Vrij Gesteld

Commentaren

Transcriptie

Vrij Gesteld
Vnt¡ Gesrelo
Vrij Gesteld
60.
In ,,Vrij Gesteld" geeft een lid, uøn de redactie of een gastøuteur zijn
eigen mening, kritiek of commentdar op een fiscaal item
dat hem of høør is opgeuallen. Er is ooþ ruimte uoor reactie hierop.
Grondrechten en belastingen
1. Volgens de Belgische Grondwet kunnen geen belastingen
worden ingevoerd dan door een wet (art' 1'70 Gw'). De wetgever heeft een ruime belastingbevoegdheid en beslist in beginsel autonoom over de invoering van een belasting en alle
essentiële elementen van deze belasting. De ruime bevoegdheid van de wetgever moet evenwel worden genuanceerd in
het licht van de doelstelling van deze grondwettelijk bepaling. De autonome bevoegdheid om belastingen in te voeren,
werd in 1831 namelijk aan de wetgever toegekend om excessieve of willekeurige belastingen te vermijden' Tijdens het
Nationaal Congres dat de Grondwet van 1831 voorbereidde
werd namelijk toegelicht dat excessieve en willekeurige belastingen mede aan de basis lagen van de rcvolutielt "On a
parlé des causes de notre réuolution; la principøle, c'est incontestablement le système d'impôts sous lequel nous øuons
gérni et dont nous ne sommes pas entièrement débarrassés.
Les møsses (...) sentent I'auantøge de payer le moins possible; elles sentent Ie poids des contributions sous lequel elles
sont courbées; et quand ces paroles ont été adressées 4u þeuple: 'Chassez l'étranger auide qui uous Pressure' uolts
dépouitle, uous enlèue le frwit de uos sueurs', il les a comþrises à I'instant; il s'est leué; il a marché 4u pas de charge sur
ses ennemis; il s'est leué afin d'être quitte d'un système d'iffipôts uexatoire et ruineux, (.../". Verder werd bij de redactie
van de grondwettelijke bepalingen onder de titel "financiën"
als volgt toegelicht: "La constitution d'un peuple libre doit
donc le préseruer d'impôts arbitraires (.")2" ' Ì|l4:et een autonome belastingbevoegdheid voor de wetgever beoogden de
congresleden deze doelstelling te bereiken. Sindsdien zijn de
financiële noden van de overheden dermate toegenomen' dat
ook de r¡/etgever steeds meer onder druk komt te staan om
meer en hogerè belastingen in te voeren' De autonome belastingbevoegdheid van de wetgever kan daardoor op Sespannen voet komen te staan met de initiële bedoeling om excessieve en willekeurige belastingen te voorkomen' In dat geval
kunnen de grondrechten (bv' het recht op ongestoord genot
van eigendom, het gelijkheidsbeginsel) alsnog bescherming
bieden. Er moet dan een afweging worden gemaakt tussen
het relatieve gewicht vanaaî de ene kant deze grondrechten
en aan de andere kant de autonome belastingbevoegdheid
van de wetgever. Ook in andere landen doet deze tendens
zich voor,
Een aantal uitspraken hieromtrent zijn de afgelopen maanden opgevallen.
2. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens diende
zich in de zaak Gá.ll / Hongariie opnieuw uit te spreken over
een excessieve belasting3. De zaak ging over een ambtenaar
van de Hongaarse belastingadministratie. Deze ambcenaar
was op 31 maart 2011 ontslaan en werd ter zake van haar
opzeggingsvergoeding belast tegen 16o/" op een eerste schijf
tot 3.500.000 HUFa en tegen 98o/o op het resterende bedrag.
