Inleiding bij Strook – het counseling werkveld

Commentaren

Transcriptie

Inleiding bij Strook – het counseling werkveld
het counseling werkveld
THEMANUMMER P3 | STROOK TIJDSCHRIFT VOOR TRANSACTIONELE ANALYSE
maart 2010
STROOK P3 MAART 2010
1
Inhoudsopgave
Inleiding bij Strook - het counseling werkveld
Bea Verzaal
5
De identiteit van de counselor
Karakteristieke criteria voor de TA-counseling
Hans Jaspers
Heerlijk die Volwassene, een zalige manier van zijn
Theo van der Heijden
Aanspreken van de kracht in de cliënt met de Volwassene als
samenwerkingspartner
Bea Verzaal
Rol en context van begeleider bepaalt groot deel van de grenzen
Roos Ikelaar
Ik, counselor
Sander Reinalda
Onderscheid tussen counseling en therapie en supervisie: een casus
Hans Jaspers
7
8
Pensioen in zicht! Wat nu?
22
12
14
16
17
19
Roos Ikelaar
Intuïtie
Sander Reinalda en Lieuwe Koopmans
28
Imaginatie en TA: counselor aan het werk met de gevolgen van trauma
Bea Verzaal
34
STROOK P3 MAART 2010
3
4
STROOK P3 MAART 2010
Inleiding bij Strook – het counseling werkveld
Als gasthoofdredacteur voor deze speciale counseling editie van Strook nodigde ik
mijn Nederlandse PTSTA Counseling collega’s rond de tafel om te bespreken wat ons in
ons vakgebied bezighoudt en inspireert en wat wij van belang achten om in deze editie te
delen met u.
Als eerste lag de identiteitsvraag op tafel. Bijzonder voor een toch niet meer piepjong vakgebied (als zelfstandig begrip vanaf midden jaren twintig vorige eeuw)?
Counseling, in Nederland ontstaan vanuit schoolcounseling en leerlingbegeleiding,
zich uitbreidend naar andere sectoren, werd sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw
langzaam maar zeker populairder. Maar neemt i.t.t. bijvoorbeeld in Groot Brittannië, in de
reguliere gezondheidszorg nog maar een beperkte plaats in.
Op Amerikaanse en Britse universiteiten wordt counseling als post graduate studie aangeboden en verbonden aan een Master Degree. In Nederland ontwikkelde Erika Stern de
opleiding Counseling in Context op zowel Bachelors als Master niveau.
Toch moeten we constateren dat in de TA wereld counseling pas net op de kaart begint te
komen. En opvallend genoeg juist in Amerika en Groot Brittannië, waar ook de meeste TA
counseling literatuur vandaan komt, moet je TA gecertificeerde counselors en opleiders
met een lampje zoeken en wordt er vaak geen verschil gemaakt tussen psychotherapie en
counseling!
Ook is opvallend dat op het komende ITAA wereldcongres in Montreal, waar 100 jaar Berne
gevierd gaat worden, Clinical, Organisational en Educational symposia op het programma
staan maar geen Counseling!
Nog genoeg werk aan de winkel dus om ons als beroepsgroep zichtbaar te maken. Het
wezen, de werking en effectiviteit van counseling onder de aandacht te brengen. En ook om
werk te maken van ons toekomstperspectief. Welke plek willen wij binnen de TA innemen,
welk beeld hebben wij van onze toekomst?
Inmiddels kunnen wij ons in Nederland verheugen op een groeiend aantal TA gecertificeerde counselors en opleiders.
Deze Counseling editie gaf een mooie verbindende aanzet tot samen in gesprek zijn en
schrijven, leidend tot een raamvertelling over onze eigen identiteit, theorieverkenningen
en -uitbreidingen en verschillende toepassingen in ons veld.
Roos Ikelaar beschrijft een werkgerelateerde praktijkcase waarin zij aan de orde stelt wat de
coach-counselor te bieden heeft aan de oudere werknemer met angst voor de pensionering en
laat zien hoe zij zowel de TA als de thema’s van ‘The Elder’ in sprookjes gebruikt als houvast bij
het counselen van ouderen.
Sander Reinalda en Lieuwe Koopmans schrijven ‘De Transactionele Analyse is geboren vanuit Berne’s verlangen intuïtie te begrijpen…’ In hun artikel over intuïtie vragen zij zich af in
hoeverre intuïtie betrouwbaar is? Het antwoord hangt volgens hen af van de vorm van intuïtie
waardoor we ons laten leiden.
Om u een gevarieerde inkijk te geven in het brede werkgebied van de counselor (EATA
onderscheidt complementary en primary counseling, zie de ‘core competencies of counseling’
sectie 5 Training and Examination Handbook, EATA website) begeef ik me in mijn artikel over
STROOK P3 MAART 2010
5
werken met trauma’s en imaginatie naar het grensgebied met psychotherapie.
Daarin laat ik zien hoe de counselor kan werken met het Kind en de Ouder van de cliënt via
de Volwassene en de meerwaarde van beelden daarbij.
‘Scripts zijn opgebouwd uit beelden en veranderingen in het beeld veroorzaken veranderingen
in het script’.
Ik hoop dat het lezen van dit nummer uw zicht op counseling en belangstelling voor het
vakgebied zal vergroten
Bea Verzaal, is zelfstandig gevestigd counselor,
coach, systeemtherapeut en opleider bij de TA academie
6
STROOK P3 MAART 2010
DE IDENTITEIT VAN DE COUNSELOR
Counseling is weliswaar één van de vier officiële specialisatievelden binnen de TA-wereld,
maar dat wil allerminst zeggen dat het daarmee ook een algemeen geaccepteerde richting is.
In een aantal landen zijn er bijvoorbeeld geen TA-counselors werkzaam of bestaan er geen
opleidingen tot counselor. Daar wordt alleen gewerkt met de andere drie velden: Psychotherapie, Educatie en Organisatie.
In (onder meer) Nederland is Counseling wel een breed geaccepteerd werkveld.
Op dit moment zijn er vijf PTSTA/C’s actief binnen onze landsgrenzen. Daarnaast zijn er drie
CTA’s en een flink aantal counselors is bezig met de voorbereidingen op het eerste examen.
Hen wordt regelmatig gevraagd naar het waarom van dit werkveld, naar het onderscheid met
bijvoorbeeld Psychotherapie.
Op menig examen wordt aandacht besteed aan de ethische en professionele onderbouwing van
de grenzen tussen Counseling enerzijds en Psychotherapie (of Organisatie) anderzijds.
Met andere woorden: zowel binnen het veld als in soms nog sterkere mate daarbuiten is er
behoefte aan een bepaling van de counselings-identiteit.
Ook buiten de TA bestaat er aandacht voor dit onderwerp. Zeker nu er ook een aantal andere
begrippen in zwang is, wordt het algemeen van belang gevonden om helderheid te hebben of
te krijgen in wat nu eigenlijk wat is.
Wat is, bijvoorbeeld in het werk met groepen, het verschil tussen een opleiding, een training,
een cursus, een workshop? Is intervisie hetzelfde als intercollegiale consultatie? En in het werk
met individuen: wat onderscheidt counseling van psychotherapie, van supervisie, van coaching?
Enzovoort.
Terug naar counseling: in dit artikel laten de vijf Nederlandse PTSTA/C’s hun licht schijnen
op de identiteit van de counselor. Zij geven hun persoonlijke opvattingen over de grenzen en
de grensgebieden van hun counselingswerk, zowel in theoretische als in praktische zin.
STROOK P3 MAART 2010
7
Karakteristieke criteria voor TA-counseling
Hans Jaspers
Veel van wat de TA identificeert (script, strooks,
OVK, drama, spelen, enz.) zijn elementen die in
verschillende contexten en velden waar te nemen
dan wel te vermoeden zijn en terug komen in
allerlei situaties, of het nu in het groot is (bijv.
organisatiescript) of in het klein (bijv. het script
van een persoon), of het nu ‘in het hier en nu’ is
of in het ‘daar en toen’, of het nu in relatie tot een
baas is of in relatie tot iemand van vroeger.
Maarten Kouwenhoven spreekt van ‘fractals’:
hetzelfde (beeld, idee, element) doet zich in
verschillende situaties en in verschillende termen
steeds weer voor. Toch gaat een TA-organisatieconsultant geen (klinische) therapie doen op
organisatieniveau. De (klinisch) TA-therapeut en
de TA-organisatieconsultant gebruiken de TA
op een andere wijze, namelijk zoals die passend
is binnen de overeengekomen doelstellingen en
mogelijkheden van een context.
De TA voegt altijd iets toe aan de (professionele)
vaardigheden van een ieder die met mensen te
maken heeft.
Omdat de wijze van gebruik van het TA-gedachtegoed de plaats en rol van TA-counseling
behoorlijk bepaalt, ben ik op zoek gegaan naar
criteria die TA-counseling karakteriseren.
En wel aan de hand van drie vragen:
1
op welke problemen richt TA-coseling zich?
2
op welke doelstellingen richt TA-counseling
zich?
3
welke soorten interventies past TA-counseling
toe?
Problemen
Last ondervinden van een probleem heeft twee
verschillende elementen. Een probleem ontstaat
als wij iets willen (behoeven) dat ons voldoening
geeft of zal geven (voelen) maar wij geen idee of
een inadequaat idee hebben wat voor plan we
8
STROOK P3 MAART 2010
moeten maken (denken) en uitvoeren (doen)
om ons doel te realiseren. Of als wij een quasibehoefte voor de echte authentieke behoefte
aanzien en deze quasi-behoefte in handelen omzetten om te merken dat dan de echte voldoening
uitblijft of onze boosheid als verdriet met tranen
uiten en zo erin slagen om niet te krijgen wat we
wel echt willen of nodig hebben van anderen.
Willen en kunnen vormen twee kanten van
dezelfde medaille: aan de ene kant onze behoeften en gevoelens, aan de andere kant ons denken
en handelen dat wij als middelen hebben mee
gekregen en nodig hebben om onze behoeften te
realiseren gegeven de (on)mogelijkheden van een
omgeving.
Als wij onze authentieke behoeften niet of te
weinig kunnen realiseren omdat wij niet adequaat
probleemoplossend denken en handelen dan kan
er last ontstaan die tot klachten overgaat als wij er
maar lang genoeg in slagen om onze doelen niet
te realiseren. Last en klachten kunnen ook ontstaan als wij onze quasi-behoeften voor de echte
behoeften aanzien, verdriet voor onze boosheid
plaatsen, enz.
Mensen (individueel of in groepen) melden zich
terecht bij de TA-counselor met klachten als:
depressie, (irreële) angst, paniek, schuldgevoelens,
onmacht, onbehagen, negatieve beelden over
zichzelf of over anderen, vermoeidheid, fysieke
pijnklachten zonder dat daar nu fysieke oorzaken
voldoende voor zijn aan te wijzen, moeizaam
kunnen beslissen, neiging tot ontwijking of tot
afhankelijkheid, etc.
Maar ook mensen met klachten als gemakkelijk
betrokken raken in escalerende conflicten, eerder
in de tegenwerking schieten dan in de samenwerking blijven, etc. zijn bij de TA-counselor aan
het goede adres.
Al deze klachten kunnen in uiteenlopende
contexten optreden: politiek, het werk en het
bedrijf, op school, maatschappij, de kerk, in relatie
tot een bepaalde ander of anderen, betrekking
hebben op iemand zelf, etc.
Soms blijft het niet alleen bij deze klachten.
Als een bedrijf in zwaar weer de hulp van een
TA- organisatieconsultant inroept dan zijn er
vaak nog meer klachten aanwezig: de afnemers
lopen weg, de cijfers worden rood, de kwaliteit van geleverde diensten of producten laat te
wensen over, de arbeidsverdeling (structuur) klopt
niet, het productieproces stagneert, de leiding en
de medewerkers lopen achter de feiten aan en raken te vermoeid met als gevolg veel verzuim, etc.
Bij een dergelijke grote hoeveelheid klachten is
het raadzaam het niveau waarop de klachten
spelen goed in kaart te hebben: individueel,
relationeel (team) of op bedrijfsniveau en op
het juiste niveau verbeterinterventies te doen.
Problemen op bedrijfsniveau worden meestal niet
opgelost door een individu in een verandertraject
op te nemen.
Aan de hand van deze klachten brengt de TAcounselor het probleem in kaart.
Daarmee bedoel ik de wijze waarop en de mechanismen waarmee een cliënt of een groep of
een systeem er in slaagt zijn klachten in stand te
houden, in het algemeen of in bepaalde situaties.
Dan is het afhankelijk van de professionele achtergrond en vaardigheden van de TA-counselor tot
waar hij zich mee wil en kan bemoeien op een
verantwoorde manier.
Dat wil zeggen met welke klachten en achterliggende problemen hij zich wel en niet inlaat.
TA-counselors laten zich niet in met klachten
en problemen van mensen die een onvoldoende
realiteitsbesef hebben (een geringe Volwassene)
en die zich niet zelfstandig kunnen handhaven.
Dat is dan in ieder geval het werkgebied van de
klinische TA-werkers.
Te denken valt dan bijvoorbeeld aan psychotische
stoornissen (gesloten systeem, slecht of niet geïnformeerde Volwassene, interne oriëntatie, extreem
herdefiniëren, bij stress in psychose schieten) of
actief/passief sociopathische stoornissen
(gebrekkig of afwezig waarden- en normensysteem, denkfouten of opportunistisch fouten
vermijden, gebrekkige impulscontrole of juist
niets doen want dan kan ik ook geen fouten
maken, ‘ ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken’
of juist afwachten).
Doelstellingen
Counseling is wat mij betreft gericht op het
herstellen en ontwikkelen van (potentiële) kwaliteiten van mensen (individueel of in groepen)
zodanig dat zij hun capaciteiten of bekwaamheden positief en zelfstandig inzetten en verder
ontwikkelen om problemen op te lossen en
doelen te realiseren die tot voldoening en verbetering leiden voor zichzelf, de ander en de
omgeving.
Daarbij ligt het accent op het heden en in de
toekomst zonder voorbij te gaan aan het verleden.
Elke TA-begeleider gaat het uiteindelijk om bij te
dragen aan verbetering van het functioneren van
mensen (individueel of in groepen) in het hier en
nu en in de toekomst.
Feitelijke gebeurtenissen uit het verleden zijn
immers niet meer te veranderen. Wel kunnen
mensen in hun functioneren in de ban zijn van
hun verleden en huidige vanzelfsprekende, onbewuste gewoonten vertonen die in de realiteit van
nu niet meer passen en tot bijvoorbeeld ‘favoriete
zie-je-wels’ of ‘klotengevoelens’ leiden.
In dit kader kunnen mensen dan piekeren voor
realistisch denken aanzien, of machteloosheid
voor bewegelijk doen aanzien of tranen (verdriet)
verwarren met boosheid.
Counseling richt zich in eerste instantie op het
ombuigen van deze disfunctionele gewoonten
naar functionele in het hier en nu: piekeren maakt
plaats voor probleemoplossend denken, passiviteit
voor doelgericht bewegen en handelen, enz.
Een en ander met als einddoel dat mensen op
grond van eigen overwegingen keuzes maken,
gegeven de (on)mogelijkheden van een context,
en daar verantwoordelijkheid voor nemen.
Het zojuist omschreven verbeterproces kan soms
ook haperen. Mensen blijven dan toch nog teveel
in de ban van hun eigen verleden.
Dan is het goed om als counselor de invloed van
het verleden aan de orde te stellen zodat daarvan
meer bewustzijn ontstaat en mensen zichzelf
beter gaan begrijpen. Dat is vaak pijnlijk maar
brengt wel wat op. De Volwassene leert zichzelf
als Kind beter kennen en daar contact mee te
houden in plaats van delen van zijn Kind ‘apart
weg te zetten’ en zo klachten en problemen in
stand te houden.
Het onderscheid tussen toen en nu, en het op een
STROOK P3 MAART 2010
9
gezonde wijze integreren van beide komt daarmee ook op gang zodat de Volwassene meer leert
sturen in verdere eigen groei en ontwikkeling.
Dit om te voorkomen dat de klachten verergeren
en te bevorderen dat een zekere overzichtelijke
rust ontstaat o.a. omdat de cliënt beter begrijpt
wat er speelt bij hem.
