NVZ-Magazine oktober 2011 - Nederlandse Vereniging van

Commentaren

Transcriptie

NVZ-Magazine oktober 2011 - Nederlandse Vereniging van
magazine
NVZ
nederlandse vereniging van zangpedagogen
www.zangpedagogen.nl
nummer 1, oktober 2011
le
n& n
o
s
r
La relede
y
g
Peg uwe e
,
g
elin ak: nie
m
A
Elly ard Kra
n
Mei
lustrum1987-2011
il
r
tp
e
H
gi
e
b
a
v
n
e
d
n
Z
V
N
Korte berichten & colofon
Amsterdam
Een hele dag Bach op zondag 29 januari 2012
met concerten, interviews en een workshop.
www.oudemuziek.nl
Uitnodiging
H
et bestuur van de Nederlandse Vereniging van Zangpedagogen
nodigt u van harte uit om op zaterdag 1 oktober a.s. aanwezig
te zijn bij het lustrumsymposium ter ere van 25 jaar NVZ.
Programma: 09.30 uur ontvangst met koffie/thee
10.00 uur welkomstwoord door Elena Vink, voorzitter NVZ
10.10 uur Alex Boon, logopedist en stemdocent: ‘Warming-up, van stem naar kunst’
10.50 uur Dr.ir. Gerrit Bloothooft, RU Utrecht: ‘Wetenschap en zangkunst’
11.35 uur installatie ereleden:
- Elly Ameling
- Meinard Kraak
- Peggy Larsson
12.15 uur lunch
13.30 uur concerten:
- Leonie (zang) en Joris (piano) van Rheden (klassieke muziek)
- Maartje Waanders (pop)
14.30 uur theepauze
15.00 uur Juliette Dumoré, koordirigent en workshopleider:
workshop ‘25 jaar NVZ’
16.30 uur borrel en napraten
18.00 uur einde
Locatie: Fentener van Vlissingenzaal, Utrechts Conservatorium, HKU, Mariaplaats 28, Utrecht
(5 minuten lopen vanaf Utrecht CS, 3 minuten lopen vanaf parkeergarage Springweg).
Kosten: € 10,- voor leden (inclusief koffie/thee, lunch en borrel), € 30,- voor niet-leden (studenten € 20,-). Svp vóór 24 september a.s. overmaken op ING-rekening 5645968 t.n.v. Nederlandse Vereniging van Zangpedagogen o.v.v. ‘lustrum 2011’.
Opgave: graag vóór 24 september a.s. per e-mail naar [email protected] of
per post naar secretariaat NVZ, p/a Larixlaan 23, 3971 RA Driebergen-Rijsenburg.
Het bestuur hoopt van harte u te mogen begroeten op 1 oktober a.s.!
Amsterdam
Op maandag 17 oktober is er weer een Dag
van de Klassieke Muziek 2011.
www.muziekcentrumnederland.nl/klassiek/
projecten/dag-van-de-klassieke-muziek
Amsterdam
Op zaterdag 5 november 2011 vinden de eerste voorronden plaats voor deelname aan
het 49ste IVC dat gehouden wordt van 21 t/m
30 september 2012 in ’s-Hertogenbosch.
www.internationalvocalcompetition.com
Den Haag
De Stichting Vocale Muziek organiseert op 5
en 6 november een masterclass door de sopraan Nelly Miricioiu. Deelnemers zijn al geselecteerd, u kunt deze masterclass bijwonen.
www.vocalemuziek.com
Apeldoorn
Zaterdag 12 november 2011: het Balknet Top
Festival. Het tweejaarlijkse evenement met
o.a. masterclasses, workshops en een competitie voor lichte muziek zanggroepen en
koren.
www.balknet.nl/Evenementen/btf2011-informatie.htm
Den Haag
Op 4 en 5 februari 2012 vindt in de Soefizaal
een masterclass plaats door Evelyn Tubb.
Deelnemers zijn al geselecteerd, u kunt de
masterclass bijwonen.
www.vocalemuziek.com
Leiden
Programma Scratchdagen 2012
16 februari 2012: Messiah van Handel
17 februari 2012: Messiah van Handel,
Jongerenscratch
18 februari 2012: Musical Highlights
19 februari 2012: Mozartprogramma
www.scratchmuziekdagen.eu
Totaal Vokaal
Totaal Vokaal: regionale festivals voor zangkoren en groepen die willen optreden in de
regio. Om van elkaar te leren en elkaar te
inspireren.
Info mailen naar [email protected]
Op het web
http://www.voicecare.org.uk: Om je stem gezond te houden
http://www.voicefoundation.org: Over stemwetenschap en onderwijs
http://www.funkynfun.com: Vocal excersise
van Kim Chandler
http://www.muziekweb.nl: Europa’s grootste
muziekcollectie
http://www.stimed.nl: Stichting innovatie
muziek educatie
http://www.themodernvocalist.com:
The
first community for singers on the web
Vijf concerten gratis te downloaden
Radio 4 biedt ter gelegenheid van het 30-jarig
jubileum van het Festival Oude Muziek vijf bijzondere downloads aan. Deze hoogtepunten
van 30 jaar Festival Oude Muziek
zijn nu gratis te downloaden.
www.festivals.radio4.nl/home/oudemuziek
Vooraankondiging
Tonen 2000 Het Internationale Koorfestival:
de volgende editie is op 28, 29 en 30 september 2012.
http://www.tonen2000.nl
Bijscholing
• Hogeschool Utrecht
www.cursussen.hu.nl/TotaalAanbod/Gezondheidszorg.aspx
• Nascholing Zangdocenten, Utrecht
www.nascholingzangdocenten.nl
Als nieuw lid heten wij welkom:
Ellen de Jonge
Sportlaan 55
2566 GL Den Haag
© 2011 auteursrechten voorbehouden, overname van
artikelen slechts met toestemming van het bestuur
van de NVZ.
Samenstelling van het bestuur:
voorzitter
Elena Vink
[email protected]
secretaris/ ledenadministratie
Margo van Biezen
[email protected]
penningmeester
Christa Bornhijm
[email protected]
lid/EVTA
Petronella Palm
[email protected]
lid/Bulletin
Cora Peeters
[email protected]
lid/symposia
Diane Hidding
[email protected]
lid/PR
vacature
ereleden
Cora Canne Meijer
Margreet Witsen Elias
Ank Reinders
Maria Rondèl
Kay Jensma
Samenstelling van de redactie:
Cora Peeters, Ineke van Doorn, Margreet
Witsen Elias, Jolande Geven, José Lieshout (eindredactie)
[email protected]
drukkerij
SMIC
vormgeving Bulletin
Bi©e (Trix van Vugt), Utrecht
De contributie van de NVZ bedraagt € 47,50
per jaar voor werkende leden en vrienden,
en € 27,50 voor studenten. Aanmelding via
de website www.zangpedagogen.nl of via de
ledenadministratie. Het verenigingsjaar loopt
gelijk met het kalenderjaar. Het lidmaatschap
wordt aangegaan voor onbepaalde duur;
afmeldingen vóór 1 december, uitsluitend
schriftelijk bij de ledenadministratie.
Kopij voor het volgende Magazine (eind februari 2012) moet uiterlijk 6 januari 2012 per
e-mail gestuurd zijn. Over plaatsing van een
ingezonden bijdrage beslist de redactie. De
redactie behoudt zich het recht voor bijdragen te corrigeren en/of te redigeren. De NVZ
aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van in het Bulletin geplaatste artikelen.
3
Inhoud
4
Oud & nieuw
voorwoord van Elena Vink, voorzitter NVZ
Het prille begin van de NVZ
terugblik van Margreet Witsen Elias
10
Bestuur en redactie van 1986 tot heden
een overzicht van alle bestuurs- en redactieleden
Over zingen gesproken
Cora Canne Meijer nader gesproken
12
Het Genootschap, een nieuw fenomeen
gesprek met Ank Reinders
‘Altijd de Top40 aan’
portret van Maria Rondèl
Peggy Larson, nieuw erelid
18
jazz en pop-onderwijs in Nederland ‘Dames en Heren Zangpedagogen’ Elly Ameling, nieuw erelid, over het belangrijkste voor
een zanger
21
De essentie van zingen
de visie van Meinard Kraak, nieuw erelid
De gunsten van Maria
EVTS en klassieke koormuziek
Wat is nou zangtechniek?
24
column van Herman van Doorn
In-ear systeem
reactie op ingezonden brief in vorig Bulletin
Het Bulletin van toen & nu
herinneringen van Kay Jensma
26
27
Hoe kwam je in de muziek terecht? (3)
4
5
6
7
8
10
12
16
18
21
22
23
24
column van Ank Reinders
26
Korte berichten & colofon
27
NVZmagazine 4
5
Het prille begin van de NVZ
I
n 1983 werd in Stockholm, in het kader van de International Decade of Singing, een congres gehouden. Het jaar daarvoor had er in Rotterdam een congres plaatsgevonden dat
grote indruk op mij had gemaakt. Vele leden van onze huidige vereniging heb ik daar
leren kennen en ontmoette ik weer in Stockholm. Ook Ank Reinders zag ik weer. We raakten
met elkaar in gesprek en zij vertelde dat Cora Canne Meijer en zij een landelijke organisatie
wilden oprichten.
door Margreet Witsen Elias, bestuurslid van 1987-1989, redactielid van 2006-heden
Oud & nieuw
N
atuurlijk staan we in dit lustrumjaar stil bij de afgelopen 25 jaar: hoe heeft de NVZ
zich ontwikkeld, wat ging er goed, en wat kan beter. Ik heb de Bulletins die ik
bezit, vanaf 2001, erop doorgebladerd. Daarbij bleef ik overigens steeds haken bij
al die interviews en artikelen, erg leuk om dat allemaal weer te lezen, maar ik schoot niet op!
Elena Vink, voorzitter
Je ziet de opkomst van EVTS (juni 2001) met de eerste
workshops. De aandacht voor jazz/pop en musical is nog
te verwaarlozen. In het tweede nummer van 2003 staat
een artikel over ‘lichte muziek’, evenals een verslag van
een werkbijeenkomst over ‘lichte muziek’ waar slechts 15
leden op af kwamen. Wat is er dan veel gebeurd in de afgelopen zeven jaar. Wat heeft ons blikveld zich verbreed,
ook al loop je als klassiek geschoold zanger/docent nog
wel eens achter de feiten aan. Alhoewel… een leerling
van mij had laatst haar bladmuziek vergeten. Ze zette
haar laptop op de vleugel, zocht de muziek op en daar zat
ik te spelen, al scrollend door het scherm. Ik voelde me
heel hip, dat vond zij trouwens ook.
Maar een lustrum is ook een aanleiding om naar de toekomst te kijken. Voor een gezonde toekomst is het belangrijk dat er meer jonge docenten/zangers lid worden.
Het leeft nog niet erg. Ze willen niet bij ‘een club’, een
argument dat ik overigens ook van collega’s hoor. Maar
er zal altijd gezongen worden, een vereniging als de onze
heeft bestaansrecht en kan een grote rol blijven spelen.
We zullen zichtbaarder moeten worden op de sociale
media zoals facebook en twitter waar op internationaal
niveau al discussies over het vak plaatsvinden. Daar moet
de NVZ zich laten zien. Eén ding is namelijk niet veranderd: jonge zangers/docenten willen ook alles weten over
repertoire en techniek, ze zijn niet minder nieuwsgierig
dan wij waren. Voor het lustrum zijn veel collega’s van de
diverse conservatoria uitgenodigd. Zij zijn degenen die
contact hebben en werken met jonge mensen. Zij kunnen
het belang van de ‘Enige Echte’ zangdocentenvereniging
doorgeven aan de nieuwe garde.
In dit Bulletin komen een aantal collega’s van het eerste
uur aan het woord. Natuurlijk hadden we graag iederéén
die een rol heeft gespeeld in de 25-jarige geschiedenis
van de NVZ afzonderlijk aan het woord gelaten. Zonder
hen allen had de NVZ immers niet kunnen zijn wat het
nu is. Wij hopen ook hen die in dit Bulletin niet uitgebreid genoemd zijn, op de lustrumbijeenkomst te mogen
begroeten.
Het bestuur en de redactie kijken ernaar uit u allen dan
te zien!
In de Verenigde Staten bestond al jaren een vereniging,
evenals in het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Maar ja,
zonder secretaris (of “werkbij”, zoals Ank het noemde!)
was er geen beginnen aan. Ik zei dat ik dat secretariaat
misschien wel op me wilde nemen.