Deze tarieven resulteerden in een globaal belastingtarief van
60Y,.Yolgens de ambtenaar was deze belasting in strijd met
artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM'
dat het ongestoord genot van eigendom waarborgt' Het
EHRM onderzocht eerst de (lange) totstandkomingsgeschiedenis van deze belasting. Deze belasting op opzeggingsvergoedingen in de publieke sector werd een eerste keer ingevoerd door de wet van22 iuli 2010 en bepaalde initieel een
tarief van 98o/o voor het gedeelte van de opzeggingsvergoeding boven 2.000.000 HUF. Dit tarief werd tn de memorie
uan toelichting verantwoord geacht, rekening houdende met
de slechte financiële situatie van het land en met de goede
zeden, waarmee deze opzeggingsvergoedingen op gespannen
voet zouden staan. De vergelijking werd gemaakt met de financiële sector, 1vaâr de Europese Commissie initiatieven
heeft genomen om hoge opzeggingsvergoedingen aan banden te leggen. De nieuwe belasting was van toepassing vanaf
1 oktober 2010. Het Hongaarse Grondwettelijk Hof vernietigde echter deze wet. Volgens het Hof kon een bij wet bepaalde opzeggingsvergoeding niet beschouwd worden als
strijdig met de goede zeden, en daarom kon deze belasting
niet worden verantwoord. Volgens het Hof was de belasting
bovendien excessief en had de belasting een onteigenend karakter. Het Hof verwees daarbil naar de rechtspraak van het
rùTahlen et'
(10 november-31 december), Brussel, société Typographique Belge, Àd,
1, H, HurrraNs,.D iscussions du congrès Nøtional d.e Belgique. 1830-1831,I.
Cie,1844,672.
justificatives Société, Brussel, société Typographique Belge,
2. H, Huy]-rÊNS, D iscussions d.u congrès National de Belgique, 1830-7831, IV. Pièceí
Cie,1844,105, nr.61.
3. EHRM 25 funi 2013, nr.495701t7, Gáll / Hongariie;in dezelfde zin:
R.Sz. / Hongariie.
EHRM
Ad 'slahlen et'
juti 2013'
14 mei 2013, nr' 66529117,NKM / Hongariie; EHRM 2
nr 41838/11'
4. Ongeveer 11.900 EUR.
T,F.R.46o - elnrL Lor4
I-ARCIER
H
+L:^ :..-:^-.-^-^
^^^-.
!^ l: ^ ^^ ^^ ) +^ rf:L ^--L:
^-
llztl
Vnr¡ Ges:rrro
Bundesuerfassungsgericht, dat overwogen heeft dat een beIasting in beginsel niet hoger mag zljn dan 50'/". Op de dag
dat het Hongaarse Grondwettelijk Hof in deze zaak :uitspraâk deed (16 november 2010) en de wet vernietigde,
woord kunnen worden door het algemeen belang. Ten slotte
moet ook voldaan worden aan het evenredigheidsbeginsel:
de inbreuk moet gebaseerd zijn op een billijk evenwicht tus-
voerde een nieuwe wet opnieuw een belasting in op opzeggingsvergoedingen in de publieke sector. Het tarief van 98o/"
werd deze keer toegepast op een hogere schijf, i,e, vanaf
3.500.000 HUF. De wet bepaalde verder dat de belasting van
toepassing was vanaf 1 januari 2005. Bovendien werden de
bevoegdheden van het Hongaarse Grondwettelijk Hof beperkt. Voortaan wâs het Hof enkel bevoegd om belastingwetten te toetsen aan een aantal \eer fundamentele grondrechten, zoals het recht op een menswaardig bestaan, Opnieuw diende het Hongaarse Grondwettelijk Hof zich over
deze belasting uit te spreken. In het licht van zijn beperkte
bevoegdheid besliste het Hof dat deze belasting strijdig was
met het recht op een menswâardig bestaan, doch enkel in
zoverre de belasting retroactief werd ingevoerd (i.e. in zoverre toepasselijk vóór het inkomstenjaar 2010). Op 9 mei20tt
werd reparatiewetgeving ingevoerd, die de belasting in overeenstemming bracht met de uitspraak van het Hongaarse
Grondwettelijk Hof door de retroactiviteit af te schaffen.
De belastingambtenaar legde zich niet neer bij de gang van
zaken en verzocht het EHRM om zich ook over deze zaaktlt
te spreken, Het EHRM onderzocht of artikel 1 van het eerste
protocol bij het EVRM was geschonden. Deze bepaling luidt
pij aan de ene kant en de bescherming van de grondrechten
als volgt:
" Iedere natuurlijÞe of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot uan zijn eigendom. Aan niemand zal ziin eigendom tuorden ontnomen behalue in het algemeen belang en
onder de uoorwa.ørden uoorzien in de tuet en in d.e algemene
b e gins elen u an internationadl r e cht,
De uoorgaande beþalingen tøsten echter op geen enkele øijze
het recht øan, dat een støøt heeft om die wetten toe te þassen,
die bii noodzakeliik oordeeh om het gebruik uan eigendom
te reguleren in ouereenstemming met het algemeen belang of
om de betaling uan belastingen of andere heffingen of boeten
te uerzeþ.eren,"
Het EHRM overwoog dat de opzeggingsvergoeding kwalificeerde als een "eigendom" in de betekenis van deze bepaling.
