fragment

Commentaren

Transcriptie

fragment
18
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
Als Valentijn, zoals hier staat, al in 1668 dit vlees proefde is dat zeer opmerkelijk. Hij
was toen twee jaar oud en lag nog in zijn bedje, thuis bij zijn ouders in Dordrecht.
Het is duidelijk dat de geciteerde passage van Rumphius zèlf stamt; die woonde in dat
jaar bij het fort ‘Amsterdam’ te Hila op Hitoe. Het is ook onvergeeflijk, dat Valentijn
na gebruik gemaakt te hebben van Rumphius tekst voor diens Dierboek het enige
manuscript daarvan heeft zoek gemaakt. Joan Burman schrijft op de tweede bladzijde
van zijn Præfatio in het AKB:
“.. dog het ware te wenschen dat de overige schriften van deze Schrijver over
de Land, Lugt en Zeedieren agter dit werk gevoegt waaren en of deze Historie
der Dieren van onze oude Man, voor zijn doodt ten einde gebragt en afgemaakt
zij, weete ik niet, waarom, zo dezelfde onder imant particulier mogt [te] zijn
berustende. verzoeke zeer vriendelijk, uijt naam van alle beminnaars des
natuur-kunde, dat hij die gelieve in het ligt te brengen en uijt te geven”.
Deze wanhopige oproep heeft geen effect mogen hebben. Valentijn is verantwoordelijk voor deze laatste ramp die, het aan tegenslagen toch al zo rijke leven van
Rumphius, 25 jaar na zijn dood alnog nog overkwam.
9.
D’AMBOINSCHE RARITEITKAMER
1705
(ARK)
Dit boek is het eerste grote werk van Rumphius dat in druk verscheen. Hij stelde dit
boek samen aan het eind van zijn leven, met materiaal dat hij gedurende vele jaren
verspreid had opgeschreven en afgetekend met betrekking tot:
1. “Schaalvisschen, te weete raare krabben, kreeften en diergelijke zeedieren”
2. “Hoorntjes en Schulpen, die men in D’Amboinsche Zee vindt”.
3. “Mineraalen, gesteenten en soorten van Aarde, die in d’Amboinsche en
omliggende Eilanden gevonden worden”.
Hij deed dit tussen zijn werk door, terwijl hij systematisch met zijn Ambons Kruidboek
bezig was.
Toen hij nog niet blind was – dus vóór 1670 – moet hij al heel veel schelpen,
schaaldieren en zeesterren verzameld hebben. Dit blijkt alleen al uit zijn zending van
“6 kisten, inhoudende diverse rariteiten van zeehoorntjes &c.”, in 1682, aan Cosimo
III de Medici (1639-1723) de zesde en laatste Groothertog van Toscane.
In zijn brief van 8 juni 1694 aan Isaac De Saint-Martin op Batavia zegt Rumphius dat
hij hem wel zee-rariteiten wil opsturen, als deze daar belangstelling voor heeft.
Nog duidelijker is hij in zijn brief van 29 juni 1695 aan oud Gouverneur-Generaal
Joan Camphuijs, waarmee hij hem een “tomtommetje” (= een mandje) met
Ambonsche schelpen toestuurt: “opdat deze die met de Bataviase [schelpen] kan
vergelijken”.
In een brief aan Hendrik D’Acquet van 1 september 1699 schreef Rumphius dat de
meeste teksten over schelpdieren al door hem waren opgeschreven vóórdat hij uit
Europa nog maar énig werk daarover ontvangen had. Hij verwijst in het bijzonder naar
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
19
het boek van de Italiaan Philippus Bonannus (1638-1725), dat hij op Ambon blijkbaar
pas laat toegestuurd kreeg.
D’Acquet (1632-1706) was een medicus, Burgemeester en bestuurder van Delft. Hij
had ook banden met de VOC-kamer Delft. Hij was een bekend verzamelaar van
‘rariteiten’.
Het is op 17 januari 1697 dat de Regering op Batavia aan Rumphius bericht dat nu ook
de laatste drie delen van zijn uit 12 delen bestaande Kruidboek op weg zijn naar
Holland. Daar komen ze veilig aan en worden gevoegd bij de andere negen delen, die
daar al enige tijd eerder waren gearriveerd. Het was een geruststelling voor hem te
weten dat – na alle tegenslagen – zijn hoofdwerk nu eindelijk in Holland was.
Op 29 mei 1697 schreef de Gouverneur van Ambon (Willem Oems van Wijngaerden,
wb) een brief aan de Hooge Heeren op Batavia met een passage over de toen bijna 70
jaar oud zijnde Rumphius:
“... onder den voorschreven Coopman Rumphius / berusten noch eenige andere
schriften doch van minder belangh (dan zijn Amboinsch Kruidboek, wb) / die
hij derhalven UwHoogEdelh[eden], niet zeer durft aen te prijsen / zijnde de
Amboinse Rariteitkamer / bestaende in drie boecken / ende noch drie andere
boecken van Land, Lugt- ende Zeegedierten deser eijlanden / om welcke te
perfectioneren hij zelffs weijnig moed heeft wegens sijn ouderdom ende
aengroeijende swackheden. Egter versoeckt hij nochmael UwHoog
Edelh[eden] op ’t nederigste / dat hij een schrijver en een teijckenaer / voor
sijne misschien weijnige resteerende jaren sijns levens magh behouden / om de
geesten wat werck te geven / sonder het welck hij anders sorgt (bezorgd is,wb)
in melancholij zijne dagen te sullen moeten eijndigen”.
De Gouverneur: “versocht consent / dat hij daertoe uijt de militie alhier / een
bequaem en taelkundig schrijver magh uijtsoecken / die hem daerin helpen kan
/ gelijk hij reeds een uijtgevonden heeft / nevens een borst* / die eenighsints
het teijckenen van den vertrocken Philip van Eijck geleert heeft en alsnog bij
hem is”.
