelegenheid met zich meebrengen.
De tendens om niet te investeren in België werd groter in 2008. Ongeveer
14% van de ondervraagde bedrijfsleiders dacht zelfs aan een vertrek uit
België. De meeste van deze verplaatsingen gaan richting de buurlanden en
Centraal- en Oost-Europa. De belangrijkste motieven voor een andere
35
locatiekeuze dan België zijn de grotere dynamiek van de interne markt, de
lagere loonkosten elders en de belastingen voor ondernemingen. Twee
derde van de bedrijfsleiders geeft aan dat ze België onaantrekkelijk vinden
qua fiscaliteit. 75% van de bedrijfsleiders vindt Vlaanderen onaantrekkelijk
qua loonkosten. De resultaten van de enquête van 2009 zijn gelijkaardig,
maar vertonen wel een lichte verbetering wat betreft de bekendheid van
maatregelen zoals de notionele interestaftrek, de patentbox en de Rulingcommissie.
De resultaten van de enquête stroken met de bevindingen van het Wereld
Economisch Forum (WEF), die gebaseerd zijn op 110 indicatoren met
betrekking tot basisvoorwaarden, omgevingsfactoren die de efficiënte
werking van ondernemingen kunnen verbeteren en innovatiefactoren, die
vooral doorwegen in de rangorde van ontwikkelde economieën. België
staat in de rangorde van het WEF in 2009 op de 18de plaats op 133 landen.
Frankrijk (16de), VK (13de), Nederland (10de) en Duitsland (7de) krijgen
een betere plaats in de rangorde. België scoort vooral slecht wat betreft de
gepercipieerde belastingsdruk: hiervoor krijgt België de 130ste plaats op
133 landen. Nederland (55ste), het VK (84ste), Frankrijk (92ste) en Duitsland
(106de) krijgen een betere plaats in de rangorde. België krijgt ook een lage
plaats in de rangorde wat betreft lasten door overheidsregulering (112de
plaats op 133), waarbij enkel Frankrijk (127ste) slechter doet van de buurlanden (World Competitiveness Report 2009-2010).
De meeste bedrijfsleiders denken dat nieuwe groei van investeringen naar
België vooral zal komen van de farmaceutische industrie en de biotechnologie. Ook groene technologie en ICT zullen volgens de ondervraagde
bedrijfsleiders van belang zijn voor de groei. Het rapport van Ernst &
Young (2009b) geeft echter wel aan dat deze groei sterk zal afhangen van
het economische en fiscale beleid.
De aanbevelingen die naar voren komen voor België (en Vlaanderen)
betreffen in de eerste plaats het fiscale beleid. Een verlaging van de belastingen tot op het Europese gemiddelde en een daling van de loonkost zou
voor 72% van de ondervraagde bedrijfsleiders kunnen leiden tot een overweging van een investering in België. Een verlaging van de vennootschapsbelasting en de (internationale) promotie van de notionele interestaftrek
36
blijken van fundamenteel belang. Een betere bekendheid van de fiscale
ruling mogelijkheid en de wenselijkheid van een fiscale consolidatie worden
eveneens benadrukt in het verbeteren van de aantrekkelijkheid van België
als investeringsregio. De promotie van het imago van Vlaanderen én België
moet tevens efficiënter gecoördineerd worden. Ondernemingen moeten
een duidelijk beeld krijgen van de voordelen van Vlaanderen en België.
Vooral het overtuigen van mogelijke investeerders die nog geen vestigingen
in België hebben, blijkt cruciaal te zijn binnen deze benadering.
3. Conclusies
Vlaanderen is een zeer open economie met een grote afhankelijkheid van
export en buitenlandse investeringen voor economische groei en werkgelegenheid. Waar in het recente verleden een lichte achteruitgang van het
Vlaams marktaandeel in de wereldexport waar te nemen viel, vormt
vooral het groeiende verlies aan aantrekkelijkheid voor buitenlandse
investeringen een belangrijke zorg voor de toekomst. Door het wegvallen
van allerhande belemmeringen op vlak van handel en investeringen zijn
institutionele en politieke factoren bijzonder belangrijk geworden voor
het aantrekken van dergelijke investeringen. De hoge loonlasten en de
gebrekkige concurrentiële positie betreffende vennootschapsbelastingen
spelen in dit verband een uiterst belangrijke rol. Tevens blijven de effectiviteit en efficiëntie van de arbeidsmarkt en de complexe regelgeving op
regionaal en federaal niveau een handicap vormen voor de aantrekkelijkheid van Vlaanderen voor buitenlandse investeringen. Omgekeerd tonen de
cijfers van uitgaande BDI aan dat Belgische en Vlaamse ondernemingen in
toenemende mate investeren in het buitenland, zoals ook in een later hoofdstuk aan bod zal komen. Deze investeringen spelen in op de noodzaak om
meer concurrentieel te zijn op wereldmarkten. Het offshoren van be­paalde
activiteiten door Vlaamse ondernemingen moet ook in deze context bekeken worden. Om een gunstige ontwikkeling van de kernactiviteiten van deze
ondernemingen lokaal te verankeren, zullen er ook institutionele innovaties moeten gebeuren die zorgen dat Vlaanderen voldoende flexibiliteit
37
en aanpassingskracht zal kunnen opwekken om als gastland aantrekkelijk te
blijven. Vooral betreffende de dienstensectoren zijn er belangrijke uitdagingen voor de toekomst. Het grotere belang van de diensten in de economie
en buitenlandse investeringen en de uitvoering van de dienstenrichtlijn
van de EU stellen in dit verband bijzondere eisen waar een proactief beleid
zich zal moeten op richten. Een afwachtende houding in dit verband zal
de concurrentiële positie van onze regio sterk aantasten en een verdere
verschuiving van activiteiten in de dienstensectoren naar vooruitlopende
regio’s veroorzaken. Tot slot kunnen we stellen dat de grote aanwezigheid
van kmo’s in het economische weefsel van Vlaanderen meestal gezien
wordt als een troef van de Vlaamse economie. De verdere inschakeling van
de kmo’s binnen globale structuren en ruimere netwerken met buitenlandse
ondernemingen over geografische grenzen heen zal echter sterk bepalend
worden voor het groeipotentieel van deze ondernemingen.
4. Referenties
−− Blonigen, B.A. (2005), ‘A Review of the Empirical Literature on FDI
Determinants’, Atlantic Economic Journal, 33: 383-403.
−− Calderón, C., Loayza, N. & Servén, L. (2004), Greenfield Foreign Direct
Investment and Mergers and Acquisitions: Feedback and Macroeconomic Effects.
World Bank Policy Research Working Paper 3192: 1-17.
−− De Backer, K. & Sleuwaegen, L. (2005), ‘A closer look at the productivity
advantage of foreign affiliates’, International Journal of the Economics of
Business, 12: 17-34.
−− Dunning, J.H. (1981), ‘Explaining the International Direct Investment
Position of Countries: Towards a Dynamic or Developmental Approach’,
Weltwirtschaftliches Archiv, 117: 30-64.
−− Ernst & Young (2009a), Reinventing European growth. Ernst & Young’s 2009
European attractiveness survey: 1-46.
−− Ernst & Young (2009b), No we can’t. België geeft niet wat investeerders vragen:
bestuurlijke stabiliteit en een aantrekkelijke ondernemingscultuur: 1-44.
−− FIT (2009), Vlaamse buitenlandse handel 2008: 1-12.
38
−− FIT (2010), Vlaamse in- en uitvoer: januari-juni 2009: 1-7.
−− Hatzichronoglou, T. (1997), Revision of the High-technology Sector and
Product Classification. OECD Science, Technology and Industry Working
Papers, 2: 1-25.
−− Meri, T. (2008), ‘Highly educated persons in science and technology
occupations’, Eurostat. Science and technology, 43: 1-8.
−− UNCTAD (2000), World Investment Report 2000.
−− UNCTAD (2005), World Investment Report 2005.
−− UNCTAD (2006), World Investment Report 2006.
−− UNCTAD (2007), World Investment Report 2007.
−− UNCTAD (2009), World Investment Report 2009.
−− World Economic Forum (2009), The Global Competitiveness Report 20092010: 1-479.
−− WTO
39
5. Bijlage
OECD-classification
Revision 1.1
High-tech
1. Aerospace
2. Computers, office machinery
3. Electronics-communications
4. Pharmaceuticals
5. Scientific instruments
35.3
30
32
24.4
33
Medium-high-tech
6. Motor vehicles
7. Electrical machinery
8. Chemicals
9. Other transport equipment
10. Non-electrical machinery
34
31
24-24.4
35.2+35.4+35.5
29
Medium-low-technology
11. Rubber and plastic products
12. Shipbuilding
13. Other manufacturing
14. Non-ferrous metals
25
35.1
36.2 through 36.6
27.4+27.53/54
15. Non-metallic mineral products
26
16. Fabricated metal products
28
17. Petroleum refining
18. Ferrous metals
23
27.1 through 27.3+27.51/52
Low-tech
19. Paper printing
20. Textile and clothing
21. Food, beverages, and tobacco
22. Wood and Furniture
21+22
17 through 19
15+16
20+36.1
Knowledge-intensive services
40
23. Water transport
61
24. Air transport
62
25. Post and telecommunications
64
26. Financial intermediation1
65
27. Insurance and pension funding2
66
28. Activities auxiliary to financial intermediation
67
29. Real estate activities
70
30. Renting of machinery and equipment without operator and
of personal and household goods
71
31. Computer and related activities
72
32. Research and development
73
33. Other business activities
74
34. Education
80
35. Health and social work
85
36. Recreational, cultural and sporting activities
92
Knowledge-intensive high-technology services
37. Post and telecommunications
64
38. Computer and related activities
72
39. Research and development
73
Knowledge-intensive market services
(excl. financial intermediation and high-tech services)
40. Water transport
61
41. Air transport
62
42. Real estate activities
70
43. Renting of machinery and equipment without operator and of personal
and household goods
71
44. Other business activities
74
Other knowledge-intensive services
45. Education
80
46. Health and social work
85
47. Recreational, cultural and sporting activities
92
Less-knowledge-intensive market services
48. Sale, maintenance and repair of motor
vehicles and motorcycles; retail sale of automotive fuel
50
49. Wholesale trade and commission trade,
except of motor vehicles and motorcycles
51
50. Retail trade, except of motor vehicles and motorcycles;
repair of personal and household goods
52
51. Hotels and restaurants
55
52. Land transport; transport via pipelines
60
53. Supporting and auxiliary transport activities;
activities of travel agencies
63
Other less-knowledge-intensive services
54. Public administration and defence; compulsory social security
75
55. Sewage and refuse disposal, sanitation and similar activities
90
56. Activities of membership organization
91
57. Other service activities
93
58. Private households with employed persons
95
59. Undifferentiated goods producing activities
of private households for own use
96
60. Undifferentiated services producing activities
of private households for own use
97
61. Extra-territorial organizations and bodies
99
41
Deel II:
De export door Vlaamse ondernemingen
2.Export, innovatie en werkgelegenheidsgroei
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Jan Wynen, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
Voor innoverende ondernemingen geeft internationalisering niet alleen
nieuwe opportuniteiten, het is vaak zelfs een noodzaak. Uit recent onderzoek blijkt dat innovatie, in het bijzonder productinnovatie, een belangrijke determinant is voor het starten en groeien van exportactiviteiten
(Cassiman & Martinez-Ros 2007; Becker & Egger 2007; Belderbos et al.
2009). Een te kleine markt en hoge ontwikkelingskosten van nieuwe producten zijn belangrijke drijfveren die ondernemingen internationale
markten doen exploreren. Exportactiviteiten hebben op hun beurt weer
positieve effecten op de overlevingskans en productiviteit van ondernemingen (Bernard & Jensen 1999; Muuls & Pisu 2007). Daarnaast blijven de
effecten van productinnovatie niet beperkt tot internationalisering. Voorafgaand onderzoek heeft aangetoond dat er ook positieve effecten zijn
van innovatie op de werkgelegenheid (Jaumandreu & Rodriguez 2004;
Jaumandreu, Mairesse & Peters 2005). Zowel innovatie als export kan dus
beschouwd worden als bron van economische groei.
De Vlaamse economie is sterk geïnternationaliseerd met een grote nadruk
op de export (FIT 2010). Gezien de kleine thuismarkt is het ontplooien van
activiteiten in grotere markten met meer groeipotentieel noodzakelijk
voor veel ondernemingen (Onkelinx & Sleuwaegen 2009). Hierdoor is de
groei van werkgelegenheid voor Vlaanderen niet enkel afhankelijk van inno43
vatieactiviteiten, maar ook van ondernemingen die exporteren of vestigingen hebben in het buitenland (Sleuwaegen et al. 2004; Muuls & Pisu
2007; Clarysse 2004; Lu & Beamish 2001).
Gezien het belang van innovatie en export voor de Vlaamse economie rijst
de vraag in welke mate innovatie en exportstrategieën daadwerkelijk bijdragen aan de werkgelegenheidsgroei in Vlaanderen. In dit hoofdstuk
trachten we een antwoord te geven op deze vraag. We onderzoeken de
relatie tussen innovatie, export en werkgelegenheidsgroei in detail, door
gebruik te maken van innovatie- en exportgegevens op bedrijfsniveau die
beschikbaar zijn in de Vlaamse innovatie-enquêtes (Community Innovation Survey, CIS) van 2000, 2004, 2006 en 2008 en in de ISF databank. In
tegenstelling tot eerder onderzoek naar startende exporteurs, bestuderen
we in dit hoofdstuk de invloed van groei in de export van ondernemingen
die al op exportmarkten actief zijn. Hierbij vergelijken we de effecten van
exportgroei en groei in binnenlandse verkopen op de werkgelegenheid in
Vlaanderen. Ook maken we onderscheid tussen export binnen en buiten
Europa en tussen verschillende types innovatieactiviteiten in ondernemingen (proces- versus productinnovaties).
In sectie 2 bespreken we kort de internationale literatuur rond de relatie
tussen export en werkgelegenheid en de invloed van innovatie op werkgelegenheidsgroei. Sectie 3 bespreekt de karakteristieken van de steekproef
en presenteert beschrijvende statistieken. In sectie 4 bespreken we de
resultaten van een multivariate analyse van de werkgelegenheidsgroei in
de steekproef van Vlaamse exporterende ondernemingen. De laatste sectie vat onze conclusies en aanbevelingen samen.
2. De relatie tussen export, innovatie en groei
Uit een reeks studies voor verschillende landen en tijdsperiodes blijkt dat
ondernemingen die exporteren gekenmerkt worden door een hoger productiviteitsniveau in vergelijking met niet- exporterende ondernemingen
(Bernard & Jensen 1995; Aw & Hwang 1995; Melitz 2003). Deze relatie kan
op twee manieren worden uitgelegd. Enerzijds kan deze toegelicht wor44
den aan de hand van zelfselectie: productievere ondernemingen zijn
competitiever en zullen sneller overgaan tot export (Castellani 2002;
Van Biesebroeck 2005). Anderzijds wordt deze relatie verklaard doordat
exporterende ondernemingen leren van de stringentere eisen en concurrentie op exportmarkten waardoor ze productiever worden (Bernard &
Jensen 2004). Voor Belgische ondernemingen is ook een sterke correlatie tussen exportactiviteiten en productiviteit vastgesteld (Muuls & Pisu
2007). Deze positieve correlatie is er in de regel ook met de werkgelegenheid, omdat een verruiming van de afzetmarkt het mogelijk maakt grotere
volumes te verkopen en meer werknemers tewerk te stellen (Lu & Beamish
2001). Exportgroei zou ook grotere positieve effecten op de werkgelegenheidsgroei kunnen genereren dan groei in binnenlandse verkopen, als
groei op exportmarkten leidt tot grotere concurrentiekracht door leereffecten, of als productaanpassingen die nodig zijn voor export tot extra
inzet van (geschoolde) werknemers leidt.
De bestaande literatuur rapporteert over het algemeen een duidelijk positief effect van productinnovatie op werkgelegenheidsgroei (Jaumandreu &
Rodriguez 2004; Jaumandreu, Mairesse & Peters 2005). Nieuwe innovatieve producten creëren nieuwe vraag die leidt tot expansie van omzet en
werkgelegenheid. Over de effecten van procesinnovatie en de introductie
van nieuwe productietechnologieën zijn de bevindingen gemengd (Ross
& Zimmerman 1993; Blanchflower & Burguess 1999). Er kunnen hier ook
negatieve effecten optreden, omdat procesinnovaties vaak ten doel hebben de arbeidsproductiviteit te verhogen en op loonkosten te besparen.
Aan de andere kant kunnen procesinnovaties die leiden tot lagere kosten
ook de concurrentiekracht van de onderneming verhogen en de omzet
laten toenemen, met mogelijke positieve effecten op de werkgelegenheid.
In de analyses in wat volgt, zullen we daarom onderscheid maken tussen
de introductie van product- en procesinnovaties.
45
3. Werkgelegenheidsgroei in Vlaamse ondernemingen
In dit onderdeel analyseren we de relatie tussen innovatie, export en werkgelegenheidsgroei voor een steekproef van Vlaamse exporterende ondernemingen. We beperken de analyses tot exporterende ondernemingen in
de industrie. 4 Om de groei in export te kunnen bepalen, is het noodzakelijk dat de ondernemingen in twee opeenvolgende jaren aan de innovatieenquêtes meedoen en exportgegevens invullen. Dit levert een steekproef
op van 320 ondernemingen met zetel in Vlaanderen of Brussel. Omdat
verscheidene ondernemingen in meer dan twee opeenvolgende enquêtes
responderen, is het totaal aantal observaties hoger (533).
We relateren de groei in de werkgelegenheid aan de groei in export en
binnenlandse verkopen in dezelfde periode, in casu 2000-2004, 20042006 en 2006-2008. De waarden voor export en binnenlandse verkoop
werden gecorrigeerd voor sectorspecifieke inflatietrends betreffende de
verschillende jaren. We relateren de werkgelegenheidsgroei daarnaast ook
aan de innovatieactiviteiten van de ondernemingen in de voorgaande
periode (de voorgaande CIS-enquête). We definiëren ondernemingen als
innoverend als ze gedurende de periode voorafgaand aan de observatieperiode een product- en/of procesinnovatie hebben ontwikkeld en ingevoerd, of als zij innovatieactiviteiten ontplooiden die (nog) niet tot de introductie van proces- of productinnovaties hebben geleid. Binnen de groep
van innoverende ondernemingen onderscheiden we ondernemingen naar
het type van innovaties dat in de periode voorafgaand aan de geanalyseerde periode werd ontwikkeld: ondernemingen die enkel procesinnovaties introduceerden ondernemingen die zowel product- als proces­
innovaties introduceerden en ondernemingen die in de periode geen
nieuwe innovaties introduceerden maar wel actief waren in O&O.
4
46
We beperken de analyse tot exporterende bedrijven omdat de gegevens voor niet
exporterende ondernemingen niet altijd eenduidig zijn in verband met non-respons en
een hoge drempelwaarde die gehanteerd wordt voor rapportage.
We onderzoeken de invloed van innovatie en groei in export op de werkgelegenheidsgroei door allereerst verschillen te bestuderen in het percentage ondernemingen dat een positieve werkgelegenheidsgroei kent (figuren 2.1-2.4). Vervolgens wordt de gemiddelde werkgelegenheidsgroei van
ondernemingen geanalyseerd die al dan niet een groei van binnenlandse
verkoop en export kenden en die al dan niet innovatieactiviteiten ontplooiden. Daarnaast vergelijken we de werkgelegenheidsgroei in ondernemingen met en zonder export naar niet-Europese landen. We meten de
groei als het verschil in waarde van de natuurlijke logaritme van de werkgelegenheid in de twee opeenvolgende periodes. 5
In tabellen 2.1a, 2.1b en 2.1c wordt een overzicht gegeven van het aantal
ondernemingen in de 12 industriesectoren (op basis van NACE-codes op
2-digitniveau) en de verdeling van het aantal ondernemingen met groei in
werkgelegenheid, exportgroei, groei in binnenlandse verkoop en innovatie. De distributie van het aantal ondernemingen per sector is nagenoeg
gelijkaardig in de drie periodes. De tabel laat belangrijke verschillen zien
in de mate van export, innovatie en groei in tewerkstelling. Zo kent de textielindustrie maar zeer weinig ondernemingen met groei in binnenlandse
verkoop terwijl dit bijvoorbeeld voor de farmaceutische industrie over het
algemeen veel hoger ligt. Innovatieactiviteiten komen het meest voor bij
ondernemingen in de elektronica-industrie, maar ook in de voedings­
industrie. Wat opvalt, is dat de exportgroeiprestaties wisselen in de drie
periodes. De machine- en elektronica-industrie hebben de meest stabiele
kern van ondernemingen met exportgroei.
5
Bij kleine groeiwaarden is deze groeimaatstaf bij benadering gelijk aan de proportionele groei. Het voordeel van deze maatstaf is dat voor ondernemingen met sterke
proportionele groei (omdat het initiële exportniveau zeer laag was) de groeiwaarde
niet tot een extreme waarde leidt die het gemiddelde van een groep van ondernemingen
sterk zou beïnvloeden.
47
Tabel 2.1a: Aantal ondernemingen per sector in 2004: werkgelegenheidsgroei,
exportgroei, groei in binnenlandse verkoop en innovatie
Sector
Voeding / Drank /
Tabak
Alle
ondernemingen
(% van totaal)
Aantal
ondernemingen met
werkgelegenheidsgroei
(% van sector)
Aantal
ondernemingen
met exportgroei
(% van sector)
Aantal
ondernemingen
actief in innovatie
(% van sector)
Aantal
ondernemingen met
een groei in binnenlandse verkopen
(% van sector)
17  (11)
9 (53)
14  (82)
13  (76)
15 (88)
Textiel
19  (12)
3 (16)
7  (37)
15  (79)
3 (16)
Hout / Papier / Druk
15  (10)
8 (53)
10  (67)
14  (93)
5 (33)
Chemie / Farmacie
16  (10)
9 (56)
9  (56)
16 (100)
3 (19)
Rubber / Kunststof
11  (7)
5 (45)
8  (73)
11 (100)
5 (45)
Minerale producten
Metaal
9   (6)
4 (44)
4  (44)
9 (100)
5 (56)
21  (13)
12 (57)
15  (71)
18  (86)
9 (43)
Machines
21  (13)
8 (38)
12  (57)
19  (90)
8 (38)
Elektronica
16  (10)
8 (50)
13  (81)
14  (88)
8 (50)
Auto-industrie
8    (5)
4 (50)
6  (75)
8 (100)
4 (50)
Overige industrie
2    (1)
1 (50)
2 (100)
1  (50)
1 (50)
155 (100)
71 (46)
100 (64)
138 (89)
66 (43)
Totaal
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Tabel 2.1b: Aantal ondernemingen per sector in 2006: werkgelegenheidsgroei,
exportgroei, groei in binnenlandse verkoop en innovatie
Sector
Voeding / Drank /
Tabak
Aantal
Alle ondernemingen met
ondernemingen werkgelegenheids(% van totaal)
groei
(% van sector)
27   (11)
Aantal
ondernemingen
met exportgroei
(% van sector)
Aantal
ondernemingen
actief in innovatie
(% van sector)
Aantal
ondernemingen met
een groei in binnenlandse verkopen
(% van sector)
14 (52)
24 (89)
17 (63)
20 (74)
Textiel
19    (8)
5 (26)
7 (37)
11 (58)
7 (37)
Hout / Papier / Druk
26   (11)
18 (69)
15 (58)
16 (62)
11 (42)
Chemie / Farmacie
25  (10)
16 (64)
20 (80)
20 (80)
15 (60)
Rubber / Kunststof
17    (7)
9 (53)
12 (71)
12 (71)
8 (47)
Minerale producten
16    (7)
11 (69)
8 (50)
13 (81)
11 (69)
16 (52)
Metaal
31  (13)
20 (65)
15 (48)
26 (84)
Machines
29  (12)
19 (66)
21 (72)
22 (76)
19 (66)
Elektronica
25  (10)
15 (60)
20 (80)
23 (92)
14 (56)
Auto-industrie
12  (5)
6 (50)
7 (58)
7 (58)
9 (75)
Overige industrie
10  (4)
5 (50)
5 (42)
5 (42)
7 (58)
237 (100)
144  (61)
144  (61)
179 (75)
134  (57)
Totaal
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
48
Figuur 2.1 laat de relatie zien tussen groei in export, binnenlandse verkoop en werkgelegenheidsgroei. Zoals men zou verwachten, is het percentage ondernemingen dat een werkgelegenheidsgroei kent het hoogst
onder ondernemingen die groeien zowel in export als in binnenlandse
verkoop. Vervolgens valt op dat het percentage bedrijven met werkgelegenheidsgroei groter is voor bedrijven die enkel groeien in export dan
voor bedrijven die enkel groeien in binnenlandse verkoop. Dit lijkt een
eerste aanwijzing te zijn dat exportgroei sneller kan leiden tot een toename in werkgelegenheid dan groei in binnenlandse verkoop.
Tabel 2.1c: Aantal ondernemingen per sector in 2008: werkgelegenheidsgroei,
exportgroei, groei in binnenlandse verkoop en innovatie
Alle
ondernemingen
(% van totaal)
Aantal
ondernemingen
met werkgelegenheidsgroei
(% van sector)
Aantal
ondernemingen
met exportgroei
(% van sector)
Aantal
ondernemingen
actief in innovatie
(% van sector)
Aantal
ondernemingen met
een groei in binnenlandse verkopen
(% van sector)
Voeding / Drank /
Tabak
16   (11)
6 (38)
11 (69)
14 (88)
11 (69)
6 (43)
Sector
Textiel
14   (10)
3 (21)
6 (43)
7 (50)
Hout / Papier / Druk
12    (8)
6 (50)
4 (33)
4 (33)
2 (17)
Chemie / Farmacie
13    (9)
6 (46)
7 (54)
10 (77)
11 (85)
Rubber / Kunststof
8    (6)
3 (38)
2 (25)
5 (63)
5 (63)
Minerale producten
9    (6)
4 (44)
3 (33)
6 (67)
3 (33)
Metaal
18   (13)
8 (44)
8 (44)
14 (78)
6 (33)
Machines
22   (16)
11 (50)
14 (64)
17 (77)
17 (77)
Elektronica
15  (11)
6 (40)
10 (67)
14 (93)
6 (40)
Auto-industrie
8   (6)
3 (38)
5 (63)
6 (75)
3 (38)
Overige industrie
6   (4)
2 (33)
4 (67)
3 (50)
4 (67)
141 (100)
58 (41)
77 (55)
100 (71)
74 (52)
Totaal
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Zoals verwacht slagen minder ondernemingen erin om zonder groei in
export en binnenlandse verkoop een werkgelegenheidsgroei te realiseren.
Toch is dit percentage nog hoog in de hoogconjunctuur van 2006 en zelfs
gemiddeld iets hoger dan dat van ondernemingen die een groei van binnenlandse verkoop kenden. Waarschijnlijk waren er in deze periode verschillende ondernemingen die werkgelegenheid creëerden in anticipatie
op groei in omzet, gezien de sterke groeiverwachtingen in die periode.
49
Figuur 2.1: Percentage ondernemingen met werkgelegenheidsgroei: ondernemingen
met en zonder groei in export en binnenlandse verkoop
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Figuur 2.2: Percentage ondernemingen met werkgelegenheidsgroei: ondernemingen
met en zonder innovatieactiviteiten
Bron: Berekeningen van de auteurs op basis van CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
50
Figuur 2.2 toont het percentage ondernemingen met werkgelegenheidsgroei als functie van het ontplooien van innovatieactiviteiten in de voorgaande periode. Uit de grafiek valt duidelijk af te leiden dat er meer ondernemingen in slagen werkgelegenheidsgroei te creëren wanneer ze actief
zijn in innovatie. Het verschil met niet innoverende ondernemingen is
ook in 2006 nog 12 procentpunten.
Figuur 2.3: Percentage ondernemingen met werkgelegenheidsgroei: ondernemingen
met verschillende types innovatieactiviteiten
Bron: Berekeningen van de auteurs op basis van CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
In figuur 2.3 splitsen we dan de innovatieactiviteiten uit naar het type
innovatie. Ondernemingen met productinnovaties blijken over het algemeen het meest regelmatig werkgelegenheidsgroei te realiseren. Als deze
gecombineerd worden met procesinnovaties neemt het percentage groeiers in werkgelegenheid eerder af dan toe. Dezelfde rangorde geldt ten
opzicht van ondernemingen die enkel procesinnovaties introduceerden.
Enkel in 2006 is een (kleine) groep ondernemingen met andere innovatieactiviteiten vaker in staat om werkgelegenheidsgroei te realiseren.
Figuur 2.4 geeft tot slot een overzicht van de relatie tussen export naar
niet-Europese bestemmingen en werkgelegenheidsgroei. Voor zowel 2004
als 2008 valt op dat er beduidend meer ondernemingen met export naar
51
niet-Europese landen een groei in werkgelegenheid kennen. In 2006 liggen
de beide percentages heel dicht bijeen, en zijn er zelfs iets meer ondernemingen die enkel naar Europese landen exporteren en werkgelegenheidsgroei realiseren. 6
Figuur 2.4: Percentage ondernemingen met werkgelegenheidsgroei: ondernemingen
met export naar Europese en niet-Europese landen
Bron: Berekeningen van de auteurs op basis van CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Figuren 2.5-2.8 laten vervolgens verschillen zien in de gemiddelde werkgelegenheidsgroei als functie van groei in binnenlandse verkoop en export,
export naar niet-Europese bestemmingen en innovatie. Over het algemeen laten deze figuren eenzelfde beeld zien als de figuren 2.1-2.4. Het
onderscheid tussen exportgroei en groei van binnenlandse verkoop, en
tussen innoveren en niet innoveren, blijkt echter een stuk scherper als de
mate van groei in beschouwing wordt genomen.
6
52
Dit verschil is klein en kan veroorzaakt worden door andere factoren die niet in de
figuren in beschouwing worden genomen. De multivariate analyse laat toe een
nauwkeuriger inzicht te krijgen in het effect van exporteren buiten Europa.
Figuur 2.5: Gemiddelde werkgelegenheidsgroei voor ondernemingen met en zonder
groei in export en binnenlandse verkopen
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Figuur 2.5 toont een negatieve groei in werkgelegenheid in alle periodes
voor ondernemingen die geen groei in export of binnenlandse verkoop
realiseren. Ondernemingen die zowel groeien in export als binnenlandse
verkoop realiseren altijd de sterkste groei in werkgelegenheid. Daarnaast
is er nu in elke periode een duidelijke rangorde tussen exportgroei en groei
van de binnenlandse verkoop, waar de eerste groep ondernemingen in alle
periodes een sterkere werkgelegenheidsgroei laat zien.
53
Figuur 2.6: Gemiddelde werkgelegenheidsgroei voor ondernemingen met
en zonder innovatieactiviteiten
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
De verschillen tussen innoverende en niet-innoverende ondernemingen
(figuur 2.6) zijn ook zeer duidelijk in het voordeel van innovatie. Niet innoverende ondernemingen konden gemiddeld genomen alleen in 2004-2006
een inkrimping van het personeelsbestand voorkomen. In figuur 2.7 blijkt
dan nog duidelijker dat de introductie van productinnovatie tot werkgelegenheidsgroei leidt, maar niet zozeer de introductie van procesinnovaties.
Dit stemt overeen met bevindingen in de literatuur (Jaumandreu & Rodriguez 2004; Jaumandreu, Mairesse & Peters 2005). Procesinnovaties dienen
vooral ter bevordering van efficiëntie terwijl productinnovaties vaak leiden tot een groter marktaandeel, met een positief effect op het aantal
werknemers tot gevolg.
54
Figuur 2.7: Gemiddelde werkgelegenheidsgroei van ondernemingen met verschillende
types innovatieactiviteiten
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
Figuur 2.8: Gemiddelde werkgelegenheidsgroei voor ondernemingen met export
naar Europese en niet-Europese landen
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
55
Wanneer we ondernemingen die enkel exporteren naar Europese landen
vergelijken met ondernemingen die ook niet-Europese exportbestemmingen kennen, blijkt dat de laatste over de hele lijn een substantieel hogere
werkgelegenheidsgroei realiseren. Dit suggereert dat het positieve effect
van export op werkgelegenheidsgroei nog kan worden versterkt wanneer
de export gericht is op niet-Europese landen.
4. De impact van innovatie en groei in export op werkgelegenheidsgroei
In dit gedeelte bespreken we de resultaten van een multivariate analyse
waarin werkgelegenheidsgroei verklaard wordt door exportgroei, groei in
binnenlandse verkoop en innovatie. In de analyse die volgt zijn we geïnteresseerd in welke mate groei in export en innovatie een effect hebben op
groei in werkgelegenheid na het in rekening brengen van andere bedrijfskarakteristieken. In de multivariate analyse verklaren we de absolute groei
in werkgelegenheid, waarbij we de groei logaritmisch transformeren om
een dominant effect van extreme waarden tegen te gaan. 7
Naast bovenstaande variabelen houden we ook rekening met andere factoren die een invloed kunnen hebben op de werkgelegenheidsgroei. We
nemen ook de groei in de vaste kapitaalgoederenvoorraad op. Enerzijds
kunnen deze investeringen werkgelegenheid creëren door de capaciteit te
verhogen, anderzijds kan een toename in de kapitaalgoederenvoorraad
ook arbeid substitueren. We controleren ook de werkgelegenheid in de
vorige periode (in logaritmische vorm), omdat het voor grote ondernemingen lastiger kan zijn een omvangrijke groei te realiseren. De leeftijd
van de onderneming kan een rol spelen in dynamische groeiprocessen, en
we nemen deze factor ook op in het model. Ook het feit of de onderneming
onderdeel van een buitenlandse multinationale onderneming (MNO) is kan
7
56
Concreet is de berekening van groei Øln |Lt - Lt - 1|, waarbij Ø een indicatorfunctie is die
negatief is als Lt - Lt - 1 negatief is, en positief als Lt - Lt - 1 positief is.
van belang zijn. 8 Als laatste onderscheiden we 12 sectoren om te corrigeren voor industrieverschillen, en twee jaar-dummies om te corrigeren
voor macro-economische ontwikkelingen en conjuncturele trends.
In tabel 2.2 worden de beschrijvende statistieken van de gebruikte variabelen getoond. De groei in export was gemiddeld hoger dan die in binnenlandse verkopen maar beide variabelen variëren sterk tussen de ondernemingen, wat leidt tot een hoge standaardafwijking. De gemiddelde leeftijd
van ondernemingen bedroeg 25 jaar (3.23 uitgedrukt in logaritme), en
ruim een kwart van de ondernemingen behoorde tot een buitenlandse
multinational.
Tabel 2.2: Beschrijvende statistieken
Variabele
Gemiddelde
Standaardafwijking
Werkgelegenheidsgroei
0,26
  2,68
Groei export
3,01
14,22
Groei binnenlandse verkopen
0,39
13,94
Export naar landen buiten EU (dummy)
0,62
  0,49
Innovatie
0,78
  0,41
Product- en procesinnovatie
0,42
  0,49
Enkel productinnovatie
0,15
  0,36
Enkel procesinnovatie
0,15
  0,35
Andere innovatieactiviteiten
0,07
  0,26
Vast kapitaal groei
1,34
10,90
Werkgelegenheid
4,35
  1,48
Buitenlandse MNO
0,26
  0,44
Ouderdom
3,23
  0,68
Jaar 2008
0,26
  0,44
Jaar 2006
0,44
  0,50
Bron: CIS-enquêtes Vlaanderen, ISF en Bureau Van Dijk (2010)
8
We kunnen in de analyse door onvolledige informatie voor de gehele periode geen
onderscheid maken tussen Vlaamse multinationale ondernemingen en ondernemingen
zonder buitenlandse filialen.
57
De resultaten van de analyses worden weergegeven in tabel 2.3. In het eerste model kijken we enkel naar het effect van innovatieactiviteiten in het
algemeen en in het tweede model splitsen we deze uit naar types innovatie.
De resultaten laten een significant positief effect zien van zowel groei in
binnenlandse verkopen als groei in export op werkgelegenheidsgroei,
maar het effect van exportgroei is ongeveer twee keer zo hoog als dat van
groei in binnenlandse verkoop. De geschatte coëfficiënt geeft aan dat een
groei in exportwaarde van 1 miljoen euro een werkgelegenheidstoename
van een kleine 2 werknemers tot gevolg heeft. Dit getal komt redelijk goed
overeen met de omzet per werknemer die gemiddeld 3.500.000 euro
bedraagt voor de ondernemingen in de steekproef. Daarnaast blijken
ondernemingen die exporteren naar niet-Europese landen nog een significant hogere werkgelegenheidsgroei te realiseren. Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de beschrijvende patronen die we zagen in de figuren en
laten duidelijk zien dat exportgroei belangrijker is voor de werkgelegenheid dan groei in binnenlandse omzet. Innovatieactiviteiten op zich hebben geen significant effect op de werkgelegenheidsgroei in model 1. Echter, als we de verschillende types innovatieactiviteiten onderscheiden
(model 2) dan zien we wel een significant positief effect van productinnovaties. Deze resultaten bevestigen de belangrijke rol van productinnovaties en de ambigue invloed van procesinnovaties die ook in eerdere studies
voor andere landen zijn gevonden. 9
Ook de controle variabelen hebben een belangrijke invloed op werkgelegenheidscreatie. Een toename in vast kapitaal heeft een significante positief
effect op werkgelegenheidsgroei, maar grotere en oudere ondernemingen
groeien significant minder hard.
9
58
We hebben ook onderzocht of de werkgelegenheidseffecten van exportgroei groter zijn
voor ondernemingen die ook innoveren. De interactie tussen innovatie en exportgroei
bleek positief maar niet significant.
Tabel 2.3: De effecten van exportgroei en innovatie op de werkgelegenheidsgroei
van Vlaamse ondernemingen, 2000-2008
Werkgelegenheidsgroei
Groei binnenlandse verkopen
Groei export
Export naar landen buiten Europa (dummy)
Innovatie (vorige periode)
Model 1
Model 2
    0,018**
   0,019**
     0,036***
    0,036***
    0,558**
   0,520**
  0,322
Product- en procesinnovatie (vorige periode)
0,279
Productinnovatie (vorige periode)
   0,689**
Procesinnovatie (vorige periode)
0,114
Andere innovatieactiviteiten (vorige periode)
0,172
 
Groei in vast kapitaal
     0,060***
    0,060***
Werkgelegenheidsniveau (vorige periode)
    -0,378***
   -0,369***
Buitenlandse MNO
Ouderdom
-0,024
-0,007
  -0,385*
-0,381*
Jaar 2008
0,26
0 ,239
Jaar 2006
     0,725***
   0,690**
Sectoren
opgenomen
opgenomen
Constante
   1,542*
Observaties
533
R²
F-test
  1,563*
533
  0,251
0,254
(21,319) 8,17
(24,319) 7,13
*
significant op 10%
**
significant op 5%
***
significant op 1%
Standaardfouten geclusterd op ondernemingsniveau
Bron: Berekeningen van de auteurs
5. Conclusies
In dit hoofdstuk onderzochten we de effecten van exportgroei en innovatie op de werkgelegenheidsgroei op bedrijfsniveau. We maakten daarbij
gebruik van gedetailleerde informatie uit de innovatie-enquêtes voor
Vlaanderen uit 2000, 2004, 2006 en 2008 waarbij we de werkgelegenheidsgroei van 320 exporterende industriële ondernemingen door de tijd heen
analyseerden.
Ondernemingen die een exportgroei kennen, realiseren vaker een werkgelegenheidsgroei en groeien gemiddeld genomen ook harder, dan
59
ondernemingen die enkel een groei in binnenlandse verkoop realiseren.
Innoverende ondernemingen – met name als het gaat om productinnovatie
– en ondernemingen die exporteren buiten Europa laten ook een hogere
werkgelegenheidsgroei zien. Deze verbanden werden bevestigd in een
multivariate analyse van de werkgelegenheidsgroei waarbij gelijktijdig
rekening werd gehouden met meerder factoren, zoals sector, groei in vast
kapitaal, bedrijfsgrootte en leeftijd van de onderneming. Zelfs als we voor
deze waaier aan andere factoren corrigeren, heeft groei in exportwaarde
een significante en substantiële impact op groei in werkgelegenheid, en
deze is ruwweg tweemaal zo groot als de impact van groei in binnenlandse
verkoop. Hoewel de innovatieactiviteiten in het algemeen geen bijkomende
invloed op de werkgelegenheidsgroei lieten zien, heeft de introductie van
productinnovaties wel degelijk een erg significante invloed op de werkgelegenheidsgroei. Opvallend is ook dat het vooral jonge en kleinere
ondernemingen binnen de steekproef zijn die de grootste werkgelegenheidsgroei laten zien.
We concluderen dat exportgroei en productinnovaties belangrijke drijvende factoren zijn achter de groei in werkgelegenheid voor Vlaamse
ondernemingen in de industrie. Dit bevestigt dat stimuleringsmaatregelen voor export en innovatie belangrijke instrumenten kunnen zijn tot het
bevorderen van werkgelegenheidsgroei in Vlaanderen. Daarbij verdient
het faciliteren van export naar niet-Europese landen bijzondere aandacht
en is een focus op relatief jonge en kleine ondernemingen als groeimotoren niet misplaatst. We tekenen hierbij wel aan dat, gezien de beperkte
omvang van de steekproef, in de toekomst bijkomende analyses van grotere steekproeven van Vlaamse ondernemingen nodig zijn om deze bevindingen verder te onderbouwen.
60
6. Referenties
−− Aw, B.Y & Hwang, A.R. (1995), ‘Productivity and the export market:
A firm-level analysis’, Journal of Development Economics, 47, (2): 313-332.
−− Becker, S. & Egger, P. (2007), Endogenous Product Versus Process Innovation
and a Firm’s Propensity to Export. CESIFO Working Paper, nr. 1906.
−− Belderbos, R., Wynen, J. & Duvivier, F. (2009), Innovation and Export
Competitiveness: Evidence from Flemish Firms. STOIO Working Paper.
−− Bernard, A. & Jensen, J.B. (1995), Exporters, Jobs, and Wages in U.S. Manufacturing, 1976-1987. Brookings Papers on Economic Activity 0, (0): 67-112.
−− Bernard, A. & Jensen, J.B. (1999), ‘Exceptional export performance:
cause, effect, or both?’, Journal of International Economics, 47: 1-25.
−− Bernard, A.B. & Jensen, J.B. (2004), ‘Exporting and Productivity in the
USA’, Oxford Review of Economic Policy, 20, (3): 343-357.
−− Blanchflower, D. & Burguess, S. (1998), ‘New technology and jobs:
Comparative evidence from a two-country study’, Economics of Innovation
and New Technology, 5: 109-138.
−− Bruneel, J. & Clarysse, B. (2006), ‘Internationalisatie als uitdaging bij
het realiseren van groeiambities’, in: Durven groeien in Vlaanderen: een
boek voor gevorderden, Roeselare: Roularta Books, 213-233.
−− Cassiman, B. & Martinez-Ros, E. (2007), Product innovation and exports:
evidence from Spanish manufacturing. IESE Working Paper. Mimeo.
−− Castellani, D. (2002), ‘Export Behavior and Productivity Growth: Evidence
from Italian Manufacturing Firms’, Weltwirtschaftliches Archiv/Review of
World Economics 138, (4): 605-628.
−− Clarysse, B. (2004), Eendagsvlieg of pioneer: welke ondernemer redt onze economie?, Antwerpen-Apeldoorn: Garant, 231.
−− FIT 2010 Factbook 2009.
−− Garcia, A., Jaumandreu, J. & Rodriguez, C. (2004), Innovation and jobs: evidence from manufacturing firms. MPRA Paper 1204, Universitätsbibliothek
München, Duitsland.
61
−− Harrison, R., Jaumandreu, J., Mairesse, J. & Peters, B. (2005), Does innovation stimulate employment? A firm-level analysis using comparable micro data
on four European countries. MPRA Paper 1245, Universitätsbibliothek
München, Duitsland.
−− Klette, T. & Forre, S.E. (1998), ‘Innovation and job creation in a small
open economy: Evidence from Norwegian manufacturing plants
1982-92’, Economics of Innovation and New Technology, 5: 247-272.
−− Lu, J. & Beamish, P.W. (2001), ‘Internationalization and Performance of
SMEs’, Strategic Management Journal, 22, (6/7): 565-586.
−− Melitz, M.J. (2003), ‘The Impact of Trade on Intra-Industry Reallocations
and Aggregate Industry Productivity’, Econometrica, 71, (6): 1695-1725.
−− Muûls, M. & Pisu, M. (2007), Imports and Exports at the Level of the Firm: Evidence from Belgium. Research series 200705-03, Nationale Bank van België.
−− Onkelinx, J. & Sleuwaegen, L. (2008), Internationalization of SMEs, Flanders DC & Vlerick Leuven Gent Management School, 90.
−− Onkelinx, J. & Sleuwaegen, L. (2009), Determinants of successful internationalization by SMEs, Flanders DC & Vlerick Leuven Gent Management
School, mei 2009.
−− Pisu, M. (2008), Export destinations and learning-by-exporting: Evidence brom
Belgium. Working Paper Research, 140, Nationale Bank van België.
−− Regev, H. (1998), ‘Innovation, skilled labour, technology and performance in Israeli industrial firms’, Economics of Innovation and New Technology, 5: 301-323.
−− Ross, D.R. & Zimmerman, K. (1993), ‘Evaluating reported determinants
of labour demand’, Labour Economics, 1: 71-84.
−− Sleuwaegen, L., De Backer, K., Coucke, K. & Vandenbroere, K. (2004), Nieuwe
internationalisatiestrategieën van Vlaamse ondernemingen. Onderzoeksrapport
voor het Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie.
−− Van Biesebroeck, J. (2005), ‘Exporting Raises Productivity in Sub-Saharan
African Manufacturing Firms’, Journal of International Economics, 67, (2):
373-391.
−− Van Hootegem, G. (2003), Jobcreatie en -destructie in Vlaamse organisaties,
Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie.
62
3.Het effect van het menselijk en sociaal kapitaal van de bedrijfseigenaar op de exportactiviteiten van de startende onderneming
Jonas Debrulle, Katholieke Universiteit Leuven
Johan Maes, IESEG School of Management, Université Catholique de Lille
en Katholieke Universiteit Leuven
Luc Sels, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
In deze studie onderzoeken we of en in welke mate de bedrijfseigenaar
met behulp van zijn menselijk en sociaal kapitaal een invloed kan uitoefenen op de exportactiviteiten van een startende onderneming. Hierbij veronderstellen we dat de absorberende capaciteit van de onderneming
(Cohen & Levinthal 1990) de potentiële relaties tussen het menselijk en
sociaal kapitaal van de eigenaar en de exportactiviteiten van de startende
onderneming modereert. Dit houdt in dat we ervan uitgaan dat de relatie
tussen menselijk en sociaal kapitaal enerzijds en exportactiviteiten anderzijds bepaald wordt door de absorberende capaciteit van de startende
onderneming. Met de term ‘absorberende capaciteit’ verwijzen Cohen &
Levinthal (1990) naar het vermogen van een organisatie om externe informatie binnen te halen, deze tot kennis te verwerken en vervolgens deze
nieuwe kennis ten volle te benutten.
Tot de jaren negentig waren de begrippen ‘startende onderneming’ en
‘export’ moeilijk met elkaar te rijmen. Sterker nog, een startende onderneming diende niet alleen export, maar het ganse internationalisatiethema te
mijden. ‘Internationalisatie’ treedt hierbij op als verzamelterm voor de
diverse pistes die een onderneming kan bewandelen wanneer ze zich
voorbij de landsgrenzen wenst te manifesteren. Voorbeelden van internationalisatiemogelijkheden zijn – behalve export – import, directe buitenlandse investeringen (DBI), licenties, internationale samenwerking enzovoort. Ongeacht de internationalisatiemodus werd tot de jaren negentig
63
het overschrijden van de landsgrenzen beschouwd als een uitloper van
een continu, gestaag, binnenlands ontwikkelingsproces (Johanson &
Vahlne 1990; Rialp et al. 2005). Pas na verzadiging van de nationale markten
zou de gevestigde onderneming nieuwe horizonten verkennen. Startende
ondernemingen werden (terecht) geacht over onvoldoende middelen,
procedures en ervaring te beschikken om enig internationaal avontuur te
beginnen (Julien & Ramangalahy 2003). Twintig jaar later echter, worden
aan dit internationalisatiefenomeen nieuwe spelregels gekoppeld (Autio &
Sapienza 2000; Bell et al. 2003; Rialp et al. 2005). Zo blijkt uit voorgaand
onderzoek (alsook uit de bijdrage van Clarysse et al. in dit boek) dat de
internationale slaagkans van een onderneming, los van haar internationalisatiemodus, alsmaar meer afhangt van haar capaciteit om op een
effectieve en efficiënte manier om te springen met informatie en kennis
(Autio et al. 2000; Eriksson et al. 1997; Oviatt & McDougall 1997; Rialp et
al. 2005; Yli-Renko et al. 2002). Ook de competitieve sterkte van (internationale) organisaties is in toenemende mate kennisgerelateerd (Barkema &
Vermeulen 1998; Barney 1991; Conner & Prahalad 1991; Zahra et al. 2000).
In dit hoofdstuk, waarin we ons uitsluitend concentreren op export als
internationalisatiemodus, suggereren we dan ook dat de bedrijfseigenaar
er vooral in zal in slagen de exportactiviteiten van zijn onderneming te
bevorderen als deze laatste in staat is om adequaat informatie in te winnen,
te verwerken en te benutten (= absorberende capaciteit). Met andere woorden, we verwachten dat het belang van het menselijk en sociaal kapitaal
van de bedrijfseigenaar voor de exportontwikkeling van de onderneming
beïnvloed wordt door de mate waarin deze laatste zich conform de hedendaagse, kennisgebaseerde spelregels kan opstellen (= moderatie-effect).
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Eerst gaan we dieper in op het
recente internationalisatiefenomeen bij startende ondernemingen en het
belang van kennis binnen een internationale context. Vervolgens concentreren we ons op internationalisering via export en beargumenteren hoe
het menselijk en sociaal kapitaal van de bedrijfseigenaar kan bijdragen tot
de exportontwikkeling van de startende onderneming. Na de beschrijving
van ons onderzoeksopzet, geven we een overzicht van de resultaten. We
sluiten het hoofdstuk af met enkele conclusies en beleidsimplicaties.
64
2. Startende ondernemingen, internationalisatie,
kennis en absorberende capaciteit
Zowel vanuit academische als vanuit politieke invalshoek heeft het internationalisatiefenomeen gedurende de laatste tien jaar veel aan belang gewonnen (Presutti et al. 2007). Terwijl tot de jaren negentig de habitat van startende ondernemingen nog door de landsgrenzen beperkt werd, wordt aan
de vooravond van het nieuwe decennium duidelijk dat ook startende ondernemingen internationaal succes kunnen boeken (cf. bijdrage Clarysse et al.;
Oviatt & McDougall 1994; Presutti et al. 2007; Rialp et al. 2005; Yli-Renko et
al. 2002). Geïntrigeerd door deze ommekeer ondernamen Rialp et al. (2005)
een meta-analyse op 38 internationalisatiestudies. Ze stellen hierbij vast dat
internationalisatie en internationalisatiesucces bij startende ondernemingen mogelijk geworden is dankzij veranderde marktcondities, recente technologische ontwikkelingen, een toenemend belang van wereldwijde netwerken en een aanwas in werknemervaardigheden (wat eveneens wordt
onderschreven door Clarysse et al.). Dit brengt Rialp et al. (2005) ertoe de
traditionele dimensies van het internationalisatieproces, die in de jaren
zeventig en tachtig ontwikkeld werden, op de helling te zetten. Met andere
woorden, volgens hen is de oorspronkelijke internationalisatie-opvatting,
waarbij verondersteld wordt dat het overschrijden van de landsgrenzen pas
incrementeel gebeurt nadat de nationale markten verzadigd zijn (cf. Johanson & Vahlne 1990), vandaag niet meer van toepassing.
Op zoek naar een nieuwe definitie van het begrip ‘internationalisatie’ grijpen onderzoekers naar diverse theorieën. Zo verwijzen Autio & Sapienza
(2000), Peng (2001) en Zahra et al. (2003) naar de resource-based view van de
organisatie (Penrose, 1959). Hierbij koppelen ze de aanwezigheid van waardevolle, schaarse, moeilijk imiteerbare en onvervangbare technologische
middelen aan het internationalisatiepatroon van internationale startende
ondernemingen (de born globals [cf. Clarysse et al.]). Burgel & Murray (2000)
hanteren dan weer het verwante organizational capability perspectief waarbij
de voor de startende onderneming beschikbare middelen worden gecontrasteerd met de in kaart gebrachte noden van de klant. Autio et al. (2000),
Barkema & Vermeulen (1998), Eriksson et al. (1997) en Zahra et al. (2000)
65
verkiezen een strikte interpretatie van de resource-based view door kennisgerelateerde processen en leerperspectieven als voornaamste determinanten
van internationalisatie naar voren te schuiven. Vandaag kan deze knowledgebased view (Barney 1991; Conner & Prahalad 1991) op heel wat bijval rekenen
in internationalisatieonderzoek. Binnen deze strekking wordt verondersteld dat kennis als strategisch belangrijkste activa een diepgeworteld competitief en organisatorisch voordeel kan produceren.
Vooral in westerse economieën worden kennis en kennisprocessen als
bron van competitieve sterkte gezien (Yli-Renko et al. 2002). Westerse
organisaties trachten dan ook in toenemende mate een organisatorisch
voordeel op te bouwen door op effectieve en efficiënte wijze informatie in
te winnen, deze in kennis om te zetten en vervolgens deze kennis te benutten in diverse markttoepassingen (Nahapiet & Ghoshal 1998). Cohen &
Levinthal introduceerden in 1990 de term ‘absorberende capaciteit’ om
naar dit samenspel van informatie-inwinning, kenniscreatie en kennisexploitatie te verwijzen. Volgens deze auteurs moet absorberende capaciteit
opgevat worden als een cumulatief concept, waarbij reeds verworven kennis de organisatie gemakkelijker toelaat om nieuwe informatie te begrijpen
(Cohen & Levinthal 1990). Zahra & George (2002) voegen hier aan toe dat
het adequaat inwinnen, interpreteren en benutten van externe informatie
bepalend is voor de ontwikkeling van elke organisatie. Bovendien onderschrijven ze het idee dat absorberende capaciteit de sleutel biedt tot de creatie van een competitief voordeel.