Volgens de klassieke rechtspraak van het EHRM strekt het
begrip "eigendom" zich in deze context uit tot alles wat in
hoofde vân een persoon een patrimoniale waarde heeft of
kan hebben. In het voorliggende geval overwoog het Hof dat
de ambtenaar voldoende legitieme verwachtingen had dat zij
de opzeggingsvergoeding zou ontvangen, en dat er dus sprake was van "eigendom". Verder overwoog het Hof dat de
partijen akkoord gingen met de vaststelling dat het hier ging
om een inbreuk op deze eigendom. Betwist werd echter of
deze inbreuk kon worden verantwoord. Een dergelijke verantwoording veronderstelde volgens het Hof in de eerste
plaats niet alleen een wettelijke basis. Het Hof overwoog dat
de belastingwet daarnaast ook moest voldoen aan bepaalde
kwaliteitsvereisten: de wet moet voldoende toegankelijk,
precies en voorzienba ar zrjn. Verder moet de inbreuk verant5. EHRM 25 juni 2013, w. 49570/77, Gáll I Hongariie,
llZr-l
H
T.F.R. 46o - APRrL zor4
nndt.
sen de vereisten van het algemeen belang van de maatschap-
van het individu aan de andere kant.
Het evenredigheidsbeginsel vormde volgens het Hof in deze
zaak een probleem. Het Hof herhaalde eerst zijn klassieke
overweging dat staten in beginsel een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben om te bepalen of een maatregel beantwoordt aan het algemeen belang. Toch achtte het Hof zich
bevoegd om te beoordelen of het evenredigheidsbeginsel in
het licht van alle relevante elementen en de concrete situatie
was nageleefd. Het Hof stelde eerst vast dat volgens het Hongaarse Grondwettelijk Hof de belasting een onteigenend karakter had, en verwees zelf ook naar het Dtitse Bundesuerfassungsgericht, dat in een aantal uitspraken belastingen met
een tarief hoger dan 50%-60% ongrondwettig heeft verklaard. Toch overwoog het EHRM dat het nominale tarief
van een belasting niet voldoende was om tot een schending
te besluiten. Het EHRM verwees daarbij naar Zweden, België, Portugal en Italië, die (weliswaar enkel op de hoogste
belastingschijven) hogere tarieven toepassen. Toch besliste
het EHRM dat in het voorliggende geval de globale belasting
van 60%" excessief was, Het Hof baseerde zijn beslissing in
hoofdzaak op de overweging dat dit tarief substantieel hoger
was dan het tarief dat in Hongarije van toepassing was op
andere inkomsten (bv. opzeggingsvergoedingen in de private
sector): "The Court finds that the aþplicant, øho was enti-
tled to statutory seuerance on the basis of tbe law in force
and wbose acting in good faith bas neuer been called into
question, was sub jected to a tax uhose rate exceeded øbout
tbree times the general personal income tax of 16'/' [ . .] and
this notwithstanding the fact tbat the seuerance serued the
specific and recognized social goal of løbour reintegration. It
does not appear that any other reuenue originating from the
public purse uas subjected to similarly highly tax"s. Verder
hield het EHRM er ook rekening mee dat de nieuwe belasting onvoldoende voorzienbaar was geweest. Het Hof achtte
deze vaststelling vooral relevant in het licht van de doelstelling van de opzeggingsvergoeding, namelijk personen die
ontslaan worden, een moeilijke financiële periode helpen
overbruggen met het oog op het vinden van nieuw werk: "As
regards the personal burden which tbe dpþlicant sustained
on Account of the impugned measure, the Court notes thøt
she had to suffer a substantial depriuation of income in a
period of considerable personal difficuhy, namely that of
unemployment. The Court would obserue in tbis context
that Article 34 of the Charter of Fundamental Rigbts of the
Euroþean Union (see para.grdph 1.9 aboue) endorses benefits
prouiding protection in the case of loss of employment, and
that according to the European Court of Justice, the aim
pursued by seuerance - that is, helping disrnissed employees
find new employrnent - belongs øithin legitimate employment þolicy goals (see paragrdph 19 aboue). For the Court,
67
LARCIER
Vnr¡ Geslrro
it is quite plausible that the element tbat she øas subiected to
the impugned mectsure while unemployed, together with the
unexþected and xaift nature of the change of tbe tax regime
øhich møde dny þre7dlation uirtually impossible for those
concerned, exposed the øpþlicant to substantial personøl
hardships." Op grond van deze overwegingen besliste het
EHRM dat deze belasting strijdig was met het ongestoord
genot van eigendom zoals gewaarborgd door artikel 1 van
het eerste protocol bij het EVRM.
