zaalakoestiek

Commentaren

Transcriptie

zaalakoestiek
bouwf ysica
Kwartaalblad van de nederlands vlaamse bouwfysica vereniging
themanummeR
zaalakoestiek
 GESCHIEDENIS  INAUGURAL  ORKESTBAK  GELUIDABSORBERENDE VLOER 
RIEUNION  JUST JAZZ  CASARTS  GELUIDCONCENTRATIE  IR-MEETTECHNIEKEN
3
2012
2008
jRG 23
19
Buitenzonwering
Luchtafvoer
Nachtventilatie
Doorvoerventilatie
Dagventilatie
De standaard in woningventilatie
Duco CO2 System
Duco Comfort System
DucoTronic System
Eenvoudige ‘natuurlijke’ ventilatie
‘Plug & Play’ met Vraaggestuurde Ventilatie
De ultieme vorm van ‘Natuurlijke’ Ventilatie
De DucoBox wordt gestuurd op basis van
Eenvoudig te installeren Vraaggestuurd
Vraaggestuurd Natuurlijk Ventilatiesysteem.
CO2 metingen in de leefruimte. Dit maakt
Natuurlijk Ventilatiesysteem. Ventileert op
Stuurt de luchttoevoer en -afvoer volledig
het eenvoudig, efficiënt en budgetvriendelijk.
basis van CO2 en RH (vochtmeting). Meting aan
automatisch op basis van °C, CO2 en
Voor de toevoer is een uitgebreid gamma
de bron. Communiceert draadloos.
RH (vochtmeting). Meting aan de bron.
zelfregelende roosters beschikbaar.
e
0,24
Cwinst
We inspire at www.duco.eu
Communiceert draadloos.
e
0,24
Cwinst
e
0,28
Cwinst
inhoud
Bouwfysica 3 2012
2
8
1
Caroline Kaas
eerbetoon
16
22
02 zaalakoestisch ontwerpen ten tijde van de tweede
helft 19e eeuw
Het was ongeveer een jaar geleden dat de redactie van Renz (van Luxemburg) een mailtje
kreeg met verschillende afstudeerartikelen.
Of het iets was voor het blad? Bij de eerstvolgende redactievergadering besloten we een
themanummer zaalakoestiek voor het jaar
erop in te plannen.
B.N.J. Postma MSc., TU/e, Bouwkunde, Unit BPS, e.a.
08 dealing with disbelief
Excerpt of the Inaugural speech of Prof. ir. L.C.J. van Luxemburg
13 de ‘podiumakoestiek’ van de orkestbak van het muziektheater amsterdam
ir. R.H.C. Wenmaekers, Level Acoustics, e.a.
16 de geluidabsorberende vloer van het scheepvaartmuseum
ir. J. Vugts, LBP|SIGHT, Nieuwegein
22 rieunion - from boiler house to concert hall
ir. P.H. Heijnen, Peutz, Zoetermeer
24 just jazz: laat je verleiden door de muziek
ir. M.N. Roth, EGM adviseurs, Dordrecht
26 casarts: acoustics
M. Kivits MSc, alumnus TU/e, Faculteit Bouwkunde, Unit BPS
28 geluidconcentratie veroorzaakt door gekromde
oppervlakken
dr. ir. M.L.S. Vercammen, Peutz, Mook
33 geavanceerde impulsresponsie-meettechnieken
ir. C.C.J.M. Hak, TU/e, Bouwkunde, Unit BPS, e.a.
38 actueel
41 vereniging
•
energie en milieu

wet- en regelgeving
Door de bijdragen van zowel collega’s uit het
vakgebied als de afstudeerders van Renz, de
collega’s van Level en de TU/e is het een mooi
nummer geworden. Daarnaast is een samenvatting van zijn inauguratierede “Dealing with
disbelief” van vorig jaar opgenomen. Renz
werd geïnaugureerd als professor op het gebied van Architectural Acoustics. Hiermee wilde hij meer bewustzijn creëren tussen de verschillende ontwerpdisciplines, door elkaar
scherp te houden en gebruik te maken van elkaars kennis om te kunnen komen tot een optimaal eindresultaat. Helaas kan hij deze taak
niet verder vervullen. Zijn collega’s van Level
Acoustics in samenwerking met DHV zullen er
achter alles aan doen om zijn doel alsnog te
realiseren door zijn werk voort te zetten.
Ik heb het geluk gehad om bijna 10 jaar lang
samen met Renz te mogen werken aan
mooie projecten. Renz bedankt voor alles wat
ik van je heb mogen leren. Ik zal nog vaak
aan je denken!
 warmte, lucht en vocht
• brandveiligheid
De oproep voor artikelen was al de deur uit
toen op 13 februari het schokkende en onvoorstelbare bericht bij ons binnenkwam dat
Renz een dag eerder was overleden op 62 jarige leeftijd. Het themanummer kreeg daarmee voor mij meteen een andere dimensie.
Het was niet langer alleen een themanummer
over een interessant onderwerp, maar zou
mede een eerbetoon worden aan Renz: voor
alle bijdragen die hij op het vakgebied heeft
gedaan en voor ons heeft achtergelaten.
bouwfysica van monumenten
Caroline Kaas
• binnenmilieu en gezondheid
•
geluid en trillingen
stedenbouwfysica
advertenties
Duco, Norconsult
2
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
zAAlAkoEsTIsCh onTwErpEn TEn TIjDE
vAn DE TwEEDE hElfT 19E EEUw
In dit artikel wordt het resultaat gepresenteerd van The history of acoustic design before 1900,
een afstudeeronderzoek gedaan aan de Technische Universiteit Eindhoven. Aanleiding voor het
project was de vraag waarom de akoestiek van de Grosser Musikvereinssaal en de grote zaal in
het Concertgebouw zo goed zijn, terwijl men voor zover bekend nauwelijks kon beschikken over
kennis inzake kwaliteitsbepalende zaalakoestische grootheden voor het ontwerp van beide concertzalen. Daarom zijn de theoretische aannames en de praktische benadering van zaalakoestisch
ontwerpen bestudeerd ten tijde van de 19e eeuw. Tevens kwam aan het licht dat er in beide concertzalen na de opening een ingrijpende renovatie is verricht. Er is met de huidige kennis bekeken
wat voor invloed de theoretische aannames, de praktische benadering en de renovaties hebben op
de akoestische eigenschappen van beide concertzalen.
InTroDUCTIE
In twee studies, uitgevoerd in de jaren ’90 van de 20
eeuw, is onder andere, aan de hand van enquêtes, in
kaart gebracht welke concertzalen als akoestisch superi­
eur werden beschouwd door componisten, muzikanten
en leidende muziekcritici [1] [2]. Uit beide onderzoeken
kwam naar voren dat de Grosser Musikvereinssaal in
Wenen, de grote zaal van het Concertgebouw in Amster­
dam en de Boston Symphony Hall in Boston akoestisch
superieur zouden zijn.
e
B.N.J. (Bart) Postma
MSc, TU/e, Bouwkunde,
Unit BPS
prof. ir. L.C.J. (Renz) van
Luxemburg†, TU/e,
Bouwkunde, Unit BPS &
Level Acoustics
ir. C.C.J.M. (Constant)
Hak, TU/e, Bouwkunde,
Unit BPS
ir. R.H.C. (Remy) Wenmaekers, Level Acoustics
†Renz van Luxemburg is
overleden op 12 februari
2012
Het akoestisch ontwerp van de Boston Symphony Hall is
uitgebreid gedocumenteerd en bekend vanwege de akoes­
tisch adviseur Wallace Clement Sabine. Sabine had tijdens
het oplossen van de akoestische problemen in de lezin­
genzaal van het Fogg Art Museum ontdekt dat de nagalm­
tijd maal de totale absorptie in een ruimte een constante
was [3]. Na deze ontdekking raakte Sabine in 1898
betrokken bij het ontwerp van de Boston Symphony Hall.
Sabine gebruikte zijn ontdekking om de nagalmtijd van
de grote zaal in het Neue Gewandhaus, dat op dat
moment gold als de concertzaal met de beste akoestiek,
te analyseren en een vergelijkbare nagalmtijd te creëren
in de Boston Symphony Hall [4]. Op deze manier lukte
het Sabine een goede concertzaal te realiseren met een
nagalmtijd van 1,9 s.
Het werk van Sabine geldt nog steeds als de eerste weten­
schappelijke benadering van zaalakoestiek. Echter, zowel
de Grosser Musikvereinssaal, die dateert uit 1870, als de
grote zaal van het Concertgebouw, waarvan de inaugura­
tie plaatsvond in 1888, zijn gebouwd ruim voor de Boston
Symphony Hall en dus vóór de eerste wetenschappelijke
benadering. Helaas is van het ontwerpproces van de
Grosser Musikvereinssaal en het Concertgebouw minder
bekend dan van dat van de Boston Symphony Hall.
Het vorenstaande was de aanleiding om een literatuur­
studie uit te voeren naar de ‘state of the art’ van de
akoestische kennis tijdens de tweede helft van de 19e
eeuw ten behoeve van het ontwerpen van concertzalen
voor symfonische muziek.
BEnADErInG
Getracht is alle aspecten die van invloed waren op de
akoestiek van de Grosser Musikvereinsaal en het Concert­
gebouw bij de literatuurstudie in kaart te brengen. Omdat
het akoestisch ontwerp van het Concertgebouw waar­
schijnlijk is gebaseerd op het Neue Gewandhaus in Leipzig
en het Palais du Trocadero in Parijs, zijn ook deze twee
concertzalen bij het onderzoek betrokken. Tevens is
getracht te achterhalen hoe is omgegaan met de akoestiek
van de Grosser Musikvereinssaal en de grote zaal van het
Concertgebouw tijdens ingrijpende renovaties die plaats­
vonden na de opening. Ten slotte is onderzocht in hoever­
re de akoestische beslissingen tijdens de bouw en de reno­
vaties in beide zalen met de huidige kennis van zaken op
zaalakoestisch gebied logisch waren en hebben bijgedra­
gen aan een betere akoestiek. Dit is gedaan mede aan de
hand van huidige zaalakoestische ontwerptools (Odeon).
ThEorETIsChE BEnADErInGEn
In boeken over zaalakoestiek, geschreven in de 19e eeuw,
werd voornamelijk ingegaan op de vorm van de zaal, de
afmetingen van de zaal, de geluidverdeling over de zaal,
het meetrillen van ‘elastische’ materialen en de galm. Het
meetrillen van elastische materialen werd al beschreven
in het eerste boek waarin wordt gesproken over zaal­
akoestiek [5].
In de 1e eeuw voor Christus beschreef Marcus Vitruvius
Polio in tien boeken de gebruiken van de bouwkunst ten
tijde van het Romeinse rijk. De boeken van deze Romein­
se architect werden herontdekt aan het einde van de 15e
eeuw. In het vijfde boek werden enkele hoofdstukken
gewijd aan de zaalakoestiek. Vitruvius stelde in deze
hoofdstukken dat het verschil tussen Romeinse en Griekse
theaters was, dat Romeinse theaters gemaakt waren van
hout en Griekse van steenachtige materialen. Hij betoog­
•
GElUID En TrIllInGEn
Bouwfysica 3 2012
de dat Romeinse theaters beter klonken omdat hout mee­
trilt met het geluid en het zodoende versterkt, terwijl
steenachtige materialen dat niet doen.
In de 19e eeuw was deze theorie onbetwist onder auteurs
over zaalakoestiek. Rhode beschreef deze theorie als volgt:
“Geluid wordt geproduceerd door vibraties van een klinkend lichaam. Deze oscillaties worden gedeeld met de lucht
welke de geluidgolven verspreidt. Wanneer deze geluidgolven, welke in dezelfde oscillaties zijn gezet als de klinkende
lichamen, elastische lichamen treffen, worden deze in
dezelfde oscillaties gezet. Daarom produceren deze elastische lichamen hetzelfde, alleen dan gedempte, geluid. Dit
veroorzaakt dat het geluid wordt versterkt en verspreid.”
[6] Wanneer een theater toch van steenachtige materialen
is gemaakt, adviseerde Vitruvius ‘echea’ te gebruiken.
Deze ‘echea’ zijn omgekeerde vazen, die het geluid van de
stemmen van de acteurs zouden versterken door het mee­
trillen van de lucht die wordt omsloten door de vazen.
Tot het begin van de 19e eeuw was Vitruvius de meest
invloedrijke auteur over zaalakoestiek. Dit veranderde
door het boek van Langhans “Ueber theater, oder bemerkungen der katakustik” van 1810 [7]. In dit werk reageer­
de Langhans op boeken geschreven over zaalakoestiek
tijdens het einde van de 18e eeuw en het begin van de 19e
eeuw. Eén van deze boeken werd geschreven door Catel,
die het uitdempen van alle akoestische energie door het
bedekken van de wanden en plafonds met absorberende
bekleding bepleitte. Langhans was het niet eens met deze
theorie en betoogde: “Een langzaam wegstervend geluid
in kleine en grote gebouwen is aangenaam en nodig om
ons de magie van muziek en geluiden te laten ervaren.
Daarom kunnen we een dergelijke wegstervend geluid niet
onderdrukken...” Dit is in principe te beschouwen als de
eerste verwijzing naar een decay curve. Het mathemati­
sche bewijs voor de theorie van Langhans werd pas 88
jaar later geleverd door Sabine.
Dat de theorie van Langhans niet direct werd geaccep­
teerd, valt op te maken uit de uitlatingen van Chladni die
in 1826 bepleitte dat: “Een nagalm, wanneer niet te sterk
en kort, die een klein gedeelte van een seconde duurt, heeft
zowel voor instrumenten als voor een concertzaal een
bevorderend effect op de akoestiek. Wanneer de nagalm te
lang duurt zodat met elk geluid of met elke lettergreep het
vorige nog steeds hoorbaar is, dan is dit een duidelijk negatief effect welke voorkomen dient te worden” [8] Tijdens de
tweede helft van de 19e eeuw werd de theorie van Lang­
hans echter wel algemeen geaccepteerd [9] [10] [11].
Tevens reageerde Langhans in zijn boek op de elliptische
vorm van het door zijn vader ontworpen Iffland theater.
Hij raadde deze vorm af, omdat deze zou leiden tot
geluidconcentraties. Om geluidconcentraties te voorko­
men was hij voorstander van een rechthoekige vorm gelij­
kend op een ‘schoenendoos’, zoals weergegeven in figuur
1. Bovendien raadde hij een homogeen geluidveld aan,
dat diende te worden gerealiseerd door de oppervlakken
zoveel mogelijk te ornamenteren zoals weergegeven in
figuur 2. Deze visie werd gedeeld door de meeste auteurs
over zaalakoestiek [9] [10]. Verder beschouwde Langhans
twee rijen van kolommen, kariatiden, consoles etc. van
1
vormen volgens Langhans [7]
2
ruwe oppervlakken volgens Langhans [7]
de voorkant naar de achterkant van een auditorium ideaal
om het geluidveld te homogeniseren. Ten slotte beschreef
Langhans de enige numerieke benadering van zaalakoes­
tiek vóór de theorie van Sabine. Tijdens het begin van de
19e eeuw werd gedacht dat het menselijk gehoor negen
verschillende geluiden per seconde kon onderscheiden.
Daarom werd aangenomen, dat geluid dat 111 ms na het
directe geluid arriveerde, apart werd waargenomen van
het directe geluid. Langhans beschouwde daarom reflec­
ties die 38 meter meer dan het directe geluid hadden afge­
legd, als nadelig voor de akoestiek.
Sommige van Langhans’ theorieën waren gebaseerd op
een boek van de hand van Rhode. In 1800 schreef hij
“Theorie der Verbreitung des Schalles für Baukünstler” [6].
Hij beschouwde de basiliek vorm voordelig voor de akoes­
tiek. Hij nam aan, dat de twee rijen van kolommen het
geluid zouden onderbreken en het daarom verspreiden.
Tussen het verschijnen van het boek van Langhans en de
start van de bouw van de Grosser Musikvereinssaal
waren de boeken over zaalakoestiek minder invloedrijk.
De twee belangrijkste boeken uit deze periode werden
geschreven door Smith en Radau [9] [10]. Beide auteurs
bevestigden over het algemeen de theorieën van Lang­
hans. Het interval, waarbij het menselijk oor reflecties als
voordelig beoordeelde, werd door beide veranderd in
100 ms, dit correspondeert met een extra afgelegde weg
van 34 meter. Radau illustreerde de algemeen heersende
opvatting, dat materialen of geluidreflecterend of geluid­
absorberend zijn.
prAkTIsChE BEnADErInG
Op basis van de boeken vóór 1900 geschreven over zaal­
akoestiek is enig inzicht verkregen in de theoretische ken­
nis over zaalakoestiek ten tijde van de bouw van de
Musikverein en het Concertgebouw. Zeker zo interessant
is het inzicht te krijgen in de mate waarin deze kennis
met betrekking tot de vorm, de dimensies, de geluidver­

3
4
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
deling over de zaal, het meetrillen van elastische materia­
len en de galm werd ingezet bij het ontwerpen van de
concertzalen in deze gebouwen. Naast de theorie is door
architecten ongetwijfeld ook gekeken naar akoestische
applicaties in bestaande concertzalen. Omdat de architect
van het Concertgebouw waarschijnlijk het Palais du
Trocadero in Parijs en het Neue Gewandhaus in Leipzig
heeft geëvalueerd, is ook getracht informatie over het
akoestisch ontwerpproces van deze twee concertzalen te
achterhalen.
Grosser Musikvereinssaal
In 1863 werd door het Gesellschaft der Musikfreunde in
Wenen besloten om een nieuwe concertzaal te laten bou­
wen aangezien de Redoutensaal verouderd was. Von
Hansen werd gekozen als architect. Hij was een Deense
wereldreiziger die onder meer in Berlijn had gewoond,
waar hij de gebouwen van Schinkel bestudeerde. Schinkel
baseerde het akoestisch ontwerp van de concertzaal in
het Schauspielhaus te Berlijn op de theorieën van Lang­
hans [12].
Wij hebben geen documenten gevonden, waarin Von
Hansen zijn akoestische benadering van de Grosser
Musikvereinssaal verklaart. Daarom hebben we gekeken
naar het ontwerp teneinde te kunnen nagaan welke keu­
zes Von Hansen maakte ten aanzien van de vijf genoemde
zaalakoestische aandachtspunten;
– De vorm is vermoedelijk gekopieerd van de Redouten­
saal en de concertzaal in het Schauspielhaus [13].
– De dimensies zijn waarschijnlijk overgenomen van de
Redoutensaal en met 12% opgeschaald [14].
– Het verkrijgen van een gelijkmatige geluidverdeling
gebeurde via ruwe oppervlak afwerkingen op de wan­
den en het plafond. Bijvoorbeeld werd door de
opdrachtgevers geëist, dat er in het plafond geen
ramen werden geplaatst omdat het vlakke oppervlak
nadelig zou zijn voor de akoestiek [15]. Tevens werd
aangenomen, dat de twee rijen van kariatiden, die in
de originele configuratie van de Grosser Musikvereins­
saal de balkons ondersteunden en dus midden in de
zaal stonden, gunstig waren voor de geluidverdeling
zoals was gesteld door Rhode en Langhans.
– De kariatiden waren hol en gemaakt van hout. Het is
niet ondenkbaar dat Von Hansen hiermee de ‘echea’
wilde kopiëren, beschreven door Vitruvius. Tevens
ontwierp Von Hansen de vloer en het podium van
hout op een spouw. De wanden bij het podium zijn
ook uitgevoerd met een houten afwerking op een
spouw. De overige wanden en het plafond zijn afge­
werkt met pleisterwerk [16]. Al deze oppervlakken
waren waarschijnlijk bedoeld voor het meetrillen met
het geluid.
– De houten en pleisterwerken oppervlakken zijn tevens
reflecterend waardoor het “langzaam wegstervende
geluid” van Langhans kon worden gerealiseerd.
De plattegrond van de Grosser Musikvereinssaal is weer­
gegeven in figuur 3.
3
Plattegrond van de grosser Musikvereinssaal [15]
besloten een nieuwe concertzaal te bouwen die het Palais
du Trocadero zou gaan heten. Davioud en Bourdais wer­
den de architecten van de nieuwe concertzaal. Beide
architecten waren ‘mannen van de wetenschap’ zodat de
nieuwe concertzaal werd gebouwd volgens de laatste
stand van de zaalakoestische wetenschap.
Het akoestisch concept is uitgebreid beschreven in een
boek dat werd uitgegeven na de opening [17]. Alle muren
op een afstand van minder dan 17 meter van het centrum
van het podium werden bekleed met pleisterwerk, wat als
reflecterend werd beschouwd. Muren op een afstand gro­
ter dan 17 meter van het centrum van het podium werden
bekleed met schilderingen op zijde, wat als absorberend
werd beschouwd. Op deze manier probeerden Davioud
en Bourdais te voorkomen dat reflecties meer dan 100 ms
na het directe geluid zouden arriveren.
De architecten realiseerden zich echter dat deze maatre­
gelen alleen niet genoeg zouden zijn om een goede akoes­
tiek te realiseren. Daarom fragmenteerden zij de achter­
wand van het podium in 100 verschillende zones, die elk
op een verschillend gedeelte van de zaal waren georiën­
teerd. De architecten dachten dat het geluid op deze
manier eerlijk over de zaal zou worden verdeeld. Om het
akoestisch concept te testen werd het eerste zaalakoesti­
sche schaalmodel gemaakt. In dit schaalmodel werden de
absorberende oppervlakken gemodelleerd door koper met
reliëf en de reflecterende oppervlakken met gepolijst zil­
ver. De geluidbron werd gemodelleerd door middel van
een gloeilamp. Ondanks deze testen mislukte de akoes­
tiek van het Palais du Trocadero. De reflecterende materi­
alen en de achterwand van het podium deden wat zij
moesten doen. Het beschilderde zijde deed dat helaas
niet, vooral bij delen met veel fortissimo werden reflecties
waargenomen komende van deze oppervlakken. Daarom
werd voor het eerst geconcludeerd, dat materialen een
geluidabsorptiecoëfficiënt moesten bezitten.
Palais du Trocadero
In 1876 werd in Parijs besloten om muziek te laten horen
tijdens de wereldtentoonstelling van 1878. Daarom werd
Het Palais du Trocadero, dat zijn deuren opende in 1878,
had enorme afmetingen met een hoogte van 50 meter en
•
GElUID En TrIllInGEn
Bouwfysica 3 2012
5
Plattegrond van het neue gewandhaus [19]
4
Plattegrond van het Palais du Trocadero [18]
een breedte van 62 meter waardoor een nagalmtijd van
ruim 6 s ontstond. In 1937 werd het Palais du Trocadero
gesloopt mede vanwege zijn slechte akoestiek. Een platte­
grond van het Palais du Trocadero is weergegeven in
figuur 4.
Neue Gewandhaus
Tijdens de 19e eeuw was het oude Gewandhaus, dat werd
geopend in 1781, te klein geworden voor het aantal toe­
schouwers dat het onder Mendelsohn bekend geworden
Gewandhaus orkest wilde zien spelen. Het was genoemd
naar de functie die het gebouw origineel had. Het vervul­
de de functie van kledingfabriek, in het Duits een
Gewandhaus [21]. Een initiatief om een nieuwe concert­
zaal in Leipzig te bouwen werd genomen in 1877.
Gropius en Schmieden werden gekozen als architecten.
Naast het consulteren van een bekende violist kopieerden
de architecten delen van het akoestisch concept van het
oude Gewandhaus en het Palais du Trocadero [20].
De vorm en materialen werden overgenomen van het
oude Gewandhaus [19]. Een tweede aspect wat werd
overgenomen van het oude Gewandhaus was het ontbre­
ken van kolommen. In tegenstelling tot de Grosser Musik­
vereinssaal dachten de architecten van het Neue Gewand­
haus, dat een goede zichtlijn ook leidde tot een goede
akoestiek [21]. De maatregel van geluidreflecterende
muren binnen 17 meter van het centrum van het podium
en geluidabsorberende muren buiten 17 meter van het
centrum van het podium werd gekopieerd van het Palais
du Trocadero. Het Neue Gewandhaus was rechthoekig
van vorm, waardoor de architecten zich zorgen maakten
over het heen en weer kaatsen van geluidgolven tussen
de parallelle zijwanden. Om dit te voorkomen werd na
verschillende akoestisch testen besloten om de zijwanden
te bekleden met schilderijen op tapijt. Ten slotte werd
besloten om de rechte hoeken af te ronden, omdat werd
aangenomen dat geluid kon “blijven steken” in rechte
hoeken.
Het Neue Gewandhaus, dat werd geopend in 1884, kende
een tragisch einde. In 1944 werd het Neue Gewandhaus
getroffen tijdens een bombardement van Leipzig en raakte
onherstelbaar beschadigd. Pas in 1981 werd het Neue
Gewandhaus vervangen door een concertzaal die dezelfde
naam draagt. In figuur 5 is een plattegrond weergegeven
van het Neue Gewandhaus.
Concertgebouw Amsterdam
Met de sloop van de Parkzaal in 1881 verloor Amsterdam
zijn enige grote concertzaal [22]. Daarom ondernam een
groep van zes muziek­enthousiastelingen een initiatief
voor het bouwen van een nieuwe concertzaal. De architect
van het Concertgebouw werd Adolf Van Gendt. Deze
architect heeft zijn akoestische benadering van de grote
zaal in het Concertgebouw nooit uitgelegd, echter luister­
de tijdens opdrachten heel nauw naar de wensen van zijn
opdrachtgevers. Daarom moet de invloed van de opdracht­
gevers en hun adviseurs niet worden onderschat [23].
Eén van de opdrachtgevers bezocht het Neue Gewand­
haus in 1883. Daarom zijn het ontwerp van de grote zaal
van het Concertgebouw, het ontwerp van het Neue
Gewandhaus en de aantekeningen van de adviseurs en
hun opdrachtgevers geanalyseerd om te kunnen nagaan
in hoeverre het akoestisch concept op basis van de vijf
verschillende zaalakoestische aandachtspunten is te
beschrijven.
De adviseurs waren verantwoordelijk voor de hoogte en
breedte van de concertzaal. In het originele ontwerp was
de hoogte 23 meter. De adviseurs bestudeerden echter de
Grosser Musikvereinssaal en het Neue Gewandhaus en
concludeerden dat deze zalen een hoogte hadden van 16
en 17 meter. De adviseurs beargumenteerden, dat “het
geluid zichzelf zou verliezen in deze excessieve hoogte”
[24]. Ook de breedte van de zaal werd beïnvloed door de
adviseurs. In het originele ontwerp van Van Gendt was de
concertzaal 35 meter breed. De adviseurs beschouwden
dit om akoestische redenen te wijd in relatie tot de lengte.
Daarom werd de breedte van de concertzaal uiteindelijk
28 meter. Bijgevolg werd de rechthoekige vorm van de
concertzaal ook beïnvloed door de adviseurs. Het meest
opmerkelijke aspect van de vorm van de concertzaal zijn
de afgeronde hoeken aan het uiteinde waar het orkest
speelt. Deze hoeken zijn waarschijnlijk overgenomen van
het Neue Gewandhaus.
Het realiseren van de geluidverdeling over de zaal werd
onder andere gedaan via twee rijen van kolommen die de
balkons ondersteunen. Verder werden er om akoestische
redenen ruwe oppervlakken aangeraden door de advi­
seurs. Van Gendt had in het originele ontwerp een vlak
plafond ontworpen. De adviseurs dachten echter dat dit
nadelig zou zijn voor de akoestiek. Daarom werd uitein­
delijk gekozen voor een cassette plafond. De vloer van
het podium en het publieksgebied uitgevoerd met hout op
een spouw. Daarnaast werden alle wanden afgewerkt met