Samengevat kunnen we uit de bestaande literatuur afleiden dat (1) startende
ondernemingen vroeger dan voorheen de landsgrenzen overschrijden, (2)
dat de competitieve sterkte en internationale slaagkans van een startende
onderneming in grote mate bepaald wordt door het efficiënt en effectief
inwinnen, interpreteren en benutten van informatie, en (3) dat dit proces van
informatie-inwinning tot kennisbenutting aangeduid wordt met de term
‘absorberende capaciteit’ (Cohen & Levinthal 1990). In wat volgt gaan we dieper in op de rol van de bedrijfseigenaar met betrekking tot de internationale ontwikkeling van de startende onderneming. Concreet zijn we geïnteresseerd in de relatie tussen zijn menselijk en sociaal kapitaal enerzijds en
de exportactiviteiten van de startende organisatie anderzijds.
66
3. Bedrijfseigenaar, menselijk kapitaal, sociaal kapitaal en export
Ondanks de vele studies over het effect van kennis op internationalisatie
(cf. supra) besluiten Rialp et al. (2005) in hun meta-analyse dat de
behoefte aan empirisch onderzoek naar de antecedenten van (de diverse)
internationalisatie(modi) onverminderd blijft gelden. Concreet roepen ze
op tot onderzoek naar die factoren die vandaag aanleiding kunnen geven
tot enige vorm van internationale organisatieontwikkeling bij startende
ondernemingen. In deze studie trachten we aan deze oproep te voldoen
door de bedrijfseigenaar als causale factor te beschouwen van de exportontwikkeling van Vlaamse startende ondernemingen. De facto beschikt de
bedrijfseigenaar over twee soorten kapitaal waarmee hij de exportactiviteiten kan beïnvloeden, met name menselijk kapitaal en sociaal kapitaal
(Davidsson & Honig 2003; Gimeno et al. 1997; Ucbasaran et al. 2008).
De term ‘menselijk kapitaal’ verwijst naar alle kennis en vaardigheden die
de bedrijfseigenaar via opleiding of ervaring heeft opgedaan en die hem
toelaten arbeid te verrichten of economische waarde te creëren (Becker
1964; Davidsson & Honig 2003; Shultz 1959; Ucbasaran et al. 2008). Traditioneel wordt aangenomen dat ondernemers met relatief meer menselijk
kapitaal er beter in slagen om lucratieve opportuniteiten te herkennen en te
exploiteren (Becker 1964; Davidsson & Honig 2003). Een vaak gehanteerd
onderscheid binnen menselijk kapitaal is dat tussen ‘algemeen’ en ‘specifiek’
menselijk kapitaal (Gimeno et al. 1997; Ucbasaran et al. 2008). Terwijl ‘algemeen menselijk kapitaal’ verwijst naar alle geaccumuleerde kennis en vaardigheden die voor tal van economische situaties geschikt zijn, refereert ‘specifiek menselijk kapitaal’ aan die kennis en vaardigheden die slechts onder
precieze economische omstandigheden hun nut bewijzen. Voorbeelden
van algemene kennis en vaardigheden zijn de schoolse opleiding, werkervaring en algemene managementervaring (Gimeno et al. 1997; Mosey et al.
2007; Ucbasaran et al. 2008). Daarentegen gelden ervaring met het opstarten van een onderneming (opstartervaring) en kennis van de specifieke
regels en wetmatigheden binnen een industrie (industrie-ervaring) als
indicatoren van specifiek menselijk kapitaal dat voornamelijk binnen een
67
ondernemerschapscontext inzetbaar is (Gimeno et al. 1997; Mosey et al.
2007; Venkataraman 1997; Ucbasaran et al. 2008).
Algemeen menselijk kapitaal
Uit voorgaand onderzoek blijkt dat algemeen menselijk kapitaal bijdraagt
tot sterker ontwikkelde cognitieve vaardigheden en een groter analytisch
vermogen, wat op zijn beurt de persoonlijke productiviteit en efficiëntie van
de ondernemer aanscherpt en zijn gevoeligheid voor lucratieve opportuniteiten verhoogt (Davidsson & Honig 2003). Volgens Hatch & Dyer (2004) en
Ucbasaran et al. (2008) zijn bedrijfsleiders met een hoog algemeen menselijk
kapitaal beter voorbereid op de complexe problemen die met ondernemerschap gepaard gaan. Overigens biedt managementervaring de ondernemer
de kans belangrijke organisatievaardigheden zoals doelgerichtheid, communicatievermogen, organisatietalent en onderhandelingsmacht aan te
scherpen (Kim et al. 2006; Davidsson & Honig 2003; Ucbasaran et al. 2008).
Op basis van bovenstaande bevindingen veronderstellen we in dit onderzoek dat ondernemers met meer algemeen menselijk kapitaal, in termen
van opleiding en managementervaring, beter gewapend zijn om de landsgrenzen via exportactiviteiten te overschrijden. Niet alleen verwachten we
dat dergelijke ondernemers sneller een inzicht verwerven in de buitenlandse
markt, ook gaan we ervan uit dat ze beter in staat zijn om buitenlandse
opportuniteiten te onderkennen, internationale problemen te doorgronden
en met doelgerichte oplossingen voor de dag te komen.
Specifiek menselijk kapitaal
Naast algemeen menselijk kapitaal beschikt de ondernemer mogelijk ook
over (ondernemerschap-)specifiek menselijk kapitaal zoals kennis van de
opstart van een onderneming en inzicht in de specifieke industriële wetmatigheden en spelregels. Beide indicatoren van specifiek menselijk kapitaal
leren de ondernemer om de markt ‘te lezen’ en wijzigingen in de marktomstandigheden te anticiperen (Davidsson & Honig 2003). Daarnaast draagt
zowel opstartervaring als industrie-ervaring bij tot de vorming van een diepgaande kennis van de organisatiewerking. Hiertoe behoren de identificatie
van opportuniteiten, het naar waarde schatten van deze opportuniteiten
68
alsook hun succesvolle exploitatie (Davidsson & Honig 2003; Ucbasaran et
al. 2008). Ook blijken beide indicatoren de ondernemer van nut te zijn bij
het benaderen van leveranciers en klanten, het verzamelen van middelen
(bv. financieel kapitaal), en het aan de man brengen van producten en diensten (Shane & Khurana 2003; Ucbasaran et al. 2008). Op basis van bovenstaande resultaten vermoeden we dan ook dat de bedrijfseigenaar van zijn
opstart- en industrie-ervaring zal kunnen gebruikmaken om de exportactiviteiten van de startende onderneming te bevorderen. Voor een exporterende, startende onderneming is het immers aangewezen om buitenlandse
opportuniteiten makkelijk te identificeren, deze snel te interpreteren en
vervolgens efficiënt te exploiteren. Hiertoe zijn het kunnen lezen van de
markt (en anticiperen van marktwijzigingen), een inzicht in de industriële
spelregels en het vertrouwd zijn met de modus operandi van diverse
marktspelers uiterst nuttig.
Ongeacht menselijk kapitaal kan een ondernemer tevens bogen op zijn
‘sociaal kapitaal’ waarmee wordt verwezen naar het vermogen om via persoonlijke netwerken, lidmaatschappen en relaties zowel materiële (bv. een
lening) als immateriële activa (bv. klanteninformatie) te verwerven (Davidsson & Honig 2003; Nahapiet & Ghoshal 1998). Net als menselijk kapitaal
wordt ook sociaal kapitaal traditioneel opgedeeld in twee categorieën, te
weten ‘overbruggend sociaal kapitaal’ en ‘verbindend sociaal kapitaal’
(Davidsson & Honig 2003; Granovetter 1985). Overbruggend sociaal kapitaal duidt op alle losse, overwegend professionele contacten waarlangs
voornamelijk marktinformatie wordt uitgewisseld. Daartegenover behelst
verbindend sociaal kapitaal alle vertrouwensrelaties die de ondernemer
onderhoudt met een selecte groep individu’s, wat hem permanent toegang
geeft tot een beperkte hoeveelheid specifieke middelen (bv. hulp, advies,
financiële steun…). Mogelijke indicatoren van overbruggend sociaal kapitaal zijn lidmaatschappen van organisaties, zakelijke netwerken en collegiale relaties. Als voornaamste voorbeelden van verbindend sociaal kapitaal gelden het gezin, de ouders, familieleden en dichte vrienden.
Zowel overbruggend als verbindend sociaal kapitaal heeft de eigenschap
om de ondernemer toegang te verschaffen tot (al dan niet gevoelige) informatie. Bijvoorbeeld kan een collega-ondernemer getuigen over de condities
69
die hij bij een gemeenschappelijke leverancier onderhandelde (overbruggend sociaal kapitaal). Daarnaast kan een ouder-ondernemer zijn kind
informeren over de manier waarop een bepaalde klantengroep het best
benaderd wordt (verbindend sociaal kapitaal). Toegepast op een internationale context zou de onderneming bij buitenlandse klanten kunnen polsen
welke hun productverwachtingen zijn (overbruggend sociaal kapitaal) of
kan de ondernemer een vriend verzoeken om de buitenlandse markt in
kaart te brengen (verbindend sociaal kapitaal).
Gezien startende ondernemingen slechts over een beperkte hoeveelheid
middelen beschikken, moeten ze deze zo efficiënt en effectief mogelijk
inzetten (Yli-Renko et al. 2002). Vandaar dat uitgebreide klantensurveys,
marktexploraties en gedetailleerde pilootprojecten veelal niet opportuun
blijken. Om (veranderingen in) klantenbehoeften, de markt en de omgeving
niet volledig intuïtief te moeten beoordelen, zijn startende ondernemingen
dan ook vaak aangewezen op het (overbruggend en verbindend) sociaal
kapitaal van hun ondernemer (Aldrich & Zimmer 1986; Davidsson & Honig
2003; Greene & Brown 1997). Davidsson & Honig (2003) stellen vast dat
beide soorten sociaal kapitaal significant bijdragen tot de identificatie en
exploratie van opportuniteiten. Niet alleen verschaft sociaal kapitaal de
ondernemer informatie over nieuwe ideeën en verschuivingen in de markt,
ook kan het hem inlichten over de locatie van vereiste middelen of het lucratieve karakter van een geïdentificeerde opportuniteit (Aldrich & Zimmer
1986; Davidsson & Honig 2003). Daarnaast komen Yli-Renko et al. (2002) in
hun longitudinaal onderzoek naar de effecten van intra- en inter-organisatorisch sociaal kapitaal tot het besluit dat dergelijk sociaal kapitaal bijdraagt
tot de internationale ontwikkeling van hoogtechnologische startende
ondernemingen. Gegeven voorgaande onderzoeksresultaten, de beperkte
middelen waarover een startende onderneming beschikt en het vermogen
van de ondernemer om via zijn sociaal kapitaal fundamentele materiële
en immateriële activa te verwerven, verwachten we dat zowel het overbruggend als het verbindend sociaal kapitaal van de bedrijfseigenaar de
exportactiviteiten van de startende onderneming zal stimuleren.
In wat voorafging haalden we al aan dat de internationale slaagkans en competitieve sterkte van een startende onderneming in grote mate afhangt van
70
haar absorberende capaciteit. Zo leidden we uit de bestaande literatuur af
dat internationalisatie bij startende ondernemingen grotendeels geconditioneerd wordt door het vermogen van de organisatie om adequaat informatie in te winnen, te verwerken en te benutten. Op basis van deze vaststelling suggereren we dat de bedrijfseigenaar er vooral zal in slagen de
exportactiviteiten van de startende onderneming te beïnvloeden als deze
laatste beschikt over een goed ontwikkelde absorberende capaciteit. Met
andere woorden, we veronderstellen dat de invloed van het menselijk en
sociaal kapitaal van de ondernemer op de exportactiviteiten van de startende onderneming zal afhangen van de door onderneming ontwikkelde
capaciteit om met informatie om te springen. Hoe beter de onderneming
informatie weet in te winnen, te interpreteren en te benutten, hoe sterker
we de invloed van het menselijk en sociaal kapitaal van de ondernemer op
de exportactiviteiten van de organisatie verwachten. Vooraleer over te gaan
tot de bespreking van onze steekproef en meetschalen, vatten we ons
onderzoeksopzet grafisch samen in figuur 3.1.
Figuur 3.1: Onderzoeksopzet
STARTENDE
ONDERNEMING
ONDERNEMER
Menselijk kapitaal
Algemeen menselijk kapitaal
Schoolse opleiding
Managementervaring
Specifiek menselijk kapitaal
Industrie-ervaring
Opstartervaring
Exportactiviteiten
Sociaal kapitaal
Verbindend sociaal kapitaal
Overbruggend sociaal kapitaal
STARTENDE
ONDERNEMING
Absorberende
capaciteit
Leeftijd
Grootte
Op/Doorstart
Sector
Bron: Eigen berekeningen
71
4. Data en onderzoeksmethode
4.1. Steekproef: START 2007
Het START-surveyonderzoek, dat in 2007 aan zijn derde editie toe was,
kadert binnen het STOIO. Als tweejaarlijks onderzoek heeft START ten
doel om het bedrijfsbeleid en de ontwikkeling van Vlaamse startende
ondernemingen in kaart te brengen. Net als voorgaande edities focust
START 2007 op startende ondernemingen (startend in juridische zin)
gevestigd in het Vlaamse gewest, die op het ogenblik van de enquête tussen 1 en 3 jaar oud zijn en minstens 1 en maximum 49 werknemers
tewerkstellen. Dergelijke startende ondernemingen doorworstelden al het
leeuwendeel van het opstartproces en zijn voornamelijk bezig met de ontwikkeling van managementpraktijken en procedures, wat ze tot een zeer
interessante onderzoeksgroep maakt.
Traditioneel wordt internationalisatieonderzoek uitgevoerd op hoogtechnologische startende ondernemingen of op startende ondernemingen
binnen hoogtechnologische sectoren (bv. Autio & Sapienza 2000; Burgel
& Murray 2000; McDougall et al. 1994; Presutti et al. 2007; Yli-Renko et al.
2002; Zahra et al. 2000). Het zijn immers hoofdzakelijk dergelijke organisaties die zich vroeg na hun ontstaan internationaal trachten te ontwikkelen (Rialp et al. 2005). Echter, omwille van deze technologievereiste kunnen onderzoeksbevindingen slechts gegeneraliseerd worden over een
kleine bedrijfspopulatie. Vandaar dat Rialp et al. (2005) oproepen om binnen internationalisatie-onderzoek een ruimer gamma sectoren aan bod te
laten komen. Om hieraan te voldoen beperken we ons in deze studie niet
tot hoogtechnologische organisaties of sectoren maar houden rekening
met alle startende ondernemingen binnen de sectoren industrie, transport en zakelijke dienstverlening. Tabel 3.1 geeft de sectorverdeling binnen onze START-steekproef weer. Hieruit blijkt dat van de 249 startende
ondernemingen in onze steekproef, er respectievelijk 96 (38,6%) en 113
(45,4%) actief zijn binnen de sectoren industrie en zakelijke dienstverlening.
Overigens is de transportsector duidelijk het zwakst vertegenwoordigd
(40 bedrijven; 16,1%).
72
Tabel 3.1: Steekproefverdeling op basis van sector
Sector
Aantal
%
Industrie (NACE-afdelingen 15 t.e.m. 41)
  96
38,6
Transport (NACE-afdelingen 60 t.e.m. 64)
  40
16,1
Zakelijke dienstverlening (NACE-afdelingen 70 t.e.m. 74)
113
45,4
Totaal
249
100
Bron: START 2007
4.2. Maatstaven
Exportactiviteiten
Er bestaat heel wat debat over de manier waarop exportactiviteiten het best
gemeten worden. De meest frequent gebruikte maatstaven zijn exportintensiteit (= exportverkoop in absolute cijfers of als percentage van de
totale verkoop), exportgroei en exportvolume (= exportomzet in absolute
cijfers of als percentage van de totale omzet) (Julien & Ramangalahy 2003).
Madsen (1987) onderscheidt daarnaast nog exportrentabiliteit (= exportopbrengsten al dan niet in contrast met lokale opbrengsten), perceptie van
exportsucces en exportvariabiliteit als mogelijke criteria. Ook multidimensionele exportmaatstaven genieten veel aanhang (bv. Kaynak 1992).
Zo bestaat de mogelijkheid om exportintensiteit over verschillende jaren
te meten en deze informatie vervolgens te verrijken met andere maatstaven zoals exportrentabiliteit, percepties van exportsucces enzovoort.
In deze studie meten we de exportactiviteiten van startende ondernemingen door gebruik te maken van het totale procentuele exportvolume. Aan
elke startende onderneming werd gevraagd om aan te geven hoe de totale
omzet in 2006 gespreid was over de regio’s België, de rest van de EU, en het
buitenland buiten de EU. Het totale procentuele exportvolume werd vervolgens berekend door de exportvolumes behaald binnen de EU (niet België) en het buitenland (niet EU) op te tellen. Aan de hand van tabel 3.2
vatten we samen hoeveel startende ondernemingen exporteren per sector,
zowel in absolute als relatieve cijfers. Uit deze tabel leiden we af dat 47%
van de startende ondernemingen binnen de sector industrie (45/96) een
bepaald percentage van hun omzet in het buitenland realiseert. Voor de
sectoren transport en zakelijke dienstverlening bedraagt dit percentage
73
respectievelijk 38% (15/40) en 50% (56/113). Over de drie sectoren heen
behalen 116 startende ondernemingen (46,6%) binnen onze steekproef een
stuk van hun omzet buiten de Belgische landsgrenzen.
Tabel 3.2: Exportverdeling startende ondernemingen per sector
Export (neen/ja)
Sector
Industrie
Neen
Ja
Totaal
Totaal
Transport
Zak. Dienst.
Aantal
51
25
57
% sector
53,1
62,5
50,4
% totaal
20,5
10
22,9
Aantal
45
15
56
% sector
46,9
 3 7,5
49,6
% totaal
18,1
Aantal
96
40
6
%
38,6
16,1
22,5
113
45,4
133
53,4
116
46,6
249
100
Bron: START 2007
De vraag hoeveel de startende ondernemingen binnen onze steekproef
exporteren beantwoorden we aan de hand van tabel 3.3. Uit deze tabel
blijkt dat 74% van het totale aantal startende ondernemingen niets of minder dan een vijfde van hun omzet uitvoert (185 bedrijven op 249). Binnen
de groep exporterende startende ondernemingen bedraagt dit percentage
45% (52 op 116 bedrijven). Echter, voor ruim een vijfde van de exporterende startende ondernemingen (22%) vertegenwoordigt het buitenland
meer dan driekwart van de omzet (26 op 116 bedrijven). Overigens realiseert iets minder dan de helft van de startende exporterende transportbedrijven (47%) de meerderheid van hun omzet in het buitenland, wat gezien
de aard van hun werkzaamheden niet hoeft te verwonderen. Het overeenkomstige aandeel startende ondernemingen in de zakelijke dienstverlening
en de industriesector bedraagt respectievelijk 39% en 22%.
74
Tabel 3.3: Exporthoeveelheid startende ondernemingen per sector
Export (% omzet)
Sector (aantal)
Totaal (aantal)
Industrie
Transport
Zak. Dienst.
[0]
51
25
57
133
]0 – 10]
17
3
14
34
]10 – 20]
6
1
11
18
]20 – 30]
3
3
6
12
]30 – 40]
6
1
2
9
]40 – 50]
3
0
1
4
]50 – 75]
4
4
5
13
]75 – 100[
3
3
13
19
3
0
4
7
Totaal > 0
100
45
15
56
249
Totaal
96
40
113
249
Bron: START 2007
Absorberende capaciteit
Ook om de absorberende capaciteit van een organisatie in kaart te brengen
bestaan diverse criteria. Vrij populair zijn de eendimensionale benaderingen zoals investeringen in onderzoek en ontwikkeling (bv. Mowery et al.
1996; Muscio 2007; Tsai 2001), patenten (bv. Mowery et al. 1996) en de leeftijd en grootte van de organisatie (bv. Rao & Drazin 2002; Lane et al. 2006).
Niet alleen zijn deze proxies gemakkelijk aan te maken, ook vereisen ze
(vaak) geen actieve inbreng van de respondent. Deze eenzijdige maatstaven
bezitten echter wel het nadeel dat ze het multidimensionale karakter van
absorberende capaciteit volledig buiten beschouwing laten (Liao et al. 2003).
Vandaar dat we in deze studie een maatstaf verkiezen die ruimte biedt voor
zowel informatie-inwinning, informatie-interpretatie als kennisbenutting.
Aan deze vereiste voldoet het marktgeoriënteerde criterium ontwikkeld
door Kohli et al. (1993). We opteren voor een marktgeoriënteerde maatstaf
daar startende ondernemingen slechts over een beperkt aantal middelen
beschikken, wat het opzetten van uitgebreide klantensurveys en marktanalyses onmogelijk maakt. In plaats daarvan zijn startende ondernemingen aangewezen op direct contact met klanten en leveranciers, het onderhouden van relaties met collega’s, deelname aan conferenties enzovoort.
In navolging van Kohli et al. (1993) legden we elke respondent zes stellingen
75
voor over de marktgerichtheid van zijn onderneming. Bij elke stelling
diende de ondernemer zijn antwoord op een Likertschaal aan te duiden
waarbij de antwoordmogelijkheden varieerden van ‘Helemaal oneens’ tot
‘Helemaal eens’. Deze antwoorden vatten we vervolgens samen in één
variabele voor absorberende capaciteit. Tabel 3.4 biedt een overzicht van
de gebruikte stellingen en hun gemiddelde score.
Tabel 3.4: Stellingen marktgerichtheid
Stelling
Marktgerichtheid
Minstens elk kwartaal analyseren we op een systematische wijze de trends en ontwikkelingen in
onze afzetmarkt.
2,74
Minstens één maal per jaar nodigen we klanten uit om uit te zoe­ken welke producten / diensten
ze in de toekomst nodig zullen hebben.
2,60
De verantwoordelijke voor verkoop (eventueel de zaakvoerder) trekt regelmatig tijd uit om verwachte
veranderingen in de be­hoeften van onze klanten te bespreken met de andere werknemers.
3,18
In deze vennootschap investeren we veel tijd en energie in eigen marktonderzoek.
2,65
We analyseren periodiek onze inspanningen op het vlak van pro­ductontwikkeling om zeker te zijn
dat ze aansluiten bij wat onze klanten willen.
3,20
We beleggen vaak vergaderingen om onze reacties op belangrijke veranderingen in de omgeving
van de vennootschap te plannen.
2,63
Bron: START 2007; Legende: 1 = Helemaal oneens – 5 = Helemaal eens
Algemeen menselijk kapitaal: schoolse opleiding en managementervaring
Om een beeld te krijgen van de schoolse opleiding vroegen we aan elke
bedrijfseigenaar naar zijn hoogst behaalde diplomaniveau. Antwoordmogelijkheden varieerden hierbij van (1) lager onderwijs tot (6) doctoraal
proefschrift. Indien meerdere eigenaars aan het hoofd staan van de startende onderneming, maken we in de analyses gebruik van hun gemiddelde opleidingsniveau. Vervolgens peilden we bij elke ondernemer naar het
aantal jaar dat hij ervaring heeft met bedrijfsbeheer of management van
organisaties. Hiervoor telden we de ervaring binnen de huidige onderneming bij eventuele ervaring in andere organisaties op. Indien de onderneming geleid wordt door meerdere eigenaars, gebruiken we in onze analyses
de som van hun managementervaring.
Dat we bij aanwezigheid van meerdere eigenaars opteren voor het gemiddeld opleidingsniveau en het totaal aantal jaar managementervaring is een
gevolg van het al dan niet cumulatieve karakter van de variabele in kwestie.
76
De totale hoeveelheid managementervaring van twee ondernemers met elk
vijf jaar ervaring zal immers veel hoger zijn dan die van één ondernemer
met vijf jaar managementervaring. We veronderstellen dan ook dat twee
ondernemers die beiden actief een organisatie leiden toch verschillende
ervaringen opdoen. Als daarentegen twee studenten zich inschrijven in
dezelfde opleiding, veronderstellen we dat ze vrij gelijkaardige of zelfs identieke kennis zullen vergaren, wat meteen onze keuze voor een gemiddelde
maatstaf voor schoolse opleiding verklaart.
Specifiek menselijk kapitaal: opstartervaring en industrie-ervaring
Analoog met managementervaring peilden we bij elke ondernemer naar
zijn aantal jaar industrie-ervaring (binnen de industrie van de huidige
onderneming). Opnieuw telden we de ervaring binnen de huidige onderneming met de eventuele ervaring in andere organisaties op (op voorwaarde
van industriegelijkheid). Indien meerdere eigenaars de onderneming leiden,
berekenen we wederom hun gezamenlijke industrie-ervaring. Opstartervaring coderen we aan de hand van een dummyvariabele. Deze variabele,
die slechts de waarde 0 of 1 kan aannemen, werd als dusdanig opgebouwd
dat de waarde 1 weergeeft dat ten minste één van de bedrijfseigenaars al
ervaring heeft met de opstart van een nieuwe organisatie.
Tabel 3.5: Overzicht indicatoren menselijk kapitaal
Indicator
Steekproefgemiddelde of aantal
Schoolse opleiding (per ondernemer)
  3,17
Schoolse opleiding (per onderneming)
 3,13
Managementervaring (per ondernemer, in jaar)
11,17
Managementervaring (totaal per onderneming, in jaar)
17,71
Industrie-ervaring (per ondernemer, in jaar)
13,88
Industrie-ervaring (totaal per onderneming, in jaar)
22,19
 
Opstartervaring (aantal ondernemers)
171
Opstartervaring (aantal ondernemingen)
128
Bron: START 2007; 398 ondernemers; 249 startende ondernemingen
Tabel 3.5 vat het gemiddelde menselijk kapitaal per ondernemer en per
startende onderneming samen. Zowel op individueel niveau als op onderne77
mingsniveau bedraagt het hoogste behaalde diplomaniveau binnen de steekproef gemiddeld een diploma hoger onderwijs buiten de universiteit, korte
type. Daarnaast beschikken de 398 ondernemers globaal over 11,17 jaar
managementervaring en 13,88 jaar industrie-ervaring. Ongeveer 43% van
hen (171 individu’s) kon bij opstart van de huidige onderneming bogen op
voorgaande ervaring met ondernemerschap. Op ondernemingsniveau
bedragen deze gemiddeldes respectievelijk 17,71 jaar (managementervaring), 22,19 jaar (industrie-ervaring) en 51% (128 ondernemingen). Deze verschillen tussen ondernemers- en ondernemingsniveau kunnen verklaard
worden door de aanwezigheid van meerdere ondernemers aan het hoofd
van de startende onderneming.
Sociaal kapitaal: overbruggend en verbindend sociaal kapitaal
Met betrekking tot sociaal kapitaal vroegen we de ondernemers om te antwoorden op negen stellingen aangaande hun ondernemers- en persoonlijk netwerk. Net als bij absorberende capaciteit varieerden de antwoordmogelijkheden van ‘Helemaal oneens’ tot ‘Helemaal eens’. Op basis van de
aangeleverde antwoorden creëerden we vervolgens twee variabelen, één
voor overbruggend sociaal kapitaal (op basis van 6 stellingen) en één voor
verbindend sociaal kapitaal (op basis van 3 stellingen). Tabel 3.6 vat de
negen stellingen en hun gemiddelde score samen.
Tabel 3.6: Stellingen overbruggend (OSC) en verbindend sociaal kapitaal (VSC)
Stelling
OSC
VSC
We krijgen steun van familie, vrienden en kennissen bij de ontwikkeling van het bedrijfsbeleid.
2,30
Via familie, vrienden en kennissen kunnen we goedkoper en / of sneller aan producten of diensten geraken.
1,64
Dankzij familie, vrienden en kennissen verwerven wij gemakkelijker externe en / of ruimere financiering.
1,52
Dankzij ons ondernemersnetwerk krijgen we zicht op commerciële opportuniteiten in de markt.
2,67
Voor operationele bedrijfsproblemen (op vlak van administratie, personeel, financiën…) krijgen we vaak
oplossingen aangereikt via ons ondernemersnetwerk.
2,13
Ons ondernemersnetwerk is heel belangrijk voor de ontwikkeling van de vennootschap.
2,54
Dankzij ons ondernemersnetwerk hebben we meer klanten dan dat we anders zouden hebben.
2,33
Ons ondernemersnetwerk is heel belangrijk in onze zoektocht naar nieuw personeel.
2,03
Dankzij ons ondernemersnetwerk kregen / krijgen we toegang tot betere leveranciers (goedkoper, betere
kwaliteit…).
2,06
Bron: START 2007; Legende: 1 = Helemaal oneens – 5 = Helemaal eens
78
Controlevariabelen
Om onze analyses te vrijwaren van alternatieve invloeden controleren we
voor enkele additionele variabelen. Liao et al. (2003) stelden vast dat zowel
de leeftijd als de grootte van organisaties een invloed uitoefent op hun
gedrag. We controleren in dit hoofdstuk dan ook voor beide variabelen.
De grootte van de organisatie meten we in termen van het aantal werknemers. Gemiddeld genomen staat een startende onderneming in onze
steekproef garant voor 8,58 arbeidsplaatsen (inclusief die voor de ondernemers). Wat betreft leeftijd controleren we voor de feitelijke leeftijd van de
organisatie. Immers, hoewel de steekproefvoorwaarden bepalen dat een
onderneming maximaal drie jaar oud mag zijn, kan de organisatie zowel
een opstartende als een doorstartende onderneming uitmaken. Deze laatste
categorie betreft ondernemingen die ontstaan uit een juridische transformatie of overname van een bestaand bedrijf, of door de opsplitsing van
een onderneming in kleine zelfstandige eenheden. Daardoor is het mogelijk dat de feitelijke leeftijd van deze organisaties hun juridische leeftijd, die
steeds aan de steekproefvoorwaarden voldoet (≤ 3 jaar), ruimschoots
overschrijdt. Uit analyse blijkt dat meer dan de helft van de in onze steekproef opgenomen ondernemingen (130) uit dergelijke doorstartende
organisaties is opgebouwd, waarvan de gemiddelde feitelijke leeftijd oploopt tot 15,24 jaar. De gemiddelde juridische leeftijd van deze organisaties
bedraagt daarentegen slechts 2,29 jaar. Naast deze leeftijdsvariabele controleren we met behulp van een dummyvariabele, die aangeeft of de onderneming al dan niet een doorstartende onderneming is, additioneel voor
bovenstaande bijzonderheid. Omdat onze steekproef drie sectoren omvat
(industrie, transport en zakelijke dienstverlening), elk met hun specifieke
kenmerken, controleren we eveneens voor de sector van de startende onderneming, waarbij we de sector industrie als referentiecategorie beschouwen.
79
5. Resultaten
Onze regressieresultaten zijn opgenomen in tabel 3.7. In wat volgt beschrijven we stapsgewijs deze resultaten.
Tabel 3.7: Regressieresultaten
Variabele
ß
Organisatieleeftijd (feitelijke leeftijd)
  ,030
Organisatiegrootte
  ,035
Opstart / doorstart
  ,151
Transport
  ,288***
Professionele diensten
  ,069
Schoolse opleiding
  ,263**
Managementervaring
-,370***
Industrie-ervaring
  ,146
Opstartervaring
  ,174*
Overbruggend sociaal kapitaal
-,060
Verbindend sociaal kapitaal
-,175*
Absorberende capaciteit (AC)
  ,337**
Schoolse opleiding x AC
  ,021
Managementervaring x AC
  ,484***
Industrie-ervaring x AC
-,316**
Opstartervaring x AC
-,265**
Overbruggend sociaal kapitaal x AC
  ,018
Verbindend sociaal kapitaal x AC
  ,134
Adjusted R²
  ,191
*
Correlatie is significant op 0,1 niveau (matig significant)
**
Correlatie is significant op 0,05 niveau (sterk significant) ***
Correlatie is significant op 0,01 niveau (uiterst significant)
Bron: Eigen berekeningen
Zoals blijkt uit tabel 3.7 slaagt de ondernemer er in om op basis van zijn
schoolse opleiding de exportactiviteiten van de startende onderneming te
bevorderen (ß = ,263). Conform onze veronderstelling zal een hoger opgeleide ondernemer de exportactiviteiten van de startende onderneming
sterker stimuleren dan een lager opgeleide ondernemer, ceteris paribus.
Daartegenover staat het effect van managementervaring. Zoals aangegeven
in tabel 3.7 zal naarmate de ondernemer over meer managementervaring
beschikt, hij de exportontwikkeling van de onderneming in toenemende
80
mate belemmeren (ß= -,370). Met andere woorden, onze veronderstelling
dat het algemeen menselijk kapitaal van de ondernemer de exportactiviteiten van de startende organisatie stimuleert, wordt enkel bevestigd in termen
van zijn schoolse opleiding. Wat managementervaring betreft worden we
immers met een negatieve beïnvloeding geconfronteerd.
Naast het algemeen menselijk kapitaal van de ondernemer zijn we eveneens geïnteresseerd in het exporteffect van zijn specifiek menselijk kapitaal.
Op basis van tabel 3.7 stellen we vast dat opstartervaring de exportactiviteiten van de startende onderneming significant onderbouwt (ß = ,174). Dit
houdt in dat wanneer een ondernemer (of een van de ondernemers) al
actief meewerkte aan het opzet van een organisatie, dit de exportactiviteiten van de huidige onderneming ten goede komt. Dit geldt echter niet
voor industrie-ervaring. Hoewel het effect van industrie-ervaring op de
exportactiviteiten positief lijkt, is het niet significant, wat betekent dat de
industrie-ervaring van de ondernemer de exportactiviteiten van diens
onderneming niet noemenswaardig beïnvloedt. Samengevat besluiten we
dat de veronderstelde invloed van specifiek menselijk kapitaal niet volledig tot uiting komt in onze resultaten. Hoewel de opstartervaring van de
ondernemer wel degelijk bijdraagt tot de exportactiviteiten van de onderneming, lijkt dit niet het geval te zijn voor zijn industrie-ervaring.
Wat betreft de exportbeïnvloeding door sociaal kapitaal blijkt uit tabel 3.7 dat
noch het overbruggend noch het verbindend sociaal kapitaal van de ondernemer positief en significant bijdraagt tot de exportactiviteiten van de startende
onderneming. Integendeel, terwijl overbruggend sociaal kapitaal in termen
van exportontwikkeling irrelevant lijkt, leiden we uit tabel 3.7 af dat het persoonlijk netwerk van de ondernemer (familie, vrienden en kennissen) de
exportactiviteiten significant tegenwerkt (ß= -,175). Zodus vinden we geen
evidentie voor de veronderstelde bijdrage van sociaal kapitaal tot export.
Tot slot werpen we een blik op de manier waarop de absorberende capaciteit
van de startende organisatie de relatie tussen de karakteristieken van de
ondernemer en de bedrijfsexport onderbouwt. We veronderstelden immers
dat naarmate de onderneming er in slaagt om op een effectieve manier met
informatie om te springen, dit het verband tussen het menselijk en sociaal
kapitaal van de ondernemer en de exportactiviteiten van de onderneming
81
zou versterken. Echter, een dergelijke beïnvloeding door absorberende capaciteit blijkt noch uit tabel 3.7, noch uit de figuren 3.2 tot 3.4. Concreet vinden
we dat het effect van schoolse opleiding alsook van (overbruggend en verbindend) sociaal kapitaal op exportontwikkeling onafhankelijk is van de
absorberende capaciteit van de organisatie. Bovendien volgt uit het teken
van de overige producttermen en uit hun grafische weergave (figuren 3.2 tot
3.4) dat diezelfde absorberende capaciteit het exporteffect van de ervaringsindicatoren (management-, industrie-, en opstartervaring) consequent mildert. Dit houdt in dat elke ervaringsindicator zijn invloed op de exportontwikkeling maximaliseert wanneer de absorberende capaciteit van de
onderneming beperkt is, wat tegen onze veronderstelling indruist.
Figuur 3.2: Interactie-effect managementervaring en absorberende capaciteit
op exportactiviteiten
Exportactiviteiten (log)
3.0
Abs. capaciteit
Hoog
Medium
Laag
2.5
2.0
1.5
1.0
0.5
0.0
Laag
Medium
Hoog
Managementervaring
Bron: START 2007 & ModGraph
Exportactiviteiten (log)
Figuur 3.3: Interactie-effect industrie-ervaring en absorberende capaciteit op
exportactiviteiten
2.8
2.6
2.4
2.2
2.0
1.8
1.6
1.4
1.2
1.0
Abs. capaciteit
Hoog
Medium
Laag
Laag
Medium
Hoog
Industrie-ervaring
Bron: START 2007 & ModGraph
82
Figuur 3.4: Interactie-effect opstartervaring en absorberende capaciteit
op export-activiteiten
Exportactiviteiten (log)
Abs. capaciteit
Hoog
Medium
Laag
2.70
2.60
2.50
2.40
2.30
2.20
2.10
2.00
1.90
1.80
1.70
1.60
Laag
Medium
Hoog
Opstartervaring
Bron: START 2007 & ModGraph
6. Conclusie en beleidsimplicaties
Moderatie-effect III
3.0
Abs. capaciteit
Hoog
Exportactiviteiten (log)
Mediumondernemers met
Vlaanderen heeft
nood aan ‘open’ ondernemers, zijnde
2.5
Laag
een internationaal
bewustzijn. Tot deze conclusie komt de Vlaamse over2.0
heid in haar1.5
beleidsnota Economie: De open ondernemer (Vlaamse Overheid
2009). Internationalisatie
gaat namelijk gepaard met kennisdiffusie wat de
1.0
transformatie
0.5 van de Vlaamse economie tot een open, kennisgedreven en
duurzame economie
bespoedigt. Anno 2010 kan het Vlaamse Gewest
0.0
Laag
Medium
Hoog
immers nog steeds nietManagementervaring
als een kennisgedreven topregio bestempeld worden. Vandaar de strategische doelstelling van de Vlaamse Overheid om de
Vlaamse ondernemer te inspireren tot kennisontwikkeling, innovatie en
internationalisatie (Vlaamse Overheid 2009). In deze studie richtten we ons
op de laatste peiler, meer bepaald internationalisatie via export. Concreet
trachtten we na te gaan in welke mate Vlaamse startende ondernemers
erin slagen om via hun menselijk en sociaal kapitaal de exportactiviteiten
van hun onderneming te stimuleren, en of deze relatie beïnvloed wordt
door de absorberende capaciteit van de startende organisatie. In wat volgt
gaan we dieper in op enkele bevindingen en formuleren we een aantal
beleidsadviezen.
83
Vooreerst valt op dat de schoolse opleiding van de ondernemer de exportactiviteiten van de onderneming stimuleert terwijl zijn managementervaring diezelfde exportontwikkeling belemmert. Betreffende het positieve
effect van schoolse opleiding vinden we een mogelijke verklaring in het
werk van Cooper et al. (1994). Volgens deze auteurs hebben hoger opgeleide ondernemers een streepje voor op hun lager opgeleide collega’s
omdat ze via hun opleiding relatief meer maturiteit, discipline en zelfvertrouwen worden aangeleerd. Daarmee impliceren Cooper et al. (1994) dat
de gecodificeerde ‘boekenkennis’ die ondernemers door hun opleiding
heen vergaren, ondergeschikt is aan de mentale talenten die ze parallel
ontwikkelen. Vanuit het beleid lijkt het dan ook aangewezen om naast de
overdracht van expliciete kennis ook de ontplooiing van psychologische
vaardigheden te beklemtonen. Tevens lijkt bijkomend internationalisatieonderzoek aangewezen, waarbij de invloed van schoolse opleiding per
aard en type wordt uitgesplitst.
Op vlak van managementervaring blijkt uit onze resultaten dat ondernemers met een ruime ervaring in bedrijfsbeheer de exportactiviteiten van
hun onderneming sterker hypothekeren. Hiervoor denken we aan twee
mogelijke (eventueel simultane) verklaringen. Enerzijds bestaat de kans
dat een soort ‘cainofobie’ vanwege de ondernemer de exportontwikkeling
van de startende onderneming afremt. Dit zou betekenen dat ervaren
bedrijfsleiders vanuit een toegenomen risicoaversie en afkerigheid van
nieuwigheden er bewust voor kiezen om hun takenpakket te beperken tot
de hen vertrouwde omgeving. Van deze omgeving weten ervaren managers immers dat ze over voldoende bagage beschikken om de inherente
uitdagingen en problemen ervan het hoofd te bieden. Anderzijds zou het
kunnen dat ondernemers zich in een eerste fase hoofdzakelijk concentreren op alles wat komt kijken bij de nationale ontwikkeling van hun organisatie. Om daarbij niet te veel hooi op hun vork te nemen, is de kans groot
dat deze bedrijfsleiders eventuele exportinitiatieven op de lange baan
schuiven of verkiezen om eerst de haalbaarheid van andere internationalisatiemogelijkheden te onderzoeken. Of het effect van managementervaring
nu ingegeven is door risicoaversie of door een soort koudwatervrees,
feit is dat ervaren managers op vlak van export wel een duwtje in de rug
84
kunnen gebruiken. Zij vertegenwoordigen immers een niet onbelangrijk
deel van de totale ondernemerspopulatie (cfr. aantal jaar managementervaring in tabel 3.5). Om de outcome te maximaliseren wordt een dergelijke exportsensibilisering bovendien best beleidsmatig ingepland.
Wat betreft de indicatoren van specifiek menselijk kapitaal onderscheidden
we enkel een statistisch significant effect van opstartervaring en bijgevolg
niet van industrie-ervaring. Dit stemt niet overeen met voorgaand internationalisatieonderzoek, waarin traditioneel wordt vastgesteld dat de exportactiviteiten van startende ondernemingen geprikkeld worden door sectorspecifieke, marktgebonden nichekennis (bv. Autio & Sapienza 2000; Bell et
al. 2003). Deze studies beperken zich echter op het vlak van steekproefname voornamelijk tot hoogtechnologische, uiterst dynamische sectoren
(bv. IT en biotechnologie). Daartegenover omvat onze steekproef een reeks
(dynamische en stabiele) startende bedrijven die actief zijn in de (vrij stabiele) sectoren industrie, transport en zakelijke dienstverlening. Bijgevolg
vermoeden we dat het belang van inzicht in de specifieke regels en wetmatigheden van de sector (industrie-ervaring) geconditioneerd wordt door het
al dan niet dynamische karakter van die sector. Een vergelijkende analyse
tussen sectoren zou hierover uitsluitsel kunnen bieden.
Dat indicatoren van sociaal kapitaal niet steeds de internationale ontwikkeling en exportactiviteiten van een startende onderneming significant
positief beïnvloeden, blijkt eveneens uit voorgaand onderzoek (bv. Presutti et al. 2007; Yli-Renko et al. 2002). Een mogelijke verklaring houdt in
dat het netwerk van de startende ondernemer nog in volle opbouw is en
dat de ware invloed ervan pas na verloop van tijd duidelijk wordt. Overigens is het niet ondenkbaar dat het advies en de steun vanwege professionele contacten (= overbruggend sociaal kapitaal) alsook vanwege familie,
vrienden en kennissen (= verbindend sociaal kapitaal) te generiek is en
de ondernemer weinig soelaas biedt bij het aanpakken van internationale
kwesties, die van nature vrij idiosyncratisch zijn. Vooral bij verbindend
sociaal kapitaal bestaat het gevaar dat door een gebrek van kennis van
zaken de ondernemer verkeerdelijk geadviseerd wordt, wat hem juist
­hindert bij de uitwerking van de exportactiviteiten van de startende onder­
neming.
85
Als laatste werpen we licht op het matigende effect van de absorberende
capaciteit van de onderneming. Op basis van onze resultaten kunnen we
besluiten dat naargelang de onderneming ervaring heeft met het vergaren,
verwerken en benutten van informatie, dit de individuele invloed van de
bedrijfseigenaar op de exportactiviteiten van de startende onderneming
tempert. Op zoek naar een verklaring voor dit fenomeen grijpen we terug
naar de originele opzet van de ‘absorberende capaciteit’-constructie door
Cohen & Levinthal (1990). Deze auteurs gaan ervan uit dat de absorberende capaciteit van de onderneming niet uit het niets ontstaat, maar
voortbouwt op de ‘individuele absorberende capaciteit’ van elke werknemer. Immers, net als organisaties kunnen individu’s informatie opsporen,
interpreteren en vervolgens benutten (Cohen & Levinthal 1990). Van deze
individuele absorberende capaciteiten maakt de organisatie dan weer
gebruik om zelf met informatie om te springen. Op de keper beschouwd
kunnen we stellen dat de absorberende capaciteit van de onderneming
steunt op de geaccumuleerde kennis van alle werknemers, waaronder die
van de ondernemer (Cohen & Levinthal 1990). Dit houdt mogelijk in dat
de exportbeïnvloeding die de ondernemer op basis van zijn menselijk
kapitaal plant, eerst getoetst wordt aan de door de organisatie verzamelde
kennis, meer specifiek die kennis die in hoofde van de ondernemer en de
overige werknemers aanwezig is. Indien uit deze kennisconfrontatie blijkt
dat een bepaalde actie voor de organisatie negatieve gevolgen kan inhouden, kan de bedrijfsleider geadviseerd worden de geplande actie vooralsnog niet door te voeren. Met andere woorden, daar de absorberende capaciteit van de onderneming niet alleen voortbouwt op de kennis van de
ondernemer maar ook op die van alle andere werknemers, zal met hun
inzichten eveneens rekening gehouden worden wanneer de ondernemer
specifieke acties uitstippelt. Zodoende wordt de rechtstreekse invloed van
de bedrijfseigenaar als het ware geconditioneerd en het effect van zijn
menselijk en sociaal kapitaal aan banden gelegd.
86
7. Referenties
−− Aldrich, H. & Zimmer, C. (1986), ‘Entrepreneurship through social networks’, in: H. Aldrich (ed.), Population perspectives on organizations, Uppsala: Acta Universitatis Upsaliensis, 13-28.
−− Arenius, P. & De Clercq, D. (2005), ‘A network-based approach on opportunity recognition’, Small Business Economics, 24, (3): 249-265.
−− Autio, E. & Sapienza, H.J. (2000), Comparing process and born global perspectives in the international growth of technology-based new firms: Frontiers of
entrepreneurship research, Babson Park, MA: Babson College, 413-424.
−− Autio, E., Sapienza, H.J. & Almeida, J.G. (2000), ‘Effects of age at entry,
knowledge intensity, and imitability on international growth’, Academy of
Management Journal, 43, (5): 909-924.
−− Barkema, H.G. & Vermeulen, F. (1998), ‘International expansion
through start-up or acquisition: A learning perspective’, The Academy of
Management Journal, 41, (1): 7-26.
−− Barney, J. (1991), ‘Firm resources and sustained competitive advantage’,
Journal of Management, 17, (1): 99-120.
−− Becker, G.S. (1964), Human capital: A theoretical and empirical analysis, with
special reference to education, Chicago, IL: University of Chicago Press.
−− Bell, J., McNaughton, R., Young, S. & Crick, D. (2003), ‘Towards an integrative model of small firm internationalisation’, Journal of International
Entrepreneurship, 1, (4): 339-362.
−− Burgel, O. & Murray, G.C. (2000), ‘The international market entry
choices of start-up companies in high-technology industries’, Journal of
International Marketing, 8, (2): 33-62.
−− Cohen, W.M. & Levinthal, D.A. (1990), ‘Absorptive capacity: A new
perspective on learning and innovation’, Administrative Science Quarterly,
35, (1): 128-152.
−− Conner, K.R. & Prahalad, C.K. (1991), ‘A resource-based theory of the firm:
Knowledge versus opportunism’, Organization Science, 7, (5): 477-501.
−− Cooper, A.C., Gimeno-Gascon, F.J. & Woo, C.Y. (1994), ‘Initial human
and financial capital as predictors of new venture performance’, Journal of
Business Venturing, 9, (5): 371-395.
87
−− Davidsson, P. & Honig, B. (2003), ‘The role of social and human capital
among nascent entrepreneurs’, Journal of Business Venturing, 18, (3): 301-331.
−− Eriksson, K., Johanson, J., Majkard, A. & Sharma, D. (1997), ‘Experiential
knowledge and cost in the internationalization process’, Journal of International Business Studies, 28 (2): 337-360.
−− Gimeno, J., Folta, T.B., Cooper, A.C. & Woo, C.Y. (1997), ‘Survival of the
fittest? Entrepreneurial human capital and the persistence of underperforming firms’, Administrative Science Quarterly, 42, (4): 750-783.
−− Granovetter, M.S. (1985), ‘Economic action and social structure: The
problem of embeddedness’, The American Journal of Sociology, 96, (3):
589-625.
−− Greene, P. & Brown, T. (1997), ‘Resource needs and the dynamic capitalism typology’, Journal of Business Venturing, 12, (3): 161-173.
−− Hatch, N. & Dyer, J. (2004), ‘Human capital and learning as a source of
sustainable competitive advantage’, Strategic Management Journal, 25,
(12): 1155-1178.
−− Johanson, J. & Vahlne, J.E. (1990), ‘The mechanism of internationalization’, International Marketing Review, 7, (4): 11-24.
−− Julien, P.A. & Ramangalahy, C. (2003), ‘Competitive strategy and performance of exploring SMEs: An empirical investigation of the impact
of their export information search and competencies’, Entrepreneurship:
Theory & Practice, 27, (3): 227-245.
−− Kaynak, E. (1992), ‘A cross regional comparison of export performance
of firms in two Canadian regions’, Management International Review, 32,
(2): 163-180.
−− Kim, P.H., Aldrich, H.E. & Keister, L.A. (2006), ‘Access (not) denied: The
impact of financial, human, and cultural capital on entrepreneurial entry in the United States’, Small Business Economics, 27, (1): 5-22.
−− Kohli, A.K., Jaworski, B.J. & Kumar, A. (1993), ‘Markor: A measure of
market orientation’, Journal of Marketing Research, 30, (4): 467-477.
−− Lane, P.J., Koka, B.R. & Pathak, S. (2006), ‘The reification of absorptive
capacity: A critical review and rejuvenation of the construct’, Academy
of Management Review, 31, (4): 833-863.
88
−− Liao, J., Welsch, H. & Stoica, M. (2003), ‘Organizational absorptive
capacity and responsiveness: An empirical investigation of growthoriented SMEs’, Entrepreneurship: Theory & Practice, 28, (1): 63-85.
−− Madsen, T.K. (1987), ‘Empirical export performance studies’, Advances
in International Marketing, 2, (2): 178-198.
−− McDougall, P.P., Shane, S. & Oviatt, B.M. (1994), ‘Explaining the formation of international new ventures: The limits of theories from international business research’, Journal of Business Venturing, 9, (6): 469-487.
−− Mosey, S., Westhead, P. & Lockett, A. (2007), ‘University technology
transfer: Network bridge promotion by the Medici Fellowship Scheme’,
Journal of Small Business and Enterprise Development, 14, (3): 360-384.
−− Mowery, D.G., Oxley, J.E. & Silverman, B.S. (1996), ‘Strategic alliances
and interfirm knowledge transfer’, Strategic Management Journal, 17: 77-91.
−− Muscio, A. (2007), ‘The impact of absorptive capacity on SME’s collaboration’, Economics of Innovation and New Technology, 16, (8): 653-668.
−− Nahapiet, J. & Ghoshal, S. (1998), ‘Social capital, intellectual capital, and
the organizational advantage’, Academy of Management Review, 23, (2):
242-266.
−− Oviatt, B.M. & McDougall, P.P. (1994), ‘Toward a theory of international
new ventures’, Journal of International Business Studies, 25, (1): 45-64.
−− Oviatt, B.M. & McDougall, P.P. (1997), ‘Challenges for internationalization process theory: The case of international new ventures’, Management International Review, 37, (2): 85-99.
−− Peng, M.W. (2001), ‘The resource-based view and international business’, Journal of Management, 27, (6): 803-829.
−− Penrose, E. (1959). The theory of the growth of the firm, Oxford: Oxford University Press.
−− Presutti, M., Boari, C. & Fratocchi, L. (2007), ‘Knowledge acquisition
and the foreign development of high-tech start-ups: A social capital approach’, International Business Review, 16: 23-46.
−− Rao, H. & Drazin, R. (2002), ‘Overcoming resource constraints on product innovation by recruiting talent from rivals: A study of the mutual
fund industry, 1986-1994’, Academy of Management Journal, 45, (3): 491-507.
89
−− Rialp, A., Rialp, J. & Knight, G.A. (2005), ‘The phenomenon of early
internationalizing firms: What do we know after a decade (1993-2003)
of scientific inquiry?’, International Business Review, 14, (2): 147-166.
−− Schultz, T.W. (1959), ‘Investment in man: An economist’s view’, Social
Service Review, 33, (2): 109-117.
−− Shane, S. & Khurana, K. (2003), ‘Career experiences and firm founding’,
Industrial and Corporate Change, 12, (3): 519-543.
−− Tsai, W.P. (2001), ‘Knowledge transfer in intraorganizational networks:
Effects of network position and absorptive capacity on business unit
innovation and performance’, Academy of Management Journal, 44, (5):
996-1004.
−− Ucbasaran, D., Westhead, P. & Wright, M. (2008), ‘Opportunity identification and pursuit: Does an entrepreneur’s human capital matter?’,
Small Business Economics, 30, (2): 153-173.
−− Vlaamse Overheid (2009), Economie: De open ondernemer (Beleidsnota
2009-2014, http://www.vlaanderen.be/beleidsnotas).
−− Venkataraman, S. (1997), ‘The distinctive domain of entrepreneurship
research: An editor’s perspective’, in: J. Katz & J. Brockhaus (eds.), Advances in entrepreneurship, firm emergence, and growth, Greenwich: JAI Press,
119-138.
−− Yli-Renko, H., Autio, E. & Tontti, V. (2002), ‘Social capital, knowledge,
and the international growth of technology-based new firms’, International Business Review, 11: 279-304.