* Dit was Pieter de Ruijter, die tot Rumphius’ dood zijn tekenaar zou blijven.
Het is wel zeker dat Batavia hiervoor toestemming gaf. Ook is duidelijk dat Rumphius
niet meer over zijn oude vitaliteit en doorzet beschikte. Wij zullen hier onder zien dat
dit te merken is in de in 1705 tot stand gekomen ARK.
De manuscripten van zijn Ambonsch Kruidboek AKB placht Rumphius via Batavia te
sturen naar de VOC-Kamer te Amsterdam. Het is opmerkelijk dat hij het manuscript
van de ARK nu direct stuurt naar Hendrik D’Acquet. Rumphius had al geruime tijd
contact met hem en hij zond hem vaak schelpen, schorpioenen, ‘duijsentbeenen’ en
zeedieren voor diens collectie van rariteiten. Op 1 september 1699 schreef Rumphius
vanuit het Casteel Victoria op Ambon hem een brief. Daarin refereert hij aan eerdere
correspondentie met deze verzamelaar van rariteiten en aan de exemplaren daarvan,
die hij D’Acquet regelmatig toegestuurd had. Deze brief is zeer duidelijk geschreven
ter begeleiding van het manuscript en de tekeningen van de ARK. Rumphius draagt
dit werk aan hem op, met het verzoek dit te laten drukken als hij het de moeite waard
achtte.
20
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
N.B. De tekst van de hier aangehaalde brief komt voor, op een van de eerste bladen
van de ARK gedrukt in 1705. In latere drukken komt deze brief niet meer voor.
Wij kunnen ervan uitgaan dat de tekst en de tekeningen in september 1699 tezamen
met deze brief vanuit Ambon naar Holland werden verstuurd. Het ligt in de lijn der
dingen, dat deze zending – met de retourvloot van december/januari – in de herfst van
1700 in Delft belandde.
De reden waarom Rumphius afweek van zijn gebruikelijke procedure voor
verzending, kunnen wij lezen in de al geciteerde brief dd. 29 mei 1697 van de
Gouverneur van Ambon.
Daar staat dat Rumphius: “noch eenige andere [ge]schriften doch van minder belangh
onder zich heeft”. Rumphius zal daarmee bedoeld hebben “van minder belang voor de
VOC” want hij zèlf vond publicatie juist zeer belangrijk. Rumphius zal er terecht van
uitgegaan zijn dat zijn werk op de VOC-Kamer te Amsterdam terzijde zou worden
gelegd. De VOC had geen belangstelling voor een boek over schelpen, zeedieren en
fossielen; hoogstens zou een geïnteresseerde bestuurder – zoals Nicolaes Witsen – dit
geconfiskeerd kunnen hebben. Tot een publicatie zou het hoogstwaarschijnlijk nooit
gekomen zijn. Het zenden aan D’Acquet gaf hem daartoe meer garantie. Het is
dáárdoor dat de Rariteitkamer al in 1705 voor het eerst gedrukt kon worden.
Het is onbekend in welke staat het manuscript en de tekeningen zijn overgekomen.
Voor wat de afbeeldingen betreft staat in ieder geval vast, dat er vele ontbraken. Of
deze tijdens de reis van Ambon naar Delft in het ongerede raakten of verloren gingen
weten wij niet. In ieder geval moesten er in Nederland, bij de heel preciese
beschrijvingen nog vele afbeeldingen worden gezocht of gemaakt, om de lacunes op
te vullen.
Het manuscript moet in 1705 nog intact geweest zijn, maar het is daarna zoek geraakt
– zoals vaker gebeurde na verschijning van een boek – en nooit meer terug gevonden.
Dit is heel jammer omdat we daardoor de gedrukte tekst niet meer kunnen vergelijken
met Rumphius’ origineel.
Over de tekeningen kunnen wij lezen in het voorwoord tot de ARK in de druk uit
1705. Na de reeds genoemde brief van Rumphius aan D’Acquet werd in de eerste
druk van de ARK ook een brief opgenomen dd. 1 september 1704 eveneens gericht
aan D’Acquet, maar geschreven door François Halma. Halma was degene die de ARK
zou laten drukken. In zijn brief zegt Halma:
‘dat hij het uit Ambon via D’Acquet verzonden materiaal pas in 1701 ontving.
Hij zegt dat het hem aanvankelijk completer leek en direct geschikt om te
worden gedrukt. Bij nadere beschouwing bleek hem echter dat een groot aantal
tekeningen, die Rumphius beloofd had “hem niet bereikt hadden”. Hij
memoreert dat hun gemeenschappelijke vriend Simon Schijnvoet – “een groot
kenner en liefhebber dezer Fraaijigheden” – dank zij diens hulp en
oplettendheid, lacunes wist op te vullen, waardoor het werk persklaar gemaakt
kon worden.
Simon Schijnvoet (1652-1727) was een Amsterdammer opgeleid als ‘zadelmaker’,
maar hij was ook ‘opperschout’ en ‘hoofd-prevoost’ van het Aalmoezeniershuis. Hij
was tevens een bekend architect en hij maakte ontwerpen voor tuinaanleg. Daarnaast
had hij belangstelling voor
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
21
de oudheid en voor natuurwetenschap en stond in contact met veel verzamelaars.
Simon Blankaart (1650-1702) noemt hem “een nauwkeurig opvorscher, die met
rupsen onderzoek verrichtte”. Ook zei hij dat Schijnvoet “een groot liefhebber deser
beesjes was”. Schijnvoet ontmoette ook Peter de Grote bij een bezoek aan Holland.
Schijnvoet heeft zich met grote inzet van zijn taak gekweten. Hij heeft, voor zover is
na te gaan, de oorspronkelijke beschrijvingen door Rumphius intact gelaten. Daar
waar nodig – en dat was nogal vaak – gaf hij zijn eigen commentaar bij de tekeningen.
Hij houdt zijn verhaal evenwel strikt gescheiden van dat van Rumphius; zodanig zelfs
dat hij daarvoor een ander lettertype gebruikte!