5
6
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
hEDEnDAAGsE vIsIE
6
Plattegrond van de grote zaal in het concertgebouw [25]
pleisterwerk op latten. Al deze oppervlakken zijn volgens
de heersende opvatting meetrillend en reflecterend, zodat
het meetrillende effect van de elastische materialen en het
“langzaam wegstervende geluid” werden gerealiseerd. In
figuur 6 is een plattegrond weergegeven van de grote zaal
van het Concertgebouw.
Er zijn een drietal aspecten beschreven, die invloed kun­
nen hebben gehad op de gunstige akoestische eigenschap­
pen van de Grosser Musikvereinssaal en de grote zaal van
het Concertgebouw: de theoretische aannames, de prakti­
sche benadering en de renovaties. Er is met de huidige
akoestische kennis nagegaan wat de invloed zou kunnen
zijn geweest van deze drie aspecten. Dit is gedaan op basis
van recent wetenschappelijk onderzoek [1] en met behulp
van de zaalakoestische­ voorspellings­software Odeon. Bei­
de zalen zijn in Odeon gemodelleerd. Om het effect van de
ingrepen te onderzoeken zijn met de modellen simulaties
uitgevoerd met en zonder de betreffende ingrepen. De
resultaten van de simulaties zijn vergeleken aan de hand
van de zaalakoestische grootheden C80, EDT, G, LF en T30.
De Odeon­modellen zijn gebruikt om te onderzoeken in
hoeverre de afgeronde hoeken een positieve bijdrage heb­
ben geleverd aan de akoestiek van de grote zaal van het
Concertgebouw. De gebruikte modellen laten slechts een
marginaal effect zien.
rEnovATIEs
Van de vier beschreven concertzalen bestaan er twee niet
meer. De andere twee groeiden uit tot referentie concert­
zalen binnen de zaalakoestiek. Het is echter niet algemeen
bekend dat zowel de Grosser Musikvereinssaal als de grote
zaal van het Concertgebouw zijn gerenoveerd [26].
De Oostenrijkse pers was na het openingsconcert zeer
tevreden over de akoestische eigenschappen van de
Grosser Musikvereinssaal. Veertig jaar na de opening was
het podium echter te klein geworden en werd de zicht­
baarheid van het orkest beperkt door de kolommen. Daar­
om is in 1911 een renovatie uitgevoerd. Omdat de akoesti­
sche wetenschap nog in de kinderschoenen stond en de
Grosser Musikvereinssaal zijn gunstige akoestische eigen­
schappen diende te behouden, werd de renovatie minuti­
eus gevolgd door de Oostenrijkse pers [27]. Tijdens de
renovatie werd het podium verbreed zodat het de volledi­
ge breedte van de concertzaal innam, zijn de kolommen
verplaatst naar de zijkant van de concertzaal en zijn de
balkons zelfdragend gemaakt. Na de renovatie oordeelde
de Oostenrijkse pers, dat de Grosser Musikvereinssaal zijn
gunstige akoestische eigenschappen had behouden.
Na de opening van het Concertgebouw was de Neder­
landse pers verdeeld over de akoestische eigenschappen
van de grote zaal. De meest constructieve kritiek was dat
de koperen blaasinstrumenten de snaarinstrumenten
overstemden [28]. Deze klacht werd ervaren gedurende
de eerste tien jaar van het bestaan van het Concertge­
bouw. Omdat het koper gepositioneerd was op de hogere
delen van het podium en de snaarinstrumenten waren
gepositioneerd op lagere delen, werd in 1899 besloten het
podium met 0,2 meter te verlagen en de helling ervan te
reduceren [31]. Na deze renovatie was de Nederlandse
pers positief over de nieuwe akoestische eigenschappen
van de grote zaal van het Concertgebouw. Het wordt
tegenwoordig aangenomen dat deze renovatie in grote
mate heeft bijgedragen aan de faam die de akoestiek van
het Concertgebouw geniet.
De dimensies van beide concertzalen werden deels
bepaald door het interval tussen direct en gereflecteerd
geluid, wat toentertijd werd beschouwd als 100 ms. Als
gevolg van dit interval bleven de dimensies bescheiden,
zodat in de Grosser Musikvereinssaal en de grote zaal van
het Concertgebouw een gelijkmatige geluidverdeling ont­
stond met een goede ruimtelijkheid. Tegenwoordig kijken
we in dit verband naar de laterale energieverdeling en de
helderheid. Het interval tussen direct geluid en late geluid
energie dat tegenwoordig wordt beschouwd is 80 ms.
Naar aanleiding van het werk van Langhans werd veel
oppervlakte diffusie toegepast in concertzalen gebouwd
aan het einde van de 19e eeuw. Daarnaast beschouwden
Rhode en Langhans twee rijen van kolommen als voorde­
lig voor de akoestiek. Deze beide maatregelen treffen we
ook aan in de Grosser Musikvereinssaal en de grote zaal
van het Concertgebouw. De invloed van deze twee maat­
regelen op de akoestiek is eveneens onderzocht met
Odeon. De invloed van de kolommen op de genoemde
parameters was marginaal. De oppervlakte diffusie is
onderzocht door het vlak maken van het geornamenteerde
plafond in beide zalen. Het resultaat was dat de nagalm­
tijd beduidend zou toenemen met een vlak plafond.
Omdat Langhans zijn “langzaam wegstervende geluid”
niet limiteerde, gebruikten architecten in die tijd vrijwel
alleen reflecterende materialen. Dit maakte dat het
publiek het meest bijdroeg aan de geluidabsorptie in de
concertzalen. De dimensies van de Grosser Musikvereins­
saal zijn opgeschaald in vergelijking met de Redouten­
zaal. Daarbij veranderde de verhouding tussen volume en
door publiek bezet oppervlak, wat resulteerde in een lan­
gere nagalmtijd in de Grosser Musikvereinssaal. Deze
nagalmtijd, welke tegenwoordig als ideaal voor Romanti­
sche klassieke muziek wordt beschouwd, was naar we
mogen aannemen geen intentie van de architect en ont­
stond toevallig. Door de adviseurs van het Concert­
gebouw, die een vergelijkbare hoogte met de Grosser
Musikvereinssaal aanraadden, werd de verhouding tussen
publiek en volume vergelijkbaar in beide concertzalen.
•
GElUID En TrIllInGEn
Daarom ontstond in beide concertzalen een vergelijkbare
nagalmtijd. Een ander belangrijk aspect met betrekking
tot de nagalmtijd zou kunnen komen van de theorie van
Vitruvius. Mede op basis van Vitruvius’ theorie werden
grote oppervlakken van meetrillend elastisch materiaal
toegepast in beide concertzalen. Deze materialen beston­
den over het algemeen uit hout en pleisterwerk op een
spouw. In 1933 werd bewezen dat de meetrillende wer­
king van materialen een mythe was. Momenteel worden
dit soort constructies gebruikt voor het absorberen van de
lage frequenties. Wellicht toevallig ontstonden op deze
manier vergelijkbare nagalmtijden over de verschillende
frequentiebanden omdat de lage frequenties werden geab­
sorbeerd door het meetrillend materiaal en de midden en
hoge frequenties werden geabsorbeerd door het publiek.
Na de opening werd in beide concertzalen een grote reno­
vatie uitgevoerd. In de Grosser Musikvereinssaal is de
overdracht van het podium naar het publiek in Odeon
vergeleken tussen de configuratie voor en na de renovatie.
Uit de resultaten bleek dat er slechts geringe verschillen
waren. In de grote zaal van het Concertgebouw is de
akoestiek op het podium bestudeerd voor en na de reno­
vatie. De G was hoger in de configuratie na de renovatie,
waarschijnlijk omdat de afstand tussen bron en ontvanger
werd verminderd. Tevens was de EDT korter in de confi­
guratie na de renovatie terwijl de T30 nagenoeg gelijk
bleef. Dit suggereert dat door de renovatie het aantal
vroege reflecties op het podium is afgenomen.
ConClUsIE
We mogen voorzichtig concluderen dat de gunstige zaal­
akoestische eigenschappen van de Grosser Musikvereins­
saal en de grote zaal in het Concertgebouw een gevolg zijn
van de combinatie tussen juiste zaalakoestische inzichten,
toeval en onbedoelde effecten van akoestische concepten.
De juiste inzichten bestonden onder andere uit het toe­
passen van diffuse oppervlakken en aandacht voor een
goed interval tussen direct en gereflecteerd geluid wat
zorgde voor een goede ruimtelijkheid in beide concert­
zalen. Naast een aantal juiste zaalakoestische aannames
was er ook een aantal toegepaste akoestische applicaties,
waarvan het effect twijfelachtig is. Een voorbeeld hiervan
zijn de ‘echea’ die Vitruvius beschreef en die mogelijk
zijn toegepast in de kolommen van de Grosser Musik­
vereinssaal, alsmede de afgeronde hoeken in de grote zaal
van het Concertgebouw. De vergelijkbare nagalmtijd over
verschillende frequentiebanden in beide concertzalen is
mogelijk een gevolg van onbedoelde effecten zoals het
absorberen van de lage tonen met materialen die eigenlijk
bedoeld waren voor het versterken van het geluid. Ten
slotte heeft de renovatie uitgevoerd in 1899 waarschijnlijk
een positieve bijdrage geleverd aan de podiumakoestiek
in de grote zaal van het Concertgebouw, waarbij de
Grosser Musikvereinssaal na de renovatie zijn gunstige
akoestische eigenschappen heeft behouden. n
BronnEn
 [1] Beranek, L.l. (1996) Concert and opera halls: How
they sound, Acoustic society of America, Woodbury
 [2] Fricke, F.R. and Haan, C.H. (1996) Surveys of
acoustic quality of concert halls, Sydney
Bouwfysica 3 2012
 [3] Sabine, W.C. (1922) Collected Papers on Acoustics,
Harvard University Press, Boston
 [4] Stebbins, R.P. (2000) The making of Symphony Hall,
Boston Symphony Orchestra inc., Boston
 [5] Morgan, M.H. (1960) Vitruvius: The ten books of
architecture, Dover publications, inc., New York.
 [6] Rhode, J.G. (1800) Theorie der Verbreitung des
Schalles für Baukünstler, Heinrich Frölich, Berlin
 [7] Langhans, C.F. (1810) Über Theater oder Bemer­
kungen uber Katakustik in Beziehung auf Theaters, Gottfr.
Hayn, Berlin
 [8] Chladni, E.F.F. (1826-09-30) Ueber vortheilhafte
Einrichtiung eines Locals fur gute Wirkung des Schalles,
Allgemeine Musikalische Zeitung, Leipzig
 [9] Smith, R.T. (1861) A rudimentary treatise on the
acoustics of public buildings, John Weale, London
 [10] Radau, R. (1869) Die Lehre vom Schall, Verlag von
R. A. Oldenbourg, Munchen
 [11] Orth, A. (1872) Die Akustik grosser Raume mit
speciellem Bezug auf Kirchen, Zeitschrift fur Bauwesen,
p. 189-222
 [12] (1870-02-17) Erinnerungen an Carl Ferdinand
Langhans, Deutsche Bauzeitung, Berlijn, p. 2-4
 [13] Izenour, G.C. (1977) Theater Design, McGraw-Hill
inc., New York
 [14] Barron, M. (1993) Auditorium acoustics and
architectural design, E & FN spon, Londen
 [15] Köstlin (1870) Das musikvereinsgebaude in Wien,
Allgemeine Bauzeitung, p. 41-43
 [16] Knudsen, V.O. (1930) Acoustics of Music homes,
Jour. Of the Acous. S. of Amer., p. 434-467
 [17] Morel, V.A. (1878) Le Palais du Trocadero,
LIBRAIRES-EDITEURS, Paris
 [18] Sturmhoefel, A. (1888-10-12) Scene der alten en
bühne der neuzeit, zeitung fur bauwesen, p. 458
 [19] Schmieden, H. (1886) Das neue gewandhaus in
Leipzig, Centralblatt der Bauverwaltung, p. 1-14
 [20] Skoda, R. (1985) Das gewandhaus Leipzig
geschichte en gegenwart, Veb Verlag fur Bauwesen, Berlin
 [21] (1895-01-19) Vermischtes, Centralblatt der bauverwaltung, p. 27-28
 [22] Hayward, G.W.W.C. (1881-06-26), De concertzaal,
de Groene Amsterdammer, p. 4
 [23] Keuning, D. and Lansink, L. (1999) A.L. van Gendt
(1835­1901) J.G. van Gendt (1866­1925) A.D.N. van Gendt
(1870­1932): architecten in zaken, Stichting Bonas, Rotterdam
 [24] (1883-03-29) Amsterdams stadsarchief, Arch
1089, Inv. Nr. 990
 [25] Lansink, L. en Taat, J. (1978) Van Dolf van Gendt
naar Bernard Haitink, Negentig jaar concertgebouw en
Concertgebouworkest, De Concertgebouw N.V. en de
Nederlandse Orkeststichting tot beheer van het Concertgebouworkest, Amsterdam, p. 27
 [26] Grassberger, F. and Knessl, L. (1970) Hundert
jahre goldener Saal, Gesellschaft der Musikfreunde,
Wenen
 [27] Royen, H.J. van (1988-1989) Historie en kroniek
van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest
1888­1988, Dl. 2. Voorgeschiedenis/1888­1945, Walburg
pers
 [28] (1899-09-12) Stadsnieuws, Het Nieuws van den
Dag, p. 5
7
8
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
DEaLIng WITh DIsbELIEf
ExcErpT of ThE InauguraL spEEch of prof. Ir. L.c.J. van LuxEmburg on ThE 1sT of JuLy 2011
This inaugural lecture sets out to underline the need to anticipate changing attitudes in the world
of the built environment by focusing on new technologies and innovative solutions. It will not be an
easy challenge. We need to cooperate with the acoustics research groups of other faculties and
universities all over the world. Why not try to develop an institute of applied acoustic research at
our university? Even after decades of research and legislation, we still are confronted with
problems related to noise in the built environment, which shows us we still have a long way to go
to achieve our goals. Last, but not least, in consultancy we often have to deal with disbelief as the
clients and users expect a guarantee of the final result for which the existing objective terms are
not sufficient to cover all the subjective quality levels.
InTroDucTIon
prof. ir. L.C.J. (Renz) van
Luxemburg†
†Renz van Luxemburg
passed away 12 February
2012
Working in the field of architectural acoustics is both
challenging and disenchanting at the same time.
Operating in a number of scientific, creative, economic
and artisanal environments demands thinking and acting
out of the box with, as a consequence, not fully
complying with the terms of these worlds. As often
stated, architecture is both a science and an art.
Knowledge of physics and physiology is required to
understand phenomena of acoustics and auditory
perception while knowledge of building technology and
psychology are necessary to be able to apply the correct
solutions. Designing in architectural acoustics is
balancing functionality and perception. Communication is
often complicated since solutions must be effective from a
scientific perspective as well as acceptable from a
designer’s perspective. The perception of the acoustic
quality is, above all, very subjective. As musical
preferences are personal so are the acoustics. Everybody
has his own opinion. In comparison to the search for the
roots of the acoustic perfection of some musical
instruments (Stradivarius), in architectural acoustics we
are challenging the acoustics of the highest rated halls.
In our group we try to operate in this complex field of
interest by educating acoustic designers as well as
acoustic researchers in the tradition of Eindhoven
University of Technology where we combine fundamental
and applied research. In other words, we educate Masters
of Science, who are able to understand the design
philosophies of architects and are able to communicate
with experts in related fields of interest. The examples
presented in this lecture will enable you to better
understand what I mean.
acousTIc quaLITy In buILDIngs
For most people acoustics, and thus acoustic quality, are
strongly related to performing arts venues, and more
specifically to concert-halls for symphonic music. Since
professor Wallace Clement Sabine developed his theory
on the reverberation time and sound absorption (1900),
much research has been done to understand the acoustic
quality of rooms. This research has resulted in the
development of advanced measurement techniques and
increasingly accurate analysis and prediction methods.
Nowadays we are able to quite accurately reproduce the
acoustic properties of concert-halls and to compare them
according to a great number of physically well defined
parameters, most of which can be determined by
analyzing impulse responses. Many parameters are
interdependent.
Advanced knowledge has shifted the focus from audience
acoustics to performer’s acoustics. We know that for all
the acoustic quality descriptors of rooms a statistical
range has to be taken into account. As a consequence, the
number of parameter combinations is unlimited. As far as
I know nobody has yet found the key combination for the
perfect concert-hall but we are all familiar with famous
concert-halls with an imperishable reputation for
acoustics: the Concertgebouw in Amsterdam, the Boston
Symphony Hall in Boston and the Grosser Musikvereinssaal in Vienna. These halls can be considered the
standard for good concert-hall acoustics. What must be
realized, however, is that such a reputation is linked to a
certain type of music (Romantic) and personal preference.
We also should not forget that their reputation was not
excellent during the inauguration and also some elements
in the halls have been modified. Music preferences and
interpretations change over time, as does the size of
orchestras, etc.
I now arrive at the main theme of my lecture, which is
that the results of physical measurements give us the
opportunity to describe a hall or a room in reproducible
quantities, which enables us to compare the acoustic
quality of different halls. However, the acoustics of a hall
are not only determined by the physically reproducible
parameters. What makes a hall good for performers or a
performance? Leo Beranek [1] developed a rating system
•
gELuID En TrILLIngEn
Bouwfysica 3 2012
more geared to the subjective judgment of the acoustics
of a hall. The system is widely used and, because of that,
the statistical reliability must be taken seriously. However,
to what extent the system is reproducible is still
disputable as the main reference is the developer of the
system. Several studies, for example by Kahle [2], have
shown that it is very difficult to develop a reproducible
method to objectively judge the acoustics of a concerthall for symphonic music. Simply put, musicians,
audience and architects do not speak the same language.
However, the findings of scientific research are
increasingly used to define the acoustic quality for a new
building in its design brief, not only in case of a
performing arts venue but for all kinds of buildings. In
order to better unify the interpretations of measurement
results, standards like ISO 3382 [3] have been developed
to present these results. What does this all mean for the
discipline of architectural acoustics?
Nowadays we have relatively reliable computational
methods to study the effect of design decisions. The
common practice in architectural acoustics is to analyze
in close cooperation with the architect, the brief of the
client and the future users, thus developing a mutual
strategy and design concept. Such an approach is very
relevant to being able to develop completely new
solutions. Architects are challenged to propose options
nobody had ever thought were possible. The role of the
acoustician is to assist the architect and to study the
effect and impact of such proposals as well as to come up
with alternative solutions. The value of an acoustician
lies in his interdisciplinary and essential back-to-basics
approach. Designing is also a matter of being familiar
with the rules of ‘Gestalt Theory’. In our built
environment we have a lot of redundancy. All senses
operate interdependently. Designers must be aware of
this. The quality of a new design is determined by its
appearance, how it is experienced and its functionality.
Our ears check what our eyes see.
casa Da músIca, porTo
A good example of this approach is the design for Casa da
Música in Porto, Portugal (2005). The design process
started in April 1999 with an impossible task to fulfill. Six
architects were asked to present a design proposal for a
building comprising a concert-hall for 1500 people with
excellent acoustics for symphonic music, a 400-seat
auditorium meant for all kind of music, amplified and
non-amplified, a number of rehearsal rooms, a high
quality recording studio and management rooms. The
idea was to select an architect within three months and
immediately start the design process so that the building
would be ready in 2001 when Porto would become
cultural city of Europe. Such an assignment is only
realistic by reproducing an existing building. Nevertheless
O.M.A. came up with a completely unexpected proposal:
a concert hall with fully transparent front and rear walls.
The acoustic consequences are evident: no visual
obstructions and no special features to disperse the sound
and, because of the design approach, a shoe-box shape.
Furthermore, the architect was not in favor of big
balconies and wanted to expose the acoustic features only
1
The stage of casa da Música with the transparent canopy
when they were really scientifically justified. The basic
requirements for a concert-hall with the required capacity
and shape were communicated: a width between 22 to
24 meters and a volume of approximately 18,000 cubic
meters. The location and dimensions of the stage were
also proposed. The volume and shape approached that of
the Grosser Musikvereinssaal in Vienna. This resemblance
is pronounced by the golden finish of the walls. Instead of
elementary sound scattering surfaces such as statues and
a coffin shaped ceiling here quadratic residue diffusers
were introduced, both in the walls and in the ceiling. The
latter is very important to avoid the risk of the so-called
seat dip that may occur in the case of a long raked
audience surface without balconies. The problems
concerning the transparent walls were solved by
introducing a sine shaped glass with varying amplitude
and wavelength between both walls. Windows in the side
walls were similarly shaped to contribute to diffuse the
sound in the hall. The organs on both sides of the stage
were carefully taken into account. The seating in the hall
was specially designed, from both an architectural and
acoustic point of view. Safety regulations created
complications, which resulted in the row distance being
increased to 1.05 meters. Last, but not least, a transparent
canopy over the orchestra area was introduced. As this
solution was unique, a new parameter [4] to study the
efficiency of the canopy was developed and is now the
basis for one of the PhD studies in our group [5].
An experienced acoustic consultant from Spain was
contracted by the client to check our approach and
evaluate the acoustic design. Luckily he was used to
cooperate with well known Spanish architects like Rafael
Moneo, so he was able and willing to understand our
design approach. Such an open mind is not usually
encountered in the world of acoustic consultancy. Finally,
all the measured acoustic data met the criteria for
concert-halls of this size; positive visitor reactions
confirm this. The different comments we get on the
acoustics can be explained by the subjective perception of
the hall, that does not in any respect meet people’s
preconceptions of a traditional concert-hall for symphonic
music. We can learn from these designs on how to deal