−− Zahra, A.S. & George, G. (2002), ‘Absorptive capacity: A review, reconceptualization and extension’, Academy of Management Review, 27, (2):
185-203.
−− Zahra, S.A., Ireland, R.D. & Hitt, M.A. (2000), ‘International expansion
by new venture firms: International diversity, mode of market entry,
technological learning, and performance’, Academy of Management Journal, 43, (5): 925-950.
−− Zahra, S.A., Matherne, B.P. & Carleton, J.M. (2003), ‘Technological
resource leveraging and the internationalisation of new ventures’, Journal of International Entrepreneurship, 1, (2): 163-186.
90
4.De internationalisatiestrategie
van Vlaamse bedrijven
Els Van de Velde, Imperial College London
Cyriel Vereertbrugghen, Universiteit Gent
Jolien Roelandt, Universiteit Gent
Bart Clarysse, Universiteit Gent en Imperial College London
Johan Bruneel, Universiteit Gent en Imperial College London
1. Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de export van Vlaamse ondernemingen. Hierbij focussen we op een zeer belangrijke beslissing die ondernemingen met een internationalisatieambitie moeten nemen: wanneer
starten we te internationaliseren? In de literatuur wordt er een onderscheid gemaakt tussen twee types van internationaliserende bedrijven: de
home based en de born global ondernemingen. Het eerste type van bedrijven
wordt gekenmerkt door een incrementele internationale groei, waarbij ze
eerst de lokale markt bedienen om daarna stapsgewijs de steeds verder liggende markten te benaderen (Johanson & Vahlne 1977). Deze bedrijven
stellen hun internationalisatieproces uit tot ze voldoende middelen en
vaardigheden hebben. De born globals zullen daarentegen van bij de opstart
hun producten en diensten in buitenlandse markten verkopen en proactief internationaliseren (McDougall & Oviatt 1994). Het bestaan van born
globals kan verklaard worden aan de hand van drie factoren: 1) nieuwe
marktomstandigheden, 2) technologische ontwikkelingen met betrekking tot productie, transport en communicatie en 3) de toegenomen capaciteiten van mensen (Madsen & Servais 1997).
De doelstelling van dit onderzoek is om beide types van internationali­
serende bedrijven te vergelijken op een aantal karakteristieken. Hierbij
maken we gebruik van een steekproef van 250 internationaliserende
ondernemingen uit een databank aangeleverd door het Flanders Investment & Trade (FIT). Ten eerste gaan we na wat de exportintensiteit is bij
91
home based en born global ondernemingen en welke geografische markten
ze bedienen. Hierbij bekijken we tevens wat de impact is van internationalisatie op de omzet en tewerkstelling van beide types en in welke mate het
businessmodel wordt beïnvloed. Vervolgens bestuderen we of er verschillen zijn tussen home based en born global ondernemingen op vlak van groeioriëntatie, technologie en management team.
Uit de resultaten blijkt dat de home based ondernemingen uit onze steekproef gemiddeld 18 jaar wachten vooraleer ze exporteren, in tegenstelling
tot de born globals die in hun eerste jaar al meer dan de helft van hun omzet
buiten de landsgrenzen realiseren. Verder blijkt dat de born global bedrijven zich richten op de groeilanden, terwijl home based ondernemingen eerder gericht zijn op de buurlanden. Hoewel de born globals zich willen focussen op groeigebieden, blijken deze in onze steekproef vooral Europees
verankerd te zijn en zich dus net als de home based ondernemingen eerder
op buurlanden te richten.
Doordat de home based ondernemingen hun beslissing om te exporteren
zo lang uitstellen, gaat een belangrijk potentieel aan omzet en tewerkstellingsgroei verloren. Snelle internationalisatie loont immers: de born globals
uit onze steekproef blijken in de helft van de tijd evenveel omzet en tewerkstelling te realiseren als home based ondernemingen. Bovendien hebben
born globals dankzij internationalisatie een meer generiek businessmodel,
wat resulteert in een groter aanpassingsvermogen, waardoor zij sneller in
staat zijn buitenlandse markten efficiënt te bedienen.
We stellen vast dat, in tegenstelling tot wat we verwachten, de born globals
niet meer groeigeoriënteerd, innovatiever of in hoogtechnologische sectoren gesitueerd zijn dan de home based ondernemingen. Bovendien beschikken de managementteams van de born globals niet over meer internationale
ervaring, noch over meer gezamenlijke werkervaring of zijn ze niet minder
afkerig van risico’s dan het management van home based ondernemingen.
We komen aldus tot de vaststelling dat beide groepen van ondernemingen
een vrij gelijkaardig profiel hebben en home based ondernemingen hetzelfde
potentieel hebben om te internationaliseren als born globals.
We besluiten dit hoofdstuk met een mogelijke verklaring voor het feit dat
de born globals en de home based ondernemingen niet zo sterk van elkaar
92
verschillen en formuleren enkele aanbevelingen voor beleidsmakers, opdat
de steun- en stimuleringsmaatregelen voor export van ondernemingen verder kunnen worden verfijnd.
2. Internationalisatie: home based versus
born globals
Internationalisatietheorieën proberen te verklaren waarom ondernemingen buiten hun binnenlandse markten actief zijn en welke de strategieën
en structuren ze ontwikkelen om dit te doen (Coviello & MacAuley 1999).
Als men vanuit het perspectief van de individuele onderneming naar het
internationalisatiegedrag kijkt, kan men de basis van het onderzoek naar
internationalisering vinden in ‘the behavioral theory of the firm’ van Cyert
&March (Ruzzier et al. 2006). Daarin trachten zij het beslissingsgedrag binnen een onderneming en het daaruit volgende gedrag van de onderneming
als een geheel te beschrijven (Cyert & March 1963). Een vaak geciteerd
model dat tot de behavioral internationalisatietheorieën behoort, is het procesmodel ontwikkeld door Johanson & Vahlne (1977). Deze twee onderzoekers stelden vast dat het internationalisatieproces van een onderneming
verloopt volgens een incrementeel proces dat verschillende fases doorloopt. In hun onderzoek, uitgevoerd bij een viertal Zweedse ondernemingen die vooral actief waren in de papierverwerkende nijverheid en de
staalverwerking, constateerden Johanson & Vahlne dat deze ondernemingen hun internationale activiteiten ontwikkelen in kleine stapjes, eerder
dan op een gegeven moment grote investeringen in buitenlandse activiteiten te doen. Nadat ondernemingen een bepaalde periode actief zijn op de
binnenlandse markt, starten ze meestal met hun exportactiviteiten via
directe export, later via een verkooppunt/distributeur en uiteindelijk, in
sommige gevallen door het opzetten van een dochteronderneming/productie-eenheid in het buitenland. Daarnaast vonden ze dat ook de geografische expansie van de ondernemingen volgens een welbepaald patroon
verliep. De ondernemingen exporteerden hun producten en diensten eerst
naar de buurlanden en vervolgens naar Angelsaksische landen en West93
Europa. Het was slechts na een geruime tijd dat de Zweedse ondernemingen
meer ‘exotische’ oorden zoals Zuid-Europa bedienden.
Figuur 4.1: De verschillende fases van het Upsalla-model
Bron: UNECE 2002
Om deze stapsgewijze manier van internationalisatie te beschrijven,
introduceerden Johanson & Vahlne (1977) een belangrijk mechanisme
dat gebaseerd is op het verband tussen kennis van buitenlandse markten
en de toewijzing van middelen ten opzichte van die markten (figuur 4.1).
Ondernemingen die aan het begin staan van hun internationalisatie zijn
per definitie onervaren en hebben weinig tot geen kennis noch ervaring
met het bedienen van buitenlandse markten. Als gevolg hiervan zullen zij
weinig geneigd zijn om veel middelen toe te wijzen aan deze ‘risicovolle’
strategie. Het gros van de bedrijfsmiddelen blijft geconcentreerd op het
uitbouwen van de thuismarkt, en de ondernemingen reageren enkel op
toevallige vragen uit het buitenland. Via deze ad hocverkopen bouwen de
ondernemingen hun kennis en vaardigheden op om te internationaliseren. De onderneming zal zich geleidelijk aan meer en meer focussen op
exportmarkten en dus een groter arsenaal aan bedrijfsmiddelen reserveren voor die activiteiten. Deze wisselwerking tussen de hoeveelheid kennis en vaardigheden om te internationaliseren en de hoeveelheid middelen
ingezet voor internationale activiteiten vertaalt zich in de stapsgewijze
internationalisatie zoals beschreven in de procesmodellen. Internationali94
serende bedrijven die dergelijk gradueel pad volgen, noemen wij ‘home
based’ bedrijven.
Het wegvallen van handelsbarrières en de globalisering van de markten
heeft geleid tot een snellere internationalisatie van ondernemingen (OECD
1998) dan wat wordt gesuggereerd door de procesmodellen. Empirische
studies (o.a. Oviatt & McDougall 1994) toonden aan dat ondernemingen
internationalisatiepaden volgen die vaak verschillen van het lineaire, graduele pad dat door de procesmodellen wordt voorspeld. Uit de tekortkomingen van de procesmodellen ontstond een alternatieve benadering die
een antwoord probeert te formuleren op het fenomeen van de onderneming die quasi vanaf het moment van oprichting een internationale focus
heeft. Dit type onderneming wordt de ‘born global’ genoemd. Oviatt en
McDougal definiëren born globals als (Oviatt & McDougall 1994, p. 49):
‘a business organization that, from inception, seeks to derive significant competitive
advantage from the use of resources and the sale of outputs in multiple countries.’ In
tegenstelling tot ondernemingen die geleidelijk internationaliseren (cf. procesmodellen) van binnenlandse onderneming naar een multinationale
onderneming (MNO), hebben deze born globals vanaf de start een proactieve, internationale strategie. Drie belangrijke factoren verklaren het
bestaan van born globals: 1) nieuwe marktomstandigheden, 2) technologische ontwikkelingen met betrekking tot productie, transport en communicatie en 3) de toegenomen capaciteiten van mensen (Madsen & Servais
1997). Doordat een toegenomen specialisatie in de productie ervoor zorgt
dat er in de laatste decennia een groot aantal nichemarkten ontstaan is, zien
we dat er een aantal ondernemingen zijn die een zeer beperkt gamma (zeer
specifieke producten) op de markt brengen. De eenvoudige vaststelling dat
voor deze producten de binnenlandse markt veel te klein is, zorgt ervoor
dat de ondernemingen direct internationaal moeten gaan verkopen. Hierdoor kunnen vooral hoogtechnologische ondernemingen profiteren van
toegenomen internationale netwerken. Het gevolg is dat de specifieke producten niet alleen snel internationaal verkocht dienen te worden, maar dat
ondernemingen dat ook eenvoudiger kunnen dan voorheen. De veranderde marktomstandigheden zijn niet uit het niets ontstaan. Omdat de
veranderde productietechnologie ervoor gezorgd heeft dat ook kleinscha95
ligere productie winstgevend kan zijn, zijn specialisatie, het meer op maat
maken van producten en de productie voor bepaalde nichemarkten levensvatbare alternatieven voor ondernemingen geworden. Ook de kostendaling in het transport van personen en middelen, heeft ervoor gezorgd dat de
financiële drempels voor een internationale benadering verlaagd zijn. Door
de enorme toename in het gebruik van internet verloopt ook het verkopen,
het verlenen van diensten, maar ook het verzamelen van informatie over
internationale markten en klanten veel eenvoudiger dan voorheen, met een
snellere internationalisatie als gevolg. Een derde reden, die vaak wordt
beschouwd als een van de belangrijkste uit de born global benadering, zijn de
toegenomen capaciteiten van de oprichters/managers van ondernemingen.
Managers kunnen de mogelijkheden die de nieuwe technologieën bieden
op de internationale markten beter benutten omdat ze de juiste vaardigheden hebben. De toename in het aantal mensen dat internationale ervaring
heeft opgedaan tijdens hun studies of bij vorige werknemers, zorgt ervoor
dat ondernemingen kunnen beschikken over mensen die vlotter communiceren en opereren in een internationale context.
Het is duidelijk dat de procesmodellen (home based) en born global benadering fundamenteel verschillen. In de procesmodellen gaat men uit van een
gradueel internationalisatieproces terwijl de born global benadering uitgaat
van ondernemingen die per definitie quasi vanaf hun oprichtingsdatum
internationaal georiënteerd zijn. In tabel 4.1 worden de verschillende
aspecten van beide benaderingen nog eens naast elkaar gezet.
Tabel 4.1: Vergelijking van het U-model met de INV-theorie
Uppsala model
INV
Oorsprong
Zweedse kmo’s in de jaren 1970
Kennis intensieve bedrijven midden jaren 1990
Theoretische achtergrond
Behavioral theory of the firm, theory of firm
growth
Ondernemerschap, kennisgebaseerde visie op
de onderneming
Eerste internationalisatie
Onderneming reageert op een ongevraagd
exportorder
Onderneming reageert proactief op internationale groeimogelijkheden
Drijvende kracht achter
internationalisatieproces
Stijgend engagement als gevolg van
toenemende empirische kennis
Visie van de ondernemer, het bezit van kennisintensieve middelen
Internationalisatiepatroon
Traag, incrementeel, eerst dichtbij en
eenvoudige vorm, later ver en complex
Snel, born global
Bron: Autio & Sapienza 2000
96
Een van de belangrijkste verschillen tussen home based en born global ondernemingen is het moment waarop ze de eerste keer internationaliseren.
Het moment van internationalisatie blijkt een belangrijke impact te hebben op het daaropvolgend internationalisatieproces (Autio, Sapienza &
Almeida 2000). Onderzoek toont aan dat ondernemingen die sneller
internationaliseren een grotere groei realiseren dan bedrijven die langer
wachten om buitenlandse markten te bedienen. Deze snellere groei wordt
zowel op de binnenlandse als op de buitenlandse markten gerealiseerd.
Het moment van internationalisatie heeft immers een sterk effect op het
lerend vermogen van een onderneming. Wanneer ondernemingen internationaliseren, worden ze blootgesteld aan nieuwe omstandigheden die
vaak een andere manier van bedrijfsvoering vereisen. Bedient een onderneming voor het eerst een buitenlandse markt, dan wordt ze geconfronteerd met een ‘learning shock’ (Pedersen & Petersen 1994). Ondernemingen
moeten zich aanpassen aan de lokale cultuur, het institutioneel kader en
in vele gevallen hun producten en diensten afstemmen op lokale klantenbehoeften. Des te ouder een organisatie, des te moeilijker het zal zijn om
nieuwe, internationale ondernemingspraktijken en buitenlandse marktkennis te gebruiken. Het arsenaal aan vaardigheden, processen en structuren bij oudere ondernemingen zijn volledig afgestemd en verfijnd om de
binnenlandse klanten te bedienen. Met andere woorden, het ondernemingsmodel van oudere bedrijven heeft al volledig vorm gekregen op het
moment van de eerste internationalisatie. Bij startende ondernemingen is
dit allesbehalve het geval. Deze ondernemingen moeten hun organisatiestructuur, processen en vaardigheden nog vormgeven tijdens hun internationalisatie. Terwijl oudere ondernemingen moeite ondervinden om
hun structuren en processen aan te passen, kunnen startende ondernemingen ze ontwikkelen op maat van hun internationalisatie (Barkema &
Vermeulen 1998; Autio et al. 2000).
97
3. Steekproefbeschrijving
Om een antwoord te formuleren op de vraag welke internationalisatiestrategie en welke middelen beide types van ondernemingen hiervoor nodig
hebben, zijn we vanuit een literatuurstudie vertrokken. Bij de afbakening
van de steekproef werd vertrokken vanuit een initiële lijst van 11.527
bedrijven, aangeleverd door Flanders Investment & Trade (FIT). Het betreft
bedrijven die een dossier bij het FIT hebben. Dit kan zijn doordat zij financiële steun gekregen hebben, deel hebben genomen aan een door het FIT
georganiseerde activiteit of via telefoon/e-mail een vraag hebben gesteld.
Deze lijst werd verder verfijnd door enkel de ondernemingen op te nemen:
−− die effectief exportactiviteiten hebben;
−− die geen eenmansbedrijven zijn;
−− waarvan het jaar van eerste internationale verkopen gekend is;
−− waarvan de gegevens (contact, exportgegevens…) correct ingevuld zijn;
−− en die nog actief zijn.
Dit resulteerde in een steekproef van 2.722 exporterende ondernemingen.
Onderstaande tabel geeft een aantal karakteristieken van de ondernemingen in de steekproef weer.
Tabel 4.2: Beschrijvende statistieken totale steekproef
N=2722
Omzet
Gemiddelde
€ 34.539.798,9
Standaardafwijking
Min.
Max.
€ 280.319.972,9
€1
€ 9.000.000.000
Personeel
82,2 (VTE)
439,7
2
13000
Leeftijd
26,6
24,3
1
251
Exportintensiteit
49,9%
32,0%
0,01%
100%
Bron: Eigen berekeningen
Uit onderstaande figuren, waarin de ondernemingen van de totale steekproef (N=2722) onderverdeeld worden al naargelang het aantal personeelsleden en hun omzet, blijkt dat voornamelijk kmo’s een beroep doen
op het FIT. Figuur 4.2 toont aan dat meer dan 90% van de ondernemingen
98
minder dan 250 werknemers heeft en uit figuur 4.3 blijkt dan weer dat
meer dan 90% van de ondernemingen een omzet realiseren van minder
dan 50 miljoen euro. Dit kan niet verbazen, Vlaanderen en bij uitbreiding
België is immers een kmo-land.
Figuur 4.2: Verdeling volgens aantal personeelsleden VTE (N=2722)
Bron: Eigen berekeningen
Figuur 4.3: Verdeling volgens omzet (N=2722)
Bron: Eigen berekeningen
Om ons onderzoek uit te voeren, hebben we een vragenlijst opgesteld, die
vooraf werd getest bij verschillende ondernemingen om mogelijke problemen met de interpretatie van de vragen op te vangen. Op basis van de feedback van ondernemers, werden er enkele kleine wijzigingen aan de vragenlijst aangebracht. Vervolgens werd de vragenlijst via e-mail naar de betrokken
ondernemingen verstuurd. Daarnaast werd een aantal ondernemingen ook
telefonisch gecontacteerd om een gedetailleerd inzicht te krijgen.
99
Figuur 4.4: Verdeling van de steekproef volgens sectoren (N=250)
Bron: Eigen berekeningen
De volledige steekproef (n=2722) werd aangeschreven in 2009 met het
verzoek om de onlinevragenlijst in te vullen. We ontvingen 385 antwoorden waarvan 250 volledig ingevulde lijsten (dit is een responsgraad van
9,2%). Om een inschatting te maken in welke mate deze steekproef representatief is, vergelijken we de respondenten met de niet-respondenten op
een aantal criteria, en testen of deze statistisch significant gelijk zijn. Uit de
Kolmogorov-Smirnov blijkt dat de respondenten actief zijn in dezelfde
sectoren, gemiddeld even oud zijn en eenzelfde exportintensiteit hebben
als de niet-respondenten. De respondenten zijn statistisch gezien iets groter dan de niet-respondenten (gemiddelde omzet 48 t.o.v. 33 miljoen euro
en gemiddelde tewerkstelling 106 t.o.v. 80 voltijdse equivalenten).
Figuur 4.4 toont hoe de ondernemingen in de steekproef verdeeld zijn
over de verschillende sectoren. Voor de verdeling in sectoren werd vertrokken van de primaire NACE-codes van de ondernemingen. Deze werden dan gegroepeerd in verschillende sectoren volgens de verdeling van de
Europese Venture Capital Associatie (EVCA). 10
Bijna de helft van de ondernemingen in de steekproef (48%) is actief in de
sector van industriële producten en diensten en bijna een derde (31%) is
actief in consumentengoederen en -diensten en detailhandel. Andere relatief belangrijke sectoren zijn ICT en landbouw, chemie en materiaal.
10
100
http://www.evca.eu/uploadedFiles/Home/Kennis_Center/EVCA_Research/Current_Surveys/sectoral_classification.pdf
4. Resultaten
In deze sectie gaan we na in welke mate home based en born globals voorkomen in de steekproef. Born global ondernemingen worden gedefinieerd als
bedrijven die internationaal actief zijn binnen de eerste twee jaar na
oprichting (McKinsey & Co. 1993); ondernemingen die later internationaliseren worden onder de categorie home based ondernemingen geplaatst.
We besteden aandacht aan de exportintensiteit en gaan na in welke geografische regio’s die export wordt gerealiseerd. Hierbij analyseren we
tevens wat de impact is van het moment van internationalisatie op de
omzet, tewerkstelling en het ondernemingsmodel. Vervolgens gaan we na
of er verschillen zijn tussen home based en born global bedrijven op het vlak
van groeioriëntatie, technologie en managementteam op het moment van
gegevensverzameling.
4.1. Internationalisatie bij home based en born global
ondernemingen en de impact op omzet, tewerkstelling en ondernemingsmodel
Figuur 4.5: Leeftijd eerste internationalisatie
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
101
Uit figuur 4.5 blijkt dat ongeveer 50% van onze steekproef voldoet aan onze
definitie van born globals. Exact 52% van de totale steekproef exporteert in de
eerste twee jaar na hun oprichting. Dit is een vrij hoog aantal en bevestigt dat
Vlaanderen export gedreven is. Home based ondernemingen wachten gemiddeld 18 jaar vooraleer zij internationaal gaan verkopen, terwijl de born globals
dit gemiddeld binnen het eerste levensjaar doen. De belangrijkste wijze die
beide groepen verkiezen om de internationale markt te bedienen, is directe
export en via distributeurs. 65% van de Vlaamse ondernemingen in de steekproef geeft de voorkeur aan directe export en 21% gebruikt distributeurs om
de internationale markt te bedienen. Een kleine minderheid, slechts 10% van
de bedrijven, verkoopt haar producten en diensten via een buitenlands filiaal.
Uit tabel 4.3 blijkt dat born global ondernemingen gemiddeld 16 jaar oud
zijn op het ogenblik van de bevraging, wat significant jonger is dan de
home based bedrijven die bijna dubbel zo oud zijn (33 jaar). Born global
bedrijven realiseren bijna 60% van hun verkopen in het buitenland. Dit is
significant hoger dan de 34,6% export gerealiseerd door de home based
bedrijven. Verdere analyses tonen aan dat born globals en home based ondernemingen niet significant verschillen qua omzet en tewerkstelling. Dit
betekent dat born globals eenzelfde omzet realiseren en tewerkstelling creëren als home based ondernemingen maar dit in slechts de helft van de tijd
(16 versus 33 jaar). Daarenboven is het absolute exportvolume gegenereerd door de born globals een pak hoger, wat hun belang als groeimotor
voor de regionale economie verder onderstreept.
Tabel 4.3: Leeftijd en export intensiteit bij home based en born globals
N=250
Gemiddeld
(standardafwijking)
home based
Gemiddeld
(standaardafwijking)
born global
N
120
Leeftijd
33,4
 
16,7
 
  34,6%
  58,3%
Exportintensiteit
130
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Uit bovenstaande bevindingen kunnen we afleiden dat snelle internationalisatie loont en born globals sneller groeien dan home based ondernemingen.
102
Bovendien heeft internationalisatie volgens onze respondenten een duidelijk positievere impact op het ondernemingsmodel van de born globals dan
van de home based ondernemingen. Uit figuur 4.6 blijkt dat door te internationaliseren de productie, de levering van producten en diensten en de service bij born globals efficiënter verloopt. Daarenboven vinden we bij born
globals een meer generiek ondernemingsmodel terug, waardoor zij zich
makkelijker kunnen aanpassen in verschillende landen.
Figuur 4.6: Impact op het ondernemingsmodel
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Dat born globals zich beter aanpassen, valt niet te verbazen. Uit de literatuur is gebleken dat het moment van internationalisatie een sterk effect
heeft op het lerend vermogen (Autio et al. 2000): hoe eerder men internationaal gaat verkopen, hoe minder rigide en des te beter het aanpassingsvermogen. Dit wijst erop dat born globals veel flexibeler zijn dan home based
ondernemingen en dus meer internationalisatiemogelijkheden hebben.
Tot slot beschrijven we welke buitenlandse markten born global en home
based ondernemingen bedienen. Voortgaand op de literatuur verwachten
we dat home based bedrijven eerder de stapsgewijze internationalisatie volgen zoals beschreven in de procesmodellen. Deze ondernemingen zullen
103
eerst de buurlanden bedienen alvorens naar verdere markten te exporteren. We verwachten dat born globals van bij de opstart eerder een wereldwijde focus hebben en hun markt zich niet zal beperken tot de ons omringende landen. Figuur 4.7 bevestigt deze verwachtingen en toont aan dat
born globals meer gefocust zijn op groeigebieden, terwijl de home based
ondernemingen zich eerder richten op de buurlanden.
Figuur 4.7: Gemiddelde scores keuze van exportlanden
Wij kiezen voor expansie naar...
home based
born global
...markten die het grootste
groeipotentieel hebben, zelfs als
deze zeer verafgelegen zijn en
moeilijk te bereiken
...dichtbijzijnde markten, in een
poging om de afstand en de culturele
verschillen te minimaliseren
1: Helemaal niet akkoord; 7: Helemaal akkoord
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Er werd aan beide types van ondernemingen gevraagd wat hun topbestemming met betrekking tot omzetgeneratie was. In figuur 4.8 worden volgende
regio’s onderscheiden: de buurlanden, rest van Europa, Noord-Amerika,
Latijns-Amerika, Afrika, Midden-Oosten, Verre Oosten en Australië. Dit
werd zowel gevraagd voor hun eerste internationale verkopen als voor 2007.
104
Figuur 4.8: Topbestemmingen
Topbestemmingen
Buur- Rest van Noord- Latijns- Afrika Midden- Verre- Australië
landen Europa Amerika Amerika
Oosten Oosten
BG 1e internationalisatie
BG 2007
HB 1e internationalisatie
HB 2007
70,8% 8,5%
60,0% 15,4%
68,1% 6,7%
68,1% 12,6%
2,3%
2,3%
2,5%
0,8%
0,8%
2,3%
0,8%
0,8%
1,5%
3,1%
1,7%
2,5%
1,5%
1,5%
0,8%
0,8%
4,6%
3,8%
2,5%
0,8%
0,0%
0,8%
0,0%
0,0%
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Er viel te verwachten dat de born globals van meet af aan ook buiten Europa
zouden exporteren. Beide types van ondernemingen blijken echter sterk
Europees verankerd te zijn. Zowel bij de eerste als bij de internationale
verkoop in 2007 geven meer dan 70% van de ondernemingen een Europees land aan als hun topbestemming. In de eerste jaren zijn dit zowel bij
de born globals als de home based bedrijven voornamelijk de buurlanden,
wat in lijn ligt met het procesmodel van geleidelijke internationale expansie. Het belang van de topbestemming neemt af met de jaren. Gemiddeld
wordt 52% van de omzet behaald in de topbestemmingen in het eerste
jaar en 38% in 2007. Dit kan verklaard worden door het feit dat ondernemingen meer landen bedienen naarmate ze langer internationaal actief
zijn. Een gevolg hiervan is dat het relatieve belang van de verschillende
landen in de totale omzet (dus ook de topbestemming) afneemt.
4.2. Vergelijking tussen home based en born global ondernemingen
In het volgende deel analyseren we in hoeverre born global en home based
ondernemingen verschillen op vlak van groeioriëntatie, technologie en
karakteristieken van het managementteam.
105
Groeioriëntatie
Born global ondernemingen zijn van bij de opstart internationaal actief en
gaan op zoek naar opportuniteiten buiten de landsgrenzen. Home based
ondernemingen zijn daarentegen veel minder geneigd om snel te internationaliseren en gaan eerder hun energie focussen op het ontwikkelen van
de thuismarkt. De eerste internationalisatie verloopt eerder volgens toevallige verkopen dan wel via een proactieve strategie (Autio et al. 2000).
Men kan aldus verwachten dat de strategie van born globals meer groeigeoriënteerd zal zijn dan deze van home based ondernemingen. Om hier een
zicht op te krijgen, werd aan de respondenten gevraagd om 100 punten te
verdelen over een aantal doelstellingen (tabel 4.4). Hieruit blijkt dat stabiliteit en overleven op lange termijn in deze economisch onzekere tijden
de hoogste gemiddelde score haalt. Het najagen van snelle omzetgroei is
de minst belangrijke doelstelling en haalt slechts een score van ongeveer
10. Verrassend is echter wel dat de born globals niet meer groeigeoriënteerd
blijken te zijn dan de home based ondernemingen.
Tabel 4.4: Doelstellingen van de onderneming
Gemiddelde score
home based
born global
Stabiliteit en overleven op lange temijn
24,1
24,2
Winstgevendheid
23,5
22,9
Waarde van de onderneming
17,2
17,8
Behouden van controle / eigendom over de onderneming
16,5
16,1
Technologische superioriteit van de onderneming
14,2
15,7
Snelle omzetgroei
12,6
12,1
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Technologie
Technologie kan zeer belangrijk zijn voor de internationalisatiestrategie
van een onderneming. Een degelijk uitgebouwde technologie kan toelaten
om producten te ontwikkelen die internationaal kunnen verkocht worden. Ondernemingen die veel spenderen aan O&O zullen vaak genoodzaakt zijn hun producten direct op de internationale markt aan te bieden
omdat de thuismarkt te klein is om voldoende omzet te genereren die toe106
laat de investeringen terug te verdienen. Daarom verwachten we dat born
globals vernieuwender zijn dan home based ondernemingen (Filipescu 2006).
Hoogtechnologische producten verouderen sneller en worden bijgevolg
gekenmerkt door een kortere levenscyclus. Dit verplicht ondernemingen
actief te zijn op internationale markten zodat ze op korte termijn het maximum kunnen halen uit de verkoop van hun technologisch snel verouderend
product. Daarom is het belangrijk na te gaan in welke mate Vlaamse ondernemingen technologisch gedreven zijn. We legden opnieuw een aantal stellingen voor en vroegen de respondenten ze te beoordelen (Figuur 4.9).
Figuur 4.9: Gemiddelde scores belang van technologie
home based
Ons competitief
voordeel is
gebaseerd op
onze technologie
Onze producten
en diensten zijn
gebaseerd op
geavanceerde
technologieën
born global
Onze producten
en diensten zijn
uniek in onze
markt
Wij investeren
extensief in het
ontwikkelen van
nieuwe producten
1: Helemaal niet akkoord; 7: Helemaal akkoord
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
Technologie is belangrijk voor de Vlaamse exporterende ondernemingen.
Vlaanderen is een kenniseconomie, en dat blijkt ook. Er wordt extensief
geïnvesteerd in de ontwikkeling van nieuwe producten, ze zijn vaak technologisch en worden als uniek in de markt beschouwd. Uit figuur 4.9 blijkt
dat born globals op technologisch vlak gemiddeld hoger scoren dan home
based ondernemingen, maar de verschillen zijn niet statistisch significant.
Vervolgens zijn we nagegaan in welke mate die twee groepen van bedrijven
voorkomen in hoogtechnologische sectoren. Om de hoogtechnologische
sectoren te definiëren, werd vertrokken van de OECD-classificatie
(DSTI 1997/2), die gebaseerd is op de International Standard Industrial
Classification (ISIC Rev. 2; Hatzichronoglou 1997). Deze classificatie
107
gebruikt de technologie-intensiteit om industrieën onder te verdelen in
vier groepen: namelijk hoogtechnologisch, medium hoogtechnologisch,
minder technologisch en laagtechnologisch. Ondernemingen die in de
eerste twee categorieën vallen, werden geselecteerd als hoogtechnologisch.
De lijst werd aangevuld met drie dienstensectoren die door Eurostat als
hoogtechnologisch gedefinieerd worden (CEC 2001, p. 35). In tegenstelling
tot wat we zouden verwachten, zijn born global ondernemingen niet meer
actief in hoogtechnologische sectoren dan home based ondernemingen.
Managementteam
Naast de groeioriëntatie en de technologie analyseren wij tot slot de karakteristieken van het managementteam. De kwaliteit van beslissingen die in
een internationaliserende onderneming worden genomen, is sterk afhankelijk van de kwaliteit van het topmanagement (Bloodgood, Sapienza &
Almeida 1996). Het managementteam kan een kritisch middel zijn voor het
welslagen van de onderneming in haar internationalisatieproces. Het algemeen menselijk kapitaal onder de vorm van de gezamenlijke werkervaring
van het managementteam is van belang. Vorig onderzoek heeft de invloed
van de gezamenlijke werkervaring op de groei in omzet bij internationaliserende ondernemingen aangetoond (Autio, Bruneel & Clarysse 2008). Hoe
langer een team vooraf heeft samengewerkt, des te hoger de omzet zal
bedragen eens het bedrijf internationaliseert. De vroegere samenwerking
kan aldus een positief effect hebben op de mogelijkheid om te groeien eens
zich opportuniteiten om te internationaliseren voordoen. De resultaten
tonen echter dat er geen verschil is tussen de gezamenlijke werkervaring van
de managementteams van born globals en home based ondernemingen.
Naast het algemeen menselijk kapitaal van het managementteam kan ook
de internationale ervaring belangrijk zijn. Onderzoek toont immers aan
dat het bezitten van specifiek menselijk kapitaal onder de vorm van internationale ervaring of de internationale visie van de managers van een
onderneming een positieve invloed heeft op de internationalisatie ervan
(Bloodgood et al. 1996). Internationale ervaring leidt tot het begrijpen van
en het hebben van realistische percepties over buitenlandse operaties,
risico’s en mogelijk te verdienen rendementen in buitenlandse markten.
108
Managers met meer internationale ervaring zullen de vaardigheden ontwikkeld hebben om een buitenlands zakelijk netwerk op te bouwen, buitenlandse ondernemingen te identificeren en ermee te kunnen onderhandelen binnen de context van verschillende culturen (Reuber & Fisher
1997). Aangezien uit onze resultaten blijkt dat born globals sneller internationaal gaan, kunnen we ook verwachten dat zij een managementteam
zullen hebben met meer internationale ervaring dan de home based ondernemingen. Verrassend is echter dat dit opnieuw niet het geval blijkt te zijn.
Naast het menselijk kapitaal van het managementteam, bepaalt ook hun
gedrag in sterke mate de internationalisatiegraad van een onderneming
(Bloodgood et al. 1996). Daarom werd er bij de verschillende respondenten gepeild naar de attitude van het management ten opzichte van hun
bereidheid en motivatie om te internationaliseren. Er werd een aantal stellingen voorgelegd en de respondenten dienden aan te geven in welke mate
zij akkoord gaan met de voorgelegde stellingen. Hieronder worden de
resultaten weergegeven. Zoals blijkt uit figuur 4.10 zijn ondernemingen
niet echt bereid om grote risico’s te nemen enkel en alleen om een hogere
omzet te realiseren. Wel wensen ze proactieve stappen te ondernemen om
de concurrenten voor te blijven. Opvallend is opnieuw dat born globals niet
minder afkerig van risico blijken te zijn dan de home based ondernemingen.
Figuur 4.10: Gemiddelde scores instellingen van het management
home based
Wij verkiezen een
hoge omzet, zelfs
indien dit gepaard
gaat met een hoger
risico boven het
minimaliseren van
risico
Omwille van de
aard van onze
competitieve
omgeving dienen
we agressieve
stappen te ondernemen om onze
doelen te bereiken
born global
In onzekere
In competitieve situaties
situaties
is onze onderneming meestal
verkiezen we om de eerste die stappen onderneemt,
stoutmoedige
en wachten we niet af totdat de
beslissingen te
concurrent stappen onderneemt.
nemen in tegenstelling tot een
‘afwachtende’ houding
aan te nemen
1: Helemaal niet akkoord; 7: Helemaal akkoord
Bron: Bevraging born globals en home based ondernemingen
109
5. Discussie en aanbevelingen
In dit hoofdstuk hebben we de export van twee types internationaliserende Vlaamse bedrijven geanalyseerd: born globals en home based ondernemingen. Het eerste type bedrijf, de born global, verkoopt zijn producten en
diensten op buitenlandse markten binnen het eerste jaar na opstart en
genereert 18 jaar later meer dan de helft van zijn omzet buiten de landsgrenzen. Dit contrasteert met home based ondernemingen die gemiddeld
slechts na 18 jaar hun producten in het buitenland afzetten. Ook de exportintensiteit van deze ondernemingen (34,6%) is veel lager dan die van de
born globals en wijst erop dat slechts een derde van de omzet gerealiseerd
wordt op buitenlandse markten. Home based ondernemingen leunen bijgevolg meer aan bij de internationalisatiemodellen zoals voorgesteld binnen
de procestheorie: ondernemingen volgen een trage stapsgewijze internationale groei.
Vervolgens hebben we aangetoond dat een snelle internationalisatie loont.
Born globals slagen erin om evenveel omzet en tewerkstelling te realiseren
als home based ondernemingen in minder dan de helft van de tijd (16,7 jaar
versus 33,4 jaar). Born globals hebben daarenboven een meer generiek
ondernemingsmodel wat resulteert in grotere flexibiliteit en aanpassingsvermogen. Dit stelt born globals in staat om buitenlandse markten sneller en
efficiënter te bedienen dan home based bedrijven. Bij deze laatste groep van
ondernemingen kost het namelijk meer tijd en energie om de bedrijfsprocessen en routines aan te passen aan de veranderende omstandigheden in
buitenlandse markten.
We hebben achtereenvolgens de groeioriëntatie, technologie en karakteristieken van het managementteam van born globals en home based bedrijven vergeleken. In tegenstelling tot de verwachting vonden we dat de
karakteristieken van born global en home based ondernemingen vrij gelijkaardig zijn. Dit impliceert dat home based ondernemingen eenzelfde potentieel hebben om te internationaliseren maar, om een nog vast te stellen
reden, het internationalisatieproces uitstellen. Dit is een belangrijke vaststelling voor beleidsmakers, daar het aanleiding geeft tot de vraag in welke
mate de overheid dit type bedrijven kan stimuleren om sneller te interna110
tionaliseren. Door het moment van eerste internationalisatie te lang uit te
stellen gaat een belangrijk potentieel aan omzet- en tewerkstellingsgroei
verloren. Mogelijk vormt een proactieve identificatie van bedrijven met
potentieel om snel te internationaliseren een belangrijk aandachtspunt
voor beleids­makers. Kanalen zoals het ondernemersloket en het Agentschap Ondernemen vormen hierbij een mogelijk aanknopingspunt.
Een andere belangrijke vaststelling is dat born global bedrijven meer focussen op de groeilanden, hetzij buitenlandse regio’s met het grootste groeipotentieel. Home based ondernemingen zijn eerder gericht op de buurlanden. Ondanks deze focus slagen born global bedrijven er slechts in zeer
beperkte mate in die ambitie waar te maken. Net als de home based bedrijven blijken born globals vooral Europees verankerd te zijn. De overheid kan
hierop inspelen door toegang tot marktinformatie rond groeimarkten
verder te faciliteren. Een belangrijke drijfveer om te internationaliseren
naar bepaalde regio’s is immers de beschikbaarheid van relevante marktkennis. Het verzamelen van kennis en informatie rond markten buiten
Europa is niet evident, zeker niet voor een jonge onderneming. Organisaties zoals het FIT kunnen via hun netwerk van lokale vertegenwoordigers
toegang tot generieke en specifieke marktkennis vergemakkelijken.
Zoals elk onderzoek heeft ook deze studie haar beperkingen. Een eerste
beperking is het tijdstip waarop de enquête werd afgenomen. De gegevens
gebruikt in deze studie werden verzameld in 2009 en hebben betrekking
op 2008. Idealiter zou deze bij zowel de born global als de home based ondernemingen bij opstart moeten afgenomen worden en vervolgens bij de eerste export en op latere tijdstippen, zodat een longitudinale studie kan uitgevoerd worden. Op deze manier kan er inzicht worden verworven over
hoe een bedrijf zich aanpast aan de exportrealiteit door bijvoorbeeld de
dynamiek tussen internationalisatie en de evolutie van het management
team te bestuderen. Ten tweede zou het ook relevant zijn onze steekproef
te vergelijken met niet-FIT ondernemingen en na te gaan of er substantiële
verschillen zijn tussen deze laatste en onze steekproef. Verder onderzoek
in de toekomst zou hierover uitsluitsel kunnen geven.
111
6. Referenties
−− Ahokangas, P. (1998), Internationalization and resources: an analysis of processes
in Nordic SMEs, doctoraatsverhandeling, Universitas Wasaensis, Vaasa
−− Alvarez, S. & Busenitz, L. (2001), ‘The entrepreneurship of resource
based theory’, Journal of Management, 27, (6): 755-775.
−− Autio, E., Bruneel, J. & Clarysse, B. (2008), Does internationalization influence organizational advantage? Internationalization, learning and growth in
young, technology-based firms. Paper voorgesteld in Strategic Management Society 2008.
−− Autio, E., Sapienza, H.J. & Almeida, J.G. (2000), ‘Effects of Age at Entry,
Kennis Intensity, and Imitability on International Growth’, The Academy of Management Journal, 43, (5): 909-924
−− Barkema, H.G., & Vermeulen, F. (1998), ‘International expansion
through start-up or acquisition: A learning perspective’, Academy of
Management Journal, 41: 7-26.
−− Bilkey, W. & Tesar, G. (1977), ‘The export behavior of smaller sized Wisconsin manufacturing firms’, Journal of International Business Studies, 8,
(1): 93-98.
−− Bloodgood, J.M., Sapienza, H.J. & Almeida, J.G. (1996), ‘The internationalisation of New High-Potential U.S. Ventures: Antecedents and
Outcomes’, Theory and Practice, 20, (4): 61-76.
−− Bruneel, J., & Clarysse, B. (2006), ‘Internationalisatie als uitdaging bij
het realiseren van groeiambities’, in: B. Clarysse et al., Durven groeien in
Vlaanderen: een boek voor gevorderden, Roeselare: Roularta Books, 216-228.
−− Brush, C.G. (1995), International Entrepreneurship: The effects of firm age on
motives of internationalization , New York: Garland.
−− Cavusgil, S. (1980), ‘On the internationalization process of firms’,
European Research 8, (6): 273-281.
−− Clarysse, B. (2004), Eendagsvlieg of pionier: welke ondernemer redt onze
economie?, Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
−− Clarysse, B. et al. (2006), Durven groeien in Vlaanderen: een boek voor
gevorderden, Roeselare: Roularta.
−− Coviello, N. & McAuley, A. (1999), ‘Internationalisation and the smaller
112
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
firm: a review of contemporary empirical research’, Management
Inter­national Review, 39, (3): 223-240.
Coviello, N. & McAuley, A. (1999), ‘Internationalisation and the smaller
firm: a review of contemporary empirical research’, Management
International Review, 39, (3): 223-240.
Cyert, R.M. & March, J.G. (1963), A behavioral theory of the firm, New York:
Englewood Cliffs; Prentice-Hall.
Dunning, J.H. (1981), International production and the multinational enterprise, Londen: Allen & Unwin.
Etemad, H. (2004), ‘Internationalization of Small and Medium-sized
enterprises: A grounded theoretical framework and an overview’,
Canadian Journal of Administrative Sciences, 21, (1): 1-21.
Filipescu, D.A., Innovation and Internationalization. A focus on exporting
firms. Working Paper Series University of Barcelona.
Fraser, J. & Oppenheim, J. (1997), ‘What’s new about globalization?’,
McKinsey Quarterly, 2: 168-179.
Hatzichronoglou, T. (1997), Revision of the High-Technology Sector and
Product Classification. OECD/GD(97)216. Working Document.
Hambrick, D.C. & Mason, P.A. (1984), ‘Upper Echelons: The organization as a reflection of its top managers’, Academy of Management Review,
9, (2): 193-206.
Havnes, P. (1994), ‘Internationalization of small and medium-sized enterprises:
an analytical model’. Rent 8 Conference 24-25.
Heene, A. & Sanchez, R. (2004), The new strategic management, New
York: Wiley.
Heirman, A. en Clarysse, B. (2004), ‘How and why do research-based
start-ups differ at founding? A resource-based configurational perspective’, Journal of Technology Transfer, 29, (3-4): 247-268.
Johanson, J. & Vahlne, J-E. (1977), ‘The internationalization process of the
firm. A model of kennis development and increasing market commitments’, Journal of International Business Studies, 8: 23-32.
Knight, G.A. & Cavusgil, S.T. (1996), ‘The Born Global Firm: A Challenge
to Traditional Internationalisation Theory’, Advances in International
Marketing, 8: 11-26.
113
−− Levitt, T. (1983), ‘The Globalization of Markets’, Harvard Business Review,
mei-juni: 92-102.
−− Lu, J.W. & Beamish, P.W. (2006), ‘SME internationalization and performance: growth vs. profitability’, Journal of International Entrepreneurship,
4: 27-48.
−− Madsen, T.K., Rasmussen, E. & Servais, P. (1999). Differences and Similarities
between Born Globals and other Types of Exporters. Working Paper in Marketing, Series Editor Per Østergaard, 22, University of Southern Denmark
−− McKinsey & Co. (1993), ‘Born Global. Journal article by Michael W.
Rennie’, The McKinsey Quarterly, 4.
−− OECD (1998), SMEs and Electronic Commerce, Parijs: OECD.
−− Oviatt, B.M., McDougall, P.P. & Shane, S. (1994), ‘Explaining the formation
of international new ventures: The limits of theories from international
business research’, Journal of Business Venturing, 9: 469-487.
−− Penrose, E. (1959), The theory of the growth of the firm, New York: Wiley.
−− Preece, S.B., Miles, G. & Baetz, M.C. (1998), ‘Explaining the international
intensity and global diversity of early-stage technology-based firms’,
Journal of Business Venturing, 14: 259-281.
−− Ruzzier, M. & Hisrich, R.D. (2006), ‘SME internationalization research:
past, present and future’, Journal of Small Business and Enterprise Development,
13, (4): 476-497.
−− Servais, P. & Madsen, T.K. (1997), ‘The Internationalization of Born Globals: an Evolutionary Process?’, International Business Review, 6, (6): 561-583.
−− Stopford, J.M. & Wells, L.T. jr. (1972), Managing the Multinational Enterprise, New York: Basic Books.
−− Van Hootegem, G. (2003), Jobcreatie en -destructie in Vlaamse organisaties,
Steunpunt Ondernemerschap, Ondernemingen en Innovatie.
−− Zahra, S.A., Ireland, R.D. & Hit, M.A. (2000), ‘International Expansion
by New Venture Firms: International Diversity, Mode of market Entry,
Technological Learning, and Performance’, Academy of Management
Journal, 43, (5): 925-950.
−− Zahra, S.A., Matherne, B.P. & Carleton, J.M. (2003), ‘Technological
Resource Leveraging and the Internationalisation of New Ventures’,
Journal of International Entrepreneurship, 1: 163-186
114
Deel III:
Buitenlandse ondernemingen
in Vlaanderen
5.De effecten van de aanwezigheid van buitenlandse multinationale ondernemingen op de
productiviteit van Vlaamse ondernemingen
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Vincent Van Roy, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
Multinationale ondernemingen ontlenen hun competitief voordeel in het
buitenland vaak aan technologieën en management- en organisatiepraktijken die zij transfereren naar hun filialen in het buitenland. Filialen van
buitenlandse multinationale ondernemingen hebben hierdoor over het
algemeen een hogere productiviteit dan lokale ondernemingen (Girma et
al. 2001; De Backer & Sleuwaegen 2005). Hoewel de multinationale ondernemingen zullen trachten hun technologie en kennis af te schermen van
concurrenten (Veugelers & Cassiman 2004) kunnen de filialen een belangrijke bron van kennis en technologie zijn voor lokale ondernemingen: in
de literatuur noemt men dit spillovers. Een aantal mechanismen wordt
onderscheiden waardoor kennis- en technologie-spillovers kunnen optreden (Blomström & Kokko 1998; Görg & Greenaway 2004). Lokale ondernemingen kunnen de superieure productiemethoden en technologieën van
buitenlandse filialen observeren en vervolgens zelf toepassen (demonstratie-effect). Het aanwerven van hoger geschoold personeel uit multinationale ondernemingen kan zorgen voor transfers van kennis en technologie
115
naar lokale ondernemingen (mobiliteitseffect) (Fosfuri et al. 2001). Ook
kan de aanwezigheid van buitenlandse filialen leiden tot een hogere intensiteit van de concurrentie in de sector, waardoor lokale ondernemingen worden aangemoedigd efficiënter te opereren (competitie-effect) (Glass & Saggi
2002). Naast deze effecten binnen de sector, ook wel horizontale spillovers
genoemd, kunnen lokale ondernemingen ook profiteren van de aanwezigheid van filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen in
aanverwante sectoren, als deze filialen leverancier of klant zijn van de
lokale onderneming (verticale spillovers). Lokale ondernemingen die multinationale ondernemingen als klant hebben dienen aan hogere kwaliteitseisen te voldoen en leren van hun relaties met de multinationale onderneming (Javorcik 2004; Belderbos et al. 2001). Lokale ondernemingen die
filialen van multinationale ondernemingen als leverancier hebben kunnen
hun efficiëntie en productiekwaliteit verhogen door gebruik te maken van
de betere en meer technologie-intensieve kapitaalgoederen en intermediaire goederen die de filialen produceren.
Hoewel het belang van kennis-spillovers door multinationale ondernemingen in verschillende geïndustrialiseerde landen is aangetoond (Görg &
Greenaway 2004; Görg & Strobl 2001; Girma et al. 2001; Doms & Jensen,
1998; Pessoa 2007), is er verrassend weinig studie over gedaan voor
Vlaanderen. 11 In dit hoofdstuk analyseren we in welke mate de totale factorproductiviteit (de productiviteit van arbeid en kapitaal) van Vlaamse
ondernemingen positief beïnvloed wordt door de aanwezigheid van filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen. We kijken daarbij
zowel naar de horizontale spillovers (binnen de sector) als spillovers naar verticaal gerelateerde sectoren (leveranciers- en klant-spillovers). Tegelijkertijd
houden we rekening met de internationalisering van Vlaamse ondernemingen zelf. Indien Vlaamse ondernemingen actief zijn op import- en
exportmarkten, zijn ze minder afhankelijk van de Vlaamse economie, en
11
116
Een gedeeltelijke uitzondering is Belderbos et al. 2008, waarin, voor een kleine
steekproef van startende Vlaamse ondernemingen, een sterkere productiviteitsgroei
werd gevonden in sectoren waar multinationale ondernemingen sterk O&O actief waren
of zoals blijkt uit CIS-enquêtes technologie transfereerden naar Vlaanderen.
zouden ze in plaats daarvan op internationale markten van kennis-spillovers kunnen genieten (Bernard & Jensen 2004; Muuls & Pisu 2008). We
onderzoeken of lokale spillovers door investeringen van buitenlandse multinationale ondernemingen en internationalisering via import en export
alternatieve wegen zijn om de productiviteit te verhogen. Onze analyse
heeft betrekking op een steekproef van 4594 lokale Vlaamse ondernemingen over de periode 2000-2007.
Het verdere verloop van het hoofdstuk ziet er als volgt uit. De volgende
sectie geeft een kort overzicht van de internationale literatuur waarin de
spillover-effecten van buitenlandse directe investeringen op lokale ondernemingen van het gastland bestudeerd worden. Vervolgens gaan we nader
in op de gehanteerde methodologie die we gebruikt hebben om het productiviteitsniveau van Vlaamse ondernemingen te meten en indicatoren
van mogelijke spillovers op te stellen. In de daaropvolgende sectie bespreken we de resultaten van de spillover-analyse. Ten slotte eindigen we met
conclusies en implicaties van de studie.
2. Literatuuroverzicht
Dankzij grotere schaalvoordelen en de aanwending van technologieën
getransfereerd vanuit het buitenland, scoren buitenlandse filialen gemiddeld gezien beter op het vlak van productiviteit dan lokale ondernemingen in het gastland. Een studie van Girma et al. (2001) geeft aan dat voor
een steekproef van 4000 ondernemingen uit het Verenigd Koninkrijk voor
de periode 1991-1996, de arbeidsproductiviteit van buitenlandse filialen
gemiddeld 10% hoger ligt dan die van de lokale binnenlandse ondernemingen, terwijl het percentageverschil voor de totale factorproductiviteit
5% bedraagt. Een gelijkaardig patroon werd gevonden in een onderzoek van
Doms & Jensen (1998) over Amerikaanse ondernemingen. Ook in België,
waar multinationale ondernemingen in 2002 verantwoordelijk waren voor
56% van de toegevoegde waarde, ligt de arbeidsproductiviteit van dochterondernemingen van multinationale ondernemingen veel hoger dan die van
lokale ondernemingen (De Backer & Sleuwaegen 2005).
117
De hogere productiviteit van buitenlandse multinationale ondernemingen
leidt in geïndustrialiseerde landen vaak tot positieve spillovers naar lokale
ondernemingen. De eerste studies met deze bevinding analyseerden horizontale spillovers en maakten gebruik van geaggregeerde data op industrieniveau (Caves 1974; Globerman 1975). Latere studies konden gebruik maken
van data op ondernemingsniveau. Dimelis & Louri (2002) en Driffield
(2001) vinden positieve horizontale spillover-effecten in respectievelijk
Griekenland en het Verenigd Koninkrijk. Deze studies zijn echter gebaseerd op observaties gedurende slechts één jaar, waardoor het dynamisch
aspect van spillover-effecten en het effect van bedrijfsspecifieke factoren
niet geanalyseerd kon worden (Görg & Strobl 2001). Toen longitudinale
data beschikbaar werden, kon hiervoor gecontroleerd worden. Gebruikmakende van tijdreeksen bevestigen Keller & Yeaple (2003) en Haskel et al.
(2002) een positieve impact van spillovers op de productiviteit van respectievelijk ondernemingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
Zo zou 14% van de productiviteitsgroei voor een steekproef van meer dan
duizend Amerikaanse ondernemingen in de periode 1987-1996, toe te
schrijven zijn aan spillover-effecten, terwijl dit voor ondernemingen in het
Verenigd Koninkrijk bijna de helft was. Toch zijn er ook studies die geen of
zelfs een negatieve impact van horizontale spillovers aantonen (Girma et al.