Terug in Nederland heb ik Ank laten weten dat ik beschikbaar was voor de functie van secretaris. Ank schreef een
briefje aan verschillende collega’s waarin ze uitlegde wat
Cora en zij van plan waren. Als men belangstelling had
voor een beroepsvereniging dan moest men haar dat laten weten, zodat er een bijeenkomst georganiseerd kon
worden. En…., zo schreef zij, er is een werkbij!
Voor mij was dit alles een sprong in het diepe. Wie waren er op die eerste bijeenkomst bij Meinard Kraak thuis?
Cora Canne Meijer en Ank Reinders natuurlijk. Andere
namen die in me opkomen, maar ik kan het me niet meer
helemaal herinneren, zijn die van Pieter van den Berg,
Cilly Dorhout, Charles van Tassel, Maria Rondèl. Maar er
moeten er toch meer geweest zijn?
Er werd besloten van start te gaan en een voorlopig bestuur op te richten.. Cora Canne Meijer nam het voorzitterschap op zich, Ank Reinders werd vice-voorzitter,
Pieter van den Berg penningmeester en Cilly Dorhout en
ik zouden het secretariaat op ons nemen. Maria Rondèl
werd bestuurslid. We gingen aan de slag en beraadden
ons over allerlei zaken, zoals de doelstelling van de vereniging, hoogte van de contributie, wie er lid kon worden.
Zouden we ook voorwaarden stellen aan het lidmaatschap? Ja, want ons beroep is niet beschermd en daarom
waren we van mening dat we eisen konden stellen. We
kregen werkende en aspirant leden, want we wilden laten blijken dat de vereniging stond voor professionaliteit.
Werkende leden dienden minimaal vijf jaar leservaring te
hebben, aspirant-leden hadden die nog niet, maar konden, zodra zij vijf jaar evaring hadden, werkend lid worden. Verder kwam er een lidmaatschap voor studenten
en belangstellenden. Een nieuw werkend of aspirant-lid
diende zich door twee werkende leden te laten voordraCora Canne Meijer en Margreet Witsen Elias, 1988
gen. Ballotage dus, zoals toen zeer gebruikelijk bij een
beroepsvereniging. En een beroepsvereniging waren we
en zijn we!
Over de naam moest ook een beslissing genomen worden. Uiteindelijk werd het ‘Genootschap voor Zangleraren in Nederland’. We waren van mening dat het woord
vereniging te neutraal was en dat het woord genootschap
ook collegialiteit uitdrukte. Toen een logo. Kay Jensma
ontwierp een mooi logo waarmee het doorgeven van
kennis en kunde werd uitgedrukt.
Het duurde drie jaar voordat het ‘Genootschap’ zich officieel liet registreren. In die tijd hadden we het raamwerk
voor de vereniging opgezet, maar er moesten natuurlijk
ook statuten komen waarin doelstellingen en andere zaken konden worden vastgelegd. Zo ben ik dus naar notaris Habers in Bussum gestapt en heb ik hem de wens
van het voorlopig bestuur voorgelegd. Er werden conceptstatuten gemaakt die het bestuur later nog grondig
met hem doornam voor de puntjes op de ‘i’. Dat was in
1986. Er werd een oprichtingsvergadering belegd, en de
statuten, waarin Cora, Ank, Pieter, Cilly, Maria en ik als
oprichters werden genoemd, werden aanvaard. We werden tevens als bestuur benoemd. Vanaf toen waren we
écht het Bestuur.
NVZmagazine 6
Bestuurssamenstelling NVZ 1986-2011
AangesteldAfgetreden
1986 Cora Canne Meijer voorzitter
Ank Reindersvice-voorzitter
Margreet Witsen Elias secretaris
Pieter van den Berg penningmeester
Cilly Dorhout
Maria Rondèl
1988
1989
Kay JensmasecretarisMargreet Witsen Elias
1990
1991
Lodewijk MeeuwsenAnk Reinders
Kenneth Weekenstroo
1992
Maria RondèlvoorzitterCora Canne Meijer
Cilly Dorhout(2e termijn)
Kay Jensma(2e termijn)
Felix Schoonenboom
1993
Riekje Bakkerpenningmeester
1994
Eugenie DitewigCilly Dorhout
1995
José JonkerssecretarisKay Jensma
Felix Schoonenboom
Kenneth Weekenstro
1996 Mieke BornpenningmeesterRiekje Bakker
Erica Grefe2e secretaris
Charles van Tassel
Ruth Carasso
1997
Anne HaenenvoorzitterMaria Rondèl
1998
Alberto ter DoestLodewijk Meeuwsen
Eugenie Ditewig(2e termijn)
1999
Ger GuddepenningmeesterMieke Born
José Jonkers (2e termijn) Charles van Tassel
Frans Huijts
Erica Grefe(2e termijn)
2000
2001
2002
Frans Huijtsvoorzitter (a.i.)Anne Haenen
Anja BlomsecretarisJosé Jonkers
Ruth CarassoledenadministratieEugenie Ditewig
Erica Grefe
2003 Theo de Wit penningmeester (a.i.) Ger Gudde
2004
2005
Irma ten BrinkesecretarisAnja Blom
Greet WoltjesledenadministratieRuth Carasso
(ondersteunend lid)
2006 Roland Hangelbroek penningmeester Theo de Wit
Lieve GeuensAlberto ter Doest
2007 Roland Hangelbroek voorzitter (a.i.) Frans Huijts
Cora PeetersredactieRuth Carasso
Diane Hidding
2008
Elena Vinkvoorzitter
2009 Coosje van Ramselaar secretaris Irma ten Brinke
Petronella Palmledenadmin + EVTAGreet Woltjes
2010
Margo van BiezensecretarisCoosje van Ramselaar
Mariska WesselprLieve Geuens
2011
Christa BornhijmpenningmeesterRoland Hangelbroek
Mariska Wessel
7
Over zingen gesproken
N
door Irene Maessen
Huidige samenstelling van het bestuur:
Elena Vink, voorzitter
Margo van Biezen, secretaris
Christa Bornhijm, penningmeester
Diane Hidding, symposia & werkdagen
Cora Peeters, redactie
Petronella Palm, EVTA
vacature
Redactieleden Bulletin 1986-2011
Margreet Witsen Elias, Kay Jensma,
Hanneke Laméris, Riekje Bakker, Frans
Huijts, Maria Alford-Rehorst, Eugénie
Ditewig, Ruth Carasso, Paul Keizer (adviseur), Greet Woltjes, José Lieshout,
Reina Waagenaar, Evert Jan Nagtegaal,
Cora Peeters, Ineke van Doorn, Jolande
Geven.
Huidige samenstelling van de redactie:
Cora Peeters, Ineke van Doorn, Margreet Witsen Elias, Jolande Geven, José
Lieshout (eindredactie)
aar aanleiding van het 25-jarig jubileum van de NVZ had ik een gesprek met zangeres en zangpedagoog Cora Canne Meijer over haar motivatie om samen met
Ank Reinders 25 jaar geleden ‘het Genootschap van zangleraren’ op te richten. Wij
spraken voornamelijk over Cora haar persoonlijke drijfveer, en niet zozeer over de feitelijke
totstandkoming van het Genootschap.
door Irene Maessen
Het was destijds KNO-arts dr. Coen Waar uit Rotterdam
die Ank Reinders en Cora Canne Meijer stimuleerde om
een vakorganisatie op te richten speciaal voor zangdocenten. Cora was van mening dat alle zangtechnieken
die er toen in omloop waren de zanger uiteindelijk niet
dichterbij een natuurlijke manier van zingen brachten,
en wilde graag helderheid scheppen betreft het functioneren van het stemapparaat, en dat gaat verder dan
slechts de stembanden. Ze wilde in kaart brengen wat de
overéénkomsten waren tussen de opvattingen van al die
kibbelende zangpedagogen. Waar kunnen we nu vanuit
gaan? Wat is een waarheid als een koe?
Samen met Kay Jensma, Riekje Bakker, Margreet Witsen
Elias, Maria Rondèl en Ank Reinders vormde ze een werkgroep die alle aspecten van het zingen aan de orde stelde.
Iedere vergadering werd een onderwerp ter hand genomen en nagegaan of men het hierover eens was.
Cora had de behoefte om uit te gaan van wat er reeds
aanwezig is: een goed gecoördineerd lichaam (en dus
stemapparaat). Alles wat deze natuurlijke samenwerking
van spieren zou verhinderen moet bewust worden aangepakt. Verder was en is ze van mening dat het (geh)oor een
veel belangrijkere rol moet spelen bij het leren zingen.
Cora heeft het betreurd dat na verloop van tijd het Genootschap een Vereniging werd. Ze vond het te vrijblijvend en pleitte juist voor een (in de goede zin) ‘elitair’
gezelschap met hoge ambachtelijke kwaliteitseisen.
Sindsdien is zij begonnen met het inventariseren van al
haar ideeën omtrent zingen en leren zingen. Aan de bestaande verzameling boeken over zingen wordt binnenkort een boekje toegevoegd van haar hand: ‘Over zingen
gesproken’.
Op verzoek van Cora volgt er een aantal citaten van zangers en zangdocenten die zij gebruikt in haar boek ‘Over
zingen gesproken’ en die haar opvattingen over de zangkunst illustreren en inspireren.
Cora Canne Meijer als Carmen, 1965
• 16e eeuw (Blasius Rosettus):
“Geen wijd geopende mond en geeuwende kaken”.
• 19e eeuw (Francesco Lamperti):
“Luister naar je lied vooruit alsof de tekst en melodie
uit je eigen verbeelding voortkomen.”
• 19e/20e eeuw (Johannes Messchaert):
“Adem en toon zijn bij het zingen één. De rustige regelmatige uitademing mag met hetzelfde recht een
product van de juiste toon worden genoemd, als
de goedklinkende toon een product van het juiste
ademen.”
“Tot het inzetten van de juiste toon behoort de vaardigheid van het juiste horen (voorstelling van de te
zingen toon) en de wijze waarop zich de stembanden
sluiten....Wanneer gij hoort wat gij verkeerd doet,
hebt ge het goede reeds half bereikt. De toon moet
steeds vooruit worden gehoord, want wanneer hij er
is, is het te laat..., de klank van de toon is het eerste
bewijs voor een juiste of foutieve inzet. Het voelen
van de toon kan zulks slechts bevestigen.”
• 19e/20e eeuw (Nelly Melba):
“Het is gemakkelijk om goed te zingen en heel moeilijk om slecht te zingen! Hoeveel studenten zijn werkelijk bereid om die uitspraak te accepteren? (...) Bijna
iedere zanger is zelfbewust in plaats van bewust van
zichzelf. En dat eerste is fataal voor succes terwijl
dat laatste noodzakelijk is. Wat is zelfbewustzijn en
hoe kan het verholpen worden? Want zelfbewustzijn
moet werkelijk als een te genezen ziekte worden beschouwd. Dit zogeheten zelfbewustzijn komt voort
uit een staat van gedeeld bewustzijn die bijna altijd
door angst veroorzaakt wordt. En omdat angst verlammend werkt, kan er geen vrijheid en gemak in
het zingen zijn zolang de geest zo’n gevaarlijke gast
herbergt.....”
• 20e eeuw (Robert Holl):
“Het voorstellingsvermogen helpt je om technisch
beter te zingen.”
En tot slot een typerend citaat van Cora zelf: “De stem is
niet het doel, maar een middel om de muze te dienen.”
NVZmagazine 8
9
Het Genootschap, een nieuw fenomeen
Naar aanleiding van een gesprek met Ank Reinders, medeoprichtster en bestuurslid van 1987-1991
B
egin tachtiger jaren, toen Ank Reinders en Cora Canne Meyer betrokken waren bij
de organisatie van een groot stemcongres in Rotterdam onder leiding van dr. Coen
Waar, vatten deze twee collega’s het plan op om een vereniging van zangpedagogen
op te richten in Nederland. De ideeën waren nog wat vaag maar de doelen waren helder: contact met elkaar maken, praten over het vak en kennisuitwisseling.
door Cora Peeters
Nieuw fenomeen
Zo’n vereniging was in Nederland in het begin van de
tachtiger jaren een nieuw fenomeen. Ank was op het idee
gekomen door Dora van Doorn Lindeman, zangpedagoge te Utrecht, die wist dat er in Engeland een AOTOS (Association of Teachers of Singing) bestond die zulke leuke
congressen hield. Ank toog naar Londen, werd laaiend
enthousiast en dacht: dit wil ik ook!
