Cultuurgeschiedenis van de tweede helft van de 20e eeuw

Commentaren

Transcriptie

Cultuurgeschiedenis van de tweede helft van de 20e eeuw
Cultuurgeschiedenis van de tweede helft van
de 20e eeuw
Foto: Harry Schunk
Yves Klein, sprong in de leegte.
“als we alles verlangen van het universum en onszelf moeten we ook
niet bang zijn voor wat de kunstenaar terugbrengt van zijn
ontdekkingstocht”
Herbert Read
Hoofdstukkenindeling
Hoofdstuk 1invalshoek kunst, religie en levensbeschouwing
A spiritualiteit, idealen en kunst
abstract expressionisme. Kandinski, Mondriaan
Avantgarde als voorloper
De utopisten: Constant, Beuys,
B lichaam en psyche:
performance en body art
de schilders
Bacon
Fotografie: Micheals, v/d Elsken, Nan Goldin en Diana Arbus
John Cage
Hoofdstuk 2 invalshoek esthetica
Eigentijds of postmodern? Josef Beuys, Adorno, Warhol, Koons, Danto, kunst wordt gemaakt in de kantlijn
van andere kunst.
Onderzoek: minimal art en conceptuele kunst
Het televisiewerk van Wim T. Schippers
Hoofdstuk 3 invalshoek kunst en opdrachtgever: politieke en economische macht
De kunstenaar als grootverdiener: postmodernisme en pop art Andy Warhol, Jeff Koons,
Damiën Hirst, Joep van Lieshout,
De kunstenaar als idealist: werktheater, Edward Kienholz
Hoofdstuk 4 invalshoek kunst en vermaak
commercie, idealen en kunst.
het stripverhaal, musical, videoclip, Madonna, Prince en Micheal Jackson
kijken naar film
Hitchcock
Tijdschriften
Hoofdstuk 5 invalshoek kunst, wetenschap en techniek kunst.
Techniek en werkelijkheid.
Beeldende kunst: Nam June Paik, Peter Struycken. Joep van Lieshout, mobiel wonen
Dans: Merce Cunningham, Kristina de Chatel (lara Croft),Rosas
Muziek: Kraftwerk, Emerson, Lake and Palmer, Laurie Anderson
Hoofdstuk 6 De wereld is groter dan het westen (Invalshoek kunst intercultureel)
Muziek: Paul Simon, Peter Gabriël, fusion, hiphop
Beeldende kunst: Chris Offili, Chinese, Basqiuat
Dans: streetdance
Literatuurlijst en bronnentips
Geschiedenis van de architectuur van oudheid tot heden
e
- Geschiedenis van de architectuur van de 20 eeuw
- Geschiedenis van de schilderkunst van renaissance tot heden
- Interieur en architectuur, teleac
e
- Beeldende kunst in de 20 eeuw, Edward Lucie-Smith
e
e
- Kunstgeschiedenis van de 19 en 20 eeuw, v/d Akker
- Twaalf toppers uit de moderne kunst, Klaas de Jong
- Internetsites : www.lambo.nl , kunst op het web, ubuweb, digischool
- Verschillende musea in de wereld hebben al een site.
- Dit geldt ook voor bijna alle behandelde kunstenaars.
Invalshoek kunst, religie en levensbeschouwing
hoofdstuk 1
e
A: kunst en idealen in de tweede helft van de 20 eeuw
De tijd na de tweede wereldoorlog staat bekend als de tijd van wederopbouw; handen uit de mouwen, de
wereld moet weer hersteld worden. Het tempo waarin dit gebeurd is, kan je rustig een wonder noemen. Het
trauma van de oorlog moest snel achter gelaten worden. Er ontstond een sterke gerichtheid op het
materiële. Ondanks dit optimisme had de oorlog diepe wonden geslagen waarvan de reikwijdte niet te
overzien was. Het geloof in de moderne beschaving was beschadigd. Hoe was het mogelijk dat hoog
ontwikkelde landen tot zulke daden in staat waren. Mensen realiseerden zich dat een hoogstaande
technische ontwikkeling van een land niets zegt over het morele gehalte van de mensen die er wonen.
Kunstenaars en filosofen zagen een einde komen aan het moderne denken; vooruitgang en idealen waren
verdachte begrippen geworden. Er was een einde gekomen aan de “grote verhalen”. Er werd gezocht naar
nieuwe ideeën.
“Kunst is de wetenschap van de vrijheid.”
Het verruimde kunstbegrip van Josef Beuys
In het werk van Josef Beuys staat het begrip vrijheid centraal
Een grens tussen kunst en leven was er voor Beuys eigenlijk niet. Wat je
in het museum van hem ziet is vaak de neerslag van een performance.
Ook krijgen allerlei ongebruikelijke materialen voor de kunst bij Beuys
een nieuwe betekenis. Je ziet vitrines met vaak vieze oude spullen,
vilten rollen, schoolborden met vaak onbegrijpelijke teksten. Een
kartonnen doos met een klomp vet erin.
Hij zag kunst als een aanvullingen op het materialistische denken. Dit
denken is eenzijdig en doet de mogelijkheden van de mens tekort. Die
materialistische fase was in de ontwikkeling van de mensheid volgens
Beuys noodzakelijk maar op dit moment is er ook nog iets anders nodig,
een andere manier van kijken en denken. In feite probeert Beuys een
antwoord te geven op de kritiek van Adorno.
Moderne sjamaan en rituelen.
Beuys zag zichzelf als een soort moderne sjamaan die het zichzelf tot
taak stelde om de mens te genezen van zijn eenzijdige materialistische
denken. Dat sjamaan zijn zie je terug in zijn performances die hij zelf
“Aktionen” noemt. Zo‟n Aktion doet heel erg aan een ritueel denken. In
“Hoe men aan een dode haas de beelden uitlegt” (1965) [zie afbeelding]
heeft Beuys zijn gezicht ingesmeerd met goud en honing (in zijn ogen
heilige materialen), zijn ene voet omkleed met vilt en koperdraad, aan
zijn andere voet zit korte ski van lood. Op deze manier schuifelt hij met
de dode haas in zijn armen langs de schilderijen, laat de haas de
schilderijene met z‟n poot aanraken en praat zachtjes tegen het dode
dier. Het publiek kijkt door een glazen ruit toe. Beuys zegt in feite dat
deze dode haas beter in staat tot het wezenlijk begrijpen van de
kunstwerken dan de mensen achter het raam, met hun materialistische
manier van denken. Ook maakt Beuys gebruik van een symbolische
beeldtaal. Zijn werk is vaak voor meerdere uitleg vatbaar. In dit geval
staat de haas symbool voor het offer (doen hazen in het echt ook) maar
ook voor verbinding met het geestelijke. Ook zijn de materialen die Beuys
gebruikt horen bij deze symbolische beeldtaal; vilt als isolerende kracht,
koper als een soort supergeleider, honing als energie (zonnekracht), bijenwas als product van spirituele
bouwers (denk maar eens aan volmaakte honingraat) en vet.
Ieder mens is een kunstenaar en de sociale sculptuur
Zijn uitspraak “ ieder mens is een kunstenaar” kan je opvatten als een pleidooi voor de vrijheid van de
mens. De vrijheid om open naar de wereld te kijken en je los te weken van de conventies van de cultuur
waarin je opgegroeid bent. Dus ook los van de cultuurindustie. Ook zegt die uitspraak dat de mens continu
bezig is met het vormgeven van de wereld. Dit vormgeven moet gebeuren met gevoel voor de kwaliteiten
van de dingen. Dit kwaliteitsbegrip wordt door Beuys ook uitgewerkt; het gaat niet om kwaliteitsnormen zoals
je die zelf zou aanleggen maar om kwaliteiten zoals ze uit de dingen zelf voortkomen. De kunst is om er oog
voor te krijgen. In principe benadert Beuys alles in de wereld alsof het de mogelijkheid heeft om sculptuur te
worden. Of het dat wordt of niet heeft met die kwaliteit te maken. De intuïtie is daarbij het instrument.
Beuys zag onder andere het discussiëren over zijn ideeën als een kunstwerk. Hij noemde dat een sociaal
beeldhouwwerk. Bij de dokumenta in 1972 discussieerde hij van ‟s morgens vroeg tot ‟s avonds laat met het
publiek. Ook is hij om die reden de politiek ingegaan. Politiek vond hij de interessantste kunstvorm.
Beuys is een van de laatste utopisten, iemand die ervan overtuigd was dat hij zijn idealen op grote schaal
kon realiseren.
Homo ludens
Vanaf 1956 presenteerde de kunstenaar
Constant (voluit Constant Anton
Nieuwenhuys) ruimtelijke constructies en
architectuurstudies als onderdeel van
New Babylon, een plan voor de stad van
de toekomst. Constant gaat ervan uit dat
de produktie later volledig
geautomatiseerd zal zijn, zodat de mens
een overvloed aan vrije tijd zal krijgen.
New Babylon is een omgeving die een
stimulerende werking heeft op het
creatieve vermogen van de mens; het
maakt hem tot homo ludens.
New Babylon is opgebouwd uit een
onbepaald aantal sectoren die zich naar
alle richtingen voortzetten. De grootte
van een sector kan variëren van 5 tot 15
of 20 hectare, bij uitzondering zelfs nog
meer. Deze sectoren zijn zo op elkaar
aangesloten, dat zij een samenhangend patroon vormen, van een zeer open, netvormige structuur. Resten
landschap, landbouwgrond en natuurparken worden door de bebouwing ingesloten.
Constant geeft zijn visie op de toekomst weer in maquettes, schilderijen, tekeningen, grafiek en teksten; zijn
ideeën hebben invloed gehad op de provo-beweging.
De sectoren bevinden zich ongeveer 16 meter
boven de grond en laten de bodem bijna geheel vrij
voor het snelverkeer. Het verkeer beschikt over een
wegenstelsel dat onafhankelijk van de bebouwing
verloopt en zowel de sectoren als de open gebieden
langs de kortste weg met elkaar verbindt. Men kan
verscheidene typen bovengrondse bebouwing
onderkennen, al naar de geologische gesteldheid:
ophanging in een metselconstructie, of
ondersteuning door pijlen, blokken, spanten en
natuurlijke bodemuitsteeksels, zoals rotsen. Bij
sommige sectoren is de bebouwing gedeeltelijk tot
de bodem doorgetrokken en fungeert zij als
dragende constructie voor de rest. In de regel streeft
men naar zeer grote overspanningen, onder andere
door het gebruik van lichte materialen in de
bovenbouw. Alle sectoren bestaan uit verscheidene
lagen uitgestrekte 'vloeren', die door middel van
lichte mobiele constructiedelen (wanden, schotten,
tussenvloeren, trappen) in kleinere ruimten kunnen
worden onderverdeeld. Naast deze variabele ruimteverdeling bevat iedere sector bovendien een of meer
permanente constructies die als woonhotel zijn ingericht en plaats bieden aan een aantal vaste bewoners (al
naar de afmeting van de sector) en ook aan tijdelijk verblijvende, zwervende New Babyloniërs. De sectoren
zijn afgedekt met terrassen die promenades, startbanen voor vliegtuigen, helihavens en sportvelden kunnen
bevatten.
De binnenruimte van de sectoren wordt collectief gebruikt. Men zou de functie van deze ruimte kunnen
vergelijken met die van de kathedraal in het premachinale tijdperk, of, beter nog, met een forum, een
marktplaats, een jaarmarkt.
Deze vergelijkingen schieten echter alle op één belangrijk punt tekort: de sociale ruimte van New Babylon
heeft geen beredeneerbare nuttigheidsfunctie. De sociale ruimte van New Babylon is een artistiek medium,
de eigenlijke materie van de New-Babylonische cultuur. New Babylon is één onmetelijk labyrint. Iedere
ruimte is tijdelijk, niets wordt herkend, alles is ontdekking, alles verandert, niets kan dienen tot oriëntatie. De
desoriëntatie is wezenlijk voor de New-Babylonische levenswijze. Ze is een belangrijk middel om een
psychologische ruimte tot stand te brengen, die vele malen groter is dan het werkelijke oppervlak. New
Babylon moet immers aan meer mensen onderdak verschaffen dan er op de aardbodem plaats voor is.
De New-Babyloniër is een nomade uit drang naar spanning, naar avontuur, naar intensivering van zijn leven.
Zijn materiële vrijheid bevrijdt hem van de sleur, maakt hem afkerig van gewoonten. Zijn leven is als een
voortdurende hersenspoeling: hij weet nooit wat komen gaat, hij kent nimmer de ruimte die hij betreedt, maar
zijn komst alleen reeds kan de sfeer veranderen.De meest uiteenlopende middelen, zowel technische als
natuurlijke, kunnen bij het ontstaan van de sferen een rol spelen. Men doorkruist koele en donkere ruimten,
warme, lawaaiige, kakelbonte, helverlichte, sombere, lage, verstikkende ruimten, natte, winderige ruimten
onder de blote hemel, obscure gangen en stegen, misschien een grot van glas, een dwaaltuin, een vijver,
een windtunnel, maar ook ruimten voor cinematografische spelen, voor radiofonische spelen, voor
psychologische spelen, wetenschappelijke spelen of erotische spelen, en ruimten voor isolement en rust.
Men kan ook dagen of uren zwerven door de parken en landschappen die door de sectoren worden
ingesloten. Of bovenop de terrassen een helikopter nemen naar de overkant. Hoever men ook zal gaan,
men vindt overal onderdak in de gemeenschappelijk geëxploiteerde woonhotels.
Constant over zijn New Babylon:
'Als het project dat hier in enkele grote lijnen geschetst wordt, zou worden beschouwd als een fantastische
droom, moet men wel bedenken, dat het, technisch bezien, uitvoerbaar geacht moet worden, dat het, uit
menselijk oogpunt bekeken, bevredigender is dan de omstandigheden waarin de mens nu meestal leeft, dat
het, in sociaal opzicht, waarschijnlijk onontkoombaar is. De mensheid als geheel leeft ver beneden de
mogelijkheden die reëel voorhanden zijn. Hoelang nog zal men dit schandelijke feit accepteren? De
bestaande mogelijkheden zullen onherroepelijk benut worden, dat is slechts een kwestie van tijd. Degenen
die, uitgaande van een versleten moraal, het leven in New Babylon wensen te beschouwen als een
amusement en de creatieve waarde ervan onderschatten, moeten eens denken aan de ontelbaren wier
verblijf op aarde geen andere betekenis heeft gekregen dan het verdienen van een plaats in een
denkbeeldige hemel. Als wij daaraan denken en als wij denken aan de fictie van eeuwigheidswaarde die de
kunst in vroegere perioden moest rechtvaardigen, kunnen wij het leven van de New-Babyloniër slechts zien
als een bevrijding van de mens, van de in wezen creatieve mens die zijn leven heeft te maken en niets
anders.'
Friedrich Hundertwasser
Decennia lang had Wenen weinig op met stadgenoot Hundertwasser. Als Friedrich Stowasser in december
1928 geboren deed de schilder ook ongeveer alles om zijn Weense omgeving te ergeren. Na het gymnasium
bezocht hij de kunstacademie, maar hij liep daar na korte tijd weg. Met de kunstrichtingen van zijn tijd wilde
hij niets te maken hebben. Surrealisten, abstract expressionisme, minimalisme bevielen hem niet. Vooral
diep onder de indruk van Egon Schiele, Paul Klee en Gustav Klimt ging hij zijn eigen weg in techniek,
kleurgebruik en verfbehandeling. Wenen, waar hij als half joodse jongen de nazitijd met moeite overleefd
had, keerde hij steeds meer de rug toe. Zijn eerste successen boekte hij bovendien in Parijs, New York en
Tokio. Hij had zichzelf inmiddels een nieuwe naam gegeven: Friedensreich Hundertwasser. De meeste
ergernis wekte hij in Wenen met zijn denkbeelden over architectuur. Het bouwen van het Bauhaus, de
Nieuwe Zakelijkheid, architecten als Adolf Loos, hij zag het allemaal als misdadig.
Uitspraken
De rechte lijn is goddeloos en immoreel. De rechte lijn is geen scheppende maar een reproducerende lijn.
Hierin is God evenmin aanwezig als de menselijke geest, wel dat kleine, hersenloze en gemakzuchtige
miertje uit de massa. Voor mij is de spiraal een symbool van het leven. Ik geloof dat de spiraal daar is waar
de statische materie ophoudt en iets levendigs begint. Mijn spiraal is niet geometrisch, het is een biologische
spiraal die niet kan worden nagemeten. Ze bevat uitstulpingen, obstakels en losse deeltjes in het midden en
aan de randen. Mijn spiraal groeit als een plant.
De produkten die door de mens vervaardigd worden zijn niet meer in harmonie met de natuur. Dikwijls blijft
een muziekstuk ernstig in gebreke ten opzichte van het ruisen van een waterval of het tsjirpen van de
vogels. Mijn beelden houden slechts dan stand als ze een vergelijking met bijvoorbeeld een stuk gras of
boom kunnen weerstaan.
Niet alleen staan Hundertwassers denkbeelden over architectuur lijnrecht tegenover de opvattingen van zijn
stadgenoot Loos, ook de verbindingen die hij legt tussen architectuur en natuur zijn nogal ongewoon.De
rechte lijn was volgens hem een door de mens bedacht dodelijk gevaar, de architectenliniaal een
moordwapen. De moderne woningbouw, die hij in schilderijen als 'Blutende Häuser' aan de kaak stelde,
noemde hij 'gevoelloos, dictatoriaal, harteloos, agressief, glad, steriel, onopgesierd, koud, onpoëtisch,
onromantisch, anoniem en gapend leeg. Een drogbeeld van functionaliteit'. Met manifesten en oproepen tot
bekering richtte Hundertwasser zich tot de openbaarheid. Soms ook met naakte actie: in Wenen en
München trad hij bloot op om extra aandacht te vestigen op zijn denkbeelden over de rechte lijn, over Adolf
Loos' schandelijke manifest Ornament und Verbrechen, op de onmenselijkheid van de wolkenkrabber en het
moderne flatgebouw en over het maar al te goed te begrijpen verschijnsel dat de moderne mens in zulke
behuizingen zelfmoord pleegt of gek wordt.
Zelf presenteert Hundertwasser zich steeds meer als 'architectuurdokter', die zieke gebouwen gezond kan
maken door met ronde lijnen de rechte hun ziekmakende kracht te ontnemen en door het planten van
bomen en struiken naast, in en op de gebouwen het organische karakter van architectuur te herstellen.
B: Lichaam en psyche
Een totaal andere benadering van het probleem Kunst-werkelijkheid vond plaats in de jaren zestig en
zeventig.
Stromingen als Fluxus, Zero en Nul horen hier bij. Zij grepen terug op
de ideeën van Duchamp; het onderscheid tussen kunst en dagelijks
leven is eigenlijk kunstmatig.
"Iedereen is een kunstenaar"
Josef Beuys
Het gevolg van deze visie was dat de kunstuitingen een ander
karakter kregen. Jan Henderikse gebruikte restanten van
afdrukcentrales om z'n metershoge collages te maken. Wolkers
maakte materieschilderijen met koeienmest. Ben Vautrier zette overal
z'n uitdragerswinkeltjes neer en schreef overal "loesjeachtige"
boodschappen.
De performance werd een bijzonder geliefde uitingsvorm voor
kunstenaars onder andere omdat in de jaren zeventig kunst ineens
een enorme marktwaarde begon te krijgen. De verf kreeg bij wijze van
spreken niet eens de tijd om te drogen; kunst was “hot”. Veel
kunstenaars voelden dit als een aantasting van hun vrijheid en
integriteit en zochten naar vormen waarop
de commercie geen greep zou hebben.
Daarnaast was het een heel basaal
gegeven om kunst met het lichaam te
maken. (body-art)
Mensen als Marina Abramovic, Chris Burden (liet zich kruisigen op een
volkswagen),Dennis Oppenheim (zie afbeelding), Vito Acconci en Bruce Nauman
maakten hier belangrijk werk. In allerlei opzichten wordt het menselijk uithoudingsvermogen onder de loupe
genomen. Video en fotografie krijgen in deze periode een impuls en worden steeds meer geaccepteerd als
kunstvorm. Eerst alleen als registratie, later als volwaardig medium. Het zijn meestal gedreven mensen met
idealistische doelen die deze kunstvorm bedrijven.
“The true artist helps the world by revealing mystic truths”
Bruce Nauman
