vogelvreugd - Uitgeverij Smit van 1876

Commentaren

Transcriptie

vogelvreugd - Uitgeverij Smit van 1876
VOGELVREUGD
EEN UITGAVE VAN DE ALGEMENE NEDERLANDSE BOND VAN VOGELHOUDERS
februari 2016
vereniging codenummer vermelden.
Verspreide
leden
kweeknummer
vermelden.
Telefonisch contact tussen 16.00-20.00
uur.
Algemene
Nederlandse
Bond van Vogelhouders
Opgericht 20 april 1919
Goedgekeurd bij Koninklijk besluit
19 februari 1920 onder no.27
Ingeschreven bij de K.V.K. Veluwe en
Twente onder nummer V 40408450
ISSN: 1384-718X
GEWESTELIJKE SECRETARISSEN
Gewest 1.
R.E. Lokhorst
Populierenstraat 29
9482 PV Tynaarlo
Telefoon: 0592 - 541737
Emailadres: [email protected]
POSTADRES EN BONDSBUREAU
Elfersstraat 16
7496 AR Hengevelde
Tel: 0547 - 388706
Email: [email protected]
Gewest 2.
Henk Rens
Schapendonk 24
4942 CE Raamsdonksveer
Telefoon: 06 - 33788007
E-mail: [email protected]
Bestellingen bondsartikelen, betaling
bondsartikelen
IBAN: NL71 INGB 0005 3670 13, t.n.v.
Algemene Nederlandse Bond van
Vogelhouders te Hengevelde
Internet: www.anbvv.nl
Gewest 3.
Tonny Bielderman
Verzetslaan 17
7231 GP Warnsveld
Telefoon: 0575-523057
E-mail: [email protected]
ERELEDEN
Mw. R. te Winkel en P.Stijnen
Gewest 4.
P. Ubachs
Past. Haesenstraat 4
6181 HW Elsloo
Telefoon: 046 - 4375741
E-mail: [email protected]
LEDEN VAN VERDIENSTE
J. v/d Beek, K. Bink, A. Castermans, A.J.
Houtkooper, J. Kreijveld, H.W.J. v/d
Linden, A. Mertens, H. van Seggelen, H.
Wouwenaar, G. Koenderink, P. Sthijns,
B.A.M. Horsting en J. Wijnhoven.
DAGELIJKS BONSDSBESTUUR
Voorzitter Rein Grefhorst
Telefoon: 055 - 5414227
E-mail: [email protected]
Penningmeester Anne Houtkooper
Telefoon: 0316 -265282
E-mail: [email protected]
Secretaris Bart Braam
Telefoon: 0481 - 462507
E-mail: [email protected]
Bestuurslid Onno Bijlsma
Telefoon: 055 - 3232390
E-mail: [email protected]
HOOFDREDACTEUR EN PR
Henk Branje
Hulder 9
5821 AS Vierlingsbeek
Telefoon: 06 - 55876149
E-mail: [email protected]
LEDEN- EN RINGENADMINISTRATIE
Tonny Bielderman
Verzetslaan 17
7231 GP Warnsveld
Telefoon: 0575 - 523057
E-mail: [email protected]
• Aanmelden nieuwe verenigingen,
verspreide leden en abonnementen.
•
Aanvragen
proefnummers
"Vogelvreugd"
• Informatie over ringen
• Verenigingen bij correspondentie
50
KEURMEESTERVERENIGING
Secretaris Jack Heynen
Magnoliastraat 1a
6101 KS Echt
tel. 0475-211513
e-mail: [email protected]
Aanvragen wedstrijden en keurkontrakten
Gerard Koenderink
Elfersstraat 16
7496 AR Hengevelde
Tel: 0547 – 333692
E-mail: [email protected]
Gewest 5.
Wim (W. J.J.C.) Hanssen,
Herdenkingsstraat 23
6551 CA WEURT
Tel 024 6775038
e mail [email protected]
SECRETARIATEN SPECIAALCLUBS
Het lidmaatschap van de speciaalclubs is
voorbehouden aan alle natuurlijke
personen.
Voor informatie kunt u zich wenden tot de
onderstaande personen.
Harzers (LSH) en Timbrado’s B. Rhee
Jachtvalk 58
7609 JA Almelo Tel:0546 - 825987
www.harzers.nl
Zangprestatieboek B. Rhee
Jachtvalk 58
7609 JA Almelo
Telefoon: 0546 - 825987
Waterslagers. J. de Bruine
Waakhoogte 10
8322 BT Urk
Telefoon: 052 - 7688488
E-mail: [email protected]
Kleurkanaries J.J. van Bennekom
Herenweg 37
1244PV Ankeveen
035-6562027
E-mail: [email protected]
Postuurkanaries A. Wijdemans
Ledeackerstraat 52
5045 ZG Tilburg
Eerste Nederlandse Kampioen van Nederland
Telefoon: 06 - 46617558
E-mail: [email protected]
Exoten en parkieten
Henk Rens
Schapendonk 24
4942 CE Raamsdonksveer
Telefoon: 06 - 33788007
E-mail: [email protected]
Europese vogels en hybriden
J.van Noort
Dannenberg 42
7461 TL Rijssen Tel: 0548 - 520350
E-mail: [email protected]
ADVERTENTIES EN MEEPIKKERTJES
AM-Creation
Postbus 612 5900 AP Venlo
Telefoon: 06- 34492511
IBAN: NL40 ABNA 0605 9101 46 t.n.v.
Vogelvreugd
E-mail: [email protected]
ADVERTENTIES WEBSITE
J. Maus
Zonegge 22-03
6903 HC Zevenaar
Telefoon:0316-524176
[email protected]
VRAGEN STAAT VRIJ
Bart Braam
Telefoon: 0481 - 462507
E-mail: [email protected]
TT.COMMISSIE BONDSKAMPIOEN
Secretariaat Rhienderensestraat 6
6971 LS Brummen
Telefoon en Fax: 0575 - 564004
E-mail: [email protected]
CONTRIBUTIES EN ABONNEMENTEN
Contributie verspreide leden binnenland
€ 30,72 per jaar, contributie verspreide
leden buitenland € 35,76 per jaar.
Abonnementen binnenland € 26,00 per
jaar, abonnement België € 30,00 per jaar,
overige abonnementen buitenland op
aanvraag.
Betalingen t.a.v. Alg.Ned.Bond van
Vogelhouders Duiven,
IBAN: NL25 INGB 0000 1065 61
VERANTWOORDELIJKHEID
ARTIKELEN
De verantwoordelijkheid van alle
ingezonden artikelen in Vogelvreugd
komen ter competentie van de auteurs.
Overnemen van artikelen is slechts
toegestaan met toestemming van de
auteurs
De A.N.B.v.V. kan niet verantwoordelijk
worden gesteld voor de inhoud van de
aangeboden advertenties.
UITVOERING
Druk: Uitgeverij Smit van 1876
NOTA BENE:
mailadres hoofdredactie: [email protected]
VOOROP GEZET
Het probleem met het schrijven van een colum is de
actualiteit. Eigenlijk kun je nooit actueel zijn omdat er
teveel tijd zit tussen het schrijven van een artikel en
het verschijnen van het blad. Dat geldt ook voor
Vogelvreugd. Dat is dan ook de reden dat u in deze
tekst eigenlijk weinig aantreft over het NK Vogel 2016
in Apeldoorn. Natuurlijk is dat jammer omdat het
tenslotte gaat om de eerste keer dat de beide
vaderlandse vogelbonden zo’ n geweldig evenement
organiseren, dat met recht het nationaal
kampioenschap mag worden genoemd. Uit de eerste
hand dan de ervaringen van alle betrokkenen
meenemen zou zeker leuk zijn. Maar het gaat niet
vanwege die deadline en tegelijk zullen we maar
denken: ”Wat in het vat zit verzuurt niet”. Via allerlei
andere wegen zullen de ervaringen van Apeldoorn u
in de komende weken ongetwijfeld bereiken, zo ze u
nog niet bereikt hebben.
Wat ik u wel kan vertellen zijn mijn eigen ervaringen
in de voorbereidingen van het evenement. En, laat ik
daar maar meteen duidelijk over zijn, die zijn
zondermeer positief. Met zo’n 14000 vogels in de
wedstrijdafdeling en ruim 2000 in de speciale verkoop
mag je bijna spreken van een kleine Mondial. Die
indruk maakt het ook echt, zeker wanneer je op de
bovenomloop van de zaal liep en je keek naar
beneden. Het riep bij mij herinneringen op aan
Rosmalen een jaar geleden. Op de zondag was het
een gekrioel aan mensen die allemaal hun vogels
kwamen brengen, om de dag erna hetzelfde beeld
bevestigd te zien in de keuringsdag. Opnieuw een
bijenkorf vol mensen die allen hun weg zochten. En
eigenlijk is dat laatste woord niet helemaal terecht
want er waren maar weinigen die echt zochten. Net
als in een bijenkorf wist iedereen zijn weg en vooral
zijn taak. Dat maakte dat ondanks alle drukte en de
vele bewegingen in de zaal het allemaal een goed
gecoördineerde indruk gaf. Dat gevoegd bij de
relatieve rust die bij zo’n hectische dag eigenlijk hoort
en de conclusie mag zijn, dat de keuringsdag een
perfect verloop kende. Aan het eind van de dag werd
alles in gereedheid gebracht voor de volgende slag
die gemaakt moest worden. Het opbouwen van
stands, zowel de eigen als de commerciële, en dat
betekende dat de laatste rudimenten van de
keuringsdag van de vloer verdwenen en een begin
werd gemaakt met het uitzetten voor de opbouw van
alles wat nog overeind gezet moest worden. En
opnieuw ging dat allemaal keurig georganiseerd.
Zo alles bij elkaar rechtvaardigt dat mijn positieve
conclusie
voorzover
het
gaat
om
de
voorbereidingsdagen. Het verloop van de show
vanaf donderdag en de evaluatie komt op een later
moment wel aan de orde. Mocht er dan nog iets zijn
dan komt het wel boven water. Mijn conclusie is dat
dit eerste gezamenlijk georganiseerd nationaal
kampioenschap naar meer smaakt.
Onno Bijlsma
INHOUD februari 2016 (96e jaargang)
51
52
58
62
65
66
67
70
71
76
78
80
83
86
90
92
94
Voorop gezet
De Kauw / P. Oude Elferink
Genus forpus, een taxonomisch overzicht 9 / D.v.d.Abeele
De geelwang valkparkiet onder de loep / E.v.d.Laar
Onkruiden, vogelmuur / A.v.Mingeroet
De memoires van James, deel 4 / Bertrand
Natuurlijke setting Duits vogelpark / O.Bijlsma
Voorbereiding op de kweek 2 / W.v.Gils
Slangenhalsvogels zwemmen en fourageren onder water / B.Nys
Lange neus .... / A.Huyghe
Vogel 2016
Granada amazone in Europese dierentuinen / N.Rosseel
De London Fancy, terug van weggeweest 1 / H.v.d. Grouw
Vogelvoeding, deel 1 / H.Branje
De nationale vogel van ... De Dominicaanse Republiek / R.Meerema
De fluweelwever / Werkgroep ploceidae
Berichten
Vogel 2016
51
EUROPESE VOGELS
DE KAUW
Ik zag na het lezen van het artikel van kweek met de ekster een uitdaging om met kauwen te gaan kweken. De kweek met de kauw leek mij veel eenvoudiger dan die van de
ekster en gaai. Kauwen zijn namelijk erg sociaal, broeden in kolonieverband en zijn erg
verdraagzaam ten aanzien van hun partner.
Algemeen.
Status in Nederland: jaarvogel. (zeer) talrijke
broedvogel; doortrekker in groot aantal en wintervogel in zeer groot aantal.
Familie: Kraaien (Corvidae)
Latijnse naam: Corvus monedula
Nederlands: Kauw, torenkraai
Duits: Dohle
Engels: Jackdaw
Frans: Choucas des tours
Lengte: 33 cm
Vleugellengte: 24 cm.
Gewicht: 230 gram
Ondersoorten en verspreiding
De Kauw is in drie ondersoorten opgesplitst, te weten de (Westerse) Kauw Corvus monedula spermologus, Noordse Kauw C. m. monedula en Russische Kauw C. m. soemmeringii.
Door Voous (1950) en Voipio (1969) wordt de
Noordse Kauw gezien als de meest westelijke vertegenwoordiger van de westelijke uitbreiding van
de soemmerringii-tak. Kort door de bocht gesteld
zou dit inhouden dat de Noordse Kauw feitelijk de
overgangsvorm is tussen de twee meest herkenbare vormen van de Kauw, te weten de Russische
(soemmerringii) en de Westerse Kauw (spermologus).
De Russische Kauw wordt door sommigen nog
verder onderverdeeld in de vorm collaris in Zuidoost-Europa en ultracollaris in Centraal-Siberië en
Mongolië (o.a. Cramp en Perrins, 1994, Glutz von
Blotzheim & Bauer, 1991).
De Noordse Kauw broedt in zuidoost Noorwegen, Zuid-Zweden en noord en Oost-Denemarken
(Cramp & Perrins, 1994), met het grootste aandeel
in zuid- en Midden-Zweden (Glutz von Blotzheim
& Bauer, 1991). Kauwen die voorkomen in het
gebied tussen c 10° en c 23° oosterlengte, zuidelijk tot Oostenrijk en Kroatië zijn in het verleden
aangeduid als de vorm turrium (o.a. Voous 1950).
Deze vorm is door sommigen in de spermologusgroep geplaatst maar verschilt hier dusdanig van
dat deze het beste bij de ondersoort monedula
geplaatst kan worden, waar deze ook het meest
op lijkt (Cramp & Perrins, 1994). Dit houdt in dat
de overgangszone van spermologus metmonedula
in Europa in een brede zone ligt van Zuid-Denemarken, Noordwest-Duitsland, Oost-Nederland tot
Noordoost-Frankrijk en Zwitserland, en dat de ondersoortmonedula zo bezien bij onze oostgrens al
zou beginnen!
In Zuid-Finland gaat de Noordse Kauw van west
naar oost geleidelijk over in de Russische Kauw
52
(Voipio 1969). De overgangszone loopt verder van
noord naar zuid over de Baltische Staten en OostPolen tot Oost-Roemenië en Kroatië (Cramp &
Perrins, 1994). Het eigenlijke verspreidingsgebied
van deze vorm bestaat uit een enorm gebied dat
de gehele voormalige Sovjet-Unie omvat tot aan
het Baikalmeer en Noordwest-Mongolië, met de
zuidgrens in Turkije en Israël en oostelijker tot aan
de Himalaya (Voous 1960, Cramp & Perrins, 1994,
Madge & Burn, 1994).
Variatie in zijn verschijning
Vanwege de brede overgangszones tussen de diverse rassen en de daaruit voortvloeiende individuele
variatie kan het op naam brengen van kauwen een
hele opgave zijn. Specifiek onderzoek naar de variatie in een overgangszone tussen Noordse en Russische Kauw is gedaan door Voipio (1969) in ZuidFinland. Ook Voous (1960) heeft de variatie binnen
Russische Kauwen beschreven.
Vanwege
het 136_Opmaak
clinale karakter
van08:05
het voorkomen
van
Adv Voliere 92,5x
1 19-12-14
Pagina 1
de lichte sikkel is de geografische variatie enorm. Een
Volièrebouw Nederland
Onze specialiteit is topkwaliteit
duidelijke trend bij Noordse Kauw in Scandinavië is
dat de sikkel van noord naar zuid geleidelijk donkerder en kleiner wordt en ook minder vaak voorkomt
(Voipio, 1969). Daarnaast is de individuele variatie
dusdanig, dat sommige vogels helemaal geen halsband vertonen of slechts een vage. Dit komt vaker
bij Noordse dan Russische Kauwen voor en betreft
relatief vaak vrouwtjes (Voous, 1960, Voipio, 1969).
Bij onderzoek hiernaar door Voipio in Zuid-Finland
bleek dat de gemiddelde grootte van de halsband
van west naar oost toenam. De meest oostelijke onderzochte Kauwen hadden zelfs een twee keer zo
grote gemiddelde halsband dan de westelijke. Ook
werd de halsband van west naar oost witter. Hierbij
moet aangetekend worden dat de vrouwtjes gemiddeld een "donkerder" halsband hebben dan mannetjes. Tenslotte ontbraken bij de oostelijke populatie de
halsbandloze exemplaren (n=16). Voipio concludeerde hieruit dat de gehele Finse Kauwenpopulatie feitelijk een tussenvorm is tussen de Scandinavische en
de noordwestelijke Russische populaties met alleen
zuivere Russische Kauwen in het uiterste oosten.
Voipio stelt tevens dat zelfs de meest zuidwestelijke
populatie in Finland geen pure Noordse Kauwen zijn,
vanwege de hoge graad van variatie van de halsband en het voorkomen van een intermediaire vorm
van Noordse en Russische Kauw bij Uppsala. Dit
betekent dat de overgangszone tussen Noordse en
Russische Kauwen in noordoost Scandinavië zeker
270 km bedraagt.
Bij onderzoek van Voous (1960) aan Kauwen uit
het gebied van de rivieren de Boeg en de Njemen
in Polen, waar de vormen turrium/monedula en
soemmerringii elkaar treffen (Voous, 1950), werden uiterst gevarieerde broedpopulaties aangetroffen, die de indruk wekten bastaardpopulaties te
zijn. Het betrof hier vogels met variërende of zelfs
ontbrekende halsbanden (16%) en vogels met
donkere wangen (16%) en onderdelen (8%), niet
verschillend van Westerse Kauw.
