annotaties

Commentaren

Transcriptie

annotaties
Klassieke Olympiaden 2016-2017
Latijn Brief van Penelope aan Odysseus – annotaties
1
2
3
4
5
6
8
9
10
11
12
13
14
15
Ulixes, Ulixis
haec
lentus
ni(hi)l attinet (an) + coni.
Danaus
invisus + dat.
vix
sum tanti
cum
Lacedaemon, -onis
Lacedaemona
petebat
obruo, -rui, rutum
insanus
adulter, -teri
tardus
ire
spatiosus
lasso, lassare
pendulus
viduus
tela
veris
res
sollicitus
plenus + gen.
Troes, acc: Troas
ituros
Hectoreus
in + abl.
pallidus
sive
Antilochus
revinco, -vici, -victum
17
Menoetiades
18
19
Menoetiaden
cecidisse
successus, -us
Tlepolemus
Ulixes (=Odysseus)
acc. mv. onz.
traag
het doet er niet toe of
Grieks
gehaat bij
nauwelijks
zoveel waard zijn
voegwoord
Sparta
Griekse acc. ev.
onderwerp: adulter (vs.6)
overweldigen, te gronde richten
waanzinnig groot, enorm, reusachtig
echtbreker
traag
hier: voorbijgaan
eindeloos
afmatten, vermoeien
neerhangend
van een weduwe/weduwnaar
weefgetouw
abl. mv. onz. van verus; abl. van vergelijking
naamw. deel van het gezegde
verontrustend, bang makend
vol met / vol van
Trojanen
pfa van ire. Vul aan: esse
van Hector
hier: bij het horen van
bleek
of als
Antilochus, zoon van Nestor, koning van Pylos
op zijn beurt overwinnen
revictum: vul aan: esse
zoon van Menoetius: Patroclus. Hij stierf in een
tweegevecht met Hektor terwijl hij de wapenrusting
van Achilles droeg.
Griekse acc.
inf. perf. afhankelijk van (quis) narrabat (vs.15)
gunstige afloop
Tlepolemus, zoon van Herakles. Hij nam negen
schepen met mannen mee naar Troje.
1
Lycius
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
31
32
33
35
36
37-38
37
38
tepefacio
letum
iugulo, iugulare
Achivus
castris Achivis
glacies, -ei
amantis
castus
sospes, -itis
sospite viro
Argolicus
rediere
altaria o. mv.
fumo, fumare
patrius
gratus
nupta
salvus
illi
suis
Troicus
iustus
monstro, monstrare
mensa
pingo
pingit et
Pergama
exiguus
merum
hac
Simois
Sigeius
celsus
Aeacides
tendo
lacer
admissus
omnia t/m Nestor
senior
te quaerere
misso
refero
Nestor
Lycisch. Lycië ligt in Klein-Azië en kan hier gelijk
gesteld worden met Trojaans / vijandig.
lauwwarm maken
de dood
slachten, vermoorden
Grieks
abl. van plaats zonder voorzetsel in
ijs
Penelope bedoelt zichzelf
kuis
behouden en wel, ongedeerd
abl. abs.
Grieks
= redierunt
altaren
roken
van het vaderland
dankbaar
echtgenote
ongedeerd, nog in leven
nom. mv. mnl.
= a suis viris
Trojaans
rechtschapen
tonen, laten zien
tafel
tekenen
lees: et pingit
de burcht van Troje, Troje
een klein beetje
pure wijn
hierlangs
Simois, rivier bij Troje
Sigeïsch. De Sigeïsche aarde is de vlakte bij Troje.
hoog
kleinzoon van Aeacus, (Achilles)
gelegerd zijn
verminkt
voortgalopperend, teugelloos
lees: Namque senior Nestor omnia rettulerat tuo
nato, misso te quaerere
bejaard
om jou te zoeken
Minerva had hem nl. al aangespoord
vertellen
Nestor, koning van Pylos. Telemachos was naar
Nestor gegaan om te vragen of Nestor enige
informatie over zijn vader had.
2
39
[]
Rhesus
Dolon, acc. Dolona
40
41
42
43
44
45
46
48
49
50
51
52
53
54
55
ut + coni.
prodo
oblite
nocturnus
tango
macto, mactare
cautus
usque bijw.
mico, micui
sinus, -us
victor
amicus
Ismarius
prodest
disiecta
lacertus
Ilios v.
solum
maneo
duro, durare
dempto fine
diruo, -rui, -rutum
resto, restare
incola
quae
bos, bovis
aro, arare
seges, -etis
reseco, resecare
falx, -cis
luxurio
Phrygius
pinguis
humus v.
semisepultus
virum
curvus
ferio
Deze haken geven aan dat deze regels volgens
sommige geleerden geschrapt moeten worden.
Rhesus, Thracische koning, bondgenoot van de
Trojanen. Hij werd door Diomedes en Odysseus
gedood.
Trojaanse spion die door Diomedes en Odysseus
gedood werd.
hoe
verraden, te grazen nemen
vocativus. Obliviscor, oblitus sum: vergeten, niet
denken aan + gen.
nachtelijk
hier: betreden
afslachten
voorzichtig, behoedzaam
onafgebroken
kloppen, bonzen
boezem, borst
praedicatief gebruikt
bevriend
Thracisch
onderwerp zijn: disiecta Ilios en de AcI (id) quod
murus fuit, solum esse
verbinden met Ilios. Dominant gebruikt ptc.
arm (zelfst. nw.)
Troje
grond, aarde