Een zeer groot aantal van Rumphius’ oorspronkelijke tekeningen bevindt zich in de
Koninklijke of Nationale Bibliotheek in Den Haag omder de KB-signatuur 68 A 3.
Wij hebben deze alle bekeken. Alle zijn in grijstinten en aangebracht op dun
tekenpapier. Zij zijn uitgeknipt en vervolgens op dikkere bladen, degelijk papier op
folioformaat geplakt. Daarvan werd een prachtig boek – met goud op snee – gemaakt.
Bij deze schetsen werd door ambonse tekenaars nergens kleur gebruikt. Niet alle, doch
veel van deze tekeningen zijn opgenomen in de ARK.
Voor de ontbrekende afbeeldingen maakte Schijnvoet gebruik van materiaal dat hij
van verzamelaars leende en liet natekenen. D’Acquet stelt hem 12 maal iets uit zijn
collectie ter beschikking. De doopsgezinde koopman Levinus Vincent (1658-1727)
‘patroonmaker’ en handelaar in damast doet dat 5 keer. Jan de Jongh, boekhouder bij
de VOC leent 4 maal iets uit. Pieter Blaeu (1627-1706), kleinzoon van de beroemde
kaartenmaker Willem Blaeu (1571-1638), 3 keer. De auditeur van de delftse
Rekenkamer Johan Bernhard De La Faille (1672-1727) en Petronella Oortmans-De La
Court, de eigenaresse van een brouwerij in Amsterdam, stellen elk 2 maal iets
beschikbaar. Isaac Feitema (1666-1709), Herman van den Burg (c.1636-1708) en
Dirck van Cattenburgh (1616-1704) – een koopman wijnhandelaar en bezitter van een
glasblazerij – leverden elk 1 keer iets.
Een bijzonder geval was Johannes Bronkhorst (1648-1727) uit Hoorn. Hij was een
‘pasteibakker’ die zich, naast zijn broodwinning, toelegde op het zeer nauwkeurig
aquarelleren van vogels en dieren. Hij bezat blijkbaar ook een schelpen-kabinet
waaruit hij ook 1 maal iets ter beschikking stelde. Hij maakte prachtig werk in de trant
van Adriaen Coorte (1683-1723) uit Middelburg.
Dat Schijnvoet veel moeilijkheden zou ondervinden met het laten vervaardigen van
ontbrekende afbeeldingen stond van te voren vast. In het bijzonder gold dit voor de
juiste figuren die corres-pondeerden met Rumphius’ beschrijvingen. Dat was geen
sinecure. In de ARK p. 336 over ‘Cancri Lapidescentes’ schrijft Schijnvoet: “Om deze
Amboinsche Steenkrabben te verbeelden heeft ons de Ed[el] Gr[oot] Achtb[are]
H[eer] Brurgem[eeste]r Witzen [ons] de gunst van ze te laten aftekenen, bewezen.
J.G. De Man schrijft over de Crustacæa in de ARK [Greshoff, pp. 98-104] dat
D’Acquet uit zijn verzameling voorbeelden ter beschikking stelde, die niet geheel, of
geheel niet overeenstemden met Rumphius’ preciese tekst. De Man geeft daarbij een
lijst van de platen met tekortkomingen in Rumphius’ boek. Wij verwijzen voor de
details daarheen.
Door de veelvuldige – maar noodzakelijke – verklaringen van Schijnvoet is de
compositie van de Rariteitkamer minder strak dan die van het Ambonse Kruidboek. De
22
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
ARK vertoont, ook al door de niet altijd correcte platen, de effecten van de haast
waarmee dat boek persklaar werd gemaakt. Deze bezwaren staan los van Rumphius’
eigen tekst. Wij stellen vast dat zijn schrijfstijl hier net zo concies en toch levendig is
als die, waarmee hij zijn AKB schreef. Iets anders zouden wij van hem eigenlijk ook
niet hebben verwacht.
Toen D’Amboinsche Rariteitkamer in 1705 verscheen – Rumphius was toen alweer
drie jaar dood – bleek het direct een inslaand succes. Het sloot naadloos aan bij de
toen zeer verspreide mode om verzamelingen aan te leggen van exotische en
eigenaardige zaken. Zie voor wat dit betreft de voortreffelijke Catalogus De Wereld
binnen Handbereik van de grote tentoonstelling in 1992 in het Historisch-Museum van
Amsterdam. De ARK was zo populair, dat het boek in 1740 en 1741 met geringe
wijziging herdrukt werd. De tekst was slechts in het Nederlands. Van het Boek II over
hoorntjes en schelpen verscheen in 1766 een Amboinische Raritäten Kammer in het
Duits. De Boeken I en III ontbreken daarin. Andere vertalingen bestonden tot voor
kort niet. Daarom stemt het tot tevredenheid dat in 1999, bij Yale University Press,
een volledig geannoteerde engelse vertaling verscheen van de hand van E.M.
Beekman, onder de titel The Ambonese Curiosity Cabinet [ACC]. Hiermee werd
Rumphius’ ARK voor het eerst toeganke-lijk gemaakt voor een groot internationaal
publiek.
Een belangrijke opmerking
In D’Amboinsche Rariteitkamer [pp. 262-274; ACC pp. 296-308] komt voor een:
BESCHRIJVING van het Stuk GRAAUWEN AMBER
dat de
Kamer van Amsterdam uit Oost Indien heeft gekregen weegende 182 ponden;
nevens eene korte verhandeling van zijnen oorsprong en kragten.
