VN Forum 2007/1 - Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties

Commentaren

Transcriptie

VN Forum 2007/1 - Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties
2007/1
In dit nummer o.m.:
NVVN twintig jaar
VR Iran
Nonproliferatie
Annan
Verenigingsnieuws
VN Forum 2007/1
De redactie van VN Forum bestaat uit
Tjerk Halbertsma, Arend Meerburg, Seda Önce en Rosa
Runhardt.
Hoofdredacteur
drs Carel H. Jansen
Eindredactie en produktie
Wim van Dijk
Redactieadres
VN-Forum Postbus 93539 2509 AM Den Haag.
Inhoudelijke opmerkingen of eventueel in het blad te
plaatsen brieven of artikelen kunnen per e-mail verzonden worden aan Carel H. Jansen:@bron
[email protected]
Uitgave
VN Forum is een uitgave van de Nederlandse
Vereniging voor de Verenigde Naties (NVVN). VN
Forum wordt uitgegeven op de grondslag van een
redactiestatuut en verschijnt vier maal per jaar.
Richtlijnen voor auteurs zijn verkrijgbaar bij het redactiesecretariaat. De in de bijdragen neergelegde opvattingen blijven voor de verantwoordelijkheid van de
schrijvers en geven niet noodzakelijkerwijs de mening
van de NVVN en/of de redactie weer. Het overnemen
van artikelen uit dit tijdschrift is, mits met bronvermelding, toegestaan.
Tarieven voor het plaatsen van advertenties zijn op
aanvraag te verkrijgen.
Samen met de VN gaat veel beter
Inhoud
20 jaar NVVN
1
De Veiligheidsraad en de ‘proliferatie-gevoelige
nucleaire activiteiten’ van Iran en Noord-Korea
Dick Leurdijk
3
Minder belichte aspecten van het beleid tegen
de verspreiding van kernwapens (Deel II)
Arend Meerburg
8
Roem en blaam voor Kofi Annan
15
Onderwijs over de Verenigde Naties,
een uitdaging!
34
Samen met de VN vrede maken in Tilburg
Ellen van den Wijngaart-van Helvoirt
36
Agreeing as One?
38
Kenterend machtsevenwicht
40
De VN staat voor mensenrechten, ook voor betere gezondheidszorg, beter onderwijs, bestrijding
van armoede, bescherming van het milieu, sociale en economische ontwikkeling, handhaving
van vrede, bemiddeling bij conflicten, strijd tegen criminaliteit, etc. De VN doet dat allemaal op
wereldniveau. Zonder een goede samenwerking komen wij er niet. Zelfs niet in ons eigen landje.
De Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties (NVVN) heeft leden nodig. Wij weten allemaal dat de VN vaak onterecht wordt beschuldigd. Dat kan niet zo doorgaan internationale
samenwerking is dringend nodig. De VN heeft internationale steun nodig van mensen die weten
waar het om gaat in onze wereld. Laat dat blijken en wordt daarom lid van de NVVN.
Maak uw mening over de toekomst van de wereld duidelijk. Wordt daarom lid van de
Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties.
Stuur de bon in, of bel 070 - 374 66 02.
Ja, ik kies, ik word lid van de NVVN
Naam (mevrouw/heer) ..........................................................................................
Straat ........................................................................................................................
Postcode .......................... Woonplaats ..................................................................
Abonnementen
Bij het lidmaatschap van de NVVN is toezending van
VN Forum inbegrepen. Losse abonnementen 35,– per
jaar: schrijf naar het NVVN-secretariaat voor aanmelding als abonnee. U krijgt dan een acceptgiro thuisgestuurd. Abonnementen worden automatisch verlengd
met een volgend kalenderjaar, tenzij vóór 1 december
schriftelijke opzegging heeft plaatsgevonden.
NVVN
De Nederlandse Vereniging voor de Verenigde Naties
(NVVN) stelt zich ten doel het bevorderen van de doelstellingen van de Verenigde Naties in Nederland, teneinde de bevolking bewust te maken van de noodzaak
van internationale samenwerking en de opbouw van
een wereldrechtsorde. De NVVN is lid van de World
Federation of United Nations Associations (WFUNA).
Het lidmaatschap van de NVVN staat open voor een
ieder en kost €35,– per jaar (jongeren t/m 25 jaar
€20,– SIB-leden €10; institutionele leden €70,– per
jaar. Voor informatie: kijk op www.nvvn.nl of neem
contact op met het secretariaat NVVN, Postbus 93539,
2509 AM Den Haag; telefoon: 070-374 66 02.
Omslag: G. Wielaard Studio, Den Haag
Telefoon ....................................
E-mail ....................................
Stuur mij een acceptgirokaart voor:
*..... een jaar lidmaatschap inclusief VN Forum € 35,–
*..... een jaar jongerenlidmaatschap (t/m 25 jaar) inclusief VN Forum € 20,–
*..... een jaar institutioneel lidmaatschap inclusief VN Forum € 70,–
Handtekening ..........................................................................
*duidelijk aankruisen svp
Stuur deze bon vandaag nog in naar
Secretariaat NVVN,
Postbus 93539,
2509 AM Den Haag
VN Forum 2007 - 1
1
Twintig jaar NVVN
In vergelijking met de VN zelf en de Wereld
Federatie van VN Verenigingen – World
Federation of United Nations Associations
(WFUNA) – die in 1945 respectievelijk 1946 hun
zestigste verjaardag vierden komt de NVVN pas
kijken. Toch behoort Nederland tot de oprichters van de WFUNA. De Nederlandse vredesactiviste en feministe Christina Bakker –van Bosse
(1884-1966) nam deel aan de oprichtingsvergadering van de WFUNA in 1946 te Luxemburg. Zij
was actief geweest in de in 1919 opgerichte
Vereniging voor Volkenbond en Vrede (VEV),
die was aangesloten bij de voorloper van de
WFUNA: de Internationale Unie van
Volkenbondverenigingen. Mevrouw Bakker-van
Bosse werd zelfs gekozen als lid van het
Uitvoerend Comité van de WFUNA. De VEV
werd na de opheffing van de Volkenbond in
1946 omgedoopt tot Vereniging voor
Internationale Rechtorde (VIRO), die tot in de
jaren zeventig heeft bestaan en waarvan de
jaarverslagen sinds 1957 zijn gepubliceerd in het
toenmalige maandblad voor de Verenigde
Naties Wordende Wereld.
Adriaan Pelt (1892-1981), die zijn sporen had
verdiend als internationaal ambtenaar en
bestuurder van de Volkenbond en later van de
VN, is de eerste en enige Nederlandse voorzitter van de WFUNA geweest. Hij vervulde die
functie van 1963 tot 1966. Sindsdien is het enigszins stil geworden rond de Nederlandse deelname aan de WFUNA. Deze situatie was mr.
N.J.C.M. Kappeyne van de Coppello (1902-1991)
een doorn in het oog. In 1987 zag hij zijn droom
verwezenlijkt: de oprichting van een heuse
Nederlandse Vereniging voor de Verenigde
Naties, de huidige NVVN. Daarmee kwam een
einde aan een jarenlange afwezigheid van
Nederland in de WFUNA. Deze afwezigheid was
enigszins beschamend. Sinds het lidmaatschap
van de VN had Nederland namelijk de houding
van strikte neutraliteit, die kenmerkend was
voor het Nederlandse lidmaatschap van de
Volkenbond, ingeruild voor een actieve rol op
het wereldtoneel. Daarvoor had de regering
ook een maatschappelijk draagvlak nodig. De
VIRO bood die nauwelijks als een club van internationale juristen, die niet altijd begrip toonden
voor nieuwe ontwikkelingen. Wijlen professor
Röling ondervond dat toen zijn preadvies voor
de VIRO over Europees volkenrecht of wereldvolkenrecht (jaarboekje 1957-1958 VIRO) bij zijn
collega’s op veel onbegrip stuitte.
Kappeyne van de Coppello had midden jaren
tachtig een werkgroep gevormd van in de VN
geïnteresseerde NGOs om de oprichting van een
Nederlandse Vereniging voor de Verenigde
Naties voor te bereiden. Daartoe behoorden
onder meer Vrouwen voor Vrede/Women
International League for Peace and Freedom
(WLPF), de Wereld Federalisten Beweging
Nederland (WFBN), de Studentenvereniging
voor Internationale Betrekkingen (SIB), het
toenmalige Platform Internationale Jongeren
Organisaties (PIJON) en de Liga voor de Rechten
van de Mens. In 1987 haalde drs. G. Ringnalda
als oud-collega van Buitenlandse Zaken mij over
de streep om voorzitter van de nieuwe vereniging te worden. Hij gebruikte toen het argument dat de combinatie van mijn vroegere
praktische ervaring bij Buitenlandse Zaken in de
sector ontwikkelingssamenwerking en huidige
wetenschappelijke functie als hoogleraar volkenrecht aan de VU een goede basis vormden
om de al te juridische benadering van de VN te
vermijden die de VIRO had beheerst. In 1991
trok ik hem over de streep met een soortgelijk
argument om mij als voorzitter op te volgen per
2
1 januari 1992. Dat heeft Geb met grote inzet
gedaan tot aan zijn alom diep betreurd overlijden in 1999. Zijn overtuigingskracht op zijn
omgeving heeft overigens ook in de familiekring effect gehad. Mevrouw Jenneke
Ringnalda vond er de kracht in om zitting te
nemen in het bestuur van de vereniging.
Op 21 november 1987 is de Nederlandse
Vereniging voor de Verenigde Naties (NVVN) in
Utrecht opgericht door een zestigtal personen
op individuele basis of als vertegenwoordigers
van bovengenoemde NGOs. Het eerste hoofdbestuur bestond uit leden van de Tweede
Kamer, hoogleraren en vertegenwoordigers van
deelnemende organisaties. Het benoemde unaniem Kappeyne van de Coppello tot erelid van
de vereniging vanwege zijn grote verdiensten
als voorzitter van de voorbereidende werkgroep. Een nog sprekender eerbewijs is dat de
NVVN zijn omschrijving van de doelstelling van
de vereniging tot op de dag van vandaag ongewijzigd kan hanteren: het bevorderen van de
doelstellingen van de Verenigde Naties in
Nederland, teneinde de bevolking bewust te
maken van de noodzaak van internationale
samenwerking en de opbouw van een wereldrechtsorde. De NVVN combineert in haar activiteiten beide doelstellingen op zo’n elastische
wijze dat zij elkaar aanvullen en niet uitsluiten.
Een goede illustratie daarvan vormt VN Forum
dat door de jaren heen telkens kritische noten
wist te plaatsen bij wat recht vermag om internationale samenwerking te realiseren. In het
voorwoord op het eerste nummer – 1 (1988) 0 –
schreef de toenmalige minster van Buitenlandse
Zaken mr. H. van den Broek het van groot
belang te achten “dat vooral een nieuwe generatie, die niet is opgegroeid met de VN-idealen
en deze vaak met een zekere scepsis tegemoet
treedt, door toegang tot zakelijke informatie in
de gelegenheid wordt gesteld kennis te maken
met zowel de idealen als de realiteit van de
Verenigde Naties.” Dat belang is sindsdien
alleen maar toegenomen.
VN Forum 2007 - 1
De NVVN verkeert in de gelukkige omstandigheid dat er twintig jaar later nog altijd mensen
bereid zijn om zich in te zetten voor de VN. Dat
gebeurt anders dan in andere VN lidstaten zonder structurele overheidssubsidie. De NVVN
heeft die slechts een keer ontvangen, toen in
1991 de Tweede Kamer vlak voor het kerstreces
een amendement (Weisglas-van Traa) op de
Begroting van Buitenlandse Zaken aanvaardde
om de vereniging een subsidie toe te kennen
van f. 100.000. Dat stelde de NVVN in staat om
de toenmalige onbezoldigde deeltijd directeur
drs. M. van de Kasteelen te honoreren. Die luxe
was van korte duur. De NVVN drijft geheel op
vrijwilligers, dat geldt zowel het bestuur als de
redactie van VN Forum. Dat dit al twintig jaar is
gelukt biedt een goede reden bij het vierde lustrum even stil te staan Daarbij komt dat er ook
reden is voor vertrouwen in de toekomst van de
vereniging. De huidige voorzitter, prof. dr. Loek
de la Rive Box, rector van het Institute of Social
Studies, heeft veel geïnvesteerd in het betrekken van jongeren bij het werk van de vereniging. Zijn opvolging illustreert het succes daarvan. Voor benoeming is als voorzitter is namelijk
voorgedragen mevrouw dr. Yvonne M. Donders,
die in 2002 is gepromoveerd op het onderwerp
Towards a Right to Cultural Identity? In 1991
lukte het mij om mijn jongere broer Jos voor het
bestuurslidmaatschap te strikken. Hij bracht het
tot eindredacteur van VN Forum. Ook hij zal
worden opgevolgd door (…..). Kortom de leiding van het bestuur en de redactie blijft in
goede handen om de Nederlandse bevolking
telkens weer te doordingen van de grote betekenis van de VN als centrum “voor de harmonisatie van het optreden van de naties”(
Handvest, artikel 1 lid 4). Dat optreden betreft
het verwezenlijken van hun gemeenschappelijke doelstellingen op het gebied van internationale vrede en veiligheid, ontwikkeling van
vriendschappelijke betrekkingen en internationale samenwerking. Voor die inspanning van de
NVVN en VN Forumpast grote erkentelijkheid.
VN Forum 2007 - 1
3
De Veiligheidsraad en de ‘proliferatie-gevoelige
nucleaire activiteiten’ van Iran en Noord-Korea
Door Dick LEURDIJK 1
De Veiligheidsraad heeft zich in 2006 uitvoerig
beziggehouden met een tweetal nucleaire dossiers, die van Iran en Noord-Korea, met als inzet
het tegengaan van de verdere ontwikkeling van
hun nucleaire programma’s. In het geval van Iran
spitste de zorg zich toe op de hervatting van de
verrijking van uranium; in het Noord-Koreaanse
geval ging het vooral om de verdere uitbouw
van het reeds bestaande kernwapenprogramma.
De directe aanleiding voor de bemoeienissen van
het hoogste VN-orgaan, volgens het VNHandvest belast met het bewaren van de internationale vrede en veiligheid, lag in het doorgeleiden van het Iran-dossier door de nucleaire waakhond van de VN (het IAEA) naar de Raad, en in
het geval van Noord-Korea in de raketlanceringen van juli en de kernproef van oktober vorig
jaar. In beide gevallen besloot de Raad uiteindelijk tot het instellen van economische sancties. De
vraag is nu, in het licht van de woedende reacties
vanuit Teheran en Pyongyang op de strafmaatregelen, hoe effectief de sancties zullen zijn. Er
bestaat daarover terecht veel scepsis. Op de achtergrond speelt bovendien de vraag hoe geloofwaardig het bestaande non-proliferatiebeleid
nog is. De opstelling van de Veiligheidsraad in de
beide dossiers vertoont ondertussen interessante
parallellen.
Het Iraanse nucleaire programma
in de resolutie naar een reeks recente rapporten
van de Directeur Generaal van het IAEA en resoluties van de IAEA Bestuursraad over Iran’s nucleaire programma, die duidelijk maken dat het
IAEA niet kan vaststellen dat Iran’s motieven uitsluitend vreedzaam zijn. Het rapport van februari bevatte een lijst van nog onopgehelderde
kwesties rond dat programma, ‘including topics
which could have a military nuclear dimension’,
waardoor het IAEA niet in staat was te concluderen dat er geen sprake is van illegale nucleaire
materialen of activiteiten in Iran. Het rapport
van april maakte duidelijk dat na meer dan drie
jaar inspanningen door het IAEA om opheldering
te krijgen over alle aspecten van het Iraanse programma, ‘de bestaande gaten in de kennis voorwerp van zorg blijven’. 2 Op basis van het IAEArapport van juni sprak de Raad zijn ‘ernstige zorgen’ uit over Iran’s besluit alle activiteiten die verband houden met de verrijking van uranium te
hervatten. Tegen deze achtergrond besloot de
Raad, met een verwijzing naar Artikel 40 uit het
VN-Handvest, Iran de door het IAEA verlangde
opschorting van zijn verrijkingsactiviteiten dwingend op te leggen. De Raad vroeg de Directeur
Generaal van het IAEA om uiterlijk 31 augustus
rapport uit te brengen over de vraag of Iran
tegen die tijd de verrijking had stopgezet. Zo
niet dan zou hij ‘gepaste maatregelen’ nemen,
daarmee zinspelend op sancties. 3
Het besluit, vlak voor Kerst 2006. sancties in te
stellen tegen Iran was al voorafgegaan door de
aanvaarding van een resolutie, eind juli 2006,
waarin de Veiligheidsraad besloten had de al eerder door het IAEA geeiste opschorting van de
verrijking van uranium juridisch bindend te
maken. Dat gebeurde nadat het IAEA het Irandossier had doorgeleid naar de Veiligheidsraad
om zo Iran er alsnog toe te bewegen zich aan
zijn verplichtingen te houden. De Raad verwees
Nadat het IAEA eind augustus had gerapporteerd dat Iran nog altijd doorging met de verrijking van uranium, zou het tot eind december
duren alvorens de Veiligheidsraad consensus wist
te bereiken over de te nemen strafmaatregelen.
In een rapport van november 2006 had het IAEA
andermaal gezegd dat Iran geen volledige opening van zaken had gegeven, door niet tegemoet te komen aan specifieke verzoeken om
4
informatie, steekproeven en toegang tot faciliteiten, documenten en personen. Nu besloot de
Veiligheidsraad, met een beroep op Artikel 41
VN-Handvest, dat Iran onverwijld, onder toezicht
van het IAEA, de volgende ‘proliferatie-gevoelige nucleaire activiteiten’ opschort: (a) alle activiteiten die verband houden met verrijking en
opwerking en (b) het werk aan alle zwaar-waterprojecten. Om dit eisenpakket af te dwingen
stelde de Raad sancties in. Hij verbood de handel
met Iran van alles (onderdelen, materialen, uitrusting, goederen en technologie) dat zou kunnen bijdragen aan Iran’s verrijkings-, opwerkingsen zwaar water-activiteiten , of aan de ontwikkeling van raketten. In dat verband legde hij de lidstaten van de VN een verbod op op het bieden
van technische ondersteuning of training, het
verschaffen van financiele hulp of het doen van
investeringen, ook weer voorzover deze verband
hielden met de genoemde activiteiten. De resolutie riep de lidstaten voorts op attent te zijn op
het binnenlaten van dan wel de doorgang verlenen aan personen die betrokken zijn bij Iran’s
nucleaire activiteiten. In een annex bij de resolutie gaf de Raad een opsomming van een beperkt
aantal instanties en personen (22 in totaal) die
betrokken waren bij het kern- dan wel het raketprogramma. El Baradei werd verzocht om binnen
60 dagen de Raad te rapporteren over de
opschorting van de verrijking van uranium.
Mocht dat nog steeds niet het geval zijn dan
dreigde de Raad met ‘verdere gepaste maatregelen’ conform Artikel 41.
Het Noord-Koreaanse nucleaire
programma
Op 14 oktober 2006 besloot de Veiligheidsraad
tot het instellen van een reeks sancties tegen
Noord-Korea als reactie op de kernproef van vijf
dagen daarvoor. Het was de tweede maal dat
jaar dat de Veiligheidsraad het land veroordeelde. In juli nog was Pyongyang door de Raad veroordeeld voor een reeks lanceringen van ballistische raketten die internationaal veel ophef veroorzaakten.4 De Veiligheidsraad toonde zich bij
die gelegenheid vooral bezorgd ‘vanwege de
mogelijkheid dat zulke systemen kunnen wor-
VN Forum 2007 - 1
den gebruikt als middel om nucleaire, chemische
of biologische ladingen over te brengen’. Tegen
deze achtergrond verwees de Raad, in een ongebruikelijke formulering, naar ‘zijn bijzondere verantwoordelijkheid voor de handhaving van
internationale vrede en veiligheid’ – daarmee
heel voorzichtig zinspelend op de mogelijkheid
om in een later stadium alsnog sancties te in te
stellen. In de eerste operationele paragraaf van
de resolutie veroordeelde de Raad de lancering
van de ballistische raketten op 5 juli. Hij vroeg
Noord-Korea ‘alle activiteiten op te schorten die
verband houden met zijn programma voor ballistische raketten’, en zich te houden aan zijn eerdere verplichtingen inzake een moratorium op
raketlanceringen.