Badpak
Ze zocht contact met André Jurres, directeur van het muziekcentrum Queekhoven, die geïnteresseerd raakte in
het organiseren van zo’n congres, hij had daar zelfs een
budget voor. Alleen zei hij:”Twee zangpedagogen bij elkaar praten nog wel, maar drie krijgen geheid ruzie! Wat
zal dat worden?” Op voorwaarde dat er 25 pedagogen bij
elkaar zouden komen, bood hij aan de organisatie van het
geheel op zich te nemen. Er meldden zich 48 deelnemers!
Guus Hoekman werd uitgenodigd voor een masterclass,
Ton en Inge Hartsuiker voor een voordracht over eigentijdse muziek en Max van Egmond voor een lezing over
versieringen in oude muziek. Er werd ook in badpak op de
grond gymnastiek bedreven. Het hele gebeuren nam drie
dagen in beslag. Het keukenpersoneel van Queekhoven
zei dat het nog nooit zo’n lawaaiïg congres meegemaakt
had.
Bijeenkomsten
Hierna besloten Ank en Cora Canne Meijer door te gaan,
maar hoe? Eerst waren er meer collega’s nodig: Maria
Rondèl, Kay Jensma, Cilly Dorhout en Margreet Witsen
Elias (als deskundige werkbij) werden erbij gehaald. Er
vonden regelmatig bijeenkomsten plaats in het huis van
Cora aan de Weteringstraat. Daar heeft de vereniging
vorm gekregen. Toen er zo’n twintig leden waren, en er
vergaderd werd bij Meinard Kraak thuis, leek dat echter
wel een kippenhok. Er was behoefte aan meer mannelijke
inbreng en Pieter van den Berg is als haan toegetreden in
het hok.
Nieuwe ontwikkelingen
Tijdens de bijeenkomsten werd kennis uitgewisseld. In
die tijd heeft Ank voor het eerst, in het conservatorium
van Amsterdam, bibberend een lezing gehouden over
registers. Dat dit fenomeen fysiologisch verklaard kon
worden was geheel nieuw evenals het zien van de stemplooien op foto’s en film. Ank was altijd zeer geïnteresseerd in de fysiologische werking van het stemapparaat.
De bal is echt gaan rollen na het genoemde internationale stemcongres in Rotterdam in 1982 (I.D.R.S = International decade in research in singing). Het bijzondere aan
dit congres was de combinatie van foniatrie en zangpedagogie. Men kon voor het eerst ‘zien’, met een camera’tje
dat door de neus naar binnen werd gebracht tot boven
de stemplooien. Dit was nieuw, dit was essentieel, je kon
zien wat er gebeurde! Weten waar je mee bezig bent als
je iets naar een leerling roept. Toch was hier binnen de
vereniging wel weerstand tegen, op de oude manier ging
het toch goed?
Lesmateriaal
Toen Ank in 1982 hoofdvakdocent werd in Enschede
kwam ze tot de ontdekking dat er geen modern lesmateriaal was, het modernste boek was van Lilli Lehmann
Ank Reinders en Cora Canne Meijer, januari 1988
uit 1904. Ze besloot zelf aantekeningen op papier te zetten. Dit werd meer en meer en uiteindelijk is hieruit de
‘Atlas van de zangkunst’ ontstaan (in 1993 gepubliceerd
bij Bosch en Keuning).
Lezingen
Ank heeft veel lezingen gehouden, zowel voor de vereniging als op internationale congressen. Daarin besprak ze
een veelheid aan onderwerpen: de indeling van stemregisters, de ontwikkeling van de tenorstem en de hoge
C, falsetteren, de coloratuursopraan, en de ouder wordende stem. Zij werd beloond met vele erelidmaatschappen: van onze vereniging, van de EVTA, de Nederlandse
Stemstichting en The Austrian Voice. Ze werd zelfs, tot
haar eigen verbazing, ’associated member’ van de CO-
METS, de wereldwijde club van Theaterartsen!! Na een
verhuizing van Den Haag naar Leiden en een hartoperatie
in 2008 doet Ank (bouwjaar 1931) het wat rustiger aan,
maakt ze geen grote reizen meer (de laatste was naar
Wenen, november 2008). Maar ze zit niet stil, er zijn de
laatste jaren diverse artikelen en boeken van haar hand
verschenen. En er is er weer één onderweg…
Tot slot
Ik wil dit artikel graag besluiten met een citaat van Ank:
”Wij (de zangers) voerden het mysterie al honderden jaren lang uit; de wetenschap heeft het moeten onderbouwen. En zij (de wetenschappers) hebben ons geleerd wat
we eigenlijk aan het doen zijn.”
NVZmagazine 10
‘Altijd de Top 40 aan’
een portret van Maria Rondèl
“
W
ho the hell is Maria Rondèl.” Zo bout als Maria het zelf – lachend – stelt, was
het niet in mij opgekomen, maar feit is wel dat ik iedere keer als ik haar naam
hoorde steeds nieuwsgieriger werd naar deze veelgeroemde collega die aan
de wieg heeft gestaan van de NVZ en erelid van de vereniging is. Het lustrum bood mij eindelijk een aanleiding om haar eens op te zoeken in haar studio achter haar woonboerderij in
de Beemster. Onderwerp van gesprek was vooral de manier waarop zij als klassiek zangeres
een brug heeft geslagen naar pop, musical en jazz.
door José Lieshout
Hoewel Maria Rondèl direct na haar middelbare school
klassieke zang is gaan studeren bij Suze Luger in Rotterdam, was haar eerste kennismaking met muziek van een
heel andere aard. Haar vader was een uitstekend amateurklarinettist die in z’n vrije tijd met een eigen orkestje
in cafés speelde. Als 15-jarige zong Maria met dit orkest
de liedjes die in die tijd populair waren, zoals ‘Oh mein
Papa’ (Lys Assia) en de liedjes van Corrie Brokken. Haar
eerste optredens. “Ik had geen idee wat ik deed, ik zong
gewoon, en het was hartstikke leuk.”
Gescheiden werelden
Toen ze zang ging studeren bij Suze Luger werd haar pas
duidelijk dat de wereld van de populaire muziek en de wereld van de klassieke zang strikt gescheiden waren. Had
ze tot dan toe veel in haar borststem gezongen (‘modaal’
zoals nu gebruikelijk is te zeggen), bij Suze mocht deze
nauwelijks gebruikt worden. Op dat moment legde Maria
zich erbij neer dat het ‘gewoon zingen van leuke liedjes’
niet gepast was voor een zangstudente. Ze rondde haar
studie met glans af en werd direct aangenomen bij het
Nederlands Kamerkoor, dat toen nog onder leiding stond
van Felix de Nobel.
Hoofdvak ‘Popmuziek’
Na vijftien jaar in het Nederlands Kamerkoor te hebben
gezongen, vond Maria het tijd voor iets anders. Ze ging
werken als freelancezangeres en begon daarnaast met
lesgeven. Via een inval-lesbaan op de muziekschool in
Zaandam kwam ze terecht bij de Muziekpedagogische
Academie in Leeuwarden. Hier werd, geheel in de geest
van de 80-er jaren, het hoofdvak ‘Popmuziek’ ingevoerd.
Maria werd binnen deze nieuwe opleiding samen met
Margriet Eshuys aangesteld als docent zang.
Vakopleiding ‘Musical’
Aangezien ze haar affiniteit met populaire muziek nooit
was kwijtgeraakt en ze zich op de muziekschool in Zaandam ook had beziggehouden met pop en musical, was
dit een logische stap. De musical was in opkomst en de
eerste openbare audities bij Joop van den Ende (voor
‘Les Miserables’) deden de vraag naar goede zangdocenten op dat vakgebied toenemen. “Toen ik hoorde dat er
audities werden gehouden heb ik gewoon gebeld om te
vragen of ik erbij mocht zitten, om ervan te leren. En omdat ik al naam had als zangdocent was ik welkom.” Maria realiseerde zich hierna dat het hard nodig was dat er
een aparte vakopleiding kwam voor musical. Toen deze
enige tijd later in Alkmaar werd opgezet, werd Maria daar
hoofdvakdocent zang. Ze verdiepte zich grondig in de
methodiek en techniek van musical en pop. Ze bezocht
vele internationale congressen en symposia en maakte
daar kennis met onder anderen Sadolin en Jo Estill, die
op dat moment aan het begin van hun carrière stonden.
Werkgroep ‘Lichte Muziek’
Intussen was uit het vriendenclubje rond Ank Reinders en
Cora Canne Meijer het Genootschap van Zangleraren ontstaan. Maria was hier vanaf het begin bij betrokken (“Na
een concert sjeesde ik dan in mijn concertjurk snel naar
Amsterdam om bij Cora te vergaderen over de oprichting.”) en werd later, in 1992, voorzitter van het Genootschap. Het bestuur had zich tot doel gesteld in 1996 een
EVTA (European Voice Teachers Association) congres te
11
organiseren in Nederland. In de aanloop tot dit congres,
waarvan het de bedoeling was dat alle genres, klassiek én
populair, aan bod zouden komen, werd er op initiatief van
Jan Heije een werkgroep ‘Lichte Muziek’ gevormd. Hierin
zaten onder anderen Setske Mostaert, Cornelia van der
Horst, Eugenie Ditewig en Rianne Vogten (eveneens klassiek opgeleide zangpedagogen). In deze werkgroep werd
besproken en onderzocht hoe de pedagogische kant van
het ‘lichte muziek’-zangonderwijs het beste aangepakt
kon worden.
‘The belting voice’
Gaandeweg kreeg Maria meer bekendheid als zangdocent in het pop-, musical- en jazzvak. De grote Joop van
den Ende-musicalproducties maakten de musical tot een
echte bedrijfstak waarin veel zangers opeens hun brood
konden verdienen. Musical’sterren’, in opkomst of met
een reeds gevestigde naam, hadden naast hun drukke leventje met soms wel zes optredens per week veel behoefte aan coaching. Maar ook pop- en jazzzangers meldden
zich bij Maria, die zich inmiddels grondig had verdiept
in het fenomeen ‘belten’. In de Atlas van de Zangkunst
(1993) van Ank Reinders is een speciale bijdrage opgenomen van Maria over ‘The belting voice’. Hierin schrijft zij:
‘De bekende klassieke methodieken van Caccini (1600)
tot heden bieden geen soelaas. Immers, de lichte muziekzanger mag en wil niet geschoold klinken, hij wil ‘anders’
zijn, of misschien juist gewoner, ongekunsteld, recht voor
z’n raap.’
Maria voegt eraan toe: “Hoewel ‘belten’ soms wordt gezien als het opdrijven van het modale register, beschouw
ik het meer als een uitbreiding van het modale register.
Dat is een heel ander uitgangspunt.”
Stijl en interpretatie
Natuurlijk is het zingen van pop, musical of jazz niet alleen een kwestie van een andere techniek. De juiste stijl
en interpretatie is minstens zo essentieel. Hoe heeft Maria zich dat eigengemaakt? “Luisteren, véél luisteren!
Cd’s, de radio, en naar álle soorten muziek. En als het
even kan, ga ik naar de optredens van mijn leerlingen.
Musicalvoorstellingen, optredens met hun band, jazzconcerten, en ja, ook het levenslied hoort daarbij. En in
de auto altijd de Top 40 aan...!” Zingt Maria tijdens de les
ook voor in die stijlen? “Ja hoor, dat doe ik wel eens. Als
het gaat om timing, of hoe een bepaalde noot gezongen
moet worden. Dan pak ik de microfoon, en dan zing ik het
even voor. Je moet nóóit klassiek voorzingen bij pop, musical of jazz, dat gaan ze nadoen, en dan verliezen ze hun
poppy sound.”
Eigen stem ontdekken
Tegenwoordig heeft Maria in haar lespraktijk veel jongeren die, onder invloed van tv-programma’s als ‘The Voice
of Holland’ en ‘So you wanna be a popstar’, ervan dromen
snel beroemd te worden. Ze zingen pop, rock, R&B, soul,
waarbij het imitatiegehalte erg hoog is. “Het is een uitdaging om hen te leren ontdekken wat hun eigen stem
is. Ik zeg dan tegen ze: je bént geen Alicia Keys/Beyoncé/
Amy Winehouse/Anouk/Caro Emerald en dan laat ik ze
een paar popachtige oefeningen doen die ze nog nooit
gehoord hebben, met hun eigen sound! Een paar regels
uit een bekend liedje op verschillende manieren, boos,
agressief, smekend, zacht, teder, een beetje dramales
dus...”