Dit stuk werd geschreven door een anonieme schrijver NN (Nomen Nescio). Beekman
[ACC p. 506] schrijft dat deze beschrijving uit de pen gevloeid is van Nicolaes
Chevalier (1661-1720). Het zou gaan om een tekst die in 1700 in het Frans te
Amsterdam al zou zijn uitgegeven. Waarom Schijnvoet dit opnam, in een boek dat
Rumphius schreef, is niet bekend; evenmin weten wij waarom de ondertekening
anoniem bleef. Het is al met al een matig stuk. In dit verhaal van Chevalier komen
veel litteratuurverwijzingen voor. Omdat die tekst niet van Rumphius is hebben wij –
bij ons onderzoek naar Rumphius’ Bibliotheek – deze verwijzingen genegeerd. Door
wie dit stuk ‘amber’ naar Amsterdam gestuurd werd, vertelt de historie niet.
Chevalier werd geboren in Sedan in Noord-Frankrijk, uit een familie van Hugenoten.
In 1684 of 1685 vestigde hij zich in Nederland. Hij was drukker, uitgever en handelaar
in boeken en rariteiten. Hij noemde zich: “borger, boeckhandelaer en antiquarius”.
Zijn boeken publiceerde hij niet in het Latijn zoals toen vaak gebruikelijk was bij
specialisten, maar meestal in het Nederlands. Zodoende bestreek hij voor zijn afzet
een groter publiek. Hij bezat een grote verzameling rariteiten, waarmee hij ook
handelde. Zijn numismatische collectie had een grote reputatie. Von Uffenbach
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
23
beschreef hem als: “een kleine schrale man, wie het bedrog uit de ogen straalt”.
Chevalier stierf in zeer behoeftige omstandigheden.
MARIA SIBYLLA MERIAN (1647-1717)
en de tekeningen van
D’Amboinsche Rariteitkamer
Maria Sibylla werd in Frankfurt am Main geboren als dochter van Matthäus Merian
(1593-1651) de beroemde etser en graveur van zeer vele kaarten, platen en
stadsgezichten. Zij groeide op in een streek waar zich veel kunstenaars, vooral uit
Vlaanderen, gevestigd hadden. Dezen waren naar Hanau – waar Rumphius studeerde
– en naar Frankfurt gevlucht als gevolg van de godsdienst-twisten in de Lage Landen
en voor de ‘Spaanse Furie’ van 1576 in Antwerpen. Haar moeder Johanna Sibylla
Heim kwam uit een waals predicantengezin dat naar Hanau was uitgeweken. Maria
kreeg teken- en schilderles, onder anderen, van de stilleven-schilders Jacob Marrel
(1614-1681) en Abraham Mignon (1640-1679), die ook uit emigranten-families
stamden.
Maria Sibylla trouwde in 1665 met de schilder Johann Andreas Graff (1636- ?). Al
heel vroeg interesseerde zij zich in het bijzonder voor r u p s e n en hun
gedaanteverwisseling. Zij hield zich ook bezig met het schilderen van insecten,
planten, slakken en schelpen.
In 1679 verscheen het eerste deel van haar ‘Rupsen’-boek Erucrarum ortis, alimentum
et paradoxa metamorphosis gedrukt in Nürnberg en in 1683 gevolgd door een tweede
deel.
Maria kreeg twee dochters. De oudste was Johanna Helena (1668- ?) gevolgd
Dorothea Maria (1678-1743). Maria Sibylla’s huwelijk met Graff was niet gelukkig en
zij en haar man gingen in 1686 uiteen. Maria en haar dochters sloten zich aan bij een
labadisten-gemeenschap in Friesland. Dit was een mystiek-piëtistische secte, gesticht
door Jean De Labadie (1610-1674), die meende dat het ‘Rijk van Christus’ nabij was
en dat hij diens ‘heraut’ was. In de zomer van 1691 verliet zij deze secte en vestigde
zich met haar dochters in Amsterdam. Zij had zich inmiddels ontwikkeld tot een groot
kunstenares en natuur-onderzoekster van klasse, die fabelachtig fraaie afbeeldingen
schilderde. Wie het voorrecht heeft gehad haar oorspronkelijke schilderingen te
hebben kunnen zien, staat versteld van de hoge kwaliteit, natuur-getrouwheid, de
schoonheid en van de kleuren.
In juli 1692 trouwde haar oudste dochter met Jakob Hendrik Heralt, een koopman met
betrekkingen in Suriname. Dit bracht Maria Sibylla op de gedachte een reis naar
Suriname te maken om daar exotische planten en dieren te tekenen. Zij verkocht in
1699 haar grote collecties geprepareerde insecten en haar uitgebreide verzameling
schilderingen van vruchten, bloemen planten, rupsen, vlinders, torren en wat zij
allemaal nog meer had gemaakt. Daarmee kon zij haar reis naar Suriname bekostigen.
Zij vertrok in 1699 op een WIC-schip naar Suriname. Zij ging met haar jongste
dochter Dorothea Maria. Deze had zich inmiddels ook al ontwikkeld tot een méér dan
24
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
bekwame opvolgster van haar moeder. Overigens was Merian’s oudste dochter
Johanna Helena ook een zeer verdienstelijke tekenares en aquarelliste. Zij bleef
evenwel in de schaduw van haar moeder [Merian, p. 84].
Twee jaar later keerden beiden weer in Amsterdam terug. Juist in dat jaar 1701
ontving Simon Schijnvoet het manuscript en de tekeningen van Rumphius’ ARK.
Schijnvoet, die zelf veel belangstelling voor rupsen had – net als Maria Sibylla –
kende haar, haar werk en haar reputatie. Maria Sibylla kwam berooid uit Suriname
terug en brak zich er het hoofd over hoe zij haar boek over surinaamse insecten zou
kunnen financieren [Merian, p.147]. Dit blijkt ook uit een brief van haar dd. 8 october
1702 aan Johann Georg Volckammer [Merian, p. 265].
“ .. so werde ich es nicht anderst können außführen, als das es auf eine
weise von einschreibung geschehe, als wie mit dem Ambonischen werck,
das es vorerst 60 kupferblaatten in grossfolio [ ... ] müste sein und wan es
dan wohl gezogen oder verkaufft würde so das ich meine reißuhnkosten
wider dardurch bekommen [ ... ].