Na de raketlanceringen in juli volgde op 9 oktober de Noord-Koreaanse kernproef. Waar de
Raad in juli nog terugschrok voor sancties, was er
nu wel consensus.5 Naast de veroordeling van de
Noord-Koreaanse kernproef als een ‘flagrante
inbreuk’ op eerdere resoluties van de
Veiligheidsraad, eiste de raad, met het aannemen van de resolutie, van Noord-Korea een aantal maatregelen:
1) Noord-Korea moet afzien van verdere kernproeven of raketlanceringen;
2) Noord-Korea moet onmiddellijk zijn aankondiging intrekken dat het zich terugtrekt uit
het Non-Proliferatieverdrag inzake kernwapens;
3) Noord-Korea moet terugkeren naar het NonProliferatieverdrag en het Internationale
Atoomenergie-Agentschap (IAEA) (..);
4) Noord-Korea moet alle activiteiten opschorten
die verband houden met zijn programma voor
ballistische raketten en zich weer houden aan
de eerdere verplichtingen krachtens een
moratorium op raketlanceringen;
5) Noord-Korea moet alle kernwapens en
bestaande nucleaire programma’s opgeven op
een volledige, verifieerbare en onomkeerbare
wijze, dient zich te houden aan de verplichtingen krachtens het Non-Proliferatieverdrag (),
en zal op transparantie gerichte maatregelen
VN Forum 2007 - 1
5
voor het IAEA treffen die verder gaan dan de
bestaande verplichtingen, met inbegrip van
toegang tot personen, documentatie, uitrusting en faciliteiten zoals vereist door het IAEA;
en
6) Noord-Korea dient alle andere bestaande massavernietigingswapens en zijn programma
voor ballistische raketten op te geven ().
gingswapens. Opmerkelijk is ook het verbod op
de levering van ‘luxe goederen’ (bedoeld om de
politieke elite te treffen) en de oproep aan de
lidstaten om ladingen van en naar Noord-Korea
te inspecteren. In beide gevallen worden de
maatregelen niet nader uitgewerkt en laten ze
dus veel ruimte voor onduidelijkheden c.q. ontduiking. .
De Veiligheidsraad stelde vervolgens sancties in,
die vooral neerkomen op een serie im- en exportverboden:
Hoe nu verder?
1) Een verbod op de handel van alle lidstaten
met Noord-Korea in
a. Gevechtstanks, pantservoertuigen,
artilleriesystemen, gevechtsvliegtuigen, aanvalshelicopters, oorlogsschepen, raketten, etc.;
b. Materialen en technologie die verband houden met programma’s voor
massavernietigingswapens; en
c. Luxe goederen
2) Een verbod op de export door Noord-Korea
van alles wat valt onder 1(a) en 1 (b);
3) Een verbod op de overdracht aan NoordKorea van technische training, advies, en diensten ten behoeve van de maatregelen die vallen onder 1 (a) en 1 (b);
4) De bevriezing van alle financiele tegoeden in
het buitenland die toebehoren aan personen
of instanties die, naar het oordeel van de VN,
betrokken zijn bij alle Noord-Koreaans programma’s voor massavernietigingswapens;
5) Een verbod op het toelaten of doorreizen van
door de VN aangewezen personen, en hun
familieleden, die betrokken zijn bij het beleid
m.b.t. massavernietigingswapens; en
6) Alle lidstaten worden geacht samen te werken
bij het tegengaan van de illegale handel in
nucleaire, chemische of biologische wapens en
hun overbrengingsmiddelen, onder andere
door het inspecteren van de lading naar en
van Noord-Korea.
De maatregelen hebben dus heel nadrukkelijk
betrekking op Noord-Korea’s offensieve militaire
vermogen en zijn potentieel aan massavernieti-
Eind 2006 tekende zich in beide gevallen een
impasse af, gelet op de woedende reacties van
Teheran en Pyongyang op het instellen van de
sancties. Het ziet er dan ook niet naar uit dat
beide landen zullen instemmen met de eisen van
de Veiligheidsraad. President Ahmadinejad
noemde de resolutie ‘een vodje papier’ en aan
Noord-Koreaanse zijde sprak men over ‘ganstermethodes’. Vanuit de optiek van de Veiligheidsraad vertonen de nucleaire dossiers van Iran en
Noord-Korea intussen interessante parallellen,
ook al is de uitgangspositie, totaal verschillend:
Noord-Korea beschikt reeds over een kernwapen, terwijl Iran zich nog in het stadium bevindt
van de opbouw van een zelfstandige brandstofcyclus, als noodzakelijke voorwaarde voor de
ontwikkeling van een kernbom.
De ambities van potentiele kernwapenlanden
worden vooral bepaald door hun technologisch
vermogen om kernwapens te maken en de politieke intenties daartoe. Over de technologische
capaciteit van Pyongyang terzake bestaat geen
onduidelijkheid meer. Iran heeft duidelijk
gemaakt dat het streeft naar een serieuze capaciteit voor de opwerking van uranium en aanverwante onderdelen van de splijtstofcyclus.
Bovendien heeft het gezegd dat het voor zijn
splijtstofvoorziening niet afhankelijk wil zijn van
buitenlandse leveranciers. Wat de politieke
ambities betreft, hoeft de internationale
gemeenschap ook geen illusies meer te hebben.
Het belangrijkste motief voor Noord-Korea voor
het bezit van kernwapens gaat terug op de
Koreaanse oorlog in de jaren vijftig, en vloeit
voort uit de vrees voor een mogelijke
Amerikaanse militaire inval. De ondergrondse
6
kernproef van oktober was ook bedoeld als een
afschrikkingsmiddel, zo betoogde Pyongyang.
Bovendien waarschuwde het dat indien de VS
hun druk op Noord-Korea zouden blijven opvoeren, het dit zou opvatten als een oorlogsverklaring en dan ‘fysieke tegenmaatregelen’ zou
nemen – daarmee impliciet dreigend met meer
kernproeven.6 Met het aan de macht komen van
President Ahmadinejad, in de zomer van 2005, is
het Iraanse nucleaire programma nadrukkelijk
ingebed in diens streven naar een ‘tweede
Islamitische revolutie’ in Iran. Het kroonargument van de Iraanse regering voor zijn nucleaire
programma is gebaseerd op de artikelen van het
Non-Proliferatieverdrag, die betrekking hebben
op wat het regiem in Teheran ziet als het ‘inherente recht’ van ondertekenaars van het NPV op
het gebruik van kernenergie voor vreedzame
doeleinden.
De Veiligheidsraad legt beide landen dwingend
een vergaand eisenpakket op. Iran dient zijn activiteiten met betrekking tot de verrijking, de
opwerking en zwaar-waterreactoren op te schorten. Door te spreken van ‘opschorting’, en niet
van ‘opgeven’, houdt de Raad nadrukkelijk de
optie open voor de toepassing van kernenergie
voor vreedzame doeleinden. Noord-Korea moet
onvoorwaardelijk afzien van verdere kernproeven en raketlanceringen en dient alle (programma’s inzake) kernwapens en andere massavernietigingswapens op te geven.
Het valt niet te verwachten dat Teheran en
Pyongyang erg onder de indruk zullen zijn van
de sancties. Voor Iran zijn ze vermoedelijk te
beperkt om echt pijn te doen, mede als uitvloeisel van de onenigheid onder de leden van de
Raad over de reikwijdte ervan, ook al werd de
resolutie uiteindelijk unaniem aanvaard. Zo is
erop gewezen dat de sancties voldoende ruimte
laten voor een ongestoorde voortzetting van het
nucleaire programma.7 Ook de opgelegde reisbeperkingen raken slechts een klein aantal personen en instanties, gelet op de duizenden personen die betrokkenen zijn bij de programma’s.
Van Amerikaanse zijde werd dan ook onmiddel-
VN Forum 2007 - 1
lijk aangegeven dat het hier slechts ging om ‘een
eerste set’ van maatregelen.8 Maar ook eventuele ‘verdere gepaste maatregelen’, waarmee de
Raad al heeft gedreigd, zullen het land niet
afhouden van zijn nucleaire ambities. De eerste
aanwijzingen daarvoor lieten niet lang op zich
wachten. Niet alleen deed president
Ahmadinejad de resolutie onmiddellijk af als
‘een vodje papier’, maar in januari 2007 ontzegde Iran, bij wijze van vergeldingsmaatregel voor
de sancties, ook nog eens 38 IAEA-inspecteurs de
toegang tot het land, nadrukkelijk gepresenteerd als de eerste stap in een serie om de samenwerking met het IAEA te beperken.9 Ten aanzien
van Noord-Korea waarschuwt de Raad ‘ that it
shall keep DPRK’s actions under continuous
review’ en zegt hij bereid te zijn de sancties te
heroverwegen (versterken, aanpassen, opschorten of opheffen) indien daartoe aanleiding zou
zijn.
Het is nog te vroeg om iets te zeggen over de
effectiviteit van de sancties. Tot dusver is er weinig bekend over de wijze waarop en de mate
waarin ze worden nageleefd. Wel is in beide
gevallen nadrukkelijk door de Veiligheidsraad de
optie open gehouden van een nieuwe reeks van
sancties indien opnieuw sprake zou zijn van
‘non-compliance’. Van verschillende kanten,
onder andere door Rusland en China, werd aangedrongen op terughoudendheid bij de toepassing van de sancties tegen Noord-Korea. Zelf
waarschuwde het dat een controle van zijn schepen door de Verenigde Staten op volle zee ‘het
begin van oorlog’ zou zijn. Wat Iran betreft, markeert het rapport van het IAEA dat op 23 februari uitkomt op korte termijn een nieuw momentum in het Iran-dossier. Er dienen zich nu op zijn
minst twee opties aan, ervan uitgaande dat Iran
opnieuw niet tegemoet komt aan de eisen van
de Veiligheidsraad. De eerste betreft een nieuwe
reeks sancties. De tweede optie betreft een
mogelijk militair optreden tegen Iran. Verleden
jaar werd al volop gespeculeerd over een
Amerikaanse militaire actie (volgens het concept
van de zg. pre-emptieve aanval). Op zijn minst
even serieus moet de mogelijkheid van een
VN Forum 2007 - 1
Israëlische militaire aanval worden beschouwd.
In Israel werd herhaaldelijk benadrukt dat Iran
het ‘point of no return’ voor het maken van een
kernbom in het voorjaar van 2007 zou bereiken.
Ook gelet op de vanouds gespannen verhouding
tussen Israel en Iran, gevoed door uitspraken van
president Ahmadinejad over de ontkenning van
de holocaust en het van de kaart vegen van de
staat Israel, is er alle reden voor zorg over de ontwikkelingen dit jaar rond het Iraanse nucleaire
programma.
Interessant is ook dat in beide gevallen de
Veiligheidsraad, na het instellen van de sancties,
nadrukkelijk aanstuurt op een oplossing langs
diplomatieke weg. In het geval van Iran is de
Raad ervan overtuigd dat de geëiste opschorting
kan bijdragen aan een diplomatieke oplossing
via onderhandelingen ‘die garandeert dat Iran’s
nucleaire programma uitsluitend voor vreedzame doeleinden bestemd is’. De Raad verwelkomt
in dit verband de inspanningen van China,
Frankrijk, de Russische Federatie, het Verenigd
Koninkrijk, de VS en Duitsland uit juni 2006 voor
een oplossing via onderhandelingen, en roept
Iran op hun voorstellen voor een lange-termijnoplossing over te nemen. Deze voorzagen in een
pakket economische en politieke ‘incentives’ in
ruil voor Iran’s opschorting van zijn verrijkingsactiviteiten. Het pakket bood Iran, in de woorden
van de Amerikaanse ambassadeur VN-ambassadeur in Genève, Gregory Schulte, ‘substantiële
economische, politieke en technologische kansen’. Op het nucleaire vlak omvatten deze (a) een
herbevestiging van Iran’s recht op kernenergie
conform de verplichtingen uit het NonProliferatieverdrag, (b) steun bij de bouw van de
modernste licht-waterreactoren, (c) deelneming
aan een gemeenschappelijke onderneming voor
de verrijking van uranium in Rusland, en (d) juridisch-bindende toezeggingen inzake de brandstofleverantie voor toekomstige reactoren. Met
betrekking tot Noord-Korea roept de
Veiligheidsraad op tot een hervatting van het
zes-partijenoverleg, gericht op de implementatie
van de Gemeenschappelijke Verklaring van 19
september 2005 van China, de DPRK, Japan,
7
Zuid-Korea, de Russische Federatie en de
Verenigde Staten die de denuclearisatie van het
Koreaanse schiereiland beoogt. In dat verband
wordt Noord-Korea opgeroepen snel naar het
overleg terug te keren zonder voorwaarden
vooraf. Een eerste poging om na het ingaan van
de sancties dat overleg uit het slop te halen, liep
in november alweer vast. De Amerikaanse onderhandelaar Hill had duidelijk gemaakt dat ‘Het
pakket van 5 september (2005) in zijn geheel
[moet] worden uitgevoerd’. Krachtens dat pakket zegde Noord-Korea toe zijn kernwapens op
te geven en zijn nucleaire programma te beeindigen, onder toezicht van het IAEA, in ruil voor
economische hulp (o.a. op het gebied van energie) en toezeggingen inzake zijn veiligheid (zoals
een niet-aanvalsvrdrag). Bij zijn aantreden, begin
januari 2007, gaf de nieuwe Secretaris-Generaal
van de VN, Ban Ki-Moon, aan de kwestie van het
Noord-Koreaanse nucleaire programma met prioriteit te zullen aanpakken. Mij lijkt die ambitie
geen garantie voor een doorbraak.
Met het instellen van de sancties tegen NoordKorea en Iran werd in beide gevallen een nieuwe
fase bereikt in de bemoeienissen van de internationale gemeenschap met de proliferatie-risico’s
van de beide nucleaire programma’s in het kader
van het Non-Proliferatieverdrag. In meer algemene zin vormen de beide dossiers dan ook een
toetssteen ‘van de onmogelijke spagaat van het
verdrag dat verspreiding van nucleaire energie
toelaat, maar tegelijkertijd verspreiding van
nucleaire wapens verbiedt’.
1 Dick LEURDIJK is als onderzoeker, docent en politiek commentator verbonden aan het Nederlands Instituut voor
Internationale Betrekkingen ‘Clingendael’ in Den Haag.
2 Iran’s nucleaire programma was al voorwerp van internationale zorg sinds de ontdekking in 2003 dat het 18 jaar
lang zijn nucleaire activiteiten verborgen had gehouden, in
weerwil van zijn verplichtingen onder het NonProliferatieverdrag (NPV).
3 SC/RES/1696 (2006), 31 July 2006.
4 S/RES/1695 (2006), 15 July 2006.
5 S/RES/1718 (2006), 14 October 2006
6 United Nations News Service, 14 October 2006.
7 Ephraim Asculai: ‘Security Council Resolution 1737: Too
Little, Too Late’. INSS Insight, January 11, 2007.
8 ‘Iran Nuclear Program Actions Could Spur Further
Isolation’,
Current
Issues,
22
January
2007.
http://usinfo.state.gov/xarchives/display.html?p=washfileenglish&y=2007&m
9 NRC Handelsblad, 23 januari 2007.
8
VN Forum 2007 - 1
Minder belichte aspecten van het beleid tegen de verspreiding van kernwapens (Deel II)1
door Arend Meerburg2
In dit tweede deel zal ik trachten nog enkele
andere, meestal wat minder belichte, aspec-
Voor het gemak nummer ik de onderwerpen
ten van het non-proliferatie beleid aan te stip-
in dit deel II door.
pen. Sinds de verschijning van Deel I heeft het
Britse Lagerhuis inmiddels ingestemd met de
modernisering van de Britse kernmacht, na
een interessante discussie waarover in de NL
media vrijwel niets te vinden was, zo zijn we
aan het navelstaren. Ook is het in 2005 gesloten akkoord over de kwestie Noord-Korea
enigszins los getrokken. Interessant is dat er
uit de VS nu geluiden komen dat de
Amerikaanse beschuldiging in 2002 over uranium-verrijking door Noord-Korea, waarmee
de crisis van de laatste jaren begon, wellicht
nogal overdreven was! Als dit juist is, dan is de
Regering Bush, door haar provocatieve optreden tegen Noord-Korea, mede verantwoordelijk voor de ontstane situatie, inclusief de
detonatie van een kernexplosief door Kim
Jong-il.
In deel I kwamen de volgende onderwerpen
aan bod:
1. De stationering van Amerikaanse kernwapens in Europa
2. De Britse kernmacht: nog meer ont-proliferatie?
3. Noord-Korea nucleair
4. Kernwapenvrije zones (NuclearWeapon-Free Zones, NWFZ)
Het landoppervlak van een fors deel van de aardbol, vooral van het zuidelijk halfrond, is deel van
een (soort) kernwapenvrije zone, d.w.z. dat daar
geen kernwapens mogen zijn. Het Koninkrijk der
Nederlanden is verdragsmatig direct betrokken
bij twee van die zones.
Antarctica Verdrag. Het begon allemaal met
het Antarctica-verdrag, dat formeel geen kernwapenvrije zone heet maar het wel is. Vooral
naar aanleiding van het Geofysisch Jaar 1957-58
namen nogal wat landen zich voor om – al of
niet voor lange tijd – meer wetenschappelijk
onderzoek te gaan doen in Antarctica. Gezien
o.m. een aantal elkaar overlappende claims op
‘taartpunten’ Antarctica, die door andere landen
meestal niet erkend werden, bestond er onduidelijkheid over de status van dit gebied dat zo
groot is als Europa. Een aantal vooruitziende lieden organiseerde met resultaat onderhandelingen over een verdrag waarbinnen de wetenschap zonder politieke problemen zijn gang kon
gaan en waarin goede afspraken werden
gemaakt over de bescherming van het milieu,
demilitarisatie (dus ook geen kernwapens), geen
opslag van radio-actief afval enz. De territoriale
claims werden ‘bevroren’. Een bijzonder aspect
was het recht van de partijen om elkaar te controleren, dus inspecteurs te zenden naar de bases
van andere landen om te kijken of die zich wel
aan alle regels hielden. Midden in de Koude
VN Forum 2007 - 1
Oorlog inspecteerden Amerikanen en Sovjets
elkaar, toentertijd ondenkbaar op hun eigen
grondgebied! Alléén landen die echt wetenschappelijk actief waren mochten ‘Consultative
Party’ worden (d.w.z. een soort Eerste Klas Partij)
bij het verdrag, wat er op neerkwam dat een
beperkt aantal landen het beheer van Antarctica
op zich nam, in het begin slechts 12. Het
Antarctica Verdrag kwam tot stand in 1959 en
werd van kracht op 23 juni 1961.3 Nederland ratificeerde in 1967 maar werd pas Consultative
Party in 1990. Het Verdragsgebied bestaat uit het
zuidelijk deel van de aarde vanaf 60 graden
Zuiderbreedte, met dien verstande dat het Recht
van de Vrije Zee niet wordt aangetast: kernwapenstaten kunnen dus met nucleaire bewapende
schepen door het gebied varen.
Verdrag van Tlatelolco.4 De eerste ‘echte’ kernwapenvrije zone (NWFZ) in een dichtbevolkt
gebied (met zo’n 500 miljoen inwoners) kwam
tot stand in Latijns-Amerika in de jaren zestig van
de vorige eeuw, min of meer in dezelfde periode
als het Non-Proliferatie Verdrag NPV. De stoot tot
deze inventieve non-proliferatie maatregel moet
gezocht worden in de buitengemeen gevaarlijke
Cuba-crisis van 1962, toen op de VS gerichte
Sovjet-raketten met kernwapens in Cuba werden
geplaatst. Nog tijdens de crisis lanceerde Brazilie
in de Algemene Vergadering van de VN (AVVN)
een eerste resolutie over het idee van een NWFZ
in Latijns-Amerika. Een belangrijke rol in de
jarenlange onderhandelingen werd verder vooral gespeeld door de Mexicaan Alfonso Garcia
Robles, die o.m. daarvoor de Nobelprijs voor de
Vrede kreeg in 1982.5
In dit “Verdrag tot Verbod van Kernwapens in
Latijns-Amerika en de Cariben” komen de meeste elementen voor die later in andere NWFZ’s
werden overgenomen, waaronder:
• Een totaal verbod op het plaatsen van kernwapens (NW) in het verdragsgebied ;
• Verificatie hiervan, in de praktijk vooral in de
vorm van controle op de gehele nucleaire splijtstofcyclus (‘safeguards’) door de Internationale
Organisatie voor Atoomenergie IAEA die iden-
9
tiek zijn aan de verplichtingen onder het NPV;
echter, er kunnen ook speciale inspecties worden gehouden als er aanwijzingen zijn dat een
lidstaat zich niet aan het verdrag houdt.