Pionier
Hoewel Maria door veel collega’s wordt gezien als een
pionier, is zij daar zelf nuchter over. “Het lijkt misschien
of ik een van de eersten was die zich vanuit de klassieke
zang ging bezighouden met wat wij toen nog noemden
‘lichte muziek’. Onder de oudere generatie zangdocenten bevonden zich echter collega’s, onder wie Grietje Oudenampsen, Coby Riemersma en Beb Ogterop, die deze
stap al eerder hadden gezet. Van hun expertise heb ik natuurlijk ook geleerd.”
Aparte vakgebieden
Waren er eigenlijk geen pop-, musical- of jazzzangers die
goed les konden geven? “In die tijd begon dat wel te komen, maar er waren er nog niet zo veel. Lisa Boray was
zo iemand, en Margriet Eshuys dus. En niet alle popdocenten wilden musical geven, dat waren echt twee aparte
vakgebieden. Herman van Doorn bijvoorbeeld, die ook
lesgaf aan het Conservatorium van Alkmaar, deed nooit
musical.”
De toekomst
“Met de discussie in het achterhoofd over het aantal conservatoria in Nederland zou ik het voor het zangonderwijs een goede zaak vinden als de MPA’s (Muziekpedagogische Academies) zouden terugkeren. Hier kunnen dan
zangdocenten worden opgeleid die goed in staat zijn op
hoog niveau les te geven aan amateurs. En daarnaast drie
topinstituten voor toptalent. Musicalacademies zijn er op
het moment trouwens ook erg veel. De werkgelegenheid
wordt al wat minder... Een mooi creatief beroep is natuurlijk fantastisch, maar we moeten ook realistisch zijn.”
NVZmagazine 12
Peggy Larson
V
door Ineke van Doorn
anwege haar verdiensten voor het Nederlandse onderwijs in jazz en pop zal Peggy
Larson op 1 oktober a.s. worden benoemd tot erelid van de NVZ. Al vanaf 1980 gaf
Peggy met een zeer aanstekelijk enthousiasme talloze zangworkshops door heel
Nederland, leidde ze (eigen) koren en trad ze op als jazzzangeres. Ze stond daarmee aan de
bakermat van het Nederlandse zangonderwijs in jazz en pop. Later gaf ze les aan de conservatoria van o.a. Rotterdam en Arnhem. In 2000 keerde Peggy terug naar haar geboortestaat
Minnesota. Daar leidt ze diverse koren en heeft ze een fulltime baan aan het McNally Smith
College of Music in St. Paul. In 2008 haalde Peggy een master in etnomusicologie. Naar aanleiding van haar erelidmaatschap interviewde ik Peggy over haar ervaringen als zangpedagoge in Nederland.
13
Hoe het begon
“In 1971 haalde ik in Amerika een bachelor in ‘Vocal Music’ aan het Concordia College in Moorhead, Minnesota.
Tijdens mijn studie kreeg ik vier jaar lang zangles en voor
die tijd had ik zelf incidenteel zanglessen genomen. Dit
waren allemaal klassieke lessen. Na mijn afstuderen begon ik direct met lesgeven. Mijn eerste baan was als muziekleerkracht aan een lagere school: 300 kinderen per
week verdeeld over 11 klassen die ik drie maal per week
zag! Ik vond het heerlijk om te zien hoeveel plezier de
kinderen beleefden aan de muziek en hoe ze zich ermee
identificeerden, vooral wanneer ze niet zo goed waren
in de andere schoolvakken. Toen ik naar Schotland verhuisde deed ik daar hetzelfde werk en pas toen ik naar
Amsterdam verhuisde begon ik met het geven van zanglessen. Ook startte ik toen mijn carrière als jazzzangeres
en werkte ik als koordirigent. Dit was ergens rond 1980.
Ik deed dit tot 2000 toen ik terugverhuisde naar mijn geboortestaat Minnesota.
Ook volgde ik workshops (o.a. EVTS) en nam ik privézanglessen bij Henny Grimijzer in Geldermalsen.
Het eerste koor dat ik leidde was een jazzkoor bij CREA.
Dit leidde tot het geven van weer andere lessen, o.a.
groepslessen zang en uiteindelijk tot het lesgeven aan de
conservatoria van Amsterdam, Rotterdam (1990-2000)
en Arnhem (1997-2000). Daarnaast had ik een steeds
groter wordende privélespraktijk, gaf ik workshops door
heel Nederland en leidde ik uiteindelijk diverse koren. Ik
ben altijd een soort van avonturier geweest en Nederland
opende zoveel deuren voor me! Vanuit mijn klassieke en
kerkelijke koorachtergrond ging ik jazz, funk en Latijns-
Lesmethode
De manier waarop ik lesgaf veranderde met de tijd. Ik had
veel aan de Estill methode en gebruik nog steeds veel van
haar oefeningen en concepten. Ik heb nooit geloofd in
het gebruik van slechts één methode, mijn benadering
is dat ik oefeningen gebruik uit mijn hele achtergrond,
startend bij mijn studietijd. Bij het werken met studenten
blijf ik net zolang verschillende methodes proberen ‘tot
het kwartje valt’. Ik herinner me nog heel goed een van
mijn beste docenten. Zij had een eindeloze voorraad aan
Amerikaanse muziek zingen, dit was een gigantische verandering. Omdat ik wilde dat de wereld van de avant-garde jazz zich verbreedde en ook een vocaal ensemble zou
bevatten, startte ik het professionele improvisatiekoor
Tamam. Toen ik vandaaruit de wereldmuziek ontdekte
nam het avontuur alleen maar toe en ontdekte ik nog
meer geweldige vocale geluiden en verbazingwekkende
muziekstijlen. Die liefde wilde ik graag met anderen delen en daarom zette ik het wereldmuziekkoor Peggy’s
Angels op. Verder had ik mijn eigen Peggy Larson Band
en speelde ik met vele andere Nederlandse jazzgroepen.
oefeningen en benaderingswijzen om een probleem op
te lossen. Ze ging net zolang door totdat haar studenten
het begrepen. Dit was een hele leerzame les en de reden
waarom ik altijd iedere methode waarmee ik werk aan de
mogelijkheden van mijn student aanpas. Het heeft voor
mij nooit gewerkt om slechts één methode te volgen.
Sommige studenten hebben een praktische benadering
nodig, andere een meer intellectuele, anderen leren zelfs
het meest door gewoon voor- en na te zingen. Ik ben
daarom blij dat ik een tamelijk breed repertoire aan kennis heb weten te verzamelen, zo kan ik vanuit verschillende invalshoeken met mijn studenten werken.
Omdat op het conservatorium in Rotterdam zangtechniek door andere docenten werd gegeven, kon ik me
daar meer richten op interpretatie en stijl. Ik werkte daar
ook met een begeleider in de les, hetgeen de studenten
enorm hielp. Zelf vond ik het ook prettig want het gaf me
de gelegenheid goed te luisteren, veel uit te proberen en
tijdens het luisteren kreeg ik vaak goede ideeën over hoe
de song benaderd kon worden. In al mijn lessen werkte
ik ook aan improvisatie. Mijn sterkste stijl in die tijd was
jazz, en ik vond het echt heerlijk om studenten te helpen
met jazzimprovisatie. Omdat mijn moedertaal Engels is,
kon ik de studenten ook goed helpen met het leren van de
juiste Amerikaanse dictie en uitspraak. Bij de workshops
die ik gaf varieerden de onderwerpen van improvisatie en
zangtechniek tot cursussen in wereldmuziek. Ik had hierbij meestal te maken met volwassenen.
nieuw erelid
De zanglessen
Tijdens de zanglessen die ik gaf, hielp ik vooral zangers
met het zingen van jazz en popmuziek. Ik hielp bij het
verbeteren van de zangtechniek, bij het ontwikkelen van
een goede sound voor jazz en popmuziek (zoals belten)
en werkte aan interpretatie, improvisatie, timing, dictie
en stijlkennis. Aangezien ik in Amerika voornamelijk klassieke zanglessen had gevolgd haalde ik mijn kennis over
het zingen van pop- en jazzstijlen vooral uit de praktijk.
Het leuke van lesgeven
Het leukst vond ik om de muzikaliteit van mijn studenten te ontwikkelen, te werken aan hun zelfvertrouwen en
manieren te vinden om hun expressiviteit aan te boren.
Dit was vooral bevredigend wanneer ik hen leerde improviseren en de studenten op die manier hun vermogen
ontdekten om vrijer om te gaan met een song, vrijer te
fraseren en melodisch te improviseren. Ook leerde ik ze
NVZmagazine 14
zingen over akkoordenschema’s en vrije improvisatie. Ik
houd er erg van om workshops te leiden in groepszang,
om interessante en mooie muziek bij mensen te introduceren en om samen te improviseren. Vaak ontdekken
mensen onverwachte stemmogelijkheden bij zichzelf,
zoals belten, bepaalde wereldmuziek zangtechnieken, of
het kunnen zingen in ‘swing’. Ook het gemeenschapsgevoel tijdens het samen zingen was altijd fantastisch.
Aan het McNally Smith college of Music geef ik momenteel lessen in wereldmuziek zangtechnieken, en het is
geweldig om de studenten te leren hoe ze deze sounds
uit verschillende vocale culturen kunnen produceren.
Het verbreedt hun muzikaliteit enorm, maar het helpt
hen ook om andere concepten, als belten, vanuit andere
songtypes te omarmen, en deze vaardigheden daarna
toe te passen op bijvoorbeeld popmuziek.
Veel voorkomende lesonderwerpen
De problemen waar ik als zangdocent het meest mee te
maken had waren óf gerelateerd aan de stembreuk, óf
aan het ontwikkelen van een goede pop/jazz sound op
noten hoger dan a1, dat wat we vaak als belten benoemen. De manier waarop studenten dit probleem oplossen is door de jaren heen veranderd. Toen ik met lesgeven
begon, zongen de meeste studenten noten hoger van a1
met veel vibrato. Tegenwoordig is dat niet meer gebruikelijk, maar hebben de studenten de neiging om de stem
te forceren, zowel onder als boven dit gebied, met als
gevolg een grote stembreuk en een slechte intonatie op
de hoge noten. Ik werk er meestal aan om de hoogte te
openen en de studenten te laten inzien dat ze wel degelijk
een grote omvang hebben. Ik leer ze hoe ze voldoende
adem kunnen gebruiken en hoe de juiste mondstand
kunnen vinden om deze hoge noten te produceren. (Voor
sommige noten betekent dit dat ze hun kaak moeten laten vallen, hetgeen ze vaak niet doen, en voor een belt
klank betekent dit dat ze hun kaak juist niet moeten laten
vallen en dat ze hun larynx in een hoge positie moeten
houden.)
Zoals we allemaal weten is het leren hoe de adem te gebruiken een van de eerste dingen waar we als zangdocent
15
aan werken. Ik help de student om de hele torso te activeren, om de buik te ontspannen tijdens de inademing, en
bij het betrekken van de spieren rondom het middenrif
tijdens het zingen: er zijn zoveel studenten die niet diep
genoeg inademen, die hun buik- en rugspieren tijdens het
zingen onvoldoende gebruiken en die daardoor te veel
spanning zetten op de keelspieren! Voor het leren belten
gebruik ik veel oefeningen van Estill, zoals het starten
met het roepen van “Hey!”, het vervolgens verlengen van
deze toon, het leren voelen van een hoge strottenhoofdstand, het leren van de juiste mondpositie, het bewust
worden van welke spieren hierbij geactiveerd worden
en uiteindelijk de toepassing van deze techniek op hoge
belttonen. Ik leer ze soms ook een aantal technieken die
gebruikt worden in de wereldmuziek, zoals Balkan zang
en het Noorse ‘Kulokk’. Deze zangtechnieken zijn heel
toepasbaar binnen een pop en jazz sound omdat ze een
gelijksoortige mond- en strottenhoofdpositie hebben.
Samenwerking met collega’s
Tijdens het geven van workshops werkte ik vaak samen
met collega’s en ik heb hier (gelukkig!) alleen maar goede
ervaringen mee. Gewoonlijk wisselden we elkaar af tijdens het leiden van zang- en improvisatieoefeningen en
bij het geven van repertoireonderwijs. Het is altijd enorm
leerzaam geweest om niet alleen kennis te nemen van elkaars ideeën en lesmateriaal, maar ook om te zien hoe
collega’s het lesgeven benaderen, hoe ze problemen oplossen, welk taalgebruik ze hebben en zelfs hoe ze hun
ervaringen na de workshops evalueren. Aan het Rotterdams Conservatorium werkten de zangdocenten in het
begin ook veel samen. We discussieerden over de studenten en bespraken met de techniekdocenten specifieke
studenten en hun problemen. Ik stelde dit erg op prijs.