Er was een Johann Georg Von Volckamer (1616-1693) in Nürnberg, die een
belangrijk personage was van de Academia Naturæ Curiosorum of Leopoldina. In
1681 werd Rumphius ook lid van dat illustere gezelschap. Merian dateerde deze brief
echter ná het overlijden van deze laatste; hij kan het dus niet geweest zijn tot wie zij
haar brief richtte. Maria Sibylla heeft de eerste vijf jaren van haar huwelijk in
Nürnberg doorgebracht. Zij moet de oude Von Volckamer gekend hebben. Misschien
was de eerstgenoemde een zoon van de laatste. De spelling van de naam met twee m’s
moet voor rekening van Maria blijven.
Een opmerkelijk nieuw gegeven is, dat Maria Sibylla hier vertelt dat de Amboinsche
Rariteit-kamer met ‘einschreibung’ werd uitgegeven. Dat de ARK via ‘voorintekening’ tot stand kwam was tot dusverre in de rumphius-litteratuur onbekend.
Een andere opmerking is, dat Merian’s Duits doorspekt is met woorden in een
nederlandse spelling.
Maria Sibylla maakte zich ongerust over haar inkomen. Het kan François Halma zijn
geweest, die deze ‘rupsen-kundige’ benaderde, voor het maken van de illustraties voor
de ARK. Maar het ligt meer voor de hand dat het – de eveneens ‘rupsoloog’ (of
entomoloog) – Schijnvoet is geweest die haar benaderde. Zij zal dit voorstel zeker
dankbaar hebben aanvaard.
Wij lezen bijvoorbeeld [Merian, p. 251]: “dat de plaat [cat. N˚ 162 met
‘tolhoornslakken’] in de ARK als plaat nummer XIX door haar gemaakt in 1704/1705
daarvoor gebruikt werd”. Daarbij gaf zij die slakken gespiegeld weer, zodat zij bij het
afdrukken van de daarnaar gemaakte etsplaat, deze slakken met de juiste draaiïng
zouden worden afgebeeld. De andere afbeeldingen in de ARK zijn daarentegen
‘gespiegeld’ ten opzichte van Merians tekeningen op perkament; dit als gevolg van het
afdrukken van de daarnaar gemaakte gravures of etsen voor dat boek..
Het inkleuren van afbeeldingen in reeds gedrukte boeken was al in de 16de eeuw iets
heel gebruikelijks. Adriaen Collaert (1560-1618) was een van de velen die zulk werk
verrichtte. Een door hem ingekleurd ‘vissen-boek’ legt daarvan getuigenis af.
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
25
DE “LENINGRADER AQUARELLE”
Ernst Ullmann gaf in 1974 te Leipzig twee boeken uit met Leningrader Aquarelle van
Maria Sibylla Merian, die zich in Sint Petersburg bevinden en waar zij terecht
gekomen zijn via een aankoop door Tsaar Peter de Grote. Het betreft een publicatie
van 196 op perkament getekende en ingekleurde afbeeldingen uit het bezit van het
Archief van de Academie van Wetenschappen en uit het Botanisch Instituut aldaar.
Het zijn twee delen van zéér groot formaat in een oplage van 1800 genummerde
exemplaren, die bepaald niét goedkoop waren. De toelichting daarbij is in het Duits,
Engels, Frans en Russisch [KB, 1293 A 5,6]. Het grootste aantal afbeeldingen betreft
platen welke werden gemaakt door Maria Sibylla en haar dochter in Suriname. In haar
brief van 8 october 1702 aan Volckamer schrijft zij over 60 bladen die zij maakte voor
het “Amboinischen werck”. Dat is precies het aantal bladen met illustraties die in de
ARK voorkomen! I.N. Lebedeva zegt [p. 60] dat deze 60 bladen gemaakt werden voor
de uitgave van de ARK In de Catalogus van de Kunst-Kamera van Sankt Peterburg uit
1741 en 1745 [Lebedeva, p. 64] komt dit onder boek 4 voor als:
“Een boek met 60 tekeningen van zeekrabben, spinnen, schelpen, slakken en
stenen, met aquarel getekend op perkament door Merian”.
De genoemde ‘spinnen’ kunnen de zeer ‘langpotige zeekrabbetjes’ zijn, afgebeeld op
de bladen VIII en X van de Rariteitkamer.
Bij raadpleging van de twee boeken Leningrader Aquarelle bleek mij dat 54
tekeningen eruit, originelen zijn van in Rumphius’ Rariteitkamer voorkomende platen.
De tekeningen / aquarellen zijn alle in kleur. De afdrukken van de daarnaar gemaakte
etsplaten zijn alle uiteraard gespiegeld ten opzichte van de door Maria Sibylla
gemaakte aquarellen. De platen in de Rariteitkamer zijn niét in kleur. De
correspondentie tussen alle 54 afbeeldingen in de ARK, met de aquarellen is 100%.
Blijkbaar zijn er na 1745 op het totaal van 60, zes perkamenten bladen uitgelicht; die
zijn elders terecht gekomen en vermoedelijk verloren geraakt.
Elisabeth Rücker schrijft [Merian, p. 259] iets interessants:
“Aangezien de compositorische rangschikking op de platen zéér afweek van
haar eigen stijl, noemde zij (Merian, wb) in het werk nergens haar naam”. Het
is pas in de 20ste-eeuw dat de betreffende platen voor de Rariteitkamer herkend
werden als afkomstig van Maria Sibylla Merian, juist omdat de compositie van
deze platen zo sterk afweek van haar gewoonte om afbeeldingen te maken, die
op een artistieke wijze met verschillende bijbehorende elementen waren
weergegeven.
Rücker bedoelt hiermee dat de bladen voor de Rariteitkamer slechts compacte
verzamelingen van voorwerpen zijn. Maria Sibylla had de gewoonte om haar eigen
werkstukken altijd zo te vervolmaken, dat er van een artistiek resultaat sprake was.