• Een lichte organisatie (zie www.opanal.org) om
toezicht te houden op de uitvoering van het
verdrag en regelmatig conferenties te organiseren (waaraan ook Nederland deelneemt);
• Een Protocol voor die landen die verantwoordelijk zijn voor delen van het Verdragsgebied
(zoals het Koninkrijk der Nederlanden voor zes
eilanden in het Caribisch gebied, en vroeger
ook Suriname) om zich aan de kernwapenvrije
zone te houden6;
• En, hoogst belangrijk, een tweede Protocol
bedoeld voor kernwapenstaten waarin zij zich
vastleggen de zone te zullen respecteren en
geen kernwapens te zullen gebruiken tegen de
landen in het verdragsgebied (de zogenaamde
negatieve nucleaire veiligheids garanties, zie
deel 5 van dit artikel). Alle vijf officiële kernwapenstaten (VS, Rusland, VK, Frankrijk, China)
hebben dit Protocol geratificeerd, overigens
met diverse interpretatieve verklaringen.
In het juridisch vrij ingewikkelde Verdrag van
Tlatelolco wordt het verdragsgebied uitgebreid
tot grote delen van de Atlantische en Stille
Oceaan als alle relevante landen partij zijn
geworden, dus ook van de Protocollen. Dat heeft
lang geduurd: op 23 oktober 2002, precies veertig jaar na de Cuba-crisis, ratificeerde Cuba als
laatste in de regio. De betekenis van dat grote
zeegebied onder het verdrag is gering omdat de
kernwapenstaten, zoals gezegd, zich beroepen
op het Recht van de Vrije Zee om met nucleair
bewapende schepen naar gelieve te kunnen
rondvaren.
Principes voor kernwapenvrije zones. Voor
en na de totstandkoming van het Verdrag van
Tlatelolco werden er nogal wat rijpe en groene
voorstellen gedaan voor zulke zones in andere
delen van de wereld, zoals het Rapacki plan voor
centraal Europa (duidelijk gericht tegen de
NAVO-strategie die onder 5 nog ter sprake
komt), het Arabische voorstel voor een NWFZ in
10
het Midden-Oosten (zie verderop) en het
Pakistaanse voorstel voor een NWFZ in Zuid-Azie
(tegen India). Teneinde het gekissebis hierover
een betere basis te geven, werd er een expertstudie gemaakt met – voorzover mogelijk - een
soort richtlijnen voor het opzetten van NWFZ’s, al
spraken de deelnemende experts elkaar soms
tegen.vii Initiatieven voor een zone dienden
vanuit de regio te worden genomen, waarbij alle
militair relevante landen in de regio akkoord
zouden moeten gaan. De kernwapenstaten dienden een goed opgezette NWFZ te respecteren en
zich te verplichten geen kernwapens te zullen
gebruiken tegen landen in de regio. Er diende
een goed verificatie-mechanisme te worden
opgezet. NWFZ’s werden als complementair aan
het NPV omschreven. (N.B. Onder het NPV kunnen kernwapens worden opgeslagen op het
grondgebied van niet-kernwapenstaten, in een
NWFZ is dit natuurlijk niet toegestaan.)
Verdrag van Rarotonga.8 Mede n.a.v. de Franse
kernwapentests in Frans Polynesie (tot 1996!)
nam Australië in 1983 het initiatief binnen het
South Pacific Forum (naast Australië en Nieuw
Zeeland bestaande uit een fors aantal eilandstaten en staatjes over een immens oppervlak van
de Stille Oceaan) om een South Pacific Nuclear
Free Zone te creëren, direct aansluitend aan het
verdragsgebied van Antarctica en Tlatelolco. De
NWFZ werd van kracht in 1986. Vergeleken met
de NWFZ in Latijns-Amerika kost het meer tijd –
twaalf maanden i.p.v. drie – om het verdrag op te
zeggen. Er is ook een derde Protocol dat nucleaire testexplosies in het gebied verbiedt. Het dumpen van radio-actief afval is in het gebied verboden. Van belang is dat de VS geen van de drie
Protocollen heeft geratificeerd (wel getekend),
de andere NWS – dus ook Frankrijk – wel.
Verdrag van Bangkok. De Association of
South-East Asian Nations ASEAN lanceerde al in
1971 het idee voor een NWFZ in haar gebied,
maar de zone kwam pas tot stand in 1995 en
werd van kracht in 1997. De zone omvat alle tien
huidige leden van ASEAN w.o. de Filippijnen,
Indonesië, Maleisie, Vietnam en Thailand, maar
ook Myanmar (Birma) enz., totaal met zo’n 500
VN Forum 2007 - 1
miljoen inwoners. De zone omvat expliciet ook
het continentale plat en de zgn. Exclusive
Economic Zone (dus 200 mijl uit de kust), en dat
o.m. in een Chinese Zee waar geen overeenstemming bestaat van wie bv. de Spratley eilanden
zijn. De kernwapenstaten hebben o.m. daarom
totnutoe geweigerd het enige protocol te tekenen en ratificeren: de zone heeft geen erkenning
en ‘bescherming’ van de kernwapenstaten.
Verdrag van Pelindaba.9 Al in 1964 sprak de
Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAU) zich
uit voor een kernwapenvrij Afrika. Maar pas
nadat Zuid-Afrika het kernwapen had opgegeven en toetrad tot het NPV in 1991 kwam er
schot in het ontwikkelen van een Afrikaanse
NWFZ. In 1995 was het verdrag gereed. In vele
opzichten lijkt het verdrag met Protocollen op de
al eerder gesloten NWFZ’s, maar er is vrij veel
vastgelegd over kernenergie. Zo mogen lidstaten
alléén nucleaire materialen exporteren naar nietkernwapenstaten die volledige IAEA safeguards
hebben aanvaard (zie 6 hieronder). De in de
regio bestaande kernwapenstructuur (Z-Afrika
maar ook Libië) moet volledig worden opgeruimd. Een belangrijk geografisch probleem is de
Britse Chacos Archipel met de grote Amerikaanse
basis Diego Garcia (met mogelijk kernwapens),
die volgens het verdrag binnen de zone ligt. Het
VK en de VS zijn het daar niet mee eens. Rusland
beschouwt de archipel niet als deel van de NWFZ
en geeft daaraan dus geen veiligheidsgaranties.
Kortom, Rusland, de VS en het VK hebben het
veiligheidsgarantie protocol niet geratificeerd.
Het grootste probleem is nu echter dat er onvoldoende Afrikaanse landen zijn die de moeite
hebben genomen het verdrag te ratificeren, al
hebben er 53 getekend. Voor inwerkingtreding
zijn 28 landen nodig, maar het zijn er pas 20, na
12 jaar!
Verdrag van Semipalatinsk10 Op 8 september
2006 kwam een NWFZ in Centraal Azie tot stand,
een interessante regio omringd door landen met
kernwapens (Rusland, China, India, Pakistan),
voor het eerst helemaal gelegen op het noorde-
VN Forum 2007 - 1
lijk halfrond, waarin vroeger kernwapens waren
opgesteld en met immense gebieden in
Kazakhstan die vroeger door de Sovjet-Unie werden gebruikt voor kernwapentests en die dus
gedeeltelijk gecontamineerd zijn, en met
Russische en Amerikaanse bases. In aanvulling op
de standaard clausules beloven de vijf landen
elkaar te helpen bij het opruimen van de radioactieve rommel en geen radioactief afval uit
andere landen te aanvaarden (waar Rusland dus
wel aan denkt). Nog iets scherper dan in het
Pelindaba verdrag: nucleaire materialen mogen
alléén worden geëxporteerd naar niet-kernwapenstaten die ‘IAEA full scope safeguards’ hebben aanvaard en ook het zgn. Additionele
Protocol (zie 6 hieronder).
De VS, het VK en Frankrijk hebben zich actief
tegen deze NWFZ verzet, zogenaamd vanwege
onduidelijkheden in de relatie met Rusland
onder vroegere akkoorden. Het is mij niet voldoende duidelijk waarom vooral de VS zo negatief is, terwijl het hier toch gaat om een interessant initiatief uit de regio, ook gericht tegen
nucleaire smokkel.xi
Andere activiteiten op dit terrein. Heel kort
noem ik nog de volgende zaken:
• Er is een heel oud en vaak herhaald voorstel
voor een NWFZ in het Midden-Oosten, er
natuurlijk op gericht het Israëlische kernwapen
weg te krijgen. Israel verzet zich hier niet principieel tegen maar wenst dat er eerst een goed
werkend lange termijn vredesverdrag is in het
gebied, helaas vermoedelijk St.Juttemis.
• Noord en Zuid Korea hebben in 1992 een
gemeenschappelijke verklaring afgelegd over
de denuclearisatie van het Koreaanse schiereiland, waar totnutoe niets van terecht is gekomen. Interessant is de afspraak dat er op het
schiereiland geen opwerkings- en verrijkingsfabrieken mogen worden gebouwd, gevoelige
technologie en installaties die gebruikt kunnen
worden voor vreedzame doeleinden maar ook
voor de produktie van bommaterialen.
• Mongolië heeft zichzelf als NWFZ uitgeroepen,
tikkeltje wonderlijk voor één land, al is het
11
groot. Interessant genoeg hebben de vijf officiële kernwapenstaten een veiligheidsgarantie
gegeven aan Mongolië!
Kernwapenstaten. In het Tlatelolco verdrag
wordt in het midden gelaten wie de kernwapenstaten zijn die, middels ratificatie van het betrokken Protocol, veiligheidsgaranties geven aan de
landen in de NWFZ. In alle volgende NWFZ worden die expliciet genoemde: de VS, het VK,
Rusland, Frankrijk, China, wat ook de vijf officiële kernwapenstaten zijn onder het NPV. Maar
wat nu met India, Pakistan, Israel enz: die zouden
toch eigenlijk ook veiligheidsgaranties moeten
geven? Maar dat zou officiële erkenning van hun
kernwapenstatus betekenen! Hier is men nog
niet uit.
5. Nucleaire veiligheidsgaranties
Positieve en negatieve garanties. Positieve
nucleaire garanties zijn bv. een belofte van een
kernwapenstaat om – eventueel met atoomwapens - een niet-kernwapenstaat NNWS te helpen
als die nucleair wordt bedreigd of aangevallen.
Vaak heeft men een bondgenootschap nodig om
zulke positieve garanties te kunnen krijgen, en
de meeste landen willen daar niet bij horen.xii
De al tientallen jaren durende discussie gaat dan
ook vooral om de zgn. negatieve nucleaire veiligheidsgaranties, d.w.z. een belofte van een kernwapenstaat aan een NNWS geen kernwapens
tegen dat land te zullen gebruiken. Het moet
dan natuurlijk wel zeker zijn dat de betrokken
staat echt een NNWS is, dus bv. partij bij het NPV
(onder IAEA-controle) en/of lid van een goed
opgezette kernwapenvrije zone (zie hierboven
onder 4). Het argument is natuurlijk dat, als je
afziet van kernwapens, je daarmee dan ook niet
mag worden aangevallen: beloning voor goed
gedrag. Dat is natuurlijk een belangrijk punt om
landen te stimuleren toe te treden tot het NPV
en/of NWFZ’s. En toch is de situatie met zulke
garanties nog steeds hoogst onbevredigend.
Unilaterale garanties In de loop der tijden hebben alle vijf officiële kernwapenstaten eenzijdig
12
negatieve garanties afgegeven. Van China is
die het meest helder: China zal nooit kernwapens gebruiken tegen NNWS. De VS, het VK en
Frankrijk hanteerden een ingewikkelder verhaal: als een land betrokken is bij een aanval
tezamen met een kernwapenstaat dan geldt de
garantie niet.13 Toentertijd een begrijpelijk verhaal: het Warschau-Pakt stond voor de deur
met een grote overmacht aan conventionele
wapens. Het gebruik van kernwapens, strategisch of taktisch, werd door de NAVO niet uitgesloten ter afschrikking, inclusief bv. op
Poolse tankconcentraties. De Sovjets hanteerden een formule waarbij kernwapens alleen
konden worden gebruikt tegen NNWS als die
kernwapens op hun grondgebied hadden (NL
c.s. dus). Interessant genoeg adopteerde
Rusland in de jaren negentig een formule die
overeen kwam met die van de westerse kernwapenstaten. Dus in plaats van dat de westerse
kernwapenstaten, na het verdwijnen van het
Oost-West conflict en de militaire confrontatie
in Europa, hun garanties aanscherpten verzwakte Rusland zijn garantie! Door de forse
vermindering van de conventionele troepen in
Rusland werd het belang van (taktische) kernwapens voor de Russische strijdkrachten dus
kennelijk versterkt.14
Een verdrag? Op aandringen van non-aligned
NNWS werden vele pogingen ondernomen om
negatieve garanties verdragsmatig vast te leggen. De, toch al betrekkelijk zwakke, unilaterale verklaringen hebben immers juridisch geen
betekenis maar zijn politiek van aard: elk
moment kunnen die veranderen. Maar vooral
de westerse kernwapenstaten hebben altijd
geweigerd een verdrag te maken over deze
materie: zij wilden hun handen vrijhouden.
Deze houding heeft het non-proliferatie beleid
niet geholpen en veel kwaad bloed gezet, zoals
ook wel gebleken is tijdens de vijf-jaarlijkse
Toetsingsconferenties van het NPV.
Maar het kan nog erger! Men kan zich
bovendien afvragen wat de huidige betekenis
is van de eerdere unilaterale verklaringen,
VN Forum 2007 - 1
althans voor de VS en Frankrijk. De in 2002 verschenen Nuclear Posture Review van de VS
houdt de mogelijkheid namelijk open kernwapens te gebruiken tegen landen die andere
massavernietigingswapens MDW (chemische,
biologische, radiologische wapens) inzetten.
Daarmee worden alle MDW op één hoop
gegooid, hoewel ze nauwelijks vergelijkbaar
zijn. Ook wordt niet uitgesloten dat kernwapens gebruikt kunnen worden tegen diepe
ondergrondse bunkers die niet met conventionele wapens zijn te vernietigen. (Ik krijg niet de
indruk dat voldoende is doordacht welke radioactieve puinhoop wordt achtergelaten bij zo’n
gebruik van kernwapens.) De Nuclear Posture
Review tezamen met de speech van Bush over
de As van het Kwaad (Irak, Iran, Noord-Korea)
heeft de indruk gegeven dat de VS zich nu van
alles kan veroorloven. Niet dat ik geloof dat de
VS kernwapens zal inzetten – er is een taboe op
dat gebruik sinds 1945, en ik wil de president
nog zien die dat echt durft te doorbreken –
maar het losse gepraat over mogelijk kernwapengebruik maakt het makkelijker argumenten te vinden waarom men zelf kernwapens
moet hebben ter afschrikking. In januari 2006
deed de franse president Chirac ook een duit in
het zakje. In een lang voorbereide speech suggereerde hij dat de franse kernmacht ook kan
worden ingezet tegen terroristische machtscentra. Commentaren spraken van de bom op
Kabul!
Kortom, naar mijn mening is de kwestie van
de veiligheidsgaranties, dus van de opties op
het mogelijk gebruik van kernwapens, een
belangrijke non-proliferatie kwestie. Is het
nou zo moeilijk om een niet-kernwapenstaat
die zich goed gedraagt en onder zware controlemaatregelen staat, verdragsmatig toe
te zeggen dat het niet met kernwapens zal
worden bestookt?
VN Forum 2007 - 1
6. Nucleair exportbeleid
Zangger-commissie. In het Non-Proliferatie
Verdrag NPV staat in artikel III, lid 2 dat elke partij bij het verdrag zich verplicht geen nucleaire
materialen en specifieke nucleaire uitrusting aan
niet-kernwapenstaten (NNWS) te leveren als
daarop geen ‘safeguards’ zoals vereist in dit artikel van toepassing zijn.15 Na het van kracht worden van het NPV in 1970 bleek dat er eigenlijk
nog niet goed was nagedacht wat deze tekst in
de praktijk betekende. De Zwitserse expert
Zangger wilde namens zijn regering graag
weten om welke nucleaire materialen en uitrusting het precies ging, zodat men e.e.a. in nationale regelgeving kon vastleggen. Onder zijn leiding werd in de zgn. Zangger-commissie door
een aantal industriële westerse (toekomstige)
partijen, w.o. Nederland, een fraaie lijst opgesteld van specifieke spullen die nodig zijn bij het
vreedzaam gebruik van kernenergie, zoals
(onderdelen) van reactoren, opwerkingsinstallaties enz.. Belangrijk is te constateren dat, als een
ontvangende NNWS aan de safeguards-verplichting voldeed, alles op de lijst geleverd mocht
worden, dus ook gevoelige technologie zoals
ultra-centrifuges voor uranium-verrijking, en in
principe ook aan niet-partijen bij het NPV. Let
wel: vele landen waren rond 1974 nog geen partij (Japan, Australië, Argentinie, Brazilie enz.). De
Sovjet-Unie werd achter de schermen op de
hoogte gehouden van de Zangger-ontwikkelingen om te ontmoedigen dat dit land andere
export-regels zou gebruiken. Een groter probleem was Frankrijk, een belangrijke exporteur
die toentertijd absoluut geen boodschap had
aan het NPV, ja daar principieel tegen was.
Nuclear Suppliers Group NSG. In 1974 barste
de eerste Indiase kernbom waarbij gebruik was
gemaakt van een door Canada voor vreedzame
doeleinden geleverde reactor. (India noemde de
plof dan ook een vreedzame kernexplosie!). De
gedachte brak door dat het export-beleid moest
worden aangescherpt. Terwijl Zangger gekoppeld was aan het NPV, werd een ietwat andere
groep opgericht, de NSG. Frankrijk deed daar wel
13
aan mee. Veel van het werk van de Zangger-commissie werd nog eens dunnetjes overgedaan,
maar veel belangrijker was dat de NSG-landen
elkaar beloofden zich ‘in te houden’ (restrain) bij
de export van gevoelige technologieën zoals uranium verrijking en plutonium-opwerking. In de
praktijk is dit een keiharde belofte gebleken,
want er is zeer weinig op dit terrein formeel
geëxporteerd naar niet-kernwapenstaten, al of
niet partij bij het NPV. Men kan argumenteren
dat de NSG zich met deze restraint niet houdt
aan de letter van het NPV (NNWS, partij bij het
NPV, kunnen immers niet alle technologie voor
vreedzame doeleinden krijgen) maar wel aan de
geest: geen assistentie verlenen aan (mogelijke)
kernwapenprogramma’s.
Welke safeguards? Een andere vraag is: welke
‘safeguards’ worden nu eigenlijk bedoeld die
men bij export moet eisen. Nu wordt het, vrees
ik, wat gecompliceerd. Voordat het NPV bestond
hanteerde de IAEA een controlesysteem gericht
op de door een land geleverde materialen en uitrusting. Als het ontvangende land eigen nucleaire activiteiten had dan hoefden die niet onder
safeguards te vallen. Toen het NPV kwam, werd
een nieuw ‘full scope safeguards’ (FSS) systeem
ontwikkeld waarbij werd gecontroleerd of er uit
de totale nucleaire materialen-stroom – die de
NNWS’s moesten declareren aan de IAEA – niet
stilletjes materialen voor kernwapens werden
ontvreemd. Zodra men uit het NPV stapt vervalt
de FSS-verplichting (in tegenstelling tot de oude
safeguards die in principe altijd blijven bestaan).
Als men artikel III, lid 2 leest (zie voetnoot ..) dan
wordt daar gesproken over de safeguards ‘vereist in dit artikel’ die men bij export moet eisen.
Men kan dus argumenteren dat voortaan het
ontvangende land FFS moet aanvaarden anders
krijgt hij de spullen van NPV partijen niet. Maar
zo werd het door Zangger en de NSG in de jaren
zeventig niet geïnterpreteerd: veel landen waren
nog geen partij bij het NPV en zo’n eis zou de
nucleaire handel van NPV-exporteurs schaden
ten opzichte van exporteurs die niet aan die
regel gebonden waren. Pas in de decennia daar-
14
na, toen praktisch ieder land NPV-partij was
geworden, veranderde de NSG haar politiek:
voortaan moesten FSS door importeurs worden
toegepast. In de praktijk was dat natuurlijk geen
probleem, want al die importerende NNWS’s
hadden onder het NPV al een FSS-overeenkomst
met de IAEA moeten afsluiten. Soort vrijhandel
tussen de NPV-partijen dus (met de eerdergenoemde restraints).16
Spagaat India. Met India mocht geen nucleaire
handel gedreven worden (en natuurlijk ook niet
met Pakistan en Israel) want die hebben geen
FSS. India beschouwt zichzelf als een (soort) kernwapenstaat, maar volgens het NPV is het een
niet-kernwapenstaat (er zijn binnen het NPV
maar vijf officiële kernwapenstaten). India zegt
hieraan geen boodschap te hebben: het land is
geen partij en is altijd tegen het NPV geweest.
India heeft een grote eigen nucleaire industrie,
maar heeft een gebrek aan de grondstof uranium. India wil dus graag importeren. Rusland
kwam hieraan al enigszins tegemoet, tot groot
ongenoegen binnen de NSG want dit was tegen
de regels. Inmiddels heeft de VS een belangrijk
akkoord gesloten met India over nucleaire
samenwerking, dat er o.m. op neerkomt dat
India voor sommige reactoren en nucleaire activiteiten safeguards aanvaardt, maar voor andere –
en met name die plutonium voor het kernwapen
kunnen produceren – niet. Voor de VS vormt
o.m. dit akkoord een erkenning van India als
grootmacht, en eigenlijk als kernwapenstaat.