Fases in de begeleiding
Als het beoogde effect van counseling is dat
mensen langdurig hun kwaliteiten positief en
zelfstandig leren inzetten en ontwikkelen om
problemen op te lossen en doelen te halen dan is
de vraag hoe de weg eruit kan zien om dit doel te
realiseren.
Dit is belangrijk omdat gegeven is dat een
counselor (of welke begeleider in welk veld ook)
mensen of cliënten niet kan veranderen. Dat kunnen mensen alleen zelf realiseren.
Een counselor kan niemand motiveren of een
leerproces voor iemand voltrekken. Mensen kunnen alleen zichzelf motiveren door contact te
maken met eigen behoeften en daarmee verbonden gevoelens.
Wel kan een counselor cliënten stimuleren
(Jaspers, 2010) door aan te sluiten op wat een
cliënt nodig heeft, ook al is de cliënt zich daar nog
niet zo van bewust. Dat lukt als de relatie tussen
cliënt en counselor een samenwerkende is.
Daarbij dient de counselor (of welke begeleider
ook) over voldoende professioneel-inhoudelijke
kennis en inzichten te beschikken en over de
vaardigheid het gedrag van de cliënt in de richting
van zijn herstel en ontwikkeling te stimuleren
zodat de cliënt in beweging komt om eigen herstel en ontwikkeling ter hand te nemen. De eerder
besproken klachten en problemen zijn in dit licht
erg nuttig.
Als de lijdensdruk groter wordt neemt de behoefte van de cliënt daar verandering in aan te
brengen, meestal toe.
De stimuleringskennis en -vaardigheden van de
counselor veranderen en variëren met de fase
waarin de cliënt zich in zijn traject bevindt.
In de eerste fase spelen de klachten en daarachter liggende verholen problemen flink op:
somberheid, passiviteit, vermoeidheid, negatieve
fantasieën, gepieker, angst, onmacht, emotionele
turbulentie, enz.
Dan is informatie, acceptatie, veiligheid, vertrouwen, permissie van belang voor de cliënt.
10
STROOK P3 MAART 2010
Fase twee begint als de achterliggende problemen duidelijker zijn geworden voor de cliënt.
Emoties komen dan meestal los: authentieke angst
bij bedreiging van behoeften, authentieke boosheid bij frustratie van behoeften, authentiek verdriet bij ongewild verlies en authentieke blijheid
bij realisering van behoeften.
In deze fase moeten deze emoties voor gaan omdat anders het realistische denken en doen niet op
gang kunnen komen.
Dan is ondersteuning, permissie, protectie, aanmoediging om emoties hard op uit te spreken, in
taal om te zetten en in verband te brengen met
achterliggende behoeften en daarmee gepaard
gaande negatieve fantasieën van belang.
Ook om zo te merken dat het uiten ervan niet tot
het veronderstelde verlies van contact leidt maar
het contact juist opener en nabijer maakt.
Daarnaast zijn van belang het informeren, het
uitleggen van wat er gebeurt en confrontatie.
In fase drie wordt het tijd om authentieke
doelen te stellen en het logisch realistisch denken
daarvoor te gebruiken zodat er plannen en opties
kunnen ontstaan die uitvoerbaar en haalbaar zijn.
De vroegere negatieve besluiten worden vervangen door positieve. Dat heeft nu ook een grotere
kans van slagen omdat de negatieve gevoelens
van onveiligheid die de vroegere authentieke
behoeften inkapselden al voor een flink deel geuit
en verwerkt zijn zodat er ruimte komt voor het
logische, realistische denken.
Wat dan van belang wordt, is dat het denken van
de cliënt op gang komt en gevoed wordt door
authentieke gevoelens en achterliggende authentieke behoeften. Daarbij is het te verwachten
dat cliënten nog al eens in de ban komen van
hun vroeger patroon omdat adequate plannen
en opties bedenken een relatief nieuwe mentale
activiteit is.
Van belang is dan dat cliënt geconfronteerd
wordt waarin het oude en het nieuwe vergeleken worden, dat de counselor spelenderwijs ook
mogelijke opties inbrengt en dat de counselor
waar nodig informatie geeft en elke poging van
de cliënt om tot nieuwe doelgerichte opties te
komen, bekrachtigt.
Fase vier begint als de gemaakte plannen en
opties in handelen kunnen worden omgezet.
Dat is een belangrijke maar ook moeilijke fase
omdat gemaakte plannen en opties moeten worden uitgevoerd en in daden omgezet. Iets dat de
cliënt vroeger nu juist uit de weg ging.
Het oude vertrouwde patroon blijkt dan toch
ook nog wel aantrekkelijk inclusief de daarbij
behorende emoties.Veel cliënten hebben dan
ondersteuning, voorbeelden, oefening hard-op,
uitleg, bescherming en geloof van de counselor
in het kunnen van de cliënt nodig.
Al deze interventies zijn nodig om de kans zo
groot mogelijk te maken dat de eerste ervaringen
van de cliënt met het uitvoeren van nieuwe opties
positieve ervaring oplevert en het nieuwe patroon
bekrachtigd wordt.
STROOK P3 MAART 2010
11
Heerlijk die Volwassene, een zalige manier van zijn
Theo van der Heijden
‘Ben ik nu lief?’
Het centrale neurotische probleem is dat we als
kind worden opgevoed door ouders die zelf zijn
groot gebracht met voorwaardelijke ‘liefde’.
We reiken als baby, peuter, kleuter vol vertrouwen
uit. Wij zijn vanzelfsprekend vol vertrouwen in
onze eigenheid, in onze smaak, ons nee, ons ja,
ons ‘bah’ en ons ‘lekker’.
De grote traumatische schok vindt plaats wanneer we geleidelijk of plotseling moeten merken
dat we níet goed zijn zoals we zijn. De vanzelfsprekende eigenwaarde die we hebben moeten
we verlaten. We moeten de vertrouwdheid en de
liefdevolle verbinding met onze innerlijke leiding
verlaten. We moeten ons realiseren dat we niet
goed zijn zoals we zijn. We moeten anders zijn.
We gaan onze waarde ontlenen aan wat anderen
van ons vinden. Anderen bepalen wanneer wij
van waarde zijn. We gaan wennen aan voorwaardelijke ‘liefde’. We leren dat wanneer je van
iemand houdt, je haar/zijn zin doet. ‘Als je echt
van me houdt, dan ...’.
Dit is de centrale neurose: we worden er op geconditioneerd dat we liefde moeten verdienen, en
dat we liefde zouden kunnen verdienen.
De dramadriehoek en het negatieve miniscript
zijn diep verankerd in onze existentiële overtuiging. We worden tot ‘junk’ gemaakt .... we
kunnen ‘liefde’ verliezen. De existentiële angst is
gevestigd en wordt keer op keer bevestigd.
Onvoorwaardelijke liefde
Noem de voorwaardelijke ‘liefde’ niet liefde.
Noem het handel, noem het: het komt mij handiger uit als jij .... echter: noem het geen liefde.
Liefde is altijd onvoorwaardelijk!
In alle grote bewegingen wordt deze doorbraak
benoemd als essentieel. Ophouden ‘liefde’ te
verdienen.
12
STROOK P3 MAART 2010
Jezus zegt tegen Maria wanneer hij met zijn openbare leven is begonnen en zijn moeder vraagt om
een dienst: ‘Vrouwe, wie bent U?’
Nietzsche heeft het over de Uebermensch als
Zarathoestra zijn isolement verbreekt en besluit
dat hij leeuwenkracht nodig heeft om naar het
kind in zichzelf te luisteren, en het ‘gij zult’ te
weerstaan.
Jean-Paul Sartre heeft het over de ‘jaren des onderscheids’ wanneer een opgroeiende persoon
zijn zelfstandigheid herneemt en zich onafhankelijk maakt van zijn opvoeding.
In de ‘Course in Miracles’ wordt veel aandacht
besteed aan ‘speciaalheid’; wanneer je ‘speciaal’
moet zijn, ontken je je eigen heerlijkheid.
Ontken je dat je Gods unieke Zoon bent voor
wie zonde en schuld nooit kan bestaan.
Byron Katie: ‘Ik heb je liefde nodig, is dat
waar?’
En natuurlijk Eric Berne: hij noemt autonomie
het doel, waaraan door Ken Mellor terecht
integriteit (naast bewustzijn, spontaniteit en intimiteit) wordt toegevoegd. Integriteit als trouw aan
jezelf.
Het gaat om je weer je Boeddha-kwaliteit toe te
eigenen: dan ben je verlicht.
Counseling
Voor mij is het doel van counseling (en van
therapie, alleen dan zijn er zwaardere trauma’s
te herstellen): weer onvoorwaardelijk van jezelf
houden.
Dat is een radicale ingreep en deze ingreep,
deze herbeslissing, roept trauma op, paniek.
De paniek van de verlating.
Als ik mijzelf op de eerste plaats zet, verlies ik
de ‘liefde’, wordt er niet meer van mij gehouden.
Ik adviseer mijn cliënten de volgende alinea uit
hun hoofd te leren en vele malen per etmaal -ook
‘s nachts- te herhalen:
‘Nu op dit moment neem ik tijd voor mijzelf.
Ik heet mijzelf volledig welkom.
Ik kies voor een houding waarbij ik mijzelf
onvoorwaardelijk lief heb.
Ik besluit nu, op dit moment ALLES wat in mij leeft,
mijn warme hart toe te dragen en ervol en diep
naar toe te ademen, en in liefde te leven’.
Het doel van counseling is voor mij: deze warme,
mateloos milde benadering naar jezelf weer geheel
tot je beschikking te hebben.
Dit kan je alleen maar zelf doen: ik noem dit wel
het enige dat móet.
Wanneer je dit gat in je boot niet dicht, blijf je
heel je leven hozen. Je blijft verstrikt in rackets en
psychologische spelen. En je trekt mensen aan die
zelf ook almaar aan het hozen zijn, d.w.z. verstrikt
zijn in de verwarring van voorwaardelijke ‘liefde’.
Je met jezelf verzoenen is de grootste voorwaarde
tot geluk. Je zelf weer herkennen als prachtig, onschuldig en als bron van liefde: je deed steeds alles
naar beste kunnen.
Wanneer je al je denken/voelen/handelen vanuit
de visie van onvoorwaardelijke liefde analyseert,
deed je steeds wat je naar vermogen kon.
Het je toe-eigenen van deze visie is een vaardigheid in helder denken. Een kwaliteit van de
geïntegreerde Volwassene. Gedachtes bepalen ons
zijn. Denken we in angst of denken we in liefde.
Het zijn twee onverenigbare werelden.
Ik kies in mijn werk als counselor voor de visie
mijzelf en mijn cliënten te benaderen vanuit
onvoorwaardelijke liefde.
Ik ga keer op keer bij mezelf te rade:
hoe ziet het eruit als ik wacht op de onvoor
waardelijke liefde?
Dan wordt het antwoord mij, ons, gegeven.
Het kenmerk van de egozijnswijze
Volwassene
Onze Volwassene is een wijze van zijn, waar we
niet gedateerd leven.
We zijn steeds weer aanwezig in het hier en nu.
Hernemen steeds weer onze eigen plek, zetten onze voeten op onze eigen aarde en nemen
ruimte. We gebruiken al onze bronnen als opgegroeide persoon.
Steeds geldt: Denk ik nu helder? Is er angst? Zit
ik nu in ‘armoedebewustzijn’? Moet ik een stukje
‘werk’ doen?
We zitten in angst wanneer we niet vertrouwen
dat het universum ons ten diepste lief heeft en ons
welgezind is.
Wanneer ik helder denk is er rijkdomsbewustzijn.
Mijn Volwassene is een wijze van in de wereld
staan waarin ik luister naar mijn innerlijke wijsheid. Ik neem dan de ruimte om ‘stop’ te zeggen
en ook daadwerkelijk stil te staan en te wachten
en zo nodig te schakelen, te switchen van
egopositie.
Te wachten en te luisteren naar wat van binnen
uit omhoog kwispelt. ‘Interessant’: en deze innerlijke kwaliteit mag dit moment, dit uur, mijn dag,
mijn leven invullen.
Ik ben dan aanwezig in liefde bij wat er is.
STROOK P3 MAART 2010
13
Aanspreken van de kracht in de cliënt, met de Volwassene als
samenwerkingspartner
Bea Verzaal, PTSTA/C
Zelfstandig gevestigd counselor, coach, systeemtherapeut en opleider bij de TA academie
Wie ben ik als TA counselor, wat doe ik en wat is
mijn specifieke werkterrein?
Waarvoor moet de cliënt bij ons zijn? Waarvoor
niet?
Er valt veel te zeggen over de grenzen en grensgebieden in relatie tot andere TA werkvelden.
Ik gebruik mijn ruimte hier graag om vooral te
focussen op wat counseling en het werkterrein
van de counselor in mijn ogen is.
Counseling is het in een professionele contrac
tuele relatie werken met individuen, relaties, groepen en organisaties.
Het counselingproces stelt de cliënt, het cliëntsysteem in staat om bewust-zijn, opties en vaardigheden te ontwikkelen voor probleemoplossing
en persoonlijke ontwikkeling in het dagelijkse
leven.
De counselor richt zich op het aanspreken en
versterken van de kracht en de natuurlijke
bronnen*, vanuit de visie dat de ander, het systeem zelf in staat is om zich verder te ontplooien
en dat wat die ontplooiing in de weg zit aan te
pakken.
Het doel van de counselor is het vergroten van de
autonomie in relatie tot de sociale, professionele
en culturele omgeving.
De rol van de counselor hierbij is meer faciliterend dan adviserend. De counselor biedt naast
methoden en technieken een veilige en uitnodigende omgeving maar vooral de relatie als middel
om mogelijkheden (hulpbronnen) en belemmeringen (stressbronnen) te exploreren;
met name interpersoonlijke en groepsdynamische- maar ook (de wisselwerking met) intrapersoonlijke processen en patronen te ontdekken,
opties te ontwikkelen, vaardigheden te oefenen…
met als doel vanuit eigen kracht vragen te leren
stellen, begrijpen, beantwoorden, problemen op te
lossen, pijn te verwerken en verdragen…te leren
vollediger, plezieriger te leven.
14
STROOK P3 MAART 2010
De counselor werkt dus in het hier-en-nu
vanuit een veilige stimulerende relatie met de
cliënt aan het creëren van veilige en stimulerende
relaties door de cliënt met zowel zichzelf als zijn
omgeving.
De focus hierbij is meer gericht op het heden en
de toekomst dan op het verleden.
Ter illustratie laat ik in mijn artikel over traumabehandeling elders in deze Strook zien hoe ik
als counselor de cliënt begeleid bij het veranderen
van de negatieve fysieke, psychische en sociale
gevolgen van trauma’s, en het ontwikkelen van
opties in het hier en nu, door gebruik te maken
van TA en imaginatie.
Hiervoor maak ik een contract met de Volwassene
van de cliënt die gedurende het traject ook voortdurend de ‘samenwerkingspartner’ is.
Voorwaarde of eerste doel om te realiseren is
dan ook de aanwezigheid van voldoende Volwassene (structureel), door het versterken en decontamineren van de Volwassene (‘social control cure’,
Berne 1961).
Belangrijk is dat de cliënt leert de gevoelens,
gedachten en gedragingen van de verschillende
egotoestanden te onderscheiden zodat hij beter
in staat is de regie te nemen, te kiezen voor autonomie door in Volwassene te blijven of in script, in
Ouder en/of Kind, te gaan.
Als counselor werk ik vervolgens ‘via de Volwassene’ van de cliënt aan het beter leren kennen
van en omgaan met zijn Kind en Ouder door te
kijken wat nodig is en toegevoegd kan worden
door de cliënt zelf.
Dit leidt tot meer (h)erkenning van en samenwerking tussen de verschillende egotoestanden.
Dit kan leiden tot symptoomverlichting
(‘symtomatic relief ’, Berne 1961) of opheffing
van de symptomen en mogelijk zelfs ‘script cure’
(Berne 1961) doordat de cliënt de zichzelf
ontkennende of belemmerende overtuigingen
die hij als bescherming tegen de traumatisering
ontwikkelde kan loslaten of veranderen.
Als counselor ben ik niet gericht op structurele
verandering (deconfusion) van de persoonlijkheid en moedig ik regressie niet aan om d.m.v.
een overdrachtsrelatie en gezonde symbiose met
mij opgelopen schade of tekorten, mogelijk t.g.v.
vroegere relatiepatronen die leidde tot stoornissen
in het zelf, te herstellen.