9
10
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
windows as a cassette, with double laminated glass at a
substantial interval, had to be reviewed because of cost.
Here we were confronted with a dilemma. To what extent
would it be possible to solve the problem to reduce the
traffic and airplane noise with a thin (50 mm) double
glass package? And what would happen if we were not
successful? It may be obvious that neither the contractor
nor the patron wanted to take the risk of failure. No glass
manufacturer would guarantee the sound insulation
required. So finally the design team had to make the
decisions. We did tests using a prototype and after a
number of modifications, e.g. the type of interlayer and
mounting, we decided to go ahead. Also sound demos
revealed the effect of sound-insulating measures. In the
end we succeeded, albeit just on the limit of what we had
predicted.
2
The charles and Dee wyly Theatre in Dallas, a theatre machine with no acoustic limitations
with the expectations of clients and performers alike, and
discover what new research is required to address these
issues.
The patrons and the users are very happy with this
theatre machine in which almost everything is possible.
The design received several awards and challenged the
theatre companies to create new concepts that seem to be
very popular. These are the kind of experiences I want to
share with students and colleagues in the hope of
bringing our discipline to a higher level.
DEE anD charLEs WyLy ThEaTrE, DaLLas
A second example, in which the expectations of the
patron became a real challenge, is the new Dee and
Charles Wyly Theatre in Dallas, US (2009). The
architectural concept was to create a very flexible theatre
on the ground floor, which was open to the surrounding
environment. In the concept the chamber with fly tower
was wrapped by glass panels. The idea was to have a
theatre in which a proscenium stage, thrust stage and
open floor would be possible. Because of this concept
movable balconies were introduced. Furthermore, an
innovative system to modify the floor was designed. The
main acoustic challenges were determining to what extent
variable acoustics had to be introduced and if it would be
possible to mitigate external noise sources sufficiently by
just using the glass facade. Because of the fly tower and
the lifting system of the balconies the volume of the
chamber was relatively spacious. We decided to control
the acoustics by finishing the opaque walls above the
glass with highly sound absorbing material. The acoustics
in the chamber were solved by introducing sound
reflectors in the voids of the technical grid. It proved that
no extra sound absorption was required to adapt the
acoustics to the use of the hall in the different settings.
Working in the US brings extra pressure since introducing
a concept that has not proven itself includes the risk of
prosecution. The concept of this theatre was so new that
the theatre consultant kept expressing his worries about
the concept being risky. After the successful inauguration
they were the first to broadcast the innovative approach
and its success!
Also a very critical solution, in which we had to deal with
the client’s disbelief, was the transparent facades with a
height of almost 10 meters. The original idea was to have
windows that could be opened in such a way that the
stage could be extended to the outside area. Finally this
proved to be too expensive. Also the first proposal to use
muzIEkpaLEIs uTrEchT
After more than three decades of intensive use the Music
Centre Vredenburg in Utrecht is being renovated. The
arena type concert-hall, one of the first of this type and
probably the most extreme, will be untouched as the
concert-hall is considered to be an acoustic monument
already. So a period of 30 years is enough to establish a
certain reputation. The modifications of the Music Centre
consist of an extension with four new music venues: a
chamber music hall, a jazz hall, a pop music hall and a
cross-over hall. Besides the requirement to design halls
that will meet the acoustic quality of similar top ranked
halls, all the halls must be able to function at any time
without causing any noise interference between each
other. For this the four new halls must be vibration
insulated from each other, even though the building is
very compact. The architect responsible for the design,
Herman Hertzberger, demands and expects the highest
quality. He wants as much proof as possible that this top
quality will be reached. The main constraints in this
challenge are the budget and unforeseen new insights the
users bring in with respect to the use of the building.
The safe approach for such a design is to create a huge
heavy platform to support the new halls while structural
bearings or high vibration damping elements will enable
the acoustic separation of the halls. In this design,
however, the new halls are more or less vibration isolated
by being hung in a heavy structure. Such an approach is
very critical and highly demanding with respect to
construction. This implies that besides a deep
understanding of acoustics also a high level of
communication skills is required.
The interesting part about participating in this kind of
project is discovering that each discipline still has its own
vocabulary and codes. The architect wants and expects
maximum involvement of the acoustician to support and
•
gELuID En TrILLIngEn
Bouwfysica 3 2012
3
section and plan for the new Muziekpaleis in utrecht
defend his ideas, often counting on a proactive attitude
by the consultant towards the design. The patron expects
warranties with respect to the acoustic quality even if the
budget is not sufficient and the brief is modified in
between. Last, but not least, the contractor often does not
want any responsibility even for the quality of his own
work.
The project now is under construction and it is striking to
experience that every problem that has been solved in the
past is being questioned from a different perspective: that
of the contractor. So the viewpoint has shifted from “is it
possible to build” to “what is the risk to build” and “how
can we avoid any risk”. The result of this is often disbelief
about the effect or ability to construct the solution.
TaIpEI cEnTrE for pErformIng arTs
These kinds of problematic processes get worse when the
patrons bring in their own expert. Then you have to deal
not only with the client’s interests but also with a
competency problem: who is the real expert? The design
for the Taipei Centre for Performing Arts in Taipei is a
good example to illustrate this. O.M.A. won a competition
for an ambitious program for the building of a new
performing arts venue in Taipei, Taiwan. The design
comprises three different types of auditoria which can

11
12
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
4
Example of results for computer estimations of the acoustic quality descriptors of rooms
also be interconnected to form a super theater. Every hall
in itself must meet the highest acoustic standards, but
they also apply to the connected spaces. The design is
highly challenging for every discipline involved. It is
innovative and has lots of opportunities. However, as in
marketing, opportunities always imply threats. So from
the moment the client’s representative comes in all
possible scenarios have need to be proven in order to
ensure that every approval will not have to be constantly
a reflection of the expert’s competency.
Although our discipline goes back to 1900, we must be
aware that from a scientific point of view not all problems
can be solved based on a theoretical approach. Designing
is like modeling, with a high degree of trial and error.
Also the possible number of combinations is unlimited.
As a consequence, most tools appropriate for the design
phase are mainly intended to study trends and to justify
decisions rather than prove their correctness. But since
the client’s expert has his responsibility, he wants to
understand the design decision process and the easiest
way to do that is to question design solutions. If you are
not fully convinced of the quality of your own design, the
other expert will force you to redesign in order to secure
the acoustic quality.
What is interesting to note is the shift in the use of
computer models. The development and value of acoustic
prediction models for rooms have progress at a fast pace
lately and are much more reliable than they were a few
years ago. Nowadays, the main problem in discussions
related to the evaluation of design proposals is the way
these models are being used rather than their validity.
Investigating design possibilities demands a different
approach than checking the reality of it. More and more
we seem to rely too much on the results of computer
estimations (instead of looking at the essence of an
acoustic design).
Luckily, working in such a design environment also
generates new research questions [6, 7, 8]. Knowing that
we will be confronted with questions to prove the
effectiveness of design proposals, our attitude has to
move in the direction of executing experiments rather
than staying on the safe side and only proposing what
has been proven to be effective in the past. n
rEfErEncEs
 [1] Beranek, L., Concert-halls and Opera House: how
they sound, AIP Press, New York, 1996
 [2] E. Kahle and J.-P. Jullien, “Subjective listening tests
in concert halls: Methodology and results,” in
Proceedings of the 15th International Congress on
Acoustics (ICA’95), Vol. 2, 521–524 (Trondheim, Norway,
1995)
 [3] ISO 3382-1, Acoustics – Measurement of Room
Acoustic Parameters – Performing Space, 2009
 [4] Braak, E.W.M. Van den, Luxemburg, L.C.J. van,
“New (stage) parameter for conductor’s acoustics?”,
Proceedings of the 155th ASA conference, Paris 2008
 [5] Wenmaekers, R.H.C., Hak, C.C.J.M., Luxemburg,
L.C.J. van, “The influence of the orchestra on stage
acoustics”, Paper NAG Journaal nr. 194, november 2010
 [6] Hak, C.C.J.M., Bijsterbosch, K.B.A., Room Acoustic
Scale Model Measurements using a Spark Train,
Proceedings of the NAG-DAGA 2009, Rotterdam
 [7] Hak, C.C.J.M., Wenmaekers, R.H.C., Hak, J.P.M.,
Luxemburg, L.C.J. van, The Source Directivity of a
Dodecahedron Sound Source determined by Stepwise
Rotation, Proceedings of Forum Acusticum 2011, Aalborg
 [8] Hout, N.H.A.M. van, Hak, C.C.J.M., Slaat, G.E.,
Gerretsen, E., Measuring Sound Insulation under Extreme
Conditions using Deconvolution Techniques, Proceedings
of the NAG-DAGA 2009, Rotterdam
•
geluid en trillingen
Bouwfysica 3 2012
13
de ‘pOdiuMAkOestiek’ vAn de
OrkestBAk vAn Het MuziektHeAter
AMsterdAM
Muziekzalen voor opera-uitvoeringen zijn complexe zaalakoestische omgevingen. de operazaal
dient uiteenlopende, soms tegenstrijdige functionaliteiten te herbergen met eisen van verschillende gebruikers. een goed voorbeeld van een dergelijke zaal is Het Muziektheater te Amsterdam, het
productiehuis van de nederlandse Opera en het nationaal Ballet. in het kader van het optimaliseren van de arbeidsomstandigheden is er een onderzoek gestart naar hoe de akoestiek van de
orkestbak te verbeteren, zie figuur 1. Het belangrijkste doel is om de hoge geluidniveaus die in
een orkestbak optreden te reduceren. dit is overigens een veel voorkomend probleem dat zich
voordoet in de meeste orkestbakken, en zelfs op ‘open’ podia van concertzalen en theaters. naast
het reduceren van de geluidniveaus is het gewenst om de samenspelcondities in de orkestbak
binnen het orkest en tussen orkest en solisten te optimaliseren.
inleiding
ir. R.H.C. (Remy)
Wenmaekers,
Level Acoustics
ir. C.C.J.M. (Constant)
Hak, TU/e Bouwkunde
Unit BPS
ir. N.H.A.M. (Nicole) van
Hout, Level Acoustics
ir. A. (Angela) van der
Heide, Philips Lighting
ir. L.C.J. (Renz) van
Luxemburg†, TU/e Bouwkunde Unit BPS & Level
Acoustics
†Renz van Luxemburg is
overleden op 12 februari
2012
Vanuit het oogpunt van de luisteraar dient in een operazaal de zang van de solisten en koor op het podium en de
muziek van het symfonieorkest in de orkestbak samen te
vloeien tot één geheel, zie figuur 2. Niet alleen de balans
tussen zangers en orkest is van belang, maar ook de
balans tussen de verschillende instrumentgroepen onderling, zoals de strijkers en de blazers. Verder dient de
akoestiek van de zaal te zorgen voor een rijke muzikale
beleving, waarbij men enerzijds omspoeld wil worden
door het geluid. Anderzijds wil men de gezongen teksten
kunnen verstaan en de verschillende noten in een muzikale frase kunnen onderscheiden. Voorbeelden van
belangrijke zaalakoestische parameters die deze wensen
kunnen beschrijven zijn de nagalmtijd, de luidheid, de
ruimtelijkheid en de helderheid.
De dirigent en de musici stellen echter andere eisen aan
een operazaal. Een goede akoestische communicatie tussen de zangers op het podium en het orkest in de orkestbak is essentieel voor het samenspel. In een traditionele
18e en 19e-eeuwse operazaal neemt het orkest plaats vóór
het verhoogde podium zodat de dirigent visueel contact
kan houden met de zangers en het orkest. Doordat door
de eeuwen heen de luidheid van het orkest met het aantal
musici is toegenomen, introduceerde Wagner eind 19e
eeuw de orkestbak, een ruimte voor het orkest die zich
verdiept en deels onder het podium bevindt. Hierdoor
werd de overdracht van het geluid van het orkest naar de
zaal gereduceerd, waardoor de balans in de zaal tussen
zangers en orkest kon verbeteren. Voor de musici betekende dit echter een toename in het geluidniveau binnen
het orkest, zo kan het gemiddelde geluidniveau met 2 á
3 dB toenemen ten opzichte van een podiumsituatie [1].
Ook resulteerde dit vaak in een verslechtering van de
samenspelcondities.
Een goede communicatie tussen de dirigent, zangers en
musici onderling bevordert het speelgemak en kan de
kwaliteit van de voordracht bevorderen. Akoestisch gezien
worden de samenspelcondities binnen een orkest bepaald
door de mate waarin de verschillende orkestleden elkaar
kunnen horen en onderscheiden. De overdracht tussen de
verschillende musici kan worden bevorderd door het introduceren van vroege reflecties, bijvoorbeeld via de prosce
niumboog of via reflectoren. Daarnaast heeft de musicus

1
orkestbak van Het Muziektheater te amsterdam
14
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
Tabel 1: grenswaarden waaraan getoetst moet worden
gehoorbescherming
Lpiek ≥ 140 dB
LAeqw ≥ 85 dB(A)
Lpiek < 140 dB
verplicht
80 dB(A) ≥ LAeqw < 85 dB(A)
verplicht
ter beschikking stellen
graag een indruk van het resultaat op de plek van de luisteraar. Dit vraagt om een zekere akoestische feedback vanuit de zaal terug naar het podium en de orkestbak. Tot slot
dient ook de invloed van het orkest zelf in de orkestbak in
rekening gebracht te worden [2, 3]. Al deze verschillende
akoestische aspecten vallen onder het begrip ‘de podiumakoestiek’.
2
akoestische relaties tussen orkestbak, podium en zaal
zen om de microfoons tussen twee musici in te plaatsen.
De geluidblootstelling is gemeten met een omnidirectionele microfoon op 4 posities in het orkest:
1. cello vóór: midden in de strijkersecties, in het open
gedeelte
2. hobo: vooraan in de sectie houtblazers, in het overdekte gedeelte
3. cello achter: voor de percussie, op de grens van het
open en overdekte gedeelte
4. altviool: voor de koperblazers, in het open gedeelte
geluidBlOOtstelling geMeten in de OrkestBAk
Tijdens repetities van de opera ‘Die Frau ohne Schatten’
(componist R. Strauss) zijn geluidmetingen uitgevoerd om
te controleren of bij de uitvoering van deze opera voldaan
werd aan de wetgeving, NEN 3418 Ergonomie – Het
beoordelen van geluid op de arbeidsplaats, toegestane
geluidniveaus. Deze norm beschrijft de methode voor het
beoordelen van geluid op de arbeidsplaats en richt zich
op de geluidbelasting van het menselijk oor tijdens het
uitvoeren van het werk. In bovengenoemde norm wordt
het geluid beoordeeld met de volgende parameters:
– LAeqw: het A-gewogen energetisch gemiddelde geluiddrukniveau van een werkzaamheid gedurende een
bepaalde beoordelingstijd op de meetplaats
– Lpiek (piekniveau): het hoogste geluiddrukniveau tijdens deze werkzaamheid
Tabel 2 geeft de meetresultaten op de vier orkestbakposities weer. Per meetpositie is het A-gewogen equivalente
geluiddrukniveau (LAeqw) en het piekniveau (Lpiek) over de
gehele opera bepaald. Beide niveaus zijn ook per akte
bepaald. De rood gemarkeerde waarden overschrijden de
grenswaarde. Zoals te zien is, wordt op meetpositie 2, 3 en
4 de grenswaarde LAeqw ≤ 85 dB(A) overschreden. Op meetpositie 1 wordt deze grenswaarde net niet overschreden.
De grenswaarde Lpiek ≤ 140 dB wordt op geen enkele meetpositie overschreden. De resultaten komen overeen met
andere onderzoeken waaruit blijkt dat de grenswaarde
LAeqw van 85 dB(A) bij de meeste musici en veel verschillende muziekstukken wordt overschreden, met uitzondering van het rechteroor van de violisten en beide oren van
de cellisten en contrabassisten. Deze overschrijding treedt
zowel op in een orkestbak als op een open podium of in
de oefenruimte. De grenswaarde Lpiek < 140 dB is bij geen
enkel onderzoek overschreden. Het is echter nog onzeker
wat de bijdrage is van de (podium)akoestiek op de totale
blootstelling per musicus in verhouding tot het direct
geluid van het eigen instrument en het directe geluid van
de instrumenten van de andere musici.
Op de dagen van de opera-uitvoering is het spelen van de
opera door een musicus te beschouwen als één werkzaamheid tijdens een werkdag. Tabel 1 geeft aan wanneer
gehoorbescherming verplicht moet worden gesteld.
Volgens NEN 3418 dient de geluidblootstelling gemeten te
worden boven de schouder aan de zijde van het meest
belaste oor. Voor musici in een orkest is het echter niet
eenvoudig vast te stellen welk oor het meest belast zal
zijn, aangezien dit afhankelijk kan zijn van de positie in
het orkest en het gespeelde werk. Daarnaast is het bijvoorbeeld bij een violist niet eenvoudig om te meten op
de schouder waar zich tevens het instrument bevindt.
Recent onderzoek [4] toont ook aan dat met name de violisten een asymmetrische blootstelling ondervinden met
een gemiddeld verschil tussen de twee oren van 5 dB. In
dat onderzoek is gemeten met twee microfoons op korte
afstand voor de oorschelp. Tijdens de metingen in de
orkestbak van Het Muziektheater is destijds ervoor geko-
pOdiuMAkOestiek vAn de OrkestBAk
De samenspelcondities binnen een orkest kunnen worden
beschreven aan de hand van de objectieve parameters
Tabel 2: gemeten waarden voor LAeqw en Lpiek op de vier meetposities
meetpositie
1 – cello vóór
2 - hobo
3 – cello achter
4 - altviool
LAeqw [dB(A)]
Lpiek [dB]
LAeqw [dB(A)]
Lpiek [dB]
LAeqw [dB(A)]
Lpiek [dB]
LAeqw [dB(A)]
Lpiek [dB]
akte 1
79,3
123,3
87,9
121,1
86,4
130,3
87,1
130,3
akte 2
84,8
124,2
89,4
119,6
88,4
130,1
88,4
129,2
akte 3
82,6
123,7
89,4
122,9
89,4
130,7
90,5
129,7
totale opera
82,8
124,2
88,9
122,9
88,3
130,7
88,9
130,3
•
geluid en trillingen
Bouwfysica 3 2012
3
4
STearly per bronpositie en per orkestbak (configuratie)
STlate per bronpositie en per orkestbak (configuratie)
van Gade, Early Support (STearly) en Late Support (STlate),
zoals beschreven in ISO 3382-1. Deze parameters kunnen
bepaald worden uit een impulsresponsie gemeten op
1 meter afstand van een omnidirectionele geluidbron. De
STearly beschrijft het verschil tussen het geluidniveau van
het vroeg gereflecteerde geluid binnen een interval van
20 tot 100 ms na het directe geluid, ten opzichte van het
geluidniveau van het direct geluid binnen een interval
0 tot 10 ms. De hoeveelheid vroege reflecties die op deze
manier gemeten wordt, correleert met de subjectieve
ervaring van het samenspelgemak. Een waarde van circa
-12 dB wordt als optimaal beschouwd. De STlate beschrijft
het verschil tussen het geluidniveau van het late gereflecteerde geluid binnen een interval van 100 tot 1000 ms na
het directe geluid, ten opzichte van het geluidniveau van
het direct geluid binnen een interval 0 tot 10 ms. De parameter STlate correleert met de subjectieve ervaring van de
hoeveelheid galm, waarbij eveneens een waarde van
-12 dB als optimaal wordt beschouwd.
en van de geluidbron. Hieruit is een gemiddelde waarde
bepaald per bronpositie over de octaafbanden met middenfrequenties 250 tot en met 2000 Hz.
In figuur 3 zijn de resultaten van STearly weergeven per
bronpositie en per orkestbak (configuratie). Te zien is dat
voor alle orkestbakken de waarde van STearly voor alle
bronposities hoger ligt dan de optimale waarde van
-12 dB. Daarbij valt op dat in de meeste gevallen STearly
aanzienlijk hoger is wanneer de meetpositie zich onder
het overdekte gedeelte bevindt. Dit betekent dat er relatief
veel vroeg gereflecteerde geluidenergie ontvangen wordt
dichtbij bij de geluidbron, onder andere door de reflecties
via het overhangende gedeelte en de achterwand van de
orkestbak. Het effect van een geluidabsorberende achterwand (gordijnen of stoelenopslag) is hierbij niet altijd
duidelijk aanwezig. In het overdekte gedeelte is bij de
orkestbakken het vroeg gereflecteerde geluid zelfs slechts
gemiddeld 6 dB zachter dan het direct geluid. Het totale
geluidniveau zal hier dan ook deels bepaald worden door
vroege reflecties. In het open gedeelte is de bijdrage van
vroege reflecties gemiddeld 10 dB lager dan het directe
geluid.
Naar aanleiding van de geluidexpositiemetingen in de
orkestbak is er in het kader van een afstudeeronderzoek
een studie gedaan naar de podiumakoestiek van orkestbakken [5]. Hierbij zijn er zaalakoestische metingen verricht in vier verschillende orkestbakken A-D van theaters,
waaronder Het Muziektheater Amsterdam. Gegevens over
de verschillende orkestbakken zijn weergegeven in tabel
3. In de orkestbak van zaal D is eenmaal gemeten met
diffusoren op de achterwand (D-d) en eenmaal gemeten
met een gordijn tegen de achterwand (D-g). In elke
orkestbak zijn in de lege situatie op drie bronposities op
1 meter afstand impulsresponsies gemeten met software
Dirac voor het bepalen van de ST parameters. Hierbij
bevindt zich S1 achterin het overdekte gedeelte, S2 midden in het open gedeelte en S3 voorin het overdekte
gedeelte. Voor elke bronpositie zijn er vier impulsresponsies gemeten voor elke stap van 90 graden van het draai-
In figuur 4 zijn de resultaten van STlate weergeven per
bronpositie en per orkestbak (configuratie). Hierin is te
zien dat voor bijna alle waarden van STlate lager liggen
dan de optimale waarde van -12 dB. Daarnaast is te zien
dat bij de posities in het overdekte gedeelte de STlate vrijwel gelijk ligt aan de STlate van het open gedeelte. Dit
toont aan dat de late reflecties vanuit de zaal het open en
overdekte gedeelte van de orkestbak even sterk bereiken.
Echter, er kan geconcludeerd worden dat een sterke onbalans heerst tussen de vroeg en laat gereflecteerde geluidenergie in alle orkestbakken, vooral in het overdekte
gedeelte.