Men ziet dit duidelijk op de bladen die zij in Suriname maakte. Bijna altijd schildert
zij bloemen en vruchten tezamen met insecten, vlinders of zelfs vogels. In het
bijzonder de rupsen worden vaak afgebeeld op de planten waarmee die zich bij
voorkeur voeden. Vaak werden op dezelfde plaat de drie verschillende fasen van de
metamorphose, met rups, pop en vlinder afgebeeld. Ten slotte is het zo dat zij zelfs dát
26
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
werk sowieso zelden signeerde. Haar stijl was onmiskenbaar de hare, men kan zeggen
haar stijl is haar signatuur.
Bij haar bladen voor de ARK moest zij grote aantallen objecten op betrekkelijk weinig
ruimte afbeelden. Die afbeeldingen geven vaak de indruk alsof men in de doosjes en
in vakjes van een naturaliën-verzameling kijkt. Men bewondert de nauwkeurigheid en
de herkenbaarheid voor verzamelaars; het resultaat is fraai maar bepaald niet artistiek.
Bij het maken van haar aquarellen voor de Rariteitkamer maakte Maria Sibylla in
eerste instantie gebruik van de tekeningen die Rumphius naar Holland had gestuurd en
die daar onder het beheer van François Halma waren beland. Wij hebben die
tekeningen [KB sign. 68 A 3] alle bekeken. Alle tekeningen zijn in grijstinten en
aangebracht op dun tekenpapier. Alle tekeningen zijn uitgeknipt en geplakt op dikkere
bladen, degelijk papier op folioformaat. Bij deze schetsen werd door de ambonse
tekenaars nergens kleur gebruikt! Dit was destijds wèl het geval bij het tekenen van de
platen voor Rumphius’ Ambons Kruidboek. Het dunne tekenpapier lijkt sterk op papier
dat werd aangetroffen in de bundel tekeningen die wordt toegeschreven aan Herbert
De Jager; zie hierna. Wij komen hierop terug.
In de Rariteitkamer komen in de Boeken I en II, in totaal zo’n 480 ‘natuurobjecten’
voor zoals schelpen, krabben, zeesterren en dergelijke. Hiervan is een hondertal direct
afkomstig van de uit Ambon afkomstige grijze tekeningen. Merian heeft deze over de
bladen verspreid opgenomen tussen de andere natuurobjecten, daar waar zij op hun
plaats waren. Dat betekent dat er nog zo’n 380 uit andere bronnen moesten komen.
NB. Niet àlle tekeningen die wél overkwamen werden overigens gebruikt!
Voor de overige 380 tekeningen moest zij een beroep doen op materiaal dat haar ter
beschikking werd gesteld door vele verzamelaars. Schijnvoet vertelde de duitse
geleerde Zacharias Conrad Von Uffenbach*, toen deze op 23 februari 1711 Amsterdam bezocht, dat hij haar wel 300 schelpen had geleverd voor de totstandkoming van
de Rariteitkamer [Roelof van Gelder in Merian, p. 145].
* Von Uffenbach (1683-1734) was een verzamelaar en een geleerde. Hij werd later
ook nog burgemeester van Frankfurt am Main. Hij was een zeer ontwikkelde man.
Tussen 1705 en 1718 reisde hij vaak naar Holland en Engeland,
Het moet een vreselijk werk geweest zijn bij elke preciese beschrijving door
Rumphius het daarmee corresponderende exemplaar te vinden. Ik stel mij zo voor dat
Schijnvoet, met het vinden en de determinering van het juiste object, zich intensief
bemoeid heeft. Hij zal het ook wel zijn geweest die bepaalde, welk object op welke
plaats moest worden afgebeeld.
Het is opmerkelijk dat álle afbeeldingen, die Maria Sibylla voor de Rariteitkamer
maakte, in kleur zijn; ook dié welke direct zijn overgenomen van de grijsgetinte
ambonse tekeningen. Merian was er de vrouw niet naar, om kleuren op haar
aquarellen aan te brengen als zij niet exact wist welke deze in werkelijkheid waren.
Voor ál die objecten heeft zij ook moeten kunnen beschikken over correcte
exemplaren, zèlfs voor de van Rumphius afkomstige bladen.
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
27
In maart 1998 bezocht ik de grote Merian-Tentoonstelling in het Teylersmuseum te
Haarlem. Ik had nog nimmer bewust iets van haar gezien. De indruk die ik kreeg was
overweldigend en ik begreep waarom Maria Sibylla zo’n grote reputatie had. Tot mijn
grote verrassing ontdekte ik daar drie platen, op perkament, die ik onmiddellijk
herkende – zij het gespiegeld – als platen uit mijn D’Amboinsche Rariteitkamer. Zij
maakte al haar platen voor de ARK op zeer fijn perkament, of ‘carta non nata’, huid
van ongeboren lammetjes. Dit werd geprepareerd met een witte grondering en alle
bladen hebben ongeveer dezelfde afmetingen van circa 280 bij 375 mm.
In haar reeds geciteerde brief van 8 october 1702 aan Von Volckamer, schrijft Maria
Sibylla over de door haar gemaakte reisonkosten, die zij moet proberen terug te
verdienen. en zij zegt dan over haar plan:
“[ ... ] so könte alsdan noch ein dheil gemacht werden von allerhant andere
gethierte als schlangen Crocotillen leguanen und dergleichen, wie auch
ostindische gethierte, das meiner jüngsten dogter ihr man als ober-Schurugien*
darnach Zu gereist ist, welcher auch sein best dhun wirt alles so viel es möglich
ist auf Zu sugen. Darumb ersuge den herrn diesses mit anderen verständigen
liebhabern Zu überlegen, und mir hierinnen raht zu erdheillen wie ich solches
am füglichsten dhun könte, das es mir ohne schaden, und die herren gelehrten
und liebhaber ihr Condendement mögen haben”[Merian, p. 265].