Mijn ervaring in het veld tot nu toe is dat de variatie
bij Noordse Kauw inderdaad enorm is, maar niet
meer dan in het onderdeel herkenning van dit artikel is beschreven. De meest verwarrende exemplaren zijn die met de witte vlek in de ondernek die
vervolgens breed, (licht)grijs wegloopt naar achteren. Ook de Noordse Kauwen met een brede (licht)
grijze sikkel vanaf hun ondernek naar hun achterhoofd kunnen in zonlicht veel op Russische Kauwen lijken. Het is uiteraard wel zo dat in het veld alleen de Russische/Noordse Kauwen met de meest
uitgesproken halsbanden uit een vaak beweeglijke
groep Kauwen gepikt worden en dat eerste winter
vogels en de exemplaren
Twee kauwen achtervolgen een buizerd
Voorkomen in Nederland:
Vierkant achter kwaliteit
in dierenverblijven
www.volierebouw.com
Trend en aantal:
Tijdens het uitkomen van de Atlas van de Nederlandse Broedvogels in 1979 broedden er 60.000
tot 120.000 kauwen in Nederland. In de periode
1998 - 2000 werden in Nederland 180.000 tot
220.000 paren berekend. Dat zijn er meer dan dertig jaar daarvoor, maar destijds werd een andere
berekening gebruikt. Het precieze aantal verloop is
daardoor niet helemaal goed aan te geven, maar
53
van een sterke afname is in ieder geval zeker geen
sprake. De verspreiding in Nederland heeft zich
fors uitgebreid; alleen in Zuid-Limburg, de Veluwe
en het Flevosche landbouwlandschap komen nauwelijks kauwen voor. Zijn aanwezigheid in Zuidelijk
en Oostelijk Flevoland beperkt zich tot Almere en
Lelystad. Ook op de Veluwe is het aantal broedende kauwen laag. Deze is met zijn grote aan een
gesloten bossen vrijwel ongeschikt als broedbiotoop. Zelfs in het waddengebied dat voornamelijk
uit kwelder en duin bestaat komt de kauw voor. De
hoogste dichtheden treffen we aan op de oostelijke
en zuidelijke zandgronden, in de zeekleigebieden
van Noord- Nederland en in verstedelijk gebied.
Leefwijze
De kauw is een uitgesproken broedvogel van cultuurlandschap. Kauwen nestelen in verschillende
holtes. Het nesthol van de zwarte specht is een
geliefde kauwen broedplaats.
Ook wordt er gebroed in konijnenholen gelegen in
de duinen, holtes en nissen van gebouwen, zoals
schoorstenen en kerktorens, en onder bruggen en
in loodsen. Ook worden er open nesten in coniferen gemaakt. Holtes worden volgestopt met takjes
en de nestkom wordt bekleed met wol, haar en
plantenvezels. In geschikte broedgebieden kunnen kolonies van een tiental tot wel honderd paren
worden gevormd. Van belang is vooral het aanbod
van nestgelegenheid. Het vinden van voedsel is in
ons cultuurlandschap veelal een beperkende factor voor het voorkomen van kauwen. De kauw is
een echte alleseter en het brede voedselspectrum
bestaat uit zaden en vruchten, insecten, afval en
eieren en jongen van kleine zangvogels.
De broedtijd van de kauw begint begin eind april.
Er worden vier tot zes eieren gelegd. De eieren zijn
licht helderblauw en bezet met kleine vlekjes en
spikkels in zwartachtige-bruin, olijfbruin en blauwgrijs. De afmeting is 35,7x25,5 mm. De broedduur
bedraagt 17-18 dagen. De jongen zijn donzig. Het
54
zijn erg verdraagzaam ten aanzien van hun partner.
In 1975 werden enkele nesten met jonge kauwen
door mij uitgehaald. Deze nesten bevonden zich in
knoteiken en essen in de uiterwaarden van de IJssel tussen Deventer en Zutphen. De kauw was toen
het jaar rond bejaagbaar en met toestemming van
de grondeigenaar en of gebruiker konden jonge kauwen legaal uit hun nest gehaald worden. Ik heb een
twaalftal vogels uitgehaald die een dag of tien oud
waren. Deze werden geringd met postduifringen.
Deze ring is mijns inziens te groot voor een kauw.
Ik kon de tien dagen oude jongen zonder probleem
met deze ringen ringen. Omdat er geen uiterlijk geslachtkenmerken bij kauwen zijn heb ik de vogels
laten sexen bij de vogelkliniek van G. Kaal aan de
Kapelweg 58 te Amersfoort.
Kauw
foto Jankees Schwiebbe
dons is rookgrijs. De binnenzijde van de bek is purperachtig-roze en de dikke snavelrand is lichtgeel.
De jongen verlaten na ongeveer 32 dagen het nest.
De cultuur kauw.
Huisvesting.
Midden vorige eeuw was de kauw een veel gehouden
vogel. Nestjongen en pas uitgevlogen jongen werden
uitgehaald of gevangen en groot gebracht met melk
en brood en werden als zij zelfstandig waren meestal
gevoerd met maaltijdresten. Een deel van deze kauwen werden gekortwiekt of vloog in de herfst weg.
Mijn eerste kauw, Jeroen, vond ik toen ik tien jaar oud
was. Het was een pas uitgevlogen kauw die een deel
van de bovensnavel miste. Jeroen mocht overdag vrij
rond vliegen en overnachtte in een vlucht waarin ook
Europese eekhoorns waren gehuisvest. In de maanden oktober en november kwam Jeroen nog maar
sporadisch in zijn hok om in het voorjaar geheel te
verdwijnen. De daaropvolgende jaren zag ik hem
of haar nog een enkele keer bij ons in de tuin. Jeroen kon ik namelijk goed herkennen aan zijn deels
geamputeerde bovensnavel. Na Jeroen heb ik nog
enkel jaren kauwen opgevoerd die net als Jeroen in
de herfst of vroeg in de winter verwilderden. In 1973
of 1974 stond er in Onze Vogels een artikel over de
kweek met de Europese eksters. Inmiddels had ik
ook ervaring opgedaan met het grootbrengen van
andere kraaiachtigen zoals de zwarte kraai, roek en
Vlaamse gaai, de naam van deze kraaiachtige is inmiddels gewijzigd in gaai.
Ik zag na het lezen van het artikel in de kweek met
de ekster een uitdaging om met kauwen te gaan
kweken. De kweek met de kauw leek mij veel eenvoudiger dan die van de ekster en gaai. Kauwen zijn
namelijk erg sociaal, broeden in kolonieverband en
Ik heb drie koppels gevormd en deze vogels werden paarsgewijs gehuisvest in vluchtjes van 1.5 m
breed, 1 m diep en 2 m hoog. Voorheen werden
hierin de Europese eekhoorns gehouden. Ik ben
toen gestopt met het fokken van eekhoorns mede
omdat deze erg ziektegevoelig zijn. Wat opviel
was dat na het koppelen de kauwen veel minder
tam waren dan voorheen en dat de vogels steeds
samen waren. De kauwen werden gevoerd met
Claus insectenvoer, beokorrels van witte molen,
meelwormen, gevangen sprinkhanen en mestpieren. Dit laatste is niet aan te bevelen omdat deze
vaak besmet zijn met luchtpijpwormen. In het eerste kweekjaar werd er door één koppel genesteld
en met succes twee jongen grootgebracht. Als
nestgelegenheid had ik in elke vlucht een melkbus horizontaal opgehangen en deze gevuld met
tabakstengels, en eiken en berken takjes. Alle drie
koppels startten half april met de nestbouw. Als
nestmateriaal voor de afbouw werd paardenhaar
verstrekt. De kauwen werden na de eileg enorm
agressief en ik heb tijdens het broeden geen nestcontrole uitgevoerd omdat bij controle de kauwen
over de eieren gingen lopen. De kans van kapot
trappen was bij controle zeer aannemelijk. Na het
uitkomen werden er ééndagsmuizen, enorme hoeveelheden spanrupsen, meelwormen en pissebedden en duizendpoten gevoerd.
Ook na het uitkomen van de eieren was nestcontrole niet mogelijk. Beide ouders verdedigden hun
jongen zeer fanatiek. Ik heb de jongen niet geringd
om het uit het nest gooien na het ringen te voorkomen. De jongen waren na het uitvliegen redelijk
schuw.
Het tweede kweekjaar werd er door alle drie de
koppels genesteld echter ei leg vond alleen plaats
bij het koppel dat ook in het eerste kweekjaar met
succes broedde.
De ouders lieten bij het benaderen van de vlucht
constant hun alarmroep horen. De overige tweekoppels reageerden ook met deze roep. Na het
tweede broedseizoen heb ik de drie oude koppels verkocht. De hoge kosten van het voer en de
inspanning om spanrupsen te verzamelen en de
geluidsoverlast van de kauwen in het broedseizoen en mijn specialisatie in de kweek met de vink,
groenling, sijs en kneu heeft mede geleid tot het
besluit om de kauwenkweek te beëindigen.
Standaardeis Kauw.
Kauw (Corvus m. monedula)
Algemene Informatie
Verspreidingsgebied: geheel Europa, uitgezonderd
het hoge Noorden en Noordoost Europa. In Nederland zeer algemeen. Karakteristieke kopvorm met
hoog voorhoofd. Loopt met kop knikkend rechtop.
Opvallend is ook de blauwgrijze tot witte oogkleur.
De kauw is een koloniebroeder.
Ondersoorten
De twee ondersoorten zijn: Corvus m. spermologus: West- en Zuid Europa. Is geheel donkerder
van kleur. Corvus m. soemmerringii: Noordoost
Europa. Vooral in het najaar heeft deze ondersoort
opvallende grijswitte vlekken beneden op de zijhals, tussenvormen met een lichte zijhals en achterhoofd komen ook voor.
Erfelijkheid en veerstructuur
In de bevedering van de kauw komt alleen eumelanine voor. Voor de vererving en het gevolg van
de mutaties wordt verwezen naar de standaard
erfelijkheid en veerstructuur. Van de kauw zijn de
volgende mutaties bekend satinet, bruin en agaat.
55
Van deze mutaties zijn nog maar weinig vogels
voorhanden, daarom zijn ze nog niet beschreven.
Fysieke standaard
Formaat: De kauw is 30- 34 cm lang, gemeten tussen de punt van de snavel en het uiteinde van de
staart.
Model: De kauw heeft een geblokt type. Van opzij gezien moet de borst- / buiklijn van voldoende
volume zijn en regelmatig gebogen. Op rug moet
vanaf de kop tot aan de punt van de staart een bijna rechte lijn vormen. Ook de nek is vol. De kop is
karakteristiek te noemen met een hoog voorhoofd.
Van voren gezien dient de borst vol en goed rond
te zijn, maar niet vet. In het achterlichaam mag de
Kauw niet de indruk maken uitgezakt te zijn.
Houding: De kauw is een vrij rustige vogel en zal
zich goed kunnen tonen tijdens de keuring. Hij
hoort rechtop te zitten, het lichaam dient los van de
stok te blijven. Hij toont daarbij een fiere en aandachtige houding. De vleugels dienen strak langs
de romp gedragen te worden, waarbij de vleugelpunten sluiten bijna op het eind van de staart.
Conditie: Een goede conditie is een eerste vereiste.
Poten: De poten moeten recht en stevig zijn, zonder verruwing en of vergroeiingen. De tenen dienen op een natuurlijke wijze stevig om de stok te
klemmen, waarvan drie tenen naar voren en één
naar achteren, met aan elke teen een iets natuurlijk
gekromde nagel.
Ringmaat: 6 mm.
Snavel: Relatief kort, maar erg stevig. Onder- en
bovensnavel moeten goed op elkaar sluiten en onbeschadigd zijn.
Bevedering: Een onbeschadigd verenpak dient
strak en aaneengesloten gedragen te worden. Ook
de staart heeft een enigszins afgeplat model. Bij de
neusgaten zwarte borstelharen.
rebe: witbonte kauw; lbe: crèmekleurige kauw, in het wild
gefotografeerd in Noordwijkerhout
Tekeningpatroon tekeningonderdelen van de kauw:
Voorhoofdband: De voorhoofdband wordt gevormd
door de kruin tot bovenop de schedel en loopt
daarna achter het oog langs tot aan de borst. Deze
tekening is een duidelijke kleurscheiding en zeer
kenmerkend voor de kauw.
Kleurstandaard: Kauw man en pop.
Kleur: Kop, masker en achterhoofd Zilvergrijs, uitvloeiend naar de flank / borstlijn Borstelveren Zwart
Borst, buik, flanken, dijen en aarsstreek Zwart Rugdek / mantel Zwart, met een blauwe waas Onderrug en stuit Zwart, met een blauwe waas Vleugels
Zwart, met een blauwe waas Staartpennen Zwart,
uiteinde afgerond
Poten, nagels en snavel zwart
Ogen Grijswit tot grijs, blauwe oogring. Pupil zwart
Tekeningkleur: Voorhoofdband, kruin tot boven
op de schedel zwart met een blauwachtige glans.
Loopt strak achter het oog langs tot aan de borst.
Keurtechnische aanwijzingen: Kauw man en pop
Algemeen
Aangaande de samenstelling van de vleugelpennen van de kraaiachtige wordt opgemerkt, dat de
eerste vleugelpen altijd korter is dan de tweede
(ongeveer de helft). De tweede vleugelpen is altijd
korter dan de derde. De twee langste slagpennen
zijn de derde en de vierde. Wanneer we kraaiachtige vogels keuren, mag men nooit de opmerking
plaatsen van buitenste pen niet compleet of te kort.
Wildkleur
Er dient op gelet worden dat de nekkleur zo helder
mogelijk grijs is. Vaak zien we dat deze niet duidelijk genoeg is. De koptekening dient strak afgelijnd
te zijn en mag geen onregelmatig verloop laten
zien. De neusharen zijn regelmatig beschadigd, dit
56
is een bevederingfout, in zeer ernstige mate ook
straffen bij conditie. De vleugelpennen zijn tamelijk
lang, reiken bijna tot aan het uiteinde van de staart.
Het model moet vol zijn.
Geraadpleegde literatuur
Elseviers Broedvogelgids
Speciaal uitgave S.E.C.
Thieme’s vogelatlas De Europese broedvogels
Diverse publicaties S.O.V.O.N.
Broedvogel atlas 1979 en 2002
Tekst: Paul Oude Elferink
Foto's: Henk Branje
57
PAPEGAAIACHTIGEN
GENUS FORPUS, EEN TAXONOMISCH OVERZICHT 9
De leden van het genus (geslacht) Forpus zijn zeker geen onbekenden voor vogelliefhebbers. Er zijn acht soorten en volgens de recentste taxonomische inzichten zouden
er 11 ondersoorten zijn. (Gill & Donsker, 2013) Deze kleine papegaaitjes zijn overwegend
groen gekleurd met felblauwe veervelden, en bij één soort, Forpus xanthops, hebben de
mannetjes een geel gekleurd masker. Afhankelijk van de soort zijn ze tussen de 12 en 15
cm groot (Del Hoyo, Elliott, Sargatal, & Cabot, 1997).
Hun natuurlijk habitat is verspreid over Mexico en het overgrote deel van Zuid-Amerika.
FORPUS CONSPICILLATUS (Lafresnaye) 1848
Oogringdwergpapegaai
Forpus conspicillatus vinden we in het noordwesten
van Zuid-Amerika verspreidt over delen van Colombia,
Panama en Venezuela. Ondanks het vrij grote verspreidingsgebied dat toch meer dan 320.000 km²
bedraagt (www.birdlife.org, 2014) is er van hun
broedgedrag in de wildbaan vrij weinig geweten. Er
werd wel onderzoek gedaan naar de manier waarop
ze met elkaar communiceren (Garnetzke-Stollmann
& Franck, 1991; Wanker, Apcin, Jennerjahn, & Waibel,
1998; Wanker, Bernate, & Franck, 1996; Wanker,
Sugama, & Prinage, 2005; Wanker & Fischer, 2001;
Wanker, 1999) en of ze de mogelijkheid hebben om
voedsel welke aan een touw werd opgehangen binnen te halen (Krasheninnikova & Wanker, 2010),
maar al deze onderzoeken werden uitgevoerd met
vogels in avicultuur en leren ons dus niets over hun
broedgedrag in de wildbaan.
We vinden Forpus conspicillatus zowel terug in graslanden, tropische savannes en wouden. We kunnen
dus wellicht ook van de veronderstelling uitgaan dat
deze vogels net als alle andere Fopussoorten gebruik
maken van nestholtes in bomen. Er zijn gelukkig ook
geen indicaties dat deze soort in het wild bedreigt is.
Een overzicht van de ondersoorten:
Nominaatvorm: Forpus conspicillatus conspicillatus
(Lafresnaye) 1848
Oogringdwergpapegaai
Deze Forpus conspicillatus conspicillatus werd
gelijktijdig met Forpus passerinus viridissimus
beschreven door Frédéric Armand André de
Lafresnaye (1783-1861) in de elfde editie van
'Revue Zoologique, par la Societé Cuvierienne...
Journal mensuel publié sous la direction de M. F. E.
Guérin-Ménéville'.
Lafresnaye noemde deze soort Psittacula conspicillata (Psittacule à lunettes). De beschrijving
58
Beschrijving nominaatvorm:
De mannen zijn overwegend groen, het masker is
een tint donkerder. Rond het oog is een blauwe ring
van veren welke achter het oog op een punt
samenkomt. Het achterhoofd en nek heeft een
grijze waas. De rest van het lichaam heeft een
lichtgrijze waas. De onderrug, stuit en primaire
vleugeldekveren zijn donkerblauw/violetachtig.
Vleugelbocht en ondervleugeldekveren zijn donkerblauw. Ogen zijn tweekleurig, bruine iris en
zwarte pupil. Poten vleeskleurig en nagels hoornkleurig.
Poppen missen de blauwe en violette veervelden.
Rond het oog hebben ze een smaragdgroene ring.
Lichaam is groen met gele waas. Kleur ogen, poten
en nagels identiek als bij mannen.
Deze Forpus conspicillatus conspicillatus vinden
we hoofdzakelijk terug in het oosten van Panama
en noord en west Colombia.
Forpus conspicillatus caucae (Chapman) 1915
Cauca dwergpapegaai
Beschrijving Forpus conspicillatus
Forpus conspicillatus is ongeveer 12 – 13 cm groot
(Del Hoyo, Elliott, Sargatal, & Cabot, 1997; Forshaw
& Cooper, 1973; Juniper & Parr, 1998). Ze zijn
overwegend groen en de mannen hebben een
blauwe ring rond het oog. Bij de poppen is deze
vervangen door een smaragdgroene ring rond het
oog. Bij de mannen is er een grijze waas waar te
nemen op het lichaam. De onderrug is blauw.
De poppen zijn overwegend groen met gele waas
over het lichaam en missen zoals de meeste poppen bij Forpussoorten de blauwe veervelden.
Deze kleuren kunnen wat variëren naargelang de
ondersoort waar de vogels toe behoren.