Nauman vindt dat we pas mens zijn in ons
falen en onvermogen tot communiceren.
We moeten het eigenlijk hebben van de
korte momenten dat het ons wel lukt om
kontakt te krijgen met onze medemens.
Om deze boodschap uit te dragen maakt
hij gebruik van videobeelden, installties en
neonwerken. De clown is bij hem het
symbool voor dit onvermogen.
In de jaren negentig wordt de laatste stap
gezet. Orlan verandert haar eigen lichaam
door middel van plastische chirurgie. De
hele operatie wordt "live" uitgezonden en
was in verschillende Franse discotheken te
zien. Ook het kader van de kunst verandert; museum-discotheek. Deze Micheal Jackson van de kunst
beschouwt haar lichaam dan ook als instrument.
De schilders
e
In navolging van de expressionisten aan het begin van de 20 eeuw zijn er
nog steed kunstenaarsn die de schilderkunst blijven zien om alle aspecten
van het menselijk bestaan te laten zien. Er zijn verschillende tendenzen.
Direkt na de tweede wereldoorlog ontstond de Cobragroep. Net als de
Dadabeweging na de eesrte wereldoorlog realiseerden zij zich dat er een
nieuwe stap nodig was omdat het oude door de verschrikkingen van de
oorlog niet meer waar kon zijn. Het
was het einde van de idealen, de
grote verhalen zoals Christendom en
communisme bleken grote leugens.
De verschrikkelijke waarheid van de
holocaust werd eigenlijk pas na de
oorlog duidelijk en veel intelectuelen
konden zich niet verenigen met
mensen die alleen aan de
wederopbouw wilden werken en de
oorlog zo snel mogelijk weer wilden
vergeten. Opnieuw kwamen de
kunstenaars uit bij de wereld van het kind als het enige ware. Karel
Appel schildert zijn “vragende kinderen” (zie afbeelding) en Constant
maakt de verschrikkingen van de oorlog op geheel eigen wijze
zichtbaar,
Francis Bacon op primrose Hill, Bill Brandt 1963 ze zichtbaar.
Voor Francis Bacon lijkt het hele bestaan een constante oorlog. Hij schilderde de mens in al zijn onmacht
en in zijn worsteling met het bestaan. Zijn vervormde figuren zijn “vlezig” geschilderd en lijken zo kwetsbaar
omdat ze geen opperhuid lijken te bezitten. Om dit effect te versterken komen er zelfs kadavers van3 dieren
terug op zijn schilderijen. Voor Bacon is het proces van het schilderen essentieël en zijn schilderijen zijn een
neerlsag van zijn worsteling met de materie.
Lucian Freud (kleinzoon van de grote psychiater) laat onze kwetsbaarheid en verscheurdheid zien door zijn
modellen genadeloos eerlijk en zo precies mogelijk te schilderijen. Elke huidverkleuring, spatader of ander
afwijkend kenmerk ontsnapt niet aan zijn scherpe oog. Hierdoor zijn de schiderijen van Freud zo
confronterend. Je ziet de vergankelijkheid van het menselijk lichaam uitvergroot terug.
studies voor een kruisiging 1962 Francis Bacon
e
e
Fotografie in de 2 helft van 20 eeuw
e
Ondanks dat de film zich in de loop van de 20 eeuw sterk
ontwikkelde bleef er veel belangstelling voor fotografie bestaan.
Het steeds maar aangekondigde uitsterven van de fotografie als
kunstvorm heeft tot op de dag van vandaag nog steeds niet plaats
gevonden. Blijkbaar heeft het stilstaande beeld nog zoveel
aantrekkingskracht op ons dat we er nog niet zonder kunnen.
Vergelijk het maar eens met een filmstill die je buiten bij de
bioscoop ziet. Met onze verbeelding vullen we al bijna de hele film
in en kunnen we zo meegnomen worden door een enkele foto.
Ook is de beeldtaal in de fotografie door verschillende creatieve
fotografen uitgebreid en blijven we nieuwsgierig en geintrigeerd
door het beeld.
Voorbeelden
Het is moeilijk om binnen de fotografie stromingen te
onderscheiden. Globaal zou je kunnen zeggen dat er twee
hoofdrichtingen zijn; een groep die stevig aanschurkt tegen de
beeldende kunst een een andere groep met een sterke fascinatie
voor wat in de werkelijkheid gebeurt.
Hiernaast zie je het werk van Duane Micheals, een fotograaf die
in zijn foto‟s allerlei wonderlijke beeldverhalen vertelt, soms letterlijk,
want hij schrijft ook op zijn werk. Micheals is sterk geinspireerd door
het surrealisme en probeert met zijn beeldverhalen ons in een
onbewuste laag te treffen.
De nederlander Ed van der Elsken maakte een prachtige serie
foto‟s over de subcultuur in St. Germain des Pres. Hij woonde daar
zelf ook, was jong en arm. Hij maakte deel uit van het leven dat hij
fotografeerde. Het heeft hem wereldberoemd gemaakt en in staat
gesteld zijn levenswerk te maken; de mooiste, liefste,
ontroerendste, kwaadaardigste, afwijkendste, gerimpeldste,
doorleefdste mensen te fotograferen. Met dit doel is hij de wereld
rondgereisd en heeft het resultaat vastgelegd in het boek “eye love
you”. Van der Elsken had een sterk gevoel voor het dramatische in
een foto. Zijn zwart-foto‟s zijn herkenbaar doordat hij in de donkere
kamer bij het afdrukken altijd het belangrijkste zichtbaar accentueert
door de omgeving van het onderwerp donkerder te maken. De
gefotografeerde personen lijken hierdoor licht uit te stralen.
Nan Goldin (1953) maakt indringende foto's van haar eigen
vriendenkring, een sub-cultuur waarbij veel individueen op het randje
van de afgrond balanceren. Ze gaat daarbij veel verder dan van der
Elsken. Waar hij nog een meelevende toeschouwer was, neemt Goldin
volop deel. Het is haar leven, het zijn haar vrienden en de meest
intieme omstandigheden zoals seks en dood (veel van haar vrienden
heeft ze verloren aan drugs en aids) worden niet vermeden.
Ze spaart zichzelf daarbij niet. Het zelfportret nadat ze in
elkaar was geslagen door haar vriend liegt er niet om. Het is
een visueel en intiem dagboek wat we zien krijgen. Ze laat haar wereld
zien
zonder moreel oordeel of gene en daardoor krijgt haar werk
het karakter
van een indringende documentaire over een
subcultuur in New York. Hierdoor ervaar je haar werk dan ook niet als exhibitionisme.
Origineel in kleur.
Diane Arbus(1923- 1971)
In de jaren vijftig maakte Diana Arbus haar registraties van de menselijke soort in indringende zwart-wit
foto's die bij de kijker een nare bijsmaak achterlaten. Arbus laat de mens zien in al zijn onvolmaaktheid, zijn
wanhopig zoeken naar geluk.
Haar freaks confronteren ons met onze eigen
kwetsbaarheid doordat we deze honderd keer
uitvergroot terugzien bij de mensen die zij
gefotografeerd heeft. Haar foto‟s stonden in schril
contrast met het beeld wat opgeroepen werd in de
bladen. Ze wist maar al te goed hoe modebladen een
ideaalbeeld konden oproepen; ze was zelf jarenlang
modefotografe geweest en koos er nu voor om dit beeld
bewust af te breken. Dit was de werkelijkheid.
Uiteindelijk heeft ze zelf deze last niet meer kunnen
dragen. In 1971 pleegde zij zelfmoord.
Een nieuwe visie op muziek: John Cage 1912-1992
Al in een vroeg stadium gaf Cage aan het begrip muziek een ruimere inhoud. Naast gefixeerde tonen
konden naar zijn idee ook ruisklanken en stilte muzikaal geordend worden.
Deze elementen gingen in zijn composities vanaf ca. 1938 een belangrijke rol
spelen. Uit deze periode dateren veel stukken voor slagwerk en voor prepared
piano: een gewone piano waarin tussen de snaren houten, metalen of
rubberen voorwerpen zijn aangebracht, waardoor de klankkleur en de
toonhoogte van de aangeslagen snaren worden beïnvloed. Het werd
zodoende mogelijk de afstanden tussen de tonen te verkleinen: zogenaamde
'microtonen'. Tonen dus die op een normale piano niet gespeeld kunnen
worden. Met een prepared piano kun je dus heel bijzondere melodieën en
harmonieën spelen. De klank van de prepared piano doet Afrikaans aan.
(Denk aan de 'sansa' of 'duimpiano'). Cage bediende zich verder vooral van
eindeloos gevarieerde herhaling van ritmische patronen.
Vanaf 1951 gingen toevalsoperaties een rol spelen in de muziek van Cage.
Dat gold voor geluiden uit het dagelijks leven, die Cage in toenemende mate in
zijn muziek verwerkte. De toevalsoperaties werden aanvankelijk alleen
toegepast tijdens het componeren, in de vorm van het werpen van muntjes of het gebruik van de I-tjing,
maar later ook tijdens de uitvoering zelf: aan de uitvoerenden werden bepaalde beslissingen overgelaten,
bijv. de keuze van het tempo of de volgorde van compositie-onderdelen (Concert voor piano en orkest).
Deze ontwikkeling culmineerde in grafische partituren die de musicus naar believen kon interpreteren
(Variations). Daarmee werd een verhouding tussen „werk‟ en „uitvoering‟ geschapen waarin, artistiek gezien,
alleen het laatste telt. Met deze ideeën kwam Cage in 1958 naar Europa, waar ze grote opschudding
veroorzaakten. Hun invloed was echter het grootst in de Verenigde Staten, waar ze door een hele generatie
kunstenaars werden overgenomen.
'4.33'John Cage
The first performance of John Cage's 4'33" created a scandal. Written in 1952, it is Cage's most notorious
composition, his so-called "silent piece". The piece consists of four minutes and thirty-three seconds in which
the performer plays nothing. At the premiere some listeners were unaware that they had heard anything at
all. It was first performed by the young pianist David Tudor at Woodstock, New York, on August 29, 1952, for
an audience supporting the Benefit Artists Welfare Fund -- an audience that supported contemporary art.
Tudor placed the hand-written score, which was in conventional notation with blank measures, on the piano
and sat motionless as he used a stopwatch to measure the time of each movement. The score indicated
three silent movements, each of a different length, but when added together totalled four minutes and thirtythree seconds. Tudor signaled its commencement by lowering the keyboard lid of the piano. The sound of
the wind in the trees entered the first movement. After thirty seconds of no action, he raised the lid to signal
the end of the first movement. It was then lowered for the second movement, during which raindrops
pattered on the roof. The score was in several pages, so he turned the pages as time passed, yet playing
nothing at all. The keyboard lid was raised and lowered again for the final movement, during which the
audience whispered and muttered.
Invalshoek esthetica: eigentijdse schoonheid of postmodern. Hoofdstuk 2
Kunst wordt gemaakt in de kantlijn van andere kunst
Toen, bij het overlijden van Herman Brood,, aan Rudi Fuchs, directeur van het stedelijk museum in
Amsterdam, gevraagd werd waarom Broood nooit in zijn museum had gehangen gaf Fuchs als een van de
redenen dat Brood kunst maakte die teveel opzichzelf stond, geen relatie had met het verleden, weinig met
het heden en niet verwees naar de toekomst.
Fuchs verwoordt hiemee een visie op kunst die eigenlijk al eeuwen bestaat; ik zou het willen
samenvatten met de zin: kunst wordt altijd gemaakt in de
kantlijn van andere kunst.
Voorbeelden zijn er genoeg: nog steeds zijn er kunstenaars die
verwijzen naar de oude Grieken. Deze zijn in veel tijdperken maatstaf
geweest. (renaissance, neo-classicisme). Onze grootste schilder
Rembrandt liet zich graag inspireren door Italiaanse meesters als
Carravagio en Titiaan. Zijn 20 jaar oudere tijdgenoot Rubens zag hij
als de schilder die hij wilde overtreffen.
e
Een van de grootste genieën van de 20 eeuw, Picasso, speelde
veelvuldig leentjebuur bij zowel tijdgenoten als bij oude meesters als
Rembrandt, Velasquez, Manet en Cezanne. Bij de afbeeldingen zie je
hoe Picasso een oude meester als Velasquez verwerkt in een
schilderij. De compositie en licht-donkerverhouding laat zien dat
Picasso vrij dicht bij het origineel bleef.
In feite stelt ook Picasso de vraag naar de waarneming. Als je de werkelijkheid al eens door de bril van deze
beroemde kunstenaars gezien hebt, die allen iets nieuws aan de kunst toegevoegd hebben, wat kan je zelf
als uniek individu daar nog voor nieuws aan
toevoegen. In hoeverre is mijn kijken bepaald door
alle voorbeelden uit het verleden. Is het
onbevangen kijken geen illusie?
In onze tijd, die weleens postmodern wordt
genoemd maken kunstenaars als Jeff Koons van
citeren en soms ronduit plagiaat hun handelsmerk.
Ook in andere kunstdisciplines is het citeren en je
sterk laten beinvloeden door anderen aan de orde
van de dag. De klassieke filmscene uit Psycho van
Hitchcock met de douche is al in minstens 5
andere films teruggekomen. In de popmuziek
wemelt het van de Beatles, Stones of Elvisklonen.
Soms origineel en creatief gemaakt, soms met
goedkoop effectbejag.
Naast de visie die Fuchs aanhangt en die je zou kunnen omschrijven als het continu zoeken van allerlei
dwarsverbanden tussen kunstenaars onderling, tussen kunstenaars en maatschappij tussen heden en
verleden is er nog een andere visie die sinds de romantiek populair is geworden maar in feite al sinds de
renaissance bestaat. Het is, de tegenwoordig meestal als romantisch omschreven visie, van de kunstenaar
als uniek en oorspronkelijk individu die in volledige vrijheid zijn werk maakt zonder noemenswaardige
invloed van buitenaf. Michelangelo was een van de eerste kunstenaars die deze geniestatus opgelegd
kreeg.
Wassili Kandinski probeerde als een van de eerste kunstenaars die abstract werkten, een kunst te maken
die tegelijkertijd persoonlijk en uniek was maar ook aan objectieve maatstaven kon voldoen en dus van alle
tijden zou zijn. Het heeft niet mogen baten, zijn werk is (kunst)geschiedenis geworden en van een directe
invloed op latere kunstenaars is niet veel meer te merken.
Brood krijgt nu alom waardering omdat hij tegemoet komt aan diepgeworteld (romantisch) verlangen; het
verlangen naar vrijheid, naar uniek zijn. Zoals een columnist het treffend uitdrukte: Brood had overal schijt
aan en deed waar wij te schijterig voor waren. Brood leefde zijn eigen kunstenaarsverhaal en creëerde zo
zijn eigen mythe, misschien is dat wel zijn grootste kunstwerk. De tijd zal leren hoe het met dit kunstwerk
verder zal gaan. Tussen de regels door verschijnen nu al de eerste barstjes………
Adorno en de cultuurindustrie
De huidige consumptiemaatschappij heeft bij veel mensen vragen en kritiek opgeroepen. De toename van
de welvaart had zijn keerzijde: milieuvervuiling, dreiging van oorlog en economische belangen laten
prevaleren boven menselijke waarden. De filosoof Adorno [1903- 1969] is een van de belangrijkste critici
geweest van de consumptiemaatschappij. Adorno stelt dat we door deel te nemen aan deze
consumptiemaatschappij onze ziel aan de duivel hebben verkocht. In ruil voor economische welvaart leveren
e
we onze vrijheid en menselijke waarde in, terwijl we in de illusie leven vrij te zijn. Het 11 gebod: gij zult
consumeren is bepalend voor ons bestaan geworden. Als je kiest voor een maatschappelijke carriere ben je
overgeleverd aan de dictatuur van de cultuurindustrie. Het enige alternatief is je terugtrekken uit de
maatschappij zoals bijvoorbeeld Anton Heiboer met zijn zeven vrouwen in Den Wilp of zoals Jozef van den
Berg die in een fietsenschurtje ging wonen. Adorno vraagt zich vertwijfeld af waarom het de mensheid niet
lukt om een maatschappij te creeren waarbij menselijke waarden centraal staan. Hij ziet een rol weggelegd
voor de kunst als herinnering aan deze menselijke waarden. Hij schetst daarbij het beeld van kunst als
flessenpost voor de schipbreukelingen van deze tijd om de mens eraan te herinneren dat vrijheid nog
bestaat..
Post-modern of het belang van cultuurrelativisme
In de jaren tachtig en negentig komt er een nieuwe gedachte de wereld
van de kunst binnen; het postmodernisme, deze manier van denken
bestrijkt veel gebieden. Voor de kunst is het gedachtegoed van Danto het
belangrijkste. Naar aanleiding van een kunstwerk van Andy Warhol komt
hij tot z'n theorie. Warhol plaatst een aantal Brillodozen (schuursponsjes)
in een galerie. Danto vroeg zich af; wat is het verschil tussen deze dozen
en die je gewoon in de supermarkt kunt kopen. Hij concludeerde dat het
enige verschil de context van de galerie was. Er moest over nagedacht
worden. De kunst was filosofie geworden. Verder stelde hij dat de
moderne kunst zich nauwelijks meer vernieuwde maar steeds meer ging
variëren op een thema. Dit vernieuwende is het meest wezenlijke
kenmerk van het moderne en hierdoor is de kunst volgens Danto
postmodern geworden, na het moderne! (zie ook artikel over Danto)
Enerzijds geeft dit een enorme vrijheid, anderzijds vrijblijvendheid. Het
citeren ("lenen" van andere kunstenaars) is een geliefde werkwijze
geworden van veel postmoderne kunstenaars. Een postmoderne
kunstenaar is meestal niet meer aan z'n stijl te herkennen. Soms komt de
kunst wat onpersoonlijk over. Voor een aantal hedendaagse kunstenaars
is het beeld van de kunstenaar als uniek individu achterhaald; een
ouderwets romantisch ideaal!
Namen van kunstenaars; Jeff koons en Rob Scholte.
Jeff Koons, stofzuigers, plexiglas en fluoriserende lichten, 1980- 1987
Een voorbeeld van postmoderne architectuur is het Groninger museum. Als bouwstijl is het niet als een
geheel te herkennen en als je goed kijkt kun je allerlei citaten en verwijzingen herkennen. Ook in de collectie
van het Groninger museum wordt er “hoge”en “lage”kunst verzameld. Ze hebben een enorme collectie
videoclips, veel mode en design.
Postmodernisme is een veelomvattend begrip en vaak zijn de filosofen het niet met elkaar eens. Een aantal
kernbegrippen: cultuurrelativisme; ieder cultuuruiting is in principe even waardevol, afhankelijk van de
persoon die er naar kijkt. Dus ook geen verschil meer tussren hoge en lage kunst. Aan de grote verhalen
(lees: idealen) is een einde gekomen. Men hoeft zich niet meer te identificeren met een bepaalde groep om
iets uit te dragen, maar maakt een keuze uit de werkelijkheid. Je kan lid zijn van greenpeace en toch auto
rijden. Dit geeft een grote vrijheid aan het individu. Het gevaar wat hier op de loer ligt is natuurlijk
vrijblijvendheid. Danto ziet het einde van de kunst verschijnen en daarbij kijkt hij vooral naar de conceptuele
kunst; als de gedachte belangrijker is dan het materiële kunstwerk is de kunst filosofie geworden. De Franse
postmoderne filosoof Lyotard is het niet met hem eens. Hij is er van overtuigd dat kunstenaars steeds
nieuwe vragen op de wereld zullen loslaten en de mensheid dingen zullen laten zien die hun
voorstellingsvermogen te boven zullen gaan. Hierdoor zal men blijven leren dat men steeds op een andere
manier tegen de wereld kan aankijken. Zie verder artikel over Danto op digischool.
Modernisme
Idealisme