Het Amerikaanse Congres moet zich overigens
nog uitspreken over het akkoord en vervolgens
moet de NSG nog instemmen. Dat kan alléén met
het wijzigen van de regels zoals die totnutoe zijn
afgesproken.
De NSG kan zijn regels wijzigen: het is geen verdrag en het heeft eerder aanpassingen gedaan.
Maar om terug te komen op het onder 4
genoemde Verdrag van Pelindaba c.q. dat van
Semipalatinsk: de landen in die regio’s hebben
zich verdragsmatig gebonden niet te leveren
zonder FSS. Ben benieuwd of ze dat volhouden
als andere uranium-leveranciers mooie deals
VN Forum 2007 - 1
kunnen sluiten met India!
1 Deel I verscheen in VN Forum 2006-4
2 Ir A.J.Meerburg is lid van de redactie. Hij was bij
Buitenlandse Zaken betrokken bij het non-proliferatie
beleid.
3 Inmiddels is de reikwijdte van het Verdrag aanzienlijk uitgebreid met allerlei regels over milieubescherming, exploitatie van grondstoffen (nee dus), toerisme enz. 46 landen
zijn totnutoe toegetreden tot het Verdrag (waarvan 28
Consultative Parties). Pogingen om het gebied in VNbeheer te geven werden actief gesaboteerd door de meeste Eerste Klas partijen: het liep immers prima, dus waarom
het anders doen. Er is nu ook een permanent secretariaat
in Buenos Aires o.l.v. de Nederlander Jan Huber.
4 Een voorstad van Mexico City
5 Deze Latino hoorde zichzelf graag spreken toen hij later
ontwapeningsambassadeur in Genève was. In zijn langdurige verhalen zat soms een ‘quote’ van hemzelf uit een
eerdere speech. Ik heb het een keer meegemaakt dat in
zo’n quote een quote van hemzelf voorkwam.
6 Ko Colijn merkte recent op dat door de nieuwe structuur
van het Koninkrijk met drie gemeentes in het Caraibisch
gebied we nu dus drie kernwapenvrije gemeentes hebben,
iets wat vroeger door de regering tijdens de vele demonstraties tegen de kruisraketten verboden werd.
7 De studie werd in 1975 uitgebracht in doc. A/10027/Ad.1
en afgezegend in resolutie 3472B (XXX) van de Algemene
Vergadering van de VN.
8 Eén van de Cook eilanden, niet ver van Frans Polynesie
waar Frankrijk kernwapentests hield.
9 De plaats waar de belangrijkste kernwapenactiviteiten
van Zuid-Afrika plaatsvonden.
10 Ligt niet ver van het kernwapen-testgebied in
Kazakhstan van de vroegere Sovjet-Unie, hoewel de huidige spookstad Kurchatov veel dichter bij ligt: maar die stad
heeft formeel nooit bestaan!
11 De vrij ingewikkelde problematiek wordt helder uiteengezet in www.cns.miis.edu/pubs/weck/060905.htm.
12 Het maximale wat in dit verband, na langdurige onderhandelingen, bereikt werd is Veiligheidsresolutie 984
(1995).
13 Als voorbeeld de Amerikaanse garantie van 17 juni
1978: ‘The US will not use nuclear weapons against nonnuclear-weapon States Party to the NPT or any comparable internationally binding commitment not to acquire
nuclear explosive devices, except in the case of an attack
on the United States, its territories or its armed forces, or
its allies, by such a State allied to a nuclear-weapon State
or associated with a nuclear-weapon State in carrying out
or sustaining attack.’
14 In zijn algemeenheid is weinig bekend over de grote
aantallen taktische kernwapens van Rusland, in tegenstelling tot de strategische wapens.
15 De letterlijke tekst luidt: ‘Each State Party to the Treaty
undertakes not to provide: (a) source or special fissionable
material, or (b) equipment or material especially designed
or prepared for the processing, use or production of special fissionable material, to any non-nuclear-weapon State
for peaceful purposes, unless the source or special fissionable material shall be subject to the safeguards required by
this Article.’
16 Om het niet te gecompliceerd te maken laat ik de verdere ontwikkeling van safeguards in de vorm van het zeer
belangrijke Additioneel Protocol en van Integrated
Safeguards hier weg omdat dit op het nucleair exportbeleid maar beperkte invloed heeft.
VN Forum 2007 - 1
15
De visie van New York Times-journalist James Traub
Roem en blaam voor Kofi Annan
De persoon van Kofi Annan
Toen Secretaris-Generaal Kofi Annan kort
voordat hij zijn ambt zou neerleggen
gevraagd werd welke eigenschappen de toekomstige Secretaris-Generaal zou moeten
hebben, zei hij op een van zijn laatste persconferenties dat zijn opvolger een ‘dikke huid’
zou moeten hebben en het over het vermogen
zou moeten beschikken om veel te lachen ook
van binnen en over zichzelf. Maar zijn biograaf James Traub constateert dat Annan zelf
niet over zo’n dikke huid beschikt hoewel daar
zelf anders over denkt. Ook had hij niets wat
maar enigszins leek op zelfspot dat hem zou
hebben kunnen laten lachen over degenen die
hem op de huid zaten. Hij was niet in staat
eenzame gevechten aan te gaan. Annan was
een man die mensen eindeloos een hart onder
de riem kon steken, waaraan hijzelf ook vaak
behoefte had gehad maar de anderen waren
er niet op de momenten dat hijzelf dat het
meest nodig had. Annan was geen verbitterd
man die zijn wonden bleef likken. Hij voelde
zich wel slecht behandeld – niet zozeer omdat
hij niet voldoende geprezen was voor zijn
prestaties (hij had uiteindelijk de Nobel Prijs
voor de Vrede gewonnen), maar omdat hij
meende op unfaire wijze geblameerd te zijn
voor dingen die hij niet zelf had gedaan. Dat
gevoel van het slachtoffer te zijn dreef een
donkere wolk over wat eens een sereen landschap was geweest.
Traub voerde met Annan talrijke gesprekken
en heeft als geen ander het recht om een oordeel te hebben over de man die hij sinds het
begin van diens carrière heeft gevolgd, hoewel hij pas in 2003 de medewerking van de
Secretaris-Generaal kreeg voor het schrijven
van dit boek over de Verenigde Naties en het
functioneren van Secretaris-Generaal daarbinnen. Vanaf die tijd sprak hij Annan en vele van
de mensen die hem omringden regelmatig en
kreeg hij de gelegenheid allerlei belangrijke
vergaderingen bij te wonen en reizen mee te
maken. Het moest geen biografie worden
maar een boek dat handelde over de tijd na
de Golfoorlog van begin jaren negentig toen
aan de langjarige verlamming van de
Organisatie in de Koude Oorlog een einde
scheen gekomen te zijn. In die tijd speelde
Annan eerst als hoofd vredesoperaties en later
als Secretaris-Generaal een centrale rol, en
Traub volgde het allemaal op de voet onder
meer door overal heen te reizen waar Annan
heen ging. In 2006 was het werk voltooid en
verscheen het boek onder de titel ‘The best
Intentions; Kofi Annan and the UN in the Era
of American World Power’. James Traub is een
redacteur van The New York Times Magazine,
waarin hij schrijft over internationale zaken,
de buitenlandse politiek van de Verenigde
Staten, en nationale politieke aangelegenheden. Toen hij zijn werk daar begon in 1998
maakte hij voor eerst kennis met de activiteiten van Annan die in dat jaar naar Bagdad
reisde in een poging om de Irakese dictator
Saddam Hoessein over te halen in te stemmen
met de voortzetting van de wapeninspecties
van de Verenigde Naties om zo het uitbreken
van een oorlog te voorkomen. De overeenkomst die Annan wist te bereiken bleef tien
maanden in stand toen het geweld alsnog losbarstte en Amerikaanse en Britse bommenwerpers doelen in Irak aanvielen.
Traubs boek is dus eerder een verhaal over de
context waarbinnen Annan zijn werk moest
doen dan een echte biografie. Maar wie in
16
Annan (en de Verenigde Naties ) geïnteresseerd is doet er goed aan van het werk kennis
te nemen, want het geeft een voortreffelijk
beeld van het reilen en zeilen, van het wel en
het wee van de man die de onmogelijkste
functie ter wereld heeft bekleed te midden
van een wereld van mensen die om allerlei
redenen dikwijls weinig ophadden met de
Verenigde Naties en zeker niet zaten te wachten op een voortvarende man op Secretariaat
die hen voortdurend bij de les trachtte te houden. Iedereen is altijd geneigd om de kwaliteiten van een secretaris-generaal af te meten
aan de persoon van Dag Hammerskjöld, die
het ambt van Secretaris-Generaal vervulde van
1953 tot 1961 toen hij op een van zijn missies
in Afrika onder verdachte omstandigheden
omkwam bij een vliegtuigongeluk. Die vergelijking is moeilijk, schrijft Traub want
Hammerskjöld rekte het ambt zoveel mogelijk
op en zijn intelligentie stond er borg voor dat
dat op doeltreffende wijze gebeurde ook. De
Veiligheidsraad maakte daarna niet meer
dezelfde fout om iemand van zijn kaliber aan
te stellen dus werd het daarna moeilijk
iemand te vinden die Hammerskjöld kon evenaren.
Kofi Annan was de eerste die bij zijn benoeming dezelfde achting genoot als zijn grote
voorganger en Traub was geneigd in die verering voor de man uit Ghana te delen.
Gaandeweg komt er een genuanceerder beeld
naar voren. “In ons laatste gesprek vroeg ik
hem [Annan] of hij een minder hoopvol mens
was dan toen hij begon”, schrijft Traub. Er
kwam een hoop retoriek los waarin hij zijn
geloof in de menselijke natuur stelde tegenover zijn erkenning van de onmenselijkheid
waarmee mensen elkaar bejegenen. Toen herinnerde Traub hem aan het gevoel in de steek
gelaten te zijn in de tijd van het Olie-voorvoedsel-schandaal dat Annan achtervolgd
had, en geen enkele diplomaat of minister van
buitenlandse zaken of staatshoofden die altijd
vol lof over hem waren geweest, aan zijn zijde
bleek te staan. Hij zei nu recht uit zijn hart:
VN Forum 2007 - 1
“Dit is waar de positie van de secretaris-generaal erg eenzaam is. Het schandaal vond in
feite plaats in de hoofdsteden en bij de ondernemingen die zij promoten. Een of twee mensen zeiden dat ze de verantwoordelijkheid
niet op de secretaris-generaal zouden moeten
afschuiven. Maar je hoorde nooit iets van hen.
En dit waren dezelfde jongens die het kantoor
van Benson platliepen (een van de VN-mensen
die volgens het Volcker-rapport nauw betrokken was bij het schandaal) om de contracten
binnen te halen. Die zeggen nu dat ze het niet
wisten en dat het de incompetente, onbetrouwbare, frauduleuze VN-organisatie, het
Secretariaat, de Secretaris-Generaal waren,
terwijl zij al het werk hadden gedaan.....” Een
van de weinige keren dat Annan zo uit zijn
slof schoot. Hij was altijd veeleer geneigd zwijgend de dingen over zich heen te laten gaan
en zich terug te trekken uit het strijdperk als
het vuur hem te na aan de schenen werd
gelegd. Hij was een optimist van nature, zoals
hij zelf zegt en maakte zijn zin daarom ook nu
niet af. Er zijn zekere pijnlijke waarheden die
je niet kon overwegen en aan het einde van
de dag niet kon erkennen, als je aan je optimisme wil blijven vasthouden in een wereld
die daar zo weinig reden toe geeft, concludeert Traub.
Mensen hebben het vaak over Annan’s charisma, maar van dicht bij lijkt dat helemaal niet
het juiste woord, zegt Traub. Annan was knap,
beminnelijk en buitengewoon beleefd. Hij
was eerlijk en meer dan dat. Hij was een mens
met hoge morele standaard. Maar de uitstraling die hij had was te mild en te wispelturig
om hem als charismatisch te kwalificeren. Ook
de term charmant vindt Traub misleidend
omdat die een zekere souplesse veronderstelt.
Annan was kennelijk weinig op zijn gemak in
kringen waar de meeste diplomaten zich
geheel thuis voelen. De Kerstfeesten met zijn
staf waren beroemd om hun vormelijkheid.
Iedereen was, met inbegrip van Annan zelf,
blij als ze weer naar huis mochten. Soms
trachtte hij wat losser om te gaan bijvoorbeeld
VN Forum 2007 - 1
met de verslaggevers die hem omringden,
maar hij kwam ook in zo’n geval niet verder
dat formele platitudes. Annans grote gave
was in wezen zijn temperament. Een van zijn
naaste medewerkers, die als zoveel anderen
jarenlang in zijn nabijheid hadden verkeerd,
Iqbal Riza, zei dat hij geweldig bekwaam was
in het maken van persoonlijke contacten.Hoe
zou je Kofi Annan niet mogen? Wie je ook
was, hij scheen altijd meer geïnteresseerd in
jou dan in zichzelf. Hij had hoegenaamd geen
waarneembaar ego. Hij was ongekunsteld,
open, eerlijk en vriendelijk en zocht in iedereen het goede. Toegegeven, zegt Traub, deze
zonnige ontvankelijkheid was allemaal tamelijk vrijblijvend en weinig discriminerend.
Maar het was in ieder geval veel effectiever
dan de majesteitelijke neerbuigendheid van
zijn voorganger Boutros Boutros-Ghali, vooral
als je bijvoorbeeld probeert het Amerikaanse
Congres op je hand te krijgen. En omdat
Annans toewijding aan zijn principes zo
oprecht was en zo onzelfzuchtig, wilden mensen hem helpen te slagen om zijn geloof in
hen en de wereld te bevestigen.
Aangeslagen
Annan voelde de dingen goed aan, placht zijn
persoonlijke
medewerkster
Elisabeth
Lindenmayer te zeggen. Hij had een gevoel
voor timing en of de dingen al rijp waren of
nog niet om er iets mee te doen. Als hij een
advies negeerde bleek hij achteraf vaak gelijk
te hebben gehad. Hij was beroemd om zijn
onuitputtelijke geduld en het kalm verdragen
van moeilijke omstandigheden. Shashi
Tharoor, alweer een van zijn jarenlange
belangrijke medewerkers, beschreef hem als
een ‘yogi’. Traub twijfelt er aan of Annan echt
zo sereen was als rondgebazuind werd. Hij
was tenslotte geheel ontredderd door de
gebeurtenissen die in 2003 plaatsvonden, de
Amerikaans-Britse aanval op Irak, en vooral de
dood van een trouwe medewerker en vriend,
Siergo Vieira de Mello, die bij een bomaanslag
in Bagdad op het VN-hoofdkwartier om het
17
leven kwam en die tegen zijn zin daar heen
was gegaan op aandrang van Annan om de
leiding van de VN-missie UNAMI voor vier
maanden op zich te nemen. Toen had Annan
te veel haast gemaakt om de Amerikanen ter
wille te zijn met een vorm van deelname aan
het Amerikaanse avontuur, naar het scheen.
Iedereen op het hoofdkwartier in New York
was woedend en Annan hield zich dagen lang
schuil. ‘Ik moet mijn gevoelens in bedwang
houden’, had Annan bij die gelegenheid
gezegd en niet iedereen kon daar begrip voor
opbrengen. Onderzoek wees uit dat er te weinig aandacht was geweest voor de veiligheid
van de VN-medewerkers in Irak.
Toch beschikte Annan over een kern van zelfvertrouwen, misschien omdat hij ervaren had
dat hij kon vertrouwen op zijn innerlijke kompas. Annans woordvoerder Fred Eckhard herinnerde zich dat hij de vrees kon ruiken toen
hij Annans bureau binnentrad kort na diens
benoeming. “Hij voelde dat hij totaal onvoorbereid was op het werk, een job waar hij niet
naar gesolliciteerd had, en hij wist gewoon
niet waar te beginnen.” Toch was alles wat hij
deed juist. Annan realiseerde zich al snel dat
hij kon vertrouwen op zijn instincten. Zijn
emoties hield hij voor zichzelf. Alleen de intimi konden waarnemen wat er in Annan
omging. Maar ook zij konden niet zeggen of
er in zijn diepste innerlijk een stille bron van
wijsheid, van politieke onvrede of geamuseerdheid schuil ging. Kieran Prendergast, het
hoofd van het Departement voor politieke
zaken, alweer een van de oudgedienden die
Annan later allemaal zou moeten opofferen
voor de Amerikaanse hervormingsdrift, vergeleek hem eens met de Amerikaanse president
Ronald Reagan: “Hij is vriendelijk en hartelijk
voor iedereen maar hij heeft niet veel goede
vrienden, en daarom kent hij zelf als enige zijn
diepste gedachten”.
Het meest tragische is ongetwijfeld dat hij in
een tijd leefde waarin de Verenigde Staten in
elk opzicht volstrekt de dienst uitmaakten.
18
Aan zijn verhouding met de Amerikanen
besteed Traub veel aandacht zoals ook uit de
titel van zijn boek blijkt. Na allerlei functies bij
VN-instellingen elders in de wereld trad
Annan in de jaren negentig aan als OnderSecretaris-Generaal
voor
Peacekeeping
Operations. Zijn ondergeschikten hadden
aanvankelijk niet veel vertrouwen in hem daar
hij de ervaring miste van zijn voorganger en
werd beschouwd als een pure technocraat.
Maar al snel bleek dat er veel kwaliteiten
schuil gingen in deze man uit Ghana. Iqbal
Riza, die Annan al kende sinds de jaren zeventig, werd in 1993 Annans plaatsvervanger op
DPKO (Departement for Peace Keeping
Operations) en was al snel overtuigd van
Annans buitengewone bekwaamheden en
kwaliteiten. Hij had politiek inzicht, had een
visie op de toekomst en zag mogelijkheden
waar een ander ze niet zag.
Toch zou Annan juist in die functie al snel
tegen een enorme catastrofe aanlopen waaraan hij niet kon ontkomen: de genocide in
Rwanda in 1994, waar de VN-vredesbewaarders snel terug getrokken werden toen een
aantal Belgische blauwhelmen door de Hutu’s
was vermoord. Ook kon Annan niets doen met
de dringende waarschuwingen die de VNcommandant ter plaatse, generaal Roméo
Dallaire, had laten horen voor de op handen
zijnde slachtpartij. Zoals hij later vaker zou
doen, verweet Annan de Westerse Lidstaten
hem de middelen onthouden te hebben om
tijdig in te grijpen. Dezen bleken echter toen
evenmin als later bereid hun landgenoten
bloot te stellen aan de gevaren die het opstandige Afrika kenmerkten, een obstakel waar de
Verenigde Naties bij de nieuwe genocide in
Darfur nog steeds tegen aanlopen. Men had
meer aandacht voor het strijdgewoel in
Joegoslavië, wat de toenmalige SecretarisGeneraal Boutros-Ghali hen ook bij herhaling
voor de voeten gooide. Annan adviseerde op
gezag van Riza voorlopig niets te doen zonder
dat er eerst duidelijke richtlijnen door het
Hoofdkwartier (lees: de Veiligheidsraad) gege-
VN Forum 2007 - 1
ven zouden zijn, want gewapend optreden
zou immers in strijd zijn met het mandaat van
de Veiligheidsraad. Men was nog niet toe aan
het gewapende ingrijpen door VN-militairen
waarvoor Boutros-Ghali gepleit had in zijn
Agenda for Peace. De bloedige gebeurtenissen in Somalië die kort daarvoor onder meer
het leven hadden gekost aan een aantal
Amerikaanse militairen - en nog veel meer
Pakistaanse - stonden nog te vers in het
geheugen. Annan gaf later toe dat hij het
meer aan de grote klok moeten hangen, maar
“at that time this Organization was mediashy”. En dat was het dan, schrijft Traub.
Annan dé man van Washington
Traub besteed ook enige aandacht aan
Annans voorganger, de christelijke Egyptenaar
Boutros Boutros-Ghali. Deze was volgens de
schrijver een van de meest gekwalificeerde en
meest getalenteerde mannen die ooit tot
Secretaris-Generaal is benoemd. Maar verder
was hij in alles het tegendeel met Annan.
Boutros was neerbuigend en arrogant, zij het
net zo gesloten als Kofi Annan. Hij wilde niet
meedoen aan alle hervormingen die vooral de
Amerikanen voorstonden, zette zich af tegen
de Westerse invloed op de VN, had het over
hun koloniale politiek en was tegen de het
bombarderen van Joegoslavië zoals de NATO
wilde. De hele burgeroorlog daar vond hij
niets in vergelijking met wat er tegelijkertijd
in Afrika en het Midden-Oosten gaande was.