Veranderingen in het zangonderwijs jazz/pop
Toen ik aan het conservatorium in Rotterdam ging werken, gaf ik eerst drie jaar les aan de docentenopleiding
voor Popmuziek. Dit was destijds een afdeling waar professionele popmuzikanten werden opgeleid tot ensembleleider bijvoorbeeld op een muziekschool. Ik gaf er
privé- en groepslessen. Omdat het niveau heel wisselend
was verschilde mijn aanpak per student. Bij de ene student was je al blij wanneer deze zuiver kon zingen, terwijl
je met een andere student de meest geraffineerde zangoefeningen deed en moeilijk repertoire behandelde. Het
was vaak érg leuk en gezellig met die kerels (het waren
95% mannen), en ik heb er heel veel gelachen. Toen ik
vervolgens bij de pop- en jazzafdeling ging werken was
dat ook fijn vanwege de begeleiders in de les, de goede
zangers en de leuke collega’s. In de begintijd gaven we les
in alle stijlen, later werd de afdeling gesplitst en werkte ik
voor de jazzafdeling. Dat vond ik ook leuk, alhoewel de
weg er naar toe minder prettig was.
Omdat we vóór de splitsing les in meerdere stijlen hadden gegeven, leek het alsof we geen specialisatie hadden
en daarom niet meer interessant waren. Toen ik in 2000
terug naar Amerika verhuisde was de afdeling inmiddels
gesplitst in een pop-, jazz- en muziektheaterafdeling die
onderling weinig contact meer hadden. Dat vond ik erg
jammer. Wat dat betreft is de politiek rondom het doceren vaak zoveel lastiger dan het werken met studenten!
EVTS
Wat betreft zangpedagogiek was de grootste verandering in die jaren dat we als docenten steeds meer leerden
over het produceren van een goede belt, vooral door het
introduceren van EVTS. Vrijwel alle docenten in Rotterdam, en velen daarbuiten, adopteerden veel van deze
principes. Ook de algemene kennis over nieuwe zangtechnieken groeide tussen 1996 en 2000, en dit maakte
dat wij in dezelfde taal hierover konden praten. Aan de
studenten merkte ik vooral dat hun Engels door de jaren
heen steeds beter werd en dat ze steeds gemakkelijker
een goede popsound konden maken, ook zonder dat ze
daar veel advies over kregen. Hun examens werden professioneler en interessanter.
De toekomst
Voor de toekomst verwacht ik dat er meer en meer kennis zal komen over de technische kant van het zingen van
pop en jazz. In de USA is men verbazingwekkend traag
als het erop aankomt zangafdelingen die slechts onder-
wijs in klassieke techniek en repertoire aanbieden, te veranderen in afdelingen die ook pop- en jazzvaardigheden
onderwijzen. Dit verandert slechts langzaam, maar het is
wel heel nodig. Het is goed om te zien dat er in Europa
zoveel interesse en kennis is over nieuwe technieken als
Estill en CVT en dat dit eerder de norm dan een uitzondering is. In de USA zijn er slechts weinig scholen die een
training bieden in moderne en wereldmuziek techniek
en repertoire. Ik zie dat daar veel behoefte aan is en ik
geloof echt dat scholen als het McNally Smith College of
Music en het Berklee College of Music (Boston) op den
duur genoeg impact zullen hebben om de visie en het
perspectief van andere scholen te verbreden. Ik verwacht
voor de toekomst ook dat docenten bij het lesgeven vaker gebruik zullen gaan maken van het internet, bijvoorbeeld van skype en van op video opgenomen lessen. Natuurlijk is dit nu nog beperkt, maar het stelt studenten
in staat een docent te vinden onafhankelijk van waar ze
wonen. Het biedt ook de mogelijkheid om naar zichzelf
te luisteren, zichzelf te begeleiden en hun vaardigheden
te verbeteren.
Nederland
Ik ben zeer dankbaar voor de tijd die ik in Nederland doorbracht. Nederland heeft een klimaat waarin het voor mij
mogelijk was om veel te leren over heel veel verschillende muziekstijlen, en ik kon er mijn dromen als zangeres,
koorleider en docent verwezenlijken. Daarbij heeft Nederland goede muziekopleidingen waar studenten een
opleiding kunnen volgen voor niet al teveel geld. Ook
heb ik veel waardering voor de gezonde levensstijl van de
Nederlanders, waarin vrije tijd en cultuur zo gewaardeerd
worden en waar kunstenaars hun brood kunnen verdienen en gewaardeerd en begrepen worden. Ik ging terug
naar Amerika met een zeer rijke bagage aan vocale muziek en levenservaring!”
NVZmagazine 16
17
De sopraan Elly Ameling (1933) voltooide haar middelbare
schoolopleiding in haar geboortestad Rotterdam. Over de gehele wereld is zij geliefd en wordt zij bewonderd om haar schitterende en expressieve stem en haar fascinerend vakmanschap.
Haar afscheidstournee in 1995/1996 markeerde een mijlpaal in
een opvallend artistieke carrière. “Het is alweer twaalf jaar geleden dat ik mijn actieve concertloopbaan beëindigde. Op 29
januari 1996, tijdens mijn afscheidsconcert in de Grote Zaal,
werd aan Robert Holl de door het Concertgebouw ingestelde
Elly Ameling Ring overhandigd. Op dat moment brandde het
Teatro La Fenice in Venetië uit! Mijn eerste concert was in Rotterdam in 1953, op de avond dat we nog niet wisten dat Zeeland
onder water stond. Mijn afscheid was één jaar na de bijna-watersnoodramp van 1995! “Zij zong van ramp tot ramp”, zeggen
mijn vrienden.”
Dames & Heren Zangpedagogen,
A
llereerst mijn grote dank voor de benoeming tot erelid. Waar heb ik het aan verdiend?! Want van lesgeven op de wetenschappelijke manier waarover ik regelmatig lees in het NVZ Bulletin, daar heb ik geen kaas van gegeten. Misschien neemt
u mij mijn erelidmaatschap wel af als u leest wat ik ga vertellen. Elena Vink stelde mij een
Na een intensieve zangstudie won Elly Ameling in 1956 de eerste prijs cum laude op het Internationaal Vocalisten Concours
te Den Bosch. In 1958 verwierf zij de eerste prijs op het Concours International d’Exécution Musicale te Genève.
aantal vragen, en die zal ik proberen te beantwoorden. Dat kan in het toegemeten kader alleen in grote trekken.
door Elly Ameling, nieuw erelid
Als langjarig praktiserend musicienne op het gebied van
de klassieke muziek ben ik uitgegaan van wat mij geleerd
is, vooral bij mevrouw Dresden-D’hont en later bij Bodi
Rapp en Gérard Souzay: de stem ‘plaatsen’ voorin de
mond, de richting van de klank naar voren, en dus ook de
zaal in. Een dragende stem bevorderen. Dat is iets anders
dan een luide stem. Bij hogere tonen: voorin blijven en
de klankstroom meer omhoog richten. Daar, voorin de
mond, komen uiteraard ook de consonanten tot stand.
Dit vergt een actieve en gevarieerde lippenarbeid.
Ademsteun vooral soepel, geen spanning, WEL ENERGIE
(vergelijk het paard voor de sprong), en met lichte tegendruk van de onderbuikspieren die onmiddellijk volgt op,
eigenlijk samengaat met, de veelal niet zeer diepe inademing. De inademing moet eigenlijk ‘vanzelf’ gaan, zoals
in het dagelijks leven, bijvoorbeeld bij het voeren van een
gesprek. Mijn ervaring was dat er dan die weldadige balans tussen klankvorming en consonanten vooraan in de
mond (aanzetstuk zo u wilt) en de kalme ademuitstroom
ontstaat. Hierbij kan men heel lang op één adem zingen,
crescendo en decrescendo, verschillende toonafstanden,
kortom al het vereiste inbegrepen. Oefenen op één of
meer tonen is goed maar muzikale frasen zingen met al
het daarin vereiste is een heel andere zaak.
Op de bovengeschetste wijze kan ook te allen tijde het
perfecte LEGATO worden opgeroepen, dat naar mijn mening de basis is van alle zangkunst. Wat niet wil zeggen
dat men niet, indien nodig, gedeelten non legato, staccato, marcato etc. zou moeten kunnen zingen. Ik vind
ook dat legato niet alleen uiteraard ‘gebonden’ betekent:
de noten aan elkaar en slechts snel onderbroken door
duidelijke consonanten – maar ook dat er in die legatolijnen geen ongewilde crescendi mogen zijn. Decrescendi
komen niet zo vaak voor, aangezien de leerling bijna altijd
teveel spanning oproept, en daardoor luider gaat zingen.
‘Geen buikjes!’, riep Felix de Nobel.
Nu kom ik tot je laatste vragen, Elena. Ik gebruik in mijn
thans overigens zeer beperkte lespraktijk alleen dat wat
ik al die jaren zelf gedaan heb. Ik werk niet met andere
methodes, of met de grafieken en dergelijke waarover ik
aandachtig in het Bulletin lees. Wel vestig ik er de aandacht op dat ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is (oude
wijsheid!) en dat vooral ieders temperament verschillend
is, waardoor dezelfde raadgevingen verschillend zullen
uitpakken. Ik waarschuw de student dat dit míjn manier is, en dat mijn overigens weinige opmerkingen over
techniek altijd moeten worden besproken met de eigen
lerares/leraar.
Wat ik het belangrijkst vind voor een zanger, vraag je.
Wel, dat is dat hij of zij een STEM heeft, en wel in die
mate dat men uit idealisme is gaan zingen, en niet omdat dit vak, net als enkele andere vakken die ik maar
niet zal noemen, het enig overblijvende is als je het
verder eigenlijk niet weet. Ietsje kort door de bocht
zou je kunnen zeggen: iemand met een stem hoeft
niets te leren, alleen maar het een en ander af te leren.
Voorts moet die zanger die gezegend is met een echte
stem BEZIELD zijn van de muziek die hij/zij gaat uitvoeren, en wel in die mate dat men ondanks de talloze uiteenlopende moeilijkheden die hem/haar hopelijk tevoren
zijn geschetst, toch deze weg wil gaan. Iemand die komt
vragen: ‘Wat vindt u, kan ik een zangstudie gaan beginnen’ valt dus niet in deze categorie.
Waarnaar ik streef als ik lesgeef: dat de jonge zanger (ja,
want de oudere moet het al weten!) zich bewust wordt
van zoveel mogelijk aspecten van MUZIEK EN TEKST, van
wat de componist voor ogen stond/staat, en hoe dat kan
worden uitgedrukt en overgedragen in de oren en zielen
van de luisteraar. Een verrukkelijk, oneindig gebied, vol
mogelijkheden. Kortom INTERPRETATIE. Dit gebied is
ook de onmisbare voedingsbodem voor de techniek
Dit zijn enkele naar mijn mening belangrijke hoofdbeginselen bij het zingen van klassieke muziek, lieve Elena, je
vroeg ernaar. Anders had ik ze nooit opgeschreven. Want
ik ben doordrongen van het feit dat het onmogelijk is
vanuit een boekje te leren zingen. Daarmee, beste zangpedagogen, zult u het wel eens zijn. Misschien maak ik
dan toch een kans mijn erelidmaatschap op 1 oktober te
verdienen!
Haar concertreizen voerden haar vervolgens naar alle werelddelen. Zij zong met de grote orkesten in Europa, Noord en ZuidAmerika, Canada, Japan en Australië met dirigenten als Ernest
Ansermet, Carlo Maria Giulini, Benjamin Britten, Rafael Kubelik, Seiji Ozawa, André Previn, Kurt Masur, Eduard Flipse, Anton Kersjes, Bernard Haitink, Hans Vonk, Edo de Waart en Ed
Spanjaard. “Van de dirigenten leerde ik veel, want de praktijk
is nu eenmaal de beste leerschool/-meester. Ook van de pianisten met wie ik mocht samenwerken heb ik veel opgestoken. Dat
waren Felix de Nobel, Jörg Demus, Irwin Gage, Dalton Baldwin,
Graham Johnson en Rudolf Jansen.”
In haar recitals toonde zij aan toekomstige generaties de indrukwekkende waarden van het Duitse Lied en de Franse Mélodie. Haar toewijding aan deze hoogst individuele kunstvorm
resulteerde in talloze opnamen van platen en cd’s, die met
enige regelmaat worden heruitgegeven. Viermaal werden haar
opnamen met een Edison bekroond, terwijl een vijfde Edison
werd toegekend voor haar gehele oeuvre. Driemaal ontving zij
de Grand Prix du Disque en in Duitsland eerde men haar met
de Preis der Deutschen Schallplatten-Kritik.