moderne kunst zocht naar geheel
nieuwe vormen, om daarmee een
bijdrage te leveren aan een betere
maatschappij.

men zocht naar een „eenheidstaal‟

constructie (of, zoals bij Dada:
destructie)

de modernistische mens was een
pelgrim: op zoek naar de Waarheid,
zijn leven liep min of meer in rechte
lijn naar een hoger doel.
Scheiding tussen hoge en lage kunst

er is een scheiding tussen moderne
kunst en andere levensgebieden.
Autonomie van de kunst kritischmaatschappelijke functie

kunst is een autonoom domein
geworden, naast dat van de
wetenschap, de moraal, de politiek,
de religie en de filosofie.

kritisch
Postmodernisme
Pragmatisme

amusementscultuur

er worden verschillende stijlvormen door elkaar
gebruikt: eclecticisme, een mengelmoes van
„talen‟.

deconstructie

de postmodernist is een toerist zonder reisplan:
hij wil niet vastgelegd worden op één
bestemming. Hij „zapt‟ door de wereld, op zoek
naar nieuwe ervaringen.
Grens tussen hoge kunst en massa-cultuur vervaagt

hoge kunst neemt de lagere tot voorbeeld
(Warhol‟s soepblikken, de kitsch van Jeff
Koons, muzak van Philip Glass)
Autonomie verdwijnt: allesomvattende cultuur- industrie

voetballer, choreograaf, schilder en modeontwerper, ondernemer of politicus: allemaal
zijn ze even creatief.

speelse consumptiecultuur
Stilistische zuiverheid, formalisme en
functionalisme, originaliteit


er is veel aandacht voor de
vormaspecten van het kunstwerk.
De kunstenaar wilde principieel zijn
moderne kunst is “per definitie”
gericht op vernieuwing. Originaliteit
is belangrijk: er wordt afstand
genomen van de (esthetische)
traditie. Een radicale breuk met het
verleden.

nadruk op eenheid

modernistisch design: de vorm van
een product moet zijn afgestemd
op de functie
Stilistische onzuiverheid, eclecticisme en historicisme

tradities worden zonder terughoudendheid
geciteerd: “vrije-stijlclassicisme”

herwaardering van het verleden

nadruk op verschillen

postmodern design: via eclecticisme en
deconstructivisme lijkt de kunstenaar
voortdurend te onderzoeken in hoeverre de
traditie „eigen‟ is te maken
Nadruk op authenticiteit en betekenis,
geniecultus

de modernistische kunstenaar
zoekt naar betekenis, naar de
Waarheid, het Subliem

Verlies aan diepte en betekenis ; kunst als imitatie en
parodie

kunst wil veelbetekenend zijn, jouw waarheid
naast de mijne en de zijne en die van haar
het ene Grote Verhaal