Mijn doel is dat de cliënt zijn Volwassene zodanig
kan versterken en ontwikkelen dat hij voor
zichzelf (zijn Kind) kan zorgen en zo nodig
een Nieuwe Ouder (self-parenting, Muriel James
1974) kan opbouwen die dit ondersteunt en
aanmoedigt.
Het herkennen en omgaan met regressie en
gebruiken van overdracht en tegenoverdracht als
diagnostisch instrument en interventierepertoire is
echter wel heel belangrijk in counseling.
Focus hierbij is de cliënt leren (h)erkennen en terugnemen van de projecties en vanuit de Volwassene de actuele situatie leren benaderen.
De counselor werkt met 1ste en eventueel 2de
graads impasses, afhankelijk van context en zijn/
haar deskundigheid.
Belangrijk uitgangspunt bij counseling blijft voor
mij steeds het werken met en via de Volwassene
van de cliënt.
* Physis: de intrinsieke drive om te groeien, verbeteren, heel te zijn.
Door Berne gesymboliseerd door een verticale pijl (aspiratie pijl) vanuit
(Natuurlijke)Kind omhoog door alle 3 de egotoestanden.
Het concept is afkomstig van de Griekse filosoof Heraclites en de originele
betekenis ervan is: verandering of groei komend uit de ziel van de persoon.
STROOK P3 MAART 2010
15
Rol en context van begeleider bepaalt groot deel van
de grenzen
Roos Ikelaar, PTSTA counseling
Voor mij valt een opleiding, training, cursus en
workshop niet onder counseling. Collegiale
consultatie onder professionele begeleiding wel
en groepswerk waarbij persoonlijke effectiviteit in
werk of leven het onderwerp is ook. Groepswerk
waarbij niet de individuele deelnemer maar de
organisatieontwikkeling het doel is, is geen counseling, maar Organisational of Educational.
Voor mij is het ‘TA-counselor-zijn’ slechts één van
mijn professionele rollen. Ik werk veel in organisaties. Daar begeleid ik teams bij onderwerpen waar
zij graag externe ondersteuning bij hebben, geef
ik een ‘train de trainer’-opleiding en geef ik les
binnen het kader van bedrijfsopleidingen, bijv. aan
mensen die conducteur op de tram worden en aan
mensen die mentor willen worden.
Bij dat werk gebruik ik veel TA, maar gedraag ik
me niet als TA-counselor. Ik gebruik daarin de
kwalificaties die ik in andere beroepsopleidingen
behaald heb, nl. organisatieadviseur, educatief
groepswerker/vormingswerker en ik gebruik mijn
onderwijsbevoegdheid (didactiek voor sociaal
pedagogen).
Vanuit een andere opleiding heb ik mij gespecialiseerd in het professioneel begeleiden van mensen
bij (levens)vraagstukken. Ter afsluiting heb ik daar
de kwalificatie CTA-counseling op behaald.
Als mijn werk in de tijd van mijn CTA-keuze een
ander zwaartepunt had gehad, was ik CTA Educational of Organisational gaan doen.
Ik noem mijn TA-counselingswerk alleen dat
werk dat ik in individuele begeleiding doe en
wanneer ik groepen begeleid met als onderwerp
‘persoonlijke effectiviteit’ van de individuele deelnemer.Voor mijn counselor-zijn zet ik een ander
petje op en boor ik andere bronnen aan dan voor
mijn overige werk.
De rol en de context van de begeleider is voor
mij meer bepalend voor het TA-werkveld dan de
problematiek van de klant.
16
STROOK P3 MAART 2010
Hoe hanteer ik binnen dat counselingswerk
de ‘TA-grenzen’?
Ik werk niet met mensen aan problemen door
verslaving (alcohol, drugs, gokken e.d.), problemen
op het gebied van seksualiteit, misbruik, slachtoffers van geweld, of psychische trauma’s.
In een andere context denk ik dat een TA-counselor dat wel zou kunnen, bijv. binnen een organisatie waar een multifunctioneel team werkzaam is
of als het de vakspecialiteit van de counselor is.
In mijn praktijk hanteer ik dit als grens voor mezelf en voor mijn cliënten. Ik moet wel iets van de
symptomen weten om het te kunnen signaleren
en om professioneel te kunnen doorverwijzen.
In de twaalf jaar als zelfstandig ondernemer heb ik
als counselor één keer een non-suïcide- contract
afgesloten, terwijl de cliënt wachtte op een plaats
bij een psychotherapeut.
En in mijn werk als trainer heb ik één keer
meegemaakt dat ik mijn counselorsvaardigheden
moest inzetten bij een sollicitatietraining. Een
deelnemer raakte tijdens een oefening met een
trainingsacteur in regressie. Ik zet mijn kennis en
vaardigheden dan tijdelijk in, maar ga zo snel
mogelijk terug naar de rol die gecontracteerd is.
Die rol was trainer, geen counselor.
Iemand die ik doorverwijs naar een psychotherapeut is b.v. iemand die zijn/haar Volwassen ego
state niet voldoende paraat heeft of symptomen
heeft van een harmatisch script. Ook als er geen
vorderingen geboekt worden door een denk-,
voel- of gedragsblokkade. Ik werk bewust met de
Ware-sequenties om daar achter te komen.
Mijn werk kenmerkt zich door korte ondersteuning. Maximaal 8 sessies en een doorlooptijd van
maximaal 1 jaar.
Dat de grenzen rekbaar zijn, blijkt ook bij het
nalezen van de core competencies die de EATA
voor de werkvelden beschrijft. Er zitten meer
overeenkomsten in dan verschillen.
Ik, counselor
Sander Reinalda, PTSTA/C
Opleider / begeleiderbij Phoenix Opleidingen in Utrecht.
Dit statement – ‘Ik, counselor’ – is geen gemakkelijk verworven besef van identiteit voor mij
geweest. Het is makkelijker gezegd dan onderbouwd, is tenminste mijn ervaring.
Er is bij mij sprake geweest van een persoonlijk
en professioneel proces voordat ik werkelijk wist
wat ik zei en er helemaal (vanuit alle egotoestanden) achter stond.
In de eerste plaats vraagt de term counseling zelf
om een heldere definitie. Daarnaast vind ik het
van belang te weten waarin counseling zich dan
onderscheidt van therapie en van bijvoorbeeld
coaching.
Binnen de TA-wereld wordt gewerkt met vier
velden van specialisatie. In dat kader wil ik ook
met TA-begrippen aan kunnen geven wat het
verschil is tussen counseling enerzijds en psychotherapie, organisatie en onderwijs anderzijds.
Vroeger maakte ik mij niet zo druk om al die
verschillen, om die grenzen tussen en de overlap
van al die vormen.
Begeleiding- onder die paraplu konden alle vormen schuilen. Begrijp me niet verkeerd:
ik sloot heldere contracten met cliënten, zodat
voor beiden duidelijk was wat wel en wat niet
in onze werkrelatie paste.
Met verschillende cliënten sloot ik (uiteraard)
verschillende contracten en dat betekende dat ik,
mede afhankelijk dus van de betreffende cliënt,
ook de terreinen van therapie, van coaching, van
supervisie betrad.
En toen…toen tekende ik mijn CTA-contract en
werd alles anders.
In de aanloop naar mijn CTA-examen ben ik,
door mijn supervisoren, tijdens mock-examens, in
discussies met TA-collega’s, zeer frequent bevraagd
en doorgezaagd over de grenzen van counseling.
Aanvankelijk weigerde ik het onderwerp al te
serieus te nemen: wat een gedoe over definities.
Terugkijkend begrijp ik beter waar deze weerstand op gebaseerd was.
Ik ervoer een soort diskwalificatie van counseling
bij menig gesprekspartner. Daarnaast gingen die
gesprekken vooral over wat er búiten de grenzen
van counseling lag, dus over wat ik allemaal níet
mocht doen als counselor.
Het was een mooi en verrijkend proces om met
mijn eigen afweermechanismes en dus met mijn
eigen script geconfronteerd te worden door dit
onderwerp.
Maar er was meer. Het werd mij gaandeweg ook
duidelijk dat er zeer verschillend gedacht wordt
over de grenzen tussen de verschillende begeleidingsvormen.
Ik hoorde ver uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige definities. En wat de één tot het domein
van de psychotherapie rekende, viel er voor de
ander zonder enige twijfel buiten.Verwarrend én
interessant!
(Recent is de zesdelige serie ‘Kijken in de ziel’
uitgezonden. Gesprekken met psychothera
peuten en psychiaters. Ook daar bleken
diametraal tegengestelde opvattingen over het
vak te leven- heerlijk!).
Op zoek dus naar een mij passende onderbouwing van het begrip counseling.
Van Dale, ITAA- en EATA-websites, allerlei
boeken: zij geven allemaal keurige en waardevolle
definities.
Gesprekken met collega’s, zowel binnen als
buiten de TA-wereld, in het counselingsveld en
daarbuiten, leverden me telkens weer nieuwe
gezichtspunten op, waarvan de meeste bijdroegen
aan mijn gedachtevorming over dit thema.
Ik zet een vijftal van die opvattingen op een
rijtje:
STROOK P3 MAART 2010
17
1
2
De counselor werkt niet aan het script
van de cliënt.
Idem dito.
3
De counselor kijkt naar de persoon van
de cliënt, niet naar het (werk)systeem
waarin deze opereert.
Ook dat kan ik niet lang volhouden:
de betekenis van de omgeving voor de cliënt
is wat mij betreft van grote waarde in het
counselingscontract.
4
5
18
STROOK P3 MAART 2010
De counselor werkt niet met het Kind
van de cliënt.
Deze visie heeft bij mij niet lang stand gehouden- elke vorm van goede begeleiding raakt
volgens mij ook het Kind, in cliënt én counselor.
De counselor houdt zich bezig met persoonlijke vragen van cliënten en dus níet
met werkgerelateerde vragen.
Interessant. Deze opvatting biedt mij een
ingang om counseling te verbinden met en te
onderscheiden van coaching.
Ik kan in theorie en praktijk goed uit te voeten met de opvatting dat coaching primair
gerelateerd is aan een werkvraag. Dat daarbij
mogelijk (en eigenlijk zeer waarschijnlijk) ook
persoonlijke issues aan bod komen is akkoord,
zolang het werken aan die persoonlijke issues
maar dienstbaar is aan de werkgerelateerde
vraag.
De counselor bemoeit zich niet met
impasses van de 2e en de 3e orde.
Hmm. Als counselor kan ik dus wel werken op
het niveau van de counterinjuncties en niet op
het niveau van de injuncties en de somatische
ervaringen. Op grond hiervan kan ik het
onderscheid tussen counseling en psychotherapie goed maken.Voor mij een verrijkend
inzicht. En extra smakelijk omdat de argumentatie op basis van TA-concepten is.
Dat spreekt me aan.
Maar ook is er een tekortkoming: uiteraard
werk ik wél met injuncties. Het is toch
ondenkbaar dat ik op dat niveau niet zou
(mogen) interveniëren…
Het nadenken over onder meer bovenstaande
perspectieven heeft mij gebracht bij mijn
(nu geldende) opvatting over mijn counselingswerk:
Het counselingscontract gaat over een
persoonlijke vraag van de cliënt en het
vooronderstelt dat deze in voldoende mate de
beschikking heeft over alle drie egotoestanden,
met name ook over de Volwassene.
Coaching is de werkgerelateerde variant van
counseling: het contract gaat over een actuele,
werkgebonden vraag en voorondersteld wordt
dat de coachee in voldoende mate de beschikking heeft over alle drie de egotoestanden, in
het bijzonder over de Volwassene.
Supervisie is ook werkgerelateerd, maar breder
georiënteerd dan coaching: een langerdurend
begeleidingstraject waarin de supervisant leert
te reflecteren op zijn/haar beroepsmatig functioneren.
Voor mij is het doel van supervisie dus een
ander dan het doel van coaching. In zekere
zin is het laatste meer oplossingsgericht en is
supervisie meer ontwikkelingsgericht. Dat er
ook hier soms overlap is tussen beide moge
duidelijk zijn.
Deze definities geven mij de gelegenheid om op
alle niveaus en op alle mogelijke en wenselijke
manieren met de cliënt/coachee/supervisant te
werken.
Belangrijk criterium daarbij is dus of deze
cliënt/coachee/supervisant in staat is om vanuit
autonomie aan de slag te zijn of aan de slag te
gaan met wat hij door mij krijgt aangereikt of
waarin hij door mij wordt aangeraakt.
Zowel heden, toekomst als verleden van de cliënt
kunnen aan de orde komen, afhankelijk van wat
voor de cliënt dienend is.
Aan mij de professionele en ethische taak om
mij voortdurend gewaar te zijn van het goed
(= niet gecontamineerd) functioneren van de
verschillende egotoestanden bij de ander, in het
bijzonder van de Volwassene.
Onderscheid tussen counseling en therapie en
supervisie: een casus
Hans Jaspers.
Wat onderscheidt therapie, counseling en supervisie in TA van elkaar, in termen van problemen,
doelen en vooral interventies?
Supervisie heeft als doel de professionele ontwikkeling van TA-beoefenaren (in alle velden) in het
hier en nu en de toekomst te stimuleren.
De supervisant staat voor een actueel probleem in
de uitvoering van zijn vak met een cliënt
(of cliënten of cliëntsysteem) en vraagt hulp aan
een supervisor. De supervisor is onder anderen
gericht op bewustwording in het hier en nu.
Therapie heeft als doel vroege(re) complexe
(emotionele) problemen te ontwarren en een
adequate vroege(re) verwerking ervan alsnog te
bewerkstelligen bij cliënten. Cliënten melden zich
met ‘zware’ problematiek.
B.v. zij hebben een gesloten systeem waarmee niet
of moeilijk contact te maken is, hun Volwassene is
ziek of slecht geïnformeerd, zij leven in hun eigen
wereld en hebben een vreemde, bizarre presentatie
of zij hebben een open systeem met een afwezig
Oudersysteem, maken veel denkfouten, hebben
een gebrekkige impulscontrole, leven vooral van
opwinding en Drama, laten anderen lijden bij
escalatie of zij hebben een open systeem met een
gebrekkig Oudersysteem, hun denken is opportunistisch en gericht op het vermijden van fouten,
zij tonen veel passiviteit, hebben een afwachtende
oriëntatie en doen zo min mogelijk en melden
zich gemakkelijk ziek of parasiteren bij escalatie.
Counseling heeft als doel problemen die voor de
rest normale cliënten anno nu ervaren, doelgericht op te lossen zonder voorbij te gaan aan het
verleden.
Cliënten melden zich met emotionele of gedragsproblemen die hun Volwassene niet begrijpt waarbij zij veelal in conflict of in spanning met zichzelf
of anderen zijn, zij piekeren in bepaalde situaties,
weten dat zij zich dan disfunctioneel gedragen
maar zijn niet in staat om hier verandering in aan
te brengen omdat hun emoties hen een andere,
ongezonde richting opsturen waar zij geen andere
opties voor zien en waar zij duidelijk last van
hebben. Meestal hebben deze cliënten vroegere
al of niet systematische pijnlijke gebeurtenissen
‘apart’ gezet en geïsoleerd en raken zij in bepaalde
situaties in een impasse.
Casus
Onderstaand doe ik een poging in kaart te
brengen wat de verschillen zijn in doelgerichte
interventies tussen supervisie, therapie en counseling aan de hand van een voorbeeld uit mijn eigen
praktijk. Daarbij gaat het mij erom een indruk te
geven van het verschil in focus. Iedere hulpverlener zal dat op zijn eigen wijze doen.
Bij een groot detacheringsbedrijf werkt onder
andere een manager van de stafafdeling kennisontwikkeling. Hij ontwikkelt programma’s voor
medewerkers waarmee zij hun kennis- en vaardigheidsniveau op peil kunnen houden.
Deze manager meldt zich bij een TA-hulpverlener
met als klachten: vermoeidheid, somberheid, angst
en veel piekeren. Hij vreest dat hij over een jaar
zijn baan niet meer zal hebben omdat de directie
er een financiële puinhoop van maakt.Verontwaardigd meldt hij dat ‘…ze niet eens weten welke activiteiten tot financiële opbrengsten leiden en
welke activiteiten vooral kosten met zich meebrengen’. Naarmate hij er meer over spreekt des
te bozer hij zich voelt en uit. ‘Als dat zo doorgaat’,
zo vertelt hij, ‘dan zijn we over een jaar failliet…
eh…wat een ballentent’.