In Amerika ontving Elly Ameling vier eredoctoraten: van de
Univerity of British Columbia in Vancouver, Canada (1981), van
het Westminster Choir College te Princeton, New Jersey, USA
(1985), van het Cleveland Institute of Music (1987) en tenslotte
van de Shenandoa University in Washington DC, USA (1988).
In 1971 werd de zangeres door H.M. koningin Juliana benoemd
tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau en ter gelegenheid
van haar 75ste verjaardag bevorderde H.M. koningin Beatrix Elly
Ameling tot Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.
Thans geeft zij cursussen voor zangers en hun pianisten in Europa, Amerika en Japan, waarbij haar raad aan jonge zangers is
en blijft: ”Laten we proberen te beseffen dat wij er zijn voor de
muziek en niet andersom”.
NVZmagazine 18
19
De essentie van zingen
V
an de 25 jaar dat de NVZ bestaat ben ik er vanaf het begin bij betrokken geweest; ik
behoor derhalve tot de ‘oudste leden’. Ofschoon ik de laatste jaren de bijeenkomsten
niet meer heb bezocht (ik woon langere periodes in Frankrijk) houd ik me via het Bulletin op
de hoogte.
door Meinard Kraak, nieuw erelid
Het bestuur heeft mij gevraagd iets te willen schrijven
over wat ik – vooral op het gebied van het lesgeven – heb
gedaan. Wat u hier gaat lezen zijn gedachten die ik in de
loop van de vele jaren had genoteerd en die ik soms gebruik als inleiding voor een workshop, om mijn manier
van werken, mijn aanpak toe te lichten. N.B.: Ik vermijd
bewust het woord ‘methode’ en ik pretendeer op geen
enkele manier een wetenschappelijk onderbouwd relaas
te produceren!
Dit verhaal is overigens gedeeltelijk gebaseerd op het
praatje dat ik hield bij mijn afscheid als docent van het
Koninklijk Conservatorium in september 2004.
Ik kreeg mijn eerste zangles toen ik 17 was en ben nu bijna
60 jaar met zingen bezig – eerst als zanger, vervolgens
in de combinatie zanger/docent en de laatste twintig jaar
uitsluitend als docent – en ik ben meermalen tot de conclusie gekomen dat ik mij niet op de juiste weg bevond en
dat ik mijn benadering tot het zingen moest herzien.
Als je als docent met lesgeven begint, neem je een grote
verantwoordelijkheid op je; immers, een deel van de ontwikkeling van de mensen met wie je werkt wordt aan jou
toevertrouwd. Jonge zangstudenten weten meestal weinig over de leraar bij wie ze gaan les nemen. Vaak heeft
iemand anders ze aangeraden eens een proefles te nemen of een workshop bij te wonen. Als het dan tot een intensieve samenwerking komt van meerdere of soms vele
jaren, moet er een band van wederzijds vertrouwen bestaan, die in de loop van de tijd vaak nog hechter wordt.
Dat het niet altijd ‘klikt’, dat de leerstijl van de docent en
die van de student niet altijd overeenkomen is onvermijdelijk en dient door beiden geaccepteerd te worden...
In ons gezin werd veel gezongen. Beide ouders en mijn
oudste zus waren enthousiaste koorleden, ikzelf zong als
jongenssopraan mee in de Mattheus Passion. Toen ik een
jaar of tien was en kennismaakte met het fenomeen Opera (via de radio), maakte dat een enorme indruk op me. Ik
onderging niet alleen de ontroering van de muziek, maar
raakte ook meteen gefascineerd door de manier waarop
zangers met hun stem, gevoelens wisten uit te drukken.
Gevoelens, waarin ik met hen mee kon voelen! Ik was
er ook toen al benieuwd naar te weten hoe die klanken
werden voortgebracht! Toen ik mijn eerste zanglessen
kreeg begon ik ook al gauw te analyseren wat mijn medestudenten deden en vooral of de klank bij de zanger(es)
paste. Omdat ik handig pianospeelde liet mijn leraar Jan
Keizer mij op het Conservatorium vaak andere studenten
begeleiden, waardoor ik spelenderwijs een soort repetitor werd en een uitgebreid repertoire leerde kennen.
Na verdere studie bij Pierre Bernac in Parijs en in de toenmalige Studio van De Nederlandse Opera kon ik het leven leiden waarvan ik altijd had gedroomd: ik zong bij de
Opera, had vrij veel werk in het oratoriumcircuit en gaf
regelmatig liedavonden.
Ik was halverwege de 30 toen de toenmalige directeur
Jan van Vlijmen mij vroeg docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag te worden. Aanvankelijk was
dat slechts voor één morgen in de week. Pedagogische
ervaring had ik ruimschoots opgedaan door thuis les te
geven aan amateurs en in de privépraktijk van mijn leraar, waar veel operazangers op les waren aan wie ik
werd voorgesteld als ‘mijn eerste assistent’ (of er ooit een
tweede heeft bestaan bleef mij onbekend...). Spelend en
luisterend heb ik daar veel geleerd!
Toen ik zelf docent werd, bleef ik altijd geïntrigeerd vast
te stellen WAT voor geluid er uit WELK lichaam zou komen, en ik kwam ik vaak tot de conclusie dat datgene wat
ik hoorde niet in overeenstemming was met wat ik zag.
Met andere woorden: de klank paste volgens mij niet bij
de fysiek van de zanger.
Dat bleek vele oorzaken te kunnen hebben en in de tientallen jaren die ik nu les geef ben ik er steeds meer achter
gekomen dat de toongeving dan niet gebaseerd is op een
coördinatie van spieren en dus niet volgens fysiologische
wetten verloopt. We weten dat het strottenhoofd is opgehangen in het skelet. Als we het rustig laten hangen en
het niet proberen te manipuleren als we hoger of lager
moeten zingen, kunnen we steeds – over de hele omvang, dus van laag tot hoog – contact met het punt van
oorsprong houden! Een zanger moet de weg weten in
het eigen lijf. Als hij echt gaat voelen wat hij doet, moet
hij zich daaraan overleveren. Het is een werkproces, een
zoektocht die veel tijd vraagt en voortdurende training
vereist. Er wordt je niet gezegd hóe je het moet doen, er
worden mógelijkheden aangereikt.
Niet iedereen is bij zo’n aanpak gebaat en men is dan ook
nooit in grote drommen bij mij komen studeren, maar
een bepaald type studenten heeft zich er – naar ik hoop–
goed bij gevoeld.
Om de weg in het lichaam te vinden, moeten spierspanningen worden opgeheven, evenals blokkades in het halsen keelgebied. Als zijn lichaam tenslotte op de juiste manier, dat wil zeggen vanuit de voeten en via het bekken en
de rugwervels tot een energieke strekking is opgebouwd,
voelt de zanger dat zijn adem vrij gaat stromen, dat zijn
stem onbelemmerd functioneert en bovenal dat de toongeving vrij is en beschikt over de nodige BOVENTONEN,
die de ‘schalling’ veroorzaakt. Het gehele zingen is dan
teruggebracht tot een spierwerking die via een mentaal
concept kan worden opgeroepen. Dat betekent dat een
zanger alvorens een toon te zingen DE JUISTE VOORSTELLING van die toon heeft. Hij heeft geleerd te vertrouwen op zijn SPIERGEHEUGEN en beschikt dan over
de techniek die hem in staat stelt zijn muzikale intenties
om te zetten in klank.
Er zijn dan wel zo’n zes tot acht jaar voorbijgegaan…
Het moge duidelijk zijn dat ik niet geporteerd ben van een
zogenaamde ‘technische’ aanpak waarbij geprobeerd
wordt de klank naar voren te richten (in het masker), de
huig op te trekken en het strottenhoofd te manipuleren
waardoor men het contact met het lijf verliest (stromende ADEM!) en steeds verder verwijderd raakt van het
punt waar de klank zijn oorsprong vindt: via de werking
van de stemlippen, dus wat “achterin” genoemd wordt.¹
(N.B. Luciano Pavarotti heeft eens gezegd: “Ik zing nooit
een toon die ik niet van tevoren heb gevoeld.”)
Kno-artsen en foniaters ontdekken steeds meer over
het functioneren van de stem en vatten deze bevindingen samen in artikelen, die zich voegen bij de vele boeken die er al over de zangkunst bestaan en waarin wordt
uitgelegd ‘hoe je moet zingen’, met afbeeldingen van
wat er fysiologisch gebeurt. Wij kunnen tegenwoordig
via wetenschappelijk geavanceerde apparatuur op een
monitor alles bekijken. Een schat van informatie om te
bestuderen als referentiebasis, maar het brengt ons niet
dichter bij onze eigen klank. Als deze kennis namelijk niet
gebaseerd is op het kinesthetisch vermogen lichamelijk
te VOELEN, loop je onherroepelijk vast. Echter: van een
HBO-student van kwaliteit mag verwacht worden dit te
kunnen integreren in eigen weten en kunnen... Men kan
er vanuit gaan dat ieder mens kan leren zingen, maar zanger worden vereist een zekere mate van intuïtie – laten
wij het zangaanleg noemen – en geduld en het vermogen
om te voelen en te luisteren, in deze volgorde graag.
Omdat mijn aanpak direct gericht is op het geven van
KLANK zal ik beginnen de student te vragen iets te vertellen over zichzelf, waarbij ik luister naar de klank en de
toonhoogte van zijn stem. Ik observeer in hoeverre de
NVZmagazine 20
spieren in het hals- en keelgebied daarbij betrokken zijn.
Ik laat eerst wat foneren op een toonhoogte die comfortabel is en geen associaties oproept met hoog of laag. Het
strottenhoofd bevindt zich dan al gauw in de hangende
positie. Ik zal steeds beginnen met een zachte tooninzet
(‘ATTACCO MORBIDO’) op ‘o’ of ‘a’ te laten zingen. In
plaats van de toon naar voren te richten vraag ik te voelen
waar het geluid vandaan komt. Iedereen kan met de hand
op het strottenhoofd, voelen waar de stemlippen in trilling geraken. Ik noem dit het PUNT van OORSPRONG,
de basis van de klank. Men kan dan toontrillingen IN DE
MOND waarnemen.²
Als de eigen klank gevonden is, blijkt het gehele vocale
‘mechaniek’ zo ingesteld te zijn, dat de toongeving onbelemmerd is. Alle bij de toongeving betrokken spieren
functioneren, gecoördineerd binnen een systeem.
Ik heb in mijn lesgeven het technisch-ambachtelijke aspect
nooit los kunnen en willen zien van het muzikaal-expressieve. Het gaat tenslotte om de muziek. Zo’n manier van
werken vereist van de student intuïtie, zangaanleg dus,
maar ook geduld en het vermogen om te voelen en te
luisteren. Dat kan niet iedereen direct maar het is te leren. Al zijn er geen twee studenten die dat op dezelfde
manier doen.
Na dit alles te hebben opgeschreven kan ik me voorstellen dat er vragen beantwoord moeten worden en discussies op gang zouden kunnen komen. Ik snak ik er dan ook
naar met u van gedachten te wisselen en eventueel in een
workshop een en ander hoorbaar/zichtbaar toe te lichten, maar dan wel via de MUZIEK! Misschien doet zich
binnen afzienbare tijd een gelegenheid voor.
Letten je collega’s dan op andere dingen?
‘Die hebben soms opmerkingen als ‘het vibrato is niet in
orde’, maar ik vind dat soort zaken (bij een toelating) nog
lang niet aan de orde.’
ving te sturen naar een bepaald plekje en daardoor uit het
oog verliest dat de klank begint met het in trilling geraken
van de stemlippen, tamelijk diep dus en ACHTERIN! Kort
geleden las ik op youtube een commentaar waar ik het
volkomen mee eens ben: “Te ver naar voren geplaatste
stemmen werken al gauw monochroom”.’
*[opmerking van Elena:] Dr. Van Deinse was ook in de tijd dat ik
zelf in Den Haag studeerde een begrip. Hij was zonder meer een
boeiende persoonlijkheid en als kno-arts van veel betekenis voor
zangers en acteurs. Maar de ontwikkelingen staan niet stil en recent onderzoek toont aan dat lengte en dikte van de stembanden
niet alles zegt over het stemtype. De hele fysionomie, lichaamsbouw en ook temperament spelen hierbij een belangrijke rol.
En tot slot: een boeddhistische monnik vraagt aan zijn
leermeester: ”Meester, ik wil vrij zijn”.