Van deze soort zijn er drie ondersoorten gekend:
Forpus conspicillatus conspicillatus (Lafresnaye)
1848: nominaatvorm oogringdwergpapegaai
Forpus conspicillatus caucae (Chapman) 1915:
Cauca dwergpapegaai
Forpus conspicillatus metae Borrero & Hernandez
1961: Meta dwergpapegaai
gebeurde, zoals het destijds veelal gebruikelijk
was, in het Latijn, maar Lafresnaye voegde er ook
nog een Franse vertaling aan toe.
Ik geef hier een vrije vertaling:
“Deze kleine soort onderscheidt zich gemakkelijk
van 'de passerina' door haar meer donkere groene
tint, bijna smaragdgroen op het voorhoofd en wangen zonder enige geelachtig groene schijn.
Eveneens door de cirkel van blauwe veren rond de
ogen. De bek en de poten lijken wit, of ten minste
zeer lichtgeel. De vogel is ook een beetje kleiner
dan de passerina” (Cuvierienne, 1848, p. 172).
Hij vermeldde ook dat deze soort aangetroffen
werd in Colombia. Toen Boie tien jaar later het
genus Forpus determineerde werd het Forpus conspicillatus conspicillatus. Conspicillatus betekent
zoveel als 'met opvallende markeringen aan het
oog'.
Het was de Amerikaan Frank Michler Chapman
(1864-1945) die in 1915 als eerste Forpus conspicillatus caucae onder de naam Psittacula conspicillata caucae - subsp. Nov. - (nieuwe ondersoort)
beschreef in de 34ste editie van Bulletin of the
American Museum of Natural History.
Chapman was in 1908 als curator aangesteld op de
afdeling vogels van het American Museum of
Natural History. In deze hoedanigheid beschreef bij
diverse nieuwe soorten.
Hij vermeldde volgende aan het begin van zijn
foto H.Schipper
hoofdstuk Descriptions of proposed new birds from
Central and South America : 'Dit document is in
feite de vierde voorlopige publicatie over de collecties die het American Museum in de afgelopen
jaren heeft ontvangen uit Colombia. De identificatie
van dit materiaal leidde in sommige gevallen tot de
ontdekking van ogenschijnlijk onbeschreven soorten...'.
Met andere woorden, hij is nooit in het gebied
geweest en heeft de vogels beschreven aan de
hand van de beschikbare balgen in de collectie.
Ik geef hier een vrije vertaling van zijn beschrijving:
Psittacula conspicillata caucae subsp. nov.
Lijkt op P. c. conspicillata van Lafresnaye uit de
Bogota regio, maar is groter. De vleugels en de
staart zijn wat langer. De bek is gemiddeld zwaarder. De blauwe veren van de stuit, boven- en
ondervleugeldekveren zijn duidelijk meer blauw en
minder paars of blauw-violet.
Ze zijn afkomstig uit de tropische zone in de Cauca
WITTE SPREEUWEN
Het meest gelezen Belgisch Ornithologisch tijdschrift, pagina’s boordevol informatie over vogels.
Voor één jaarabonnement in Nederland gireert u € 35 via een Europese overschrijving bij de KBC bank. Het
IBAN rekeningnr. BE33 7330 0642 3046 en BIC code = KREDBEBB t.n.v. KBOF - Van Paesschen François,
Molenheide 8 te B-2870 Puurs.
Alle leden ontvangen maandelijks het clubblad van de KBOF, "DE WITTE SPREEUWEN", pagina's boordevol
informatie over vogels. Inschrijvingen en gratis proefnummer op aanvraag bij Achten Paul, Everlaarstraat 78, B
9160 Lokeren België. E-mail: [email protected] - Bezoek onze website http://www.kbof.be
Wildopname nominaatvorm
Nick Athanas
59
Hernandez 1961. De namen van de auteurs staan, in
tegenstelling tot bijvoorbeeld Forpus conspicillatus
caucae (Chapman) 1915, niet tussen haakjes.
Chapman beschreef F.c.caucae als Psittacula conspicillata caucae en deze ondersoort moest bijgevolg in
een ander genus geplaatst worden. Vandaar dat hun
naam tussen haakjes staat. Bij deze Forpus conspicillatus metae was dat niet nodig aangezien beide
auteurs deze ondersoort meteen in het juiste genus
plaatsten.
De beschrijving gebeurde in het Portugees en was
gebaseerd op de aanwezige balgen in het museum.
Het werd een lijvig rapport waarin alle ondersoorten
met elkaar werden vergeleken. Op deze manier toonden de auteurs aan dat de vogels die in het oosten
van het verspreidingsgebied (Centraal Colombia, ten
oosten van het Andesgebergte tot het westen van
Venezuela) van deze soort voorkomen wel degelijk
van de twee overige ondersoorten verschillen. Want
aan de ene kant zijn ze net zo groot als de nominaatvorm (en dus kleiner dan F.c.caucae), maar aan de
andere kant hebben ze net als de caucae slechts een
blauwe lijn boven en achter het oog en missen dus de
gesloten oogring van de nominaatvorm. Dit geldt net
zo als bij de caucae ook voor de poppen die misschien ook iets lichter groen gekleurd zijn dan de
nominaatvorm. - Benoemd werden deze vogels als
Forpus conspicillatus metae naar de Rio Meta. Deze
ontspringt in het departement Meta in Centraal
Colombia en vloeit samen met de Orinoco rivier in de
buurt van Puerto Carreño aan de grens met
Venezuela. Daarmee loopt deze rivier door een groot
deel van het habitat van deze ondersoort.
vallei en westwaarts over de San Antonio Pass
naar de dorre stroomgebied van de bovenste
Dagua Valley.
Type-exemplaar nummer: 107.754 , American
Museum of Natural History. Cali ( 3500 ft ), Cauca
Vallei, Colombia, 21 december 1910 ; W. B.
Richardson .
Toelichting - . Deze vorm is gebaseerd op een
reeks van twaalf mannen en drie poppen uit de
regio Cauca, die caucae zijn. Ze werden vergeleken met elf mannen en zes poppen, uit de
Magdalena vallei en Buena Vista, welke conspicillata zijn. De extreemste kleuren worden gevonden
bij drie drie mannen van Caldas.......
Daarbij geeft hij ook aan dat hij veronderstelt dat de
vogel die Lafresnaye als Psittacula conspicillata
beschreef waarschijnlijk afkomstig was uit de Bogota
regio en hij stelde daarom voor de streek Honda aan
de bovenste Magdalena rivier, aan de voet van het
pad naar Bogota, als een geschikt type lokaliteit voor
Psittacula conspicillata conspicillata te benoemen.
De twaalf vogels welke hij gebruikte voor zijn
beschrijving van Psittacula conspicillata caucae
kwamen uit de regio van Caldas, San Antonio, Calin
Palnira en Rio Frio.
Het mag u nu duidelijk zijn dat hij deze soort vernoemde naar de Cauca vallei waar deze vogels
voorkomen. We vinden vandaag de dag deze
vogels hoofdzakelijk ten westen van het
Andesgebergte in het zuidwesten van Colombia tot
aan de grens van Ecuador.
Opvallende bij de mannen bij deze ondersoort is
wel het feit dat we bij hen de volledig gesloten
blauwe ring rond het oog, zoals bij Forpus conspicillatus conspicillatus niet aantreffen. Bij Forpus
conspicillatus caucae is er enkel een blauwe lijn
boven en achter het oog. Ook is het blauw opvallend lichter dan bij conspicillatus en zijn de vogels
wat groter. Van de poppen werd geen beschrijving
gemaakt en dat komt waarschijnlijk omdat deze
heel weinig verschillen vertonen met de poppen
van Forpus conspicillatus conspicillatus. Opvallend
verschil is dat ze enkel boven en achter het oog
een smaragdgroene lijn hebben. En misschien mag
gesteld worden dat ze iets lichter groen gekleurd
zijn dan de nominaatvorm.
Forpus conspicillatus metae Borrero &
Hernandez 1961. Metae dwergpapegaai
Tot nu toe is dat de laatst beschreven Forpussoort.
Het was (pas) in 1961 dat José Borrero en Jorge
Ignacio Hernández-Camacho Forpus conspicillatus
metae beschreven in Novedades colombianas. Dit
wetenschappelijk blad wordt uitgegeven door het
'Museo de Historia Natural de la Universidad del
Cauca'.
Dat deze auteurs de soort meteen in het juiste genus
beschreven kan je merken aan de naam van deze
soort: Forpus conspicillatus metae Borrero &
60
Forpus conspicillatus in avicultuur
Deze soort is aanwezig in avicultuur maar over de
aanwezige ondersoorten lopen de meningen grondig
uiteen. Toch zien we alleen maar vogels van de nominaatvorm.
Wanneer we de bronnen bij CITES er op naslaan dan
zien we dat volgens hun gegevens er zeer vermoedelijk conspicillatus geïmporteerd werden, aangezien er
al in 1986 export van nakweek was vanuit de EU. In
de jaren 90 zijn er wel enkele exemplaren vanuit
Brazilië (eenmaal 4 stuks en eenmaal 6 stuks) naar
België geëxporteerd. Uiteraard belet niets dat deze
vogels ook nog via andere wegen zijn ingevoerd.
Geraadpleegde literatuur:
Cuvierienne, S. (1848). Revue zoologique (Vols.
1-11, Vol. 1848). Revue zoologique.
Del Hoyo, J., Elliott, A., Sargatal, J., & Cabot, J.
(1997). Handbook of the birds of the world (Vol. 4).
Forshaw, J. M., & Cooper, W. T. (1973). Parrots of the
world. Lansdowne.
Garnetzke-Stollmann, K., & Franck, D. (1991).
Socialisation tactics of the spectacled parrotlet
(Forpus conspicillatus). Behaviour, 1–29.
Juniper, T., & Parr, M. (1998). Parrots: A Guide to
Parrots of the World. Yale University Press.
Krasheninnikova, A., & Wanker, R. (2010). Stringpulling in spectacled parrotlets (Forpus conspicillatus). Behaviour, 147(5-6), 5–6.
Wanker, R. (1999). Socialization in spectacled parrotlets (Forpus conspicillatus): how juveniles compensate for the lack of siblings. acta ethologica, 2(1),
23–28.
Wanker, R., Apcin, J., Jennerjahn, B., & Waibel, B.
(1998). Discrimination of different social companions
in spectacled parrotlets (Forpus conspicillatus): evidence for individual vocal recognition. Behavioral
Ecology and Sociobiology, 43(3), 197–202.
Wanker, R., Bernate, L. C., & Franck, D. (1996).
Socialization of Spectacled ParrotletsForpus conspicillatus: the role of parents, crèches and sibling
groups in nature. Journal für Ornithologie, 137(4),
447–461.
Wanker, R., & Fischer, J. (2001). Intra-and interindividual variation in the contact calls of spectacled parrotlets (Forpus conspicillatus). Behaviour, 138(6),
709–726.
Wanker, R., Sugama, Y., & Prinage, S. (2005). Vocal
labelling of family members in spectacled parrotlets,
Forpus conspicillatus. Animal Behaviour, 70(1), 111–
118.
www.birdlife.org. (2014, januari 30). Birdlife
International.
Wordt vervolgd, Dirk van den Abeele
61
PAPEGAAIACHTIGEN
wang wel de gelegenheid dienen te geven te broeden en het te “leren”. Met het risico dat de eieren
dus niet uitkomen, of slechts één of twee jongen
per jaar geboren worden.
Wanneer je één of twee andere koppels erbij zet
met een andere mutatie dan helpt dit ook omdat
valkparkieten echt van elkaar leren. Let wel goed
op dat je koppels erbij zet die niet dominant zijn.
Ook met bijvoorbeeld een koppel bourke parkieten
gaat het prima!
GEELWANG VALKPARKIET ONDER DE LOEP
yc
De geelwang (Z ) mutatie is een unieke mutatie uitsluitend voor valkparkieten en misschien wel de grootste uitdaging voor valkparkiet kwekers. Niet vanwege het formaat,
kleur of kwaliteit maar omdat deze erg lastig zijn om te kweken.
De geelwang staat bekend om het slechte broeden
waardoor de eieren niet uit komen. Ook geeft de
geelwang gemiddeld een iets lager aantal eieren
per leg dan andere mutaties. Het is in mijn ogen
wel één van de mooiste en grootste uitdagingen
om te kweken.
De geelwang mutatie is een geslachtsgebonden
recessieve mutatie waarbij de rode psittacine uit
de wangvlek is verwijderd of is omgezet in gele
kleurstof.
De geelwang mutatie is voor het eerst gekweekt
door Bruno Rehm in Duitsland begin jaren '90 van
de vorige eeuw. Helaas heeft hij geen administratie
en is het dus niet precies vast te stellen wanneer
de eerste geelwang mutatie door hem is gekweekt.
In 1992 is de geelwang mutatie voor het eerst geïmporteerd in de Verenigde Staten door Elsie Burgin, Nancy Rocheleau en Dave Okura.
De geelwang mutatie is nog steeds een zeldzame
mutatie, vanwege het broedgedrag en heeft onder
Dit broedgedrag maakt de geelwang tot een mutatie waar je echt van moet houden om mee te kweken.
andere in de Verenigde Staten ook nog eens concurrentie van de veel gemakkelijker te kweken Dominant Yellowface mutatie, een mutatie die wij in
Europa niet kennen en die er erg op lijkt. De geelwang mutatie heeft wel een zuiverdere gele wangvlek dan de Dominant Yellowface. De Dominant
Yellowface vererft niet geslachtsgebonden zoals
de geelwang mutatie
De geelwang valkparkiet is goed te combineren
met bijna alle andere mutaties behalve witmasker
en bleekmasker. Reden hiervoor is dat deze twee
mutaties ook invloed hebben op de gele en rode
kleurstof in de wangvlek en daarmee niet meer te
zien is welke mutatie het is. Combinaties geelwang
met witmasker of bleekmasker zijn dan ook niet
gewenst op tentoonstellingen en dienen te worden
vermeden. Beide zijn psittacine mutaties en deze
mag maar eenmaal in een mutatie aanwezig zijn
om als gevraagde vogel beoordeeld te worden op
een wedstrijd en keurbrief
Zoals gezegd is de geelwang mutatie één van de
vier geslachtsgebonden mutaties bij de valkparkieten, wat betekent dat wanneer een man, visueel of
middels split de geelwang mutatie bezit , hij poppen voort zal brengen die visueel geelwang mutatie zullen zijn.
Is de man zelf visueel geelwang Zyc of split Zyc
x2, dan zullen alle poppen in zijn nest dus geelwang zijn en gemakkelijk in het nest te herkennen.
Is de man split x1 geelwang dan komen er 50%
geelwang poppen en 50% normale poppen statistisch als nakomelingen
Geelwang komt het meest voor in combinatie met
cinnamon omdat je dan een hele mooie zacht gekleurde valkparkiet krijgt maar ook bijvoorbeeld
geelwang met lutino is heel mooi en geelwang met
opaline of bronze fallow.
Een geelwang pop kan alleen geelwang jongen
voortbrengen als zij wordt gekoppeld aan een geelwang of split geelwang man en in het nest kunnen
er dan zowel geelwang mannen als poppen voorkomen.
De geelwang jongen zijn in het nest goed te herkennen want zodra de veren beginnen door te komen is de gele wangvlek al zichtbaar.
Het kweken van de geelwang mutatie is lastig en
zeker niet aan te raden voor beginnende kwekers
vanwege het broedgedrag. Zoals gezegd broedt
de geelwang mutatie slecht tot niet en is erg snel
“afgeleid”. Wanneer de jongen eenmaal geboren
zijn, dan zijn het prima ouders die de jongen goed
groot brengen.
Geelwang cinnamon pop ek 2014, 3 maanden
oud E.M.v.Laar
tatie of de split man het meest en gaat het meestal
goed. Een split geelwang is altijd mannelijk, poppen kunnen aangezien de geslachtsgebonden mutatie nooit split voor geelwang zijn of welke andere
geslachtsgebonden mutatie dan ook.
Om het broedgedrag te verbeteren zul de geel-
In het verleden zijn er om deze reden ook veel
geelwangen met de hand opgefokt waardoor sommige lijnen gedragsproblemen lijken te vertonen
en als agressief worden bestempeld. Aangezien
handopfok sinds 1-7-2014 is verboden in Nederland wordt dit hier dus niet meer gedaan.
Cinnamon opaline geelwang pop
62
D.v.d.Mark
Er is nog een reden waarom geelwang met cinnamon het meest voorkomt en dat is omdat de geelwang en cinnamon mutatie heel dicht bij elkaar
liggen op het zelfde gen. Het Z gen waar alle geslachtsgebonden mutaties zich bevinden maar de
cinnamon mutatie is bijna niet los te koppelen van
de geelwang mutatie vanwege de ligging op het Z
chromosoon (chromosoon waar alle geslachtsgebonden mutaties op aanwezig zijn). Deze beide
mutaties liggen zeer dicht tegen elkaar aanliggen
reversed crossing-over komt zelden voor.
Reversed crossing-over betekent dat een mutatie
plotseling uit een vogel verdwijnt door het delen en
aankoppelen van het gen tijdens de bevruchting en
kan alleen bij split x 1 vogels voor een geslachtsgebonden mutatie. Kan dus voorkomen bij Cinnamon, Geelwang, Lutino en Opaline
De kans is dus erg groot dat je daarmee beide mutaties eruit kweekt.
Op Crossing- over en reversed crossing over komen we in een apart artikel nog terug.
Cinnamon is echter wel weer een hele moeilijke
mutatie wanneer je mee wil doen aan tentoonstellingen maar daarover volgende maand meer.
De huidige kwekers van geelwangen proberen juist
om het broedgedrag te verbeteren om deze mooie
mutatie is stand te houden.
Dit doen zij door bijvoorbeeld een geelwang te
koppelen met een andere mutatie of een split geelwang. Dan broedt de partner met een andere mu-
© 2015 Evelien M. van Laar
Meedenken en praten kan ook op onze facebookgroep Dutch Cockatiel Mutation Breeders.