Tabel 3: omschrijving van de gemeten orkestbakken
beschrijving
A
B
C
d-d / d-g
104 m
47 m
142 m2
42%
40%
34%
37%
breedte
20,0 m
13,8 m
10,9 m
22,8 m
diepte
9,9 m
9,0 m
5,5 m
7,1 m
achterwand
steen
gordijnen
stoelenopslag
(geluidabsorberend)
D-d: diffusoren
D-g: gordijnen
vloeroppervlak
% open gedeelte
180 m
2
2
2
15
16
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
–
–
5
Het akoestische schaalmodel van de orkestbak
Abs-aw: absorberende achterwand (poreus schuim
tegen achterwand)
Abs-pl: absorberende plafond (poreus schuim tegen
onderzijde podium)
In figuur 7 zijn de resultaten voor STearly weergegeven per
bronpositie en per configuratie van de orkestbak. Daarnaast zijn ook de resultaten weergegeven voor de metingen in de werkelijke orkestbak (Huidig A). Uit een vergelijking van de resultaten van ‘Huidig A’ met ‘Refl-aw’ is te
zien dat de resultaten voor STearly gemeten in het schaalmodel 1 à 2 dB hoger zijn ten opzichte van de metingen
in werkelijkheid. Het verschil tussen de resultaten van het
open deel (S2) en overdekte deel (S1 en S3) is voor ‘Huidig A’ en ‘Refl-aw’ echter vergelijkbaar met circa 3,5 dB.
Geconcludeerd kan worden dat het schaalmodel een kleine overschatting maakt, maar dat de afwijking binnen het
geschatte net hoorbare verschil van 2 dB voor STearly ligt.
Uit een vergelijking van de verschillende configuraties
gemeten in het schaalmodel is op te maken dat het aanbrengen van diffusoren tegen de achterwand (Diff-aw)
een gemiddelde reductie van circa 1 dB oplevert ten
opzichte van een reflecterende achterwand (Refl-aw). Het
aanbrengen van absorptie tegen de achterwand of plafond
geeft een gemiddelde reductie van circa 3 dB. In het geval
van de configuratie met absorptie tegen het plafond worden de verschillen tussen het open en overdekte gedeelte
kleiner, in feite is dan ook de gehele ‘bovenzijde’ geluidabsorberend.
expOsitieMetingen Met vergrOte OrkestBAk
6
verschillende orkestbakconfiguraties in het schaalmodel
sCHAAlMOdelOnderzOek OrkestBAk
Om de effecten van aanpassingen aan de orkestbak van
Het Muziektheater Amsterdam te onderzoeken is er een
akoestisch schaalmodel 1:10 gebouwd, zie figuur 5 [5].
Het model is vervaardigd uit MDF dat in het frequentiegebied 2,5 tot en met 20 kHz een reflecterend materiaal is
met α ≤ 0,1 (gemeten in een galmkamer schaal 1:10). Bij
het uitvoeren van metingen is het model afgedekt met een
geluidabsorberende poreuze schuim (α ≈ 1), waardoor
alleen de akoestiek van de orkestbak zelf meegenomen
wordt. In het model zijn vervolgens ultrasone impulsresponsies opgenomen met een repeterende vonkbrug [6] en
vertaald naar schaal 1:1 met mathematische correctie
voor de luchtabsorptie. Als meetposities zijn dezelfde
posities gehanteerd als bij de metingen in de werkelijke
orkestbak. Hierbij is voor verschillende configuraties van
de orkestbak de STearly bepaald (zie figuur 6):
– Refl-aw: reflecterende achterwand (gelijk aan huidige
situatie)
– Diff-aw: diffuserende achterwand (QRD diffusoren
tegen achterwand)
De mogelijke impact van de onderzochte aanpassingen
aan de orkestbak op de geluidblootstelling van de musici
is echter nog sterk afhankelijk van de combinatie van alle
muziekinstrumenten op de verschillende ontvangposities.
In ieder geval is middels de verschillende metingen aangetoond dat door het overdekken van de orkestbak te veel
vroege reflecties worden geïntroduceerd die het geluidniveau kunnen doen toenemen ten opzichte van een normale podiumopstelling. Om verder te onderzoeken wat
het verschil is in geluidblootstelling als eenzelfde musicus
plaatsneemt in het open gedeelte in plaats van het overdekte deel, zijn er geluidniveaus gemeten in de situatie
van een vergrote orkestbak. Hierbij zijn de eerste drie rijen stoelen uit de zaal verwijderd en schuift het gehele
orkest naar voren.
Om het effect te onderzoeken van het vergroten van de
orkestbak op de geluidbelasting van de musici en de
geluidoverdracht tussen musici onderling, naar de dirigent
en naar de zaal, heeft er een experiment plaatsgevonden
waarbij hetzelfde muziekstuk met gelijke bezetting is
gespeeld in een vergrote orkestbakopstelling en in de normale orkestbakopstelling. De geluidmetingen zijn uitgevoerd tijdens twee orkestrepetities van de opera “De
legende van de onzichtbare stad Kitesj” van Rimsky Korsakov in januari 2012. Tijdens beide repetities is gedurende circa 3 minuten exact hetzelfde gedeelte van het
muziekstuk gespeeld voor de meting, namelijk de interlude van de opera genaamd “The Battle of Kerzhenets”. Dit
gedeelte is gekozen omdat hierin deels tutti (samen) wordt
gespeeld, waarbij in beide situaties zoveel mogelijk door
•
geluid en trillingen
Bouwfysica 3 2012
7
STearly per bronpositie en per orkestbakconfiguratie van het
schaalmodel
8
geluiddrukniveauverschil voor elke gemeten positie
dezelfde (hoeveelheid) musici is gespeeld en het koor niet
mee heeft gezongen. Bovendien is het gedeelte tweemaal
achter elkaar gespeeld in de vergrote orkestbakopstelling
kort voor en direct na de pauze om de herhaalbaarheid
van de meting na te gaan. Hetzelfde gedeelte is in de normale orkestbakopstelling slechts eenmaal gespeeld. Er is
gemeten bij dezelfde posities 1, 2 en 4 als bij de eerdere
metingen, met daaraan toegevoegd een positie bij de dirigent en een positie op het podium circa 2 m van de rand.
Op deze posities zijn tevens opnames gemaakt.
In figuur 8 zijn de verschillen in A-gewogen geluiddrukniveau in dB(A) weergegeven voor elke gemeten positie
in het orkest, bij de dirigent en op het podium. Het verschil in geluidniveau tussen de 2 identieke metingen met
de tussenpauze in de vergrote orkestbak is in groen weergegeven. De verschillen zijn klein (< 1 dB) voor alle posities. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de meting
goed herhaalbaar is. Het verschil tussen de metingen in
normale en vergrote orkestbak zijn weergegeven in
blauw. Een positieve waarde betekent een hoger niveau in
de situatie met vergrote orkestbakopstelling. De niveauverschillen op de posities ‘Celli vóór’ en ‘Dirigent’ zijn
klein met -0,2 dB en -0,4 dB. Zij bevinden zich zowel in
de originele als in de vergrote orkestbak in het open
gedeelte en ondervinden daardoor geen effect van de
orkestbak. Op de posities ‘Hobo’ en ‘Alt-viool achter’ is
een significante reductie in het niveau gemeten met -2,7
en -1,6 dB bij het vergroten van de orkestbak. Deze posities bevinden zich onder het overdekte gedeelte in de originele orkestbak, en komen dichter naar het open gedeelte of in het open gedeelte in de vergrote orkestbak,
waardoor ze een belangrijk effect ondervinden. Op de
positie op het podium is juist een significante toename in
het geluidniveau gemeten van 3,0 dB. Voornamelijk de
luide instrumenten van het orkest worden immers meer
direct zichtbaar gezien vanaf het podium.
Nadere analyse van de gemaakte opnames laat zien dat
op de posities ‘Hobo’ en ‘Alt-viool achter’ alleen een
reductie in het geluidniveau plaatsvindt in de luide
gedeeltes. Op de opnames is te horen dat dit passages zijn
waar de koperblazers meespelen. Een opvallend verschil
in de opnames is dat de koperblazers in de normale
orkestbakopstelling zeer ‘direct’ klinken (luid en weinig
galm), terwijl de koperblazers in de vergrote orkestbakopstelling ‘verder weg’ klinken (zachter en meer galm).
Dit geeft aan dat de verhouding tussen het vroege geluid
(direct en gereflecteerd) en het late geluid (vanuit de
zaal) hoorbaar veranderd, te zien in de podiummetingen
door een lagere STearly in het open gedeelte.
COnClusie
De metingen van de geluidblootstelling van orkestmusici
in de orkestbak van Het Muziektheater Amsterdam bevestigen de resultaten van verschillende onderzoeken in
andere orkestbakken en op podia dat de grenswaarde
voor het A-gewogen equivalente geluiddrukniveau van
85 dB(A) bij veel musici in veel gevallen overschreden
wordt. Nieuwe metingen van de podiumakoestiek in verschillende orkestenbakken laten zien dat het geluid versterkt wordt in het overdekte deel door vroege reflecties.
Mogelijke aanpassingen zijn onderzocht met metingen in
een schaalmodel, waaruit blijkt dat zowel het toevoegen
van diffusoren als het aanbrengen van geluidabsorptie
effectief kan zijn. Daarnaast tonen de resultaten van een
experiment met het vergroten van de orkestbak aan dat
de geluidblootstelling significant gereduceerd kan worden
door orkestleden niet onder het overdekte gedeelte plaats
te laten nemen. De invloed op de geluidblootstelling van
het aanbrengen van diffusoren en/of geluidabsorptie in
de orkestbak zal nog verder onderzocht worden. Het
Muziektheater Amsterdam is hiermee een van de eerste
theaters die actief op zoek is naar oplossingen voor het
reduceren van de geluidblootstelling van de musici in
haar orkestbak. n
BrOnnen
 [1] Adviesbureau Peutz, Onderzoek schadelijk geluid in
orkesten, Rapport R 816-3, 24 juni 2003
 [2] Wenmaekers, R.H.C., Hak, C.C.J.M., Luxemburg,
L.C.J. van, The influence of the orchestra on stage
acoustics, Proceedings of NAG, Journaal nr. 194,
november 2010
 [3] Wenmaekers, R.H.C., Hak, C.C.J.M., Luxemburg,
L.C.J. van, The influence of Room Acoustic Aspects on the
Noise Exposure of Symphonic Orchestra Musicians,
Proceedings of ICBEN London, 2011
 [4] J.H. Schmidt, Hearing Changes in Classical
Musicians and Risk factors, PHD Thesis, Faculty of Health
Sciences, University of Southern Denmark, 2011
 [5] A. van der Heide, The acoustics of orchestra pits. A
case study: Het Muziektheater, Amsterdam, afstudeerverslag Technische Universiteit Eindhoven, unit BPS, 2011
 [6] Hak, C.C.J.M., Bijsterbosch, K.B.A., Room Acoustic
Scale Model Measurements using a Spark Train,
Proceedings of the NAG-DAGA Rotterdam, 2009
17
18
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
DE gEluiDAbSorbErEnDE vloEr vAn
HEt ScHEEpvAArtmuSEum
Het meest in het oog springende element van het gerenoveerde Scheepvaartmuseum in Amsterdam is ongetwijfeld de glasoverkapte binnenplaats. Een interessante uitdaging in het ontwerp van
de binnenplaats was de ruimteakoestiek; de overkapte ruimte diende immers geschikt te zijn als
multifunctionele ruimte met het akoestisch karakter van een open plein. Door de toepassing van
een speciaal voor deze ruimte ontwikkeld geluidabsorberend vloersysteem is uiteindelijk een
passende ruimteakoestiek gerealiseerd.
AAnlEiDing
ir. J (Jeroen) Vugts,
LBP|SIGHT, Nieuwegein
De afgelopen jaren is het Scheepvaartmuseum in Amster­
dam grondig gerenoveerd. Deze renovatie was noodzake­
lijk omdat de bouwkundige staat slecht was, de klimaat­
installaties ernstig verouderd waren en het museum een
sterke behoefte had aan een impuls waarmee het kon
inspelen op de hedendaagse publiekswensen. Zo bestond
de wens om de tentoonstellingen opnieuw in te richten
en meer ruimte in het museum te realiseren om de extra
bezoekersstromen te kunnen onderbrengen. Voor dit laat­
ste aspect is door de architect een plan ontwikkeld om de
centrale binnenplaats door middel van een glazen over­
kapping meer te betrekken bij het museum. De binnen­
plaats zou daardoor een duidelijker publieksfunctie kun­
nen krijgen, waarbij deze als centrale ontmoetingsruimte
van het museum functioneert van waaruit de verschillen­
de vleugels van het gebouw bereikbaar zijn. Bovendien
bestaat zo de mogelijkheid om de ruimte ook na sluitings­
tijd van het museum te gebruiken als evenementenlocatie.
Het idee van de glasoverkapte ruimte is vormgegeven
door Ney & Partners uit Brussel. De overkapping bestaat
uit een gebogen kap, bestaande uit stalen profielen waar­
tussen zonwerende beglazing is opgenomen. De profielen
in het hart van de overkapping hebben daarbij een confi­
guratie die overeenkomt met een ‘windroos’ die op oude
zeekaarten is terug te vinden.
In de oorspronkelijke situatie bestond de binnenplaats uit
een open plein dat was voorzien van klinkerbestrating, met
rondom het plein een overkapte omloop. Deze ‘buiten­
ruimte’ vormde een open plein waar een aantal kanonnen
stond opgesteld, maar had verder een beperkte functie.
De binnenmaten van het plein zijn circa 29,4 x 29,4 m, de
afmetingen tussen de gevels betreffen circa 33,7 x 34,1 m
en de hoogte tot de dakrand bedraagt 14,3 m.
AkoEStiEk binnEnplAAtS
Voor de nieuwe situatie werd als randvoorwaarde mee­
gegeven dat de binnenplaats ook met overkapping het
karakter van een open plein diende te hebben. Akoestisch
gezien komt dit er op neer dat de ruimteakoestiek in de
glasoverkapte ruimte zodanig dient te zijn dat het publiek
niet de indruk heeft zich in een gesloten ruimte te bevin­
den. Het toevoegen van de overkapping resulteert echter
in een gesloten ruimte, waardoor het in de ruimte gepro­
duceerde geluid niet meer kan verdwijnen door het ‘open
dak’. Om in dat geval een akoestisch vergelijkbare situatie
te creëren, zou in theorie een equivalent aan absorptie ter
grootte van het open dak aangebracht moeten worden.
Wanneer we ervan uitgaan dat alle geluidabsorptie in de
bestaande open situatie werd gerealiseerd door het ‘open
dak’, dan was circa 1.156 m2 o.r. (open raam) aanwezig.
1
De glasoverkapte binnenplaats van het scheepvaartmuseum met
geluidabsorberende vloer
2
open binnenplaats (oude situatie)
•
gEluiD En trillingEn
Bouwfysica 3 2012
4
3
gemeten gemiddelde nagalmtijd in de binnenplaats zonder overkapping
Berekende waarden voor de nagalmtijd in de binnenplaats in de
open situatie en na overkapping (zonder geluidabsorptie)
Om de ruimte niet te galmend te laten zijn, kan een voor­
waarde worden gesteld aan de nagalmtijd in de ruimte.
De aanvaardbare maximale nagalmtijd van een grote
ruimte is daarbij afhankelijk van het volume. Voor een
grote publieksruimte kan de gewenste nagalmtijd worden
beschreven met de volgende algemene relatie:
ponsmetingen met het programma Dirac. De resultaten
van die metingen zijn opgenomen in figuur 3. Uit de
metingen kan worden opgemaakt dat de over de binnen­
plaats gemiddelde nagalmtijd T20 (over de octaafbanden
250 tot en met 2.000 Hz) circa 2,2 s bedraagt. Wel wordt
opgemerkt dat in de bestaande situatie sprake was van
enige hoorbare galm, als gevolg van de reflecties tegen de
harde gevels van de bouwdelen rondom het plein. Het
gros van het geluid wordt echter geabsorbeerd door het
‘open’ dak. Geconcludeerd wordt dat in de bestaande
situatie ruimschoots werd voldaan aan de richtwaarde
voor de nagalmtijd. (Op basis van formule (1) en een
ruimtevolume van circa 16.500 m3 zou een nagalmtijd tot
2,9 s nog acceptabel zijn.)
V 
T ≤ log 
 20 
(1)
Aangezien het volume van de overkapte binnenplaats
circa 19.500 m3 bedraagt, betekent dit dat een nagalmtijd
in de ordegrootte van 3,0 s nog toelaatbaar is. Behalve het
beperken van de nagalmtijd is het voorkomen van een te
luide ruimte eigenlijk nog van grotere invloed op de
akoestische beleving. In een te galmende ruimte met hoog
achtergrondgeluidniveau hebben mensen namelijk de
onwillekeurige neiging om harder te gaan praten. Het
onvermijdelijke gevolg daarvan is dat het geluidniveau in
de ruimte verder toeneemt, waardoor de spreker gedwon­
gen wordt nog luider te praten om zich verstaanbaar te
maken. Het resultaat hiervan is dat te hoge geluidniveaus
en een oncontroleerbare brei aan geluid ontstaan en
spraakoverdracht onmogelijk wordt gemaakt. Dit psycho­
akoestische fenomeen staat ook wel bekend als het Lom­
bard­effect en manifesteert zich vaak in grote publieks­
ruimten. Beruchte voorbeelden hiervan zijn onder andere
zwembaden of atria, waarin relatief weinig geluidabsorp­
tie en veel bronnen (spelende kinderen, pratende men­
sen) aanwezig zijn. Dit effect, waarbij het geluid wordt
opgeslingerd, treedt over het algemeen op wanneer het
geluidniveau in het nagalmveld ten gevolge van de aan­
wezige bronnen circa 65 dB(A) bedraagt. Een te luide
ruimte zal hierdoor al snel resulteren in een ruimte die
niet meer bruikbaar is voor het beoogde gebruik als mul­
tifunctionele publieksruimte.
Zowel het reduceren van de nagalmtijd in de overkapte
binnenplaats als het reduceren van de luidheid wordt
bereikt door het aanbrengen van geluidabsorptie. Om
ervoor te zorgen dat de overkapte binnenplaats ook als
multifunctionele publieksruimte bruikbaar is, was het
noodzakelijk dat in het ontwerp werd voorzien in het toe­
passen van voldoende geluidabsorberende voorzieningen.
vooronDErzoEk
Als eerste stap in het akoestisch ontwerpproces zijn
metingen verricht van de nagalmtijd op de binnenplaats
in de oorspronkelijke situatie, dus zonder overkapping.
De metingen zijn verricht met behulp van impulsres­
De effectief aanwezige geluidabsorptie in de open situatie
kan daarbij worden benaderd met onderstaande formule:
T =
V
6× A
(2)
Op basis van dit verband is in de bestaande situatie een
effectieve geluidabsorptie van circa 1.250 m2 open raam
aanwezig. Dit komt nagenoeg overeen met de aanname
dat alle geluidabsorptie in de open situatie aanwezig is in
de vorm van het ‘open dak’. De overige omhullende con­
structies zijn immers hoofdzakelijk hard (steenachtig).
Om inzicht te krijgen in de akoestische situatie die ont­
staat in de overkapte ruimte, zijn berekeningen met een
akoestisch simulatiemodel uitgevoerd (CATT­Acoustics).
Als eerste stap is het simulatiemodel gefit aan de in de
open situatie gemeten waarden. Vervolgens is berekend
wat het effect van de overkapping op de gemiddelde
nagalmtijd inhoudt. De resultaten van deze berekeningen
zijn samengevat in figuur 4.
Zoals te verwachten zou de overkapping leiden tot bijzon­
der lange waarden voor de nagalmtijd. De berekende
gemiddelde nagalmtijd bedraagt circa 12,8 s (250 tot en
met 2.000 Hz), waarbij sprake is van een ongelijkmatig
spectrum. Dit is het directe gevolg van het ontbreken van
absorptie en het optreden van sterke reflecties tegen de
harde vlakken (wanden en dak). Stel dat in dat geval
circa 50 mensen tegelijkertijd in de ruimte aanwezig zijn,
die allen op normale gesprekstoon praten (60 dB(A)). Dit
resulteert dan in een galmniveau dat hoger zal zijn dan
65 dB(A). Het is niet ondenkbaar dat dit niveau ten gevol­
ge van het beschreven opslingereffect nog verder zal toe­
nemen tot circa 75 dB(A). Wanneer sprake is van een