2001; Castellani & Zanfei 2002). Een mogelijk oorzaak hiervoor is dat de toetreding en concurrentie van multinationale ondernemingen marktaandeel
afneemt van lokale ondernemingen waardoor de laatste niet op efficiënte
schaal kunnen produceren.
Naast intra-industrie spillover-effecten is er in recente literatuur ook meer
aandacht besteed aan onderzoek naar de impact van verticale, inter­
industrie spillovers. De meeste van deze studies zijn wel gebaseerd op de
ervaring in ontwikkelingslanden of groeilanden zoals Indonesië (Blalock
2001), Litouwen (Javorcik 2004) en Colombia (Kugler 2006). De belangrijkste conclusie uit deze studies is dat er positieve productiviteitseffecten
optreden wanneer de lokale ondernemingen multinationale ondernemingen als klant hebben.
118
3. Factorproductiviteit van Vlaamse ondernemingen
(2000-2007)
De factorproductiviteit, ook wel ‘totale factorproductiviteit’ (TFP) genoemd,
is het gedeelte van de productie (outputfactor) dat niet verklaard wordt
door de aangewende hoeveelheden arbeid en kapitaal (inputfactoren), en
geeft bijgevolg de mate van efficiëntie en waardecreatie weer van een onderneming. We berekenen de factorproductiviteit door gebruik te maken van
de Industrial and Service Firms in Flanders (ISF)-databank. Deze dataset
bevat financiële gegevens voor alle actieve ondernemingen met minstens
één werknemer waarvan de hoofdzetel gelegen is in het Vlaams of Brussels
Gewest. We berekenen de factorproductiviteit voor ondernemingen actief in
de industrie voor de periode waarin er betrouwbare schattingen zijn van de
aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen, 2000-2007.
We beperken de steekproef tot ondernemingen met vijf of meer werknemers, omdat voor kleinere ondernemingen de factorproductiviteit vaak
aan grote schommelingen onderhevig is en moeilijker op betrouwbare
wijze is vast te stellen. We beperken ons tot de analyse van bestaande
ondernemingen in 2000 en laten toetredende ondernemingen in de periode en ondernemingen die onderdeel zijn van buitenlandse multinationals
buiten beschouwing. Ook weerhouden we enkel ondernemingen die voor
alle variabelen gegevens rapporteren. Toepassing van deze criteria levert
een steekproef op van 4.594 Vlaamse ondernemingen. Tabel 5.1 geeft de
verdeling weer van het aantal ondernemingen per sector. De verdeling van
de steekproef van de lokale Vlaamse ondernemingen over de sectoren heen
is vergelijkbaar met die van de populatie aan Vlaamse ondernemingen.
119
Tabel 5.1: Sectorverdeling van de steekproef van Vlaamse ondernemingen
Industrie
Ondernemingen
Aantal
Volledige populatie
%
%
17,1
Voeding / Drank / Tabak
655
14,3
Textiel
542
11,8
9,9
Hout / Papier / Druk
741
16,1
18,3
Chemie / Farmacie
212
4,6
3,7
Rubber / Kunststof
155
3,4
2,7
Glas, keramiek
287
6,2
5,2
Metaal
889
19,4
17,6
7,0
Machines
351
7,6
Elektronica
266
5,8
7,0
89
1,9
2,0
Autoindustrie
Overige industrie
Totaal
407
4594
8,9
100
9,6
100
Bron: ISF op basis van Belfirst, Bureau Van Dijk (2010)
Voor het berekenen van het productiviteitsniveau van ondernemingen
maken we gebruik van de indexnummermethode uiteengezet in Aw et al.
(2001) en oorspronkelijk uitgewerkt door Caves et al. (1982). 12 Een van de
grote voordelen van de indexnummermethode is dat ze rekening houdt
met verschillen in productietechnologieën. In tegenstelling tot andere
methoden wordt hier niet verondersteld dat de gebruikte productietechnologieën gelijk zijn voor alle ondernemingen binnen eenzelfde sector. De
methode rapporteert geen absolute productiviteitsniveaus maar wel hoe
het productiviteitsniveau van een onderneming zich verhoudt t.o.v. het
gemiddelde in een sector in een referentieperiode. 13 Als referentieperiode
wordt het eerste jaar van de analyseperiode genomen (2000). Toepassing
van de indexnummermethode geeft voor elke onderneming en in elk jaar
van de periode 2000-2007 een productiviteitsindex ten opzichte van het
sectorgemiddelde in het referentiejaar 2000.
12
Voor meer informatie over de verschillende methoden om de totale factorproductiviteit
van ondernemingen te berekenen, verwijzen we naar studies van Van Biesebroeck (2007)
en Van Beveren (2007) waarin de voor- en nadelen van de methoden tegen elkaar
worden afgewogen.
13
Bij de berekening van het sectorgemiddelde worden ook de filialen van buitenlandse
multinationale ondernemingen meegenomen.
120
Gezien de tijdsdimensie van de dataset werden deflatoren gebruikt om de
waarden van de financiële indicatoren te verdisconteren naar eenzelfde
basisjaar (2000). De productieprijsindex op twee digit NACE-niveau,
afkomstig van Eurostat (2007) werd gebruikt om de toegevoegde waarde
te deflateren. De afzetprijzenindex voor investeringsgoederen afkomstig
van Belgostat (2007), laat toe om de investeringen in materiële vaste activa
te verdisconteren.
De gemiddelde waarden van de productiviteitsindices voor Vlaamse ondernemingen per sector worden weergegeven in tabel 5.2. De negatieve cijfers
in de tweede kolom van de tabel geven aan dat in de meeste sectoren de
Vlaamse ondernemingen in 2000 gemiddeld gezien slechter presteren
dan het sectorgemiddelde van datzelfde jaar. Dit komt omdat de filialen
van buitenlandse multinationale ondernemingen een hoger productiviteitsniveau hebben en het gemiddelde van de sectoren omhoog stuwen.
Alle sectoren kennen een monotone stijging van de productiviteitsindex
over de jaren heen. Dit geeft aan dat de gemiddelde productiviteit van
Vlaamse ondernemingen ieder jaar toeneemt ten opzichte van het sec­torgemiddelde in 2000. De sterkste stijgingen vonden plaats in de chemische en
elektronicasector.
Tabel 5.2: Gemiddelde index van de factorproductiviteit van Vlaamse ondernemingen
per sector, 2000-2007
Industrie
2000
2001
2002
2003
2004
2005
2006
Voeding
-0,06
0,11
0,27
0,45
0,65
0,85
1,06
2007
1,26
Textiel
-0,05
0,06
0,20
0,36
0,46
0,57
0,68
0,82
Papier
-0,05
0,08
0,23
0,37
0,52
0,65
0,80
0,96
Chemie
-0,12
0,05
0,27
0,56
0,92
1,13
1,47
1,80
Rubber
-0,08
0,09
0,22
0,41
0,54
0,62
0,69
0,75
Glas, keramiek
-0,06
0,01
0,07
0,11
0,20
0,35
0,44
0,54
Metaal
-0,06
-0,02
0,02
0,07
0,13
0,18
0,22
0,27
Machines
-0,08
0,03
0,15
0,29
0,44
0,58
0,73
0,86
Elektronica
-0,08
0,07
0,25
0,43
0,64
0,84
1,06
1,37
Automobiel
0,04
0,15
0,17
0,28
0,40
0,55
0,82
1,05
-0,07
0,04
0,14
0,22
0,30
0,31
0,40
0,49
Overige
Bron: Berekeningen van de auteurs op basis van ISF en Bureau Van Dijk (2010)
121
4. Factoren die de factorproductiviteit kunnen verklaren
In deze sectie bespreken we de factoren die we opnemen als verklarende
variabelen voor de factorproductiviteit.
4.1. Spillover-effecten
De indicator van potentiële horizontale spillovers binnen een sector wordt
gemeten door de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen, gedefinieerd als het aandeel van de omzet van de sector dat voor rekening is
van buitenlandse ondernemingen. We beschouwen een onderneming als
een buitenlands filiaal wanneer op zijn minst 10% van de aandelen in
handen is van een onderneming met hoofdzetel in het buitenland. We
analyseren de invloed van spillovers door de aanwezigheid van buitenlandse multinationale ondernemingen in het jaar voorafgaand aan de
productiviteitsmeting, daar de spillover-effecten enige tijd nemen om zich
te vertalen in productiviteitswinsten.
De horizontale spillovers HS in sector j worden bijgevolg als volgt gemeten:
HSj = ∑ Yi, j, MNO / ∑ Yi,j
waarbij Yi,j de omzet van onderneming i in sector j weergeeft, en suffix MNO
staat voor de filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen.
Bij het berekenen van verticale spillovers maken we een onderscheid tussen
klant- en leverancier-spillovers. Deze worden eveneens berekend op sectorniveau. Voor de berekening maken we gebruik van informatie uit de regionale input-outputtabel voor het Vlaams Gewest op twee digit NACEniveau voor het jaar 2000 (Federaal Planbureau 2009). In deze tabellen
worden de input- en outputstromen van intermediaire goederen per sector weergegeven. Langs de outputzijde geeft de tabel telkens per sector
weer hoeveel intermediaire goederen er aan andere sectoren geleverd worden, naast de leveringen van finale goederen en de uitvoer. Aan de inputzijde wordt aangegeven hoeveel intermediaire inputs in een sector worden
aangewend die afkomstig zijn van andere sectoren, naast de waarde van
de invoer van intermediaire goederen.
122
De mate waarin binnenlandse ondernemingen in een bepaalde sector
kunnen genieten van spillovers door het leveren aan buitenlandse ondernemingen als klant (klant-spillovers) is afhankelijk van 1) de aanwezigheid van
buitenlandse ondernemingen in de sectoren waaraan geleverd wordt en 2)
de proportie intermediaire goederen dat aan die sectoren geleverd wordt.
Bijgevolg wordt de klant-spillover maatstaf als volgt gedefinieerd:
KSj = ∑ αjkHSk
De parameter αjk geeft het aandeel weer van de output van sector j die aan
sector k geleverd wordt. De klant-spillover maatstaf voor sector j wordt dus
gemeten als de som van de producten van de horizontale spillover-maatstaf
van de sector k en de proportie van intermediaire goederen in de totale
output van sector j die aan de sector k geleverd wordt. Intermediaire goederenstromen die binnen dezelfde sector blijven, worden niet opgenomen
in de berekeningen. Dit zou dubbeltellingen met zich meebrengen omdat
deze al gedeeltelijk zijn opgenomen in de horizontale spillover-maatstaf.
Een getallenvoorbeeld kan het principe van klant-spillovers enigszins verduidelijken. Stel dat de metaalindustrie een output heeft van 100 miljoen
euro waarvan respectievelijk 50 en 30% verkocht wordt als intermediaire
goederen aan de auto- en transportindustrie. De overige 20% wordt verkocht als finale goederen of geëxporteerd. Indien respectievelijk 70 en 40%
van de omzet in handen is van buitenlandse ondernemingen in de autoen transportindustrie, dan wordt de klant-spillover maatstaf voor de
metaalindustrie berekend als: 0,5*0,7+0,3*0,4=0,47.
Een gelijkaardig principe geldt voor de leveranciers-spillover maatstaf, die
meet in welke mate Vlaamse ondernemingen voordeel kunnen halen uit
hun relaties met buitenlandse ondernemingen als leveranciers van intermediaire goederen. Hierbij ziet de formule er als volgt uit:
LSj =∑ βjkHSk
k
De parameter βjk geeft het aandeel van de intermediaire goederen afkomstig uit sector k in de output van sector j. De definitie is dezelfde als voor
klant-spillovers, behalve dat hier de proportie van intermediaire goederen
in de omzet van Vlaamse ondernemingen wordt opgenomen.
123
Tabel 5.3 geeft de waarden van de berekende spillover-indicatoren weer per
sector, gemiddeld voor de periode 2000-2007. De indicator voor horizontale spillovers is het hoogst voor sectoren waar buitenlandse ondernemingen
dominant zijn in Vlaanderen: de chemie en de automobielindustrie,
gevolgd door de elektronicasector, de metaal-, de machine- en de rubberindustrie. Klant-spillovers zijn laag voor de voedingsindustrie en de automobielindustrie (sectoren met veel export en verkoop aan consumenten)
en het hoogst in de rubber en minerale productensector (glas). Leverancier-spillovers zijn ook het hoogst in de rubberindustrie, die gebruik maakt
van basischemicaliën uit de chemische industrie, gevolgd door de
machine-industrie en de automobiel- en overige industrie.
Tabel 5.3: Horizontale, klant- en leverancier-spillovers per sector
(gemiddelden 2000-2007)
Industrie
Horizontale spillovers
Klant-spillovers
Leverancier-spillovers
Voeding
0,51
0,03
Textiel
0,29
0,14
0,09
0,18
Papier
0,35
0,16
0,14
Chemie
0,92
0,14
0,08
Rubber
0,63
0,44
0,40
0,17
Glas, keramiek
0,52
0,35
Metaal
0,68
0,30
0,13
Machines
0,65
0,13
0,34
Elektronica
0,75
0,28
0,15
Automobiel
0,88
0,09
0,23
Overige
0,24
0,25
0,28
Bron: Berekeningen van de auteurs; Federaal Planbureau (2009); ISF en Bureau Van Dijk (2010)
4.2. Andere factoren
Naast de spillover-effecten van buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen,
onderzoeken we ook in welke mate export- en importactiviteiten van
Vlaamse ondernemingen een invloed hebben op productiviteitsniveaus.
Aan de ene kant zullen ondernemingen met internationale handel kunnen leren van hun relaties met buitenlandse leveranciers en klanten, en zo
productiviteitsvoordelen behalen. Aan de andere kant zijn deze ondernemingen in vergelijking met andere ondernemingen in de sector minder
124
afhankelijk van leveranciers en klanten in Vlaanderen en zullen ze minder
voordeel kunnen hebben van lokale spillovers. We onderzoeken dit door de
opname van variabelen die aangeven of de onderneming in de periode
voorafgaand aan de productiviteitsmeting exporteerde en/of importeerde.
Om na te gaan of deze internationaal opererende ondernemingen minder
voordelen hebben van potentiële spillovers in Vlaanderen, nemen we het
interactie-effect op van de spillover-variabelen en de import- en exportvariabelen. We onderzoeken met name of exporterende ondernemingen
minder voordelen hebben van lokale klant-spillovers en of importerende
ondernemingen minder baat hebben bij lokale leverancier-spillovers.
Naast de spillover- en internationaliseringseffecten controleren we in de analyse ook omgevingsfactoren en bedrijfskarakteristieken die de productiviteit
kunnen beïnvloeden. Ten eerste controleren we voor in de tijd vrij constante
karakteristieken van ondernemingen die tot productiviteitsverschillen leiden (zoals managementvaardigheden) door een paneldatamethode toe te
passen waarbij op vaste bedrijfseffecten gecontroleerd wordt. Hierdoor kunnen de effecten van spillovers en internationalisering worden gezien als de
effecten van veranderingen in spillovers en export- en importstrategieën op de
productiviteit van de ondernemingen. Daarnaast controleren we de omvang
van de ondernemingen (het aantal werknemers in het jaar voor de productiviteitsmeting), daar grotere ondernemingen zouden kunnen gebruikmaken
van schaalvoordelen om zo de productiviteit te verhogen. We nemen ook de
leeftijd van de onderneming mee op als verklarende variabele, omdat dit
kan samengaan met beter uitgewerkte en beproefde werkmethoden. Als
laatste houden we ook rekening met de mogelijke effecten van macro-economische ontwikkelingen, zoals hoog- en laagconjunctuur, door de opname
in het model van 6 tijdsdummies voor de jaren 2001-2007. Tabel 5.4 geeft de
gemiddelden en standaardafwijkingen weer van de factorproductiviteit
(opgesplitst volgens het internationaliseringsprofiel van ondernemingen)
en de verklarende variabelen in het model. Meer dan de helft van de ondernemingen in de steekproef exporteert en/of importeert. De gemiddelde factorproductiviteit van ondernemingen met een internationaal profiel ligt
beduidend hoger dan voor ondernemingen zonder import- of exportactiviteiten. De gemiddelde onderneming is 21 jaar oud en telt 21 werknemers.
125
Tabel 5.4: Karakteristieken van Vlaamse ondernemingen
Totale factor productiviteit
Gemiddelde
Standaarddeviatie
0,35
0,56
Ondernemingen met export- of importactiviteiten
0.40
0,52
Ondernemingen zonder import- of exportactiviteiten
0.23
0,56
Horizontale spillovers
0,52
0,20
Klant-spillovers
0,20
0,11
Leverancier-spillovers
0,17
0,08
Onderneming exporteert
0,55
0,50
Onderneming importeert
0,59
0,49
Leeftijd onderneming (in jaren)
19  
1,97
Aantal werknemers
21
2,67
Bron: Berekeningen van de auteurs
5. De effecten van horizontale en verticale spillovers op het productiviteitsniveau van Vlaamse ondernemingen
De resultaten van de analyse waarin het productiviteitsniveau gerelateerd
wordt aan de drie types spillovers worden weergegeven in tabel 5.5. In een
eerste model worden alle 4594 Vlaamse ondernemingen uit de steekproef
opgenomen, en wordt de relatie tussen internationalisering en spillovers
onderzocht door middel van interactie-effecten. In het tweede model is de
analyse beperkt tot Vlaamse ondernemingen zonder import- of exportactiviteiten (1772 ondernemingen). Voor deze laatste groep verwachten we
sterkere horizontale en verticale spillover-effecten omdat zij alleen gebruikmaken van lokale leveranciers en leveren aan lokale klanten, en dus het
sterkst verankerd zijn in de Vlaamse economie.
De modellen hebben een goede verklaringskracht met een R-kwadraat
van ongeveer 60%. In het model met alle ondernemingen hebben horizontale en klant-spillovers een significant positief effect op de productiviteit,
terwijl leverancier-spillovers geen significant effect hebben. In grote lijnen
lijkt dit overeen te stemmen met de internationale literatuur, waar ook
vooral positieve effecten werden gevonden voor intra-industrie (horizontale) spillovers en klant-spillovers (Javorcik 2004; Kugler 2006; Blalock 2001).
Ondernemingen die exporteren of importeren hebben ook een significant
126
hoger productiviteitsniveau, wat de leervoordelen van internationalisering
bevestigt. Deze ondernemingen hebben echter ook significant minder
voordeel van lokale spillovers, zoals blijkt uit de negatieve interactie-effecten
van export met klant-spillovers en import met leverancier-spillovers. Een
vergelijking van de coëfficiënt van klant-spillovers en het interactie-effect
hiervan met export laat zien dat er nog steeds positieve spillovers zijn voor
exporterende ondernemingen. Dit is echter niet het geval voor leverancierspillovers, waar het effect per saldo negatief is.
Een grafische voorstelling van de productiviteitseffecten van internatio­
nalisering en lokale spillovers kan enige verduidelijking brengen. In figuur
5.1 wordt de geschatte verandering in de productiviteit 14 weergegeven ten
gevolge van een verschil van één standaardafwijking in lokale spillovers.
Hierbij wordt telkens gekeken of de effecten van klant- en leverancierspillovers op de productiviteitsniveaus verschillen tussen ondernemingen
die al dan niet internationaal actief zijn. De rechterfiguur laat zien dat
exporterende ondernemingen een hoger productiviteitsniveau hebben in
vergelijking met ondernemingen zonder exportactiviteiten, maar dat dit
voordeel teniet wordt gedaan in sectoren met veel klant-spillovers. De grafiek illustreert dat exporteren naar buitenlandse markten en klantrelaties
met buitenlandse multinationale ondernemingen in Vlaanderen alternatieve wegen kunnen zijn om klant-spillovers te werven en productiviteitsvoordelen te behalen.
In de linkergrafiek worden de effecten van lokale leverancier-spillover en de
effecten van importactiviteiten met elkaar vergeleken. De grafiek illustreert
dat er geen significant effect is van leverancier-spillovers voor ondernemingen zonder importactiviteiten. Het hogere productiviteitsniveau van importerende ondernemingen wordt teniet gedaan door een negatief effect van
leverancier-spillovers. Een mogelijke verklaring voor deze dalende tendens
zou kunnen zijn dat de meest importintensieve ondernemingen geconcentreerd zijn in de sectoren met relatief veel leverancier-spillovers. In de analyse
14
Voor het berekenen van de geschatte productiviteit houden we enkel rekening met de
indicatoren die een significant effect hebben op de productiviteit.
127
kunnen we echter bij gebrek aan gegevens de omvang van import- en
exportactiviteiten van de ondernemingen niet in rekening brengen.
Figuur 5.1: Productiviteitseffecten van internationalisering en lokale spillovers
Bron: Berekeningen van de auteurs
De resultaten voor de andere factoren laten zien dat ondernemingen met
meer werknemers en oudere ondernemingen gekenmerkt worden door
een hogere totale factorproductiviteit. Dit bevestigt resultaten uit eerder
onderzoek (Castany et al. 2007). De jaareffecten laten een algemeen stijgende trend in de productiviteit zien.
De bevindingen van dit eerste model zouden tot de conclusie kunnen leiden
dat leverancier-spillovers door buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen
niet van belang zijn voor het productiviteitsniveau van Vlaamse ondernemingen. Zoals hierboven aangegeven zijn het voornamelijk de bedrijven
die internationaal actief zijn die minder voordeel hebben bij lokale spillovers. De analyse kon echter niet de mate van import en export op bedrijfsniveau controleren. In het tweede model lossen we dit op door enkel
ondernemingen in beschouwing te nemen die niet op import- en exportmarkten actief zijn.
128
Tabel 5.5: Determinanten van de factorproductiviteit van Vlaamse ondernemingen
2000-2007
Alle Vlaamse ondernemingen
Horizontale spillovers
Klant-spillovers
Vlaamse ondernemingen zonder import of export
1,084
1,578
    [0,034]***
    [0,064]***
1,746
    [0,111]***
Leverancier-spillovers
Export
1,6
    [0,170]***
-0,184
2,734
[0,266]
    [0,561]***
0,082
    [0,015]***
Import
0,083
    [0,020]***
export* klant-spillovers
-0,283
    [0,065]***
import* leverancier-spillovers
-0,416
    [0,102]***
ln leeftijd onderneming
ln aantal werknemers
Jaar 2001
0,041
0,055
    [0,014]***
    [0,023]**
0,024
-0,007
    [0,008]***
[0,013]
0,105
    [0,006]***
Jaar 2002
Jaar 2003
Jaar 2004
Jaar 2005
0,228
0,228
    [0,006]***
    [0,010]***
0,355
0,354
    [0,007]***
    [0,011]***
0,545
0,584
    [0,009]***
    [0,016]***
0,656
    [0.009]***
Jaar 2006
Jaar 2007
Constante
Aantal observaties
Aantal groepen
R-kwadraat
F-test
0,1
    [0,009]***
0,7
    [0,017]***
0,774
0,824
    [0,010]***
    [0,020]***
0,909
0,955
    [0,010]***
    [0,020]***
-1,178
-1,928
    [0,073]***
    [0,129]***
30343
9887
4594
1772
0,61
0,59
2473,49***
958,25***
Resultaten van ‘Fixed effects’ panel data analyse
Significanties worden met sterren aangegeven: 10% (*), 5% (**) en 1% (***)
Bron: Berekeningen van de auteurs
129
De resultaten van dit model bevestigen het belang van horizontale en
klant-spillovers, maar laten bovendien een zeer significant positief effect
zien van leverancier-spillovers. De impact van de overige parameters blijft
nagenoeg dezelfde als in het voorgaande model terwijl het aantal werknemers geen rol meer speelt in de verklaring van de totale factorproductiviteit. Als we de resultaten van beide modellen beschouwen, kunnen we
concluderen dat import van buitenlandse leveranciers en aankoop van
intermediaire goederen van multinationale ondernemingen in Vlaanderen
alternatieve wegen zijn om met kwalitatieve inputs de productiviteit te
verhogen.
6. Conclusies
In dit hoofdstuk analyseren we in welke mate het productiviteitsniveau
van lokale ondernemingen met hoofdzetel in het Vlaams of Brussels
Gewest positief beïnvloed wordt door kennis- en technologie-spillovers
die samenhangen met de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen
in de regio. Hiervoor maken we gebruik van een steekproef van 4.594
Vlaamse ondernemingen voor de periode 2000-2007. We maken hierbij
een onderscheid tussen spillovers binnen de sector (horizontale of intraindustrie spillovers) en spillovers die kunnen ontstaan door klant- en leveranciersrelaties met multinationale ondernemingen in verticaal gerelateerde sectoren (verticale of inter-industrie spillovers). Ondernemingen met
een internationaal profiel zullen echter minder voordelen halen uit relaties
met leveranciers en klanten in Vlaanderen omdat zij intermediaire goederen in het buitenland aankopen (import) of voornamelijk aan klanten in
het buitenland leveren (export). Deze import- en exportactiviteiten kunnen daarentegen op zichzelf door de hogere kwaliteit van de intermediaire
goederen en de leereffecten op internationale markten tot productiviteitswinsten leiden.
De resultaten van de analyse wijzen uit dat de aanwezigheid van buitenlandse multinationale ondernemingen positieve spillover-effecten op de
productiviteit van Vlaamse ondernemingen genereert. In sectoren waar
130
buitenlandse multinationale ondernemingen sterker vertegenwoordigd
zijn, neemt het productiviteitsniveau van Vlaamse ondernemingen toe.
Dit is ook het geval voor ondernemingen die veel intermediaire goederen
leveren aan sectoren waarin multinationale ondernemingen sterk vertegenwoordigd zijn (klant-spillovers). We vinden geen effect van het betrekken van
intermediaire goederen uit sectoren met een sterke vertegenwoordiging
van buitenlandse ondernemingen. De resultaten komen overeen met
bevindingen voor andere landen zoals gerapporteerd in de internationale
literatuur.
Daarnaast bevestigt de analyse dat internationalisatie door export of
import tot hogere productiviteitsniveaus leidt. Echter, ondernemingen
met een internationaal profiel hebben ook significant minder voordeel
van lokale spillovers. Wanneer we de analyse beperken tot ondernemingen
die geen export- en importactiviteiten ontplooien dan vinden we sterke
positieve effecten voor alle drie types spillovers, inclusief de leverancierspillovers. We kunnen stellen dat internationalisering en lokale spillovers
door klant- en leveranciersrelaties met multinationale ondernemingen
tot op zekere hoogte alternatieve wegen zijn om productiviteitsvoordelen te behalen.
Deze resultaten bevestigen het belang van internationalisering, zowel via
internationale handel door Vlaamse ondernemingen, als via investeringen
in Vlaanderen door buitenlandse multinationale ondernemingen, voor
productiviteits- en welvaartsgroei. Nieuw is het inzicht dat de verschillende vormen van internationalisering elkaar niet versterken, maar juist
elkaar kunnen substitueren. De resultaten wijzen op het belang van een
beleid gericht op de internationalisering van Vlaamse ondernemingen
door de ontwikkeling van exportmarkten, maar ook door het faciliteren
van hoogwaardige import. Daarnaast bevestigen de resultaten het belang
van het ontwikkelen en intensiveren van klant- en leveranciersrelaties tussen lokale Vlaamse ondernemingen en buitenlandse ondernemingen in
Vlaanderen en daarmee de verankering van buitenlandse ondernemingen
in de Vlaamse economie. Het verdient daarnaast aanbeveling om in het
beleid een differentiatie aan te brengen naar gelang het internationale profiel van de ondernemingen.
131
In verder onderzoek kan er specifieker gekeken worden naar het nauwkeuriger definiëren van de spillover-maatstaven door rekening te houden
met het productiviteitsverschil tussen Vlaamse en multinationale ondernemingen. Een ander aandachtspunt is de heterogeniteit tussen Vlaamse
ondernemingen in de capaciteit om van kennis- en technologie-spillovers
gebruik te maken. Dit zou kunnen samenhangen met de aanwezigheid
van geschoold personeel, of eigen O&O-activiteiten. Tot slot zou toekomstig
onderzoek gebruik moeten kunnen maken van meer gedetailleerde gegevens over de import- en exportintensiteit van ondernemingen om de productiviteitseffecten van internationalisering en de verschillen in de lokale
spillover-effecten beter in kaart te brengen.
7. Referenties
−− Aw, B.Y., Chen, X. & Roberts, M.J. (2001), ‘Firm-level evidence on productivity differentials and turnover in Taiwanese manufacturing’, Journal of Development Economics, 66: 51-86.
−− Aw, B.Y., Roberts, M.J. & Winston, T. (2005), The Complementary Role of
Exports and R&D Investments as Sources of Productivity Growth. NBER Working Paper, nr. W11774.
−− Belderbos, R., Van Roy, V. & Duvivier, F. (2008.), ‘Buitenlandse multinationale ondernemingen en kennistransfers: samenwerking en productiviteitsgroei in Vlaamse starters (Foreign multinationals and knowledge transfers: collaboration and productivity growth in Flemisch
start-ups)’, in: L. Sels et al., Ondernemend Vlaanderen: Startende ondernemingen
onder de loep, Roeselare: Roularta, 265-281.
−− Belderbos, R., Capannelli, G. & Fukao, K. (2001), ‘Backward Vertical
Linkages of Foreign Manufacturing Affiliates: Evidence from Japanese
Multinationals’, World Development, 29, (1): 189-208.
−− Belgostat, Afzetprijsindex voor Investeringsgoederen, Nationale Bank van
België, 2007.
−− Bernard, A.B., & Jensen, J.B. (2004), ‘Exporting and Productivity in the
USA’, Oxford Review of Economic Policy, 20, (3): 343-357.
132
−− Blalock, G. (2001), Technology from foreign direct investment: strategic transfer
through supply chains, UC Berkeley: Mimeo.
−− Blomström, M. & Kokko, A. (1998), ‘Multinational Corporations and
Spillovers’, Journal of Economic Surveys, 12, (3): 247-277.
−− Castany, L., López-Bazo, E. & Moreno, R. (2007), Decomposing differences
in total factor productivity across firm size. Working Papers 5, Universiteit
van Barcelona, Spanje.
−− Castellani, D. & Zanfei, A. (2002), Technology Gaps, Absorptive Capacity
and the Impact of Inward Investments on Productivity of European Firms. Working Paper, Universiteit van Urbino, Italië.
−− Caves, D.W., Christensen, L.R. & Diewert, W.E. (1982), ‘Multilateral
Comparisons of Output, Input, and Productivity Using Superlative Index Numbers’, The Economic Journal, 92 (365): 73-86.
−− Caves, R.E. (1974), ‘Multinational Firms, Competition and Productivity
in Host-Country Markets’, Economica, 41 (162): 176-93.
−− De Backer, K. & Sleuwaegen, L. (2003), ‘Does Foreign Direct Investment Crowd out Domestic Entrepreneurship?’, Review of Industrial Organization, 22: 84-97.
−− De Backer, K. & Sleuwaegen, L. (2005), ‘The impact of foreign investment on productivity and technology in Belgium’, in: A. Spithoven &
P. Teirlinck (eds.), Beyond borders. Internationalisation of R&D and Policy
implications for small open economies, Amsterdam: Elsevier.
−− Dimelis, S. & Louri, H. (2002), ‘Foreign ownership and production efficiency: a quantile regression analysis’, Oxford Economic Papers, 54, (3):
449-469.
−− Doms, M.E. & Jensen, J. (1998), ‘Comparing Wages, Skills, and Productivity between Domestically and Foreign-Owned Manufacturing Establishments in the United States’, in: E.B. Robert, R.E. Lipsey & J.D.
Richardson (eds.), Geography and Ownership as Bases for Economic Accounting,
Studies in Income and Wealth, Chicago: University of Chicago Press, 59:
235-258.
−− Driffield, N. (2001), The Impact on Domestic Productivity of Inward Investment
into the UK Manchester School, 69, (1): 103-119.
−− Eurostat, Productieprijsindex, 2-digit level, België, 2007.
133
−− Federaal Planbureau, 2009. Regionale input-outputdata opgesteld door
het Federaal Planbureau in het kader van het project ‘Vlaams MilieuIO-model’, in opdracht van de Vlaamse Overheid.
−− Fosfuri, A., Motta, M. & Ronde, T. (2001), ‘Foreign Direct Investment
and Spillovers through Workers’ Mobility’, Journal of International Economics, 53, (1): 205-22.
−− Girma, S., Greenaway, D. & Wakelin, K. (2001), ‘Who benefits from foreign direct investment in the UK?’, Scottish Journal of Political Economy, 48:
19-33.
−− Girma, S., Greenaway, D. & Kneller, R. (2004), ‘Does Exporting Lead to
Better Performance? A Microeconometric Analysis of Matched Firms’,
Review of International Economics, 12, (5): 855–866.
−− Glass, A. & Saggi, K. (1998), ‘International Technology Transfer and the
Technology Gap’, Journal of Development Economics, 55, (2): 369-398.
−− Globerman, S. (1975), ‘Technological diffusion in the Canadian tool and
dye industry’, Review of Economics and Statistics, 57, (4): 428-444.
−− Görg, H. & Greenaway, D. (2004), ‘Much Ado about Nothing: Do Domestic Firms Really Benefit from Foreign Direct Investment’, The World
Bank Researcher Observer, 19, (2): 171-197.
−− Görg, H. & Strobl, E. (2001), ‘Multinational Companies and Productivity Spillovers: A Meta- Analysis’, The Economic Journal, 111: F723-F739.
−− Haskel, J.E., Pereira, S.C. & Slaughter, M.J. (2002), Does Inward Foreign
Direct Investment Boost the Productivity of Domestic Firms? NBER Working
Paper, nr. 8724.
−− Javorcik, B.S. (2004), ‘Does foreign directment increase the productivity
in domestic firms? In search of spillovers through backward linkages’,
The Amrican Economic Review, 94, (3): 605-627.
−− Keller, W. & Yeaple, S.R. (2003), Multinational Enterprises, International
Trade, And Productivity Growth: Firm Level Evidence From The United States.
NBER Working Paper 9504, National Bureau Of Economic Research.
−− Muûls, M. & Pisu, M. (2007), Imports and Exports at the Level of the Firm: Evidence from Belgium. Research series 200705-03. Nationale Bank van België.
−− Kugler, M. (2006), ‘Spillovers from foreign direct investment: within or
between industries?’, Journal of Development Economics, 80: 444-477.
134
−− Pessoa, A. (2007), FDI and Host Country Productivity: a Review. FEP Working Paper, nr. 251.
−− Van Beveren, I. (2007), Total factor productivity estimation: A practical review.
Licos Discussion Paper Series, 182/2007.
−− Van Biesebroeck, J. (2007), ‘Robustness of productivity estimates’, Journal of Industrial Economics, 55, (3): 529-569.
−− Veugelers, R. & Cassiman, B. (2004), ‘Foreign subsidiaries as channel of
international technology diffusion: some direct firm level evidence
from Belgium’, European Economic Review, 48, (2): 455-476.
135
6.De attractiviteit van Vlaanderen
voor O&O-investeringen door buitenlandse
multinationale ondernemingen
Rene Belderbos, Katholieke Universiteit Leuven en Universiteit Maastricht
Vincent Van Roy, Katholieke Universiteit Leuven
Jan Wynen, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
Onderzoek en ontwikkeling (O&O), en innovatie zijn cruciaal voor de economische groei in Vlaanderen, maar de toename in de O&O-intensiteit van
de Vlaamse economie stagneert. De totale intramurale uitgaven voor O&O
als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) in Vlaanderen is
sinds 2004 constant rond de 2% gebleven (Thoen & Rasput 2009). Het aantrekken van O&O-investeringen van buitenlandse multinationale ondernemingen (MNO’s) kan een belangrijke rol spelen in de verdere groei van
O&O-activiteiten en een op innovatie drijvende economie. Dit is voor
Vlaanderen in het bijzonder van belang, gezien de dominante rol die buitenlandse MNO’s al spelen in de Vlaamse O&O-activiteiten (Belderbos,
Duvivier & Van Roy 2008).
In dit hoofdstuk onderzoeken we de aantrekkingskracht van Vlaanderen
voor O&O-investeringen door buitenlandse MNO’s in de periode 20032009, ten opzichte van concurrerende regio’s in Europa. We maken hiervoor gebruik van een recent ontwikkelde databank met informatie rond
een omvangrijk aantal wereldwijde investeringsprojecten door MNO’s (de
Locomonitor / FDI Markets databank van de Financial Times). We beschrijven de evolutie van het aandeel van Vlaanderen in de O&O-projecten die
Europa aantrekt, in vergelijking met andere West-Europese regio’s. Daarnaast analyseren we hoe Vlaanderen zich verhoudt ten opzichte van concurrerende regio’s op het vlak van een aantal belangrijke determinerende
factoren van O&O-locatiebeslissingen: omvang van het bbp per capita, de
loonkosten van ingenieurs en O&O-personeel, en de technologische
136
kracht voor de verschillende sectoren. Vervolgens analyseren we de locatiekeuze van O&O-activiteiten op preciezere wijze door middel van een
econometrische analyse. Hierin relateren we de keuze voor een bepaalde
regio als locatie aan een waaier van indicatoren met betrekking tot de aantrekkingskracht van de regio’s. We gaan na in welke mate dit model de
aantrekkingskracht van Vlaanderen als investeringslocatie kan verklaren.
In een volgende sectie geven we een bondig overzicht weer van de literatuur rond internationalisatie van O&O-activiteiten. In sectie 3 beschrijven
we de karakteristieken van de O&O-projecten door MNO’s en analyseren
we de relatieve aantrekkingskracht van Vlaanderen op een aantal indicatoren. In sectie 4 presenteren we de resultaten van de multivariate analyse en
in 5 vatten we de bevindingen samen.
2. Literatuuroverzicht
In de literatuur rond internationalisatie van O&O worden traditioneel
twee motieven aangehaald voor het opzetten van onderzoekscentra in het
buitenland (Hakanson & Nobel 1993; Kuemmerle 1999; Florida 1997). In
eerste instantie kan het uitvoeren van buitenlandse O&O-activiteiten
voornamelijk gericht zijn op het aanpassen van producten en diensten
aan de noden van buitenlandse afzetmarkten (adaptieve O&O). Buitenlandse onderzoekscentra hebben in deze visie eerder een ondersteunende
rol waarbij de focus voornamelijk ligt in het exploiteren van technologische kennis van het moederbedrijf. Daarnaast kunnen buitenlandse
O&O-activiteiten strategisch gericht zijn om toegang te krijgen tot lokale
technologische kennis (innovatieve O&O).
Een groot aantal studies heeft bestudeerd welke factoren een rol spelen in
de locatiekeuze voor buitenlandse O&O-activiteiten van MNO’s (Zejan
1990; Odagiri & Yasuda 1996; Kumar 2001; Belderbos 2001 & 2003;
Kuemmerle 1999; Belderbos, Leten & Suzuki 2008). Al deze studies vinden dat MNO’s meer geneigd zijn om te investeren in gebieden met een
grote afzetmarkt en grotere koopkracht (gemeten door het bbp per capita).
Daarnaast zijn de locatiekeuzes van MNO’s toegespitst op gebieden waar
137
meer technologische kennis voorhanden is, waarbij technologische kennis meestal gemeten wordt door het aantal patentapplicaties.
Naast technologiefactoren is de beschikbaarheid van technologisch hooggeschoolde werkkrachten aan relatief lage lonen een tweede belangrijke
drijfveer voor buitenlandse investeringen in O&O. Zo vindt een aantal
studies dat een tekort aan ingenieurs en wetenschappers een belangrijke
reden is om O&O-activiteiten op te starten in het buitenland (Frost & Sullivan 2004; Thursby & Thursby 2006), en dat de locatie van O&O-activiteiten mede bepaald wordt door het loonniveau van O&O-personeel (Belderbos, Leten & Suzuki 2008; Kumar 2001).
Een beperkt aantal studies heeft kunnen differentiëren naar locatiedeterminanten tussen adaptieve en innovatieve O&O-activiteiten. De auteurs
van deze studies vinden inderdaad dat de laatste groep eerder reageert op
technologische factoren. Zo vinden Belderbos et al. (2009a) dat de locatiekeuzen van buitenlandse basisonderzoeksactiviteiten van Japanse ondernemingen gedreven worden door technologische opportuniteiten (gemeten als groei in aantal patenten), terwijl activiteiten in ontwikkeling eerder
uit zijn op gebieden met een grote marktgroei. In dezelfde lijn vinden
Shimizutani & Todo (2007) dat de uitgaven van Japanse ondernemingen
voor onderzoeksactiviteiten positief gerelateerd zijn aan de totale factorproductiviteit van investeringslanden, terwijl ontwikkelingsuitgaven
positief gecorreleerd zijn met de grootte van de afzetmarkt.
Op een aantal uitzonderingen na (Cantwell & Piscitello 2005) analyseren
de meeste studies locatiekeuzes voor O&O op landniveau. De omgeving
voor O&O-investeringen kan echter sterk verschillen per regio binnen
een land, en effectieve technologieclusters situeren zich meestal op regionaal en niet op nationaal niveau. In het onderzoek in dit hoofdstuk analyseren we daarom de locatiekeuze op regionaal niveau, waarbij we Vlaanderen vergelijken met concurrerende regio’s in Europa.
138
3. O&O-investeringen door MNO’s in West-Europese regio’s
In deze sectie bespreken we de opbouw van de steekproef en vergelijken we
Vlaanderen met andere West-Europese regio’s op een aantal locatie-indicatoren. Voor onze analyses maken we gebruik van de Locomonitor / FDI
Markets databank (Financial Times) met wereldwijde buitenlandse investeringen voor de periode 2003-2009. Deze databank, die eerder gebruikt werd
door de UNCTAD (2005), registreert FDI- en O&O-projecten door een
breed scala aan ondernemingsbronnen en nieuwsdiensten te consulteren.
Men claimt dat tot 90% van de informatie over de O&O-projecten eveneens
bevestigd is door de investerende ondernemingen zelf. Per buitenlandse
directe investering wordt in de data telkens het land en de stad van herkomst
van de MNO’s weergegeven, evenals het land en de stad waarin geïnvesteerd
wordt. Bovendien wordt ook de sector aangegeven waarin de MNO actief is
en de specifieke bedrijfsactiviteit van de buitenlandse investering.
We beperken onze analyse tot West-Europese landen en bestuderen de
locatie van O&O-projecten op regionaal niveau. Om West-Europa op te
delen in regio’s maken we gebruik van de NUTS-classificaties opgesteld
door Eurostat. Eurostat onderscheidt drie verschillende niveaus van regionale onderverdelingen van Europese landen. We volgen de NUTS-verdeling op het eerste niveau, waarbij een minimum en maximum van 3 en
7 miljoen inwoners gehanteerd wordt om geografische regio’s te onderscheiden. In onze analyse weerhouden we de volgende West-Europese
landen: Oostenrijk, België, Denemarken, Nederland, Zweden, Verenigd
Koninkrijk, Finland, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Luxemburg,
Noorwegen, Portugal en Spanje. Na onderverdeling van deze landen volgens de NUTS1-classificatie verkrijgen we 57 verschillende regio’s.
3.1. O&O-projecten van MNO’s in West-Europa
In tabel 6.1 wordt de verdeling weergegeven van het aantal buitenlandse
investeringen in O&O over de West-Europese regio’s in de periode 20032009. De databank bevat 439 O&O-investeringen van MNO’s in WestEuropa. Hoewel dit zeker niet de volledige populatie aan O&O-investeringen
139
door MNO’s zal zijn, geeft de verdeling over regio’s een goede indicatie van
de aantrekkelijkheid van de verschillende West-Europese regio’s. Met 55
buitenlandse investeringen is Ierland 15 de koploper in het aantrekken
van O&O-activiteiten van MNO’s: Ierland neemt hierbij meer dan 12%
van het totaal aantal investeringen voor zijn rekening. Dit kan verklaard
worden door de succesvolle beleidsmaatregelen die daar midden jaren
negentig getroffen zijn om MNO’s aan te trekken. 16 Voorts blijkt het
Spaanse Catalonië met 34 investeringen eveneens veel O&O-projecten
aan te trekken. Daarnaast zijn ook vooral de noordelijke en zuidelijke
regio’s van het Verenigd Koninkrijk goed vertegenwoordigd in de top tien
van de steekproef: Zuid-Oost-VK (21 projecten), Schotland (18 projecten),
East-Anglia (15 projecten) en Noord-Ierland (15 projecten). In Frankrijk vormen voornamelijk de regio’s rond de hoofdstad (Ile-de-France en de Bassin
Parisien, met respectievelijk 13 en 12 projecten) en het zuidelijk gedeelte
aan de Middellandse Zee (Mediterranée: 16 projecten) de belangrijkste
locaties voor O&O-investeringen. Vlaanderen hoeft niet onder te doen met
14 O&O-projecten in de periode (een aandeel van 3%). Dit staat in contrast
met Wallonië dat maar 4 O&O-projecten aantrok. In Duitsland zijn de
regio’s van Beieren en Nordrhein-Westfalen het best vertegenwoordigd.
Opvallend is het lage aandeel van Nederlandse regio’s in de O&O-projecten.
In tabel 6.2 wordt de verdeling van de steekproef over de verschillende
sectoren weergegeven. Meer dan een vierde van de O&O-investeringen
heeft plaats in de farmaceutische sector. Op de tweede en derde plaats
volgen andere zeer technologie-intensieve sectoren als software & IT en
de biotechnologiesector met een respectievelijk aandeel van 15 en 13%.
Deze drie sectoren zijn bijgevolg verantwoordelijk voor meer dan de helft
van het aantal O&O-projecten. Andere belangrijke sectoren zijn de com-
15
Sommige kleine landen zoals Ierland of Denemarken worden als één regio beschouwd
op NUTS1-niveau. Dit geldt niet voor Zweden, dat ook als land in de tabel vermeld staat.
Zweden heeft 4 NUTS1-regio’s maar de FDI Markets databank identificeert geen
specifieke locaties voor de investeringen in Zweden.
16
Voor meer informatie verwijzen we naar een OECD-rapport waarin de Ierse beleidsmaatregelen uiteengezet worden om directe buitenlandse investeringen aan te
moedigen (OECD 1994).
140
municatiesector, de chemische nijverheid en de machine- en elektronica­
sector. Sectoren die weinig buitenlandse O&O-investeringen aantrekken
zijn de hout- en papiersector, de textielnijverheid en de mineraalindustrie.
Tabel 6.1: Investeringen in O&O door MNO’s in West-Europese regio’s, 2003-2009
Regio’s
Aantal investeringen
(% van totaal)
Ierland (IE)
55 (12,53)
Cataluna (ES)
34   (7,74)
Zuid-Oost (UK)
21  (4,78)
Zweden (SE)
19   (4,33)
Schotland (UK)
18   (4,10)
Mediterranée (FR)
16   (3,64)
Nord-Ovest (IT)
15   (3,42)
East Anglia (UK)
15   (3,42)
Noord-Ierland (IE)
15   (3,42)
Vlaanderen (BE)
14   (3,19)
Denemarken (DK)
13   (2,96)
Ile-de-France (FR)
13   (2,96)
Bassin Parisien (FR)
12  (2,73)
Bayern (DE)
11   (2,51)
Comunidad de Madrid (ES)
11   (2,51)
Ouest (FR)
10   (2,28)
Centre-Est (FR)
10   (2,28)
Est (FR)
8   (1,82)
Östösterreich (AT)
7   (1,59)
Nordrhein-Westfalen (DE)
7   (1,59)
Portugal (PT)
7   (1,59)
West Midlands (UK)
7   (1,59)
Finland (FI)
6   (1,37)
Centro (IT)
6   (1,37)
Wales UK)
6   (1,37)
Sudösterreich (AT)
5   (1,14)
Westösterreich (AT)
5   (1,14)
Baden-Württemberg (DE)
5   (1,14)
Andalucia (ES)
5   (1,14)
Sud-Ouest (FR)
5   (1,14)
North (UK)
5   (1,14)
Wallonië (BE)
4   (0,91)
Asturias (ES)
4   (0,91)
West-Nederland (NL)
4   (0,91)
Zuid-Nederland (NL)
4   (0,91)
Berlijn (DE)
3   (0,68)
Hamburg (DE)
3   (0,68)
141
Hessen (DE)
3   (0,68)
Sachsen (DE)
3   (0,68)
Castilla y Leon (ES)
3   (0,68)
Nord-Pas-de-Calais (FR)
3   (0,68)
Pais Vasco (ES)
2   (0,46)
Isole (IT)
2   (0,46)
Oost-Nederland (NL)
2   (0,46)
North West (UK)
2   (0,46)
South West (UK)
2   (0,46)
Andere regio’s
9   (2%)
Totaal
439   (100)
Bron: Locomonitor / FDI Markets
Tabel 6.2: O&O-investeringen door MNO’s in West-Europa per sector, 2003-2009
Sector
Aantal investeringen in O&O
(% van totaal)
Farmaceutische industrie
97 (22,1)  
Software & IT
69 (15,72)
Biotechnologie
60 (13,67)
Communicatie
27   (6,15)
Chemische sector
23   (5,24)
Machine-industrie
22   (5,01)
Semiconductors
20   (4,56)
Auto-onderdelen
15   (3,42)
Medische instrumenten
15   (3,42)
Elektronische componenten
13   (2,96)
Voedingsindustrie
13   (2,96)
Consumentengoederen
9   (2,05)
Metaalindustrie
9   (2,05)
Producten van kunststof
9   (2,05)
Automobielindustrie
6   (1,37)
Elektrische en optische apparaten
5   (1,14)
Vliegtuigindustrie
4   (0,91)
Drank industrie
4   (0,91)
Kantoormateriaal
4   (0,91)
Transport
4   (0,91)
Alternatieve / hernieuwbare energie
3   (0,68)
Motoren en turbines
3   (0,68)
Papier / druk
3   (0,68)
Mineralen
1   (0,23)
Textielproducten en kleding
1   (0,23)
Hout en producten van hout
1   (0,23)
Totaal
Bron: Locomonitor / FDI Markets
142
439   (100)
Tabel 6.3: Investeringen in O&O door MNO’s in West-Europa per land van herkomst,
2003-2009
Land van herkomst
VS
Aantal investeringen
(% van totaal)
139 (44,87)
VK
39   (8,88)
Duitsland
33   (7,52)
Japan
25   (5,69)
Frankrijk
23   (5,24)
Zwitserland
19   (4,33)
China
14   (3,19)
Canada
11   (2,51)
Italië
10   (2,28)
Denemarken
7   (1,59)
Nederland
7   (1,59)
India
6   (1,37)
Ierland
6   (1,37)
België
5   (1,14)
Zuid Korea
5   (1,14)
Zweden
5   (1,14)
Finland
3   (0,68)
Luxemburg
3   (0,68)
Spanje
3   (0,68)
Verenigde Arabische Emiraten
3   (0,68)
Australië
2   (0,46)
Oostenrijk
2   (0,46)
Bermuda
2   (0,46)
Israël
2   (0,46)
Polen
2   (0,46)
Andere
5   (1,14)
Totaal
439   (100) 
Bron: Locomonitor / FDI Markets
In tabel 6.3 wordt de verdeling van de steekproef naar het land van herkomst
van de MNO’s weergegeven. Het prominente aandeel van de VS springt
direct in het oog. Voor meer dan 44% van de O&O-investeringen ligt de
hoofdzetel van de investerende MNO’s in de VS. Daarnaast valt op dat de
meeste O&O-investeringen in West-Europa voornamelijk afkomstig zijn
van MNO’s die zelf in Europa gevestigd zijn. Hierbij hebben het VK, Duitsland en Frankrijk het grootste aandeel met respectievelijk 8, 7 en 5%. WestEuropa is daarnaast ook een aantrekkelijke locatie voor buitenlandse
143
O&O-investeringen van Aziatische ondernemingen, voornamelijk uit
Japan en China met respectievelijk aandelen van 5 en 3%.
Tabel 6.4: Investeringen in O&O door MNO’s in Vlaanderen, 2003-2009
Bedrijf
Sector
Jaar
Land van herkomst
Locatie
Pfizer
Farmaceutische industrie
2004
VS
Vlaams Gewest
Diatos
Biotechnologie
2004
Frankrijk
Vlaams Gewest
Toyota Motor
Automobielindustrie
2004
Japan
Vlaams Gewest
Johnson & Johnson
Farmaceutische industrie
2004
VS
Vlaams Gewest
Continental
Auto-onderdelen
2005
Duitsland
Vlaams Gewest
Yakult Honsha
Drankindustrie
2005
Japan
Vlaams Gewest
TorreyPines Therapeutics
Biotechnologie
2005
VS
Vlaams Gewest
Nitto Denko
Producten van kunststof
2005
Japan
Vlaams Gewest
Genzyme
Biotechnologie
2005
VS
Vlaams Gewest
Johnson & Johnson
Farmaceutische industrie
2005
VS
Vlaams Gewest
Unisys
Software & IT
2006
VS
Brussels Gewest
Genzyme
Farmaceutische industrie
2006
VS
Vlaams Gewest
Milliken & Company
Producten van kunststof
2006
VS
Vlaams Gewest
MabCure Inc
Biotechnologie
2009
VS
Vlaams Gewest
Bron: Locomonitor / FDI Markets
In tabel 6.4 wordt een overzicht gegeven van de buitenlandse directe
investeringen in O&O in Vlaanderen gedurende de periode 2003-2009.
Het overgrote deel van de investeringen gebeurde in het jaar 2005 en is
voornamelijk afkomstig uit de VS. De meeste projecten zijn gesitueerd in
de farmaceutische sector en zijn afkomstig van grote multinationals als
Johnson & Johnson, Pfizer of Genzyme. Daarnaast trekt Vlaanderen ook
heel wat projecten aan in de biotechnologiesector afkomstig van de VS; de
investering van het Franse Diatos is een uitzondering. De investeringen
van Japanse ondernemingen vonden plaats in de dranksector, de automobielindustrie en de productie van kunststoffen. Opvallend is dat de meeste
buitenlandse O&O-investeringen in Vlaanderen afkomstig zijn van buiten Europa.