Toen hij voor een tweede ambtstermijn
benoemd moest worden als SecretarisGeneraal, staken de Amerikanen daar een
stokje voor. Het was voor het eerst dat iemand
in die functie niet de kans kreeg een tweede
termijn te vervullen. Kofi Annan, de man die
carrière had gemaakt binnen de VN, was hun
man. Bovendien konden de Afrikanen, die
met Boutros de eerste Secretaris-Generaal
afkomstig uit dit continent verloren hadden,
zo tevreden gesteld worden. De Fransen lagen
aanvankelijk dwars. Zij zagen in Annan een
puppet van de Amerikanen en ook Boutros
VN Forum 2007 - 1
noemde Annan zo bij zijn afscheid in de
Algemene Vergadering.
De Amerikanen zagen in Annan een man die
bereid was eindelijk de zolang gewenste hervormingen door te voeren. Robert Orr, destijds
een junior-ambtenaar bij de Amerikaanse
National Security Council werkte en in een
team zat dat de opdracht had een manier te
vinden om Boutros-Ghali weg te werken, zei
dat Kofi Annan dé man was om hem op te volgen omdat hij bewezen had met het
Amerikaanse leger om te kunnen gaan en
omdat hij begreep dat dat niet de vijand was.
Annan was bereid goed zijn oor te luisteren te
leggen in Washington wat men in de Derde
Wereld overigens met wantrouwen bekeek.
Zoals iedere VN-burocraat was Annan tot dan
toe buiten het Hoofdkwartier van de
Verenigde Naties in New –York een volstrekt
anonieme figuur geweest, schrijft Traub. Nu
was het tijd dat hij zijn gedachten liet gaan
over de rol die de Verenigde Naties in de toekomst had te spelen. Onder Boutros was die
rol op de achtergrond geraakt. Hij begreep
dat de enige manier om zijn boodschap naar
buiten te brengen in deze wereld met allerlei
dikwijls nieuwe media was deze te personifieëren. Zijn oude vriend James Goodale organiseerde parties ter zijner ere waar hij en zijn
Zweedse vrouw Nane de Newyorkse elite en
speciaal de media-elite konden ontmoeten.
Dezen waren onmiddellijk voor hem gewonnen. Tot nu toe ging Annan meestal informeel
gekleed, maar op advies van Iqbal Riza ging
hij zich nu kleden als een ware SecretarisGeneraal en daarin was hij zo succesvol dat hij
al snel op de lijst van bestgeklede mannen
terecht kwam.
Op de burelen van de Verenigde Naties was
men minder gelukkig met deze metamorfose.
Elizabeth Lindenmayer zei: “Wij zijn een organisatie van de armen en de nederigen.” En
daar paste een dergelijke uiterlijk vertoon
kennelijk niet bij. Toch ging Annan niet op in
zijn nieuwe sociale omgeving, stelt Traub vast.
19
Zijn groeiende reputatie als bron van moreel
gezag en zelfs als een soort ‘wereldlijke paus’
maakte hem immuun voor beschuldigingen
van elitarisme en zeker van frivoliteit. Hij
vormde een heel nieuw verschijnsel in de
geschiedenis van de VN, een woordvoerder
van de mensheid die er goed uitzag in een
rokkostuum.
Traub had zijn eerste ontmoeting met Kofi
Annan op 13 februari 1998. Hij had toen net
van de Veiligheidsraad toestemming gekregen
om naar Bagdad af te reizen om Saddam over
te halen tot een meer constructieve houding.
Traub was meteen onder de indruk maar ontdekte wel dat hij tamelijk onverstaanbaar was.
Zijn zachte stem was niet goed vast te leggen
op de taperecorder die Traub bij zich had.
Maar het was wel ontwapenend zoals hij
sprak en je tegemoet trad. De SecretarisGeneraal wekte niet het vertrouwen dat hij
monsters kon verslaan maar wel dat hij mensen wilde beschermen tegen deze monsters.
Zijn missie naar Bagdad leek even succes te
hebben maar Saddam hield zich natuurlijk
niet aan de afspraken en de Amerikanen en
Britten waren tegelijkertijd bezig hun troepenmacht in de Golf op te voeren. Zij hadden
niet zoveel in Annans missie gezien maar konden er nu naar hun idee op wijzen dat zij er
alles aan gedaan hadden om de vrede te
bewaren. De bombardementen om Saddam
op andere gedachten te brengen gingen na
enige tijd toch van start al was het succes daarvan ver te zoeken.
Annans eerste gang na zijn ambtsaanvaarding
was naar Washington want hij begreep dat de
Amerikanen een cruciale rol spelen in het
voortbestaan van de Volkerenorganisatie die
ze zelf hadden helpen oprichten. Annan
kwam al snel met een hervormingsplan (opgesteld door Maurice Strong) dat sterk leek op
wat hij in 2006 produceerde, maar de tijd was
daar nog steeds niet rijp voor. De meeste lidstaten verzetten zich tegen de hang naar
effectiviteit en depolitisering van de besluit-
20
vorming. Andere hervormingenplannen
waren daar in het verleden ook op stuk gelopen. De Secretaris-Generaal bekleedt een
moeilijke positie ook wat dat aangaat. Veel
van wat er in de Verenigde Naties omgaat,
gaat aan het Secretariaat voorbij. Alle suborganisaties vormen werelden apart met hun
eigen dynamiek en problemen. Annan was de
eerste die er een gewoonte van maakte te vergaderen met de diverse hoofden van VN-organisaties en dat boezemde in Amerika meteen
vertrouwen in. De Secretaris-Generaal is niet
zozeer
hun
baas
als
wel
de
Hoofdadministrateur van de organisatie en
had in het verleden doorgaans weinig invloed
op het reilen en zeilen van organisaties als de
ILO, de UNESCO, de WHO, het IMF, de
Wereldbank etc. gehad. Annan stond nu dus
voor de onmogelijke taak grip te krijgen op
het geheel, waarop het Amerikaanse Congres
hamerde. VN-medewerkers en de Derde
Wereld zagen deze ontwikkelingen met lede
ogen aan.
Annan en het bedrijfsleven
Traub schrijft niet zoveel over de andere wens
die de Amerikanen ongetwijfeld na aan het
hart lag, namelijk de verbetering van de verhouding tussen de Volkerenorganisatie en het
bedrijfsleven. Maar dat zal hem zeker in
Washington zijn voorgehouden. Wel schrijft
Traub dat Annan in Ghana zijn bekomst had
gekregen van alles wat op een socialistisch
geordende maatschappij à la Kwame
Nkrouma leek, die het land volgens hem
alleen maar op achterstand had gezet in vergelijking met zijn buren, waar het kapitalisme
welig tierde.
Het zal geen toeval geweest zijn dat Annan de
eerste Secretaris-Generaal was die het World
Economic Forum in Davos ging toespreken, de
verzamelplaats van de captains of industry die
daar jaarlijks bijeenkomen. Waar hij op uit
was, was deze ondernemers te bewegen tot
een overeenkomst waarbij de rechten van de
VN Forum 2007 - 1
mensen, die het niet voor het zeggen hebben
in deze wereld, beter tot uitdrukking komen.
Wat volgens Annan nodig was, is, zoals hij in
zijn Millenniumspeech in december 1999 nog
eens verwoorde, een besef van verantwoordelijkheid voor de problemen van de wereld,
problemen als overbevolking, ongelijkheid,
armoede, milieuvervuiling, mensenrechten en
individuele veiligheid. De organisaties die
behoren bij de Verenigde Naties hebben het
nodige op die terreinen gedaan maar in het
verleden werd er door ondernemers altijd erg
wantrouwend tegen de Verenigde Naties aangekeken omdat men daarin een soort samenzwering zag van de have-nots tegen de haves
met een verdacht streven naar gelijkheid en
nivellering en, waar dat mogelijk was, naar
een vorm van socialisme. Annan nam op zich
dat bedrijfsleven te verzoenen met de
Verenigde Naties en in ruil voor een modernisering van het VN-apparaat welwillendheid te
ontlokken voor een betere wereld.
1998 was het eerste jaar waarin Annan zich
tot het Forum richtte. De belabberde financiële situatie van de Verenigde Naties zal daar
ook een rol bij gespeeld hebben en deze kon
naar Annans mening alleen verbeterd worden
als hij de steun van het bedrijfsleven kon verwerven. Het eerste wat hem te doen stond,
dacht hij, was de schade te herstellen die het
streven binnen de Verenigde Naties naar de
bindende gedragscode voor multinationals –
een stokpaardje van de ontwikkelingslanden
uit de jaren zeventig - had aangebracht en
waarover jarenlang was onderhandeld. Dat
behoorde nu voorgoed tot het verleden, kon
hij zijn toehoorders verzekeren. [Het was trouwens Boutros-Ghali die de VN-commissie die
daarover onderhandelde had opgeheven.]
Global Contract
Annans Amerikaanse adviseur en link met
Washington, John Ruggie, kreeg de opdracht
een plan uit te werken om de relatie tussen de
Verenigde Naties en het bedrijfsleven te her-
VN Forum 2007 - 1
stellen. Bij de volgende bijeenkomst in Davos
lag het plan op tafel. Ruggie en zijn staf kwamen op het idee om het bedrijfsleven een stel
gedragsprincipes voor te stellen waartoe men
bereid was zich te verplichten. In Davos riep
Annan zijn toehoorders op tot een global
compact van gemeenschappelijke waarden en
principes te komen dat de globaliserende
markt een menselijk gezicht kon geven. Hij
vroeg de captains of industry zich te committeren - op vrijwillige basis uiteraard vergeet
Traub er niet bij te zeggen - aan een standaardgedrag op het gebied van mensenrechten, arbeid en milieu. Het waren juist op drie
terreinen, legde Annan zijn gehoor uit, waar
verschillende actiegroepen ‘enorme druk’ op
regeringen legden om handel en investeringen te beperken. De angst voor de gevolgen
van de globalisering maakten velen rijp voor
allerlei ‘ismen’ van onze naoorlogse wereld,
zoals protectionisme, populisme, etnisch chauvinisme, fanatisme en terrorisme. Teneinde
antwoord te geven op een diep gevoel van
onveiligheid en vervreemding, moesten de
wereldleiders een manier bedenken om de
globale markt in te bedden in een netwerk
van gemeenschappelijke waarden.
Het Global Compact dat in 2000 zijn beslag
kreeg was een van Annans favoriete initiatieven daar het beantwoordde aan zijn zowel
morele als zijn bestuurlijke drijfveren. De tien
principes van het Compact zijn ontleend aan
VN-Verklaringen en omvatten de aanvaarding
van het recht op collectieve onderhandelingen
over arbeidsvoorwaarden, de verplichting
geen gebruik te maken van kinderarbeid, vermijding van discriminatie bij het verdelen van
banen, bevordering van het milieu en het verbod van steekpenningen en afpersing. Of dit
er allemaal uit voortkomt is volgens Traub nog
de vraag maar dat Annan zo de band met het
bedrijfsleven heeft hersteld is zeker. Vrijwel
alle VN-organisaties werken nu – soms tegen
wil en dank - samen met private ondernemingen en proberen de samenwerking met het
bedrijfsleven te bevorderen. Niet voor niets
21
streeft de Amerikaanse regering er tegenwoordig na zoveel mogelijk geestverwanten
en landgenoten op de hoge posten binnen
deze organisaties te krijgen.
Millennium Development Goals
Het formuleren van de Millennium
Development Goals (MDGs) voor 2015 betekende een belangrijke bijdrage van de
Verenigde Naties in het debat over armoede
en ontwikkeling en dat kon zeker op het
conto van Annan geschreven worden al is ook
in dit geval een ander de belangrijkste auteur
van het rapport dat hieraan ten grondslag lag
(John Ruggie). In april 2000 werd het rapport
gelanceerd onder de titel ‘We the Peoples: The
Role of the United Nations in the 21st
Century’. Het rapport was gestructureerd als
een blauwdruk voor een nieuwe VN, handelend over oorlog en vrede, het milieu, economische ontwikkeling en institutionele hervorming. De sleutel voor het bestrijden van de
armoede in de wereld lag volgens het rapport
in duurzame groei waarbij met succes antwoord gegeven wordt op de vraag hoe het
globale marktsysteem zodanig ingericht kan
worden dat iedereen ervan kan profiteren. De
auteurs gaan ervan uit dat arme landen daarbij geholpen dienen te worden, maar het rapport spaarde de regimes in veel van deze landen ook niet waar deze gekenmerkt werden
door falen van het systeem dankzij corruptie,
economisch mismanagement en het feit dat
slechts weinigen binnen die landen profiteerden van de mogelijkheden die de toegenomen welvaart meebrengt.
Op de Millenniumtop in Monterrey werden de
MDGs bekrachtigd. De MDGs zouden in het
vervolg de standaard vormen waaraan het
succes van de ontwikkeling kan worden afgemeten. Moeilijk bleef het echter voor deze
nobele doelen voldoende geld op tafel te krijgen, hoezeer Annan zich daar ook voor
inspande.
22
Annan was in deze tijd zeker op het hoogtepunt van zijn carrière als Secretaris-Generaal
aanbeland, schrijft Traub. Het was in datzelfde
jaar 2000 dat de Britse journalist William
Shawcross in zijn boek ‘Deliver Us from Evil’
Annan beschreef als de vleesgeworden ‘spirit
of the international community’. President
Bush had al van tevoren in het bijzijn van de
pers verklaard er geen moeite mee te hebben
dat Annan ook een tweede ambtstermijn zou
mogen dienen. Deze was eigenlijk van plan
geweest niet langer dan één termijn mee te
gaan en dat had hij ook zijn vrouw Nane
beloofd.Maar in de loop der tijd voelde hij
toch grote behoefte af te maken waarmee hij
begonnen was – mate name als het ging om
de hervorming van het VN-apparaat - en ver
voordat zijn eerste ambtstermijn verstreken
was werd hij met volledige instemming van de
Veiligheidsraad voor een tweede termijn
benoemd.
Humanitaire Interventie
In april 1998 werd Edward Mortimer, een
columnist van de Financial Times, Annans
belangrijkste ghostwriter en hij nam al
meteen op zich de speech voor Annan te
schrijven die hij in juni op Ditchley zou uitspreken voor de jaarlijkse bijeenkomst van de elite
onder de Britse diplomaten en internationalisten. Annan wilde iets gaan zeggen over humanitaire interventie maar was nogal vaag in wat
hij daar precies mee wilde. Hij wilde dat er
meer gebeurde dan de Verenigde Naties tot
nu hadden kunnen doen op plaatsen waar het
mis was gegaan zoals in Bosnië en Rwanda.
Maar ook hij tastte in het duister over de
vraag wat voor’n actie er dan aanvaardbaar
zou zijn en onder welke omstandigheden die
moest plaatsvinden. In 1998 was in Kosovo een
nieuwe brandhaard ontstaan en Annan was er
eens te meer van overtuigd dat er daadwerkelijk ingegrepen moest worden om een einde
te maken aan de wreedheden aldaar.
Hammarskjöld had in de Congo destijds voor
hetzelfde dilemma gestaan en had op eigen
VN Forum 2007 - 1
gezag voor de harde aanpak gekozen, maar
dat leek niet zo maar voor herhaling vatbaar.
De Ditchley-speech had een uitzonderlijk
karakter en was geheel geschreven door
Mortimer en zijn helpers. “Het Handvest
beschermt de soevereiniteit van de mensen.
Het was nooit bedoeld als een vrijbrief voor
regeringen om mensenrechten en menselijke
waardigheid te vertrappen”, begon Annan te
zeggen. “Soevereiniteit houdt verantwoordelijkheid in, niet alleen macht”. “Staatsgrenzen
moeten niet langer gezien worden als een
waterdichte bescherming voor oorlogsmisdadigers en massamoordenaars. Het feit dat een
conflict ‘intern’ is geeft de partijen niet het
recht om voorbij te gaan aan de basale regels
van menselijk gedrag.”
Dit zou je volgens Traub de doctrine van voorwaardelijke soevereiniteit kunnen noemen.
Annan gaf nog steeds de voorkeur aan maatregelen als economische en diplomatieke
sancties, zei hij in zijn speech, maar hij leek er
nu toch eerder geneigd tot militaire maatregelen als het ergens uit de hand loopt. De
Vietnamezen hadden dat in Cambodja gedaan
toen de massamoorden onder het Rode
Khmer-bewind bleven doorgaan maar dat had
het bezwaar dat dit ingrijpen unilateraal was
en niet door de wereldgemeenschap erkend
werd. Alleen de Veiligheidsraad heeft het
recht een dergelijke taak uit te voeren, zei
Annan. Hiermee had hij het stempel gedrukt
op zijn eerste ambtstermijn en van hem een
soort ‘moral actor’ gemaakt dat de Verenigde
Naties sinds de tijd van Dag Hammarskjöld
ontbeert hadden, schrijft Traub, die meteen
moet vaststellen dat zijn speech destijds in de
wereld erg weinig aandacht trok. Op Kosovo
was de doctrine in ieder geval niet van toepassing omdat de Russen in de Veiligheidsraad
iedere harde actie tegen het Joegoslavië van
Milosevic
tegenhielden.
En
van
de
Veiligheidsraad bleef Annan afhankelijk als
het om uitvoering van zijn doctrine ging. Ook
in andere opzichten bleef de rol die de
Verenigde Naties in Joegoslavië kon spelen
VN Forum 2007 - 1
heel beperkt en moesten zij bijvoorbeeld werkeloos toezien hoe de moslimmannen in
Sebrenica werden afgeslacht.
De moordpartijen in Oost-Timor door door
Indonesië gesteunde milities leek een eerste
toetssteen voor de door Annan gelanceerde
doctrine te worden maar er was wel druk van
de Verenigde Staten voor nodig om Djakarta
in te laten binden en een VN-vredesmacht
onder Australische leiding te accepteren voor
het herstel van de orde. Het ingrijpen kwam
rijkelijk laat. Er waren al te veel slachtoffers
gevallen. Een schoolvoorbeeld van hoe die
nieuwe doctrine zou kunnen werken was dit
dus niet, vond Traub.
In de Derde Wereld viel Annans boodschap
niet goed. Daar had men niets op met geconditioneerde soevereiniteit, maar deze hield
voet bij stuk al stelde hij wel als voorwaarde
dat interventie eerlijk en consistent toegepast
moest worden om zo niet te dienen tot instrument van de machtigen op deze aarde. De
Verenigde Naties moeten daar een rol bij blijven spelen anders zal men elders zijn heil gaan
zoeken zoals in Joegoslavië en Kosovo was
gebeurd waar uiteindelijk de NATO ingreep.
Volgens de leden van de G77 was ingrijpen
alleen toegestaan met toestemming van de
betrokken staat. Annan sprak namens de
mensheid en de moraliteit, terwijl de Derde
Wereld meer gericht bleef op de bestrijding
van het kolonialisme. Mortimer zou het al een
verdienste van Annan vinden als hij ‘de verantwoordelijkheid tot beschermen’ geaccepteerd
zou kunnen krijgen, iets wat bij de latere hervormingsvoorstellen weer aan de orde kwam.
De kwestie-Darfur liet zien dat de verantwoordelijkheid te beschermen door iedereen rustig
aan zijn laars gelapt wordt als andere belangen een rol spelen. In de Veiligheidsraad was
er geen eenstemmigheid te krijgen over de
wenselijkheid te interveniëren omdat in
Darfur honderdduizenden mensen van huis en
haar werden verdreven en duizenden anderen
23
werden gedood door ‘Arabische’ milities met
kennelijke steun van de Soedanese regering.
Hoewel door allerlei omstanders het woord
‘genocide’ werd gebruikt om de wantoestanden te beschrijven, onder andere door de
Amerikaanse minister van buitenlandse zaken
Colin Powell en door leden van het Huis van
Afgevaardigde. Jan Egeland en Jan Pronk
voerden als woordvoerders van de Verenigde
Naties actie om de wereldgemeenschap te
bewegen in de grijpen. Jan Pronk was de man
die Annan als speciale afgezant naar de
Soedan had gestuurd om uit eigen waarneming te zien wat daar aan de hand was. Zoals
bekend moest Pronk weer vertrekken nadat
hij zich volgens de regering in Karthoem beledigend had uitgelaten over de preataties van
het Soedane leger dat verschillende nederlagen in de strijd tegen rebellen in Darfur zou
hebben gelden. Traub maakt een vermeldenswaardige notitie bij de relatie tussen Annan
en Pronk. Ze verstonden elkaar niet. Annan
praatte te zacht voor de wat dove
Nederlander en Annan begreep Pronk niet
omdat zijn Engels te veel Nederlandse accenten bevatte.