63
ONKRUIDEN
ONKRUIDEN
Wanneer men in vogelliefhebberskringen spreekt over onkruiden, bessen en insecten, denkt bijna
iedereen dat dit een aangelegenheid is voor liefhebbers van Europese vogels. Nochtans zijn bijna alle
vogels verzot op deze lekkere dingen die de natuur hen biedt. En niet alleen Europese, maar ook vele
exotische vogels en niet in het minst parkieten, duiven en hoenderachtigen
VOGELMUUR
Familie:
Anjers
Wetenschappelijk:Stellaria media
Engels: Chickweed
Duits: Vogelmiere
Frans: Mouron blanc,Mouron des oiseaux
Vindplaats: Van alle kruiden is vogelmuur zeker het
meest bekend bij de vogelliefhebbers. En mede daardoor is het ongetwijfeld het meest gegeven onkruid
aan vogels in kooi of volière. Met vogelmuur heeft
men ook nog het voordeel dat men het zowat overal
vinden kan. Op stikstofrijke grond die goed bewerkt
wordt, vormt de vogelmuur soms een groen tapijt.
Wie in zijn tuin teveel kippen-, duiven-, of vogelmest
gebruikt zal veel moeten wieden en harken om de vogelmuur de baas te blijven. Tenzij je liever vogelmuur
voor je vogels kweekt dan groenten.
Uitzicht: Vogelmuur groeit tegen de grond liggend in
rozetvorm en fel vertakt. De bloempjes zijn klein en
wit in de vorm van sterretjes; de blaadjes zijn eivorming. In extreme gevallen kan vogelmuur tot 30 cm
hoog groeien, maar dat wijst in ieder geval in de richting van overbemesting zoals hierboven beschreven.
Bloeitijd: Vogelmuur kan men het hele jaar door vinden, met een piekperiode van maart tot mei. In het
heetst van de zomer verdrogen de planten terwijl ze
in de winter weinig zaad dragen.
Oogst: Oogsten om onmiddellijk aan de vogels te
geven kan dus in het principe het hele jaar door. Zelf
ben ik er voorstander van om vogelmuur in overvloed
te geven. De ervaring heeft me geleerd dat vogels
met jongen dan alleen het zaad voeren. Geef je vogelmuur in kleine hoeveelheden, dan worden blaadjes en stengels eveneens mee verorberd. Dit groenvoer bevat veel vocht en veel minder vitaminen.
Men kan vogelmuur ook oogsten om er een zaadvoorraad mee aan te leggen. Best kiest men hiervoor
een droge periode uit, in de maanden juni of juli. Vindt
men nu een plaats waar men een grote hoeveelheid
vogelmuur kan plukken dat rijp is, dus met veel zaad
er in, dan is het zaak deze zo voorzichtig mogelijk
te plukken. Thuis gekomen legt men de vogelmuur
open op een zeil, laken of iets dergelijks. Na een dag
in de volle zon te hebben gelegen valt reeds heel
wat zaad uit de zaaddoosjes. 's Avonds doet men de
vogelmuur in een jute zak en het reeds vrijgekomen
zaad wordt gezeefd. Dit zaad is in geen geval droog.
Het beste legt men dit open op onbedrukt papier, op
een droge plaats boven de ketel van de centrale verwarming of gewoon in de zon. Ook de resterende
vogelmuur wordt de volgende dag opnieuw open gestrooid en verder te drogen gelegd. Tegen de avond
doet men het hele zaakje in een dicht geweven jute
of katoenen zak. Vervolgens slaat men met een stok
of mattenklopper geruime tijd op de zak zodat het
resterende zaad uit de zaaddoosjes valt. Het is van
belang dat de vogelmuur rijp is en dat er een gunstige
periode uitgekozen wordt met veel zon en geen regen. Anders wordt het moeilijk om het zaad droog te
krijgen zonder schimmel.
Welke vogels: Nagenoeg alle zaadetende vogels
zijn verzot op vogelmuur. Het helpt in ieder geval heel
wat jongen van Europese vogels naar de volwassenheid, maar ook parkieten en papegaaien, kwartels tot
fazanten, duiven, exotische vogels en laten we vooral
onze kanaries niet vergeten.
Bijzonderheden: Er is een kruid dat veel gelijkenis
vertoont met vogelmuur, namelijk guichelheil (Anagallis arvensis). Bladeren en stengels hebben op het
eerste gezicht dezelfde groeiwijze, maar de bloemetjes zijn rood en er is nog een ondersoort (Anagallis
coerulea). Beide zijn zeer giftig. Gelukkig komt guichelheil niet zoveel voor als vogelmuur, maar 'een
verwittigd 'man is er toch nog altijd twee waard'.
Alois van Mingeroet
Geelwang cinnamon pop ek 2014, 3 maanden oud E.M.v.Laar
64
65
KANARIES
DE MEMOIRES VAN JAMES OO7, deel 4
James is een kleurkanarie en heeft in z'n relatief korte leven veel meegemaakt.
In een aantal afleveringen laat hij ons zijn memoires na. Allerlei dingen die zijn
voorgevallen in zijn 'loopbaan' als kleurkanarie. In deze aflevering komt een
Italiaanse schone op '' hok, afkomstig uit Reggio Emilia.
De week daarop kwam de vader van Kees en ook
de vader van Marianne op bezoek om een snelcursus 'kanaries verzorgen' te volgen. Kees voedert ons
altijd gerantsoeneerd, dat is niet zo leuk voor ons,
maar het verplicht ons dat we alles moeten opeten
en gekoppeld dat Kees ons een perfecte zadenmengeling geeft, bezorgt ons een goede conditie en dat
wil hij die mannen ook laten doen. Maar die mannen trekken zich daar niets van aan, ze voeren onze
eetbakken propvol. Die twee oude rakkers spelen
gewoon op zekerheid. Eten dat die ons geven, niet
normaal. Het feest was snel voorbij. Kees en Marianne waren zoals gepland na een week terug. Ik weet
niet wat ze ginder allemaal gesjouwd hebben, maar
ze zagen er wel moe uit, maar ook heel gelukkig dat
wel. Kees had er uiteraard vogels gekocht maar die
kregen we niet meteen te zien. Nieuw aangekochte
vogels gaan bij Kees altijd een week in quarantaine.
Hij heeft schrik dat andere vogels ons ziek zouden
maken. Slim baasje hebben wij.
Na een week werden er twee grote broedkooien
klaargemaakt. Dat was duidelijk voor de nieuwe aanwinsten. Ik was super benieuwd want tenslotte gaat
het ook om mij want Kees wou een Italiaanse pop om
tegen mij te zetten. Na tien dagen wachten in spanning werden ze in de kooien gezet: vier mannen en
vier poppen. Sjonge wat hadden die strepen, groot
waren ze niet en ik vond dat wij ook een mooiere
lipochroomkleur hadden maar die strepen hé. Ik had
alleen maar oog voor die meiden en hun strepen
mochten er ook zijn. Eentje riep in mijn richting ciao,
ik riep wat bedeesd! Hoi, ik ben Kees, ciao sono Gabriella, ik snapte er niet veel van maar wel dat ze
zich Gabriella noemde. Ik was meteen en voor het
eerst smoorverliefd op die mooie Italiaanse. Die andere drie Italiaanse meiden waren ook niet verkeerd
hoor en mooie namen dat die hadden Sophia, Paola
en Graciella, maar voor mij was de uitverkorene Gabriella. Dat was echt liefde op het eerste zicht. Maar
er was nog werk aan de winkel.
Kees had ons ingeschreven op het district en ook
op de Bondsshow. Ik werd tweemaal kampioen en
Kees liet het vaantje van de bondsshow aan mijn
kooi hangen toen ik terug thuis op mijn plaatsje
stond dat maakte duidelijk indruk op Gabriella want
toen riep ze naar mij ciao champione Hollandia daar
bloosde ik wel een beetje (veel) van. Ik denk dat ze
ook wel een beetje verliefd was op mij, ik zong de
hele dag uit volle borst. Begin maart werden de 24
mooiste poppen in de 24 broedkooien geplaatst.
Kees en Marianne hadden het hele hok gepoetst,
dat doen ze altijd als er hoog bezoek komt. En alle
66
VOGELPARKEN EN DIERENTUINEN
NATUURLIJKE SETTING DUITS VOGELPARK
Ooit was het een klein park dat vrijwel alleen bij kenners bekend was, maar dat is
het al lang niet meer. Inmiddels is Vogelpark Niendorf uitgegroeid tot een middelgroot
vogelpark dat zeker niet meer alleen bekend is bij kenners maar juist bij vele vogelliefhebbers.
groene (zwartgeel) mannen, 36 in totaal, werden in
tentoonstellingskooien gezet. 19 maart zou de grote
dag worden. Gabriella zat in kooi nr 1, dat zag er
alvast goed uit voor mij want ik was Kees zijn favoriet. Maar ik hoorde die mannen tijdens de shows
dikwijls zeggen kampioen x kampioen geeft daarom
nog geen kampioenen. Zegden ze dat om mij te pesten, weet ik niet, maar ik droomde alleen nog van
Gabriella. Ook Jac de keurmeester werd erbij gehaald, om het nog wat spannender te maken. Jac
de keurmeester had het steeds maar over, dat om
kampioenen te kweken je vogels samen moet zetten
die elkaar aanvullen. Niets werd aan het toeval over
gelaten want de dure aanwinsten moesten renderen.
Bijna alle poppen verwisselden nog van volgorde in
de kooien, maar Gabriella bleef op nr 1. Toen was
het de beurt om de mannen op nummer te zetten.
Dat was ook wel spannend want er zijn 24 kooien
maar er waren 36 mannen opgekooid. De hele namiddag gingen ze door tot er nog 24 overbleven. En
dan werden de nummers op de kooien geschreven.
Ik had de indruk dat Jac de keurmeester het door
had dat ik bij Gabriella wou en hij plakte meteen nr
1 op mijn kooi. Ik viel bijna van mijn stokje maar toen
ik wat bekomen was van de emotie, floot ik voor Jac
mijn mooiste liedje, Jac zei hij kan nog mooi fluiten
ook. Kees zei: James is mijn favoriet op alle gebied.
Mijn dag kon alvast niet meer stuk. Maar ik die dacht
dat we meteen naar de meiden mochten, ons geduld
werd nog op de proef gesteld.
Wordt vervolgd, Bertrand
Geen wonder want het biedt
een prachtige collectie vogels
die bij iedere vogelliefhebber het hart sneller zal doen
slaan vooral ook vanwege de
natuurlijke setting waarin de
dieren zijn ondergebracht.
Het park ligt in Niendorf of
beter nog aan het Timmendorfer strand onder de rook
van Travemünde in de gemeente Lübeck. Ergens vlak
tegen de Oostzee aan, in
een gebied dat zich kenmerkt
door de vele meertjes en hier
en daar een wat veenachtige
karakter. Niet naast de deur
dus want eer je er bent staat
er toch zo’n 450 kilometer op
de teller maar als je toch op
weg bent in het land van Mecklenburg Vorpommern, een
uitgelezen mogelijkheid om
eens even langs te gaan.
Het park afficheert zich met
“het meest natuurlijke vogelpark van Duitsland” en dat
klopt ook wel. Geen prachtig
aangelegde gazons of fraaie
bloemenborders met keurig
aangelegde
wandelpaden
die je langs de standaard volières voeren. Nee, de volières zijn van eigen
makelij en stuk voor stuk van natuurlijk materiaal gemaakt en de paden
zijn weliswaar verhard maar zo aangelegd dat ze heel goed passen in het
geheel. Daar komt nog bij dat de vogels zijn ondergebracht in volières die
qua afmeting er mogen zijn. Desondanks zijn ze heel goed ingepast in het
landschap. Daarbij is handig gebruik gemaakt van bestaande waterpartijen
die in deze regio nu eenmaal veel voorkomen. De vogels kunnen vrijwel
overal hun natuurlijk gedrag vertonen omdat op de ruimte nergens is beknibbeld. De ene keer is gewerkt met ruime volières en beplanting, een andere keer gaat het om enorme ruimtes, die overkoepeld zijn door speciaal
op palen vastgezette netten. Met name de watervogels hebben dankzij de
waterpartijen helemaal de ruimte gekregen en dat biedt een fraaie aanblik.
Het park werd in de 80-er jaren overgenomen door de huidige eigenaar
Klaus Langfeldt, die het gaandeweg steeds verder uitbouwde tot wat het
nu is: een prachtig park geheel passend in het bestaande wat moerasachtige gebied. De 70.000 m2 die het park groot is wordt doorkruist door
twee kilometer wandelpad dat verdeeld is in twee aparte routes. Wie zo’n
route neemt, weet zeker dat hij langs alle verblijven komt. Een deel van
de route voert zelfs door een klein gebied waar de dieren zich geheel vrij
kunnen bewegen. Op die manier kun je makkelijk kennis nemen van alles
wat er te zien valt. En dat is heel wat! Er zijn ruim duizend vogels in het
park ondergebracht verdeeld over 250 soorten. Kraanvogels, reigers, ooievaars, pelikanen en vele andere moeras- en watervogels, maar ook vele
papegaaien en parkieten, fazanten, condors, gieren, uilen en vele andere
soorten roofvogels.
Collectie
Niendorf beschikt over een fantastische collectie uilen. Het gaat zelfs om
één van de grootste levende collecties en telt maar liefst 38 soorten. Stuk
Doorkijkje in het vogelpark
67
een gezien. Het is moeilijk om niet overal je fototoestel tevoorschijn te halen.
Ooit kreeg ik 55 jaar geleden van mijn vader het
uitgeblazen ei van een kasuaris. Ik had toentertijd
nog nooit van het beest gehoord, maar toen ik dat
ei kreeg - ik heb het nog steeds - heb ik natuurlijk
meteen van alles erover opgezocht. Tegenwoordig
gaat dat met internet veel makkelijker. Als ik dus in
een park kom waar de vogel rondloopt, dan ga ik er
altijd langs. Het beest heeft een speciaal plekje. In
Niendorf hebben ze een koppel van deze veel op
een struisvogel lijkende vogel, die vooral rond de
kop over een prachtig kleurenpallet beschikt.
Ook de imposante snavels van de reusachtige
neushoornvogels zijn te bewonderen. Een tiental
soorten heeft het park en hoewel er maar zelden
in gevangenschap jongen worden geboren, is het
in Niendorf al verschillende malen gelukt. Ronduit
imponerend is de verschijning van de Goliathreiger.
Het prachtige beest doet zijn naam alle eer aan,
niet alleen door zijn lengte maar ook door zijn fraaie
tekening. Ook in dit geval zijn er meerdere exemplaren aanwezig. Wie hem vergelijkt met de ons
Waterpartij, Virginisch oehoe; beneden Chinese bamboepatrijs
Goliath reiger
Kroonkraanvogel
voor stuk pracht exemplaren. De Indische dwergooruil, sneeuwuil, een scala aan oehoe’s, waaronder de Nepaloehoe, maar ook meer bij ons bekende soorten als de velduil en steenuil. Ik heb zelden
zo’n prachtige collectie van deze fraaie dieren bij-
68
meer bekende blauwe reiger moet bekennen dat
die van ons wel wat erg mager afsteekt tegen zijn
Afrikaanse soortgenoot.
De collectie van de ons meer bekende soorten
is een stuk kleiner. Je zult er niet zoveel van de
ons meer bekende exoten aantreffen alhoewel er,
wonderlijk genoeg, een grote kooi te vinden is met
een verzameling zebravinken. Eigenlijk passen die
helemaal niet in het geheel! Wel zijn er ook aardig
wat papegaaien en parkieten te vinden. Ook in dit
geval een erg ruime behuizing voor de met prachtige kleuren getooide vogels. Opvallend is dat ze
steeds weer erg veel bekijks trekken ondanks het
feit dat ze over het algemeen veel minder bijzonder zijn dan tal van andere exemplaren in het park.
De volières van de papegaaien en parkieten vormt
het enige onderdeel dat niet in een eigen gemaakt
behuizing zit. In dit geval is een groot blok van ruim
20 volières gebruikt dat meteen na de ingang is geplaatst. In die volières is het overal schoon. Opvallend schoon zelfs. Nergens is ook maar een spoor
van verontreiniging te vinden. Ik heb het wel eens
anders gezien.
Wie plezier aan vogels beleeft moet zeker eens
een bezoek aan Niendorf brengen. Zeker als hij zijn
kennis wil verruimen want wie wil kan ook een rondleiding krijgen.
Onno Bijlsma
69
TROPISCHE VOGELS
KANARIES
VOORBEREIDING OP DE KWEEK 2
Over het voorbereiden van onze kanarie op de kweek zijn al diverse artikelen geschreven. Toch komen er bij diverse kwekers nog steeds vragen over die voorbereiding
en gaat het soms nog helemaal fout bij de voorbereiding op de kweek. Om die reden
haalt Wout van GIls nog eens enkele zaken aan die iedereen zeker moet volgen om
zijn vogels en zijn kweekruimte in orde te hebben op voor de aanstaande kweek.
Wanneer men z'n kanarievogels gaat voorbereiden
op de kweek zal er niet alleen met licht, warmte
en zuurstof rekening gehouden dienen te worden,
maar er zijn ook nog wat andere zaken waar de
vogel wat extra’s van nodig heeft. En deze zaken
mogen dan ook op geen enkele manier ontbreken
in de dagelijkse behoeften van onze vogels. Zeer
belangrijk is dat de vogels er goed en zuiver uit
zien; regelmatig badwater is dan ook een must
ook al is het wat koud. Gezonde vogels poedelen
graag; doe in het badwater steeds iets badzout.
Geef echter nooit 's avonds badwater. De vogels
moeten volledig droog zijn wanneer de lichtdimmer aan gaat. Ook het eivoer moet worden opgevoerd. In de rustperiode hebben onze vogels op
zaad moeten leven. Dit kan en moet ook zo zijn;
de vogels zijn zaadeters en zij moeten alles uit
een goede zaadmengeling kunnen halen om goed
gezond de winter door te komen en te beginnen
aan een goed voorbereiding van de kweek. Tijdens
de rustperiode mag men ook wel wat eivoer geven maar niet meer dan twee maal per week en
dan een hoeveelheid die opgegeten is binnen ongeveer drie uur. Regelmatig een stukje appel of
wortel is zeker aan te bevelen. En wat te denken
van een sneetje witbrood gedrenkt in melk. En uiteraard vergeet niet vogels met de recessief factor
elke twee weken extra Vitamine A bij te geven.