Supervisor: ‘Ik begrijp dat je je daar boos om
voelt… wat is nu jouw vraag?’
Therapeut: ‘Ja dat is een nare situatie voor je…..
STROOK P3 MAART 2010
19
heb je een idee welke problemen deze situatie
inclusief jouw boze reactie daarop, met zich meebrengen voor je?’
Counselor: ‘Ja ik kan me jouw reactie voorstellen…gegeven die feiten…wat betekent dat nu
voor je?’
De manager: ‘Tja…ik wil mijn baan behouden en
de vraag is hoe ik dat voor elkaar krijg.
En daar heb ik ook een antwoord op gevonden.
Ik ben 6 maanden geleden nagegaan hoe het
totale financiële kosten- en opbrengstenplaatje
eruit zag de afgelopen twee jaar en hoe dat eruit
zal zien bij ongewijzigd beleid. Ik ben bij alle
filialen langs geweest en heb alle relevante stukken
uitgezocht. Nou, ik wist niet wat ik tegen kwam.
Daar is nooit naar gekeken! De financiële directeur heb ik een totaaloverzicht gebracht zodat
die er niet meer omheen kon. Later heb ik hem
gesproken.Vrij nonchalant wimpelde hij het af en
stelde hij dat het allemaal wel meeviel. Nou daar
sta je dan…’.
1
Supervisor: ‘Het lijkt wel alsof je op de stoel
van de financieel directeur bent gaan zitten?
Klopt dat?’
2 Counselor: ‘Ik kan me jouw gevoelens van
boosheid nog beter voorstellen…het lijkt erop
alsof je in een machteloosheid bent terecht gekomen? Is dat zo?’
3 Therapeut: ‘Ik begrijp van je dat jouw optie
voor de oplossing het probleem onopgelost heeft
gehouden. Wat voor gevoelens brengt dat met zich
mee voor je?’
1
vervolg supervisie
Manager: ‘Eh… ja …nou daar lijkt het wel op ja.’
Supervisor: ‘Alsof je in deze situatie de dingen
maar allemaal zelf en alleen moet doen…’
Manager: Ja…eh…dat kan wel eens kloppen. Dat
heb ik me helemaal niet gerealiseerd.’
Supervisor: ‘Gebeurt je dat wel vaker?’
Manager: ‘Tja…dat denk ik wel. Ik doe dat ook
richting mijn medewerkers bijvoorbeeld.’
Supervisor: ‘Ik denk dat dit iets is om verder uit te
werken bij een counselor of therapeut.’
Manager: ‘Oh…ja. Dat lijkt me iets om over na te
denken.’
Supervisor: ‘Kun je ook nog andere opties
20
STROOK P3 MAART 2010
bedenken om het financiële probleem op je werk
aan te pakken?’
Manager: ‘Eh…ik zit daar al over na te denken
maar zo een twee drie weet ik die niet.’
Supervisor: ‘Nou ja, je kunt bijvoorbeeld naar de
ondernemingsraad gaan. Wat van belang is, is dat
jij je houdt aan de grenzen die bij jouw functie
behoren en je verantwoordelijkheid neemt voor
werk dat bij jouw functie behoort en niet voor
werk dat bij een andere functie behoort.’
Manager: ‘Ja dat is een idee, om naar de ondernemingsraad te stappen. Daar heb ik helemaal niet
bij stil gestaan.’
Supervisor: ‘Weet jij ook nog andere opties?’
Manager: ‘Eh…ik kan eventueel naar de afdeling
P en O gaan, of misschien naar de bond, ik kan
natuurlijk ook naar ander werk omzien.’
Supervisor: ‘Ja, dan zijn allemaal adequate opties.’
Enz.
2
vervolg counseling
Manager: ‘Nou, eh…ik voelde me met de rug
tegen de muur staan en was ten einde raad. Ik had
het gevoel dat ik er helemaal niet toe deed.’
Counselor: ‘Je had het idee dat je niet gezien werd
en onbelangrijk was in de activiteiten die je had
ondernomen.’
Manager: ‘Ja, ja, zo was het precies’.
Counselor: ‘Wat voor gevoel bracht dat met zich
mee voor je?’
Manager: ‘Ik voelde me boos maar meer nog verdrietig en teleurgesteld. Ik had zo hard gewerkt…
en dan weg gewuifd worden alsof je de grootste
flauwe kul naar voren brengt, terwijl het een
urgente zaak was en is.’
Counselor: ‘Zeg maar ‘ik’ in plaats van ‘je.’’
Manager (krijgt tranen in zijn ogen en loopt rood
aan): ‘Het is ook zo’n zak, die financieel directeur.
Dat is al lange tijd zo. Ik voel me weer boos en
verdrietig tegelijk’.
Counselor: ‘Goed van je dat je jouw gevoelens
laat zien. Welke behoeften zitten nu achter die
gevoelens?’
Manager: ‘Nou ja, ik wil gewoon dat mijn observaties van de financieel doodlopende weg serieus
worden genomen en dat er waardering is voor
mijn betrokkenheid bij het bedrijf. En beide mis
ik, komen in de knel.’
Counselor: ‘Ja dat begrijp ik. Nu heb je de
financiële problemen grotendeels zelf en alleen
willen aanpakken. Zou je nu ook andere mogelijkheden zien om de problemen aan te pakken en
jouw behoefte om serieus genomen te worden en
gewaardeerd te worden te realiseren?’
Manager: ‘Ja maar die man luistert toch niet naar
me. Dat heeft geen zin.’
Counselor: ‘Oh, doet de financieel directeur je aan
iemand denken?’
Manager: ‘Aan mijn vader: als ik maar braaf was
en me koest hield dan had ik wel contact met
hem en zag hij me wel staan.’* (zie ook verder
onder 3 )
Counselor: ‘Kan het zijn dat de financieel directeur je aan jouw vader deed herinneren?’
Manager: ‘Hij lijkt wel wat op hem.’
Counselor: ‘Bij jouw vader lukte het destijds niet
om gewaardeerd te worden en gezien te worden
in wat je deed. Zou dat nu ook gelden voor de
directeur van nu?’
Manager: ‘Eh…hm, dat is lastig zeg…Tja, dat weet
ik eigenlijk niet. Misschien niet …’
Counselor: ‘Het lijkt wel of je vanuit een voor
jouw oud en vertrouwd patroon reageerde op
jouw financieel directeur.’
Manager: ‘Ja, ja, dat zou wel eens kunnen. Goh,
wat vreemd.’
Enz.
3
vervolg therapeut, vanaf *
Therapeut: ‘Kun je me meer vertellen over de
relatie tussen jou en jouw vader?’
Manager: ‘Hij was een autoritaire man die vol
verwijten zat richting anderen en ook mij, als ik
tot het uiterste was gegaan om zo goed mogelijk te presteren, dan had hij altijd wel wat om
aanmerkingen op te maken. Ik voelde me altijd
klein bij hem, ook nu nog. Ik deed het nooit goed
genoeg. Hij deed alles op zijn manier en ging
zijn eigen gang.’
Therapeut: ‘Wat deed dat vroeger met je?’
Manager: ‘Ik kon heel driftig worden en voelde
me eenzaam bij hem…Wat ik ook probeerde…’
Therapeut: ‘Wat naar voor je. Wat voelde je toen
je driftig werd?’
Manager: ‘Tja…dan overweldigden allerlei emoties mij waar ik geen kant mee opkon.
Boos en angst volgden elkaar snel op. Later is
daar ook verdriet bij gekomen. Nu we er zo
over praten komen die gevoelens weer een beetje
terug, voel ik me weer net als toen: radeloos…
Ik dacht dat het aan mij lag, dat het mijn schuld
is dat papa mij niet ziet staan. En aan mama heb
ik ook niets want ze doet alsof ze niets ziet, er
niets aan de hand is.’
Therapeut: ‘Wat wil je van papa?’
Manager: ‘Ja, dat hij blij met me is en trots op
wat ik al allemaal kan…en rekening met mij
houdt…’
Therapeut: ‘Nou gelijk heb je.
Dat zijn de dingen die je toen goed zouden hebben gedaan.’
Manager (met tranen in zijn ogen en boosheid in
zijn stem): ‘Maar die heb ik niet gekregen.
En daar heb ik nog last van!’
Therapeut: ‘Maar je vergist je als je meent dat het
jouw schuld is dat je vader je niet ziet staan.’
Enz.
Conclusie
Zoveel counselors, zoveel opvattingen over hun
werkveld? Ja en nee.
Uit bovenstaande bijdragen blijkt klip en klaar
dat er genuanceerd verschillend wordt gedacht
over wat wel en wat niet tot het werkveld van
de Counseling behoort.
De eigen achtergrond en belangstelling van de
counselor speelt daarbij een rol: waartoe de één
zich niet bevoegd of toegerust acht, voelt de ander
zich juist wel aangetrokken.
Een ander belangrijk en algemeen geaccepteerd
element is de context waarin geopereerd wordt:
deze bepaalt mede het contract dat uiteindelijk
gesloten wordt.
Overeenstemming is er met name als het
gaat om het functioneren van de Volwassene:
daaraan hechten alle counselors grote waarde en
daarmee met name definiëren zij het onderscheid
tussen hun werkveld en dat van de Psychotherapie.
In dat verband onderstrepen de counselors ook
hun primaire aandacht voor het heden en het
werken binnen het hier en nu.
Op weg naar een betere toekomst, dat wel!
STROOK P3 MAART 2010
21
Pensioen in zicht! Wat nu?
Roos Ikelaar, PTSTA counseling
Pensionering, het zogenoemde afscheid van het werkzame leven, is niet voor iedereen even vanzelfsprekend.
Dit los van de huidige maatschappelijke discussie over de vraag of de pensioengerechtigde leeftijd op je 65e of je
67e jaar moet ingaan. Het feit alleen al dat een werkgever een werknemer op de schouder tikt met de mededeling
dat het werk er over enkele maanden op zit, roept bij een aantal werknemers angst op, maakt ze soms radeloos, zeker
als ze zich nog ‘jong en gezond’ voelen. Wat heb je zo’n cliënt als coach/counselor te bieden?
Een casus uit mijn praktijk met reflecties en handvatten voor het coachen van ouderen.
Mevrouw R belde mij, omdat ze ergens mee zat.
Ze had behoefte om te praten over haar levensloop en haar angst. Ze was via via bij mij terechtgekomen en wist niets van TA.
Tijdens de kennismaking en intake krijg ik de
volgende informatie:
R is 65 jaar, leeft samen met een jongere man en
heeft een dochter en een kleindochter. Zij werkt
als leidinggevende bij een internationaal georiënteerd bedrijf en reist daardoor veel. Dankzij een
verlengingscontract kan zij nog een half jaar na
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
doorwerken. Dat loopt met een paar maanden af.
Zij werkt fulltime en past één dag per week op
haar kleindochter. Haar werk organiseert ze daaromheen. Zij werkt ruim twintig jaar in loondienst
van deze organisatie en heeft, met uitzondering
van een korte periode bij de geboorte van haar
dochter, altijd fulltime gewerkt. Er zijn geen psychische problemen geweest in haar leven.
Mevrouw R ziet er, zo is mijn indruk, jong uit
voor haar leeftijd, bruist van energie en kan
kennelijk fysiek en mentaal meer aan dan je op
65-jarige leeftijd van iemand zou verwachten.
Haar werkgever is tevreden over haar functioneren en zelf wil ze nog wel een tijdje doorgaan.
Haar probleem is, zoals ze zelf zegt, dat ze bang is
om met pensioen te gaan, bang om nergens meer
bij te horen.
Het is enerzijds haar huidige uitzonderingspositie
in de organisatie die haar het gevoel geeft er niet
meer bij te horen. De werkgever moet ‘potjes aanboren’ en ‘contracten opstellen’ om haar in dienst
te mogen houden. Ze voelt ergens de druk van
het idee dat ze ‘plaats moet maken’ voor anderen,
terwijl ze zichzelf er nog niet aan toe voelt. En
ze voelt ook, maar dat in mindere mate, dat als ze
22
STROOK P3 MAART 2010
blijft doorwerken, ze ook niet meer bij haar
vriendinnen hoort; ze is nog de enige die werkt.
Anderzijds heeft ze angst voor hoe haar leven
er zonder werk uit zou zien. Deze angst is het
grootst (bij het hardop uitspreken komen er tranen) en de reden dat ze professionele hulp vraagt.
Ze heeft haar werkgever hier niet bij betrokken;
ze wil het puur persoonlijk.
Ik heb R voorgesteld naar een gespecialiseerde
coach (gerontoloog) te gaan. Maar het idee dat
haar angst het label van leeftijd kreeg, maakte haar
eerder boos dan bereid. Boos leek een snel gegrepen racket over bang te zijn.
Ik stelde mezelf de vraag of ik bang was om met
haar angst te werken? Een beetje wel, want ik was
onervaren met angst in deze leeftijdsfase. Na dat te
hebben besproken, was er voldoende vertrouwen
om samen te werken.
We besluiten drie bijeenkomsten met een interval van twee weken te gebruiken om de angst te
reduceren door te onderzoeken wat er allemaal
speelt (ontrafelen) en daarna te besluiten wat nog
nodig is.
Het is voor mij de eerste keer dat ik te maken
krijg met een klant van deze leeftijd met een
dergelijk vraagstuk. Eerder deed ik al wel ervaring
op met mensen die bezig waren met de afbouw
van hun loopbaan. Bij hen ging het voornamelijk
om de vragen: hoe houd ik mezelf gemotiveerd
en op welke wijze kan ik mijn arbeidzame leven
prettig afsluiten. Het ging meestal om mannen
rond de 58 jaar die door reorganisaties werden
gedwongen keuzes te maken. Zij moesten enkele
jaren overbruggen; zij wilden en konden stoppen
met werken op de leeftijd van 60 jaar met behoud
van een goed inkomen. Een vrouwelijke 65-plusser die haar verband in loondienst wil voortzetten,
kwam ik nog niet tegen.
Ik had een associatie met een topschaatser van wie
iedereen vond dat hij op zijn leeftijd maar moest
stoppen, terwijl hij zelf zei: ‘Mensen moeten
ophouden voor mij te denken. Alleen ik bepaal
het moment waarop ik als professional met mijn
sport stop.’ Gelukkig zijn er voor topsporters geen
landelijke wetten. Helaas voor mensen in loondienst wel.
Gedwongen pensionering lijkt in zekere zin op
gedwongen ontslag. Als werk wegvalt, is de as uit
het wiel. Pensionering zien we makkelijker aankomen dan ontslag; de onverwachtheid is er feitelijk
niet. Maar wat als je niet wilt pensioneren omdat
jij er nog niet aan toe bent?
Coaches en counselors kunnen rekenen op
oudere cliënten met angstige gevoelens, hetzij
doordat ze langer moeten werken dan gehoopt,
hetzij doordat ze niet willen stoppen, zoals R.
Wat hebben wij counselors hen te bieden?
Begeleiding bij het bewustwordingsproces dat
‘ouder worden’ je niet alleen overkomt, maar dat
je er zelf ook actief bij betrokken bent.
Wij kunnen mensen helpen de balans op te maken als hen dat zelf niet lukt, hen afschrikt of de
disbalans te groot is. Dit was mijn uitgangspunt
om met R aan het werk te gaan.
Werken met mevrouw R
Mijn eerste indruk was dat ze een ‘Open Eind’
scriptpatroon had; ‘op een zeker moment in de
toekomst zal ik geen raad weten met mezelf ’.
Ze heeft voor zichzelf geen invulling of voorstelling van wat er na haar pensionering nog te doen
is. Nu dat moment nader komt, ervaart ze angst.
Doel van de coaching: angst reduceren en bewust
gaan kiezen. (Meer in het algemeen geldt bij
oudere werknemers dat je ze bewust maakt van de
overgangsfase).
Voorlopige diagnose: Kind contaminatie met
waandenkbeelden die de realiteit verdringen en de
Volwassen egostate belemmeren actief te zijn.