jouw en mijn verhaal, flitsen, fragmenten

ernst en idealisme

ironie, passief nihilisme (Warhol) of fatalisme

zoeken naar zekerheid, vaste
concepten

zoeken naar de meest verantwoorde en minst
slechte keuzes
Bronnen: A van den Braembusche: Denken over kunst, Coutinho 1996. Naomi Klein: NO LOGO,
Lemniscaat 2000. Coert Lindijer: Postmodern bestaan, Boekencentrum 1998. Vance Packard: de
verborgen verleiders, H.J. Paris, Amsterdam. Stephen Toulmin: Kosmopolis, verborgen agenda van de
moderne tijd, Agora 2001. Filosofiemagazine: no 10 jaargang 11.
De term Postmodernisme werd waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door de architectuurcriticus Charles
Jencks in zijn boek The Language of Post-Modern Architecture uit 1977. Hij definieerde Postmodernisme als
een 'populistische, pluralistische kunst, die onmiddellijk communiceert'. Op de tentoonstelling in 1980 'The
Presence of the Past' - onderdeel van de Biënnale van Venetië - vertegenwoordigde de 'Strada Nuovissima'
de gevoelens en stijl van de beweging. Dit was een straat, bestaande uit 20 façades die onder meer
ontworpen waren door Robert Venturi, Charles Moore en onder andere Ricardo Bofill. Deze 'straat' bevatte
enkele kenmerken die nu algemeen geassocieerd worden met het Post-modernisme, zoals de klassieke
bouworde die op een overdreven, speelse manier wordt gebruikt.
Deze speelsheid is een belangrijk kenmerk van de beweging. Postmodernisme is omschreven als theatraal
en kitscherig en ook zou het trachten een soort 'instant' geschiedenis op te roepen. Men gebruikt inderdaad
kolommen, frontons en rustica als een soort 'code'. Het gebruik van opzichte kleuren - vooral primaire maakt ook deel uit van het gebrek aan ernst. In Europa is het Postmodernisme te vinden in de Taller de
Arquitectura van Ricardo Bofill. Les Espaces d'Abraxus (1978) is een woonwijk in de nieuwe stad Marne Ia
Vallée, 16 km buiten Parijs. Het bestaat uit drie gebouwen (Theater, Paleis en Triomfboog) en is gebaseerd
op het Classicisme met zuilen en pilasters. De nieuwste technieken en materialen werden gebruikt, zoals
voorgestort beton, om een enorm theater met podium te creëren, met de bewoners als spelers.Om de
bevolkingsgroei van de regio Parijs de ruimte te geven en daarbij de binnenstad te ontlasten, heeft men rond
Parijs vijf nieuwe steden gebouwd, Villes Nouvelles genoemd. Cergy-Pontoise en St-Quentin-en-Yvelines
liggen ten westen van de stad. Marne-La-Vallée, Melun-Sénart en Evry liggen ten oosten van de stad.
De bouwactiviteiten zijn begonnen tussen 1970 en 1974, de inrichting is berekend op een gemiddelde van
200.000 inwoners per stad en het gezamenlijke oppervlak is meer dan viermaal Parijs. De opzet is dat elke
stad zijn eigen karakter, werkgelegenheid en voorzieningen heeft.
Het Spaanse architectenbureau van
Bofill heeft voor verschillende Villes
Nouvelles opdrachten gekregen voor
het bouwen van wooncomplexen. De
complexen van Bofill kenmerken zich
door een stads uiterlijk met veel
elementen en ornamenten die zijn
ontleend aan de Grieks-Romeinse
bouwkunst.
Saint-Quentin-en-Yvelines: Les
Arcades du Lac & Le Viaduc & Les
Temples du Lac
Een zeer groot Ricardo Bofill-complex
aan weerszijden van een kunstmatig
meer 'Le Lac'. Het bestaat uit drie
onderdelen. Het oudste gedeelte is
'Les Arcades du Lac'. Het heeft al wel
wat ornamenten die verwijzen naar de Grieks-Romeinse bouwkunst. Toch is het complex sober gehouden
Op de foto helemaal boven zie je ook het tweede complex. Dit is 'Le Viaduc', 74 woningen uit 1975, die als
een viaduct het meer in zijn gebouwd. Aan de overkant van het meer ligt het nieuwste project: 'Les Temples
du Lac'. Dit complex is begin jaren tachtig gebouwd en vormt net als les Colonnes de Saint Christophe een
halve cirkel, maar nu met aan de beide uiteinden Romeinse villa-achtige appartementencomplexen.
Ricardo Bofill werd geboren in Barcelona, waar hij ook met zijn architectuurstudie begon. Later studeerde hij
op de Ecole d'Architecture te Genève. Bekendheid verwerft hij met zijn architectenbureau dat Taller de
Arquitectura wordt genoemd en waarvan het hoofdkantoor gevestigd is in een oude cementfabriek aan de
rand van Barcelona.
Minder is vervelend Zijn eerste boek, Complexity and
Contradiction, publiceerde Robert Venturi (1925) in een reeks over
de theoretische grondslagen van de moderne architectuur. Hierin
zette hij al zijn bezwaren tegen het modernisme op een rijtje. Het
leek je reinste ketterij: de slogan van Mies 'minder is meer' draaide
hij om tot 'minder is vervelend'. Bij zijn eclectische keuze toonde hij
een voorkeur voor zulke uiteenlopende inspiratiebronnen als het
maniërisme en de pop art. Bovendien had hij veel belangstelling
voor het straatbeeld met al zijn reclames en andere
aandachtstrekkers.
Ik houd van complexiteit en tegenspraak in architectuur. Ik houd niet
van het onsamenhangende, het willekeurige van 'zwakke'
architectuur, ook niet van de overdreven ingewikkeldheid van
pittoreske of expressionistische architectuur. Ik pleit daarentegen
voor een complexe architectuur vol tegenspraak, gebaseerd op de
rijkdom en de tegenstrijdigheden van eigentijdse ervaringen met
inbegrip van de ervaringen inherent aan kunst. De traditionele
elementen van de architectuur volgens Vitruvius: degelijkheid,
doeltreffendheid en schoonheid (firmitas, utilitas en venustas) geven
al complexiteit en tegenspraak aan. Vandaag de dag lopen de eisen
van programma, constructie, technische kwaliteiten en
zeggingskracht zelfs in afzonderlijke gebouwen in een De vergroting van dimensies en schaal in de
architectuur van stedelijke en regionale planningen maken de moeilijkheden groter. Ik ben blij met de
problemen en buit de onzekerheden uit. Door tegenspraak en complexiteit te omarmen mik ik op vitaliteit en
validiteit. Architecten kunnen zich niet meer laten inpakken door de puriteinse en moralistische taal van de
'orthodox' moderne architectuur. Ik heb liever elementen die overal vandaan komen dan 'pure', liever
compromissen dan 'zuiverheid', liever 'krom' dan 'recht', liever dubbelzinnig dan uitgesproken, liever pervers
en onpersoonlijk, vervelend en interessant, liever conventioneel dan origineel, liever aangepast dan
exclusief, liever weelderig dan eenvoudig.
Geef mij maar traditionele middelen èn vernieuwende, tegenstellingen en dubbelzinnigheden in plaats van
dat heldere en directe. Ik kies voor wanordelijke vitaliteit en niet meer voor een vanzelfsprekende eenheid.
Het onlogische hoort er voor mij bij en ik spreek me uit voor dualiteit. Eenvoudige context meer uiteen en zijn
ze strijdiger met elkaar dan vroeger ooit voorstelbaar was.
De vergroting van dimensies en schaal in de
architectuur van stedelijke en regionale planningen
maken de moeilijkheden groter. Ik ben blij met de
problemen en buit de onzekerheden uit. Door
tegenspraak en complexiteit te omarmen mik ik op
vitaliteit en validiteit. Architecten kunnen zich niet meer
laten inpakken door de puriteinse en moralistische taal
van de 'orthodox' moderne architectuur. Ik heb liever
elementen die overal vandaan komen dan 'pure', liever
compromissen dan 'zuiverheid', liever 'krom' dan
'recht', liever dubbelzinnig dan uitgesproken, liever
pervers en onpersoonlijk, vervelend en interessant,
liever conventioneel dan origineel, liever aangepast
dan exclusief, liever weelderig dan eenvoudig. Geef
mij maar traditionele middelen èn vernieuwende,
tegenstellingen en dubbelzinnigheden in plaats van dat heldere en directe. Ik kies voor wanordelijke vitaliteit
en niet meer voor een vanzelfsprekende eenheid.. Het onlogische hoort er voor mij bij en ik spreek me uit
voor dualiteit.
Woonhuis in Chestnut Hill, Pa. Venturi en Rauch, 1962
Dit gebouw doet recht aan de leus complexiteit en tegenspraak: het is complex èn eenvoudig; open èn
gesloten; groot èn klein; enkele elementen zijn goed op het ene niveau en slecht op een ander. (...)
De binnenruimtes zijn complex en hebben geforceerde vormen door hun onderlinge relaties. Zij
beantwoorden aan de complexiteit die enerzijds verbonden is aan het woonprogramma als zodanig en
anderzijds aan de paar grillen die er nog mee door kunnen voor een individueel huis.
Daarentegen is de buitenvorm - met de als een scherm werkende muur en het puntgeveldak - die de
ingewikkelde binnenruimte omsluit eenvoudig en consistent: hij geeft van dit huis de schaal naar buiten toe
aan. De voorzijde met zijn conventionele combinatie van deur, ramen, schoorsteen en puntgevel, schept een
bijna symbolische afbeelding van een huis.
Ik ben meer voor de rijkdom dan voor de helderheid van betekenis, voor de impliciete èn voor de expliciete
functie. Ik heb een voorkeur voor 'zowel als' boven 'of of', 'zwart èn wit en soms grijs' boven 'zwart of wit'.
Sterke architectuur roept een veelheid van betekenislagen en aandachtspunten op, die tegelijkertijd op vele
manieren zijn te lezen. Complexe en tegenstrijdige architectuur moet in de aanvaardbaarheid van het totaal
naar voren komen. Zij heeft de moeilijke opdracht om alomvattend te zijn en daar een eenheid in te bereiken,
in plaats van die eenheid te verkrijgen door het uitsluiten van mogelijkheden. Meer is niet minder. 'Orthodox'
moderne architecten hebben onvoldoende of niet consequent oog gehad voor complexiteit. Bij hun poging
met de traditie te breken en helemaal opnieuw te beginnen idealiseerden zij het primitieve en elementaire
ten koste van verscheidenheid en raffinement. Als revolutionairen juichten zij de nieuwheid van moderne
functies toe en zij letten niet op hun gecompliceerdheid. Als puriteinse hervormers pleitten zij voor de
scheiding en uitsluiting van elementen in plaats van tegengestelde eisen op te nemen. (...)Samenstelling
bronmateriaal ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 voor havo en vwo in het profiel C&M..
Meewerken aan deze site? Opsturen via e-mail is voldoende. Uit: R. Venturi, Complexity and
Contradiction in Architecture, Londen 1977 / Bronnenbundels
Symbooltheorie
Suzanne Langer laat zich in haar theorie leiden door de gedachte dat
bij alles wat we waarnemen, het waargenome eerst in taal (symbolen)
moeten omzetten voor we het kunnen begrijpen. Anders gezegd: de
werkelijkheid op zich betekent niets, hij krijgt pas betekenis op het
moment dat hij geïnterpreteerd wordt. Geen enkele waarneming is
onbevangen of maagdelijk maar altijd gekleurd door wie we zijn (o.a.
Kant).
Het nieuwe van haar theorie was dat kunst een taal spreekt die
symbolisch is en dat dat afhangt van het denkkader dat gebruikt wordt
(de bril die men opzet). Dit aspect van haar theorie wordt in onze
postmoderne tijd van cultuurrelativisme gewaardeerd; er is geen
waarheid, zaken kun je van meerdere kanten bekijken.
Het gaat Langer om het geven van betekenis. Dit kan je op twee niveaus begrijpen; intuïtief zoals bij muziek
en abstracte kunst en de symbolische taal zoals bij min of meer realistische kunst en literatuur (waaronder
ook songteksten). Deze niveaus lopen door elkaar en zijn vrij willekeurig van aard. Toch is een mens, die
kunst wil beleven, afhankelijk van conventies (afspraken) anders zou het kunstwerk hem niets zeggen.
Langer kon weinig met de nabootsingstheorie en stelde daar de afbeeldingstheorie tegenover; zowel
structuur, vorm als betekenis maken deel uit van dezelfde boodschap: het kunstwerk!
Minimal art
Ook de schilderkunst maakte in de jaren zeventig een basale fase door; het was de tijd van de minimal art
en de conceptuele kunst. Minimal art betekent dat de kunstenaar zich alleen beperkt tot de beeldende
middelen die bij het schilderen of beeldhouwen horen. Bijvoorbeeld de schilderijen van Stella of Fontana en
de beeldhouwwerken van Donald Judd, Sol Lewit (zie afbeelding) of Carl Andre. Ze verwijzen alleen naar
zichzelf. Er mag geen betekenis of ruimtelijke en symbolische werking in zitten. Het gaat alleen over ritme,
compositie en structuur. Soms zijn de werken zo abstract dat je ze alleen nog maar door de context van het
museum nog als kunst herkent. Het is misschien wel te begrijpen vanuit welke gedachten deze kunstwerken
voortkomen; een enorme drang naar helderheid zonder welke achterliggende gedachte dan ook. Er lag ook
e
onvrede aan ten grondslag; wat kon nog waar zijn na alle oorlog en corruptie die de 20 eeuw gebracht had.
Deze werken vragen over het algemeen wat meer tijd, voor je de schoonheid ervan kunt ervaren.
Conceptuele kunst
Conceptuele kunst doet in feite precies het
tegenovergestelde; het idee is het meest wezenlijke van het
kunstwerk. De eerste kunstenaar die hier mee begon was
Edward Kienholz. Eigenlijk waren zijn motieven puur
praktisch. Kienholz maakte grote ruimtelijke installaties die
vaak erg kostbaar waren. Hij zette een idee op papier en
verkocht ze als een soort aandelen aan kunstliefhebbers.
Als het geld binnen was kon het werk gemaakt worden.
Kienholz is dan ook geen echte conceptuele kunstenaar;
zijn kunst is meer verwant aan de pop-art en neo-dada.
De meest duidelijke en meest consequente exponent van
deze stroming is de Amerikaan Josef Kosuth
Hiernaast zie je een van de meest duidelijke voorbeelden:
een afbeelding van een
stoel, een echte stoel en
beschrijving van een stoel uit het woordenboek. In feite maakt het ons op
een hele heldere wijze duidelijk op welke niveaus we de werkelijkheid
Kunnen beleven. Kosuth maakt ons duidelijk hoe we gewend zijn aan
abstracties die de plaats in kunnen nemen van de echte dingen. Kunst
wordt bij Kosuth filosofie.
Er zijn ook andere vormen van conceptuele kunst; Sol Lewit laat ruimtes
veranderen door tekeningen, meestal arceringen die door anderen worden
uitgevoerd. Hans Haacke stelt allerlei onrecht aan de kaak door de
beeldtaal van het object van zijn ongenoegen over te nemen. Hij heeft het vooral op grote multinationals
voorzien en ook grote kunstverzamelaars ontkomen niet aan zijn woede. Van het schilderij hiernaast heeft hij
de levensloop beschreven en zo bijvoorbeeld duidelijk gemaakt hoe bijvoorbeeld de nazi‟s een levendige
handel in kunst hadden die tot op heden nog doorwerkt. In feite stelt hij de vraag naar wat commercie en
moraliteit met kunst te maken hebben.
Invalshoek kunst en opdrachtgever:
politieke en economische macht
Hoofdstuk 3
Pop-art en neo-dada
In de jaren vijftig en zestig ontstaat er opnieuw een beweging die de kloof tussen de "hoge" en "lage"kunst
wil opheffen; de popart. Ook zij reageren kritisch op een
stroming; het abstract expressionisme. Deze kunstenaars
kwamen tot de conclusie dat de werking van een
metersgroot reclamebord veel groter is dan dat van een
klein schilderij.
Zij probeerden zich de taal van de massamedia eigen te
maken. Deze kunstenaars gingen werken volgens een
aantal principes; veel werken kregen een signaalfunctie
d.w.z. ze moesten opvallen en het moest in een oogopslag
duidelijk zijn waar het over ging(o.a. Rosenquist en Johns.
Het tweede principe is dat van de herhaling; allerlei
beelden uit onze massacultuur worden als een soort
behangpapier in het museum gehangen (o.a. Warhol en
Rauschenberg. Het derde uitgangspunt is dat van de
vervreemding. "Gewone" voorwerpen of afbeeldingen
worden zo veranderd dat het niet meer "klopt" en zo wordt
onze waarneming geprikkeld en gaan we misschien wel
vragen stellen over het gemak waarmee we de dingen
accepteren als we naar de wereld kijken.
Richard Hamilton, 1956, Wat is het toch dat de huizen van vandaag zo anders
maakt, zo aantrekkelijk?
De uitvergrote strips van Roy Lichtenstein en de voorwerpen van Cleas Oldenburg; slap gereedschap,
uitvergrote hamburgers, de collageachtige combinepaintings van Rauschenberg zijn allemaal voorbeelden
van vervreemding van ons “normale” waarnemen.. Popkunst gaat over onze tijd. Ze kan registrerend,
verheerlijkend, vervreemdend maar ook kritisch zijn.
"Ik wil een machine zijn die registreert en
onophoudelijk
nieuws produceert"
"Het mooiste in Peking is de Mc Donalds
(honderd varianten)
Andy Warhol
Cleas Oldenburg, 1962, reuzenhamburger 123x 213 cm
Andy Warhol (1928- 1987)
Hij wordt gezien als een van de belangrijkste
vertegenwoordigers van de pop art. Warhol was een
kunstenaar die gegrepen was door de werking van de
massamedia. Hij had een fascinatie voor wat nieuws was en
voor het fenomeen beroemd zijn. Warhol heeft zelf jarenlang
bij een reclamebureau gewerkt en wist daardoor hoe hij een
produkt aan de man moest brengen; publiciteit zoeken en de
juiste “marketingstrategie” toepassen waren voor hem een
vanzelfsprekendheid. Warhol heeft zich met allerlei terreinen
van de kunst beziggehouden. Hij is begonnen met het
schilderen van strips maar algauw stapte hij over naar het principe van de herhaling. Enorme grote wanden
vol met Campbell‟s soepblikken, dollarbiljetten etc. Later stapte hij over naar de zeefdruktechniek, ook het
onderwerp veranderde: portretten van beroemdheden zoals Elvis en Marilyn Monroe en krantenfoto‟s,
slordig bewerkt en eindeloos herhaald. Zijn disasterserie is juist door die herhaling zo indrukwekkend
geworden. Met name door deze serie is er weleens gedacht dat Warhol een politiek kunstenaar zou zijn.
Warhol was eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in processen en wat het toeval hem zou opleveren. Het
atelier van Warhol werd de factory genoemd. Je zou hier de mechanische manier waarop Warhol tegen
kunst aankeek aan af kunnen lezen maar in feite was het meer een soort mediafabriek, een broedplaats voor
talent, freaks en andere leden van een subcultuur in New York.
De andere disciplines waar Warhol zich mee bezighield waren film en fotografie. In de film wilde hij zoveel
mogelijk het echte leven vastleggen. Soms zette hij twee personen op een bank en liet ze doen waar ze zin
in hadden terwijl de camera, vanuit vast standpunt op statief alles opnam. Voorbeeld “sleep” een zes uur
durende film over een slapende man of het acht uur durende “The Empire Sate Building as a moviestar”.
Warhol had een passie voor het fotograferen van beroemdheden en begaf zich graag in de kringen van de
jetset. Hij gaf zelfs een blad uit over beroemdheden: Famous.
Edward Kienholz(1927Edward Kienholz werd in 1927 in Fairfield, Washington, in de
Verenigde Staten geboren. Als zoon van een boer leerde hij
timmeren en raakte hij vertrouwd met het loodgieterswerk en
eenvoudige machinebouw. Na allerlei banen ging hij in 1953 in
Los Angeles wonen waar hij een galerie dreef. In 1954 begint hij
met het maken van houten reliefs waarin hij objecten verwerkt.
Vijf jaar later maakt hij zijn eerst vrijstaande assemblage "John
Doe". Zijn eerste tableau "De Roxy's" (1961), naar een beroemd
bordeel in Las Vegas, bestaat uit losse elementen die steeds
opnieuw, afhankelijk van de beschikbare ruimte en meubelen,
worden geïnstalleerd. Kienholz neemt in zijn werk stelling tegen
bepaalde situaties in onze samenleving. Hij is niet bang om met
de keuze van zijn onderwerpen en de vaak gruwelijke manier
van uitbeelden, taboes te doorbreken.
Dat hij sterk begaan is met het menselijk lot blijkt bijvoorbeeld uit
"The State Hospital" (1966).(zie afbeelding) In een grote, grijze
kist zit een deur met een getralied raampje waar we, misschien
net als de verpleger of bewaker, door moeten kijken. Binnen
liggen in een kale cel op twee bedden boven elkaar twee
uitgemergelde menselijke figuren.
Ze zijn vastgebonden en hun gezicht is een vissenkom met levende vissen. De bovenste figuur is door een
rose neonbuis omgeven die als een soort "gedachtenwolk" verbonden is met de onderste figuur. Deze man
is helemaal opgesloten in zijn eigen situatie: zelfs in zijn gedachten kan hij er zich niet meer van bevrijden.
In boeken over kunst wordt Kienholz vaak genoemd bij Pop Art. Je zou hem wel kunnen rekenen tot de
voorlopers van de Pop Art in Los Angeles maar door zijn maatschappelijke stellingname onderscheidt hij zich
wezenlijk van bijvoorbeeld de New Yorkse Pop Art die veel afstandelijker, "cooler" is.
Tableaux
Kienholz noemt de environments die hij vanaf 1961 maakt,
Tableaux. In zijn jeugd zag hij veel gekostumeerde, "tableaux
vivants" in dorpskerken en schuren. De theatrale opstelling
van figuren in een wassenbeeldenmuseum noemt men ook
wel tableau. "Mensen in elke context kunnen een aanleiding
vormen voor een tableau", zegt Kienholz, "dit spreekt
boekdelen over onze huidige maatschappij".
Door zijn keuzen en de manier waarop hij zijn tableaux
samenstelt, confronteert Kienholz ons steeds met een
bepaald aspect van onze samenleving.
The birthday 1964
Uit: Vouwblad
Edward Kienholz,
Stedelijk Museum
Amsterdam
The backseat dodge 1964
Centre Pompidou
Het Centre d‟Art et de Culture Georges Pompidou is de werkelijke naam en heeft als doel de moderne kunst
aan het publiek te tonen. Je vindt hier niet alleen de grootste collectie moderne kunst, maar ook een
kolossale openbare bibliotheek en mediatheek, een kinderatelier een centrum voor industriële vormgeving,
een filmmuseum en een restaurant op de bovenste verdieping met uitzicht over de stad.
Het gebouw is ontworpen door de architecten Gian Franco Franchini en Renzo Piano uit Italië en Richard
Rogers uit Engeland. Het is gebouwd met glas en staal vanuit het principe dat de techniek van het bouwen
als schoonheid niet verhuld mag worden. Het vormt mede door de felle kleuren waarin het geschilderd is een
scherp contrast met de omliggende bebouwing. President Georges Pompidou hield van moderne
architectuur maar streek veel Parijzenaars tegen de haren in met deze creatie. Inmiddels is het gebouw door
velen geaccepteerd en een belangrijke toeristische trekpleister geworden.
Het Centre National d'Art et de Culture in Parijs is vanaf de opening een groot succes. Het gebouw heeft
verschillende functies. Zo bevat het onder meer een museum voor moderne kunst en een bibliotheek Het
wordt dagelijks bezocht door 30 000 bezoekers. Het enorme gebouw dat op de plaats van de voormalige
negentiende-eeuwse markthallen staat, onderscheidt zich door opvallend kleurgebruik in de gevels. Zo zijn
in de constructie, de leidingen en de steunpunten uitsluitend de kleuren wit, blauw, rood en groen toegepast
Verder zijn alle leidingen en constructieve elementen aan de buitenzijde geplaatst, waardoor het lijkt alsof
het gebouw binnenste buiten is gekeerd. Zo lopen de roltrappen door een doorzichtige buis diagonaal langs
de voorgeveL Binnen zijn alle ruimtes gelijk, wat bij het museum voor moderne kunst een tekort aan
muurvlakken om te exposeren inhoudt
Via de roltrappen in de buizen kom je gemakkelijk op de derde en vierde verdieping waar de moderne kunst
permanent en tijdelijk staat. Op de vierde verdieping vind je de kunst uit de periode tussen 1905 en 1965 met
werken van onder andere Matisse (Fauvisme), Picasso (en het kubisme plus zijn latere periode), Mondriaan
(abstracte kunst) Dali (surrealisme) Arman Christo (nieuw realisme) en Warhol (Pop-art). De derde etage is
bestemd voor kunst uit de periode van 1965 tot 1985.
06-11-2007 CKV-1 Rebellie en experiment CKV-2 Massacultuur 2de helft 20ste eeuw
DIGISCHOOL CKV Foto's Baggen HFM
De wereld van Disney is overal.
Disneyland en Disneyworld en alle andere Disneyparken zijn plaatsen waar alles veilig is en men vermaakt
wordt, werelden waar geen onplezierige verrassingen plaatsvinden en alles is gesaneerd.
In Disneyworld is alles overal hetzelfde. Disney is een gigantisch multinationalbedrijf dat veel controle heeft
over de entertainmentindustrie, zoals tv, films, muziek, radiostations en tijdschriften. Deze producten zijn
betoverend, zeer aantrekkelijk, prikkelend, spannend en technisch up-to-date, zodat ze gemakkelijk
onderdeel vormen van de cultuur die mensen met hun vrienden delen. Als gevolg hiervan wordt de rol van
de lokale, traditionele cultuur minder sterk evenals de eigen karakters en figuren. Gezien het feit dat de
Westerse cultuur zich steeds meer uitspreidt over de wereld, zal de wereld veel van haar culturele diversiteit
verliezen. Iedereen wordt langzamerhand meer hetzelfde: over de hele wereld dragen tieners dezelfde
kleding, bestaande uit een spijkerbroek met T-shirt en sportschoenen. Landen als Canada, Frankrijk en
Maleisië hebben zich ingezet om hun eigen culturele tradities te beschermen door de import van
buitenlandse boeken, films en andere producten te limiteren.
Maar grote bedrijven zoals Disney Inc. maken consumptie onderdeel van sport, entertainment en kunst en
daaraan valt moeilijk te ontkomen. Als kinderen bijvoorbeeld de laatste Disneyfilm hebben gezien, is dat nog
maar het begin van het consumptieproces, want dan willen ze ook de video‟s, sleutelhangers, speelgoed, Tshirts, kladblokken, puntenslijpers met hun nieuwe helden erop hebben. Elke film komt uit met een heel
pakket aan producten, spelletjes, kinderboeken en natuurlijk met een goed doordacht marketing plan voor
het geheel. Disneys themaparken blijken tegenwoordig model te staan voor steden en commerciële
projecten. Overal zijn er restaurantketens, gigantische winkelcentra en gemoderniseerde stadscentra met
allemaal dezelfde patronen van consumptie, spektakel en permanente controle. Allen ontworpen om de
bezoeker het gevoel te geven even weg te zijn van het dagelijkse leven en aan te zetten tot consumptie. Als
deze ontwikkeling zich verder verspreidt, dan is er steeds minder ruimte voor andere waarden en normen en
zullen lokale culturele tradities vervagen. Tot dusver is de Disneyficatie het meest doorgedrongen in de
Westerse wereld.
De publieke ruimten zijn nu niet meer gelijk aan traditionele publieke ruimten die toegankelijk waren voor
iedereen. Visuele consumptie en gecentraliseerde structuren van economische macht beheersen nu totaal
de collectieve fantasie. Ruimten lijken openbaar, maar ondertussen zijn ze streng gecontroleerd en hebben
ze beperkte of zelfs exclusieve toegang. Het zijn ruimten voor collectief gebruik, maar tevens privé-terrein,
ontworpen voor de ontwikkeling van productieve activiteiten, zoals winkelen en andere vormen van vrije
tijdsbesteding. De nieuwe publieke ruimte lijkt te worden geleid door plantechnische en economische
krachten, zodat ze ideaal te hanteren zijn. De nieuwe publieke ruimtes zijn kopieën van Disneys pretparken
en voldoen steeds aan dezelfde eisen:

kleurrijke en schone vermaak architectuur

interpretaties van historische architectuur

consumptie als hoofddrijfveer (winkelen en eten)

privé wetten en politie

speciale gedrag- en kledingcodes voor de werknemers
Disneys concept voor publieke ruimte en architectuur is diep doorgedrongen in de wereld buiten de
themaparken. Middels geruststellende, belevingsarchitectuur wordt de bezoeker aangezet tot consumeren in
een "publieke" ruimte. "Publiek", omdat de door het multinationale bedrijfleven gecontroleerde ruimten
eigenlijk meer een privaat karakter hebben, want niet zomaar iedereen kan er gebruik van maken.
Invalshoek kunst en vermaak
COMMERCIE, IDEALEN EN KUNST
Zappen als cultuur / ongetemd machtsspel
"Het enige verschil tussen mij en een gek is dat ik niet gek ben"
Hoofdstuk 4
Salvador Dali
Inleiding
Sinds het ontstaan van de industriële revolutie is er een cultuur ontstaan van steeds meer consumeren. Er
ontstonden zo langzamerhand steeds groter wordende economische belangen.
De reclame kwam de wereld in en ontwikkelingen op allerlei terreinen gingen steeds sneller. Daarnaast
e
kwam er al in de 19 eeuw een tendens op gang die je zou kunnen beschrijven als democratisering van
cultuur. Kunst en cultuur was niet langer meer voorbehouden aan een bevoorrechte klasse maar kon van
iedereen zijn. Aanvankelijk zag men in kunst een opvoedende en vormende waarde, later werd het een
kunstvorm die alleen vermaak tot doel had; de massacultuur was geboren. Hiermee ontstond automatisch
ook het verschil tussen hoge en lage cultuur. (cultuur van museum, theater en concertgebouw tegenover
massacultuur) In onze tijd wordt dit verschil als nogal kunstmatig ervaren en door verschillende kunstenaars
aangevochten. Er zijn kunstenaars die zich op allerlei gebieden verdienstelijk maken en niet vies zijn van
commercie. Naast hun autonome (zelfstandige) werk doen ze vaak aan reclame, acteren, spelen in een
popgroep en werken als veejay. Opvallend is dat ze geen enkel verschil maken tussen al deze
werkzaamheden De kunstenaar maakt zijn eigen podium en is niet meer afhankelijk van het museum om zijn
werk getoond te krijgen. Deze mentaliteitsverandering heeft ervoor gezorgd dat soaps, musicals, films,
videoclips, strips, popmuziek etc. nu als volwaardige kunstvormen gewaardeerd worden.
Het stripverhaal
Max und Moritz van Wilhelm Busch (1865!!) wordt algemeen als het eerste stripverhaal beschouwd. Aan het
e
begin van de 20 eeuw was de strip behoorlijk ingeburgerd als vermaak maar ook als middel tot satire en
verzet. Beroemde strips uit die tijd waren; Tarzan, Flash Gordon en Prince Valiant in het heldengenre en
Little Nemo en Krazy Kat bij de satire.
Na 1945 begon het karakter van de strip te veranderen onder invloed van twee tendensen; bezorgde ouders
(de vermeende negatieve invloed van strips op kinderenen) en striptekenaars die wilden dat strips wat meer
in de richting van de kunst op zou gaan. Er ontstonden strips met “dubbele-bodemhumor” zoals Asterix die
zowel voor kinderen als volwassenen geschikt waren.
In de Verenigde Staten leefde de strip enorm in de jaren „50 en ‟60. Strips als Charlie Brown en later Garfield
waren een enorm succes. In de jaren ‟60 ontstond de undergroundstrip die alleen bedoeld was voor
volwassenen. Deze strips waren soms satirisch of politiek getint, soms gewelddadig of pornografisch.
Meestal waren ze bedoeld als uiting van verzet of nihilisme (pessimistische levenshouding zonder idealen).
Namen: Jules Feiffer, Will Eissner en Robert Crumb (Fritz the Cat). Art spiegelman met de strip Maus over
trauma‟s van de tweede wereldoorlog.
Striptekenaars die meer de kant van de kunst opgingen waren vooral in Frankrijk en Italië te vinden. Namen
Moebius, Bilal, Tardi en Pratt. Dit artistieke liet zich zien de verhalen (mysteries en science fiction) maar
vooal in het tekenwerk; fantasievol werk met vaak sterke contrasten zowel in kleur als zwart-wit. Iedere
tekenaar kreeg zijn eigen handschrift in het arceren.
Musical
e
De musical heeft zijn wortels al in de 19 eeuw liggen. In het variété werd al aan gekostumeerde pantomime
gedaan met dans en muziek. Ook de operette was van grote invloed. Landverhuizers namen deze cultuur
mee naar de verenigde staten en al snel werden op Broadway musicals uitgevoerd. In het begin in de vorm
van minstrelshows. Dit zijn grote spektakels van zang en dans, vrolijke jazzmuziek en blanke zangers
verkleed als negers. Later, in de jaren ‟30, kwamen er steeds meer echte musicals met een verhaal erin,
maar kreeg ook de filmindustrie in Hollywood in de gaten dat er een grote markt voor de musical was.
Namen uit die tijd: Rodgers en Hammerstein, Irving Berlin. George en Ira Gershwin maakten een soort
combinatie van jazz en klassieke muziek. Porgy en Bess is een klassieker; voor die tijd sowieso bijzonder
omdat het hele stuk door negers gespeeld wordt.
In de jaren ‟50 is de musical razend populair en wordt een technisch hoogtepunt bereikt. Titels uit die tijd:
West-side story, Hello Dolly, My fair lady, Fiddler on the roof etc.
In de jaren ‟60 heeft de tegencultuur ook zijn invloed op de musical; de rock-musical ontstaat. Met nieuwe
muziek (soul en pop), nieuwe choreografie, nieuwe decors, psychedelische effecten, schokeffecten (naakt
op toneel, opruiende taal) en veel improvisatievermogen probeerde men Broadway de rug toe te keren. Het
is opvallend dat een van de meest tegendraadse musicals, Hair, het langst op Broadway gedraaid heeft.
Andere titels uit deze stroming: Oh, Calcutta, Sweet Charity en Jezus Christ Superstar.
In de jaren ‟70 en ‟80 komt er een nostalgische tendens naar de jaren ‟20 en ‟30; veel zang en dans uit die
tijd of in een modern jasje komen weer terug. Voorbeeld; A chorus line.
In Nederland heeft de firma Endemol de musical nieuw leven ingeblazen. Titels: Cats, Les Miserables en
Miss Saigon.
De videoclip
Aanvankelijk begonnen uit ergernis over de presentaties van popgroepen in muziekprogramma‟s. Al vanaf
de jaren „50 zijn er filmpjes gemaakt bij popliedjes en sinds die tijd heeft men ook geprobeerd om het beeld
interessant te maken met beeldende vondsten. Voorbeelden: Jailhouse rock met Elvis Presley en voor
Nederland Meester Prikkebeen van Boudewijn de Groot met Elly Nieman.
De toon werd pas echt goed gezet met de clip van Queen, Bohemian Rhapsodie: snelle beeldwisselingen ,
vreemde perspectieven, dramatiek door overdreven
lichtdonker werking etc. Vanaf dit moment begon men de
videoclip als volwaardig medium te beschouwen; het
werden korte filmpjes met een verhaallijn erin, steeds
professioneler gemaakt. De laatste tijd worden of
beeldende kunstenaars of regisseurs van speelfilms
gevraagd om een videoclip te maken, Namen: Anton
Corbijn, Spike lee e.a..
Op dit moment is de videoclip sterk beïnvloedt door de
zappcultuur en het postmodernisme; veel beeldcitaten,
veel kort aangezette verhaallijnen met pakkende beelden.
De kijker wordt continu geprikeld; de aandacht moet
vastgehouden worden. Grote (financiële) belangen staan
op het spel.
Kijken naar film,video en televisie
Als je naar een film kijkt en het is een goede film kun je zo meegenomen worden door het verhaal dat je
vergeet dat je naar een film zit te kijken. Je verwart dan de filmwerkelijkheid met je eigen werkelijkheid. Niks
bijzonders zul je denken, want dat overkomt iedereen toch weleens en alleen onevenwichtige mensen
krijgen daar problemen mee. Toch zit daar een hele wereld achter want bij een slechtere film ”kom je er niet
in”. Daarin zit het vakmanschap van regisseur, cameraman en acteurs. Met zijn allen hebben ze zich tot taak
gesteld om hun kijkers een schijnwereld voor te toveren waarin het voor enige tijd veilig toeven is.
Dat is maar de ene helft van het verhaal, want wij als kijkers hebben in de afgelopen honderd jaar geleerd
hoe we naar film moesten kijken. Leren betekent in dit geval ook een ontwikkeling doormaken op een
onbewuste en bijna vanzelfsprekende manier. Een film als Lola Rent met allerlei snelle beeldwisselingen,
vreemde camerastandpunten en rondtollende camerabewegingen maakt ons al lang niet meer misselijk en
we kunnen het goed volgen.
Kijk maar eens naar een willekeurige film uit de jaren vijftig en vergelijk; bijna onverdraaglijk traag maakten
ze toen hun films. Regisseurs als bijvoorbeeld Tarkovsky maken gebruik van deze trage beeldtaal om de film
een extra poëtische kwaliteit mee te geven en bovendien de kijker bewust te maken van zijn eigen kijken.
Ook de rol van de filmmuziek heeft een soortgelijke ontwikkeling doorgemaakt. In het begin van de
filmgeschiedenis speelde een pianist of soms een compleet orkest in de bioscoop de bijbehorende
filmmuziek. Het muzikale gebaar moest overduidelijk en vooral groot zijn om het drama overtuigend over te
brengen. Tegenwoordig is de functie van de muziek subtieler ingepast in de film maar vaak ook een
onmisbaar onderdeel geworden van die film. “Once upon a time in the west” is niet voor te stellen zonder de
muziek van Ennio Morricone met zijn snerpende mondharmonica. Het noodlot kan haast niet sterker
uitgedrukt worden in de film “2001, a space oddysee, van Stanley Kubrick door de eerste maten van “Also
sprach Zarathoestra” van Richard Strauss.
Beknopte geschiedenis van de film met dank aan Wikipedia.
Jaren 50
Aan het begin van de jaren '50 werd Hollywood onderzocht door
House Committee on Un-American Activities, een commissie
die sympathisanten van on-Amerikaanse activiteiten als communisme
moesten onderzoeken. Een groot aantal regisseurs en acteurs
ondervonden last van deze onderzoeken, waaronder Chayefsky,
Charlie Chaplin en Dalton Trumbo. Een gedeelte van hen besloot
vervolgens te vluchten naar Europa, vooral naar Groot-Brittannië.
De tijdgeest van de Koude Oorlog-periode leidde tot een nieuwe
soort films, waarin invasies van buitenaardse wezens een belangrijke
rol speelden (waaronder Invasion of the Body Snatchers en The
War of the Worlds).
De opkomst van het nieuwe medium televisie zorgde ervoor dat
meerdere studio's en bioscopen hun deuren moesten sluiten. Het
systeem van studio's die massa's films produceerden, het
tegenovergestelde van onafhankelijke films, werd in vaak bekritiseerd
en zorgde voor de productie van enkele bekende films in de jaren 50.
Voorbeelden hiervan zijn Sunset Boulevard (1950) en The Bad
and the Beautiful.
20th Century Fox introduceerde in 1953 in de film The Robe
Cinemascope, een extra breed bioscoopformaat. Paramount Pictures kwam het jaar erop eveneens
met een nieuw, extra breed formaat, VistaVision. Dit systeem was succesvoller en wordt tot op heden nog
regelmatig gebruikt. Groots opgezette films die gebaseerd zijn op geschiedkundige of Bijbelse verhalen
werden gefilmd in deze formaten voor een extra grote kijkbelevenis. Voorbeelden van dit soort films zijn The
Ten Commandments (1956), The Vikings (1958), Ben-Hur (1959), Spartacus (1960) en El Cid
(1961).
De eerste stereoscopische 3D-kleurenfilm werd in 1952 uitgebracht, Bwana Devil. Hierop volgde een
korte golf van 3D-films in de Amerikaanse bioscopen, waarvan House of Wax en Creature from the
Black Lagoon waarschijnlijk de bekendste zijn. William
Castle experimenteerde in dezelfde tijd met gimmicks om meer
bioscoopbezoekers te trekken. Voor zijn film House on
Haunted Hill liet hij een skelet door de bioscoopzaal zweven,
en voor de film The Tingler werd een speciaal apparaat onder
de stoel aangebracht dat zorgde voor een schok bij spannende
scènes.
Doornroosje van Disney werd in 1959 uitgebracht, en was
de laatste Disneyfilm die gebaseerd was op een sprookje in
ongeveer dertig jaar. Aan Doornroosje, de zestiende Disneyanimatiefilm, werd bijna tien jaar gewerkt.
De Indiase filmindustrie beleefde hoogtijdagen in de jaren 50,
met meer dan 200 geproduceerde films per jaar. Meerdere
Indiase films wonnen internationale prijzen. De Oscarwinnende
regisseur Satyajit Ray won met zijn film Pather Panchali
een award op het Filmfestival van Cannes.
Jaren 60
In de jaren 60 werden steeds meer films wereldwijd opgenomen
in plaats van in Hollywood. Mary Poppins (1964), My Fair
Lady (1964) en The Sound of Music (1965) zijn de
populairste films uit deze tijd. De groei van het aantal onafhankelijke filmproducenten en -bedrijven zorgde
ervoor dat het studiosysteem, waarbij enkele filmstudio's vrijwel de gehele filmmarkt bezitten, minder
succesvol werd. Het is in deze tijd dat de zwartwitfilm verdwijnt en de kleurenfilm steeds vaker gebruikt
wordt.
In Frankrijk komen in de jaren 50 en 60 de Nouvelle Vague-regisseurs op, zoals François Truffaut en
Jean-Luc Godard. Met hun films Les quatre cents coups en Jules et Jim probeerden ze de
Hollywoodclichés uit die tijd te doorbreken. In Italië wordt de wereldberoemde film La dolce vita van
Federico Fellini uitgebracht. In Italië ontstond een enorme filmindustrie (Cinecitta) met grote namen als
Fellini, Passolini, Bertolucci en Scola. In Zweden krijgt de
bekende filmmaker Ingmar Bergman succes met het maken
van films.
De dreiging van een atoomoorlog tussen de Verenigde Staten en
de Sovjet-Unie had effect op meerdere films, waaronder Dr.
Strangelove van Stanley Kubrick en Fail Safe. Sommige
van deze films leverden zelfs kritiek op de Verenigde Staten, terwijl
Hollywood in de periode ervoor nog bekend stond om zijn
oorlogspropaganda.
In de Verenigde Staten en Canada ontstond de Direct Cinema,
een filmgenre die documentaires zo realistisch mogelijk wilde
maken. Het draait hierbij puur om de beelden, en niet om het
commentaar of de interviews.
Bekende films
Bonnie and Clyde (1967), The Good, the Bad and the
Ugly (1967), The Graduate (1967), 2001: A Space
Odyssey (1968), Rosemary's Baby (1968), Midnight Cowboy (1969), Easy Rider (1969) en The
Wild Bunch (1969). Once upon a time in the west (1969)
Jaren 70: New Hollywood
De jaren 70 betekende het einde van de Hays Code en de opkomst van een nieuwe generatie filmmakers.
Onder de naam New Hollywood maakte filmmakers als Brian De Palma, Steven Spielberg,
Francis Ford Coppola en Martin Scorsese hun debuut met succesvolle, eigenzinnige films.
Kenmerken voor dit soort films zijn de vervaagde grenzen tussen de protagonist (hoofdfiguur)en de
antagonist, (tegenspeler) plottwists en een niet-chronologische verhaalvertelling.
In de jaren 70 kwam de auteurtheorie op, die er vanuit gaat dat niet een heel team van filmmakers een film
tot wat hij is maakt, maar één persoon. Filmproducenten gaven filmmakers als George Lucas en Steven
Spielberg financiële vrijheid om zelf een film te maken. Steven Spielberg werd door deze zogenaamde
"auteurtheorie" als het ware gezien als de "auteur" van zijn films. De auteurtheorie leidde tot kassuccessen
als The Godfather, Jaws, Close Encounters of the Third Kind en Star Wars. Toch flopten er ook
een aantal films, waaronder At Long Last Love van Peter Bogdanovich en Michael Cimino's extreem
dure historische film Heaven's Gate. Die laatste film bracht distributeur en productiemaatschappij United
Artists diep in de financiële problemen; de film kostte 44 miljoen dollar maar bracht nog geen vier miljoen
dollar op.[8] Filmproducenten zagen wat voor schade een geflopte film kan aanrichten en werden daarom
voorzichtiger, ze produceerden voortaan minder films, maar staken wel meer geld in grote blockbusters.
Steven Spielbergs Jaws en Star Wars worden gezien als de oorsprong van de moderne blockbusters.
Opvallend hier was de film E.T. Miljoenen mensen over de hele wereld bleken diep ontroerd te kunnen
worden door het buitenaardse wezen.
In de Verenigde Staten wordt in deze tijd de pornografische film legaal. Onder de naam "adult cinemas"