Maar op het moment dat we de vogels lichturen
gaan geven ter voorbereiding op de kweek dan
moet er ook wat extra's komen met de voeding.
Men begint ook met het eivoer van twee naar drie
keer per week te brengen. Geef om de twee dagen
wat extra hennep zaad bij, en het kan zeker geen
kwaad wat extra raapzaad en gepelde haver toe
te voegen. Wat zeker niet vergeten mag worden
is om wat tarwekiemolie toe te voegen aan het te
geven eivoer. Al moet ik toegeven dat ik zelf de
laatste vier jaar de tarwekiemolie weglaat en deze
vervangen heb door de Fertibol van Comed. Hier
zit alles in wat de vogels nodig hebben voor de
voorbereiding op de kweek en ik wil het zeer zeker
aanbevelen. Maar zoals met meerdere producten
maakt hierin ieder zijn eigen keus. Maar bedenk
wel dat extra vitaminen en sporenelementen niet
weg te denken zijn bij de voorbereiding op de
kweek. Dit samen met het aantal lichturen geeft het
begin aan van een goede of minder goede kweek.
Over de samenstelling en het nut van deze producten zijn de meeste kwekers wel overtuigd en
ze zijn dan ook niet meer weg te denken uit onze
kanariekweek. Ik blijf er bij: een goede ontwikkeling voor onze hobby. Deze producten zijn er voor
70
SLANGENHALSVOGELS zwemmen en fourageren onder water
De wetenschappelijke familienaam anhingidae en de geslachtsnaam Anhinga is een
klanknabootsing, afgeleid van ‘alina’ zoals de Braziliaanse Tupi-indianen in het
Amazonegebied de slangenhalsvogels noemen of afgeleid van ‘ávinga’ of ‘avinga’ wat
vertaald wordt als ‘devilbird’ (duivelsvogel). De naam van het geslacht veranderde in
‘anhingá’of ‘anhangá ‘ naar een vertaling uit het Tupi-Portugees.
Taxonomie
Orde:
Pelecaniformes (pelikaanachtigen)
Familie: Anhingidae (Reichenbach 1849) (slangenhalsvogels).
Geslacht:Anhinga (Brisson. 1760) (slangenhalsvogel).
Soorten:
1. De Afrikaanse slangenhalsvogel (Anhinga rufa)
(Daudin 1802)
2. De Amerikaanse slangenhalsvogel (Ahinga
anhinga).
3. De Australische slangenhalsvogel (Anhinga
novaehollandiae)
4. De Indische slangenhalsvogel (Anhinga melanogaster)
gemaakt en gebruik ze dan er ook voor. Het zijn
producten op basis van natuurlijke producten dus
wat wil men nog meer. De producten die ik hiervoor
gebruik zijn deze van Comed, met in de voorbereiding op de kweek Fertibol in het eivoer. En in het
eivoer tijdens de kweek Megabactin, Winmix en
Megabactol. En wanneer de jongen zelfstandig zijn
af en toe wat jongeren olie onder het eivoer van
deze jonge vogels. Ik voel me daar al vele jaren
heel goed bij.
Succes Wout van Gils
E-Mail [email protected]
Voorkomen
De Amerikaanse slangenhalsvogel komt voor van
Noord-Carolina in de Verenigde Staten, zuidwaarts door de kuststaten in Midden-Amerika tot in
Argentinië. Hij heeft ook een vaste stek op de
eilanden Cuba, Trinidad en Tobago en andere
eilanden in de Caribische Zee. De winter wordt
doorgebracht in de noordelijke gebieden zuidwaarts van Florida en Louisiana.
De Afrikaanse slangenhalsvogel komt in Afrika
voor vanaf het zuiden van de Saharawoestijn in
het Midden-Oosten tot in de zuiderse landen van
Afrika, namelijk Zimbabwe, het noorden en oosten
van Botswana in Zuid-Afrika, links in Namibië en
rechts in Mozambique de andere kant van ZuidAfrika. Hij komt ook voor op het eiland Madagascar
en een kleine en geïsoleerde populatie in lager
Mesopotamië, een gebied tussen de rivier de
Eufraat en de Tigris in Irak).
De Indische slangenhalsvogel leeft in Irak, Iran,
Pakistan, India, Zuidoost Azië, Indonesië en
Nieuw-Guinea.
De Australische slangenhalsvogel komt voor in
Australië vanaf de kust van Adelaide in ZuidAustralië, noordwaarts tot de Tennant creek in
Northern Territory en tot Broone in West-Australië
'De Vogelwereld' A.O.B.
en in zuidwest-Australië van Perth tot Esperance.
Hij komt ook voor in Nieuw-Guinea.
Beschrijving
De Amerikaanse slangenhalsvogel is 80 tot 100
cm groot met een vleugelwijdte van 120-130 cm
en een gewicht van 1000 tot 1350 gram. Op zijn
nek of hals, die 40 tot 56 cm lang is, of de helft van
de totale lengte van zijn lichaam heeft hij in verhouding een dunne smalle kop. De man en pop
hebben in de broedperiode een blauwe ring rond
hun ogen. Beiden hebben een glanzend zwarte
bevedering met een metaalachtige tot groene
glans en lange brede vleugels met zilverwitte pluimen op de schouders. De veren op de kop, de nek
en de hals van de man zijn grijs en hij kan ze
rechtop zetten. Ze hebben ook lange zwartgrijze
staartpennen, gele poten en een lange puntige
gele snavel die tweemaal zo lang is als hun kop en
die bij de man iets langer is dan bij de pop. Toch is
de pop iets zwaarder dan de man. De kleuren van
hun naakte lichaamsdelen variëren rond de jaarwisseling. Zodra de voortplantingsdrang zich laat
gelden wordt de gele of geelgroene kleur van de
naakte huid van hun gezicht turquoise. Ook de
kleur van de keel verandert tijdens het broeden
van bleekroze of geel naar zwart. Elk seizoen verandert de kleur van hun irissen in geel, rood of
bruin.
De Afrikaanse slangenhalsvogel is 95 cm groot en
weegt circa 1400 gram; hij heeft een bruine kop
met gele ogen en dito snavel. Zijn keel en rug zijn
grijs en zijn poten zijn zwart. De man is glanzend
donkerbruinzwart met een witte bestreping; de
poppen en de onvolwassen jongen zijn bruiner. De
Afrikaanse slangenhalsvogel verschilt vooral met
de Amerikaanse door zijn dunne witte laterale
streep op de voorkant van zijn roestkleurige hals.
De Indische slangenhalsvogel is overwegend donker zwartbruin met een glanzende zwarte vleugelbevedering, wit, zilvergrijs en bruin gestreept en
Het beste ornithologisch maandblad
Iedere maand 48 tot 64 bladzijden A4 formaat boordevol teksten en kleurenfoto's van de
betere schrijvers en topfotografen. Een jaarlijks abonnement loopt van januari tot december. Stort 50 euro op onze Belgische rekening 22 0000 8635 4147 van 'De Vogelwereld'
1190 Brussel met vermelding van naam en adres. Verdere info en digitaal proefnummer:
José Delfosse, Avenue des Champs Clairs te 1420 Ophain.
E-mail: [email protected]
71
gestippeld. De nadrukkelijke knikkende of kronkelende nek heeft een witte of bleekbruine streep
vanaf de snavel tot waar de kronkel van de nek of
van de hals begint. De borst is roestbruin. De pop
en de onvolwassen jongen hebben een grijsbruine
bovenbevedering en een bleekgrijze tot witte
borst, buik en aarsstreep en een witte nekstreep.
Eigenheden
De volgende eigenheden zijn eigen aan ieder van
de vier soorten tenzij anders is vermeld.
Z-vormige hals.
Slangenhalsvogels danken hun naam aan de zeer
lange en dunne Z-vormige hals, de smalle kop en
de lange, op een dolk lijkende snavel die tijdens het
zwemmen onder water boven de wateroppervlakte
uitsteekt en aan een opgerichte zwemmende slang
doet denken. De meeste slangenhalsvogels zijn
standvogels en migreren niet; de populaties uit de
koelste gebieden in Noord-Amerika echter migreren
naar de warme streken in Midden-Amerika. Als zeer
goede vliegers, en dit dankzij hun grote brede vleugels, stijgen ze dan de lucht in tot op grote hoogte
en gedragen door de thermiek zweven ze dag na
dag in de richting van hun winterverblijf tot 2000 km
zuidwaarts. Aan land stappen ze met een hoge tred
en gespreide vleugels om, zoals de pelikanen, niet
alleen hun evenwicht te bewaren, maar meer om
hun bevedering te laten drogen na een zwempartij.
Leeftijd
Slangenhalsvogels zijn pas na twee jaar of soms
zelfs iets later vruchtbaar. Ze leven gemiddeld
negen jaar Toch zijn er uitzonderingen die maximaal zestien jaar oud worden. Ze hebben de
gewoonte om in grote groepen te verzamelen; dit
samen met reigers (familie Ardeida) en ibissen
(familie Threskiornitidae) en ooievaars (familie
Ciconiidae), maar zij aanvaarden niet dat deze
daarbij hun nestplaats verstoren.
Geen neusgaten
De scherpe puntige snavel heeft zaagvormige zijkanten maar geen uitwendige neusgaten. Het
gehemelte is ruw en geribbeld waardoor er een
stevige grip op een prooi is. De zwemvliezen zijn
zo groot als de tenen lang zijn wat bij alle watervogels niet het geval is. Ze hebben korte poten die
ver naar achteren ingeplant zijn in het lichaam
hetgeen de wendbaarheid in het water ten goede
omen.
Zwemvliezen
Slangenhalsvogels zwemmen en fourageren
meestal onder de wateroppervlakte; alleen hun
kop en kleurige hals steken er een heel stuk
bovenuit. Ze bewegen zich voorwaarts met hun
krachtige poten, voorzien van grote zwemvliezen
Indische slangenhalsvogel hangt z'n vleugels te drogen
Afrikaanse slangenhalsvogel met prooi
H.Branje
tussen hun lange tenen, waarbij hun kop met grote
zwaaien van voor naar achteren schokt en terug
naar voren. Aan de onderzijde van de achtste halswervel hebben ze een kam waaraan de spieren
zijn vastgehecht. Het lijkt wel op een systeem van
een scharnier waarbij door het plotse strekken van
de Z-vormige hals het hoofd en daarbij de snavel
vooruit kunnen doen schieten als een pijl uit en
boog.
Rudimentaire stuitklier
Slangenhalsvogels hebben geen broedplek en
ook, net als de aalscholvers, hebben ze slechts
een rudimentaire stuitklier, of wat daar door de tijden heen nog van overblijft. Zij kunnen hun veren
dus niet oliën en zo wordt hun bevedering volledig
doordrenkt tijdens het duiken naar voedsel waardoor zij moeilijk, praktisch zelfs niet op het water
kunnen drijven als een vlot, en nog enkel met
moeite kunnen vliegen.
72
Luchtzakken.
Om onder water gedompeld beter vooruit te
komen drukken ze hun bevedering zo hard tegen
hun lichaam aan dat er geen lucht mee tussen zit.
Tevens kunnen zij de lucht wegpersen uit hun
inwendige luchtzakken waarvan de wanden zo
dun zijn als een vliesje. De luchtzakken zijn uitlopers van de longen, verspreid over gans hun lijf en
spelen een zeer belangrijke rol in het ademhalingsstelsel bij vogels. Door deze kunstmatige
verlaging van hun soortelijk gewicht, wat ook de
fuut (Podiceps cristatus) kan, worden hun duikcapaciteiten dusdanig verhoogd dat zij onder water
veel wendbaarder worden, nodig voor het vangen
van vissen. Omdat ze na een duik door hun doordrenkte bevedering niet kunnen vliegen zoeken ze
een veilige plaats op in de zon om hun bevedering
met gespreide en wuivende vleugels te laten uitdruipen en opdrogen.
Geluid
Het geluid dat zij uiten bij het vliegen bestaat uit
geklepper en geratel. In de kolonies houden ze
contact door te kwaken, te knorren en te ratelen,
73
dit op een toonhoogte volgens de omstandigheden. Wanneer een mens hun nestplaats nadert,
uiten ze snel achter elkaar een diep gukachtig
geluid als alarmroep.
Habitat
Slangenhalsvogels zijn meestal in grote getallen te
vinden in subtropische gebieden en nauwelijks in
minder warme streken. Zij geven de voorkeur aan
frisse zoetwatermeren die niet veel dieper zijn dan
zestig centimeter, langzaam stromende rivieren
met beboste oevers, moerassen en moerasvelden
of broekland omzoomd me boomstronken. Ze fourageren in mindere mate langs de zeekust, in de
brakke wateren van lagunen en baaien en in brede
riviermonden met zeer traag vlietend water.
Voeding
Voeden doen deze vogels zich hoofdzakelijk met
middelmatig grote vissen, maar ook met kikkers,
salamanders, kreeftachtigen en grote waterinsecten en andere gewervelde of grote ongewervelde
waterdiertje. Het zijn duikers die zich onder water
met hun uitermate grote zwemvliezen tussen hun
lange tenen, voortbewegen of vanuit een hinderlaag hun prooi spietsen met hun lange puntige
snavel. Grote prooien vangen ze door ze te harpoeneren. Eerste bewegen ze zonder de prooi uit
het oog te verliezen, hun kop en hals heen en weer
zoals een speerwerper en op het geschikte
moment strekken ze het Z-vormige gedeelte van
hun hals waardoor de kop, met een snavel als een
harpoen, bliksemsnel naar voren wordt geschoten
en de prooi op de snavel wordt gespietst. Met de
vangst komen ze terug naar de oppervlakte en
nemen deze mee naar een veilige plaats. Want ze
zijn doornat en kunnen zoals gesteld, daardoor
bijna niet meer vliegen. Ofwel keren ze met de
prooi terug naar hun uitkijkpost om deze aldaar op
te eten. Ze werpen hierbij de prooi in de lucht,
vangen ze terug op en slokken ze op met de kop
naar voren. Soms wordt een grote vis zo fel
gespietst dat hij niet los komt van de snavel en
tegen een boomstam of steen moet worden los
geslagen. Kleine prooien worden onder water
opgegeten. Met behulp van de harige laag waarmee de binnenkant van de maag is bekleed worden de onverteerbare graten van het vlees
gescheiden en later uitgebraakt.
Voortplanting
Slangenhalsvogels leven monogaam en vormen een
paar voor het leven. Is één van beide partners ten
prooi gevallen aan een van hun vijanden, of gewoon
gestorven, dan zoeken ze een nieuwe partner. Om
een pop te veroveren strekken de mannen hun vleugels en wuiven er langzaam mee in een afwisselende wijze. Ze klakken met hun snavel en geven hun
potentiële partner een twijgje of een blad. Ze broeden
gewoonlijk in kleine kolonies in bomen, riet en/of
struiken. De nesten bevinden zich dikwijls samen
met die van reigers en ibissen in dezelfde boom of
nestplaats, gewoonlijk op één meter boven het water.
De Slangenhalsvogels die voorkomen in het uiterste
noorden van hun verspreidingsgebied in Amerika of
in koudere delen van hun leefgebied beginnen
meestal rond mei of juni te broeden. In de warme of
tropische streken wordt het hele jaar door genesteld,
Australische
slangenhalsvogel
Keasey
74
D! ano basis
W
EU oreg
Maag-darmgezondheid
NI rlijk op
R
E
V atuu
Veren & huid gezondheid
%N
Luchtwegen gezondheid
100
Algemene gezondheid
www.ropastore.com
Tel: +31 (0)75 614 41 43
E-mail: [email protected]
maar toch wordt het grootste aantal bewoonde nesten geteld van september tot eind november. Aan het
begin van het broedseizoen zitten de mannen te
baltsen op de resten van het nest van vorig jaar of
jaren, verdrijven opdringerige rivalen en wachten op
hun partner van vorig jaar … soms tevergeefs. Is het
nest niet meer te herstellen, dan kiest de pop een
nieuwe nestplaats en bouwt met het bouwmateriaal
dat de man haar brengt in circa drie tot vier dagen
een ander nest in een boomvork, één tot twee meter
boven een wateroppervlakte of een rivier. Telkens
wanneer de man haar daarbij nog een gevangen
prooi aanbiedt wordt er gepaard. Om zijn evenwicht
op de pop te bewaren tijdens de bevruchting, houdt
de man zich met zijn snavel vast aan een tak of aan
de snavel van de gedrukte pop. De ruwbouw van het
nest wordt gemaakt met takken, twijgen en dood riet,
de nestkom bekleden ze met bladeren. De pop legt
drie tot vijf bleekblauwe, bruin gevlekte eieren met
een tussentijd van drie dagen per ei. De pop van de
Afrikaanse slangenhalsvogel legt twee tot zes glanzende kalkwitte eieren. Vanaf het eerste ei wordt er
door de man en de pop om beurten gebroed.
Om de eieren warm te houden bedekken de ouders
ze met hun grote zwemvliezen, want zij hebben geen
broedplek op de buik. Na 27 tot 30 dagen kipt een
eerste jong en de volgende jongen, soms met een
paar dagen verschil. Bij hun geboorte zijn de jongen
blind en naakt, maar ze krijgen tamelijk snel een witte
of geelbruine dons. Enkele dagen later zijn ze al
gestoppeld en bij de oudsten zijn de toppen van de
eerste pluimpjes al te zien. Het laatste jong dat kipt
wordt verdrongen door de anderen en enkele dagen
oudere jongen. Het sterft meestal van honger, zeker
wanneer er weinig vissen gevangen worden. De
jongen worden door beide oudervogels gevoerd met
half verteerd voedsel dat de oudervogels opbraken in
de open gesperde bekken. s‘Nachts houden de
oudervogels de jongen warm en overdag wanneer
de zon fel schijnt en het zeer heet is, dan spreiden ze
na het zwemmen hun vleugels open boven de jongen om ze koelte te geven en storten uit hun snavel
water in hun sperrende keel. Wanneer de jongen
acht dagen oud zijn steken ze hun snavel diep in de
keel van de oudervogel en slokken hun eten op. Ze
verlaten het nest na circa vijfentwintig tot dertig
dagen, maar komen er nog regelmatig in terug, want
de oudervogels braken het nodige voedsel voor hen
op in het nest. Na zes weken zijn ze volledig bevederd en kunnen ze al tamelijk goed vliegen. Ze worden nadat ze het nest hebben verlaten nog twee tot
drie maanden gevoerd door de oudervogels welke
de jongen tussendoor de technieken van het voedselvangen aanleren.