‘Als ik met pensioen ga dan …’
In mindere mate, maar toch wel aanwezig is een
Ouder contaminatie, die blijkt uit vooroordelen
en negatieve denkbeelden over gepensioneerden.
Aanname: ze is zonder veel problemen tot hier
gekomen; er zullen positieve hulpbronnen zijn.
Mogelijk thema: Wat gebeurt zodra vertrouwde
structuren wegvallen of ophouden te bestaan?
De vraag die mij bezig houdt, is hoe zij eerdere
overgangsfasen in haar leven heeft verwerkt?
Ik had deze invalshoeken voorgenomen:
steunpunten innerlijke Zorgende Ouder zoeken
en/of de-contamineren
tijdsperspectief: zelfwaardering vanuit de toekomst
werken met gevoelens bang, boos, bedroefd, blij
scrialyse
De volgorde laat ik afhangen van mijn intuïtie en
de interactie met R.
Eerste bijeenkomst:
Het doel van de eerste bijeenkomst is resources
zoeken en deze gaan gebruiken.
Na een korte introductie en informatie over
O,V, K, komen we tot een werkcontract voor de
eerste oefening: ‘Leren van eerdere belangrijke
veranderingen in je leven.’
Bijvoorbeeld naar school gaan, uit huis gaan,
moeder worden, verhuizen. We gaan terug in de
tijd en nog eens door deze ‘poorten’.
Zij kiest een situatie per keer en ik laat haar letterlijk door de ‘poort’ lopen en voelen hoe het daar
en toen was. Telkens stel ik de vraag: wie waren er
bij en wie leverden een positieve bijdrage?
Een belangrijk Ouderfiguur blijkt haar oma, die
haar heeft gerustgesteld en die ze nu in gedachten
weer meeneemt en tegen haar zegt: ‘je doet het
goed’. Dat geeft rust en troost. We ankeren Oma
en R heeft een interne Zorgende Ouder actief
gekregen als steun.
Tweede bijeenkomst:
Feedback van R over de vorige bijeenkomst:
het ‘Oma anker’ werkt en het bewegen/lopen in
de oefening is haar goed bevallen, of we daar
meer van kunnen doen?
Ik vertel haar mijn plan voor vandaag:
Opruimen van opgeslagen Ouderboodschappen
over werk en/of leeftijd. Ze kiest werk.
STROOK P3 MAART 2010
23
We spreken af daarna een oefening te doen met
een tijdlijn.
Al interviewend verzamel ik haar opgeslagen
impliciete en expliciete boodschappen over werk
met hun bron op het whiteboard. Dan vraag ik
haar welke ook nu van haar kunnen zijn?
(Voor deze oefening is helder denken een voorwaarde. Zij blijkt dit goed aan te kunnen.)
R noemt dit een sorteeroefening in haar hoofd.
We ronden af door alle boodschappers te bedanken voor hun bewezen diensten. Tot slot vraag
ik haar in haar eigen woorden te formuleren wat
haar huidige mening over werken is.
Ze komt tot de volgende zinnen: ‘werken is leuk’;
‘werken geeft houvast en structuur’;
‘werken laat je voelen dat je er toe doet’.
Dan doen we een oefening met de tijdlijn:
‘Oudere zelf op de tijdlijn’.
Dit is een onderzoek naar wat er met haar gevoelens gebeurt; wordt R bang als ze op de tijdlijn
loopt of niet?
Ik ben voorbereid, maar maak dat nog niet expliciet. Als de angst haar overmand, is het probleem
wellicht groter dan ik als coach aankan.
Ik vertrouw op mijn technieken om haar steeds in
het Hier&Nu te houden of te krijgen. Ik voel me
gesterkt door haar congruente uitspraken tijdens
de vorige oefening.
We starten de oefening en lopen imaginair in de
tijd vooruit tot zij voor haar gevoel bijna tachtig is.
Ik laat haar kijken naar de R van ‘vijftien jaar
geleden’ die ‘zo bang was voor wat komen ging’ en
ik ga met haar in gesprek met een vraag als: ‘Wat
adviseer je haar? En vertel eens over hoe het nu is
als bijna tachtigjarige.’
R blijkt ook in staat verschillende posities op de
tijdlijn in te nemen en een dialoog te voeren met
haar oudere zelf.
Het werken met de tijdlijn levert op dat R
rustiger wordt en met plezier naar zichzelf kan
kijken. Ze had zichzelf blij verrast door in haar
‘oudere zelf ’ te staan en dat niet naar te vinden.
Dat neemt angst weg en geeft vorm aan iets wat
realiseerbaar is.Van vandaag neemt zij haar
eigen ‘werkboodschappen’ en haar ‘oudere zelf ’
24
STROOK P3 MAART 2010
mee naar huis.
Ik geef haar informatie mee over script, ter voorbereiding op de volgende bijeenkomst.
Derde bijeenkomst:
R start met te vertellen hoe het nu gaat. Ze voelt
zich rustiger en kan meer afstand nemen. Ze
legt zelf een link met vroeger (scriptelementen).
Zij had namelijk besloten altijd hard te werken.
Niet om iets te bereiken, maar vooral om iets te
vermijden. Namelijk dat ze ‘ergens de dupe van
zou worden’. Want dat had ze veel om zich heen
gezien: ‘de dupe worden’. Dat wilde ze niet en
daar was alles, onbewust, op gericht geweest.
En het was haar ‘bijna gelukt’. Ze had echter nooit
ingevuld wat ze zelf wilde bereiken. Dat element
was niet opgepakt en daardoor kon ze ook zo
slecht tevreden zijn met wat ze had bereikt.
Ze was nog steeds bezig met ‘niet de dupe
te worden’.
Gedwongen pensionering voelde bij haar als
‘de dupe worden’, ‘het gaat je overkomen’
en ‘ze gaan het met je doen’.
Eerst voelde dat onveilig en dat verklaart de
angstgevoelens die de aanleiding waren tot deze
consulten. Nu ervaart ze verdriet in het afscheid
nemen van deze overtuiging. Het ontroert haar te
mogen zien wat ze heeft bereikt en het maakt blij
om te mogen zijn wie ze is.
Ik vraag haar: ‘als je nu mag kiezen en jezelf een
raad mag meegeven, wat zeg je dan?’
Ze zegt: ‘Ik stop met wegrennen en ga op
ontdekkingsreis.’ We lachen om de woorden die
toch een beetje ‘Zwitserleven’ lijken.
Maar nee, geen vakantiereis. Leuke klussen doen,
beetje experimenteren, wel verplichtingen en een
taak maar onafhankelijk.
Er is niets te verliezen, alleen toe te voegen.
Ze kan de realiteit onder ogen zien. De kansen
die haar deze nieuwe fase en dit nieuwe besluit
bieden, wil ze benutten. Ze heeft niet meer de
neiging om weg te rennen om iets te vermijden,
maar kan het onvermijdelijke laten gebeuren en
gewoon in het leven blijven staan.
Voor zichzelf een taak vinden en zich door anderen en zichzelf geaccepteerd weten.
Het lijkt wel of er ook fysiek iets is gebeurd.
Ze wordt minder ‘strak’, ze lijkt opeens wat ouder,
of nee, congruent met haar biologische leeftijd. Ik
kies ervoor om dat nog niet te zeggen.
Ik zeg wel dat ik me prettig bij haar voel zoals ze
nu over zichzelf praat.
We nemen afscheid en spreken af dat ze me belt
voor een consult als ze daar behoefte aan heeft.
Ze heeft een half jaar later haar functie aan een
opvolger overgedragen en ik ben haar naam op
nieuwe terreinen nog een paar keer tegengekomen. Ze is niet meer bij me geweest.
Reflecties en handvatten
Eric Berne legde het fenomeen script uit aan de
hand van toneelscripts en sprookjes. Hij noemde
daar een aantal kenmerken, die zowel in het script
van mensen als in scripts van Griekse klassiekers
en sprookjes te vinden zijn.
Eén van de kenmerken is dat een levensscript van
te voren moet zijn bepaald en gemotiveerd. Als
voorbeeld geeft hij autorijden en dat de benzine
opeens op is. Het is feitelijk te voorzien dat op
enig moment de benzine op zal zijn. Het niet
gaan tanken en de pech laten gebeuren duidt op
verliezers script. Winnaars rijden hun leven lang
auto en staan nooit zonder benzine. Bijna altijd
is er ‘een dreigende gebeurtenis’ in het script van
een verliezer.
R kon haar pensioengerechtigde leeftijd feitelijk
zien aankomen. Echter dat motiveerde haar niet
om er actief mee bezig te zijn, integendeel, ze
deed niets. Ze wachtte bijna als een verliezer tot
haar ‘bijltjesdag’.
Ik zet hier nadrukkelijk ‘bijna’. Want een paar
maanden na haar pensioengerechtigde leeftijd en
voor het aflopen van het tijdelijke contract van
verlenging besloot zij haar angst serieus te nemen
en hulp in te schakelen. Ik vermoed dat haar script
niet toestond dat er iets fataals gebeurde.
Het is aannemelijk dat R een ‘Open Eind’ script
had. De algemeen geldende Ouderlijke opdracht
daarbij is ‘werk hard en neem geen enkel risico’.
R is gewend de richtlijn van hard werken en
risico vermijden op te volgen, maar nu dat programma is afgelopen (van haar pensioenuitkering
kan gaan leven) kan er geen enkel ander programma worden nageleefd.
De fatale boodschap die vaak volgt op dat harde
werken ‘en schei er daarna mee uit’, ging haar
kennelijk te ver om aan te gehoorzamen. Of zij
had die vervolgboodschap niet.
Om met Eric Berne te spreken: ‘Wat moet je
doen nadat Sinterklaas langs is geweest?’
Met een ‘Voordat script’ wordt er na het werken
een ‘vrijheidsbewijs’ gebracht, met een ‘Open
Eind’ is er niets. Niets is hierin zowel een kans als
een bedreiging.
De angst van R is zo gering dat ze in staat blijkt
er een kans van te maken. Kennelijk heeft ze een
gemengd script van Open Eind en Voordat.
Een mogelijkheid is dat zij in aansluiting op het
‘Open Eind’ script voldoende Permissie ervaren
heeft om nu haar ‘Voordat’ script te kunnen gaan
leven. Een andere mogelijkheid is dat ze geheel
vrij van opdrachten zelf een vervolg schrijft.
Een ‘genezing’ voor ‘geen script meer hebben’ is
volgens Berne Permissie geven.
De permissie heeft R zichzelf gegeven. Daarna
kon ze als zelfstandige gaan werken. Ze durfde
risico’s aan te gaan om ‘anders te zijn’ dan leeftijdgenoten. Ze durfde een geheel nieuwe context te
zoeken voor haar competenties.
Sprookjes als houvast bij het coachen
van ouderen
Over het algemeen gebruik ik graag verhalen in
mijn werk om vanuit de metafoor met de cliënt te
kunnen werken.
Eric Berne maakte al gebruik van sprookjes om te
kijken welke hoofdfiguur een metafoor kon zijn
voor iemands script.
In de klassieke sprookjes vind ik niet veel waarin
de oudere mens de hoofdrolspeler is. Daarom
sprak het volgende boek mij zeer aan. ‘In The
Ever After; fairy tales and the second half of life’
van Allan B. Chinen.
Het algemene doel van sprookjes is de lezer te
helpen bij zijn/haar taak. En die taak is leven,
leren, ontwikkelen.
Deze sprookjes brengen de oudere terug in de
wereld van voorstellingsvermogen. Om te herinneren aan vergeten idealen en te laten zien wat
kan zijn, in plaats van simpel zien wat is.
Ondanks dat er in deze sprookjes veel wijze
STROOK P3 MAART 2010
25
mannen en jaloerse, chagrijnige oude vrouwen
voorkomen, bood dit boek mij wel een mooi
overzicht.
De schrijver vergelijkt de veelal jonge hoofdpersonen uit traditionele sprookjes (the Hero) met
de oudere hoofdpersonen uit zijn verzamelde
sprookjes (the Elder). Hij doet dat rondom
gegevens die in sprookjes universeel zijn. Er is
geen sprake van goed of beter van een van de
twee. De samenleving heeft zowel jonge helden
als ouderen met inzicht nodig.
De Zwitserlevenbelofte als synoniem voor
‘zij leefden nog lang en gelukkig’ past niet bij wat
The Elder te doen heeft. Eigenlijk past het niet bij
de leeftijdsfase en is het daarom vaak onbevredigend. Wat eerder aan de orde is, is het begrip
‘gelukkig leven’ opnieuw te definiëren en een
plan te maken voor de komende tien jaar. In onderstaand overzicht heb ik de gegevens in sprookjes, wat The Hero te doen heeft, wat The Elder
Gegevens
in sprookjes
26
STROOK P3 MAART 2010
Wat The Hero te doen
heeft
te doen heeft en de casus van R naast elkaar gezet.
Terugkijkend op mijn werk met R, zie ik dat er
overwegend de gegevens voor The Elder actief
waren. Dat verklaart wellicht waarom er in zo
weinig tijd zo doeltreffend is gewerkt.
Zelfs als je geen verhalen/sprookjes bij de hand
hebt, kunnen de gegevens die voor The Elder van
belang zijn de counselor helpen bij het begeleiden
van oudere mensen. Welke aanpak of werkwijze
je ook kiest, het lijkt me een goede zaak als het
afgestemd is op ‘wat The Elder te doen heeft’.
Tot slot
De maatschappelijke tendens is eerst werken en
dan oogsten. Dit lijkt op een collectief ‘Voordatscript’. Aan de borreltafel, op verjaardagsvisites
en bij het koffieapparaat stellen de vijftigplussers
elkaar de vraag ‘hoe lang moet jij nog?’ in
plaats van ‘wat zijn je plannen voor de volgende
Wat the Elder te doen heeft
Casus mevrouw R
(Ouderlijk)
huis verlaten
Onafhankelijkheid, losmaken, zelfstandigheid
Schat zoeken, rust vinden
Met pensioen gaan
Armoede
Fortuin zoeken, armoede
oplossen
Fortuin komt naar hem/haar toe,
loslaten
Vermijden van ‘de dupe worden’.
Vijanden
Verslaat heksen, draken,
reuzen en andere monsters
die fysiek of mentaal sterker
lijken te zijn. Vecht er tegen
en wint. Vijanden zitten
buiten hem/haarzelf.
Strijd tegen de wereld.
Vijanden zitten in hem/haarzelf.
(Strijd met ‘de dood’ is niet mogelijk.) Strijd tegen zichzelf.
Pijnlijke inzichten, eerlijke zelfreflectie en authentieke zelf vinden
is de strijd. Herbesluiten over hoe
leven af te maken.
Angst voor ‘wat komen gaat’
Iemand zijn voor ‘speciale potjes en
contracten’.
Angst nergens bij te horen.
Steeds gewerkt om iets te vermijden. Besluit om ‘wegrennen’ om te
zetten in ‘ontdekkingsreis’.
Middelen
Grijpt naar zwaard o.i.d.
Vertrouwt op kracht.
Werkt aan inzicht/zelfkennis.
Vertrouwt op wijsheid.
Het feit dat ze hulp zoekt. Mijn
PPP naar haar. Steunpunt Oma
en afscheid van belemmerende
Ouderboodschappen
Taken
Gegrond zijn, er mogen zijn, Er boven staan. Vanuit een ander
perspectief kunnen kijken.
Zelfkennis, zelfvertrouwen,
Zelfwaardering, superioriteit, zelfzelfbewustzijn.
overstijging.
Tijdlijn oefening ‘oudere zelf
ervaren’
Grenzen
Gaan over grenzen om
verder te komen
Gaan over grenzen om verder te
komen
Pensionering is een grens thema.
Communicatiestijl
Is gericht op strijd en macht.
Confrontatie aangaan.
Neemt moeilijk advies aan
en is eigenwijs.
Is gericht op bemiddelen en
overleg. Bruggen bouwen. Neemt
advies aan en weet direct met
emotionele conflicten om te gaan
Ik heb weinig weerstand ervaren of
tegengas in het werken met haar.
Ze wist snel met wat ik aanreikte
om te gaan
Thema
Ware liefde vinden,
overwinning, persoonlijke
beloning
emancipatie
Emancipatie van de 65+ werkende
vrouw
Verhaal stijl
Het sprookje eindigt met
het vinden van de schat,
bereiken wat gewenst is.