144
3.2. Vergelijking van Vlaanderen met andere West-Europese regio’s
In wat volgt gaan we nader in op de vergelijking van Vlaanderen als locatiekeuze voor buitenlandse investeringen in O&O ten opzichte van vergelijkbare West-Europese regio’s. Hierbij weerhouden we de volgende vergelijkingsregio’s die op innovatief gebied het dichtste aanleunen bij de
Vlaamse regio: Nord-Pas-de-Calais, Catalonië, Zuid-Nederland, BadenWürttemberg, en de regio Nord-Ovest van Italië (Lombardije). Deze
regio’s zijn op het Creativity World Forum verkozen als de meest creatieve
gebieden en zijn in eerder onderzoek ook als benchmark voor Vlaanderen
gebruikt (Devoldere et al., 2006). We analyseren eerst de verdeling van de
buitenlandse O&O-investeringen in iedere regio door de tijd heen. Vervolgens gaan we nader in op een aantal factoren die de aantrekkingskracht
van de regio’s kan verklaren. Voor elk van deze determinanten bestuderen
we hoe Vlaanderen zich verhoudt ten opzichte van de andere regio’s.
Tabel 6.5: O&O-investeringen in Vlaanderen, vergelijkbare regio’s en Europa, 2003-2009
Regio’s
Vlaanderen (België)
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
Cataluna (Spanje)
Nord-Ovest (Italië)
Zuid-Nederland (Nederland)
Baden-Württemberg (Duitsland)
Totaal
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
0
4
6
3
0
0
1
2003-09
14
  (0,0)
  (23,5)
  (37,5)
  (18,7)
  (0,0)
  (0,0)
(25)
  (18,6)
0
0
0
0
2
1
0
3
  (0,0)
  (0,0)
  (0,0)
  (0,0)
 (33,3)
 (11,1)
  (0,0)
(4)
5
10
4
7
1
5
2
34
  (71,4)
  (58,8)
(25)
  (43,7)
 (16,6)
 (45,4)
(50)
 (45,1)
2
2
2
5
1
2
1
15
  (28,6)
  (11,8)
  (12,5)
  (31,2)
 (16,6)
(18)
(25)
 (20,0)
0
1
2
0
1
0
0
4
  (0,0)
  (5,9)
  (12,5)
  (0,0)
 (16,6)
  (0,0)
  (0,0)
  (5,3)
0
0
2
1
1
1
0
5
  (0,0)
  (0,0)
  (12,5)
  (6,2)
 (16,6)
 (11,1)
  (11,1)
  (6,6)
7
17
16
16
6
9
4
75
(100)
(100)
(100)
(100)
(100)
(100)
(100)
(100)
Totaal in geheel Europa
43
64
86
96
57
55
38
439
Aandeel van Vlaanderen in heel
Europa
(0)
  (6,3)
  (7,0)
  (3,1)
(0)
(0)
  (2,6)
  (3,2)
% van totale instroom per jaar voor vermelde regio’s
Bron: Locomonitor / FDI Markets
145
In tabel 6.5 wordt een overzicht gegeven van het aantal buitenlandse
investeringen in O&O in de verschillende West-Europese regio’s voor de
periode 2003-2009. Voor het jaar 2009 is het aantal projecten laag omdat
de informatie in de databank niet het gehele jaar bestrijkt. Per jaar wordt
ook telkens het aandeel weergegeven van het aantal O&O-investeringen
in iedere regio ten opzichte van het totaal aantal projecten voor deze
regio’s in dat jaar. De O&O-investeringen in Vlaanderen zijn in de steekproef voornamelijk gegroepeerd in de periode 2004-2006. Het aandeel
van O&O-projecten in Vlaanderen ten opzichte van het totaal is dan ook
redelijk hoog in 2004 (23,5%) en stijgt zelfs tot 37,5% in 2005. Gegeven het
groot aantal O&O-investeringen in Catalonië (34), neemt dit gebied per
jaar ook telkens een groot aandeel van het totaal aantal projecten voor zijn
rekening. Er is verder geen duidelijke trend waarneembaar in termen van
toenemende of dalende aandelen van bepaalde regio’s.
Tabel 6.6: Indexcijfers van het bbp per capita voor Vlaanderen en vergelijkbare regio’s
2003-2007 (Vlaanderen=100)
Regio’s
2003
2004
2005
2006
2007
Groei in %
Vlaanderen (België)
100,0
100,0
100,0
100,0
100,0
19
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
  67,7
  66,7
  66,6
  67,3
  67,4
18
22
Cataluna (Spanje)
  68,2
  68,1
  69,1
  70,2
  70,0
Nord-Ovest (Italië)
  94,9
  92,6
  90,9
  89,6
  88,5
11
Zuid-Nederland (Nederland)
  94,2
  92,7
  93,0
  93,9
  95,1
20
Baden-Württemberg (Duitsland)
  97,9
  94,3
  91,7
  92,8
  93,2
13
Bron: Locomonitor / FDI Markets
Zoals eerder vermeld, zijn MNO’s meer geneigd om buitenlandse O&Oactiviteiten te vestigen in regio’s met een grote koopkracht (bbp per
capita). Bijgevolg is het van belang te bestuderen hoe Vlaanderen zich
voor deze factor verhoudt ten opzichte van de andere West-Europese
regio’s. In tabel 6.6 worden indexcijfers weergegeven voor het bbp per
capita voor 2003-2007 in de verschillende regio’s met Vlaanderen als referentiebasis (index=100). Over de hele periode heen ligt het bbp per capita
van Vlaanderen hoger dan dat van de andere regio’s. Het bbp per capita
van Zuid-Nederland, Nord-Ovest (Lombardije) en Baden-Württemberg
146
liggen over de hele periode een paar procenten lager dan Vlaanderen. De
regio’s van Nord-Pas-de-Calais en Catalonië hebben daarentegen een veel
lager bbp per capita met waarden tot 30% lager dan Vlaanderen. Qua groeicijfers zijn de regio’s tussen 2003-2007 vergelijkbaar, met uitzondering van
Baden-Württemberg en Nord-Ovest, waar de groei verschillende procentpunten lager was.
Tabel 6.7: Indexcijfers van de lonen van ingenieurs: Vlaanderen en vergelijkbare
regio’s (Vlaanderen=100)
Regio’s
2000
2003
2006
2009
Groei in %
Vlaanderen (België)
100,0
100,0
100,0
100,0
  32
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
128,5
121,1
129,1
129,2
  37
Cataluna (Spanje)
  84,6
128,7
118,4
124,1
100
Nord-Ovest (Italië)
  80,9
  88,6
104,8
  99,9
  68
Zuid-Nederland (Nederland)
103,3
  94,9
121,7
108,9
  44
Baden-Württemberg (Duitsland)
  98,0
124,1
126,9
121,4
  69
Bron: UBS
De loonkosten van ingenieurs, die in de regel sterk gecorreleerd zijn aan
de lonen van O&O-personeel, kunnen eveneens een determinerende rol
spelen in de locatiekeuze van buitenlandse O&O-investeringen. Informatie over de loonkosten van ingenieurs werd gehaald uit het driejaarlijks
verschenen rapport ‘Prices and Earnings’ uitgegeven door de Union Bank
of Switzerland (UBS). De rapporten zijn beschikbaar voor de jaren 2000,
2003, 2006 en 2009. In de rapporten worden de bruto loonkosten in de
betreffende jaren vergeleken voor een 70-tal steden (meestal hoofdsteden). 17
In tabel 6.7 worden indexcijfers van de bruto loonkosten per regio om de
drie jaar weergegeven voor de periode 2000-2009. Hierbij wordt Vlaanderen
weer als referentiebasis gebruikt. Uitgezonderd voor het jaar 2000, liggen
de loonkosten in absolute waarden in de andere regio’s in het algemeen
17
Voor de econometrische analyse hebben we de loonkosten van de ontbrekende jaren
geïnterpoleerd aan de hand van de beschikbare tijdreeksen. Bij gebrek aan meer
regionale informatie werd de loonkost van de hoofdstad van een land soms toegekend
als loonkost in alle regio’s van dat betreffende land.
147
hoger dan in Vlaanderen. De loonkosten van ingenieurs liggen het hoogst in
Nord-Pas-de-Calais en Baden-Württemberg. Opvallend is de procentuele
groei met 100% van de loonkosten tussen 2000 en 2009 in de regio van
Catalonië, terwijl de procentuele groei voor Vlaanderen slechts 32% bedraagt.
In termen van loonkosten voor O&O-activiteiten geven deze gegevens aan
dat de concurrentiepositie van Vlaanderen goed is.
Tabel 6.8: Aandeel patentapplicaties in Vlaanderen en vergelijkbare regio’s t.o.v.
totale patentapplicaties van de regio’s, 2002-2007
Regio’s
2002
2003
2004
2005
2006
2007
Vlaanderen (België)
   5
   5
   6
   6
   6
   4
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
   1
   1
   1
   1
   2
   2
   5
Cataluna (Spanje)
   4
   4
   5
   5
   6
Nord-Ovest (Italië)
  17
  17
  20
  16
  19
  18
Zuid-Nederland (Nederland)
  25
  26
  18
  23
  14
   5
Baden-Württemberg (Duitsland)
  47
  47
  51
  49
  54
  66
Totaal
100
100
100
100
100
100
     1,14
     1,26
     1,31
     1,52
     1,37
     1,03
Aandeel van Vlaanderen in Europa
Bron: European Patent Office
De sterkte van een regio in termen van technologieontwikkeling en -clusters wordt vaak gemeten aan de hand van gegevens over patenten, die ook
een onderverdeling naar technologieën mogelijk maken. In tabel 6.8 wordt
het percentage patentapplicaties per jaar weergegeven voor Vlaanderen en
vergelijkbare regio’s ten opzichte van het totaal aantal patentapplicaties
voor deze regio’s voor de periode 2002-2007. Voor het berekenen van het
aantal patenten per regio maken we gebruik van patentgegevens afkomstig
van de European Patent Office (EPO). Informatie over de stad van herkomst
van de uitvinder van de patentapplicatie laat toe om patentaantallen te
berekenen op NUTS1-niveau. Elke patentapplicatie wordt toegewezen aan
een of meerdere technologiedomeinen (IPC-codes). We maken gebruik van
IPC-codes op 4-digit-niveau, waarbij 634 verschillende technologiedomeinen onderscheiden worden. Per regio berekenen we het aantal patentapplicaties in de verschillende technologiedomeinen. Indien een patentapplicatie is toegewezen aan meerdere technologiedomeinen of aan uitvinders uit
148
meerdere regio’s, wordt ze proportioneel verdeeld over de verschillende
IPC-codes en regio’s. Zo gaat een patent dat toegewezen is aan twee technologiedomeinen slechts voor een half meetellen in beide domeinen. Een
conversietabel opgesteld door Schmoch et al. (2003) geeft aan welke technologiedomeinen relevant zijn voor de verschillende sectoren in de industrie op NACE2-niveau. Dat laat ons ook toe om het regionaal aantal patentapplicaties op NUTS1-niveau te berekenen voor de verschillende sectoren.
Deze aantallen geven een goed beeld van de sterkte van de industriële
technologieclusters in de regio’s.
Met een aandeel rond 50% voor elk jaar, ligt het aantal patentapplicaties in
Baden-Württemberg beduidend hoger dan in de andere regio’s. In deze
regio zijn een aantal grote O&O-intensieve bedrijven geconcentreerd in
de automobielindustrie (Daimler, BMW), de elektronica (Bosch) en de
informaticasector (SAP). De percentages van Zuid-Nederland en de NordOvest regio van Italië schommelen in de hele periode respectievelijk rond
18 en 25%. Het aantal patentapplicaties voor Vlaanderen en Catalonië zijn
redelijk gelijklopend over de periode 2002-2007. In elke jaar vertegenwoordigen ze elk ongeveer 5% van het aantal patentapplicaties. De technologische activiteit in Nord-Pas-de-Calais loopt hier beduidend achter met percentages rond 1%.
Tabel 6.9: Aandeel in patentapplicaties van Vlaanderen en vergelijkbare regio’s
per sector t.o.v. totale patentapplicaties van de regio’s, 2002-2007
Winning van
delfstoffen /
Landbouw
Voeding /
Drank /
Tabak
Vlaanderen (België)
12,8
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
  8,5
Regio’s
Textiel
Hout / Papier /
Druk
Chemie /
Farmacie
Rubber /
Kunststof
  4,8
11,2
12,9
10,1
  6,3
  5,9
  0,9
  1,9
  2,2
  2,6
Cataluna (Spanje)
11,7
11,8
  3,7
  5,3
13,1
  8,2
Nord-Ovest (Italië)
21,6
31,0
  7,5
22,0
20,3
35,1
Zuid-Nederland (Nederland)
24,9
  6,1
44,2
15,5
10,2
  7,6
Baden-Württemberg (Duitsland)
20,6
40,3
32,6
42,5
44,1
40,2
Totaal
100
100
100
100
100
100
Aandeel Vlaanderen in Europa
   2,21
   0,89
   4,16
   2,17
   1,51
   1,19
149
Regio’s
Minerale
producten
Metaal
Machines
Elektronica
Autoindustrie
Overige
industrie
Vlaanderen (België)
11,2
  4,9
  1,1
  3,1
12,3
  8,1
Nord-Pas-de-Calais (Frankrijk)
  2,8
  3,7
  1,3
  0,8
  0,8
  2,4
Cataluna (Spanje)
  8,6
  8,1
  3,8
  2,6
  2,7
11,4
Nord-Ovest (Italië)
25,9
27,6
22,6
12,0
13,7
29,2
Zuid-Nederland (Nederland)
12,4
  7,4
  7,7
39,6
  2,6
11,2
Baden-Württemberg (Duitsland)
39,1
48,4
63,5
41,9
67,8
37,7
Totaal
100
100
100
100
100
100
Aandeel Vlaanderen in Europa
1,98
1,11
1,40
1,01
0,53
1,73
Bron: European Patent Office
Over het algemeen kunnen we stellen dat Vlaanderen relatief minder goed
scoort op de indicator patentapplicaties. Dit blijkt ook als we de patentapplicaties in Vlaanderen vergelijken met het totaal aantal patent­applicaties in
Europa (tabel 6.8): Vlaanderen is slechts verantwoordelijk voor maximaal
1,5% van de patentactiviteit in Europa. Een opsplitsing van het aandeel
patentapplicaties van elke regio per sector laat toe om te achterhalen of dit
over de hele lijn is of dat de geaggregeerde aantallen specifieke sterktes
verhullen. De gegevens per sector worden vermeld in tabel 6.9. Het aandeel patentapplicaties in de voedingssector ligt het hoogst in Nord-Ovest
en Baden-Württemberg (respectievelijk 31 en 40%). In de textielindustrie
is Zuid-Nederland de koploper met 44%. Ook in de elektronicasector (met
Philips als belangrijke speler) ligt het aandeel van Zuid-Nederland hoog
(39%): samen met Baden-Württemberg is de regio verantwoordelijk voor
meer dan 80% van het aantal patentapplicaties in deze sector. Het aandeel
patentapplicaties voor Vlaanderen ligt relatief hoog in de chemische en farmaceutische nijverheid en de automobielindustrie, maar ook in minder
technologie-intensieve sectoren als de delfstofwinning, hout en papiersector, minerale producten (glas, keramiek) en de textielsector. Vergelijken we
de patentactiviteit in Vlaanderen met alle patentapplicaties vanuit Europa,
dan zien we dat de bovengemiddelde scores van Vlaanderen voornamelijk
betrekking hebben op de sectoren textiel, hout/papier/drukkerijen, landbouw en delfstoffenwinning, en minerale producten; de positie in de chemische en farmaceutische nijverheid is minder uitgesproken sterk.
150
4. Determinanten van de locatiekeuze voor investeringen in O&O in Europa
In dit deel gaan we op preciezere wijze na welke regionale factoren een rol
spelen in de locatiekeuze van de directe investeringen in O&O door buitenlandse MNO’s in Europa. In een multivariaat keuzemodel (een conditioneel
logit model) bepalen we de kans dat een onderneming een bepaalde regio
kiest voor een O&O-project aan de hand van een aantal specifieke locatiekarakteristieken van de regio’s. We kunnen in de analyse geen onderscheid
maken tussen adaptieve en innovatieve O&O-investeringen, maar we
nemen in het model voor beide types O&O-relevante locatiefactoren op.
We nemen daarbij telkens locatiekarakteristieken op van het jaar voorafgaand aan de locatiebeslissing. Voor een belangrijke variabele, met name
patentactiviteit, zijn er slechts gegevens beschikbaar tot het jaar 2007, vanwege de relatief lange tijd tussen applicatie van patenten, de publicatie
ervan en de opname in de EPO-databank. We beperken de O&O-projecten
daarom tot de periode 2003-2008, zodat de projecten van 2009 niet in de
analyse werden opgenomen. Dit herleidt onze steekproef voor deze analyse tot 376 O&O-projecten. In dezelfde lijn als Belderbos et al. (2010)
nemen we volgende locatiekarakteristieken op per regio: bbp per capita,
loonkosten van ingenieurs, aantal patenten per sector, geografische afstand
tot het investerende bedrijf en een indicator die aangeeft of het land van
herkomst dezelfde officiële taal gebruikt als de regio waarin geïnvesteerd
wordt. Van de 376 O&O-projecten zijn er 112 waarvan de officiële taal van
het land van herkomst overeenstemt met die van de geïnvesteerde regio.
Hiervan zijn er 72 projecten waarvan het moederbedrijf gelegen is in de
Verenigde Staten. De landen waarin geïnvesteerd is, zijn Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast nemen we ook nog de werkloosheidsgraad
op als verklarende variabele. Het bbp per capita, het aantal patenten en de
taalindicator worden verondersteld positief gerelateerd te zijn aan de locatiekeuze voor buitenlandse investeringen in O&O. Aan de andere kant zullen ondernemingen minder geneigd zijn om in verder afgelegen gebieden
te investeren met hogere werkloosheidsgraden en loonkosten.
151
O&O investering
Model 1
BBP per capita
Aantal patenten in de sector
Loonkost van ingenieurs
Werkloosheidsgraad
Indicator voor zelfde taal als land van herkomst
Geografische afstand tot land van herkomst
Model 2
0,656
0,544
[0,294]**
[0,305]*
0,262
0,27
[0,050]***
[0,051]***
-1,122
-1,011
[0,313]***
[0,321]***
-0,001
-0,006
[0,019]
[0,019]
1,327
1,353
[0,151]***
[0,152]***
0,153
0,224
[0,184]
[0,186]
Vlaamse regio
0,651
[0,302]**
Aantal O&O projecten
Aantal regio's
Chi kwadraat
376
57
125,00***
376
57
128,98***
Significanties worden met sterren aangegeven: 10% (*), 5% (**) en 1% (***)
Bron: Berekeningen van de auteurs
De resultaten van de econometrische analyse (tabel 6.10) zijn consistent
met eerdere studies (Belderbos et al. 2009b; Alcacer & Chung 2007; Hedge
& Hicks 2008; Nachum et al. 2008). De analyses wijzen uit dat MNO’s
meer geneigd zijn te investeren in regio’s met een groter bbp per capita.
Een toename van 1% in het bbp per capita van een bepaalde regio doet de
kans om in die regio te investeren met 0,65% stijgen. Bovendien zijn
MNO’s meer geneigd zich te vestigen in regio’s waar de belangrijkste clusters van relevante technologische activiteit gesitueerd zijn, gemeten door
voor de sector relevante patentapplicaties. De kans om in een bepaalde
regio te investeren stijgt met 0,26% wanneer het aantal patenten 1% hoger
ligt. Daarnaast heeft de loonkost van ingenieurs een negatieve impact op
de aantrekking van buitenlandse investeringen in O&O. Dit effect is relatief groot: een stijging van de loonkost met 1% verlaagt de kans om in een
regio te investeren met 1,12%. We vinden geen significante invloed van de
werkloosheidsgraad op de locatiekeuze van O&O-centra. Wel zijn MNO’s
meer geneigd om te investeren in regio’s met dezelfde officiële taal als in
152
het thuisland waarin de ondernemingen actief zijn. In tegenstelling tot
eerdere studies op landniveau vinden we echter geen negatieve effecten
van de geografische afstand tussen het thuisland van de MNO en de locatiekeuze van de investering. Dit ligt vermoedelijk aan het feit dat er te weinig variatie waar te nemen is in de regionale afstanden binnen Europa.
In het tweede model voegen we aan het model een dummy-indicator voor
de Vlaamse regio toe. De coëfficiënt van deze dummy geeft aan in welke
mate Vlaanderen meer of minder O&O-projecten aantrekt dan door de
variabelen in het model verklaard kan worden. De coëfficiënt blijkt in
model 2 positief en significant. Dit wijst erop dat Vlaanderen aantrekkelijker is dan de gemiddelde West-Europese locaties nadat we rekening hebben gehouden met de verklarende factoren in het model. Dit betekent dat
het model een aantal relevante karakteristieken van Vlaanderen nog niet
ten volle heeft meegewogen. Een mogelijke factor specifiek voor Vlaanderen is de relatief grote rol van MNO in de bestaande O&O-activiteiten,
welke mogelijkerwijs een aantrekkingskracht heeft op vervolg­investeringen
en investeringen door andere MNO. Deze agglomeratie-effecten zijn eerder van groot belang gebleken bij het aantrekken van buitenlandse investeringen (Wheeler & Mody 1992; Belderbos & Carree 2002).
5. Conclusies
In dit hoofdstuk gingen we na welke factoren een rol spelen in de locatiekeuze van investeringen in O&O door buitenlandse MNO’s in Europese
regio’s en hoe aantrekkelijk Vlaanderen is voor O&O-projecten door
buitenlandse MNO. We maakten gebruik van de FDI Markets databank
(Financial Times) met informatie over een omvangrijk aantal O&O-investeringsprojecten wereldwijd door MNO’s. Per O&O-investeringsproject
wordt het land van herkomst van de MNO weergegeven, alsook de locatie
waar geïnvesteerd wordt. Bovendien wordt er telkens een onderscheid
gemaakt in het type van bedrijfsactiviteit. De focus van dit hoofdstuk lag
op het bestuderen van locatiekeuzes op regionaal niveau, in tegenstelling
tot eerdere studies waar de aandacht meer gevestigd is op landenniveau
153
(Kumar 2001; Belderbos 2001; Belderbos et al. 2009a). We weerhielden
alle O&O-projecten in West-Europese landen en bekeken de verdeling
over in grootte vergelijkbare regio’s in Europa op basis van de NUTS1classificatie van Eurostat. We namen 439 investeringsprojecten in O&O
in de periode 2003-2009 in beschouwing die gelokaliseerd waren in WestEuropese regio’s.
In een eerste descriptieve analyse vergeleken we de regio Vlaanderen met een
aantal benchmarkregio’s voor locatiekarakteristieken die determinerend
kunnen zijn voor de locatiekeuze. Vlaanderen scoort relatief beter op bbp
per capita dan de concurrerende West-Europese regio’s zoals Nord-Pas-deCalais, Zuid-Nederland, Baden-Württemberg, Lombardije en Catalonië.
Daarenboven blijken de loonkosten van ingenieurs in Vlaanderen relatief
laag ten opzichte van de benchmarkregio’s. Het aandeel van Vlaanderen in
het totaal aantal patentapplicaties van de vergelijkbare regio’s is daarentegen
wel beduidend lager.
De resultaten van de multivariate analyse bevestigen dat de locatiekeuze
van buitenlandse O&O-investeringen gedreven wordt door het bbp per
capita, lage loonkosten, en de aanwezigheid van een voor de sector relevante technologiecluster gemeten door patentapplicaties van de regio’s.
Daarnaast zijn MNO’s meer geneigd om te investeren in gebieden met
dezelfde officiële taal als in het land van herkomst van de onderneming.
Nadat we rekening hebben gehouden met deze effecten, scoort Vlaanderen
bovengemiddeld in de aantrekkingskracht op O&O-projecten door MNO’s.
Hoewel we nog slechts een beperkt aantal factoren hebben onderzocht,
kunnen we voorzichtig concluderen dat de concurrentiepositie van Vlaanderen in de onderzochte periode goed te noemen is. De belangrijkste factor waar Vlaanderen relatief minder op scoort is het volume aan technologische activiteit. Dit wordt vooral gedreven door O&O-investeringen in
technologie intensieve sectoren, maar de specialisatie van Vlaanderen is
eerder gelegen in minder technologie-intensieve sectoren waar ook minder internationale O&O-projecten te verdelen zijn.
Om de beleidsimplicaties preciezer vast te stellen is gedetailleerder vervolgonderzoek noodzakelijk. Daarin moet rekening gehouden worden
met positieve dynamische agglomeratie-effecten, waarbij eerdere investe154
ringen in O&O-nieuwe investeringen (van dezelfde onderneming of
andere MNO’s) aantrekken. Ook moet worden nagegaan in welke mate
sterktes in academisch onderzoek en samenwerking tussen universiteiten
en het bedrijfsleven een positieve invloed hebben op de locatiekeuze van
MNO’s voor investeringen in O&O. Vervolgens dient in dit vervolgonderzoek ook meer aandacht besteed te worden aan de verschillen in locatiedeterminanten tussen adaptieve en innovatieve O&O-activiteiten. Belangrijk voor het beleid is daarnaast te onderzoeken of O&O-subsidies en
gerichte belastingverlaging voor in O&O-investerende ondernemingen
niet alleen O&O-investeringen van aanwezige ondernemingen verhogen,
maar ook de regio aantrekkelijker maken voor O&O-projecten van MNO’s
die nog niet in de regio actief zijn. Hier bestaat echter ook de mogelijkheid
dat vanwege de introductie van vergelijkbare beleidsinstrumenten in de
verschillende regio’s en landen, O&O-stimuleringsactiviteiten per saldo
geen of een beperkte verschuiving in O&O-locaties tot gevolg hebben. Als
laatste laat de databank van internationale investeringsprojecten ook toe
om de locatiekeuzes van directe investeringen in industriële activiteit en
dienstverlening te onderzoeken.
6. Referenties
−− Alcacer, J. & Chung, W. (2007), ‘Location strategies and knowledge
spillovers’, Management Science, 53, (5): 760-776.
−− Belderbos, R. (2001), ‘Overseas Innovations by Japanese Firms:
An Analysis of Patent and Subsidiary Data’, Research Policy, 30, (2):
313-332.
−− Belderbos, R. (2003), ‘Entry Mode, Organizational Learning, and R&D
in Foreign Affiliates: Evidence from Japanese Firms’, Strategic Management Journal, 24, (3), 235-259.
−− Belderbos, R. & Carree, M.A. (2002)’, The location of Japanese investment in China: Agglomeration effect, Keiretsu and firm heterogeneity’,
Journal of Japanese and International Economies, 16: 194-211.
−− Belderbos, R., Fukao, K. & Iwasa, T. (2009a), Domestic and foreign
155
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
156
R&D investment. Economics of Innovation and New Technologies, 18, (4):
369-380,
Belderbos, R., Leten, B. & Suzuki, S. (2009b), Does excellence in academic
research attract foreign R&D? MSI Working Paper, nr. 0908.
Belderbos, R., Lykogianni, E. & Veugelers, R. (2008), ‘Strategic R&D
location in European Manufacturing Industries’, Journal of World Economics, 14, (2).
Cantwell, J. & Piscitello, L. (2005), ‘Recent location of foreign-owned
research and development activities by large multinational corporations
in the European regions: The role of spillovers and externalities’, Regional
Studies, 39: 1-16.
Devoldere, I., Janssens, E., Onkelinx, J. & Sleuwaegen, L. (2006), The
creative economy: Challenges and opportunities for the DC regions. FDC Research
Report.
Florida, R. (1997), ‘The globalization of R&D: Results of a survey of
foreign-affiliated R&D laboratories in the USA’, Research Policy, 26:
85-103.
Frost & Sullivan (2004), Outsourcing Technology in Asia: Analysis of the
Changing Face of R&D, San Antonio: Frost and Sullivan Company.
Gambardella, A. (1992), ‘Competitive advantages from in-house scientific research: The US pharmaceutical industry in the 1980s’, Research
Policy, 21: 391-407.
Hegde, D. & Hicks, D. (2008) ‘The maturation of global corporate
R&D: Evidence from the activity of U.S. foreign subsidiaries’, Research
Policy, 390-406.
Hakanson, L. & Nobel, R. (1993), ‘Foreign research and development in
Swedish multinationals’, Research Policy, 22: 373-396.
Jaffe, A. (1989), ‘Real effects of academic research’, American Economic
Review, 79: 957-970.
Kuemmerle, W. (1999), ‘The Drivers of Foreign Direct Investment into
Research and Development: An Empirical Investigation’, Journal of International Business Studies, 30, (1): 1-24.
−− Kumar, N. (2001), ‘Determinants of location of overseas R&D activity
of multinational enterprises: The case of US and Japanese corporations’, Research Policy, 30, (1): 159-174.
−− Nachum, L., Zaheer, S. & Gross, S. (2008), ‘Does it matter where countries are? Proximity to knowledge, markets and resources, and MNE
location choices’, Management Science, 54, (7): 1252-1265.
−− Odagiri, H. & Yasuda, H. (1996), ‘The Determinants of Overseas R&D
by Japanese Firms: An Empirical Study at the Industry and Company
Levels’, Research Policy, 25: 1059-1079.
−− OECD (1994), OECD reviews of foreign direct investment: Ireland, 1-70.
−− Schmoch, U. et al. (2003), Linking technology areas to industrial sectors.
Final Report to the European Commission.
−− Shimizutani, S. & Todo, Y. (2007), ‘What determines overseas R&D
activities? The case of Japanese multinational firms’, Research Policy,
37: 530-544
−− Thoen, V. & Rasput, D. (2009), ‘De 11 Vlaamse kernindicatoren voor
wetenschap, technologie en innovatie’, in: K. Debackere & R. Veugelers
(eds.), Vlaams Indicatorenboek Wetenschap, Technologie en Innovatie 2009,
Brussel: Vlaamse Overheid, 191-222.
−− Thursby, J. & Thursby, M. (2006), Here or There? A Survey of Factors in Multinational R&D Location. Report to the Government-University-Industry Research Roundtable, National Academy of Sciences.
−− UNCTAD, World Investment Report 2005, New York-Genève, 2005.
−− Wheeler, D. & Mody, A. (1992), ‘International investment location
decision’, Journal of International Economics, 33: 57-76.
−− Zejan, M.C. (1990), ‘R&D activities in affiliates of Swedish multinational
enterprises’, Scandinavian Journal of Economics, 92: 487-500.
157
7.De post-acquisitie performantie
van niet-beursgenoteerde overgenomen
ondernemingen
Charlotte Feys, Universiteit Gent
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en Universiteit Gent
We analyseren de post-acquisitie performantie van 384 niet-beursgenoteerde ondernemingen die zijn overgenomen tussen 2000 en 2004 en vergelijken deze met 875 gelijkaardige, maar onafhankelijke ondernemingen.
Targetondernemingen in nationale overnames zijn minder winstgevend
en groeien minder dan onafhankelijke ondernemingen, zowel voor als na
de overname. Targetondernemingen in internationale overnames zijn qua
groei en winstgevendheid vergelijkbaar met onafhankelijke ondernemingen, maar hebben hogere marges en rendementen na de overname. Bijgevolg creëren vooral internationale overnames operationele synergieën.
1. Inleiding
Het onderzoek rond ondernemerschap is nog maar net van start gegaan
met het bestuderen van de manieren waarop ondernemers hun bedrijven
verlaten en de gevolgen die deze exit heeft op de ondernemer en het bedrijf
(Wennberg, Wiklund, DeTienne & Cardon 2009). Wanneer een ondernemer zijn bedrijf verlaat, kan het ofwel stopgezet worden (door liquidatie of
faillissement) of overgenomen worden en verdergaan onder een nieuwe
eigenaar (Leroy, Manigart & Meuleman 2009). Een overname wordt vaak
gezien als de meest wenselijke uitkomst, aangezien men veronderstelt dat
bij een overname meer economische welvaart behouden blijft voor zowel
de ondernemer als de andere stakeholders zoals de werknemers, de leveranciers en de klanten (DeTienne 2009). Het is bovendien ook een courante
exitstrategie, aangezien geschat wordt dat ongeveer 35% van de niet-beursgenoteerde ondernemingen uiteindelijk wordt overgenomen, eerder dan
dat ze geliquideerd worden (uitgezonderd faillissementen) (Leroy et al. 2009;
158
Wennberg et al. 2009). Ondanks het belang ervan in de levenscyclus van
een onderneming, hebben nog maar weinig studies onderzocht wat er
gebeurt met een targetonderneming na een overname. Hoewel er talrijke
studies zijn over de verwachte of gerealiseerde post-acquisitie performantie van gecombineerde ondernemingen, is er een gebrek aan studies vanuit
het perspectief van de targetonderneming.
Het doel van deze studie is dan ook om beter te begrijpen hoe de economische performantie van niet-beursgenoteerde overgenomen ondernemingen
evolueert na een overname. In een overgenomen onderneming kunnen
tegenstrijdige krachten aan het werk zijn die ofwel tot een positief ofwel tot
een negatief effect op de performantie leiden. Operationele synergieën
kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat overgenomen ondernemingen beter
presteren (Larsson & Finkelstein 1999; Luypaert & Huyghebaert 2009).
Anderzijds kunnen een slechte culturele fit en post-acquisitie integratieproblemen een negatief effect hebben op de performantie (Powell & Stark
2005). Verder is het ook zo dat technologiebedrijven soms worden overgenomen omwille van hun intellectuele eigendomsrechten, wat mogelijk tot
besparingen en ontslagen leidt na de overname (Schweizer 2005). De
impact van een overname op de economische performantie van een targetonderneming blijft met andere woorden een open vraag.
Ten tweede laten we heterogeniteit in de overnames toe door een onderscheid te maken tussen nationale en internationale overnames. Hoewel
het grootste deel van de academische literatuur nationale overnames
bestudeert, zijn bij een aanzienlijk deel van de overnames ondernemingen
uit verschillende landen betrokken. Differentiëren tussen nationale en
internationale overnames is belangrijk aangezien het vormen van synergieën mogelijkerwijze een grotere uitdaging vormt in internationale overnames dan in nationale. Anderzijds suggereert de resource based view of the
firm dat culturele afstand ook tot een betere performantie aanleiding kan
geven omdat routines die vroeger niet beschikbaar waren nu vrij toegankelijk kunnen zijn in de targetonderneming (Ghoshal 1987; Mayrhofer
2004). De twee tegenstrijdige visies suggereren dat het de moeite waard is
om verder te onderzoeken hoe nationale of internationale overnames de
economische ontwikkeling van een targetonderneming beïnvloeden.
159
Daarnaast is het ook zo dat de literatuur over internationale overnames
zich vooral heeft toegespitst op beursgenoteerde ondernemingen in de VS
(Erel, Liao & Weisbach 2009). Het bestuderen van de post-acquisitie performantie van niet-beursgenoteerde ondernemingen buiten de VS komt
dus op tijd.
Onze onderzoeksvragen worden empirisch onderzocht op een steekproef
van 384 niet-financiële, niet-beursgenoteerde, Vlaamse ondernemingen
die zijn overgenomen tussen 2000 en 2004. De data bestaan uit boekhoudkundige variabelen van één jaar vóór tot vier jaar na de overname. De
economische performantie van de overgenomen ondernemingen wordt
vergeleken met die van 875 gelijkaardige, maar nog onafhankelijke ondernemingen tijdens dezelfde periode. Verschillende indicaties voor het verbeteren van de economische performantie worden in beschouwing genomen. We beginnen met groei in omzet en winstmarges. Vervolgens bekijken
we verbeteringen in efficiëntie zoals de rotatie van de activa en de rendabiliteit van het totaal actief. We focussen hierbij op daadwerkelijke waardecreatie na de overname, eerder dan op verwachte waardecreatie zoals in
de meeste eventstudies.
We tonen aan dat overnametargets voor de overname gemiddeld genomen
slechter presteren in vergelijking met onafhankelijke ondernemingen. Het
is meer bepaald zo dat targetondernemingen van nationale overnemers
een lagere pre-acquisitie omzetgroei en een lagere pre-acquisitie marge
hebben vergeleken met onafhankelijke ondernemingen. Targetondernemingen van internationale overnemers zijn vergelijkbaar met onafhankelijke ondernemingen voor de overname, behalve dat hun rendabiliteit van
het totaal actief (maar niet hun marge, noch hun groei) significant lager is.
Dit suggereert dat ze hun activa minder efficiënt gebruiken. Na de overname blijven nationale targets slechter presteren dan onafhankelijke
ondernemingen. De performantie van internationale overnames ontwikkelt zich echter anders. Hun omzetgroei is vergelijkbaar met die van onafhankelijke ondernemingen. Hun marges verbeteren, wat vanaf het eerste
jaar na de overname leidt tot significant hogere marges vergeleken met
onafhankelijke ondernemingen. De rendabiliteit van het totaal actief is
echter enkel significant hoger vier jaar na de overname, wat suggereert dat
160
onafhankelijke ondernemingen hun activa efficiënter gebruiken. Onze
resultaten geven dus aan dat synergieën de post-acquisitie performantie
van de targetonderneming in een internationale overname positief beïnvloeden (Larsson & Finkelstein 1999), maar dat synergieën belangrijker
zijn voor het verbeteren van de interne efficiëntie door het reduceren van
kosten, dan voor het verhogen van inkomsten. Verbazend genoeg zijn
synergieën niet aanwezig in nationale overnames. Het onderscheid maken
tussen nationale en internationale overnames is dus relevant, aangezien we
aantonen dat een ander type onderneming betrokken is in nationale overnames en dat de post-acquisitie evolutie zeer verschillend is.
De volgende sectie van dit hoofdstuk vertrekt van de beschikbare literatuur
om hypothesen te ontwikkelen. Daarna wordt de empirische strategie
voorgesteld, inclusief een beschrijving van de steekproef en de data. Vervolgens bespreken we de resultaten en sluiten het hoofdstuk af met een
conclusie en enkele beleidsaanbevelingen.
2. Literatuur
Hoewel er talrijke studies bestaan over de impact van overnames op
beursgenoteerde ondernemingen, is er tot op heden weinig bekend over
de performantie-effecten van overnames van niet-beursgenoteerde targetondernemingen. Positieve effecten op de performantie worden toegeschreven aan de mogelijkheid om synergieën te creëren. Dit verwijst naar
het feit dat een gecombineerde onderneming meer waarde kan creëren
dan de som van de waarden van de twee alleenstaande ondernemingen
(Larsson & Finkelstein 1999). Anderzijds kunnen overnames ertoe leiden
dat de overgenomen onderneming minder goed gaat presteren, bijvoorbeeld door een slechte culturele fit tussen overnemer en targetonderneming
of door post-acquisitie integratieproblemen (Powell & Stark 2005). In de
context van exits is het ook zo dat het feit dat de ondernemer als drijvende
kracht van de organisatie weggaat, aanleiding kan geven tot een negatief
effect op de performantie (Ooghe, Van Laere & De Langhe 2006). In wat
volgt zullen we eerst dieper ingaan op het verwachte post-acquisitie effect
161
op de performantie in het algemeen, en daarna theoretiseren we over verwachte verschillen tussen nationale en internationale overnames.
2.1. De post-acquisitie operationele performantie van niet-beursgenoteerde targetondernemingen
De vraag of verbeteringen in operationele performantie voortkomen uit
overnames van ondernemingen werd de laatste decennia door veel onderzoekers gesteld (Powell & Stark 2005). Wetenschappers schatten de verwachte baten van overnames in door de marktreactie van aandeelhouders
van zowel de overnemer als de targetonderneming op de aankondiging
van een overname te meten (bv. Devos, Kadapakkam & Krishnamurthy
2009) of door de post-acquisitie operationele kasstromen van de gecombineerde ondernemingen te analyseren (bv. Powell & Stark 2005). De meeste
studies rapporteren significante en positieve (voor sector aangepaste)
gevolgen van de overnames die de financiële markten enigszins kunnen
voorspellen (Powell & Stark 2005). De toenames in marktwaarde of in
operationele kasstroom kunnen echter voortkomen uit verschillende strategieën. Ondernemingen kunnen hun omzet verhogen, hun operationele
efficiëntie verbeteren door kostenbesparingen of door hun activa efficiënter te gebruiken. De meeste studies uit de VS rapporteren dat het realiseren
van synergieën hoofdzakelijk gedreven wordt door kostenbesparingen en
het terugschroeven van investeringen, terwijl Europese studies aantonen
dat het verbeteren van de omzet een belangrijke oorzaak is van een verbeterde performantie (Capron 1999; Luypaert & Huyghebaert 2009). Wij
zullen de verschillende types van operationele waardecreatie beschouwen.
De post-acquisitie omzet van de overgenomen onderneming kan verhogen
doordat de onderneming kan meegenieten van de materiële en immateriële
resources van de overnemer. Zo kunnen bijvoorbeeld de distributiekanalen
en het klantenbestand van de moederonderneming aangesproken worden
om de producten van de targetonderneming te verkopen (Schweizer 2005)
of kan de reputatie van de moederonderneming de producten van de target legitimeren (Gaughan 2002). Daarnaast kan de overgenomen onderneming ook genieten van de sterkere managementkwaliteiten in de moederonderneming. Op lange termijn kan O&O in de moederonderneming ook
162
de eigenschappen van de producten van de overgenomen onderneming
verbeteren (Capron 1999). Hogere omzetniveaus kunnen ook een gevolg
zijn van de toegenomen marktmacht van de gecombineerde onderneming.
De afname van de concurrentie kan de gecombineerde onderneming toelaten om de verkoopprijzen te verhogen, wat tot hogere inkomsten bij
eenzelfde outputniveau leidt (Kim & Singal 1993).
Er zijn echter ook redenen om te verwachten dat de omzet daalt na een
overname. Ten eerste wordt ondernemer vaak gezien als de drijvende
kracht van zijn onderneming. Klanten identificeren zich met hem. Wanneer de ondernemer echter zijn onderneming verlaat, kan dit het koopgedrag van de (voormalige) klanten negatief beïnvloeden. Daarnaast zal de
moederonderneming nieuwe rapporterings- en controlestructuren invoeren om de overgenomen onderneming te integreren. Deze nieuwe structuren zijn mogelijk niet volledig aangepast aan de noden van de targetonderneming en kunnen de bureaucratie zodanig doen toenemen dat het de
flexibiliteit belemmert en de omzet verlaagt. De managers van de overgenomen onderneming kunnen minder gemotiveerd zijn wanneer hun
onderneming haar autonomie verliest aan de nieuwe moederonderneming (Haspeslagh & Jemison 1991). Ten slotte is het ook mogelijk dat een
niet-beursgenoteerde onderneming niet wordt overgenomen omwille van
haar omzetpotentieel, maar omwille van haar intellectuele eigendomsrechten. Dit kan uiteindelijk leiden tot onvoldoende verkoopsinspanningen en een verlies aan omzet (Bobelyn, Maesen & Clarysse 2007). Het
effect van de overname van een niet-beursgenoteerde onderneming op de
ontwikkeling van haar omzet is dus niet eenduidig.
Zelfs indien de omzet constant blijft, kunnen winsten en kasstromen toenemen, aangezien de baten van synergieën ook kunnen gerealiseerd worden
door ofwel een efficiëntietoename ofwel een verhoogde marktmacht
(Gugler, Mueller, Yurtoglu & Zulehner 2003). Een toename aan efficiëntie
wordt gedreven door een efficiënter gebruik van de beschikbare resources,
wat leidt tot schaal- of bereikvoordelen. Schaalvoordelen komen voort uit
het spreiden van vaste kosten (bv. O&O- of marketinguitgaven) over
hogere outputniveaus, maar ook uit een toegenomen specialisatie van de
arbeiders en het management en een efficiënter gebruik van vaste activa
163
(Gaughan 2002; Devos et al. 2009). Bereikvoordelen ontstaan wanneer de
kosten van het produceren van verschillende producten in één onderneming lager zijn dan wanneer ze geproduceerd worden in de afzonderlijke
ondernemingen (Luypaert & Huyghebaert 2009). Deze laatste kostenbesparingen kunnen voorkomen wanneer twee ondernemingen de mogelijkheid
hebben een unieke resource te delen, zoals een technologie of distributiekanaal (Nayyar 1993). Lagere relatieve kosten kunnen ook een gevolg zijn van
een toegenomen marktmacht. Aangezien de gecombineerde onderneming
mogelijk meer onderhandelingsmacht tegenover haar leveranciers heeft,
kan dit leiden tot lagere inputprijzen (Gugler et al. 2003).
Niet-beursgenoteerde overgenomen ondernemingen kunnen aan de ene
kant genieten van een toegenomen marktmacht en schaal- en bereikvoordelen, maar aan de andere kant te maken krijgen met hogere rapporteringsen controlekosten opgelegd door de moederonderneming. Daarnaast kan
de moederonderneming transferkosten opleggen voor administratieve en
managementuitgaven op het niveau van het hoofdkwartier. Deze kunnen
significant hoger zijn dan vergelijkbare kosten in de pre-acquisitie situatie.
Opnieuw is de verwachte impact van een overname op de relatieve kostenefficiëntie en de marges onduidelijk.
Een derde bron van post-acquisitie operationele waardecreatie is het
terugschroeven van investeringsuitgaven (Capron 1999; Devos et al. 2009).
Wanneer twee ondernemingen fusioneren, kunnen ze de efficiëntie van
hun investeringen verbeteren door bepaalde activa zoals een gezamenlijk
kantoorgebouw of een fabriek te delen en door zich te ontdoen van overtollige activa. Daarnaast kan een strengere discipline bij de managers leiden tot
een efficiënter gebruik van nettobedrijfskapitaal (Luypaert & Huyghebaert
2009). We verwachten dus dat de post-acquisitie rotatie van de activa zal
verbeteren.
164
2.2. Nationale versus internationale overnames
Of de onderneming overgenomen wordt door een nationale of een internationale onderneming kan verstrekkende gevolgen hebben voor haar
post-acquisitie performantie. Moeller & Schlingemann (2005) rapporteren dat de verandering in operationele performantie in internationale
overnames significant lager is dan in nationale, maar dat overnemers in
internationale overnames meer kunnen genieten van de expertise van de
target op het gebied van O&O. Dit heeft voor gevolg dat hun eigen capaciteiten om te innoveren verbeteren (Eun, Kolodny & Scheraga 1996).
Luypaert & Huyghebaert (2009) verwachten dat internationale overnames
resulteren in hogere inkomensgerelateerde synergieën voor de gecombineerde onderneming. De omzettoename door het delen van complementaire resources zoals distributiekanalen of merknamen lijkt groter te zijn
wanneer er in de overname ondernemingen betrokken zijn met verschillende nationaliteiten. Dit is te wijten aan een minder grote geografische
overlap van de fusionerende ondernemingen.
Schaalvoordelen kunnen echter gemakkelijker gerealiseerd worden wanneer overnemer en targetonderneming hun hoofdkwartier in hetzelfde
land hebben. De lagere culturele verschillen (Brock 2005) verlagen
immers onzekerheden (Gomez-Mejia & Palich 1997) en post-acquisitie
integratiekosten (Cartwright & Price 2003; Hofstede 1980). Daarnaast is
het ook zo dat potentiële conflicten tussen werknemers mogelijk lager
zijn in nationale overnames (Brock, Barry & Thomas 2000). Dit alles leidt
tot lagere verwachte efficiëntievoordelen en verbeteringen van marges in
internationale overnames vergeleken met nationale overnames (Luypaert
& Huyghebaert 2009).
3. Steekproef en onderzoeksmethode
3.1. Steekproef
Om onze onderzoeksvragen te exploreren, analyseren we een steekproef
van 384 overnames (waarvan 175 internationale) van Vlaamse, niet-financiële, niet-beursgenoteerde ondernemingen tussen 2000 en 2004. Deze
165
overnames werden geselecteerd met behulp van de Zephyr databank 18 op
basis van de volgende criteria. Ten eerste concentreerden we ons op targetondernemingen gelegen in Vlaanderen. Ten tweede dienden de overnames
afgerond te zijn in de periode 2000-2004 om de post-overname groei en
performantie te kunnen analyseren. Ten derde elimineerden we, consistent met vorig onderzoek, targetondernemingen die actief zijn in de banken verzekeringssector of in financiële diensten. De reden hiervoor is dat
financiële ondernemingen andere financiële structuren en rapporteringsverplichtingen hebben. Ten vierde behielden we ook enkel volledige overnames waarbij de overnemer 100% van de aandelen van de target verwierf.
Ten slotte werden 61 observaties verwijderd door een gebrek aan data.
Om de performantie van overgenomen en onafhankelijke ondernemingen te vergelijken, werd een tweede steekproef samengesteld. Deze
steekproef bestaat uit 875 niet-beursgenoteerde ondernemingen met
dezelfde kenmerken, maar die onafhankelijk zijn gebleven tussen 2000 en
2004. Hiervoor werd onze steekproef van 175 internationale overnames
gematcht met onafhankelijke ondernemingen die eenzelfde ligging, sector, leeftijd en grootte vertonen. Om het onderscheid te maken tussen
kleine, middelgrote en grote ondernemingen definieerden we een kleine
onderneming als een onderneming die minder dan 50 werknemers
tewerkstelt, beschikt over een jaarlijks totaal actief onder 5 miljoen euro of
een maximuum jaaromzet van 7 miljoen euro en voldoet aan het zelfstandigheidscriterium. Een middelgrote onderneming is een onderneming
met minder dan 250 werknemers, die beschikt over een jaaromzet onder
40 miljoen euro of een jaarlijks totaal actief onder 27 miljoen euro en die
voldoet aan het zelfstandigheidscriterium (UNIZO, 2010, http://www.
unizo.be/viewobj.jsp?id=27159). De matchingprocedure resulteerde in
een uiteindelijke steekproef van 875 (5 onafhankelijke ondernemingen
18
166
Zephyr is een databank aangeboden door Bureau Van Dijk. Zij bevat informatie over
meer dan 700.000 fusies en overnames en geeft links naar gedetailleerde jaarrekeninginformatie.
voor elke target in een internationale overname) 19 onafhankelijke, Vlaamse,
niet-financiële ondernemingen die allemaal over de essentiële data
beschikken. Tabel 7.1 geeft een overzicht van de jaarlijkse verdeling (Panel
A) en de sectorverdeling (Panel B) van de overgenomen en onafhankelijke
ondernemingen in onze steekproeven.
Tabel 7.1 (Panel A): Jaarlijkse verdeling van de steekproef van overgenomen ondernemingen
Jaar
Nationaal
2000
Internationaal
Alle acquisities
N
%
N
%
N
%
  18
   8,61%
  15
   8,75%
  33
   8,59%
  22,92%
2001
  41
  19,62%
  47
  26,86%
  88
2002
  31
  14,83%
  27
  15,43%
  58
  15,10%
2003
  50
  23,92%
  38
  21,71%
  88
  22,92%
2004
  69
  33,01%
  48
  27,43%
117
  30,47%
Totaal
209
100,00%
175
100,00%
384
100,00%
Bron: Eigen berekeningen
(Panel B): Sectorverdeling van de ondernemingen in onze steekproeven
Sector
Nationale targets
Internationale targets
Onafhankelijke
ondernemingen
N
%
N
%
N
%
Industrie
88
42,11%
51
29,31%
195
22,29%
Hoog/Medium-hoogtechnologisch
47
22,49%
24
13,79%
40
4,57%
Medium-laag/Laagtechnologisch
41
19,62%
27
15,52%
155
17,71%
65,37%
Diensten
110
52,63%
117
67,24%
572
Kennisintensieve diensten
50
23,92%
70
40,23%
172
19,66%
Minder kennisintensieve diensten
60
28,71%
47
27,01%
400
45,71%
Andere
11
5,26%
6
3,45%
108
12,34%
Landbouw, nutsbedrijven en bouw
11
5,26%
6
3,45%
108
12,34%
209
100,00%
174
100,00%
875
100,00%
TOTAAL
Bron: Eigen berekeningen
19
De gematchte steekproef is vergelijkbaar met de 175 internationale targets. Aangezien
er geen statistisch significante verschillen zijn tussen de 175 internationale en de 209
nationale targets, kunnen de onafhankelijke ondernemingen ook beschouwd worden als
gelijkaardig aan de nationale targets.
167
Een klein aantal overnames vond plaats in 2000 (na de internet bubble), aangezien slechts 8% van de overgenomen ondernemingen in de steekproef dan
werd overgenomen. De proportie van overnames in de volgende jaren is
grotendeels vergelijkbaar, met een piek van 30% in het laatste jaar, 2004.
Deze trends zijn terug te vinden voor zowel internationale als nationale
overnames. De sectorverdeling in Panel B toont aan dat proportioneel
meer industriële dan dienstenondernemingen overgenomen worden, en
dit vooral door nationale overnemers. Kennisintensieve dienstenondernemingen hebben een grotere kans om overgenomen te worden; vooral
internationale overnemers zijn actief in deze activiteitssector. Dienstenondernemingen met lage kennisintensiteit, landbouw-, nuts- en bouwbedrijven zijn geen gegeerde overnamekandidaten.
De overnemers in internationale acquisities zijn hoofdzakelijk afkomstig
uit Nederland (24,00%), de Verenigde Staten (17,71%) en Frankrijk (15,43%).
Een groot aantal van de overnemers van Vlaamse ondernemingen komt
ook uit Duitsland (8,57%), het Verenigd Koninkrijk (8,57%) en Ierland
(5,14%). Slechts een minderheid is afkomstig uit niet-Europese landen
(Canada, Koeweit), met uitzondering van de Verenigde Staten.
Tabel 7.2: Kenmerken van de ondernemingen in de steekproeven
Kenmerk
Leeftijd
Totaal actief (dz EUR)
Nationale targets
Internationale targets
Onafhankelijke ondernemingen
Gemid.
Std.dev.
Gemid.
Std.dev.
Gemid.
18
19
18
17
18
Std.dev.
15
3.635,49
4.442,87
7.245,44
8.982,75
  3.817,64
  4.761,62
Toegev. waarde (dz EUR)
1.345,88
1.622,60
2.839,01
3.607,11
  1.055,33
  1.379,78
Winst (dz EUR)
    11,71
   187,24
    35,46
   447,80
     34,40
     83,58
Omzet (dz EUR)
7.451,92
7.932,58
15.411,39
17.696,71
12.467,11
12.514,89
20
26
32
36
12
17
Aantal werknemers (VTE)
Bron: Eigen berekeningen
Tabel 7.2 geeft een beeld van enkele kenmerken van de ondernemingen in
onze steekproeven. De targetondernemingen van zowel nationale als internationale overnames zijn gemiddeld 18 jaar oud in het jaar voor hun overname. Aangezien leeftijd een van onze matching criteria is, is het logisch dat
de vergelijkbare onafhankelijke ondernemingen op dat ogenblik dezelfde
168
gemiddelde leeftijd hebben. Verder stellen we vast dat het gemiddeld totaal
actief van nationale targets (3.635 duizend euro) en onafhankelijke ondernemingen (3.818 duizend euro) van dezelfde grootteorde is, terwijl dat van
internationale targets (7.245 duizend euro) ongeveer dubbel zo groot is.