3. De grondrechten beschermen niet alleen de belastingplich-
tigen tegen excessieve of willekeurige belastingen, doch in
bepaalde situaties ook tegen het verstoken blijven van belastingvrijstellingen of -verminderingen' Ook hier kan verwezen worden naar het Nationaal Congres dat de Grondwet
van 1 83 1 voorbereidde. Uit de verslagen blijkt dat niet alleen
excessieve ofwillekeurige belastingen aan de basis lagen van
de revolutie, ook onrechtvaardige belastingvrijstellingen of
-verminderingen werden in dit kader vermeld: "La loi du 22
frimaire an XII, relatiue à I'enregistrement, uuait fixé à 2
þour cent en princþal le droit sut Ie prix de uente des couþes
de bois et des récoltes sur pied. Par l'ørticle 13 d'une loi du
31. mai 1824, ce droit a été réduit à1lrpour cent du principal'
Ainsi, messieurs, tandis que de pauures enfønts mineurs, de
mølheureux débiteurs poursuiuis þar leurs créønciers continuent à payer 2 Pour cent sur un chétif mobilier exposé en
uente publique et dont le prix est destiné à payer leurs dettes,
le riche, quand il uend ses coupes ou ses récoltes, en est quitte
au moyen d'un I/rpour cent de la ualeur' Ce priuilège, nuisi'
ble øux intérêts du trésor, blesse trop légalité que uous *uez
proclamée, pour subsister longtemþs"6, In de Belgische
Grondwet werd hiertoe bepaald dat geen uoorrechten k¡n'
nen worden ingevoerd (art. L72, eerste lid Gw.). Bovendien
kan geen vrijstelling of vermindering van belasting worden
ingevoerd dan door een wet (art' 172, tweede lid Gw.). Dit
brengt met zich mee dat belastingvrijstellingen en -verminderingen redelijk moeten kunnen worden verantwoord en moeten beantwoorden aan het evenredigheidsbeginsel,
4. De grondwetten van andere staten bevâtten gelijkaardige
waarborgen. Met het oog op het zoeken naar de juiste draagwijdte van deze bescherming, is het interessant om bij wijze
van vergelijking te wijzen op twee prejudiciële vragen van het
7'
Duirse Bundesfinønzh of aan het B undesu erf as sungs gericht
In Duitsland staat momenteel namelijk ter discussie in hoe-
verre belastingvrilstellingen of -verminderingen die in een
verdrag zijn bepaald, op gespannen voet kunnen staân met
de grondrechten, en in een dergelijk geval buiten werking gelaten kunnen of moeten worden' Deze zaken betreffen een
6,H.Hwrrer.,s, DiscussionsduCongrèsNationøldeBelgique,
aantal bepalingen vân het Duitse Einþommensteuergesetz
(ESIG) dat de toepassing van een verdragsrechtelijke belastingvrijstelling of -vermindering beoogt te voorkomen in situaties die volgens de Duitse wetgever niet wenselijk zijn. Zo
bepaalt paragraaf 50(d) (8) ESIG dat, wanneer een inwoner
van Duitsland bezoldigingen verkriigt die op basis van een
verdrag in Duitsland moeten worden vrijgesteld, deze bezoldigingen enkel worden vrijgesteld, indien de belastingplichtige bewijst dat in de andere stâat met betrekking tot deze
bezoldigingen effectief belastingen werden betaald of dat de
andere staat deze bezoldigingen uitdrukkelijk heeft vrilgesteld. In de voorbereidende werken bij de wet die deze bepaling invoerde, werd toegelicht dat op deze manier voorkomen wordt dat belastingplichtigen die verzuimen om hun inkomsten in het buitenland aan te geven en daardoor aldaar
geen buitenlandse belasting betalen, in Duitsland toch worden vrijgesteld van belastingens, Hoewel in de rechtsleer
deze bepalingen afbreuk doen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag en aan het begin-
wordt gesteld dat
sunt seruandae, heeft het Bundesfinanzhof in het
verleden de doorwerking van gelijkaardige unilaterale bepalingen in het kader van de toepassing van verdragen bevestigd. Het Bundesfinanzhof \ikr nu echter op deze rechtsel pacta.
spraak terug te gekomenro.