Het sprookje begint met het De aanleiding was het dreigende
verlies van iets.
verlies van betaald werk
Doel in het verhaal Persoonlijk welbevinden,
welzijn, weldoen.
(Illumination) geestelijke
verlichting brengen aan
de mensheid. Toelichten,
verklaren, uitleggen.
Doel in het werk was verlichting
brengen, angst reduceren, inzicht
geven, bewust kiezen
Richting in het
verhaal
Vooruit, de wereld in, van
nu naar de toekomst, van
abstracte idealen naar
concrete situaties.
Terug naar huis, in het
verleden, naar diepere
fundamentele redenen van
bestaan, inzicht in ervaring.
Terug in de tijd oefeningen van de
poorten en de ouderboodschappen
en de scriptovertuiging. De fundamentele reden van de angst vinden
en wegnemen
Metaforen voor de
moraal (ik noem er
slechts 1)
Bloem en bloei, naar het
licht, vruchtbaarheid.
Wortel, naar het donker,
levensader voor de plant.
Terug naar oorspronkelijk scriptbesluit en een nieuw besluit nemen
voor een relevante periode.
tien jaar?’. Ophouden met werken en het binnentreden in het land van het ’dolce far niente’ is voor
de meeste mensen het ideaal. Het zou mooi zijn
als er ruimte is om eigen idealen vorm te geven
als ‘ophouden met werken’ niet je ideaal is. Dat
vereist wel aandacht en soms wat hulp.
Oud worden is een veelomvattende taak, die
iedereen moet vervullen. Dat houdt in jezelf aanpassen aan het soort leven dat je leeft (levensstructuur) en aanpassen aan wie je bent (identiteit).
Leven is een ontwikkelingsgang en leerproces.
Daarin kan het ouder worden als een ontwikkelingstaak worden gezien.
Als coach of counselor van oudere werknemers is
het belangrijk rekening te houden met de slotakkoorden van iemands script. Wanneer, in het algemeen, verwachtingen moeten worden bijgesteld,
kun je dezelfde doelen nastreven als ooit eerder
in je leven, maar dan op kleinere schaal. In het
terugtrekken blijf je dezelfde die je was.
Leven is over grenzen gaan om verder te komen.
Vaak helpt een gedwongen grens je in zekere zin
nog vooruit, zoals bij R.
R kan na het werken aan zichzelf, haar beroep
blijven uitoefenen in een context en met inhoud
die zij zelf kiest. Losgemaakt uit een vast dienstverband en losgemaakt van haar eigen belemmerende overtuigingen ligt er een ’dolce far tutto’!
Zij kan tegen normale honorering haar levensbehoeften bevredigen. Zij definieert haar nieuwe
identiteit door te experimenteren en nieuwe
wegen te ontdekken en kansen te benutten.
Ondertussen kan ze haar ontwikkelingsgang bijstellen, terwijl ze zonder angstgevoelens de balans
kan opmaken. Kennelijk lukt haar dat.Ik gun alle
ouderen de kans om inzicht in hun script te verkrijgen en (een deel van) hun script te herschrijven en zo een ‘gelukkig leven’ te beleven.
Gebruikte literatuur:
Nederlands tijdschrift voor coaching; nr 3/2006
Ger_n, tijdschrift over ouder worden en maatschappij, nr 3/2008
Lange de F., De armoede van het zwitserlevengevoel, Meinema, ISBN 978 90 211 4184 8
Chinen A.B., In the Ever After, Chiron Publications, ISBN 0-933029-41-1
Steiner C., Excellent Aging for men: 12 strategies, e-mail book.
Stewart I.& Joines V., Transactionele Analyse, Het Handboek, ISBN 90-6665-203-9
Berne E., Wat moet je zeggen nadat je hallo gezegd hebt?, Bert Bakker, 1978
Intuitie
Sander Reinalda en Lieuwe Koopmans
Sander Reinalda, PTSTA/C is werkzaam als opleider / begeleider bij Phoenix Opleidingen in Utrecht.
Lieuwe Koopmans, PTSTA/O werkt vanuit zijn eigen bureau voor organisatieadvies, training en coaching.
Hij is lid van het internationale TIFF-netwerk.
Kleine professor
Bert Wagenmaker is organisatieadviseur en heeft
daarin een jarenlange ervaring.
Hij begeleidt organisatie-ontwikkeltrajecten in
diverse sectoren. Zijn buurman, directeur bij een
groot milieubureau, vraagt hem een traject binnen
zijn organisatie te begeleiden. Bert heeft hiervoor
een intake gedaan in het bedrijf van zijn buurman.
In een supervisiesessie brengt hij ter sprake dat hij
intuïtief heeft besloten om met zijn buurman in zee
te gaan.
Eric Berne definieert intuïtie als ‘knowledge based
on experience and acquired through sensory contact with the subject without the ‘intuiter’ being
able to formulate himself or others exactly how he
came to this conclusion’1.
De Transactionele Analyse is geboren vanuit
Berne’s verlangen intuïtie te begrijpen:
in de jaren ’40 en ’50 deed hij onderzoek naar dit
fenomeen en ontwikkelde hij op basis daarvan het
model van egotoestanden.
De laatste jaren is er binnen2 en buiten3 de TA
een hernieuwde interesse voor intuïtie en onbewuste processen.
In dit artikel stellen wij ons de vraag hoe betrouwbaar intuïtie is en komen we tot de conclusie dat intuïtie weliswaar zeer van belang is, maar
dat het toch niet altijd verstandig is om er blind
op te varen.
Daartoe maken we een onderscheid in verschillende vormen van intuïtie.
Bert vervolgt dat de man buitengewoon gedreven
is en geniaal in het werk dat hij doet.
De aanvankelijke vraag of hij het bedrijf van deze
man voldoende te bieden zou hebben, verandert
gaandeweg het gesprek in een volmondig ‘ja’
zonder volledig onder woorden te kunnen
brengen waarom hij de juiste man is voor de klus in
dit bedrijf.
28
STROOK P3 MAART 2010
Al ver voor Berne hield Freud zich bezig met
intuïtieve processen4.
Hij stelde: ‘Wanneer ik een onbelangrijke beslissing moet nemen, vind ik het altijd handig om alle
voor- en nadelen af te wegen.
Bij vitale beslissingen moet de beslissing echter uit
het onbewuste komen, uit iets in onszelf ’5.
In de TA-literatuur6 is dit onbewuste weten en
de intuïtie dikwijls gepositioneerd in ‘de Kleine
Professor’ of V1.
O2
V2
O1
Kleine Professor of V1
K1
K2
Structurele model van de tweede orde
In de Kleine Professor vinden we vroege nietlogische intuïtieve denkpatronen, die ons de
mogelijkheid geven snel antwoorden te vinden
zonder logisch te denken.
Deze Kleine Professor is van grote invloed op
ons denken en doen, als dit tenminste niet belast
wordt door al te veel normering in onze vroege
en latere jeugd.
Al vele honderden jaren voor de geboorte van de
TA noemde de filosoof Spinoza intuïtie de hoogste vorm van kennis7.
Spinoza beschouwt intuïtie als het vermogen
waarin we begrijpen en ervaren dat alles met alles
verband houdt en voortkomt uit één natuur.
In de loop van het leven bouwen wij echter
ervaringen op die ons verder wegbrengen van het
gevoel dat alles met alles verband houdt.
We worden gedwongen afstand te nemen en ons
aan te passen aan de realiteit waarin wij leven.
We gaan fragmenteren en verliezen het zicht op
de verbanden.
Pearce8 beschrijft dit krachtig wanneer hij verhaalt
over het magische kind dat zintuiglijk zijn omgeving verkent, maar door de angstige moeder
wordt gecorrigeerd: wanneer hij modder in zijn
mond steekt om dit te proeven zegt moeder dat
hij daar vies van wordt en wanneer hij de spinazie vanwege de vieze smaak impulsief uitspuugt
wordt hij gedwongen deze toch op te eten.
Daarmee vervreemdt het kind van zijn eigen
zoektocht en raakt het steeds verder verwijderd
van zijn gevoel van eenheid der dingen.
In de Transactionele Analyse noemen wij dit het
opbouwen van het script.
Ik vraag Bert of zijn opdrachtenportefeuille
nu vol zit.
Bert antwoordt met een tevreden ‘Ja,dit was de
laatste opdracht die ik nog nodig had’.
Ik vraag hem te onderzoeken hoe belangrijk dit
voor hem is. Bert kan dit belang met een aantal
zaken in zijn leven verbinden:
Zijn ouders hebben altijd gehamerd op
financiële zekerheid. Daardoor is hij altijd erg
bezig met geld: ‘Meer dan nodig, maar het geeft
mij een gevoel van zekerheid.
Een volle opdrachtenportefeuille betekent
voldoende inkomsten en dus toegenomen
zekerheid’.
Op een ander niveau is het voor Bert belangrijk
dat hij op veel plekken kan werken.
‘Dan voel ik mij gezien en betekenisvol’.
Als we daarover doorpraten komen we te
spreken over de diepgevoelde injuncties
‘Hoor er niet bij’ en ‘Kom niet dichtbij’ en zijn
verlangen om gezien te worden.
De Ouder in het Kind kent diverse benamingen
in de TA; de Electrode, de heksmoeder of de
zwijnOuder.
In alle gevallen betreft het hier een van oorsprong
extern deel van onze persoonlijkheid, gevormd
door Ouderboodschappen (injuncties) die, deels
onbewust, ons gedrag in sterke mate beïnvloeden9.
Soorten intuïtie
1
Scriptmatige of gebonden intuïtie
Bert realiseert zich dat tenminste een deel van
zijn beslissing om de opdracht in het milieubedrijf te accepteren, gebaseerd is op een paar van
zijn eigen thema’s:
een onbewust volgen van de Ouderboodschappen omtrent (on)zekerheid en zijn
– tot dan toe vooral onbewuste – behoefte aan
erkenning.
Hij realiseert zich dat zijn ethische waarden hem
voorschrijven dat ‘eigen belang’ eigenlijk geen rol
mag spelen, maar dat dit ontegenzeglijk wel het
geval is.
Hij beseft dat zijn zicht op o.a. verstrengeling
van contractlijnen vertroebeld is geraakt door
zijn behoefte aan erkenning en financiële
zekerheid.
De Kleine Professor heeft, al heel jong, ons in
lastige situaties als het ware de uitweg gewezen:
als we ons op een bepaalde manier gedroegen of
als we een bepaalde strategie volgden, dan konden
we ons uit de tweestrijd tussen ons Somatische
Kind (K1) en onze Magische Ouder (O1) redden.
In het model van de tweede orde:
K2
Hier is onze intuïtie dus gericht op ons
overleven en ontwikkelen of bevestigen wij ons
script: ‘The Little Professor, whose function (…)
is to answer the question “What do I have to do
to survive around here?”’10
Of in de woorden van Boyd: de Kleine
Professor beoogt ‘to find ways of carrying out
the script in the here-and-now, and generally carries out tactics based on the overall script strategies stored in P1’11.
We handelen dus onbewust volgens de richtlijnen
van ooit en er is sprake van blikvernauwing, van
een beperkende vorm van intuïtie.
We noemen dit ‘gebonden intuïtie’.
STROOK P3 MAART 2010
29
2
Natuurlijke of verbonden intuïtie
Als we het hebben over zijn ‘gut feeling’ dat de
opdracht van het milieubureau goed bij zijn eigen
bedrijf past, is Bert aanmerkelijk enthousiaster dan
hiervoor, waar hij van binnen enige weerstand
voelde. Hij houdt er van voor bedrijven te werken
met een ideële doelstelling. Hier kan hij zijn eigen
idealisme goed in kwijt. Het milieu gaat hem aan
het hart en hij voelt zich op een diep niveau
verbonden met de missie en werkwijze van het
bedrijf van zijn buurman. Voor hem ‘klopt dat’.
Daarnaast is er wat Spinoza de natuurlijke intuïtie
noemt: het vrijelijk aanvoelen van wat er speelt en
daarnaar handelen.
Hier richt de Kleine Professor zich minder (of
niet) naar de Magische Ouder, maar verbindt hij
zich met K1, het Somatische Kind.
Hier handelen we als het ware volgens een dieper
weten, dat in verbinding is met het grotere geheel.
Hier is sprake van blikverruiming, van een ‘vrije’
vorm van intuïtie.
Bernd Schmid stelt in dit verband dat intuïtie te
voorschijn komt wanneer weerstanden uit de weg
geruimd worden12.
We noemen dit ‘verbonden intuïtie’.
K2
3
Volwassen of integrerende intuïtie
Bert heeft veel werk gemaakt van zijn ethische en
professionele reflectie. Hij is zich bewust geworden
van de betekenis van zijn groepsgeweten13,
van al die Ouderboodschappen die hij met zich
meedraagt én van zijn vermogen om dingen aan
te voelen. Hij heeft zich voorgenomen meer ruimte
te geven aan dat laatste, maar geen genoegen
meer te nemen met zijn ‘favoriete’ onderbouwing
‘Ik voel gewoon dat het klopt’. Hij realiseert zich dat
achterdat zogenoemde ‘gewoon voelen’ zowel de
gebonden als de verbonden intuïtie schuil kan
30
STROOK P3 MAART 2010
gaan en dat het ethisch en professioneel van belang is te onderzoeken welke rol beide spelen.
Op basis van die zelfreflectie kan hij dan een zorgvuldiger afweging maken en zijn besluit nemen.
De derde vorm van intuïtie speelt zich niet op
onbewust niveau af, zoals de twee voorafgaande,
maar op een voorbewust niveau.
Dat wil zeggen dat we ons niet spontaan bewust
zijn van wat zich in ons afspeelt, maar dat we dat
wél weten op het moment dat we tot introspectie
besluiten, dus als het ware onszelf even stil zetten
om naar onszelf te kunnen kijken.
(Ter vergelijking: ditzelfde geldt voor bijvoorbeeld
de Spelen waarin we, telkens weer, betrokken zijn:
er is ook hier sprake van voorbewustzijn).
Het bewust worden van en reflecteren op wat
zich aan intuïtieve processen in ons Kind (K2)
afspeelt, is een bij uitstek Volwassen (V2) activiteit.
Deze activiteit bevordert onze autonomie
en ons vermogen om het Kind in ons zeer serieus
te nemen zonder ons er blindelings door te laten
leiden.
Maar het Volwassen reflecteren heeft ook nog
een ander effect, met name op de lange termijn.
Naarmate we ons meer bewust zijn van onze gebonden en verbonden intuïtieve processen, zullen
deze meer en meer onderdeel kunnen worden van
onze Volwassene. Dat betekent dat we de verschillende vormen van intuïtie in ons leren kennen en
dat we het vermogen ontwikkelen om op de uniciteit van onze persoonlijke intuïties (meervoud,
dus!) te bouwen en te vertrouwen. We noemen dit
‘integrerende intuïtie’.
De wijsheid die wij aan sommige, veelal oudere,
mannen en vrouwen toeschrijven heeft vaak te
maken met het stadium van integrerende intuïtie
dat zij bereikt hebben.
Zij hebben meer gevoel ontwikkeld voor de
samenhang der dingen. Dat vermindert de beperkende werking van Ouderboodschappen.
Aan het einde van de supervisie besluit Bert open
kaart te gaan spelen met zijn buurman en de
opdracht terug te geven. Hij weet een goede collega, die hij het bedrijf aan kan bevelen.
Tegelijkertijd heeft het proces een vlammetje bij
hem doen oplaaien om zich met zijn eigen bedrijf
meer te gaan focussen op waardegedreven
organisaties. ‘Ik wil vooral ook voor mijn eigen
milieu zorgen’, glimlacht hij.
Conclusie
We onderscheiden dus drie verschillende vormen
van intuïtie, die we in het structurele model van
de tweede orde als volgt weergeven:
integrerende intuïtie (V)
gebonden intuïtie (V1/O1)
verbonden intuïtie (V1/K1)
Deze interne structuur leidt tot verschillende uitingsvormen, die we in het functionele model van
de tweede orde kunnen weergeven:
(KO)
(VO)
Wij willen pleiten voor wat een paradox leek te
zijn, maar dat wellicht helemaal niet is:
het bewust inzetten van onze intuïtie.
Dat betekent dat wij onze (gebonden en
verbonden) intuïtie serieus nemen als onbewuste
bronnen van weten en dat we er tegelijkertijd naar
streven om deze bronnen in onze Volwassene te
integreren tot een voorbewust weten.