Nawoord
De Amerikaanse slangenhalsvogel is beschermd
door de Migratory Bird Treaty. Ook de Indische
begint in sommige gebieden achteruit te gaan. De
nodige maatregelen zijn in voorbereiding. De
Afrikaanse slangenhalsvogels zijn als een ernstig
bedreigde soort toegevoegd aan de Red List of
Threatened Species (U.C.N.). De niet te stoppen
inpalming van hun habitat en andere ingrepen van
de mens, die voor zijn voortplanting een belemmering zijn, doen het aantal drastisch dalen. De
twee voornaamste factoren daarbij zijn een ongebreidelde eierroof en de jacht, bijzonder in het
zuiden van de Verenigde Staten waar hij ‘water
turkey’ (waterkalkoen) wordt genoemd. Tevens zijn
hun predatoren zeer talrijk ….en … beschermd.
Enkele daarvan zijn de Afrikaanse zeearend
(Haliaeetus vocifer), de kaalkopkiekendief
(Polyboroides typus), de huiskraai (Corvus splendens) en de Australische raaf (Corvus coronoides)
die het vooral op de nestjongen en de nestverlaters gemunt hebben. De volwassen vogels zijn de
geliefde prooien van de steppenarend (Tawny
Eagle), de Amerikaanse zeearend (Haliaeetus
leucocephalus) en andere.
Bernard Nys
75
PAPEGAAIACHTIGEN
ste onraad de hele buurt overhoop schreeuwen.
Een eigenschap die door de buren vaak minder
wordt geapprecieerd.
Van nature vogels die veel op de grond scharrelen
terwijl ze met hun lange snavel allerlei graswortels
uit de grond halen, hebben ze ook in de volière de
gewoonte veel op de grond te vertoeven.
Het is dan ook aangewezen dat ze tenminste een
gedeelte hebben in de volière dat niet uit betonbodem bestaat. Hier kunnen ze dan naar hartelust
de bodem met hun lange snavel omploegen. Dit
maakt de vogels bijzonder gevoelig voor worminfecties. Het is dan ook noodzakelijk regelmatig
mest te onderzoeken op eventuele wormeitjes.
LANGE NEUS...
De langsnavelparkieten zijn samen met de smaragdparkieten de enige vertegenwoordigers van het geslacht Enicognathus. Het zijn zeldzaamheden en meestal alleen in
vogelparken of dierentuinen aan te treffen. Wellicht is in het verleden de interesse te
klein geweest voor deze parkietensoort. Reeds in 1836 kwamen de eerste langsnavelparkieten naar Europa. Daarna zijn nog enkele kleine importen geweest maar daarna
bleef het stil rond deze soort. Pas rond 1975 werden opnieuw enkele exemplaren ingevoerd.
DE LANGSNAVELPARKIET
Latijn: Enicognathus leptorhynchus
Engels: Slender-billed conure
Duits:Langschnabelsittich
Frans: Perruche à long bec
Beschrijving
De totale lengte is 40 cm terwijl zijn gewicht 230
gram bedraagt. Het is een overwegend groene
vogel. Het voorhoofd, de teugel tot aan het oog
zijn bruinrood. Ook de buik vertoont roodbruine
bevedering. Opvallend is ook de bruinrode staart.
De snavel is zwart; de iris is rood en de poten zijn
grauw grijs. De bovensnavel die duidelijk langer is
heeft de vogel ook zijn naam bezorgd. Bij jonge vogels is het groen donkerder en is de snavel bleker
en niet zo groot.
Alhoewel de kweek reeds gelukt is in een kweekkooi, is het toch raadzaam langsnavelparkieten in
een volière onder te brengen. Een volière van 2.5
meter lengte. 0.8 meter breedte en 2 meter hoogte
is prima geschikt. Een grotere volière kan natuurlijk ook, maar de ondervinding leert dat ze zich
dan over het algemeen schuwer zullen gedragen
en ook lukt de kweek dan niet zo goed. De volière
kan het beste volledig in metaal gebouwd worden,
want hun lange snavel kan een te duchten sloopwerktuig worden. Hierover zijn de meningen echter
verdeeld. Terwijl sommigen de langsnavelparkiet
ervaren als grote knager, zijn er weer anderen die
menen dat het op dat punt nog best meevalt.
Vindplaats
Het midden van Chili. Hun leefgebied zijn de wouden en halfopen landschappen. Ze worden aangetroffen tot op 2000 meter hoogte.
Leefwijze
Buiten de broedtijd worden ze meestal aangetroffen in groepen van 50 tot 300 vogels. Soms zelfs
Langsnavelparkiet, Klaus-Dieter Perger, Weltvogelpark
Langsnavelparkiet,
H.Branje
worden zwermen van rond de 2000 vogels aangetroffen. Het is een duidelijke groepsvogel met in de
groep één leider. Tijdens het voedsel zoeken zitten
steeds enkele vogels buiten de groep op de uitkijk. Bij het minste onraad alarmeren zij de groep.
Wanneer in april en mei de winter zijn intrede doet
verlaten de zwermen het gebergte om in lager gelegen gebieden op zoek te gaan naar voedsel.
Hun voedsel bestaat voor een groot gedeelte uit
knollen en wortelen van allerlei grassen die ze met
hun lange snavel uitgraven. Ook vallen ze op de
graan- en maïsvelden wat hen natuurlijk de woede
van de plaatselijke landbouwers oplevert.
Broedtijd
In de natuur begint de broedtijd vanaf november.
Het nest kan zowel bestaan uit een rotsspleet, een
holte in een afgestorven boom of een holte in een
termietenheuvel. Wanneer voldoende broedplaatsen aanwezig zijn, wonen meerdere paren in de
omgeving bij elkaar.
In de volière
Zoals reeds eerder vermeld is de import eerder
sporadisch gebeurd. Pas ingevoerde vogels zijn
ook zeer gevoelig zodat de acclimatisatie zorgvuldig moeten gebeuren. Eenmaal ingeburgerd zijn
het sterke vogels die best onze winterse temperaturen kunnen verdragen. Wel moet de vogels het
hele jaar door een broedblok ter beschikking staan
welk ze als slaapplaats gebruiken.
Langsnavelparkieten zijn luidruchtige vogels en
dat is iets waarmee in de eerste plaats rekening
dient gehouden te worden. Het zijn bij wijze van
spreken uitstekende waakhonden die bij het min76
Een dagelijkse mogelijkheid om te baden draagt er
toe bij om ze in een uitstekende conditie te houden.
De voeding kan zeker geen moeilijkheden geven:
een goed parkietenmengsel met zonnepitten,
aangevuld met opfokvoer en stukjes fruit voldoet
prima. Ook het omschakelen op pellets geeft geen
problemen. Natuurlijk moeten ook hier fruit en
groenten in stukjes toegevoegd worden. Ook kunnen nu en dan walnoten gegeven worden. Af en
toe een geweekt duivenmengsel kan het voedingspalet vervolledigen.
Het duurt meestal tot april vooraleer de vogels hier
in Europa tot broeden overgaan. Als broedblok kan
gebruik gemaakt worden van een natuurblok en of
een getimmerde nestkast. Aanbevolen maten zijn
een grondvlak van 25 x 25 cm met een hoogte van
50 cm; het invlieggat moet een diameter hebben
van 8 cm. Het is raadzaam er voor te zorgen dat
de vogels gemakkelijk op de bodem komen door
middel van een klimladdertje of stukjes horizontaal
aangebrachte stukken hout. Dit belet dat er eieren
verloren gaan doordat de pop zich te haastig op de
bodem laat vallen.
De algemene indruk is dat de kweek met deze soort
nogal eenvoudig verloopt en ook de voeding geen
abnormale moeilijkheden meebrengt. Wel maken
sommige kwekers er ons attent op dat jonge langsnavelparkieten in het nest bijzonder gevoelig zijn
voor te hoge temperaturen in het nest, op warme
dagen. Ze raken al in een stresstoestand wanneer
de temperatuur boven de 27 graden Celsius gaat.
Een plotse hitte kan er de oorzaak van zijn dat
broedende poppen het nest in de steek laten.
A.Huyghe
77
Opening nationaal kampioenschap
vogels vol symboliek.
Mutjevol was de Matenzaal op de bovenverdieping van de Americahal tijdens de
openingsbijeenkomst van NK Vogel 2016.
Dat duidde eens temeer op het bijzondere
karakter van deze vogelwedstrijdeditie. Immers het was de eerste keer dat de beide
vogelbonden NBvV en ANBvV samenwerkten in het realiseren van één show,
die gelet op het aantal inzenders meer dan
terecht aanspraak mocht maken op het
predikaat Nederlands Kampioenschap.
Namens de beide bonden voerde voorzitter Henk van Hout het woord. Daarin gaf
hij aan dat met deze samenwerking een
lang gekoesterde wens van vele vogelliefhebbers in den lande in vervulling ging.
Nu konden de winnaars in de verschillende klassen zich met recht Nederlands
Kampioen noemen, een titel waar iedere
vogelliefhebber maar wat graag aanspraak
op maakt. Van Hout maakte duidelijk dat
de hele opzet en realisatie met mensen
van zowel ANBvV als NBvV hem vervulde
met trots. “Ik ben blij en het geeft me ook
wel een bijzonder gevoel”, gaf de praeses
aan om vervolgens te wijzen op de datum
21 mei 2016 als de bondsorganen een
uitspraak moeten doen over een samenwerking, die nog veel verder gaat dan alleen maar de organisatie van een nationaal
kampioenschap. “We zullen nog flink wat
hobbels moeten overwinnen want tenslotte
heeft een medaille altijd twee kanten. Ik zie
echter vooral de lichte, de positieve kant en
ga er vanuit dat het goed gaat komen”.
Na het openingswoord begaf het hele
gezelschap zich naar de zaal waar de
openingshandeling werd verricht door middel van het verwijderen van twee zware
stenen, waarna een tros ballonen omhoog
steeg. De symboliek voor de toekomst was
daarmee duidelijk. Een symboliek die ook
al was aangegeven door twee uitgestoken
handen verwerkt in het fraai binnentuingedeelte dat bij binnenkomst van de Americahal iedereen meteen een goed gevoel gaf.
PAPEGAAIACHTIGEN
GRANADA AMAZONE IN EUROPESE DIERENTUINEN
De Granada-amazone of roodkruinamazone (Amazona rhodocorytha) is zonder twijfel
één van de mooiere soorten uit het geslacht Amazona. Ze behoren tot de kleinere
soorten en zijn op zich niet echt spectaculair gekleurd, maar de paar mooie kleurdetails die ze bezitten, maken ze tot ware schoonheden.
In het eerste deel van de 20ste eeuw werden ze onder andere in Londen Zoo gehouden en ook de Zoo van Kopenhagen had
ze in de collectie.
Maar vanaf de jaren 90 ging het er zeker
niet op vooruit voor deze soort.
De dierentuin van Dresden had ze tot 1993
in haar collectie en in de Zoo van
Neunkirchen verliet het laatste exemplaar
de tuin in 1996. Dit dier, een vrouwtje,
werd richting de dierentuin van Wuppertal
gestuurd. Deze tuin heeft de soort nog
steeds in de collectie. Al zijn ze de laatste
drie jaar achter de schermen van de vogelafdeling gehuisvest.
bezat, was ook deze soort vertegenwoordigd. Bij een reorganisatie van de vogelafdeling verdwenen de palmkaketoes, zwarte roodstaart-, witstaart- en geelstaartkaketoes
uit de collectie. De neuskaketoes, blauwoogkaketoes,
roodoorara's, soldatenara's en meer van deze toch wel
bijzondere soorten moesten plaats maken voor een nieuwe
speeltuin en restaurant. De Granada-amazones bleven
nog tot 2009 in de collectie en waren toen gehuisvest in
een volière die verstopt stond in één van de hoeken van
een serre.
Blijkbaar heeft het NOP te Veldhoven ze ook in de collectie
gehad, maar zelf heb ik ze daar nooit gezien. Er werden
daar toen wel meer soorten gehouden, al dan niet voor
langere tijd en met wisselend succes... Hoogstwaarschijnlijk
behoorden ze tot het deel van de collectie dat eigendom
was van de AID, en verdwenen uit de collectie toen het
Toen Diergaarde Blijdorp in Rotterdam nog park gesloten werd. Tot slot had de Zoo van Jihlava ze ook
haar uitgebreide collectie kromsnavels in de collectie gedurende de jaren '90, alsook daar... helaas
verdwenen uit de collectie.
Maar waar kunnen we ze in Europa nog wel zien?
Zoals gezegd heeft Wuppertal ze in de collectie, maar op
dit moment zijn ze achter de schermen gehuisvest. In de
Duitse
vogelparken
Dettenheim-Liedelsheim
en
Weltvogelpark Walsrode zijn ze wél te zien. Walsrode
heeft sinds verschillende jaren een exemplaar in de collectie met een afwijkende staartkleur, met veel meer geel in
de staart dan normaal het geval is.
De laatste jaren zijn ze in 's werelds grootste vogelpark in
het papegaaienhuis gehuisvest, waar ze het ene jaar een
volière voor zichzelf hebben en het andere jaar deze weer
delen met een andere soort. Het park kweekte met deze
amazonepapegaaien voor de eerste keer in 1984.
In Frankrijk kan je ze bewonderen in het ornithologische
park van Bruz, en in Oostenrijk kan je terecht in drie vogelparken. Tiergarten Walding had in 2013 nog één pop in de
collectie, niet echt bevorderlijk voor de kweek, maar hopelijk komt hier verandering in. Zoo Schmiding (voorheen
Vogelpark Schmiding) heeft ze in de collectie sinds 2008,
en ook Vogelpark Turnersee toont ze aan haar publiek.
In het zuiden van Europa zijn ze te zien in de dierentuin van
Lissabon en zoals je wel kon verwachten heeft ook
Palmitos Park en Loro Parque ze in de collectie. Loro
Parque kweekt ze op regelmatige basis, wat momenteel de
enige tuin in Europa is...
Of de toekomst van deze soort er rooskleurig uitziet in
Europa weet ik niet, maar er zal toch meer moeite gestoken
moeten worden in succesvolle kweek, willen we ze behouden in Avicultuur.
Granada amazone
Nico Rosseel
80
Nico Rosseel
Kopstudie
H.Branje
81
POSTUURKANARIES
DE LONDON FANCY, TERUG VAN WEGGEWEEST 1
Vanaf het moment van zijn eerste bestaan, tot ver nadat het ras als uitgestorven werd
beschouwd heeft de London Fancy de gemoederen der kanariefokkers altijd beziggehouden. Door velen is er zelfs getwijfeld of hij wel daadwerkelijk bestaan heeft. In
oudere literatuur over kanaries wordt hij wel genoemd en afgebeeld, maar een afbeelding kan natuurlijk gebaseerd zijn op fantasie.
Echter, één enkel exemplaar is bewaard gebleven
(zie foto) en is daarmee het bewijs dat er in ieder
geval kanaries hebben bestaan die voldeden aan
het zo begeerde tekeningspatroon van de London
Fancy. Dit exemplaar is rond 1850 geprepareerd
door de in die tijd beroemde preparateur John
Cooper uit Islington, London. In de Victoriaanse
tijd was dit de gewoonte onder de rijkere kanariefokkers, en om London Fancies te bezitten moest
je wel rijk zijn, om hun prijswinnende vogels, nadat
deze waren doodgegaan, te laten opzetten.
Boven: Granada amazone (Henk Branje)
82
Beneden: London Fancy (Alois van Mingeroet)
19de eeuw
Geschiedenis. Het is onbekend wanneer precies
de eerste London Fancies opdoken, ook in de
oude, 19de -eeuwse literatuur is hier niets met
zekerheid over te vinden, maar ze waren zeker al
wel aanwezig aan het begin van 1800. De London
Fancy is ontstaan, als mutatie, uit de Lizard kanarie, die op dat moment het meest gehouden kanarieras was in de Britse hoofdstad. Ze zijn echter
altijd zeldzaam geweest, en waren prijzig tot zeer
prijzig, waardoor slechts een beperkt aantal liefhebbers ze kon houden. Mogelijk dat deze rijkere
liefhebbers de prijzen kunstmatig hooghielden,
maar feit is dat de te winnen prijzen met een
London Fancy op de show ook hoger waren dan
met de andere kanarierassen. Op de grote show in
Crystal Palace in 1858 bijvoorbeeld waren voor de
kanaries in elke klasse twee prijzen beschikbaar,
en de eerste prijs per klasse was £1,. Voor de
London Fancies echter waren er drie prijzen
beschikbaar, en de eerste prijs was £2,- (zie foto).
De London Fancy was toen erkend in zowel intensief als schimmel, en veel dieren hadden genetisch ook de cap zoals die aanwezig is in de Lizard.
Deze cap echter was vrijwel onzichtbaar in een
London Fancy. Het is dus niet bekend wanneer de
London Fancy is ontstaan, en het is ook niet precies bekend wanneer hij was verdwenen. Begin
1900 schijnen er niet meer veel geweest te zijn,
maar na 1907 was er weer een kleine opleving.
Deze ‘moderne’ vogels echter behielden vaak nog
enig gekleurde veren op de rug (‘spangled-backed’), mogelijk door het inkruisen met Lizards
andere rassen. We kunnen er waarschijnlijk van
uitgaan dat na 1920 de London Fancy was verdwenen. Fokkers toen wisten precies wat er
gaande was met het tekeningspatroon. De genetische achtergrond van het patroon was natuurlijk
toen nog onbekend, maar zij hadden de kennis om
goede dieren te fokken. Nadat de London Fancy
was verdwenen zijn er pogingen ondernomen om
ze te hercreëren, maar deze fokkers waren niet op
de hoogte van de ware aard van het tekeningspatroon.
Verdwenen. Sinds het verdwijnen van de London
Fancy is het altijd een droom van enkelen geweest
om een kanarie met dit typische kleurenpatroon
terug te kweken. Er werd geprobeerd dit via de
Lizard en de gele kanarie te doen. Dat levert wel
bontgekleurde vogels op maar het bontpatroon ligt
niet vast wat betekent, zoals men heeft ondervonden, dat het zo goed als onmogelijk is om de
London Fancy via deze weg terug te kweken. Toch
werd er af en toe een kanarie gekweekt die een
beetje op de London Fancy leek maar alle pogingen uit die tijd zijn toch tevergeefs te noemen.