De eerste zaakwaarin het Hof een vr aagheeÍt gesteld aan het
Bundesuerfassungsgericht, ging over een werknemer die inwoner was van Duitsland en in Turkije had gewerkttr' Con-
form het verdrag tussen Duitsland en Turkije mochten de bezoldigingen die betrekking hadden op de tewerkstelling in
Turkije, in laatstgenoemde verdragsluitende staât worden
belast. Duitsland diende deze bezoldigingen vrij te stellen, De
Duitse werknemer had echter niet bewezen dat hij met betrekking tot deze bezoldigingen in Turkiie belastingen had
betaald of dat de Turkse overheid deze bezoldigingen r"ritdrukkelijk vrijstelde. Derhalve weigerde de Duitse belastingadministratie conform paragraaf 50(d) (8) ESIG de verdragsvrijstelling toe te passen. Het Bundesfinanzhof stelde eerst
vast dat deze bepaling in striid is met het beginsel plcttt sunt
seruønda en de Duitse grondwettelijke bepaling die de voor-
rang van het verdragsrecht op het intern recht bevestigt
(art.25 Duitse Grondwet). Vervolgens overwoog het Hof
dat een schending van het verdragsrecht enkel kan worden
verantwoord, wanneer de grondrechten in het gedrang komen. Het Hof verwees naar het Bundesuerfassungsgericht,
dat overwogen heeft dat in dergelijke gevallen een afweging
moet worden gemaakt tussen de voorrang van het verdragsrecht aan de ene kant en de grondrechten aan de andere kant:
"Ein Bruch des Völkeruertragsrechts ist ausnøhmsweise in-
1830-1831,1.(l0november-31 december),Brussel,SociétéTypographiqueBelge,A<l'slahlenet'
Cíe,7844,673.
december 2013, ro. IR 4/13, www'hundesfinanzhof'de voor cen
7. Bundesfinanzhof 10 januari 2012, nr IR 66109, www.hundesfinanzhof.de; Bundesfinanzhof 11
..Treaty override revival of the debate over the constitutionality of domestic treaty override provisions in Germany"' Europeatt
bespreking, zie A, penpsrrvnz,
Tõx
ation 2013,
44
5
-4 5
0'
Ik
66109, randnr. 27, ¡u¡¿rÿ-bx.odesf¡lal¡zhalde
8. Bundesfinanzhof 10 januari 2072, w'
practice" , Bulletin IBFD 2073' 525'
9. S.E, BÀnscr¡ en Ch. SreNcel, "Hyúrid Mismatch arrangements: OECD recomendations and German
spruchpraxis nichtfestltalten'
10 januari 2012, IR 66t)g, randw,16, wwwhundesfinanzhof.det "Der senat möchte an dieser
10. Bundesfinanzhof
und Anforderungen nicht gerecht tuitd'"
überzeugung geløngt, diss d1e bislang uertretene Einscbätzung den uerfassungsrechtlicben Vorgaben
januari
www'bundesfinanzhof'de'
Ik66109,
2012'
11, BunJesfinanzhof 10
T.F.R. 46o - APRIL 2or4
LARCIER
H
J +^ rf:L^--LJ^-
Er
ist zu der
lllll
Vnt¡ Gnsrnro
nerstaatlich bindend,'sofern nur auf diese Weise ein Versto[3
gegen tragende Grundsätze der Verfassung abzuwenden
om informatie met de Turkse overheid uit te wisselen. Een
ist"'12.
Bundesfinanzhof ook in om het verdrag met Turkije op te
-Welke
andere grondrechten kunnen hier in het gedrang komen? Het Bundesfinønzbof verwees in zijn overwegingen
naar Frotscher die het buiten toepassing laten van verdrags-
andere minder ingrijpende maatregel bestond er volgens het
zeggen.