wachten
voortduren, bestaan
zonder einde, zonder op te houden, eindeloos
verwoesten
(achter)blijven
inwoner, bewoner. Praedicatief gebruikt.
antecedent: Pergama (o. mv.)
rund, os
beploegen
bouwland
snoeien, afsnijden. Resecanda bij humus nemen.
zeis
weelderig zijn, vol zijn van
Phrygisch. Staat hier synoniem voor Trojaans.
vet, vol
aarde
halfbegraven
= virorum
gekromd
raken, treffen
3
56
58
59
60
61
62
63
64
65
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
aratrum
occulo
herba
causa
in quo orbe
ferreus
peregrinus
puppis, -is
mihi
quamque
quam
digitus
charta
noto, notare
ploeg
verbergen
gras
vul aan: sit
in welk deel van de wereld, waar ter wereld
hardvochtig, gevoelloos
buitenlands, vreemd
achtersteven, schip
dativus auctoris bij rogatus
que verbindt abit (vs. 60) en traditur (vs. 62)
antecedent: charta (vs. 62)
vinger
brief
schrijven
Pylos, acc. Pylon
Pylos, stad in Griekenland. De oude, wijze Nestor
was koning van Pylos.
acc. van richting zonder voorzetsel
van Neleus, vader van Nestor
lijdend voorwerp: chartam
abl. die de plaats waarvandaan aangeeft
Sparta
acc. van richting
Pylon
Neleius
misimus
Pylo
Sparte, acc. Sparten
Sparten
nescius + gen.
moenia Phoebi
irascor + dat.
votum
levis
scirem, timerem, foret
iungo, iunxi, iunctum
querela
foret
demens
pateo
area
latus
quaecumque
aequor
suspicor, suspicari
onwetend van, niet bekend met
muren van Apollo. Apollo en Neptunus hadden de
muren van Troje gebouwd in opdracht van koning
Laomedon.
boos worden om
smeekbede, gebed
licht, hier: onnozel
coni. irrealis
verbinden
jammerklacht
= esset
waanzinnig, krankzinnig
open liggen
oppervlakte, veld
breed
alle die; bij pericula nemen
zee(vlakte)
vermoeden
causas esse
vul als subjectsaccusativus aan: pericula (vs. 73)
quae
vestra
forsitan
narres
rusticus
lana
wat (verwijst naar de inhoud van vs. 76)
nl. van jullie, mannen
misschien
coni. potentialis
eenvoudig
wol
4
79
80
81
82
83
85
86
87
rudis
crimen, -inis
tenuis
vanesco
neve + coni.
revertor
Icarius
viduus
increpo, increpare
mora
licet + coni.
oportet + coni.
ille
tempero, temperare
Dulichius
Samius
88
89
90
91
93
94
95
96
97
98
99
100
quos
Zacynthos v.
turba
luxuriosus
procus
proci
aula
viscera o. mv.
dilacero, dilacerare
Pisander, Polybus, Medon,
Eurymachus, Antinoüs
refero
omnis
pario, peperi, partum
tuo sanguine
alo
Irus, Melanthius
egens
pecus, -oris
actor
edo
ultimus pudor
damnum
pudor
inbellis
numero
Laertes
adimo, -emi, -emptum
parat
onbewerkt
aanklacht
dun, ijl
verdwijnen
en niet
terugkeren
vader van Penelope
zie vs. 10
verwijten
aarzeling, nl. om opnieuw te trouwen
laat (hij) maar
het behoort dat
nl. Icarius
matigen
Dulichiër, bewoner van Dulichium, eiland in de
Ionische Zee.
Samiër, bewoner van Samè, eiland in de Ionische
Zee, niet te verwarren met Samos
lees: ei, quos
Zakynthos, eiland in de Ionische Zee.
praedicatief gebruikt
buitensporig
minnaar, vrijer, huwelijkskandidaat
praedicatief gebruikt
paleis
vermogen, middelen
uiteenscheuren
vrijers aan het hof van Odysseus
zeggen over, vertellen over
= omnes
verwerven
bepaling bij rebus partis
voeden
ontrouwe figuren aan het hof van Odysseus
arm, behoeftig
vee
aanstichter
eten.
praedicatief gebruikt
schade
schande
zwak
in aantal
Laërtes, vader van Odysseus
ontnemen
= se parat
5
101
102
103
104
105
106
107
108
110
111
113
114
116
invitis omnibus
Pylon
di
ordine
conprimo
hac faciunt
bovum
longaevus
nutrix
tertius
immundus
cura
hara
neque
ut qui + coni.
valeo
modo + coni.
illa
citius
portus
mollis
erudio
lumina condo
sustineo
protinus bijw.
ut + coni.
facta (esse)
anus v.
abl. abs.
acc. van richting
= dei
op volgorde, in de juiste volgorde
dichtdrukken, sluiten (nl. na de dood)
aan deze kant staan / hierbij horen
gen. mv. van bos
oud
voedster
praedicatief gebruikt
smerig
concretum pro abstracto: verzorger
varkenshok
wordt in vs. 109 opgepakt met nec
aangezien hij toch
in staat zijn
als tenminste
vul aan: aetas
hier: zo snel mogelijk
(veilige) haven
zacht, hier: jeugdig
opvoeden
de ogen sluiten
tegenhouden
onmiddellijk
hier: ook al
inf. perf. van fieri
oude vrouw
6