19
20
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
ontwikkeld. Bij de ontwikkeling van deze vloer werden
echter een aantal randvoorwaarden gesteld.
– De vloer diende steenachtig te zijn, in verband met de
gewenste buitenuitstraling.
– De vloer moet goed reinigbaar kunnen zijn, ook met
water.
– De vloer moest sterk genoeg zijn, ook om hoogwer­
kers te kunnen dragen.
– De afmeting van openingen in de vloer diende zoda­
nig te zijn, dat naaldhakken niet weg zouden zakken.
5
Berekende waarden voor de nagalmtijd in de binnenplaats bij verschillende varianten
hogere bezetting ­ bijvoorbeeld meerdere schoolklassen
tegelijkertijd of tijdens evenementen ­ kunnen de geluid­
niveaus zelfs oplopen tot ruim boven de 80 dB(A). Dit
zou tot een onbruikbare ruimte leiden.
ontwikkEling gEluiDAbSorbErEnDE vloEr
Om de overkapte binnenplaats geschikt te maken voor
het beoogde gebruik is het noodzakelijk dat veel geluid­
absorptie wordt toegevoegd. Met behulp van CATT­
Acoustics zijn verschillende oplossingsrichtingen onder­
zocht, waarbij in eerste instantie is onderzocht wat het
effect is van de volgende meer of minder praktisch uit­
voerbare oplossingen:
– Geluidabsorptie onder het dak in de vorm van een
spanplafond of plafondeiland.
– Het aanbrengen van geluidabsorberend pleisterwerk
tegen de binnengevels aan de binnenplaats.
– Het toevoegen van geluidabsorberende en ­diffuseren­
de elementen in de ruimte door inrichting.
– Het toevoegen van geluidabsorptie op en onder de
omloop.
– Het geluidabsorberend uitvoeren van de vloer.
Uit studies bleek dat met name deze laatste oplossing, in
combinatie met toevoeging van absorptie in de omloop,
bijzonder effectief is doordat de in de ruimte aanwezige
bronnen (pratende mensen) zich dan relatief dicht bij het
geluidabsorberende vlak bevinden. De resultaten van
deze variantberekeningen zijn weergegeven in figuur 5.
Doordat de overkapping niet belemmerd mocht worden,
het toevoegen van losse inrichtingselementen niet accep­
tabel was en het bestaande pleisterwerk tegen de binnen­
gevels van monumentale waarde was (oudste in Neder­
land bekende portlandcement pleisterwerk), bleef het
idee van de vloer als geluidabsorberend oppervlak als
enige optie over. Aangezien hiervoor nog geen systemen
op de markt waren, diende een dergelijke vloer te worden
6
Bovenzijde houten proefmodel
7
onderzijde houten proefmodel
De eerste ideeën waren om een harde tegelvloer te maken
voorzien van perforaties met een diameter van 4 mm.
Door de tegelvloer op een frame te monteren ontstaat,
onder de tegelvloer, een spouw waarin geluid kan worden
geabsorbeerd. Door deze toepassing van een ‘geperfo­
reerd’ paneel ­ waarachter per perforatie een zeker lucht­
volume ­ ontstaat een zogeheten Helmholz­resonator.
Wanneer de perforatiegraad van de tegel en het achter­
liggende luchtvolume op elkaar worden afgestemd, kan
de resonantiefrequentie (absorptiepiek) van het systeem
worden geoptimaliseerd. Door toepassing van een poreus
materiaal in de spouw kan ook in de frequenties boven
deze waarde nog geluidenergie worden geabsorbeerd,
zodanig dat een absorberend vlak ontstaat dat effectief is
in het spraakgebied. Later in het ontwerp is afgestapt van
de perforaties en is gekozen voor spleten met een breedte
van 4 mm en een hoogte van eveneens 4 mm, door toe­
passing van afgeschuinde tegelranden. Uiteindelijk is een
constructie bedacht met grote vloertegels van 600 x
600 mm en een dikte van 70 mm, waarop 16 kleinere
tegels. De kleinere tegels worden daarbij in principe in
natuursteen uitgevoerd op een frame van beton. Hiermee
ontstaat een ‘geperforeerde’ vloer met een perforatiegraad
van circa 4%. Op grond van eerste rekenstudies zou de
spouw onder de vloertegels tussen 50 mm en 150 mm
moeten komen te liggen om nog een optimale geluid­
absorberende werking te bezitten.
lAborAtoriummEtingEn
Gezien het belang enerzijds en het innovatieve karakter
anderzijds, is ervoor gekozen om een proefvloer te ont­
wikkelen waarvan de geluidabsorptie kon worden getest
in het akoestisch laboratorium. De proefvloer bestond uit
30 in MDF uitgevoerde modellen van de beoogde tegels,
zodat een vloerfragment ter grootte van 10,8 m2 kon wor­
den getest. De MDF­tegeltjes zijn daarbij aan de boven­
zijde gelakt om de nog aanwezige poriën in het MDF af te
dichten. De tegels zijn daarbij op verstelbare kunststof
pootjes geplaatst, waarmee gevarieerd is in spouwhoogte
onder de tegelvloer. Bij de metingen is tevens gevarieerd
met type spouwvulling, waarbij onder andere minerale
wol en geëxpandeerde kleikorrels zijn getest.
8
Testopstelling houten proefvloer in
het akoestisch laboratorium
9
composiettegel en houten proeftegel
(onderzijde)
•
gEluiD En trillingEn
Bouwfysica 3 2012
10
11
gemeten absorptiecoëfficiënten houten proefvloer met verschillende spouwafmeting en -vulling
gemeten absorptie-coëfficiënten definitieve composiet proefvloer
aantal modificaties aan het tegeldraagsysteem ­ de kunst­
stof pootjes zijn vervangen door sterkere doorgaande sta­
len kokers ­ en het toevoegen van bodembakken onder de
vloertegels om de gewenste luchtspouw van 70 mm te
realiseren, bleek nog een optimalisatie in de te realiseren
geluidabsorptie mogelijk te zijn. Zie ook figuur 11. Op
grond van de resultaten van deze metingen, bleek een
berekende gemiddelde nagalmtijd van 3,0 s in de over­
kapte binnenplaats haalbaar te zijn.
prAktijkmEtingEn
12
gemeten gemiddelde nagalmtijd in de binnenplaats voor en na
overkapping
Op grond van de metingen in het akoestisch laboratorium
aan de houten proefvloer is geconcludeerd dat de vloer­
tegels de gewenste geluidabsorptie kunnen hebben. Bij toe­
passing van een luchtspouw onder de tegelvloer van circa
80 mm met 50 mm spouwvulling (minerale wol of kleikor­
rels) komt de absorptiepiek veroorzaakt door resonantie
rond 315 Hz te liggen. Door de toepassing van spouwvul­
ling ontstaat boven deze frequentie bovendien een vrij
gelijkmatige absorptie, zie ook de resultaten in figuur 10.
Op basis van de resultaten van de laboratoriummetingen is
berekend wat het gevolg voor de nagalmtijd in de glasover­
kapte ruimte is wanneer de gehele vloer binnen de omloop
wordt uitgevoerd met de beoogde vloertegels. Een gemid­
delde nagalmtijd van circa 3,4 s was haalbaar; weliswaar
iets hoger dan de gewenste 3 s, maar goed in de buurt.
DEfinitiEvE vloEr
De uiteindelijke vloertegels zijn uitgevoerd in een compo­
siet materiaal, waarbij iedere tegel een maat heeft van
600 mm x 600 mm en 80 mm dik is. De tegel bestaat uit
een onderframe waarin een vulling is aangebracht waarop
16 kleinere natuursteen tegels (147,5 mm x 147,5 mm)
zijn aangebracht. Tussen deze kleinere tegels zijn spleten
aangebracht met een breedte van circa 4 mm. De perfora­
tiegraad van de definitieve tegel bedraagt daarmee net als
bij de proeftegel circa 4%.
De effectiviteit van deze composiettegels is eveneens in
het akoestisch laboratorium onderzocht. Uit deze metin­
gen bleek dat de geluidabsorberende werking van de
composiettegels nagenoeg overeenkomt met de eerder
geteste houten vloertegels. Na het doorvoeren van een
Om een beeld van de akoestische situatie in de overkapte
binnenplaats te vormen zijn tijdens de uitvoeringsfase
metingen van de nagalmtijd verricht. In eerste instantie
zijn daarbij metingen van de nagalmtijd verricht in de
situatie waarbij de binnenplaats was voorzien van de gla­
zen overkapping, maar zonder geluidabsorberende vloer.
Wel was de in het ontwerp voorziene geluidabsorptie op
en onder de omloop tijdens deze metingen al aanwezig.
Deze metingen gaven de mogelijkheid om het akoestisch
simulatiemodel van de overkapte situatie te valideren. Uit
deze metingen bleek dat de in de binnenplaats gemiddelde
nagalmtijd circa 6,0 s bedraagt, waarbij wordt opgemerkt
dat er sprake is van een grote spreiding in de gemeten
waarden, veroorzaakt door de in de ruimte optredende
flutterecho’s. Wanneer we echter de met het model bere­
kende gemiddelde nagalmtijd in de ruimte vergelijken met
de gemeten gemiddelde waarde, kan worden geconclu­
deerd dat dit bijzonder veel overeenkomst vertoont.
Uiteindelijk zijn ook metingen van de nagalmtijd verricht
in de situatie waarbij de geluidabsorberende vloer is toe­
gepast. De gemeten gemiddelde nagalmtijd bedraagt circa
3,0 s en voldoet daarmee aan de gewenste waarde. Wan­
neer deze waarden worden vergeleken met de berekende
nagalmtijd, dan valt op dat er een beperkte verschuiving
van het spectrum aanwezig is, maar dat het resultaat heel
aardig overeenkomt met de berekeningen. De resultaten
van de metingen en berekeningen zijn samengevat in
figuur 12.
Het eindresultaat is dat een overkapte binnenplaats is
gerealiseerd die prima geschikt is voor de beoogde func­
ties. Door de toepassing van het innovatieve geluidabsor­
berende vloersysteem, waarvoor inmiddels twee prijzen
zijn gewonnen (De Vernufteling 2011 en Bouwtechniek
Award 2012), wordt galm in voldoende mate onderdrukt
en wordt een te luide ruimte voorkomen. n
21
22
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
RIEUNION
FROM BOIlER HOUsE tO CONCERt Hall
Het afstudeerproject behelst een architectonische en akoestische ontwerpopgave voor de herbestemming van monumentaal industrieel erfgoed aan ’t Bassin in Maastricht. Het betreft de voormalige elektriciteitscentrale, de twee daarnaast gelegen ketelhuizen en de vroegere houtzagerij.
CONtEXt, MOtIVatIE & DOElstEllING
ir. P.H. (Philo) Heijnen,
Peutz, Zoetermeer
Het afstudeerproject speelt in op een aantal actuele landelijke en lokale ontwikkelingen. Een nationaal fenomeen is
de leegstand van binnenstedelijk industrieel erfgoed. Aangezien de toekomstige bouwopgave voor een groot deel
uit herbestemmingopgaven zal bestaan, is in dit afstudeerproject de herbestemming-uitdaging aangegaan.
Daarnaast speelt het project in op verschillende actuele
ontwikkelingen op het culturele vlak in Maastricht: de
ambitie van de stad om de titel ‘Culturele Hoofdstad van
Europa 2018’ in de wacht te slepen, waar zij tegelijkertijd
een gebrek heeft aan een hoogwaardige repetitie- en concertlocatie voor symfonieorkesten (LSO) en een professioneel podium voor projectmatige muzikale initiatieven.
Daarbij kampen veel Maastrichtse muziekverenigingen
(harmonieorkesten, koren etc.) met een sterke terugloop
van het ledenaantal.
Door een ontmoetingsplek te creëren voor verschillende
muziekgezelschappen van allerlei formaat (van koren,
kleine instrumentale ensembles tot grote orkesten à la
Rieu en LSO), kunnen muziekgezelschappen elkaar vinden, inspireren en aanvullen en ontstaan er samenwerkingsverbanden danwel kruisbestuivingen, gebaseerd op
elkaars sterke kanten.
De doelstelling van het afstudeerproject is de fabrieksgebouwen te herbestemmen tot repetitieruimtes en concertzalen, zodanig dat zij geschikt zijn voor zowel kleinere ensembles als grote orkesten én het industriële karakter
en de gebouwtypologie behouden blijft. Middels de realisatie van de Muziek Fabriek, waar zowel de productie als
de presentatie van muziek dag en nacht kan plaatsvinden, is een antwoord gegeven op de ontwikkelingen en
behoeftes in Maastricht waardoor het muzikale een culturele leven van de stad een positieve impuls krijgt, alsook
haar culturele positie in Europa.
1
grand café in oude elektriciteitscentrale (rechts) en opengewerkte voormalige houtzagerij/ passage naar court (links)
2
court vanaf de noordzijde
te–hoogte verhoudingen van de hallen blijken te voldoen
aan de proporties waaraan de meest gewaardeerde concertzalen voldoen, respectievelijk <2 en >0,7 [1] (tabel
1). Wanneer een derde nieuw ketelhuis met dezelfde proporties, wordt toegevoegd aan de twee bestaande hallen,
ontstaat er, bij onderlinge koppeling, één grote zaal, met
eveneens akoestische gunstige proporties. Door de volledige hoogtes en volumes te benutten en de oorspronkelijke spantconstructies in het zicht te laten, kan het industriële karakter van de gebouwen nog steeds ervaren
worden, blijft de gebouwtypologie behouden en tegelijkertijd worden akoestisch gunstige condities benut. De
gehele facilitaire ondersteuning van de Muziek Fabriek
bevindt zich rondom de zalen onder dit binnenplein.
ONtwERp – aRCHItECtONIsCH EN akOEstIsCH
In de elektriciteitscentrale, uitkijkend op ’t Bassin, is een
Grand Café ondergebracht. De voormalige houtzagerij is
tot aan de constructie gestript, zodat de bijzondere Hennebique bouw bloot komt te liggen en er een aantrekkelijke passage ontstaat vanaf ’t Bassin naar het door industriele gebouwen omgeven court (figuur 1 en 2). De twee
ketelhuizen worden ingericht als concertzalen/repetitieruimtes. De ketelhuizen lenen zich namelijk niet alleen
qua locatie (binnenstad) en bovengeschetste culturele
ontwikkelingen uitstekend voor de gekozen culturele
functie van Muziek Fabriek. De lengte-breedte en breed-
Naast de uitbreiding is er een verbindend en contrasterend gebaar tussen de drie ketelhuizen toegevoegd. Ook
deze nieuwe toevoeging staat zowel ten dienste van de
architectuur én de akoestiek. Dit verbindende dak tussen
de daken en de gevels van de in hoogte verschillende
ketelhuizen volgt de lijn van een ellips, waarvan de
brandpunten enerzijds op het podium en anderzijds in
het publieksvlak zijn gelegen. Zodoende wordt een goede
geluidverspreiding in de grote concertzaalopstelling gerealiseerd en vroege reflecties richting het publiek gecreëerd.
Door een nieuw onderscheidend en verbindend element
•
GElUID EN tRIllINGEN
Bouwfysica 3 2012
Tabel 1: verhoudingskarateristieken gerenommeerde concertzalen
en concertzalen in ontwerp
zaal
Boston
Leipzig
vienna
amsterdam
criteria
zaal 1
zaal 2
zaal 3
zaal 1-2-3
lengte/breedte
-ratio
1,7
1,7
1,6
1,6
<2
1,4
1,7
1,7
1,9
hoogte/breedte
-ratio
0,8
0,7
0,9
0,7
>0,7
0,7
1,3
1,1
0,7
3
impressie gevel, spel tussen oud en nieuw
toe te voegen, duidelijk teruggeplaatst ten opzichte van
het bestaande, wordt de vormentaal uit het verleden
benadrukt en geaccentueerd en ontstaat er een dialoog
tussen het oude en nieuwe (figuur 3).
VaRIaBIlItEIt
Vanwege aanpasbaarheid van zowel de layout als de
akoestiek van de zalen zijn ze inzetbaar voor een brede
range aan gebruiken. Een geluidisolerende constructie
van dubbele mobiele wandsystemen maakt het afzonderlijk gebruiken van drie kleinere zalen mogelijk (figuur 4)
of het aaneenschakelen van de drie hallen tot één grote
concertzaal. Door middel van telescopische tribunes en
beweegbare vloerdelen kunnen verschillende concertopstellingen gemaakt worden of kunnen de volledige
vloeren vrijgemaakt worden voor repetities tot aan grote
orkesten. Aanpasbaarheid van de akoestiek (bijvoorbeeld
de nagalmtijd) wordt gerealiseerd door een variabel volume, variabele absorptie en verstelbare reflectoren. Het
dubbel toegepaste mobiele wandsysteem maakt grote
volume wijzigingen mogelijk en biedt mogelijkheid de
hoeveelheid absorptie te variëren (door te kiezen welke
paneelkant naar de zaal is gericht en daarmee de hoeveelheid absorptie).
sIMUlatIEs
Voor het ontwerp is de relatie tussen architectuur en de
akoestiek steeds in acht genomen. Bovenstaande ontwerpbeslissingen zijn gebaseerd op afwegingen waarbij
zowel belang werd gehecht aan het vinden van architectonisch- en functioneel bevredigende oplossingen als het
realiseren van akoestische gunstige basiscondities. Door
middel van akoestische simulaties is de akoestiek van de
verschillende zalen en podium omgevingen verder geoptimaliseerd voor kamermuziek uitvoeringen (de drie individuele kleine zalen) en voor symfonische concerten (de
grote aaneengeschakelde zaal). De onderzochte parameters zijn: T30, EDT, C80, G, LF80, BR, TR, STearly, STlate, en
I.I. De layout en de materialen van de hallen zijn net zo
lang gefinetuned totdat de vooraf opgestelde prestatieeisen, gebaseerd op literatuuronderzoek, aan de hiervoor
genoemde parameters voor concertsituaties gerealiseerd
zijn. Per hal is de precieze absorptieconfiguratie op de
mobiele wandoppervlakken bepaald om voor de verschillende gebruiken de gewenste nagalmtijden te kunnen realiseren.
slOt
De Muziek Fabriek verenigt alle betrokkenen van de
muzikaal-culturele gemeenschap van ‘tout Mestreech’.
4
Drie (kamermuziek) concertzalen
5
Eindresultaat nagalmtijd verschillende zalen
Opnieuw zal de productie binnen deze industriële gebouwen (ditmaal muziek in plaats van porselein), katalyserend werken voor de muzikaalcultureel-, sociaal- en economische ontwikkelingen van Maastricht, waardoor de
met krimp te maken hebbende muziekverenigingen een
doorstart kunnen maken en nieuw bestaansrecht krijgen.
Ook wordt door middel van de herbestemming nieuw
leven geblazen in de fabrieksgebouwen zelf. De industriële enclave wordt weer teruggegeven aan de stad en zal
opnieuw onderworpen worden aan de tand des tijds. n
De afstudeercommissie bestond uit de volgende personen:
– prof. ir. L.C.J. van Luxemburg†, TU Eindhoven & Level
Acoustics
– ir. C.C.J.M. Hak, TU Eindhoven
– ir. J. Klinkhamer, Jonkman Klinkhamer Architecten,
Amersfoort
†
Renz van Luxemburg is overleden op 12 februari 2012
BRONNEN
 [1] Beranek, L.L., Music, Acoustics and Architecture,
Wiley, New York, 1962
 [2] Heijnen, P.H., Rieunion, from Boiler House to Concert
Hall, TU/e, Eindhoven, 2011
23
24
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
JUsT JAzz:
lAAT JE vErlEIDEn Door DE mUzIEk
Een fascinatie voor geluid, akoestiek en perceptie vormen het uitgangspunt voor dit afstudeer­
project. Deze fascinaties komen samen in het ontwerp voor een jazzpodium waarbij akoestische
principes de basis vormen voor het architectonische ontwerp. In dit project is het afstudeeronder­
zoek en ­ontwerp voor de afstudeerrichtingen Architectuur en Bouwfysica aan de faculteit Bouw­
kunde van de TU/e gecombineerd. Centrale vraag in het vooronderzoek voor het ontwerp is wat de
sfeerbepalende elementen in de jazzmuziek zijn en op welke manier deze zijn te vertalen naar
architectonische elementen en bouwfysische condities.
InlEIDIng
ir. M.N. (Mirjam) Roth,
EGM adviseurs, Dordrecht
Bij gebouwen voor muziek bepaalt men normaal gesproken van tevoren welke muzieksoorten er gespeeld gaan
worden en wordt de akoestiek daarop aangepast. Over de
akoestiek waarin jazz het beste tot zijn recht komt is nog
vrij weinig bekend. Jazzmuziek werd vanaf haar ontstaan
voornamelijk gespeeld op plaatsen waar het mocht en
kon, vaak kleine kroegen. In de beginperiode werd de
muziek gespeeld door de “zwarte” Amerikanen voor wie
veel plaatsen verboden waren. Later, in de periode van de
swing, werd de jazz zo groot dat optredens verhuisden
naar de grote zalen die voor handen waren. Na de swing
waren de jazzmuzikanten vooral te vinden in de kleine
clubs waar ze nu nog te vinden zijn. Pas de laatste tien á
vijftien jaar wordt er speciaal gebouwd voor jazz. In deze
nieuwe jazz-zalen lijkt het echter alsof de jazzmuziek als
een soort museumstuk bovenin een gebouw bewaard
wordt. De drempel om naar binnen te gaan lijkt steeds
groter te worden, terwijl jazz juist muziek van de straat
is.
UITgAngspUnTEn
Een analyse van belangrijke jazzpodia in de Verenigde
Staten en Nederland laat zien dat de sfeerbepalende elementen vooral intimiteit, toegankelijkheid en openheid
zijn. Intimiteit is te vertalen in een kleine ruimte waarbij
1
auditieve ruimte rondom een geluidbron
de afstand van de muzikanten tot het publiek beperkt is.
Hierbij hoort ook een laag podium, zodat muzikanten en
publiek gelijkwaardig zijn. De toegankelijkheid en openheid zullen voor een deel uit de organisatie moeten
komen. Daarnaast kan de architectuur voor een belangrijke bijdrage zorgen door de drempel letterlijk laag te houden.
Akoestisch gezien lijkt er geen typische jazzakoestiek te
bestaan, de hierboven genoemde zaken lijken belangrijker. Voor het ontwerp is dan ook een andere benadering
nodig dan gebruikelijk. Deze is gevonden in de ontwerpbenadering van de auditieve en de visuele ruimte. Met de
auditieve ruimte wordt de ruimte rondom een geluidbron
bedoeld waarin de bron hoorbaar is, zie figuur 1. De visuele ruimte is juist de zichtbare ruimte. Door van tevoren
te bepalen wat men waar moet kunnen horen en/of zien,
vallen architectuur en akoestiek samen in één ontwerp.
loCATIE
Als locatie voor het jazzpodium is gekozen voor station
Amsterdam Centraal, een plek waar elke dag duizenden
reizigers komen. Onder hen zijn er velen die enige tijd op
het station verblijven en verleid kunnen worden door de
muziek.
2
Podium gezien vanaf de achteringang en de tribune
•
gElUID En TrIllIngEn
Bouwfysica 3 2012
In de stationsgangen komt een aantal kleine jazzruimten.
De muziek die in deze ruimten gemaakt wordt, is te
horen in de gangen van het station. Reizigers horen
onderweg flarden muziek en kunnen even de tijd nemen
om te gaan zitten en te luisteren. Deze ruimtes zijn
bedoeld als kleine try-outruimtes en als plekken waar
muzikanten elkaar kunnen ontmoeten. Aan de noordzijde
van het station komt een jazzpodium waar grotere optredens plaats kunnen vinden.
onTwErp
Het ontwerp van het podium is in dit project verder uitgewerkt. Het uitgangspunt is een auditieve ruimte die de
reizigers bij de uitgang van het station, bij de opstapplek
van de veerboten en op ’t IJ fragmenten van de muziek
die binnen gemaakt wordt laat horen, zie figuur 3. Op die
manier worden mensen verleid om binnen te komen en
even te gaan luisteren, zie figuur 2. De drempel wordt
weggenomen en de jazz wordt weer toegankelijk voor
iedereen.
3
concept voor de auditieve ruimte rondom het jazzpodium
De auditieve ruimte wordt gevormd met behulp van
akoestisch harde wanden die het geluid een bepaalde
richting op reflecteren. Visueel worden de artiesten in
eerste instantie afgeschermd zodat de eerste kennismaking gaat om de muziek. Met behulp van LED-lampjes in
een spiegelende maquette is de juiste positie van de wanden bepaald. De manier waarop hoogfrequent geluid
weerkaatst, lijkt op de manier waarop licht gereflecteerd
wordt. De lampjes in deze maquette vormen de jazzband,
het licht is als het ware het geluid dat weerkaatst wordt
tegen de akoestisch harde wanden. Kortweg gezegd is op
de plaats waar de lampjes te zien zijn, de muziek te
horen, zie figuur 4.
Met behulp van het zaalakoestisch simulatieprogramma
ODEON is gecontroleerd of de muziek die op het podium
gemaakt wordt daadwerkelijk hoorbaar is aan de buitenzijde van het gebouw. Figuur 5 geeft de grafische weergave van het geluiddrukniveau van één trompet op het
podium. Het geluiddrukniveau ter plaatse van de uitgang
van het station en bij de opstapplek van de veerboten is
ongeveer gelijk aan het achtergrondgeluidniveau. Dit
betekent dat één trompet al hoorbaar is, laat staan een
hele band.
4
controle reflecties met behulp van een spiegelende maquette, ingang gezien vanaf de
opstapplek van de veerboten
ToT sloT
De ontwerpbenadering van de auditieve en visuele ruimte
heeft geleid tot een intiem, open en toegankelijk jazzpodium. De situering van het podium tussen de reizigersstromen op het centraal station zorgt dat de voorbijgangers letterlijk stil kunnen staan bij de essentie van deze
muziek. Just Jazz, laat je verleiden door muziek. n
De afstudeercommissie bestond uit de volgende personen:
– prof. ir. L.C.J. van Luxemburg†
– prof. ir. J. Westra
– ir. J.P.A. Schevers
– ir. C.C.J.M. Hak
– prof. ir. J.P.T. Dekkers
†
Renz van Luxemburg is overleden op 12 februari 2012
5
verdeling van het geluiddrukniveau in en om het gebouw bij één trompet, berekend met
behulp van oDEon
25
26
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
CAsArts: ACOustiCs
EEN ONDErzOEk NAAr AkOEstisCHE tOEpAssiNgEN vOOr O.M.A.’s prijsvrAAgONtwErp
vOOr EEN CENtruM vOOr uitvOErENDE kuNstEN iN CAsAblANCA
Het ontwikkelen van een akoestisch ontwerp is een complex proces. De complexiteit neemt toe
wanneer een zaal geschikt moet zijn voor meerdere soorten uitvoeringen. Het hoofddoel van dit
afstudeeronderzoek was het uitwerken en toetsen van akoestische toepassingen voor het ontwerp
voor CasArts, een prijsvraaginzending van architectenbureau O.M.A. voor een nieuw centrum voor
uitvoerende kunsten in Casablanca, Marokko. Het tweede doel was een gevoeligheidsanalyse van
akoestische simulatiemodellen. Na analyse van zowel het architectonisch ontwerp als literatuur,
zijn voorstellen geformuleerd om de akoestiek van het gebouw en met name de twee zalen te
optimaliseren voor meerdere soorten uitvoeringen, voor zowel ruimteakoestiek als geluidisolatie.
iNlEiDiNg
M. (Martijn) Kivits MSc,
alumnus TU/e, Faculteit
Bouwkunde, Unit Building
Physics and Services
Iedereen zal beamen dat akoestiek belangrijk is; men
moet kunnen horen en verstaan wat in de (directe) omge­
ving gebeurt. Overbelasting aan lawaai heeft vele nadelige
effecten zoals gehoorschade, stress en slapeloosheid. Het
onvermogen iemand of iets (bijvoorbeeld een alarmsig­
naal) te verstaan kan leiden tot misverstanden, verwar­
ring en irritaties. Voor sommige activiteiten waarbij geluid
zeer belangrijk is, zoals voorstellingen, is verstaanbaar­
heid extra belangrijk. De akoestische kwaliteiten van de
ruimte waarin dergelijke voorstellingen plaatsvinden die­
nen dan ook optimaal te zijn. De creatie van een derge­
lijke ruimte is een uitdaging, omdat de voortplanting van
geluid een complex proces is. Daarnaast kunnen bij het
tot stand komen van een akoestisch ontwerp andere
aspecten, zoals comfort en licht, niet verwaarloosd wor­
den. Dit maakt het ontwerpen van een concertzaal of een
theater moeilijk. Het wordt echter nog veel moeilijker als
de zaal geschikt moet zijn voor niet alleen symfonische
concerten, maar ook voor theater en opera.
Dit onderzoek bekeek mogelijke akoestische toepassingen
om CasArts, een gebouw met multifunctionele zalen,
akoestisch te laten functioneren. CasArts is een ontwerp
van Office for Metropolitan Architecture (O.M.A.), inge­
zonden voor een prijsvraag voor een centrum voor podi­
umkunsten, uitgeschreven door het bestuur van Casa­
blanca, Marokko. Het ontwerp bevat onder andere twee
zalen, die beiden geschikt moeten zijn voor meerdere
soorten voorstellingen, wat een variabele akoestiek
noodzakelijk maakt. Daarnaast bevat het gebouw een
groot aantal andere ruimtes en functies.
ONDErzOEksvrAgEN
Het hoofddoel van dit onderzoek was het akoestisch uit­
werken van het ontwerp, daarbij ingaand op zowel de
ruimteakoestiek als de bouwakoestiek. Het achterliggende
doel hierbij is ervaring opdoen in het omgaan met een
dergelijk adviesproject. Een tweede doel is afgeleid van
het hoofddoel en heeft betrekking op de ruimteakoesti­
sche simulaties. Wat zijn de aandachtspunten bij het ver­
talen van het ontwerp in een simulatiemodel en wat moet
er gebeuren om betrouwbare resultaten te verkrijgen?
uitvOEriNg
1
Beginsituaties theaterzaal en multifunctionele zaal
Na analyse van het ontwerp en de benodigde literatuur en
theorie zijn 3D modellen van de twee zalen gemaakt in
het programma SketchUp, geschikt voor simulaties in het
ruimteakoestisch simulatieprogramma Odeon. Deze
modellen zijn in Odeon geïmporteerd, waarna materialen,
bronnen en ontvangers gedefinieerd zijn. Vervolgens zijn
alle instellingen gecontroleerd en aangepast totdat de
•
gEluiD EN trilliNgEN
Bouwfysica 3 2012
27
resultaten betrouwbaar en realistisch overkwamen. Zo is
er bijvoorbeeld gekeken wanneer een 60 dB afname van
het geluiddrukniveau over de tijd (nodig voor het bepalen
van de nagalmtijd) (vrijwel) rechtlijnig is. Daarna zijn er
simulaties uitgevoerd voor een beginsituatie voor de func­
tie met de langste streefwaarde voor de nagalmtijd. Dit
zijn symfonische muziek voor de multifunctionele zaal en
opera voor de theaterzaal. De beginsituaties zijn weerge­
geven in afbeelding 1.
Op basis van deze beginsituatie werd het model aangepast,
bijvoorbeeld door verandering van materialen of het toe­
voegen van diffuserende of reflecterende elementen, totdat
de resultaten binnen de gewenste marges vielen. Op basis
van deze eindsituatie werd vervolgens het model aangepast
voor de volgende functie en werd dit proces herhaald, tot­
dat voor alle functies een akoestisch ontwerp was ont­
staan, dat aan de voor die functie gestelde eisen voldeed.
Deze eisen zijn weergegeven in afbeelding 2 en 3.
Voor het bouwakoestische gedeelte werden eisen opge­
steld voor het genormeerd geluidniveauverschil (Dn,T) tus­
sen zend­ en ontvangruimte. Van deze Dn,T waarden zijn
vervolgens minimaal benodigde geluidisolatie (R) waar­
den afgeleid. Bij deze R waarden werden constructies
gezocht met minimaal de benodigde R waarde. Voor
vloerconstructies werd daarnaast ook gelet op de maxi­
maal toelaatbare contactgeluidniveaus (Ln). Met behulp
van een handberekening, waarbij ook rekening werd
gehouden met flankerende overdracht, werden de voorge­
stelde constructies voor enkele veel in het ontwerp voor­
komende situaties getoetst.
2
3D weergave theaterzaal met maatregelen en simulatieresultaten voor theatervoorstellingen
rEsultAtEN EN CONClusiEs
Het optimalisatieproces van de zalen voor elk type uitvoe­
ring toonde de complexiteit van de ontwikkeling van een
akoestisch ontwerp voor een multifunctionele zaal aan.
Gebaseerd op de simulatieresultaten zou de theaterzaal
akoestisch goed moeten functioneren voor opera’s bij toe­
voeging van een klankkaatser en het veranderen van eni­
ge materialen. Als in een spouw achter akoestisch open
panelen een vilten gordijn gesloten wordt, zou deze zaal
ook goed moeten functioneren voor theatervoorstellingen,
zoals in afbeelding 2 te zien is.
Na onder andere het aanpassen van de vorm van het pla­
fond en het toevoegen van diffuserende elementen aan de
wanden en het plafond zou de multifunctionele zaal goed
moeten presteren voor symfonische muziek, zoals in
afbeelding 3 is weergegeven. Door toevoeging van een
klankkaatser zou de akoestiek voor opera redelijk moeten
zijn. Om de benodigde extra absorptie voor theatervoor­
stellingen te verkrijgen, werden drie lagen gordijnen
voorgesteld, opgehangen voor alle ramen en direct achter
de technische ruimten op het balkon.
Op basis van de simulatieresultaten kan geconcludeerd
worden, dat de onconventionele vorm van de multifunc­
tionele zaal akoestisch minstens zo goed zou moeten
kunnen presteren als een meer conventionele vorm. Het
optimaliseren van de simulatiemodellen bleek erg belang­
3
3D weergave multifunctionele zaal met maatregelen en simulatieresultaten voor symfonische
muziek
rijk te zijn. Het is bovendien noodzakelijk, vooral tijdens
het optimaliseren van de modellen, om de resultaten van
verschillende simulaties niet alleen onderling, maar ook
met meetresultaten van andere projecten te vergelijken. n
De afstudeercommissie bestond uit de volgende personen:
– prof. ir. L.C.J. van Luxemburg†, TU/e, Bouwkunde,
Unit BPS
– C. Blanchet, architect O.M.A.
– ir. C.C.J.M. Hak, TU/e, Bouwkunde, Unit BPS
– ir. R.H.C. Wenmaekers, Level Acoustics
†
Renz van Luxemburg is overleden op 12 februari 2012
28
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
GeluIdcOncentrAtIe verOOrzAAkt
dOOr GekrOmde OppervlAkken
In de zaalakoestiek is focussering, veroorzaakt door geluidreflecties tegen concaaf gekromde vlakken, een bekend probleem. Ofschoon gekromde vlakken in de hele geschiedenis van het bouwen
gevonden kunnen worden, komen ze in de moderne architectuur steeds meer voor, dankzij hedendaagse ontwerp-, materiaal- en fabricagetechnieken. Focussering kan plaatselijk leiden tot onder
meer zeer hoge geluidniveaus, kleuring door verschillende versterking van verschillende frequenties
of een echo ten gevolge van het looptijdverschil tussen het direct geluid en de sterke reflectie.
Alhoewel binnen de zaalakoestiek het fenomeen geluidconcentratie bekend is, is dit niet het geval
voor de mate van versterking in het focusseringspunt en het geluidveld rondom het focusseringspunt. In dit artikel wordt ingegaan op deze focussering, met name ten aanzien van de vraag hoe
hoog de geluiddruk is in het brandpunt en wat de omvang is van het gebied waar deze focussering
optreedt. Het artikel is een samenvatting van een recent afgerond promotieonderzoek [1].
GOlFveldbenAderInG
In het geval een geluidbron zich in het middelpunt van
een bol bevindt zal het door de bol gereflecteerde geluid­
veld zich weer concentreren in dit middelpunt. Op basis
van geometrische akoestiek zal de geluidenergie zich in
één punt concentreren met een oneindig klein oppervlak,
hetgeen in beginsel leidt tot een oneindige geluiddruk. In
werkelijkheid zal deze geluiddruk eindig zijn. Dit geval
illustreert één van de beperkingen van geometrische
methoden. Een andere, meer praktische, beperking is dat
computerprogramma’s die werken met spiegelbronnen of
met stralenmodellen, over het algemeen niet in staat zijn
met gekromde vlakken te werken. Deze vlakken worden
gesegmenteerd ingevoerd waardoor het resultaat afhangt
van de segmentering. Een derde reden voor onjuiste
resultaten binnen het concentratiegebied is het optellen
van geluidenergie in plaats van geluiddruk (met amplitu­
de en fase). Stralenmodellen zijn gebaseerd op geluid­
energie.
Binnen het concentratiegebied is een golfveldbenadering
nodig. Een methode om, rekening houdend met het golf­
karakter, de geluiddruk ten gevolge van de reflectie te
bepalen is de Kirchhoff integraal. Op basis van het tweede
theorema van Green is af te leiden dat voor ieder punt A
binnen een volume de geluiddruk is te bepalen uit de
druk en deeltjessnelheid op het oppervlak S van dit volu­
me:
Buiten het concentratiegebied is het echter wel degelijk
mogelijk met geometrische methoden het geluidniveau
van de reflectie te bepalen. Een praktische formule is:
⎝(
1
u
⎛
⎜
⎝
⎛
ΔLc = −10 lg ⎜
⎛ 1
1
2
2
− 1 − 10 lg ⎜ 1 1
−1
+ 1s ) Rx cosθ x
+
cos
(
)
R
⎝ u s y θy
⎛
⎜
⎝
dr.ir. M.L.S. (Martijn)
Vercammen, Peutz bv,
Mook
GeOmetrIscHe AkOestIek
(1)
Hierin is:
versterking van het geluidniveau van de reflectie
ΔLc
ten gevolge van de kromming (dus 0 dB voor een
vlakke plaat) [dB]
u, s
afstand van bron en ontvanger tot het reflecteren­
de vlak [m]
straal van het gekromde vlak in x of y richting [m]
Rx , y
hoek van inval in x of y richting
θ x, y
Voor cilindersegmenten is slechts een van de twee termen
van toepassing (Ry = ∞ ) .
p(rA ) =
1
1 + jku
e − jku
e − jku
cos ϕ
+ jωρ ⋅ vn (r )
)dS
∫( p(r )
4π S
u
u
u
(2)
Hierin is:
golfgetal ω / c en c is de voortplantingssnelheid
van geluid in lucht [m/s]
p (r )
geluiddruk op het oppervlak, in het punt aange­
duid met vector r [Pa]
vn (r )
deeltjessnelheid in de richting van de normaal op
het oppervlak [m/s]
ϕ
hoek tussen de lijn tussen het punt op het opper­
vlak en het ontvangpunt en de normaal op het
oppervlak
k
Verondersteld wordt een geluidbron buiten het volume.
Bij een monopool geluidbron kunnen de druk en de deel­
tjessnelheid op het oppervlak op grond van de geometri­
sche uitbreiding van de monopool berekend worden.
Indien het oppervlak als een reflecterend oppervlak wordt
beschouwd kunnen druk en deeltjessnelheid ten gevolge
van een geluidbron binnen het volume als eerste benade­
ring op dezelfde wijze worden bepaald, waarbij de deel­
tjessnelheid in tegengestelde richting wordt aangenomen.
Hierdoor is op het oppervlak de som van invallende en
gereflecteerde deeltjessnelheid nul. Ofschoon uitgevoerd
voor harmonische signalen, is deze benadering alleen
valide voor de eerste reflectie. Voor meervoudige reflecties
is het oppervlak ‘transparant’. De methodiek is geverifi­
•
GeluId en trIllInGen
Bouwfysica 3 2012
2
Het geluidniveau van de geluidreflectie DL1m, ten opzichte van het
geluidniveau op 1 m van de geluidbron, in het midden of op de
middenas van een halve bol (4) en een cilinder met straal R = 4,
8, 16 en 32 m (6)
rekenvoorbeeld van de geluiddruk van het gereflecteerde geluid
1 π ), rechts bolsegop basis van (2). Links: halve bol (θm = —
2
1
θ
=
—
π
ment ( m
), r = 5,4 m, 1000 Hz, getoond 14 x 21 m,
5
kleurenbereik: wit ≥+10 dB, zwart ≤-20 dB
eerd met behulp van een metingen van de geluidreflectie
ten gevolge van een halve ellipsoïde. Kortheidshalve
wordt verwezen naar [1].
De Kirchhoff benadering leent zich in ieder geval voor
een numerieke benadering, zie bijvoorbeeld figuur 1 en
het voorbeeld van de Tonhalle verderop. Hierbij is op te
merken dat dit een intensieve berekening is. De Kirchhoff
Integraal is verder uitgewerkt in de vorm van mathemati­
sche benaderingen voor verschillende geometrieën, onder
meer een bol(segment) en een cilinder(segment).
GeluIddruknIveAu In Het cOncentrAtIepunt
Bij een bron in het middelpunt van een bolsegment met
straal R en openingshoek θ m (met 0 < θ m ≤ π is het geluid­
niveau in het concentratiepunt (tevens het middelpunt
van het bolsegment):
ΔL1m = 20 lg k (1 − cosθ m )
(3)
waarin: ΔL1m geluidniveau in het brandpunt ten opzichte
van het directe geluidniveau op 1 m van de
geluidbron
Opgemerkt wordt dat het geluiddrukniveau van de reflec­
tie alleen afhankelijk is van de frequentie, niet van de
straal van de bol.
Bij een cilindersegment met straal R is het geluidniveau in
het concentratiepunt (op de middenas van de cilinder):
m
π
⎛
⎜
⎝
⎝
⎛πk
+ 10 lg ⎜
⎝R
⎛
⎜
⎝
⎛θ
ΔL1m = 20 lg ⎜
(4)
Dit is van toepassing mits de lengte van de l cilinder ten­
minste bedraagt: l > λR (waarin λRde golflengte c / f ).
Figuur 2 laat het geluidniveau in het concentratiepunt in
een cilinder zien voor een halve bol en een aantal cilin­
ders met verschillende straal. Te zien is dat de geluid­
niveaus relatief hoog zijn, vooral bij de bol.
Indien de geluidbron zich niet in het midden van de bol
of de cilinder bevindt, is er geen sprake van volledige
opbouw van de geluiddruk in het concentratiepunt. De
reductie van het geluiddrukniveau in het concentratiepunt
ΔL1m als functie van de afstand x van de geluidbron tot het
middelpunt van bol is voor x < 0,85 λR te benaderen
met:
⎛ ⎛ x2
ΔL f ≈ 20 lg ⎜cos ⎜q
⎝ ⎝ λR
⎛⎛
⎜⎜
⎝⎝
1
(5)
met q = p / 2 voor θm ≥ p / 2
en q = θm voor θm < p / 2
Naarmate de afstand tussen bron en ontvanger toeneemt
zal het geluiddrukniveau van de reflectie dus iets afne­
men. Daarentegen zal de afname van het directe geluid­
niveau veel sterker zijn. Het verschil tussen direct geluid
en geluidniveau van de reflectie en daarmee de waarne­
ming van een echo, zal daardoor over het algemeen toe­
nemen met toenemende afstand tussen bron en toehoor­
der.
Het cOncentrAtIeGebIed
Indien bekend is hoe groot het gebied is waarbinnen
geluidconcentratie optreedt kan op basis hiervan bepaald
worden of the relevante ontvangerposities zich binnen of
buiten dit gebied bevinden, en daarmee of de geometri­
sche benadering dan wel de golfveldbenadering nodig is.
Op basis van de Kirchhoff Integraal is een mathematische
benadering opgesteld voor de geluiddruk in een bol en in
een cilinder [1]. Op een zekere afstand van het concentra­
tiepunt kunnen hiermee de nulpunten gevonden worden
die ontstaan door destructieve interferentie. Deze druk­
nulpunten kunnen beschouwd worden als de begrenzing
van het geluidconcentratiegebied. Figuur 3 illustreert voor
een rekenvoorbeeld het verloop van de geluiddruk langs
de as.
Voor een bol wordt het geluidconcentratiegebied langs de
as begrensd door:
z f 1,2 =
R
−w
±λ
2z − R
− B
R(1 − cos θ m )
s
(6)
waarin: z B de projectie van de bronpositie op de as van
het bolsegment [m]
+
De afstand w is de afstand van het concentratiepunt tot
het reflecterend vlak en is te bepalen uit de dunne lens
formule:

29
30
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
3
voorbeeld van de berekende gereflecteerde geluiddruk ten
opzichte van de geluiddruk in het concentratiepunt als functie
van de relatieve afstand zA/R langs de as, met aanduiding van
het (g) geometrische veld en (w) het concentratiegebied. Berekening voor de situatie van figuur 1, rechts (kR(1 – cosθm) =19)
1 1
2
+ =
w s R cosθ
(7)
Loodrecht op de as wordt het geluidconcentratiegebied
begrenst door:
xf =
λw
2 R sin θ m
(8)
Het concentratiegebied en de gehanteerde parameters
worden geïllustreerd in figuur 4.
De omvang van het concentratiegebied neemt sterk toe
voor lagere frequenties. Dat betekent dat veelal de geluid­
concentratie wordt waargenomen als een laagfrequent
verschijnsel, ondanks het feit dat de versterking bij de
lage frequenties geringer is dan bij de hoge. Binnen het
concentratiegebied is ook het verloop van de geluiddruk
te benaderen, zie hiervoor [1].
vOOrzIenInGen Om de GeluIdcOncentrAtIe
vermInderen
Twee voor de hand liggende technieken om de geluidener­
gie van een reflectie in een specifieke richting te verminde­
ren zijn het toepassen van geluidabsorptie of van geluid­
diffusie. Om te beoordelen of dergelijke maatregelen
voldoende effectief zijn is het in eerste instantie nodig om
te weten wat de geluidconcentratie wordt zonder deze
voorzieningen, zie hiervoor de vorige hoofdstukken. Ver­
volgens dient het effect van de voorzieningen bekend te
zijn.
De reductie DL van de reflectie van geluidabsorberende
materialen kan bepaald worden op grond van de absorptie­
coëfficiënt van het materiaal DL = 101g(1 – a). In de prak­
tijk zijn reducties tot iets meer dan 10 dB te bereiken. Laag­
frequent is dit echter lang niet altijd haalbaar. De
geluidreductie DL van een reflectie ten gevolge van een
onregelmatig oppervlak kan bepaald worden uit de z.g.
scattering coëfficiënt s met: DL = 101g(1 – s). Voor de
bepaling van de scattering coëfficiënt is een laboratorium
meetmethode (ISO 17497­1) beschikbaar, gegevens zijn er
echter nog slechts mondjesmaat. Wel blijkt uit metingen en
boundary element method (BEM) berekeningen dat het
moeilijk is een scattering coëfficiënt van 0,9 of meer te rea­
liseren, vooral bij de lage frequenties. Dit betekent dat met
diffusie een reductie van de spiegelende reflectie tot maxi­
maal circa 10 dB gerealiseerd kan worden.
4
indicatie van het concentratiegebied (grijs) rond het concentratiepunt a, met afmetingen zf1,2 and xf
Vergelijken we deze 10 dB van hetzij absorptie, hetzij dif­
fusie met de versterking ten gevolge van gekromde vlak­
ken, welke in figuur 2 aangegeven is, dan is te constate­
ren dat vooral bij koepelvormige constructies absorptie of
diffusie de geluidconcentratie niet geheel weg zal kunnen
nemen. Bij cilinders is de versterking daarentegen bedui­
dend lager en is het heel wel denkbaar dat de toepassing
van diffusie of absorptie toereikend kan zijn, zoals ook al
in diverse praktijkgevallen gebleken is.
Een alternatieve methode om grotere reducties te bereiken
dan 10 dB is het geluid in plaats van diffuus te verstrooi­
en, gericht te reflecteren, weg van het concentratiepunt.
Om gericht te kunnen reflecteren moet de afmeting van
het vlak tenminste een afmetingen hebben van 2l.
In het navolgende wordt een tweetal projectvoorbeelden
gegeven.
rOyAl Albert HAll lOndOn
De Royal Albert Hall in London heeft een elliptische plat­
tegrond en een ellipsoïde dakconstructie, zie figuur 5 en
6. De zaal biedt plaats aan circa 5000 toeschouwers en
heeft een volume van circa 80.000 m3. Vanaf de opening
van de zaal eind 19e eeuw wordt de zaal geplaagd door
een sterke echo. Deze echo wordt in belangrijke mate ver­
oorzaakt door het dak. Het verloop van de geometrische
geluidreflectie wordt geïllustreerd in figuur 6. Het concen­
tratiepunt ligt ver onder de zaal. Uit formule (6) blijkt dat
het publieksvlak buiten het concentratiegebied ligt, ook
voor de lage frequenties. Aan de hand van formule (1) is
berekend dat de versterking van de geometrische reflectie
door de ellipsoïde vorm DLc ter plaatse van punt M circa
14 dB bedraagt. Rekening houdend met de geometrische
uitbreiding van direct geluid en de reflectie, is berekend
dat de reflectie circa 8 dB sterker zou moeten zijn dan het
directe geluid. Van de zaal is in het laboratorium van
Peutz een schaalmodel gebouwd, schaal 1:12, zie figuur
5. In dit schaalmodel is een verschil tussen direct geluid
en reflectie gemeten van circa 11 dB, relatief dicht bij de
waarde die op grond van formule (1) bepaald is.
De echo in de Albert Hall ten gevolge van het ellipsoïde
dak is weggenomen met convexe schotels (de z.g.
mushrooms of flying soucers). Deze zijn rond 1968 in de
zaal aangebracht en in het kader van de renovatie, op
grond van het schaalmodelonderzoek, aangepast. Het
•
GeluId en trIllInGen
5
schaalmodel 1:12 van de royal albert Hall, met de flying saucers
middendeel van het dak is geluidabsorberend uitgevoerd,
het bovenste deel van de rand (upper cove) is vrijwel vol­
ledig afgeschermd door de schotels en het laagste deel
van het dak (lower cove) heeft een veel kleinere radius en
is nu in het zicht, zie figuur 7. De foto rechts illustreert
dat na renovatie de zichtlijnen naar de upper cove zijn
onderbroken door de schotels.
tOnHAlle düsseldOrF
De concertzaal Tonhalle te Düsseldorf is een koepelvormi­
ge concertzaal voor circa 1900 toeschouwers, met een
volume van circa 16.000 m3. Voor de renovatie had de
zaal een binnenkoepel bestaande uit houten panelen, zie
figuur 8. De panelen waren iets verdraaid zodat ze niet
exact de koepelvorm volgden. Desalniettemin was sprake
van een zeer sterke echo, waardoor de zaal een slechte
naam had en de belangrijkste musici en orkesten er niet
meer wilden optreden.
Bouwfysica 3 2012
6
Langsdoorsnede van de royal albert Hall met het ellipsoïde dak.
De posities van de brandpunten zijn aangegeven met een blauwe
stip
500 Hz, zie ook figuur 10. Metingen in de zaal vóór reno­
vatie laten een verschil zien van 14 dB bij 500 Hz.
De in eerste instantie voorgestelde oplossing voor deze
echo bestond uit convex gekromde panelen tussen de
(voormalige) binnenkoepel en de betonnen buitenkoepel.
De binnenkoepel werd daarbij vervangen door metaalgaas
die qua afmetingen en positie correspondeerde met de
oorspronkelijke houten panelen. Er is een schaalmodel­
onderzoek, schaal 1:12 uitgevoerd waaruit bleek dat deze
oplossing onvoldoende reductie op zou leveren. Ook
omdat de bestaande panelen al enigszins diffuserend
waren, bleek de reductie beperkt en was nog steeds een
verschil van circa 10 dB tussen gereflecteerd en direct
geluid aanwezig.
Het middelpunt van de koepelvorm bevindt zich iets
boven publieksniveau, hetgeen betekent dat voor bronnen
op het podium, het concentratiegebied in het publieks­
vlak ligt. De op grond van (3) berekende versterking
DL1m van een perfecte koepel bedraagt 13 dB bij 500 Hz.
Voor een positie op 8 m van de geluidbron bedraagt het
met formule (3) en (5) berekende verschil tussen gereflec­
teerd en direct geluid 25 dB bij 500 Hz. Dit geldt echter
ook voor een perfecte koepel.
In tweede instantie is een oplossing bedacht met reflecte­
rende panelen onder een hoek van circa 30 graden, die
het geluid met een maximale reflectiehoek van circa 60
graden wegreflecteren. Figuur 11 laat een doorsnede zien,
de complexe 3D geometrie en een foto van het schaalmo­
del met deze oplossing. Geïllustreerd wordt hoe de reflec­
ties weg gericht worden van het concentratiepunt, ofwel
direct naar het publiek beneden, ofwel verder de koepel
in. Deze oplossing bleek in het schaalmodel de echo weg
te nemen.
Uit berekening van de Kirchhoff Integraal op basis van
een numeriek model van de feitelijke, gecompliceerde
geometrie (zie figuur 9), is een maximaal verschil tussen
gereflecteerd en direct geluid bepaald van circa 15 dB bij
Figuur 8, rechts laat de Tonhalle na renovatie zien. Zicht­
baar is het akoestisch transparante metaalgaas en in min­
dere mate de achterliggende, blauw aangelichte reflecte­
rende panelen. De echo bleek verdwenen. En passant zijn
7
Plattegrond van de flying saucers in de royal albert Hall voor (links) en na (midden) renovatie