De meester antwoordt: ”Is er iets dat je tegenhoudt?”
¹ Wellicht zijn twee opmerkingen in dit opzicht interessant die ik beide
vond in het boek ‘Voice: psyche and soma’ van C.L.Reid:
‘De echte mond van de zanger is de pharynx.’ (M.Garcia)
‘Klank voel je in je hoofd maar maak je in je keel.’ (G.B.Lamperti)
² Misschien is het zinvol te weten dat ik veel gebruik maak van youtube
en de enorme schat aan voorbeelden die daar te vinden zijn! Ik vraag
iedereen die met mij wil werken een aantal voorbeelden te bekijken.
Sinds een aantal jaren is het verplichte item de opname van Cecilia
Bartoli (van wie ik de laatste vijftien jaar géén fan meer ben...) van Vivaldi’s ‘Sposa, son disprezzata’. Het is een oude opname waar de zangeres bewegingsloos en volledig geconcentreerd voor MIJ de essentie
van zingen demonstreert, en dat ALLEEN IN KLANK!! Altijd weer een
ontroerende belevenis, met wie ik er ook naar kijk...
Naar aanleiding van zijn artikel stelt Elena Vink een aantal vragen aan Meinard Kraak:
Je spreekt over ‘een bepaald type student’ dat zich bij jouw
manier van werken goed voelt. Welk type is dat?
‘Jonge mensen met een natuurlijke dispositie voor zingen; voor wie zingen een levensbehoefte is. Bij toelatingen bijvoorbeeld probeer(de) ik dat te herkennen. Hoe
meer ervaring ik kreeg, hoe eerder ik erachter kwam...’
21
’Spanning in het keel-halsgebied, blokkades, waardoor ontstaat die en hoe werk je daaraan?
‘Als het al geen psychische oorzaak heeft, heeft het vaak
te maken met de articulatie van de taal die men spreekt.
In mijn docentschap kreeg ik te maken met onder anderen Israëlische, Aziatische en Scandinavische studenten,
die allemaal een verschillende articulatiebasis hadden
met directe invloed op de kaak en de tong! Uit mijn verhaal zou duidelijk moeten worden dat ik dat doe via het
zoeken naar een volkomen zachte toonaanzet.’
Wie was jouw docent en hoorde hij bij een bepaalde school?
‘Ik studeerde aan het Amsterdams Conservatorium bij
Jan Keizer. Hij was eigenlijk zijn tijd ver vooruit en werkte
intensief samen met de kno-arts dr. Van Deinse uit Den
Haag, toen niemand dat nog deed. (We hebben het over
de late jaren ‘50...!) Van Deinse begeleidde en onderzocht
veel zangers en acteurs (‘berucht’ waren zijn kleine operaties aan het neustussenschot..) en via uitgebreid stemonderzoek kon hij min of meer de classificatie van het
stemtype* bepalen.’
Wanneer weet je dat iemand ‘de eigen klank’ gevonden
heeft, hoe herken je die?
‘Daar moet je als docent ‘oor’ voor hebben, je moet erdoor gefascineerd zijn. Het kan een lange zoektocht zijn.
Gaat de spreekstem natuurlijk over in de zangstem en is
die in de zangstem nog herkenbaar aanwezig? Er moet
mijns inziens bij een zanger te horen zijn dat er een relatie bestaat tussen het (lage) midden en de spreekstem. Ik
spreek dan graag van ‘het centrum’ van de stem.De identiteit en herkenbaarheid is daar het grootst en het muzikaal/emotionele aspect krijgt de meeste kans...’
Je zegt dat je soms hoort dat iemands klank niet bij zijn fysiek past, kun je daar een voorbeeld van geven?
‘Stel je voor dat er een lange forse man komt die met een
zachte, hoge stem spreekt, dan is dat een klank die je niet
verwacht.
Is jouw methode onder te brengen bij een bepaalde school?
‘Mijn aanpak is gericht op het vinden komt van DE EIGEN
KLANK. Om dat te bereiken kan je van iedere methode
iets leren! Geen enkele immers dekt het gehele vocale
gebeuren. Ik vind wel dat men erg op zoek is de toonge-
De gunsten van Maria
EVTS en klassieke koormuziek
“Heilige Maagd Maria, heb medelijden met ons”, “Onze Vrouwe, voor wie de pelgrimstocht
verrijkt wordt met speciale gunsten”, “Heer, erbarm U”, “Geef Moeder, dat ik je pijn voel”.
door Barbara Wessel
Citaten uit een zware mis van een strenge kerk? Een rouwdienst? Nee, teksten uit muziek die ik uit puur plezier en
ontspanning zong tijdens mijn vakantie. Instuderen en
uitvoeren van drie religieuze werken voor vrouwenkoor:
een mis van Rheinberger, de “Litanies à la Vierge Noire”
van Poulenc en het “Stabat Mater” van Bernard van
Beurden.
Een superleuke formule: zangpedagoge Marja Reinders
wijdde ons elke dag verder in in de beginselen van de
EVTS (Estill Voice Training System) en dirigente Yt Nicolai bracht onze stemmen samen in bovenstaand repertoire. Bovendien was er elke dag een openbare zangles,
waarin Marja op solo-repertoire inging. En dit alles in een
zeer gastvrije omgeving op het Noord-Franse platteland.
Als (beginnend) zangpedagoge had ik me opgegeven
voor deze week, omdat het me een kans leek de figuren
van de EVTS, die ik in twee niveaus had geleerd, nog verder in te oefenen en toe te passen op klassieke muziek.
Voor mij waren deze trainingsniveau’s erg snel gegaan: er
komt in een keer zoveel nieuwe informatie op je af, dat
het nauwelijks lukte om alles te begrijpen, zelf te voelen,
toe te passen in mijn eigen (klassieke) zingen en dan ook
nog in de zanglessen te integreren.
Aan deze verwachting werd ruimschoots voldaan. Het
was werkelijk heilzaam om de EVTS-methodiek op deze
wijze te laten “indalen”. Doordat Marja vrolijke, leuke en
nuttige oefeningen met ons deed, en in de “masterclasses” toepassingen liet zien in diverse muziekstijlen, ben
ik er veel meer mee vertrouwd geraakt. Ik voel me nu in
staat de figuren aan mijn leerlingen door te geven.
Het zingen met Yt was een belevenis apart. Zij wist ons
met veel humor de redelijk pittige muziek in vier dagen
eigen te maken. Ik was geraakt door de frisse manier
waarop zij de toch “vreemde” Latijnse en Franse religieuze teksten voor ons vertaalde en als het ware hedendaagse betekenis gaf. Erg inspirerend. Op deze wijze kan
een traditie behouden blijven en zich vernieuwen, en gaat
oratorium-muziek niet verloren voor de toekomst.
Al met al een aanrader! Voor zangpedagogen, maar zeker ook voor hun (gevorderde) leerlingen. Hopelijk genieten zij ook van de zeer speciale gunsten en kunsten van
Marja en Yt. Bij voldoende belangstelling van tenoren en
bassen wordt volgend jaar gewerkt aan het Requiem van
Duruflé.
Meer info: www.evtsinkoor.nl
column
NVZmagazine 22
23
Met ingang van dit Bulletin zal Herman van Doorn, als tegenhanger van de klassieke ‘zang columns’ van Ank Reinders, een vaste
column verzorgen over zijn ervaringen uit de praktijk van de pop
en jazz.
ingezonden brief
Wat is nou zangtechniek?
cesvolle wijze, uiteengezet wordt hoe elk botje en spiertje
te gebruiken is. Alles bij elkaar een stap voorwaarts! Een
geweldige verrijking en verbreding van mijn kennis en
voorstellingsvermogen. Want hoe beter je weet hoe de
stem werkt, hoe beter je de stem kunt gebruiken.
Maar toch, is het allemaal wel zo eenduidig, is het niet
wat kort door de bocht? Is het werkelijk zo dat wanneer je
weet hoe iets werkt, je het daadwerkelijk beter kunt gebruiken? Is het hebben van kennis over de zangtechniek
voldoende voor beter stemgebruik?
Herman van Doorn
Wellicht een irrelevante vraag maar toch: hij komt steeds
weer bij me op, steeds weer met een ander antwoord.
Soms zelfs zonder antwoord. En hoe erg is het dan om
die vraag niet te kunnen beantwoorden,
vraag ik me af terwijl ik tijdens het fitnessen, badend in
het zweet, probeer dat antwoord te vinden.
Sinds een aantal jaren gun ik mezelf de luxe van een zogenaamde ‘personal trainer’. Iets waar ik me eigenlijk een
beetje voor schaam, je kunt toch immers zelf ook wel op
die apparaten stappen en een beetje duwen en trekken
tot je moe bent. Waarop ik dan maar roep: “Ach, er zijn
ook mensen die zangles nemen....”.
Ja, ik zeg het een beetje verontschuldigend en met een
glimlach, maar toch meen ik het wel. Want net zoals iedereen in de sportschool kan trainen en sporten, kan iedereen ook zingen.
Net zoals ik nú naar de sportschool ga, zo ging ik naar de
zangles. Jaren van oefenen en feedback krijgen op mijn
stemgebruik en zingen. Leren ademen, steunen, minder
‘knijpen’ , meer ‘kern’ en dat alles om mijn ‘techniek’ te
verbeteren. Om trots met diploma in de hand te kunnen
zeggen ‘Ik heb zangtechniek’, ‘Ik kan zingen en uitdrukking geven aan de muziek die ik maak!’.
De tijd van zangles nemen ligt alweer jaren achter me.
Ondertussen zijn we veel meer te weten gekomen over
de stem. Nieuwe inzichten door wetenschappelijk onderzoek, nieuwe ervaringen door ontwikkelingen in de muziekpraktijk én nieuwe boeken waarin, op al dan niet suc-
Tijdens het trainen op de sportschool weet ik inmiddels
redelijk goed welke oefening ik waarvoor kan doen. Welke oefening speciaal voor mijn schouders is, welke voor
m’n biceps en welke voor mijn uithoudingsvermogen.
Maar ja, ik kan het allemaal wel wéten, ik moet er wel wat
voor doen! Er moet wel gezweet worden!
Om mij optimaal te laten trainen en zweten, werkt mijn
trainer met zogenaamde schema’s. Trainingsschema’s,
waarin hij nauwkeurig uitstippelt welke oefening ik met
welke herhaling, belasting, rustperiode en frequentie
moet doen. Het is een persoonlijk schema op basis van
een door ons gezamenlijk geformuleerd doel. Er is in
meegenomen hoe vaak ik wil trainen en wat ik wil (kracht
en/of conditie verbeteren etc.).Het trainingsschema wisselt verder nog per periode en wanneer ik twee dagen
achter elkaar train wisselt het schema omdat dat beter is
voor de opbouw van mijn conditie en mijn spiervorming.
Mijn trainer maakt daarbij gebruikt van een praktische
oefensystematiek die gebaseerd is op een uitgebreide
wetenschap.
Maar hoe zit het nu met zingen en het trainen van mijn vocale conditie? Hoe kan ik dat nu eigenlijk optimaal doen?
In de ontwikkeling van de zangmethodiek lijkt de nadruk
momenteel te liggen op het benoemen en produceren
van klanken. Klanken die, naar gelang de methode, ieder een eigen (soms voor mij onnavolgbare) naam krijgen. Klankomschrijvingen, tamelijk subjectief van aard,
ontsproten uit de verworvenheid botjes en spiertjes te
kunnen onderscheiden en benoemen. Daarmee het proces van zingen ogenschijnlijk simplificerend tot het in de
juiste positie brengen van deze botjes, alsof ze eindeloos
onafhankelijk van elkaar te bewegen zouden zijn.
Juist op het moment dat mijn gedachten daar aanbeland
zijn en verstrikt dreigen te raken in die ‘logica’, word ik bij
de les gehouden door mijn personal trainer die roept dat
ik aan het verslappen ben....
In-ear systeem
Toch filosofeer ik nog even verder want wat zou het te
gek zijn als er een trainingssystematiek bestond die, net
zoals mijn fitnessschema’s, rekening houdt met de geleverde inspanning tijdens het zingen en het planmatig
opbouwen van mijn vocale conditie. Een oefenstrategie
gebaseerd op de wetenschap van de inspanningsfysiologie die mij, op gestructureerde en methodische wijze,
oefeningen en vocale trainingsschema’s aanreikt die
écht rekening houden met zaken als duurbelasting en
piekbelasting.