In
geval van ogenschijnlijke strijdigheid met de Duitse
Grondwet dient het Bundesfinanzbof conform artikel 100
vrijstellingen verantwoord acht in het licht van het gelijkheidsbeginsel, wanneet de belastingvrijstelling of -vermindering leidt tot dubbele niet-belasting. Het buiten toepassing
laten van de verdragsrechtelijke belastingvrijstelling herstelt
volgens Frotscher de gelijkheid met belastingplichtigen die
op hun binnenlandse inkomsten wel worden belast: "Døs
Treaty ouerride bewirkt, dass dem Steuerpflichtigen dieser
Vorteil tuieder genommen wird. Zugleich øird er damit im
Ergebnis mit anderen Steuerpflichtigen gleichbehøndeh, uelche entsprechende ArbeitseinÞanfte im Inland beziehen, mit
'Vleheinkommens
diesen Einkünften im Rahmen ihres sog.
aber besteuert werden. $ 50d Abs. 8 ES¿G 2002 n.F. orientiert sicb so gesehen an dem in Art. 3 Abs. 1 GG tuurzelnden
Leistungsfäh i gkeitsprinzip, u erh indert eine so g. K einmalb esteuerung und stelb eine gleichheitsgerechte Besteuerung
(wieder) her."13. lrìet Bundesfinanzhof overwoog echter dat
belastingplichtigen die inkomsten verkrijgen uit een land
waarmee Duitsland een verdrag heeft gesloten en die in aanmerking komen voor een verdragsvrijstelling, niet vergeleken
van de Duitse Grondwet echter een prejudiciële vraag te stellen aan het Bundesu erfassungs gericht. }{et Bundesfinønzh of
heeft in deze zaak op 10 januari 2012 een prejudiciële vraag
gesteld aan het Bundesuerfassungsgericht. Op 11 december
2013 heeft het Hof in een andere zaak een gelijkaardige
vre'ag
het Bundesuerfassungsgericht gesteldla. H.et Bun'
^an
desuerfassungsgericht zal over deze kwestie dus het laatste
woord hebben. Het is afwachten op welke manier het Bun'
desuerføssungsgericht de afweging tussen het verdragsrecht
en de grondrechten zal maken, Een uitspraak van dit Hof
laat evenwel doorgaans een aantal iaren op zich wachten...
In de Duitse rechtsleer zijn de meningen over devraagin hoeverre de grondrechten afbreuk kunnen doen aan verdragsvrijstellingen, intussen verdeeldl 5.
kunnen worden met belastingplichtigen die binnenlandse inkomsten verkrijgen, omdat het regelgevend kader verschillend is: "Aus Verfassungssicht uerhält es sicb iedoch anders.
Hier dørf nicht au$er Acht gelassen werden, dass ausschlielS'
lich im Inlønd tàtige Steuerpflichtige in einem anderen Regelungszusammenb ang agieren. [... ] Solch en Steuerpflicbtigen
steht þeine Steuerfreistellung zu. Richtigertaeise muss deswegen auch die malSgebende Vergleichsgruppe eine andere sein:
D er j eni ge Steuerp flichti ge, der unter den V oraussetzungen
d er ab k omm ensr e ch tli ch u er e inb ar t en F r e i stellun gsmet h o de
auf Basis der sog. uirtuellen Doppelbesteuerung im Ausland
(hier in der Türkei) arbeitet, muss - und das nur - mit ebensolchen Personen uerglichen werden." Bovendien overwoog
het Bundesfinanzhof dat rekening moest worden gehouden
met het feit dat andere minder ingrijpende maatregelen ter
beschikking stonden van de Duitse overheid om de dubbele
niet-belasting te vermijden. Paragraaf 50(d) 8 ESIG werd namelijk ingevoerd om te voorkomen dat belastingplichtigen
die verzuimd hebben in de andere verdragsstaat hun inkomsten aan te geven, ook in Duitsland van een vrijstelling genieten en daardoor nergens belastingen betalen. In het licht van
dit opzet had de Duitse overheid volgens het Hof gebruik
kunnen maken van de in het verdrag geboden mogelijkheid
de
12.
13.
14.