*Hier lezen wij hoe verlegen Maria Sibylla in 1702 zat om geld. Haar dochter
Dorothea was blijbaar getrouwd met een opper-chirurgijn. Deze heette Philip
Hendriks [Merian, p. 199]. Op p. 200 [op.cit.] meldt Nathalie Zemon Davis dat:
“Maria zichzelf beschouwde als hoofd van een omvangrijk familiebedrijf” en dat: “in
1702 Philip Hendriks (van Maria Sibylla, wb) de opdracht kreeg om haar vanuit OostIndië van insecten te voorzien, zodat zij die kon verkopen”. In 1711 ging haar oudste
dochter Johanna met haar man Jacob Hendrik Herolt – die zij in 1692 trouwde
[Merian p. 84] – naar Suriname om van daaruit dieren op te sturen. Herolt werd rector
van het Weeshuis op Paramaribo en Johanna verzamelde daar exemplaren van
reptielen, vissen en insecten, die zij naar Amsterdam stuurde om die daar voor een
hopelijk hoge prijs te verkopen [op.cit. p.200]. Het lijkt erop, dat dit echtpaar de rest
van hun leven in Suriname heeft doorgebracht.
Dorothea was in Amsterdam actief en hielp haar moeder met haar werk. Toen haar
moeder in 1715 verlamd raakte verzorgde Dorothea haar tot Maria’s dood op 2 januari
1717. In 1715 was Hendriks gestorven, waarna Dorothea hertrouwde met de zwitserse
schilder en antiquair Georg Gsell (1673-1740). Zij woonden bij Maria Sibylle te
Amsterdam in de Kerkstraat in het pand In de Roozetak niet ver van de Spiegelstraat.
In april 1705 kwam Maria Sibylla haar boek Metamorphosis Insectorum
Surinamensius van de pers. Dit was in het jaar waarin ook de Rariteitkamer van de
pers rolde. Haar boek kwam blijkbaar vlot klaar, waarschijnlijk omdat zij de tekst
daarvoor zèlf schreef en omdat zij de surinaamse tekeningen thuis al klaar had liggen.
Slechts de latijnse vertaling moest nog gemaakt worden. Ook dit boek verscheen bij
‘voor-intekening’. Daarover schreef zij in april 1704 een in een brief aan de engelse
botanicus James Petitver, dat zij hem dankbaar was: “que vous avez trouvez diverses
28
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
Personnes, qui veulent soubscrire à mon oeuvre des insectes de Surinam, cela m’est
très agréable” [Merian, p.267].
Dat het boek aanvankelijk niet zo erg liep, blijkt uit een brief van 17 april 1705 aan
J.G. Von Volckamer. Zij schreef hem dat zij het boek niet in het Hoogduits kon laten
drukken omdat er maar voor 12 exemplaren was ingetekend [op. cit. p. 267].
Interessant is dat zij schrijft dat het boek fl. 18,- kost. Zij levert het aan hem voor
fl. 15,- de prijs voor intekenaars. Als hij het boek ‘geïllumineerd’ (ingekleurd) wil
hebben dan komt de prijs op fl. 45,-.
Aan Petitver schreef zij op 27 april 1705, dat nu niemand meer kan intekenen en zij
het boek voor fl. 18,- verkoopt [Merian, p. 268].
Vladímir Nabokov (1899-1977) [Chap. 6, p. 96] vertelt dat hij op zijn achtste jaar:
“Other books I found in that attic, among herbariums [ ... ] I took in my arms and
carried downstairs glorious loads of fantastically attractive volumes: Maria Sibylla
Merian’s (1647-1717) lovely plates of Surinam insects ...”. In zijn ouderlijk huis in
Vyra, zuid van Sankt Peterburg, bezat zijn moeder duidelijk de Metamorphosis
Insectorum Surinamensius van Merian. Nabokov kwam uit een opmerkelijke familie
mag men wel zeggen.
Ingekleurde exemplaren van D’Amboinsche Rariteitkamer
In een brief van 2 october 1711 [Merian, p. 269] aan Christian Schlegel (1667-1722),
een historicus uit Rastatt (vlak bij de Rijn en de franse grens, ongeveer bij Haguenau)
schrijft zij over haar eigen boek: “ein solches illumimiertes komt vor fl. 45,- Sage vünf
und ferzig Gulden Holländisch”.
Interessant in verband met Rumphius is dat zij vervolgt met: “Von den Ambonischen
habe ich noch eines auch corios illuminiert, das komt das negste voor 60 fl. Sage
sechtsig holländische Gulden”. Daaraan voegt zij toe: “von den Ambonischen werde
ich in das künftige keines mehr machen”. Zij had blijkbaar enkele bewijsexemplaren
van de gedrukte Rariteitkamer van Rumphius daarvoor ter beschikking gekregen [zie
ook E. Rücker in Merian, p.258] .
Aldus verkrijgen wij een idee van de prijzen van boeken destijds en dat is ook
interessant in verband met de vraag, hoe Rumphius zijn bestellingen voor boeken
financierde.
Het was bekend dat er van de ARK enkele exemplaren in omloop waren die door
Maria Sibylla Merian waren ingekleurd. In de bibliotheek van ARTIS in Amsterdam
bevindt zich een exemplaar van zo’n ‘geïllumineerde’ Rariteitkamer, die uit het bezit
stamt van Levinus Vincent, [Merian, pp. 148-149] die wij hiervóór al tegenkwamen,
als iemand die schelpen beschikbaar had gesteld voor de tekeningen van Merian ten
behoeve van die Rariteitkamer. Daarna is dit exemplaar nog in bezit geweest van A.
Vosmaer (1720-1799) die erin schreef, dat Maria Sibylla het ingekleurd had. Om in
staat te zijn ARK’s te ‘illumineren’ moet Maria Sibylla Merian haar oorspronkelijke
ingekleurde perkamenten bladen daartoe bij elkaar gehouden hebben in één bundel.
In 1996 werd op de TEFAF-beurs in Maastricht zo’n exemplaar te koop aangeboden.