verschijnen bioscopen in het straatbeeld die deze films vertonen. De film Deep Throat met Linda
Lovelace werd een fenomeen in zijn genre. De opkomst van de videorecorder zorgde ervoor dat
consumenten thuis pornografische films kunnen kijken.
Aan het einde van de jaren 70 werd voor het eerst de Australische cinema belangrijker, als Peter Weirs
films Picnic at Hanging Rock, Witness en The Last Wave, en Fred Schepisi's The Chant of
Jimmie Blacksmith worden uitgebracht.
Jaren 80: Blockbusters en VHS
In de jaren 80 nam het aantal consumenten dat films op hun videorecorders kijkt steeds meer toe. In het
eerste gedeelte van de jaren 80 probeerden filmstudio's door middel van rechtszaken een verbod te krijgen
op videorecorders als overtreding van het auteursrecht, maar al snel
zagen de studio's in de verkoop van films op video een hele nieuwe
markt open liggen.
De samenwerking Lucs-Spielberg werd in de jaren 80 bewezen toen
ze achterelkaar uiterst succesvolle filmseries lanceerden; Star Wars,
Jaws en Indiana Jones. Apart van elkaar boekten ze ook succes,
Lucas begon THX Ltd, een bedrijf dat een standaard ontwikkelde voor
film en geluidsapparatuur, terwijl Spielberg ook nog enkele kleinschalige
maar succesvolle films regisseerde, E.T.. De onafhankelijke film kreeg
het in de jaren 80 steeds moeilijker, alhoewel Martin Scorsese's films
daarop een uitzondering vormen. Hij maakte de films Raging Bull
(1980), After Hours (1985) en The King of Comedy (1983), die
hem tot een van de beroemdste regisseurs van deze tijd maakten.
Regisseur Tim Burton beleefde in de jaren 80 eveneens zijn
doorbraak, maar dan met een groots opgezette film, Batman, met
Jack Nicholson. Nicholson kreeg voor zijn rol The Joker 50 miljoen
dollar, tegenwoordig nog een ongehoord hoog bedrag.
De Britse cinema genoot in de jaren 80 extra populariteit door de
oprichting van de filmmaatschappij Goldcrest Films door David
Puttnam. Deze maatschappij produceerde in de jaren 80 een groot aantal films voor de hogere klasse,
waaronder Chariots of Fire, Gandhi, The Killing Fields en A Room with a View. Door de opkomst
kleinere producties als de hiervoor genoemde films werd het distributiesysteem in Hollywood veranderd,
kleine films worden gelimiteerd uitgebracht terwijl blockbusters wereldwijd in duizenden theaters gedraaid
worden. In Nederland krijgt de film een opleving als de nieuwe regisseur Paul Verhoeven de
kassuccessen Wat Zien Ik!?, Keetje Tippel, Soldaat van Oranje en Turks Fruit regisseert.
De alternatieve film
Veel regisseurs proberen films te maken waarbij geld verdienen niet het hoofddoel is. Ze onderzoeken de
kwaliteit van het medium zelf of hebben een bepaalde boodschap met hun film. Voorbeelden in Nederland:
Zwartjes, Johan van der Keuken, Paul de Nooier, Kees Hin. In het buitenland: David Lynch (twin Peaks,
Mulholland drive) Tarkovski, Kieslovski en vele anderen.
Jaren 90: Opkomst van de dvd,
en computeranimatie
de onafhankelijke film
Aan het begin van de jaren 90 werd
succesvoller in de Verenigde
volgeladen met special effects, nog
Digitale animatie, oftewel CGI,
belangrijker. De film Terminator
een grote doorbraak op het gebied
Titanic en Jurassic Park maakte
beschikbare technieken. Door CGI
uit, Titanic kostte 200 miljoen dollar,
dollar, een enorme toename in
soort grootse films betekende een
bioscoopbezoekers in de jaren 90.
deze tijd komen van nieuwe
Soderbergh (met Sex, lies,
Tarantino (Reservoir Dogs,
producent van onafhankelijke films
Miramax Films.
de onafhankelijke film steeds
Staten, alhoewel grote films,
steeds veruit het succesvolst zijn.
werd in de jaren 90 steeds
2: Judgment Day betekende
van computeranimatie, en ook
volop gebruik van nieuwe
stegen de filmkosten wel de pan
en Terminator 2 100 miljoen
vergelijking met de jaren 80. Dit
toename van het aantal
Bekende, onafhankelijke films uit
regisseurs als Steven
and videotape) en Quentin
Pulp Fiction). De bekendste
uit de jaren 90 is waarschijnlijk
Animatiefilms werden een nieuw leven ingeblazen. Disney wist met Belle en het beest, Aladdin en The
Lion King enorme successen te boeken. In 1995 verscheen de eerste volledig computergeanimeerde film,
Toy Story, van Pixar Animation Story. Deze film was eveneens een groot succes, maar ook Disney
bleef successen boeken met zijn traditioneel geanimeerde films,
waaronder De Klokkenluider van de Notre Dame (1996),
Hercules (1997) en Mulan (1998). Ook Disney besloot in 1999 voor het
eerst over te gaan op een avondvullende computeranimatiefilm, en deed
dat succesvol met de film Tarzan.
In Nederland wordt de opleving van de film in de jaren 70 voortgezet met
successen als Flodder, Abel, Ciske de rat en De lift en De
aanslag. Paul Verhoeven wordt opgemerkt in Hollywood en wordt
daar bekend vanwege zijn groots opgezette sciencefictionfilms.(Starship
troopers en Robocop 1)
De overgang van analoge technieken naar digitale technieken werd ook
snel merkbaar in de filmindustrie. Veel filmstudio's gingen over van fysieke
film als opslagmedium naar digitale opslagmedia. Aan het einde van de
jaren 90 kwam de dvd onder consumenten in opkomst, en werd na twintig
jaar afscheid genomen van de VHS-banden.
21ste eeuw
Voor het eerst werd ook documentairefilm belangrijk in de commerciële
filmindustrie, met successen als March of the Penguins en Michael
Moore's Bowling for Columbine en Fahrenheit 9/11. Bewust
toegepaste amateurtechnieken konden een film extra spanning meegeven. Denk maar aan de Blair Witch
project. In deze horrorfilm was de suggestie dat het echt gebeurd was in combinatie met schokkerige
beelden genoeg om de film op te blazen tot mytische proporties.
Een nieuw filmgenre werd bedacht door Martin Kunert en Eric Manes, onder de naam Voices of Iraq
maakten zij een film door 150 goedkope DV-camera's te verspreiden onder de bevolking in Irak en hen te
laten filmen. De première van de film Gladiator in 2000 zorgde voor een stroom aan historische (vaak
gedeeltelijk incorrecte), groot opgezette Hollywoodfilms, zoals Troy, Kingdom of Heaven, 300 en
Alexander. Traditionele tekenfilms, zoals die van Disney, floppen steeds vaker, terwijl de
computeranimatiefilms het steeds beter en beter doen. De Pixarfilms Finding Nemo, Cars en
Ratatouille waren ieder grote successen, terwijl ook nieuwkomer Dreamworks Animation het zeer
goed doet met Shrek en de twee vervolgen. 20th Century Fox kwam met Ice Age, eveneens een groot
succes. Met Pirates of the Caribbean: The Curse of the Black Pearl wordt voor het eerst in jaren
een succesvolle piratenfilm gemaakt. Uit deze film ontstonden twee vervolgen, waarvan het budget van het
derde deel tot recordhoogte steeg, 300 miljoen dollar.
Het tijdschrift
Als je een willekeurige supermarkt of boekenwinkel binnenloopt tref je daar meestal een enorme hoeveelheid
tijdschriften aan over de meest uiteenlopende onderwerpen. Je kan het zo gek niet bedenken of er is een
tijdschrift over. Tien jaar geleden was de hoeveelheid misschien de helft van wat het nu is. De toename van
de welvaart lijkt hier de hand in gehad te hebben; de hedonistische (genietende) mens wil snel en op een
prettige manier geinformeerd worden. De artikelen zijn meestal kort en zo geschreven dat je ze vlot
doorleest. Vluchtigheid en snelle behoeftebevrediging lijkt het toverwoord. Aan de lay-out en de reclames
kan je vaak zien om welke doelgroep het gaat. Een tijdschrift kan er, afhankelijk van de doelgroep, “gezellig”,
“strak”, “snel”, “gedistingeerd”, “agressief” uitzien. Iedereen weet bijna instinctief welk hij of zij moet hebben.
Voor een tijdschrift op de markt komt wordt er eerst een uitgebreid marketingonderzoek gedaan en de
doelgroep nauwkeurig bepaald.
Frank Zappa (1940-1993)
Op zijn Barking Pumpkin-label bracht hij gigantische hoeveelheden van zijn composities uit en
weigerde hij samen te werken met de grote maatschappijen.
"What's the ugliest part of your body? Some say your
nose, some say your toes, but 1 think it's your mind .......
Frank Zappa werd geboren op 21 december 1940 in
Baltimore (USA) en raakte op zeer jonge leeftijd
geinteresseerd in muziek.Zappa stond bekend om zijn
virtuoze gitaarspel en zijn gevoel voor humor, die hij volop
integreerde in zijn muziek. Met zijn band Mothers of
Invention speelde hij aanvankelijk een soort neo doo wop,
maar aan het einde van de 60-er jaren veranderde hij de
muziekstijl in een soort instrumentale jazz-rock. Begin jaren
'70 raakte Zappa ernstig gewond toen een gestoorde fan
hem van het podium afduwde. Tijdens zijn herstel daarvan
bracht hij verschillende albums uit en ook daarna bleef hij
grote hoeveelheden muziek produceren. Hij verwierf een
grote cult aanhang voor zijn complexe muziek en gevoel
voor humor.
Na 1966, het jaar waarin hij met zijn Mothers of Invention
Freak Out! uitbracht, de eerste dubbel-lp in de popgeschiedenis, is Frank Vincent Zappa in een paar jaar tijd
berucht en beroemd geworden als popmuzikant, film- en theatermaker, componist, gitarist,
maatschappijcriticus en cabaretier – niet noodzakelijkerwijs in die volgorde. Wat hij de wereld te vertellen
had is in de eerste plaats vastgelegd op meer dan vijftig cd's, een stroom van releases waaraan hij, ook toen
hij ziek was, is blijven werken en waarvan het einde ook nu nog niet in zicht is. Naast een aantal nog niet
uitgebrachte albums moeten er in het kelder-archief in Los Angeles – Zappa bewaarde alles – nog stapels
banden en partituren liggen.
Het overgrote deel van Zappa's platen is samengesteld uit live-opnamen. Het niveau van zijn concerten
evenaarde dat van zijn studio-opnamen, en had altijd meer spanning door het element van het onvoorziene.
Geen optreden was gelijk. Zappa liep bovendien in technisch opzicht voortdurend op kop. Overdubs,
meersporentechniek, digitalisering, altijd was hij de eerste.
Zappa had een uiterst cynische kijk op de samenleving – de Amerikaanse in het bijzonder. Al in de jaren
zestig nam hij de kuddegeest op de hak, of het nu ging om de flower power-hippies of het klootjesvolk, de
plastic people. Later moesten schijnheilige politici en televisiedominees het ontgelden.
Hoe essentieel de satire ook was voor Zappa's optredens – en voor zijn imago – zijn eerste levensbehoefte
was het kennelijk niet. Tekenend is althans dat hij zich, zodra kapitaal en techniek het toelieten, heeft
teruggetrokken in zijn kelderstudio, om aan de Synclavier-muziekcomputer eindelijk zijn muzikale
hersenspinsels hun meest volmaakte gestalte te geven. En in die gestalten zal Zappa voortleven, want, om
een door hem geliefde uitspraak van Varèse aan te halen: the present-day composer refuses to die. Zappa
heeft uitgesproken ideeën over de richting waarin mens en maatschappij moeten veranderen. Zo zegt hij in
een interview in 1968 dat de macht al te lang in handen is van ouderen. Jongeren moeten de macht
overnemen, maar het is wel nodig dat ze daarop worden voorbereid. De meeste jonge Amerikanen denken
niet politiek, ze hebben te veel vrije tijd en het enige wat ze daarmee doen is 'have a good time'. Over het
algemeen zijn de teksten van Zappa dermate absurdistisch, dat een eventuele boodschap niet 'in' maar
'achter' de tekst gezocht moet worden. De betekenis van het geheel wordt ook sterk bepaald door de muziek
en de manier waarop de tekst gepresenteerd wordt.
Eind 1991 werd bekend dat Zappa aan een ernstige vorm van kanker leed. Desondanks bleef hij nog steeds
albums uitbrengen. Zappa overleed op 4 december 1993 in Los Angeles, een grote aantal composities
achterlatend.
Madonna als tegenstrijdig rolmodel
Door voortdurend van uiterlijk te veranderen, heeft Madonna onder andere stereotiepe ideeënover het
vrouwelijke lichaam ter discussie gesteld. Daarbij balanceert ze op het randje. De wijze waarop ze haar
eigen lichaam manipuleert, kan namelijk als een ondermijning, maar eveneens als een bevestiging van
heersende ideeën over het vrouwelijke lichaam en seksualiteit worden opgevat. Onschuldig grapje of
pornografie? Individuele vrijheid of een onbewuste aanpassing aan seksistische vrouwbeelden? Met haar
ambivalente imago geeft Madonna ruimte aan verschillende en tegenstrijdige denkbeelden.
Enerzijds fungeert ze als bevrijdend rolmodel. Door diverse identiteiten voor te spiegelen en te zinspelen op
alternatieve levensstijlen laat ze onder andere zien hoe vrouwen zich kunnen ontworstelen aan de
beperkende idealen van een heteroseksuele, patriarchale cultuur. Daarbij maakt ze eveneens duidelijk dat
het daadwerkelijk mogelijk is om te voldoen aan de hoge en tegenstrijdige eisen die de maatschappij aan de
supervrouw van de jaren 90 stelt. Madonna laat zien hoe je als vrouw moeiteloos de sociale rollen van
moeder, hoer, maagd, minnares, vriendin en kostwinner kunt combineren. Maar die verkleedtruc is niet
uitsluitend zaligmakend. Madonna's professionele imagowisseling kan namelijk ook worden opgevat als een
oud liedje in een postmodern jasje. Indirect kan het vrouwen die niet aan dit gefragmenteerde ideaal voldoen
als incompetent afdoen. Bovendien speelt Madonna de onhaalbare perfectie. Madonna is geen hoer, maagd,
vriendin, moeder, minnares. Ze doet voortdurend alsof. Bovenal is Madonna een superster. Ze heeft de tijd,
het geld en de macht om onophoudelijk van imago te veranderen. Dat is haar beroep. Maar er is natuurlijk
niemand die haar wat dat betreft ook maar enigszins zou kunnen evenaren.
Symbolisch gezien representeert Madonna vooral een postmodernistisch videoscherm waarop iedereen
naar hartelust zijn eigen verwachtingspatronen en fantasieën kan projecteren. Iedereen kan in het fenomeen
Madonna zien wat hij zelf wil. Ze is een open boek en een raadsel. Ze is alles en niets.
Het ambivalente en bevrijdende verschijnsel Madonna is van alle markten thuis. Bovenal is Madonna een
icoon; een beeld van een persoon die steeds van uiterlijk en identiteit verandert, zonder dat ze daarbij aan
geloofwaardigheid lijkt in te boeten. Geen enkele verkleedpartij blijft aan haar kleven. De steeds weer nieuwe
Madonna - nu ook met kind! - blijft vrolijk doordansen. Madonna is een spektakel, een product. De enige
constante factor in de metamorfoses die ze ondergaat. is haar aura van macht en manipulatie. In die zin sluit
ze als product naadloos aan bij de' ideologie van een kapitalistische en postmoderne maatschappij, waarbij
mediaproduct en persoon wederom onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en waarin succes, macht,
manipulatie, vluchtigheid, versnippering, spectaculaire beelden en overdaad hoog in het vaandel staan.
Madonna's populariteit heeft dan ook alles te maken met een perfecte timing. Met haar imago heeft ze de
kern van een aantal waarden weten te raken die in de fundamenteel ambivalente cultuur van de jaren
negentig van essentieel belang worden geacht.
„Rosas danst Rosas‟ is dans.
De minimal-dance van De Keersmaeker is op simpele
basisbewegingen gebaseerd. Deze achteloze, soms kokette
gebaren uit het dagelijkse leven bepalen het ritme van de
choreografie, die door de monotone, hallucinerende
(bedwelmende) muziek van De Mey wordt begeleid. De
danseressen herhalen ze telkens opnieuw, alsof het tics zijn die
ze niet kunnen onderdrukken. Soms zijn het felle uithalen die de
choreografie een agressieve kracht geven. Op andere
momenten verkeren de danseressen in een uitgelaten
stemming. In scènes die speciaal aan de film zijn toegevoegd
rennen de vrouwen door de gangen van dit verlaten Leuvense
schoolgebouw. Bijna verwacht je dat ze als schoolmeisjes uit
blijdschap hun boekentassen in de lucht gooien.
De dans van de Keersmaeker werd niet direct bejubeld. Het
gebrek aan subsidies en eigen speelruimten echter, werd gecompenseerd door een zeer hechte