Hetzelfde geldt voor de toegevoegde waarde. Anderzijds is de gemiddelde
winst vergelijkbaar voor internationale targets en onafhankelijke ondernemingen, maar veel lager voor nationale targets. Daarenboven merken we op
dat nationale targets over het algemeen de laagste omzet (7.452 duizend
euro) hebben en internationale targets de hoogste (15.411 duizend euro),
terwijl de gemiddelde omzet van onafhankelijke ondernemingen tussen
beide ligt (12.467 duizend euro). Het aantal werknemers verschilt tussen de
drie soorten ondernemingen. Internationale targets stellen gemiddeld 32
mensen tewerk, nationale 20 en onafhankelijke ondernemingen 12.
3.2. Onderzoeksmethode
Om de evolutie van de economische performantie van overgenomen en
onafhankelijke ondernemingen te vergelijken, maakten we gebruik van
groei- en performantiemaatstaven in het jaar vóór, tot vier jaar na de overname. De boekhoudkundige data nodig om de groei in omzet ((omzettomzett-1)/omzett-1), nettomarge (EBITt/totaal actieft), 20 rotatie van de activa
(omzett/totaal actieft) en de nettorendabiliteit van het totaal actief (nettowinstt/totaal actieft) te berekenen, werden uit de Bel-First databank gehaald.
Deze databank wordt aangeboden door Bureau Van Dijk en bevat jaarrekeningen en andere financiële informatie over Belgische ondernemingen.
Daarna werden de outliers uit onze data verwijderd. Een observatie wordt
beschouwd als een outlier als ze groter (kleiner) is dan het 75ste (25ste) percentiel plus (min) 1,5 keer de interkwartielafstand. Ten slotte werden de
gemiddelden van deze maatstaven vergeleken met behulp van bivariate
t-testen. De gemiddelden van internationale en nationale targets werden
vergeleken met die van onafhankelijke ondernemingen en ook internationale en nationale targets onderling werden vergeleken.
20
EBIT, ‘Earnings before interest and taxes’, of het operationeel resultaat voor interesten
en belastingen.
169
4. Resultaten
Tabel 7.3: Resultaten van testen op performantiemaatstaven (t=acquisitiejaar)
Maatstaf
Omzetgroei
Nettomarge
Rotatie van de activa
Nettorendabiliteit van het
totaal actief
Gemid.
nationaal (1)
N
Gemid.
internationaal
(2)
Gemid
onafhankelijk (3)
p-waarde p-waarde p-waarde
(1) vs (3) (2) vs (3) (1) vs (2)
Jaar
N
t-1
107
-0,124
  90
0,009
1712
0,032
0,000
0,251
0,014
t
109
-0,284
  87
-0,034
1992
0,033
0,000
0,001
0,000
0,000
N
t+1
100
-0,324
  82
-0,056
1982
0,020
0,000
0,000
t+2
  89
-0,134
  84
-0,002
1939
0,023
0,000
0,198
0,022
t+3
  76
-0,028
  80
0,035
1875
0,035
0,002
0,972
0,200
t+4
  73
-0,113
  75
0,027
1775
0,039
0,000
0,503
0,009
t-1
106
0,012
  89
0,033
2089
0,034
0,000
0,946
0,051
t
101
0,013
  86
0,027
2084
0,035
0,000
0,120
0,242
t+1
  96
0,009
  88
0,054
2044
0,036
0,000
0,002
0,000
t+2
  91
0,006
  81
0,057
1988
0,039
0,000
0,002
0,000
t+3
  85
0,008
  85
0,060
1924
0,043
0,000
0,006
0,000
t+4
  79
0,005
  77
0,069
1800
0,044
0,000
0,000
0,000
t-1
161
1,137
106
1,127
3931
1,057
0,399
0,549
0,943
t
144
1,189
137
1,060
3964
1,033
0,118
0,789
0,344
t+1
  89
1,335
132
1,075
3962
0,996
0,006
0,436
0,102
t+2
126
1,094
126
1,050
3930
0,951
0,160
0,328
0,748
t+3
122
1,012
  84
1,148
3874
0,901
0,264
0,039
0,407
t+4
102
0,988
106
1,178
3718
0,865
0,246
0,003
0,201
t-1
155
0,090
116
0,031
3593
0,061
0,098
0,000
0,537
t
154
0,012
108
0,059
3626
0,060
0,000
0,902
0,396
t+1
143
-0,159
115
0,044
3607
0,060
0,000
0,022
0,161
t+2
134
-0,100
108
0,059
3581
0,060
0,000
0,845
0,025
t+3
126
-0,025
106
0,071
3557
0,063
0,000
0,322
0,006
t+4
117
-0,072
  74
0,085
3397
0,062
0,000
0,011
0,067
De waarden in het vet duiden significantie op het 5%-niveau of lager aan. Bron: Eigen berekeningen
Tabel 7.3 stelt de resultaten van de t-testen voor. 21 Vooreerst valt op dat
overgenomen ondernemingen verschillend zijn van onafhankelijke onder-
21
170
De resultaten voor de brutomarge en brutorendabiliteit van het totaal actief zijn
vergelijkbaar met respectievelijk deze voor de nettomarge en de nettorendabiliteit van
het totaal actief. Daarom worden ze hier niet gerapporteerd.
nemingen. In het jaar voor de overname hebben targetondernemingen
gemiddeld genomen een lagere groei en performantie vergeleken met onafhankelijke ondernemingen. Nationale targets ervaren meer bepaald een
lagere omzetgroei en lagere marges. Hun omzetgroei is zelfs negatief en
bedraagt gemiddeld -12,40%, terwijl onafhankelijke ondernemingen een
positieve groeivoet van gemiddeld 3,20% vertonen. De marge van nationale
targets is gemiddeld zo’n 1,20%, terwijl onafhankelijke ondernemingen
statistisch significant hogere marges van gemiddeld 3,40% kunnen voorleggen. De rotatie van de activa en de rendabiliteit van het totaal actief verschillen niet tussen nationale targets en onafhankelijke ondernemingen in
het pre-acquisitie jaar. Anderzijds hebben de targetondernemingen van
internationale overnemers een omzetgroei, marge en rotatie van de activa
die voor de overname vergelijkbaar is met die van onafhankelijke ondernemingen. Hun rendabiliteit van het totaal actief is echter significant lager
(gemiddeld 3,10% vergeleken met gemiddeld 6,10%), wat aangeeft dat ze
hun activa minder efficiënt gebruiken.
In de post-acquisitiejaren blijven nationale targets slechter presteren dan
onafhankelijke ondernemingen. Hun omzetgroei blijft negatief en lager.
Ook hun marges blijven op een lager niveau. De rotatie van de activa van
deze ondernemingen is echter vergelijkbaar met die van onafhankelijke
ondernemingen, wat aantoont dat ze hun activa even efficiënt gebruiken.
Een lagere marge in combinatie met een vergelijkbare rotatie leidt tot een
lagere rendabiliteit van het totaal actief: gemiddeld -6,88% (terwijl deze
vergelijkbaar was voor de overname).
De post-acquisitie evolutie in de performantiemaatstaven van de internationale targets is echter opnieuw verschillend. In het jaar van de overname en
het eerste jaar na de overname leiden internationale overnames tot een
omzetgroei die negatief is en lager (gemiddeld -3,40% in jaar t en -5,60% in
jaar t+1) dan die van een onafhankelijke onderneming (gemiddeld 3,30% in
jaar t en 2,00% in jaar t+1). Daarna verbetert hun groei geleidelijk en
bereikt hij een niveau dat vergelijkbaar is met dat van onafhankelijke
ondernemingen. De marges worden niet alleen vergelijkbaar met, maar
overtreffen die van onafhankelijke ondernemingen in de jaren volgend op
de overname. De rendabiliteit van het totaal actief wordt pas significant
171
hoger in het vierde jaar na de overname (gemiddeld 8,50% vergeleken met
6,20% voor een onafhankelijke onderneming), wat betekent dat onafhankelijke ondernemingen hun activa efficiënter gebruiken. Aangezien zowel
de nettomarge als de rotatie van de activa significant hoger zijn in het
vierde jaar na de overname, wordt de hogere rendabiliteit van het totaal
actief nu gedreven door beide factoren. Uit de hogere kostenefficiëntie en
een efficiënter gebruik van hun activa blijkt dat internationale overnames
de targetondernemingen ten goede komen.
De laatste kolom van tabel 7.3 vergelijkt internationale en nationale targets. Over het algemeen zijn ze vergelijkbaar voor de overname. Enkel de
omzetgroei is significant hoger voor internationale (gemiddeld 0,90%)
dan voor nationale (gemiddeld -12,40%) targets. Na de overname blijft de
omzetgroei meestal hoger voor de internationale targetondernemingen.
De nettomarge en rendabiliteit van het totaal actief zijn hoger voor internationale targets in de meeste post-acquisitiejaren. De rotatie van de activa
verschilt niet substantieel tussen de twee soorten ondernemingen.
5. Conclusies en beleidsaanbevelingen
Deze studie is een van de eerste grootschalige longitudinale studies om
empirisch te documenteren wat er gebeurt met een niet-beursgenoteerde
onderneming nadat ze is overgenomen. Ten eerste tonen we aan dat nationale ondernemingen in vergelijking met internationale ondernemingen,
bedrijven overnemen met andere karakteristieken. Nationale targets hebben een lagere groei en lagere marges, maar een vergelijkbare rendabiliteit
van het totaal actief vergeleken met onafhankelijke ondernemingen.
Anderzijds hebben internationale targets een groei en marges vergelijkbaar met onafhankelijke ondernemingen, maar een lagere rendabiliteit
van het totaal actief.
Ten tweede is ook de post-acquisitie-evolutie verschillend. Nationale overnames blijven slechter presteren dan onafhankelijke ondernemingen, wat
resulteert in een lagere rendabiliteit van het totaal actief. In hun totaliteit
beschouwd, suggereren onze resultaten dat nationale overnames geen
172
waarde creëren in de targetonderneming. Een dalende omzet ondersteunt
de visie dat het verdwijnen van de ondernemer als drijvende kracht nadelige effecten heeft op de output van de onderneming. Lage en aanhoudend
dalende marges geven aan dat noch schaal- of bereikvoordelen worden
gerealiseerd, noch de marktmacht wordt benut. De post-acquisitie integratie lijkt moeilijk te zijn. Vanzelfsprekend leidt een dalende omzet
gecombineerd met lagere marges tot een onvoldoende en zelfs negatieve
rendabiliteit van het totaal actief.
Anderzijds leiden internationale overnames tot een daling in de omzet in
het overnamejaar en in de twee jaar na de overname. Het vraagt dus tijd
om de effecten van het opereren onder een nieuwe eigenaar te absorberen.
Daarna groeit de omzet aan hetzelfde tempo als dat van onafhankelijke
ondernemingen. We vonden dus geen positieve inkomensgerelateerde
synergieën. Niet-beursgenoteerde ondernemingen overgenomen door
een internationale onderneming vertonen een bijna onmiddellijke en consistente verbetering in hun marges, wat hen meer kostenefficiënt maakt
dan onafhankelijke ondernemingen. Deze resultaten gaan in tegen vroeger bewijs dat het eenvoudiger is om kostenverbeteringen te realiseren in
nationale overnames dan in internationale overnames. Het is duidelijk dat
resultaten verkregen door grote overnames te bestuderen niet kunnen
worden overgebracht naar niet-beursgenoteerde ondernemingen: er zijn
andere soorten dynamiek in het spel.
Zoals altijd heeft deze studie enkele beperkingen. De meest voor de hand
liggende is het feit dat verstorende effecten niet werden beschouwd. Latere
versies zullen daarom veranderingen in omzet, marges en performantie
schatten aan de hand van multivariate modellen. Ten tweede zijn de targets beperkt tot Vlaamse ondernemingen. Dit heeft als belangrijk voordeel (naast de beschikbaarheid van data) dat alle ondernemingen zijn
blootgesteld aan dezelfde context, zoals dezelfde wettelijke en institutionele omgeving. Dit zou echter de externe validiteit van onze bevindingen
kunnen verlagen. Hoewel we niet beweren dat onze resultaten geen geografische beperkingen hebben, denken we dat Vlaanderen een representatieve
regio is voor een belangrijk deel van continentaal Europa. Ten derde zijn de
variabelen uit de jaarrekeningen van de ondernemingen gehaald. Hoewel
173
de betrouwbaarheid van deze data relatief hoog is in Vlaanderen, zouden
vooral de maatstaven voor marges en rendabiliteit van het totaal actief
toch beïnvloed kunnen worden door praktijken van earnings management.
Toch zijn onze resultaten belangrijk voor stoppende ondernemers, voor
stakeholders van targetondernemingen en voor beleidsmakers. Ten eerste
hebben ondernemers vaak een emotionele verbondenheid met hun onderneming. Die onderneming verkopen is dan een belangrijke beslissing die
ze enkel zullen willen nemen als ze aanvoelen dat de onderneming niet
gehinderd zal worden door hun vertrek. Onze resultaten tonen aan dat
het beter is dat een onderneming overgenomen wordt door een internationale onderneming dan door een nationale onderneming. Nationale overnames leiden gemiddeld tot het kleiner en minder efficiënt worden van
ondernemingen op middellange termijn, terwijl internationale overnames leiden tot ondernemingen die beter presteren en dus meer waarde
creëren. Beleidsmakers zijn vaak bezorgd over het feit dat ondernemingen
‘uitverkocht’ worden aan buitenlandse ondernemingen omdat ze vrezen
voor het verlies van economische waarde in hun regio. Onze resultaten
tonen aan dat dit niet het geval is. Vooral internationale overnames zijn
heilzaam voor targetondernemingen. Meer inspanningen zijn dus nodig
om de acquisitiemarkten efficiënter te maken.
6. Referenties
−− Bobelyn, A., Maesen, A. & Clarysse, B. (2007), De overnames van Tibotec
en Fillfactory: Succesverhalen of noodzakelijk kwaad?, Roeselare: Roularta
Books.
−− Brock, D.M. (2005), ‘Multinational acquisition integration: the role of
national culture in creating synergies’, International Business Review, 14:
269-288.
−− Brock, D.M., Barry, D. & Thomas, D.C. (2000), ‘Your forward is our
reverse, your right, our wrong: Rethinking multinational planning
processes in light of national culture’, International Business Review, 9:
687-701.
174
−− Capron, L. (1999), ‘The long-term performance of horizontal acquisi­
tions’, Strategic Management Journal, 20: 987-1018.
−− Cartwright, S. & Price, F. (2003), Managerial preferences in international
merger and acquisition partners revisited: How are they influenced?, Londen: JAI
Press.
−− DeTienne, D.R. (2009), ‘Entrepreneurial exit as a critical component of
the entrepreneurial process: Theoretical development’, Journal of Business Venturing (ter perse).
−− Devos, E., Kadapakkam, P.R. & Krishnamurthy, S. (2009), ‘How do
mergers create value? A comparison of taxes, market power, and efficiency improvements as explanations for synergies’, Review of Financial
Studies, 22: 1179-1211.
−− Erel, I., Liao, R.C. & Weisbach, M.S. (2009), World markets for mergers and
acquisitions. Working Paper.
−− Eun, C.S., Kolodny, R. & Scheraga, C. (1996), ‘Cross-border acquisitions
and shareholder wealth: Tests of synergy and internalisation hypotheses’, Journal of Banking and Finance, 20: 1559-1582.
−− Gaughan, P.A. (2002), Mergers, Acquisitions and Corporate Restructuring,
New York: John Wiley & Sons.
−− Ghoshal, S. (1997), ‘Global Strategy: An Organising Framework’, Strategic
Management Journal, 8: 425-440.
−− Gomez-Meija, L.R. & Palich, L.E. (1997), ‘Cultural Diversity and the Performance of Multinational Firms’, Journal of International Business Studies,
28: 309-334.
−− Gugler, K., Mueller, D.C., Yurtoglu, B.B. & Zulehner, C. (2003), ‘The effects of mergers: An international comparison’, International Journal of
Industrial Economics, 21: 625-653.
−− Haspeslagh, P.C. & Jemison, D.B. (1991), Managing Acquisitions: Creating
Value through Corporate Renewal, New York: The Free Press.
−− Hofstede, G. (1980), Culture’s consequences: International differences in workrelated values, Newbury Park: Sage.
−− Kim, E.H. & Singal, V. (1993), ‘Mergers and Market Power: Evidence
from the Airline Industry’, The American Economic Review, 83: 549-569.
−− Larsson, R. & Finkelstein, S. (1999), ‘Integrating strategic, organizational,
175
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
176
and human resource perspectives on mergers and acquisitions: A case
study of synergy realization’, Organization Science, 10: 1-26.
Leroy, H., Manigart, S. & Meuleman, M. (2009), The planned decision to
transfer an entrepreneurial company. Working Paper.
Luypaert, M. & Huyghebaert, N. (2009), Synergy Realization in Mergers
and Acquisitions. Empirical Evidence from European Transactions in the
Fifth Wave, international industrial organization conference (Boston).
Mayrhofer, W. (2004), ‘Social Systems Theory as Theoretical Framework
for Human Resource Management: Benediction or Curse?’, Management
Revue, 15: 178-191.
Moeller, S.B. & Schlingemann, F.P. (2005), ‘Global diversification and
bidder gains: A comparison between cross-border and domestic acquisitions’, Journal of Banking and Finance, 29: 533-564.
Nayyar, P.R. (1993), ‘Stock market reactions to related diversification
moves by service firms seeking benefits from information asymmetry
and economies of scope’, Strategic Management Journal, 14: 569-591.
Ooghe, H., Van Laere, E. & De Langhe, T. (2006), ‘Are acquisitions worthwhile? An empirical study of the post-acquisition performance of privately held Belgian companies’, Small Business Economics, 27: 223-243.
Powell, R. & Stark, A. (2005), ‘Does Operating Performance Increase
Post-Takeover for UK Takeovers? A Comparison of Performance Measures and Benchmark’, Journal of Corporate Finance, 11: 293-317.
Schweizer, L. (2005), ‘Organizational integration of acquired biotechnology companies into pharmaceutical companies: the need for a hybrid
approach’, Academy of Management Journal, 48, (6): 1051-1074.
Wennberg, K., Wiklund, J., DeTienne, D.R. & Cardon, M.S. (2009),
‘Reconceptualizing entrepreneurial exit: Divergent exit routes and
their drivers’, Journal of Business Venturing (ter perse).
8.De offshoring van activiteiten
door ondernemingen in Vlaanderen
Reinout Buysse, Vlerick Leuven Gent Management School
Karen Geurts, Katholieke Universiteit Leuven
Leo Sleuwaegen, Vlerick Leuven Gent Management School en Katholieke
Universiteit Leuven
1. Inleiding
De globalisering leidt tot een toenemende spreiding van de activiteiten van
ondernemingen over de grenzen heen. Sommige delen van de waardeketen, dat wil zeggen de keten van activiteiten binnen de onderneming,
worden geografisch verspreid over verschillende landen. De verplaatsing
van activiteiten naar het buitenland wordt regelmatig geassocieerd met
jobverlies op lokaal niveau. Vlaamse ondernemingen kunnen evenwel via
toelevering uit het buitenland efficiënter werken en focussen op kernactiviteiten. De verplaatsing van bestaande activiteiten naar het buitenland kan
aldus helpen bij de omgang met de extra concurrentie uit het buitenland.
Dit hoofdstuk bespreekt de verplaatsing van activiteiten van Vlaamse
ondernemingen naar het buitenland. Hierbij kijken we ten eerste naar de
functies, dwz groeperingen van activiteiten, die worden verplaatst naar het
buitenland. Vervolgens bestuderen we de verbanden met buitenlandse
concurrentie, mogelijke redenen voor de verplaatsing van activiteiten en
specifieke kenmerken van Vlaamse ondernemingen met activiteiten in het
buitenland. Deze beschrijving moet een inzicht bieden in de relatie tussen
de bedrijfsstrategieën van Vlaamse ondernemingen en de toename van
verplaatsing van activiteiten.
177
2. Offshoring van activiteiten naar het buitenland
Offshoring betreft de verplaatsing van een (bestaande) activiteit naar het
buitenland. De uitvoering van de lokale activiteit wordt dus vervangen
door de uitvoering van de activiteit in het buitenland. De oprichting van
een verkoopsdepartement in het buitenland ter ondersteuning van een
nieuwe afzetmarkt betreft geen offshoring, omdat er geen sprake is van
een verplaatsing van een bestaande activiteit die oorspronkelijk in het binnenland werd uitgevoerd.
Offshoring betreft dus een actie waarbij de waardeketen geografisch wordt
gespreid over verschillende locaties. Het productieproces wordt verder
onderverdeeld in verschillende activiteiten, waarvan een aantal activiteiten
naar het buitenland kan verhuizen (Michel 2009). Hierbij worden de competitieve voordelen van een onderneming optimaal gekoppeld aan de voordelen die landen bieden voor bepaalde onderdelen van de waardeketen (Kogut
1985a; Kogut 1985b). Hoogtechnologisch onderzoek van een onderneming
kan bijvoorbeeld verplaatst worden naar locaties met een groot aanbod van
ingenieurs en een goede bescherming van intellectueel eigendom, terwijl de
productie bijvoorbeeld kan verplaatst worden naar locaties met een lage
loonkost en een flexibelere arbeidsmarkt.
De term ‘offshoring’ wordt binnen de literatuur echter op verschillende
verwante manieren gebruikt. Sommige auteurs maken bijvoorbeeld een
onderscheid tussen ondernemingsinterne offshoring en externe offshoring. De eerste term wordt gebruikt wanneer een onderneming een
activiteit verplaatst naar het buitenland zonder de activiteit uit te besteden aan een andere onderneming. Dit wil zeggen dat de activiteit nog
steeds binnen de onderneming wordt uitgevoerd. Zo kan een onderneming de ICT-ondersteuning van klanten verplaatsen naar Zuid-Afrika,
door een specifieke bedrijfseenheid op te richten in Zuid-Afrika (maakbeslissing). We duiden een dergelijke situatie aan met de term ‘interne
partner’ in het buitenland. De tweede term heeft betrekking op de verplaatsing van de activiteit naar een andere onderneming in het buitenland. De activiteit wordt dus uitbesteed. De onderneming koopt in die
zin bijvoorbeeld ICT-ondersteuning aan op de markt, van een bestaande
178
onderneming in Zuid-Afrika (koopbeslissing). We duiden een dergelijke situatie aan met de term ‘externe partner’ in het buitenland. Deze
beide termen hebben echter wel betrekking op de bredere term offshoring.
Figuur 8.1: Definitie van offshoring
Locatie
Binnenland
Buitenland = OFFSHORED
Ondernemings-intern
Binnenlandse interne productie
Ondernemingsinterne offshoring
Interne partner in het buitenland
Uitbesteed
Binnenlandse uitbesteding
Offshore uitbesteding
Externe partner in het buitenland
Koop/maak-beslissing
Bron: OECD 2007a
Figuur 8.1 toont dat de locatie van belang is bij offshoring, in tegenstelling
tot de koop/maakbeslissing. Uitbestedingen kunnen immers gebeuren in
het binnenland en in het buitenland. Offshoring daarentegen, heeft ongeacht de koop/maakbeslissing altijd betrekking op een verplaatsing naar
het buitenland.
Wij houden in het verdere onderzoek echter rekening met het onderscheid
tussen interne partners en externe partners, omdat de koop/maakbeslissing
extra inzichten geeft in de bedrijfsstrategie van ondernemingen.
3. Offshoring door ondernemingen gevestigd in Vlaanderen
3.1. KEROSINE-survey
Verschillende auteurs (Lewin & Couto 2006a; Lewin & Peeters 2006b;
Manning, Massini & Lewin 2008; Michel 2009) wijzen op een globale toename van offshoring. De toename van offshoring leidt tot heel wat discussies
over de (job)impact van verplaatsingen van activiteiten naar het buitenland. De verplaatsingen van activiteiten worden echter belangrijker voor
ondernemingen om met globale concurrentie te kunnen omgaan (Coucke
& Sleuwaegen 2008).
179
De impact van verplaatsingen van activiteiten bij Vlaamse ondernemingen
werd bestudeerd in het KEROSINE-project, 22 waarbij 1.646 Vlaamse organisaties, inclusief publieke dienstverleners, werden bevraagd over de rol en
betekenis van uitbestedingen en offshoring. Aan de ondernemingen werd
gevraagd welke activiteiten intern, dat wil zeggen door eigen personeel,
worden uitgevoerd en welke worden aangekocht bij een andere onderneming (koop/maakbeslissing). De KEROSINE-dataset bevat informatie
over de geografische locatie van de partner (binnen- of buitenland) en over
recente veranderingen in de locatie van bedrijfsactiviteiten.
Een bijzonder aspect van de bevraging is dat de bedrijfsfunctie wordt
gebruikt als analyseniveau. Er werden tien types van activiteiten bevraagd
die gezamenlijk de functionele structuur van een bedrijf uitmaken. Zo
wordt bijvoorbeeld een onderscheid gemaakt tussen de locatie van ICTdiensten en van de personeelsdienst, tussen de verplaatsing van logistieke
activiteiten en van juridische diensten. Deze benadering sluit aan bij het
werk van Michael Porter (Porter 1985) die in zijn theorie over de waardeketen de activiteiten van een onderneming onderverdeelde in klassen die
technologisch en economisch van elkaar verschillen. Zijn invloedrijk werk
heeft managers ertoe aangezet om strategische besluitvorming te articuleren
met betrekking tot individuele bedrijfsfuncties. We bekijken met andere
woorden de locatie van bedrijfsactiviteiten uitdrukkelijk als een element
van de verticale (des)integratie van de onderneming, waarbij verschillende
delen van de waardeketen worden opgesplitst (Gereffi & Korzeniewicz
1994; Knabe & Koebel 2006). Geurts & Ramioul (2007) bespreken de keuze
van de bedrijfsfunctie als analyse-eenheid in detail.
Het databestand kwam verder tot stand op basis van een unieke koppeling
tussen survey-data en RSZ-gegevens. De bevraging werd uitgevoerd in 2008
bij een steekproef van Vlaamse organisaties met meer dan 5 werknemers.
De bevraging werd telefonisch uitgevoerd en bereikte een responsgraad van
22
180
Het KEROSINE-project (Knowledge Economy and Regional Strategies for Organisat­ional
and Sustainable Innovation) wordt mogelijk gemaakt door het Instituut voor de
aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen. Het project
wordt uitgevoerd door HIVA en CESO aan de KU Leuven en Vlerick Leuven Gent
Management School.
60,8%. Aan de gegevens van de bevraging werden RSZ-data gekoppeld van
het aantal arbeidsplaatsen in de onderneming op 30 juni van 2003 en 2008. 23
Deze laten toe de werkgelegenheidsevolutie op bedrijfsniveau te berekenen.
Breuken in de continue registratie van ondernemingen, die leiden tot een vertekening van de werkgelegenheidsevoluties, werden gecorrigeerd (Geurts,
Ramioul & Vets 2009). Het aldus samengesteld onderzoeksbestand laat toe
representatieve uitspraken te doen over ondernemingen met meer dan 5
werknemers in de totale Vlaamse economie (behalve voor de primaire sector).
3.2. Belang van offshoring voor Vlaamse ondernemingen
De empirische gegevens bevestigen de sterke verwevenheid van de Vlaamse
economie met buitenlandse ondernemingen: 19% van de Vlaamse ondernemingen laat minstens één activiteit uitvoeren door een buitenlandse
partner. Tabel 8.1 toont dat de meeste van deze ondernemingen een beroep
doen op externe partners. Deze ondernemingen hebben dus contacten
met buitenlandse ondernemingen waarmee ze niet geaffilieerd zijn. Toch
gaat het ook vaak over contacten met interne partners: een derde van de
ondernemingen die een andere activiteit dan de hoofdfunctie laten uitvoeren in het buitenland, maakt gebruik van partners binnen de ondernemingsgroep. Een kleine minderheid van de Vlaamse ondernemingen met
minstens één activiteit in het buitenland heeft zowel interne als externe
partners.
Tabel 8.1: Ondernemingen met minstens één activiteit in het buitenland: verdeling
naar interne versus externe partners
Deel van hoofdactiviteit in buitenland Std. fout
Andere activiteit in buitenland Std. fout
interne partner
19,4%
10,4
34,9%
externe partner
77,8%
  1,9
54,2%
5,3
5,9
interne & extern partners
  2,8%
  1,1
10,9%
2,9
N
67
381
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
23
Meer informatie over de opbouw van de gegevens kan gevonden worden in Geurts (2009).
181
Bij een vergelijking van de bovenstaande KEROSINE-resultaten met het
internationale onderzoek van het Offshoring Research Network, 24 waarbij
Amerikaanse en Europese ondernemingen bevraagd werden over offshoring,
valt op dat de voorkeur van Vlaamse ondernemingen voor externe partners
overeenstemt met de resultaten van ondernemingen uit Nederland, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Figuur 8.2 toont dat de voorkeur
voor Spaanse en Duitse ondernemingen naar interne partners gaat.
Figuur 8.2: Interne versus externe offshoring: resultaten van het Offshoring Research Network
v
Bron: Lewin et al. 2006a
3.3. Activiteiten
Bedrijven doen vooral voor ondersteunende diensten een beroep op buitenlandse bedrijven, en veel minder voor de hoofdactiviteit: slechts 2,5%
van de Vlaamse ondernemingen laat een deel van de hoofdactiviteit uitvoeren in het buitenland. Dit gebeurt dan meestal door een externe partner; slechts in een op vijf van de gevallen wordt de activiteit uitgevoerd
door een partner binnen het concern.
24
182
Het internationale Offshoring Research Network bespreekt de resultaten van een
bevraging uitgevoerd door het Duke Center of International Business Education and
Research, in samenwerking met Archstone Consulting. Resultaten zijn beschikbaar
voor de VS (2001 tot 2006) en de VS en Europa (2006). Deze resultaten worden door
verschillende auteurs gebruikt, zoals Lewin et al. 2006 en Manning et al. 2008.
Zoals blijkt uit figuur 8.3 komen andere bedrijfsfuncties dan de hoofdactiviteit veel vaker in aanmerking voor uitvoering door een buitenlandse
(interne of externe) partner. Circa 18% van de ondernemingen laat minstens één andere (diensten)functie in het buitenland uitvoeren. De logistieke en transportactiviteiten worden het vaakst in het buitenland uitgevoerd. Ongeveer 6% van de Vlaamse ondernemingen laat activiteiten als
verpakking, opslag, transport en distributie geheel of gedeeltelijk uitvoeren door een in het buitenland gevestigd bedrijf. Ook voor activiteiten in
verband met ICT (hardware, software, ondersteuning en telecomdiensten)
doet 6% van de Vlaamse bedrijven een beroep op buitenlandse partners.
Het zijn ook deze twee bedrijfsfuncties, logistiek & transport en ICT, die
de voorbije 5 jaar het vaakst werden uitbesteed, dit wil zeggen verplaatst
van interne uitvoering door het bedrijf naar aankoop bij een in het buitenland gevestigde onderneming.
De marketing- en verkoopactiviteiten worden ook in behoorlijk wat gevallen in het buitenland uitgevoerd. Ongeveer 5% van de organisaties laten
activiteiten zoals het markt- en opinieonderzoek (gedeeltelijk) in het buitenland uitvoeren. Ongeveer 4% van de organisaties laat O & O-activiteiten
in het buitenland uitvoeren.
Figuur 8.3: Aandeel ondernemingen dat bedrijfsfuncties laat uitvoeren in het buitenland; Vlaamse ondernemingen met meer dan 5 werknemers, 2008
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
183
Figuur 8.3 toont verder dat Vlaamse organisaties functies zoals het financieel, juridisch en administratief beheer minder in het buitenland laten uitvoeren. Dit is niet onlogisch, omdat activiteiten zoals administratie en
boekhouding vaak onder lokale regelgeving vallen. Voor ingenieur-technische en technologische activiteiten heeft ongeveer 3% van de ondernemingen buitenlandse partners. Activiteiten in verband met personeelsmanagement worden bij 2% van de organisaties in het buitenland uitgevoerd.
Tot slot zijn er een aantal bedrijfsfuncties waarvoor ondernemingen zelden een beroep doen op buitenlandse partners: zowel het facilitymanagement (schoonmaak, catering, beveiliging) als de klantendienst is nagenoeg
een volkomen lokale activiteit.
Uit de resultaten van het Offshoring Research Network blijkt dat Amerikaanse ondernemingen vooral IT-activiteiten verplaatsen naar het buitenland. De offshoring van IT steeg bij de ondervraagde ondernemingen tussen
2001 en 2005 gemiddeld met 27% per jaar. Productontwikkeling (inclusief
software productontwikkeling) is de tweede belangrijkste functie voor
offshoring bij Amerikaanse ondernemingen. De groei van offshoring van
dergelijke functies is groter dan de groei van offshoring van IT. De derde
belangrijkste categorie van offshoring bij Amerikaanse ondernemingen
betreft administratieve functies, zoals financieel, juridisch en administratief
beheer. Net als Vlaamse ondernemingen verplaatsen Amerikaanse ondernemingen dus vooral ondersteunende diensten en veel minder productieactiviteiten.
4. Focus op de kern
4.1. Offshoring van ondersteunende diensten
Het aantal verschillende internationale contacten blijft bij Vlaamse organisaties meestal beperkt. Van de ondernemingen met buitenlandse partners
laten de meeste (61%) slechts één bedrijfsfunctie uitvoeren in het buitenland. Een kwart doet voor twee of drie bedrijfsactiviteiten een beroep op
een buitenlandse onderneming en een minderheid (12%) heeft voor meer
dan drie functies contacten met buitenlandse ondernemingen.
184
Tabel 8.2 Verdeling volgens aantal bedrijfsfuncties dat in buitenland wordt uitgevoerd;
Vlaamse organisaties met meer dan 5 werknemers, 2008
1 bedrijfsfunctie
2 bedrijfsfuncties
3 bedrijfsfuncties
4 bedrijfsfuncties
5 of meer bedrijfsfuncties
61%
17%
11%
  6%
  6%
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
Het beperkte aantal contacten met het buitenland en de voorkeur voor
externe partners (cf. supra) lijkt te suggereren dat offshoring vooral
gebeurt voor een klein aantal activiteiten die niet tot de kern behoren.
Ondernemingen focussen op kernactiviteiten voor de ontwikkeling en
het behoud van een competitief voordeel. Dit gebeurt onder andere door
offshore uitbestedingen van ondersteunende activiteiten die niet tot de
kern behoren (Lewin et al. 2006b).
4.2. Impact van concurrentie uit het buitenland en redenen voor offshoring
De KEROSINE-survey bevat informatie over de waargenomen concurrentie van de organisaties. Bedrijven die een sterkere concurrentie ervaren
doen meer aan offshoring. Dit geldt vooral voor concurrentie uit het buitenland: bijna de helft van de ondernemingen die sterke concurrentie uit
het buitenland ervaren, laat minstens één activiteit in het buitenland uitvoeren. Van de ondernemingen die weinig concurrentie uit het buitenland
ondervinden, laat slechts 10% activiteiten uitvoeren in het buitenland.
Binnenlandse concurrentie gaat veel minder sterk gepaard met activiteiten
in het buitenland. Ongeveer een kwart van de ondernemingen die veel
concurrentie uit het binnenland ondervinden, laat minstens één activiteit
uitvoeren in het buitenland. Dit staat tegenover ongeveer 15% van de
ondernemingen die weinig binnenlandse concurrentie ervaren.
Offshoring is een van de strategieën die wordt gebruikt om in een globale
economie te overleven (Coucke et al. 2008). De toename van globale concurrentie kan in sommige gevallen leiden tot een verplaatsing van (ondersteunende) activiteiten naar het buitenland. Hoewel de KEROSINE-data
185
een statisch beeld geven, suggereren de data een verband tussen activiteiten
in het buitenland en toename van de waargenomen concurrentie.
De wijze waarop offshoring kan helpen bij globale concurrentie wordt
verder verduidelijkt door de motieven voor offshoring door Amerikaanse
bedrijven in figuur 8.4 (Er zijn geen gelijkaardige gegevens voor Vlaamse
ondernemingen).
Figuur 8.4 toont dat kostenvermindering de belangrijkste reden is voor
offshoring. Offshoring is een van de manieren om een kostenreductie
door te voeren, door een activiteit te verplaatsen naar een locatie waar de
activiteit goedkoper kan worden uitgevoerd. Verschillende landen en
regio’s hebben zich gespecialiseerd in bepaalde functies en kunnen hierdoor zelfs een betere kwaliteit tegen een lagere prijs aanbieden. India is
bijvoorbeeld een populaire bestemming geworden voor Amerikaanse offshoring van ICT, terwijl Taiwan vooral aantrekkelijk is voor de productie
van halfgeleiders. Offshoring van activiteiten naar landen met een comparatief voordeel voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten leidt dus
mogelijk tot een lagere kostprijs en betere kwaliteit. Kostenvermindering
is zowel in Europa, als in de VS het belangrijkste motief voor offshoring
(Lewin et al. 2006a).
Herstructureringen en strategische veranderingen worden soms vergemakkelijkt door offshoring en uitbestedingen. Een verwant voordeel
betreft de flexibiliteit die wordt verhoogd bij offshoring. Strikte regulering
van arbeid kan in die zin leiden tot een mogelijk motief voor offshoring
(Farrell 2006).
186
Figuur 8.4: Redenen voor offshoring bij Amerikaanse ondernemingen
Bron: Lewin et al. 2006a
Figuur 8.4 toont verder aan dat offshoring ook van belang is als deel van de
groeistrategie bij Amerikaanse ondernemingen (Lewin et al. 2006a en
2006b). Het groeipotentieel van ontwikkelingslanden is bijvoorbeeld
belangrijk voor de toekomstige groei van ondernemingen. Amerikaanse
ondernemingen gebruiken offshoring ook voor een betere toegang tot
(hoogopgeleid) personeel. Europese ondernemingen lopen hier volgens
het Offshoring Research Network achter.
De toegang tot nieuwe markten is een belangrijk motief voor Europese
ondernemingen. Europese ondernemingen gaan anders om met de toename van de globale concurrentie, in die zin dat Europese bedrijven door
een lokale aanwezigheid bij offshoring nieuwe markten trachten te betreden (Lewin et al. 2006a). De penetratie van een bepaalde markt zou gemakkelijker verlopen wanneer een deel van de activiteiten al aanwezig is in het
land van bestemming. De marktpenetratie is verder vooral van belang
voor kleine ondernemingen, die door een beperkte aanwezigheid snel
kennis kunnen vergaren van de markt (Manning et al. 2008).
4.3. Nearshoring
De KEROSINE-data wijzen echter op het beperkte belang van verre verplaatsingen naar lageloonlanden: het gros van de contacten van Vlaamse
187
bedrijven met buitenlandse (interne of externe) partners speelt zich
immers af binnen de westerse economie. Figuur 8.5 toont dat activiteiten
zelfs bij voorkeur verplaatst worden naar een van de drie belangrijkste
handelspartners: voor alle bedrijfsfuncties, zowel hoofdactiviteit als
ondersteunende diensten, zijn ondernemingen uit Duitsland, Frankrijk,
of Nederland veruit de belangrijkste partners.
Figuur 8.5: Aandeel ondernemingen dat bedrijfsfuncties laat uitvoeren in het buitenland
en locatie van de partners; Vlaamse organisaties met meer dan 5 werknemers, 2008
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
De opkomende economieën zijn nauwelijks van belang voor Vlaamse
ondernemingen: zelfs voor ICT-activiteiten doen bedrijven zelden een
beroep op partners uit Brazilië, Rusland, India of China (BRIC), wat in contrast staat met offshore uitbestedingsstrategieën van Amerikaanse ondernemingen (Lewin et al. 2006a). Michel (2009) toont aan dat er op Belgisch
niveau ook sprake is van nearshoring: de meeste offshoring gebeurt naar
buurlanden en nieuwe EU-lidstaten. De snelst groeiende landen die offshoring activiteiten aantrekken bevinden zich in Centraal- en Oost-Europa.
Europese ondernemingen hebben een voorkeur voor locaties die weinig
culturele of taalkundige verschillen vertonen. Dit geldt minder voor Amerikaanse ondernemingen, die veel meer gebruikmaken van opportuniteiten in landen zoals India, China en de Filippijnen (Lewin et al. 2006a).
188
4.4. Offshoring volgens bedrijfskenmerken
Uit een sectorale indeling van de KEROSINE-data blijkt dat zowel industriële ondernemingen als bedrijven uit de dienstensector een beroep doen
op buitenlandse ondernemingen: ruim een kwart van de industriële ondernemingen laat activiteiten uitvoeren in het buitenland, en in de private dienstensector ligt dit percentage nagenoeg even hoog. Enkel in sectoren die erg
op de lokale economie gericht zijn, zoals de bouw en de publieke diensten,
blijven de contacten met het buitenland beperkt.
Tabel 8.3: Aandeel bedrijven dat minstens één activiteit laat uitvoeren in het buitenland;
verdeling naar hoofdsector; Vlaamse ondernemingen met meer dan 5 werknemers, 2008
Huidige situatie
Recente uitbestedingen (voorbij 5 jaar)
%
Std. fout
%
Std. fout
Industrie
27,26
2,93
12,79
2,01
Bouw
  6,75
2,87
  0,18
0,17
Tertiair
22,73
2,29
12,53
1,78
Quartair
  5,39
1,19
  3,73
1,03
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
Tabel 8.4 toont dat vooral grotere ondernemingen in Vlaanderen activiteiten
laten uitvoeren in het buitenland. Ongeveer 30% van de ondernemingen met
meer dan 100 werknemers hebben minstens één partner in het buitenland,
terwijl dit aandeel bij kleinere bedrijven systematisch lager ligt.
Tabel 8.4: Offshoring naar grootteklasse
6-10 werknemers
12,4%
11-100 werknemers
22,0%
+ 100 werknemers
28,2%
Bron: KEROSINE-survey; Bewerking: HIVA-K.U.Leuven
Grotere ondernemingen kiezen vaker voor ondernemingsinterne offshoring, terwijl kleinere ondernemingen wegens beperktere middelen en
capaciteit meestal afhankelijk zijn van externe partners (Lewin et al.
2006a). Figuur 8.6 toont enkele resultaten uit het onderzoek voor de VS.
De resultaten wijzen op het belang van offshoring voor productontwikke189
ling bij kleine ondernemingen. Dit houdt verband met de beperkte schaal
van kmo’s en de hoge kostprijs van O&O. Ondernemingen die de O&Oactiviteiten verplaatsen naar landen zoals India of China trachten op die
manier een betere productontwikkeling aan een lagere kostprijs te verkrijgen. 25 Figuur 8.6 wijst ook op het motief om te focussen op de kernactiviteiten, waarbij callcentra, IT en de administratie door heel wat Amerikaanse ondernemingen worden verplaatst naar het buitenland (Manning
et al. 2008).
Figuur 8.6: Offshoring op functioneel niveau volgens grootte van onderneming
Bron: Manning et al. 2008, p.37
Offshoring brengt bovendien een andere kijk op de producten en diensten
met zich mee. Leermogelijkheden door interculturele communicatie en
samenwerking met het buitenland bieden soms gunstige perspectieven
voor snellere productontwikkeling (Ungson & Wong 2008).
25
190
Omdat de vraag naar hoogopgeleiden groot is, terwijl het aanbod in de westerse wereld
relatief klein is, hebben kleinere ondernemingen soms meer moeilijkheden bij het
vinden en behouden van gekwalificeerd personeel. Het tekort aan wetenschappers en
ingenieurs in ontwikkelde landen leidt volgens de literatuur tot ‘next-generation
offshoring’ (Manning et al. 2008).
5. Kosten en risico’s bij het verplaatsen van activiteiten naar het buitenland
Een eerste belangrijk element bij de keuze van een offshorelocatie zijn
uiteraard de kosten die geassocieerd wordt met de uitvoering van de activiteit in de offshore locatie. Deze kosten en lasten behelzen loonkosten,
kost van onroerend goed, infrastructuur en verwante diensten en middelen (bv. internet en energie), maar ook vennootschapsbelasting. De tweede
categorie van factoren betreft het aanbod van de vereiste vaardigheden voor
de uitvoering van de activiteit. De locatie moet namelijk een werknemers­
potentieel met de juiste kwalificaties omvatten. De aanwezigheid van
gekwalificeerde personen is echter niet voldoende. Het verloop en de
dynamiek van de arbeidsmarkt zijn tevens van belang. Offshoring naar
populaire locaties leidt immers tot een hoger verloop van personeel. Het
verloop van IT-personeel voor banken loopt op tot 40% in sommige Indische steden. De duurzaamheid van de arbeidsrelaties lijkt een van de
grootste uitdagingen en risico’s van offshoring te zijn (Farrell 2006).
De derde categorie betreft de ruimere omgevingsfactoren. Deze factoren
behelzen vooral de kwaliteit van de instituties. Een goede werking van de
overheid is meebepalend voor het succes van offshoring. Andere elementen zijn de bedrijfsomgeving, net als de lokale leefomstandigheden en de
bereikbaarheid van de locatie. Sommige locaties worden gekenmerkt door
onveiligheid, onstabiele politieke omgeving, een beperkte bescherming
van intellectueel eigendom, hoge inflatie enzovoort. De problemen door
culturele en institutionele verschillen worden regelmatig onderschat, wat
op termijn negatieve gevolgen met zich mee kan brengen.
De meeste ondernemingen ondervinden de kosten en risico’s pas wanneer de verplaatsing van de activiteit al is gebeurd (Manning et al. 2008).
Ondernemingen in Europa hebben in vergelijking met de VS minder ervaring met offshoring, waardoor Europese ondernemingen zich volgens
Lewin et al. (2006a) ook minder bekommeren om risico’s van offshoring.
Bij de Europese ondernemingen ligt de nadruk vooral op culturele verschillen, terwijl Amerikaanse ondernemingen vooral bezorgd zijn over
een stabiele arbeidsmarkt, kwaliteit van diensten en databeveiliging.
191
Ungson & Wong (2008) geven verschillende voorbeelden van negatieve
gevolgen bij een slechte implementatie van offshoring. Een slechte implementatie kan bijvoorbeeld leiden tot langere doorlooptijden bij bestellingen, slechte kwaliteit, hoge totale kosten en beschadigingen bij transport.
Een goede kritische analyse van de locatie vooraf is dus fundamenteel
voor een juiste beslissing. Een verkeerde keuze kan nefast zijn voor ondernemingen, aangezien de terugkeer naar de oorspronkelijke locatie een
hoge kost met zich mee kan brengen. In elk geval moet offshoring gepaard
gaan met een goede uitvoering ervan binnen de ondernemingsstrategie.
Offshoring zorgt immers voor extra complexiteit.
6. Relatie met mogelijk jobverlies
Internationale verplaatsingen van activiteiten kunnen leiden tot herstructureringen op lokaal vlak. De verplaatsing van een activiteit naar het buitenland impliceert immers de verplaatsing van de uitvoering van deze activiteit. Een dergelijke verplaatsing suggereert werkgelegenheidsverlies in het
binnenland, tegenover een werkgelegenheidstoename in het buitenland.
De mogelijke impact van offshoring heeft al geleid tot grote discussies.
Een gebrek aan harde gegevens zorgt in veel gevallen voor onduidelijkheid
op dit vlak. Harrison & McMillan (2006) waarschuwen binnen deze context voor studies die geen rekening houden met de algemene herstructureringen. Deze herstructureringen zijn immers niet het gevolg van verplaatsingen van activiteiten naar het buitenland, maar typerend voor een
economie in ontwikkeling naar een nieuw groeistadium.
Voorstanders van offshoring duiden op een algemene welvaartstoename,
waarbij offshoring zou toelaten de comparatieve voordelen van een regio
beter te benutten. Tegenstanders wijzen vooral op mogelijke directe negatieve gevolgen voor de lokale werkgelegenheid. Een dergelijke negatieve
impact kan wel op korte termijn gelden, maar is niet noodzakelijk geldig
op lange termijn. Offshoring is voor sommige ondernemingen immers een
strategie om efficiënter te werken. Coucke et al. (2008) zien offshoring als
een overlevingsstrategie van Belgische bedrijven in globale bedrijfstakken.
192
Een categorieke veroordeling van de verplaatsing van jobs naar het buitenland lijkt dus niet aangewezen. Activiteiten worden bovendien ook
verplaatst naar Vlaanderen, wat zorgt voor werkgelegenheid, technologische spillovers en de creatie van toegevoegde waarde. De literatuur vindt
over het algemeen een kleine of niet-significante impact van offshoring op
de werkgelegenheid in ontwikkelde landen (OECD 2007a; Harrison et al.
2006). Sommige auteurs benadrukken de korte termijn negatieve effecten
van offshoring op werkgelegenheid, terwijl andere auteurs de positieve
effecten op lange termijn benadrukken.
Michel (2009) geeft aan dat de impact van offshoring klein is in vergelijking met het jaarlijks verloop van jobs in een economie. Er bestaat volgens
deze auteur geen empirisch bewijs van een sterke impact op de werkgelegenheid. Ook voor België, waarbij Michel (2009) offshoring meet als het
aandeel van geïmporteerde tussenproducten (halffabricaten) in de output
van een land, wordt geen significant effect gevonden. Michel (2009) geeft
binnen deze studie wel aan dat het aandeel van de offshoring voor industriële productie veel hoger ligt dan voor diensten. In die lijn zou er volgens
het OECD (2007a) een grotere impact van offshoring voorkomen op sommige types van werknemers, met name laaggeschoolde arbeiders die in
sommige gevallen geconcentreerd zijn in bepaalde regio’s.
Voor Vlaanderen liggen de conclusies op basis van de KEROSINE-data in
de lijn van de internationale bevindingen. In Geurts (2009) wordt de
impact van de uitbesteding op de evolutie van het aantal arbeidsplaatsen
op bedrijfsniveau bestudeerd. Ook de resultaten van deze analyse weerleggen de hypothese dat uitbesteding zou leiden tot de destructie van jobs:
de werkgelegenheidsevolutie bij uitbesteders verschilt niet significant van
die van niet-uitbesteders.
7. Conclusies en beleidsaanbevelingen
Offshoring is voor een belangrijke en groeiende groep van ondernemingen
in Vlaanderen, vooral deze die blootgesteld zijn aan intense globale concurrentie, een belangrijke (overlevings)strategie geworden. Ongeveer een
193
vijfde van de Vlaamse ondernemingen laat minstens één activiteit door
een buitenlandse partner uitvoeren. De meeste bedrijven, waaronder
vooral de Vlaamse ondernemingen zonder vestigingen in het buitenland,
doen hierbij een beroep op externe partners.
Het is ook duidelijk dat de traditionele opvatting over internationale uitbesteding, waarbij voornamelijk het beeld opduikt van laaggekwalificeerde,
industriële arbeid die wordt verplaatst naar verre landen, onterecht is.
Zowel industriële ondernemingen als bedrijven uit de dienstensector doen
een beroep op offshoring. De ondernemingen doen vooral voor het leveren van ondersteunende en logistieke diensten een beroep op buitenlandse
bedrijven, en veel minder voor productieactiviteiten. Ongeveer een op vijf
van de Vlaamse ondernemingen laat diensten gaande van O&O tot ICT of
marketing uitvoeren door een buitenlandse partner. Slechts een kleine
minderheid (2,5%) laat een deel van de hoofdactiviteit uitvoeren in het
buitenland. Ten slotte blijkt ook het beeld van de verre verplaatsingen naar
lagelonenlanden misleidend, aangezien het gros van de contacten van
Vlaamse bedrijven met buitenlandse partners binnen de westerse economie voorkomen. Activiteiten worden zelfs bij voorkeur verplaatst naar
een van de drie belangrijkste handelspartners (Duitsland, Frankrijk,
Nederland).
Net als in andere studies die het verband met jobverlies door offshoring in
België en andere industriële landen gemeten hebben, is er niet echt sprake
van een significant jobverlies door de verplaatsing van activiteiten naar
het buitenland. Veelal betreft de offshoring een onderdeel van een activiteit waarbij de waarde- en aanbodketen van ondernemingen gespreid
worden om een concurrentiële positie op competitieve wereldmarkten te
kunnen behouden. Succesvolle bedrijven zullen hierdoor een grotere
groei kunnen realiseren die ook de (kern)activiteiten in Vlaanderen ten
goede komen. Vanuit de overheid en betrokken stakeholders is het hanteren van een dergelijke globale visie belangrijk in het ontwerpen van een
aangepast beleid. Ondernemingen verankeren door een restrictief vestigingsbeleid en/of hoge relocatiekosten (ontslagvergoedingen, regulering…) zal niet enkel verhinderen dat ondernemingen kunnen overleven
in concurrentiële globale markten, maar dergelijke belemmeringen zullen
194
ook averechts werken bij het aantrekken van nieuwe activiteiten van multinationale ondernemingen in Vlaanderen.
8. Referenties
−− Amiti, M. & Wei, S.J. (2005a), Service Offshoring, Productivity, and Employment: Evidence from the United States. IMF Working Paper, nr. 05/238.
−− Amiti, M. & Wei, S. (2005b), ‘Fear of Service Outsourcing: Is it Justified?’,
Economic Policy, 20, (42): 308-347.
−− Coucke, K. & Sleuwaegen, L. (2008), ‘Offshoring as a survival strategy:
evidence from manufacturing firms in Belgium’, Journal of International
Business Studies, 39, (8): 1261-1277.
−− Decocker, V. & Wynants, L. (2008), Uitbesteding in Vlaanderen in kaart gebracht, KEROSINE. Restructuring organisations in the Knowledge
Economy: 1-100.