15,
5, In België is het Grondwettelijk Hof bevoegd om de belastingwetten te toetsen aan onder meer de grondwettelijk gewaarborgde grondrechten; verder heeft het Grondwettelijk
Hof zich ook reeds herhaaldelijk bevoegd verklaard om via
instemmingswetten verdragen
te toetsen aan
deze
bepalingenld. In het licht van het beginsel van de scheiding
der machten toont het Grondwettelijk Hof in beide gevallen
wel een zekere terughoudendheid. Het Grondwettelijk Hof
overweegt doorgaans dat het aan de wetgever toekomt om
de grondslag van de belasting vast te stellen en dat de wetgever ter zake over een ruime beoordelingsmarge beschikl "De
møøtschappeliike keuzen die bii het inzamelen en het inzetten uan middelen moeten uorden gemaakt, behoren derbalue
tot de beoordelingsurijheid uan de wetgeuer. Het Hof uermøg
een dergelijke beleidsþeuze, alsooþ de motieuen die daaraøn
ten grondsløg liggen, slechts af te keuren indien zii oþ een
manifeste uergissing zouden berusten of indien zii kenneliik
onredelijk zouden zijn."rz. Toch kan ook in de rechtspraak
van het Grondwettelijk Hof het belang van de grondrechten
in belastingzaken worden vastgesteld. Zo heeft het Grond-
wettelijk Hof in 2005 de 'Waalse successiebelasting strijdig
met de Grondwet verklaard voor wat betreft de aanslagvoet
van90"/". Dit tarief stond volgens het Hof op gespannen voet
met het evenredigheidsbeginsel, omdat dit tarief " kenneliik
[zou] neerkomen oP een uerbeurduerþlaring"lq, Het Grondwettelijk Hof heeft ook erkend dat belastingplichtigen die
verstoken blijven van belastingvrijstellingen of -verminderin-
Bundesfinanzhof 10 januari 2012, lR 66109, randnr, 18, www.hundesfínanzhof.de.
Bundesfinanzhof 10 januari 2012,lF.66109,randnr,25,ww.bundesfinanzhof'de.
Bundesfinanzhof 11 december 2013, nr IR 4/13, www.bundesfinanzhof.de'
A. PERDELMTz, "Treaty override - revival of the debate over the constitutionality of domestic treaty override provisions in Germany", Europedn Taxation
2013,44s-450.
16. Bu GwH 10 oktober 2072,rc'1181201'2,8.9.; Arbitragehof 4 febrmti2007,nr.2012004.
17. GwH 30 oktober 2013, nr. 14112003'B.6.2.
2005 797 -803;her
1 8. Arbitragehof 22 juni 2005, nr. 107 12005; voor een bespreking, zie M. Bounctols, "De I'impôt confiscatoire selon la Cour d'arbitrage", JT
'
Grondwetteli¡k Hof had echter eerder beslist dat successiebelasting van 807o ingevoerd door hef Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet strijdig was met de Grondwet
(Arbitragehof 28 aprll 2004, nr. 6612004J.
llZql
B
r.F.R. 46o'APRrL
2or4
rl1:L
LARCIER
^-*L:
^^
Vnr¡ Grsrelo
gen, de bescherming van de grondwettelijk gewaarborgde
grondrechten kunnen genietenle. In tegenstelling t ot het Bundesfinønzh of heeft het Grondwettelijk Hof belastingplichtigen die inkomsten uit Belgische bron verkrijgen, in bepaalde
omstandigheden wel vergelijkbaar geacht met belastingplichtigen die inkomsten verkrijgen die in aanmerking
komen voor een verdragsvrijstellingz0. Dit opent de weg naar
een toetsing van de verdragsrechtelijke vrijstellingen aan het
grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en aan het verbod om
voorrechten in te voeren. Ook een verdragsvrijstelling moet
dan redelijk kunnen worden verantwoord en beantwoorden
aan het proportionaliteitsbeginsel. Met het oog op de bescherming van de belastingplichtigen kan alleen maar gehoopt worden dat het Grondwettelilk Hof zijn taak als hoeder van de grondrechten ook in belastingzaken ten volle uitoefent of blijft uitoefenen.
ANNE VeN DE VIJVER2]
79. GwH27 mei 2008, nr 83/2008, 8.2-3; GwH 19 december 2007, m. 75512007,8.4.3.; Arbitragehof 28 maart20O7,nn 5012007,8.7.; Arbitragehof 20 april
2005, nr. 72D00 5, 8.7.2.
20. Bv. GwH 10 oktober 2012, nr. 17812012,8.9.; ArbitragehoÍ 4 Íebrmú2007, nr.2012004'
21, Mandaatassistent, Universiteit Antwerpen, onderzoeksgroep Onderneming en Recht; Advocaar Tiberghien Advocaten'
LARCIER
E
T.F.R. 46o - APRrL zor4
Íll sl