Zoals Berne het stelde: ‘Elke ervaren rumbadanser kan een ‘smooth and well integrated rumba’
dansen zonder er bij na te denken. Als hem echter
gevraagd wordt uit te leggen wat hij doet, moet
hij weer tijdelijk terugkeren naar het bewuste
en zich stapje voor stapje de pasjes voor de geest
halen’14.
En: ‘een amateur in elk veld wordt een professional, wanneer zijn aftasten onder het bewustzijnsniveau zakt en dit onbewust integreert in eerdere
ervaringen’15 .
Wij, schrijvers van dit artikel, zijn onder de
indruk van wat Berne stelde, veronderstelde en
als gedachten opwierp in zijn artikelen over intuitie, na zijn dood gebundeld in Intuition and Ego
States16.
We willen onze gedachtevorming over dit
onderwerp graag verdiepen en verbreden en gaan
er zeker mee verder, onder meer in de vorm van
een workshop die we op het EATA-congres in
Praag (juli 2010) zullen verzorgen.
We nodigen een ieder graag uit met ons mee te
denken en te reageren op dit artikel.
integrerende intuïtie (V)
gebonden intuïtie
(AK)
(VK) verbonden intuïtie
Voetnoten
1. Berne E., Intuition and Ego States, Harper en row 1977, p.4
2 Transactional Analysis Journal, april 2008, een themanummer over het onbewuste
3 Gladwell M, Intuitie, Contact, 2009; Iacoboni M., Het spiegelende brein, Nieuwezijds, 2008; Dijksterhuis A., Het slimme onbewuste,
Bert Bakker 2007; Traufetter G., Intuïtie, Spectrum, 2009; Thiele Dohrmann K., Intuïtie, Elmar, 1992
4 Freud S., Psychopathologie van het dagelijks leven, Boom, 2001
5 Dijksterhuis A., Het slimme onbewuste, Bert Bakker, 2007 (hoofdstuk 5)
STROOK P3 MAART 2010
31
6 Woollams S., & Brown M., The Total handbook of Transactional Analysis, Spectrum Books 1979
7 Knol J., Spinoza’s intuïtie, Wereldbibliotheek, 2009.
8 Chilton Pearce J., Het magische kind, Anthos, 1979
9 Steiner C., The Pig Parent, in: Transactional Analysis Journal, 1979, p. 26
10 Robinson J.A., Meeting the Little Professor, in: Transactional Analysis Journal, 1979, p. 214
11 Boyd H.S., Second-Order Structure in the Child, in: Transactional Analysis Journal, 1978, p. 6
12 Schmid B., Intuition of the possible and the transactional creation of realities, in: Transactional Analysis Journal, juli 1991
13 Veenbaas W., Baarspul I., Reinalda S., Broekhuizen M., Passe-partout, Phoenix Opleidingen, 2007
14 Berne E., Intuition and Ego States, Harper en Row, 1977, p. 47
15 Berne E., Intuition and Ego States, Harper en Row, 1977, p. 47
16 Berne E., Intuition and Ego States, Harper en Row, 1977
32
STROOK P3 MAART 2010
STROOK P3 MAART 2010
33
Imaginatie en TA: counselor aan het werk met de gevolgen
van trauma
Bea Verzaal, PTSTA/C
Zelfstandig gevestigd counselor, coach, systeemtherapeut en opleider bij de TA academie
Waar gaat dit artikel over?
In dit artikel zal ik een methodische aanpak voor
het werken met (de gevolgen in het dagelijkse
leven van) trauma beschrijven, waarbij gebruik
gemaakt wordt van TA en imaginatie.
De basis van deze aanpak leerde ik van Jan Taal
van de School voor Imaginatie en bewerkte en
integreerde ik in mijn werk als TA counselor.
Aan de hand van deze aanpak demonstreer ik
mijn visie op het werk van de counselor:
versterken van de Volwassene, het integratievermogen in het dagelijkse leven, en het werken
via de Volwassene met het Kind en de Ouder, als
sleutel voor de werkwijze
Waarom dit onderwerp?
Mijn motivatie om voor deze speciale counseling
editie van Strook te kiezen voor het beschrijven
van deze aanpak is omdat het zich juist afspeelt
op het grensgebied tussen counseling en psychotherapie. Een gebied waar menig counselor en
psychotherapeut zich in de praktijk vaak begeeft.
De ontwikkeling van een beroepsidentiteit is een
zoektocht naar ‘mijn en dijn’ en soms een worsteling over de grenzen.
De behoefte aan een eigen identiteit kan leiden
tot zwart - wit onderscheidingen die misschien
tijdelijk nodig zijn maar als ze in stand gehouden
worden geen recht doen aan de ontwikkeling van
de professie, de groei van de beoefenaren en zeker
niet de aansluiting bij de behoefte van de cliënt en
maatschappelijke vraag naar therapeutische hulp.
De keuze voor werken met imaginatie en TA
heeft te maken met de waarde die ik hecht aan
het werken met (het stimuleren en integreren van)
beide hersenhelften en de invloed en kracht van
beelden daarbij.
Ik kan het niet mooier zeggen dan Jan Taal (1997):
34
STROOK P3 MAART 2010
‘verbeelden is de manier waarop de geest infor matie codeert, opslaat en tot uitdrukking brengt….
Beelden zijn het materiaal van waaruit de psyche
is opgebouwd en dus het bronmateriaal van het
menselijke handelen….alles wat we doen, denken
en voelen wordt beïnvloed door de beelden die
we hebben van onszelf….
Veranderingen in het beeld beïnvloeden dan ook
gedrag in al zijn aspecten (perceptie, emoties, denken, lichamelijke processen, concreet gedrag).
Het individu wordt bepaald door de eigen beelden (bewuste en onbewuste) en door de beelden
uit de omgeving.
Lukt het de persoon om contact te maken met
zijn beelden, dan zal veelal blijken dat het een
waardevolle, betekenisvolle beleving is met, op den
duur, gevolgen voor het gevoelsleven, het denken,
het concrete gedrag en de manier waarop men in
het werk staat en samenwerkt….
Hierbij speelt zeker een rol dat beelden behoren
tot het innerlijke domein, waar men het meest
vrij is en creatief kan zijn’.
Scripts zijn dus opgebouwd uit beelden en veranderingen in het beeld veroorzaken verandering
van het script! Daarmee is imaginatie een bruikbare methode om onze onderliggende scriptovertuigingen ‘in beeld te krijgen’, nader te onderzoeken en desgewenst te veranderen.
Naast het gebruik voor het oplossen van onze
belemmeringen werken onze beelden ook heel
krachtig als het gaat om dat wat we willen ontwikkelen en realiseren:
‘Elk beeld heeft de neiging om die fysieke
omstandigheden en externe handelingen voort
te brengen die ermee in overeenstemming zijn’
(Assagioli).
Het effect van verbeelden wordt ruimschoots
onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek.
Bevindingen over de werking van spiegelneuronen leren ons bijvoorbeeld dat het voorstellen
of zien van een activiteit dezelfde werking op
onze hersenen heeft als het daadwerkelijke doen!
(Iacobini, 2008)
Wanneer spreken we over trauma?
Als ik spreek over trauma past voor mij de volgende definitie:
‘Een onverwachte acute of herhaalde, voor elk
mens schokkende gebeurtenis, die het individu
overspoelt en hem of haar enige tijd gevoelens van
machteloosheid en hulpeloosheid bezorgt.
Het kan gaan om een eenmalige gebeurtenis,
maar ook om herhaling van een schokkende gebeurtenis’ (Hoksbergen,1996).
En een mooie aanvulling hierop:
‘Een trauma is een psychologische wond, die de
tijd niet geheeld heeft’ (Taal en Krop, 2003).
Naast het aspect van het eenmalige of het herhaalde trauma (ook bepalend voor het onderscheid tussen PTSS type I en II) vind ik ook het
onderscheid tussen een slechte ervaring en trauma
dat Taal en Krop (2003) beschrijven van belang,
vooral vanwege de structurele gevolgen.
In geval van een slechte ervaring kan de ervaring
geïntegreerd worden zonder belangrijke veranderingen in de overtuigingen over zichzelf, de ander
en de wereld.
Bij een trauma lukt het de cliënt niet om
zijn/haar overtuigingen in stand te houden.
Om zichzelf te beschermen worden de overtuigingen aangepast en neemt hij/zij scriptbeslissingen die zichzelf ontkennend en beperkend
kunnen zijn.
Waar is de aanpak op gebaseerd?
Wanneer er sprake is van een trauma, een psychologische wond ‘apart gezet’ als een gefixeerd deel
in de Kind egotoestand, blijft het leven van de
cliënt naast allerlei biologische en biochemische
reacties t.g.v. het trauma, ook op een negatieve
manier beïnvloed door een zichzelf bekrachtigend
script:
Alice, 30 jaar, consultant van beroep, wordt
naar mij verwezen via een bedrijfsarts omdat zij
niet meer in staat is te werken vanwege allerlei
lichamelijke, psychische en sociale klachten zoals
hoofdpijn, nekpijn, slaapproblemen,
nachtzweten, uitgeput voelen, concentratie
problemen, overgevoeligheid voor prikkels, opvliegerigheid, machteloosheid, veel snoepen
en aankomen.
Wat blijkt is dat Alice van haar 5de tot haar 12de
jaar seksueel misbruikt is door haar 4 en 6 jaar
oudere broers. Toen zij op haar 10de niet kon plassen heeft zij haar moeder verteld wat er gebeurde.
Moeder reageerde ontredderd en ontkennend. Alles
bleef bij het oude.
Toen Alice 12 was en ging menstrueren was zij
zo bang dat zij zwanger kon worden dat zij haar
broers zelf kon weigeren. Zij blijft zich schuldig
voelen dat zij het niet eerder gestopt heeft.
Haar overtuigingen over zichzelf zijn: ‘ik ben niet
belangrijk, mijn behoeften en gevoelens doen er
niet toe’.
Over de ander: ‘anderen denken alleen aan zichzelf,
zijn niet te vertrouwen, begrijpen me niet’.
Over het leven: ‘het leven is onveilig, een plek van
ieder voor zich’.
Belangrijke scriptbeslissingen zijn: ‘ik dop mijn
eigen boontjes wel, dat is veiliger dan anderen iets
te vragen’.
Alice is een harde zorgvuldige werker, die niet
klaagt en nauwelijks hulp vraagt.
Het script als overlevingsstrategie maakt het mogelijk door te gaan met leven maar heeft helaas
als consequentie dat de wond geïnfecteerd blijft
met negatieve psychische, sociale en lichamelijke
gevolgen.
Terugkerend heeft de cliënt spontane herbelevingen waarbij de traumatische ervaring door
bepaalde actuele triggers wordt gereactiveerd.
Die triggers brengen, werkend als een rubberband,
oude (lichamelijke) gevoelens en herinneringen,
vaak in de vorm van beelden, omhoog.
Beelden (niet alleen visuele maar ook sensaties
van geluid, reuk, smaak, aanraking en beweging)
spelen vaak een centrale rol in onverwerkte
trauma’s. Daarom wordt imaginatie vaak gebruikt
in de behandeling van trauma als een vorm van
exposure waarbij de cliënt wordt geconfronteerd
met het opnieuw beleven van het trauma.
Wanneer de Volwassene echter niet sterk genoeg
is wordt hij/zij opnieuw overspoeld of bevangen
door de oude ervaring wat eerder kan leiden tot
aanscherpen van de scriptmechanismen dan
STROOK P3 MAART 2010
35
opheffing ervan! Uitgaan van de behoeften,
mogelijkheden en draagkracht van de cliënt is
dus van groot belang.
Centraal in deze aanpak staat dat de cliënt weer
grip krijgt op zichzelf, i.p.v. machteloosheid te
ervaren weer zelf regie kan nemen.
In plaats van confrontatie met het trauma heb ik
sterke voorkeur voor het uitnodigen van de cliënt
een beeld te laten verschijnen en hier vervolgens
contact mee te maken.
Een belangrijk uitgangspunt is dat ‘contact met’
de traumatische ervaring een keuze kan worden
die de cliënt zelf maakt i.p.v. een reflexmatige
overval en herbeleving. Bij gebruik staat niet de
herbeleving van het trauma maar het doel om
beter en prettiger te kunnen functioneren in het
dagelijkse leven voorop.
Vaak is het niet nodig om alle details van het
gebeurde te benoemen en herbeleven. Contact
met het trauma kan via directe beelden of indirect
plaatsvinden via metaforen en symbolen.
Alice maakte aanvankelijk contact met haar
trauma via het beeld van een eendje met een lam
vleugeltje alleen in de plas.
Het kan zijn dat de beelden van de cliënt niet
overeenkomen met wat er daadwerkelijk gebeurd
is. De historische ‘waarheid’ is minder belangrijk dan wat de cliënt denkt en verbeeldt wat er
gebeurd is.
professionele wensen en doelen.
Het trauma op zich wordt met rust gelaten.
Imaginatie kan dan ingezet worden voor ontspanning, ondersteuning, versterken van hulpbronnen,
verbeelden en realiseren van gewenst gedrag en
doelen.
2
De cliënt kan ook kiezen, toe zijn aan en in
staat zijn tot het contact maken met het trauma.
Om te leren omgaan met onverwerkte traumatische ervaringen moet de cliënt voldoende Volwassene ter beschikking hebben.
Voordat er gewerkt gaat worden met het trauma
is het belangrijk de benodigde voorwaarden te
scheppen. Ook hier is daarom stabiliseren en
structureren van het dagelijkse leven de eerste
focus zodat de cliënt kan terugvallen op een aantal
veilige bases om daar steun en kracht uit te putten.
Hiertoe kunnen een aantal Volwassene versterkende strategieën ingezet worden.
Volwassene versterkende strategieën
1
Bevorderen en herstellen van algemeen
dagelijkse levensverrichtingen (ADL)., zoals
persoonlijke hygiëne, regelmatig en gezond
eten, het huis schoon houden, beweging, veiligheid…
2
Zelfvertrouwen en zelfwaardering vergroten
o.a. door het ontwikkelen van een positieve
trookhuishouding; erkenning door actief luisteren (‘ik hoor je’), gehoord en gezien worden;
bevredigende sociale contacten; vergroten
sociale en assertieve vaardigheden;
3
Aarden: ‘met beide benen op de grond staan’,
door zich lichamelijk en psychisch te verbinden
met de stoffelijke werkelijkheid en de aarde
(‘stekkeren’).
4
Perspectief op verandering, nieuwe hoop ontwikkelen, focus op het positieve, het heden en
de toekomst.
5
Stabiliseren of liefst bestrijden en verlichten
van klachten en symptomen, zn. door medicatie in overleg met de huisarts.
6
Gebruik van helende imaginatie-, ontspanningsoefeningen, bijvoorbeeld ‘een veilige/
krachtige plek’.
7
Werken met huiswerk waar je op terug komt
en waardering voor geeft.
Keuzes in de route
1
Stabiliseren en structureren van het dagelijkse
leven (social control contract, Berne) kan het
belangrijkste en enige doel van de counseling zijn
wanneer de cliënt niet voor traumabehandeling
kiest en/of vanwege een gebrekkig functionerende Volwassene daar niet toe in staat is. TA concepten kunnen dan vooral cognitief en gedragsmatig
ingezet worden om: door psycho-educatie over de
werking van trauma’s, de Volwassene te informeren
en decontamineren; verbanden te leren leggen
tussen het trauma en de gevolgen in het dagelijkse
leven nu, de rol die scriptbeslissingen en daaruit
voortvloeiende gedragspatronen daarin spelen;
herbeslissingen te nemen vanuit de Volwassene en
opties te ontwikkelen in de aanpak van de klachten en het realiseren van persoonlijke en
36
STROOK P3 MAART 2010
8
9
De cliënt herbenoemen van slachtoffer naar
overlever.
Gebruik van transpersoonlijke energieën
(inner-core, hoger zelf, engelen, spirituele gidsen). Een manier om hiertoe ingang te krijgen
is om de cliënt te vragen ‘wat heeft je geholpen
dit te overleven?’.
Het gebruik van transpersoonlijke energieën voor
het versterken van de Volwassene kan de cliënt
helpen zich veilig en gesteund te voelen in het
leven waardoor hij/zij minder dissociatie nodig
heeft. Zij kunnen helpen bij het ontwikkelen van
betekenis en identiteit.