Reden dat al deze pogingen op niets uitliepen is
omdat het ‘bontpatroon’ in de London Fancy genetisch niets van doen heeft met het bontpatroon dat
in andere kanarierassen wordt gevonden. Bont, in
het Engels ‘variegated’ genoemd, is een vorm van
leucisme. De gele veren (of witte veren) zijn het
gevolg van de afwezigheid van melanine in die
veren. En de afwezigheid van melanine is het
gevolg van de erfelijke afwezigheid van melanineproducerende cellen in de huid waardoor de veren
op die plaatsen geen melanine krijgen. Waar op
het lichaam de pigmentvormende cellen dan afwezig zijn is afhankelijk van de (genetische) vorm van
leucisme. De pigmentvormende cellen worden al
in een zeer vroeg stadium van de ontwikkeling van
de vogel gevormd in het ruggenmerg. Vervolgens,
wanneer de vogel nog steeds een klein embryo in
het ei is, verspreiden deze pigmentvormende cellen zich over de rest van het lichaam om zich te
vestigen in de huid om daar later de veren te voorzien van melaninepigment. In vrijwel alle erfelijke
vormen van leucisme zijn het vooral die delen van
het lichaam die het verst zijn gelegen van het ruggenmerg die het eerst geen pigmentvormende
cellen ontvangen: het gezicht, de poten, de vleugels en de buik. Een paar gele veertjes in het
gezicht, een wit nageltje, een witte slagpen en/of
een paar gele veertjes aan de buik geven vaak
aan dat een gekleurde vogel toch een factor voor
bont (leucisme) draagt. Omdat de slagpennen
vaak als eerste wit worden als gevolg van leucisme, is het vrijwel onmogelijk om het tekeningpatroon van de London Fancy te creëren met bonte
(variegated) kanaries. Een andere eigenschap van
leucisme is dat het bontpatroon al aanwezig is in
83
het jeugdkleed (= het eerste verenkleed waarmee een vogel het nest
verlaat), en dat het betreffende
patroon niet verandert in het volwassen kleed.
Mutatie. Het jeugdkleed van een
London Fancy vertoont op geen
enkele manier het kenmerkende
patroon van het ras. De jonge dieren zien eruit als een normale zwartgele (groene) kanarie. Tijdens de
eerste rui (= jeugdrui) echter komen
alle nieuwe veren terug als geel,
dus zonder het zwart (melanine).
Kanaries, net als de meeste zangvogels, wisselen tijdens hun jeugdrui
alleen hun lichaamsveren en kleine
vleugeldekveren en niet hun vleugel- en staartpennen. Die gekleurde
jeugdpennen blijven dus ongewijzigd aanwezig na de jeugdrui en dat
geeft het typische patroon van de
London Fancy. In hun tweede jaar,
wanneer de vogels alle veren wisselen, dus ook hun oude, gekleurde
jeugd vleugel- en staartpennen, verliezen ze ook het meeste melanine
uit deze pennen en deze nieuwe
veren zijn dan ook nagenoeg melanineloos. Een London Fancy kan
daarom dus ook maar voor één cerende cellen in de huid. Indien er naast melanine ook (geel)
seizoen geshowd worden.
carotenoïde aanwezig is in een veer, dan zal het resultaat geel
zijn en niet wit. De term werd echter het eerst gebruikt voor dit
Mysterieus
verschijnsel in zoogdieren, en witte haren gemengd met gekleurNiets nieuws. Dit klinkt allemaal erg de haren geeft een grijze haardos. Grijs haar bij oudere mensen
mysterieus, maar er is eigenlijk niets is dus ook een vorm van Progressive Greying. Hoewel gecomplinieuws onder de zon. Immers, de ceerder, grijs worden bij mensen is ook (deels) erfelijk bepaald, in
Lizard verandert ook na de jeugdrui sommige families worden mensen niet of nauwelijks grijs terwijl in
als gevolg van pigmentverlies, en andere families de leden hun haarkleur al op vroege leeftijd verelke kweker weet dat een jonge liezen. Maar goed, terug naar de dieren. Progressive Greying is
Lizard geen vleugel- of staartpen- helemaal geen onbekende mutatie. Het schimmelkleurige paard
nen moet verspelen, want deze is wellicht het bekendste voorbeeld. De veulens worden zwart
komen dan terug met onvoldoende geboren en met de jaren krijgen ze steeds meer witte haren wat
pigment. En Lizards verliezen ook de grijze (schimmel) kleur bewerkstelligt. En ook in het konijn is
steeds meer pigment met het ouder de mutatie bekend (verzilvering), en wel in de rassen Groot Zilver
worden. Het is dan ook niet verwon- en Klein Zilver. Het eerste haar van deze dieren is zwart maar
derlijk dat de mutatie die het London voordat ze een jaar oud zijn is hun vacht doorspekt met witte
Fancy patroon bewerkstelligt als haren. Bij de gedomesticeerde duif zijn ook verschillende mutaeerste ontstond in de Lizard en ties bekend die vanaf de eerste rui een pigmentverlies laten zien
beide vormen van pigmentverlies (verschillende vormen van schimmel en getijgerd). En de witte
zijn waarschijnlijk genetisch nauw veren in het verenpak van het bonte diamantduifje zijn ook het
verwant (allelen van elkaar).
gevolg van Progressive Greying. In het jeugdkleed vertonen deze
diamantduiven nog geen witte veren, maar met elke rui worden de
Progressive Greying. Mutaties die dieren witter. Veel vormen van Progressive Greying zijn duidelijk
het verliezen van pigment met het erfelijk. Van veel andere vormen is dat veel minder duidelijk. De
ouder worden bewerkstelligen wor- witte veren die vaak worden gezien in bijvoorbeeld merels, huisden in de wetenschap aangeduid mussen en kauwen in het wild blijken geen éénvoudige, erfelijke
met de term Progressive Greying oorzaak te hebben en de omgeving lijkt hierin ook een rol te spe(voortschrijdend grijs worden). In len. Echter, erfelijk of niet, het algemene kenmerk van Progressive
feite is het niet ‘grijs worden’, maar Greying is dat een individu wordt geboren met een volledig bezit
‘wit worden’. En om meer precies te van pigmentvormende cellen, en daardoor dus in zijn jeugd norzijn, het is het verlies van melanine maal gekleurd is. Met het ouder worden echter verliezen steeds
in veren (en haren) als het gevolg meer van deze cellen hun functie en verliest het individu dus ook
van het verlies van pigmentprodu- de melanine in veren of haren.
84
Niet alleen bij kanaries.
De combinatie van de
mutatie
Progressive
Greying en de manier
waarop kanaries hun
jeugdrui voltooien is dus
verantwoordelijk voor het
typische patroon van de
London
Fancy.
Dat
dezelfde mutatie ook in
andere zangvogels een
‘London Fancy patroon’
kan geven na de jeugdrui
bewijst de goudvink op de
bijgaande foto links.
Zonder deze mutatie in de
kanarie is het niet mogelijk een kanarie met dit
patroon te fokken. Met het
verdwijnen van de London
Fancy leek de mutatie
ook te zijn verdwenen. In
ieder geval was deze verdwenen uit de Lizard.
Echter, in andere rassen
lijkt de mutatie te hebben
voortbestaan zonder dat
dit werd opgemerkt. Uit
eigen ervaring (HvG)
weten wij dat in de Irish
Fancy een vorm van
Progressive Greying aanwezig kan zijn. Sommige
jonge vogels die met een
bont verenpak (variegated = leucisme) het nest
verlieten verloren alle
gekleurde veren op het
lichaam na de jeugdrui.
De gekleurde jeugd-vleugelpennen kwamen na de
daaropvolgende rui ook
pigmentloos terug en de
gehele vogel was dan
geel. Vanzelfsprekend dat
Progressive Greying in
gele, of overwegend gele
kanaries niet of nauwelijks opvalt. Veel fokkers
zijn waarschijnlijk onbewust blij dat enigszins
bonte vogels geheel geel
opruien zonder hier veel
aandacht aan te besteden. Maar zoals gezegd,
binnen de Lizard leek de
mutatie te zijn verdwenen, en daarmee ook de
kanaries met het typische
patroon van de London
Fancy.
Hein Van Grouw.
85
VOEDING
VOGELVOEDING 1
Vogels vind je overal: in oerwouden, in bossen, in woestijnen, boven zeeën enzovoort.
Vogels kunnen zich aan de meest uiteenlopende milieus aanpassen. Om dat te kunnen
moeten ze zich ook kunnen aanpassen aan de meest verschillende voedselbronnen.
INLEIDING
Vogels hebben de hele wereld veroverd. Er is bijna
geen plek ter wereld te vinden of er leven niet een
of meer vogelsoorten. Dat ze overal op de wereld
kunnen leven, daar heeft het feit dat ze kunnen
vliegen zeker toe bijgedragen. Maar daarnaast zeker ook hun grote aanpassingsvermogen om zich
aan allerlei totaal verschillende milieuomstandigheden aan te passen.
Vliegen kost veel energie. En voor die energie
zal de voeding moeten zorgen die de vogels tot
zich nemen. Hoe actiever een vogel, des te meer
energie deze nodig zal hebben. Hoe kleiner een
lichaam, des te meer energie dit lichaam in verhouding nodig heeft.
Zo zal een struisvogel per gram lichaamsgewicht
veel minder energie nodig hebben dan de uiterst
actieve kolibri. Een het voedsel moet die energie
leveren!
De meeste energie wordt geleverd door vet (9000
kcal/kg). Echter slechts weinig vogels kunnen uit
de voeten met enkel vet. Tot de soorten vogels die
goed uit de voeten kunnen met vet behoren onder
andere gieren en ijshoenders. Gieren nemen nogal
wat vet tot zich bij het oppeuzelen van een karkas
en ijshoenders doen zich te goed aan dode vetrijke
walvissen. Koolhydraten en suikers leveren per
kilogram zo’n 4000 kcal. Minder dan de helft van
de energie van vet. Vogels die met name van heel
licht verteerbare suikers leven zijn onder andere
kolibri’s, nectarvogels en sommige soorten lori’s).
Dergelijke vogels hebben een heel kort maagdarmkanaal en het voedsel passeert heel snel de
darmen. Vuistregel: hoe lichter verteerbaar de
voeding, des te korter het maagdarmkanaal!
In de plantenwereld leveren zaden de meest geconcentreerde bron van energie en eiwitten. Dat
is logisch, want zaden zijn immers jonge kiemen,
voorzien van een voorraad aan voedingsstoffen
die de kiem nodig heeft om te groeien. Die kiemen
moeten immers met de energie en eiwitten en andere voedingsstoffen die ook in de zaden zitten een
volwaardige plant gaan worden. Er zijn duizenden
verschillende soorten zaden. Sommige zaden bevatten meer koolhydraten (gierst, millet, witzaad)
en andere bevatten relatief meer vetten (raapzaad,
hennep, lijnzaad). Hoe vetrijker een zaad is des te
energierijker.
Vlees en vis leveren een vergelijkbare hoeveelheid
energie als zaden. Rundvlees bevat zo’n 3000 kcal/
86
bare bladeren. Bladeren bevatten veel ruwvezel
en daarom heel weinig energie per gewichtshoeveelheid. De hoatzin heeft een maag met daarin
miljarden bacteriën die helpen de ruwvezel af te
breken. De verblijfduur van de bladeren is lang en
de hoatzin moet grote hoeveelheden voedsel tot
zich nemen om aan zijn energiebehoefte te voldoen. Andere vogelsoorten die vezelrijke voeding
tot zich nemen zijn de grootpoothoenders als het
korhoen, het auerhoen en de sneeuwhoenders.
Deze hoenderachtigen eten onder andere naalden
van naaldbomen en bladeren. Het zijn vrij forse vogels, doorgaans groter dan onze kip, die zich in het
voor de meeste vogelsoorten onherbergzame milieu kunnen handhaven dankzij de miljarden bacteriën in hun darmstelsel.
Het spijsverteringsstelsel van de duif
Om de spijsvertering van een vogel uit te leggen
gaan we uit van het voorbeeld van de duif. Het
spijsverteringsstelsel van de duif bestaat uit zeven
onderdelen die samenwerken om het voedsel te
kunnen verteren. Het voedsel passeert deze zeven
onderdelen als volgt:
2. De slokdarm
4. De krop
5. De kliermaag
6. De spiermaag
9. De darmen (dunne darm, dikke darm en twee
blinde darmen)
11. De cloaca
Zwarte gier (Coragyps atratus)
Nick Athanas
kg en 16% eiwit. Knollen en wortels bevatten veel
meer vocht en dus minder energie per kilo. Een erg
energiearme voedingsbron wordt gevormd door
bladeren en andere vezelrijke producten. Vezels
zijn niet in een normaal darmkanaal met behulp van
lichaamseigen enzymen af te breken. Om vezels
af te kunnen breken tot verteerbare bestanddelen
heeft het dier de hulp nodig van bacteriën. Deze
bacteriën kunnen wél met hun enzymsysteem het
vezelmateriaal afbreken tot voedingsstoffen die het
dier via de darmwand kan opnemen.
De Snavel
Het voedsel wordt opgenomen via de snavel, een
puntvormige bek die bestaat uit een boven- en ondersnavel die zijn opgebouwd uit hoornstof. Door
de snavel lopen talloze zenuwen en bloedvaatjes.
Een vogel beschikt niet zoals een hond of kat over
tanden. In de snavel wordt het voedsel dan ook
niet kleiner gemaakt of fijngemalen. Het wordt in
één keer doorgeslikt. Zaadeters pelen een zaadje
waarbij het binnenste wél opeten en het dopje/
Hoatzin
Nick Athanas
schil op de grond laten vallen. Wanneer het voedsel klaar is om opgenomen te worden, wordt het
opgepikt en doorgeslikt. In de snavel wordt verder
geen speeksel aan het voedsel toegevoegd zoals
dit bijvoorbeeld bij de mens gebeurt omdat een vogel geen speekselklieren in dit gebied heeft zitten.
Bij kippen en andere vogels gebeurt het bevochtigen pas later in het spijsverteringsproces.
De Slokdarm
De slokdarm dient om het voedsel vanuit de bek
verder het lichaam in te brengen. De slokdarm is
een gespierde buis, die loopt van de keelholte naar
de krop. De slokdarm bestaat (van buiten naar binnen) uit spieren, een laagje bindweefsel en een
laagje slijmvlies. In het bindweefsel bevinden zich
kliertjes die slijm produceren; dit slijm dient als glijmiddel. Het slijm zorgt er samen met de peristaltische bewegingen voor dat het voedsel naar de
krop wordt vervoerd. Wanneer de slokdarm een
peristaltische beweging maakt, trekken de spieren
zich vlak boven het voedsel samen; hierdoor vernauwt de slokdarm zich op die plaats. Tegelijkertijd
trekken andere spieren zich samen waardoor de
slokdarm vlak onder het voedsel iets wijder wordt.
Door deze samentrekkingen ontstaat een golvende beweging, waardoor het voedsel vooruit wordt
geschoven in de richting van de krop. Het vervoer
naar de krop is dus niet een kwestie van naar beneden vallen onder invloed van de zwaartekracht.
Vertering: het proces waarbij voedingsstoffen in de
darmen tot kleine partikeltjes worden afgebroken
en vanuit de darmen in de bloedbaan van een vogel terecht komen.
Een bekend voorbeeld van de afbraak van vezels
buiten de vogelwereld is onze melkkoe. Een koe
eet gras en ander vezelrijk materiaal en beschikt
voor de vertering hiervan over een viertal (!) magen. In de grootste van de vier magen, de pens,
kan het dier zo’n 150 liter ruwvezelig materiaal en
water opslaan. In die pens leven miljarden bacteriën die de ruwecelstof afbreken tot producten die de
koe wél kan gebruiken voor haar energievoorziening. Bij vogels zijn de hoatzins, oervogels uit het
stroomgebied van de rivier de Amazone in ZuidAmerika de tegenhanger van onze melkkoe. De
hoatzin leeft met name van heel moeilijk verteer-
87
Het voedsel wordt echt naar de krop toe gebracht
door middel van spierkracht en is een actief proces.
De Krop
De kip is erop ingesteld om in een zo kort mogelijke
tijd zoveel mogelijk voedsel binnen te krijgen. Dit is
zo gegroeid in de loop van de evolutie omdat de
kip een prooidier is en daarom dus ook een vluchtdier. Als je altijd op de vlucht bent dan heb je geen
tijd om even rustig te eten. Om toch voldoende
voedsel binnen te krijgen is het van belang dat het
voedsel zo snel mogelijk kan worden opgenomen.
Het voedsel wordt daarom dus ook meestal zonder
er eerst wat mee te doen, doorgeslikt. Wanneer je
veel voedsel wilt opslaan heb je hiervoor natuurlijk
ook de ruimte nodig. Hier komt de krop in beeld.
Deze doet dienst als extra opslagorgaan naast de
maag. In de krop wacht het voedsel op zijn beurt
om de kliermaag te mogen betreden en ondertussen wordt het voedsel (in de krop) ook bevochtigd
en gaan enkele verteringssappen aan het werk. De
krop biedt de kip de mogelijkheid om al het benodigde voedsel snel op te nemen en dit later, als de
kust veilig is, verder te verteren. Niet alle vogels
hebben een krop. Insecten- en vruchtenetende vogels bijvoorbeeld hebben geen krop omdat ze deze
niet nodig hebben. Duiven hebben een speciaal
soort krop; in de krop van een duif wordt een speciaal soort substantie (duivenmelk) afgescheiden
die als voedsel dient voor de jonge duiven.