groepsgeest en een grote flexibiliteit, maar ook door een zeer dankbaar nieuw publiek dat er met plezier
harde banken en onverwarmde ruimtes bij neemt. Deze hechte groepsgeest impliceert ook dat de klassieke
verhouding van de choreograaf tegenover zijn dansers aan herziening toe is: hoewel de choreograaf de
uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de definitieve vorm van het stuk blijft houden, is de inbreng van de
dansers vaak zeer duidelijk merkbaar in vorm en inhoud van de producties. Het onderscheid tussen solisten
en andere dansers vervalt.
Rosas: „Modern‟, „Post‟-modern…
Het komt er daarbij niet meer op aan om barrières en taboes te slechten, zoals de modernisten uit het
interbellum deden. (Zie „Kunst en Esthitica‟ bij „Cultuur van het Moderne‟ Eerder gaat het erom de grenzen
van wat op een podium denk- en doenbaar is met lichamen op systematische wijze te exploreren, los van
oude conventies en genre-opdelingen die op dat ogenblik hun beste tijd gehad hebben. Het fenomeen dat
een voorstelling niet „af‟ is als zij in première gaat, wordt dan ook schering en inslag. Het gaat bijna tot de
wezenskenmerken van het genre behoren.
…of toch „klassiek”? De Keersmaeker verwerkt zelfs elementen uit het klassieke ballet op een erg
persoonlijke manier. Door grote vormbeheersing, complexiteit en virtuositeit doen die voorstellingen „klassiek‟
aan. De kracht van het klassiek ballet als een samenhangend denksysteem is belangrijk voor haar, omdat
het als uitgangspunt kan dienen voor eigen werk. In die zin blijft zij de weg wijzen.
Bronnen: Artikelen, meningen en interviews van onder meer Pieter Bots, Hans Beerekamp, Pieter T‟Jonk, Thierry de Mey en
Kees Zonneveld.
Invalshoek kunst, wetenschap en techniek
hoofdstuk 5
Kunst, techniek en werkelijkheid
e
Avant-garde aan het begin van de 20 eeuw
Kunstenaars ervoeren de enorme zuigende werking van de massacultuur en z'n invloed op de mens. Het
isolement van de kunstenaar (avant-garde=voorhoede) ten opzichte van de massa werd als onnodig elitair
ervaren en er werd gezocht naar mogelijkheden om de barrière tussen kunst en werkelijkheid op te heffen.
De kunstenaar moest uit z'n ivoren toren komen.
Marcel Duchamp (1887-1968) was de eerste kunstenaar die voorwerpen uit de werkelijkheid letterlijk de
wereld van de kunst introk.
Dit begrip noem je ready made. Duchamp is een kunstenaar die verwant is aan een stroming die ontstond
direct na de eerste wereldoorlog; dada. Ze reageerden kritisch op de in hun ogen burgerlijke kunst van het
expressionisme. In de ogen van de dadaïsten was deze stroming veel te veel gericht op het eigen ego. De
stemming zat er in die jaren goed in; er hing revolutie in de lucht! Er was een enorm politiek bewustzijn
onder de kunstenaars. Zie ook Russische avant-garde en futurisme
Later kregen kunstenaars veel meer oog voor zaken als image en commercie. Sterker nog image en
commercie zouden bij sommige kunstenaars een wezenlijk bestanddeel van het kunstwerk gaan uitmaken.
Er ontstond een soort weerzin tegen het romantisch getinte beeld van de idealistische kunstenaar die alleen
maar leeft voor zijn kunst. Kunstenaars van deze tijd doen er graag provocerende uitspraken over. Zoals
deze:
“Het is leuk werk en het verdient goed”.
Rob Scholte
Videokunst van Pippilotti Rist
Pipilotti Rist werd geboren in 1962 in het Rijndal in Zwitserland. Ze volgde een opleiding aan het Instituut
voor toegepaste kunst in Wenen waarna ze zich in Bazel specialiseerde in video. Rist wordt beschouwd als
dé ster van de videokunst van de jaren negentig. Zelf beschrijft ze video als een compact handtasje. alles zit
erin, van literatuur tot schilderkunst en muziek. Af en toe puilt haar handtasje uit en dan wordt de inhoud
ervan via de monitor bloot gegeven
Rist vertegenwoordigt een generatie kunstenaars die zich niet bindt aan een bepaalde discipline. In principe
staan alle disiplines de kunst ter beschikking, en gaat het alleen om het uiteindelijke beeld. In een
videocatalogus vertelt Rist dat ze zeer geïnteresseerd is in schoonheid. Ze noemt schoonheid 'gevaarlijk'. In
de beschouwingen over moderne kunst heeft schoonheid een kwade geur. Bij Rist niet. Haar werk, waarin
ook duidelijk schilderkunstige kwaliteiten schuilgaan, sluit aan bij dat van een kunstenaar als Bill Viola. Zij
lijkt ongeremd te zijn als het gaat om het exploreren van de grenzen tussen kunst en kitsch. Het is op het
scherp van de snede dat schoonheid heerst en daar positioneert zij haar werk.
In Nederland werd Pipilotti Rist vooral bekend door haar installatie Search WolkenISuch Clouds
(elektronischer Heiratsantrag / electronic offer of marriage), die in 1995 te zien was op de tentoonstelling
'Wild Walls' in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Daar projecteerde Rist haar monumentale videobeelden. Zoals ze vaker doet, maakte ze gebruik van verschillende beelden die ze over, door en naast
elkaar projecteert. Links reeksen beelden die digitaal bewerkt waren en deden denken aan fantasieën
ontstaan onder invloed van geestverruimende middelen. Rechts de in slow motion afgespeelde opnames
van een scène in een café en daar tussenin het hallucinerende beeld van wolken die op de toeschouwer
afkomen en hem als het ware op lijken te tillen en midden in het beeld laten zweven. Muziek, of liever
gezegd, geluid speelt vaak een grote rol in het werk van Rist. Bij deze installatie zong ze zelf een
verkinderlijkte versie van Wicked Game, een liedje van Chris Isaak. Het zachte en melancholiek klinkende
melodietje mondt gaandeweg uit in een schreeuw die in één klap alle poëzie om zeep helpt. Dit is
existentiële angst.
Kinderlijk, onbedorven plezier lijkt in eerste instantie ook de kern van de video Sip my Ocean uit 1996. Hier
zien we 'fish-eye' onderwaterbeelden van een paradijselijke wereld vol kleurige vissen, koralen en zeewier.
Meedeinend op de stroom van het water volgt de camera de meest diverse huishoudelijke voorwerpen die
naar de bodem van de oceaan zinken. Niet alleen scholen vissen zwemmen voorbij, ook een dame in een
bikini laat zich speels in het water glijden. Water en vocht (melk, bloed) komen in het werk van Rist als
vrouwelijke elementen terug, gekoppeld aan een grenzeloos vermogen tot lichamelijk genot, lust en
verlangen. Maar dat er gevaar dreigt in deze utopische onderwaterwereld wordt geïllustreerd in de muziek.
Alweer het liedje van Chris Isaak.
Alles heeft met alles te maken in deze wereld van dromen, verlangens, fantasieën en angsten. Pipilotti Rist
vertelt dat ze op zoek is naar het verloren lichaam. Het gaat haar daarbij niet om anatomische gegevens ook niet in het confronterende documentaire filmfragment van de geboorte van een kind, waarbij de camera
inzoomt op de hand van de medicus die een knip geeft in de huid van de barende vrouw en de manier
waarop ze daarna gehecht wordt - maar om de innerlijke, zintuiglijke ervaring van het eigen lichaam. Die
ervaring is bij de meeste mensen diep weggezakt in het onderbewuste. Het binnenstebuiten keren van de
verborgen inhoud van het handtasje is niet alleen een mooie metafoor voor de kunst van Pipilotti Rist, het
slaat ook letterlijk op haar manier van werken. Rist probeert steeds dat wat onzichtbaar is zichtbaar te
maken. Samenstelling bronmateriaal ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 voor havo en vwo in het profiel
C&M.. Meewerken aan deze site? Opsturen via e-mail is voldoende. Geraadpleegde literatuur: P
Tegenbosch Vitrine 1997/7
Inez van Lamsweerde
Inez Van Lamsweerde (1963) is in korte tijd uitgegroeid tot een van de meest gevraagde fotografen van de
Verenigde Staten. Haar moeder was modejournaliste, zelf bezocht ze aanvankelijk de mode-academie. Die
verliet ze na twee jaar om naar de Rietveld Academie te gaan en zich op fotografie toe te leggen. Maar de
mode verloochende ze niet. In haar werk maakt ze gebruik van allerlei elementen van de modefotografie:
haar foto's hebben de scherpte en technische perfectie van modefoto's, ze werkt met modellen in de studio,
is omringd door een team van visagistes, stylistes, kappers en technici, en manipuleert, zoals gezegd, haar
foto's met de paintbox, een apparaat dat vooral door reclamemakers wordt gebruikt. En ze werkt bij voorkeur
met mooie, koelbloedige dames.
Van Lamsweerde tart in haar werk een grens. In 1993
maakte ze de fotoserie Final Fantasy, waarin, zou je
kunnen zeggen, de pervertering van het kind centraal
staat. Op de foto's staan peuters in kokette posen, ze
dragen roze hemdjes en glimmen onnatuurlijk - ze zijn
onschuldig en angstwekkend tegelijk. De foto van Wendy
laat bijvoorbeeld een roodharig meisje zien dat op de
grond zit. Haar ene knie steekt de lucht in, haar andere
been heeft ze gevouwen voor zich, de hiel van haar voet
maakt dat je net niet in haar kruis kunt kijken. Een bandje
van haar jurk is uitdagend van een schouder gegleden,
maar om een pols draagt ze, heel kinderlijk, een
bedelkettinkje. Haar haar lijkt, heel volwassen, geföhnd,
maar ze heeft ook een kinderachtige pony. Ze lijkt
spontaan te lachen, maar haar gezicht heeft ook iets
stars, bevrorens. Wendy is een 'kindvrouw', half kind en
half vrouw.
Inez van Lamsweerde Final Fantasy, Wendy, 1993
De foto's van Inez van Lamsweerde gaan op een andere manier over grenzen. Ze maakt modefoto's voor
glossies als Vogue en The Face, ze maakt advertenties voor chique modemerken, en ze maakt 'vrij' werk.
Nadrukkelijk beweegt ze zich op het grensvlak tussen commerciële fotografie en kunst. In 1991 verwoordde
ze haar droom: 'Ik zou het fantastisch vinden als mijn werk zowel in een modeblad als de Vogue of in de
Playboy zou staan als in het museum zou hangen.'
Die droom is ontegenzeglijk uitgekomen. Ze wordt niet alleen door de glossies omarmd; haar foto's hingen
ook op de Biennale in Venetië en worden ook in het Groninger museum tentoongesteld. 'Al mijn werk wordt
nu als een geheel gezien,' jubelde Van Lamsweerde twee jaar geleden al in de Volkskrant:
'Zelf heb ik de scheiding tussen kunst en mode nooit gemaakt. Voor mij zijn de twee gelijkwaardig.'
De interviewster, Ineke Schwartz, voegde daar nog aan toe:
'Ze werkt binnen het systeem in plaats van het van buitenaf te bekritiseren. Maar ze hanteert wel een
verborgen agenda: onderhuids gaat het over het gebruik van stereotypen, over frustratie en over onmacht tot
communicatie. Die extra inhoud is voor de goede verstaander.'
Wat wil Van Lamsweerde met haar werk? Jawel, haar foto's zijn behalve
uiterst esthetisch lichtelijk vervreemdend en surreëel. Ze gaan over zeer
eigentijdse, verontrustende, om niet te zeggen modieuze thema's en
hebben door haar manipulaties iets ironisch. Van Lamsweerde maakt
uitbundig gebruik van clichés, van overbekende, gecorrumpeerde beelden
die ze net een beetje meer corrumpeert dan gebruikelijk is. Maar de vraag
is hoe ontregelend haar foto's werkelijk zijn. Het is werk, dat esthetische
clichés wil ondermijnen, maar ook weer niet te erg, want het moet
esthetisch blijven. En geldt dat niet voor de meeste full color-commercie die
nu wordt bedreven? Het is precies de ervaring die de foto's van Van
Lamsweerde oproepen: mooie foto, maar waar staat het merkje?
Reacties en aanvullingen van collega's zijn zeer welkom Voornaamste
bron: De Groene Amsterdammer van 10 september 1997 "Perverse
onschuld" door Xandra Schutte. Meer op oa:
http://www.statements.de/de/statements2/inez_vita.htm
Videokunst: Pippilotti Rist, Laurie Anderson, Nam June Paik, Micha Klein
Bewegingsobjecten: Jean Tinguely, Theo Jansen, Nigel Calder, Peter
Struycken
Voor film en videotechnieken (o.a. Star Wars) zie digischool invalshoek kunst, wetenschap en techniek.
Invalshoek kunst intercultureel:
Hoofdstuk 6
de wereld is groter dan het westen.
Fusion
De term fusion komen we tegenwoordig vaak tegen in de wereld van de (pop)muziek en de dans waar
verschillende stijlen samensmelten tot iets nieuws. We kunnen hem echter ook toepassen bij samensmelting
van culturen. Het begrip fusion wordt bij dit thema dus breed gehanteerd. Wanneer culturen heel nauw met
elkaar geconfronteerd worden, kunnen als gevolg daarvan verschillende processen optreden. Die processen
worden beïnvloed door de tijd waarin zij zich afspelen, de plaats en andere omstandigheden.
Bij expansiedrang van volkeren zien we soms dat de cultuur van de 'veroveraar' zo dominant aanwezig is dat
hij na verloop van tijd de oorspronkelijke cultuur van de 'veroverde' vrijwel geheel wegvaagt. Echter, in
bepaalde gevallen zien we soms ook dat die twee culturen juist samensmelten. Het resultaat is dan als het
ware een nieuwe cultuur met eigen regels, kenmerken en karakteristieken.
De dominantie van de 'vreemde' cultuur (door bijvoorbeeld de omvang van die bevolkingsgroep of de
aanwezigheid van bepaalde machtsverhoudingen) kan echter ook leiden tot afweer en grote onderlinge
vijandigheid. Deze afweer ontstaat uit angst om het 'eigene' verloren te zien gaan. De minderheid is dan
geneigd zich des te sterker vast te klampen aan de eigen cultuur en die soms met geweld te verdedigen.
Tenslotte zijn er de situaties waarbij de minderheid juist geneigd zal zijn zich aan te passen, zo min mogelijk
op te vallen of af te wijken door - in eik geval aan de buitenkant - cultuurelementen van de meerderheid over
te nemen.
Er zijn in de loop van de geschiedenis verschillende voorbeelden te geven van fusion zoals we die vinden
binnen de culturen van o.a. de Zigeuners en de Joden. In beide gevallen gaat het om heel oude culturen
die zich door verschillende omstandigheden over grote delen van de wereld hebben verspreid en die soms
gedeeltelijk hebben vermengd met cultuurelementen van anderen. Ook de slavernij in de Verenigde
Staten heeft geleid tot een vermenging van - in dat geval - Afrikaanse en Westerse cultuurelementen.
Verder voorbeelden uit Zuid-Amerika en een vorm van fusion bij modern ballet
Toch kan in al deze situaties waar het culturen betreft de vraag gesteld worden of zulke processen leiden tot
een verarming of juist tot een. verrijking van de eigen cultuur. Het antwoord daarop hangt af van de eigen
bereidheid om zich open te stellen voor nieuwe dingen, van de bereidheid tot kennismaking en aanvaarding
van nieuwe dingen, nieuwe gedachten.
Bij een negatieve benadering levert fusion een verarming voor beide partijen op, zij gaan immers beiden
voor een deel verloren. Bij een positieve benadering levert het echter juist een verrijking op, de
karakteristieken gaan immers samen op in iets geheel nieuws?
Reacties van elkaar ontmoetende of confronterende culturen zien we zowel in de geschiedenis als de
actualiteit. Ten aanzien van onze eigen Westerse cultuur kunnen we wel vaststellen dat de invloed ervan op
culturen in andere delen van de wereld vaak een cultuurbeschadigend of vernietigend effect heeft gehad. De
positie van die andere culturen was economisch en politiek vaak te zwak om de enorme Westerse invloed te
weerstaan of om tot een synthese/fusion te komen. Het omgekeerde heeft begrijpelijker wijze niet
plaatsgevonden.
Toch zijn er bijvoorbeeld talloze dingen die oorspronkelijk niet tot 'onze cultuur' hebben behoord, maar die we
zo in ons op hebben genomen dat we de vreemde herkomst vaak niet eens meer kennen. Denk maar eens
aan de aardappel. Deze vraag komt ook telkens terug op gebied van de flora en fauna, als we spreken over
natuurbeheer. Hoort de dennenboom nu wel of niet tot onze flora als we weten dat die ooit geïmporteerd
werd uit Centraal-Europa? Moet de wolf - die hier tot in de 18' eeuw voorkwam - weer terugkomen? Of wordt