−− Farrell, D., Laboissière, M.A. & Rosenfeld, J. (2006), ‘Sizing the Emerging
Global Labor Market: Rational Behavior from Both Companies and
Countries Can Help It Work More Efficiently’, Academy of Management
Perspectives, 20, (4): 23-34.
−− Farrell, D. (2006), ‘Smarter Offshoring’, Harvard Business Review, 84, (6): 84-92.
−− Gereffi, G. & Korzeniewicz, M. (1994), Commodity Chains and Global
Capitalism, Westport: Praeger Publishers.
−− Geurts, K., Ramioul, M. & Vets, P. (2009), Employee flows to improve measures
of job creation and destruction and of firm dynamics. The case of Belgium, Kerosine Working Paper presented at the 2009 Comparative Analysis of Enterprise (Micro) Data (CAED) Conference, Tokio, 2-4 oktober 2009.
−− Geurts, K. (2009), ‘Als werk verhuist. Uitbesteding en werkgelegenheid
in Vlaamse ondernemingen’, Over Werk, 19, (3): 51-61.
−− Geurts, K. & Ramioul, M. (2007), Tracing employment in business functions. A
sectoral and occupational approach. Paper presented at the ISA Conference
‘New challenges in work and employment’, Montreal, 28-30 augustus 2007.
−− Harrison, A.E. & McMillan, M.S. (2006), ‘Dispelling Some Myths
About Offshoring’, Academy of Management Perspectives, 20, (4): 6-22.
195
−− Knabe, A. & Koebel, B. (2006), ‘The Economic Rationale and Labour
Markets Effects of Outsourcing: A survey’, in: P. Barrar & R. Gervais
(eds.), Global Outsourcing Strategies: An International Reference on Effective
Outsourcing Relationships, Aldershot-Burlington: Gower Publishing.
−− Kogut, B. (1985a), ‘Designing Global Strategies: Comparative and Competitive Value-Added Chains’, Sloan Management Review, 26, (4): 15-28.
−− Kogut, B. (1985b), ‘Designing Global Strategies: Profiting from Operational
Flexibility’, Sloan Management Review, 27, (1): 27-38.
−− Levy, D.L. (2005), ‘Offshoring in the New Global Political Economy’,
Journal of Management Studies, 42, (3): 685-692.
−− Lewin, A.Y. & Couto, V. (2006a), Next Generation Offshoring. The Globalization
of Innovation. 2006 Survey Report, Offshoring Research Network,
Duke: Booz Allen Hamilton.
−− Lewin, A.Y. & Peeters, C. (2006b), ‘The Top-Line Allure of Offshoring’,
Harvard Business Review, 84, (3): 22-23.
−− Manning, S., Massini, S. & Lewin, A.Y. (2008), ‘A Dynamic Perspective
on Next-Generation Offshoring: The Global Sourcing of Science and
Engineering Talent’, Academy of Management Perspectives, 22, (3): 35-54.
−− Michel, B. (2009), The impact of Offshoring on Employment in Belgium. Federal
Planning Bureau, Working Paper 1-09.
−− OECD (2007a), Moving Up the Value Chain: Staying Competitive in the Global
Economy, Parijs: OECD.
−− OECD (2007b), Offshoring and Employment, Trends and impacts, Parijs: OECD.
−− Porter, M.E. (1985), Competitive advantage: creating and sustaining superior
performance, New York: Free Press.
−− Sako, M. (2006), ‘Outsourcing and Offshoring: Implications for
Productivity of Business Services’, Oxford Review of Economic Policy, 22, (4):
499-512.
−− Ungson, G.R. & Wong, Y. (2008), ‘Global Strategic Management’, New
York: M.E. Sharpe.
196
Deel IV:
Internationale samenwerkingsverbanden
9.Stimuleren van O&O-samenwerking:
de impact van beleidsmaatregelen
op internationale O&O-samenwerkingen
in Europa (EU-15)
Catherine Lecocq, Katholieke Universiteit Leuven
Dries Faems, Universiteit Twente en Katholieke Universiteit Leuven
Bart Van Looy, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
De competitiviteit en het innovatievermogen van het industrieel weefsel
van een land bepalen in belangrijke mate verschillen tussen landen in termen van economische groei en welvaart. In het innovatieproces spelen
kenniscreatie, kennisdiffusie en kennisexploitatie een centrale rol. Deze
komen tot stand door middel van continue interactie tussen verschillende
actoren. Concepten als Nationale Innovatie Systemen (Lundvall 1992;
Freeman 1987; Nelson 1993) en het Triple Helix Model (Leydesdorff & Etzkowitz 1996 en 1998) beschouwen het geheel van interacties tussen diverse
innovatie actoren – bedrijven, universiteiten en de overheid – als belangrijke drijfveren voor de innovatiedynamiek binnen een economisch systeem. Deze interacties kunnen verschillende vormen aannemen zoals
O&O-samenwerking tussen bedrijven onderling, gezamenlijk onderzoek
tussen bedrijven en kenniscentra, kennis- en technologiediffusie en de
mobiliteit van personen (OECD 1997). In het concept van Nationale Innovatie Systemen spelen ondernemingen een centrale rol in het innovatieproces: bedrijven zijn immers gericht op de economische exploitatie van
197
innovaties. Daarnaast heeft men ook aandacht voor de O&O-activiteiten
van universiteiten en publieke onderzoekscentra. In de ruime betekenis,
omvat het concept echter ook de bredere institutionele, maatschappelijke
en economische omgeving waarbinnen innovatieprocessen zich ontvouwen (Lundvall 1992). In het Triple Helix Model wordt relatief meer aandacht besteed aan de rol van de ‘ondernemende’ universiteit in het innovatieproces. Het basisonderzoek dat aan deze kennisinstellingen gebeurt,
legt een belangrijke basis voor een innovatieve economie (Nelson 2004).
De ondernemende oriëntatie van universiteiten zorgt er bovendien voor
dat de kennis ontwikkeld aan universiteiten ook in toenemende mate
wordt verspreid en bijdraagt tot (regionale) ontwikkeling via onder meer
contractonderzoek met industriële partners, het creëren van intellectuele
eigendom en het opzetten van spin-off ondernemingen (VRWB 2006).
Empirisch onderzoek bevestigt dat O&O-samenwerking tussen verschillende innovatieactoren leidt tot betere innovatieve prestaties van (regionale) innovatiesystemen (Lecocq & Van Looy 2009) en van bedrijven (voor
een overzicht van deze studies, zie de Man & Duysters 2005). In functie van
de innovatiedoelstelling – exploratie of het verwerven van nieuwe kennis
versus exploitatie of commercialisatie op basis van bestaande kennis en
vaardigheden (Koza & Lewin 1998) – maken bedrijven een keuze tussen
verschillende types van samenwerkingspartners (klant, leverancier, concurrent, universiteit, publieke onderzoeksinstelling). Onderzoek van
Faems et al. (2005) toont aan dat samenwerking met universiteiten en kennisinstellingen een positieve impact heeft op de ontwikkeling van nieuwe
technologieën en producten, terwijl de samenwerking met andere bedrijven (klanten en leveranciers) leidt tot verbetering van het bestaande productgamma van bedrijven. Verder onderzoek in hoofdstuk 10 geeft bovendien aan dat vooral samenwerking met internationale partners aanleiding
geeft tot de verbetering van de radicale innovatiekracht van bedrijven.
Analoog, maar op het niveau van de Europese regio’s, vinden Lecocq &
Van Looy (2009) een positieve relatie tussen internationale samenwerking
– tussen bedrijven onderling, alsook tussen bedrijven en universiteiten –
en de technologische performantie van de regio’s.
Bovenstaand onderzoek geeft het belang aan van samenwerking tussen
198
bedrijven en kennisinstellingen voor de innovatieve performantie van
bedrijven en innovatiesystemen. Het innovatief vermogen van landen
wordt echter ook medebepaald door institutionele verschillen, ook de
gemeenschappelijke innovatie-infrastructuur genoemd (Furman et al.
2002). Deze bestaat onder meer uit het wetenschaps- en technologiebeleid
van een land, de organisatie van het hoger onderwijs en de regelgeving met
betrekking tot intellectuele eigendom, concurrentie en fiscaliteit.
Dit brengt ons bij de rol van de overheid, de derde pijler van innovatiesystemen. De rol van de overheid bestaat uit het scheppen van een kader voor
het efficiënt en dynamisch functioneren van markten (Hauknes & Nordgren
1999). Daarnaast vormt marktfalen een aandachtspunt voor overheden.
Marktfalen in termen van innovatie, en meer bepaald in het langetermijn
fundamenteel onderzoek is het gevolg van het onzekere karakter van dergelijke onderzoeksactiviteiten, de vaak lange tijdshorizon alvorens exploitatie zich aandient, en de hiermee samenhangende moeilijkheden en
beperkingen voor innovatieactoren om zich de resultaten van de onderzoeksactiviteiten volledig toe te eigenen. Indien ondernemingen het risico
van investeringen in O&O te hoog inschatten, zullen zij afzien van dergelijke investeringen. Dit resulteert in een aantal gevallen in een suboptimale
investering in innovatieve activiteiten vanuit een maatschappelijk oogpunt (Arrow 1962). Via het financieel stimuleren van O&O-activiteiten
van bedrijven, het verstevigen van de intellectuele eigendomsrechten en
het toewijzen van publieke middelen voor basisonderzoek aan universiteiten en publieke onderzoekscentra, kan de overheid dergelijk martktfalen
remediëren. In de meeste innovatiesystemen, heeft dit geleid tot een de
facto taakverdeling tussen bedrijven en de – voornamelijk met publieke
middelen gefinancierde – onderzoekscentra en universiteiten, waarbij
deze laatste vooral betrokken zijn in langetermijn basisonderzoek.
In een dergelijke structuur, waarbij bedrijven zich vooral toespitsen op het
meer toegepast onderzoek en waarbij het basisonderzoek voornamelijk
gedaan wordt door publieke kenniscentra, is niet enkel de prestatie van de
individuele actoren, maar ook de interactie tussen de verschillende actoren
uitermate belangrijk voor de innovatieve performantie van het systeem.
Wanneer deze interacties onvoldoende aanwezig zijn, kan dit leiden tot
199
vertraging van de technologische vooruitgang; immers nieuwe inzichten
uit meer fundamenteel onderzoek worden dan minder snel vertaald naar
marktapplicaties. Dergelijk gebrek aan afstemming tussen elementen in
het innovatiesysteem wordt ook ‘systeemfalen’ genoemd (OECD 1998).
Systeemfalen leidt tot nieuwe domeinen voor overheidsoptreden. De rol
van de overheid betreft hier het verbeteren van de innovatieve capaciteit
van actoren door de toegang tot externe kennis en wisselwerking te faciliteren. Dit gebeurt via instrumenten om samenwerking tussen bedrijven,
universiteiten en publieke onderzoekscentra te bevorderen.
In navolging van de toenemende populariteit van modellen als het Nationaal Innovatie Systeem en Triple Helix, ziet men het laatste decennium dan
ook een belangrijke stijging van het aantal beleidsmaatregelen gericht op
het stimuleren van O&O-samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen. Of deze maatregelen ook daadwerkelijk een impact hebben op het
(internationale) samenwerkingsgedrag van bedrijven en kennisinstellingen,
blijft echter onduidelijk. In dit hoofdstuk bestuderen we O&O-samenwerkingsmaatregelen van 15 Europese landen 26 over de periode 1996-2007.
Eerst bekijken we in welke mate deze beleidsmaatregelen ook daadwerkelijke samenwerking, al dan niet internationaal, tussen bedrijven en kennisinstellingen ondersteunen. Vervolgens gaan we na of beleidsmaatregelen ook een impact hebben op (internationale) O&O-samenwerking.
2. O&O-samenwerkingsmaatregelen
In dit hoofdstuk richten we ons op beleidsmaatregelen die O&O-samenwerking tussen de verschillende innovatieactoren ondersteunen. Dergelijke maatregelen vallen onder het wetenschaps- en technologiebeleid. Dit
is vooralsnog voornamelijk een nationale bevoegdheid, hoewel in toenemende mate ook regionale en supranationale (Europa) overheden een rol
26
200
De landen in onze dataset zijn België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk,
Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje,
Zweden en het Verenigd Koninkrijk.
spelen. Belangrijke uitzondering hierop is België, waar het wetenschapsen technologiebeleid in handen is van de regio’s. Deze studie omvat enkel
nationale beleidsmaatregelen. Daarom worden voor België de maatregelen
op het niveau van Vlaanderen, Wallonië en Brussel samengenomen.
Vertrekpunt van de analyse is de inventaris van de nationale beleidsmaatregelen voor onderzoek en innovatie opgesteld door de Europese Commissie
en beschikbaar via het ERAWATCH en INNO-Policy Trend Chart informatieplatform. 27 Dit platform brengt op gestructureerde wijze informatie en
documentatie samen over het innovatiebeleid, de beleidsmaatregelen en
programma’s in alle Europese landen, alsook een aantal andere OECD-landen. Uit deze inventaris selecteren we alle beleidsmaatregelen die gericht
zijn op het ondersteunen van O&O-samenwerking tussen verschillende
innovatieactoren. 28 Deze bestaan onder meer uit gezamenlijke projecten en
publiek-private samenwerking met onderzoeksinstellingen. In een volgende stap wordt een aantal kenmerken van deze maatregelen gecodeerd
zoals de start- en einddatum van de maatregel, de doelgroep(en), en de
openheid van de maatregel voor internationale partners. Het coderen van
de kenmerken van beleidsmaatregelen laat toe om op jaarbasis en voor elk
land het aantal en de verschillende soorten maatregelen in termen van doelgroepen (universiteiten, publieke onderzoeksinstellingen en bedrijven) in
kaart te brengen. Een maatregel wordt als ‘internationaal’ beschouwd als ze
openstaat voor samenwerking met internationale partners, dit zijn bedrijven en/of kennisinstellingen gelegen in het buitenland. 29
De informatie met betrekking tot budget en/of jaarlijkse uitgaven van
beleidsmaatregelen blijkt onvoldoende beschikbaar voor vergelijkende
analyses over verschillende landen heen.
We onderscheiden drie verschillende soorten beleidsmaatregelen in functie
27
http://www.proinno-europe.eu.
28
We selecteren alle maatregelen die opgenomen zijn onder 2.2.1 Onderzoek en
technologie, O&O-samenwerking.
29
Programma’s die openstaan voor buitenlandse personen die werken in het land, maar niet
nadrukkelijk verwijzen naar openheid voor internationale kennisinstellingen of bedrijven,
alsook programma’s die niets specificeren inzake internationale samenwerking, worden
beschouwd als zijnde beleidsmaatregelen gericht op nationale innovatieactoren.
201
van de beoogde doelgroepen: S-I omvat alle beleidsmaatregelen gericht op
het ondersteunen van samenwerking tussen universiteiten of publieke
onderzoekscentra (‘Science’) en bedrijven (‘Industry’), I-I is gericht op
samenwerking tussen industriële partners en S-S op samenwerking tussen
kennisinstellingen (universiteiten en/of publieke onderzoekscentra). Grafiek
9.1 toont dat het aantal beleidsmaatregelen gericht op het ondersteunen
van O&O-samenwerking in de periode 1996-2007 in Europa sterk is toegenomen. Dit geldt vooral voor de maatregelen die gericht zijn op samenwerking tussen kennisinstellingen (universiteiten en/of publieke onderzoekscentra) en bedrijven. Maatregelen specifiek gericht op samenwerking
tussen kennisinstellingen (universiteiten en/of publieke onderzoekscentra)
of bedrijven onderling zijn ook toegenomen, maar minder uitgesproken.
Grafiek 9.1: Evolutie van het aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen
Bron: ERAWATCH en INNO-Policy Trend Chart informatieplatform
Grafiek 9.2 geeft weer dat er belangrijke verschillen zijn tussen landen in
termen van O&O-samenwerkingsmaatregelen: sommige landen ontwikkelen een groot aantal en/of een grote verscheidenheid aan overheidsmaatregelen, terwijl andere landen zich beperken tot een meer gefocuste set van
maatregelen of zelfs tot één specifieke vorm van O&O-samenwerking. In
Luxemburg is er in de periode 1996-2007 geen enkele maatregel in voege
om O&O-samenwerking tussen innovatieactoren te bevorderen.
202
Grafiek 9.2: Aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen per land (2007)
Bron: ERAWATCH en INNO-Policy Trend Chart informatieplatform
We kijken vervolgens ook naar de mate waarin beleidsmaatregelen internationale samenwerking ondersteunen. Tabel 9.1 geeft het gemiddeld aantal beleidsmaatregelen aan – in functie van de doelgroepen – alsook het
gemiddeld aantal beleidsmaatregelen die ruimte bieden aan internationale
partners. Ook hier zien we dat beleidsmaatregelen met betrekking tot O&Osamenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen het meest voorkomen. Bovendien zijn deze maatregelen ook het meest internationaal gericht
(52%). Maatregelen ter ondersteuning van O&O-samenwerking tussen
bedrijven onderling zijn het minst internationaal gericht (14%).
Tabel 9.1: Gemiddeld aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen (periode 1996-2007)
S-S maatregelen
S-I maatregelen
I-I maatregelen
Aantal maatregelen
Gemiddelde
0,82
2,94
0,41
Standaard deviatie
1,40
3,72
0,94
Min-max
0-6
0-20
0-5
Aantal maatregelen open voor internationale partners
Gemiddelde
0,27
1,54
0,06
Standaard deviatie
0,72
2,63
0,23
Min-max
Aandeel internationaal
0-4
0-13
0-1
33%
52%
14%
Bron: ERAWATCH en INNO-Policy Trend Chart informatieplatform
203
3. Diverse vormen van O&O-samenwerking
Om de impact van beleidsmaatregelen op het aantal O&O-samenwerkingen te bestuderen, wordt de bovenstaande dataset met beleidsmaatregelen
verder aangevuld met patentgegevens van de European Patent Office
(EPO). Patenten met meerdere aanvragers/houders, zogenaamde copatenten, worden gebruikt als indicator voor het aantal O&O-samenwerkingen
van een land. 30 Deze maatstaf van samenwerking omvat niet alle O&Osamenwerkingen, maar vormt een conservatieve ondergrens voor het
aantal O&O-samenwerkingen in een land (Lecocq et al. 2009). Niet alle
onderzoeksactiviteiten leiden immers tot een patent. Bovendien, zelfs
indien gezamenlijk onderzoek resulteert in een of meerdere patenten, kan
men beslissen om de intellectuele eigendomsrechten te verdelen over de
verschillende partners of kan het gebeuren dat slechts een van de partijen
het patent aanvraagt. Dit laatste is veelvuldig het geval bij samenwerking
tussen bedrijven en publieke kenniscentra, waarbij het patent aangevraagd
wordt door het bedrijf, en er in de patentgegevens geen spoor te vinden is
van samenwerking met een kennisinstelling (Meyer, 1998, Saragossi & Van
Pottelsberghe de la Potterie 2003, Breschi et al. 2007). Patentgegevens laten
toe om de nationaliteit van de aanvragers te identificeren. Copatenten met
aanvragers uit verschillende landen worden beschouwd als indicator voor
‘internationale’ samenwerking. De sectorallocatiemethode ontwikkeld
door het Expertisecentrum O&O-monitoring (Van Looy et al. 2006), laat
toe om – op analoge wijze als voor de overheidsmaatregelen – de copatentgegevens verder op te splitsen in diverse vormen van samenwerking
afhankelijk van het type innovatieactoren betrokken bij de samenwerking
(universiteiten, publieke onderzoekscentra en/of bedrijven). Samenwerkingen met andere types van actoren (bijvoorbeeld ziekenhuizen en individu’s) worden niet opgenomen in deze studie.
30
204
Copatenten waarbij verschillende filialen die tot hetzelfde bedrijf (of dezelfde organisatie) behoren als patenthouder figureren, zonder derde organisatie, worden niet als
samenwerking beschouwd.
Tabel 9.2 geeft voor de 15 Europese landen in de studie een overzicht van
het aantal copatenten, het aandeel van deze copatenten in de totale patentoutput 31 van het land, en het aantal en aandeel van ‘internationale’ copatenten of copatenten met minstens één buitenlandse patenthouder. Vervolgens wordt het aantal internationale copatenten verder onderverdeeld
per type patenthouders (S-I, I-I, S-S en andere). 32 De cijfers in tabel 9.2
tonen aan dat copatenten slechts een beperkte fractie bedragen van het
totaal aantal patenten (gemiddeld 5%). Gemiddeld zijn 45% van deze copatenten internationaal (patenthouders afkomstig van 2 of meerdere landen). Grotere landen hebben over het algemeen meer copatenten (de correlatie met populatie bedraagt 0,85), maar zijn minder internationaal
gericht dan kleinere landen (de correlatie met populatie bedraagt -0,505).
Uit tabel 9.2 blijkt verder dat copatenten tussen industriële actoren het
grootste deel vertegenwoordigen van de internationale copatenten (64%),
terwijl copatenten tussen kennisinstellingen en bedrijven, alsook copatenten tussen kennisinstellingen onderling, beduidend minder voorkomen
(respectievelijk 15 en 17%). Ook hier zijn er belangrijke landverschillen,
waarbij in België, en in mindere mate in Frankrijk, Griekenland en Portugal,
copatenten tussen kennisinstellingen en bedrijven een opmerkelijk groter
aandeel van de internationale copatenten vertegenwoordigen dan in
andere Europese landen.
31
De allocatie van patenten aan landen is gebaseerd op basis van de adressen van
uitvinders (fractionele telling). Voor de copatenten is de allocatie aan landen op
gelijkaardige manier gebeurd, maar op basis van de adressen van patenthouders in
plaats van uitvinders. Aangezien het niet mogelijk is om voor patenten met meerdere
aanvragers, uitvinders te linken aan patenthouders, kunnen we copatenten enkel op
basis van de adressen van de patenthouders aan landen toekennen.
32
Dit betreft onder meer de copatenten tussen personen onderling en copatenten tussen
personen en kenniscentra, bedrijven of ziekenhuizen.
205
Tabel 9.2: Copatenten (gemiddelde per jaar, periode 1996-2007)
België
Denemarken
Duitsland
Finland
Frankrijk
Griekenland
GrootBrittannië
Ierland
Italië
Luxemburg
Nederland
Oostenrijk
Portugal
Spanje
Zweden
Totaal EU-15
copatenten
Intern.
copatenten
1412
921
Intern. S-S
copatenten
% Intern.
copatenten
76
% patenten
% copatenten
Intern. S-I
copatenten
% Intern.
copatenten
302
Intern. I-I
copatenten
% Intern.
copatenten
399
Andere Intern.
copatenten
% Intern.
copatenten
144
  6,3%
65,2%
  8,3%
32,8%
43,3%
585
386
17
49
266
15,6%
54
  5,0%
66,0%
  4,4%
12,7%
68,9%
14,0%
11489
4263
111
415
3062
675
  4,3%
37,1%
  2,6%
  9,7%
71,8%
15,8%
498
239
13
34
130
62
  2,8%
48,0%
  5,4%
14,2%
54,4%
25,9%
7273
2736
181
496
1700
359
  6,9%
37,6%
  6,6%
18,1%
62,1%
13,1%
141
39
7
7
2
23
13,2%
27,7%
17,9%
17,9%
  5,1%
59,0%
3389
1923
105
301
1090
427
  4,6%
56,7%
  5,5%
15,7%
56,7%
22,2%
340
207
9
28
125
45
  7,8%
60,9%
  4,3%
13,5%
60,4%
21,7%
2836
928
42
144
568
174
  5,7%
32,7%
  4,5%
15,5%
61,2%
18,8%
120
114
1
5
82
26
  4,8%
95,0%
  0,9%
  4,4%
71,9%
22,8%
2226
1590
38
199
1187
166
  4,0%
71,4%
  2,4%
12,5%
74,7%
10,4%
1140
652
2
102
424
124
  6,4%
57,2%
  0,3%
15,6%
65,0%
19,0%
72
33
7
7
10
9
  9,6%
45,8%
21,2%
21,2%
30,3%
27,3%
899
277
41
43
123
70
  7,5%
30,8%
14,8%
15,5%
44,4%
25,3%
1119
690
4
63
488
135
  3,4%
61,7%
  0,6%
  9,1%
70,7%
19,6%
33539
14998
654
2195
9656
2493
  5,0%
44,7%
4,4%
14,6%
64,4%
16,6%
Bron: EPO-patenten, PATSTAT-versie 2009
4. De impact van beleid op O&O-samenwerking
Op basis van de paneldataset met O&O-samenwerkingsmaatregelen en
copatenten voor 15 Europese landen over een tijdsperiode van 12 jaar (1996206
2007), gaan we na of fluctuaties inzake het aantal beleidsmaatregelen een
invloed hebben op de hoeveelheid O&O-samenwerking in een land. Fixed
Effect Regressiemodellen worden gebruikt om rekening te houden met niet
geobserveerde heterogeniteit tussen landen. De afhankelijke variabele in
deze modellen is het aantal copatenten (per type) in het jaar t+2. Een lineaire
en kwadratische term 33 van de tijdsvariabele (t) wordt toegevoegd om niet
landspecifieke tijdtrends in termen van samenwerking op te vangen.
Tabel 9.3 rapporteert het meest geaggregeerde model. Hierin wordt de
relatie tussen het totaal aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen en het
aantal O&O-samenwerkingen (gemeten aan de hand van copatenten)
bestudeerd. Model 1 bevat enkel de lineaire term van het aantal beleidsmaatregelen. Deze variabele is positief maar niet significant. In model 2
voegen we ook de kwadratische term van het aantal beleidsmaatregelen
toe. De lineaire term van het aantal beleidsmaatregelen wordt nu positief
en significant, terwijl de kwadratische term negatief significant is. Er
bestaat dus een positief, doch afnemend effect tussen het totaal aantal
beleidsmaatregelen in jaar t en het aantal O&O-copatenten in jaar t+2.
Tabel 9.3: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal copatenten
in t+2 als afhankelijke variabele
Totaal aantal maatregelen
Copatenten t+2
Copatenten t+2
0.0194
   0.0800**
(0.0157)
(Totaal aantal maatregelen)^2
(0.0346)
-0.0027*
(0.0014)
t
     0.4602***
(0.0476)
(0.0482)
t^2
    -0.0438***
   -0.0436***
(0.0038)
(0.0037)
Constante
    0.8226***
    0.8201***
(0.1867)
(0.1838)
Aantal observaties
Loglikelihood
180
-755.2485
    0.4383***
180
-753.3501
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
33
Invoegen van een lineaire en kwadratische term laat toe om positieve, doch afnemende
effecten te meten.
207
In een volgende stap weerhouden we enkel de maatregelen die opengesteld
zijn voor internationale partners en bestuderen we of deze beleidsmaatregelen ook een impact hebben op het aantal internationale samenwerkingen. 34
Analoog aan de modellen in tabel 9.3 controleren we (constante) verschillen
tussen landen door gebruik te maken van Fixed Effect Regressiemodellen.
Tijdsvariabelen t en t kwadraat vangen niet-landspecifieke trends in samenwerking doorheen de tijd op. Tabel 9.4a toont de resultaten voor de maatregelen gericht op samenwerking tussen (internationale) kennisinstellingen
en bedrijven (S-I). Model 1 toont aan dat er een positief en afnemende relatie
is tussen het aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen in jaar t dat open is
voor internationale partners en het aantal internationale samenwerkingen
tussen kennisinstellingen en bedrijven in jaar t+2. Model 2 toont aan dat een
verandering in het aantal internationale S-I samenwerkingen niet gedreven
wordt door het aantal nationale S-I maatregelen (dit zijn de maatregelen
enkel bestemd voor nationale innovatieactoren). Dit wordt nogmaals
bevestigd in model 3 waarbij zowel het aantal internationale als het aantal
nationale S-I maatregelen in hetzelfde model opgenomen worden. In dit
model zijn de internationale beleidsvariabelen significant (invers U relatie),
terwijl de nationale variabele niet significant is.
Tabel 9.4a: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal
internationale copatenten tussen kennisinstellingen en bedrijven in t+2 als
afhankelijke variabele
Intern. S-I copatenten t+2
Aantal internationale
S-I maatregelen
(Aantal internationale
S-I maatregelen) ^2
Aantal nationale
S-I maatregelen
34
208
Intern. S-I copatenten t+2
Intern. S-I copatenten t+2
   0,1946**
   0,2026**
(0,0842)
(0,0833)
  -0,0174**
  -0,0171**
(0,0078)
(0,0077)
0,0482
0,0720
(0.1026)
(0.1081)
Analoge analyses werden uitgevoerd met enkel nationale samenwerking (copatenten) als
afhankelijke variabele. Uit deze analyses blijkt dat enkel de beleidsmaatregelen inzake S-I
een positieve invloed hebben op samenwerking.
(Aantal nationale
S-I maatregelen) ^2
-0,0073
-0,0101
(0,0113)
(0,0119)
     0,4978***
    0,4798***
t
    0,4875***
(0,0737)
(0,0759)
(0,0749)
t^2
    -0,0457***
    -0,0443***
-0,0453***
(0,0057)
(0,0060)
(0,0060)
0,2252
0,1868
0,1897
(0,2731)
(0,3029)
(0,2994)
Constante
Aantal observaties
Loglikelihood
180
-399,2715
180
-401,7394
180
-398,8403
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
We herhalen deze analyses voor de beleidsmaatregelen die internationale
samenwerking tussen kennisinstellingen (S-S) onderling ondersteunen.
Tabel 9.4b geeft weer dat er een lineaire relatie is tussen het aantal maatregelen gericht op samenwerking tussen (internationale) kennisinstellingen en
het aantal internationale samenwerkingen tussen kennisinstellingen (model
1 en 3). Opnieuw wordt dit effect niet gedreven door het aantal maatregelen
dat enkel gericht is op nationale partners (model 2 en 3).
Tabel 9.4b: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal
internationale copatenten tussen kennisinstellingen in t+2 als afhankelijke variabele
Intern. S-S copatenten t+2
Aantal internationale
S-S maatregelen
Intern. S-S copatenten t+2
Intern. S-S copatenten t+2
   0,4781**
    0,4752**
(0,1929)
(0,1926)
Aantal nationale
S-S maatregelen
0,0632
0,0590
(0,1093)
(0,1133)
     0,6671***
     0,6578***
t
     0,6600***
(0,1200)
(0,1205)
(0,1198)
t^2
   -0,0514***
    -0,0515***
    -0,0520***
Constante
Aantal observaties
Loglikelihood
(0,0086)
(0,0087)
(0,0087)
  -0,9651**
  -0,9641**
  -0,9698**
(0,4218)
(0,4264)
(0,4210)
180
180
-259,6153
-262,5768
180
-259,4829
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
209
In een laatste stap kijken we naar O&O-beleidsmaatregelen voor bedrijven (I-I). Tabel 9.4c geeft aan dat het aantal O&O-samenwerkingsmaatregelen die open zijn voor internationale bedrijven geen significant effect
heeft op het aantal internationale samenwerkingen tussen bedrijven. Het
ontbreken van een significante relatie hoeft niet te verwonderen, gezien
het beperkt aantal van deze maatregelen dat in voege is tijdens de periode
1996-2007 (zie tabel 9.1): enkel in België en Oostenrijk werd in deze periode een maatregel ingevoerd (respectievelijk in 2002 en 2004) die samenwerking tussen bedrijven stimuleert en tevens openstaat voor internationale bedrijven. Merk op dat in 2008-2009 ook al de andere landen een
maatregel gericht op internationale samenwerking tussen bedrijven hebben
ingevoerd. Over een paar jaar – wanneer het aantal samenwerkingen voor
de periode 2010-2011 beschikbaar zal zijn – kunnen we dus wel nagaan of
deze maatregelen ook een positieve impact hebben op het aantal samenwerkingen tussen internationale bedrijven.
Tabel 9.4c: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal
internationale copatenten tussen bedrijven in t+2 als afhankelijke variabele
Intern. I-I copatenten t+2
Aantal internationale
I-I maatregelen
Intern.I-I copatenten t+2
Intern.I-I copatenten t+2
0,0418
0,1487
(0,2436)
(0,2868)
Aantal nationale
I-I maatregelen
-0,0545
-0,0834
(0,1000)
(0,1155)
    0,5181***
    0,5193***
t
    0,5141***
(0,0611)
(0,0615)
(0,0616)
t^2
    -0,0473***
   -0,0472***
   -0,0473***
Constante
Aantal observaties
Loglikelihood
(0,0046)
(0,0046)
(0,0046)
    0,4433**
   0,4395**
   0,4417**
(0,2231)
(0,2236)
(0,2236)
180
180
-563,3811
-563,2422
180
-563,1104
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
210
5. Conclusies
Deze studie gaat na wat de impact is van de beleidsmaatregelen ter ondersteuning van O&O-samenwerking in 15 Europese landen over de periode
1996-2007. De studie toont aan dat landen een divers beleid voeren met
betrekking tot het aantal O&O-samenwerkingsprogramma’s en het type
innovatieactoren (universiteiten, publieke onderzoekscentra en bedrijven)
die via deze beleidsmaatregelen gestimuleerd worden om samen te werken
op het gebied van onderzoeksactiviteiten. In de periode 1996-2007 zien
we in Europa een sterke toename van het aantal beleidsmaatregelen gericht
op het stimuleren van samenwerking tussen kennisinstellingen en industriële bedrijven. Het grote aantal van deze O&O-samenwerkingsmaatregelen
geeft aan dat overheden veel belang hechten aan het bevorderen van de
interactie tussen kennis- en industriële actoren om innovatie te stimuleren.
De regressie-analyses in deze studie tonen een positief, doch afnemend verband aan tussen het aantal samenwerkingsmaatregelen in voege in een land
en het aantal O&O-samenwerkingen gemeten aan de hand van copatentgegevens.
Hoofdstuk 10 heeft aangetoond dat vooral internationale samenwerking
een positieve impact heeft op de technologische en innovatieve performantie van bedrijven. Deze studie geeft aan dat er een positieve relatie is
tussen het aantal maatregelen gericht op (internationale) samenwerking
tussen kenniscentra en bedrijven en het aantal internationale O&Osamenwerkingen tussen kennisinstellingen en bedrijven. Ook voor de
samenwerking tussen kennisinstellingen onderling is er een positieve relatie tussen het aantal beleidsmaatregelen en het aantal internationale
O&O-samenwerkingen. Beleidsmaatregelen gericht op het stimuleren
van internationale O&O-samenwerking tussen bedrijven zijn in de meeste
landen heel recent en verder onderzoek moet uitwijzen of deze een positieve impact hebben op het aantal samenwerkingen.
De resultaten van deze studie tonen aan dat landen via gerichte beleidsmaatregelen en programma’s ook daadwerkelijk het aantal O&O-samenwerkingen kunnen bevorderen. In dit onderzoek werd de nadruk gelegd op
internationale O&O-samenwerking tussen bedrijven en kenniscentra.
211
Diepgaandere studie van beleidsmaatregelen is nodig om te bestuderen
welke O&O-maatregelen het meest effectief zijn voor het stimuleren van
internationale samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven.
Bovendien is het bijzonder relevant om te kijken onder welke omstandigheden afnemende effecten van een toenemend aantal beleidsmaatregelen
worden waargenomen. In welke mate zijn beleidsmaatregelen al dan niet
complementair? Ten slotte dient ook de relatie tussen het aantal samenwerkingen en de technologische performantie van een land nader onderzocht
te worden. Vermits samenwerking vooral belangrijk is in snel evoluerende,
kennisintensieve domeinen, lijkt het aangewezen om deze analyse te doen
op het niveau van industrieën binnen een land, waarbij ook rekening
gehouden wordt met mogelijke indirecte en langere termijneffecten van
de bestudeerde maatregelen.
6. Referenties
−− Arrow, K.J. (1962), Economic welfare and the allocation of resources for invention. The rate and direction of inventive activity: economic and social factors,
Princeton NJ: Princeton University Press.
−− De Man, A. P. & Duysters, G. (2005), ‘Collaboration and innovation: a
review of the effects of mergers, acquisitions and alliances on innovation’,
Technovation, 25, (12): 1377-1387.
−− Faems, D., Van Looy, B. & Lecocq, C. (2010), De Impact van Nationale en
Internationale Technologische Samenwerking op de Innovatiekracht van Vlaamse
Ondernemingen, Jaarboek STOIO.
−− Faems, D., Van Looy, B. & Debackere, K. (2005), ‘Interorganizational
collaboration and innovation: Toward a portfolio approach’, Journal of
Product Innovation Management, 22: 238.
−− Freeman, C. (1987), Technology Policy and Economic Performance, Londen:
Pinter.
−− Furman, J.L., Porter, M.E. & Stern, S. (2002), ‘The determinants of national innovative capacity’, Research Policy, 31, (6).
212
−− Hauknes, J. & Nordgren, L. (1999), Economic rationales of government involvement in innovation and the supply of innovation-related services, Oslo:
STEP report.
−− Koza, M.P. & Lewin, A.Y. (1998), ‘The co-evolution of strategic alliances’,
Organisation Science, 9: 255-264.
−− Lecocq, C. & Van Looy, B. (2009), ‘The impact of collaboration on the
technological performance of regions: time invariant or driven by life
cycle dynamics? An explorative investigation of European regions in
the field of Biotechnology’, Scientometrics, 80, (3): 847-867.
−− Leydesdorff, L. & Etzkowitz, H. (1998), ‘Triple Helix of Innovation: Introduction’, Science and Public Policy, 25 (6): 358-364.
−− Leydesdorff, L. & Etzkowitz, H. (1996), ‘Emergence of a Triple Helix of
University-Industry-Government Relations’, Science and Public Policy, 23,
(5): 279-286.
−− Lundvall, B.A. (1992), National Systems of Innovation: Towards a Theory of
Innovation and Interactive Learning, Londen: Pinter Publishers.
−− Nelson, R.R. (2004), ‘The market economy, and the scientific commons’, Research Policy, 33 (3).
−− Nelson, R.R. (1993), National Innovation Systems: A Comparative Analysis,
New York: Oxford University Press.
−− OECD (1997), National Innovation Systems, Parijs.
−− OECD (1998), Technology, productivity and job creation. Best policy practice,
Parijs.
−− Van Looy, B., Du Plessis, M. & Magerman T. (2006), Data production
methods for harmonized patent statistics: patentee sector allocation, Eurostat
Working Paper.
−− Van Looy, B., Lecocq, C., Belderbos, R., Faems, D. & Veugelers, R., i.s.m.
Vanhaverbeke, W., Duysters, G. & De Man, A.P. (2006), Samenwerking
universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstellingen, intermediairen en bedrijven,
een studie van de internationale literatuur, VRWB Studiereeks 16.
213
7. Bijlage
Tabel 9.5a: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal nationale
copatenten tussen kennisinstellingen en bedrijven in t+2 als afhankelijke variabele
Nat. S-I copatenten t+2
Aantal internationale S-I maatregelen
(Aantal internationale S-I maatregelen) ^2
Nat. S-I copatenten t+2
Nat. S-I copatenten t+2
0,0259
0,0484
(0,0894)
(0,0798)
0,0087
0,0127
(0,0084)
(0,0078)
Aantal nationale S-I maatregelen
0,1703
(Aantal nationale S-I maatregelen) ^2
   0,3056**
(0,1226)
(0,1453)
-0,0175
   -0,0398**
(0,0131)
(0,0181)
     0,4715***
     0,4990***
t
    0,5063***
(0,0924)
 (0,0922)
(0,0892)
t^2
    -0,0444***
    -0,0402***
   -0,0461***
Constante
Aantal observaties+
Loglikelihood
(0,0071)
(0,0070)
(0,0069)
-0,0585
-0,1894
-0,1043
(0,3307)
 (0,3566)
(0,3479)
156
156
-322,3755
-323,7731
156
-318,5747
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
+
Griekenland en Luxemburg (24 observaties) vallen weg uit de analyses omwille van allemaal nul-waarden voor de afhankelijke
variabele (het aantal nationale co-patenten tussen bedrijven).
214
Tabel 9.5b: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal
nationale copatenten tussen kennisinstellingen in t+2 als afhankelijke variabele
Nat. S-S copatenten t+2
Aantal internationale S-S maatregelen
Nat. S-S copatenten t+2
Nat. S-S copatenten t+2
0,2433
0,2525
(0,2162)
(0,2190)
Aantal nationale S-S maatregelen
-0,0097
-0,0288
(0,1064)
(0,1086)
     0,6484***
    0,6425***
t
    0,6397***
(0,1032)
(0,1035)
(0,1038)
t^2
   -0,0511***
    -0,0515***
    -0,0509***
Constante
Aantal observaties+
Loglikelihood
(0,0075)
(0,0076)
(0,0075)
-0,6136*
 -0,5923*
-0,6122*
(0,3484)
(0,3494)
(0,3486)
144
144
-274,2190
144
-274,8205
-274,1836
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
+
Finland, Luxemburg en Zweden (36 observaties) vallen weg uit de analyses omwille van allemaal nul-waarden voor de
afhankelijke variabele (het aantal nationale co-patenten tussen kennisinstellingen).
Tabel 9.5c: Negatief Binomiaal Fixed Effect Regressiemodellen met het aantal
nationale co-patenten tussen bedrijven in t+2 als afhankelijke variabele
Nat. I-I copatenten t+2
Aantal internationale I-I maatregelen
Nat. I-I copatenten t+2
Nat. I-I copatenten t+2
0,4564
0,4711
(0,2969)
(0,3210)
Aantal nationale I-I maatregelen
0,0401
-0,0138
(0,1048)
(0,1145)
     0,2221***
0,2232***
t
     0,2230***
(0,0551)
(0,0554)
(0,0551)
t^2
   -0,0269***
    -0,0266***
-0,0269***
(0,0043)
(0,0044)
(0,0044)
Constante
     1,7968***
     1,7643***
1,7953***
(0,2661)
(0,2675)
(0,2663)
179
179
Aantal observaties +
Loglikelihood
-379,2791
-380,2658
179
-379,2718
*, **, *** geeft significantie aan op 10%, 5% en 1% niveau. Standaarddeviatie tussen haakjes.
Bron: Eigen bewerkingen
+
Een observatie weggelaten omwille van afwijkende waarde.
215
10.De impact van nationale en internationale
technologische samenwerking op de
innovatiekracht van Vlaamse ondernemingen
Dries Faems, Universiteit Twente en Katholieke Universiteit Leuven
Bart Van Looy, Katholieke Universiteit Leuven
Catherine Lecocq, Katholieke Universiteit Leuven
1. Inleiding
Innovatie werd lang beschouwd als een bedrijfsinterne activiteit die zoveel
mogelijk van de buitenwereld afgeschermd moest worden. Innovatieve
bedrijven zoals IBM, Xerox en AT&T beschikten daarom over grote O&Odivisies die continu streefden naar het intern ontwikkelen en exploiteren
van innovaties. De laatste decennia zien we echter een opmerkelijke verandering wat de organisatie van innovatieprocessen betreft. Cisco is er
bijvoorbeeld in geslaagd om innovatief marktleider te worden door sterk
te vertrouwen op samenwerking met andere bedrijven en door te investeren in beloftevolle start-ups. Bedrijven zoals Microsoft en Disney trachten
dan weer hun concurrenten voor te blijven door het opbouwen van ecosystemen waarin een complex geheel van partners bijdraagt tot het realiseren en commercialiseren van technologische doorbraken. Tegelijkertijd
zien we dat kleine en middelgrote bedrijven zich groeperen in innovatieclusters om op wereldschaal te kunnen wedijveren met de grote spelers in
de markt. Chesbrough (2003) spreekt daarom over een verschuiving van
een gesloten innovatiemodel naar een open innovatiemodel waarbij
bedrijven meer en meer gebruikmaken van samenwerking om innovaties
te genereren en te commercialiseren.
Een belangrijke vorm van open innovatie is technologische samenwerking.
Een mooi voorbeeld van een technologische samenwerking is de recente
alliantie tussen Philips en Schering voor de gezamenlijke ontwikkeling van
nieuwe medische apparatuur op basis van optical imaging technology. In deze
samenwerking brengen Philips en Schering hun complementaire kennis
216
bij elkaar om te komen tot een nieuw medisch apparaat dat de opsporing
van borstkanker moet vergemakkelijken. Het opstarten van technologische samenwerking kan bedrijven ook toelaten om in contact te komen
met nieuwe technologieën. Zo zien we dat bedrijven meer en meer gebruik
maken van technologische samenwerkingsprojecten met universiteiten
en andere kennisinstellingen om nieuwe technologieën te ontdekken en te
evalueren. Dergelijke privaat-publieke samenwerkingsprojecten worden
bovendien sterk gestimuleerd vanuit de overheid door middel van financiële
ondersteuningsprogramma’s. Daarnaast kunnen technologische allianties
aangewend worden om de kosten en risico’s, verbonden aan technologische
innovatieprojecten, te spreiden over verschillende partijen. Dit verklaart
waarom technologische samenwerkingen zo populair zijn in risicovolle
hightechsectoren zoals de biotechnologie industrie en de luchtvaartindustrie (Hagedoorn 2002).
Technologische samenwerking brengt echter ook een aantal risico’s en
uitdagingen met zich mee. Zo is het mogelijk dat partners de samenwerking ‘misbruiken’ voor hun eigenbelang, waardoor een samenwerking
snel kan omslaan in een competitieve strijd. Hamel, Doz & Prahalad (1989)
beschrijven bijvoorbeeld hoe, tijdens de jaren 1980, Japanse bedrijven erin
slaagden om, via allianties met westerse bedrijven, een heleboel kennis te
vergaren rond productietechnieken en marketingstrategieën. Deze kennis
wordt vervolgens gebruikt om hun eigen competitieve marktpositie ten
opzichte van deze westerse concurrenten te versterken. Op basis van deze
bevindingen kwamen Hamel, Doz & Prahalad (1989, p. 133) dan ook tot
het besluit dat ‘collaboration is competition in a different form’. Daarnaast blijken de strategieën, structuren en culturen van samenwerkende organisaties vaak (te) verschillend, wat waardecreatie in technologische allianties
bemoeilijkt. Dergelijke afstemmingsproblemen komen vooral voor in
technologische samenwerking tussen kleine hightechbedrijven en grote
gevestigde ondernemingen. Meer bepaald stelt men vast dat de organische
structuur en cultuur van kleine hightechbedrijven moeilijk te combineren
valt met de meer hiërarchische praktijken en gewoontes van grote gevestigde ondernemingen (Faems, Janssens & Van Looy 2010).
De sterke groei van het aantal technologische samenwerkingsverbanden
217
heeft ook gezorgd voor een sterke toename van academisch onderzoek
naar dit fenomeen. Dit heeft geleid tot een aantal grootschalige empirische
onderzoeken waarbij op consistente wijze een positief verband tussen de
aanwezigheid van technologische samenwerking en de innovatieprestaties van ondernemingen werd gevonden (voor een overzicht van deze studies verwijzen we naar De Man & Duysters 2005).
Wanneer Vlaamse bedrijven hun innovatiekracht willen stimuleren door
middel van samenwerking, kunnen ze kiezen om samen te werken met
lokale partners of eerder op zoek te gaan naar internationale partners. Sommige onderzoekers beklemtonen sterk de voordelen van samenwerking met
lokale partners. Porter (1998) wijst bijvoorbeeld naar clusters, ‘een verzameling van geografisch geconcentreerde bedrijven en instituties in een bepaald
domein’, als een belangrijke bron van innovatie. Hierbij wordt gesteld dat,
wanneer lokale partners een samenwerking aangaan, het relatief eenvoudig
is om te komen tot intensieve interactie, een vertrouwensvolle relatie en
flexibele coördinatie. Op die manier is de kans groot dat de complementaire
kennis en kunde van de lokale partners op een efficiënte manier gecombineerd kan worden tot innovatieve producten en technologieën.
Andere onderzoekers (Oinas & Malecki 2002; Simmie 2004) stellen echter
dat lokale samenwerking zo dominant kan worden dat de betrokken partners de neiging krijgen om zich af te sluiten van wat er zich buiten de
samenwerking en/of cluster afspeelt, wat dan weer een negatieve invloed
heeft op hun innovatiekracht. Deze onderzoekers beklemtonen dan ook
het belang van internationale samenwerking. Hoewel erkend wordt dat
internationale samenwerking een grotere kans op interculturele conflicten en coördinatieproblemen met zich meebrengt, wordt tegelijkertijd
beklemtoond dat internationale samenwerking de kans vergroot dat de
diversiteit die dergelijke samenwerking met zich meebrengt, een belangrijke input kan zijn voor nieuwe innovaties.
In dit onderzoek willen we daarom analyseren hoe lokale en internationale samenwerking de innovatiekracht van Vlaamse ondernemingen
beïnvloedt. Om deze doelstelling te realiseren maken we gebruik van een
steekproef van 248 Vlaamse ondernemingen die zowel in de vierde als de
vijfde Community Innovation Survey (CIS) participeerden.
218
2. Meten van nationale, Europese en globale samenwerking
In 2005 werd de vierde Vlaamse Community Innovation Survey uitgestuurd door het Expertisecentrum O&O-Monitoring (ECOOM). Deze
Vlaamse CIS4-enquête meet op een systematische manier de innovatieinspanningen en resultaten van een representatieve steekproef van
Vlaamse ondernemingen over de periode 2002-2004. 35 In 2007, werd op
een gelijkaardige manier de Vlaamse CIS5-enquête uitgevoerd waarin respondenten werden ondervraagd over hun innovatieactiviteiten voor de
periode 2004-2006. 36 In dit onderzoek maken we gebruik van de Vlaamse
ondernemingen die deelnamen aan zowel de CIS4- als de CIS5-enquête.
Het voordeel van het combineren van beide enquêtes is dat we de evolutie
van de technologische samenwerkingsstrategieën van de betrokken
bedrijven kunnen bestuderen en dat we onze analyses kunnen controleren voor de historische innovatiekracht van bedrijven. In beide enquêtes
waren enkel innovatieve 37 ondernemingen verplicht om vragen over technologische samenwerking en innovatieprestaties te beantwoorden. Ons
onderzoek spitst zich dan ook toe op innovatieve Vlaamse ondernemingen. Na het verwijderen van ondernemingen die belangrijke vragen voor
ons onderzoek niet beantwoord hadden, bleven 248 ondernemingen over.
Tabel 10.1 geeft een overzicht van hoe deze 248 bedrijven verdeeld zijn
over verschillende sectoren.
35
Voor een gedetailleerde beschrijving van de steekproef verwijzen we naar het Vlaams
Indicatorenboek 2007 van het ECOOM, Expertisecentrum O&O-Monitoring.
36
Voor een gedetailleerde beschrijving van de steekproef verwijzen we naar het Vlaams
Indicatorenboek 2009 van het ECOOM, Expertisecentrum O&O-Monitoring
37
In de CIS4 en CIS5 wordt een onderneming als innovatief beschouwd als ze minstens
aan een van de volgende criteria voldoet: 1) de onderneming heeft nieuwe of duidelijk
verbeterde producten op de markt gebracht in de beschouwde periode, 2) de onderneming heeft nieuwe of duidelijk verbeterde productieprocessen geïntroduceerd in de
beschouwde periode, 3) de onderneming was tijdens de beschouwde periode bezig met
activiteiten om nieuwe of duidelijk verbeterde producten of processen te ontwikkelen of
op de markt te brengen, maar deze waren nog niet afgewerkt op het moment van de
enquête, 4) de onderneming heeft activiteiten verricht om nieuwe of duidelijk verbeterde
producten of processen te ontwikkelen of op de markt te brengen, maar heeft deze
voortijdig stopgezet tijdens de beschouwde periode.
219
Tabel 10.1: Overzicht frequenties sectoren
Frequentie
Percentage
Textiel, hout en papier
Sector
22
  8,9
Elektronica
32
12,9
Voeding
24
  9,7
Chemie
38
15,3
Metaal en productie
65
26,2
Overige
67
27
Bron: CIS4- en CIS5-enquête Vlaanderen
In zowel de CIS4 als de CIS5 wordt aan respondenten gevraagd om aan te
geven of zij voor hun innovatieactiviteiten samenwerkten met de volgende
types van samenwerkingspartners: (1) leveranciers, (2) klanten, (3) concurrenten, (4) consultants, commerciële laboratoria of particuliere O&Oinstellingen, (5) universiteiten of andere instellingen voor hoger onderwijs. Daarnaast wordt aan de respondenten gevraagd om aan te geven of
ze met deze partners samenwerken in (1) België, (2) Europa, (3) Verenigde
staten en (4) overige landen. Op basis van deze informatie creëerden we
voor elk type van samenwerkingspartner een variabele die een onderscheid maakt tussen 4 mogelijke samenwerkingsstrategieën (of samenwerkingsportfolio's): 1) geen samenwerking met een bepaald type partner, 2) samenwerking met een bepaald type van partner, maar enkel op
nationaal niveau, 3) samenwerking met een bepaald type van partner,
waarvan minstens één samenwerking op Europees niveau, 4) samenwerking met een bepaald type van partner, waarvan minstens één samenwerking op globaal niveau. 38 Tabel 10.2 geeft de frequenties en percentages
aan voor deze variabelen voor zowel de periode 2002-2004 als de periode
2004-2006.
38
220
De variabelen zijn zo geconstrueerd dat elk bedrijf valt onder 1 specifieke vorm van
samenwerkingsstrategie. Wanneer een bedrijf bijvoorbeeld samenwerkt met leveranciers op nationaal en Europees niveau, maar niet samenwerkt met leveranciers buiten
Europa, dan valt het bedrijf onder de categorie ‘Europese samenwerking met leveranciers’. Wanneer een bedrijf samenwerkt met leveranciers op nationaal, Europees en
globaal niveau, dan valt het bedrijf onder de categorie ‘Globale samenwerking met
leveranciers’.