Annan zelf besteedde uren aan besprekingen
met de regering in Khartoem over de toelating van humanitaire helpers toe te laten in
het gebied. Dat hielp wel maar de moordpartijen en het verdrijven van mensen gingen
door.
Samantha
Power
en
Morton
Abramowitz schreven een artikel dat in The
Washington Post terecht kwam, waarin zij
wellicht ten overvloede constateerden dat
Grote en kleine machten zich alleen verplicht
voelen het doden te stoppen als dat hun
nationale belangen schendt. Louter het
bestaan van de Veiligheidsraad stond staten
toe om ‘iets te doen’ zonder dat dat ten koste
hoefde te gaan van die belangen, eenvoudig
door het probleem te droppen in het labyrint
van de VN-deliberaties. Alleen als gerechtvaardigde roep om actie onverdragelijk luid begint
te klinken zouden de leiders van democratische staten bereid zijn de gevaren die aan
24
interventie verbonden zijn te accepteren.
Annan ergerde zich aan dat er altijd naar de
Secretaris-Generaal gewezen werd als er
ergens iets mis ging. “Hoe vaak zullen ze zich
achter de Secretaris-Generaal verschuilen als
een alibi voor het feit dat zij zelf niet in actie
komen?”, vroeg Traub. Iets waarop Annan het
antwoord niet kon geven uiteraard.
De 11e september 2001
Op 10 september 2001 gaf Kofi Annan een
verklaring af vooruitlopend op de Dag van de
Vrede, de 11e september. Hoe anders zou het
lopen. De 11e september was de dag waarop
New York en Washington zwaar getroffen
werden door een terroristische aanslagen met
gekaapte passagiersvliegtuigen. Behalve de
Amerikaanse bevolking, werd ook de
Verenigde Naties zwaar op de proef gesteld.
Zou de organisatie deze aanslag overleven?
De Veiligheidsraad stelde meteen vast dat de
aangevallen natie volgens het Handvest het
recht had zichzelf te verdedigen, en dat alle
noodzakelijke stappen genomen dienden te
worden om terug te slaan tegen degenen die
verantwoordelijk waren voor de aanslag, op
welke manier dan ook. Deze breed gestelde
resolutie legitimeerde de Amerikaanse aanval
op de Al Qaeda-strijders die de aanslag hadden beraamd en het Taliban-regime van
Afghanistan dat hen gastvrijheid geboden
had, zonder de hulp van de bondgenoten of
een nader mandaat van de Veiligheidsraad af
te wachten. Uit dankbaarheid jegens de
Verenigde Naties beloofde president Bush
meteen de achterstallige betalingen te zullen
voldoen.
Er werd nog wel over gedacht de Verenigde
Naties een rol te laten spelen als de strijd eenmaal gestreden was. De Volkerenorganisatie
was al in het land aanwezig geweest in de persoon van Lakhdar Brahimi, die de Afghanen
had proberen bij te staan hun staat opnieuw
in te richten maar Brahimi had alleen maar
kunnen zien hoe het land steeds verder radica-
VN Forum 2007 - 1
liseerde. Nu was het Brahimi die er, nadat de
Taliban verdreven, in slaagde het bestuur in
Afghanistan sopnieuw vorm te geven, niet
door de Verenigde Naties het bestuur over te
laten nemen zoals op Oost-Timor gebeurd
was, maar door het bij elkaar brengen van die
Afghanen die bereid waren mee te werken
aan een nieuw bewind. Een door de
Verenigde Naties gemandateerde strijdmacht
voornamelijk bestaande NATO-militairen gingen onder de naam ISAF de orde in het land
bewaren en meehelpen aan de opbouw, dat
althans was de bedoeling. De UN Assistance
Mission in Afghanistan (UNAMA) ging op
voorstel van Annan verder met het adviseren
van de regering in Kaboel, nu onder leiding
van, de eerst benoemde en later gekozen, president Karsai.
Op 10 december 2001 – de Dag van de
Verenigde Naties – kreeg Annan samen met
de hele organisatie in Oslo de Nobelprijs voor
de Vrede uitgereikt. Het Nobelprijscomité
prees Annan omdat hij de organisatie nieuw
leven in had geblazen en hij zijn reikwijdte
had verbreed door zich in te zetten voor de
mensenrechten, de bestrijding van HIV/AIDS
en het internationale terrorisme. Ook Annans
woorden dat soevereiniteit geen schild kan
vormen waarachter lidstaten hun geweldadigheden kunnen verbergen, vonden in het juryrapport weerklank. Alleen Hammarskjöld had
deze prijs als Secretaris-Generaal, zij het postuum, in het verleden mogen ontvangen.
Olie-voor-voedsel
De belangrijkste toetssteen voor Annans doctrine werd natuurlijk de Brits-Amerikaanse
invasie van Irak die zonder mandaat van de
Veiligheidsraad in maart 2003 plaatsvond.
Geen wonder dat Kofi Annan zich uiteindelijk
gedwongen zag in een vraaggesprek voor de
BBC toe te geven dat deze actie niet legaal
was, iets wat in de Verenigde Staten hoog
opgenomen werd. Gedaan was het met de
welwillendheid waarmee de Amerikaanse
VN Forum 2007 - 1
regering tegen het doen en laten van Kofi
Annan hadden aangekeken. Dit was koren op
de molen van conservatief-Amerika dat allang
op een kans had gewacht met de Verenigde
Naties af te rekenen. Was het president
Ronald Reagan niet geweest die begonnen
was de geldkraan dicht te draaien? Ook president Clinton was er niet in geslaagd het door
de Republikeinen beheerste Congres mee te
krijgen met het idee de schulden aan de
Verenigde Naties in te lossen. Annan had dat
wel bereikt, geholpen door de omstandigheden die zelfs president George W. Bush duidelijk maakten dat het toch beter was een instituut als de Verenigde Naties in stand te houden als je moeilijke tijden doormaakt. Toeval
of niet, de conservatieven kregen op een zilverblaadje een aantal schandalen waar de
Verenigde Naties bij betrokken was gepresenteerd die de hoop deed oplaaien dat men zich
van de Volkerenorgansiatie zou kunnen ontdoen omdat die nu eenmaal toch nooit wilde
wat Amerika voor ogen stond, de soevereiniteit in de weg stond en dikwijls tegen de
belangen van de Verenigde Staten scheen in
te gaan. Men begon aan te dringen op
Annans voortijdig aftreden toen bekend werd
dat VN-militairen en VN-functionarissen zich
schuldig hadden gemaakt aan seksuele misdrijven die blijkbaar allemaal in de doofpot
waren gestopt.
Het Olie-voor-Voedsel-schandaal deed uiteraard de deur dicht. Er kwam naar buiten dat
er flink geknoeid was met het geld dat
gemoeid was met de olieleveranties die Irak
waren toegestaan en de goederen die daarvoor gekocht mochten worden om enige verlichting te brengen bij de Irakese bevolking.
Deze leed immers zwaar onder de sancties die
de Veiligheidsraad Irak na de Golfoorlog had
opgelegd omdat dat land niet mee wenste te
werken aan de wapeninspecties, nodig geacht
om te voorkomen dat het land zich opnieuw
zou bewapenen. Annan stelde in 2004 een
commissie in onder leiding van de vroegere
voorzitter van de Federal Reserve Board, de
25
Amerikaanse centrale bank, Paul Volcker, om
het Olie-voor-Voedselschandaal te onderzoeken.
En als dat al niet allemaal genoeg was ging
ook het gerucht rond dat Annans zoon Kojo
Annan bij het schandaal betrokken was.
Belangrijke vraag was daarbij of Kofi Annan
geweten had van het contract dat Kojo voor
de firma waar hij in dienst was in dit kader
had weten los te krijgen. Meer dan een jaar
lang werd Annan achtervolgd door de traag
loskomende rapporten van de CommissieVolcker (het eerste verscheen op 3 februari
2005) en geleidelijk werd het beeld opgebouwd van corruptie, onbekwaamheid,
onachtzaamheid waaraan hoge VN-ambtenaren zich schuldig hadden gemaakt, ook al
wees Volcker in zijn laatste rapport ook naar
de verantwoordelijkheid van ondernemingen
uit Amerika maar ook uit vele andere landen
die mede verantwoordelijk waren voor het
schandaal omdat zij steekpenningen hadden
betaald om aan opdrachten te komen. De
Commissie was geneigd Annan zelf te sparen.
Hem kon niets onoorbaars voor de voeten
geworpen worden, luidde de laatste conclusie.
Niet iedereen binnen de Commissie was het
daar mee eens. Twee leden namen hun ontslag omdat zij van oordeel waren dat er te
mild over Annan was geoordeeld, omdat hij
zijn zoon Kojo wel degelijk gesproken had ten
tijde van de afsluiting van het contract en hij
dus van invloed was geweest op het feit dat
diens firma werd gekozen. Menig journalist
dacht daar volgens Traub destijds net zo over.
Robert Parton, een van de dissidenten leverde
bij het International Relations Committee van
het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden,
dat een eigen onderzoek naar het schandaal
was gestart, verscheidene dozen met materiaal af die zijn bewering moesten staven.
Volcker protesteerde bij de voorzitter van het
Huis omdat de vertrouwelijkheid was
geschonden en ontkende dat het materiaal
iets nieuws kon bevatten. Alleen had Parton
meer waarde gehecht aan een van de getui-
26
gen. Dat was de businesspartner van Kojo die
claimde dat hij en Kojo met Annan hadden
gesproken in de zomer van 1998 over hun
plannen om mee te doen aan het Olie-voorVoedsel-Programma. Maar de schade was al
aangericht, constateert Traub. Het koor van
mensen dat om Annans aftreden riep nam in
omvang toe. Mark Lagon, ambtenaar bij het
State Department verantwoordelijk voor de
Verenigde Naties en een van de weinige vertegenwoordigers van de hardliners ter rechter
zijde bij dit Departement, zei: “Hoewel wij
niet het aftreden van de Secretaris-Generaal
eisen, is het waarschijnlijk overdreven om te
suggereren dat het Volcker-rapport hem van
alle misstappen vrijpleit.” Zelfs degenen die
Annans heengaan niet wensten waren het
met elkaar eens dat zijn vermogen om het
hervormingsproces tot een succesvol einde te
brengen – iets wat hem het meest na het hart
lag - ernstig zo niet onherstelbaar was ondermijnd, schrijft Traub.
Het derde Volcker-rapport hield een aanval in
op Vice-Secretaris-Generaal Louise Fréchette.
Zij zou van alle schandalen op de hoogte zijn
geweest zonder er iets aan te doen. Toen zij in
een later stadium en om andere reden aftrad,
werd ze vervangen door Mark Malloch Brown.
In Irak mocht Brahimi weer een rol spelen als
de man die de verkiezingen mocht helpen
organiseren. President Bush kwam het goed
uit dat de Verenigde Naties een rol wilde blijven spelen. In de Veiligheidsraad werd op 8
juni 2004 resolutie 1546 aangenomen waar de
overgang van de soevereiniteit in Irak van het
voorlopige Amerikaans-Britse interimbewind
naar een regering van Irakezen. De resolutie
was zeker een soort triomf voor de VN, stelt
Traub vast. De Organisatie was hiermee uit de
hoek van onbeduidendheid gekomen waar
Bush haar in maart 2003 had ingedrongen. De
Verenigde Staten waren, zoals Annan had
voorspeld,
teruggekomen
naar
de
Veiligheidsraad. Maar als de Verenigde Naties
nog eens een overwinning van dit soort zou
VN Forum 2007 - 1
boeken zou het systeem wel eens geheel in
elkaar kunnen storten, schrijft Traub. De
Verenigde Staten kregen wat ze wilden zonder daar echt een prijs voor te hoeven betalen.
Na vijftien maanden van vergeefse pogingen
de Veiligheidsraad er toe te krijgen de oorlog
tegen Irak te steunen waar bijna alle leden
tegen waren, had Bush eindelijk toch zijn fel
begeerde stempel van legitimiteit gekregen.
Het waren de Verenigde Naties die de prijs
betaalden. De Volkerenorganisatie was teruggekeerd naar Irak op Amerikaanse voorwaarden en had zich ondergeschikt gemaakt aan
de Amerikaanse regels. Na de dood van De
Mello en zijn medewerkers in Bagdad haalde
Annan zich opnieuw de minachting van
Amerika op de hals (omdat hij de VN-missie uit
Bagdad terugtrok) - en van het VN-personeel
(omdat ze vonden dat Annan te veel naar de
pijpen van Washington danste). Zowel hijzelf
als de Organisatie die hij leidde scheen in
betekenis te zijn verminderd en verzwakt. En
de regering Bush vond dat wel best.
Annan onder druk
Annan besefte dat er iets tastbaars moest
gebeuren om het heft weer in handen te krijgen en dat moest gezocht worden in het
inblazen van nieuw leven in het hervormingsproces. Daar had hij Amerika voor nodig maar
ook de steun van de Derde Wereld, steun aan
institutionele hervormingen en meer aandacht voor collectieve veiligheid en mensenrechten die alleen verkregen kon worden door
ontwikkelingsvraagstukken op gelijke voet
aan te pakken. Maar Annans positie in
Washington was verzwakt. Hij had zijn positie
nog verder verzwakt door de Amerikanen een
brief te schrijven waarin hij er bij hen op aandringt geen aanval op Falluja te doen waar
Irakese Soennietische opstandelingen zich verschanst hadden, daartoe aangemoedigd door
Brahimi en Prendergast die allebei tegen het
Amerikaanse ingrijpen in Irak gekant waren.
Annan had het naar eigen zeggen gedaan
omdat hij bang was dat de Soennieten de aan-
VN Forum 2007 - 1
staande verkiezingen zouden boycotten. De
Amerikanen namen hem de brief hoogst kwalijk. Het deed nog een schepje op Annans eerdere mededeling dat hij de oorlog illegaal
achtte. Daar kwam nog bij dat Colin Powell
Annan verweet geen troepen beschikbaar te
hebben gehad om het VN-team in Bagdad te
beschermen, terwijl juist Powell nog de enige
man was geweest die bereid was Annan te
verdedigen in Amerikaanse regeringskringen.
Richard Holbrooke, de Amerikaanse afgevaardigde bij de VN, noemde de Faluja-brief een
stommiteit. De Verenigde Naties bestaan
alleen maar dankzij de Verenigde Staten maar
dan moesten die wel enige vrijheid gelaten
worden om op te treden als het gaat om veiligheid, zo meende Holbrooke.
Annan scheen volgens Traub zelf niet te beseffen hoe diep de crisis was en dat maakte het
gesprek dat plaatsvond na diens uitvoerige
tournee langs verschillende conferenties in
Afrika nogal pijnlijk. De bijeenkomst vond
plaats op 5 december 2004. Bob Orr, op dat
moment directeur van strategische planning,
trouble-shooter en liaison met de Bush-regering, was naast Annan de enige VN-functionaris
die aanwezig was. Holbrooke, die de vergadering bijeengeroepen had, zei tegen Annan dat
men hem nogal kwalijk nam dat hij bij de herverkiezing van president Bush kennelijk aan de
kant van de oppositiekandidaat Kerry had
gestaan en dat hij in een ongelooflijk gevaarlijke situatie zat. “De toekomst van de Verenigde
Naties staat op spel”, zo zei hij volgens Traub.
Maar op Annans aftreden drongen ze niet aan,
vooral omdat de Amerikanen daar niet voor
verantwoordelijk gesteld wilden worden. Het
Olie-voor-voedsel-schandaal knaagde aan de
VN-reputatie van integriteit en als Annan geen
drastische wijzigingen aan zou brengen, zal het
instituut ten gronde gaan, zo luidde de boodschap. De seksschandalen in de Congo waarbij
VN-militairen betrokken waren, werd ook weer
genoemd als bewijs dat de Verenigde Naties de
controle verloren had. Er was sprake van een
vacuüm in leiderschap.
27
Annan deed er het zwijgen toe zoals zo vaak bij
pijnlijke besprekingen, schrijft Traub. Als eerste
moest Iqbal Riza bij de Verenigde Naties volgens het Amerikaanse gezelschap weg. Zijn
probleem was niet eens zozeer dat hij zijn promotie te danken had aan het Olie-voor-Voedsel
Programma maar dat hij het vermogen miste
het gevaar dat uit het Olie-voor-Voedsel-schandaal voortkwam, te onderkennen, en dat hij
blijkbaar niet in staat was geweest om daar
adequaat op te reageren. Wat Annan nodig
had was een campagne-manager, niet een
‘vizier’. Hij had iemand nodig die strategisch
kon denken en de taal kon spreken van de
grote wereld, de taal van Washington zeer wel
inbegrepen. De enige figuur binnen de
Verenigde Naties die daarvoor in aanmerking
kwam was Mark Malloch Brown, het hoofd van
het UNDP, dat hij ook op nieuwe leest had
geschoeid. Als deze Brit echter deze nieuwe
functie zou krijgen, betekende dat dat ook
Annans andere getrouwe, Kieran Pendergast,
het veld zou moeten ruimen omdat er geen
twee mensen met dezelfde nationaliteit in de
top mogen zitten. Annan had liever een ander
in de plaats van Riza benoemd, maar kon er
niet om heen en Malloch Brown werd nog diezelfde maand gevraagd de functie van chef-staf
op zich te nemen.
Mark Malloch Brown
Riza en Prendergast waren niet de enige
getrouwen die Kofi Annan moest laten gaan.
Traub vond dat Riza dat lot niet verdiend had
maar als je zacht voor mensen bent eindig
jezelf vaak met een harde klap. Maar er
gebeurde meer. Voordat Malloch Brown zijn
ambt op 3 januari aanvaardde en zo op de
achtendertigste verdieping van het VNgebouw aan Turtle-Bay terecht kwam waar de
topfunctionarissen hun kantoren hebben, was
op zijn verzoek al ene Robert Mead ingehuurd, een specialist in ‘crisis management
and change management’ om de Verenigde
Naties door de crisis heen te loodsen. Toen
Traub Malloch Brown voor het eerst in zijn
28
nieuwe functie zag scheen hij niet alleen vol
ambitie te zijn maar was zijn achting voor de
manier van werken bij de Verenigde Naties
nog lager gezonken dan die toch al was. Al die
bergen papier die allemaal een officiële
bekrachtiging behoefden van de VN-top! Er
werden meer mensen weggewerkt die Annan
soms al vele jaren voordat hij SecretarisGeneraal werd, had gekend en die hem lang
hadden gediend, zoals bijvoorbeeld Elizabeth
Lindenmayer die Annan op veel van zijn reizen
had vergezeld en altijd grote bewondering
voor hem had gehad. Hij moest haar nu zelf
gaan vertellen dat er mensen waren die vonden dat er moeilijk met haar te werken viel.
Voor verdere mededelingen moest Annan
haar naar Malloch Brown verwijzen. In kringen van de Verenigde Naties werd hij nu ook
beschouwd als een puppet van Washington. In
de wandelgangen werd gescproken over
Malloch Brwon als ‘de Rasputin’ van de VN,
‘de regent’ en ‘de echte SG’. Annan wilde
Prendergast benoemen tot speciale onderhandelaar voor het Midden-Oosten maar dat
werd volgens Condaleeza Rice, Amerikaans
nieuwe minister van buitenlandse zaken, door
de Israeli’s geblokkeerd maar Annan vermoedde terecht dat Washington daar zelf achter zat
omdat ze Prendergast als een vijand van
Amerika zagen. Maar president Bush toonde
Annan zijn dankbaarheid toen namens hem
Brahimi de verkiezingen in Irak had weten te
organiseren voor het eerste voorlopige parlement: “You guys did a great job”, zei hij tegen
de Secretaris-Generaal door de telefoon.
Malloch Brown stak niet onder stoelen of banken wat er mis was en in tegenstelling tot zijn
voorganger Riza stond hij de pers en de critici
in het Congres en elders te woord, zij het dat
hij voortdurend benadrukte hoe belangrijk
het ook voor hem was de Organisatie te redden. Na het verschijnen van het eerste Volckerrapport op 3 februari legde Malloch Brown op
een persbriefing een verklaring af: Annan
nam de verantwoordelijkheid op zich voor de
misstappen die de onderzoekers hadden geï-
VN Forum 2007 - 1
dentificeerd en nam disciplinaire maatregelen
tegen de mensen die rechtstreeks van corruptie beschuldigd werden. Malloch pareerde de
vragen van de journalisten beter dan Annan
dat volgens Traub had kunnen doen.