Dat zou toch werkelijk een volgende stap zijn in de ontwikkeling van het zingen en de zangmethodiek!! Het zou
denk ik ook echt het ideale antwoord zijn op mijn vraag
‘wat is nou zangtechniek’! Zangtechniek is niet alleen je
stem leren gebruiken maar ook je stem goed onderhouden en verder ontwikkelen. Dan kunnen we meteen het
woord ‘zangtechniek’ uit ons vocabulaire schrappen en
vervangen door de begrippen ‘vocale conditie’ en ‘vocale sturing’. Want zeg nou zelf, het woord ‘techniek’
is toch iets uit vervlogen tijden. Een nostalgisch woord
dat zijn dienst heeft bewezen maar tegelijkertijd teveel
doet denken aan stoommachines en de uitvinding van de
gloeilamp.
Enfin, tot die tijd blijf ik trouw doortrainen op de sportschool en blijf ik proberen de inzichten uit die wereld te
gebruiken in mijn zangtraining en zanglessen. Toch maar
eens met mijn personal trainer praten wat hij daarvan
vindt!?
Ps. Lees ook eens het boek ‘Vocal Excercise Physiology’ van Keith G.
Saxon en Carole M. Schneider (Singular Publishing Group, 1995). Geen
oefenboek maar een studieboek. Zware kost van droge stof!
Herman van Doorn studeerde zang jazz/pop aan het Conservatorium
van Utrecht en het ‘Berklee College of Music’ in Boston, USA. Hij
maakte diverse cd’s waarvan ‘Fugain’ van ‘hermanherman’ de meest
recente is (www.hermanherman.nl). Naast zijn eigen vocalcoachings
studio is hij als docent zang pop/sessie verbonden aan de Music Academy Conservatorium inHolland te Haarlem en de Academie voor Lichte
Muziek te Lelystad (www.avlm.nl)
Een reactie op het ingezonden stuk van Maja
Schermerhorn in het vorige Bulletin
Lieve Maja,
Leuk dat je de uitzending bij TV Max hebt gezien, zelden zoveel reacties op een programma gehad.
Jouw opmerking over het opschroeven van het geluidsvolume behoeft enige toelichting. De optredende artiest beschikt tegenwoordig over een uitstekend In-ear
systeem. Deze In-ear monitor sluit de oren af voor ‘omgevingsgeluid’. In overleg met zijn/haar geluidsman
wordt bepaald welk begeleidend instrument luider of
zachter in zijn/haar oren komt. Voor het vaak harde
geluid in de zaal waar wij als toehoorders veel last van
hebben is de artiest afgesloten. Een voordeel dus. Een
veel genoemd nadeel van het In-ear systeem is de onmogelijkheid reacties van het publiek in de zaal waar
te nemen.
De stemproblemen van de artiesten die zich weliswaar
een uitstekende geluidsman en apparatuur kunnen
veroorloven zouden kunnen liggen op het vlak van een
gebrek aan basis spreek/zang/adem/techniek, slechte
dictie, lichamelijke vermoeidheid door het vele optreden, reizen en laat gaan slapen. Een stressvol bestaan,
veel interviews geven, fotoshoots en hollen naar de
sportschool. Een eventuele zangles wordt dan vaak als
eerste afgezegd!!
De musicalzanger/es zingt vaak zeven à acht voorstellingen in de week, zorgt voor een goede techniek, doet
zijn oefeningen en neemt af en toe een controle-les. Zij
zingen (‘to belt or not to belt’) met een zender en zijn/
haar geluid komt versterkt de zaal in.
Wil je meer weten:
• The Professional Vocalist , Rachel L.Lebon, Scarecrow Press inc.1999: Preparation for Performance:
The Mechanics p. 29
• Professioneel Zingen voor iedereen, Ineke van Doorn,
Strengholt United Media, hfdst. 31, Versterking
Met vriendelijke groet,
Maria Rondèl
NVZmagazine 24
H
et Genootschap van Zangleraren is zijn geschiedenis begonnen met een kleine en selecte groep idealistische en ervaren zangleraren De toelating van nieuwe leden tot dit
gezelschap werd aanvankelijk per kandidaat zorgvuldig bekeken. Men moest aan allerlei eisen voldoen. Een kandidaat-lid werd door het bestuur op zijn of haar merites beoordeeld. Er
was door de kerngroep een Code of Ethics opgesteld waaraan ieder lid zich diende te houden.
Zo ontstond er een elitaire vereniging met het onverzettelijke voornemen om de beunhazerij
in ons vak een halt toe te toepen en de zangpedagogie naar een hoog niveau te tillen.
25
Berichtje uit het Bulletin van februari 1999:
Van de redactie
Het werk wordt beslist steeds minder, nu de meeste
mensen hun artikel inzenden op een floppy. In het
begin moest ik werkelijk alles uittypen en dat kostte
met veel tijd. Ik ben tenslotte geen typiste. Ook de
onvermijdelijke tikfouten drukten op me.
Ik hoop dat zich snel nieuwe potentiële redactieleden zullen aanmelden, zodat ik de procedure kan
doorgeven.
Maria Alford-Rehorst
Het Bulletin van toen & nu
Bulletin september 1987
door Kay Jensma, bestuurslid van 1989-1995
De toestroom van kandidaat-leden werd door de ambitieuze toelatingsprocedures nauwelijks tegengehouden.
Het loslaten van enkele oorspronkelijke principes, zoals
de regel dat een kandidaat-lid moest worden voorgedragen door een lid, was na verloop van tijd helaas onvermijdelijk. Een vereniging moet, wil zij haar leden iets
kunnen bieden, ook leden hébben. Naarmate het aantal
leden steeg werd de behoefte aan een medium waarin de
groeistuipen en de successen van de vereniging werden
vermeld, groter. In samenspraak met het bestuur werd
over de realisatie hiervan nagedacht.
Omdat ik bij alle vergaderingen aantekeningen maakte
en bovendien graag tekende, kreeg ik de opdracht om
over lay-out en vormgeving van een eenvoudig gehouden
bulletin na te denken. Het Genootschap van Zangleraren
in Nederland was toen nog in de opbouwfase. We hadden
nog niet veel te besteden, en de huishoudkas werd door
een uitstekende penningmeester bewaakt.
De eerste Bulletins waren zeer eenvoudig en hadden
nog niets van een echt verenigingsblad. Na verloop van
tijd ontstond er een boekje van een half A4’tje met een
vrolijke omslag. De kleur ervan varieerde van jaar tot jaar.
Het formaat bleek al gauw te klein en groeide uit tot een
volwassen A4-afmeting. Het logo, dat ik op verzoek had
ontworpen als huisstijl voor het Genootschap bevatte
een sierlijk ornament dat op de omslag van het bulletin
niet misstond.
Het Bulletin werd gerund door drie leden die samen de
Bulletincommissie vormden. Ik typte de kopij op een ouderwetse schrijfmachine, wat een heidens karwei was. Ik
werkte met inktlinten en typ-ex, en niet zelden verdween
een hele bladzijde in de prullenmand. In de Bulletins hebben vele uitstekende artikelen van bekwame en bevlogen
collega’s gestaan, die de moeite van het herlezen beslist
meer dan waard zijn. Als er onvoldoende kopij binnenkwam, nam ik zelf de pen ter hand en vulde ik de gaatjes
met eigen artikelen. Na verloop van tijd vond de bulletincommissie dat het Bulletin een fraaier uiterlijk verdiende.
Door gebrek aan financiële middelen heeft de verwezenlijking hiervan jaren geduurd. Ik heb die metamorfose
niet meer als lid van de bulletincommissie mee mogen
maken!
Het Genootschap van Zangleraren in Nederland had
vooral in het begin van haar bestaan te kampen met de
reputatie elitair te zijn. Stukje bij beetje brokkelden de
elementen die tot deze reputatie geleid hebben, af. Hierdoor steeg het ledental opmerkelijk snel. Aanvankelijk
was de doelstelling van de vereniging vrijwel uitsluitend
op de klassieke zangkunst gericht. Na verloop van tijd
deden ook de lichte- en popmuziek hun intrede in de Vereniging, waarmee het aanbod van items voor symposia
en ledenbijeenkomsten, maar zeker ook voor het Bulletin
verbreed werd. Niet alleen de naam van het Genootschap
veranderde, maar ook het Bulletin heeft, na een periode
die duidelijke tekenen van een worsteling met de materie
liet zien, een gedaanteverandering ondergaan.
Persoonlijk kan ik nog steeds moeilijk wennen aan de
nieuwe naam die het oorspronkelijke Genootschap
heeft aangenomen en waarvan de eerste, wat ongelukkig ontworpen letters de cover van het verenigingsblad
sieren. Wat vroeger het ietwat exclusieve Genootschap
van Zangleraren in Nederland was, is uitgegroeid tot een
grote veelomvattende vereniging. Het Bulletin heeft met
deze groei gelijke tred gehouden. Het heeft zich ontwikkeld tot een volwaardig vakblad, dat zowel uiterlijk als
ook inhoudelijk een goed verzorgd visitekaartje van de
NVZ geworden is.
Geschreven in 1999, nog steeds actueel...
NVZmagazine 26
column
Hoe kwam je in de muziek terecht? (3)
Eenmaal aangekomen in Leiden ontdekte ik al gauw het Leids Studenten
Zangkoor, waar ik mij een beetje angstig bij de dirigent Henk Berghout meldde. Hij vroeg mij vooraan te komen staan. Kun je noten lezen? Ja, Meneer. Kun
je dit stuk lezen? Ja Meneer. En voor ik het wist stond ik in een kerk (welke?) de
tenorsolo uit Berlioz’oratorium L’Enfance du Christ te zingen: ‘Ah, si j’avais les
ailes des colombes’. Ergens in de kerkbanken zat die professor die mij in het
tweede jaar – zie de vorige column – liet zakken. Jaap Stotijn, de befaamde
hoboïst die voor zijn plezier het Delfts studentenorkest dirigeerde, kwam op
mij af en vroeg me voor een concert in Delft. Met gratis boerenkool vooraf. Ik
geloof dat het Mozarts ‘Exsultate, Jubilate’ is geworden. Een volgende gastdirigent van het LSZ was Felix de Nobel, die mij een solocantate van Bach
toevertrouwde, nummer 208: ‘Non sa che sia dolore’.
Ank Reinders
Onder de studenten circuleerde het gerucht dat er studenten naar Amerika
mochten reizen als ze muziek konden maken voor Nederlandse emigranten
op weg naar Halifax, Canada, en op de terugreis voor Amerikaanse studenten die in drie weken Europa kwamen ‘doen’. We beleefden 1952. Er zat een
weekje vrij in New York tussen de heen- en de terugreis.
Vanuit het studentenzangkoor en het Collegium Musicum meldden wij ons:
de tweeling van wie er één arts werd en de ander dominee, twee rechtenstudenten die later met elkaar getrouwd zijn en een medisch student die
later directeur van het LUMC geworden is. We hadden uitsluitend ‘klassiek’
bij ons, werken van Händel, Beethoven en Spohr, die we met een paar strijkinstrumenten uitvoerden. De latere ziekenhuisdirecteur was zo behendig in
componeren dat hij snel wat aanvullende aria’s voor mij schreef als we muziek
te kort kwamen. De tekst kaapte ik bij Händel. Zowel de emigranten als de
Amerikaanse studenten luisterden met grote ogen en klapperende oren. De
drie weken durende weinig luxueuze bootreis hadden we er graag voor over!
Hoe ik bij de grote Bach-kenner Hans Brandts Buys van het studentenkoor in
Utrecht terecht kwam, ben ik vergeten, maar in zijn tweekorige Matthäuspassion – met de piepjonge Jaap Hillen als tweede dirigent – zong ik mijn eerste
sopraanpartij, met in het andere koor Jeannette van Dijck. En nu was het de
componist Jan Felderhof die me vroeg een première van zijn werk te komen
zingen in Bussum, waar weer een andere dirigent vroeg of ik, etc. etc. Er waren toen nog geen concertagenten, je kon zelf ja of nee zeggen. Ik had zelf
steeds de neiging om ja te zeggen hoewel Theodora Versteeg, bij wie ik toen
les had, mij dat afraadde.
Op een gegeven moment raakte de studie in de Franse letteren uit het zicht.
Op het conservatorium in Den Haag deed ik de operaklas. Mijn avontuurlijke
instelling bracht me in 1957 naar zomercursussen in het Mozarteum te Salzburg, vanwaaruit ik in de Wiener Kammeroper te Wenen terecht kwam, en
een jaar later zelfs in de Wiener Festwochen. Toen telden we al 1958. Dat ik
daar met professor René Clemencic in contact kwam en met een echte altus,
zou een ander, lang verhaal worden.