Tabel 10.2: Overzicht frequenties samenwerkingsactiviteiten voor 2002-2004 en
2004-2006
Samenwerking
Leveranciers
Geen
Concurrenten
Universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs
Consultants, commerciële laboratoria en particuliere
O&O-instellingen
128
2004-2006
% Frequentie
51,6
121
%
48,8
Nationaal
29
11,7
33
13,3
Europees
63
25,4
64
25,8
Globaal
Klanten
2002-2004
Frequentie
28
11,3
30
12,1
146
58,9
140
56,5
Nationaal
21
8,5
12
4,8
Europees
54
21,8
45
18,1
Globaal
27
10,9
51
20,6
Geen
Geen
207
83,5
197
79,4
Nationaal
13
5,2
10
4,0
Europees
17
6,9
21
8,5
Globaal
11
4,4
20
8,1
164
66,1
130
52,4
Geen
Nationaal
53
21,4
60
24,2
Europees
21
8,5
44
17,7
Globaal
10
4,0
14
5,6
175
70,6
143
57,7
Geen
Nationaal
38
15,3
44
17,7
Europees
22
8,9
42
16,9
Globaal
13
5,2
19
7,7
Bron: CIS4- en CIS5-enquête Vlaanderen
Deze tabel geeft aan dat klanten en leveranciers de meest populaire samenwerkingspartners zijn voor innovatieactiviteiten. O&O-samenwerking
met concurrenten is duidelijk de minst populaire strategie. Wat betreft
geografische locatie stellen we vast dat samenwerking op Europees niveau
de dominante optie is wanneer bedrijven met klanten, leveranciers of concurrenten samenwerken. Tegelijkertijd blijkt dat Vlaamse bedrijven vooral
samenwerken met kennisinstellingen (i.e. universiteiten of andere instellingen van hoger onderwijs, consultants, commerciële laboratoria en particuliere O&O-instellingen) op nationaal niveau.
Tabel 10.2 geeft ook aan dat, in de periode 2004-2006, vooral de samenwerking met kennisinstellingen sterk toegenomen is in vergelijking met de
periode 2002-2004. Deze stijging manifesteert zich vooral in de categorie
221
‘Europese samenwerking’. Concreet betekent dit dat er een duidelijke stijging
is in het aantal Vlaamse bedrijven dat op Europees niveau samenwerkt met
kennisinstellingen. Ook voor de andere types van samenwerkingspartners
(klanten, leveranciers en concurrenten) zien we een lichte stijging wanneer
we de periode 2004-2006 vergelijken met de periode 2002-2004. Deze cijfers wijzen dus op een toenemende populariteit van het open innovatieperspectief, een tendens die bijvoorbeeld ook in Nederland (Poot, Faems &
Vanhaverbeke 2009) wordt waargenomen.
3. Impact van nationale en internationale samenwerking op DE innovatiekracht
Om de invloed van nationale, Europese en globale technologische samenwerking op de innovatiekracht te analyseren maken we gebruik van Tobitanalyses. In navolging van bestaand onderzoek (Faems et al. 2005; Laursen
& Salter 2006) maken we een onderscheid tussen incrementele en radicale
innovatiekracht door de samenstelling van de omzet van het bedrijf in
2006 te analyseren. Het aandeel van de omzet in 2006 dat afkomstig is van
in 2004-2006 geïntroduceerde goederen- en diensteninnovaties die alleen
nieuw voor het bedrijf (en niet voor de markt) waren wordt gebruikt als
indicator van de incrementele innovatiekracht van het bedrijf. Het aandeel
van de omzet in 2006 dat afkomstig is van in 2004-2006 geïntroduceerde
goederen- en diensteninnovaties die nieuw voor de markt waren, wordt
gebruikt als indicator van de radicale innovatiekracht van het bedrijf.
222
Tabel 10.3: Overzicht Tobit-analyses
Incrementele innovatiekracht in 2006
Intercept
Radicale innovatiekracht in
2006
Schatter
Pr > ChiSq
Schatter
Pr > ChiSq
-0,06
0,12
  0,00
0,97
Sector (Referentiecategorie is ‘Overige’)
- Textiel, hout en papier
-0,01
0,71
-0,01
0,81
- Elektronica
-0,01
0,56
  0,01
0,73
- Voeding
  0,02
0,59
-0,10
0,04
- Chemische
-0,01
0,84
-0,07
0,09
- Metaal en productie
  0,00
0,99
-0,04
0,24
Bedrijfsgrootte
  0,00
0,61
-0,01
0,60
Bedrijf is deel van een grotere groep
  0,02
0,36
  0,02
0,57
Interne innovatieactiviteiten
  0,00
0,95
-0,07
0,29
Incrementele innovatiekracht in 2004
  0,36
0,00
-0,01
0,93
Radicale innovatiekracht in 2004
  0,15
0,03
  0,42
0,00
Nationale samenwerking
  0,01
0,66
-0,07
0,09
Europese samenwerking
-0,05
0,14
-0,03
0,36
Samenwerking met: (Referentiecategorie is ‘Geen samenwerking’)
- Leveranciers
- Klanten
- Concurrenten
- Universiteiten en andere
onderzoeksinstellingen
- Consultants, commerciële
laboratoria en particuliere
O&O-instellingen
Globale samenwerking
-0,07
0,17
-0,06
0,34
Nationale samenwerking
  0,07
0,15
  0,07
0,20
Europese samenwerking
  0,08
0,02
  0,06
0,10
Globale samenwerking
  0,08
0,02
  0,12
0,00
Nationale samenwerking
-0,03
0,51
  0,02
0,74
Europese samenwerking
  0,07
0,07
  0,06
0,23
Globale samenwerking
  0,02
0,64
  0,07
0,21
Nationale samenwerking
-0,02
0,39
  0,01
0,86
Europese samenwerking
-0,01
0,66
  0,07
0,08
Globale samenwerking
  0,12
0,05
  0,14
0,05
0,52
Nationale samenwerking
  0,07
0,03
  0,02
Europese samenwerking
  0,01
0,81
-0,06
0,15
Globale samenwerking
-0,11
0,06
-0,14
0,04
Bron: Eigen bewerkingen
3.1. Impact van nationale, Europese en globale samenwerking
met leveranciers
Sommige onderzoekers (Belderbos et al. 2004; Faems et al. 2005) geven aan
dat technologische samenwerking met leveranciers de incrementele innovatiekracht van bedrijven positief kan beïnvloeden. Tegelijkertijd geeft
Narula (2002) aan dat intensieve samenwerking met lokale leveranciers
kan leiden tot een situatie van grote afhankelijkheid waarbij het moeilijk
223
wordt voor bedrijven om de bestaande relaties met lokale leveranciers in
vraag te stellen of te doorbreken. Volgens Narula (2002) beperkt dergelijke
‘systemic lock-in situation’ in grote mate het aanpassingsvermogen van bedrijven, wat vooral de radicale innovatiekracht negatief kan beïnvloeden.
Onze analyses bevestigen vooral de argumenten van Narula (2002). We
vinden immers dat bedrijven, die enkel op nationaal niveau samenwerken
met leveranciers, significant slechter scoren op radicale innovatiekracht
dan bedrijven met een andere samenwerkingsstrategie. Tegelijkertijd zien
we voor samenwerking met leveranciers op nationaal, Europees of globaal niveau geen significant effect op de incrementele innovatiekracht van
de bedrijven.
3.2. Impact van nationale, Europese en globale samenwerking
met klanten
In de innovatieliteratuur wordt het belang van samenwerking met klanten
voor de innovatiekracht van bedrijven beklemtoond. Zo spreken Prahalad
& Ramaswamy (2000) over het belang van co-creation waarbij de interactie
tussen het bedrijf en de klant wordt gezien als de kern van waardecreatie.
Von Hippel (2005) beklemtoont dan weer het belang van lead-user-technieken waarbij de input van veeleisende gebruikers wordt gezien als een
belangrijk startpunt voor succesvolle productontwikkeling. Uit onze analyses komt naar voren dat vooral technologische samenwerking met internationale klanten een significante impact kan hebben op de innovatiekracht
van bedrijven. Zo vinden we dat bedrijven die samenwerken met klanten
op Europees en globaal niveau significant hoger scoren op incrementele
innovatiekracht dan bedrijven die niet of enkel met nationale klanten
samenwerken. Daarnaast vinden we ook een significant positief effect van
samenwerking met klanten op globaal niveau op de radicale innovatiekracht van bedrijven. Een mogelijke verklaring voor deze bevindingen is
dat bedrijven die op internationaal niveau met klanten samenwerken een
veel breder, meer divers en rijker beeld krijgen van nieuwe marktmogelijkheden en consumentenwensen dan bedrijven die niet of enkel op nationaal niveau met klanten samenwerken.
224
3.3. Impact van nationale, Europese en globale samenwerking
met concurrenten
In 1996 lanceerden Nalebuff and Branderburger het concept ‘co-opetition’
waarmee ze wilden beklemtonen dat samenwerking met concurrenten een
positief effect kan hebben op de innovatiekracht van ondernemingen.
Bestaand onderzoek naar de impact van samenwerking met concurrenten
op de innovatiekracht rapporteert echter tegenstrijdige bevindingen.
Waar sommige onderzoekers (b.v. Belderbos et al. 2004; Neyens et al. 2010)
een positief verband vinden, vinden andere onderzoekers (bv. Nieto &
Santamaria 2007) een negatief verband. Onze eigen analyses geven aan
dat bedrijven die samenwerken met concurrenten op Europees niveau een
significant hogere incrementele innovatiekracht hebben dan bedrijven die
niet samenwerken met concurrenten en bedrijven die samenwerken met
concurrenten op nationaal of globaal niveau. Tegelijkertijd vinden we geen
significante effecten van samenwerking met concurrenten wat de radicale
innovatiekracht betreft.
3.4. Impact van nationale, Europese en globale samenwerking
met publieke kennisinstellingen
Uit onze analyses komt naar voren dat bedrijven die een samenwerkingsportfolio uitbouwen die Europese en globale partners bevat (universiteiten en hogescholen) significant hoger scoren op radicale innovatiekracht
dan bedrijven die niet of enkel op nationaal niveau samenwerken met
publieke kennisinstellingen. Daarnaast stellen we vast dat dergelijke globale portfolio's ook een positief effect hebben op de incrementele innovatiekracht. Kortom, onze resultaten duiden op het belang van het ontwikkelen van samenwerkingsportfolio’s die ook internationale partners
(universiteiten en hogescholen) omvatten om de innovatiekracht te stimuleren. Een mogelijke verklaring voor deze resultaten is dat samenwerking
met universiteiten en hogescholen vooral een meerwaarde heeft als men
op internationaal niveau deze publieke kennisinstelling weet te vinden die
op een specifiek technologisch domein het best in de wetenschappelijke
kennisbehoeften van het bedrijf kan voorzien.
225
3.5. Impact van nationale, Europese en globale samenwerking
met particuliere kennisinstellingen
Terwijl onze data de voordelen van globale samenwerking met universiteiten aangeven, vinden we een significant negatieve relatie tussen globale
samenwerking met consultants, commerciële laboratoria of particuliere
O&O-instellingen en zowel op de incrementele als op de radicale innovatiekracht. Dit betekent dat bedrijven die op globaal niveau samenwerken
met consultants, commerciële laboratoria of particuliere O&O-instellingen significant lager scoren op incrementele en radicale innovatiekracht
dan bedrijven die niet, enkel op nationaal niveau of enkel op Europees
niveau samenwerken met dit type van partner. Daarnaast vinden we dat
bedrijven die enkel op nationaal niveau samenwerken met consultants,
commerciële laboratoria of particuliere O&O-instellingen significant
hoger scoren op incrementele innovatiekracht dan bedrijven met een
andere samenwerkingsstrategie voor dit type van partners. Deze bevindingen duiden op het belang van lokale samenwerking met dergelijke kennisinstellingen.
Het is opvallend dat onze resultaten aangeven dat samenwerking met
publieke kennisinstellingen (universiteiten en hogescholen) vraagt om
een internationale aanpak, terwijl samenwerking met particuliere kennisinstellingen (consultants, commerciële laboratoria of particuliere O&Oinstellingen) juist een lokale aanpak vereist. Een mogelijke verklaring voor
dit verschil is het type van kennis waarvoor deze partners aangewend
worden. Zoals eerder aangegeven kunnen we veronderstellen dat samenwerking met publieke kennisinstellingen vooral wordt gebruikt om toegang te krijgen tot fundamenteel wetenschappelijke kennis. Hierbij is het
van essentieel belang om op internationaal niveau deze universiteit of
hogeschool te vinden die de ultieme expert is op het technologisch domein
waarvoor er kennisbehoeftes binnen het bedrijf bestaan. Tegelijkertijd
kan men veronderstellen dat samenwerking met private kennisinstellingen meer wordt aangewend voor het verkrijgen van toegepaste kennis.
Hierbij is het minder van belang om de meest knowledgable partner te vinden, maar is het vooral belangrijk om een partner te vinden die kan helpen
bij het vertalen van de toegepaste kennis naar de specifieke setting van het
226
bedrijf. Onze gegevens lijken aan te geven dat een regionale particuliere
kennisinstelling beter in staat is om deze vertaalslag te maken dan een
internationale particuliere kennisinstelling.
3.6. Impact van historische innovatiekracht
Bij het analyseren van de data hebben we niet alleen naar de samenwerkingsactiviteiten van de bedrijven gekeken, maar hebben we ook een aantal andere aspecten gecontroleerd (i.e. sector waarin het bedrijf actief is,
bedrijfsgrootte, of het bedrijf deel uitmaakt van een grotere groep, de mate
van interne innovatieactiviteiten, historische incrementele en radicale
innovatiekracht van het bedrijf in 2004) die de innovatiekracht van de
bedrijven zou kunnen beïnvloeden. Onze resultaten geven aan dat de historische innovatiekracht van bedrijven een belangrijke impact heeft op de
huidige innovatiekracht. Zo stellen we vast dat de aanwezigheid van een
hoge radicale innovatiekracht in 2004 een significant positief effect heeft
op de radicale innovatiekracht in 2006. Tegelijkertijd blijkt dat zowel de
incrementele als radicale innovatiekracht in 2004 een positief effect heeft
op de incrementele innovatiekracht in 2006. Onze resultaten geven dan
ook aan dat, wanneer een bedrijf een voorgeschiedenis heeft van succesvolle incrementele en/of radicale innovatie, de waarschijnlijkheid groot is
dat het dit innovatiesucces kan herhalen in de toekomst.
4. Conclusies en aanbevelingen
4.1. Voor bedrijven
In de literatuur wordt meer en meer het belang van alliantieportfoliomanagement beklemtoond. Hierbij wordt gesteld dat bedrijven een goede
overeenstemming dienen te zoeken tussen het type van samenwerkingspartner enerzijds en de innovatiedoelstellingen anderzijds. Onze resultaten geven echter aan dat managers niet alleen moeten kijken naar het type
van samenwerkingspartner (klant, leverancier, concurrent, universiteit,
kennisinstelling), maar ook naar de geografische locatie van deze partners
(lokale versus globale samenwerking). Op basis van tabel 10.4, waarin de
227
belangrijkste bevindingen van dit onderzoek worden samengevat, stellen
we immers vast dat voor sommige types van partners (consultants, commerciële laboratoria en particuliere O&O-instellingen) het zinvol is om
op lokaal niveau samen te werken, terwijl voor andere types van partners
(klanten en universiteiten) het noodzakelijk lijkt te zijn om op globaal
niveau samen te werken.
Tabel 10.4 Overzicht belangrijkste resultaten
Samenwerkingsstrategieën met een significant positieve impact op incrementele innovatiekracht:
• Europese samenwerking met klanten
• Globale samenwerking met klanten
• Europese samenwerking met concurrenten
• Globale samenwerking met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen
• Nationale samenwerking met consultants, commerciële laboratoria en particuliere O&O-instellingen
Samenwerkingsstrategieën met een significant negatieve impact op incrementele innovatiekracht:
• Globale samenwerking met consultants, commerciële laboratoria en particuliere O&O-instellingen
Samenwerkingsstrategieën met een significant positieve impact op radicale innovatiekracht:
• Globale samenwerking met klanten
• Europese samenwerking met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen
• Globale samenwerking met universiteiten en andere onderzoeksinstellingen
Samenwerkingsstrategieën met een significant negatieve impact op radicale innovatiekracht:
• Nationale samenwerking met leveranciers
• Globale samenwerking met consultants, commerciële laboratoria en particuliere O&O-instellingen
Bron: Eigen berekeningen
4.2. Voor de overheid
De voorbije jaren zijn er vanuit de Vlaamse Regering een groot aantal initiatieven opgezet om bedrijven te ondersteunen bij het uitvoeren van
O&O-activiteiten. De overheid hanteert hierbij in toenemende mate een
open innovatieperspectief, waarbij samenwerking met externe partners
wordt gezien als een belangrijke meerwaarde voor de innovatiestrategieën
van bedrijven. Toch moeten we vaststellen dat het merendeel van deze
overheidsinitiatieven gericht is op het stimuleren van regionale samenwerking. Onze analyses geven echter aan dat voor sommige types van
partners juist internationale samenwerking een belangrijke meerwaarde
kan betekenen voor de innovatiekracht van bedrijven. Wij stellen dat de
overheid op twee manieren een dergelijke internationalisatiestrategie kan
stimuleren. Ten eerste kan ze in haar bestaande steunprogramma’s (bv.
VIS-CO of Tetra-steunprogramma) de mogelijkheid om samen te werken
228
met internationale universiteiten en hogescholen sterker beklemtonen.
We zien immers in onze data dat de meeste bedrijven op nationaal niveau
samenwerken met universiteiten en hogescholen (zie tabel 10.2), terwijl
onze analyses juist wijzen op de meerwaarde van internationale samenwerking met deze partners (zie tabel 10.3). Ten tweede zou de overheid een
meer actieve rol kunnen spelen om bedrijven in het algemeen en kmobedrijven in het bijzonder te ondersteunen bij het aanvragen van internationale subsidies rond technologische samenwerking. Op basis van onze
bevindingen gaan wij ervan uit dat dergelijke initiatieven een belangrijke
meerwaarde kunnen betekenen voor de innovatiekracht van bedrijven.
5. Referenties
−− Belderbos, R., Carree, M. & Lokshin, B. (2004), ‘Cooperative R&D and
firm performance’, Research Policy, 33: 1477-1492.
−− Chesbrough, H. (2003), Open innovation: The new imperative for creating and
profiting from technology, Boston, MA: Harvard Business School Press.
−− De Man, A.P. & Duysters, G. (2005), ‘Collaboration and innovation: a
review of the effects of mergers, acquisitions and alliances on innovation’, Technovation, 25 (12): 1377-1387.
−− Faems, D., Van Looy, B. & Debackere, K. 2005, ‘Interorganizational collaboration and innovation: Toward a portfolio approach’, Journal of
Product Innovation Management, 22: 238-250.
−− Faems, D., Janssens, M. & Van Looy, B. (2010), ‘Managing the competition-cooperation dilemma in R&D alliances: A multiple case-study in
the advanced materials industry’, Creativity and Innovation Management,
19: 3-22.
−− Hagedoorn, J. (2002), ‘Inter-firm R&D partnerships: an overview of
major trends and patterns since 1960’, Research Policy, 31: 477-492.
−− Hamel, G., Doz, Y. & Prahalad, C.K. (1989), ‘Collaborate with your competitors -and win’, Harvard Business Review, 133-139.
−− Laursen, K. & Salter, A.J. (2006), ‘Open for innovation: The role of
openness in explaining innovation performance among UK manufac229
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
−−
230
turing firms’, Strategic Management Journal, 27: 131-150.
Nalebuff, B.F. & Brandenburger, A.M. (1996), Co-opetition, Londen:
Harper Collins.
Narula, R. (2002), ‘Innovation systems and “inertia” in R&D location:
Norweian firms and the role of systemic lock-in’, Research Policy, 31:
795-816.
Neyens, I., Faems, D. & Sels, L. (2010), ‘The impact of continuous and
discontinuous alliance strategies on startup innovation performance’,
International Journal of Technology Management.
Nieto, M.J. & Santamaria, L. (2007), ‘The importance of diverse collaborative networks for the novelty of product innovation’, Technovation,
27, (6-7): 367-377.
Oinas, P. & Malecki, E.J. (2002), ‘The evolution of technologies in time
and space: From national and regional to spatial innovation systems’,
International Science Review, 25: 132-148.
Poot, T., Faems, D. & Vanhaverbeke, W. (2009), ‘Toward a dynamic perspective on open innovation: A longitudinal assessment of the adoption of internal and external innovation strategies in the
Netherlands’, International Journal of Innovation Management, 13: 177-200.
Porter, M.E. (1998), ‘Clusters and the new economics of competition’,
Harvard Business Review: 77-90.
Prahalad, C. & Ramaswamy, V. (2000), ‘Co-opting Customer Competence’,
Harvard Business Review, 78, (1): 79.
Rothaermel, F.T. & Deeds, D.L. (2004), ‘Exploration and exploitation
alliances in biotechnology: a system of new product development’,
Strategic Management Journal, 25: 201-221.
Simmie, J. (2004), ‘Innovation and clustering in the globalised international economy’, Urban Studies, 41: 1095-1112.
Von Hippel, E. (2005), Democratizing Innovation, Cambridge, Massachusetts:
The MIT Press.
Deel V:
Conclusies en beleidsmaatregelen
11.Conclusies en beleidsaanbevelingen
Sophie Manigart, Vlerick Leuven Gent Management School en Universiteit Gent
Zowel de Europese Commissie (Commission of the European Communities
2008) als de Vlaamse overheid hecht veel belang aan de internationalisering
van de Vlaamse economie. Uit de studies van het STOIO blijkt dit zeer
terecht te zijn. We hebben aangetoond dat het uitbouwen van een open en
internationaal gerichte economie de economische ontwikkeling in Vlaanderen en de ontwikkeling van de Vlaamse ondernemingen ten goede komt.
Daarbij is een blijvende focus op het stimuleren van diverse aspecten van
internationalisatie belangrijk. Vlaanderen kan immers niet zelfgenoegzaam
zijn: niet op alle internationalisatie-aspecten evolueren de Vlaamse ondernemingen en de Vlaamse economie immers in de goede richting. Gegeven
dat een groot aantal Europese landen hun steun aan de promotie en financiering van de export sterk opgedreven hebben (zoals Oostenrijk, Tsjechië,
Denemarken, Duitsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Slovenië en Spanje)
(European Commission 2009), kan Vlaanderen hierin niet achter blijven.
Hierna worden de voornaamste bevindingen uit de verschillende studies
gebundeld volgens de verschillende doelstellingen die de Vlaamse overheid nastreeft. Hieruit zullen beleidsaanbevelingen voortvloeien. De eerste doelstelling van de Vlaamse overheid is de export te doen groeien,
zowel naar absoluut belang als naar aantal exporterende ondernemingen.
De tweede doelstelling is hieraan gerelateerd: de overheid wenst voornamelijk de export naar groeilanden te bevorderen. De derde doelstelling is
het stimuleren van directe investeringen in Vlaanderen door buitenlandse
ondernemingen. Op basis van de studies van het STOIO, lijkt het belangrijk nog een vierde doelstelling te benadrukken, namelijk het versterken
231
van samenwerkingsverbanden tussen Vlaamse en internationale ondernemingen.
1. Doelstelling 1: toename van de export en van het aantal exporterende Vlaamse ondernemingen
Meer dan 80% van de Belgische export wordt gerealiseerd door Vlaamse
ondernemingen. Hoewel de Vlaamse export licht gestegen is in absolute
bedragen in 2008, is het aandeel van de Vlaamse export in de wereldhandel stelselmatig gedaald van 2,8% in 2003 tot 2,4% in 2008. De positie van
Vlaanderen op het economisch wereldtoneel verzwakt dus. De belangrijkste exportproducten zijn chemische en farmaceutische producten (16%),
vervoermaterieel (13%) en machines, toestellen en elektrisch materieel
(13%). De Vlaamse export wordt dus voornamelijk gedragen door de traditionele, kapitaalsintensieve sectoren, en minder door sectoren waarin
vooral het menselijk kapitaal en de technologische vernieuwing belangrijk zijn.
Het is interessant op te merken dat, daar waar de Vlaamse export 23% lager
was in de eerste helft van 2009 ten opzichte van dezelfde periode in 2008, de
sector van chemische en farmaceutische producten in diezelfde periode
20% meer geëxporteerd heeft, wat haar aandeel in de totale Vlaamse export
versterkt heeft tot meer dan 20%. Hoewel verdere studies aantonen dat een
hoge concentratie in één sector een positief clustereffect genereert, maakt
dit de Vlaamse economie wel kwetsbaar en weinig gediversifieerd.
Het nastreven van meer export door Vlaamse ondernemingen is een
belangrijke doelstelling, aangezien export en tewerkstelling hand in hand
gaan. Belderbos en Wynen hebben aangetoond dat Vlaamse industriële
ondernemingen die een exportgroei kennen, vaker en meer nieuwe arbeidsplaatsen creëren dan ondernemingen die enkel een groei in binnenlandse
verkopen realiseren. Dit effect is nog sterker voor het beperkt aantal ondernemingen dat buiten Europa exporteert. Interessant is dat extra werkgelegenheid vooral gecreëerd wordt door jongere en kleinere ondernemingen.
Niet alleen creëren exporterende (en ook importerende) ondernemingen
232
gemiddeld meer werkgelegenheid dan niet-exporterende ondernemingen,
ze zijn ook productiever (Belderbos en Van Roy). Daarom heeft Vlaanderen nood aan ondernemers met een internationale focus.
Bruneel, Clarysse en Autio hebben exporterende ondernemingen gedifferentieerd in ondernemingen die binnen de twee jaar na opstart al exporteren en ondernemingen die pas later exporteren. Ze hebben aangetoond
dat vroege exporteurs evenveel omzet en tewerkstelling realiseren als
latere exporteurs, maar dit in slechts de helft van de tijd vanaf de opstart.
Bovendien hebben vroege exporteurs een generieker ondernemingsmodel, wat hen zal toelaten om zich in de toekomst beter aan te passen aan de
vereisten van nieuwe internationale markten. Het is echter zo goed als
onmogelijk om vroege exporteurs te onderscheiden van latere exporteurs.
Ze zijn actief in gelijkaardige sectoren, even innovatief en groeigeoriënteerd.
Latere exporteurs hebben dus intrinsiek hetzelfde exportpotentieel als
vroege exporteurs.
Ook het management van beide types ondernemigen verschilt niet fundamenteel: managers hebben evenveel internationale ervaring, evenveel
gezamelijke werkervaring en zijn evenveel (of weinig!) afkerig van risico.
Debrulle, Maes en Sels hebben verder nagegaan hoe de ondernemers zelf
van vroege exporteurs verschillen van latere exporteurs op het ogenblik
van de opstart. Ze hebben aangetoond dat vroege exporteurs vooral
opgestart worden door hoger opgeleide ondernemers en ondernemers
met starterservaring, terwijl ondernemers met ruime managementervaring eerder ondernemingen oprichten die later starten met exporteren.
Dit is mogelijk een gevolg van het feit dat de risico-afkerigheid van individu’s toeneemt met ervaring, ofwel van de wil om zich in een eerste fase
te concentreren op lokale ontwikkeling. Het hebben van specifieke ervaring in de sector van de startende onderneming heeft geen impact op de
exportintensiteit. Gezien het grote belang van vroege export, is verder
onderzoek aangewezen om al van bij de opstart vroege exporteurs te
kunnen onderscheiden van latere exporteurs. Debrulle, Maes en Sels
hebben ook aangetoond dat ondernemigen opgestart door minder hoog
opgeleide ondernemers of door ondernemers met minder starterservaring gemiddeld minder exporteren. Nochtans kan deze handicap gedeel233
telijk weggewerkt worden door actief te zoeken naar relevante marktinformatie. Het ter beschikking stellen van concrete en relevante informatie
over exportmarkten aan jonge ondernemingen is dus ten zeerste aangewezen.
Beleidsaanbevelingen:
−− Stimuleringsmaatregelen voor export en innovatie zijn belangrijke instrumenten tot het bevorderen van de werkgelegenheidsgroei en -productiviteit in Vlaanderen, zeker voor export naar niet-Europese landen. De bestaande exportondersteunende maatregelen dienen daarom
aangehouden, en liefst nog verder uitgebouwd te worden.
−− Naast een generiek exportbeleid is het aangewezen om een meer gedifferentieerd beleid te voeren. Het is vooral belangrijk om startende ondernemingen uit alle relevante, innovatieve sectoren te stimuleren om
te exporteren.
−− De rol van starters- en ondernemersloketten in het informeren van ondernemers over exportmogelijkheden en -begeleiding, en het ter beschikking stellen van voldoende informatie over de beleidsmaatregelen
om export te stimuleren, van relevante (markt)informatie en van informatie over administratieve formaliteiten kan niet onderschat worden.
Verdere opleiding en training van de adviseurs in export- en internationalisatiemaatregelen kan hiervoor interessant zijn. Hen voorzien van
voldoende en tijdige informatie, via een gebruiksvriendelijk webplatform, kan bijkomende ondersteuning geven.
−− Een sterke samenwerking tussen Flanders Investment & Trade (FIT) en
de starters- en ondernemersloketten is ook noodzakelijk. Ondernemers die zelf naar FIT stappen, zijn al actief aan het denken over hun
internationalisatie. Ons onderzoek heeft aangetoond dat er een groot
potentieel is van ondernemers en ondernemingen die wel de kwaliteiten hebben om te exporteren en te internationaliseren, maar er niet of
onvoldoende aan toekomen. Deze ondernemers dienen gestimuleerd
te worden via brede kanalen.
−− Daarnaast kunnen werkgeversorganisaties als Unizo, Voka of VKW ook
een stimulerende rol spelen bij hun leden. Opnieuw dient een proactieve
234
−−
−−
−−
−−
aanpak door het FIT, gericht op intense samenwerking met deze instellingen, gestimuleerd te worden.
Binnen de doelgroep van de startende ondernemingen blijken niet alle
ondernemers even exportgericht te zijn, hoewel ze mogelijk over relevante competenties beschikken. Vooral ondernemers met managementervaring kunnen een interessante doelgroep zijn: niettegenstaande
hun hoog menselijk kapitaal, zijn ze minder dan andere ondernemers
geneigd om de stap naar het buitenland te zetten. Wanneer startersloketten dergelijke ondernemers detecteren, dienen ze hen speciaal aan
te spreken en te informeren over export en internationalisatie.
Innovatie en export gaan hand in hand. Beide koppelen kan de export
stimuleren. Alle Vlaamse innovatie-instrumenten zouden daarom gescreend dienen te worden op de mogelijkheid om een exportcomponent
te bevatten, en alle innovatieactoren zouden sterke banden moeten ontwikkelen met FIT. Zo zouden de innovatieprojectaanvragen bij het
IWT niet enkel dienen te peilen naar de economische exploitatie van de
innovatie waarvoor subsidies aangevraagd worden, maar heel specifiek
naar de mogelijkheid en de plannen om de innovatieve producten of
diensten te exporteren – idealiter naar groeilanden.
Een sterk clusterbeleid op een beperkt aantal innovatieve sectoren is
aangeraden. Dit zal niet enkel de exportgerichtheid van de ondernemingen in de cluster ten goede komen, maar het ook gemakkelijker
maken om buitenlandse ondernemingen naar Vlaanderen te brengen.
De Europese Commissie adviseert om kleine ondernemingen te laten
coachen in hun exportbeleid door grote, exportgerichte ondernemingen (Commission of the European Communities, 2008). Dit zou in
Vlaanderen kunnen geïmplementeerd worden, bijvoorbeeld via de
Peterschapsprojecten.
235
2. Doelstelling 2: versterking van de export van Vlaamse ondernemingen naar snelgroeiende markten
Ongeveer 80% van alle Vlaamse export is bestemd voor Europa en 53%
ervan gaat naar de directe buurlanden (in volgorde van belang: Duitsland,
Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk). De export naar de buurlanden is in 2008 nog gestegen. De export naar de BRIC-landen (Brazilië,
Rusland, India en China), die algemeen beschouwd worden als de belangrijkste snelgroeiende economieën, is met 3,4% gestegen in 2008. In totaal
bedroeg deze export echter slechts 5,6% van de totale Vlaamse export. De
export naar India was zwaar teruggevallen (-9%), voornamelijk door een
daling van de export van diamant, maar dit werd meer dan gecompenseerd door een stijging van de export naar Rusland (+18%), China (+3%) en
Brazilië (+38%). Nochtans vertoont de handel met Brazilië, Rusland en
China nog steeds een tekort op de handelsbalans: de import uit die landen
overtreft de export.
Zowel vroege als latere exporteurs exporteren voornamelijk naar buurlanden. Vroege exporteurs hebben na verloop van tijd wel een iets ruimere
geografische bereik, maar beperken zich toch voornamelijk tot export
binnen Europa. Dit toont aan dat vroege internationalisatie niet noodzakelijk leidt tot meer export naar de groeilanden. Nochtans hebben Belderbos
en Van Roy aangetoond dat ondernemingen die exporteren naar nietEuropese landen meer tewerkstelling creëren in Vlaanderen in vergelijking met niet-exporterende ondernemingen, maar ook in vergelijking
met ondernemingen die hun exportinspanningen beperken tot de buurlanden. Een versterking van de export naar de groeilanden is dus noodzakelijk. Eerder onderzoek binnen het STOIO heeft aangetoond dat vooral
innovatieve ondernemingen meer exporteren naar niet-Europese landen
(Belderbos, Van Roy & Duvivier 2009). Dit geldt zowel voor kmo’s als voor
Vlaamse multinationale ondernemingen. Vooral de introductie van productinnovatie is belangrijk (Belderbos, Van Roy & Duvivier 2009).
236
Beleidsaanbevelingen:
−− Stel voldoende marktinformatie ter beschikking over niet-Europese
landen, en meer in het bijzonder over de groeilanden, ook voor jonge
ondernemingen via starters- en ondernemersloketten.
−− Zorg ervoor dat economische missies naar groeilanden niet enkel bijgewoond worden door gevestigde ondernemingen, maar ook door beloftevolle jonge ondernemingen.
−− Zorg ervoor dat de economische attachés in het buitenland, en meer
specifiek in de groeilanden, niet enkel aandacht hebben voor de gevestigde ondernemingen maar ook proactief exploreren hoe ze beloftevolle jonge ondernemingen kunnen aanspreken en helpen.
−− Stimuleer productinnovatie bij zowel kmo’s als bij Vlaamse multinationale ondernemingen; dit zal hun exportgerichtheid ten goede komen.
Benadruk daarbij de exportmogelijkheden van productinnovaties. Het
IWT kan hierbij een stimulerende rol spelen. Een sterkere samenwerking tussen IWT en het FIT is daarom aangewezen. Via IWT, bijvoorbeeld, kan FIT innovatieve ondernemingen opsporen. In zoverre zij
nog geen beroep doen op de diensten van FIT, kunnen deze ondernemingen proactief benaderd worden om hun export te stimuleren. Anderzijds kunnen subsidie-aanvragen bij IWT expliciet peilen naar de
mate waarin de producten of diensten, waarvoor subsidies aangevraagd worden, zullen geëxporteerd worden naar groeilanden.
Het gebrek aan toegang tot groeimarkten is geen Vlaams probleem. Ook
op Europees niveau wordt dit probleem onderkend. Recentelijk heeft de
Europese Commissie daarom volgende acties genomen of gesuggereerd,
naast het ijveren voor het verder openstellen van de grenzen (Commission
of the European Communities 2008, p. 17):
‘The commission:
−− has established Market Access Teams in 30 key export markets bringing together
Member States’ trade councelors and EU business organisations, which will help
to improve SMEs’ information on trade barriers markets outside the EU;
−− establishes European Business Centres in selected markets, starting with the fast237
growing economies of India and China. [These Centres help EU SMEs wishing to
set up and trade in these countries by providing business support services including market access assistance, finding commercial partners, logistical support and
advice on issues such as protection of intellectual property rights (IPR) and standardisation. The activities of the European Business Centre in India started in November 2008. In China, the centre will open in 2010];
−− intends to launch a ‘Gateway to China’ scheme, focusing on establishing an
Executive Training Programme in China to enable European SMEs to be more
competitive in the Chinese market by 2010.’
Deze acties kunnen zeer relevant zijn om Vlaamse kmo’s te helpen in hun
exportinspanningen naar groeilanden. Eerder dan de inspanning van
Europa te dupliceren in Vlaanderen, wordt de Vlaamse regering aangemoedigd om deze Europese initiatieven veel beter bekend te maken bij de
doelgroepen, via FIT maar ook via starters- en ondernemersloketten, IWT
of PMV. Het is hierbij belangrijk om het initiatief niet enkel te beperken tot
FIT, want het is immers cruciaal om ook niet-internationaliserende ondernemingen te bereiken.
3. Doelstelling 3: Stimulering van buitenlandse directe investeringen in Vlaanderen
Multinationale ondernemingen hebben vier redenen om te investeren in
andere landen: (1) het aanboren van nieuwe markten; (2) het verwerven
van goedkopere en/of efficiëntere productiemiddelen of technologieën;
(3) het genereren van schaal- of scopevoordelen en (4) het verwerven van
strategische voordelen. Investeringen kunnen gebeuren onder de vorm
van greenfield-projecten, waarbij nieuwe vestigingen opgericht worden, of
via een overname van een bestaande onderneming in het buitenland.
Wereldwijd is er een tendens naar meer overnames, ten koste van greenfield-projecten. De instroom van directe investeringen door buitenlandse
ondernemingen in België is gestaag toegenomen van 2002 tot 2007, om
een scherpe terugval op te tekenen in 2008 veroorzaakt door de financiële
238
crisis. Het aantal greenfield-investeringen in Vlaanderen is echter continu
gedaald tussen 2005 en 2009, terwijl deze in Wallonië gestegen zijn. Bovendien rapporteert Ernst & Young (2009) dat buitenlandse bedrijfsleiders in de
toekomst minder geneigd zullen zijn om in Vlaanderen te investeren, en
denkt 14% er zelfs aan om te vertrekken uit België. Indien Vlaanderen meer
greenfield-investeringen wil aantrekken, dan dient deze negatieve tendens zo
snel mogelijk omgegooid te worden.
De meeste greenfield-projecten in België worden nog steeds ondernomen
door Amerikaanse ondernemingen, en dit voornamelijk in verkoop en
marketing, gevolgd door industriële en logistieke projecten. Investeringen
in verkoop en marketing blijken ook de belangrijkste verwachte investeringen in de toekomst te zijn; helaas brengt dit soort investeringen relatief
weinig werkgelegenheid tot stand. De investeringen in Vlaanderen vanuit
de BRIC-landen zijn onbeduidend, in tegenstelling tot de Europese tendens: gemiddeld werden de BRIC-landen samen de derde grootste buitenlandse investeerders in Europa. Er blijken dus zeer weinig economische
verbanden te bestaan tussen Vlaanderen en de BRIC-landen. Niet alleen is
de export vanuit Vlaanderen naar de BRIC-landen beperkt, maar ook
wordt Vlaanderen door de BRIC-landen niet herkend als een interessante
regio om te investeren.
Het STOIO-onderzoek beklemtoont het belang van technologieclusters
en innovatie voor het aantrekken van buitenlandse investeringen. Buitenlandse ondernemingen zijn in Vlaanderen meer dan proportioneel actief
in hoog- en medium hoogtechnologische sectoren, zoals de ICT- en farmaceutische sector (Buysse en Sleuwaegen). Helaas is de farmaceutische
sector niet bijzonder sterk in Vlaanderen in vergelijking met andere Europese regio’s: het aantal patentaanvragen ligt hier relatief lager (Belderbos,
Van Roy en Wynen). Het verdient dus aanbeveling om nog sterker te specialiseren in hoogwaardige sectoren, en daarbij het innovatiebeleid en het
internationalisatiebeleid sterker op elkaar af te stemmen.
Is het belangrijk om investeringen door buitenlandse ondernemingen te
stimuleren? Het antwoord op deze vraag is affirmatief. In alle sectoren zijn
buitenlandse ondernemingen groter en productiever dan Vlaamse ondernemingen. Dit laatste is te verklaren doordat ze competitieve technologieën
239
en managementpraktijken transfereren naar hun buitenlandse filialen.
Het aantrekken van buitenlandse investeerders heeft daarom een rechtstreekse en positieve impact op de lokale economische groei en tewerkstelling. Daarnaast hebben ze ook onrechtstreekse positieve effecten op
Vlaamse ondernemingen. Lokale ondernemingen worden immers aangespoord om efficiënter te werken door de grotere concurrentie die ze
ondervinden van de buitenlandse filialen. Dit kunnen ze realiseren door
de efficiëntere werking van buitenlandse filialen te kopiëren, en/of door
hoger geschoold personeel uit multinationals aan te werven.
Maar lokale ondernemingen leren niet enkel van directe concurrenten:
ook buitenlandse klanten en leveranciers kunnen leiden tot efficiëntieverhoging van Vlaamse ondernemingen. Belderbos en Van Roy hebben aangetoond dat lokale Vlaamse ondernemingen die actief zijn in sectoren met
veel buitenlandse filialen of die buitenlandse filialen als klant hebben, productiever worden. Vlaamse ondernemingen die zelf exporteren of importeren en op die manier in contact komen met buitenlandse ondernemingen,
zijn minder afhankelijk van de lokale economie en lokale relaties met buitenlandse filialen. In die zin zijn internationalisering van Vlaamse ondernemingen zelf en internationalisering door het aantrekken van buitenlandse
investeringen alternatieve wegen om de productiviteit van Vlaamse ondernemingen te verhogen. Dit wordt bevestigd door een productiviteitsanalyse
van Vlaamse ondernemingen die strikt lokaal actief zijn en geen import- en
exportactiviteiten ontplooien: voor deze ondernemingen hebben klant- en
leveranciersrelaties met filialen van buitenlandse ondernemingen in
Vlaanderen een zeer uitgesproken positief effect. Deze resultaten bevestigen nogmaals het belang van de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in Vlaanderen. Filialen van buitenlandse ondernemingen verhogen immers de productiviteit van hun klanten, concurrenten en leveranciers, zeker indien deze zelf weinig internationaal actief zijn.
Hoe kiezen multinationals de locatie van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten? Binnen STOIO hebben we ons geconcentreerd op investeringen in
O&O. De Locomonitor / FDI Markets databank leert dat Vlaanderen 3%
van alle O&O-multinationale investeringsprojecten aantrekt. Vlaanderen
bevindt zich daarmee op de 9de plaats binnen de Europese regio’s. De
240
kopregio’s zijn Ierland (12%), Catalonië (7%) en de noordelijke en zuidelijke regio’s van het Verenigd Koninkrijk (elk zo’n 4,5%). De meeste Franse
(behalve Méditerranée), Duitse en Nederlandse regio’s scoren echter minder goed op dit criterium dan Vlaanderen. De relatief goede plaats van
Vlaanderen is opnieuw te danken aan de sterke prestaties in de farmaceutische sector (die goed is voor meer dan een vierde van alle O&O-projecten in Europa), maar ook in de biotechnologie. De projecten zijn voornamelijk afkomstig van bedrijven gevestigd in de Verenigde Staten of in
andere Europese landen. In vergelijking met andere Europese regio’s trekt
Vlaanderen opmerkelijk veel projecten aan uit niet-Europese landen.
Belderbos, Van Roy en Wynen tonen aan dat multinationale ondernemingen meer geneigd zijn om te investeren in O&O-projecten in regio’s met
een groter bruto binnenlands product per capita, met sterke en relevante
technologische clusters, en vooral met een lagere loonkost voor ingenieurs en wetenschappers. Ten opzichte van vergelijkbare Europese regio’s
scoort Vlaanderen vrij goed met betrekking tot bbp per capita en het bruto
loon voor ingenieurs, maar slecht met betrekking tot het aanwezig zijn
van technologieclusters, gemeten aan de hand van het aantal patenten.
Rekening houdend met het effect van deze factoren, trekt Vlaanderen
meer projecten in O&O aan dan kan verwacht worden. Helaas is Vlaanderen (naast de chemische en farmaceutische sector) vooral sterk in minder
technologie-intensieve sectoren, waarin minder internationale O&O-projecten ontwikkeld worden.
Naast greenfield-investeringen, worden overnames van Vlaamse ondernemingen belangrijker als investeringsvehikel van buitenlandse ondernemingen. Soms wordt gevreesd dat de overgenomen onderneming op termijn
uitgemolken en eventueel zelfs volledig opgedoekt zal worden. Feys en
Manigart tonen aan dat Vlaamse ondernemingen die overgenomen worden door buitenlandse ondernemingen, een gelijkaardige groei vertonen
als gelijkaardige onafhankelijke ondernemingen, maar een lagere rentabiliteit hebben. Belgische ondernemingen nemen echter ondernemingen
over met een lagere groei en lagere marges, maar met een vergelijkbare
rentabiliteit. Buitenlandse ondernemingen nemen dus minder goed presterende, kapitaalsintensieve ondernemingen over, terwijl Belgische onder241
nemingen ook minder goed presterende, maar minder kapitaalsintensieve
ondernemingen overnemen. Na een overname door een Belgische onderneming blijft de onderneming slechter presteren; bovendien verkleint
haar omzet. Wanneer een onderneming overgenomen wordt door een
internationale onderneming, daalt de omzet ook tot twee jaar na de overname, waarna de omzet echter groeit. De onderneming wordt bovendien
onmiddellijk veel efficiënter. Deze bevinding is consistent met de bevindingen van Belderbos en Van Roy, namelijk dat lokale ondernemingen
kunnen leren van internationale ondernemingen.
Naast de buitenlandse directe investeringen in Vlaanderen werden ook de
offshore-activiteiten, of het verplaatsen van Vlaamse activiteiten naar het
buitenland, bestudeerd. De Vlaamse offshore- activiteiten worden belangrijker: Vlaamse ondernemingen verplaatsen in toenemende mate een deel
van hun activiteiten naar het buitenland. Buysse, Geurts en Sleuwaegen
hebben bestudeerd welke activiteiten Vlaamse ondernemingen verplaatsen naar het buitenland – of inkopen bij buitenlandse partnerbedrijven –
en hoe dit een impact heeft op de werkgelegenheid in de Vlaamse onderneming. Ze tonen aan dat één op vijf Vlaamse ondernemingen minstens
één activiteit laat uitvoeren in het buitenland. Activiteiten die verplaatst
worden, situeren zich vooral in het leveren van ondersteunende en logistieke diensten, of diensten zoals O&O, ICT, marketing en administratie.
Opmerkelijk is dat deze diensten voornamelijk verplaatst worden naar de
buurlanden. Het idee dat voornamelijk laaggekwalificeerde industriële
arbeid uitbesteed wordt naar lageloonlanden, is niet meer correct. De
onderzoekers hebben aangetoond dat offshoring geen verlies aan werkgelegenheid in de Vlaamse ondernemingen met zich meebrengt. In tegendeel, offshoring laat ondernemingen toe om zich te concentreren op hun
kernactiviteiten, waardoor ze productiever en efficiënter worden. Dit laat
hen toe om te overleven in een sterk competitieve omgeving en om sterker
te groeien.
242
Beleidsaanbevelingen:
−− Om van Vlaanderen een interessante investeringsregio te maken, dienen de ‘klassieke’ parameters sterk te zijn: onderwijs en innovatie, goede infrastructuur en een flexibele arbeidsmarkt met loonkosten die
onder controle zijn.
−− Daarnaast is zijn sterke technologieclusters in hoogwaardige sectoren belangrijk. Stem daarbij het internationalisatiebeleid af op het innovatiebeleid.
−− Voor O&O-projecten is het belangrijk om de totale loonkost van ingenieurs en onderzoekers competitief te houden ten opzichte van andere
Europese landen. Verlaging van de belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op de loonkost van ingenieurs en onderzoekers is aangewezen.
O&O-subsidies kunnen ook de aantrekkelijkheid van Vlaanderen verhogen.
−− Een aantrekkelijk en stabiel belastingskader is eveneens uiterst belangrijk. Benadruk daarom de mogelijkheden van de notionele interestaftrek om de fiscale druk te verminderen en van de mogelijkheid
tot fiscale ruling.
−− Ondernemingen verankeren door een restrictief vestigingsbeleid of
hoge relocatiekosten (ontslagvergoedingen, regulering…) werkt contraproductief voor het aantrekken van nieuwe activiteiten van multinationals in Vlaanderen.
−− Maak acquisitiemarkten zo efficiënt mogelijk; werp zeker geen barrières
op voor internationale overnames.
−− En vooral: geef een coherent beeld van de troeven van Vlaanderen (en
België).
4. Stimuleren en versterken van internationale netwerken
Een vierde internationale as, die positief is voor de Vlaamse economie
maar die minder benadrukt wordt in het huidige beleid, is het stimuleren
van internationale samenwerking onder allerlei vormen. Belderbos en
243
Van Roy hebben aangetoond dat Vlaamse ondernemingen die internationale netwerken hebben via leveranciers, klanten en concurrenten een
hogere productiviteit hebben. Internationale netwerken beperken zich
niet enkel tot ondernemingen die in het buitenland gelokaliseerd zijn,
maar ook tot lokale filialen van multinationals. De productiviteitswinst
kan bijvoorbeeld verklaard worden door het feit dat contacten met gesofisticeerde handelspartners Vlaamse ondernemingen toelaten om nieuwe
management- en organisatietechnieken te ontdekken. Dit zorgt ervoor
dat ze zelf productiever worden. Buysse, Geurts en Sleuwaegen hebben
ook aangetoond dat het aankopen van producten of diensten van buitenlandse leveranciers, eerder dan het zelf uitvoeren van deze activiteiten,
niet leidt tot jobverlies maar integendeel tot een hogere groei van de
Vlaamse onderneming. Hoogwaardige buitenlandse aankopen hebben
dus een positief effect op de ontwikkeling van Vlaamse ondernemingen
en dienen daarom ook gestimuleerd te worden.
Faems, Van Looy en Lecocq focussen op de relatie tussen technologische
samenwerking met diverse partners en de innovatiekracht van ondernemingen. Ze tonen aan dat vooral wereldwijde samenwerking met klanten
en Europese of wereldwijde samenwerking met universiteiten en andere
onderzoeksinstellingen, een positief effect heeft op de radicale innovatiekracht van een Vlaamse onderneming. Wereldwijde samenwerking met
universiteiten of klanten, Europese samenwerking met klanten of concurrenten en nationale samenwerking met consultants en commerciële laboratoria heeft een positieve impact op de incrementele innovatiekracht van
ondernemingen. De onderzoekers hebben aangetoond dat het belangrijk
is om wereldwijd op zoek te gaan naar de beste partner (bijvoorbeeld een
universiteit of potentiële klant), die technologisch het nauwst aansluit bij
de behoeften van een onderneming wanneer de onderneming beoogt om
belangrijke technologische doorbraken te realiseren. Nochtans werd vastgesteld dat de meeste bedrijven vooral samenwerken met nationale universiteiten of hogescholen. Wereldwijde samenwerkingsverbanden in
O&O met hoog gekwalificeerde instellingen of andere ondernemingen
dient in Vlaanderen dan ook sterker gestimuleerd te worden.
Incrementele innovaties kunnen ook gerealiseerd worden met partners die
244
dichter bij de onderneming gelokaliseerd zijn: soms is nabijheid belangrijk,
bijvoorbeeld bij het implementeren van nieuwe processen binnen een
onderneming. Niet alle samenwerkingsverbanden zijn echter positief: een
samenwerking op wereldniveau met consultants of commerciële laboratoria, of samenwerking met nationale leveranciers heeft een negatieve impact
op de innovatiekracht.
Overheden in de Europese landen stimuleren meer dan ooit de samenwerking tussen ondernemingen, universiteiten en publieke onderzoekscentra.
Recentelijk hebben veel overheden terecht het accent gelegd op het stimuleren van internationale samenwerking. Lecocq, Faems en Van Looy tonen
immers aan dat hoe meer samenwerkingsmaatregelen er zijn in een land,
hoe meer internationale O&O-samenwerkingen er zijn tussen kennisinstellingen en bedrijven, die uitmonden in gezamenlijke patenten. Dit is, zoals
eerder beklemtoond, positief voor de innovatiekracht van ondernemingen.
Aanbevelingen:
−− Faciliteer niet enkel export, maar ook hoogwaardige import. Dit heeft
immers een positief effect op de lokale productiviteit.
−− Ontwikkel en intensifieer klant- en leverancierrelaties tussen lokale
Vlaamse ondernemingen en filialen van buitenlandse ondernemingen,
en daarmee de verankering van buitenlandse ondernemingen in de
Vlaamse economie.
−− Via gerichte programma’s kan O&O-samenwerking gestimuleerd
worden. Zorg ervoor dat deze programma’s ook internationale samenwerking stimuleren, zeker wanneer aangestuurd wordt op samenwerking tussen ondernemingen en universiteiten. Vermijd om O&O-samenwerkingsverbanden te beperken tot regionale samenwerking.
−− Stimuleer en ondersteun ondernemingen (en vooral kmo’s) bij het aanvragen van internationale subsidies voor technologische samenwerking, bijvoorbeeld voor Europese projecten. Opnieuw wensen we hier
te wijzen op de specifieke initiatieven van de Europese Commissie om
internationale onderzoekssamenwerking te stimuleren, die enerzijds
gericht zijn op het aanscherpen van de internationale mobiliteit van
onderzoekers, maar ook op het verhogen van de participatie van kmo’s
245
in Europese onderzoeksnetwerken. Een sterke aansluiting van Vlaamse
stimuleringsinitiatieven op de Europese zal ongetwijfeld een positief
hefboomeffect teweeg brengen.
Het STOIO hoopt met de voorgestelde studies en de daaraan gerelateerde
beleidsaanbevelingen een bijdrage te hebben geleverd tot het beleid om
Vlaanderen internationaal sterker op de kaart te zetten.
5. Referenties
−− Belderbos, R., Van Roy, J. & Duvivier, F. (2009), ‘De impact van innovatie
op de exportintensiteit van Vlaamse ondernemingen’, in: Groeizaam
Vlaanderen: Een beleidsondersteunend wetenschappelijk perspectief, Roeselare:
Roularta Books, 59-90.
−− Commission of the European Communities (2008), ‘Think small first: A
‘Small Business Act’ for Europe. http://ec.europa.eu/enterprise/policies/
sme/small-business-act/
−− Ernst & Young (2009), No, we can’t. België heeft niet wat investeerders vragen:
bestuurlijke stabiliteit en een aantrekkelijke ondernemingscultuur, 1-44.
−− European Commission (2009), Report on the implementation of the SBA
(http://ec.europa.eu/enterprise/policies/sme/small-business-act/
implementation/files/sba_imp_en.pdf).
246

Vergelijkbare documenten