Ik had het voorrecht dit boek voorzichtig te mogen doorbladeren. Ik had het graag
gekocht, maar de prijs die tienduizend keer hoger was, dan wat Maria Sibylla ervoor
rekende, belette dat.
TEKSTEN VAN RUMPHIUS
29
Uit het feit dat deze – door haar ingekleurde – Rariteitkamers bestaan, evenals
ingekleurde exemplaren van haar eigen boek uit 1705, kunnen wij de gevolgtrekking
maken dat Merian haar oorspronkelijke gekleurde tekeningen bijelkaar hield. Zij
verkocht deze dus niet los! Daarover schreef zij aan Von Volckamer op 8 october
1702 [Merian, p.265] het volgende:
“ ... wan ich das gemahlte werck wohlte verkaufen so ist es wegen grossen
rariteit, sein gelt under reiß kosten wert, aber dan kan es nur einer haben, und
wie oben gedhacht so kost es viel gelt zu verlegen, wan aber vieler liebhaber
wohlten einschreiben und bey der einschreibung das gelt verlegen, damit ich
ohne schaden könte bleiben, so dhörfte ich es noch wagen”.
De lotgevallen van de originele ARK-tekeningen na Merians dood
Eind 1716, begin 1717 bezocht Tsaar Peter de Grote (1672-1725) voor de tweede keer
Holland. Lebedeva [pp. 60-66] schrijft dat de 18de-eeuwse russische historicus Ivan
Golikov over deze reis een omvangrijk boek schreef Dejanija Petra Velkogo,
moedrogo preobrazitelja Rossii sobrannye iz dostovernich istotsjnikov i
raspolozjennye po godam [pp.200, 201]. Dit vermeldt onder meer:
“Toen (1717) kocht de vorst voor een aanzienlijk bedrag een collectie van de
vermaarde Marianna (=Merian), die bestond uit twee dikke boeken met vellen
perkament op folioformaat. In de Russische archieven bevindt zich een boek
met de uitgaven over 1717. Daar staat, dat op de tweede dag van januari onze
Keizerlijke Hoogheid opdracht gaf drieduizend gulden te betalen aan de in
Amsterdam in de Kerkstraat wonende Georg Gsell, voor twee grote boeken die
Robert Arenskin in zijn opdracht had gekocht, met daarin perkamenten vellen
(in totaal 254) waarop met groot meesterschap allerlei bloemen, vlinders,
vliegen en andere dieren waren geschilderd”.
Het is misschien aardig om te weten dat Peter de Grote in datzelfde jaar het
gehele kabinet rariteiten van Frederick Ruijsch (1638-1731) opkocht voor fl.
30.000.- [Wereld, p. 275].
Arenskin (? –1718) was lijfarts en vriend van de Tsaar en hij verzamelde zelf
rariteiten, in het bijzonder schelpen. Hij kocht ook voor eigen rekening werk van
Merian. Door een wonderlijke samenloop werd deze koop gesloten op de dag dat
Maria Sibylla Merian, straatarm stierf. De onderhandelingen over de koop zullen
hebben plaats gevonden eind 1716, toen het wellicht al duidelijk was dat de grote
Merian zou sterven.
Op uitnodiging van de Tsaar gingen Dorothea en haar nieuwe echtgenoot Georg Gsell
naar Sankt-Peterburg, waar zij verbonden werden aan de Academie van Wetenschappen. Gsell werkte daar als schilder en restaurateur voor het onderhoud van de
grote collectie schilderijen die de Tsaar zich in West-Europa had aangeschaft.
Dorothea gaf van af ca. 1725 tekenlessen aan de Academie van Wetenschappen daar.
Lebedeva [p.64] zegt ook dat Dorothea Maria in 1734 nog korte tijd in Holland was
om de tekeningen van haar overleden moeder, die zich daar nog bevonden, mee naar
Rusland te nemen.
30
RUMPHIUS’ BIBLIOTHEEK OP AMBON 1654-1702
In de 18de-eeuw werden haar bloementekeningen vaak gebruikt voor ‘Chine de
Commande’ porselein. Zulke borden komen van tijd tot tijd nog wel eens op de markt.
Op welk moment precies Maria Sibylla’s originele tekeningen op perkament voor de
ARK in Rusland belandden weten wij niet. Het is niet uitgesloten dat deze via
Arenskin in Rusland kwamen. Na zijn dood in 1718 werd diens hele collectie schelpen
met al zijn boeken aangekocht door Peter de Grote. Het enige dat zeker is, is dat zij
terecht kwamen in Sankt Peterburg en daar bewaard werden. In de Tweede Wereldoorlog werden zij met de collecties van de Hermitage naar Novosibirsk overgebracht
en tijdelijk bewaard in het Theater voor Opera en Ballet aldaar.
Dat Merian deze tekeningen maakte is al ruim een halve eeuw bekend, maar hieraan is
tot dusverre nooit aandacht besteed in wèlke publicatie dan ook, die aan het leven en
het werk van Rumphius was geweid. Het is jammer dat Beekman gemeend heeft de
door mij gesignaleerde medewerking van haar aan D’Amboinsche Rariteitkamer voor
de publicatie van zijn Ambonese Curiosity Cabinet niét te moeten gebruiken! Hij zou
hiervan dan de primeur gehad hebben.
Het is wellicht interessant om te weten dat ook heden, voor wetenschappelijke
publicaties – bij voorbeeld in Leiden – nog steeds gebruik gemaakt wordt van al of
niet ingekleurde tekeningen. Dat gebeurt ondanks de komst media als fotografie, film
en computerbewerking als men heel exact wil laten zien hoe dieren, planten, en ook
anatomische details duidelijk wil afbeelden. Medici maken er ook gebruik van bij
ontleedkundige afbeeldingen. De klassieke weten-schappelijke tekening blijkt als
genre nog steeds onvervangbaar. Kort geleden besteedde het Museum NATURALIS in
Leiden daar aandacht aan.