Gevraagd of het Volcker-rapport een veroordeling van de VN-cultuur inhield, beschreef
Malloch Brown de denkrichting van de
Verenigde Naties liever als “the culture of
political complicity”. De oplossing was volgens
hem als de lidstaten zich er nou eens niet
bemoeiden en “ons de organisatie laten
managen”. Maar dat zou hem nog niet meevallen zo bleek in de praktijk. De meeste staten wilden bijvoorbeeld niet dat er met het
personeel geschoven werd, wat Malloch
Brown hard nodig vond. Voor hen is een post
bij de Verenigde Naties vaak een soort pensioen voor teruggetreden diplomaten, zei hij
Traub in een vraaggesprek. Het Olie-voorVoedsel-schandaal was volgens hem niet
dodelijk voor de Organisatie maar zou deze
uiteindelijk sterker maken omdat de lidstaten
nu meer bereid zullen zijn een aantal veranderingen in het management te accepteren,
waar zij altijd tegen waren geweest. Intussen
begon men in het Amerikaanse Huis van
Afgevaardigden ongeduldig te worden en
stelde Henry Hyde een wet op met het dreigement de betalingen aåan de Verenigde Naties
drastisch te verminderen als niet heel snel een
aantal met name genoemde hervormingen
werd ingevoerd. Ook een ‘taskforce’ van het
Congres kwam tot die conclusie, zij het dat er
minder op uit was de Verenigde Naties permanent schade te berokkenen.
Hervormingen
In zijn rede voor de Algemene Vergadering
van 23 september 2003 stelde Kofi Annan vast
dat de Organisatie op een tweesprong stond
(‘a fork in the road’). “Nu moeten we besluiten of het mogelijk is op dezelfde weg verder
te gaan zoals die sinds 1945 gevolgd is, of dat
er radicale veranderingen nodig zijn.” Over
het recht van Amerika om preventieve oorlo-
VN Forum 2007 - 1
gen te beginnen als het zich bedreigd achtte,
zei de Secretaris-Generaal dat dat zou kunnen
leiden tot “een proliferatie van het unilaterale en onwettige gebruik van macht, met of
zonder enige rechtvaardiging. Aan de andere
kant is het niet genoeg unilateralisme te verwerpen, tenzij we ook eerlijk onder ogen willen zien dat sommige staten zich bijzonder
kwetsbaar voelen.” Verder moeten de ‘zachte
dreigingen’ die uitgaan van armoede, ziektes
en klimaatveranderingen even serieus genomen worden als de ‘harde’. Annan kondigde
aan dat hij een High-Level Panel van eminente personen zou instellen om deze problemen
te bestuderen en te beantwoorden. Menig
VN-expert stelde grommend vast dat het hele
Secretariaatsgebouw behangen zou kunnen
worden met het papier dat de vorige HighLevel Panels van eminente personen hadden
voortgebracht zonder dat dat ooit tot iets
geleid had, schrijft Traub. De toekomst van het
instituut en misschien ook de historische reputatie van de Secretaris-Generaal hingen af van
deze overhaaste en zeer ambitieuze poging
tot vernieuwing.
Op 2 december 2004 kwam het High-Level
Panel met zijn rapport ‘A more Secure World:
Our Shared Responsibility’, een dag nadat
Senator Coleman er bij Annan op had aangedrongen af te treden vanwege de schandalen
waarover hier al genoeg gezegd is en die toen
nog niet in volle omvang duidelijk omschreven
waren. Het 23-pagina’s dikke rapport bevatte
101 specifieke aanbevelingen. “Het is van
belang dat we niet opgeslokt worden door de
negatieve invloed van de Olie-voor-Voedsel
zaak en voortgaan met het eigenlijke werk”,
zei Annan op de persconferentie die ter gelegenheid van de presentatie van het rapport
was georganiseerd. Maar ook hij begreep dat
deze zaak de drang tot hervormingen alleen
maar had vergroot en al 21 maart daaropvolgend kwam Annan met zijn eigen versie van
het rapport: ‘In Larger Freedom’. Feitelijke
auteurs waren Bob Orr en zijn medewerkers.
Even zag het er naar uit dat discussie die daar-
29
op volgde vooral zou gaan over de hervorming van de Veiligheidsraad waar beide rapporten een paar alternatieven voor hadden
aangereikt zodat er nog genoeg te kiezen
overbleef.
Het rapport van Annan was ongetwijfeld het
meest vergaande programma voor hervorming dat ooit door de Verenigde Naties zelf is
voorgesteld, schrijft Traub, die het verder een
zeer indrukwekkend document noemt, “een
blijk van Annans verplichting tot hervorming
en van de analytische bekwaamheden van zijn
staf, bovenal van Steve Stedman en van Bob
Orr, de eigenlijke opsteller van het document.” Het werd over het algemeen goed ontvangen in de wereldpers en de belangrijkste
hoofdsteden. Orr had er regelmatig contact
over gehad met het State Department en de
National Security Council en op een paar punten na kon men zich daar wel vinden in de
tekst. Rice benoemde een speciale gezant voor
VN-hervormingen, Shirin Tahir-Kheli die in de
Algemene Vergadering ging uitleggen dat het
Witte Huis warm voorstander was van de voorgestelde Mensenrechtenraad, de Peace
Building Commission, een verdrag tegen terrorisme en het voorgestelde fonds voor de
bevordering van democratie. Het wilde geen
verwijzingen in de tekst zien naar verdragen
waar Washington niets in zag, zoals het ICCverdrag of het Kyoto Protocol; Washington
had weinig op met non-proliferatie-zaken en
wilde zich niet vastgelegd zien op de belofte
die het in Monterrey had gedaan ten aanzien
van de bestemming van 0,7 procent van het
GNP voor ontwikkelingshulp. Als de
Veiligheidsraad uitgebreid zou moeten worden kwam alleen Japan daar volgens
Washington voor in aanmerking.
De eindspurt
Nu moest er nog gewerkt worden aan een
tekst die op de geplande Topconferentie in
september aangeboden kon worden en dat
betekende dat nog veel meer partijen zich
30
over het onderwerp gingen buigen. Annan
wilde deze tekst in juli rond hebben maar dat
kostte nog de nodige moeite. Het grootste
probleem was nog niet eens dat er veel weerstand bestond tegen de tekst maar de apathie
die zich van vele partijen meester maakte in
het voor jaar van 2005. Zeer weinig leden
schenen te geloven of zaten er mee dat de
Verenigde Naties op een tweesprong stond,
zoals Annan dat had genoemd, schrijft Traub.
Toen hij Annan midden April ontmoette zei
deze dat hij zojuist een bijeenkomst met
Afrikaanse ambassadeurs had gehad en ontdekt had dat slechts weinigen wisten waar het
rapport überhaupt over ging. Niet westerse
landen schenen alleen geïnteresseerd te zijn in
economische ontwikkeling. Niemand zette
zich nu echt eens in voor hervormingen.
Toch zat niet iedereen stil. Jean Ping, de
ambassadeur van Gabon en president van de
Algemene Vergadering, organiseerde regelmatig bijeenkomsten om over het rapport van
Annan te praten. Hij had een eerste ontwerptekst geconcipieerd en zijn staf werkte nauw
samen met Bob Orr en zijn team. Ping, Annan
en Orr lobbyden, bijgestaan door een aantal
ambassadeurs die het wel zagen zitten, bij de
anderen om zo tijdig tot een definitieve ontwerp-tekst te komen. Er was weerstand tegen
allerlei punten van de agenda en het enige
punt waar men echt steeds over praten wilde
was de uitbreiding van de Veiligheidsraad.
Vooral Brazilië, Duitsland, Japan en India, de
zogenoemde ‘Gang of Four’, maakten zich
hard voor een zetel in deze raad. De
Afrikanen deden in dit opzicht ook al het
mogelijke. Het gerucht ging dat Annan met de
Amerikanen overeengekomen was de stemming over deze kwestie uit te stellen tot na de
Top in september. Annan ontweek een directe
vraag hierover. Hij was in ieder geval minder
geïnteresseerd in deze kwestie dan in de vraag
of de onderhandelingen over de rest van de
agenda niet op de klippen zouden lopen. Het
Witte Huis ontpopte zich opeens weer als een
warm voorstander van de Verenigde Naties en
VN Forum 2007 - 1
verzette zich tegen pogingen van het Congres
het spel te hard te spelen. Dit was mede te
danken aan het feit de hervormde Verenigde
Naties veel dichter in de buurt kwam van wat
Washington wenste. In juli lag er een ontwerp-tekst op tafel. Annan kon gerust ademhalen.
John Bolton
Toch doemde er nieuwe tegenslag voor het
hele hervormingsproces op toen steeds duidelijker werd dat president Bush er niet vanaf te
brengen was de conservatieve diehard John
Bolton de rol van Amerikaanse Permanente
Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties te
laten spelen, een keuze waar ook het Congres
niet gelukkig mee bleek te zijn. Bolton was een
voorstander van Amerika’s unilateralisme en
een felle criticus van de VN, “en een onbehouwen en irritante figuur met een gave voor het
maken van vijanden”, schrijft Traub. Annan die
al een tijdje de lucht had gekregen van Bush’
voornemen was daar ook allesbehalve blij
mee. Toen de Senaat niet tot de benoeming
kon besluiten wachtte Bush het moment af dat
iedereen met vakantie was zodat hij John
Bolton zonder verdere inmenging van de
Senaat tijdelijk kon aanstellen (een zgn. ‘recess
appointment’). Bolton, die zelfs veel vijanden
had binnen de Amerikaanse regering, moest
nu gaan werken aan de hervorming van het
instituut waarvoor hij niets dan minachting
had getoond. Toen Bolton op 2 augustus aantrad maakte hij meteen gehakt van Pings ontwerptekst. Vijf weken voordat de Top in New
York bijeenkwam om zich definitief over het
hervormingsvoorstel uit te spreken, wilde
Bolton geheel opnieuw beginnen met de
onderhandelingen over het ontwerp. Als het
aan hem lag kwam de G8 met een korte verklaring vergezeld van één pagina korte statements. De doos van Pandorra waarvoor de
nieuwe voorzitter van de Algemene
Vergadering Eliasson gewaarschuwd had als
men alles weer ter onderhandeling ging stellen, ging inderdaad wagenwijd open. Ook lan-
VN Forum 2007 - 1
den als Cuba, Venezuela, Iran, Algerije,
Jamaica, Maleisië en Egypte maakten van de
gelegenheid gebruik hun wensen weer op
tafel te leggen. Bolton bracht ook de invulling
van de extra zetels binnen de Veiligheidsraad
weer ter sprake, een punt dat allang niet meer
aan de orde was. Aan Annan de eer dat hij er
toch in slaagde iedereen bij de les te houden,
schrijft Traub.
Bij de verdere onderhandelingen bleken de
Russen het moeilijkst. Zij zeiden overal ‘nee’
tegen net als in de dagen van de Sovjet-Unie.
De G77 vond dat het Westen het ontwerp
gekaapt hadden. Toen kwam Bolton met een
serie amendementen op het gebied van ontwapening en non-proliferatie. Ook wilde hij
herziening van het voorstel om tot een Peace
Building Commission te komen, wat
Washington tot nu toe gesteund had. Verder
mochten er geen referenties in de tekst staan
naar de MDG’s en de 0,7 % ontwikkelingshulp.
Zijn actie dreigde het hele hervormingsproces
te stoppen, te meer daar hij eiste dat er consensus kwam op al zijn voorstellen en er niet
gestemd zou worden. Die overeenstemming
was er duidelijk niet. Nu bleek opeens niets
meer in juli opgelost te zijn. Alles scheen er op
te wijzen dat de Verenigde Naties zijn zestigste verjaardag niet zou halen, schrijft Traub.
Ping bracht de groep onderhandelaars terug
tot twaalf om het geheel werkzaam te houden. Bolton werd wat zijn verzet tegen de
MDG’s betreft overruled door zijn eigen minister van buitenlandse zaken, Rice. Washington
had er ook geen bezwaar tegen als andere
landen zich wel aan de 0,7 procent voor ontwikkelingshulp en het Kyoto Protocol wilden
committeren. Bolton kon dit de groep onderhandelaars mededelen, maar het was te weinig en te laat. De gelijkgezinden gingen bij
elkaar zitten, zoals ook de EU en Canada. Met
de vertegenwoordiger van de VS wilde niemand gezien worden. De controverses bleven
zich opstapelen . Zo wilden de Verenigde
Staten in de tekst opgenomen zien dat oor-
31
logsmisdaden niet ongestraft zullen blijven
maar toen de EU er op aandrong dat een dergelijke verklaring ook de erkenning van het
Internationaal Strafhof (ICC) moest inhouden,
waren de Verenigde Staten daartegen. India
haalde zijn gram omdat er niet meer gesproken werd over een zetel voor dat land in de
Veiligheidsraad door zich nu opeens tegen de
‘verantwoordelijk te beschermen’ te keren.
Omdat Bolton weigerde samen te werken met
gelijkgezinden, betekende dat dat dezen verdeeld tegenover een gesloten blok van anders
denkenden kwamen te staan.
Vierentwintig uur voor de komst van de
staatshoofden naar New York werd Annan wel
erg ongerust dat het allemaal voor niets
geweest zou zijn. Intussen lag er al een versie
Ping 6 op tafel met nog steeds de nodige tekst
tussen haakjes. Ping en de nieuwe voorzitter
Eliasson raadden aan een parallel-tekst te
voorschijn halen, iets waar John Bolton in een
eerder stadium al voor gewaarschuwd had.
Toen was hem nog verzekerd dat zo’n tekst
niet bestond. Iedereen overlegde in grote
haast met iedereen en aan Annan viel de twijfelachtige eer te beurt met Bolton te gaan
praten. Hij wees op de onmogelijkheid het
resultaat van dat moment op de
Topbijeenkomst te presenteren en zei dat Ping
zijn gezonde verstand zou gebruiken nadat hij
de leden gehoord had. Samen namen ze de
tekst nog eens door, een paar uur voor uur-U.
Bolton was in het geheel niet gelukkig maar
zag ook geen kans alle haken weg te werken
in de korte tijd die nog restte en vertrok.
Annan had het gevoel dat hij begreep dat zijn
spel over was.
Iedereen slikte op het laatste moment een
hoop van zijn bezwaren in. Zo accepteerde de
G77 tegen heug en meug de passage over
managementhervormingen en namen de
Verenigde Staten genoegen met het noemen
van ‘het recht op ontwikkeling’. Er kwam een
laatste vergadering, midden in de nacht voordat de Top begon en een journalist schreeuw-
32
de de uitgeputte onderhandelaars toe: “Wie
wint er?” De Pakistaanse afgevaardigde antwoordde: “Het Noorden”. Ter bespreking lag
de tekst voor: Ping 7. Annan had gelijk gehad:
de permanente vertegenwoordigers slikten
liever het een en ander dan gedwongen te
zijn hun staatshoofden met lege handen te
ontvangen. Het pak hervormingen was tot
opluchting van het Secretariaat niet in de vuilnisbak terecht gekomen, terwijl de pers er
vanuit gingen dat er niets was gered dan hun
gezicht. Annan zei nadat het slotdocument
door de Algemene vergadering was aangenomen~: “We hebben niet alles gekregen wat
we wilden, maar we kunnen werken met wat
ons is gegeven.”
Resultaat
Als je het resultaat vergeleek met de ‘fork in
de road’-speech van Annan dan was de Top
een mislukking. Schrijft Traub. Zo had de passage over het legitiem gebruik van geweld, de
enige hervorming die een ander debacle als
Irak had kunnen voorkomen, even het licht
gezien totdat het slachtoffer werd van
Amerikaanse oppositie daartegen. Verder had
je van het totale pakket mogen verwachten
dat het niet de uitkomst van een soort handjeklap zou geworden zijn maar een acceptatie
van de wederzijdse afhankelijkheid. Zelfs
Annan moest toegeven dat ze weggelopen
waren nadat wat overeengekomen was onder
woorden was gebracht, zonder dat ze het echt
hadden geaccepteerd.
Vergeleken met het High-Level Report, ‘In
Lager Freedom’ of Ping 3 of het moment
waarop John Bolton in New York arriveerde
was het slotdocument een mislukking volgens
Traub. Vergeleken met wat er diezelfde morgen nog verwacht werd, was het een succes.
“Dit zijn de meest verreikende hervormingen
in zestig jaar”, zei VN-medewerker Steve
Stedman hoewel hij er eerlijk aan toevoegde:
“God weet dat er niet zo veel concurrentie
wat dat betreft is”.Traub zoekt een belangrij-
VN Forum 2007 - 1
ke oorzaak van het onbevredigende resultaat
bij John Bolton. De hervormingsplannen stelden veel meer voor voordat Bolton arriveerde
dan daarna. ‘Als je er erg slecht over denkt
zou je kunnen veronderstellen dat het ineenstorten van de Verenigde Naties voor Bolton
geen ramp betekend zou hebben’, zei een
Europees diplomaat. De regering die Bolton
vertegenwoordigde was zelf ernstig verdeeld
tussen degenen die geloofden dat Amerika
tegenover een vijandige en grotendeels niet
te bevatten wereld staat en er dus op voorbereid moet zijn eigen weg te gaan, en degenen
die geloofden dat overreding en diplomatie
op zijn minst de verschillen zouden kunnen
verminderen en de spanningen kunnen wegnemen. Het Witte Huis begon inmiddels in te
zien dat er een hoge prijs betaald moet worden als men zijn eigen gang bleef gaan. John
Bolton behoorde uiteraard tot het eerste
kamp. Traub acht het waarschijnlijk dat ‘this
madcap pilot’ en dus de regering die hij vertegenwoordigde, juist gered was door dat wat
hij het meest verafschuwde – de spitsvondigheid, geduld en omzichtigheid van de
beroepsdiplomaten op de achtendertigste verdieping (van het Verenigde Naties gebouw).
James Traub verwacht weinig van de huidige
hervormingen. De verantwoordelijkheid te
beschermen heeft in Darfur nog geen mensenleven gered. Managementhervormingen veranderen niets aan het feit dat veel landen de
Verenigde Naties zien als een stuk gereedschap van het Westen. De wil tot drastische
ingrepen zoals die bestond na de Eerste en
Tweede wereldoorlogen ontbreekt. De meeste
staten hebben het nu bijvoorbeeld drukker
met het definiëren van het begrip terrorisme
dan met het bestrijden ervan. De schrijver
heeft het over alternatieven voor de
Verenigde Naties maar komt daar niet uit.
Conclusie
Als het instituut verandert zal de baan van
Secretaris-Generaal dat ook. Kofi Annan zou
VN Forum 2007 - 1
wel eens de laatste Secretaris-Genraal geweest
kunnen zijn die zoveel roem kan verwerven of
wat dat aangaat zo heftige beschuldigen kunnen opwekken. Net als Dag Hammerskjöld
heeft Annan het secretaris-generaalschap zo
ver mogelijk opgerekt. De politieke ruimte die
een secretaris-generaal krijgt is een gevolg
van zowel zijn eigen ambitie en bekwaamheid
als de bereidheid van de leden hem zijn eigen
rol te laten spelen. Als die bereidheid verdwijnt, leidden diplomatieke gaven tot niets.
In de huidige situatie waarin de VN-leider zich
niet kan veroorloven te ver van Washington
weg te drijven maar niet zo intiem kan worden dat hij gezien wordt als een puppet,
schijnt de secretaris-generaal soms te dansen
op de punt van een naald. Het doet bijna verlangen aan de Koude Oorlog, schrijft Traub.
De gootmachten hebben nooit een sterke
secretaris-generaal gewild en zouden nu juist
wel eens een mindere dan gebruikelijk kunnen willen hebben. Dat zou misschien niet
zo’n slechte zaak zijn: een technocraat zou
wel eens in het beste kunnen zijn om de aangetaste VN-cultuur te repareren, aangeslagen
gevoelens te kalmeren en hardnekkige debatten te vermijden. Een mindere secretaris-generaal zou helpen de Verenigde Naties zijn
plaats te vinden. Maar hij zou ook een gat
achterlaten dat niemand kan opvullen. ‘And
that would, indeed be a melancholy note’.
Aldus James Traub.
Carel H. Jansen
James Traub, The best Intentions; Kofi Annan and the
UN in the Era of American World Power. New York
2006; ISBN –13: 978-0-374-18220-5; 442 pag. Œ 29,95.