31
32
3 2012 Bouwfysica
8
www.nvBv.org
9
interieur van de Tonhalle Düsseldorf vóór (links) en na de renovatie (rechts)
ook een aantal andere verbeteringen gerealiseerd, zoals
onderlinge hoorbaarheid van de musici op het podium en
verlenging van de galm. Musici, publiek en critici zijn
enthousiast over de zaal en ook de grote orkesten en
solisten komen weer.
cOnclusIes
Met de gepresenteerde methode is het mogelijk in de ont­
werpfase een prognose uit te voeren van de te verwachten
geluidconcentratie. De focussering ten gevolge van in
twee richtingen gekromde vlakken (bol, ellipsoïde) is
beduidend sterker dan die van in één richting (cilinder).
In het algemeen zal de bereikbare reductie van de focus­
sering door toepassing van absorptie of diffusie bij in
twee richtingen gekromde vlakken onvoldoende zijn om
de geluidconcentratie geheel weg te nemen. Bij cilindri­
sche vlakken zal dit mogelijk wel voldoende kunnen zijn.
visualisatie van het numerieke model van de Tonhalle Düsseldorf
In het geval geluidabsorptie of diffusie onvoldoende soe­
laas biedt, dient gedacht te worden aan het in een andere
richting reflecteren met schuin geplaatste klankkaatsers of
meer ingrijpend, aan herziening van het ontwerp. Bij
voorkeur dienen mogelijke focusseringseffecten ten gevol­
ge van gekromde vlakken vanaf het begin van het ont­
werp beschouwd te worden.
brOnnen
 [1] Vercammen, M.L.S., Sound concentration caused by
curved surfaces, proefschrift Technische Universiteit
Eindhoven, Bouwstenen 163, 2012,
http://alexandria.tue.nl/extra2/732483.pdf
 [2] Rindel, J., Attenuation of sound reflections from
curved surfaces”, Proc. 24th Conf. on Acoustics, Strbské
Pleso, 1985
 [3] Kuttruff,H., Room acoustics, Elsevier Science Publ.,
1973, (fourth edition, Taylor & Francis, London, 1999)
10
Links: plattegrond Tonhalle Düsseldorf met aanduiding van het berekende deel van het publieksvlak en de bron op het podium (blauwe stip). rechts: met formule
(2) berekende geluiddruk (dB re 1m) voor 3 frequenties
11
renovatieconcept van de Tonhalle Düsseldorf. Links: doorsnede, midden 3D visualisatie van de reflectorgeometrie, rechts: foto schaalmodel 1:12
•
geluid en trillingen
Bouwfysica 3 2012
33
geaVanceerde impulsresponsiemeettecHnieken
toepassingen Bij muziek- en spraakoVerdracHt
Bij het beoordelen van akoestische eigenschappen van concertzalen en theaters worden vaak
hoge eisen gesteld aan de nauwkeurigheid waarmee akoestische parameters bepaald moeten worden. Het is daarom van belang om onzekerheden te (onder)kennen en waar mogelijk te kunnen
reduceren. door voortschrijdende ontwikkelingen van hard- en software op het gebied van zaalakoestiek kunnen genormeerde zaalakoestische parameters zeer nauwkeurig worden gemeten.
echter, de nauwkeurigheid van een meting wordt niet bepaald door het aantal cijfers achter de
komma, maar door de toegepaste technieken en voorschriften. in dit artikel worden aan de hand
van verschillende onderzoeken, uitgevoerd aan de tu eindhoven, recente ontwikkelingen behandeld op het gebied van impulsresponsie-meettechnieken en de toepassing ervan bij concertzalen.
Voor een algemene introductie over impulsresponsies en akoestiek wordt verwezen naar een eerder artikel in het blad Bouwfysica [1].
meetonnauwkeurigHeid akoestiscHe parameters
ir. C.C.J.M. (Constant)
Hak, TU/e, Bouwkunde,
Unit BPS
De akoestiek van een theater- of concertzaal kan worden
beschreven aan de hand van objectieve parameters,
bepaald uit gemeten impulsresponsies. Diverse parameters zijn vastgelegd in de internationale norm ISO 3382-1:
Measurement of room acoustic parameters – Part 1:
Performance rooms [2].
ir. R.H.C. (Remy) Wenmaekers, Level Acoustics,
Eindhoven
Parameters ter beoordeling van de mate van galm (EDT,
T20 en T30), helderheid (D50, C80, en Ts) en luidheid (G)
worden bepaald uit de akoestische overdracht van een
omnidirectionele geluidbron naar een omnidirectionele
microfoon. Andere parameters die bijvoorbeeld ruimtelijkheid beschrijven, worden bepaald met richtgevoelige
microfoons zoals een kunsthoofd (IACC), intensiteitsprobe en kogel-acht microfoon (LF, LFC en LC). De podiumparameters STearly en STlate worden gemeten op het podium waarbij de omnidirectionele microfoon zich op
1 meter afstand van de omnidirectionele geluidbron
bevindt.
prof. ir. L.C.J. (Renz) van
Luxemburg†, TU/e, Bouwkunde, Unit BPS & Level
Acoustics
Decay range
†Renz van Luxemburg is
overleden op 12 februari
2012
In de definitie van veel parameters wordt uitgegaan van
een theoretische oneindigheid wat betreft de duur van de
impulsresponsie zonder invloed van ruis. In de praktijk
beperkt de duur zich echter tot de meettijd, die doorgaans
niet langer hoeft te zijn dan de nagalmtijd van de te
meten ruimte. De maximaal te bepalen decay range (verval van het geluidniveau in de tijd: ETC) wordt beperkt
door de begrenzingen van het meetsysteem, variantie
(variatie in vorm, temperatuur, luchtverplaatsingen) en
het achtergrondgeluid in de ruimte. In figuur 1 is een
voorbeeld weergegeven van een impulsresponsie met bijbehorende energy time curve met daarin de decay range
aangegeven. Om de decay range te kunnen berekenen uit
een impulsresponsie is de parameter Impulse response to
Noise Ratio (INR) geïntroduceerd [3], waarbij ondermeer
gebruik wordt gemaakt van exponentiële regressie.
Aanbevolen wordt om voor het bepalen van de verschillende ISO 3382-1 parameters in muziekzalen, met een
onzekerheid binnen de hoorbaarheidsgrenzen, impulsresponsies te meten met een INR ≥ 45 dB voor alle benodigde frequentiebanden. Daarnaast is uit onderzoek gebleken
dat het is aan te raden om als ‘oneindig’, voor parameters
gebaseerd op een theoretisch oneindige meettijd zoals C80
en Ts, altijd te kiezen voor het tijdstip waarop de decay
curve en de ruisvloer elkaar kruisen, in plaats van de
meettijd van de impulsresponsie [4]. Dit geldt vooral voor

lange meettijden in combinatie met korte uitklinktijden.
1
Voorbeeld van een impulsresponsie met de daaruit afgeleide
Energy Time curve (ETc)
34
3 2012 Bouwfysica
www.nVBV.org
Dodecaëder als luidsprekerbron
De omnidirectionele geluidbron wordt in veel gevallen
benaderd door 12 luidsprekers geplaatst in een regelmatig
twaalfvlak, de zogenaamde dodecaëder. In ISO 3382-1
worden grenzen aangegeven waarbinnen de afwijking
van de richtkarakteristiek van een geluidbron mag liggen
ten opzichte van een 100% omnidirectionele richtkarakteristiek. Wanneer een geluidbron wordt gebruikt waarvan
de afwijking van de richtkarakteristiek deze grenzen
benadert, wordt in de ISO norm aangegeven een gemiddelde te nemen van ten minste 3 metingen waarbij de
geluidbron per microfoonpositie in stappen moet worden
gedraaid. Om na te gaan wat het werkelijke effect is van
middeling op de nauwkeurigheid van een meting, is voor
meerdere dodecaëder bolbronnen onderzocht wat de
maximale afwijking is die kan optreden bij middeling
over gelijke draaihoeken, verdeeld over een volledige
bronrotatie [5]. Er is hierbij gemiddeld over 1 tot en met 8
gelijkhoekige stappen in het horizontale vlak, steeds
resulterend in een bepaalde maximum afwijking van de
richtindex qhor ten opzichte van het werkelijke gemiddelde
(qhor = 0 dB).
In de grote concertzaal van Muziekgebouw Frits Philips
Eindhoven zijn metingen verricht op 1, 5 en 18 meter
afstand van een continu draaiende dodecaëder bron. Voor
elke mogelijke willekeurige starthoek is vervolgens berekend wat de maximaal mogelijke afwijking ten opzichte
van het gemiddelde (in het horizontale vlak) is voor 1
meting en voor meerdere metingen met 2 tot en met 8
vaste hoeken. In figuur 2 is het resultaat weergegeven
voor de meting op 1 meter afstand van de geluidbron.
Hierin is te zien dat de maximaal mogelijke deviatie bij 1
meting kan oplopen tot meer dan 2,5 dB. Dit geldt met
name voor de octaafbanden vanaf 1 kHz. Dit kan vooral
bij het meten van de podiumparameters STearly en STlate leiden tot grote onzekerheden, aangezien op 1 meter afstand
het directe geluid wordt gemeten als referentiewaarde van
de ‘omnidirectionele’ geluidbron. Een reductie van de
maximaal mogelijke afwijking treedt pas op bij een
gemiddelde van 5, 7 of 8 metingen bij draaiing in stappen
met gelijke hoeken. Dit geldt niet alleen voor metingen in
het nabije veld maar ook voor metingen op grote afstand
tot de bron (in het onderzoek: 5 en 18 meter). Daarom
wordt aanbevolen om per bron-ontvanger-combinatie een
gemiddelde te nemen over 5 stappen van 72 graden
(ongeacht de startpositie). Het geluiddrukniveau (of
Sound Strength G) kan dan voor alle afzonderlijke bronontvanger-afstanden, binnen de hoorbaarheidsgrens (Just
Noticeable Difference JND) van 1 dB worden bepaald.
2
gemeten maximale afwijking van de richtindex in het horizontale
vlak van een dodecaëder bolbron qhor ten opzichte van het werkelijke gemiddelde (qhor = 0 dB). Hierbij is gemiddeld over de
octaafbanden 1, 2 en 4 kHz
onderzocht voor deze verschillende methoden [6]. Daarnaast is onderzocht of het mogelijk is om een kalibratie in
de zaal op het podium uit te voeren op 1 meter afstand
van de geluidbron. Hierbij is gebruik gemaakt van
impulsresponsies en stationaire ruis. Voor de metingen in
het vrije/directe veld is gebruik gemaakt van een gemiddelde van 8 bronrotatie-stappen. De resultaten van de verschillende metingen zijn genormaliseerd naar het gemiddelde van de drie gebruikte precisiemethoden: diffuus
veld directe methode, diffuus veld met referentiebron en
de intensiteitsmeting. In figuur 3 is het resultaat weergegeven van een genormaliseerde Strength-meting voor verschillende kalibratiemethoden, gemiddeld over 500 en
1000 Hz (ééngetalswaarde volgens ISO 3382-1) met als
referentie het gemiddelde van 3 precisiemethoden (volgens ISO 3741 en ISO 9614-3).
Uit de resultaten blijkt dat de verschillen tussen de precisiemethoden onderling kleiner zijn dan 0,5 dB. De diffuse
veld methode, gebruikmakend van impulsresponsies,
komt overeen met dezelfde methode met stationaire ruis.
De afwijking van de vrije veld methode in de dode kamer
(Free Field) ten opzichte van het gemiddelde van de precisiemethode bedraagt circa -0,6 dB. De directe veld
methode op het podium met impulsresponsies (gemeten
op 2 podia: Stage A en B op 1 m afstand) heeft slechts
een afwijking van circa ± 0,3 dB en lijkt een geschikte en
eenvoudige (engineering) methode voor metingen in het
veld. Het opvallende verschil tussen de resultaten met
impulsresponsies en stationaire ruis in het vrije/directe
veld wordt veroorzaakt doordat de ‘akoestische afstand’
tot de geluidbron afgeleid uit de impulseresponsie
0,85 meter is, wanneer de ‘fysieke afstand’ tot het hart
van de dodecaëder geluidbron 1 meter is.
Sound Strength kalibratie
De parameter Sound Strength G vergelijkt het geluiddrukniveau ten gevolge van een omnidirectionele geluidbron in de zaal met het geluiddrukniveau op 10 meter
afstand van dezelfde omnidirectionele geluidbron in het
vrije veld. In ISO 3382-1 staan verschillende kalibratiemethoden beschreven waarmee de referentiewaarde op
10 meter afstand bepaald kan worden uit een geluidvermogensmeting: in een diffuus veld (galmkamer) of vrij
veld (dode kamer) en middels intensiteitsmetingen. De
onzekerheid bij het bepalen van de Sound Strenght G,
veroorzaakt door de onzekerheid van de kalibratie, is
nieuwe meettecHnieken in scHaalmodelonderzoek
Zaalakoestische parameters kunnen ook gemeten worden
in een akoestisch schaalmodel van een theater of concertzaal. In een dergelijk schaalmodel wordt de golflengte
van het geluid meegeschaald met de dimensies van de
ruimte en dienen de materialen in het schaalmodel over
de juiste akoestische eigenschappen te beschikken in het
verschaalde frequentiegebied. Daarnaast moet rekening
worden gehouden met de geluidabsorptie van de lucht,
die sterk toeneemt in het ultrahoogfrequente gebied. De
•
geluid en trillingen
Bouwfysica 3 2012
35
metingen in een akoestisch schaalmodel worden uitgevoerd met hoogfrequent geluidbronnen en microfoons.
Nieuwe meettechnieken, deels ontwikkeld aan de TU/e,
zijn in 2011 toegepast in Taiwan bij metingen in een 1:20
schaalmodel van het Grand Theatre van Taipei Performing
Arts Centre, een concertgebouw dat op dit moment in
aanbouw is, zie figuur 4.
Sparktrain als geluidbron
Een veel gebruikte geluidbron bij het meten in akoestische schaalmodellen is de vonkbrug (spark gap). In zijn
eenvoudigste vorm bestaat een vonkbrug uit twee elektroden op een vaste afstand van elkaar waarover een hoge
spanning wordt aangebracht. Wanneer de spanning voldoende hoog is, vindt er een ontlading plaats. Deze ontlading gaat gepaard met een ultrasone ‘knal’. Het voordeel
van een vonkbrug bij schaalmodelmetingen is dat de
afmetingen beperkt zijn, waardoor het geluidveld nauwelijks wordt beïnvloed. Een ander voordeel is de omnidirectionele karakteristiek.
Een nadeel is de slechte reproduceerbaarheid wat betreft
de geproduceerde geluidenergie. In combinatie met de
relatief ongevoelige hoogfrequente microfoons en de hoge
luchtabsorptie bij deze frequenties is een zeer sterke ontlading nodig voor het verkrijgen van een voldoende hoge
INR uit één impulsresponsie. Een groot nadeel bij een dergelijke sterke ontlading is de optredende schokgolf (niet
lineair gedrag) die ontstaat dichtbij de geluidbron, de
directe (elektro-magnetische) instraling op de meetinstrumenten en het gevaar op elektrocutie van de metende
akoesticus. Daarom is een nieuwe meettechniek ontwikkeld waarbij met behulp van een laag energetische
vonktrein (sparktrain) [7] reproduceerbare impulsresponsies met een INR boven 35 dB voor het frequentiegebied
tot en met 40.000 Hz kunnen worden verkregen. Dit was
ruim voldoende voor het nauwkeurig kunnen bepalen
van de gemiddelde nagalmtijd T20, clarity C80 en sound
strength G in het schaalmodel van het Grand Theatre.
Luchtabsorptie in frequentiebanden
Door botsingen tussen de verschillende moleculen in
lucht bij het passeren van een geluidgolf gaat geluidenergie verloren. Deze ‘luchtabsorptie’ van geluid neemt daarbij exponentieel toe met de frequentie en is al snel enkele
dB’s per meter in het frequentiegebied van akoestische
schaalmodelmetingen. De hoeveelheid luchtabsorptie kan
voor zuivere tonen nauwkeurig worden voorspeld aan de
hand van een rekenmodel beschreven in ISO 9613-1,
waarbij belangrijke invloedsfactoren worden meegenomen zoals de temperatuur en luchtvochtigheid. Het is
daarmee mogelijk om de geluidabsorptie-eigenschappen
van de lucht te verschalen, voor zowel de zaalmetingen
zelf als de geluidabsorptiemetingen aan schaalmodelmaterialen. Dit impliceert echter wel dat de lucht in het
model (of laboratorium) gedroogd moet worden tot 3%
relatieve vochtigheid óf dat de ruimte gevuld moet worden met zuivere stikstof. Dit zijn zeer kostbare en tijdrovende voorzieningen.
Een alternatieve methode is om de metingen bij normale
luchtcondities uit te voeren en de gemeten impulsresponsie mathematisch te corrigeren aan de hand van het
3
resultaten van een genormaliseerde strength-meting voor verschillende kalibratiemethoden,
gemiddeld over 500 en 1000 Hz (volgens iso 3382-1) met als referentie het gemiddelde van
3 precisiemethoden (volgens iso 3741 en iso 9614-3)
4
schaalmodel 1:20 grand Theatre van Taipei Performing arts centre
rekenmodel in ISO 9613-1. Dit kan via een wavelet-transformatie of sneller door de impulsresponsie per frequentieband te corrigeren. Uit onderzoek aan de TU/e [8] is
gebleken dat de correctiewaarden uit het rekenmodel voor
zuivere tonen de luchtabsorptie ongeveer een factor 2
overschatten voor octaafbanden, wanneer gerekend wordt
met de middenfrequentie van de band. Voor frequentiebanden >4000 Hz geldt als vuistregel dat de luchtabsorptie kan worden berekend volgens het model uit
ISO 9613-1 gebruik makend van de ondergrensfrequentie
van de frequentieband.
Auralisatie
Door de grenzeloze mogelijkheden van moderne rekenen meetsoftware worden steeds vaker (te pas en te onpas)
impulsresponsies gebruikt om vooraf te laten horen hoe
een nieuwe of gerenoveerde ruimte gaat klinken. Hoewel
de verkregen resultaten uit convoluties altijd ‘prima klinken’ kunnen alleen relatief grove akoestische effecten
(echo’s, galm flutters etc.) worden gedemonstreerd of