Voerende houtduif
foto: G.Duif
De Kliermaag
De kliermaag is één van de twee magen waarover
een kip beschikt. In deze maag vindt de chemische
vertering plaats, net zoals bij de maag van ons
mensen. Deze chemische vertering gebeurt door
middel van zoutzuur. De pH waarde (=zuurgraad)
van de kliermaag ligt tussen de 3 en 4. Naast zoutzuur wordt in de kliermaag het enzym pepsine
afgescheiden; dit helpt mee bij de vertering van
eiwitten (het breekt eiwit af tot kleinere partikeltjes). Voor zover mogelijk wordt het voedsel hier
verteerd waarna het voedsel wordt doorgestuurd
naar de spiermaag.
galblaas en de alvleesklier. Enzymen die specifieke
voedselbestanddelen (eiwitten, koolhydraten, vetten)
mee helpen verkleinen (afbreken). Eiwitten, koolhydraten en vetten worden met behulp van deze enzymen verkleind tot dusdanig kleine partikeltjes dat
deze vanuit de darm kunnen worden opgenomen in
het bloed. Deze opname van koolhydraten, vetten en
eiwitten is een taak van de dunne darm en ook is de
dunne darm verantwoordelijk voor het transport van
de niet verteerde restanten van de darminhoud (de
afvalstoffen) naar de dikke darm.
Op de overgang van dunne darm naar dikke darm
liggen de blinde darmen. De mens heeft slechts een
rudimentair stukje blinde darm dat z’n functie verloren
heeft; een kat heeft er eentje; kippen hebben twee
blinde darmen. De blinde darmen nemen water op
uit de darminhoud. Ook bevatten de blinde darmen,
afhankelijk van de vogelsoort, kleine tot enorme aantallen bacteriën welke mee helpen bij de vertering
van vezels. Vlees-, vruchten en nectar etende vogels
hebben geen blinde darm. Hun voeding bevat geen
vezels zodat de blinde darmen bij deze vogels in de
loop van de evolutie kleiner zijn geworden dan wel
helemaal verdwenen.
Baltsende auerhaan (op achtergrond de hen)
H.Branje
De dikke darm
De dikke darm is het laatste deel van het spijsverteringskanaal. Evenals in de blinde darm wordt in
de dikke darm vocht uit de darmen opgenomen;
ook worden er vitaminen uit het voedsel gehaald.
In de dikke darm dikt de inhoud in en wordt deze
darminhoud klaar gemaakt om het lichaam te verlaten.
De endeldarm is het laatste gedeelte van de dikke
darm; hier wordt de ontlasting opgeslagen tot er
voldoende ontlasting is aangekomen en deze het
lichaam kan verlaten.
De cloaca
De cloaca is multifunctioneel: de ontlasting verlaat
het lichaam via de cloaca maar het ei doet dit ook
en tevens speelt de cloaca een belangrijke rol bij
de bevruchting (de eileider/zaadleider komt hier op
uit).
Bij de cloaca wordt de ontlasting (uit de darmen)
vermengd met het urinezuur (uit de nieren). Een
vogel heeft geen aparte uitgang voor urine. Het urinezuur wordt via de urineleiders aangevoerd die
net zoals de eileider/zaadleider direct in de cloaca
uitmonden.
Wordt vervolgd, Henk Branje
De Spiermaag
De tweede maag van de duif is de spiermaag. Het
voedsel komt hier terecht nadat het voor zover mogelijk chemisch is afgebroken in de kliermaag. Alles wat
niet chemisch af te breken is, wordt in de spiermaag
op een mechanische wijze verkleind. Verder deelt hij
ook een functie met de krop, de opslagcapaciteit is
namelijk vrij groot.
Voorbeelden van voedsel dat hier terecht komt zijn:
zaden, harde plantendelen en verschillende dierlijke
elementen. Dit voedsel wordt in de spiermaag als in
een keukenmachine vermalen door stevige spieren
en de steentjes die een duif speciaal voor dit doel
inslikt.
De spiermaag beschikt verder over harde, leerachtige richels, soms zelfs hoornige platen. Daaromheen
trekken zich voortdurend, hard aanvoelende spieren
samen. En de steentjes maken het geheel af, simpel
maar effectief. Gevuld met deze keitjes of het fijnere
grit doet de spiermaag vrijwel doorlopend zijn werk.
Ook bij een duif in schijnbare rust wordt er “gekauwd”
in de spiermaag. De steentjes zijn als het ware de
tanden van de duif omdat zij mee helpen het voedsel
te verkleinen. Vlees-, nectar en vruchtenetende vogels hebben geen spiermaag omdat het voedsel dat
zij opnemen niet verkleind hoeft te worden!
Geelrug molukkenlori; let op de borstelachtige tong
H.Branje
88
De Darmen
Meteen na de spiermaag komt de voedselbrij terecht
in de zogeheten twaalfvingerige darm welk stuk darm
zich tussen de maag en de dunne darm bevindt. Het
is een heel specialistisch stuk van de dunne darm
waar allerlei enzymen worden afgegeven door de
89
ALGEMEEN
DE NATIONALE VOGEL VAN DE ...DOMINICAANSE REPUBLIEK
Mensen hebben zich door de eeuwen met dieren geïdentificeerd. De ‘Nederlandse
leeuw’, die we op ons wapenschild voeren staat symbool voor kracht. Op andere
schilden komen we de adelaar tegen, als symbool van macht, schoonheid en
onafhankelijkheid. We kiezen dieren waarmee we ons als groep, land of streek
onderscheiden van anderen. Hiervoor kiezen we dieren die uniek zijn, bijzondere
vaardigheden hebben, veel voorkomen of gewoon mooi zijn. ‘De nationale vogel
van….’ laat u kennis maken met vogels die een officiële status hebben als nationale
vogel en daarmee een representatief symbool zijn voor hun land.
De Palmtapuit
Nederlands
Wetensch. naam
Engels
Frans
Duits
Palmtapuit
Dulus dominicus
Palmchat
Esclave palmiste
Palmschwätzer
De Palmtapuit van de Dominicaanse republiek
De Dominicaanse republiek, voor velen een bekende naam, maar waar ligt het ook al weer? Een blik
op de kaart van de Caraïben leert dat het op het
eiland Hispaniola ligt. De Dominicaanse Republiek
ligt aan de oostkant van het eiland en Haïti aan de
west kant. Op 17 februari 1844 werd de republiek
uitgeroepen, na een overwinning op de Haïtianen.
Daarvoor was het Spaans en Frans. Hoewel het
er iets beter gaat dan op de buurstaat Haïti, leeft
ook de doorsnee inwoner van de Dominicaanse
Republiek bepaald niet in luxe. Het parlement van
de Dominicaanse Republiek heeft de op het eiland
veel voorkomende palmtapuit vastgelegd als nationale vogel.
Grootte en uiterlijk
De palmtapuit is een 18 tot 20 centimeter lange
vogel met een olijfkleurige bovenzijde en staart.
De onderkant is vuilwit met olijfkleurige strepen.
Hij heeft stevige zwarte poten en een stevige gele
snavel die bij de punt enigszins oranjerood kleurt.
De ogen zijn roodbruin met een zwarte pupil.
Leefomgeving en verspreiding
De palmtapuit komt alleen voor op het eiland
Hispaniola en het eilandje Gonave. Op de eilanden is het een algemene vogel die gebieden
van zeeniveau tot 1500 meter hoog bewoont. Hij
geeft de voorkeur aan palmsavannes en andere
open gebieden met verspreide bomen en stuiken. De palmtapuit is een cultuurvolger en bewoont tegenwoordig ook parken en tuinen van
steden en dorpen, als er tenminste fruitbomen in
de nabijheid zijn.
Voedsel en leefwijze
De Palmtapuit komt zelden op de grond. Hij leeft
van vruchten, bessen en bloemen. Ook de vruchten van palmen worden gegeten, waaraan deze
vogel zijn naam ontleend. Als de vogel bloemen
eet, geeft hij de voorkeur aan de bloemen van de
inheemse orchideeën. Hoewel hij zich veel in het
gebladerte ophoudt, maakt hij zijn aanwezigheid
ruimschoots kenbaar door zijn luidruchtige gedrag.
Het zijn zeer sociale vogels en ze worden over het
algemeen in kleine groepen gezien. Ook rusten de
vogels samen, waarbij diverse koppels dicht tegen
elkaar kruipen.
Voortplanting
het grote nest zijn eigen ruimte en ingang. Deze
Het broedseizoen valt van mei tot juni. In deze pe- gezamenlijke nesten kunnen wel een doorsnede
riode worden 2 tot 4 witte eieren met veel (paars) van twee meter bereiken.
grijze vlekken gelegd.
Rik Meerema
Bijzonder
Palmtapuiten maken gezamenlijk een groot nest.
Met twee tot wel dertig paren worden flinke constructies gebouwd in de toppen van palmen, maar
er wordt ook gebruik gemaakt van andere bomen
en zelfs telefoonpalen worden gebruikt. Twijgen
en bladeren worden aan elkaar gevlochten en
daarna wordt er doorgebouwd. Ieder paar heeft in
AFCON KUNSTSTOF-GAAS
transparant/zwart kunststof gaas 13x13
€ 1,50 p/m2
nu aanbieding 13x13 in rollen van 25m2 of 50m2
nu € 1,00 p/m
2
bestel via www.afcon.nl of tel.: 06-53 48 69 32
90
91
TROPISCHE VOGELS
Links: juveniel
DE FLUWEELWEVER
SCHERPE MAAGKIEZEL
Als lid van het Ploceus–geslacht, is ook dit een temperamentvolle vogel. De vogel is
redelijk sociaal en vormt in de natuur vaak broedkolonies met grote textorwevers (Ploceus cucullatus). Als de afmetingen van de volière het toelaten, kunnen deze soorten
gecombineerd worden
1. voor kanaries - tropen - wildzang kleine parkieten etc.
2. voor grote parkieten - patrijzen kwartels - fazanten etc.
3. voor postduiven
Latijn: Ploceus nigerrimus
Engels: Vieillot's Black Weaver
Uw vogels hebben geen tanden...
Wel een spiermaag.
Zorg dat er SCHERPE KIEZEL in zit... !
Uiterlijke kenmerken
De man van de nominaatvorm (Ploceus n. nigerrimus) is gitzwart en heeft gele ogen. Zowel de veren
als poten en snavel zijn zwart. De pop van de nominaatvorm is mat bruin met een lichte tekening, alleen
op de vleugels. De ogen van de pop zijn eveneens
geel, maar veel minder sprekend. De meest voorkomende ondersoort van de fluweel wever, Ploceus n.
castaneofuscus, heeft een kastanjebruine rug en buik
en is verder eveneens zwart gekleurd. De kleur van
de ogen is eveneens geel.
De fluweelwever is een forse vogel en meet 14 cm.
Verspreidingsgebied en biotoop
Deze soort komt alleen voor zuidelijk van de Sahara
en zijn verspreidingsgebied is, vergeleken met andere Ploceus soorten, relatief beperkt. Hij is onder
meer te vinden in Nigeria, noord Angola en westelijk
Kenia. Zijn ondersoort (Ploceus n. castaneofuscus) is
te vinden is westelijk Afrika, namelijk Nigeria en Senegal. Het is een echte savannebewoner, maar verkiest
daarnaast ook bossen, bosranden en de omgeving
van dorpen.
Huisvesting
Deze soort vereist, zeker wanneer samengehouden
met andere vogels een ruimere volière. De volière
kan ingericht worden met grote takken. De volière
Fluweelwever, vrouwtje
92
nu ook oesterschelpengrit
VERKRIJGBAAR IN
DIERENSPECIAALZAKEN
Gratis monster en folder bij:
gehuisvest worden, zal de man nesten bouwen voor
meerdere poppen. Hij kan meerdere poppen tegelijk
onderhouden. De vogels kunnen geringd worden met
ringmaat 3.2
Soortbeschrijving opgesteld en gepubliceerd door
Werkgroep voor Ploceidae (http://www.ploceidae.eu)
SPECIALIST IN SCHERPE MAAGKIEZEL
Tel. (0485) 45 17 37 - Postbus 29 - 5450 AA Mill
Fluweelwever, kolonie
Fluweelwever, mannetje
beplanten heeft weinig zin aangezien de vogels deze
zullen slopen.
Sociale eigenschappen
Als lid van het Ploceus–geslacht, is ook dit een temperamentvolle vogel. De vogel is redelijk sociaal en
vormt in de natuur vaak broedkolonies met grote textorwevers (Ploceus cucullatus). Als de afmetingen van
de volière het toelaten, kunnen deze soorten gecombineerd worden. Blijf echter waakzaam. Tijdens het
broedseizoen zijn de mannen zeer actief en ronduit
druk. De vogels zijn polygaam, dus het is wenselijk de
man met meerdere poppen te huisvesten. Let echter
wel op hybride kweek met de grote textorwevers. Dit
kan voorkomen en is allerminst wenselijk.
Voortplanting
De mannen zijn gedurende de kweekperiode enorm
druk en produceren in deze periode veel nesten. De
man bouwt zijn nest met de bladeren van onder andere grove grassen. De vogel bouwt zijn nest in dode
takken. Het nest is in vorm vergelijkbare met het nest
van de grote textorwever. De ingang van het nest zit
aan de onderkant. Als het nest af is, bekleedt de pop
de binnenkant van het nest met zachte materialen
als veertjes, wol of pluisjes. De 2-3 eieren zijn blauwgroenig gekleurd. Meerdere legsels per jaar zijn geen
uitzondering en als er meerdere poppen per man
93
BERICHTEN
BERICHTEN
Berichten s.v.p. aanleveren vóór de 15e van
de maand voorafgaande aan de gewenste
verschijning in Vogelvreugd
ACTIVITEITEN VERENIGINGEN
Helden “Vogelvrienden Helden e.o.”
Vogelmarkt op elke 3e zondag van de maanden
september t/m mei.
Locatie Dorpscentrum “Kerkeboske”Aan de
Koeberg 3 te Helden Open 9.30-12.00 uur.
Vogelmarkten 2016:
Kerkrade 'Kleur en Vriendschap"
Vogelmarkt in 2016 op 21 feb; 2 okt; 13 nov
(tijdens nationale TT); 11 dec; in 2017: 8 jan, 5 feb.
locatie: Ejen Bouwerwei, Franciscanerstraat 44,
6462 CP Kerkrade (045-545.2852)
Voor meer info: W.Offermans, 045-8883231
of [email protected]
Geopend van 10.00 uur t/m 12.30 uur
Meerlo: “De Gevleugelde Vrienden Wanssum
e.o.” Vogelmarkten op elke vierde zondag van de
maanden januari t/m mei en sept t/m december
2011. Locatie ‘t Brugeind, de Leeuwerik 33 te
Meerlo. Open van 9.30 - 12.00 uur. Vogelmarkten
In 2016: 28 feb; 27 mrt; 24 april; 28 aug; 25 sept;
23 okt; 27 nov
Urecht, Eerste Utrechtse Kanarie Vereniging. De
beurzen worden gehouden bij clubgebouw aan de
Oregondreef 33 te Utrecht. Open van 10.00 tot
12.30 uur. Data: 21 feb, 20 mrt en 17 april. Vogels
mogen alleen aangeboden worden per twee in
één TT-kooi en dienen in een goede gezondheid
te zijn. Het is niet toegestaan uit de zogeheten
lopers te verkopen. De toegang is gratis. info:
www.eukv.eu of tel. 030-2421782.
IN MEMORIAM
Na een ziekbed van enkele jaren is ons zeer
gewaardeerd lid Sjra Smeets in de leeftijd van
77 jaar. Sjra was een ontwikkelaar van de rode
kanaries die hij vanaf 1960 had. In hem
verliezen wij een zeer toegewijd lid.
Afgelopen jaar is eveneens ons zeer
gewaardeerd lid Jo Thijssen overleden. Jo
Stond in het verleden zeer bekend met zijn
postuurvogels.
Wij Leden van De Gevederde Vriend wensen
familie en kennissen van beide overledenen
zeer veel sterkte met het verwerken van dit
grote verlies.
JUBILIEA
Gevleugelde Zanger” Lichtenvoorde.
Huldiging jubilarissen op de openingsavond
van onze onderlinge Tentoonstelling.
94
Louis Hulshof was 50 jaar lid van de Bond en
werd gehuldigd en toegesproken door dhr
Anne Houtkooper van de A.N.B.v.V. Hij ontving
een jubileumspeld en een oorkonde . Namens
de vereniging bood onze voorzitter Dhr. Henri
Groot-Zevert een attentie aan en ontving hij
een mooie bos bloemen.
Jos Hulshof en Frans Harbers 25 jaar Bondslid
en verenigingslid. Gehuldigd middels een
speld van de A.N.B.v.V. en toegesproken door
voorzitter Henri Groot Zevert. Ook deze heren
kregen een attentie van de vereniging
aangeboden. En er waren bloemen voor de
vrouwen.
Daarna was het nog gezellig samen zijn.
wilde en hij het niet meer kon opbrengen
om deze inspanning tot een goed einde
te brengen.
Niemand kon toen ook maar vermoeden
dat het zo snel met zijn gezondheid
achteruit zou gaan.
Wij zullen Stephan enorm missen, niet
alleen als bestuurder, maar ook als echte
vogelvriend.
Onze gedachte zijn bij zijn vrouw
Bernadien, zijn kinderen en kleinkinderen.
Wij wensen hen veel sterkte en kracht
toe in deze moeilijke tijd.
Tijdens onze Gewestelijke wedstrijd
hebben wij een gedachtenis hoekje
ingericht ter nagedachtenis aan Stephan.
Bestuur en leden "Ons Ideaal" Boxtel
e.o.
Louis Hulshof (r) ontvangt jubileumspeld van Anne Houtkoper
IN MEMORIAM STEPHAN
KERKHOF
Maandagmorgen 1 december bereikte ons het
droevige bericht van het onverwachte overlijden
van ons zeer gewaardeerde lid en bestuurslid
van onze vereniging, Stephan Kerkhof.
Hoewel wij wisten dat het niet goed ging met
de gezondheid van Stephan moesten wij te
vroeg en veel te snel afscheid van hem nemen.
Stephan voelde zich thuis bij onze vereniging,
en toonde dat door zich met hart en ziel voor
onze vereniging in te zetten.
Vol goede moed en met een enorme inzet
begon hij samen met ons aan de voorbereidingen
van de Gewestelijke wedstrijd van Gewest 5
welke wij dit jaar organiseerde.
Overal aan denkend en met de beste plannen
om er een mooie tentoonstelling van te maken.
Helaas heeft hij met pijn in het hart enkele
weken terug aangeven dat het lichaam niet
Rechts: viertal foto's van de openingsdag
in Apeldoorn.