Relevante artikelen, verschenen in VN-Forum:
2003/2 C.H.Jansen, Het Global Compact en de invloed
van het bedrijfsleven op de VN
2005/1 C.H.Jansen, Moeilijke tijden voor Kofi Annan
idem, Voorstel voor hervorming van VN
2005/2 C.H.Jansen, Kritiek Amerikaanse
Congrescommissie op Verenigde Naties mild van toon
idem, De toekomst van de VN
idem, Commissie-Volcker: geen bewijs voor nepotisme
2005/3 C.H.Jansen, Top in New York eindigt met
gemengd resultaat; een analyse van de Slotverklaring
idem, Gerard Michels, Wat doet een bank bij de VNTop
idem, Rosa Runhardt, verslag toesprask prof. Van
33
Walsum: Het dilemma bij het hervormen van de
Verenigde Naties Veiligheidsraad; effectief of representatief
2006/1 Nico Schrijver, Bij een zestigste verjaardag: De
toekomst van het Handvest van de Verenigde Naties
idem, C.H.Jansen, Volcker neemt nu het bedrijfsleven
onder vuur
2006/1 Flaim & Van Krieken, Geen mensenrechten
maar milieu
idem, C.H.Jansen, Uitgavenplafond moet Verenigde
Naties dwingen tot hervormingen
idem, Peacebuilding onder hoede van de
Veiligheidsraad
2006/2 C.H.Jansen, Hervorming VN-management en
herziening mandaten en werkwijze
idem, Kees Homan, ‘Goed functionerende Verenigde
Naties onmisbaar’
idem, C.H.Jansen, Human Rights Council een feit
2006/3 C.H.Jansen, Hervormingsplannen accentueren
verschillen binnen de VN
idem, ‘Investing in the United Nations: dor a stronger
Organization worldwide’
2006/4 Caspar Veldkamp, De VS en de VN; een aantal
noties
idem, Ad Melkert, An agenda for human security; the
UN in its next stage
34
VN Forum 2007 - 1
Onderwijs over de Verenigde Naties, een uitdaging!
Mies Brouwer en Ellen van den Wijngaartvan Helvoirt breken in dit artikel een lans
voor onderwijs over de Verenigde Naties.
Mies,
oprichtster
van
de
Onderwijs-
commissie van de N.V.V.N. en ex-docente
geografie, weet zich daarin gesteund door
vele grote namen, zoals Robert Muller.
Ellen van den Wijngaart- van Helvoirt,
docente economie en management & organisatie aan een school voor algemeen
voortgezet onderwijs, probeert onderwijs
over de Verenigde Naties in de praktijk te
brengen en weet zich daarin gesteund
door de leden van de Onderwijscommissie.
Mies maakt in dit artikel gewag van de
noodzaak van goed onderwijs over de V.N.
en Ellen doet verslag van een projectweek
over de V.N. op haar school.
In het interessante boekje “New Genesis”,
geschreven door de vermaarde vroegere assistent-secretaris-generaal van de V.N., Robert
Muller, heet het eerste hoofdstuk “The need for
global education.”
Muller beschrijft drie grote gevolgen van de
Industriële Revolutie, te weten: een ongehoorde verbetering van onze (!?) levensomstandigheden, een toenemende bevolkingsgroei en
een netwerk van wereldwijde onderlinge
afhankelijkheid (denk alleen al aan het verkeer!). Dit maakt “wereldonderwijs”, dat wil
zeggen onderwijs over de wereldomvattende
organisaties en over de wereld waarin de leer-
lingen (zullen) leven tot een dringende noodzaak. De V.N. beschikt, vooral via de gespecialiseerde organisaties, over een schat aan informatie.
THE NEED FOR GLOBAL EDUCATION
A PARABLE1
Once upon a time there was a class
and the students expressed disapproval of their
teacher.
Why should they be concerned with
global interdependency, global problems
and what others of the world were thinking,
feeling and doing?
And the teacher said she had a dream in which
she
saw one of her students fifty years from today.
The student was angry and said,
“Why did I learn so much detail about the past
and the administration of my country
and so little about the world?”
He was angry because no one told him
that as an adult he would be faced
almost daily with the problems of a
global interdependent nature, be they
problems of peace, security, quality
of life, food inflation, or scarcity
of natural resources.
The angry student found he was the
victim as well as the beneficiary.
“Why was I not warned? Why was
I not better educated? Why
did my teachers not tell me about
the problems and help me understand
I was a member of an interdependent human
race?”
With even greater anger the student shouted,
“You helped me extend my hands with incredible machines,
my eyes with telescopes and microscopes,
VN Forum 2007 - 1
my ears with telephones, radios, and sonar,
my brain with computers,
but you did not help me extend
my heart, love, concern
to the entire human family.
You, teacher, gave me half a loaf.”
Tot zover Robert Muller.
Het onderwijs over de V.N. in Nederland vertoont een grote achterstand ten opzichte van
andere West-Europese landen. Een verklaring
kan zijn dat in ons land de V.I.R.O. (Vereniging
voor Internationale Rechtsorde), de voorloper
van de N.V.V.N., ogenschijnlijk weinig aandacht
heeft gehad voor het onderwijs.
Ter illustratie het volgende. Enkele maanden
geleden vertoonde de televisie de finale van
een wedstrijd tussen Nederlandse studententeams van verschillende universiteiten. Acht studenten, vier uit het winnende team Groningen
en vier uit Delft, moesten nog een aantal quizvragen beantwoorden. Eén van de vragen luidde: “Welke vijf staten hebben een permanente
zetel met vetorecht in de Veiligheidsraad?”. Na
enig zenuwachtig gegiechel antwoordde één
student “Rusland”. Zelfs gezamenlijk konden de
studenten de vraag niet beantwoorden. De
quizmaster, een hoogleraar geschiedenis, slaagde er helaas ook niet in om het juiste antwoord
te geven, want hij noemde in zijn antwoord
Engeland in plaats van het Verenigd Koninkrijk.
En dat terwijl deze ondemocratische situatie in
de Veiligheidsraad al zestig jaar een ernstig probleem vormt voor een goed functioneren van
genoemde Raad. De vijf permanente zetels zijn
die van de staten die in de periode vlak na de
Tweede Wereldoorlog de “Grote Vijf” werden
genoemd. (Frankrijk kwam op het laatste nippertje in deze groep terecht door een persoonlijk optreden van generaal De Gaulle.)
Art. 108 van het Handvest van de V.N. bepaalt
dat amendementen bekrachtigd moeten worden door tweederde van de lidstaten van de
V.N. met inbegrip van alle permanente leden
van de Veiligheidsraad!
35
In het voorstel voor de canon voor het geschiedenisonderwijs was de V.N.-organisatie aanvankelijk niet opgenomen. Nu ben ik benieuwd wat
we in de nieuwe schoolboeken van de educatieve uitgeverijen zullen lezen over de V.N.
Voorlopig ben ik verheugd over de V.N.-week
die in december j.l. is georganiseerd op het
Koning Willem II College te Tilburg. Meer daarover in het vervolg van dit artikel.
Mies Brouwer.
36
VN Forum 2007 - 1
Samen met de VN vrede maken in Tilburg
Ellen van den Wijngaart- van Helvoirt.
Elk jaar staat het team van het Koning Willem II
College, een openbare school voor algemeen
voortgezet onderwijs, opnieuw voor de vraag
op welke manier de zogenaamde eindejaardag,
de laatste lesdag van het kalenderjaar, op
gepaste wijze gestalte kan krijgen. Gesterkt
door de positieve ervaringen van een internationaal project voor wereldburgerschap heb ik
de schoolleiding in de kerstvakantie van 2005
voorgesteld om een V.N.-dag te organiseren
rondom het V.N.-kwadrant.2 Een werkgroep
van acht docenten heeft vanaf april gewerkt
aan dit project. Al snel blijkt dat slechts één projectdag rondom dit thema niet voldoet. We vragen en krijgen toestemming voor een projectweek. De organisatie wordt schoolbreed ingevuld: 1700 leerlingen gaan afwisselend bij verschillende vakken en op verschillende niveaus
één of meerdere uren per dag aan de slag met
een mondiaal thema. We proberen met behulp
van de steunlessen toe te werken naar de afsluitende eindejaardag die het absolute hoogtepunt wordt van de projectweek. Er wordt een
projectboek samengesteld voor de onderbouw,
leerjaar 1 tot en met 3 en één voor de bovenbouw, leerjaar 4 tot en met 6. Een greep uit de
activiteiten:
De leerlingen in de onderbouw bezoeken “De
Vredesfabriek” van de Stichting Vredeseducatie.
Daarin wordt de leerling met behulp van allerlei
machines uitgedaagd om “vrede te maken”.
Daarnaast buigen ze zich met hun mentor over
de geschiedenis van de V.N. Een aardige bijkomstigheid daarbij is dat bijvoorbeeld een docent
L.O. of een docent handvaardigheid nu als mentor met een geheel andere problematiek actief
is met zijn of haar klas. Aanvankelijk aarzelend,
maar uiteindelijk enthousiast, blijkens de reacties na afloop. Tijdens de les Nederlands wordt
aandacht besteed aan kinderprostitutie aan de
hand van een fragment uit het boek “Blauw is
bitter” van Dirk Bracke. Dit maakt diepe indruk
op de kinderen. Aardrijkskunde en economie
werken aan de acht millenniumdoelen. De
atlaskaarten rondom de millenniumdoelen van
de NCDO zijn hierbij een belangrijk hulpmiddel.
Tijdens de muziekles wordt het lied “Jump to
life” gezongen, een lied dat een jaar eerder is
geschreven door een groep leerlingen van de
school in het kader van het internationale project voor wereldburgerschap. De palmolieplantages staan op de rol bij het vak nask
(natuur/scheikunde). Op de eindejaardag zelf
kiezen de leerlingen met hun mentor voor een
workshop rondom een mondiaal thema. Tot slot
laten ze een blauwe of witte ballon op met een
kerstgroet.
De leerlingen in de bovenbouw starten de projectweek tijdens de les maatschappijleer met de
Universele Verklaring voor de Rechten van de
Mens. Engels introduceert “The right to learn”.
Nederlands biedt het gedicht “Jong Seun” van
de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers
aan. Economie brengt Nederland in beeld als
“slimme (?!)” handelaar in lucht in het kader
van de CO-2 emissierechten. Bij management &
organisatie verdiepen de leerlingen zich in “The
Global Compact”. Aardrijkskunde, algemene
natuurwetenschappen en ckv belichten ieder
vanuit de eigen optiek de duurzame voetafdruk. De leerlingen in de eindexamenklassen 5
en 6 worden ook nog geconfronteerd met een
video-opname getiteld “Is er hoop?” waarin Jan
Pronk en Bas Haring filosoferen over vooruitgang en over de kansen op het voortbestaan
van de mensheid op deze aarde. Dit interview
roept vele vragen op bij de leerlingen.
Op de eindejaardag zelf werken de leerlingen
VN Forum 2007 - 1
in klas 4 in workshops aan verschillende mondiale thema’s verzorgd door Mundial. De leerlingen in klas 5 en 6 werken in workshops onder
leiding van externe deskundigen aan de duurzame voetafdruk, de nucleaire ontwapening,
een loopbaan en diplomatie bij en van de V.N.,
de CEDAW, de rechten van de mens, het “Model
United Nations”, federaliseren, Sierra Leone en
Unicef. Daarbij heeft de school dankbaar
gebruik gemaakt van de inzet van verschillende
leden van de Onderwijscommissie en van het
netwerk van deze mensen.
De “Vraagmuur voor de Vrede” heeft de hele
week één van de aula’s gesierd. De muur werd
alsmaar fraaier met boodschappen van leerlingen van 12 tot 18 jaar. Aan het einde van de eindejaardag zegt een leerling uit vmbo-4 tegen
de rector: “Dit is de mooiste schooldag ever!”.
Een leerling uit klas 3 deelt haar ouders in de
kerstvakantie vol overtuiging mee dat ze sinds
de projectweek bijna zeker weet wat ze “later”
wil gaan doen: “iets met ontwikkelingslanden.”
Natuurlijk is de kans groot dat ze nog van
gedachten verandert, maar toch.
37
Bij economie schenken we aandacht aan de
tegenstellingen tussen arm en rijk in de wereld,
aan de wereldwijde interdependenties en nodigen we de leerlingen uit om het verschijnsel
microkrediet te onderzoeken. Bij management
& organisatie verdiepen de leerlingen zich in
maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Wat voegt een project rondom de Verenigde
Naties dan nog toe? Veel!, getuige de reacties
van de leerlingen, getuige het gevoel van saamhorigheid in de scholengemeenschap dat in de
loop van de projectweek steeds meer manifest
wordt; het gebeurt zelden dat leerlingen dwars
door de afdelingen heen, van vmbo tot en met
gymnasium gezamenlijk in werkgroepen discussiëren over mondiale thema’s. De mondiale
bewustwording van de middelbare scholier is
een must; de rol van de Verenigde Naties mag
daarin niet ontbreken!
1 By Jon Rye Kinghorn, based on the essay, from “A
Step-by-Step Guide for Conducting a Consensus and
Diversity Workshop in Global Education”.
2 Mies Brouwer is de auteur van het VN-kwadrant (zie
figuur aan het einde van dit artikel); Mies heeft ook lesmateriaal rondom het VN-kwadrant geschreven.
Het was een gigantische klus, maar het bewijs is
geleverd: onderwijs over de Verenigde Naties
kán, bij vele vakken, op vele manieren, is verrijkend, is uitdagend en is nódig! Een bescheiden
subsidie van de NCDO in het kader van onderwijs over wereldburgerschap heeft de projectweek financieel mogelijk gemaakt: alle idealisme ten spijt, de banale portemonnee blijft ook
hier een belangrijke randvoorwaarde.
Meer informatie over de projectweek en over
het internationale project over wereldburgerschap kunt u vinden op de website van de
school: www.willem2.nl (nieuws/internationalisering) en bij ondergetekende.
Tot slot: ook zonder een projectweek als deze is
er hier en daar, min of meer incidenteel aandacht voor het werkterrein van de V.N. Bij aardrijkskunde wordt bijvoorbeeld tijdens de reguliere lessen de duurzame voetafdruk behandeld.
De vier thema’s VREDE/VEILIGHEID, MENSENRECHTEN, ONTWIKKELING en MILIEU, die
het aandachtsveld zijn van vier educaties, zijn alleen in VN-verband duidelijk met elkaar
V-E-R-W-E-V-E-N.
38
VN Forum 2007 - 1
Agreeing as One?
A range of different opinions, positions and views on ‘One UN’
On 9 November 2006, a High Level Panel on UN
System?wide Coherence presented the report
‘Delivering
as
One’
to
the
then
Secretary?General of the United Nations, Kofi
Annan. In the preceding six months, the Panel
of 15 distinguished participants, among them
the Prime ministers of Norway and Pakistan,
had convened to discuss the reform of UN institutions. The report, which is a result of their
deliberations, is a strong plea to drastically
reform the UN in the areas of Development,
Humanitarian Assistance and the Environment.
The plan to change the internal organisation of
the UN, arose during the World Summit in 2005.
Governmental leaders agreed it was high time
to adapt the UN system so that it can ‘most
effectively respond to global development,
environmental and humanitarian challenges of
the 21st century.’ The cause for concern was that
various UN programmes were being perceived
as‘fragmented and weak’. Many UN organisations work in overlapping fields with little
cooperation or coordination. This problem
manifests itself in particular areas as well as in
certain countries. For example, there are more
than 20 UN agencies active in the field of water
management. And in the Ethiopian capital
Addis Ababa, 25 UN bodies hold office or execute programmes with little to no cooperation.
This systemic fragmentation had to change.
In order to achieve a more coherent, effective
and efficient UN in the field of development,
the High Level Panel composed a list of recommendations. The most important conceptual
move is to create a ‘One UN at the country
level’, with a Resident Coordinator at the head
of all UN programmes. The UNDP is awarded a
key role as a coordinating body in the new envisaged One UN system. This system rests on ‘four
ones’; one leader, one programme, one budget
and one office (where appropriate). This unity
in the deliverance of ‘UN goods’ will help the
world accomplish the agenda of the MDGs, the
report states. Instead of having a rainbow of UN
niche players operating in the same field, yet
with differing mandates, budgets, staff members, year programmes and so forth, there
would be One UN umbrella operating in an
effective and accountable manner. In New York,
a Sustainable Development Board and a UN
Development Coordinator would provide oversight of all country programmes. Funding
mechanisms will be streamlined in order to drastically simplify the current lengthy and time consuming procedures. To prove the worth of the
plans on paper, eight countries have voluntarily
started a pilot One UN at country level.
The advantages of this new system for receiving
countries as well as for donors are numerous,
according to the proponents of One UN. The
ownership of receiving countries will increase
enormously, because a One UN at country level
would respond to national needs, in close
cooperation with national governments. Donors
stand to gain from the reorganisation through
the improved performance, funding and
accountability of the UN, which shall lead, in the
long run, to budget savings of up to 20%. The
extra funding can be invested into development
and will contribute considerably to the achievement of the MDGs.
It seems hard to not be positive with such sensible suggestions for reform. However, there are
different groups of actors that might disagree
with the plans.First, obstacles surrounding the
reform of UN bodies in the field of development
derive from current relations in international
VN Forum 2007 - 1
affairs. Countries such as Russia, China, India,
Brazil, Venezuela, Cuba, are – generally speaking – very wary of any form of western intervention. They will view the efforts to reform the
UN as yet another means of interfering with
their domestic policies on human rights, the rule
of law etc. The international tensions brought
about through Afghanistan and Iraq have increasingly poisoned the already tense relations within the UN. This will have a detrimental effect
on, or even obstruct the negotiations on this
issue.
Secondly, the internal politics between different
organisations and bodies of the UN is mentioned as it could frustrate the achievement of the
goals set in the report.
To effectuate
system?wide coherence in the field of development, a strong Resident Coordinator, a primus
inter pares among the UN bodies, is needed.
However, there are 17 specialised agencies and
related organisations, 14 funds and programmes, 17 departments and offices of the UN
Secretariat and 5 regional commissions. They all
have their specific background and decision
making procedures and will have to transfer
power and budgets to the Resident
Coordinator. Individual egos of representatives
involved might play a complicating role in this
respect. There is still no clear idea who will make
these organisations cooperate within the One
UN system, nor how they can be convinced of
the need to cooperate. If there is strong leadership in place to execute the plans, critics point
out, the first step this person should take, is to
introduce budget cuts of 20% in all UN organisations. A start would be to halve the number of
consultants currently working for the UN.
Also, the fact that other stakeholders are hardly
mentioned in the reform process of the UN, will
negatively effect the reform process. Some
point out the UN should start to focus first on its
own internal processes, yet others underline
that if the business sector, local NGOs and
labour unions are not involved from the start,
the process of change is doomed to fail.
39
Network organisations within the UN structure,
such as Global Compact, and other actors in the
field play crucial roles and should therefore be
engaged. One example: the reorganisation of
the UN is comparable to various problems multinational companies face. The business sector
claims it has a lot of expertise and experience to
offer.
What do the Netherlands have to offer, what
role can it play in the reform process of the UN
in the field of development? In a letter to the
Parliament, former Minister of Development
Cooperation Van Ardenne expressed her satisfaction with the plans. The reform could have
been even more ambitious and far-reaching,
some government experts argue. To encourage
improved understanding and acceptance of the
plans, the Netherlands is currently organising
regional conferences in Africa, Asia and Latin
America. The question is: can all stakeholders
and parties involved agree to Deliver as One, or
are the obstacles too all?embracing and sensitive to overcome?
www.ncdo.nl/oneUN
Ruth Hopkins
8 March 2007
40
VN Forum 2007 - 1
Kenterend machtsevenwicht
Om te overleven heeft de wereld geen leider nodig, maar een leidend beginsel.
Het Wereld Economisch Forum stond dit jaar in
het teken van ‘kenterend machtsevenwicht’.
Wat die kentering betreft, maak ik mij geen zorgen over de teloorgang van Amerika als supermacht. Integendeel! Het einde van de
Amerikaanse hegemonie biedt ons, als mensheid, namelijk de unieke kans om tot (mondiale) eenheid in (mondiale) verscheidenheid te
evolueren, met alle positieve consequenties van
dien voor het gehele aardse leven. Zowel letterlijk als figuurlijk.
Om één te worden heeft de wereld alleen geen
(wereld-)leider nodig, maar slechts een redelijk
ogend leidend beginsel. Een gedachte die niet
tot tweespalt leidt, religieus noch ideologisch,
maar juist tot eenheid oproept over alle tegenstellingen heen. Daarvoor leent zich bij uitstek
het denkbeeld van de wereld als één groot
levend organisme. Eén zelfregulerende organische giga-eenheid waar wij als mensheid
gedwongen (we hebben er immers niet vrijwil-
lig voor gekozen!) deel van uitmaken. Om dat
betoverende organisme in leven te houden, niet
alleen in ons eigen belang, maar met name in
dat van onze eerste zorg: ons nageslacht(!),
wordt het ‘ons’ zo langzamerhand duidelijk dat
de milieuproblematiek mondiaal aangepakt
dient te worden.
Daarvoor zullen de Verenigde Naties tot politiek
wereldbrein moeten uitgroeien, wat via een
grondige reorganisatie van onze wereldorganisatie te realiseren is. Daardoor zal er automatisch een einde komen aan de leidende rol van
Amerika op het wereldtoneel, ten gunste van
collectief leiderschap onder VN-vlag. Duurzame
multipolaire leiding, die niet is gestoeld op
uiterlijke (economische of militaire) macht,
maar op moreel aanzien door dienstbaarheid
aan het algemeen belang. En dáár draait het
uiteindelijk om in een democratie.
Wouter ter Heide

Vergelijkbare documenten