36
3 2012 Bouwfysica
www.nVBV.org
5
Voorbeeld van een deel van de plattegrond van een open kantoor met daarin aangegeven de
bronpositie en de verschillende ontvangposities
opgespoord, zeker als het gaat om auralisaties die direct
of indirect zijn verkregen uit schaalmodelmetingen. De
werkelijke akoestiek van een ruimte blijft echter nog
steeds verborgen tot de oplevering van deze ruimte.
spraakVerstaanBaarHeidsmetingen
Veel zaalakoestische parameters beschrijven een subjectieve akoestische ervaring bij het luisteren naar muziek in
concertzalen. Bij het ontwerpen van bijvoorbeeld theaters
is ook de spraakverstaanbaarheid van belang. De meest
gebruikte objectieve parameter voor het beschrijven van
de spraakverstaanbaarheid is de Speech Transmission
Index (STI) volgens IEC 60268-16 [9]. Deze parameter
kent veel toepassingen zoals bij (on)versterkte spraak in
theaters en kerken, bij versterkte spraak via Public
Address systemen bij treinstations en vliegvelden, bij ontruimingsinstallaties in verkeerstunnels, fabrieken, kantoorgebouwen, treinen en vliegtuigen en de laatste tijd
ook voor het beschrijven van spraakonverstaanbaarheid
in open kantoren (speech privacy).
Meetduur
6
sTi-waarde voor elke ontvangpositie (zie figuur 5) gemeten met
een gerichte geluidbron (spreker) voor 5 verschillende situaties
bij gebruik van de ‘indirecte’ methode. Hierbij wordt eerst
het effect van de ruimte (impulsresponsie) gemeten,
waarbij door middelen of een lange meettijd zelfs op grote afstand en/of bij hoge achtergrondniveaus een voldoende hoge INR kan worden verkregen. Uit de verkregen
impulsreponsie kan met behulp van de Modulation
Transfer Function (volgens Schroeder) direct de invloed
van versmering door de ruimteakoestiek op de STI
worden berekend (dus zonder invloed van achtergrondgeluid). De invloed van alleen versmering door ruimteakoestiek op de STI ‘vertalen’ we naar een signaal-ruisverhouding SNR1.
Traditioneel wordt de STI bepaald door het afspelen van
een ruissignaal samengesteld uit een matrix van 14
octaafbanden en 7 modulatiefrequenties. Ter plaatse van
de ontvanger (luisteraar) wordt voor elke combinatie van
frequentieband en modulatiefrequentie de modulatiereductie bepaald. Deze reducties worden gewogen en
gemiddeld tot een ééngetalswaarde tussen 0 en 1. Zowel
de invloed van de ruimteakoestiek als de invloed van het
achtergrondgeluid (signaal-ruisverhouding) worden op
deze manier meegenomen bij het bepalen van de spraakverstaanbaarheid. Een groot nadeel van deze gemoduleerde ruis-methode is de benodigde meettijd. Eén volledige
STI-meting kost ongeveer 15 minuten. Om dit probleem te
omzeilen wordt in de praktijk een beperkt aantal combinaties van ruisbanden en modulatiefequenties gebruikt
met als voorbeeld de STIPA (STI for Public Address
systems). Hierbij wordt gebruik gemaakt van slechts 14
gemoduleerde ruisbanden. Echter, door gebruik te maken
van impulsresponsie-meettechnieken kan een door
ISO 3382-3 voorgeschreven volledige (full) STI-meting, ter
bepaling van de speech privacy, worden verkregen in
minder dan 10 seconden.
Uit twee impulsresponsies kan het verschil in geluiddrukniveau van de geluidbron op 1 meter afstand (vergelijkbaar met de Sound Strenght kalibratie) en het geluiddrukniveau op de plaats van de ontvanger worden
bepaald. Uit dit verschil kan achteraf aan de hand van
een referentieniveau en -spectrum (bijvoorbeeld LA =
60 dB op 1 meter geldend voor een mannelijke stem) het
spraakgeluiddrukniveau Lp;spraak voor elke octaafband op
een ontvangpositie worden bepaald. Het achtergrondgeluiddrukniveau Lp;achtergrond kan achteraf worden gemeten
of er kan worden gekozen voor een referentie- of ontwerpwaarde. Vervolgens wordt het verschil tussen Lp;spraak
en Lp;achtergrond als signaal-ruisverhouding ingevoerd in de
berekening van de STI. De invloed van versterking of
demping van spraak door de ruimteakoestiek en de
invloed van de achtergrondruis op de STI vertalen we
naar een signaal-ruisverhouding SNR2.
‘Indirecte’ versus ‘directe’ meetmethode
Impulsresponsies en spraak(on)verstaanbaarheid
Eén van de nadelen van de traditionele ‘directe’ meetmethode is dat het niet mogelijk is om achteraf de invloed
van ruimteakoestiek en achtergrondgeluid op de spraakverstaanbaarheid afzonderlijk te beoordelen. Daarnaast is
het door de aard van het meetsignaal niet mogelijk om
STI waarden <0,3 te bepalen. Deze nadelen zijn er niet
De mogelijkheden van het meten van de STI met behulp
van impulsresponsies kan het beste worden geïllustreerd
aan de hand van een meting in een open kantoor volgens
ISO 3382-3 [10], welke in juni 2011 door de NVBV geïntroduceerd is in de nieuwe Rgd richtlijnen [11]. In een open
kantooromgeving is een hoge spraakverstaarbaarheid
Willekeurig spraak- en stoorniveau
•
geluid en trillingen
gewenst tussen werkplekken dichtbij elkaar gelegen en
een lage spraakverstaarbaarheid tussen onafhankelijke
werkplekken verder weg gelegen. In een onderzoek naar
de spraakverstaanbaarheid in een typisch Nederlands
open kantoor is gekeken naar de invloed van de ruimteakoestiek op de spraakverstaanbaarheid [12]. In figuur 5
is een deel van de plattegrond weergegeven met de bronpositie en de verschillende ontvangposities. Voor elke ontvangpositie is met een gerichte geluidbron (spreker) voor
5 verschillende situaties de STI bepaald.
De resultaten voor de STI als functie van de afstand zijn
weergegeven in figuur 6. Hierin is te zien dat wanneer
alleen de versmering door galm wordt meegenomen
(SNR1) de STI over de afstand slechts afneemt tot 0,70.
Dat betekent dat ‘zonder achtergrondgeluid’ de spraakverstaanbaarheid goed is voor alle ontvangposities in het
open kantoor. Wanneer alleen de invloed van de demping
van de spraak door de ruimteakoestiek in combinatie met
LA;achtergrond van 37 dB of 45 dB bekeken wordt (SNR2 for
37 dB en SNR2 for 45 dB) is wel een duidelijke afname in
spraakverstaanheid te zien over de afstand. Alleen de
combinatie van SNR1 en SNR2 toont de volledige STI voor
37 dB en 45 dB achtergrondgeluid. Hierbij is te zien dat
zogenaamde speech privacy met STI <0,20 in dit open
kantoor alleen op afstanden >15 meter gehaald wordt bij
een A-gewogen achtergrondgeluiddrukniveau van 45 dB.
tot slot
Onderzoek op het gebied van impulsresponsie-meettechnieken in de zaalakoestiek geeft steeds meer inzicht in
meetonnauwkeurigheden ten gevolge van de toegepaste
meetsystemen en meetvoorschriften. Hieruit ontwikkelde
praktische meetmethoden en praktische toepassingen om
de meetfouten te beheersen kunnen direct worden ingezet
bij andere aspecten binnen de (ruimte)akoestiek, zoals
het meten van spraakoverdracht en speech privacy in
open kantoren.
Zo wordt momenteel onder andere een nieuwe benadering onderzocht ter beoordeling van een ruimte in het
onderzoek naar ‘ruimte in ruimte’ akoestiek, waarbij door
middel van convolutie [13] wordt gekeken naar de reproductie van opgenomen akoestiek in luisterruimtes zoals
geluidstudio’s, bioscopen en huiskamers. Met andere
woorden: Wat doet de akoestiek van een afluisterruimte
(in combinatie met het luidsprekersysteem) met de akoestiek in een opname die in die ruimte wordt afgespeeld?
Met als voorbeeldvraag: Wat (of welke geluiddetails) kan
ik in deze ruimte tijdens een college of een lezing nog
demonstreren (laten horen)?
Ook op het gebied van bouwakoestische metingen doet
de impulsesponsie-meettechniek haar intrede. In tegenstelling tot de traditionele meetmethoden waarbij storend
achtergrondgeluid alleen kan worden omzeild door het
gebruik van hoge bronniveaus, biedt de impulsesponsiemeettechniek (door middel van deconvolutie) de mogelijkheid om met relatief lage bronniveaus (zelfs lager dan
het stoorgeluid) hoge geluidisolatiewaarden te meten
[14], bijvoorbeeld in het geval van muziekzalen.
Het onderzoek schrijdt voort. n
Bouwfysica 3 2012
Reacties op dit artikel zijn welkom op het adres van de
auteur: [email protected], Technische Universiteit Eindhoven & Level Acoustics, De Rondom 10, 5612 AP te Eindhoven.
Bronnen
 [1] Hak, C.C.J.M., Impulsresponsies en Akoestiek,
Bouwfysica 18-3, p12-13, 2007
 [2] ISO 3382-1 International Standard ISO/DIS
3382-1: Acoustics Measurement of room acoustic
parameters – Part 1: Performance rooms, International
Organization for Standardization, 2009
 [3] Hak, C.C.J.M., Hak, J., Wenmaekers, R.H.C., INR as
an Estimator for the Decay Range of Room Acoustic
Impulse Responses, Proceedings of the 124th AES
conference, Amsterdam 2008
 [4] Hak, C.C.J.M., Vertegaal, H., What Exactly is Time
Infinity for Acoustical Parameters, Proceedings of the 16th
congress on Sound and Vibration, Krakow, 2009
 [5] Hak, C.C.J.M., Wenmaekers, R.H.C., Hak, J.P.M.,
Luxemburg, L.C.J. van, The Source Directivity of a
Dodecahedron Sound Source determined by Stepwise
Rotation, Proceedings of Forum Acusticum, Aalborg, 2011
 [6] Hak, C.C.J.M., Wenmaekers, R.H.C., Han, J.,
Luxemburg, L.C.J. van, Gade, A.C., Sound Strength
Calibration Methods, Proceedings of ICA 2010 Sydney,
Australia, 2010
 [7] Hak, C.C.J.M., Bijsterbosch, K.B.A., Room Acoustic
Scale Model Measurements using a Spark Train,
Proceedings of the NAG-DAGA 2009, Rotterdam, 2009
 [8] Wenmaekers, R.H.C., Hak, C.C.J.M., Martin, H.J.,
Luxemburg, L.C.J. van, Air absorption error in room
acoustical modeling, Proceedings of the 155th ASA
conference, Paris, 2008
 [9] IEC 60268-16: Sound system equipment - Part 16:
Objective rating of speech intelligibility by speech
transmission index, International Electrotechnical
Commission, 2003
 [10] ISO/DIS 3382-3: Acoustics Measurement of room
acoustic parameters – Part 3: Open plan offices,
International Organization for Standardization, 2012
 [11] NVBV Handboek bouwfysische kwaliteit voor kantoren versie 24 juni 2011, Rijksgebouwendienst, 2011
 [12] Wenmaekers, R.H.C., Hout, N.H.A.M. van, Hak,
C.C.J.M., Luxemburg, L.C.J. van, The effect of Room
Acoustics on the Measured Speech Privacy in two typical
European Open Plan Offices, Proceedings of Internoise
2009 Ottawa, Canada, 2009
 [13] Hak, C.C.J.M., The Effect of the Acoustics of
Sound Control Rooms on the Perceived Acoustics of a
Live Concert Hall Recording, Proceedings of 11th WSEAS
International Conference on Acoustics & Music 2010,
Iasi, Romania, 2010
 [14] Hout, N.H.A.M. van, Hak, C.C.J.M., Slaat, G.E.,
Gerretsen, E., Measuring Sound Insulation under Extreme
Conditions using Deconvolution Techniques, Proceedings
of the NAG-DAGA 2009, Rotterdam, 2009
Alle congrespublicaties zijn beschikbaar via de website van
www.levelacoustics.nl
37
38
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
AGENDA
EvENEmENtEN
7-9 september 2012
PassiveHouse Beurs, Brussel, België, www.passivehouse.be
27 september 2012
nationale dubodag, rotterdam, www.dubodag.nl
5 oktober 2012
PassiveHouse symposium, Brussel, België, www.passivehouse.be
9-11 oktober 2012
vakbeurs Energie, Den Bosch, www.energievakbeurs.nl
10 oktober 2012
Dag van de Duurzaamheid, www.dagvandeduurzaamheid.nl
6-7 november 2012
congres geluid, trillingen en luchtkwaliteit in nederland, nieuwegein, www.gtlcongres-beurs.nl
12-13 november 2012
Experiencing Light 2012, Eindhoven, www.experiencinglight.nl
20 november 2012
nationaal sustainability congres 2012, nieuwegein, www.sustainability-congres.nl
21-22 november 2012
De Beurs Domotica & slim wonen, Eindhoven, www.beursdomoticaenslimwonen.nl
4-9 februari 2013
internationale Bouwbeurs, utrecht, www.bouwbeurs.nl
16-19 juni 2013
clima 2013, Praag, Tsjechië, www.clima2013.org
7-12 juli 2014
indoor air 2014, Hong Kong, www.indoorair2014.org
7-12 september 2014
forum acusticum, Krakau, Polen, www.fa2014.pl
CursussEN
10-12 september 2012
congres Brandonderzoek met internationale topdocenten, nifv, arnhem, www.nifv.nl
12 september 2012
cursus EnorM (EPg), DgMr Masterclass, arnhem, www.dgmr.nl
13 september 2012
Dagcursus installatiegeluid, Peutz academy, Zoetermeer, www.peutz.nl
18 september 2012
Dagcursus geluid in het omgevingsrecht, Peutz academy, Zoetermeer, www.peutz.nl
27 september, 25 oktober,
29 november 2012
cursus Bouwfysica: ontwerpen en Toetsen, sBr, www.sbr.nl
9 oktober 2012
Basiscursus Trillingsrichtlijnen in de praktijk, sBr, rotterdam, www.sbr.nl
9 oktober 2012
Dagcursus Brandveilig denken, Peutz academy, Zoetermeer, www.peutz.nl
11 oktober 2012
cursus Brandveiligheid: ontwerpen en Toetsen, sBr, Ede, www.sbr.nl
november 2012
verschillende cursussen geomilieu, DgMr Masterclass, arnhem, www.dgmr.nl
1 november 2012 en
29 januari 2013
cursus Duurzaam en Energieneutraal Bouwen, materialen, constructies en installaties; nieuwbouw, sBr, www.sbr.nl
8 november 2012
cursus rekenen aan brandveiligheid: vluchten en wBDBo, sBr, Ede, www.sbr.nl
13, 20 en 22 november 2012
Driedaagse training meten en rekenen industrielawaai, Peutz academy, Zoetermeer, www.peutz.nl
20 november 2012
Brandveiligheid: implementeren en Toepassen, sBr, utrecht, www.sbr.nl
22 november 2012 en
5 februari 2013
cursus Duurzaam en Energiezuinig Bouwen, materialen, constructies en installaties; renovatie, sBr, www.sbr.nl
27 november 2012
verdiepingscursus Trillingsrichtlijnen in de praktijk, sBr, rotterdam, www.sbr.nl
4 december 2012 en
21 maart 2013
studiedag Luchtdicht bouwen, sBr, Baarn, www.sbr.nl
6-13 december 2012
Driedaagse cursus trillingshinder en constructiegeluid, stichting Poa, Delft, www.pao-tudelft.nl
29 januari 2013
studiemiddag Bouwakoestiek, Peutz academy, Mook, www.peutz.nl
OplEiDiNGEN
najaar 2013
sKB Post HBo Bouwfysica, utrecht, www.skbopleidingen.nl
4 oktober 2012 - 20 juni 2013
sKB Post HBo Bouwakoestiek, utrecht, www.skbopleidingen.nl
4 oktober 2012 - 20 juni 2013
sKB Post HBo Milieu-geluid, utrecht, www.skbopleidingen.nl
voorjaar 2013
sKB Post HBo fire safety Engineering, utrecht, www.skbopleidingen.nl
wilt u uw evenement, cursus of opleiding ook in onze agenda vermelden, stuur dan een e-mail naar [email protected]
ACtuEEl
Bouwfysica 3 2012
39
NiEuwE NEN-NOrmEN
in deze rubriek wordt een overzicht gegeven van de normen, normontwerpen, correctiebladen en aanvullingsbladen op het gebied van de bouwfysica die vanaf april 2012 zijn verschenen.
DEfiNitiEvE NOrmEN
NOrmNummEr
titEl
publiCAtiEDAtum
nEn-En-iso 13791:2012
Thermische eigenschappen van gebouwen - Binnentemperaturen in de zomer van een kamer
zonder mechanische koeling - algemene criteria en validatieprocedures
03-04-2012
nEn-En-iso 13792:2012
Thermische eigenschappen van gebouwen - Berekening van de binnentemperatuur van een
ruimte onder zomercondities, zonder mechanische koeling - Eenvoudige methoden
03-04-2012
nEn 1068:2012
Thermische isolatie van gebouwen - rekenmethoden
04-04-2012
nEn-iso 18292:2011/c1:2012
Energieprestatie van fenestratiesystemen - calculatieprocedure
04-04-2012
nEn-En 1745:2012
Metselwerk en metselwerkproducten - Methoden voor het bepalen van thermische
eigenschappen
23-04-2012
nEn-En 482:2012
werkplekatmosfeer - algemene eisen voor de uitvoering van de procedures voor het meten van
chemische stoffen
23-04-2012
nEn-iso 17497-2:2012
akoestiek - geluidverstrooiingseigenschappen van oppervlakken - Deel 2: Meting van de
richtingsdiffusiecoëfficiënt in een vrij veld
24-05-2012
nEn 5077+c1:2008/c3:2012
geluidwering in gebouwen - Bepalingsmethoden voor de grootheden voor geluidwering van
uitwendige scheidingsconstructies, luchtgeluidisolatie, contactgeluidisolatie, geluidniveaus
veroorzaakt door installaties en nagalmtijd
19-06-2012
NOrmNummEr
titEl
publiCAtiEDAtum
nEn-En-iso 16283-1:2012 ontw.
akoestiek - Praktijkmeting van geluidisolatie in gebouwen en van bouwelementen - Deel 1:
Luchtgeluidisolatie
24-04-2012
nEn-En-iso 16251-1:2012 ontw.
akoestiek - Laboratoriummeting van de vermindering van contactgeluid door vloerbedekking
op een kleine modelvloer - Deel 1: Zware vloer van beperkte afmetingen
14-05-2012
nEn-En-iso 12999-1:2012 ontw.
akoestiek - Bepaling en toepassing van meetonzekerheden in de bouwakoestiek - Deel 1:
geluidisolatie
29-05-2012
nEn-En 12431:2012 ontw.
Materialen voor de thermische isolatie van gebouwen - Bepaling van de dikte van
isolatieproducten in zwevende vloeren
21-06-2012
nEn-En 1606:2012 ontw.
Materialen voor de thermische isolatie van gebouwen - Bepaling van de kruip bij drukbelasting
21-06-2012
nEn-En 1607:2012 ontw.
Materialen voor de thermische isolatie van gebouwen - Bepaling van de treksterkte loodrecht
op de oppervlakte
21-06-2012
nEn-En 1609:2012 ontw.
Materialen voor de thermische isolatie van gebouwen - Bepaling van de wateropname bij
kortstondige gedeeltelijke onderdompeling
21-06-2012
nEn-En-iso 15758:2012 ontw.
Hygrothermische prestatie van gebouw- en industriële installaties - Berekening van
waterdampdiffusie - Koude pijp isolatiesystemen
28-06-2012
NOrmONtwErpEN
40
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
Promovendi aan het woord
Simulatie en oPtimaliSatie van hydroniSche verwarming- en koelinStallatieS
Naam:
Nationaliteit:
Universiteit:
Roel Vandenbulcke
Belgische
Universiteit
Antwerpen
Vakgroep/leerstoel: Toegepaste Economische Wetenschappen
Studie-achtergrond: Industrieel Ingenieur
Elektro-Mechanica
wat iS het onderwerP van je Promotieonderzoek?
Geluid dat zich voortplant in de buitenomgeving wordt beïnvloed
door een scala aan meteorologische invloeden, waaronder turbulentie, absorptie en atmosferische refractie. In bepaalde windcondities en/of een thermisch gestratificeerde atmosfeer, kan
neerwaartse- dan wel opwaartse refractie van geluidsgolven
optreden. Opwaartse refractie is gunstig, in termen van geluidsreductie, doordat geluid naar boven wordt ‘afgebogen’ en het
geluidsniveau bij de ontvanger afneemt. Het doel van mijn promotieonderzoek is een geluidsbarrière te ontwerpen die gebaseerd is op het principe van opwaartse refractie. Het is gebleken dat een dergelijke geluidsbarrière kan worden gecreëerd
met clusters van cilinders, een zogenaamde Sonic Crystal. In
deze toepassing loopt de lengteas van de cilinders parallel aan
het grondvlak en varieert de cilinder radius als functie van de
hoogte. Er ontstaat dan in het laagfrequent gebied een “graded
index medium’’, waarbij de voortplantingssnelheid varieert als
functie van de hoogte. Dit is in feite een breedbandige akoestische lens, zie afbeelding (een indicatieve tweedimensionale plot
van het gereduceerde geluidsveld, “Insertion Loss’’).
wat iS het onderwerP van je Promotie-onderzoek?
Hydronische verwarming- en koelinstallaties worden typisch ontworpen voor vollastcondities waarbij men uitgaat van de meest
extreme weersomstandigheden. Bij deellastwerking, wanneer
het buiten bijvoorbeeld minder koud is, wijkt het systeemgedrag
echter zeer sterk af. In de praktijk is het gebruikerscomfort en
het reële energiegebruik dan ook meestal aanzienlijk slechter
dan wat men bij het ontwerp vooropstelde. Om een beter en
meer wetenschappelijk inzicht te krijgen in de systeemprestaties worden in het doctoraatsonderzoek computermodellen
ontwikkeld waarmee het dynamisch systeemgedrag wordt gesimuleerd. De betrouwbaarheid van de simulatiemodellen wordt
geverifieerd in een testopstelling. De gevalideerde thermische,
hydraulische en regeltechnische computermodellen worden vervolgens aangewend om grote en complexe installaties te optimaliseren naar comfort, energiegebruik en investering.
In een parallel project wordt momenteel onderzocht hoe de ad
hoc academische simulatiemodellen kunnen worden omgevormd tot een gebruiksvriendelijke software die in de toekomst
‘simulation assisted design’ beschikbaar zal maken voor studieburelen en installatiebedrijven.
waarom iS jouw onderzoek intereSSant voor lezerS
van BouwfySica?
In de praktijk stellen we vast dat de impact van de hydronische
configuratie en de regelstrategie vaak wordt onderschat. De
focus ligt meer op de gebouwschil terwijl aan de klimaatinstallaties onvoldoende aandacht wordt besteed. Vandaag de dag zijn
er tal van moderne installatiecomponenten met uitstekende
prestaties beschikbaar. Bij de samenbouw tot een systeem gaat
het echter al te vaak mis. De onderzoeksresultaten tonen aan
dat simulatie in de ontwerpfase steeds meer een noodzaak
wordt.
waarom iS jouw onderzoek intereSSant voor lezerS
van BouwfySica?
Het beheersen van geluid, afkomstig van wegverkeer, treinverkeer en andere hinderlijke geluidsbronnen in de (stedelijke)
buitenomgeving is om verschillende redenen een belangrijk
speerpunt van de World Health Organization. Uiteenlopende
maatregelen met geluidsreductie als gemeenschappelijk doel
zijn voorhanden, waarbij een traditionele geluidswal een bekende en vaak toegepaste maatregel is. Dit onderzoek streeft naar
een vernieuwende en bovenal verbeterde manier van geluidsbeheersing in de buitenomgeving middels Sonic Crystal geluidsbarrières. Ondanks de enorme potentie van Sonic Crystal
geluidsbarrières blijven er tal van vragen onbeantwoord en
ben ik blij daar aan bij te mogen dragen.
Dit onderzoek is gefinancierd door EC FP7 collaborative project
HOSANNA. Zie www.greener-cities.eu voor meer informatie.
oPwaartSe refractie door een Sonic
cryStal geluidSBarrière
Naam:
Nationaliteit:
Universiteit:
Bart van der Aa
Nederlandse
Chalmers University
of Technology
(Göteborg, Zweden)
Vakgroep/leerstoel: Applied Acoustics
Studie-achtergrond: Bouwkunde,
Bouwfysica
vereniging
Bouwfysica 3 2012
41
van het bestuur
In maart van dit jaar ben ik toegetreden tot
het bestuur van de NVBV en vanaf dat
moment beheer ik de ledenadministratie. Ik
heb kennis gemaakt met mijn enthousiaste
mede-bestuursleden, die als doel hebben de
belangen van de leden te behartigen en het
vakgebied bouwfysica te ondersteunen. Dit is
meer dan zorgen voor continuïteit in de activiteiten van de vereniging en betekent ook dat
we op zoek zijn naar vernieuwing en aanpassingen aan de wereld om ons heen.
En die wereld staat er economisch gezien
nog steeds niet zo goed voor. De bouw blijft
het zwaar houden en herstel wordt nog niet
op korte termijn verwacht. Het is dan ook een
taak van de vereniging om de positie van ons
eigen vak, de bouwfysica, in de bouw te blijven bewaken. In de tijd dat projecten dun
gezaaid zijn is iedereen druk op zoek naar
werk. Dit betekent dat ook op ons vakgebied
vele ogen meekijken naar beschikbare projecten, ook ogen die eerder niet gericht waren
op ons vakgebied.
Op zichzelf is er natuurlijk niks mis met
gezonde concurrentie en het betekent ook
dat bedrijven en instellingen nog meer gestimuleerd worden om zich te onderscheiden
van anderen. Dit is weer goed voor het niveau
van het vakgebied. Toch moeten we juist nu
gezamenlijk blijven bewaken dat we de bouwfysica als expertise hoog houden. Bouwfysica
is een vak en dat betekent dat we vakmensen nodig hebben om de beste projecten
neer te zetten. We moeten onze meerwaarde
blijven bewijzen in de ontwerpteams en voorkomen dat het niveau afvlakt door beperktere
budgetten en dus beperktere tijd voor de projecten en voor onderzoek.
We moeten dus efficiënt werken zonder aan
deskundigheid en innovatie in te leveren.
Deze rol kunnen we als vakgroep in deze
markt alleen vervullen als we samen bereid
zijn onze kennis te delen en van elkaar te
leren. Hiervoor is een vakvereniging buitengewoon belangrijk en ik ben blij hier als nieuw
bestuurslid actief een bijdrage aan te kunnen
leveren.
Ook ben ik overtuigd dat de rol van de bouwfysicus in bouwprojecten in Nederland en
België juist belangrijker wordt. Denk maar
aan onze rol op gebied van duurzaamheidsvraagstukken. Ik noem als actueel voorbeeld
de nieuwe rekenmethode voor de EPC welke
nu ingaat en vraagt om meer deskundigheid
van de gebruiker. Een conceptuele benadering van duurzaamheid met EPC en alle ande-
re beschikbare duurzaamheidstools als
onderdeel hiervan is typisch een rol waarin
de bouwfysicus zich als een vis in het water
voelt.
Om dit mogelijk te maken is het belangrijk
ons ledenaantal op peil te houden en graag
nog uit te breiden. Een grotere vereniging
maakt ons sterker en biedt meer mogelijkheden om te leren. Een kritische massa is
nodig om artikelen voor het blad bouwfysica
dat voor u ligt te verzamelen en seminars en
excursies te organiseren. De oproep aan u
allen is dan ook om uw collega’s en anderen
in uw netwerk te enthousiasmeren voor onze
vakvereniging en lid te worden. Peter
Erdtsieck noemde in het vorige nummer al
een aantal concrete acties waarmee wij onze
meerwaarde voor de leden verder willen vergroten: lagere contributie en meer activiteiten. Het bouwfysica blad kan nu meer dan
ooit bij iedere bouwfysicus op tafel liggen. Ik
ben ervan overtuigd dat we met onze vereniging van elkaar kunnen leren, het niveau van
ons vak kunnen blijven verhogen en onze
meerwaarde aan kunnen tonen in de bouw in
Nederland en België. n
Met vriendelijke groet,
Twan Vervoort
bijna je scriptie afgerond?
Schrijf een artikel in Bouwfysica
[email protected]
42
3 2012 Bouwfysica
www.nvBv.org
sponsors van de nvbv
Bodegraven - Ede - Rijssen - Amsterdam
Advies- en ingenieursbureau
dhv.nl/bouwfysica
Altijd een oplossing verder
M+P - raadgevende ingenieurs
Müller-BBM groep
geluid trillingen luchtkwaliteit bouwfysica
w w w. l a n d s t ra . n l
Thema’s
• stiller wegverkeer
• stiller railverkeer
• industrie en bedrijven
• luchtkwaliteit
• ruimtelijke ordening
• bouwakoestiek en -fysica
Vestigingen
Aalsmeer: T 0297 - 320 651
Vught: T 073 - 658 9050
www.mp.nl
[email protected]
lid NLingenieurs ISO 9001
K+ Adviesgroep bv
K+ Adviesgroep bv
Is een ingenieursbureau dat installatietechnische
adviezen op een unieke manier combineert met de
advisering op het gebied van Bouwfysica, Akoestiek,
Energiebeheer, Duurzaam Bouwen en Brandveiligheid
adviseurs
ingenieurs
Jodenstraat 6
Postbus 224
6100 AE Echt
T: 0475 – 470 470
E: [email protected]
Bouwfysica | Akoestiek | Brandveiligheid
www.k-plus.nl
Meer bouwen met minder techniek
T (070) 361 55 59
F (070) 361 79 30
[email protected]
www.zri.nl
Balistraat 1
2585 XK Den Haag
Postbus 85577
2508 CG Den Haag
vereniging
Bouwfysica 3 2012
WRI
WETERING RAADGEVENDE INGENIEURS MAASTRICHT
Brandveiligheid
Bouwfysica
Akoestiek
Installaties
Sint Maartenslaan 23, 6221 AV Maastricht
T +31 43 321 16 43
DGMR. Meer dan Bouwfysica.
Snelle en betrouwbare berekeningen voor
Installatie
Bouwbesluit
Energie
Advies
BINK software BV - 078-6148626
E-mail: [email protected] - website: www.binksoftware.nl
43
3 2012 Bouwfysica
44
www.nvBv.org
-ZO E T E R M E E R- M O O K- G RO N I N G E N - D Ü S S E L D O R F - B O N N - B E R L I J N - PA R I J S - LY O N - L O N D E N - L E U V E N -
BOUWAKOESTIEK, ZAALAKOESTIEK, ELEKTRO-AKOESTIEK, BOUWFYSICA,
BRANDVEILIGHEID, STEDENBOUWFYSICA, WINDTECHNOLOGIE, DUURZAAM BOUWEN,
LAWAAIBEHEERSING, ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN, EXTERNE VEILIGHEID,
MILIEUTECHNOLOGIE, TRILLINGSTECHNIEK, RUIMTELIJKE ORDENING, LUCHTKWALITEIT
Onze integrale kennis
zorgt voor bouwkwaliteit
Nieman
Raadgevende
Ingenieurs B.V.
Nieman Raadgevende Ingenieurs is een ingenieursbureau voor bouwfysica, bouwtechniek en bouwregelgeving.
Voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw combineren wij
onze gedegen kennis tot praktische integrale adviezen op
de volgende gebieden:
• Utrecht
• Zwolle
• Rijswijk
• Eindhoven
• Putten
• Akoestiek • Bouwfysica • Bouwregelgeving • Brandveiligheid
• Bouwtechniek en -praktijk • Energie en Duurzaamheid
• Installatietechniek
WWW.NIEMAN.NL
[email protected]
Nieman Groep bestaat naast Nieman Raadgevende Ingenieurs uit: Nieman-Valk Technisch
Adviesbureau, Nieman-Kettlitz Gevel- en Dakadvies én Nieman Consultancy.
...brengt ideeën tot leven
‘Deerns is het grootste onafhankelijke
ingenieursbureau in Nederland op het gebied van
installatietechniek, energie en bouwfysica’
in het volgende nummer
Na de twee themanummers over het Bouwbesluit 2012 en zaalakoestiek hebben we in
het volgende nummer weer een variatie aan
onderwerpen. Naast inhoudelijke artikelen
over onder andere duurzaamheid en installatiegeluid, is er ook een verslag van de studiereis van de TU/e naar Mumbai. Zij
bezochten een aantal interessante projecten
waarvan zij een verslag zullen doen.
Ook nemen we vast een doorkijkje naar
volgend jaar; het eerste nummer van 2013
willen we graag het thema brandveiligheid
meegeven.
Mocht u een interessant onderwerp hebben
en hier een artikel over willen schrijven, dan
horen wij dat graag voor eind oktober. De
deadline voor het aanleveren van de definitieve artikelen ligt op 1 december 2012. n
colofon
bouwfysica
23e jaargang,
nummer 3,
september 2012
issn 0928-5377
redactie
ir. Marije vos (hoofdredacteur, arcadis)
ir. Mirjam Peters
(eindredacteur, DgMr)
ir. Marco van Beek
(Peutz)
ir. caroline Kaas (DHv)
ir. ingrid naus (caubergHuygen)
nederlands vlaamse bouwfysica vereniging
ir. Linda van oeffelen
(Tno)
ir. sara van der valk
(LBP|sigHT)
ir. Marjolein vandersickel
(Technum-Tractebel
Engineering)
redactieadres
ir. M. vos
p/a arcadis
Postbus 1051
2410 cB Bodegraven
e-mail:
[email protected]
abonnementen
e 80,- per jaar
advertentietarieven
op aanvraag
grafische realisatie
Twin Media Bv,
culemborg
gedrukt op chloorvrij
papier
afbeelding omslag
voor: achter: vadim Bazaly,
riga, Letland
bestuur
ir. Peter Erdtsieck
(voorzitter, MoBius
consult)
ir. antonin van de Bree
(penningmeester,
Ecofys)
ir. ingrid van de cruijs
(secretaris, DgMr)
ir. Twan vervoort (Peutz)
ir. Piet Heijnen
(agentschap nL)
ing. ruud veen
(gemeente Haarlem)
ir. stef voermans
(Deerns)
dr. ir. arch. Martin
Tenpierik (Tu Delft)
ir. Herman Eijdems
(P2P-consult)
Bij voorkeur per
e-mail naar:
[email protected]
website: www.nvbv.org
nederland: Postrekening
92140
secretariaat en
informatie
nederlands vlaamse
Bouwfysica vereniging
p/a DgMr Bouw
Postbus 153
6800 aD arnhem
lidmaatschap
€ 60,- per jaar (bij
automatische incasso);
studenten 15 euro;
zie website voor details
en inschrijvingsformulier.
Leden van de
nederlands vlaamse
Bouwfysica vereniging
ontvangen het blad
Bouwfysica.

Vergelijkbare documenten