iets 'eigen' als we het maar lang genoeg kennen of gebruiken? De mens is een beetje een 'gewoonte dier' en
is niet zo erg op veranderingen gesteld. Of toch?
Samenstelling bronmateriaal uitsluitend en alleen ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 uit het algemeen deel voor havo en
atheneum. Geraadpleegde literatuur: Geschiedenis van de westerse theaterdans B Westra
Shirin Neshat The Gun and the Gaze(The gaze= starende blik)
Steeds meer mensen verhuizen naar andere werelddelen. Dat
betekent dat steeds meer mensen in contact komen met
andere culturen. Dat heeft zijn weerslag op de manier waarop
wij leven. Zo kan je bijvoorbeeld pas sinds de jaren vijftig
Chinees en Indonesisch eten in Nederland. De wisselwerking
tussen culturen is ook van invloed op de beeldende kunsten.
Die invloed zal in de toekomst waarschijnlijk steeds groter
worden.
Er wonen en werken in Europa ook kunstenaars die zijn
geboren en opgegroeid in Afrika, Azië (China, Japan, Korea),
Latijns Amerika en het Midden-Oosten. Voor een deel zijn dit
politieke vluchtelingen.
De meeste van de gemigreerde kunstenaars komen echter hier
naar toe, omdat zij de cultuur van hun moederland willen
confronteren met de Europese cultuur. Zij komen af op de
reputatie van Europese steden als culturele metropolen. Denk
maar aan Parijs, Londen en Berlijn. Je kunt je misschien
voorstellen dat het werk van deze kunstenaars er anders uit
ziet dan van kunstenaars die al hun leven lang in Europa
wonen. In het werk van deze kunstenaars zijn elementen uit de
cultuur van hun moederland aanwezig en uit de Europese
cultuur. Deze elementen onthullen de verschillen tussen beide
culturen. De ene cultuur is niet beter dan de andere, maar ze
zijn gewoon verschillend. Omdat de culturele verschillen gewoon naast elkaar bestaan, zijn deze
kunstwerken vaak bijzonder.
Shirin Neshat vertrok op haar 17de vanuit haar geboorteland naar Los Angeles om een opleiding aan een
kunstacademie te volgen. Tijdens haar verblijf in de Verenigde Staten brak in Iran de revolutie uit en greep
Ayatollah Khomeini de macht. Onder zijn bewind werd het dragen van een chador verplicht gesteld. Na ruim
16 jaar bracht ze in 1990 voor het eerst weer een bezoek aan haar vaderland. Deze hernieuwde
kennismaking maakte diepe indruk. Neshat richt zich sindsdien op het onderzoeken en becommentariëren
van haar relatie tot haar land en de Islam en in het bijzonder de positie van de vrouw en de verhouding man-
vrouw. Dit doet ze vanuit twee zeer
verschillende culturele achtergronden
waarbij ze zich richt op grote onderliggende
sociale thema‟s. Opvallend hierbij is de
tegenstelling tussen hedendaagse westerse
kunst en de traditionele beeldtaal uit haar
geboorteland.
In Rapture (letterlijk: in vervoering raken,
1999 zie afbeelding) speelt de man-vrouw
tegenstelling een belangrijke rol. In Rapture
is een groep mannen bijeen in een oud fort
in de woestijn. Ze bidden, debatteren, spelen
kaart en gaan geheel op in hun gezamenlijke
bezigheden en rituelen totdat ze worden
afgeleid door jammerkreten van een groep vrouwen. Het werk wordt geprojecteerd op twee schermen
tegenover elkaar. Net als de groep mannen lijkt ook de groep vrouwen verzonken in rituelen. Knielend
vormen ze in hun chadors een zwarte driehoek in de woestijn terwijl ze hun handen naar de hemel richten
en zich buigen in het zand. Plotseling maken de vrouwen zich van elkaar los. Onder opzwellend geluid
rennen ze naar een strand waar ze, uitgezwaaid door de mannen, met een motorboot wegvaren naar een
onbekende bestemming.
Muziek vormt een belangrijk aspect in haar videoprojecties. Zo werkte ze in Passage (2001), een lyrisch
werk met sterk symbolische verwijzingen naar overgangsrituelen, nauw samen met de Amerikaanse
componist Philip Glass.
De Indiase film
Bollywood is de verzamelnaam voor de Indiase film- en showbizz die zich voornamelijk concentreert in
Bombay, het Hollywood van India. De Indiase acteurs- en actrices zijn dan ook absolute sterren.
Tegenwoordig heet Bombay welliswaar Mumbai, maar toch is Bollywood nog altijd en begrip overal in de
wereld.Er zijn wel een paar regeltjes in de Bollywoodfilm: romantiek moet, maar zoenen?nee, dat mag niet!
Een Bollywoodfilm moet ook lang duren. Soms duren ze wel drie uur, dubbel zo langs dus als een film bij
ons. Ja, het is een beetje wennen, maar wel erg leuk
In India gaan er elke dag circa 15 miljoen mensen naar de film. Het is de populairste kunstvorm. En
met een produktie van 600 films per jaar, is India de grootste filmproducent van de wereld!Enkele
kenmerken van de Indiase film:
Indiase films zijn niet voor iedereen weggelegd. Gevoel voor romantiek, liefde voor muziek en bovenal een
flink portie zitvlees zijn vereisten bij het kijken naar een willekeurige productie uit Bombay (nu Mumbai). Alle
films worden gemaakt rond dezelfde formule: geen bloot, geen seks (al mag een kusje soms best) en altijd
moreel verantwoord. De Indiase normen en waarden worden strikt nageleefd.
Geen kaskraker zonder goede muziek. Muziek is bepalend voor het succes van de film, hoe slecht er soms
ook wordt geacteerd. Het feit dat de gemiddelde productie drie uur duurt, wordt verklaard door de complete
videoclips die in de film gemonteerd zijn. De originele zangers blijven daarin buiten beeld; de hoofdrolspelers
playbacken de nummers.
Het thema van de Indiase film is bijna zonder uitzondering (onmogelijke) liefde of familiedrama. Indiase
jongeren, en vooral ook de Hindoestaanse en Pakistaanse gemeenschap in Nederland, smullen van dit
extravagante melodrama. Het merendeel van de Hindoestanen en Pakistanen in Nederland hopen in de
films een stukje van hun oorspronkelijke cultuur terug te vinden.
Voor de acteurs is een hoger doel weggelegd. Hun afbeeldingen verschijnen op alle mogelijke merchandise.
Het is bovendien niet ongebruikelijk dat een hoofdrolspeler na zijn kaskraker in de politiek belandt. De
inmiddels overleden acteur Ramachandran was premier van een zuidelijke Indiase deelstaat. Ook zijn
opvolger, Jayalalitha Jayaram, was op het filmdoek te bewonderen. Superster Amitabh Bachchan schopte
het zelfs tot het Indiase parlement.
Er rollen dan ook heel wat remakes van Amerikaanse klassiekers van de band in Bombay.Deze film werd
opgenomen tijdens het opkomend fundamentalisme en nationalisme in India in de jaren tachtig. De
hoofdpersoon Nikhil verwoordt letterlijk de ideeën van Rabindranath Tagore, de schrijver, dichter,
landhervormer en Nobelprijswinnaar. Tagore neemt in het verhaal afscheid van de nationalistische Swadeshi
Movement. Deze beweging boycotte tijdens de Britse overheersing Engelse producten en pleitte voor
gebruik van puur binnenlandse goederen. Volgens Tagore werden door deze boycot de kleine Bengaalse
handelaren (vaak Moslims) de dupe ten koste van de machtiger industriëlen (Hindoes). Nikhil, een machtige
grootgrondbezitter en fel tegenstander van het nationalisme, wil zijn vrouw uit de beslotenheid van de purdah
(vrouwenvertrekken) onttrekken. Pas als zij de gelegenheid gekregen heeft om buiten vrij te zijn, voelt Nikhil
dat hij haar liefde voor hem kan accepteren als echte liefde. Ghare Baire gaat niet alleen over liefde maar
ook over de relatie tussen ondermeer individuele belangen en nationale belangen.Het was lange tijd taboe
voor vrouwen om in een toneelstuk of film te spelen. Tegenwoordig is dit geen taboe meer. Maar vrouwen
spelen vaak wel nog zeer traditionele rollen.
Satya (Waarheid) Regisseur Ram Gopal Varma / India 1998.
Satya is een indrukwekkende, spannende en ontroerende film over de hedendaagse maffia in Bombay. De
film oogstte veel lof. 'Goed verhaal, goed acteerwerk en vooral: levensecht', was de conclusie van velen na
het zien van Satya.
Satya (Waarheid), een jonge man zonder familie, komt aan in Bombay om werk te zoeken. Hij belandt in het
criminele circuit en wordt een gewetenloze moordenaar. Als hij Vidya ontmoet blijkt de koele moordenaar
een geweten te hebben. De rol van Satya wordt schitterend gespeeld door acteur Chakrayarty. Manoj Bajpai
is ongenaakbaar en trouw als zijn kompaan.De Indiase films vertonen meestal niet de realiteit maar een
illusie.
Dil Se Regisseur Mani Ratnam / India 1998
Regisseur Mani Ratnam won met Dil Se vele prijzen o.a. voor beste choreografie, camerawerk, muziek en
liedteksten. Dil Se is nu al, ondanks een wat rammelend scenario, een klassieker vanwege camerawerk en
muziek. Vooral de spectaculaire dansscènes doen recht aan het feit dat de lndiase filmindustrie al vanaf de
jaren veertig de moeder is van de videoclip.
Amar werkt voor All India Radio en is op weg naar een interview met een terrorist in het noorden. Onderweg
ontmoet hij Meghna, een mysterieuze vrouw, die Amar in de problemen brengt en zijn hoofd op hol doet
slaan. Bij zijn terugkeer in Delhi waar zijn verloofde Preity op hem wacht, kan hij Meghna maar niet vergeten.
Santosh Shivan is verantwoordelijk voor het prachtige camerawerk. The Terrorist en Dil Se laten zien hoe
moeilijk het is voor filmmakers om werkelijk consequenties te trekken uit de gedrevenheid van een
zelfmoordenaar, zeker als deze een vrouw is. Beide films zijn pogingen het zachte in de mens naar boven te
halen en zouden opgevat kunnen worden als pleidooien voor minder extreem idealisme.
Afrikaanse muziek
De eerste berichtgeving over Afrikaanse muziek die enigszins tot westerse media doordrong, betrof
Zuidafrikaanse artiesten als Miriam Makeba en Abdullah Ibrahim, die hun land vanwege het
apartheidsregime waren ontvlucht. Westeuropese steden raakten soms opgeschrikt door Afrikaanse folklore
shows die vooral op de werveling en luchtigheid van het dansspektakel werden bekeken.
Toen Afrikaanse muzikanten echter een crossover maakten naar elementen van Amerikaanse jazz, naar
Caraibische ritmiek en westerse muziekinstrumenten en sprake was van Afrikaanse pop, ontstond een
mediahype van ongekende omvang.
Plotseling leerden we dat in Ghana calypso-achtige highlife wordt gespeeld, dat de Zairees Franco en het
Senegalese orkest Boabab zich door Cubaanse dansritmiek hebben laten inspireren. Dat uit Nigeria juju, fuji
en afro-beat komt. Dat de Kameroenese saxofonist Manu Dibango makossa-stijl speelt en dat de duimpiano,
de mbira, het klassieke instrument van het Shona-volk in Zimbabwe is. Dat Toeareg-muzikanten uit Niger
hun fusiemuziek al-guitara noemen en dat Congo, Senegal, Guinee en Madagascar muzikale goudmijnen
zijn. Afrika-festivals schoten als paddestoelen uit de grond en Afrika werd zelfs, na Amerika, het meest
bezongen continent. Jazz-, soul-, funk- en reggae-artiesten begonnen modieus te verwijzen naar Afrika, als
de bron van hun muziekhistorie. Bij voorkeur in sombere liedteksten, omdat juist daarmee hitparades konden
worden bestegen.
Opmerkelijk genoeg is in Afrikaanse muziek zelf nauwelijks somberheid te ontdekken. Het continent is in de
media veelvuldig failliet verklaard maar de muziek lijkt almaar vrolijker en belangrijker te worden. Een reden
daarvan kan zijn dat muziek in Afrikaanse culturen een meervoudige ontsnappingsmogelijkheid biedt: uit
dagelijkse ellende, naar commercieel succes en zelfs naar triomfen in het buitenland. Muziek is een heus
exportartikel geworden.In Mali bestaan diverse culturen, zoals de Mandingo, de Dogon, de Malinké en de
Bambara, elk gebaseerd op orale tradities en eigen opvattingen omtrent ritmiek, drummen, zingen en
dansen. Essentieel zijn griots, muzikale volksvertellers, religieuze zangers en bespelers van onder de oksel
geklemde talking drums. Griots van het Mandingo-volk hebben de schitterende kora ingebracht, een 21snarige kruising tussen een harp en een luit, met een lange hals en een klankkast van een grote kalebas. De
huidige kracht van de Malinese muziek wordt evenwel vooral bepaald door de vermenging met westerse
muziek. Een kruisbestuiving die zangeressen als Kandia Kouyaté, Oumou Sangaré, Ami Koita, Nyama
Makolo, Sali Sidibe en Rokia Traoré, en funkbands als Super Djata heeft voortgebracht. De grootste ster van
Mali, Mandingo-zanger Salif Keita, die graag tussen Bamako en Parijs laveert, toont zich over het huidige
succes echter gevaarlijk kritisch: 'Wij leven hier in een vermomde dictatuur, met een overheid die niets voor
ons doet, maar wèl graag met ons pronkt. Word je echter te beroemd, dan zal je naar Frankrijk moeten
ophoepelen, voordat ze je de botten breken.'
Voor muziekfragmenten digischool: invalshoek intercultureel. Samenstelling bronmateriaal ten behoeve van het nieuwe vak ckv-2 voor
havo en vwo in het profiel C&M.. Meewerken aan deze site? Opsturen via e-mail is voldoende. Geraadpleegde literatuur: Mali, land van
Keita door Frits Lagerwerff VPRO gids nr 45.
Internationale beeldtaal
Hedendaagse kunstenaars werken in een internationale beeldtaal van video--installaties, sculpturen
gemaakt van afvalmaterialen en alledaagse voorwerpen, fotografie en film. Een wereldwijde lingua franca,
die verspreid wordt via de elektronische media, en waar alleen de traditionele schilder- en beeldhouwkunst
geen deel van uitmaken. Veel van deze kunstwerken sluiten naadloos aan bij de ons vertrouwde moderne
kunst.
Dit maakt de nieuwe wereldkunst problematisch. Want we ontkomen er niet aan een westers standpunt in te
nemen, en juist dit (in onze ogen) aangepaste, half-westerse wekt achterdocht. Zoals bijvoorbeeld de houten
beelden van de inmiddels internationaal bekende Jimmy Durham. Durham is in 1940 geboren in Arkansas
en was als Cherokee lange tijd activist in de American Indian Movement. Zijn beelden, gemaakt van oude
stukken hout, textiel, gekleurde veren enzovoort, zijn mij niet Indiaans, niet authentiek genoeg - hoewel ik
geen idee heb hoe zijn beelden er dan uit zouden moeten zien. En als Durham authentiek-Indiaanse
beelden zou maken zouden ze waarschijnlijk helemaal niet terechtkomen op westerse
kunsttentoonstellingen, maar eerder in een winkel bij een Indianen-reservaat waar we ze zouden afdoen als
nep-Indianenkunst. Met andere woorden, Durham kan het eenvoudig niet goed doen.
Frédérie Bruly Bouabré (1921, Ivoorkust). Bouabré tekent met ballpoint en viltstift op karton 449 geestige
pictogrammen van ieder 10 bij 15 centimeter, waarin hij de fonetische klanken van de taal van zijn volk de
Bété, heeft omgezet in beelden. Het is een tegelijkertijd humoristische en ontroerende poging om zijn taal
voor de vergetelheid te behoeden, en tegelijkertijd de basis te leggen voor een universele, voor iedereen
toegankelijke taal.
Ontheemd
De kunstenaars uit de Derde Wereld moeten aan de ene kant recht doen aan hun lokale tradities en aan de
andere kant een internationale kunsttaal leren om te kunnen produceren voor een westerse markt. En
daarom noemen we hun kunst 'hybride' en ,ontheemd' en maken we ons zorgen over zoals het fraai heet 'de
decontextualisering van de kunst'. Misschien is het nog te vroeg om de niet-westerse kunst op artistieke
merites te beoordelen. Misschien is het feit dát er kunst gemaakt wordt, op een autonome, vrije manier, en
dat het Westen hiervoor open staat, vooralsnog belangrijker dan het product. Veel kunstenaars, zowel hier
als daar, willen trouwens geen producten leveren en zoeken naar manieren om aan de greep van de
markteconomie en aan traditionele kunstinstellingen als het museum te ontkomen, bijvoorbeeld door
tijdelijke of vergankelijke kunstwerken te maken. Eén ding is zeker- het vanzelfsprekende overwicht van de
westerse kunst is definitief voorbij. Er is niet langer één grote moderne ontwikkeling, niet langer één
perspectief. Er zijn tal van perspectieven, wereldwijd.
03-05-2007 CKV-2 invalshoek 6 Massacultuur

Vergelijkbare documenten