Het gebruik van deze energieën kan echter ook
dissociatie faciliteren voor de cliënt die uitvlucht
zoekt in ‘hemelse visioenen’. Daarom is het belangrijk deze interventie te combineren met het
ontwikkelen van andere Volwassene capaciteiten
zoals assertiviteit en aarden.
De aanpak van het trauma
De kern van de behandeling bestaat uit het vanuit
de Volwassene in contact komen met de oorspronkelijke gebeurtenis, gevoelens en of traumatische
beelden, en het door de cliënt laten corrigeren of
toevoegen van wat er toen ontbrak in die situatie.
Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn:
het trauma vond plaats in het verleden maar
wordt herbeleefd/herhaald in het heden, ‘het
gebeurt nu’.
Het verleden kun je niet veranderen maar wat
je wel kunt veranderen zijn de gevolgen ervan
in het dagelijkse leven nu.
het is niet noodzakelijk alle details van het
trauma te kennen. Belangrijk is dat de cliënt in
staat is te corrigeren of toe te voegen wat hij/
zij nodig heeft.
De volgende 7 methodische stappen
(Jan Taal en Joop Krops, 2003) vind ik hierbij zeer
bruikbaar:
1
Herkennen en erkennen van de impact
van het trauma
Zijn er nog negatieve gevolgen werkzaam in het
actuele leven van de cliënt (systeem)? Ik zie vaak
dat getraumatiseerde cliënten het bestaan, niveau
B1 in de miskenningmatrix (Stuart en joines,
1989) of de betekenis, niveau B2, van de gevolgen
miskennen.
Dit hangt vaak samen met angst, schuldgevoelens
en machteloosheid. Alleen wanneer de cliënt
het bestaan en de ernst van de klachten die hij/zij
nu nog heeft als gevolg van het trauma erkent,
zal hij voldoende motivatie opbrengen voor de
behandeling.
Alice wist, weliswaar vaak weggestopt, wel wat er
gebeurd was maar koppelde haar klachten daar
niet aan. Zij was zich helemaal niet bewust van
de samenhang van haar klachten met haar eigen
scriptbeslissingen en gedragingen t.g.v. het trauma.
2
Context, Diagnose, Contract
Context, achtergrond en het dagelijkse leven
van de cliënt in kaart brengen.
Om welk trauma gaat het?
Wat zijn de klachten? Wat zijn de situationele
triggers? Hoeveel inzicht en bewustzijn is aanwezig? Is er voldoende Volwassene beschikbaar? Waar
bevindt de cliënt zich in de miskenningsmatrix?
Om welke reden wil de cliënt in behandeling? Wat zijn daarbij zijn/haar doelen? Zijn deze
doelen haalbaar?
Welke hulpbronnen heeft de cliënt ter beschikking?
Contract: afspraken over werkwijze, verwachtingen, rollen en taken van een ieder.
3
Ankeren
Voordat we met het trauma zelf aan de gang
gaan leert de cliënt hoe de Volwassene in te schakelen door te ankeren in het lichaam en in het
hier-en-nu.
De cliënt kan namelijk ongewild spontaan in de
herbeleving schieten en overstelpt worden met
gevoelens waardoor hij/zij niet meer voldoende
in de Volwassene kan blijven.
Met het ankeren leert hij/zij zelf terugkomen
naar de ‘veilige plek’. De procedure is als volgt:
de cliënt, zittend in een stoel, wordt geleerd hoe
te aarden door te vragen zich bewust te worden
van de voeten op de grond, het gesteund worden
van het lichaam door de stoel en de in- en uitgaande beweging van de ademhaling.
Wanneer de cliënt zich voldoende geaard en
STROOK P3 MAART 2010
37
ontspannen voelt wordt gevraagd een lichaamsdeel
aan te raken (bijvoorbeeld een oor of elleboog)
waarin dit gevoel geankerd wordt.
Zodra hij/zij zich overstelpt dreigt te voelen kan
hij/zij besluiten de ankerplek aan te raken en
daarmee terug te keren naar de ontspanning van
de veilige plek.
4
(Opnieuw) bekijken en mogelijk
herbeleven van de traumatische ervaring
Verscheidene vormen en gradaties zijn mogelijk
bij deze stap. Aanvankelijk of zo nodig voortdurend is het werk erop gericht om afstand te kunnen houden van de (spontane herbeleving) van de
traumatische ervaring.
Vaak lijdt de cliënt in het dagelijkse leven onder
de herbeleving van (delen van) het trauma zonder
Volwassene controle.
De counselor nodigt de cliënt uit, met behoud
van een emotionele afstand, een beeld te laten
verschijnen dat verband houdt met de traumatische ervaring. Bijvoorbeeld geprojecteerd op een
‘scherm’ op een lege muur of beeldscherm waarbij
hij/zij zelf de afstandsbediening in handen heeft
om het beeld kleiner, groter, etc te maken.
Het aanreiken van dit soort hulpmiddelen biedt
de cliënt de mogelijkheid het heft in eigen handen te nemen en daarmee zichzelf de protectie te
bieden die hij/zij nodig heeft wat tegelijkertijd de
Volwassene controle vergroot.
Daarbij kan ook nog gebruikt worden gemaakt
van de ondersteuning van een door cliënt zelf
gekozen of opgeroepen ‘hulpbron’.
Alice van 30 jaar, in haar Volwassene, wordt
vanuit haar veilige positie in haar stoel met haar
(verbeelde) poes op schoot, uitgenodigd een beeld
te laten verschijnen van zichzelf gekoppeld aan
het trauma.
Alice ziet zichzelf als de 10 jarige Alice met haar
moeder die tekeer gaat en zegt dat ze fantaseert
om aan aandacht te komen.
Zeker in het begin kan het bewaren van afstand
nog een lastige opgave zijn. Alsof het trauma aan
de cliënt trekt of zuigt.Van belang is te voorkomen dat de cliënt niet in regressie gaat en Alice
van 10 jaar wordt in die situatie.
Allereerst is het dus belangrijk dat de cliënt
afstand leert houden vanuit de Volwassene positie.
38
STROOK P3 MAART 2010
De counselor kan dat faciliteren door steeds de
Volwassene aan te spreken. Bijvoorbeeld door te
vragen ‘hoe denk jij dat de 10 jarige Alice zich voelt?’
in plaats van ‘hoe voel je je?’
De counselor nodigt daarna uit tot een directe
dialoog tussen Volwassene en Kind. Bijvoorbeeld
door te instrueren ‘Zeg haar dat…’, of ‘vraag haar
eens wat zij denkt…’. Op deze manier wordt op
een veilige manier de beleving van de ervaring in
Kind geëxploreerd.
Wanneer de cliënt meer Volwassene controle
heeft wordt het mogelijk ook even in de traumatische situatie te stappen om die te ervaren, en
er dan weer uit te stappen. Dus om te kunnen
kiezen erin en eruit te stappen. Dit kan door het
te verbeelden of er letterlijk in de ruimte naar toe
te gaan en even in te stappen.
Volgens Bob en Mary Goulding (1979) worden
de krachtigste herbeslissingen genomen in Kind.
Dat kan ook een belangrijke motivatie zijn om
begeleid de stap van herbeleving te doen.
Dus om in plaats van de Volwassene te vragen
‘wat denk jij dat de 10 jarige Alice nodig heeft’,
Alice van 30 uit te nodigen 10 jarige Alice even
te worden: ‘wees maar even Alice van 10 daar in die
situatie…... hoe voel je je?........wat denk je?....wat
besluit je?.....Dan: ‘kom er maar weer uit ok?....hoe
voelt dit voor jou (30 jarige Alice in Volwassene)?....
kun jij hiermee omgaan?....wat vind jij van haar
beslissing?...........’
5
Wat is er nodig?
Om te herstellen van de gevolgen van trauma in
het dagelijkse leven is het erg belangrijk dat de
cliënt, vanuit zijn/haar Volwassene nu, zelf kan
bekijken wat er miste of disfunctioneel was in die
situatie voor zichzelf toen, en de nieuwe helpende
elementen alsnog kan toevoegen.
Opties voor het erachter komen wat nodig is om
toe te voegen zijn ook nu verschillend, samenhangend met de draagkracht en mogelijkheden van
de cliënt en de counselor.
Het vragen aan de Volwassene van de cliënt nu:
‘Wanneer je zo naar Alice van 10 jaar kijkt wat denk
jij nu dat zij nodig heeft?’
Of het vragen aan de cliënt toen, nadat de cliënt
gevraagd is in het beeld te stappen en zichzelf van
toen even te worden: ‘Wat mis jij?’, ‘Wat is belangrijk voor jou?’, ‘Wat heb jij nu nodig?’….Wanneer de
cliënt zelf niet kan aangeven wat nodig is kan de
counselor dit van te voren eerst met haar voorbereiden en ook suggesties voorleggen en model
zijn.
6
Toevoegen wat nodig is
Wanneer de cliënt zover is kan over gegaan worden tot het daadwerkelijk gaan toevoegen wat
nodig is.
Ook hier zijn allerlei varianten mogelijk.
In de verbeelding: ‘stel je maar voor dat vader de jongens aanpakt en zegt wat ze niet met hun zusje mogen
doen …..’ of in actie gezet: ‘wees nu maar moeder, ga
naar Alice toe, zeg haar dat …en houd haar stevig vast’
Door de switch te maken van Volwassene naar
Kind kan de cliënt ervaren hoe het ‘toegevoegde’
voelt en weer terugkeren naar zichzelf nu.
Zo nodig net zo vaak tot het past. Herbeslissingen
ontstaan dan vaak spontaan.
Alice: ‘het is helemaal niet raar dat ik het zelf niet
stopte toen ik zo klein was!;
ik mag anderen vertellen waar ik last van heb!;
ik wil niet meer alles alleen doen!’
Zo niet, of om de nieuwe beslissingen te versterken en integreren, kan het nodig zijn om dit
proces te herhalen, mogelijk met andere scènes.
Creatieve expressie technieken
Ik maak graag gebruik van creatieve expressie
technieken (tekenen, schilderen, kleien, bewegen,
drama…) ter ondersteuning van imaginatie bij
deze aanpak van de gevolgen van trauma.
Het kan helpen uitdrukking te geven aan waar
(nog) geen woorden voor zijn.
Zo kan bijvoorbeeld nadat het beeld van het
trauma eerst is geprojecteerd erna getekend worden.
Of als projecteren lastig is voor de cliënt kan hij/
zij in plaats hiervan het beeld tekenen.Vervolgens
kan er verder gewerkt worden met de tekening
door contact te laten maken met het(een deel van
het) beeld, een dialoog aangegaan worden, identificatie plaatsvinden met het beeld of er iets aan
toevoegen etc.
De keuze van het materiaal of medium doet er
toe. Zelf kiezen en omgaan met de materialen
helpt bij de omzetting van onmacht naar kracht,
zelf bijdragen aan het proces en probleemoplossend vermogen.
Elk medium heeft ook zijn eigen mogelijkheden.
Klei helpt om te aarden, tekenen en schilderen
geeft een grote variëteit aan kleuren en vormen,
drama en beweging geven veel kracht en concrete
vorm aan het beeld.
7
Handen en voeten geven
Bij deze laatste stap gaat de cliënt handen en voeten geven aan de gevolgen van zijn/haar nieuwe
beslissingen in het dagelijkse leven.
Aandacht wordt besteed aan concrete situaties
waarin de cliënt oefent met nieuw gedrag voortkomend uit zijn/haar herbeslissingen.
Alice oefende met delen van haar gevoelens,
hulp vragen, leren grenzen aangeven, opkomen
voor zichzelf en leuke dingen doen voor zichzelf
en met anderen.
Toen zij zich stevig genoeg voelde besloot zij alsnog haar broers zelf te vertellen wat het gebeurde
voor haar betekend had en welke gevolgen het
had gehad voor haar ontwikkeling.
Het resultaat van het proces is dat de psychologische wond een litteken wordt waar de cliënt
goed mee kan leven, weggezette delen in het
Kind geïntegreerd worden in de Volwassene, de
autonomie toeneemt en de cliënt weer meer kan
groeien, zich vrijer bewegen en genieten.
De rol van de counselor
De rol van de counselor is vooral het proces
faciliteren en begeleiden vanuit een veilige vertrouwensrelatie
Het bieden van protectie, potentie en permissie
zijn hierbij van groot belang evenals het kunnen
samenwerken met de Volwassene van de cliënt.
Ofschoon deze benadering niet gericht is op
het stimuleren van en werken met overdracht en
parenting is de aanwezigheid van overdracht en
tegenoverdracht een normaal verschijnsel bij dit
soort werk.
Het herkennen en omgaan met regressie en
gebruiken van overdracht en tegenoverdracht als
diagnostisch instrument en interventierepertoire is
wel heel belangrijk en bruikbaar.
Parenting wordt soms ingezet als opstap voor
self-parenting als de cliënt modeling nodig heeft
voor het zelf opbouwen van een Nieuwe Ouder.
STROOK P3 MAART 2010
39
Geraadpleegde literatuur
Goulding M. M. & Goulding R. L., Changing lives through Redecision Therapy, NewYork: Brunner/Mazel Inc.,1979
Iacoboni M., Het spiegelende brein, Nieuwezijds b.v., 2008
Kohlrieser G., Hostage at the Table, San Francisco: Jossey Bass, 2006
Stewart I. & Joines.V.,Transactionele Analyse, Het handboek, Amsterdam: SWP, 2003
Taal J., Imaginatie therapie, Tijdschrift voor psychotherapie, 1994
Taal J., & Krop J., Imagery in the Treatment for Trauma, in: Sheikh A.A., Healing Images, 2003
Taal J., Organisatie Imaginatie, verbeelding in opleiding, training en management, uit: Capita Selecta 32,
Deventer: Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1997
40
STROOK P3 MAART 2010
STROOK P3 MAART 2010
41
Colofon
Strook
Tijdschrift voor Transactionele Analyse: (Email)
Nieuwsbrief
Strookdigitaal en magazine in druk
Redactie
Gastredacteur Bea Verzaal
Email redactie [email protected]
Postadres Operadreef 39, 3845 GM Harderwijk
Eindredactie Marieke Roelink
Verschijningsdata
Strookdigitaal Elke 15e van de maand m.u.v.
januari en augustus
Magazine in druk maart, juni, september en
december
Advertenties
Strookdigitaal per nummer € 40; per jaar € 300
Magazine in druk per nummer € 90
(formaat 1/4),
neem contact op met de redactie voor andere
mogelijkheden
Jaarabonnement (digitaal + magazine) € 400
Uitgever
Nederlandse Vereniging voor Transactionele
analyse (NVTA)
Secretariaat Jasmijnstraat 35, 3551 SP Utrecht
Telefoon (030) 244 7431
E-mail [email protected]
Web www.nvta.nl
Rekening Postbank 37.03.189 t.n.v. NVTA, Heino
Vormgeving
Elselinde van Hes, Amsterdam
Mattijn Boer, Amsterdam
Drukwerk
Electronic Print Center, Nieuwegein
42
STROOK P3 MAART 2010
STROOK P3 MAART 2010
43
Ik geloof
Dat ik geen groter geschenk kan ontvangen
Dan door de ander
Te worden gezien,
Te worden gehoord,
Te worden begrepen en aangeraakt.
Virginia Satir, uit ‘Menselijke Contacten’, uitgeverij Nelissen, 1988
TRANSACTIONELE ANALYSE IN GROTER PERSPECTIEF
Phoenix Opleidingen biedt een breed scala aan opleidingen die je professionele ontwikkeling ondersteunen
en inzicht geven in persoonlijke levenssituaties. In ons werk maken wij gebruik van de principes uit de
Transactionele Analyse, Neuro-Linguïstisch Programmeren en Systemisch Werken. Deze drie stromingen
benaderen elk op hun eigen specifieke wijze de persoonlijkheid van mensen en zijn ingebed in door Phoenix
ontwikkelde leermodellen.
Persoonlijke ontmoeting en persoonlijke aandacht staan in onze werkwijze voorop.
Phoenix Opleidingen
Raiffeisenlaan 26 A - 3571 TE Utrecht
030 – 271 13 83
[email protected]
www.phoenixopleidingen.nl

Vergelijkbare documenten